De internationale inzet voor het VN-verdrag Handicap |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel 32 van de United Nations Convention on the Rights of People with Disabilities (UNCRPD),dat deze maand 10 jaar door Nederland geratificeerd is?
Op welke manier geeft u momenteel uitvoering aan dit artikel, waarin Nederland zich committeert aan de internationale bevordering van de rechten van mensen met een handicap?
Op welke manier vindt de samenwerking met VWS als coördinerend ministerie van de UNCRPD plaats met betrekking tot de uitvoering van dit verdrag?
Bent u bekend met de observaties die het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap in 2024 heeft gepubliceerd ten aanzien van de uitvoering van het verdrag?1
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland een «systematische en gecoördineerde strategie» mist om artikel 32 van het verdrag uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland mensen met een handicap onvoldoende «systematisch en actief» betrokken worden in de internationale samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Op welke manier geeft Nederland gevolg aan de aanbevelingen die in dit rapport geformuleerd zijn om een systematische en gecoördineerde strategie te ontwikkelen en om personen met een handicap systematisch en actief te betrekken?
Klopt het dat Nederland in 2030 opnieuw moet rapporteren over de uitvoering van dit verdrag? Zo ja, welke stappen worden verder ondernomen om artikel 32 van het VN-verdrag handicap beter uit te voeren?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van de leden Ceder en Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen (Kamerstuk 36 180, nr. 149)?
Het VN-rapport inzake mogelijke genocide en doelbewust geweld tegen Palestijnse kinderen in Gaza |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente rapport van de onafhankelijke VN-onderzoekscommissie, waarin wordt geconcludeerd dat Israël zich schuldig maakt aan genocidale handelingen in Gaza en dat Palestijnse kinderen doelbewust zijn gedood en verwond door militair geweld?1
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van de VN-commissie dat sprake is van een patroon waarbij Palestijnse kinderen worden gedood, verwond en beroofd van hun toekomst door aanvallen op kinderen, scholen, weeshuizen en medische voorzieningen?
Herkent het kabinet zich in de conclusie van de VN-onderzoekscommissie dat Israëlische strijdkrachten Palestijnse kinderen in Gaza doelbewust doden en verwonden, wat onder meer blijkt uit terugkerende gevallen van enkelvoudige schotwonden aan hoofd of borst? Zo nee, waarom niet?
Welke juridische gevolgen verbindt het kabinet aan deze bevindingen, in het bijzonder in het licht van de Nederlandse verplichting om genocide te voorkomen en het internationaal humanitair recht te doen eerbiedigen?
Welke consequenties verbindt het kabinet aan de ernstige bevindingen van de VN-commissie voor de Nederlandse relatie met de Israëlische regering?
Welke stappen zet Nederland om te voorkomen dat Nederlandse goederen, technologie, dual-usegoederen, militaire onderdelen of doorvoer via Nederland bijdragen aan mogelijke oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid of genocidale handelingen?
Is het kabinet bereid in EU-verband te pleiten voor aanvullende maatregelen, waaronder gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische bewindspersonen en militairen en herziening van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Welke inzet pleegt Nederland binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties om onafhankelijke onderzoeken naar oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en mogelijke genocide in Gaza te ondersteunen?
Op welke wijze garandeert Nederland het onafhankelijk en onbelemmerd functioneren van het Internationaal Strafhof, het Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen om verantwoordelijken voor ernstige internationale misdrijven ter verantwoording te roepen?
Wat gaat het kabinet doen met de aanbevelingen van deze VN-commissie?
Bent u bekend met de berichtgeving dat spelers van het Nederlands elftal, waaronder Justin Kluivert, Jurrien Timber en Crysencio Summerville, na de verloren Wereld Kampioenschap (WK)-wedstrijd tegen Marokko zijn overspoeld met racistische beledigingen en haatreacties op sociale media?1
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse internationals die ons land vertegenwoordigen op het hoogste sportieve podium na een nederlaag niet worden afgerekend op hun prestaties, maar op hun huidskleur?
Deelt u de opvatting dat dit een onacceptabele vorm van racisme is die niet alleen de betrokken spelers raakt, maar ook ingaat tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat?
Deelt u de opvatting dat deze uiting van racisme veel meer mensen raakt dan alleen de betrokken sporters, omdat zij ook een signaal afgeeft aan Nederlanders met een migratieachtergrond dat zij ondanks hun inzet en prestaties nog steeds op hun afkomst of huidskleur worden afgerekend?
Indien het antwoord op vragen 3 en 4 «ja» luidt, welke maatregelen neemt u om deze groep beter te beschermen, racisme krachtiger tegen te gaan en duidelijk uit te dragen dat afkomst of huidskleur nooit bepalend mag zijn voor de manier waarop iemand in Nederland wordt behandeld?
Heeft u contact opgenomen met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de betrokken spelers om hen desgewenst te ondersteunen bij vervolgstappen?
Deelt u de opvatting dat racistische online haat na grote sportevenementen inmiddels een voorspelbaar patroon vormt? Zo ja, hoe ondersteunt u topsporters en sportbonden voor en na grote sportevenementen?
Welke rol ziet u weggelegd voor het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI) in het bestrijden van online racisme in het voetbal, ook vanaf 2027?
Heeft u momenteel zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken in welke mate Nederlandse topsporters structureel slachtoffer zijn van online racisme en discriminatie, zodat beleid beter kan worden ingericht?
Acht u de mogelijkheden van politie en Openbaar Ministerie (OM) om personen die zich via sociale media schuldig maken aan racistische belediging, discriminatie, bedreiging of het aanzetten tot haat jegens Nederlandse sporters op te sporen en strafrechtelijk te vervolgen toereikend, ook wanneer daders gebruikmaken van anonieme accounts of buitenlandse platforms?
Op welke wijze werken Nederlandse autoriteiten samen met buitenlandse autoriteiten en online platforms wanneer daders zich buiten Nederland bevinden?
In hoeveel gevallen van online discriminatie of racistische uitingen heeft het OM de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk vervolging ingesteld en ziet u aanleiding deze aanpak te intensiveren?
Welke concrete verplichtingen vloeien voor (zeer grote) online platforms, zoals Instagram (Meta), Facebook, X en TikTok, voort uit de Digital Services Act bij het beperken van systematische racistische haatcampagnes en hoe wordt toegezien op naleving daarvan?
Heeft u aanleiding om te veronderstellen dat de betrokken platforms in deze zaak onvoldoende of te laat hebben ingegrepen tegen de golf aan racistische reacties? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u om platforms daarop aan te spreken of handhavend op te treden?
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen hun sociale media af te schermen om zichzelf tegen racistische haat te beschermen? Wat zegt dit volgens u over de huidige bescherming van slachtoffers van online discriminatie?
Verwacht u van grote platforms dat zij op voorspelbare piekmomenten, waaronder grote sportevenementen zoals een wereldkampioenschap voetbal, extra inzetten op moderatie en detectie van racistische uitingen en haatcampagnes? Zo ja, acht u de huidige inzet voldoende?
Kunt u uiteenzetten wat de voortgang is van het maatregelenpakket uit het Plan van aanpak tegen online discriminatie, gepresenteerd september 2025?
Herhaalde aanvallen van het Israëlische leger op medisch personeel in Libanon |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De eerste ambulance werd geraakt; toen de tweede, derde en vierde. Hoe Israël medisch personeel aanvalt in Libanon»?1
Herkent u het beeld dat het Israëlische leger in Libanon zogenoemde double-tap-aanvallen uitvoert, waarbij hulpverleners die na een eerste aanval te hulp schieten herhaaldelijk opnieuw worden beschoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie van de door NRC geraadpleegde experts dat deze aanvallen in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht, in het bijzonder met de bescherming van medisch personeel en ambulances? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u deze aanvallen op medisch personeel en ambulances in het licht van de verplichtingen van Israël onder artikel 2 van de EU-Israël Associatieovereenkomst?
Is het kabinet bereid deze aanvallen scherp en publiekelijk te veroordelen, en dit ook rechtstreeks over te brengen aan de Israëlische regering? Zo nee, waarom niet?
Hebben eerdere gesprekken met Israëlische Ministers en andere diplomatieke contacten geleid tot aantoonbare verandering in het optreden van het Israëlische leger? Zo nee, welke conclusie trekt het kabinet daaruit over de effectiviteit van diplomatieke waarschuwingen?
Is het kabinet bereid deze praktijken aan te grijpen om in Europees verband opnieuw en blijvend te pleiten voor spoedige politieke en handelsmaatregelen tegen Israël, zolang het Israëlische leger burgers, hulpverleners en medisch personeel blijft aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete gevolgen verbindt het kabinet aan de relatie met Israël nu het Israëlische leger, na meerdere waarschuwingen, opnieuw hulpverleners, ambulances en medische voorzieningen blijkt aan te vallen?
Het bericht ‘Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten»?1
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onacceptabel is dat burgers geïntimideerd worden met geweld, vandalisme en discriminerende symbolen?
Herkent u het geschetste beeld dat er sprake lijkt te zijn van een toename van gewelds- en vandalisme-incidenten bij moskeeën?
Gezien de hoeveelheid incidenten en de specifieke kenmerken ervan, in hoeverre is hier naar uw mening sprake van een patroon van gerichte aanvallen met een discriminerend karakter?
Wat gaat u doen om een voortzetting van de reeks incidenten tegen te gaan, daders aan te pakken en slachtoffers te beschermen?
Heeft u veiligheidsmaatregelen getroffen naar aanleiding van de recente incidenten? Zo ja, welke?
Bent u bereid om met de belangenorganisaties die hun zorgen hebben uitgesproken in gesprek te treden over wat er nodig is om de veiligheid en het gevoel van veiligheid te herstellen en moslimdiscriminatie tegen te gaan en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Kunt u uw reactie in het NOS-bericht, waarin u stelt dat u extra middelen voor de bescherming van moskeeën niet aan de orde acht, verder toelichten?
Klopt het dat er geen centrale registratie bestaat van het aantal incidenten met geweld en/of vandalisme rond moskeeën?
Bent u bereid blijvend te inventariseren hoe vaak dergelijke incidenten plaats hebben gevonden en plaatsvinden rond moskeeën en andere religieuze instellingen die geregeld doelwit van intimidatie zijn, zodat inzichtelijk kan worden of nadere veiligheidsmaatregelen nodig zijn?
Het bericht 'Emiraten blijken Colombiaanse huurlingen naar oorlog in Soedan te sturen' |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) betrokken zouden zijn bij het rekruteren, trainen en doorsturen van Colombiaanse huurlingen naar de Rapid Support Forces (RSF) in Soedan?1
Hoe beoordeelt u het rapport «From Bogotá to El Fasher»2 van Human Rights Watch, waarin wordt gesteld dat Colombiaanse huurlingen zijn getraind op militaire locaties in de VAE voordat zij naar Soedan werden uitgezonden?
Deelt u de opvatting dat iedere vorm van militaire, logistieke of financiële steun aan de RSF volstrekt onacceptabel is, gezien de ernstige beschuldigingen van oorlogsmisdrijven, genocidaal geweld en grootschalige wreedheden tegen burgers in Darfur en elders in Soedan?
Bent u bereid de VAE bilateraal in de strengst mogelijke termen aan te spreken op deze berichtgeving en volledige opheldering te eisen over mogelijke betrokkenheid van Emiratische autoriteiten en bedrijven, zoals de Global Security Services Group (GSSG), bij het trainen, financieren of doorsturen van huurlingen naar Soedan?
Heeft GSSG, voor zover bij u bekend, het VN-wapenembargo voor Darfur geschonden door Colombiaanse huurlingen te trainen en in te zetten voor de Rapid Support Forces in Soedan?
Bent u bereid in Verenigde Naties (VN)- en Europese Unie (EU)-verband te pleiten voor sancties tegen GSSG en directeur Mohamed Hamdan al-Zaabi, nu blijkt dat zij betrokken waren bij steun aan de RSF of schending van het VN-wapenembargo voor Darfur?
Bent u bereid in EU-verband te pleiten voor een onafhankelijk onderzoek naar de rol van externe actoren en bedrijven, waaronder de VAE en in de VAE gevestigde bedrijven, bij het in stand houden van de oorlog en mensenrechtenschendingen in Soedan?
Wat is, als lid van de Coalition for Atrocity Prevention and Justice voor Soedan, de Nederlandse inzet om wapenleveranties, huurlingenstromen en andere militaire steun aan strijdende partijen in Soedan via de Verenigde Arabische Emiraten te stoppen, en welke aanvullende stappen is het kabinet bereid te nemen om te voorkomen dat steun via de VAE de Rapid Support Forces bereikt?
Het huidige bezoek van de minister aan Egypte. |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Welke doelen heeft u gesteld aan uw bezoek aan Egypte?
Egypte is een belangrijke strategische partner voor Nederland in de regio. Mijn bezoek bood de gelegenheid voor verdieping van onze bilaterale relatie op thema’s als handel, migratiesamenwerking en humanitaire hulp.
Onderdeel van mijn bezoek was o.a. een succesvolle handelsmissie op tuin- en akkerbouw die bijdroeg aan kansen voor het Nederlands bedrijfsleven, maar ook als doel had nader inzicht te krijgen in de economische en maatschappelijke uitdagingen waar Egypte momenteel voor staat. Ook bood mijn bezoek de gelegenheid de samenwerking op het gebied van water verder te verdiepen, o.a. door betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven een impuls te geven. Nederland en Egypte vieren dit jaar 50 jaar watersamenwerking.
Mijn bezoek was ook een goede gelegenheid voor het bevestigen van de goede bilaterale migratiesamenwerking met Egypte als migratiepartnerland. Egypte is een belangrijk herkomst- en transitland voor migranten en vangt veel vluchtelingen op.
Een ander doel van dit bezoek was steun uitspreken voor de rol die Egypte speelt bij het leveren van humanitaire hulp aan Gaza. Ik heb ook de Nederlandse bijdrage aan humanitaire hulp in Gaza en het belang van humanitaire toegang benadrukt.
Spreekt u tijdens uw bezoek ook over de situatie van Soedanese en Palestijnse vluchtelingen waaronder medische evacuees en andere vluchtelingen die in Egypte verblijven? Zo ja, met welke insteek en doel?
Tijdens mijn bezoek heb ik met verschillende partijen gesproken over de situatie van vluchtelingen in Egypte. Egypte speelt een belangrijke rol bij de opvang van vluchtelingen uit de regio. Onderwerpen hierbij waren onder andere de impact van de recente ontwikkelingen in Soedan en het Midden-Oosten en de visie en verwachtingen van Egypte ten aanzien van de vluchtelingenrespons. Ik heb in die gesprekken ook de kwetsbare positie van vluchtelingen aan de orde gesteld. Tevens heb ik besproken hoe de Nederlandse inzet bijdraagt aan de situatie van vluchtelingen in Egypte, waar er momenteel nog uitdagingen liggen, en hoe we de samenwerking kunnen versterken. Een voorbeeld van deze Nederlandse inzet is het PROSPECTS partnerschap, dat beoogt onder meer Soedanese vluchtelingen en hun gastgemeenschappen in Egypte toegang te geven tot bescherming en basisdiensten zoals onderwijs. Daarnaast steunt Nederland Save the Children, dat in Egypte werkt aan de bescherming van kinderen van vluchtelingen en behandeling van ongeveer 600 patiënten, voornamelijk kinderen, uit Gaza. Deze patiënten en hun begeleiders krijgen medische behandeling in private klinieken, inclusief noodzakelijke nazorg voor psychosociale zorg, prothesen en fysiotherapie. Ik heb de Palestijnse medische evacuees uit Gaza en hun begeleiders gesproken om inzicht te krijgen in hun ervaringen.
Is aan u bevestigd dat er Palestijnse kinderen zijn die om medische redenen naar Egypte zijn geëvacueerd maar daar geen hoog-specialistische zorg kunnen ontvangen? Bent u voornemens extra hulp(inzet) voor deze kinderen en hun families beschikbaar te stellen, en indien dat niet in de mogelijk is, medische evacuatie naar Nederland als optie toe te voegen?
Tijdens mijn bezoek aan Egypte heb ik een beter eigen inzicht gekregen van de situatie van patiënten, waaronder kinderen, uit Gaza die voor een medische behandeling in Egypte verblijven. Duidelijk is dat Egypte een essentiële rol speelt in de medische hulpverlening aan patiënten uit Gaza. Van alle landen uit de regio vangt Egypte het grootste aantal medische evacuees uit Gaza op.
Nederland draagt middels diplomatieke inzet en een additionele bijdrage van EUR 25 miljoen bij aan de versterking van de medische capaciteit in Gaza en de regio. Financiële middelen worden via onze vaste humanitaire partners, zoals de Rode Kruis en Rode Halve Maanbeweging, de Dutch Relief Alliance en VN-organisaties, ingezet ter ondersteuning van zowel de acute als structurele medische capaciteit in Gaza en de regio.
Samen met deze organisaties blijft het kabinet kijken welke stappen het verder kan nemen ter versterking van de medische capaciteit in Gaza en de regio. De observaties tijdens mijn bezoek aan Egypte neem ik daarin mee. In lijn met mijn inbreng hierover tijdens het Commissiedebat Humanitaire Hulp van 9 april jl. is uw Kamer toegezegd dat in deze afweging de optie van een medische evacuatie van patiënten net buiten Gaza ook meegenomen kan worden.
Aangezien het een groep kwetsbare patiënten betreft, wil het kabinet deze afweging in alle zorgvuldigheid doen. U wordt hierover zo snel als mogelijk geïnformeerd.
Bent u bekend met de kritiek van de Verenigde Naties (VN) en verschillende humanitaire organisaties op de opvang en behandeling van vluchtelingen uit onder meer Soedan in Egypte? Zo ja, wat is uw reactie? Bent u het met ons eens dat opvang van vluchtelingen humaan moet zijn en hoe verhoudt zich dat tot deze kritiek?1
Ja. Tijdens mijn bezoek heb ik met verschillende organisaties gesproken over de opvang en behandeling van vluchtelingen in Egypte. Deze organisaties hebben hun zorgen met mij gedeeld. In mijn gesprekken met de Egyptische autoriteiten heb ik waardering uitgesproken voor het feit dat Egypte zoveel vluchtelingen langdurig opvangt. Daarbij heb ik echter ook opgeroepen tot een humane aanpak, met name waar het gaat om detentie of uitzetting van kinderen. De autoriteiten zegden toe naar schrijnende situaties, zoals het scheiden van gezinnen, te zullen kijken. Onze PROSPECTS partners zijn goed gepositioneerd om hierbij te ondersteunen, ondermeer bij de ontwikkeling van het Egyptische asielsysteem.
Bent u bereid de Europese Commissie op te roepen om de resterende miljarden uit het Europese financiële steunpakket voor Egypte pas vrij te geven als wordt toegezegd dat de rechten van Soedanese vluchtelingen zullen worden gerespecteerd?
Egypte ligt in een regio getekend door conflict en vangt al jaren heel veel vluchtelingen op, terwijl het land zelf vele uitdagingen kent. Tegelijkertijd maken wij ons zorgen over de positie van vluchtelingen bij aanhoudende conflicten en toenemende noden. Nederland ondersteunt Egypte om het waardig opvangen van vluchtelingen mogelijk te maken door o.a. het PROSPECTS programma. Dit gaat gepaard met de verwachting dat Egypte vluchtelingen daadwerkelijk bescherming biedt.
Nederland benadrukt, zowel bilateraal als in multilateraal en EU verband, richting Egypte dat behandeling van migranten en vluchtelingen in lijn met internationaal recht en mensenrechten moet plaatsvinden. In lijn met motie Piri (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3199) bepleit Nederland dat een deel van de EUR 200 miljoen onder het EU partnerschap die is gereserveerd voor migratiesamenwerking besteed moet worden aan de verbetering van bescherming en opvang van asielzoekers en vluchtelingen. Ook in de verdere uitwerking van het EU partnerschap met Egypte zal Nederland aandacht blijven vragen voor de meest kwetsbaren, zoals vluchtelingen.
Bent u het eens met de vraagstellers dat het onacceptabel is dat Egypte steun geeft aan de strijdende partijen in Soedan?
Het conflict in Soedan is buitengewoon complex. Er zijn vele Soedanese én niet-Soedanese actoren betrokken, met uiteenlopende en vaak wisselende belangen.
Egypte heeft sterke historische, politieke, economische, militaire en maatschappelijke banden met Soedan. Vanwege deze banden vervult Egypte een sleutelpositie bij het vinden van een politieke oplossing voor het conflict in Soedan. Om die reden is Egypte ook onderdeel van de Quad. De Quad is een samenwerkingsverband tussen de Verenigde Staten, Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië en Egypte dat zich momenteel inspant om een staakt-het-vuren te bereiken. Nederland spreekt Egypte, net als andere landen in de regio, aan op zijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de-escalatie en een politieke oplossing, en benadrukt daarbij het belang van het naleven van internationaal recht en een staakt het vuren.
Bent u het met ons eens dat de oorlog in Soedan door steun van buitenaf in stand wordt gehouden of in ieder geval langer duurt en heviger is dan het zou zijn zonder steun van buitenaf?
Het kabinet deelt de zorg van de vragenstellers over de impact van buitenlandse steun op het verloop van het conflict in Soedan. Nederland spreekt met alle landen in de regio over de situatie in Soedan. In deze gesprekken brengt Nederland stelselmatig zorgen over de humanitaire situatie naar voren, benadrukt het belang van het stoppen van de wapentoevoer naar Soedan in algemene zin, en onderstreept het de noodzaak van een staakt-het-vuren als eerste stap richting een politieke oplossing.
Daarnaast pleit Nederland binnen de Europese Unie voor een versterkte diplomatieke inzet richting relevante regionale actoren en multilaterale organisaties die betrokken zijn bij het conflict in Soedan (de VN, AU, IGAD en de League of Arab States).
Bent u bereid om tijdens uw bezoek Egypte op te roepen de steun aan de SAF te stoppen en om mee te helpen andere landen ook op te roepen de steun aan de RSF of de SAF te stoppen?
Ik heb tijdens mijn contacten met Egypte de crisis in Soedan en de noodzaak tot beëindiging van het geweld aan de orde gesteld. Egypte vervult, mede gezien zijn nauwe banden met Soedan, een belangrijke rol bij het bevorderen van een politieke oplossing voor het conflict en kan in Quad-verband een belangrijke bijdrage leveren aan het tot stand komen van een mogelijk staakt-het-vuren.
Nederland zal Egypte, evenals andere landen in de regio, blijven aanspreken op zijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de-escalatie en een politieke oplossing. Dat geldt voor alle vormen van steun die het conflict verlengen of verhevigen, aan zowel de RSF en gelieerde milities als de SAF.
Hoe zet u (handels)relaties met Egypte in om de druk op het stoppen van steun aan de strijdende partijen in Soedan op te voeren?
De goede bilaterale relatie met Egypte, onder andere op het gebied van handel en onze watersamenwerking, biedt de mogelijkheid in gesprekken ook zaken aan te kaarten waar de Nederlandse en Egyptische standpunten uiteenlopen.
Bent u bereid deze vragen met spoed en een voor een te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk en binnen de gestelde termijn beantwoord.
Bent u bekend met het bericht «Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de klas in: «Zien ze op TikTok»»?1.
Deelt u de zorgen van docenten en onderzoekers over de toename van desinformatie over de Holocaust onder leerlingen, mede als gevolg van AI gegenereerde beelden op sociale media?
Meer dan de helft van de leerlingen kon in een experiment een AI-gegenereerde foto van Auschwitz niet van een echte foto onderscheiden, deelt u de zorg dat een gebrek aan historische basiskennis leerlingen kwetsbaarder maakt voor desinformatie?
Herkent u het beeld dat vier op de tien docenten aangeeft dat sommige leerlingen de ernst van de Holocaust bagatelliseren? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Hoe beoordeelt u de huidige staat van mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen en acht u de huidige inspanningen voldoende?
Bent u bereid om additionele maatregelen te nemen om de mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen te verbeteren?
Hoe beoordeelt u het feit dat het momenteel voor eenieder mogelijk is om met AI-platforms als ChatGPT nepbeelden te genereren van de Holocaust, met als gevolg het ernstige risico op bagatellisering van dit verleden? Zo nee, bent u bereid maatregelen te treffen?
Over welke instrumenten beschikt u om op te treden tegen het genereren en verspreiden van AI-gegenereerde nepbeelden van de Holocaust op sociale media, mede gezien het feit dat het bagatelliseren van de Holocaust in Nederland strafbaar is?
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden tegen sociale media-accounts en -platformen die AI-gegenereerde Holocaustbeelden verspreiden waardoor grote groepen gebruikers met deze desinformatie in aanraking komen?
Bent u bereid in gesprek te gaan met sociale mediaplatforms zoals TikTok over het actief verwijderen van desinformatie en AI-gegenereerde nepbeelden over de Holocaust, en bent u bereid dit ook Europees te agenderen in het kader van de Digital Services Act?
Kunt alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta’ |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Mpanzu Bamenga (D66), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Israëlische strijdkrachten schepen met (onder meer) Nederlandse opvarenden in internationale wateren hebben geënterd en daarbij personen hebben aangehouden?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit van de Israëlische autoriteiten om op zo’n 1.000 km buiten de eigen territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone over te gaan tot aanhouding en detentie van Nederlandse burgers?
Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de schepen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht.
Bent u het ermee eens dat het aanhouden en detineren van Nederlandse burgers door Israël in internationale wateren in strijd is met het internationaal zeerecht en in het bijzonder met het beginsel van vrijheid van navigatie?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat dergelijk optreden een risicovol precedent kan scheppen voor extraterritoriale handhaving door staten?
Het standpunt van het kabinet is dat de exclusiviteit van rechtsmacht van de vlaggenstaat op volle zee met zich mee brengt dat niet zonder (voorafgaande) toestemming van de vlaggenstaat handhavend kan worden opgetreden tegen vreemde (koopvaardijschepen en daarmee gelijkgestelde) schepen op volle zee. Het internationaal recht erkent enkele uitzonderingen hierop, die volgens het kabinet niet van toepassing waren op de huidige situatie. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen zet u om dit tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen neemt het kabinet om Nederlandse zeevarenden in het algemeen, maar ook resterende opvarenden van de flotilla, in de toekomst te beschermen tegen onrechtmatige aanhouding (in internationale wateren) door derde staten?
Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten. Ook heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden. Verder heeft het kabinet aan de Griekse en Cypriotische autoriteiten verzocht Nederlandse deelnemers aan de Flotilla in nood desgevraagd bij te staan.
Verder ligt in algemene zin de verantwoordelijk voor de veiligheid van zeevarenden op internationale wateren, afhankelijk van de situatie, primair bij de vlaggenstaat of kuststaat, naast de rol van de kapitein en de eventuele reder. Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Deelt u de zorg, die ook onder de opvarenden leeft, dat Israëlische autoriteiten structureel onvoldoende humanitaire hulp Gaza in laten?
Ja. Het kabinet deelt de zorgen over de beperkte humanitaire toegang. In Gaza zijn tekorten aan vrijwel alles, van voedsel en water tot medische zorg en onderdak. Tegelijkertijd zien we dat de grensovergangen slechts zeer beperkt geopend zijn, en dat hulporganisaties zich geconfronteerd zien met restricties die hun operaties ernstig bemoeilijken.
Zo ja, welke concrete stappen zet Nederland, bilateraal en in EU-verband, om Israël te bewegen zich te houden aan zijn verplichtingen onder het internationaal recht en het staakt-het-vuren, waaronder het toelaten van voldoende humanitaire hulp?
Het kabinet zet zich in om de situatie in Gaza en de bezette Westelijke Jordaanoever te verbeteren, en doet dit door een combinatie van druk en dialoog in zowel bilateraal als multilateraal verband. Nederland heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van februari 2026 onderstreept dat de ontwikkelingen in Gaza en de bezette Westelijke Jordaanoever als gevolg van Israëlisch handelen het nodig kunnen maken om de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen opnieuw te agenderen. In de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. werd duidelijk dat er voor maatregelen, zoals het (gedeeltelijk) opschorten van het associatieakkoord, vooralsnog niet de benodigde meerderheid bestaat. Op 22 mei jl. heeft de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de Nederlandse inzet op dit vlak nogmaals benadrukt. Diverse moties indachtig blijft het kabinet toewerken naar draagvlak hiervoor.
Op gebied van humanitaire hulp in het bijzonder, blijft het kabinet er bij Israël op aandringen om professionele hulporganisaties, zoals de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s ongehinderde humanitaire toegang te verschaffen. Ook hier oefent Nederland druk uit op alle niveaus, zowel bilateraal als multilateraal. In dit kader blijft het kabinet zich ervoor inspannen dat Israël zijn herregistratieplicht voor internationale ngo’s niet implementeert. Zo heeft de Minister-President zijn gesprek met de Israëlische president op 1 april jl. benadrukt dat de humanitaire situatie in Gaza moet verbeteren en dat Israël alle grensovergangen moet openstellen voor humanitaire hulp. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft dit nogmaals benadrukt in het gesprek met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken op 15 april jl.
Het bericht dat Defensie steevast wegkijkt bij racisme. |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Fatimazhra Belhirch (D66), Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Defensie kijkt steevast weg bij racisme, zeggen deze militairen»?1
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme bij Defensie onacceptabel zijn, dat er hiervoor binnen Defensie geen plek is en dat iedere vorm en uitlating ervan resoluut aangepakt moet worden?
Wat is uw reactie op de ervaringen van de betrokken militairen dat meldingen van racisme onvoldoende worden opgepakt en in hoeverre herkent u deze signalen?
Hoe verklaart en beoordeelt u dat militairen met een migratieachtergrond drempels ervaren om discriminatie en racisme te melden, mede vanwege angst voor repercussies of negatieve gevolgen voor hun loopbaan? En wat zegt dit volgens u over het vertrouwen in de organisatie?
In hoeverre duiden deze signalen volgens u op een breder cultuurprobleem binnen (delen van) Defensie, en welke elementen van die cultuur dragen hier volgens u aan bij?
Welke concrete verantwoordelijkheid dragen leidinggevenden bij het signaleren en aanpakken van racisme, en op welke wijze worden zij hier aantoonbaar op beoordeeld en afgerekend?
In hoeverre wordt in het kader hiervan uitvoering gegeven aan de motie Bamenga (Kamerstuk 36 250, nr. 422) over het bevorderen dat in beoordelingscycli van leidinggevenden wordt opgenomen dat zij actief zorg dragen voor een veilige en inclusieve werkomgeving vrij van racisme en discriminatie?
Kunt u uiteenzetten hoe het huidige meldsysteem (zoals het COID) functioneert in de praktijk, en in hoeveel gevallen meldingen van racisme de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot concrete maatregelen of sancties?
Hoe wordt geborgd dat daders consequent worden aangesproken (inclusief maatregelen) en dat melders van racisme daadwerkelijk worden beschermd tegen benadeling?
In hoeverre acht u het wenselijk dat meldingen en onderzoeken naar racisme volledig onafhankelijk van de hiërarchische lijn plaatsvinden? Hoe is dit nu geborgd?
Overwegende dat twee (oud) medewerkers refereren aan diverse racistische uitspraken: hoe beoordeelt u de volgende uitspraken? Deelt u de opvatting dat dergelijke uitspraken racistisch en absoluut onacceptabel zijn, en dat hier altijd consequent tegen moet worden opgetreden?
Hoe beoordeelt u de opmerking die gemaakt zou zijn door het COID (namelijk de vraag aan Zaahir om de melding over het afslachten van moslims te laten vallen omdat anders de persoon die dat gezegd zou hebben zijn baan kwijt zou raken)?
Bent u bereid met betrokkenen in gesprek te gaan om hun ervaringen te horen, excuses aan te bieden voor de gang van zaken en te bezien of herstel of vervolgacties (mocht daar behoefte aan bestaan) passend zijn?
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van de nazi-uitingen binnen Defensie in 2018 (en tot welke concrete resultaten heeft dat geleid)?
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van het artikel van 10 klokkenluiders bij Defensie uit 2023 over hoe het melden van misstanden bij Defensie erin resulteert dat je zelf onder de loep wordt genomen (en tot welke tastbare resultaten heeft dat geleid)?
Kunt u een overzicht geven van alle onderzoeken, rapporten en Kamerbrieven over misstanden, racisme en discriminatie binnen Defensie in de afgelopen 15 jaar? Kunt u per document aangeven welke aanbevelingen zijn gedaan, welke zijn opgevolgd en welke concrete resultaten zijn bereikt?
Welke lessen trekt Defensie uit andere organisaties (nationaal of internationaal) die succesvol discriminatie hebben aangepakt, en op welke wijze vertaalt u deze lessen naar concrete maatregelen binnen Defensie?
Bent u bereid nog dit jaar te komen met een lijst van concrete maatregelen (inclusief planning) hoe Defensie racisme en discriminatie gaat aanpakken, de meldingsbereidheid gaat worden verhoogd en hoe gaat worden voorkomen dat melders uiteindelijk slachtoffer worden van hun eigen melding?
In hoeverre is er bij Defensie een discriminatietoets verricht door de Staatscommissie Discriminatie en Racisme?
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van de aanpak van racisme en discriminatie binnen Defensie?
Het bericht ‘Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTI’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTIQ+’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland» waaruit blijkt dat opnieuw meerdere Instagramaccounts van LHBTIQ+-organisaties, activisten en gemeenschappen, waaronder accounts uit Nederland, offline zijn gehaald of ontoegankelijk zijn gemaakt?1
Ja, daar zijn we bekend mee.
Bent u eens met de stelling dat het blokkeren van specifieke LHBTIQ+ accounts en content onrechtmatig, discriminerend en onacceptabel is? Bent u het ook eens met de stelling dat het optreden hiervan, meermaals en herhaald in vrij korte tijd, niet steeds door Meta afgedaan kan worden als een incident maar dat het onderdeel lijkt te zijn van hun beleid?
Het zonder motivering blokkeren van lhbtiq+-accounts lijkt in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA), zeker als dit herhaaldelijk gebeurt. Wanneer een platform besluit een account te schorsen of te beëindigen, moet dat gebeuren binnen de kaders van de DSA. De DSA verplicht online platforms om, bij het toepassen van inhoudsmoderatie (zoals het schorsen of verwijderen van een account), op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Het is aan de bevoegde toezichthouder of rechter om daar uiteindelijk een oordeel over te vellen.
Deelt u de ernstige zorgen dat het blokkeren van LHBTIQ+ personen en LHBTIQ+ organisaties, zonder geldige reden, discriminerend is, de vrijheid van meningsuiting aantast en de acceptatie en het veiligheidsgevoel van LHBTIQ+-gemeenschap onder druk zet? Zo ja, waarom en welke acties onderneemt u om deze ernstige zorgen te adresseren?
Die zorgen delen we. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de organisaties en personen die dit overkomt, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Het kabinet is van oordeel dat iedereen een verantwoordelijkheid heeft voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementale Plan van aanpak tegen online discriminatie.2 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid, en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Ook is er aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen online in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.3 Een van de doelstellingen is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Is het bij u bekend in hoeverre andere minderheidsgroepen dan LHBTIQ+ ook te maken hebben met structurele discriminatie en aantasting van hun vrijheid van meningsuiting door sociale media platforms?
Voor zover eventuele aantasting van de vrijheid van meningsuiting door socialemediaplatforms zelf plaatsvindt, zijn hierover geen cijfers bij ons bekend. Het recente rapport «Discriminatiecijfers in 2025» laat zien dat veel mensen regelmatig online discriminerende uitingen tegenkomen of zelf ervaren.4 Daarbij gaat het ook om andere minderheidsgroepen dan lhbtiq+ personen. De European Observatory of Online Hate laat eveneens zien dat er sprake is van online haat op socialemediaplatforms.5 Tegelijk weten we dat slechts een klein deel van deze ervaringen uiteindelijk wordt gemeld bij de bevoegde instanties. Online discriminatie is complex en wordt niet eenduidig geregistreerd. De aanwezigheid van online haat en discriminatie op platforms kan negatieve effecten hebben op de mate waarin minderheidsgroepen gebruik (kunnen) maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting.
Kunt u toelichten in hoeverre het blokkeren van deze LHBTIQ+ accounts en content zonder duidelijke uitleg in lijn is met de verplichtingen uit de Digital Services Act, met name ten aanzien van transparantie, motivering en effectieve bezwaarprocedures en welke stappen het kabinet en de Europese Commissie zetten om hier actief op te handhaven?
Het blokkeren van accounts en content zonder duidelijke uitleg is in strijd met de verplichtingen uit de DSA. Op grond van de DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Zij zijn verplicht om, bij het toepassen van dergelijke beperkingen, op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Ook moeten zij een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij een dergelijk besluit nemen. In dat geval moeten zij ook de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Afnemers kunnen op grond van de DSA ook geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.6
Welke acties zijn sinds de vorige blokkades (in december 2025) ondernomen door het kabinet of bevoegde toezichthouders naar aanleiding van deze signalen?
De Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft de signalen aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. In aanvulling daarop is ook op ambtelijk niveau navraag gedaan bij Meta over de blokkades om meer informatie te krijgen. Daarnaast is het signaal met de Europese Commissie gedeeld. De Europese Commissie kan naar aanleiding van deze signalen besluiten om nader onderzoek in te stellen naar de naleving van de DSA door Meta en, indien nodig, handhavend optreden.
Is er tevens contact geweest met belangenorganisaties van LHBTIQ+ personen om te vragen welke signalen er nog meer zijn en waar behoefte aan is?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie staat in goed contact met strategische samenwerkingspartners die de belangen van de lhbtiq+-gemeenschap behartigen. De strategische partners zijn zelf niet getroffen door ongemotiveerde schorsingen of verwijderingen. Zij staan wel in contact met de getroffen organisaties. Met hen bespreken we wat de getroffen organisaties hebben ervaren en ook gaan we in gesprek met een aantal van de getroffen organisaties om te horen wat hun ervaringen zijn en waar behoefte aan is.
Welke mogelijkheden ziet u voor zich om bij sociale media platformen de transparantie over het blokkeren van accounts af te dwingen zodat voor gebruikers duidelijk is op welke gronden een blokkade is ingesteld en waar ze terecht kunnen met klachten of vragen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Welke mogelijkheden heeft u om platforms ertoe te bewegen geblokkeerde accounts te herstellen en/of gedupeerden te ondersteunen bij het herstellen van hun account?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Welke maatregelen gaat u nemen tegen sociale media platforms die LHBTIQ+ personen en organisaties discrimineren? En welke aanvullende maatregelen overweegt u om het digitaal targetten van LHBTIQ+ gemeenschappen via sociale media platforms tegen te gaan en de LHBITQ+ gemeenschap beter te beschermen?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. Platforms als Meta moeten bij het toepassen van hun inhoudsmoderatie rekening houden met grondrechten in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, waaronder het recht op non-discriminatie. In het algemeen moeten zij de toepasselijke Europese wetgeving, waaronder de DSA, naleven. Het is aan de bevoegde toezichthouder, in dit geval de Europese Commissie, om deze regelgeving te handhaven. De lopende onderzoeken en procedures naar Meta tonen aan dat de Commissie dit doet. Voor de aanvullende kabinetsinzet op het gebied van het tegengaan van online discriminatie en het bevorderen van gender- en lhbtiq+-gelijkheid verwijzen we u naar antwoorden 3 en 7.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De snel verslechterende situatie in het oosten van Congo |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente signalen vanuit het maatschappelijk middenveld dat de situatie in het oosten van Congo in hoog tempo verslechtert, onder meer door het massaal terugtrekken van donoren als gevolg van sancties en afnemende financiering?1 Hoe beoordeelt u de acute humanitaire en economische gevolgen hiervan?
Ja, ik ben op de hoogte van de zorgelijke en voor de bevolking uiterst ingrijpende situatie in het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC). De signalen die wij ontvangen, onder meer vanuit het maatschappelijk middenveld, zijn verontrustend. Het aanhoudende conflict maakt beschikbaarheid van diensten en producten, zoals gezondheidszorg, voedsel en onderwijs, drinkwater voor de lokale bevolking steeds beperkter, met oplopende humanitaire noden tot gevolg. De huidige volatiele situatie en beperkte humanitaire toegang maakt het voor organisaties actief in het gebied moeilijk om hun werk uit te kunnen voeren. Daarom maakt de EU zich hard voor verbeterde humanitaire toegang. EU Commissaris Lahbib bracht hiertoe recent een bezoek aan de regio en kondigde tevens extra humanitaire hulp aan. De EU is de grootste humanitaire donor in de Grote meren regio.
Zie tevens het antwoord op vraag 2.
Deelt u de zorg dat de bevolking in het oosten van Congo zich in de steek gelaten voelt door zowel hun nationale overheid als de internationale gemeenschap? Welke concrete stappen zet Nederland om de bevolking in het oosten van Congo te ondersteunen?
De internationale gemeenschap spant zich middels lopende vredesprocessen in om tot een politieke oplossing van het conflict te komen. De EU verkent mogelijkheden om het vredesproces onder leiding van de Afrikaanse Unie te ondersteunen.
Naast de humanitaire bijdragen van de EU, spant ook Nederland zich in voor humanitaire dienstverlening aan de bevolking in het conflictgebied in de DRC, met een bijdrage van EUR 9 miljoen aan het landenfonds van de VN en EUR 8,6 miljoen aan de Dutch Relief Alliance voor programmering in 2026. Daarnaast geeft Nederland ook ongeoormerkte bijdragen aan hulporganisaties (VN, Rode Kruis) die ook in het oosten van de DRC werkzaam zijn. Zo is Nederland een van de grootste donoren van het Central Emergency Response Fund (CERF) van de VN, dat in 2025 bijna USD 50 miljoen aan hulp voor de DRC beschikbaar maakte.
Ook is Nederland in het gebied actief middels steun aan uitvoeringsorganisaties via het Grote Meren Programma. Tot eind 2027 worden met Nederlandse hulp projecten uitgevoerd die steun bieden op het gebied van toegang tot gezondheidszorg, met focus op SRGR, voedselzekerheid en water, en rechtsbijstand.
Hoe beoordeelt u berichten dat de economie in delen van het oosten van Congo vrijwel tot stilstand komt en dat lokale organisaties en maatschappelijke initiatieven op omvallen staan? Wat betekent dit voor de stabiliteit in de regio op korte en middellange termijn?
De berichten komen overeen met de analyse van lokale partners van de ambassade in de DRC en internationale experts. Door het conflict worden handelsroutes gehinderd, is de belastingdruk op ondernemingen verhoogd, is de landbouwproductie afgenomen en zijn industrieën minder gaan produceren. Hierdoor zijn veel mensen uitgeweken naar andere delen in het land en de regio, en is de werkgelegenheid sterk gedaald. Het conflict heeft een destabiliserend effect op de bredere Grote Meren regio. Zonder een duurzame politieke oplossing is de verwachting niet dat er op de korte of middellange termijn significante stabilisering merkbaar zal zijn.
Kunt u ingaan op signalen dat het gezondheidssysteem in het oosten van Congo dreigt te bezwijken, onder meer door belemmerde import van medische goederen en het wegvallen van leveringen van essentiële medicijnen en vaccins vanuit Kinshasa? In hoeverre acht u deze berichten betrouwbaar en wat is de Nederlandse inzet om verdere instorting te voorkomen?
Het gezondheidssysteem staat onder druk in de DRC in het algemeen, en in het oosten van de DRC in het bijzonder. De gezondheidszorg binnen en buiten de door M23 bezette gebieden kent een tekort aan personeel, medicijnen, materialen en financiële middelen. Gezondheidscentra zijn daarnaast regelmatig het doelwit van aanvallen en plunderingen door verschillende gewapende groepen, met als gevolg dat ook medisch personeel moet vluchten of thuis moet blijven. Verder worden humanitaire organisaties regelmatig de toegang tot gemeenschappen ontzegd door gewapende groepen, of zijn de toegangswegen dusdanig slecht dat de gemeenschappen niet meer te bereiken zijn. Ik acht deze berichten daarom betrouwbaar.
Nederland steunt gezondheidscentra in de door M23 bezette gebieden op het gebied van hulp aan slachtoffers van geweld tegen vrouwen, en steunt programma’s voor verbeterde voeding voor kinderen en zwangere vrouwen. Deze steun, en die van andere donoren, helpen de nog functionerende gezondheidscentra om diensten te blijven aanbieden en contacten met hulporganisaties te behouden.
Hoe beoordeelt u de sterke toename van seksueel en gender gerelateerd geweld (SGBV) en de aanhoudende mensenrechtenschendingen in de regio, mede in het licht van berichten dat communicatie hierover actief wordt onderdrukt? Op welke wijze zet Nederland zich in voor bescherming van burgers en het documenteren en adresseren van deze schendingen?
De sterke toename van seksueel en gender gerelateerd geweld is zeer zorgwekkend. Nederland steunt verschillende initiatieven in het oosten van de DRC om slachtoffers van seksueel en gender gerelateerd geweld bij te staan en hulp te leveren. Daarnaast steunt Nederland diverse actoren die mensenrechtenschendingen documenteren. Verder steunt de activiteit Defend Defenders mensenrechtenverdedigers, en werken verschillende activiteiten van het Building Peaceful Societies programma in de bezette gebieden onder meer aan het sensibiliseren van strijdende partijen over het Internationaal Humanitair Recht.
Klopt het dat Nederland inzet op een afbouw van activiteiten in de Grote Meren regio in Afrika? Zo ja, hoe verhoudt deze strategie zich tot de snel verslechterende situatie ter plaatse en bent u bereid deze inzet te heroverwegen en te bezien welke rol Nederland nu en in de toekomst kan en moet spelen in het oosten van Congo?
In de Kamerbrief betreffende het beleid van ontwikkelingshulp van 20 februari 20252 is uw Kamer geïnformeerd over het voornemen tot beëindigen van het Grote Meren Programma (GMP). Ik zal de Kamer voor het zomerreces informeren over de uitvoering van de motie-Bamenga c.s. over voortzetten van succesvolle programma’s van het GMP.
Kunt u toezeggen, overwegende dat ondanks een eerdere Kamerbrief over de breed gesteunde motie-Bamenga c.s. (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 32) die verzoekt tot continuering van het Grote Meren Programma er nog altijd geen duidelijkheid is over de wijze waarop deze continuering met Nederlands ontwikkelingsgeld in deze regio wordt vormgegeven, om succesvolle programma’s binnen het Grote Meren Programma te continueren en zo snel mogelijk met een brief te komen over de exacte uitvoering van de motie-Bamenga c.s.?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe kijkt u naar het bericht dat er een akkoord gesloten zou zijn tussen de rebellen en de Congoleze overheid over het leveren van humanitaire hulp?2 Wat betekent dit concreet voor de Nederlandse inzet in de regio?
Het is van belang dat alle strijdende partijen bewust zijn van hun rol en verplichtingen rond het zorgen voor vrije toegang van humanitaire hulp aan getroffen gemeenschappen. Deze verplichtingen vanuit het Internationaal Humanitair Recht zijn niet afhankelijk van akkoorden en dienen altijd gerespecteerd worden. Daarom pleit Nederland in Europees en internationaal verband voor het openen van humanitaire corridors en het respecteren van het Internationaal Humanitair Recht, waaronder ongehinderde humanitaire toegang. Akkoorden kunnen deze verplichtingen benadrukken of faciliteren en kunnen in die zin ondersteunend zijn, maar vervangen reeds bestaande internationale verplichtingen niet.
Het bericht 'Nu Trump de geldkraan voor aidsbestrijding dichtdraait dreigt Zuid-Afrika 'twintig jaar terug te gaan in de tijd' |
|
Marc Vervuurt (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het artikel van Trouw waarin wordt gesteld dat door Amerikaanse beleidswijzigingen en daardoor het wegvallen van Pepfar de financiering van hiv/aids-programma’s in Zuid-Afrika aanzienlijk is verminderd?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat door deze financieringswijzigingen hiv-testcapaciteit, preventieprogramma’s en lokale zorgstructuren onder druk zijn komen te staan?
De signalen dat testcapaciteit, preventieprogramma’s en lokale zorgstructuren onder druk staan, neem ik serieus. Financiering is essentieel voor het functioneren van zorgsystemen en voor een effectieve preventie. Abrupte veranderingen kunnen directe gevolgen hebben voor de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Volgens recent PEPFAR persbericht zijn Amerikaanse uitgaven voor tegengaan van hiv-aids met 30% gedaald, maar blijft de VS een significante donor op dit gebied.
Deelt u de analyse dat juist het teruglopen van testen en preventie kan leiden tot een structurele toename van nieuwe infecties op middellange termijn?
Ja, die analyse deel ik. Verminderde toegang tot testen en preventie kan op middellange termijn leiden tot een toename van nieuwe hiv-infecties. Als meer mensen geïnfecteerd raken en minder mensen hun hiv-status kennen, is de kans op verdere transmissie groter. Dit kan eerder behaalde vooruitgang in de bestrijding van hiv-aids afremmen.
Hoe beoordeelt u de specifieke impact van deze financieringsstop op kwetsbare groepen, waaronder lhbtiq+-gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen?
Kwetsbare groepen, zoals lhbtiq+ gemeenschappen, zwangere vrouwen en kinderen, maar ook sekswerkers en mensen die drugs gebruiken worden doorgaans onevenredig hard geraakt door de gevolgen van teruglopende financiering.
Deelt u de zorg over het afhaken van besmette personen voor behandeling waardoor behaalde winst teniet wordt gedaan?
Ja, die zorg deel ik. Om het virus te onderdrukken hebben mensen die leven met hiv, levenslang medicatie nodig. In gevallen waar toegang tot deze behandeling plots wegvalt, vormt dit een groot risico voor de eigen gezondheid en voor de beheersing van de infectieziekte.
In hoeverre acht u het risico reëel dat Zuid-Afrika, en mogelijk andere landen in Afrika, «twintig jaar terug» worden gezet in de bestrijding van hiv/aids?
De vooruitgang kan deels verloren gaan als financiering structureel vermindert. Voor Zuid-Afrika, als middeninkomensland, geldt dat de overheid het merendeel (76%) van de aidsbestrijding financiert vanuit het nationaal budget (in 2.024 USD 1.6 miljard), wat het risico op terugval beperkt. Echter, omliggende landen met minder budgettaire ruimte lopen een groter risico. Gerichte internationale steun blijft daarom van belang. Ondanks de daling van 30%, blijft de VS een significante donor in de hiv-bestrijding in Afrikaanse landen.
Welke mogelijke consequenties voorziet u door deze ontwikkeling voor de mondiale gezondheidsdoelen, waaronder het streven om aids in 2030 te beëindigen?
Deze ontwikkeling kan het behalen van mondiale gezondheidsdoelen, waaronder het beëindigen van aids als dreiging voor de volksgezondheid in 2030 bemoeilijken. Data van UNAIDS over toekomstige scenario’s tonen aan dat eerder geboekte vooruitgang verloren kan gaan als voldoende financiering voor preventie, diagnose en behandeling ontbreekt.
Welke rol speelt de Europese Unie (EU) en Nederland momenteel in het opvangen van de financieringskloof die ontstaat door Amerikaanse terugtrekking? Is het reeds besproken op EU-niveau? Zo nee, bent u bereid om dit op Europees niveau te agenderen?
De Europese Unie en Nederland steunen via multilaterale fondsen en maatschappelijke organisaties de versterking van nationale hiv/aids-bestrijdingsprogramma’s in het mondiale zuiden. Nederland hecht aan duurzame, voorspelbare en effectieve financiering voor gezondheidsbeleid en draagt daaraan bij via diplomatieke inzet voor efficiëntere gezondheidssystemen. Door Nederland gesteunde fondsen als het Global Fund to fight AIDS, Tuberculosis and Malaria hanteren daarbij het uitgangspunt dat partnerlanden meer eigen middelen inzetten naarmate hun inkomensniveau stijgt. Op die manier kan externe financiering geleidelijk worden afgebouwd. Ook via de Nederlandse bijdrage aan de Global Financing Facility van de Wereldbank worden landen gestimuleerd eigen budget vrij te maken voor gezondheidsbeleid.
Op EU-niveau heeft Nederland het stopzetten van USAID besproken in overleggen over de EU Mondiale Gezondheidsstrategie en het EU Global Health Resilience Initiative. Nederland pleit daarbij voor een sterke en gecoördineerde Europese aanpak om de positieve impact te vergroten. De weggevallen Amerikaanse financiering kan echter niet door Nederland en de EU worden gecompenseerd. Daarvoor is de weggevallen steun te omvangrijk.
Is Nederland voornemens zijn bijdrage aan internationale hiv/aids-programma’s te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich inzetten voor mondiale gezondheid en het tegengaan van hiv-aids binnen de bestaande budgettaire kaders.
Zo is Nederland de grootste donor van UNAIDS (EUR 18,2 miljoen in 2026). Ook draagt het jaarlijks bij aan Global Fund to fight AIDS, Tuberculosis and Malaria (EUR 48,8 miljoen). Daarnaast loopt er een hiv-aids programma in Zuidelijk Afrika (EUR 9,8 miljoen in 2026).
Het kabinet is voornemens in 2026 een nieuw hiv/aids programma (EUR 100 miljoen 2026- 2030) te starten in 7 landen in Zuidelijk Afrika, waaronder Zuid-Afrika. De Nederlandse bijdrage aan internationale hiv-aids programma’s in 2026 zal daarmee uitkomen op ongeveer EUR 81 mijloen.
De Verenigde Staten (VS) heeft niet alleen de totale hoeveelheid financiering sterk verminderd, maar stelt, in de vorm van de uitgebreide global gag rule, ook verstrekkende voorwaarden aan wat voor een werk organisaties en landen mogen doen die Amerikaanse steun krijgen, hoe beoordeelt u deze uitgebreide global gag rule?
Het kabinet staat pal voor mensenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Deze staan wereldwijd onder druk en dat is zorgwekkend. De inzet van het kabinet blijft erop gericht om, in gezamenlijkheid met andere landen, bestaande internationale afspraken op het gebied van mensenrechten, SRGR en gendergelijkheid te beschermen en organisaties die zich hiervoor inzetten duurzaam te ondersteunen.
Welke effecten op de strijd tegen hiv/aids voorziet u als gevolg van de uitgebreide global gag rule? Kunnen deze regels ook impact hebben op de effectiviteit van Nederlandse investeringen, bijvoorbeeld in hiv/aids? Zo ja, welke stappen neemt u om de impact van de regels op Nederlandse investeringen te minimaliseren?
De daadwerkelijke impact van het Amerikaanse beleid is nog niet helder. Het beleid geldt voor nieuwe bijdragen van de VS en werkt niet met terugwerkende kracht. De VS heeft aangegeven dat een ontheffing (waiver) mogelijk is op dit beleid. Het is nog onduidelijk of, voor wie en waarvoor de VS dergelijke ontheffingen gaat toekennen.
Echter, als een organisatie niet meer kan werken op het gebied van diversiteit en inclusie, kan dit de toegang van gemarginaliseerde groepen tot gezondheidszorg belemmeren. Dit kan leiden tot een toename in hiv-infecties wereldwijd.
Het Amerikaanse beleid kan worden toegepast op organisaties die Nederlandse financiering ontvangen. Het kabinet zet zich in om via eigen programma’s en partnerschappen de eventuele negatieve effecten hiervan zoveel mogelijk te beperken. Zo gaan we het gesprek aan met organisaties waarvan we weten dat zij ook financiering van de VS ontvangen. Tegelijkertijd zal Nederland zich nog nadrukkelijker diplomatiek en politiek inspannen voor toegang tot goede gezondheidszorg, inclusief SRGR, voor iedereen. Wij zoeken hierbij de samenwerking met gelijkgezinden, om samen bij te dragen aan aidsbestrijding.
Bent u bereid in EU- en multilateraal verband actief te pleiten voor het stabiliseren van financiering voor hiv/aids-programma’s? Zo ja, op welke termijn en via welke kanalen?
Nederland zet zich zowel in EU- als multilateraal verband actief in voor een effectieve mondiale aidsbestrijding, met een nadrukkelijke focus op de mensenrechtenbenadering (tegengaan van stigma en discriminatie van gemarginaliseerde groepen) hierbinnen. Nederland zet tijdens de onderhandelingen over de nieuwe Global Europe-pijler van het Meerjarig Financieel Kader (MFK), in op aandacht voor zowel mondiale gezondheid als seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (inclusief hiv-aids).
Op multilateraal niveau zal Nederland tijdens de vijfjaarlijkse VN High Level Meeting on HIV/AIDS in juni pleiten voor de aanname van een sterke politieke verklaring, waarmee het internationale politieke draagvlak voor een effectieve en duurzaam gefinancierde mondiale aidsbestrijding opnieuw bevestigd wordt. Verder is Nederland op dit moment de voorzitter van de Programme Coordinating Board (PCB) van UNAIDS. In deze rol maakt Nederland zich sterk voor duurzame financiering en integratie van hiv-aids aanpak binnen brede gezondheidszorg. Binnen het hervormingsproces van de VN (UN80) zet Nederland zich actief in voor een succesvolle transitie van UNAIDS en het behoud van een sterke multi-sectorale, community-led en op mensenrechten gebaseerde mondiale hiv/aids aanpak.Nederland vervult hiermee een erkende voortrekkersrol binnen de mondiale aidsbestrijding op Europees en multilateraal niveau.
Ziet u naar aanleiding van een terugtrekkende VS mogelijkheden om Europese landen sterker te positioneren als een betrouwbare en stabiele partner op het vlak van mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in het Afrikaanse continent?
De EU en Europese lidstaten zijn samen een van de grootste donoren op het gebied van mondiale gezondheid in Afrika. Deze positie brengt mogelijkheden om gezamenlijk te werken aan een grotere impact op het vlak van mondiale gezondheid en SRGR in Afrikaanse landen. Zie beantwoording vraag 8.
De EU en lidstaten werken al veel samen op het gebied van gezondheid en SRGR, inclusief hiv-aids in Afrika binnen de kaders van de EU mondiale gezondheidsstrategie. Zo werkt NL samen met EU lidstaten aan een versterkte samenwerking en coördinatie op het gebied van SRGR in de context van het Team Europe Initiatief SRGR. Nederland is een actieve en vastberaden partner met name op gelijke toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, specifiek voor gemarginaliseerde groepen.
Een sterkere positionering vereist eensgezindheid binnen de EU op SRGR. Dit vergt voortdurend diplomatieke inspanningen waarvoor Nederland zich met gelijkgezinden blijft inzetten.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorgaand aan het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkeling van 12 mei aanstaande?
Helaas is dat niet gelukt.
Bent u bekend met het bericht «Palestijnse kinderen gemarteld in Israëlische cel: rapport Save the Children wijst op onhoudbare situatie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevinding dat Palestijnse kinderen, van wie velen zonder formele aanklacht worden vastgehouden, in Israëlische detentie worden mishandeld en ondervoed en verstoken blijven van contact met hun familie, juridische bijstand en toegang tot hulporganisaties?
Het rapport bevat schokkende conclusies die niemand onberoerd laten. Jonge kinderen zijn kwetsbaar en verdienen juist bescherming. Foltering is onacceptabel. Het verbod op foltering is absoluut, en is een regel van dwingend internationaal recht. Het kabinet wijst Israël consequent op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag. Ook roept het kabinet Israël al langere tijd op om de detentieomstandigheden van Palestijnen in Israëlische detentiecentra te verbeteren en het ICRC ongehinderde toegang te verlenen. In het bezoek van de mensenrechtenambassadeur afgelopen november is daar uitgebreid bij stilgestaan. Ik heb het rapport aan de orde gesteld bij de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar. Het kabinet verzoekt Israël om opheldering over de aantijgingen in het rapport, en vervolging van eventuele daders.
Is het grootschalig vasthouden van Palestijnse kinderen door Israël naar uw oordeel in lijn met het VN-Kinderrechtenverdrag, dat bepaalt dat kinderen uitsluitend als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur mogen worden gedetineerd?
Het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt dat inhechtenisneming uitsluitend volgens de wet plaatsvindt en slechts als uiterste maatregel wordt toegepast, voor de kortst mogelijke passende duur. Het langdurig vasthouden van grote aantallen kinderen zonder enige vorm van proces in detentiefaciliteiten is in strijd met deze verplichting.
Bent u bereid in contacten met uw Israëlische counterparts met urgentie aan te dringen op onmiddellijke toegang van onafhankelijke hulporganisaties, zoals het Rode Kruis, en advocaten tot deze minderjarigen, en op het toestaan van contact tussen deze kinderen en hun ouders of verzorgers?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Op welke wijze draagt Nederland momenteel bij aan juridische ondersteuning van Palestijnse minderjarige gevangenen? Ziet u mogelijkheden om steun te bieden aan advocaten en organisaties die rechtsbijstand verlenen aan Palestijnse minderjarigen in detentie?
Nederland draagt via partnerorganisaties bij aan het bewaken van de fundamentele rechten van gedetineerde Palestijnen, waaronder (het faciliteren van) juridische ondersteuning. Hierbij is een specifieke focus op kinderen in detentie.
Deelt u de mening dat deze constateringen wederom wijzen op schendingen door Israël van zijn verplichtingen onder het internationaal recht, en daarmee opnieuw aanleiding geven om actief te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieverdrag?
Zie het antwoord op vraag 2. Conform de toezegging aan uw Kamer en indachtig de motie Piri c.s.2 en motie Van der Werf/Lanschot3 heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. verzocht om een update van de evaluatie van Israëls naleving van artikel 2 van het Associatieakkoord, om op basis daarvan de discussie in de EU verder te kunnen voeren. In de Raad was hiervoor onvoldoende steun. Voor de door een aantal lidstaten voorgestelde gedeeltelijke of volledige opschorting van het Associatieverdrag was eveneens onvoldoende steun in de Raad. De kabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord blijft erop gericht om voorstellen voor EU-maatregelen, waaronder maatregelen op het gebied van handel, uitdrukkelijk op tafel te houden.4
De aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid |
|
Heera Dijk (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid ooit?1
Het kabinet onderstreept het belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakt en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend met de excuses die in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning zijn aangeboden. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Tegelijkertijd heeft het kabinet zich kritisch opgesteld ten aanzien van onderdelen van de resolutie, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt. Het staat landen verder vrij om resoluties in te dienen over onderwerpen die zij belangrijk vinden.
Kunt u, overwegende dat de Nederlandse staat in 2022 excuses heeft gemaakt voor het slavernijverleden, toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming?
Ja. Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Welke boodschap heeft u voor Nederlanders die dagelijks last hebben van de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden en geschrokken zijn van de stemonthouding?
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
Op welke manieren werkt u momenteel al aan bewustwording over en herstel van (de doorwerking van) het Nederlandse koloniale- en slavernijverleden?
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft al uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft via bestaand beleid. Dat ziet onder meer op erkenning, herdenken en het creëren van een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Bijvoorbeeld door het versterken van maatschappelijke initiatieven, aanpassingen in het onderwijs, meer onderzoek, dialoog met betrokken gemeenschappen en de aanpak van racisme en discriminatie.
Daarmee wordt niet vanaf nul begonnen, maar voortgebouwd op een programma dat al in uitvoering is en de komende periode verder wordt verdiept. Met oog voor de historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de in het regeerakkoord opgenomen ambitie om actief te werken aan maatschappelijke bewustwording over het koloniale- en het slavernijverleden en de blijvende impact daarvan, en hoe gaat u in ieder geval de zes Caribische eilanden daarbij betrekken?
Ja.
De zes Caribische eilanden zijn daarbij vanaf het begin betrokken.
In samenwerking met Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Maarten en Sint Eustatius is gewerkt aan eilandelijke actieagenda’s, waarin toezeggingen van 19 december 2022 zijn vertaald in concrete projectplannen. Deze zijn inmiddels aangeboden en toegekend. Voorbeelden van impactvolle projecten zijn DNA onderzoek naar oorspronkelijke afkomst van de gemeenschappen op de Bovenwindse eilanden, (multifunctionele) erfgoedcentra op Aruba en Sint Eustatius, ontwikkeling van een NT3-model (een onderwijskundig concept) waarbij Nederlands als vreemde taal wordt geïmplementeerd in het primair onderwijs op Bonaire en de digitalisering en het vervolgens toegankelijk maken van koloniale archieven op onder andere Curaçao. Daarnaast is op verschillende momenten input opgehaald vanuit de gemeenschappen voor de vormgeving van de subsidieregeling maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden.
Kunt u de uitvoering van de VN-resolutie opnemen in de aangekondigde voortgangsbrief slavernijverleden die de Kamer in het eerste kwartaal zou ontvangen, en kunt u aangeven wanneer u de Kamer deze brief toezendt?
Ja. In de aangekondigde brief over de voortgang van de acties rond het slavernijverleden zal, voor zover relevant, ook worden ingegaan op de internationale context van deze resolutie en op de wijze waarop Nederland reeds invulling geeft aan de onderdelen die het onderschrijft.
De brief wordt voor het zomerreces aan uw Kamer toegezonden.
Het bericht 'Toename geweld Israël in Gaza sinds Iran-oorlog: 'De wereld kijkt andere kant op'' |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de toename van geweld in Gaza in de afgelopen weken?1
Deelt u het oordeel dat juist nu extra moet worden ingezet op steun aan bestaande hulpstructuren in Gaza?
Is het kabinet nog steeds van plan de relatie met UNRWA te herstellen, zoals afgesproken in het coalitieakkoord? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn zal hier uitvoering aan worden gegeven?
Welke financiële consequenties zijn verbonden aan deze coalitieafspraak voor de komende jaren?
Hoe bent u van plan om te gaan met de wens van de Eerste Kamer om de BNI-koppeling in de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking te herstellen?
De wens van de Eerste Kamer is goed gehoord. Het kabinet actualiseert het ODA-budget op basis van een koppeling aan het BNI, investeert in ontwikkelings-samenwerking en zet zo een stap richting de internationale OESO-norm. De motie Huizinga-Heringa (Kamerstuk 36 600 XVII, M) is hiermee uitgevoerd, de moties die vragen om een koppeling aan 0,7% van het BNI niet (motie Holterhues in de Eerste Kamer, Kamerstuk 36 725, F; motie Hirsch in de Tweede Kamer, Kamerstuk 36 725 XVII, nr. 51).
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Basisscholen onder vuur wegens beschuldiging discriminatie: 'Willen witte scholen wit houden'’ |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Basisscholen onder vuur wegens beschuldiging discriminatie: «Willen witte scholen wit houden»»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Hoe duidt u de onacceptabele situatie die geschetst wordt in het bericht, waarin kinderen mogelijk wegens hun migratieachtergrond worden geweigerd of ontmoedigd bij toelating tot basisscholen?
Naar aanleiding van uw vragen is vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) contact opgenomen met het verantwoordelijke bestuur, stichting Prohles. Het bestuur geeft aan dat het, na het besluit over de voorgenomen sluiting van de Sjaloomschool, samen met de directeuren van de andere Prohles-scholen een plek heeft gezocht voor de leerlingen die een nieuwe plaatsing nodig hebben. Daarbij is afgesproken dat niemand op voorhand zou worden geweigerd. Ouders kregen een advies over welke school (of scholen) voor hun kind(eren) plek heeft volgend schooljaar en de ouders zijn uitgenodigd om daar te gaan kijken. Ouders zijn soms bij een andere school langsgegaan dan de school die hen was aangeraden en kregen daar te horen dat er geen plek was voor hun kind(eren).
In het eerdergenoemde contact met Prohles, heeft Prohles aangegeven dat dit enkel te maken had met de capaciteit van de betreffende klas of klassen. Toch hebben sommige ouders dat anders gehoord of ervaren. Prohles heeft de scholen daarop aangesproken dat geen enkele leerling op voorhand zou worden geweigerd. Daarna heeft Prohles een ouderavond georganiseerd. Prohles garandeert dat alle kinderen een plek krijgen, rekening houdend met de voorkeur van de ouders.
Naar aanleiding van de voorgenomen sluiting van de Sjaloomschool en het signaal uit de media is er veelvuldig contact geweest vanuit de Inspectie van het Onderwijs met de school en het bestuur. De Inspectie is tevreden over de stappen die het bestuur sindsdien richting de school en ouders heeft gezet en ziet geen reden om handhavend op te treden.
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme geen rol mogen spelen in het toelatingsproces van basisscholen?
Ja. Discriminatie op basis van afkomst is in Nederland verboden. Afkomst mag nooit reden zijn om een kind de toegang tot een school te weigeren. Wat de intenties of afspraken ook waren in de geschetste situatie, het is hoe dan ook pijnlijk dat deze Katwijkse ouders en kinderen het zo hebben beleefd.
Een school mag alleen bij uitzondering om bepaalde redenen toelating weigeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om gebrek aan capaciteit.
Bijzondere scholen mogen onder strikte voorwaarden bij toelating tot of deelname aan het onderwijs onderscheid maken op basis van religie of levensovertuiging, voor zover een dergelijk onderscheid een relatie heeft met de grondslag van de school. Deze voorwaarden zijn neergelegd in met name artikel 7, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling.2
Worden signalen van discriminatie wegens een migratieachtergrond bij toelating tot het onderwijs actief gemonitord?
Meldingen van discriminatie en racisme worden door verschillende bevoegde instanties bijgehouden. Het College voor de Rechten van de Mens (CvdRM) en de antidiscriminatievoorzieningen, zoals bedoeld in de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen, maken in rapportages van ontvangen meldingen een uitsplitsing naar discriminatiegrond en het domein waarop dit zich afspeelt. Het College voor de Rechten van de Mens laat weten dat deze cijfers vanwege het zeer geringe aantal verzoeken om een oordeel over discriminatie in het onderwijs niet verder worden uitsplitst naar subcategorieën, zoals de toelating tot het onderwijs. De antidiscriminatievoorzieningen ontvingen in 2025 in totaal negen meldingen over discriminatie bij toelating tot onderwijs wegens een migratieachtergrond. De Inspectie van het Onderwijs blijkt vorig jaar 55 meldingen te hebben ontvangen over toelatingen in het primair onderwijs. Signalen over discriminatie ontvangt zij zelden.
Zo ja, heeft u concrete cijfers van meldingen van (vermoedens van) discriminatie bij toelatingen tot onderwijs, bijvoorbeeld via de inspectie, de ouders, het onderwijs of het College van de Rechten van de Mens?
Zie antwoord vraag 4.
Zo niet, bent u van plan om meldingen van discriminatie bij toelatingen tot onderwijs actief te monitoren?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u voornemens maatregelen te treffen om discriminatie van leerlingen bij toelating tot het onderwijs tegen te gaan? Zo ja, welke?
Er is voorzien in verschillende instrumenten om discriminatie, ook bij de toelating tot scholen, tegen te gaan. De betreffende wetgeving hierover is duidelijk. Daarnaast blijken de huidige instrumenten toereikend om vermoedens van discriminatie bij toelating tot het onderwijs aan te pakken.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om scholen te verplichten om in een openbaar register of op hun website actueel inzicht te geven in de beschikbare capaciteit per school of leerjaar, zodat voor ouders transparant is wanneer een school daadwerkelijk vol is en wordt voorkomen dat het argument van «geen beschikbare plaatsen» selectief wordt gebruikt?
Naar aanleiding van de motie Krul3 verkent het Ministerie van OCW of scholen verplicht kunnen worden het aantal beschikbare plaatsen openbaar te maken. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in de jaarlijkse Kamerbrief over passend en inclusief onderwijs.
Hoe weegt u de leerplicht en het recht op onderwijs tegenover het weigeren van leerlingen op basis van hun afkomst?
Het weigeren van leerlingen op grond van afkomst is discriminatie en niet toegestaan op grond van de Algemene wet gelijke behandeling.
Welke mogelijkheden hebben ouders wanneer zij vermoeden dat hun kind ongelijk wordt behandeld bij toelating tot een school?
Ouders hebben bij een dergelijk vermoeden veel mogelijkheden.
Met het wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs, dat momenteel aanhangig is bij uw Kamer, doet de regering voorstellen om de klachtenprocedure te herzien.
Hoe wordt toezicht gehouden op toelatingsbeleid van scholen, en welke rol speelt de Inspectie van het Onderwijs hierbij?
De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de naleving van de onderwijswetten. Het toezicht van de Inspectie op het toelatingsbeleid is signaalgericht. Als de Inspectie een melding krijgt van mogelijke discriminatie bij toelating, neemt zij contact op met het bestuur. Doorgaans merkt de Inspectie dat besturen de wettelijke vereisten respecteren bij het vormgeven van hun toelatingsbeleid. De Inspectie kan de melding nader onderzoeken en indien het bestuur de onderwijswetgeving niet heeft nageleefd ook handhaven. De inspectie stelt hierbij een wettelijke tekortkoming vast en geeft het bestuur de opdracht om dit te herstellen.
Bent u bekend met het bericht «Starter gezocht: leeftijd steeds vaker reden voor discriminatie» waaruit blijkt dat leeftijd steeds vaker een reden is voor discriminatie, onder andere bij werving en selectie?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Kunt u reageren op de inhoud van dit bericht?
Uit het bericht komt naar voren dat het afgelopen jaar het aantal meldingen en verzoeken om een oordeel over leeftijdsdiscriminatie is toegenomen bij het College van de Rechten van de Mens (CRM). Leeftijdsdiscriminatie betekent dat iemand wordt benadeeld vanwege zijn leeftijd, bijvoorbeeld jongeren of ouderen. De meldingen hadden daarnaast vooral betrekking op leeftijdsdiscriminatie bij werving en selectie. Het uitsluiten van mensen op basis van leeftijd is niet toegestaan en onacceptabel. Ik vind het van belang dat mensen bij werving en selectie objectief worden beoordeeld. Leeftijd mag daarbij geen rol spelen.
Hoe verklaart u dat leeftijdsdiscriminatie ondanks een wettelijk verbod toch voorkomt op de arbeidsmarkt? Waar schiet volgens u de huidige aanpak tekort?
Het is helaas bekend dat ondanks een wettelijk verbod op discriminatie, discriminatie op diverse gronden waaronder ook leeftijd, nog steeds voorkomt. Er worden veel inspanningen verricht door de rijksoverheid om discriminatie te voorkomen en aan te pakken. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het nieuwe kabinet actief aan de slag gaat met het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie. Van werkgevers vragen we dat zij hun verantwoordelijkheid nemen in het beëindigen van discriminatie op de werkvloer en bij werving en selectie. Ik ga hierover zo snel mogelijk in gesprek met de Kamer.2 Momenteel worden werkgevers gestimuleerd en ondersteund om gelijke kansen te bieden bij het wervings- en selectiebeleid via het Offensief Gelijke Kansen. Hierbij worden werkgevers ondersteund via diverse hulpmiddelen om discriminatie bij werving en selectie tegen te gaan. Het is bekend dat veel discriminatie onbewust plaatsvindt. Met het Offensief Gelijke Kansen worden werkgevers hiervan bewust gemaakt en krijgen zij handvatten om onbewuste aannames en vooroordelen tegen te gaan.3
Herkent u het beeld dat er een toename is van leeftijdsdiscriminatie? In hoeverre speelt een hogere meldingsbereidheid een rol in de stijgende cijfers?
Het meten van discriminatie is moeilijk, onder meer omdat het gaat om persoonlijke ervaringen van slachtoffers, mensen discriminatie niet altijd als zodanig herkennen en mensen niet altijd overgaan tot het doen van een melding. Gemiddeld meldt 1 op de 10 mensen een incident van discriminatie.4 Het aantal meldingen van discriminatie bij officiële instanties zoals de politie en het CRM kan een beeld geven van discriminatie in Nederland. In de monitor Discriminatiezaken 2025 komt een duidelijke toename naar voren ten aanzien van leeftijdsdiscriminatie, met name bij werving en selectie. Mensen weten dus steeds beter hoe en waar ze een discriminatie-incident moeten melden en dit draagt bij aan de verdere aanpak van discriminatie.
Dit zou indirect kunnen zorgen voor een toename van de meldingsbereidheid en daarmee een verhoging van het aantal meldingen. Tegelijkertijd is het moeilijk vast te stellen of meldingsbereidheid meespeelt bij de toename van het aantal meldingen of leeftijdsdiscriminatie in het algemeen. Het kabinet blijft zich inzetten om de drempels voor het melden van discriminatie te verlagen. De Minister van BZK werkt aan een landelijke publiekscommunicatie, die hieraan actief bijdraagt. De lancering van de campagne is beoogd voor de tweede helft van 2026.
Heeft u in beeld of leeftijdsdiscriminatie een algemeen verschijnsel is op de arbeidsmarkt ofwel voornamelijk voorkomt in specifieke sectoren en gevallen?
Het is mij niet bekend of er onderzoek gedaan wordt naar leeftijdsdiscriminatie in specifieke sectoren. Wel weten we dat veel meldingen van discriminatie bij officiële instanties vaak betrekking hebben op arbeidsmarktdiscriminatie, specifiek bij werving en selectie en dat leeftijdsdiscriminatie daarbij relatief veel voorkomt. Uit de Nationale enquête arbeidsomstandigheden 2024 gaf 11% van de werknemers aan zich in de afgelopen twaalf maanden gediscrimineerd te hebben gevoeld op het werk. Discriminatie vanwege afkomst, huidskleur of nationaliteit (3,4%) en vanwege leeftijd (2,9%) kwamen het meest voor, gevolgd door discriminatie vanwege geslacht (2,1%).5
Op welk vlak schiet het huidige beleid tekort als veel 55-plussers ondanks de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt toch moeite hebben om passend werk te vinden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens dat discriminatie, en meldingen van discriminatie, serieus genomen en beter afgehandeld moeten worden?
Iedere melding van discriminatie die bij een officiële meldinstantie binnenkomt wordt serieus genomen, geregistreerd en opgevolgd. Een goede afhandeling van meldingen is van groot belang. Op dit moment kunnen mensen die discriminatie ervaren dit melden bij onder andere de politie en het CRM. Wel blijft het moeilijk om discriminatie objectief vast te stellen. Het gaat om persoonlijke ervaringen van mensen die niet altijd goed met feiten onderbouwd en aangetoond kunnen worden. Een oordeel van het CRM kan vervolgens gebruikt worden voor civielrechtelijke stappen. De antidiscriminatievoorzieningen (ADV) in Nederland bieden laagdrempelig toegang tot hun meldpunten en ondersteunen melders bij de afhandeling van hun klacht, geven hen advies en beantwoorden vragen over discriminatie. Het kabinet werkt aan het verder versterken van de ADV’s. Zo werkt de Minister van BZK aan een wetsvoorstel waarmee de huidige ADV’s twee nieuwe taken krijgen, namelijk het werken aan preventie van discriminatie en het actief doorgeleden van mensen ten behoeve van nazorg.
Hoe zorgt u op het moment ervoor dat werkgevers en HR-professionals beter worden voorbereid op het herkennen en voorkomen van leeftijdsdiscriminatie?
In het Offensief Gelijke kansen wordt samen met AWVN, SER-Diversiteit in Bedrijf en branche- en sectororganisaties gewerkt aan de opschaling van evidence-based methodes voor objectieve werving en selectie van werknemers bij met name het midden- en kleinbedrijf. Veel van deze methodes komen voort uit de werkagenda Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (VIA). En samen met werkgevers wordt er gewerkt aan de (door)ontwikkeling van effectieve interventies in de in- en doorstroom en de talentontwikkeling van werknemers, de actieve ondersteuning van bedrijven en het uitdragen van de opgedane inzichten op het gebied van objectieve werving en selectie. Dit draagt bij aan het verbeteren van de arbeidsmarktkansen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, waaronder ouderen of jongeren.
Welke andere maatregelen neemt u om oudere mensen aangesloten te houden op de arbeidsmarkt?
Naast het Offensief Gelijke Kansen wil het kabinet met behulp van actieve ondersteuning en begeleiding op maat de arbeidsmarktkansen van alle werkzoekenden vergroten, dus ook die van 55-plussers. UWV, gemeenten, werkgevers, werkenden en werkzoekenden werken hier elke dag hard aan. Daarom richten wij ons op dit moment op de versterking van de arbeidsmarktinfrastructuur. Dit omvat de verdere ontwikkeling van de Werkcentra waar werkzoekenden, werkenden en werkgevers ondersteuning krijgen bij hun werk- en ontwikkelvragen, en de versterking van het van-werk-naar-werk-stelsel, waarin sociale partners gerichte inspanningen leveren.
Daarnaast wordt onder coördinatie van de Minister van Binnenlandse Zaken gewerkt aan de brede aanpak van discriminatie. Deze aanpak werkt ook op de bewustwording rondom discriminatie en kan hierdoor tevens bijdragen aan de positie van ouderen op de arbeidsmarkt. Zo kunnen ouderen die in een sollicitatieprocedure leeftijdsdiscriminatie ervaren dit melden bij een ADV of bij het CRM. Daarnaast ziet de nieuwe preventieve taak voor ADV’s ook op het voorkomen van leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt.
Welke consequenties zijn momenteel verbonden aan leeftijdsdiscriminerend handelen door werkgevers of organisaties?
Een oordeel van het CRM is openbaar en als beoordeeld is dat er sprake is van discriminatie, kan dit o.a. leiden tot imago- en reputatieschade van een werkgever. Vaak is dit al genoeg voor een organisatie om passende maatregelen te nemen. Een oordeel van het CRM kan daarnaast ook gebruikt worden in een rechtszaak. Een rechter kan vervolgens civielrechtelijke sancties opleggen zoals een schadevergoeding of nietigverklaring, als er bijvoorbeeld sprake is van ontslag op basis van discriminatie.
Kunt u ons nader informeren wat de stand van zaken is en welke concrete resultaten de ingezette maatregelen hebben opgeleverd, zoals die zijn aangekondigd in de Kamerbrief van 18 januari 2024?2 Zijn er sinds deze Kamerbrief aanvullende acties ondernomen? Zo ja, welke? Zo nee, bent u nog voornemens aanvullende acties te ondernemen?
Mijn ambtsvoorganger in het kabinet Rutte IV heeft zich met de Seniorenkansenvisie ingezet om een algemene herwaardering van 55-plussers op de arbeidsmarkt te realiseren. Het Verweij Jonker Instituut heeft als belangrijk onderdeel van de Seniorenkansenvisie afgelopen jaar onderzocht of een assessment de beeldvorming van werkgevers kan veranderen en of het assessment de werkzoekende meer inzicht geeft in de eigen vaardigheden, zodat de baankansen worden vergroot.7 Het onderzoek geeft aan dat een baan vinden niet voor iedereen gemakkelijk is en dat de redenen daarvoor divers zijn. De seniorenkansenvisie bevestigt dat ouderenbeleid maar in beperkte mate effectief is gebleken. Het geven van een loonkostenvoordeel voor ouderen heeft bijvoorbeeld maar in beperkte mate geleid tot een hogere arbeidsparticipatie van ouderen. Met de oplevering van dit onderzoek is de Seniorenkansenvisie afgerond. UWV blijft inzetten op maatwerk in het kader van de menselijke maat voor alle werkzoekenden (incl. ouderen). De aanpak van leeftijdsdiscriminatie zal meegenomen worden in de algemene aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie.
Bent u bereid om met werkgeversorganisaties verder te verkennen hoe beeldvorming van 55-plussers kan worden verbeterd, gelet op het belang van een positieve beeldvorming van 55-plussers waar het kabinet in dezelfde brief over schrijft?
Ja, ik ben regelmatig in gesprek met werkgeversorganisaties, bijvoorbeeld over de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie. Het gaat dan om de aanpak op alle discriminatiegronden, waaronder ook leeftijd. Veel acties gericht op het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie, zoals de inzet van objectieve werving en selectie, dragen bij aan de diversiteit van het personeelsbestand. Binnen het Offensief Gelijke Kansen proberen we goede voorbeelden rondom diversiteit en inclusie op te halen en verder te verspreiden onder werkgevers. Dit draagt hopelijk bij aan een betere beeldvorming rondom de arbeidsparticipatie van ouderen.
Kijkt u in het kader van de verkenning die is aangekondigd in de Kamerbrief van 18 december 2025 ook expliciet naar het stimuleren van LLO-deelname bij 55-plussers, aangezien zij gemiddeld juist minder vaak deelnemen aan deze programma’s? Zo nee, bent u bereid dit expliciet op te nemen in de aangekondigde verkenning?
Het doel van de verkenning is om te komen tot één of meer technisch haalbare ontwerpen voor een leerrekening die doelmatig en doeltreffend is. Daarbij onderzoeken we voor welke doelgroepen een leerrekening het meeste effect kan hebben, in het bijzonder groepen die nu minder vaak deelnemen aan leven lang ontwikkelen (LLO), zoals 55-plussers.
Vaak gaat het bij het stimuleren van deelname aan bij- en omscholing om een combinatie van factoren. Daarom sturen we niet uitsluitend op leeftijd, maar nemen we 55-plussers wel degelijk mee als relevante doelgroep binnen de bredere analyse. Onderzoek laat zien dat in 2024 44 procent van 16- tot 39-jarigen aangeeft in de afgelopen twee jaar een training gevolgd te hebben; terwijl dit voor 55-plussers maar 28 procent is.8 In de scenario’s die worden uitgewerkt, kijken we onder andere naar kenmerken zoals leeftijd, opleidingsniveau en arbeidsverhouding. Op die manier kunnen we beter inzicht krijgen in welke groepen mensen binnen de beroepsbevolking het meest gebaat zijn met een eigen budget voor bij- en omscholing.
Het bericht 'Israël: Artsen zonder Grenzen moet 28 februari uit Gaza weg zijn' |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Artsen zonder Grenzen Gaza moet verlaten, omdat Israël nieuwe eisen stelt aan humanitaire organisaties, waaronder het aanleveren van persoonsgegevens van medewerkers?1
Ja.
Bent u het eens dat het vertrek van Artsen zonder Grenzen uit Gaza desastreuze gevolgen kan hebben voor de medische situatie in de Gazastrook, gezien het feit dat de organisatie een aanzienlijk deel van de medische zorg, geboortezorg en de levering van schoon drinkwater verzorgt in een reeds zwaar getroffen gezondheidsstelsel?
Het kabinet maakt zich zorgen over het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren. Professionele hulporganisaties, waaronder internationale ngo’s, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de VN-agentschappen, leveren cruciale humanitaire hulp in de Gazastrook. Artsen zonder Grenzen speelt bijvoorbeeld evident een belangrijke rol in de humanitaire en medische respons in Gaza. Het kabinet steunt deze organisaties volledig.
Heeft u, gezien het doelgericht aanvallen van hulpverleners in eerdere fasen van deze oorlog, begrip voor het besluit van Artsen zonder Grenzen om persoonsgegevens van lokale staf niet te delen met Israëlische autoriteiten, en acht u dit besluit gerechtvaardigd? Zo nee, waarom niet?
We hebben begrip voor het besluit van Artsen zonder Grenzen om de gegevens niet te delen. Het verzoek van Israël aan de internationale ngo’s om ook persoonsgegevens van stafleden en hun families te delen strookt volgens de Nederlandse Autoriteit Persoonsgegevens hoogstwaarschijnlijk niet met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Erkent u dat deze arbitraire vereisten van Israël bijdragen aan verdere ontwrichting van de al ernstig afgeknepen humanitaire hulpverlening in Gaza? Zo nee, waarom niet?
Hulporganisaties hebben te maken met aanhoudende belemmeringen, naast de Israëlische herregistratieplicht, waaronder de beperkte opening van grensovergangen en de restricties voor de invoer van goederen die Israël als dual use ziet, waaronder onderdakmaterialen en bepaalde medische apparatuur. Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus maar ziet het besluit om internationale ngo’s de toegang te ontzeggen niet als de juiste weg voorwaarts. Israël heeft daarbij de verplichting om, conform het humanitair oorlogsrecht, de bevolking in de gehele Gazastrook te voorzien van essentiële goederen en de levering van deze goederen door derden niet te belemmeren.
Het Israëlische constitutionele hof deed op 27 februari jl. een voorlopige uitspraak in de zaak die was aangespannen door 17 van de getroffen internationale ngo’s. Het hof heeft besloten dat de 17 petitiepartijen niet mogen worden geweigerd uit de Palestijnse Gebieden tot het hof hier een definitieve uitspraak over heeft gedaan. De voorlopige voorziening heeft echter geen impact op reeds bestaande beperkingen voor hulporganisaties. Daarmee neemt het de zorgen over deze kwestie – en over humanitaire toegang tot de Palestijnse gebieden in den brede – niet weg.
Heeft u deze arbitraire vereisten en de gevolgen daarvan al bij uw Israëlische collega’s bekritiseerd? Zo ja, wat was hun reactie en welke concrete toezeggingen zijn daarbij gedaan? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de zorgen over de herregistratieplicht afgelopen maanden veelvuldig en op alle niveaus bij de Israëlische autoriteiten aangekaart.
Zo nam voormalig Minister van Buitenlandse Zaken Van Weel op 31 december jl. telefonisch contact op met zijn Israëlische collega toen bekend werd dat Israël had besloten om 37 internationale ngo’s de toegang te ontzeggen. Voormalig Minister-President Schoof riep de Israëlische president Herzog medio februari op de herregistratiewet niet te implementeren. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft de kwestie bovendien aangekaart bij de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar op 25 februari jl.
Bent u bereid om in EU-verband en andere internationale fora te pleiten voor aanvullende diplomatieke druk om deze maatregelen ongedaan te maken en humanitaire toegang tot Gaza te herstellen? Zo ja, wanneer en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich in EU- en multilateraal verband inzetten voor vrije, veilige humanitaire toegang in de Palestijnse Gebieden, zoals ook is gebeurd tijdens de Europese Raad van december vorig jaar. Tevens heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. zorgen uitgesproken over de implementatie van de ngo-registratiewetgeving en opgeroepen tot een gecoördineerd EU-optreden.
Welke concrete diplomatieke actie onderneemt de regering richting Israël om humanitaire toegang voor Nederlandse hulporganisaties te herstellen en om blijvende druk uit te oefenen ten behoeve van de algemene humanitaire voorzieningen in Gaza?
Nederland benadrukt richting Israël dat het de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s veilige, ongehinderde toegang moet verschaffen tot de bezette Palestijnse Gebieden en dringt erop aan dat Israël de herregistratieplicht, in de vorm die door Israël nu wordt beoogd, van tafel haalt. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inspannen. Daarbij onderstreept Nederland dat door de maatregelen ook vertrouwde, onafhankelijke en professionele partners van Nederland worden geraakt. Het kabinet steunt het werk van de Nederlandse ngo’s onvoorwaardelijk. Het kabinet verzoekt de Israëlische autoriteiten om het gesprek met de betreffende hulporganisaties aan te gaan. Nederland onderhoudt voorts nauw contact met partnerorganisaties en met gelijkgestemde landen over mogelijke handelingsopties. Zo sprak de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 24 februari jl. met directeuren van diverse Nederlandse hulporganisaties op het kantoor van UNICEF NL over de herregistratieplicht.
Het verbieden van hulporganisaties in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. |
|
Hanneke van der Werf (D66), Mpanzu Bamenga (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving, waarin wordt gemeld dat Israël tientallen internationale hulporganisaties, waaronder Artsen zonder Grenzen, Save the Children, CARE en Oxfam Novib, per 1 januari de toegang tot Gaza en de Westelijke Jordaanoever ontzegt? Wat is uw beoordeling van deze ontwikkeling?
Ja. Het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren is zorgwekkend en zal negatieve consequenties hebben voor de hulpverlening in de bezette Palestijnse gebieden. Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus en heeft meermaals verzocht of de Israëlische autoriteiten in gesprek kunnen gaan met de ngo’s hierover. Het besluit om de registratie van deze internationale ngo’s niet te verlenen, zonder hierover met hen in gesprek te gaan, ziet het kabinet niet als de juiste weg voorwaarts. Het Israëlische besluit raakt onder meer Nederlandse partners van de Dutch Relief Alliance. Nederland onderhoudt nauw contact met deze organisaties om de consequenties voor de humanitaire hulpverlening zo goed mogelijk in kaart te brengen.
Deelt u de kwalificatie van landen als het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Canada, Noorwegen en Japan dat de humanitaire situatie in Gaza opnieuw is verslechterd en inmiddels als catastrofaal moet worden aangemerkt? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan? Zo nee, waarom niet?
Sinds het staakt-het-vuren is de invoer van voedselhulp verbeterd waardoor een hongersnood kon worden afgewend. Tegelijkertijd blijft de situatie fragiel, ook qua voedselzekerheid, en zien we nog steeds tekorten op gebieden als gezondheidszorg, water en sanitaire voorzieningen. Er is een tekort aan onderdak en mensen zijn onvoldoende beschermd tegen voorkomende hevige regenval en dalende temperaturen. Nederland blijft Israël, zowel op bilateraal als multilateraal vlak, oproepen tot volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor professionele en gemandateerde organisaties, waaronder de VN, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en internationale ngo’s.
Bent u bekend met de open brief van de Ministers van Buitenlandse Zaken van onder meer Frankrijk, Canada, het Verenigd Koninkrijk, Japan en Noorwegen, waarin Israël wordt opgeroepen het besluit terug te draaien om humanitaire hulporganisaties te weren uit Gaza? Waarom heeft Nederland zich tot op heden niet bij deze verklaring aangesloten en bent u bereid dit alsnog te doen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
De Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp sprak publiekelijk haar zorgen uit over dit specifieke Israëlische besluit. Het kabinet spant zich in om hulporganisaties zo goed mogelijk te ondersteunen. Dat doet het zowel voor als achter de schermen. Hierbij weegt het kabinet voortdurend wat de meest effectieve wijze is om boodschappen over te brengen. Deze afweging is dan ook gemaakt met betrekking tot het wel of niet ondertekenen van de open brief.
Zoals tevens toegelicht in de Kamerbrief van 30 januari jl. over de stand van zaken omtrent de medische capaciteit in de Gazastrook en de regio, nam de Minister van Buitenlandse Zaken na het besluit van Israël op 31 december jl. telefonisch contact op met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken, en heeft zijn zorgen ook in november benadrukt tijdens zijn bezoek aan Israël.1 Eerder was Nederland medeondertekenaar van het Foreign Ministers’statement van augustus 2025, en onderstreepte het zorgen over de wetgeving tijdens de Europese Raad.2
Het kabinet zal er bij Israël op blijven aandringen om de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s, waaronder de vertrouwde humanitaire partners van Nederland, ongehinderde toegang te verschaffen tot de bezette Palestijnse gebieden.
Acht u het aanvaardbaar dat hulporganisaties die levensreddende medische zorg, voedselhulp en onderdak bieden, hun werkzaamheden moeten staken terwijl miljoenen Palestijnen, met name in de winterperiode, afhankelijk zijn van deze hulp? Welke risico’s ziet u hierbij voor ondervoeding, ziekte, hongersnood en onderkoeling, gezien het feit dat veel mensen in provisorische tentenkampen leven die al meerdere overstromingen en noodweer hebben moeten doorstaan?
Het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren is zorgwekkend. Hierover onderhoudt Nederland contact met de betreffende hulporganisaties. Gezien de hoge humanitaire noden zijn alle professionele hulporganisaties op dit moment hard nodig. Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus maar ziet het besluit om de registratie van deze internationale ngo’s niet te verlenen niet als de juiste weg voorwaarts, en roept Israël op het besluit terug te draaien om professionele en gemandateerde hulporganisaties, waaronder vertrouwde Nederlandse humanitaire partnerorganisaties, te weigeren. Daarbij blijft Nederland oproepen tot naleving van het humanitair oorlogsrecht.
Deelt u de zorg dat deze Israëlische maatregelen tot gevolg kunnen hebben dat naar schatting één op de drie zorginstellingen in Gaza moet sluiten en dat de humanitaire hulpverlening grotendeels kan instorten? Zo ja, welke stappen acht u noodzakelijk om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke concrete stappen zet u op dit moment, bilateraal of in EU-verband, om te voorkomen dat de toegang van hulporganisaties per 1 januari daadwerkelijk wordt stopgezet en om ervoor te zorgen dat levensreddende humanitaire hulp doorgang kan blijven vinden?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe beoordeelt u het nieuwe Israëlische registratieproces voor humanitaire ngo’s, waarbij organisaties uitgebreide personeels- en familiegegevens moeten aanleveren en kunnen worden afgewezen op basis van politieke uitingen van individuele medewerkers?
Het verzoek van Israël aan de internationale ngo’s om ook persoonsgegevens van stafleden en hun families te delen strookt volgens de Nederlandse Autoriteit Persoonsgegevens hoogstwaarschijnlijk niet met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus maar ziet het besluit om de registratie van deze internationale ngo’s niet te verlenen niet als de juiste weg voorwaarts.
Deelt u de opvatting dat deze registratie-eisen de humanitaire hulp politiseren en daarmee strijdig zijn met de humanitaire beginselen van neutraliteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid? Zo nee, waarom niet?
De gevolgen van de herregistratieplicht voor de humanitaire hulpverlening baart het kabinet zorgen. Nationale wetgeving ontheft staten niet van hun verplichtingen onder het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht, zoals de verantwoordelijkheid om de burgerbevolking in bezet gebied toegang te bieden tot essentiële goederen en de levering daarvan door derden niet onnodig te belemmeren.
Hoe beoordeelt u de nieuwe Israëlische wetgeving tegen de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) in het licht van de bindende uitspraken van het Internationaal Gerechtshof, waarin expliciet is vastgesteld dat Israël verplicht is de werkzaamheden van UNRWA te faciliteren en niet te belemmeren? Acht u deze wetgeving verenigbaar met het internationaal recht?
Adviezen van het IGH zijn niet juridisch bindend, maar wel gezaghebbend omdat het voornaamste gerechtelijke orgaan van de VN daarin een uiteenzetting geeft van het geldend internationaal recht. Nederland volgt het advies van het IGH, en hiermee de conclusie van het Hof dat de twee door Israël aangenomen wetten in oktober 2024 niet verenigbaar zijn met de verplichtingen van Israël ten aanzien van de bezette Palestijnse gebieden, waaronder zijn verplichtingen onder het VN-Handvest. Ook de recent aangenomen wetgeving (2025) in het verlengde hiervan strookt niet met het advies van het IGH.
Deelt u de opvatting dat het uitsluiten van UNRWA van de VN-Conventie inzake Privileges en Immuniteiten, het afsluiten van water, elektriciteit en communicatie en het dreigen met onteigening van VN-eigendom een ernstige schending vormt van de verplichtingen van Israël als VN-lidstaat en een gevaarlijk precedent schept voor de bescherming van VN-organisaties wereldwijd?
In het kader van een bezetting oefent een bezettende macht rechtsmacht en controle uit over het bezette gebied. Het International Gerechtshof benoemt in zijn advies van 22 oktober 2025 in dit kader ook de verplichting om de privileges en immuniteiten van de VN in bezet gebied te respecteren (art. 105 VN Handvest). Dit ziet ook op UNRWA. Op grond van deze verplichtingen is het Israël niet toegestaan om dergelijke beperkende maatregelen te nemen tegen VN eigendom, inclusief de gebouwen in de bezette Palestijnse Gebieden. Zie de kabinetsreactie van 21 januari jl. op de sloop van het UNRWA-hoofdkantoor in Oost-Jeruzalem door Israël.3
Bent u bereid deze kwestie met urgentie te agenderen binnen Europa en in VN-verband om gezamenlijk druk uit te oefenen, opdat humanitaire hulp niet verder wordt belemmerd? Welke concrete stappen heeft u hiertoe reeds ondernomen?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6.
Welke gevolgen heeft het weren van een aanzienlijk deel van de hulporganisaties volgens u voor de naleving door Israël van zijn verplichtingen onder het internationaal humanitair recht, waaronder de plicht van een bezettende macht om humanitaire hulp toe te laten?
In het IGH-advies van 22 oktober 2025 over de verplichtingen van Israël ten aanzien van de aanwezigheid en activiteiten van de Verenigde Naties en andere internationale organisaties in de bezette Palestijnse Gebieden oordeelt het Hof dat Israël, als bezettende macht, zijn verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht moet naleven. Indien het gevolg is dat de burgerbevolking in de bezette Palestijnse gebieden onvoldoende voorzien is van essentiële levensbehoeften, dan schendt Israël verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht.
Kunt u toezeggen de Kamer op zeer korte termijn te informeren over de inzet van Nederland in de komende dagen en weken, gezien de acute deadline van 1 januari en de directe gevolgen voor honderdduizenden mensen die afhankelijk zijn van humanitaire hulp?
De keuze over het verder informeren van de Kamer wordt overgelaten aan het inkomende kabinet.