De verkoop van niet-preferente geneesmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wettelijke bepaling, regelgeving of contractuele afspraak baseerde u uw uitspraak tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 dat apotheken gedurende zes weken een niet-preferent middel mogen blijven afleveren nadat het preferente middel na een tekort weer beschikbaar is?
Tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 heb ik aangegeven dat alternatieve geneesmiddelen nog enkele weken, maximaal zes, ter hand gesteld kunnen worden nadat het preferente geneesmiddel weer beschikbaar is. De termijn die ik noemde, kwam destijds voort uit navraag bij één van de grote zorgverzekeraars die bij een nalevingscontrole op preferentiebeleid een termijn hanteerde van twee weken vóór en vier weken na een door de zorgverzekeraar vastgesteld tekort waarin apothekers vrij waren om óók niet preferente middelen vergoed aan hun patiënten mee te geven. Mijn beantwoording was dus niet gestoeld op een wettelijke bepaling of regelgeving, maar ging in op een contractuele afspraak tussen een van de grote zorgverzekeraars en apothekers.
Naar aanleiding van de vraag van lid Bushoff (PRO) tijdens het tweeminutendebat Eerstelijnszorg en deze set Kamervragen heeft het kabinet aanvullend navraag gedaan bij Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en haar achterban. Ten algemene geldt dat de vergoeding van alternatieve middelen tijdens een tekort van een preferent middel individueel beleid van de zorgverzekeraar is. Er bestaat dus variatie tussen zorgverzekeraars, maar zij geven aan altijd te handelen vanuit redelijkheid en billijkheid. De afspraken hierover liggen vast in de contracten tussen zorgverzekeraars en apothekers. Ook blijkt uit de navraag dat de termijn van zes weken die ik tijdens het debat noemde ook bij enkele andere grote zorgverzekeraars wordt gehanteerd, en soms ruimer is.
In het antwoord op vraag 3 gaat het kabinet op basis van deze aanvullende navraag nader in op de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn en hoe de zorgverzekeraars hiermee omgaan.
Wat zijn de huidige regels en wettelijke bepalingen voor de vergoedingen en verstrekkingen van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid?
De huidige regels ten aanzien van het preferentiebeleid zijn vastgelegd in artikel 2.8 van het Besluit Zorgverzekering.1 Daarnaast gelden er veldafspraken, zoals de afspraken die zijn vastgelegd in de Leidraad Verantwoord Wisselen Medicijnen2, de afspraken van de Taakgroep Preferentiebeleid3 en de afspraken in het AZWA om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. Binnen de kaders die regelgeving en veldafspraken bieden, hebben zorgverzekeraars de ruimte om naar eigen inzicht invulling te geven aan het preferentiebeleid. Hierbij geldt uiteraard de zorgplicht die zorgverzekeraars voor hun verzekerden hebben.
Wat zijn daarbij specifiek de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn? Wat betekent dit voor de verkoop en vergoedingen van niet-preferente middelen?
Zolang zorgverzekeraars zich houden aan artikel 2.8 van het Besluit Zorgverzekering en genoemde veldafspraken, kunnen zorgverzekeraars naar eigen inzicht invulling geven aan het preferentiebeleid. Dit geldt ook voor de afspraken die zij in de zorgcontractering met apotheken maken over de verkoop en vergoedingen wanneer preferent aangewezen middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn.
Zoals bij het antwoord op vraag 1 aangegeven heeft het kabinet ZN gevraagd om bij haar achterban na te gaan hoe zorgverzekeraars hier in de praktijk mee omgaan. Wanneer er sprake is van een tekort aan een preferent aangewezen middel passen zorgverzekeraars in de praktijk twee mogelijkheden toe. Een zorgverzekeraar kan ervoor kiezen een ander middel als preferent aan te wijzen of een cluster van geneesmiddelen volledig open te zetten. In die laatste situatie zijn apothekers (tijdelijk) vrij om andere producten uit dat cluster vergoed af te leveren aan hun patiënten. Hoe zorgverzekeraars binnen deze twee mogelijkheden de middelen vergoeden aan apothekers verschilt per zorgverzekeraar. De afspraken hierover zijn onderdeel van de contractering tussen zorgverzekeraars en apothekers.
ZN laat weten dat zorgverzekeraars ernaar streven om redelijk en billijk om te gaan met apothekers wanneer een preferent aangewezen middel niet beschikbaar is. Het kabinet constateert echter wel dat er geen uniformiteit is in deze aanpak en dat niet iedere aanpak vanuit de ervaring van de apotheek even goed werkt. Koepels van apothekers, apotheekhoudende huisartsen, zorgverzekeraars, groothandels en leveranciers werken binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) aan uniforme afspraken over de uitverkoop- en/of vergoedingstermijn van producten bij wisseling van preferent middel. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze afspraken gemaakt worden.
Klopt het dat niet-preferente middelen niet meer verstrekt mogen worden wanneer het preferente middel weer beschikbaar is of slechts tegen de laagste prijsgarantie (LPG) worden vergoed?
Het verschilt per zorgverzekeraar en per situatie of dit klopt. Hoe de afrekening tussen apotheek en zorgverzekeraar tijdens en na een tekort van een preferent geneesmiddel verloopt, is opgenomen in de contractafspraken tussen zorgverzekeraars en apotheken. Uit de navraag die ZN bij haar leden heeft gedaan blijkt dat dit per situatie en per zorgverzekeraar verschilt. Allereerst geldt ten algemene dat zorgverzekeraars naast LPG vaak LPG + bandbreedte hanteren, waarin boven de «laagste prijs» een bandbreedte wordt gehanteerd. Bij tekorten wordt vaak helemaal geen (vorm van) LPG gehanteerd. Daarnaast zijn er zorgverzekeraars die een coulanceperiode hanteren, gedurende welke periode niet-preferente middelen nog verstrekt mogen worden. Tot slot speelt nog mee dat in artikel 2.8 Besluit Zorgverzekering de uitzondering van medische noodzaak is opgenomen. In het geval van medische noodzaak wordt ook een niet-aangewezen middel volledig door de zorgverzekeraar vergoed.
Klopt het dat aflevering van niet-preferentie middelen negatief meetelt in de preferentiegraad van apotheken en invloed heeft op de contractonderhandelingen voor het volgende jaar?
Zorgverzekeraars maken tijdens de zorgcontractering afspraken met apotheken over het preferentiebeleid. Hoe de preferentiegraad daarin wordt meegenomen verschilt per zorgverzekeraar. De zorgverzekeraars die reageerden op de navraag van ZN gaven aan rekening te houden met de marktomstandigheden bij het beoordelen van de zogenaamde preferentie-compliance van apotheken – de periode rondom een tekort werd door hen niet meegenomen bij het bepalen van de preferentiegraad. Ook wordt er door zorgverzekeraars gekeken naar het marktgemiddelde, met andere woorden, hoe is de preferentie-compliance van een apotheek ten opzichte van een benchmark. Tot slot gaven de twee zorgverzekeraars aan de preferentiegraad niet te betrekken bij de zorginkoop voor het volgende jaar, danwel als onderdeel van een bredere set indicatoren. Overigens geldt ook hier dat het aan iedere zorgverzekeraar is om hier eigen beleid op te maken.
Klopt het dat de enige coulanceregelingen rondom het preferentiebeleid gelden rondom de jaarwisseling en bij geplande grote preferentiewissels, en dat dit slechts bij een beperkt aantal zorgverzekeraars geldt?
Dat klopt niet volledig. Er zijn ook (coulance)regelingen specifiek voor geneesmiddelen die uit het buitenland geïmporteerd zijn onder een vrijstelling van de IGJ en er zijn zorgverzekeraars die (vormen van) coulance geven rondom tekorten, ook gedurende het jaar. Wat wel klopt is dat apotheken aangeven dat het ontbreken van uniforme afspraken hierover voor hen een groot knelpunt is, zeker in het geval van een tekort aan een preferent middel. Het kabinet hecht dan ook veel belang aan de inzet van partijen om tot goede afspraken te komen.
Deelt u de opvatting dat dit beleid leidt tot medicijnenverspilling in tijden van schaarste en financiële risico’s voor apothekers, die niet-preferente middelen op de plank (moeten) laten liggen?
Er zijn op dit moment geen goede, onafhankelijke gegevens over de effecten van het preferentiebeleid op medicijnverspilling of de financiële situatie van apothekers op basis waarvan het kabinet daar een oordeel over te geven. Op verzoek van de Kamer laat het kabinet een onafhankelijke evaluatie van het
preferentiebeleid uitvoeren. In deze kosten-baten analyse worden ook de effecten van het preferentiebeleid op de apotheek meegenomen. Het kabinet verwacht de Kamer dit najaar het rapport vergezeld van een beleidsreactie toe te zenden.
Deelt u de mening dat de huidige situatie meer ruimte vraagt om de risico’s en verspilling aan te pakken?
Het kabinet werkt zoals gezegd aan een onafhankelijke evaluatie van het huidige preferentiebeleid en de toepassing daarvan, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het kabinet wacht deze evaluatie af voordat eventuele maatregelen worden genomen.
Hoe kijkt u naar de mogelijkheid om apotheken bij de (terug)komst van een preferent aangewezen geneesmiddel meer tijd te geven om de bestaande voorraad van het niet-preferente middel uit te verkopen? Hoe beziet u hierbij de mogelijkheid tot het invoeren van een uitverkooptermijn van niet-preferente middelen na een tekortperiode?
Het staat zorgverzekeraars en apothekers vrij om in de contractering of in de vorm van veldafspraken afspraken hierover te maken. Vanuit de overheid zijn daar geen belemmeringen voor. Daarnaast werken veldpartijen, waaronder zorgverzekeraars en apotheken, in het kader van het AZWA bijvoorbeeld aan uniforme afspraken over de uitverkoop- en/of vergoedingstermijn van producten bij wisseling van preferent product. Het kabinet juicht dat toe, net als alle andere initiatieven van stakeholders om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te bevorderen en de negatieve effecten van geneesmiddelentekorten te minimaliseren.
Het bericht “Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN” |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN» en kunt u een appreciatie geven van de daarin geschetste gang van zaken rond de beoordeling van daratumumab voor de indicatie AL-amyloïdose?1
Ja, het kabinet is daarmee bekend. Het kabinet heeft uiteraard begrip voor het ongeduld van zowel patiënten als behandelaars, en vindt ook dat doorlooptijden van vergoedingsprocedures niet langer dan nodig zouden moeten zijn. Tegelijk zijn de kosten van dit middel per behandeling € 131.847,06, en is het macrokostenbeslag € 15,7 miljoen in jaar 3 na introductie. Dergelijke uitgaven en kosten moeten wel verantwoord zijn, en dus in verhouding staan tot de gezondheidswinst die een behandeling met dit geneesmiddel oplevert. Het kabinet heeft geen reden om te twijfelen aan de reden van Zorginstituut Nederland, dat de Minister van VWS onafhankelijk adviseert over de pakketwaardigheid van sluisgeneesmiddelen, om extra informatie te vragen voor een goed oordeel over de kosteneffectiviteit.
Kunt u een volledig en gedetailleerd tijdspad geven van de beoordelingsprocedure van daratumumab voor AL-amyloïdose bij het Zorginstituut Nederland, inclusief alle momenten waarop aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de fabrikant, en kunt u toelichten waarom dit traject, mede gelet op de Europese goedkeuring vijf jaar geleden, nog altijd niet tot een definitief besluit heeft geleid?
Daratumumab heeft voor de indicatie AL-amyloïdose op 21 juni 2021 een Europese marktregistratie verkregen. Verreweg de meeste tijd tussen de marktregistratie en een positief pakketadvies is de tijd die de leverancier heeft genomen voor indiening van het eerste vergoedingsdossier bij het Zorginstituut: ongeveer drie jaar. Daarnaast heeft de beoordeling langer geduurd dan gebruikelijk. De reden hiervan is dat er twee beoordelingen nodig zijn gebleken. Het tijdsverloop van de eerste beoordeling is als volgt.
Datum ontvangst dossier
4 juni 2024
Datum compleet dossier
22 juli 2024
Datum start consultatie
18 oktober 2024
Datum reactie leverancier consultatie
6 november 2024
Datum advies
16 januari 2025
Dat betekent dat de eerste beoordeling in totaal, dus vanaf het moment van compleet verklaren tot aan het uitbrengen van het advies, 178 dagen heeft geduurd. Om dit in perspectief te plaatsen: het streven is om een beoordeling van intramurale geneesmiddelen binnen 120 dagen afgerond te hebben.2 Het Zorginstituut wijst er daarbij op dat de leverancier in dit geval tijdens de beoordeling tijd heeft aangevraagd voor het aanleveren van extra informatie (een zogeheten klokstop). Deze klokstop betrof 29 dagen, waarmee de netto beoordelingstijd uitkomt op 178–29=149 dagen.
Het Zorginstituut heeft in het advies van 16 januari 2025 geconcludeerd dat daratumumab in combinatie met cyclofosfamide bortezomib en dexamethason (Dara-CyBorD) voor de behandeling van AL-amyloïdose voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. De aangeleverde informatie door de leverancier gaf echter onvoldoende inzicht of de prijs van Dara-CyBorD kosteneffectief was. Daarom luidde het advies van het Zorginstituut om Dara-CyBorD niet op te nemen in het basispakket van de zorgverzekering.
Uiteindelijk heeft de leverancier een aanvraag voor een herbeoordeling gedaan. De herbeoordeling betrof enkel het farmaco-economisch dossier. Het tijdsverloop hiervan was als volgt.
Datum ontvangst dossier
18 september 2025
Datum compleet dossier
10 november 2025
Datum start consultatie
18 december 2025 (gerekend vanaf 1 januari i.v.m. Kerstvakantie)
Datum reactie leverancier consultatie
27 maart 2026
Datum advies
5 augustus 2026
Dat betekent dat de tweede beoordeling in totaal, dus vanaf het moment van compleet verklaren tot aan het uitbrengen van het advies, 283 dagen heeft geduurd. In dit geval bedroeg de klokstop 85 dagen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van medisch specialist prof. dr. Monique Minnema (UMC Utrecht), die tijdens de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) heeft ingesproken en heeft aangegeven niet te begrijpen waarom de beoordeling van dit dossier zo lang duurt, en die stelt dat een gerandomiseerde fase III-studie op alle punten voordeel voor de patiënt laat zien?
Het Zorginstituut heeft in januari 2025 geconcludeerd dat Dara-CyBorD voldoet aan de stand van wetenschap en praktijk en dus effectief is. Maar dat wil nog niet zeggen dat het geneesmiddel ook kosteneffectief is. Daartoe is informatie nodig over de verhouding tussen de gezondheidswinst en de kosten van het middel. In het eerste dossier was deze informatie onvoldoende. De herbeoordeling betrof enkel de beoordeling van de kosteneffectiviteit, dat het middel effectief is stond immers al vast. Het kabinet begrijpt nogmaals het ongeduld, en wijst er in dat verband op dat de leverancier de tijd tussen registratie en vergoeding had kunnen verkorten door eerder een dossier in te dienen en al bij de eerste beoordeling een model aan te leveren dat meer in lijn was met de studieresultaten.
Klopt het dat, zoals gesteld wordt door de patiëntenorganisatie, ieder jaar uitstel van toelating van daratumumab voor AL-amyloïdose naar schatting 16 tot 20 patiënten het leven kost? Welke afweging maakt u tussen de tijd die gemoeid is met de beoordelings- en onderhandelingsprocedure en dit door patiëntenorganisaties en behandelaren gestelde gezondheidsverlies?
Het kabinet merkt ten eerste op dat Dara-CyBorD het leven van patiënten weliswaar kan verlengen, maar geen genezing brengt. Ten tijde van de eerste beoordeling was er nog geen klinisch relevant effect op de overleving aangetoond. De laatste publicatie over de effectiviteit van DaraCyBorD laat zien dat na 5 jaar ongeveer 10% minder patiënten overleden zijn ten opzichte van de vergelijkende behandeling.
Desalniettemin begrijpt het kabinet dat de vraag gesteld kan worden in hoeverre gezondheidsverlies als gevolg van vertraagde toegang wordt meegewogen en zo ja, of dat dan moet opwegen tegen de gezondheidswinst die een snelle vergoeding van een geneesmiddel zou opleveren. Deze afweging wordt niet gemaakt. Wel is het zo dat het betalen van een niet-kosteneffectieve prijs, dat wil zeggen een prijs waarvoor we – op het geheel bezien – onvoldoende gezondheidswinst terugkrijgen, ook schade zou toebrengen, aan patiënten elders of in de toekomst. Omdat met dat geld, dat we nu eenmaal maar één keer kunnen uitgeven, elders meer gezondheid had kunnen worden gewonnen. Het kabinet wijst in dit verband op de studie die het onderzoeksbureau Equalis in 2023 in opdracht van het Zorginstituut heeft gedaan naar de sluis. Equalis stelt dat de sluis tot een netto gezondheidswinst leidt, ondanks het gezondheidsverlies als gevolg van een latere toelating.3 Tot slot hecht het kabinet eraan om te benadrukken dat de inzet van zowel de beoordelaars bij het Zorginstituut als de onderhandelaars bij het Ministerie van VWS erop gericht is om patiënten zo snel als mogelijk toegang te geven tot effectieve geneesmiddelen.
Bent u van mening dat het proces van beoordeling, besluitvorming en prijsonderhandeling voor weesgeneesmiddelen zoals daratumumab bij een zeldzame, ernstige aandoening als AL-amyloïdose sneller kan en moet verlopen dan nu het geval is? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om het Zorginstituut Nederland en/of de onderhandelingen met de fabrikant te versnellen?
Het kabinet vindt uiteraard dat patiënten zo snel mogelijk toegang moeten krijgen tot een effectief middel, zoals in dit geval door het Zorginstituut is vastgesteld. Het kabinet zie ook dat ontwikkelingen zoals enerzijds steeds hogere prijzen voor innovatieve geneesmiddelen, en anderzijds steeds meer onzekerheid over de (kosten)effectiviteit door beperktere data een uitdaging betekent voor het pakketbeheer. Dat is de reden dat het kabinet werkt aan een Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen (TSG), waarover het kabinet uw Kamer regelmatig informeert.
Binnen dit stelsel is het uitgangspunt: snel als het kan, uitgebreid als het moet. De kern van TSG is een betere risicobeheersing en een betere voorspelbaarheid over de te volgen procedure.
Bent u bereid om, gelet op de urgentie die door zowel de patiëntenorganisatie als de behandelend specialisten wordt benadrukt, op korte termijn in overleg te treden met het Zorginstituut Nederland en de fabrikant om te bezien of het besluitvormingsproces over daratumumab voor AL-amyloïdose kan worden versneld en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Zoals bij vraag 2 bericht, heeft de Minister van VWS op 5 augustus 2026 het advies van het Zorginstituut ontvangen4. Het Zorginstituut adviseert dat een prijsonderhandeling nodig is voor pakkettoelating. Het kabinet hoopt nu zo snel mogelijk met de leverancier tot een prijsafspraak te komen zodat de behandeling kan instromen in het basispakket. Daar is alle tijd en inzet nu op gericht.
Recente internationale ontwikkelingen omtrent de therapeutische toepassing van psychedelica |
|
Marc Vervuurt (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de algehele tendens in de internationale ontwikkelingen omtrent psychedelische therapieën en middelen zoals MDMA en psilocybine, met toenemende aandacht voor mogelijke therapeutische toepassingen bij onder meer therapieresistente PTSS, depressie en verslavingsproblematiek?
Het kabinet juicht de ontwikkeling van nieuwe behandelingen voor bijvoorbeeld therapieresistentie PTSS, depressie en verslavingsproblematiek toe. Het kabinet is zich ervan bewust dat verschillende onderzoeken naar het therapeutisch gebruik van psychedelica gunstige resultaten laten zien, zoals bijvoorbeeld onderzoek naar MDMA bij posttraumatische stressstoornis (PTSS). Het is goed om te benadrukken dat het hier gaat om geneesmiddelenonderzoek. Het bewijs voor de effectiviteit en veiligheid van deze en andere therapeutische toepassingen van psychedelica is op dit moment echter nog onvoldoende voor inzet in de praktijk. Het kabinet vindt nationaal en internationaal onderzoek op dit gebied dan ook van groot belang en wacht de resultaten van de lopende studies en beoordeling daarvan door autoriteiten zoals het Europees Medicijn Agentschap (European Medicines Agency, EMA) met belangstelling af.
Herkent u het beeld dat er in meerdere landen wordt gezocht naar medische toegang tot psychedelica-ondersteunde behandelingen voor ernstige, therapieresistente aandoeningen, zonder dat MDMA of psilocybine daar als regulier geneesmiddel zijn geregistreerd?
Het kabinet heeft daarover inderdaad signalen ontvangen.
Hoe gaat u voorkomen dat Nederlandse patiënten die wegens therapieresistente psychiatrische klachten baat hebben bij psychedelica-ondersteunde therapie zich genoodzaakt zullen zien te kiezen voor ofwel een niet-medische behandeling, ofwel een behandeling in het buitenland?
Het kabinet kan niet voorkomen dat patiënten op zoek gaan naar alternatieve behandelingen. Het kabinet heeft begrip voor patiënten die een behandeling willen proberen, maar wil benadrukken dat het in hun eigen belang is dat de behandeling wel effectief en veilig is. Op dit moment is nog onduidelijk welke patiënten precies baat kunnen hebben bij dergelijke therapieën. Het kabinet vindt het daarom belangrijk dat de veiligheid en effectiviteit eerst verder worden onderzocht voordat deze therapieën in de praktijk worden toegepast. Juist in het belang van de patiënt. Verder kunnen patiënten informatie over bijvoorbeeld de risico’s van het zelf experimenteren met psychedelica vinden op de websites van het Trimbos1-instituut en van Jellinek2.
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in Duitsland, waar middels een compassionate useprogramma psilocybinetherapie is goedgekeurd als behandeling voor depressie?
Het kabinet vindt het belangrijk dat de kwaliteit, effectiviteit en veiligheid eerst voldoende zijn aangetoond voordat een dergelijk middel als behandeling wordt ingezet. Daarom hecht het kabinet eraan dat deze middelen eerst worden onderzocht in klinische studies en goedgekeurd door het EMA of het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Voor het beschikbaar maken van middelen via een compassionate use programma3 moet aan de voorwaarden van het CBG zijn voldaan4. Er moet bijvoorbeeld zicht zijn op spoedige registratie van het middel. Dit onderstreept nogmaals het belang van gedegen onderzoek naar veiligheid en effectiviteit. Dat neemt niet weg dat het kabinet wel compassie heeft voor patiënten die op zoek zijn naar een behandeling, zoals ook aangegeven bij vraag 3.
Welke uitgangspunten van deze aanpak acht u relevant voor het Nederlandse beleid, bijvoorbeeld op het gebied van patiëntselectie, behandelsetting, monitoring, dataverzameling en toezicht?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over bijvoorbeeld patiëntselectie en behandelsetting. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze middelen eerst worden onderzocht in klinische studies en goedgekeurd door het EMA of het CBG. Dergelijke studies kunnen inzicht geven in de juiste patiëntengroep en de optimale toepassing van het geneesmiddel. In Nederland zijn er verschillende instanties die onderzoekers kunnen adviseren over de opzet van studies met patiënten, bijvoorbeeld de Centrale Commissie voor Mensgebonden Onderzoek (CCMO) en het eerdergenoemde CBG.
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbaar compassionate useprogramma in Nederland?
In Nederland is al een duidelijk kader ingericht voor compassionate use. Ik verwijs hiervoor naar het CBG5. Een van de vereisten is zicht op registratie, waarvoor het eerder benoemde klinische onderzoek van belang is.
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Tsjechië, waar psilocybinetherapie sinds 1 januari 2026 is goedgekeurd als behandeling voor mensen met hardnekkige depressie en andere therapieresistente psychische stoornissen?
Het kabinet is ervan op de hoogte dat individuele landen zoals Tsjechië regulerende of uitzonderingsroutes hebben ontwikkeld om dergelijke therapieën (onder strikte voorwaarden) mogelijk te maken. Het is echter belangrijk dat de reguliere routes voor geneesmiddelenontwikkeling worden gevolgd zodat autoriteiten zoals het EMA of het CBG de balans tussen werkzaamheid en veiligheid kunnen beoordelen. Juist in het belang van de patiënt.
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Het kabinet is zich bewust van de grote behandelbehoefte bij patiënten met ernstige psychiatrische aandoeningen. Verschillende onderzoeken naar het therapeutisch gebruik van psychedelica laten gunstige resultaten zien. De toenmalige Minister van VWS heeft daarom, samen met de stichting Zorgonderzoek Nederland Medische Wetenschappen (ZonMw), 2,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor nader onderzoek naar psychedelica als behandeling, om de effectiviteit, veiligheid en kwaliteit beter in kaart te brengen6.
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Australië, waar sinds 2023 de medische toepassing van psilocybine en MDMA bij behandeling van therapieresistente depressie en PTSS is toegestaan, ondanks gebrek aan registratie als regulier geneesmiddel, en waar voor specifieke doelgroepen zoals veteranen publieke financiering beschikbaar is gesteld?
Het kabinet refereert hier aan de antwoorden op vraag 7 en 8. Het onderzoek binnen de genoemde ZonMw-subsidie moet daarom, vanwege de genoemde redenen, passen in een eventueel toekomstig registratietraject.
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbare aanpak in Nederland?
Het kabinet erkent de grote behoefte van patiënten aan nieuwe behandelmogelijkheden, maar vindt het belangrijk dat de effectiviteit en veiligheid van psychedelica als behandeling eerst verder worden onderzocht voordat dergelijke behandelingen in de praktijk worden toegepast. Juist in het belang van de patiënt. Het kabinet staat er wel voor open om mogelijkheden te verkennen voor eventuele vervolgfinanciering (bij positieve resultaten) van het ZonMw-onderzoek.
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar de president zich heeft uitgesproken voor de therapeutische toepassing van psychedelica, in het bijzonder voor de behandeling van PTSS?
De Amerikaanse regering heeft beleid geïntroduceerd dat erop is gericht de ontwikkeling en toelating van psychedelische geneesmiddelen te versnellen en de toegang daartoe te vergroten. De ontwikkelingen in de VS vormen voor het kabinet geen aanleiding om van de eigen beleidslijn af te wijken, namelijk inzetten op gedegen onderzoek voordat deze middelen worden ingezet als behandeling. Daar waar wetenschappelijke resultaten uit de VS de inzet van deze middelen in Nederland zou kunnen versnellen is dat natuurlijk welkom.
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Het kabinet ziet op dit moment geen lessen, aandachtspunten of kansen voor Nederlands beleid naar aanleiding van uitspraken van de president van de Verenigde Staten over dit onderwerp.
Hoe beoordeelt u de focus van farmaceutische bedrijven die zich in de ontwikkeling en toekomstige goedkeuring van psychedelische therapieën vooralsnog vooral op de Verenigde Staten lijken te richten? Welke rol kan Europa spelen in het versnellen van (voorlopige) goedkeuring?
In algemene zin richten veel farmaceutische bedrijven zich primair op de Amerikaanse markt vanwege de hoge prijzen die daar betaald worden voor geneesmiddelen, dat zal hier niet anders zijn.
Het EMA beschikt over verschillende instrumenten om versnelde of eerdere toegang tot innovatieve geneesmiddelen mogelijk te maken. Bedrijven en onderzoekers kunnen deze benutten. Meer informatie hierover is te vinden op de website van het EMA7. Begin dit jaar heeft een eerste psychedelicum de zogenaamde PRIME status ontvangen door het EMA8. PRIME is een programma van het EMA voor veelbelovende geneesmiddelen die een belangrijke onvervulde medische behoefte kunnen vervullen.
Onderschrijft u het in de Verenigde Staten uitgesproken potentiële belang van psychedelische therapie voor specifieke doelgroepen die vaker behoefte hebben aan een behandeling van PTSS, waaronder veteranen?1
Het kabinet onderschrijft de noodzaak van effectieve behandelingen bij patiënten met PTSS, waaronder patiënten uit geüniformeerde beroepen.
Bent u bekend met de recente casestudie gepubliceerd in Frontiers in Neuroscience, waarin een tijdelijke, significante functionele verbetering werd waargenomen bij een patiënt met vergevorderde Alzheimer na toediening van psilocybine?2
Ja.
Welke mogelijkheden ziet u om onderzoek naar de medische toepassing van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, in Nederland actief te faciliteren of te ondersteunen?
Eerder heeft VWS, samen met ZonMw, 2,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor onderzoek naar de ontwikkeling van psychedelica als behandeling. Binnen de oproep kan worden gekozen voor een combinatie van één psychedelicum voor de behandeling van één psychiatrische indicatie. Voor een vergelijkbare subsidie op het gebied van neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, is op dit moment helaas geen ruimte in de begroting. Mogelijk kan het Psynapse-consortium, dat is gevormd als onderdeel van de ZonMw-subsidie, een rol spelen bij het ondersteunen van onderzoek naar het effect van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten.
Welke mogelijkheden ziet u voor bredere ontwikkeling van potentieel therapeutisch inzetbare psychedelische middelen binnen Nederland, naast de eerdere specifieke discussie en onderzoeken rondom MDMA?
Het kabinet is verheugd dat het Psynapse-consortium een ontwikkelplan heeft opgesteld om tot meer geregistreerde geneesmiddelen binnen de psychiatrie te komen. Bovendien verkennen en werken diverse partijen, zoals het EMA, het CBG, het landelijk patiëntenplatform MIND, de Hersenstichting en het Psynapse-consortium, aan de mogelijkheden voor onderzoek naar verschillende psychedelica voor psychiatrische aandoeningen11. Het kabinet ziet de samenwerking tussen deze partijen als een goede ontwikkeling.
Indien u belemmeringen ziet, welke daarvan kunnen worden weggenomen met wetswijzigingen, en welke met beleidsaanpassingen of andere maatregelen?
Het kabinet ziet op dit moment geen noodzaak tot wetswijzigingen of beleidsaanpassingen. Bij positieve onderzoeksresultaten kan aanvullende financiering voor vervolgonderzoek wenselijk zijn. Op dit moment is hiervoor onvoldoende ruimte in de begroting.
Welke onderzoeken, pilots of wetenschappelijke ontwikkelingen volgt u momenteel omtrent de ontwikkeling van therapeutisch inzetbare psychedelische middelen?
Het kabinet vindt dat het volgen van deze ontwikkelingen primair een verantwoordelijkheid is van onderzoekers, maar staat open voor signalen en informatie hierover.
Welke mogelijkheden ziet u om wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën op een veilige, gecontroleerde en medisch verantwoorde manier te faciliteren, naast het recente onderzoek naar MDMA?
Het kabinet werkt aan een toekomstbestendig toetsingssysteem dat klinisch onderzoek in het algemeen moet bevorderen. Daarnaast zal het zich bij de Europese onderhandelingen over de Biotech Act I inzetten voor de maatregelen die gericht zijn op versnelling, stroomlijning en voorspelbaarheid van beoordelingsprocedures van klinisch onderzoek12. Wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën kan, zoals eerder aangegeven, eventueel ook worden gefaciliteerd met (vervolg)subsidies, al is daarvoor op dit moment geen ruimte in de begroting.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze ervaringen, wetenschappelijke inzichten en praktijkonderzoeken uit andere landen betrokken worden bij de Nederlandse beleidsvorming, regelgeving en medische praktijk rondom psychedelische therapieën?
Het kabinet heeft bij het opzetten van de eerdergenoemde ZonMw-subsidie als voorwaarde gesteld dat het onderzoek moet aansluiten op eerder en lopend nationaal en internationaal onderzoek.
Kunt u toelichten welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg?
Het kabinet ziet het niet als haar verantwoordelijkheid om in kaart te brengen welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het belang van psychotherapie wordt gewaarborgd bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten?
Het is niet de verantwoordelijkheid van het kabinet om het belang van psychotherapie bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten te waarborgen. Het kabinet wijst er wel op dat openbare informatie laat zien dat het EMA aandacht heeft voor een mogelijke rol van psychotherapie bij de behandeling met psychedelica en de methodologische aspecten daarvan bij het klinisch onderzoek13.
Tegelijkertijd geeft het EMA aan dat, hoewel geneesmiddelenautoriteiten verantwoordelijk zijn voor het toelaten van nieuwe geneesmiddelen op de markt, zij niet bepalen hoe artsen deze geneesmiddelen in de klinische praktijk gebruiken14.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de BNR-rapportage «Nu al tekorten medicijnen en medische hulpmiddelen: hoe weerbaar is de zorg bij een crisis?»1
Ja.
Wat verstaat u onder een weerbare zorg?
Hieronder verstaat het kabinet een slagvaardige, wendbare en opschaalbare gezondheidszorg die berekend is op (langdurige) crisis, conflict en ontwrichting.
Deelt u de opvatting dat ons zorgsysteem in staat moet zijn om te functioneren, en wanneer nodig, moet kunnen opschalen om verschillende soorten crises (bijv. militaire en hybride conflicten, cyberterrorisme, natuurrampen) het hoofd te kunnen bieden?
Ja.
Welke risico's vormen volgens u de grootste bedreiging voor de continuïteit van de zorg?
Er zijn verschillende soorten dreigingen denkbaar die een risico kunnen vormen voor de continuïteit van de zorg. Denk bijvoorbeeld aan pandemieën, cyberaanvallen, verstoring van leveringsketens of de effecten van gewapend conflict2, die vaak in meer of mindere mate samenhangend kunnen voorkomen. Om deze veelvoud van dreigingen het hoofd te kunnen bieden, is de weerbare zorg-aanpak van het kabinet all-hazard.
Hoe goed is de zorg voorbereid op langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet?
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) moeten zorgaanbieders goede zorg leveren. Daar hoort ook bij dat de organisatie zodanig is ingericht dat continuïteit en veiligheid van zorg zijn gewaarborgd, óók tijdens calamiteiten en grootschalige incidenten.
De zorgaanbieders moeten zelf in beeld hebben in welke mate zij voorbereid zijn op (onder andere) langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, en/of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet; en het is aan hen om hiervoor zo nodig maatregelen te treffen in de eigen organisatie. Bijvoorbeeld het ontwikkelen van draaiboeken voor noodscenario’s of het oefenen daarmee.
Voor enkele van de genoemde tekorten geldt specifieke wet- en regelgeving of worden aanvullende maatregelen genomen door het kabinet. Zo geldt voor de uitval van telecom en internet dat zorgaanbieders wettelijk verplicht zijn om aantoonbaar te voldoen aan NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg.3 Bij uitval van internet of telecom moeten zorgverleners kunnen terugvallen op vooraf opgestelde noodprocedures, zoals het werken met papieren dossiers en het communiceren met externe partijen als telefonie is weggevallen.
Voor tekorten aan geneesmiddelen en medische hulpmiddelen geldt dat leveranciers wettelijk verplicht zijn een melding te doen van een leveringsonderbreking. Ook laat het kabinet een extra voorraad aanleggen van kritieke geneesmiddelen. Aanvullend onderzoekt het kabinet voor verschillende soorten crises welke medische producten nodig zijn, en hoe deze het beste opgeslagen en verdeeld kunnen worden. Voor hulpmiddelen kan met de alternatievendatabase van het Zorginkoop Netwerk Nederland snel gezocht worden naar een vervangend hulpmiddel. De mogelijkheden tot het aanleggen van een voorraad voor medische hulpmiddelen worden op dit moment geïnventariseerd.
Is de zorg voldoende voorbereid op grootschalige cyberaanvallen of andere hybride dreigingen die zorginstellingen of hun toelevering raken?
Het risico van cyberaanvallen op zorgaanbieders en actoren in de zorgketen neemt al jaren toe.4 Daarom is het van belang dat de zorg hierop voorbereid is. Zorgaanbieders zijn hiervoor in de eerste plaats zelf verantwoordelijk. Informatiebeveiliging en het bepalen van de risico’s moet een vanzelfsprekend onderdeel van de bedrijfsvoering zijn. De NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, verplicht zorginstellingen passende maatregelen te nemen om de vastgestelde risico’s te beheersen. In de Kamerbrief Informatieveiligheid in de zorg5 is beschreven dat zorgaanbieders en samenwerkingsverbanden ervoor moeten zorgen dat ze de juiste eisen stellen aan hun leveranciers. Op grond van de binnenkort in werking tredende Cyberbeveiligingswet (Cbw) moeten organisaties in verschillende sectoren waaronder de sector zorg, cyberincidenten melden en bij grootschalige cyberincidenten ondersteuning krijgen. De Cbw is erop gericht om cyberincidenten en de gevolgen hiervan te monitoren, te beperken en te voorkomen.
Is er zicht op van welke landen, entiteiten, organisaties en bedrijven de Nederlandse zorg het meest afhankelijk is en of dat bijvoorbeeld voor bepaalde hulpmiddelen of geneesmiddelen te veel geconcentreerd is?
De productie en distributie van geneesmiddelen bestaat uit veel verschillende stappen. Dat maakt het moeilijk om voor alle geneesmiddelen inzichtelijk te hebben hoe de productie- en leveringsketen er precies uitziet en waar afhankelijkheden zitten. In het algemeen geldt dat veel grond- en hulpstoffen van geneesmiddelen uit een beperkt aantal landen komen, zoals China en India. Het kabinet is zich daarvan bewust en zet mede daarom ook in op meer productie in Europa en Nederland, bijvoorbeeld door de Verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines Act). Daarmee streeft het kabinet ernaar dat Nederland en de Europese Unie (EU) minder afhankelijk zijn van derde landen voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen. Recent is een voorlopig politiek akkoord bereikt.6 Maar het kabinet realiseert zich ook dat een bepaalde afhankelijkheid nu eenmaal blijft bestaan. Daarom investeert het kabinet ook in de samenwerking met grote producerende landen, zoals India.
Onderzoek uit 2025 van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), apothekersorganisatie KNMP en Universiteit Utrecht laat zien dat medicijnen met de tien meest gebruikte werkzame stoffen in Nederland grotendeels binnen Europa worden geproduceerd.7 Ook laat het onderzoek zien dat Nederland voor sommige van de onderzochte medicijnen met dezelfde werkzame stof sterk afhankelijk is van één fabrikant.
Voor medische hulpmiddelen geldt dat zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor de inkoop van de hulpmiddelen. Er is op dit moment geen overzicht van afhankelijkheden van bepaalde landen, entiteiten of organisaties op dit gebied. In gesprekken die het kabinet voert met het veld wordt opgeroepen om divers in te kopen om de afhankelijkheid van één leverancier of land te verminderen. Zo wordt ook bij een tijdelijke leveringsonderbreking de zorgcontinuïteit gewaarborgd.
Welke zorg moet tijdens een grote crisis altijd kunnen doorgaan en hoe wordt dat georganiseerd?
De continuïteit en beschikbaarheid van (civiele) zorg is cruciaal voor de continuïteit van de samenleving èn de militaire slagkracht. Om de continuïteit van zorg te waarborgen in tijden van crisis en conflict moet de civiele zorg klappen kunnen opvangen en in het ergste geval extreme aantallen patiënten kunnen accommoderen. De opgave voor de zorg is dan ook om ten tijde van crisis, ontwrichting en conflict de publieke, curatieve en langdurige gezondheidszorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk te houden, met een daarbij passende kwaliteit. Daarbij is het in de eerste plaats aan zorgverleners om te bepalen welke zorg doorgang moet krijgen, ook tijdens crisis.
Tijdens een crisis zorgen zorgaanbieders samen voor de toegankelijkheid en kwaliteit van (acute) zorg binnen het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ). De Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) neemt deel aan het ROAZ voor de verbinding met het veiligheidsdomein. De gezondheidszorg is daarnaast een van de sectoren die onderdeel uitmaakt van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) – die op 15 augustus 2026 in werking is getreden – en ook in de zorg moet bijdragen aan het beschermen en weerbaarder maken van de levering van essentiële diensten.
Wie heeft bij een nationale zorgcrisis de regie en hoe is dat georganiseerd?
Wie bij een nationale zorgcrisis de regie heeft, hangt allereerst af van de aanleiding van een crisis en wat onder een nationale zorgcrisis precies wordt verstaan. In het algemeen geldt dat bij situaties met een landelijk, spoedeisend karakter waarbij de nationale veiligheid in het geding is, of waarbij sprake is van een grote uitwerking op de maatschappij, de nationale crisisstructuur geactiveerd zal worden. Hierin kunnen de verscheidene vakministers deelnemen op hun eigen beleidsterrein, waaronder de Minister van VWS.8 Hoe regie georganiseerd is, kan gegeven de aanleiding en omvang van een dreiging verschillen. Zo geldt bijvoorbeeld dat in de Wet publieke gezondheid (Wpg) is opgenomen dat de Minister van VWS bij een uitbraak van een A-infectieziekte met landelijke impact (of een dreiging daarvan) leiding geeft aan de bestrijding. In de meeste denkbare crisissituaties in de zorg zal er veelal sprake zijn van een samenspel van verschillende partijen die elk hun eigen taken en bevoegdheden hebben. Zo kan elke partij in het systeem de rol op zich nemen die daar belegd is. In dit kader heeft het kabinet in de beleidsbrief van 24 april 2026 kenbaar gemaakt in te zetten op sterkere regie en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in de zorg bij extreme omstandigheden.9
Welke gevolgen heeft een algehele mobilisatie van onze militairen voor de capaciteit van de zorg, en in hoeverre beperkt de capaciteit van de zorg een algehele mobilisatie van onze militairen?
Een mobilisatie betreft het in staat van paraatheid brengen van de krijgsmacht. De gevolgen van mobilisatie voor de capaciteit van de civiele zorg zijn zeer beperkt. Tijdens een mobilisatie, waarbij nog geen sprake is van een gevechtssituatie, is er geen instroom van gewonden in het civiele zorgsysteem. En andersom geldt ook dat de zorgcapaciteit geen beperking vormt voor de mobilisatie van militairen. Wel kan het zijn dat reservisten die werkzaam zijn in de civiele zorg worden opgeroepen en dat capaciteit die Defensie in vredestijd aan het civiele zorgdomein levert – bijvoorbeeld chirurgische teams in relatieziekenhuizen – niet meer beschikbaar is.
Uiteraard kan daadwerkelijke inzet van militairen ervoor zorgen dat Defensie in die situatie noodgedwongen een grotere ondersteuning vanuit de civiele zorgsector nodig heeft. Het hangt af van mate waarin de krijgsmacht wordt ingezet wat de gevolgen zijn voor de civiele zorg. Indien er sprake is van een plotselinge toename van militaire patiënten als gevolg van een conflict kan dit extra druk leggen op het civiele gezondheidszorgsysteem.
De Ministeries van Defensie en VWS werken op dit moment aan een gezamenlijke werkagenda, waarover de Tweede Kamer in september nader wordt geïnformeerd. Hierbij is naast de ondersteuning van de krijgsmacht door de civiele zorg, het uitgangspunt dat de zorg voor niet-militairen in Nederland door moet blijven gaan tijdens crisis en conflict.
Zijn hiervoor gezamenlijke scenario's en afspraken uitgewerkt door de Minister(ie)s van VWS en Defensie?
De inzet van het kabinet is om Nederland maatschappelijk weerbaar te maken met een parate en schaalbare krijgsmacht. In de Kamerbrief Weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen van 6 december 2024 wordt het scenario geschetst dat als uitgangspunt dient voor de uitwerking van de weerbaarheidsopgave. In dit scenario moet Nederland onder andere voldoen aan bondgenootschappelijke verplichtingen en is er mogelijk sprake van een significante migratie- en/of gewondenstroom.10 Het uitwerken van afspraken tussen de Ministeries van VWS en Defensie is ook onderdeel van de eerdergenoemde werkagenda die in september met de Kamer wordt gedeeld. Verder is het oefenen van scenario’s met de militair geneeskundige keten en de aansluiting van de reguliere zorg daarop, van essentieel belang. Zo sluit het Ministerie van VWS sinds 2024 aan bij de oefening Casualty Move van de NAVO, waar geoefend wordt met brede militaire medische inzet in een artikel 5-scenario. Ook waren de Minister van VWS en de Minister van Defensie op 8 juni 2026 in Duitsland gezamenlijk aanwezig bij de Fighter Lion-oefening van de Koninklijke Landmacht. Hier werd onder meer geoefend met het functioneren van de (militaire) zorgketen.
Kan de Nederlandse zorg een grote toestroom van gewonden opvangen, bijvoorbeeld als Nederland of een bondgenoot betrokken raakt bij een militair conflict of een grote ramp?
De inzet van het kabinet is dat het Nederlandse zorgsysteem in staat is om schokken op te kunnen vangen, ook bij een grote toestroom van gewonden. Op dit moment wordt in beeld gebracht wat aanvullend nodig is voor opgeschaalde noodzorg, om daarmee grote aantallen patiënten op te kunnen vangen. Hierbij wordt ook gekeken naar het specifieke scenario van grote aantallen gewonden als gevolg van een militair conflict.
Welke stappen zet u om de weerbaarheid van de zorg de komende jaren te versterken?
Het kabinet versterkt de weerbaarheid van de zorg op drie gebieden: (1.) zelf- en samenredzaamheid, (2.) basisnoodzorg en (3.) opschaalbare noodzorg.
Allereerst versterkt het kabinet de zelf- en samenredzaamheid van de bevolking, zoals ook is opgenomen in het coalitieakkoord. Dit betreft het vermogen van de bevolking om zichzelf (met behulp van anderen) gezond en veilig te houden in tijden van nood, waardoor onder meer het beroep op gespecialiseerde zorg wordt uitgesteld of overbodig wordt zodat de zorg zo lang mogelijk beschikbaar blijft. Als onderdeel daarvan wordt momenteel in kaart gebracht11 of aanvullend op lopende initiatieven additionele inzet nodig is, specifiek voor de kwetsbare groepen in de samenleving.
In de Beleidsbrief volksgezondheid, welzijn en sport is de versterking van de basisnoodzorg beschreven. Dit betreft bijvoorbeeld de infectieziektebestrijding door het RIVM en de GGD-en, de landelijke en regionale coördinatie van patiëntenspreiding en het aanleggen van voorraden van medicijnen en medische hulpmiddelen. Op 27 maart 2026 is de Kamer geïnformeerd12 over € 177 miljoen die structureel beschikbaar is gesteld op de VWS-begroting om deze versterkingen van de publieke en curatieve gezondheidszorg én pandemische paraatheid voort te zetten. Deze versterkingen waren ingezet naar aanleiding van de lessen uit de COVID-19 pandemie en dragen in bredere zin bij aan het op orde brengen van de basisnoodzorg in Nederland.
In 2026/2027 werkt het Ministerie van VWS uit welke stappen gezet dienen te worden voor de versterking van de opschaalbare noodzorg. Ondanks de inzet op een aantal versterkingen blijft onvermijdelijk dat in tijden van crisis en conflict scherpe keuzes moeten worden gemaakt die impact hebben op de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg. Onderdeel hiervan is, zoals in het antwoord op vraag 9 is aangegeven, de inzet om sterkere regie- en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in geval van een crisis.
De Kamer wordt dit najaar door de Minister van VWS nader geïnformeerd over de stand van zaken van de bredere inzet op weerbare zorg.
De vergoeding van diabetessensoren |
|
Marc Vervuurt (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Diabetessensor nodig, maar niet vergoed: wat als je nét buiten de criteria valt?»1
Klopt het dat de vergoedingscriteria voor een glucosesensor die gekoppeld is aan een insulinepomp grotendeels dateren uit 2017? Zo ja, wanneer zijn deze criteria voor het laatst geëvalueerd?
Hoe beoordeelt u het signaal dat mensen met diabetes type 1 deze technologie regelmatig niet vergoed krijgen, omdat zij net buiten de huidige vergoedingscriteria vallen, terwijl hun behandelaar vindt dat zij die nodig hebben?
Hoe kijkt u naar de oproep van diabetesverpleegkundigen en patiëntenorganisaties om bij de beoordeling naast glucosewaarden ook de dagelijkse ziektelast en de kwaliteit van leven mee te wegen?
Hoeveel mensen met diabetes vallen buiten de huidige criteria, terwijl hun behandelaar vindt dat zij medisch baat hebben bij deze technologie? Hoe verhoudt dit zich tot de schatting van Diabetesvereniging Nederland van zo’n 10.000 mensen, en bent u bereid dit nader in kaart te brengen?
Hoe kijkt u ertegenaan dat zorgverzekeraars verwijzen naar de criteria van het Zorginstituut, terwijl het Zorginstituut aangeeft hierin niet aan zet te zijn? Wie is volgens u verantwoordelijk voor het actualiseren van deze criteria?
Hoe past het tijdig inzetten van deze technologie, die complicaties en zorgkosten kan voorkomen, binnen uw inzet op passende zorg?
Bent u bereid zorgverzekeraars, behandelaars en patiëntenorganisaties bij elkaar te brengen om de criteria te laten aansluiten bij de stand van de wetenschap en praktijk, en zo nodig het Zorginstituut om een herbeoordeling te vragen?
De vergoeding van psychosociale hulphonden |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hulphond Zingo moet al na 6,5 jaar met pensioen, maar Kaj kan hem niet missen: «Hij gaf mij een doel in het leven»»?1
Bent u het met ons eens dat het verhaal van Kaj van Diemen, die door zijn hulphond Zingo zelfstandiger kan leven, minder snel overprikkeld raakt, op tijd zijn medicijnen inneemt en zich veiliger door het verkeer beweegt, staat voor de situatie van veel meer mensen? Erkent u ook dat een psychosociale hulphond mensen met een specifieke hulpvraag soms letterlijk hun leven teruggeeft?
Ziet u ook dat er sinds de vorige Kamervragen van de indiener in 2022, alleen maar meer onderzoek is gekomen waaruit blijkt dat psychosociale hulphonden fors kunnen bijdragen aan mentaal welzijn, zelfstandigheid en levenskwaliteit? Bent u bijvoorbeeld bekend met het langdurige onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen naar de inzet van hulphonden waarnaar in het artikel wordt verwezen?
Wat is de stand van zaken van de in 2022 aangekondigde landelijke afspraken over de definitie van een assistentiehond, de certificering van hondenscholen, de conformiteitsbeoordeling en het toezicht op de opleiding van assistentiehonden? Welke onderdelen zijn inmiddels gerealiseerd en welke nog niet?
Op welke manier zijn de resultaten van de diverse onderzoeken en het project «Met een hond kan ik het leven aan», meegenomen in het beleid rondom mentale gezondheid? Worden de richtlijnen voor gemeenten en zorgverzekeraars over vergoedingen ook overal geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om zich hiervoor in te zetten?2
Erkent u dat de inzet van hulphonden in voorkomende gevallen juist kostenbesparend is, omdat mensen zelfredzamer en zowel fysiek als mentaal gezonder worden?
Begrijpt u het dat er onbegrip is over het feit dat mensen met PTSS door hun werk bij Defensie of de politie wel voor specifieke vergoedingen of voorzieningen in aanmerking komen, terwijl mensen die door een andere oorzaak PTSS hebben opgelopen vaak afhankelijk zijn van de keuze van de gemeente waar ze wonen? Vindt u het, los van de juridische financieringsgrondslag, uitlegbaar dat twee mensen met vergelijkbare beperkingen en dezelfde behoefte aan ondersteuning verschillend worden behandeld vanwege de oorzaak van hun PTSS?3
Hoe verhoudt dit onderscheid zich volgens u tot het VN-verdrag Handicap, waarin de daadwerkelijke ondersteuningsbehoefte en de mogelijkheid om zelfstandig aan de samenleving deel te nemen centraal staan? Deelt u de mening dat niet de oorzaak van een beperking, maar de gevolgen daarvan en de individuele ondersteuningsbehoefte leidend zouden moeten zijn?
Hoeveel aanvragen voor psychosociale hulphonden zijn in de jaren 2022 tot en met 2026 bij gemeenten ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015?
Hoeveel aanvragen zijn geheel of gedeeltelijk toegekend en hoeveel zijn afgewezen? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar gemeente en reden voor afwijzing?
Zijn er inmiddels wel gegevens beschikbaar over het aantal assistentiehonden dat wordt verstrekt? Zo nee, hoe kunt u zonder deze informatie beoordelen of mensen met een vergelijkbare ondersteuningsbehoefte in verschillende gemeenten gelijkwaardig worden behandeld?
Klopt het beeld uit het artikel dat gemeenten geen gezamenlijk beoordelingsprotocol hanteren en dat de kans op vergoeding daardoor sterk afhankelijk kan zijn van de gemeente waarin iemand woont? Zo ja, acht u deze postcodeafhankelijkheid wenselijk? Zo nee, hoe zit het dan wel?
Bent u bereid om samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, ervaringsdeskundigen, gemeenten en deskundigen, zoals betrokken bij het project «Met een hond kan ik het leven aan», tot een landelijk afwegingskader te komen voor aanvragen van psychosociale hulphonden, waarbij de individuele ondersteuningsbehoefte en de bijdrage aan zelfredzaamheid en participatie centraal staan?4
Hoe wordt erop toegezien dat gemeenten uitvoering geven aan het standpunt van uw ambtsvoorganger uit 2024 dat zij een assistentiehond in de regel moeten toekennen wanneer uit zorgvuldig Wmo-onderzoek blijkt dat deze voor de inwoner de enige passende oplossing is, en aanvragen niet bij voorbaat afwijzen met een algemene verwijzing naar het ontbreken van voldoende wetenschappelijk bewijs?5
Hoe voorkomt u dat mensen eerst een langdurige bezwaar- en beroepsprocedure moeten voeren om een passende maatwerkvoorziening af te dwingen, terwijl zij juist vanwege hun beperking vaak niet de energie, financiële middelen of ondersteuning hebben om zo’n procedure te doorlopen?
Worden bij het beoordelen van de kosteneffectiviteit ook mogelijke besparingen op ambulante begeleiding, ggz-behandeling, crisiszorg, opname, mantelzorg en Wmo-ondersteuning betrokken, evenals de maatschappelijke opbrengsten van meer zelfstandigheid, participatie en deelname aan onderwijs of werk? Zo nee, waarom niet?
Welke ondersteuning is beschikbaar voor mensen van wie de huidige hulphond vanwege ouderdom of ziekte moet stoppen, maar die geen vergoeding kunnen krijgen voor een opvolgende hond? Hoe voorkomt u dat zij hierdoor hun zelfstandigheid verliezen of opnieuw afhankelijk worden van intensievere en mogelijk duurdere zorg en ondersteuning?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat mensen voor een noodzakelijke voorziening van € 25.000 tot € 35.000 afhankelijk zijn van crowdfunding, fondsen of donaties, waardoor financiële draagkracht en het vermogen om een succesvolle inzamelingsactie te organiseren mede bepalen wie zelfstandig kan blijven leven? Welke concrete stappen gaat u zetten om deze willekeur te verminderen?
Hulpmiddelen en voorzieningen voor mensen met een beperking, in navolging op vragen uit 2024 en 2025 |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
In 2024 noemde uw ambtsvoorganger Minister Helder het in antwoord op onze Kamervragen1 «onacceptabel» dat mensen te lang moeten wachten op hulpmiddelen en in 2025 gaf uw ambtsvoorganger Staatssecretaris Maeijer aan dit «vreselijk»2 te vinden. Begrijpt u het dat mensen met een beperking en hun naasten, soms moedeloos worden als zij dit soort stevige termen horen, maar in hun leven, vrijheid, studie, werk en sociaal leven worden beperkt omdat precies dezelfde problemen niet worden opgelost?
In 2025 gaf u aan dat in het Landelijk normenkader hulpmiddelen is opgenomen dat de gemeente afspraken maakt over de wacht- en levertijden in de overeenkomsten met de leveranciers en daar ook op stuurt. Gebeurt dit in alle gemeenten? Wie controleert dit? Hoe weet u of de afspraken in het landelijk normenkader overal worden nagekomen?
U gaf ook aan dat de gemeente en/of de leverancier de cliënt proactief op de hoogte houdt van diens aanvraag en/of levering van het hulpmiddel, zodat deze informatie ook inzichtelijk is voor de cliënt zelf. Heeft u de indruk dat dit standaard gebeurt?
Hebben inmiddels alle gemeenten de convenanten die zijn voortgekomen uit de Verbeteragenda Hulpmiddelen ondertekend?
Kunt u aangeven welke stappen zijn gezet om de levering en beschikbaarheid van hulpmiddelen te verbeteren, ook gezien de verplichtingen die voorkomen uit het VN-Verdrag Handicap waaronder tenminste Artikel 9, 19, 20, 29 en 30?
In antwoord op vorige Kamervragen gaf u aan dat problemen ook voortkomen uit het niet beschikbaar zijn van onderdelen en een tekort aan monteurs. Hoe groot zijn de personeelstekorten nu, bij benadering, in fte’s? Wat heeft u sindsdien ondernomen? Heeft u afspraken gemaakt over het hanteren van een vaste reserve voor veel gebruikte onderdelen? Heeft uw ministerie gesprekken gevoerd met leveranciers en beroepsopleidingen om gezamenlijk te werken aan werving en het onder de aandacht brengen van opleidingstrajecten en omscholingsmodules? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Welke eisen worden gesteld aan de locatie en regionale spreiding van voorraden van veelgebruikte onderdelen en van werkplaatsen waar monteurs reparaties uitvoeren? Wordt bij de contractering en beoordeling van leveranciers meegewogen welke gevolgen de afstand tussen de gebruiker, de leverancier en de werkplaats heeft voor de reparatie- en levertijd? Zo nee, bent u bereid hierover landelijke minimumeisen of afspraken te maken?
Deelt u de mening, dat het in lijn met het VN-Verdrag Handicap onacceptabel is dat mensen die een hulpmiddel nodig hebben regelmatig te maken krijgen met ingewikkelde en lange aanvraagprocedures, meerdere loketten, herhaalde beoordelingen en onduidelijkheid over wie verantwoordelijk is? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om het aanvraag en beoordelingsproces te vereenvoudigen?
Is het wettelijk noodzakelijk dat, nadat een gespecialiseerde paramedicus de noodzaak en functionaliteit van een hulpmiddel heeft beoordeeld, daarnaast een medisch specialist het hulpmiddel beoordeelt en voorschrijft? Zo ja, op grond van welke bepaling? Zo nee, waarom komt dit in de praktijk toch voor?
Kan het voorkomen dat een patiënt voor hetzelfde hulpmiddel meerdere keren door een medisch specialist moet worden beoordeeld? Zo ja, in welke situaties is dit medisch noodzakelijk en in welke situaties vloeit dit voort uit administratieve of contractuele voorwaarden?
Welke ruimte hebben zorgverzekeraars, gemeenten en zorgkantoren om aanvullende eisen te stellen aan verwijzingen, voorschriften, indicaties en voorafgaande toestemming voor hulpmiddelen? Op welke wijze wordt getoetst of deze eisen proportioneel en doelmatig zijn?
Deelt u de mening dat een beoordeling die zonder medische noodzaak wordt herhaald geen passende zorg is, maar verspilling van patiënttijd, professionele capaciteit en collectieve zorgmiddelen?
Kunnen gespecialiseerde paramedici, zoals handtherapeuten, ergotherapeuten en fysiotherapeuten, binnen de huidige wettelijke kaders rechtstreeks bepaalde hulpmiddelen aanvragen of voorschrijven? Zo nee, welke juridische of contractuele belemmeringen staan dit in de weg?
Bent u bereid met zorgverzekeraars, beroepsgroepen, patiëntenorganisaties en hulpmiddelenleveranciers af te spreken dat reeds vastgelegde medische informatie en beoordelingen worden hergebruikt en niet opnieuw worden opgevraagd, tenzij daar een concrete medische reden voor bestaat? Wilt u bij deze uitwerking ook ervaringsdeskundigen en zorgprofessionals betrekken die zelf met ingewikkelde hulpmiddelenroutes te maken hebben gehad, zodat niet alleen de afzonderlijke regels, maar ook de stapeling daarvan wordt beoordeeld?
Bent u bereid te onderzoeken voor welke hulpmiddelen een verkorte aanvraagroute kan worden ingevoerd, waarbij een beoordeling door een aantoonbaar deskundige behandelaar voldoende is en herhaalde verwijzingen, consulten en beoordelingen achterwege kunnen blijven?
Bent u ten slotte bereid de Kamer concrete voorstellen te doen voor een maximale totale doorlooptijd en een verkorte aanvraagroute voor relatief eenvoudige of laag-risico hulpmiddelen?
Worden de totale kosten van hulpmiddelenroutes momenteel in beeld gebracht, inclusief consulten, verwijzingen, machtigingen, administratieve handelingen, reistijd, wachttijd en gezondheidsschade door uitstel? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Bent u bekend met het rapport van Significant uit 2024 «Implementatie Verbeteragenda Hulpmiddelen»3 waaruit onder meer bleek «dat het in ruim een kwart van de ondervraagde gemeenten niet lukt om een complexe hulpmiddelenaanvraag binnen de wettelijke maximum tijd van zes weken te beoordelen, en dat daarnaast een deel van de respondenten geen zicht heeft op de gemiddelde beoordelingstermijn.»? Heeft u er zicht op of deze en andere bevindingen uit het rapport inmiddels zijn verbeterd?
Kunt u uiteenzetten welke wettelijke kaders gelden voor de wachttijd en de totale doorlooptijd van een hulpmiddelenaanvraag vanuit respectievelijk de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)? Welke bepalingen uit de Zvw, de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), de Wmo en de onderliggende regelgeving zijn hierbij relevant?
Geldt voor de beoordeling, machtiging, aanmeting en levering van hulpmiddelen vanuit de Zorgverzekeringswet een concrete maximale wachttijd of doorlooptijd? Zo ja, welke termijn geldt per stap en voor de volledige procedure? Zo nee, hoe wordt dan bepaald wanneer iemand onaanvaardbaar lang wacht?
Vanaf welk moment wordt de wachttijd voor een hulpmiddel geregistreerd: vanaf de eerste hulpvraag, de eerste verwijzing, de indicatiestelling, de formele aanvraag bij de zorgverzekeraar, de goedkeuring van die aanvraag of de opdracht aan de leverancier?
Welke mogelijkheden heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) om zorgverzekeraars aan te spreken wanneer ingewikkelde aanvraag- of machtigingsprocedures ertoe leiden dat verzekerden niet tijdig over een passend hulpmiddel kunnen beschikken?
Hoe vaak heeft de Nederlandse Zorgautoriteit in de afgelopen vijf jaar signalen ontvangen, onderzoek gedaan of handhavend opgetreden vanwege te lange aanvraag-, machtigings- of leveringstermijnen bij hulpmiddelenzorg?
Waar kan iemand terecht voor klachten of juridische hulp wanneer geen enkele afzonderlijke processtap buitensporig lang duurt, maar de opeenstapeling van verwijzingen, beoordelingen, machtigingen en wachttijden wel tot een onaanvaardbare totale doorlooptijd leidt?
Welke rechten hebben de gebruikers van een hulpmiddel als niet aan de gemaakte afspraken wordt voldaan? Beseft u dat zij hierdoor zowel lichamelijke gevolgen als (financiële) schade lijden omdat aanvraagprocedures al veel tijd en energie kosten en dit ook ten koste kan gaan van studie en werk? Deelt u de mening dat verbetering noodzakelijk is en bent u ook bereid de regie te pakken in een verbetertraject?
Hoe wordt Oekraïne op dit moment vanuit Nederland ondersteund als het gaat om medische middelen en -apparatuur?
Op welke manier worden medische middelen en -apparatuur, die niet (meer) gebruikt worden door ziekenhuizen of zorginstellingen, verzameld en aan Oekraïne gedoneerd?
Deelt u de mening dat Oekraïne, waar een tekort aan alle medische middelen en -apparatuur heerst, baat heeft bij het verkrijgen van medische spullen die niet meer gebruikt worden?
Deelt u de mening dat het zorginstellingen en ziekenhuizen helpt als er een centraal inzamelpunt is waar al deze spullen naartoe gestuurd kunnen worden? Zo ja, bent u bereid om dat op te zetten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid dit centraal gecoördineerde inzamelpunt in samenwerking met brancheorganisaties op te zetten om zo veel mogelijk medische middelen en -apparatuur naar Oekraïne te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen apart van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het bericht “Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN” |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN» en kunt u een appreciatie geven van de daarin geschetste gang van zaken rond de beoordeling van daratumumab voor de indicatie AL-amyloïdose?1
Ja, het kabinet is daarmee bekend. Het kabinet heeft uiteraard begrip voor het ongeduld van zowel patiënten als behandelaars, en vindt ook dat doorlooptijden van vergoedingsprocedures niet langer dan nodig zouden moeten zijn. Tegelijk zijn de kosten van dit middel per behandeling € 131.847,06, en is het macrokostenbeslag € 15,7 miljoen in jaar 3 na introductie. Dergelijke uitgaven en kosten moeten wel verantwoord zijn, en dus in verhouding staan tot de gezondheidswinst die een behandeling met dit geneesmiddel oplevert. Het kabinet heeft geen reden om te twijfelen aan de reden van Zorginstituut Nederland, dat de Minister van VWS onafhankelijk adviseert over de pakketwaardigheid van sluisgeneesmiddelen, om extra informatie te vragen voor een goed oordeel over de kosteneffectiviteit.
Kunt u een volledig en gedetailleerd tijdspad geven van de beoordelingsprocedure van daratumumab voor AL-amyloïdose bij het Zorginstituut Nederland, inclusief alle momenten waarop aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de fabrikant, en kunt u toelichten waarom dit traject, mede gelet op de Europese goedkeuring vijf jaar geleden, nog altijd niet tot een definitief besluit heeft geleid?
Daratumumab heeft voor de indicatie AL-amyloïdose op 21 juni 2021 een Europese marktregistratie verkregen. Verreweg de meeste tijd tussen de marktregistratie en een positief pakketadvies is de tijd die de leverancier heeft genomen voor indiening van het eerste vergoedingsdossier bij het Zorginstituut: ongeveer drie jaar. Daarnaast heeft de beoordeling langer geduurd dan gebruikelijk. De reden hiervan is dat er twee beoordelingen nodig zijn gebleken. Het tijdsverloop van de eerste beoordeling is als volgt.
Datum ontvangst dossier
4 juni 2024
Datum compleet dossier
22 juli 2024
Datum start consultatie
18 oktober 2024
Datum reactie leverancier consultatie
6 november 2024
Datum advies
16 januari 2025
Dat betekent dat de eerste beoordeling in totaal, dus vanaf het moment van compleet verklaren tot aan het uitbrengen van het advies, 178 dagen heeft geduurd. Om dit in perspectief te plaatsen: het streven is om een beoordeling van intramurale geneesmiddelen binnen 120 dagen afgerond te hebben.2 Het Zorginstituut wijst er daarbij op dat de leverancier in dit geval tijdens de beoordeling tijd heeft aangevraagd voor het aanleveren van extra informatie (een zogeheten klokstop). Deze klokstop betrof 29 dagen, waarmee de netto beoordelingstijd uitkomt op 178–29=149 dagen.
Het Zorginstituut heeft in het advies van 16 januari 2025 geconcludeerd dat daratumumab in combinatie met cyclofosfamide bortezomib en dexamethason (Dara-CyBorD) voor de behandeling van AL-amyloïdose voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. De aangeleverde informatie door de leverancier gaf echter onvoldoende inzicht of de prijs van Dara-CyBorD kosteneffectief was. Daarom luidde het advies van het Zorginstituut om Dara-CyBorD niet op te nemen in het basispakket van de zorgverzekering.
Uiteindelijk heeft de leverancier een aanvraag voor een herbeoordeling gedaan. De herbeoordeling betrof enkel het farmaco-economisch dossier. Het tijdsverloop hiervan was als volgt.
Datum ontvangst dossier
18 september 2025
Datum compleet dossier
10 november 2025
Datum start consultatie
18 december 2025 (gerekend vanaf 1 januari i.v.m. Kerstvakantie)
Datum reactie leverancier consultatie
27 maart 2026
Datum advies
5 augustus 2026
Dat betekent dat de tweede beoordeling in totaal, dus vanaf het moment van compleet verklaren tot aan het uitbrengen van het advies, 283 dagen heeft geduurd. In dit geval bedroeg de klokstop 85 dagen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van medisch specialist prof. dr. Monique Minnema (UMC Utrecht), die tijdens de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) heeft ingesproken en heeft aangegeven niet te begrijpen waarom de beoordeling van dit dossier zo lang duurt, en die stelt dat een gerandomiseerde fase III-studie op alle punten voordeel voor de patiënt laat zien?
Het Zorginstituut heeft in januari 2025 geconcludeerd dat Dara-CyBorD voldoet aan de stand van wetenschap en praktijk en dus effectief is. Maar dat wil nog niet zeggen dat het geneesmiddel ook kosteneffectief is. Daartoe is informatie nodig over de verhouding tussen de gezondheidswinst en de kosten van het middel. In het eerste dossier was deze informatie onvoldoende. De herbeoordeling betrof enkel de beoordeling van de kosteneffectiviteit, dat het middel effectief is stond immers al vast. Het kabinet begrijpt nogmaals het ongeduld, en wijst er in dat verband op dat de leverancier de tijd tussen registratie en vergoeding had kunnen verkorten door eerder een dossier in te dienen en al bij de eerste beoordeling een model aan te leveren dat meer in lijn was met de studieresultaten.
Klopt het dat, zoals gesteld wordt door de patiëntenorganisatie, ieder jaar uitstel van toelating van daratumumab voor AL-amyloïdose naar schatting 16 tot 20 patiënten het leven kost? Welke afweging maakt u tussen de tijd die gemoeid is met de beoordelings- en onderhandelingsprocedure en dit door patiëntenorganisaties en behandelaren gestelde gezondheidsverlies?
Het kabinet merkt ten eerste op dat Dara-CyBorD het leven van patiënten weliswaar kan verlengen, maar geen genezing brengt. Ten tijde van de eerste beoordeling was er nog geen klinisch relevant effect op de overleving aangetoond. De laatste publicatie over de effectiviteit van DaraCyBorD laat zien dat na 5 jaar ongeveer 10% minder patiënten overleden zijn ten opzichte van de vergelijkende behandeling.
Desalniettemin begrijpt het kabinet dat de vraag gesteld kan worden in hoeverre gezondheidsverlies als gevolg van vertraagde toegang wordt meegewogen en zo ja, of dat dan moet opwegen tegen de gezondheidswinst die een snelle vergoeding van een geneesmiddel zou opleveren. Deze afweging wordt niet gemaakt. Wel is het zo dat het betalen van een niet-kosteneffectieve prijs, dat wil zeggen een prijs waarvoor we – op het geheel bezien – onvoldoende gezondheidswinst terugkrijgen, ook schade zou toebrengen, aan patiënten elders of in de toekomst. Omdat met dat geld, dat we nu eenmaal maar één keer kunnen uitgeven, elders meer gezondheid had kunnen worden gewonnen. Het kabinet wijst in dit verband op de studie die het onderzoeksbureau Equalis in 2023 in opdracht van het Zorginstituut heeft gedaan naar de sluis. Equalis stelt dat de sluis tot een netto gezondheidswinst leidt, ondanks het gezondheidsverlies als gevolg van een latere toelating.3 Tot slot hecht het kabinet eraan om te benadrukken dat de inzet van zowel de beoordelaars bij het Zorginstituut als de onderhandelaars bij het Ministerie van VWS erop gericht is om patiënten zo snel als mogelijk toegang te geven tot effectieve geneesmiddelen.
Bent u van mening dat het proces van beoordeling, besluitvorming en prijsonderhandeling voor weesgeneesmiddelen zoals daratumumab bij een zeldzame, ernstige aandoening als AL-amyloïdose sneller kan en moet verlopen dan nu het geval is? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om het Zorginstituut Nederland en/of de onderhandelingen met de fabrikant te versnellen?
Het kabinet vindt uiteraard dat patiënten zo snel mogelijk toegang moeten krijgen tot een effectief middel, zoals in dit geval door het Zorginstituut is vastgesteld. Het kabinet zie ook dat ontwikkelingen zoals enerzijds steeds hogere prijzen voor innovatieve geneesmiddelen, en anderzijds steeds meer onzekerheid over de (kosten)effectiviteit door beperktere data een uitdaging betekent voor het pakketbeheer. Dat is de reden dat het kabinet werkt aan een Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen (TSG), waarover het kabinet uw Kamer regelmatig informeert.
Binnen dit stelsel is het uitgangspunt: snel als het kan, uitgebreid als het moet. De kern van TSG is een betere risicobeheersing en een betere voorspelbaarheid over de te volgen procedure.
Bent u bereid om, gelet op de urgentie die door zowel de patiëntenorganisatie als de behandelend specialisten wordt benadrukt, op korte termijn in overleg te treden met het Zorginstituut Nederland en de fabrikant om te bezien of het besluitvormingsproces over daratumumab voor AL-amyloïdose kan worden versneld en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Zoals bij vraag 2 bericht, heeft de Minister van VWS op 5 augustus 2026 het advies van het Zorginstituut ontvangen4. Het Zorginstituut adviseert dat een prijsonderhandeling nodig is voor pakkettoelating. Het kabinet hoopt nu zo snel mogelijk met de leverancier tot een prijsafspraak te komen zodat de behandeling kan instromen in het basispakket. Daar is alle tijd en inzet nu op gericht.
Bent u bekend met de BNR-rapportage «Nu al tekorten medicijnen en medische hulpmiddelen: hoe weerbaar is de zorg bij een crisis?»1
Ja.
Wat verstaat u onder een weerbare zorg?
Hieronder verstaat het kabinet een slagvaardige, wendbare en opschaalbare gezondheidszorg die berekend is op (langdurige) crisis, conflict en ontwrichting.
Deelt u de opvatting dat ons zorgsysteem in staat moet zijn om te functioneren, en wanneer nodig, moet kunnen opschalen om verschillende soorten crises (bijv. militaire en hybride conflicten, cyberterrorisme, natuurrampen) het hoofd te kunnen bieden?
Ja.
Welke risico's vormen volgens u de grootste bedreiging voor de continuïteit van de zorg?
Er zijn verschillende soorten dreigingen denkbaar die een risico kunnen vormen voor de continuïteit van de zorg. Denk bijvoorbeeld aan pandemieën, cyberaanvallen, verstoring van leveringsketens of de effecten van gewapend conflict2, die vaak in meer of mindere mate samenhangend kunnen voorkomen. Om deze veelvoud van dreigingen het hoofd te kunnen bieden, is de weerbare zorg-aanpak van het kabinet all-hazard.
Hoe goed is de zorg voorbereid op langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet?
Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) moeten zorgaanbieders goede zorg leveren. Daar hoort ook bij dat de organisatie zodanig is ingericht dat continuïteit en veiligheid van zorg zijn gewaarborgd, óók tijdens calamiteiten en grootschalige incidenten.
De zorgaanbieders moeten zelf in beeld hebben in welke mate zij voorbereid zijn op (onder andere) langdurige tekorten aan medicijnen, medische hulpmiddelen, en/of uitval van gas, water, telecommunicatie en internet; en het is aan hen om hiervoor zo nodig maatregelen te treffen in de eigen organisatie. Bijvoorbeeld het ontwikkelen van draaiboeken voor noodscenario’s of het oefenen daarmee.
Voor enkele van de genoemde tekorten geldt specifieke wet- en regelgeving of worden aanvullende maatregelen genomen door het kabinet. Zo geldt voor de uitval van telecom en internet dat zorgaanbieders wettelijk verplicht zijn om aantoonbaar te voldoen aan NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg.3 Bij uitval van internet of telecom moeten zorgverleners kunnen terugvallen op vooraf opgestelde noodprocedures, zoals het werken met papieren dossiers en het communiceren met externe partijen als telefonie is weggevallen.
Voor tekorten aan geneesmiddelen en medische hulpmiddelen geldt dat leveranciers wettelijk verplicht zijn een melding te doen van een leveringsonderbreking. Ook laat het kabinet een extra voorraad aanleggen van kritieke geneesmiddelen. Aanvullend onderzoekt het kabinet voor verschillende soorten crises welke medische producten nodig zijn, en hoe deze het beste opgeslagen en verdeeld kunnen worden. Voor hulpmiddelen kan met de alternatievendatabase van het Zorginkoop Netwerk Nederland snel gezocht worden naar een vervangend hulpmiddel. De mogelijkheden tot het aanleggen van een voorraad voor medische hulpmiddelen worden op dit moment geïnventariseerd.
Is de zorg voldoende voorbereid op grootschalige cyberaanvallen of andere hybride dreigingen die zorginstellingen of hun toelevering raken?
Het risico van cyberaanvallen op zorgaanbieders en actoren in de zorgketen neemt al jaren toe.4 Daarom is het van belang dat de zorg hierop voorbereid is. Zorgaanbieders zijn hiervoor in de eerste plaats zelf verantwoordelijk. Informatiebeveiliging en het bepalen van de risico’s moet een vanzelfsprekend onderdeel van de bedrijfsvoering zijn. De NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, verplicht zorginstellingen passende maatregelen te nemen om de vastgestelde risico’s te beheersen. In de Kamerbrief Informatieveiligheid in de zorg5 is beschreven dat zorgaanbieders en samenwerkingsverbanden ervoor moeten zorgen dat ze de juiste eisen stellen aan hun leveranciers. Op grond van de binnenkort in werking tredende Cyberbeveiligingswet (Cbw) moeten organisaties in verschillende sectoren waaronder de sector zorg, cyberincidenten melden en bij grootschalige cyberincidenten ondersteuning krijgen. De Cbw is erop gericht om cyberincidenten en de gevolgen hiervan te monitoren, te beperken en te voorkomen.
Is er zicht op van welke landen, entiteiten, organisaties en bedrijven de Nederlandse zorg het meest afhankelijk is en of dat bijvoorbeeld voor bepaalde hulpmiddelen of geneesmiddelen te veel geconcentreerd is?
De productie en distributie van geneesmiddelen bestaat uit veel verschillende stappen. Dat maakt het moeilijk om voor alle geneesmiddelen inzichtelijk te hebben hoe de productie- en leveringsketen er precies uitziet en waar afhankelijkheden zitten. In het algemeen geldt dat veel grond- en hulpstoffen van geneesmiddelen uit een beperkt aantal landen komen, zoals China en India. Het kabinet is zich daarvan bewust en zet mede daarom ook in op meer productie in Europa en Nederland, bijvoorbeeld door de Verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines Act). Daarmee streeft het kabinet ernaar dat Nederland en de Europese Unie (EU) minder afhankelijk zijn van derde landen voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen. Recent is een voorlopig politiek akkoord bereikt.6 Maar het kabinet realiseert zich ook dat een bepaalde afhankelijkheid nu eenmaal blijft bestaan. Daarom investeert het kabinet ook in de samenwerking met grote producerende landen, zoals India.
Onderzoek uit 2025 van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), apothekersorganisatie KNMP en Universiteit Utrecht laat zien dat medicijnen met de tien meest gebruikte werkzame stoffen in Nederland grotendeels binnen Europa worden geproduceerd.7 Ook laat het onderzoek zien dat Nederland voor sommige van de onderzochte medicijnen met dezelfde werkzame stof sterk afhankelijk is van één fabrikant.
Voor medische hulpmiddelen geldt dat zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor de inkoop van de hulpmiddelen. Er is op dit moment geen overzicht van afhankelijkheden van bepaalde landen, entiteiten of organisaties op dit gebied. In gesprekken die het kabinet voert met het veld wordt opgeroepen om divers in te kopen om de afhankelijkheid van één leverancier of land te verminderen. Zo wordt ook bij een tijdelijke leveringsonderbreking de zorgcontinuïteit gewaarborgd.
Welke zorg moet tijdens een grote crisis altijd kunnen doorgaan en hoe wordt dat georganiseerd?
De continuïteit en beschikbaarheid van (civiele) zorg is cruciaal voor de continuïteit van de samenleving èn de militaire slagkracht. Om de continuïteit van zorg te waarborgen in tijden van crisis en conflict moet de civiele zorg klappen kunnen opvangen en in het ergste geval extreme aantallen patiënten kunnen accommoderen. De opgave voor de zorg is dan ook om ten tijde van crisis, ontwrichting en conflict de publieke, curatieve en langdurige gezondheidszorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk te houden, met een daarbij passende kwaliteit. Daarbij is het in de eerste plaats aan zorgverleners om te bepalen welke zorg doorgang moet krijgen, ook tijdens crisis.
Tijdens een crisis zorgen zorgaanbieders samen voor de toegankelijkheid en kwaliteit van (acute) zorg binnen het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ). De Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) neemt deel aan het ROAZ voor de verbinding met het veiligheidsdomein. De gezondheidszorg is daarnaast een van de sectoren die onderdeel uitmaakt van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) – die op 15 augustus 2026 in werking is getreden – en ook in de zorg moet bijdragen aan het beschermen en weerbaarder maken van de levering van essentiële diensten.
Wie heeft bij een nationale zorgcrisis de regie en hoe is dat georganiseerd?
Wie bij een nationale zorgcrisis de regie heeft, hangt allereerst af van de aanleiding van een crisis en wat onder een nationale zorgcrisis precies wordt verstaan. In het algemeen geldt dat bij situaties met een landelijk, spoedeisend karakter waarbij de nationale veiligheid in het geding is, of waarbij sprake is van een grote uitwerking op de maatschappij, de nationale crisisstructuur geactiveerd zal worden. Hierin kunnen de verscheidene vakministers deelnemen op hun eigen beleidsterrein, waaronder de Minister van VWS.8 Hoe regie georganiseerd is, kan gegeven de aanleiding en omvang van een dreiging verschillen. Zo geldt bijvoorbeeld dat in de Wet publieke gezondheid (Wpg) is opgenomen dat de Minister van VWS bij een uitbraak van een A-infectieziekte met landelijke impact (of een dreiging daarvan) leiding geeft aan de bestrijding. In de meeste denkbare crisissituaties in de zorg zal er veelal sprake zijn van een samenspel van verschillende partijen die elk hun eigen taken en bevoegdheden hebben. Zo kan elke partij in het systeem de rol op zich nemen die daar belegd is. In dit kader heeft het kabinet in de beleidsbrief van 24 april 2026 kenbaar gemaakt in te zetten op sterkere regie en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in de zorg bij extreme omstandigheden.9
Welke gevolgen heeft een algehele mobilisatie van onze militairen voor de capaciteit van de zorg, en in hoeverre beperkt de capaciteit van de zorg een algehele mobilisatie van onze militairen?
Een mobilisatie betreft het in staat van paraatheid brengen van de krijgsmacht. De gevolgen van mobilisatie voor de capaciteit van de civiele zorg zijn zeer beperkt. Tijdens een mobilisatie, waarbij nog geen sprake is van een gevechtssituatie, is er geen instroom van gewonden in het civiele zorgsysteem. En andersom geldt ook dat de zorgcapaciteit geen beperking vormt voor de mobilisatie van militairen. Wel kan het zijn dat reservisten die werkzaam zijn in de civiele zorg worden opgeroepen en dat capaciteit die Defensie in vredestijd aan het civiele zorgdomein levert – bijvoorbeeld chirurgische teams in relatieziekenhuizen – niet meer beschikbaar is.
Uiteraard kan daadwerkelijke inzet van militairen ervoor zorgen dat Defensie in die situatie noodgedwongen een grotere ondersteuning vanuit de civiele zorgsector nodig heeft. Het hangt af van mate waarin de krijgsmacht wordt ingezet wat de gevolgen zijn voor de civiele zorg. Indien er sprake is van een plotselinge toename van militaire patiënten als gevolg van een conflict kan dit extra druk leggen op het civiele gezondheidszorgsysteem.
De Ministeries van Defensie en VWS werken op dit moment aan een gezamenlijke werkagenda, waarover de Tweede Kamer in september nader wordt geïnformeerd. Hierbij is naast de ondersteuning van de krijgsmacht door de civiele zorg, het uitgangspunt dat de zorg voor niet-militairen in Nederland door moet blijven gaan tijdens crisis en conflict.
Zijn hiervoor gezamenlijke scenario's en afspraken uitgewerkt door de Minister(ie)s van VWS en Defensie?
De inzet van het kabinet is om Nederland maatschappelijk weerbaar te maken met een parate en schaalbare krijgsmacht. In de Kamerbrief Weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen van 6 december 2024 wordt het scenario geschetst dat als uitgangspunt dient voor de uitwerking van de weerbaarheidsopgave. In dit scenario moet Nederland onder andere voldoen aan bondgenootschappelijke verplichtingen en is er mogelijk sprake van een significante migratie- en/of gewondenstroom.10 Het uitwerken van afspraken tussen de Ministeries van VWS en Defensie is ook onderdeel van de eerdergenoemde werkagenda die in september met de Kamer wordt gedeeld. Verder is het oefenen van scenario’s met de militair geneeskundige keten en de aansluiting van de reguliere zorg daarop, van essentieel belang. Zo sluit het Ministerie van VWS sinds 2024 aan bij de oefening Casualty Move van de NAVO, waar geoefend wordt met brede militaire medische inzet in een artikel 5-scenario. Ook waren de Minister van VWS en de Minister van Defensie op 8 juni 2026 in Duitsland gezamenlijk aanwezig bij de Fighter Lion-oefening van de Koninklijke Landmacht. Hier werd onder meer geoefend met het functioneren van de (militaire) zorgketen.
Kan de Nederlandse zorg een grote toestroom van gewonden opvangen, bijvoorbeeld als Nederland of een bondgenoot betrokken raakt bij een militair conflict of een grote ramp?
De inzet van het kabinet is dat het Nederlandse zorgsysteem in staat is om schokken op te kunnen vangen, ook bij een grote toestroom van gewonden. Op dit moment wordt in beeld gebracht wat aanvullend nodig is voor opgeschaalde noodzorg, om daarmee grote aantallen patiënten op te kunnen vangen. Hierbij wordt ook gekeken naar het specifieke scenario van grote aantallen gewonden als gevolg van een militair conflict.
Welke stappen zet u om de weerbaarheid van de zorg de komende jaren te versterken?
Het kabinet versterkt de weerbaarheid van de zorg op drie gebieden: (1.) zelf- en samenredzaamheid, (2.) basisnoodzorg en (3.) opschaalbare noodzorg.
Allereerst versterkt het kabinet de zelf- en samenredzaamheid van de bevolking, zoals ook is opgenomen in het coalitieakkoord. Dit betreft het vermogen van de bevolking om zichzelf (met behulp van anderen) gezond en veilig te houden in tijden van nood, waardoor onder meer het beroep op gespecialiseerde zorg wordt uitgesteld of overbodig wordt zodat de zorg zo lang mogelijk beschikbaar blijft. Als onderdeel daarvan wordt momenteel in kaart gebracht11 of aanvullend op lopende initiatieven additionele inzet nodig is, specifiek voor de kwetsbare groepen in de samenleving.
In de Beleidsbrief volksgezondheid, welzijn en sport is de versterking van de basisnoodzorg beschreven. Dit betreft bijvoorbeeld de infectieziektebestrijding door het RIVM en de GGD-en, de landelijke en regionale coördinatie van patiëntenspreiding en het aanleggen van voorraden van medicijnen en medische hulpmiddelen. Op 27 maart 2026 is de Kamer geïnformeerd12 over € 177 miljoen die structureel beschikbaar is gesteld op de VWS-begroting om deze versterkingen van de publieke en curatieve gezondheidszorg én pandemische paraatheid voort te zetten. Deze versterkingen waren ingezet naar aanleiding van de lessen uit de COVID-19 pandemie en dragen in bredere zin bij aan het op orde brengen van de basisnoodzorg in Nederland.
In 2026/2027 werkt het Ministerie van VWS uit welke stappen gezet dienen te worden voor de versterking van de opschaalbare noodzorg. Ondanks de inzet op een aantal versterkingen blijft onvermijdelijk dat in tijden van crisis en conflict scherpe keuzes moeten worden gemaakt die impact hebben op de toegankelijkheid en kwaliteit van de zorg. Onderdeel hiervan is, zoals in het antwoord op vraag 9 is aangegeven, de inzet om sterkere regie- en sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS in geval van een crisis.
De Kamer wordt dit najaar door de Minister van VWS nader geïnformeerd over de stand van zaken van de bredere inzet op weerbare zorg.
Recente internationale ontwikkelingen omtrent de therapeutische toepassing van psychedelica |
|
Marc Vervuurt (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de algehele tendens in de internationale ontwikkelingen omtrent psychedelische therapieën en middelen zoals MDMA en psilocybine, met toenemende aandacht voor mogelijke therapeutische toepassingen bij onder meer therapieresistente PTSS, depressie en verslavingsproblematiek?
Het kabinet juicht de ontwikkeling van nieuwe behandelingen voor bijvoorbeeld therapieresistentie PTSS, depressie en verslavingsproblematiek toe. Het kabinet is zich ervan bewust dat verschillende onderzoeken naar het therapeutisch gebruik van psychedelica gunstige resultaten laten zien, zoals bijvoorbeeld onderzoek naar MDMA bij posttraumatische stressstoornis (PTSS). Het is goed om te benadrukken dat het hier gaat om geneesmiddelenonderzoek. Het bewijs voor de effectiviteit en veiligheid van deze en andere therapeutische toepassingen van psychedelica is op dit moment echter nog onvoldoende voor inzet in de praktijk. Het kabinet vindt nationaal en internationaal onderzoek op dit gebied dan ook van groot belang en wacht de resultaten van de lopende studies en beoordeling daarvan door autoriteiten zoals het Europees Medicijn Agentschap (European Medicines Agency, EMA) met belangstelling af.
Herkent u het beeld dat er in meerdere landen wordt gezocht naar medische toegang tot psychedelica-ondersteunde behandelingen voor ernstige, therapieresistente aandoeningen, zonder dat MDMA of psilocybine daar als regulier geneesmiddel zijn geregistreerd?
Het kabinet heeft daarover inderdaad signalen ontvangen.
Hoe gaat u voorkomen dat Nederlandse patiënten die wegens therapieresistente psychiatrische klachten baat hebben bij psychedelica-ondersteunde therapie zich genoodzaakt zullen zien te kiezen voor ofwel een niet-medische behandeling, ofwel een behandeling in het buitenland?
Het kabinet kan niet voorkomen dat patiënten op zoek gaan naar alternatieve behandelingen. Het kabinet heeft begrip voor patiënten die een behandeling willen proberen, maar wil benadrukken dat het in hun eigen belang is dat de behandeling wel effectief en veilig is. Op dit moment is nog onduidelijk welke patiënten precies baat kunnen hebben bij dergelijke therapieën. Het kabinet vindt het daarom belangrijk dat de veiligheid en effectiviteit eerst verder worden onderzocht voordat deze therapieën in de praktijk worden toegepast. Juist in het belang van de patiënt. Verder kunnen patiënten informatie over bijvoorbeeld de risico’s van het zelf experimenteren met psychedelica vinden op de websites van het Trimbos1-instituut en van Jellinek2.
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in Duitsland, waar middels een compassionate useprogramma psilocybinetherapie is goedgekeurd als behandeling voor depressie?
Het kabinet vindt het belangrijk dat de kwaliteit, effectiviteit en veiligheid eerst voldoende zijn aangetoond voordat een dergelijk middel als behandeling wordt ingezet. Daarom hecht het kabinet eraan dat deze middelen eerst worden onderzocht in klinische studies en goedgekeurd door het EMA of het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Voor het beschikbaar maken van middelen via een compassionate use programma3 moet aan de voorwaarden van het CBG zijn voldaan4. Er moet bijvoorbeeld zicht zijn op spoedige registratie van het middel. Dit onderstreept nogmaals het belang van gedegen onderzoek naar veiligheid en effectiviteit. Dat neemt niet weg dat het kabinet wel compassie heeft voor patiënten die op zoek zijn naar een behandeling, zoals ook aangegeven bij vraag 3.
Welke uitgangspunten van deze aanpak acht u relevant voor het Nederlandse beleid, bijvoorbeeld op het gebied van patiëntselectie, behandelsetting, monitoring, dataverzameling en toezicht?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over bijvoorbeeld patiëntselectie en behandelsetting. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze middelen eerst worden onderzocht in klinische studies en goedgekeurd door het EMA of het CBG. Dergelijke studies kunnen inzicht geven in de juiste patiëntengroep en de optimale toepassing van het geneesmiddel. In Nederland zijn er verschillende instanties die onderzoekers kunnen adviseren over de opzet van studies met patiënten, bijvoorbeeld de Centrale Commissie voor Mensgebonden Onderzoek (CCMO) en het eerdergenoemde CBG.
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbaar compassionate useprogramma in Nederland?
In Nederland is al een duidelijk kader ingericht voor compassionate use. Ik verwijs hiervoor naar het CBG5. Een van de vereisten is zicht op registratie, waarvoor het eerder benoemde klinische onderzoek van belang is.
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Tsjechië, waar psilocybinetherapie sinds 1 januari 2026 is goedgekeurd als behandeling voor mensen met hardnekkige depressie en andere therapieresistente psychische stoornissen?
Het kabinet is ervan op de hoogte dat individuele landen zoals Tsjechië regulerende of uitzonderingsroutes hebben ontwikkeld om dergelijke therapieën (onder strikte voorwaarden) mogelijk te maken. Het is echter belangrijk dat de reguliere routes voor geneesmiddelenontwikkeling worden gevolgd zodat autoriteiten zoals het EMA of het CBG de balans tussen werkzaamheid en veiligheid kunnen beoordelen. Juist in het belang van de patiënt.
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Het kabinet is zich bewust van de grote behandelbehoefte bij patiënten met ernstige psychiatrische aandoeningen. Verschillende onderzoeken naar het therapeutisch gebruik van psychedelica laten gunstige resultaten zien. De toenmalige Minister van VWS heeft daarom, samen met de stichting Zorgonderzoek Nederland Medische Wetenschappen (ZonMw), 2,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor nader onderzoek naar psychedelica als behandeling, om de effectiviteit, veiligheid en kwaliteit beter in kaart te brengen6.
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Australië, waar sinds 2023 de medische toepassing van psilocybine en MDMA bij behandeling van therapieresistente depressie en PTSS is toegestaan, ondanks gebrek aan registratie als regulier geneesmiddel, en waar voor specifieke doelgroepen zoals veteranen publieke financiering beschikbaar is gesteld?
Het kabinet refereert hier aan de antwoorden op vraag 7 en 8. Het onderzoek binnen de genoemde ZonMw-subsidie moet daarom, vanwege de genoemde redenen, passen in een eventueel toekomstig registratietraject.
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbare aanpak in Nederland?
Het kabinet erkent de grote behoefte van patiënten aan nieuwe behandelmogelijkheden, maar vindt het belangrijk dat de effectiviteit en veiligheid van psychedelica als behandeling eerst verder worden onderzocht voordat dergelijke behandelingen in de praktijk worden toegepast. Juist in het belang van de patiënt. Het kabinet staat er wel voor open om mogelijkheden te verkennen voor eventuele vervolgfinanciering (bij positieve resultaten) van het ZonMw-onderzoek.
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar de president zich heeft uitgesproken voor de therapeutische toepassing van psychedelica, in het bijzonder voor de behandeling van PTSS?
De Amerikaanse regering heeft beleid geïntroduceerd dat erop is gericht de ontwikkeling en toelating van psychedelische geneesmiddelen te versnellen en de toegang daartoe te vergroten. De ontwikkelingen in de VS vormen voor het kabinet geen aanleiding om van de eigen beleidslijn af te wijken, namelijk inzetten op gedegen onderzoek voordat deze middelen worden ingezet als behandeling. Daar waar wetenschappelijke resultaten uit de VS de inzet van deze middelen in Nederland zou kunnen versnellen is dat natuurlijk welkom.
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Het kabinet ziet op dit moment geen lessen, aandachtspunten of kansen voor Nederlands beleid naar aanleiding van uitspraken van de president van de Verenigde Staten over dit onderwerp.
Hoe beoordeelt u de focus van farmaceutische bedrijven die zich in de ontwikkeling en toekomstige goedkeuring van psychedelische therapieën vooralsnog vooral op de Verenigde Staten lijken te richten? Welke rol kan Europa spelen in het versnellen van (voorlopige) goedkeuring?
In algemene zin richten veel farmaceutische bedrijven zich primair op de Amerikaanse markt vanwege de hoge prijzen die daar betaald worden voor geneesmiddelen, dat zal hier niet anders zijn.
Het EMA beschikt over verschillende instrumenten om versnelde of eerdere toegang tot innovatieve geneesmiddelen mogelijk te maken. Bedrijven en onderzoekers kunnen deze benutten. Meer informatie hierover is te vinden op de website van het EMA7. Begin dit jaar heeft een eerste psychedelicum de zogenaamde PRIME status ontvangen door het EMA8. PRIME is een programma van het EMA voor veelbelovende geneesmiddelen die een belangrijke onvervulde medische behoefte kunnen vervullen.
Onderschrijft u het in de Verenigde Staten uitgesproken potentiële belang van psychedelische therapie voor specifieke doelgroepen die vaker behoefte hebben aan een behandeling van PTSS, waaronder veteranen?1
Het kabinet onderschrijft de noodzaak van effectieve behandelingen bij patiënten met PTSS, waaronder patiënten uit geüniformeerde beroepen.
Bent u bekend met de recente casestudie gepubliceerd in Frontiers in Neuroscience, waarin een tijdelijke, significante functionele verbetering werd waargenomen bij een patiënt met vergevorderde Alzheimer na toediening van psilocybine?2
Ja.
Welke mogelijkheden ziet u om onderzoek naar de medische toepassing van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, in Nederland actief te faciliteren of te ondersteunen?
Eerder heeft VWS, samen met ZonMw, 2,6 miljoen euro beschikbaar gesteld voor onderzoek naar de ontwikkeling van psychedelica als behandeling. Binnen de oproep kan worden gekozen voor een combinatie van één psychedelicum voor de behandeling van één psychiatrische indicatie. Voor een vergelijkbare subsidie op het gebied van neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, is op dit moment helaas geen ruimte in de begroting. Mogelijk kan het Psynapse-consortium, dat is gevormd als onderdeel van de ZonMw-subsidie, een rol spelen bij het ondersteunen van onderzoek naar het effect van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten.
Welke mogelijkheden ziet u voor bredere ontwikkeling van potentieel therapeutisch inzetbare psychedelische middelen binnen Nederland, naast de eerdere specifieke discussie en onderzoeken rondom MDMA?
Het kabinet is verheugd dat het Psynapse-consortium een ontwikkelplan heeft opgesteld om tot meer geregistreerde geneesmiddelen binnen de psychiatrie te komen. Bovendien verkennen en werken diverse partijen, zoals het EMA, het CBG, het landelijk patiëntenplatform MIND, de Hersenstichting en het Psynapse-consortium, aan de mogelijkheden voor onderzoek naar verschillende psychedelica voor psychiatrische aandoeningen11. Het kabinet ziet de samenwerking tussen deze partijen als een goede ontwikkeling.
Indien u belemmeringen ziet, welke daarvan kunnen worden weggenomen met wetswijzigingen, en welke met beleidsaanpassingen of andere maatregelen?
Het kabinet ziet op dit moment geen noodzaak tot wetswijzigingen of beleidsaanpassingen. Bij positieve onderzoeksresultaten kan aanvullende financiering voor vervolgonderzoek wenselijk zijn. Op dit moment is hiervoor onvoldoende ruimte in de begroting.
Welke onderzoeken, pilots of wetenschappelijke ontwikkelingen volgt u momenteel omtrent de ontwikkeling van therapeutisch inzetbare psychedelische middelen?
Het kabinet vindt dat het volgen van deze ontwikkelingen primair een verantwoordelijkheid is van onderzoekers, maar staat open voor signalen en informatie hierover.
Welke mogelijkheden ziet u om wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën op een veilige, gecontroleerde en medisch verantwoorde manier te faciliteren, naast het recente onderzoek naar MDMA?
Het kabinet werkt aan een toekomstbestendig toetsingssysteem dat klinisch onderzoek in het algemeen moet bevorderen. Daarnaast zal het zich bij de Europese onderhandelingen over de Biotech Act I inzetten voor de maatregelen die gericht zijn op versnelling, stroomlijning en voorspelbaarheid van beoordelingsprocedures van klinisch onderzoek12. Wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën kan, zoals eerder aangegeven, eventueel ook worden gefaciliteerd met (vervolg)subsidies, al is daarvoor op dit moment geen ruimte in de begroting.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze ervaringen, wetenschappelijke inzichten en praktijkonderzoeken uit andere landen betrokken worden bij de Nederlandse beleidsvorming, regelgeving en medische praktijk rondom psychedelische therapieën?
Het kabinet heeft bij het opzetten van de eerdergenoemde ZonMw-subsidie als voorwaarde gesteld dat het onderzoek moet aansluiten op eerder en lopend nationaal en internationaal onderzoek.
Kunt u toelichten welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg?
Het kabinet ziet het niet als haar verantwoordelijkheid om in kaart te brengen welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het belang van psychotherapie wordt gewaarborgd bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten?
Het is niet de verantwoordelijkheid van het kabinet om het belang van psychotherapie bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten te waarborgen. Het kabinet wijst er wel op dat openbare informatie laat zien dat het EMA aandacht heeft voor een mogelijke rol van psychotherapie bij de behandeling met psychedelica en de methodologische aspecten daarvan bij het klinisch onderzoek13.
Tegelijkertijd geeft het EMA aan dat, hoewel geneesmiddelenautoriteiten verantwoordelijk zijn voor het toelaten van nieuwe geneesmiddelen op de markt, zij niet bepalen hoe artsen deze geneesmiddelen in de klinische praktijk gebruiken14.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De uitbraak van het stijgend tekort aan medische hulpmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Stijgend tekort aan medische hulpmiddelen in ziekenhuizen»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Kunt u een overzicht aan de Kamer sturen van de omvang van de tekorten aan essentiële medische hulpmiddelen in Nederlandse ziekenhuizen?
Tussen 1 januari 2026 en 31 mei 2026 zijn over 563 medische hulpmiddelen tekorten gemeld bij het landelijk meldpunt tekorten, dat wordt beheerd door Zorg Inkoop Netwerk Nederland. De afgelopen 12 maanden zijn de meeste meldingen binnengekomen over de in onderstaande figuur genoemde categorieën medische hulpmiddelen.
Welke categorieën medische hulpmiddelen zijn momenteel het meest kwetsbaar voor leveringsproblemen? Voor welke hulpmiddelen dreigen er reeds tekorten op korte termijn?
Op dit moment zijn met name producten die gemaakt zijn van olie of geproduceerd worden met olie, kwetsbaar voor leveringsproblemen en prijsstijgingen door het risico op een grondstoftekort en afhankelijkheid van productie in Azië. Concreet gaat het disposable OK-jassen en afdekmateriaal, niet-latex handschoenen, infuussystemen, disposable spuiten, katheters, mond-neusmaskers en verbandmaterialen. Daarnaast zijn incontinentiemateriaal, dialyse disposbles en medische verpakkingen kwetsbaar voor prijsstijgingen.
In het algemeen geldt dat hulpmiddelen voor eenmalig gebruik (disposables) het meest kwetsbaar voor leveringsproblemen, vanwege het hoge en continue verbruik. Via de Green Deal Duurzame Zorg wordt gewerkt aan het verminderen van het gebruik van hulpmiddelen voor eenmalig gebruik.
Daarnaast zijn medische hulpmiddelen voor specifieke toepassingen en doelgroepen zoals kinderen, kwetsbaar voor tekorten. Er wordt in Europa gewerkt aan vereenvoudiging van de Europese wetgeving voor medische hulpmiddelen (MDR) om de beschikbaarheid van deze hulpmiddelen te verbeteren.
Concreet is er op dit moment één tekort met acute impact voor de continuïteit van zorg. Het gaat om een essentieel medisch hulpmiddel dat gebruikt wordt door de cardiologen, met name in de hartzorg voor katheterisatie en dotterbehandelingen van hartpatiënten. Dit tekort is ontstaan naar aanleiding van een terugroepactie door een veiligheidsissue. Vanwege het tekort is een deel van de planbare operaties uitgesteld. Tot nu toe heeft het tekort geen gevolgen gehad voor de continuïteit van de acute zorg. Het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen van het Zorg Inkoop Netwerk Nederland, de IGJ en vertegenwoordigers uit de zorg monitoren de situatie en geven adviezen over het gebruik van alternatieven om de oplopende wachtlijsten te beperken.
In hoeveel gevallen hebben tekorten aan medische hulpmiddelen de afgelopen twee jaar geleid tot uitstel van operaties, aanpassing van behandelingen of risico’s voor patiëntveiligheid?
Tussen 1 januari 2024 en 31 mei 2026 zijn over 3.986 medische hulpmiddelen tekorten gemeld bij het meldpunt. Bij 61 van deze tekorten (1,5%) was sprake van uitstel van behandelingen door een tekort aan alternatieven. Hoewel uitstel van behandelingen vervelend is voor de patiënt en extra werk oplevert voor de zorg, heeft dit vaak geen gevolgen voor de patiëntveiligheid. In 33 gevallen (0,8%) heeft het tekort tot minder comfort of een verhoogd risico voor de patiënt geleid.
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op de beschikbaarheid van essentiële medische hulpmiddelen, en acht u dat toezicht voldoende effectief?
Sinds januari 2025 is een Europese meldplicht voor leveringsonderbrekingen van medische hulpmiddelen van kracht. Fabrikanten zijn verplicht om leveringsonderbrekingen van kritische hulpmiddelen te melden bij een lidstaat. In Nederland komen deze meldingen binnen bij het CIBG. Het CIBG publiceert alle meldingen die bij lidstaten binnenkomen.
Zorgaanbieders en leveranciers kunnen tekorten op vrijwillige basis melden bij het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen van het Zorg Inkoop Netwerk Nederland. Dit kunnen ook meldingen van niet-kritische hulpmiddelen zijn.
Fabrikanten zijn verplicht om incidenten met een medisch hulpmiddel en daaruit voortvloeiende veiligheidsmeldingen en terugroepacties te melden bij de IGJ.
Het kabinet subsidieert Zorg Inkoop Netwerk Nederland om inzicht te geven in de kwetsbaarheid van leveringsketens van kritische productgroepen.
Ondanks deze acties kan zich altijd een onverwachte situatie voordoen waardoor de zorg overvallen wordt door een tekort. Dat maakt het belangrijk om goed voorbereid te zijn op acute tekorten. Het kabinet werkt daarom met vertegenwoordigers uit de zorg en leveranciers aan een blauwdruk voor een crisisstructuur bij tekorten aan kritieke medische hulpmiddelen.
Welke lessen zijn volgens u getrokken uit de tekorten aan medische hulpmiddelen tijdens de coronapandemie?
Tijdens de coronapandemie hebben we geleerd dat het belangrijk is om beter inzicht te hebben in (dreigende) tekorten van medische hulpmiddelen en dat de beschikbaarheid van medische hulpmiddelen kwetsbaar is. Na de pandemie is het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen ingericht bij het Zorg Inkoop Netwerk Nederland voor coördinatie bij tekorten, het ontwikkelen van een alternatievendatabase en voor meer inzicht in de kwetsbaarheden van leveringsketens. Het kabinet heeft ook een overeenkomst afgesloten met een fabrikant die voor de Nederlandse zorg productiecapaciteit voor mondmaskers (type FFP2) in stand houdt. Daarnaast is een taakgroep beschikbaarheid medische hulpmiddelen ingericht met vertegenwoordigers uit de zorg, vertegenwoordigers van leveranciers, het Zorg Inkoop Netwerk Nederland en de IGJ. Deze taakgroep adviseert het Ministerie van VWS over beleid- en wetgeving rond tekorten.
Op Europees niveau is een meldplicht leveringsonderbrekingen ingevoerd. Er zijn voor verschillende medische hulpmiddelen RescEU voorraden aangelegd waar lidstaten een beroep op kunnen doen. Nederland beheert een RescEU voorraad met medische apparatuur, zoals patiëntmonitors en echo-apparaten. Daarnaast is bij het EMA een stuurgroep (Medical Device Shortages Steering Group) ingericht voor Europese coördinatie bij een publieke gezondheidscrisis. Verder werken we in Europa aan joint action voor (meer) voorraden en het stimuleren van Europese productie.
Acht u Nederland voldoende voorbereid op grootschalige tekorten aan medische hulpmiddelen tijdens een toekomstige geopolitieke crisis die de toeleveringsketen verstoort?
De afgelopen jaren heeft Nederland zich beter voorbereid op (grootschalige) tekorten, ook in samenwerking met de Europese Commissie. Er is nationaal een tijdelijke subsidie verstrekt aan Zorg Inkoop Netwerk Nederland om zicht op tekorten en de toeleveringsketen van medische hulpmiddelen te verbeteren. Het kabinet werkt verder samen met vertegenwoordigers uit de zorg en leveranciers in de taakgroep beschikbaarheid medische hulpmiddelen, aan een blauwdruk voor een crisisstructuur bij tekorten aan kritieke medische hulpmiddelen.
Daarnaast zal een deel van de middelen die beschikbaar zijn gesteld voor pandemische paraatheid worden ingezet voor het aanleggen van voorraden en productie van kritische medische hulpmiddelen.
Op welke termijn verwacht u de aangekondigde blauwdruk voor een crisisstructuur bij grootschalige tekorten gereed te hebben?
We verwachten dat de blauwdruk voor een crisisstructuur uiterlijk in het vierde kwartaal van 2026 gereed is.
Welke bijkomende acties plant u te ondernemen om Nederland weerbaarder te maken voor verstoringen in internationale productieketens van medische hulpmiddelen in de context van toenemende geopolitieke spanningen?
Een zekere afhankelijkheid van andere landen zal blijven bestaan. Nederland is nu eenmaal te klein om alle ruim 500.000 verschillende soorten medische hulpmiddelen, inclusief grondstoffen en onderdelen, te kunnen produceren. In samenwerking met andere lidstaten werkt het kabinet aan het bevorderen van productie in Europa. Het pakket pandemische paraatheid wordt onder andere ingezet voor het aanleggen van voorraden en productie van kritische medische hulpmiddelen. Ook werkt het Ministerie van EZK aan een grondstoffenstrategie om de leveringszekerheid van kritische grondstoffen te bevorderen.
Verder zet het kabinet in op het vergroten van hergebruik van medische hulpmiddelen, omdat hulpmiddelen voor eenmalig gebruik (disposables) het meest kwetsbaar zijn voor leveringsonderbrekingen. Zorg Inkoop Netwerk Nederland houdt zicht op de kwetsbaarheid van de leveringsketens en voorziet in mitigerende adviezen voor de meest kritische productgroepen medische hulpmiddelen.
Ten slotte wordt ingezet op het versterken van relaties met andere landen, zoals India, zodat we risico’s en afhankelijkheden beter kunnen spreiden.
Hoeveel financiële middelen heeft het kabinet precies vrijgemaakt voor het vergroten van de weerbaarheid van medische productieketens en strategische voorraden?
Het kabinet heeft structureel € 177 miljoen per jaar vrijgemaakt voor pandemische paraatheid. Dit is onder andere bedoeld voor het vergroten van de weerbaarheid van medische productieketens en strategische voorraden van medicijnen en medische hulpmiddelen.
Daarnaast investeert het kabinet dit jaar ongeveer € 1 miljoen in het in stand houden van opschaalbare productiecapaciteit voor mondmaskers (FFP2). Het Zorg Inkoop Netwerk Nederland ontvangt in 2026 € 2 miljoen voor het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen, de alternatievendatabase, het in kaart brengen van kwetsbaarheden in toeleveringsketens en marktanalyses ten behoeve van inkopers in de zorg.
Wat vindt u van het voorstel om de inkoop van medische hulpmiddelen in Nederland meer centraal te organiseren? Zal u stappen in deze richting zetten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de inkoop van medische hulpmiddelen. Het staat zorgaanbieders vrij om (vaker) gezamenlijk of centraal in te kopen. Vanwege de Wet Markt en Overheid kan de overheid niet ingrijpen in een goed functionerende markt. Alleen bij crisissituaties is centrale inkoop vanuit de overheid mogelijk, zowel nationaal als op Europees niveau.
Welk beleid van andere lidstaten om een tekort aan medische hulpmiddelen te voorkomen, kan als voorbeeld voor Nederland dienen en overweegt u in Nederlands beleid om te zetten?
Het Zorg Inkoop Netwerk Nederland heeft een inventarisatie gedaan van de aanpak van tekorten in verschillende landen, waaronder Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Japan, Oostenrijk en Spanje. De lessen die zijn geleerd bij deze inventarisatie worden meegenomen bij de ontwikkeling van een blauwdruk voor de crisisstructuur in Nederland.
Eén van de lessen is bijvoorbeeld dat het van belang is om vooraf een crisisstructuur in te richten met afspraken over rollen en verantwoordelijkheden van alle partijen bij tekorten aan medische hulpmiddelen. Daar wordt nu aan gewerkt.
Naar voorbeeld van Japan onderzoekt het kabinet op basis van verschillende scenario’s voor welke medische producten het beste strategische voorraden kunnen worden aangelegd.
In Spanje zijn leveranciers verplicht om informatie over beschikbare voorraden, productiecapaciteit en eventuele leveringsproblemen te melden bij een centraal digitaal platform. Zorginstellingen zijn verplicht om hun voorraadniveaus, verbruik en eventuele tekorten door te geven aan hetzelfde centrale digitale platform. In Nederland wordt bij de ontwikkeling van de blauwdruk voor een crisisorganisatie in kaart gebracht in hoeverre er draagvlak is voor levering van dergelijke gegevens op vrijwillige basis. Als informatievoorziening op vrijwillige basis niet werkt, overweegt het Kabinet een wettelijke informatieplicht in te voeren.
Bent u bekend met het plan France 20302 waarmee Frankrijk in deze tijden van geopolitieke spanningen en verstoorde toeleveringsketens de productie van essentiële medicijnen naar Frankrijk terughaalt? In welke mate zou een dergelijk plan volgens u ook voor Nederland interessant zijn? Zo nee, waarom niet? Acht u het nuttig een dergelijk plan naar medische hulpmiddelen uit te breiden? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben daarmee bekend. In Nederland hebben we een eerste stap gezet door een overeenkomst te sluiten met fabrikant voor het in stand houden van opschaalbare productiecapaciteit van mondmaskers (type FFP2). Het kabinet overweegt om met middelen uit het pakket pandemische paraatheid overeenkomsten te sluiten voor de productie van nog een aantal van de meest kritische hulpmiddelen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Er was wat meer tijd nodig om de vragen te beantwoorden omdat afstemming met betrokken partijen ten behoeve van de beantwoording meer tijd heeft gevergd.
Het bericht ‘Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt’. |
|
Tijs van den Brink (CDA), André Poortman (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt»?1
Ja, dit bericht is bekend.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat er zware pijnstillers uit de reguliere farmaceutische keten worden verhandeld op de zwarte markt?
Ja, het is inderdaad zorgwekkend en onaanvaardbaar dat er zware pijnstillers uit de reguliere keten worden verhandeld op de zwarte markt. Het gebruik van deze middelen is niet zonder risico, en deze mogen nooit zonder begeleiding van een arts en apotheker worden gebruikt.
Hoe duidt u de constatering van Zembla dat er diverse kwetsbaarheden en lekken in de keten van geneesmiddelendistributie en afvalinzameling zijn zoals corrupte medewerkers binnen Nederlandse apotheken?
De uitzending laat zien dat de geneesmiddelendistributie- en afvalketen op sommige punten kwetsbaar is voor intern weglekken van medicijnen en misbruik. Dit zijn ernstige signalen. Het gesloten houden van de keten draait niet alleen om formele regels, maar vraagt ook om zorgvuldige naleving, betrouwbare medewerkers en goed toezicht op voorraad, retour- en afvalstromen. Het is nodig dat zorgaanbieders zich hier bewust van zijn.
Hoe duidt u het in het bericht beschreven voorval waarin er door het HagaZiekenhuis in eerste instantie geen aangifte werd gedaan van diefstal van medicatie door een medewerker en er eveneens geen melding werd gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd?
Het is een kwalijke zaak als er medicatie gestolen wordt. Het kabinet vindt het belangrijk dat zorginstellingen in zo’n situatie de juiste stappen zetten om dit in de toekomst te voorkomen.
Het HagaZiekenhuis heeft laten weten dat de medewerker direct is vrijgesteld van werk nadat de situatie bekend werd. Daarnaast zijn de interne procedures aangescherpt. Toen in februari 2026 bleek dat de zaak groter was dan aanvankelijk gedacht, heeft het ziekenhuis alsnog melding en aangifte gedaan en de arbeidsovereenkomst met de medewerker beëindigd. Het HagaZiekenhuis geeft aan dat die latere acties voortkwamen uit maatschappelijke verantwoordelijkheid en transparantie.
Om toekomstige risico’s te minimaliseren, heeft het ziekenhuis externe expertise ingeschakeld om de procedures en omgang met opiaten door te lichten. De medewerker heeft aan de onderzoeker toegelicht hoe hij de procedures kon omzeilen, zodat het ziekenhuis hiervan kan leren. Dit laat zien dat het HagaZiekenhuis het voorval serieus neemt en dat men ook de nodige stappen aan het zetten is. Tegelijkertijd maakt dit incident duidelijk dat zorginstellingen actuele protocollen moeten hebben voor medicatie gerelateerde incidenten, niet alleen gericht op zorg, maar ook op dit soort situaties. En die moeten ze duidelijk en tijdig volgen, zodat ziekenhuizen adequaat handelen bij problemen met medicatie.
Bent u bereid met de sector in gesprek te gaan om te bezien of de huidige richtlijnen rondom het melden van diefstal en het doen van aangifte toereikend zijn en of deze voldoende worden nageleefd?
Het Ministerie van VWS is al in gesprek met KNMP over de rol van de apothekers bij het weglekken van medicijnen uit de legale keten. Dit onderwerp komt bijvoorbeeld ook op de agenda in het overleg met ziekenhuisapothekers en andere relevante partijen.
Hoe weegt u het verzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd om de bevoegdheid om met een «fictieve identiteit» proefaankopen te doen en bent u bereid te onderzoeken of deze en andere instrumenten en maatregelen getroffen kunnen worden om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, al dan niet in samenwerking met het Openbaar Ministerie, instaat te stellen tegen deze problematiek op te treden?
Het kabinet erkent het belang van een effectief optreden tegen deze problematiek. Het kabinet is bezig met de aanpak van illegale online handel, waaronder het weglekken van legale middelen, met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Openbaar Ministerie (OM), politie en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Een van de elementen binnen die aanpak is een verkenning of aanpassingen in bevoegdheden en/of wet- en regelgeving nodig zijn om het handelingsperspectief te vergroten. Het kabinet is dus inderdaad van plan dit te onderzoeken. Het OM heeft overigens geen rol in het toezicht.
Bent u van mening dat er meer onderzoek gedaan moet worden naar illegale handel in legale medicatie? Zo nee, waarom niet?
Er is op dit moment geen nieuw onderzoek nodig. Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) doet al onderzoek naar hoe legale geneesmiddelen in het illegale circuit terechtkomen. De verwachting is dat het rapport in het eerste kwartaal van 2027 wordt opgeleverd. Het kabinet wil hier niet op vooruitlopen. Ook de IGJ onderzoekt kwetsbaarheden in de legale keten. Het kabinet werkt, zoals bij vraag 6 genoemd aan een brede en effectieve aanpak van illegale (online) handel, samen met de partners de IGJ, het OM, de politie en de NVWA.
Welke maatregelen kunt u nemen om te achterhalen waar legale opiaten vandaan komen die uiteindelijk op de zwarte markt illegaal worden verhandeld?
Wij kunnen niet vooruitlopen op de lopende onderzoeken die in het antwoord op vraag 7 staan. Om te achterhalen waar deze opiaten vandaan komen, moeten we eerst weten hoe ze de illegale markt bereiken en waar de zwakke plekken in de legale keten zitten. We wachten daarom met grote belangstelling de uitkomsten af, zodat we op basis daarvan eventuele aanvullende maatregelen kunnen nemen.
Wat is uw mening over de rol die onlineplatforms zoals Telegram spelen in de illegale handel van medicijnen en wat kunt u, naast het aanspreken van deze platforms, verder doen om dit tegen te gaan?
In de Digital Services Act (DSA) zijn de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid van tussenhandeldiensten, zoals hostingdiensten en online platforms, geregeld. Via deze diensten kunnen gebruikers online teksten, afbeeldingen, video’s of andere content doorgeven, opslaan of openbaar maken. Besloten groepen vallen echter buiten de reikwijdte van de DSA. De DSA is een EU-verordening met maximumharmonisatie. Binnen het toepassingsgebied bestaat geen ruimte voor lidstaten om aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden. Op nationaal niveau kunnen daarom geen aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen aan tussenhandeldiensten worden opgelegd. Het kabinet zet in op een effectieve en uniforme toepassing en handhaving van de DSA. In 2027 wordt de DSA geëvalueerd op het effect en doeltreffendheid. Dat biedt de gelegenheid om te bezien of aanvullende verplichtingen voor tussenhandeldiensten wenselijk en nodig zijn. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen. Het Ministerie van JenV zal hieraan een actieve bijdrage leveren.
In hoeverre is het strafbaar om legale medicijnen illegaal te verhandelen via online platforms en welke handvaten zijn er om deze handel aan te pakken?
De Geneesmiddelenwet stelt strenge eisen aan het online te koop aanbieden, verkopen of leveren van geneesmiddelen. Handelen in strijd met deze eisen is strafbaar. UR-geneesmiddelen, geneesmiddelen die «Uitsluitend op Recept» verkrijgbaar zijn, mogen alleen worden aangeboden, verkocht of geleverd door een apotheker of huisarts met vergunning, en uitsluitend op basis van een geldig recept. Legale aanbieders zoals apotheken die geneesmiddelen online verkopen, moeten hun website registreren bij het agentschap CIBG. De website moet voldoen aan de Europese eisen voor eerlijke en transparante online handel. Daarnaast moet de website het officiële Europese logo tonen voor online verkoop van geneesmiddelen. Alleen legale aanbieders die op https://www.aanbiedersmedicijnen.nl/ zijn vermeld met de categorie «UR» mogen online UR-geneesmiddelen verkopen.
De IGJ houdt toezicht op de Geneesmiddelenwet en kan bestuursrechtelijk optreden, bijvoorbeeld door het opleggen van een bestuurlijke boete of het laten verwijderen van illegale advertenties en andere online content. Daarnaast werkt de IGJ samen met de douane, hostingbedrijven en (verkoop)platforms om illegale handel, betaling en verzending van geneesmiddelen te blokkeren. Bij ernstige overtredingen kan het Strafrecht worden ingezet.
Heeft u zicht op de omvang van de online handel in designerdrugs?
Hoe groot deze vorm van handel is, is lastig te zeggen. Ten eerste is er bij georganiseerde criminaliteit sprake van een «dark number» en is het dus sowieso lastig om een schatting van de totale omvang van de markt te maken. Daarnaast registreren OM en politie niet of een drugsdelict zich geheel in de fysieke wereld of (deels) online heeft afgespeeld. Aangezien dit geen verschil maakt in de strafbaarheid van de handelingen, is dit niet noodzakelijk voor de taakuitvoering.
Er worden op dit moment tussen de 100–200 websites gehost in Nederland die NPS verkopen. De omvang is dus aanzienlijk, de opsporings- en handhavingsdiensten werken hard om dit aantal naar beneden te krijgen. Om de handel in designerdrugs aan te pakken, is in juli 2025 lijst IA toegevoegd aan de Opiumwet. Er staan momenteel drie stofgroepen op lijst IA. Begin juli wordt een vierde stofgroep toegevoegd, de nitazenen. Er blijft echter een aanbod van middelen en stofgroepen dat niet onder lijst I, II of IA bij de Opiumwet valt. Het gaat bijvoorbeeld om middelen die zijn afgeleid van tripmiddelen (psychedelica), varianten van benzodiazepines (kalmeringsmiddelen) of van geneesmiddelen met een verdovende en pijnstillende werking, zoals afgeleiden van ketamine of van de pijnstiller tramadol.
Acht u de huidige wetgeving rondom de aanpak van designerdrugs toereikend genoeg om juist ook de online handel ervan tegen te gaan? Welke knelpunten zijn hierbij nog aan de orde?
De huidige wetgeving biedt een basis voor de aanpak van online handel in designerdrugs, maar kent uitdagingen die effectieve bestrijding moeilijk maken. Politie, justitie en toezichthouders beschikken over een breed juridisch instrumentarium als het gaat om het tegengaan van illegale content op online platforms en opsporing van offline drugshandel. Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop van designerdrugs niet los te zien is van de online handel in andere verboden middelen.
Wel ziet het kabinet ernstige belemmeringen bij de handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten. De belangrijkste knelpunten liggen in het gebruik van versleutelde platforms en interpersoonlijke berichtendiensten, de complexe logistiek van post- en pakketzendingen en de schaarste aan capaciteit bij opsporingsdiensten en toezichthouders. Criminelen maken gebruik van methoden zoals valse afzendergegevens, mislabeling en complexe verzendroutes via andere EU-lidstaten. Daarnaast ontbreekt er een algemene wettelijke verplichting voor post- en pakketbedrijven om verdachte zendingen preventief te controleren of te melden, terwijl samenwerking veelal plaatsvindt binnen concrete onderzoeken en op basis van bestaande bevoegdheden.
Wetgeving alleen is niet voldoende, daarom zet het kabinet ook in op het intensiveren van samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten en private partijen. Daarnaast onderzoekt het kabinet de mogelijkheden voor aanvullende wet- en regelgeving om de handhavingsmogelijkheden te versterken.
Het kabinet heeft de Kamer per brief nader geïnformeerd over de huidige aanpak, de uitdagingen en de stappen die worden gezet om de handhaving van online handel in (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs te versterken.2
Het oplopende medicijntekort |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tekort dreigt op te lopen»?1
Ja.
Klopt het dat steeds meer fabrikanten stoppen met de productie van goedkope medicijnen in Nederland?
Nee, dat klopt niet. Er zijn in Nederland ongeveer 36 geneesmiddelenfabrikanten. Het kabinet heeft geen duidelijke aanwijzingen voor een afnemende trend in het aantal fabrikanten dat generieke geneesmiddelen in Nederland produceert. Wel ontvangt het kabinet signalen dat het bedrijfsmodel van deze fabrikanten onder druk staat. Deze signalen neemt het kabinet zeer serieus.
Het kabinet heeft geen informatie over het totaal aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert. Dit is bedrijfsvertrouwelijke informatie. Een fabrikant is niet hetzelfde als een handelsvergunninghouder. Een fabrikant produceert het geneesmiddel, terwijl de handelsvergunningshouder verantwoordelijk is voor het op de markt brengen en leveren ervan. Het aantal handelsvergunningshouders zegt iets over de verschraling van de markt.
De marktconcentratie van handelsvergunninghouders neemt toe, zoals te lezen in het nieuwsartikel waarnaar verwezen wordt. Onderzoek van de Stichting Farmaceutische Kengetallen2 laat zien dat er per generiek geneesmiddel in 2024 minder handelsvergunninghouders actief zijn op de Nederlandse markt dan in 2014. Ook neemt de marktconcentratie in het algemeen toe: steeds vaker is het marktaandeel van de grootste handelsvergunninghouder veel groter dan het marktaandeel van andere leveranciers.
Verschraling van het aantal handelsvergunninghouders is onwenselijk. Ten eerste kunnen tekorten eerder ontstaan. Het terugtrekken van de handelsvergunningshouders kan namelijk minder goed opgevangen worden door de op de markt overgebleven handelsvergunningshouders. Ook bestaat het risico dat de laatste leverancier stopt. In dat geval is het geregistreerde geneesmiddel niet meer beschikbaar voor Nederlandse patiënten. Bij geneesmiddelen waar geen vraag meer naar is, is dat geen probleem. Maar voor een deel van deze geneesmiddelen bestaat nog wel medische behoefte. In die gevallen is het verdwijnen van het laatste geregistreerde geneesmiddel problematisch.
Het kabinet spant zich in om te stimuleren dat deze geneesmiddelen in Nederland in de handel blijven. Binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is hierover een afspraak gemaakt met koepels van zorgaanbieders, zorgprofessionals, zorgverzekeraars en leveranciers. De partijen zetten zich samen in om te voorkomen dat het niet meer op de markt brengen van geneesmiddelen (doorhaling van registraties) leidt tot onwenselijke verschraling van aanbod. Tegelijkertijd onderzoekt het kabinet maatregelen om in urgente gevallen zelf actie te ondernemen om registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal gestopte fabrikanten in de afgelopen 10 jaar?
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet geen informatie over het aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het kabinet interpreteert uw vraag als het aantal handelsvergunninghouders dat de afgelopen tien jaar een geneesmiddel definitief uit de handel heeft genomen.
Het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten rapporteert hier jaarlijks over sinds 2017. Dit aantal is over de tijd redelijk constant gebleven, namelijk rond de driehonderd meldingen per jaar, met uitzonderingen in 2017 (87 meldingen) en 2021 (227 meldingen). Sinds 2017 heeft het Meldpunt 2.488 meldingen ontvangen dat een geneesmiddel definitief uit de handel wordt genomen.3
Zoals eerder vermeld hoeft het verdwijnen van een registratie geen negatieve impact te hebben op patiënten, bijvoorbeeld omdat ondertussen een betere behandeling beschikbaar is. Waar dit wel het geval is, werkt het kabinet binnen het AZWA en met eigen beleid aan oplossingsrichtingen.
Klopt het dat de twintig meest gebruikte medicijnen in veel gevallen maar twee of drie producenten hebben? Zo ja, wat vindt u daar van?
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet heeft geen informatie over het aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het aantal handelsvergunninghouders per geneesmiddel is wel openbaar. Van de twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen hebben er vijf geneesmiddelen drie of minder handelsvergunninghouders. Eén van de twintig geneesmiddelen heeft slechts één handelsvergunningshouder. In veruit de meeste gevallen zijn er drie of meer handelsvergunningshouders voor de twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen.
Onderschrijft u de woorden van apothekersvereniging LEF dat dit beangstigend is voor de mensen die deze medicijnen nodig hebben?
In het vorige antwoord is gesteld dat in veruit de meeste gevallen er drie of meer handelsvergunningshouders zijn voor de twintig meest gebruikte geneesmiddelen. Desondanks is het begrijpelijk dat patiënten zich ongerust voelen als er wel maar weinig leveranciers zijn die hun geneesmiddel in Nederland leveren. Ik heb hierover gesproken met apothekersvereniging Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) en hen gevraagd om data over verschraling van de markt met mij te delen. Daarnaast onderzoekt het kabinet samen met partijen om onwenselijke verschraling van het aanbod te voorkomen en registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Wat gaat u doen om het medicijntekort op te lossen?
Het kabinet heeft zich gecommitteerd om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen en de leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren. Want ondanks dat het aantal geneesmiddeltekorten voor het tweede jaar op rij gedaald, blijft het geneesmiddeltekort een hardnekkig probleem dat veel patiënten raakt.
Op 1 april 2026 is de Kamer geïnformeerd over de kabinetsaanpak.4 Het kabinet zet maatregelen in om tekorten zo veel mogelijk te voorkomen, voorbereid te zijn op leveringsonderbrekingen en tekorten op te lossen als ze er zijn. Het kabinet werkt onder meer met het veld aan de herziening van het prijs- en vergoedingssysteem, het inkoopbeleid en het preferentiebeleid om tekorten te voorkomen. Ook zet het kabinet samen met betrokken partijen zich via het AZWA in op het verbeteren van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van geneesmiddelen. Binnen de Europese Unie wordt gewerkt om de productie binnen Europa te stimuleren en toegang tot kritieke geneesmiddelen te verbeteren. Daar werkt het kabinet langs de hierboven geschetste lijnen aan door.
Het eerlijke verhaal is dat geneesmiddelentekorten geen snelle oplossing kennen. Het kabinet kan niet uitsluiten dat geneesmiddelentekorten ontstaan. Want de geneesmiddelenketen is internationaal verweven en complex. En, net als Nederland, hebben ook andere landen te maken met medicijntekorten. Daarnaast zijn gegevens over tekorten verspreid over de keten en soms commercieel gevoelig en hebben partijen uit de geneesmiddelenketen uiteenlopende belangen. Dat bemoeilijkt het komen tot oplossingen en vraagt dus om een zorgvuldige en volhoudende aanpak.
Heeft u zicht op hoeveel extra zorgkosten ontstaan doordat patiënten moeten overstappen op alternatieve geneesmiddelen, bijvoorbeeld door extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames of aanvullende behandelingen?
Nee, het kabinet beschikt niet over deze cijfers, maar acht dat wel van belang. Daarom is één van de afspraken binnen het AZWA om te onderzoeken wat de impact is van tekorten op de zorg, waaronder de relatie met de patiënt, de kosten en de werkzaamheden van zorgverleners. Het kabinet neemt hierin het voortouw en pakt dit voortvarend op met alle betrokken partijen.
Hoe beoordeelt u het feit dat generieke geneesmiddelen slechts circa 0,45 procent van de totale zorguitgaven uitmaken, terwijl volgens betrokken partijen juist op deze middelen extreem wordt bezuinigd?
Het kabinet herkent het beeld dat op generieke geneesmiddelen extreem wordt bezuinigd niet. Ook herkent het kabinet het genoemde percentage van 0,45% van het totale zorgbudget niet. Voor de gehele zorgsector geldt wel dat de budgettaire houdbaarheid al geruime tijd de aandacht heeft en voorlopig zal houden. Dit heeft bijvoorbeeld geleid tot taakstellingen van het vorige en het huidige kabinet op zelfzorggeneesmiddelen. Dat zijn doorgaans generieke geneesmiddelen.
Vanwege genoemde budgettaire houdbaarheid hebben zorgverzekeraars de taak geneesmiddelen doelmatig in te kopen, net als zij bij andere verzekerde zorg doen. Het preferentiebeleid maakt het voor zorgverzekeraars mogelijk om rechtstreeks bij leveranciers tenders uit te zetten. De leverancier die voldoet aan de inkoopcriteria en die het beste aanbod doet, wint de tender en daarmee een gegarandeerde afzetmarkt voor de looptijd van de overeenkomst. Kortom, zorgverzekeraars kunnen nooit een lagere prijs bedingen dan leveranciers bereid zijn te bieden. Om beter in kaart te brengen wat de kosten en baten van het preferentiebeleid zijn, bijvoorbeeld voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen, laat het kabinet op verzoek van de Kamer een onafhankelijke evaluatie uitvoeren. Deze evaluatie wordt eind van het jaar met de Kamer gedeeld.
Bent u bereid met zorgverzekeraars, apothekersorganisaties en fabrikanten in gesprek te gaan over aanpassing van het preferentiebeleid om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bereid om, in eerste instantie met zorgverzekeraars, in gesprek te gaan om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen in hun inkoopbeleid. Ook worden de uitkomsten van de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid besproken met betrokken partijen.
Batchnummers van de coronavaccins |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Waarom zijn (alleen) de batchnummers van de coronavaccins in dit overzicht1 niet opgenomen?
De Google Spreadsheet waarnaar wordt verwezen is géén publicatie van het Ministerie van VWS, maar is door een X-gebruiker opgesteld op basis van een document dat in het kader van de Wet open overheid (Woo) openbaar is gemaakt.2 Dit originele document bevat ook batchnummergegevens van coronavaccins.
Kunnen deze batchnummers alsnog worden toegevoegd aan dit overzicht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
De verkoop van niet-preferente geneesmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wettelijke bepaling, regelgeving of contractuele afspraak baseerde u uw uitspraak tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 dat apotheken gedurende zes weken een niet-preferent middel mogen blijven afleveren nadat het preferente middel na een tekort weer beschikbaar is?
Tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 heb ik aangegeven dat alternatieve geneesmiddelen nog enkele weken, maximaal zes, ter hand gesteld kunnen worden nadat het preferente geneesmiddel weer beschikbaar is. De termijn die ik noemde, kwam destijds voort uit navraag bij één van de grote zorgverzekeraars die bij een nalevingscontrole op preferentiebeleid een termijn hanteerde van twee weken vóór en vier weken na een door de zorgverzekeraar vastgesteld tekort waarin apothekers vrij waren om óók niet preferente middelen vergoed aan hun patiënten mee te geven. Mijn beantwoording was dus niet gestoeld op een wettelijke bepaling of regelgeving, maar ging in op een contractuele afspraak tussen een van de grote zorgverzekeraars en apothekers.
Naar aanleiding van de vraag van lid Bushoff (PRO) tijdens het tweeminutendebat Eerstelijnszorg en deze set Kamervragen heeft het kabinet aanvullend navraag gedaan bij Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en haar achterban. Ten algemene geldt dat de vergoeding van alternatieve middelen tijdens een tekort van een preferent middel individueel beleid van de zorgverzekeraar is. Er bestaat dus variatie tussen zorgverzekeraars, maar zij geven aan altijd te handelen vanuit redelijkheid en billijkheid. De afspraken hierover liggen vast in de contracten tussen zorgverzekeraars en apothekers. Ook blijkt uit de navraag dat de termijn van zes weken die ik tijdens het debat noemde ook bij enkele andere grote zorgverzekeraars wordt gehanteerd, en soms ruimer is.
In het antwoord op vraag 3 gaat het kabinet op basis van deze aanvullende navraag nader in op de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn en hoe de zorgverzekeraars hiermee omgaan.
Wat zijn de huidige regels en wettelijke bepalingen voor de vergoedingen en verstrekkingen van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid?
De huidige regels ten aanzien van het preferentiebeleid zijn vastgelegd in artikel 2.8 van het Besluit Zorgverzekering.1 Daarnaast gelden er veldafspraken, zoals de afspraken die zijn vastgelegd in de Leidraad Verantwoord Wisselen Medicijnen2, de afspraken van de Taakgroep Preferentiebeleid3 en de afspraken in het AZWA om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. Binnen de kaders die regelgeving en veldafspraken bieden, hebben zorgverzekeraars de ruimte om naar eigen inzicht invulling te geven aan het preferentiebeleid. Hierbij geldt uiteraard de zorgplicht die zorgverzekeraars voor hun verzekerden hebben.
Wat zijn daarbij specifiek de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn? Wat betekent dit voor de verkoop en vergoedingen van niet-preferente middelen?
Zolang zorgverzekeraars zich houden aan artikel 2.8 van het Besluit Zorgverzekering en genoemde veldafspraken, kunnen zorgverzekeraars naar eigen inzicht invulling geven aan het preferentiebeleid. Dit geldt ook voor de afspraken die zij in de zorgcontractering met apotheken maken over de verkoop en vergoedingen wanneer preferent aangewezen middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn.
Zoals bij het antwoord op vraag 1 aangegeven heeft het kabinet ZN gevraagd om bij haar achterban na te gaan hoe zorgverzekeraars hier in de praktijk mee omgaan. Wanneer er sprake is van een tekort aan een preferent aangewezen middel passen zorgverzekeraars in de praktijk twee mogelijkheden toe. Een zorgverzekeraar kan ervoor kiezen een ander middel als preferent aan te wijzen of een cluster van geneesmiddelen volledig open te zetten. In die laatste situatie zijn apothekers (tijdelijk) vrij om andere producten uit dat cluster vergoed af te leveren aan hun patiënten. Hoe zorgverzekeraars binnen deze twee mogelijkheden de middelen vergoeden aan apothekers verschilt per zorgverzekeraar. De afspraken hierover zijn onderdeel van de contractering tussen zorgverzekeraars en apothekers.
ZN laat weten dat zorgverzekeraars ernaar streven om redelijk en billijk om te gaan met apothekers wanneer een preferent aangewezen middel niet beschikbaar is. Het kabinet constateert echter wel dat er geen uniformiteit is in deze aanpak en dat niet iedere aanpak vanuit de ervaring van de apotheek even goed werkt. Koepels van apothekers, apotheekhoudende huisartsen, zorgverzekeraars, groothandels en leveranciers werken binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) aan uniforme afspraken over de uitverkoop- en/of vergoedingstermijn van producten bij wisseling van preferent middel. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze afspraken gemaakt worden.
Klopt het dat niet-preferente middelen niet meer verstrekt mogen worden wanneer het preferente middel weer beschikbaar is of slechts tegen de laagste prijsgarantie (LPG) worden vergoed?
Het verschilt per zorgverzekeraar en per situatie of dit klopt. Hoe de afrekening tussen apotheek en zorgverzekeraar tijdens en na een tekort van een preferent geneesmiddel verloopt, is opgenomen in de contractafspraken tussen zorgverzekeraars en apotheken. Uit de navraag die ZN bij haar leden heeft gedaan blijkt dat dit per situatie en per zorgverzekeraar verschilt. Allereerst geldt ten algemene dat zorgverzekeraars naast LPG vaak LPG + bandbreedte hanteren, waarin boven de «laagste prijs» een bandbreedte wordt gehanteerd. Bij tekorten wordt vaak helemaal geen (vorm van) LPG gehanteerd. Daarnaast zijn er zorgverzekeraars die een coulanceperiode hanteren, gedurende welke periode niet-preferente middelen nog verstrekt mogen worden. Tot slot speelt nog mee dat in artikel 2.8 Besluit Zorgverzekering de uitzondering van medische noodzaak is opgenomen. In het geval van medische noodzaak wordt ook een niet-aangewezen middel volledig door de zorgverzekeraar vergoed.
Klopt het dat aflevering van niet-preferentie middelen negatief meetelt in de preferentiegraad van apotheken en invloed heeft op de contractonderhandelingen voor het volgende jaar?
Zorgverzekeraars maken tijdens de zorgcontractering afspraken met apotheken over het preferentiebeleid. Hoe de preferentiegraad daarin wordt meegenomen verschilt per zorgverzekeraar. De zorgverzekeraars die reageerden op de navraag van ZN gaven aan rekening te houden met de marktomstandigheden bij het beoordelen van de zogenaamde preferentie-compliance van apotheken – de periode rondom een tekort werd door hen niet meegenomen bij het bepalen van de preferentiegraad. Ook wordt er door zorgverzekeraars gekeken naar het marktgemiddelde, met andere woorden, hoe is de preferentie-compliance van een apotheek ten opzichte van een benchmark. Tot slot gaven de twee zorgverzekeraars aan de preferentiegraad niet te betrekken bij de zorginkoop voor het volgende jaar, danwel als onderdeel van een bredere set indicatoren. Overigens geldt ook hier dat het aan iedere zorgverzekeraar is om hier eigen beleid op te maken.
Klopt het dat de enige coulanceregelingen rondom het preferentiebeleid gelden rondom de jaarwisseling en bij geplande grote preferentiewissels, en dat dit slechts bij een beperkt aantal zorgverzekeraars geldt?
Dat klopt niet volledig. Er zijn ook (coulance)regelingen specifiek voor geneesmiddelen die uit het buitenland geïmporteerd zijn onder een vrijstelling van de IGJ en er zijn zorgverzekeraars die (vormen van) coulance geven rondom tekorten, ook gedurende het jaar. Wat wel klopt is dat apotheken aangeven dat het ontbreken van uniforme afspraken hierover voor hen een groot knelpunt is, zeker in het geval van een tekort aan een preferent middel. Het kabinet hecht dan ook veel belang aan de inzet van partijen om tot goede afspraken te komen.
Deelt u de opvatting dat dit beleid leidt tot medicijnenverspilling in tijden van schaarste en financiële risico’s voor apothekers, die niet-preferente middelen op de plank (moeten) laten liggen?
Er zijn op dit moment geen goede, onafhankelijke gegevens over de effecten van het preferentiebeleid op medicijnverspilling of de financiële situatie van apothekers op basis waarvan het kabinet daar een oordeel over te geven. Op verzoek van de Kamer laat het kabinet een onafhankelijke evaluatie van het
preferentiebeleid uitvoeren. In deze kosten-baten analyse worden ook de effecten van het preferentiebeleid op de apotheek meegenomen. Het kabinet verwacht de Kamer dit najaar het rapport vergezeld van een beleidsreactie toe te zenden.
Deelt u de mening dat de huidige situatie meer ruimte vraagt om de risico’s en verspilling aan te pakken?
Het kabinet werkt zoals gezegd aan een onafhankelijke evaluatie van het huidige preferentiebeleid en de toepassing daarvan, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het kabinet wacht deze evaluatie af voordat eventuele maatregelen worden genomen.
Hoe kijkt u naar de mogelijkheid om apotheken bij de (terug)komst van een preferent aangewezen geneesmiddel meer tijd te geven om de bestaande voorraad van het niet-preferente middel uit te verkopen? Hoe beziet u hierbij de mogelijkheid tot het invoeren van een uitverkooptermijn van niet-preferente middelen na een tekortperiode?
Het staat zorgverzekeraars en apothekers vrij om in de contractering of in de vorm van veldafspraken afspraken hierover te maken. Vanuit de overheid zijn daar geen belemmeringen voor. Daarnaast werken veldpartijen, waaronder zorgverzekeraars en apotheken, in het kader van het AZWA bijvoorbeeld aan uniforme afspraken over de uitverkoop- en/of vergoedingstermijn van producten bij wisseling van preferent product. Het kabinet juicht dat toe, net als alle andere initiatieven van stakeholders om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te bevorderen en de negatieve effecten van geneesmiddelentekorten te minimaliseren.
Het bericht ‘De noodkreet van Jolie: waarom krijg ik dit borstkankermedicijn niet?’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De noodkreet van Jolie: waarom krijg ik dit borstkankermedicijn niet?»1
Ja, het kabinet is bekend met het bericht. Jolie heeft mij een aangrijpende brief gestuurd over haar situatie. Die brief raakt mij zeer.
Kunt u uitgebreid toelichten waarom het medicijn Enhertu (trastuzumab deruxtecan) niet wordt vergoed voor borstkankerpatiënten met HER2-low?
Enhertu is een geneesmiddel dat voor verschillende groepen patiënten met verschillende vormen van borstkanker (en andere soorten kanker) is geregistreerd. Door de hoge prijs in combinatie met de hoge verwachte uitgaven is het middel voor alle toekomstige indicaties in de sluis geplaatst. Dat gebeurt als pakketopname van een nieuw geneesmiddel of een nieuwe indicatie vanuit maatschappelijk perspectief risicovol is. Geneesmiddelen en indicaties die in de sluis staan worden pas vergoed vanuit het basispakket als ze voldoen aan de pakketcriteria. Daarvoor kijkt het Zorginstituut of het geneesmiddel effectief is. Een geneesmiddel is effectief als het even goed of beter werkt dan de huidige standaardbehandeling. Ook beoordeelt het Zorginstituut de kosteneffectiviteit, dat zegt of de extra kosten van een geneesmiddel voor een specifieke indicatie, in dit geval Enhertu bij HER2-low borstkanker, in verhouding staan tot de extra effectiviteit.
Enhertu is voor de behandeling van HER2-low borstkanker nog niet opgenomen in het basispakket. Het Zorginstituut heeft geoordeeld dat Enhertu bij HER2-low borstkanker effectief is, maar dat de extra effecten niet opwegen tegen de extra kosten van HER2-low borstkanker (het middel is voor deze indicatie dus niet kosteneffectief). Daarom adviseert het Zorginstituut dit geneesmiddel pas in het basispakket op te nemen nadat de leverancier een aanzienlijke korting heeft gegeven.2
Helaas heeft de prijsonderhandeling voor Enhertu bij HER2-low borstkanker niet tot een positief resultaat geleid. Het valt mij zwaar dat Enhertu niet kan worden opgenomen in het basispakket voor deze indicatie. Dit is teleurstellend voor patiënten, hun naasten en behandelaren die hun hoop hebben gevestigd op dit geneesmiddel.
Enhertu is voor een andere indicatie inmiddels wel vergoed. Dat is voor patiënten met HER2-positieve borstkanker. Deze indicatie stond ook in de sluis en is vervolgens door het Zorginstituut beoordeeld.
Het Zorginstituut adviseert een lagere korting voor Enhertu bij HER2-positieve borstkanker om de extra effecten in balans te brengen met de extra kosten dan bij HER2-low borstkanker.3 Na een onderhandeling wordt Enhertu sinds 11 april 2024 vergoed vanuit het basispakket bij HER2-positieve borstkanker.
Deelt u de mening dat er sprake is van ongelijke behandeling indien een medicijn voor de ene groep borstkankerpatiënten wel vergoed wordt, maar niet voor een andere groep borstkankerpatiënten die evenredig baat heeft bij dit middel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze mening niet. Enhertu is voor verschillende groepen patiënten met verschillende vormen van borstkanker geregistreerd. Het Zorginstituut heeft op basis van de ingediende dossiers van de leverancier twee aparte beoordelingen gegeven, één voor Enhertu bij HER2-postieve borstkanker en een bij HER2-low borstkanker. In het kort komt het erop neer dat de extra effecten en extra kosten voor deze twee groepen borstkankerpatiënten niet gelijk zijn. Dat betekent dat er minder korting nodig is voor Enhertu bij HER2-positieve borstkanker dan bij HER2-low borstkanker.
Klopt het dat het gaat om een groep van 1.500 vrouwen in Nederland?
Er zijn jaarlijks ongeveer 1500 vrouwen met HER2-low borstkanker, maar niet alle patiënten komen in aanmerking voor behandeling met Enhertu. Volgens het pakketadvies van het Zorginstituut komen er jaarlijks ongeveer 585 patiënten met HER2-low borstkanker in aanmerking komen voor behandeling met Enhertu.
Klopt het dat het medicijn in 26 andere Europese landen wel beschikbaar is voor deze groep?
Het kabinet kan niet verifiëren in welke landen Enhertu voor de behandeling van vrouwen met HER2-low borstkanker wordt vergoed. Daar komt bij dat vergoeding van een geneesmiddel niet in elk land hetzelfde betekent als in Nederland, namelijk dat elke patiënt die in aanmerking komt voor de behandeling deze ook daadwerkelijk krijgt.
Hoe legt u aan deze 1.500 vrouwen uit dat u het middel, wat hun leven kan verlengen en kwaliteit van leven kan verbeteren, niet vergoedt?
Het lot van deze patiënten raakt mij zeer. De afweging of Enhertu voor deze patiënten wordt opgenomen in het basispakket van de zorgverzekering, is zorgvuldig gemaakt. Namens het kabinet volg ik daarbij het beleid van mijn voorgangers. Het kabinet begrijpt dat dat zeer teleurstellend is voor Jolie, andere patiënten en hun families.
Daarbij wijst het kabinet op het volgende. Gegeven dat er beperkte financiële middelen zijn, moeten er keuzes worden gemaakt in de zorg. Het kabinet doet dat op basis van passende zorg en gezondheidswinst, waarbij het streven is om zoveel mogelijk gezondheidswinst voor de gehele bevolking te realiseren. Elke euro kan maar één keer worden uitgegeven. Voor het geld dat wordt uitgegeven aan zorg die niet kosteneffectief is, kan elders meer gezondheidswinst behaald worden. Het kabinet houdt rekening met de belangen van alle patiënten en alle premiebetalers – ook als dat betekent dat individuele patiënten geen toegang krijgen tot een effectief geneesmiddel. Het kabinet zou willen dat we dergelijke keuzes niet zouden hoeven maken, want het zou patiënten zoals Jolie natuurlijk heel graag een ander bericht geven, maar helaas is dat – en hier moet het kabinet toch ook wijzen op de hoge prijzen van dit soort geneesmiddelen – een luxe die ons niet gegeven is.
Betekent uw reactie op de brief van Jolie Jacobs dat de situatie van patiënten met HER2-low borstkanker «nadrukkelijk uw aandacht heeft» dat u zich niet alleen laat informeren, maar dat u alles zult doen wat in uw mogelijkheden ligt om dit middel zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor deze groep patiënten met HER2-low? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u exact aangeven welke stappen u gaat ondernemen en wat het tijdspad is?
De situatie van patiënten met HER2-low borstkanker heeft nadrukkelijk mijn aandacht. Zo verzoek ik, namens het kabinet, de leverancier of hij nu wel bereid is om een maatschappelijk aanvaardbare prijs overeen te komen. Het kabinet wil patiënten nadrukkelijk geen valse hoop geven, soms lukt het niet om tot overeenstemming te komen met leveranciers.
Bent u bereidt om, zo snel als mogelijk, het besluit van uw voorganger te herzien en om dit medicijn alsnog toe te laten tot het basispakket en daarmee beschikbaar te maken voor de borstkankerpatiënten met HER2-low? Zo nee, waarom niet?
Als de leverancier bereid is om alsnog tot aanvaardbare prijsafspraken te komen, ben ik, namens het kabinet, bereid om Enhertu op te nemen in het basispakket. Het kabinet roept de leverancier op om, in het belang van alle patiënten met HER2-low borstkanker, zijn standpunt te heroverwegen. Ook staat voor de leverancier de mogelijkheid open om nieuwe data aan te leveren bij het Zorginstituut en een herbeoordeling te vragen.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: ’Gezondheid patiënten staat op het spel’' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Erkent u de uitkomsten van het onderzoek door het SIR instituut en de Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) dat jaarlijks circa vier miljoen patiënten worden geconfronteerd met medicijntekorten en dat in meer dan zeventig procent van de gevallen het gaat om preferent aangewezen medicijnen die niet leverbaar zijn?1
Het kabinet is bekend met het onderzoek. In het onderzoek van het SIR instituut en LEF wordt geconstateerd dat 56,7% van de geregistreerde tekorten plaatsvond in een groep van geneesmiddelen waarop preferentiebeleid wordt gevoerd2. Het verbaast mij niet dat een groot deel van de in de «meldweek» gemelde tekorten en leveringsproblemen gaat om preferente geneesmiddelen. Het aandeel van de geneesmiddelenmarkt waarover preferentiebeleid wordt gevoerd is namelijk groot: in 2023 werd op 86% van de extramuraal geleverde geneesmiddelen preferentiebeleid gevoerd3. Het percentage uit het onderzoek van het SIR instituut en LEF zegt niets over een eventueel oorzakelijk verband tussen het voeren van het preferentiebeleid en het ontstaan van geneesmiddelentekorten of andere leveringsproblemen.
Het kabinet deelt met mevrouw Coenradie dat, ondanks dat de tekorten teruglopen, nog steeds te veel patiënten geraakt worden door geneesmiddelentekorten. Dit vindt het kabinet onwenselijk. Het kabinet zet zich dan ook onverminderd in om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen en de leveringszekerheid te verbeteren. Nog dit voorjaar informeert het kabinet de Kamer, zoals gebruikelijk, over de voortgang van de ingezette maatregelen en over de verdere plannen om de beschikbaarheid en leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren.
Deelt u de opvatting dat voor het welzijn van al deze patiënten slechts één relevante definitie bestaat: een tekort is een tekort zodra de apotheek het medicijn niet kan leveren, ongeacht wat er administratief wordt geregistreerd?
Het kabinet deelt deze opvatting grotendeels. Uiteraard is ook voor dit kabinet het belangrijkst dat de patiënt over diens geneesmiddel kan beschikken. Maar op meer plekken in de keten kunnen problemen ontstaan met de beschikbaarheid van geneesmiddelen, waar de patiënt niets van hoeft te merken. Bijvoorbeeld bij de producent of groothandel. Ook op die plekken wil het kabinet de beschikbaarheid van geneesmiddelen verbeteren. Om ervoor te zorgen dat álle partijen in de keten sneller en duidelijker kunnen communiceren, handelen en monitoren, en zo uiteindelijke tekorten voor patiënten te voorkomen, is binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) de afspraak gemaakt om uniforme definities van geneesmiddelentekorten op te stellen.
Het kabinet deels overigens niet de stelling uit het Telegraaf-artikel dat er sprake is van een tekort als er een bepaald merk van een geneesmiddel niet beschikbaar is, terwijl andere merken van hetzelfde geneesmiddelen wel beschikbaar zijn. In verreweg de meeste gevallen kan een patiënt overstappen naar een ander merk van hetzelfde geneesmiddel zonder dat dat gevolgen heeft voor diens gezondheid.4
Deelt u de signalen uit de apotheekpraktijk dat apothekers met de rug tegen de muur worden gezet: het preferente middel is er niet, een alternatief ligt wel op de plank, maar als de apotheker dat alternatief verstrekt riskeert hij een boete van de zorgverzekeraar?
Het kabinet kent de signalen dat apothekers zich in dergelijke situaties soms klemgezet kunnen voelen en dat dit (financiële) onzekerheid voor hen creëert. Daarom neemt het kabinet deze signalen mee in gesprekken met zorgverzekeraars, apothekers en andere betrokken partijen over de uitvoering van het preferentie- en inkoopbeleid.
Deze onzekerheid wordt onder andere veroorzaakt doordat de aanduiding van deze situatie in informatiesystemen niet gestandaardiseerd is en anders wordt beoordeeld door zorgverzekeraars. Een andere oorzaak ligt in de snelheid waarmee informatiesystemen aangepast kunnen worden. Om te zorgen voor een betere en snellere aansluiting tussen leverbaarheid en vergoedingsstatus is in het AZWA afgesproken dat de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) gaan zorgen voor snelle aanpassing van de vergoedingsstatus door zorgverzekeraars wanneer een preferent product niet leverbaar is. Ook werken zij aan meer frequente updates van de informatie hierover in informatiesystemen. Zodra zij dit gerealiseerd hebben is het voor apothekers veel sneller dan nu duidelijk welk alternatief zij binnen het preferentiebeleid kunnen afleveren. Ook neemt hierdoor de administratieve last voor apothekers af doordat hun ICT-systemen sneller actueel zijn. Het kabinet is blij dat de KNMP en ZN dit oppakken en spoort hen aan hier voortvarend mee aan de slag te gaan.
Het is van belang dat er heldere, realistische en eenduidige afspraken zijn over de situaties waarin een preferent aangewezen merk van een geneesmiddel niet voorradig is. Uiteindelijk is het aan de zorgverzekeraars en apotheken zelf om hier in de inkoopgesprekken afspraken over te maken, voor zover dat niet al gebeurt. Het kabinet vraagt daar bij beide partijen aandacht voor.
Vind u deze situatie verdedigbaar en zo ja, hoe legt u dat uit aan de patiënt die met lege handen naar huis moet?
Het komt zelden voor dat patiënten zonder behandeling komen te staan als een preferent aangewezen middel niet voorradig is. Uit cijfers van KNMP Farmanco blijkt dat bij 99% van de leveringsproblemen een alternatief beschikbaar is in de apotheek. Bijvoorbeeld een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een middel dat geïmporteerd is uit het buitenland.5
Bent u bereid om per direct, zonder te wachten op lopend onderzoek, een noodmaatregel in te voeren waarbij apothekers geen boetes van zorgverzekeraars krijgen wanneer zij in dringende situaties een beschikbaar alternatief verstrekken, aangezien wat op papier beschikbaar is in de praktijk niet aan de balie bestaat? Zo nee, wat is dan uw alternatieve oplossing voor de patiënt die morgen zijn hartmedicatie nodig heeft maar niet gaat krijgen?
Nee, het kabinet ziet geen noodzaak tot het instellen van een noodmaatregel. Contractuele afspraken over de omgang met dit soort situaties zijn een zaak tussen apothekers en zorgverzekeraars. Het kabinet begrijpt dat er onzekerheid ontstaat bij apotheken doordat niet alle zorgverzekeraars op dezelfde manier met deze situaties omgaan. Het kabinet gaat hiervoor aandacht vragen bij de koepels van apotheken en zorgverzekeraars.
Kunt u uitleggen waarom een patiënt in het huidige systeem niet mag bijbetalen voor een vertrouwd medicijn, maar wel de volledige kosten zelf moet betalen als hij dat middel wil blijven gebruiken?
Een systeem waarin patiënten kunnen bijbetalen voor niet-preferent aangewezen middelen creëert ongelijke toegang tot zorg en verhoogt de totale zorgkosten. Dat wordt hieronder nader toegelicht.
In het huidige systeem vergoedt de zorgverzekeraar per groep geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof in ieder geval één variant volledig. Op deze variant krijgt de zorgverzekeraar korting van de leverancier. Het preferentiebeleid is nu zo vormgegeven dat bijbetaling binnen zo’n groep niet toegestaan is. Dit houdt de uitvoering eenvoudig en de zorgkosten beheersbaar. Een niet-preferent geneesmiddel valt buiten de basisdekking, dus de verzekerde betaalt het hele bedrag zelf.
Dit kan oneerlijk lijken omdat een bekend, maar duurder geneesmiddel niet vergoed wordt. Ook niet voor een deel. Het huidige systeem is juist solidair en rechtvaardig omdat iedere verzekerde met dezelfde aandoening dezelfde behandeling volledig vergoed krijgt, ongeacht inkomen. Bijbetaling zou ongelijke toegang tot zorg creëren, omdat niet iedereen uit eigen portemonnee kan bijbetalen. En het zou de totale zorgkosten verhogen door voorkeur voor varianten waarop de zorgverzekeraar geen korting krijgt.
Ook zou vaker kiezen voor duurdere geneesmiddelen waarop de zorgverzekeraar geen korting ontvangt de totale zorgkosten verhogen, waardoor premies voor iedereen stijgen. Daarnaast zou deze mogelijkheid betekenen dat de zorgverzekeraar zich niet aan haar afspraken met de leverancier kan houden. De zorgverzekeraar krijgt namelijk korting van de leverancier omdat eerstgenoemde garandeert dat het betreffende merk van het geneesmiddel voor al diens verzekerden het preferent aangewezen middel is. Dat is niet meer het geval als een verzekerde door bijbetaling een ander geneesmiddel kan krijgen. Dit zou de onderhandelingspositie van zorgverzekeraars ten opzichte van leveranciers verslechteren, opnieuw met hogere zorgkosten als gevolg.
Waarom acht u deze situatie rechtvaardiger dan een systeem waarbij iemand alleen het prijsverschil bijbetaalt?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met het pleidooi van de apothekersbranches voor een systeem van «laagste prijs + bandbreedte», waarbij meerdere merken van een medicijn volledig worden vergoed en waarvoor geen jarenlang onderzoek maar een beleidsbesluit nodig is? Bent u bereid om uiterlijk in het tweede kwartaal van 2026 met zorgverzekeraars concrete afspraken te maken over de implementatie van dit model? Zo nee, wat is uw bezwaar tegen een systeem dat leveringszekerheid vergroot zonder afbreuk te doen aan kostenbeheersing?
Ja, het kabinet is bekend met het pleidooi voor een «laagste prijs + bandbreedte»-model. De stellingname die de schrijvers van het pleidooi doen dat dit model de leveringszekerheid vergroot zonder kostenstijging vraagt om meer onderbouwing. Doorgaans brengen bredere vergoedingen hogere zorguitgaven met zich mee.
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om afspraken te maken over de implementatie van dit model. Het kabinet werkt op dit moment aan een evaluatie van het huidige preferentiebeleid en haar toepassing, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het kabinet verwacht u in lijn met de motie eind 2026 te kunnen informeren over de uitkomsten van de evaluatie. Het lijkt mij zinvol om deze evaluatie af te wachten. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan, kan dan overwogen worden alternatieven zoals dit model nader te verkennen.
Kunt u, aangezien zorgverzekeraars rapporteren over de besparingen van het preferentiebeleid, ook inzichtelijk maken wat de totale maatschappelijke kosten zijn: extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames door medicatiewisselingen, uitvoeringslasten voor apothekers, en de menselijke tol van patiënten die zonder medicatie zitten?
Ja, de evaluatie van het preferentiebeleid die op verzoek van de Kamer wordt uitgevoerd beoogt naast de besparingen ook de maatschappelijke kosten en baten van het preferentiebeleid in beeld te brengen. Het kabinet verwacht u eind 2026 te kunnen informeren over de uitkomsten van de evaluatie.
Erkent u dat «goedkoop op papier» niet hetzelfde is als «doelmatig in de praktijk»?
Als het lid Coenradie bedoelt dat aan het preferentiebeleid behalve baten ook kosten verbonden kunnen zijn, dan deelt het kabinet dat. Zoals hierboven aangegeven is het doel van de evaluatie van het preferentiebeleid om de totale kosten en baten inzichtelijk te maken. Dit omvat niet alleen de directe besparingen op papier, maar ook effecten op de administratieve lasten voor apothekers, op de beschikbaarheid van geneesmiddelen en op de patiëntenzorg.6
Bent u bereid om uiterlijk eind februari 2026 een spoedoverleg te beleggen met zorgverzekeraars, apothekersbranches en patiëntenvertegenwoordigers, met als concrete opdracht: het vaststellen van afspraken die per 1 april 2026 operationeel zijn, zodat patiënten niet langer met lege handen naar huis gaan terwijl alternatieven op de plank liggen?
Het kabinet ziet geen toegevoegde waarde in het inlassen van een spoedoverleg. Er vindt namelijk al regelmatig overleg met hen plaats. Specifiek werkt het kabinet bijvoorbeeld met de zorgverzekeraars, apothekersbranches en andere relevante partijen aan verbeteringen van het inkoop- en preferentiebeleid. En werkt het kabinet met veldpartijen (met vertegenwoordigers van patiënten, leveranciers, groothandels, zorgverzekeraars, zorgaanbieders, voorschrijvers, apothekers en de overheid) voortvarend aan de structurele verbetering van de beschikbaarheid van geneesmiddelen. Zo wordt in het kader van het AZWA gewerkt aan snelle aanpassing van de vergoeding door zorgverzekeraars wanneer een preferent product niet leverbaar is én aan een frequente update van de informatie hierover in informatiesystemen zoals de G-standaard. Alle veldpartijen zijn zich bewust van de urgentie en dragen naar vermogen bij aan het oplossen van de beschikbaarheidsproblematiek.
Hoe verklaart u aan miljoenen Nederlanders dat, als zij in een levensbedreigende situatie terechtkomen, ze niet geholpen mogen worden vanwege beleid, terwijl een alternatief medicijn beschikbaar is?
Deze vraag wekt de suggestie dat miljoenen Nederlanders, als zij in een levensbedreigende situatie terecht komen, niet geholpen mogen worden. Dat is onjuist. Uit cijfers van KNMP Farmanco blijkt dat bij 99% van de leveringsproblemen een alternatief beschikbaar is in de apotheek. Bijvoorbeeld een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of met een middel dat geïmporteerd is uit het buitenland.7
Problemen met de vergoeding van spraakcomputers voor mensen die zonder hulp niet of moeilijk kunnen communiceren |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u ons een inschatting geven van hoeveel personen vanaf 1 januari 2024 een aanvraag gedaan hebben bij hun zorgverzekeraar of zorgkantoor voor een spraakcomputer of andere spraakhulpmiddelen?
Het is lastig om exacte aantallen van aanvragen voor een spraakcomputer vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) te vinden. Dit komt door de manier waarop zorgverzekeraars aanvragen registeren. Zo registreren sommige zorgverzekeraars alleen goedgekeurde aanvragen of kan er uit het systeem niet gehaald worden of het om een spraakcomputer of alleen software gaat. Op basis van een uitvraag die Zorgverzekeraars Nederland voor VWS heeft gedaan, waarop overigens niet alle zorgverzekeraars hebben gereageerd, kan er een inschatting worden gegeven.
In totaal hebben zorgverzekeraars rond 3.500 aanvragen ontvangen in 2024 en 2025, dus circa 1.750 per jaar. Hier kunnen dus ook aanvragen voor alleen de software tussen zitten.
Ik heb ook contact gehad met Lacoh, de branchevereniging van de leveranciers. Deze geeft aan dat er circa 1.100 spraakhulpmiddelen per jaar geleverd worden in Nederland, waarvan ongeveer 10% alleen software betreft. Hierin missen dan weer de cijfers van de niet-goedgekeurde aanvragen.
Ook voor de aanspraak vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) is het niet mogelijk om het totale aantal ingediende aanvragen uit de beschikbare registraties eenduidig vast te stellen. Op basis van declaratiegegevens en informatie van betrokken partijen kan wel een indicatieve inschatting worden gegeven van het aantal personen met een goedgekeurde aanvraag voor communicatieapparatuur binnen de Wlz.
Uit deze gegevens volgt dat in 2024 naar schatting circa 100 personen een aanvraag hebben gedaan en een spraakcomputer of andere communicatieapparatuur hebben ontvangen binnen de Wlz. In 2025 is dit aantal gestegen naar circa 230 personen.
Hoeveel aanvragen voor spraakcomputers of andere spraakhulpmiddelen zijn er sinds 1 januari 2024 (naar schatting) afgewezen en om welke redenen?
Voor de meest betrouwbare cijfers over afgewezen aanvragen vanuit de Zvw heb ik contact gehad met Lacoh. Lacoh geeft aan dat in 2024 er 52 aanvragen voor spraakcomputers zijn afgewezen waarbij 29 verzekerden met niets eindigden en 21 software vergoed kregen. Van één verzekerde is het onbekend of er uiteindelijk een hulpmiddel is geleverd is en één verzekerde heeft een spraakcomputer
vergoed gekregen na overstappen naar een andere zorgverzekeraar. In 2025 zijn er 123 aanvragen voor spraakcomputers afgewezen waarbij 96 verzekerden met niets eindigden en 27 verzekerden software vergoed kregen.
Ik heb ook navraag gedaan bij zorgverzekeraars. De cijfers zijn vergelijkbaar met wat Lacoh heeft gedeeld: op basis van wat gedeeld is door een aantal zorgverzekeraars zouden er in totaal circa 180 afwijzingen zijn voor 2024 en 2025. De reden voor het afwijzen die zorgverzekeraars over het algemeen geven is dat het geen doelmatige zorg betreft. Er zou in de aanvragen onvoldoende onderbouwd worden waarom de verzekerde niet uitkomt met een reguliere tablet met spraaksoftware.
Voor de Wlz geldt dat uit de beschikbare registraties het niet mogelijk is om een betrouwbaar percentage afgewezen aanvragen vast te stellen. Op basis van declaratiegegevens en informatie van betrokken partijen kan wel een indicatieve inschatting worden gegeven van het absolute aantal afwijzingen. In 2024 zijn naar schatting circa 50 aanvragen afgewezen. In 2025 betreft dit circa 80 aanvragen. Het lagere aantal afwijzingen in 2024 hangt samen met het feit dat in dat jaar minder aanvragen zijn ingediend.
De voornaamste redenen voor afwijzing zijn procesmatige onvolkomenheden (zoals onjuiste of onvolledige aanvragen), het feit dat het hulpmiddel niet is bedoeld voor primaire communicatie of geen directe relatie heeft met de Wlz-zorg, dat de aanvraag een aanpassing of reparatie betreft (waarvoor in 2024 geen aanspraak bestond) en dat het hulpmiddel niet valt onder de aanspraak op bovenbudgettaire bekostiging.
Hoeveel klachten zijn er sinds 1 januari 2024 door de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) ontvangen over de vergoedingen van spraakhulpmiddelen? Bij hoeveel van deze klachten is geoordeeld dat het besluit van de zorgverzekeraar onterecht was?
De SKGZ meldt dat er in totaal 10 zaken omtrent de aanspraak op spraakcomputer zijn binnengekomen sinds 1 januari 2024; 4 in 2024 en 6 in 2025.
8 van de 10 klachten waren voor de Ombudsman Zorgverzekeringen:
2 van de 10 klachten zijn behandeld door de Geschillencommissie Zorgverzekeringen:
Kunt u toelichten op welke wijze de uitspraak van de SKGZ van 5 juni 2025 van invloed is op het beleid en de praktijk omtrent het wel of niet goedkeuren van vergoedingen voor spraakhulpmiddelen?1
Het advies van het Zorginstituut in dit geschil, en daarmee het bindend advies van de SKGZ, volgt uit de nieuwe inzichten van het Zorginstituut omtrent de aanspraak op spraakcomputers. Zoals ik uw Kamer vorig jaar heb geïnformeerd2, heeft het Zorginstituut in opdracht van VWS in 2025 de aanspraak verduidelijkt. Deze verduidelijking is met de partijen, waaronder de zorgverzekeraars, gedeeld.3 Dit zou de grootste invloed op de praktijk moeten hebben. Daarbij kan deze meest recente uitspraak van de SKGZ zeker helpen.
Klopt het dat er momenteel nog steeds geen vergoeding mogelijk is voor (aangepaste) hardware voor spraakcomputers, ondanks de aangenomen motie Westerveld c.s. over het vergoeden van spraakcomputers en de eerder gestelde vragen over dit onderwerp?2
Nee, dat klopt niet. Op basis van de aanspraak kan een verzekerde met een spraakfunctiestoornis wel degelijk aanspraak maken op de aangepaste hardware van spraakcomputers wanneer de verzekerde niet uitkomt met een ander spraakhulpmiddel. Ik ben mij ervan bewust dat met de verduidelijking van het Zorginstituut nog niet alle problemen zijn opgelost. Uit contacten met het veld heb ik begrepen dat er nog steeds een groep verzekerden is die geen toegang heeft tot een spraakhulpmiddel, terwijl zij die wel nodig hebben. Dit komt mogelijk door interpretatieverschillen van de aanspraak. Ik ga daarom opnieuw in gesprek met onder andere zorgverzekeraars, zodat we daarna de oplossingen in kaart kunnen brengen.
In hoeverre is de 1,8 miljoen euro die met het amendement-Westerveld is vrijgemaakt om spraakondersteuning voor mensen die onder de Wet langdurige zorg (Wlz) vallen, uitgegeven aan dit doel?3
In 2025 is op basis van declaratiedata circa 3,3 miljoen euro gedeclareerd voor spraakcomputers binnen de Wlz. Daarmee is het met het amendement-Westerveld beschikbaar gestelde bedrag van 1,8 miljoen euro ruimschoots besteed aan het beoogde doel.
Welke redenen zijn er om de vergoeding voor de hardware af te wijzen, maar de vergoeding voor de software goed te keuren?
In de praktijk komt het voor dat een verzekerde de hardware van een spraakcomputer niet vergoed krijgt door de zorgverzekeraar, maar de software wel. Een veelvoorkomende reden voor afwijzing is dat het geen doelmatige zorg betreft volgens de zorgverzekeraar. Er zou in de aanvragen in die situaties ook vaak onvoldoende onderbouwd worden waarom de verzekerde niet uitkomt met een reguliere tablet met spraaksoftware.
Hoe groot dit probleem precies is, is vooralsnog niet bekend. Ik probeer op dit moment om samen met leveranciers, de belangenbehartiger van de patiënten en zorgverzekeraars meer inzicht te krijgen in de cijfers, omdat dit ook helpt bij het zoeken naar de beste oplossing.
Bestaat er op dit moment een richtlijn voor zorgverzekeraars en zorgkantoren om te beoordelen of er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening of dat aangepaste hardware nodig is?
Zoals eerder met uw Kamer is gedeeld6, wordt sinds 1 januari het Functioneringsgericht Indiceren (FGI) protocol gebruikt voor spraakhulpmiddelen.
Met dit protocol kan er objectief onderbouwd worden op wat voor soort spraakhulpmiddel de verzekerde redelijkerwijs aangewezen is. Als hiermee uitgekomen wordt op een geïntegreerde spraakcomputer met aangepaste hardware, dan is de hardware van de spraakcomputer niet als algemeen gebruikelijk te beschouwen.
Klopt het dat in de praktijk momenteel spraakcomputers die niet ooggestuurd zijn, weinig tot niet worden vergoed door zorgverzekeraars? Zo ja, kunt u aangeven op basis waarvan dit wordt besloten?
Nee, dat klopt niet. Ook niet-ooggestuurde spraakcomputers kunnen in aanmerking komen voor vergoeding vanuit het basispakket. Voor alle spraakcomputers geldt wel dat de verzekerde daar redelijkerwijs op aangewezen moet zijn en dat dit per individu wordt beoordeeld.
Heeft u inmiddels zicht op de groepen voor wie toegankelijkheid en beschikbaarheid van spraakhulpmiddelen een probleem is en hoe dit opgelost kan worden? Zo ja, kunt u dit nader toelichten? Zo nee, wanneer kunt u de Kamer hierover informeren?
Het blijft lastig om de groepen voor wie de toegankelijkheid en beschikbaarheid een probleem is goed in beeld te krijgen, zowel in omvang als in afbakening.
Ik voer daarom gesprekken met de verschillende spelers en er komen steeds meer inzichten over de doelgroep, maar het beeld is nog niet compleet.
Ik blijf mij ervoor inzetten om te zorgen dat alle mensen die nu aangewezen zijn op een spraakhulpmiddel, hier ook toegang tot hebben. Ik ben hierover met alle betrokken partijen in gesprek, zodat er een structurele oplossing komt. Ik zal uw Kamer blijven informeren over de voortgang.
Klopt het dat verschillende zorgverzekeraars de richtlijnen op verschillende wijzen interpreteren en hanteren zoals dat sommige zorgverzekeraars er voor kiezen spraakcomputers met touchbediening niet meer te vergoeden?
Het is mij niet bekend dat sommige zorgverzekeraars spraakcomputers met touchbediening standaard niet vergoeden. Of er aanspraak gemaakt kan worden op vergoeding is afhankelijk van de situatie van de verzekerde en moet per individu beoordeeld worden.
Kunt u aangeven welke criteria er gelden voor aanpassingen om te oordelen of een reguliere iPad dusdanig aangepast is dat het beschouwd kan worden als een geïntegreerd hulpmiddel en daarmee in aanmerking komt voor vergoeding?
Het verschilt per individu of er aanspraak gemaakt kan worden op een geïntegreerde spraakcomputer waar een reguliere tabletonderdeel van is en dit moet per individu beoordeeld worden.
Welke mogelijkheden ziet u voor het sturen op de mogelijkheid van een vergoeding van het totaalpakket, dat wil zeggen: passing-hardware-software-aanpassingen-ondersteuning?
Zoals hierboven genoemd vind ik het belangrijk om ervoor te zorgen dat verzekerden die nu aangewezen zijn op een spraakhulpmiddel, hier ook toegang tot hebben. Ik ben hierover met alle betrokken partijen in gesprek, zodat er een structurele oplossing komt. Ik zal uw Kamer hierover informeren rond de zomer.
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse militairen treffen in oorlogstijd nieuwe vijand; dodelijke infectie met resistente bacteriën»?1
Ja.
Bent u het eens met kapitein-ter-zee en internist Barth dat Nederland te weinig antibiotica op voorraad heeft in geval van tijden van militair conflict? Zo nee, waarom niet?
Er zijn in Nederland verschillende voorraden van geneesmiddelen (en dus ook van antibiotica). Zo bestaat er voor de reguliere zorg een verplichte veiligheidsvoorraad van geneesmiddelen van in totaal 8 weken. Aanvullend daarop heb ik voor de reguliere zorg in 2024 een subsidie verleend aan de volgesorteerde groothandels om een extra voorraad van 4 weken aan te leggen van essentiële antibiotica en salbutamol aerosol. Deze voorraad is dus bovenop de al verplichte veiligheidsvoorraad van in totaal 8 weken2.
Afgelopen jaar heb ik besloten om deze extra voorraad uit te breiden. De volgesorteerde groothandels gaan daarom 4 weken extra voorraad aanleggen van geneesmiddelen uit de rode categorie van de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen, en 3 weken extra voorraad van geneesmiddelen uit de oranje categorie. Voor beide categorieën geldt dat de extra voorraad zich beperkt tot geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs (AIP) onder € 15. Ik verwacht dat het gewenste peil voor de extra voorraad in de loop van 2026 bereikt wordt. Al deze veiligheidsvoorraden zijn bedoeld als buffer om leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen te kunnen overbruggen en effecten voor patiënten te voorkomen.
Deze voorraden zijn bedoeld om een periode van verhoogde vraag of beperkte levering te overbruggen. Deze voorraden zijn niet ingericht voor het opvangen van het verbruik tijdens een (militaire) crisis. Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. De continuïteit en beschikbaarheid van zorg is ook voorwaardelijk voor militaire slagkracht om forse klappen op te kunnen vangen. Om dit te realiseren moet de zorg kunnen terugvallen op voldoende voorraad medische producten (geneesmiddelen en medische hulpmiddelen). Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten, waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.3
Daarnaast beschikt de Nederlandse krijgsmacht over een strategische voorraad antibiotica om gewonde en zieke Nederlandse militairen te behandelen.
De oorlog in Oekraïne laat zien dat nieuwe behandelingen nodig zijn tegen micro-organismen die (multi)resistent zijn tegen bestaande antibiotica. Het is daarom hard nodig dat nieuwe en innovatieve antibiotica worden ontwikkeld. Dit proces kan jaren tot decennia duren. Om het onderzoek naar nieuwe en innovatieve antimicrobiële middelen aan te jagen, heb ik meerdere (nog lopende) onderzoeksprogramma’s naar nieuwe antibiotica gefinancierd.4 Ook is het van belang om via diagnostiek de meest effectieve behandeling voor te kunnen schrijven. De behoefte aan nieuwe antibiotica en diagnostiek speelt niet alleen in de reguliere zorg, maar ook expliciet bij de krijgsmacht. Daarom onderzoek ik, samen met de Staatssecretaris van Defensie, hoe wij in de toekomst hier samen op kunnen trekken om Nederland weerbaarder te maken.
Bent u van plan een afdoende strategische voorraad antibiotica aan te leggen en/of deze zelf te produceren ten behoeve van onze Nederlandse militairen in geval van militair conflict? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven en wat is het tijdspad? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse krijgsmacht beschikt al over een strategische voorraad antibiotica om gewonde en zieke Nederlandse militairen te behandelen.
Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. De continuïteit en beschikbaarheid van zorg is ook voorwaardelijk voor militaire slagkracht om forse klappen op te kunnen vangen. Om dit te realiseren moet de zorg kunnen terugvallen op voldoende voorraad medische producten (geneesmiddelen en medische producten). Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten, waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.5
Om te voorkomen dat voorraden van medische producten opraken, is het belangrijk dat producenten hun productie kunnen opschalen tijdens een crisis. Samen met de Staatssecretaris van Defensie verken ik daarom of we afspraken kunnen maken met producenten om hiervoor capaciteit vrij te houden.
Bent u van plan een afdoende voorraad antibiotica aan te leggen en/of deze zelf te produceren voor de structurele behoefte van de Nederlandse burger? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven en wat is het tijdspad? Zo nee, waarom niet?
Voor de reguliere zorg heb ik al in 2024 een subsidie verleend aan de volgesorteerde groothandels om een extra voorraad van 4 weken aan te leggen van essentiële antibiotica en salbutamol aerosolen. Deze extra voorraad is bovenop de al verplichte veiligheidsvoorraad van in totaal 8 weken.
De veiligheidsvoorraden zijn bedoeld als buffer om leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen te kunnen overbruggen. Deze extra voorraad ligt er al, en zorgt voor minder en minder lange geneesmiddelentekorten.6
Afgelopen jaar heb ik besloten om deze extra voorraad uit te breiden. De volgesorteerde groothandels gaan daarom 4 weken extra voorraad aanleggen van geneesmiddelen uit de rode categorie van de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen, en 3 weken extra voorraad van geneesmiddelen uit de oranje categorie. Voor beide geldt dat de extra voorraad zich beperkt tot geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs (AIP) onder € 15. Ik verwacht dat het gewenste peil voor de extra voorraad in de loop van 2026 bereikt wordt.
Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten (geneesmiddelen en medische hulpmiddelen), waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.7
Ik acht het niet wenselijk dat de overheid zelf geneesmiddelen produceert om te voorzien in de structurele behoefte van de Nederlandse burger. In Nederland vindt al commerciële productie plaats van geneesmiddelen, waaronder antibiotica. Wel hecht ik er groot belang aan dat Nederland en Europa minder afhankelijk worden van landen buiten Europa voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen, waaronder antibiotica. Daarvoor trek ik in Europees verband op. In dat kader is de Europese Verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines Act (CMA)) in ontwikkeling. Deze beoogt onder meer productie van kritieke geneesmiddelen, zoals antibiotica, in Europa te stimuleren.8 Verder neemt de overheid een proactieve rol aan in het faciliteren van onderzoek, het laten verhogen van voorraadhoogtes en onderzoekt de o de mogelijkheden om productie op te schalen.
Is er in geval van een grootschalig militair conflict gegarandeerd voldoende capaciteit voor Nederlandse gewonde militairen in Nederlandse én in Oost-Europese ziekenhuizen? Zo nee, wat gaat u concreet ondernemen om dit op orde te brengen en wat is het tijdspad?
In het geval van een grootschalig militair conflict richt het Ministerie van Defensie samen met NAVO-bondgenoten een militair geneeskundige behandel- en vervoerketen in voor de opvang van Nederlandse gewonden. Het primaire doel is het zo snel mogelijk herstellen van de militair, zodat deze weer ingezet kan worden. Als herstel van een Nederlandse gewonde in het inzetgebied niet mogelijk is, wordt de gewonde voor behandeling vervoerd naar Nederland. Uiteindelijk zal de gewonde behandeld worden in de reguliere zorg in Nederland.
Oost-Europese ziekenhuizen maken planmatig geen deel uit van de militaire keten. De zorginstanties van de zogenoemde Oost-Europese frontnations kunnen mogelijk ingezet worden in de zorg van de Nederlandse militairen maar zijn in een grootschalig conflict vooral belast met het opvangen van hun eigen gewonde militairen en burgerslachtoffers.
Ten algemene zijn de staatsecretaris van Defensie en ik met het zorgveld in gesprek over wat nodig is voor het vergroten van de weerbaarheid van de zorg. Dit gaat ook over de inzet op opschaalbare noodzorg, waarmee het kunnen absorberen van een langdurige toestroom van patiënten wordt nagestreefd. Over deze inzet is uw Kamer op 12 december 2025 geïnformeerd.6
Het onderzoek door het OM naar sterfgevallen door illegale medicijnsites |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Bruijn , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM onderzoekt 49 sterfgevallen door illegale medicijnsite»?1
Ja, wij zijn bekend met dit bericht.
Deelt u de analyse dat het schrikbarende aantal sterfgevallen aantoont dat het voor (buitenlandse) webshops veel te eenvoudig is om de wet te omzeilen en zonder recept medicijnen te verkopen en dat funcaps.nl mogelijk slechts het topje van de ijsberg is?
Wij delen de mening dat de berichtgeving uitermate schokkend is en willen dan ook ons medeleven betuigen met de familie en andere nabestaanden van de slachtoffers. Tegelijkertijd hechten wij eraan op te merken dat het strafrechtelijk onderzoek tegen Funcaps nog loopt en dat het uiteindelijk aan de rechter is over de zaak een oordeel te vellen. Wij vinden het belangrijk duidelijk te krijgen of dit inderdaad het topje van de ijsberg is.
Er zijn en komen nog steeds stoffen op de markt die buiten de Opiumwet vallen. Als van deze stoffen kan worden gesteld dat deze naar aandiening of toediening lijken op een geneesmiddel, onderzoekt en beoordeelt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of deze middelen strafbaar kunnen worden gesteld onder de Geneesmiddelenwet. Indien sprake is van een bewezen gevaar voor de gezondheid kan het aanbieden van de middelen ook strafbaar zijn onder artikel 174, Wetboek van Strafrecht. Daarnaast is er ook aanbod van experimentele middelen die spiergroei en vetverlies moeten bewerkstelligen. Bij deze middelen is de Warenwet van toepassing waar de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op toeziet. We hebben dus te maken met de Opiumwet, de Geneesmiddelenwet, de Warenwet en het Strafrecht.
Websites zoals Funcaps proberen de Opiumwet, Geneesmiddelenwet en Warenwet te omzeilen door het gebruik van de termen als «voor onderzoeksdoeleinden» of «niet voor menselijke consumptie». Wij vinden dit zeer ongewenst gezien de mogelijke gezondheidsrisico’s die het gebruik van dit soort middelen met zich meebrengen. Daarom zijn wij, samen met alle betrokken partijen, waaronder de IGJ, NVWA, Politie en Openbaar Ministerie (OM), in gesprek om in kaart te brengen met welke problemen we hier te maken hebben. Wij zullen uw Kamer daar zo spoedig als mogelijk over informeren.
Voldoet de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) wat u betreft nog om dergelijke praktijken te voorkomen, zeker als sites gehost worden in de Verenigde Staten of andere landen? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
De Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) speelt geen rol bij het toezicht op en de handhaving van malafide websites die geneesmiddelen of drugs aanbieden. In de Wkkgz is vastgelegd dat zorgaanbieders goede zorg moeten bieden, oftewel zorg van goede kwaliteit en van goed niveau. Ook versterkt de wet de individuele en collectieve rechtspositie van cliënten en voorziet het in effectieve middelen voor handhaving van de rechten van cliënten. De Wkkgz zorgt ervoor dat cliënten recht hebben op informatie als er iets in de zorgverlening niet goed gaat en biedt cliënten de mogelijkheid om een klacht in te dienen of naar een onafhankelijke geschilleninstantie te stappen. In dit soort praktijken is geen sprake van zorgverleners.
Hoe kan het dat webshops als funcaps.nl konden leveren aan minderjarigen?
Webshops mogen alleen geneesmiddelen te koop aanbieden als zij aangemeld zijn en vermeld staan op het overzicht van online aanbieders van geneesmiddelen van het Agentschap CIBG. Het CIBG controleert of de webshop daadwerkelijk verkoopt wat hij wettelijk mag verkopen en of de website voldoet aan de overige voorwaarden. Goedgekeurde webshops moeten dan ook het EU-logo voor online aanbieders van geneesmiddelen op de website vermelden.
Voor webshops die op illegale wijze geneesmiddelen te koop aanbieden is leeftijdscontrole geen voorwaarde: het aanbod is hoe dan ook verboden en hierop wordt gehandhaafd.
Aan welke regels omtrent leeftijdscontrole dienen webshops die medicijnen verkopen zich te houden? Wordt hier wat u betreft voldoende op gehandhaafd?
Zie antwoord vraag 4.
Waar kunnen ouders terecht die zich zorgen maken om medicijnen of drugs die hun kinderen online bestellen, zeker als webshops niet adequaat reageren op noodkreten van ouders zoals bij funcaps.nl is gebeurd? Weten deze ouders de weg naar bijvoorbeeld de Inspectie Gezondsheidszporg en Jeugd (IGJ) te vinden en is hier direct en adequaat op gereageerd?
Voor vragen over drugsgebruik kunnen gebruikers terecht bij de Drugsinfolijn van het Trimbos-instituut. De infolijn en de chat zijn ook bedoeld voor naasten van mensen die drugs gebruiken.
Mensen met klachten over geneesmiddelen kunnen terecht bij het officiële Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) van de IGJ. Het LMZ is het aanspreekpunt voor cliënten, patiënten, hun naasten en andere betrokkenen. Het LMZ is een aparte afdeling van de IGJ en werkt nauw samen met de inspecteurs. Wanneer er meldingen binnenkomen die wijzen op overtredingen, kan de IGJ besluiten om onderzoek te doen.
Daarnaast adviseren wij iedereen met vragen of klachten over geneesmiddelen contact op te nemen met de eigen huisarts of apotheker.
Had de IGJ funcaps.nl al in beeld ten tijde van de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen in maart 2025 over het omzeilen van de wet door webwinkels die medicijnen verkopen?2 Hoe snel is ingegrepen toen signalen binnenkwamen over de webshop?
Wij gaan ervan uit dat u verwijst naar de beantwoording van de Kamervragen over het omzeilen van de wet door webwinkels die geneesmiddelen verkopen. Het ging daarin om buitenlandse artsen die online geneesmiddelen aan patiënten in Nederland voorschreven. Dit is iets anders dan in het geval van Funcaps, dat er onder meer van verdacht wordt geneesmiddelen zonder vergunning beschikbaar te hebben gesteld. Daarnaast gaat het deels om Nieuwe Psychoactieve Stoffen (NPS) die pas per 1 juli 2025 strafbaar zijn. Niettemin is het aanbieden van al deze middelen strafbaar als wordt voldaan aan de delictsomschrijving van art. 174, Wetboek van Strafrecht. De middelen werden onder de noemer «research chemicals» aangeboden. Tot slot gaat het bij een deel van de door Funcaps aangeboden middelen om middelen die naar het oordeel van het OM voor het leven en gezondheid gevaarlijk zijn zoals bedoeld in artikel 174, Wetboek van Strafrecht.
Hoe kan het dat een webshop als funcaps.nl jarenlang zijn activiteiten heeft kunnen voortzetten en dat er zelfs al twee nieuwe sites in de lucht zijn sinds funcaps.nl offline is gehaald?
Dit heeft een aantal oorzaken:
Wat ook meespeelt is dat pas door het strafrechtelijk onderzoek de omvang van de problematiek dermate goed zichtbaar is geworden. Wij zijn nu in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak. Hierbij zullen we bijvoorbeeld kijken naar de huidige wet- en regelgeving, de handhavingscapaciteit en de samenwerking tussen alle partijen. Wij informeren de Kamer hier verder over in de brief genoemd in het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat een aanscherping van de beroepsnormen voor apothekers, zoals u suggereerde als oplossing in uw beantwoording op de schriftelijke vragen, een druppel op de gloeiende plaat is en geen oplossing biedt voor malafide webshops die vooral bezig zijn met het omzeilen van de wet? Zo ja, welke strengere wet- en regelgeving is wat u betreft nodig om deze praktijken daadwerkelijk uit te bannen? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de mogelijkheid om online receptplichtige geneesmiddelen te kunnen bestellen geldt dat dit op zichzelf niet illegaal is, wanneer er daadwerkelijk een recept is. Het is hierbij wel belangrijk dat goede zorg geleverd wordt.
Ten aanzien van de websites waarop «research chemicals» worden aangeboden kan worden gesteld dat voor zover bekend er geen link is met opgeleide apothekers en artsen. Een aanscherping van de beroepsnormen voor apothekers is geen oplossing voor bedrijven zoals Funcaps die bewust de wet omzeilen. Dit soort illegale webshops kunnen ten slotte ook in handen zijn van niet-apothekers.
Malafide webshops passen voortdurend nieuwe methoden toe om regels te omzeilen, waardoor het moeilijk blijft om ze volledig te bestrijden, ook al omdat de websites in beginsel in de hele wereld kunnen worden gehost. Wij zijn met de betrokken partijen in gesprek om te onderzoeken of het huidige instrumentarium voldoende ruimte biedt om het illegale aanbod tegen te gaan.
Daarnaast kent deze problematiek niet alleen een aanbodkant, maar ook een vraagkant. Wij vinden het daarom ook belangrijk om te kijken hoe de vraag naar illegale geneesmiddelen kan worden verminderd. Bij vraag 10 ga ik hier verder op in.
Welke maatregelen gaat u treffen om ervoor te zorgen dat mensen op de hoogte zijn van de gevaren van malafide webshops die medicijnen verkopen, zeker aangezien de sites vaak wel ogen als een echte online apotheek? Ziet u heil in een publiekscampagne om met name jongeren die op zoek zijn naar slaapmiddelen, angstmedicatie en (designer)drugs te wijzen op de mogelijke gevaren?
Wij gaan onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, publiekscampagnes of andere vormen van voorlichting gericht op consumenten de risico’s kunnen verminderen en de vraag naar illegale middelen kan verkleinen. Het Trimbos-instituut adviseert voorzichtig te zijn bij publiekscampagnes gericht op het ontmoedigen van online aankoop van geneesmiddelen of drugs, omdat zulke campagnes soms onbedoeld het gebruik juist kunnen normaliseren of aantrekkelijker maken. Wij informeren uw Kamer hier verder over in eerdergenoemde brief.
Het bericht 'Na coronaprik melden duizenden vrouwen zware menstruatieklachten' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Is de Minister bekend met het bericht «Na coronaprik melden duizenden vrouwen zware menstruatieklachten»?1
Ja.
Zijn de cijfers genoemd in het artikel en verzameld door data-analist Wouter Aukema, correct? Concreet, klopt het dat er bij Lareb vóór de vaccinatiecampagne gemiddeld twee meldingen per week binnenkwamen van vrouwen met menstruatieklachten, dat dit na de start van de vaccinatiecampagne plots opliep tot 1600 per week en dat er in totaal meer dan 20.000 meldingen zijn gedaan van hevige bloedingen, uitblijvende menstruaties, extreme krampen of andere verstoringen van de cyclus? Indien deze cijfers niet correct zijn, wat zijn dan wel de correcte cijfers?
Vóór de coronavaccinatiecampagne, in een periode dat jongere vrouwen niet op grote schaal in aanmerking kwamen voor een vaccinatie, ontving Lareb ongeveer 2 meldingen per week over menstruatiestoornissen na geneesmiddelengebruik. Na de start van de vaccinatiecampagne steeg het aantal meldingen. Het klopt dat er weken zijn geweest met 1600 meldingen of meer.2 Tot 17 november 2025 ontving Lareb 27.989 meldingen over een menstruatiestoornis na een coronavaccinatie.
Dat menstruatiestoornissen vaker werden gemeld als vermoede bijwerking hangt samen met het gegeven dat in korte tijd op zeer grote schaal tegen het coronavirus werd gevaccineerd. Daarbij is er ook specifiek media-aandacht geweest voor menstruatiestoornissen na coronavaccinatie, waardoor vrouwen die menstruatiestoornissen hadden ervaren na vaccinatie eerder geneigd waren om dit te melden. Dit verklaart mede de pieken in het aantal meldingen.
Lareb heeft regelmatig bericht over de meldingen en duiding gegeven over de inzichten in relatie met de coronavaccins.3 In de kennisbank van Lareb is een samenvatting van de wetenschappelijke kennis met verwijzingen naar de wetenschappelijke literatuur te vinden over menstruatiestoornissen na vaccinatie.4 Lareb houdt de meldingen zorgvuldig in de gaten en daarom zie ik geen aanleiding om extra onderzoek te laten uitvoeren.
Indien het aantal meldingen van menstruatieklachten in 2021 inderdaad plotseling sterk is toegenomen, wat zou hiervan de oorzaak kunnen zijn? Indien dit niet duidelijk is, is de Minister wellicht bereid dit te laten onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
De problemen met hulpmiddelenbedrijf Medipoint |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de vele klachten die mensen die hulpmiddelen nodig hebben uiten over hulpmiddelenbedrijf Medipoint?1, 2
Hulpmiddelen zijn belangrijk in het dagelijks leven van mensen om mee te kunnen doen of (langer) thuis te kunnen blijven wonen. Ik vind het daarom betreurenswaardig als mensen niet goed geholpen worden door een hulpmiddelenleverancier. Zeker wanneer mensen ernstig nadeel ondervinden van gebrekkige service, bijvoorbeeld als zij daardoor niet (zelfstandig) kunnen participeren.
Bent u het eens dat het onacceptabel is als mensen lang moeten wachten (soms zelfs in acute situaties), niet geholpen worden, afgewimpeld worden of de verkeerde onderdelen krijgen?
Ja, ik vind dit onacceptabel.
Deelt u de analyse dat marktwerking een rol bij deze problemen speelt, doordat gemeenten aanbestedingen uitschrijven waarbij teveel gestuurd wordt op de laagste prijs? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die analyse deel ik niet. Als gemeenten kiezen voor inkoop via aanbesteden is gunning op basis van de laagste prijs op basis van de Wmo 2015 niet toegestaan. Gemeenten dienen op basis van de Wmo 2015 – naast voldoende minimum kwaliteitseisen – ook een reële prijs te hanteren binnen de Wmo 2015. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld door het toepassen van een adequate tariefdifferentiatie rekening houden met een goede balans tussen reële prijs en kwaliteit. In deze balans wordt ook rekening gehouden met de beleidsruimte die individuele gemeenten hebben. De concrete invulling daarvan kan per regio of gemeente verschillen, maar wel effect hebben op de prijs, danwel de kwaliteit.
Gemeenten worden daarbij ondersteund door diverse kaders en informatie, waaronder de Handreiking Inkoop Hulpmiddelen van de VNG3, het Landelijk Normenkader Hulpmiddelen4 en de landelijke prijslijsten. Tegelijkertijd wordt op dit moment door het Ketenbureau i-Sociaal Domein gewerkt aan de
contractstandaarden voor hulpmiddelen voor de overeenkomst en de inkoopdocumenten. Dit project beoogt onnodige verschillen tussen gemeenten in de contractering van leveranciers te minimaliseren en administratieve lasten voor leveranciers te verlagen.
Bent u het eens dat het onacceptabel en onuitlegbaar is dat er nu grote verschillen zijn tussen gemeenten als het gaat om hoe goed de levering en het onderhoud van hulpmiddelen nu is geregeld? Zo ja, bent u bereid om zich ervoor in te zetten deze verschillen te verminderen, door gemeenten ertoe aan te zetten het Landelijk Normen Kader te ondertekenen? Zo nee, waarom niet?
Het onderhoud en de levering van hulpmiddelen moet ongeacht de gemeente waarin iemand woont, goed georganiseerd zijn. Dit is nog niet overal het geval. Daarom zet ik mij samen met de VNG, leveranciers, clientorganisaties en professionals in om de toegang en beschikbaarheid van hulpmiddelen de komende jaren te verbeteren. In de Werkagenda VN-verdrag Handicap, die ik afgelopen juli naar uw Kamer heb gestuurd, zijn meerdere maatregelen opgenomen gericht op het verbeteren van de beschikbaarheid en toegang tot hulpmiddelen.5 Met die maatregelen richten we ons onder andere op het vroegtijdig herkennen van complexe aanvragen en het verbeteren van de communicatie tussen verschillende bij hulpmiddelen betrokken partijen. En we werken aan een monitor om te meten of deze maatregelen leiden tot merkbare verbeteringen bij hulpmiddelengebruikers. Tot slot staan in de Werkagenda verschillende maatregelen gericht op het door gemeenten laten ondertekenen van de convenanten die voortkomen uit het Normenkader.
Welke stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen dat mensen snel en goed geholpen worden als er problemen zijn met een hulpmiddel? Heeft u hier al over gesproken met Medipoint? Zo nee, bent u bereid om dit alsnog te doen?
De Wmo 2015 is een gedecentraliseerde wet. Het is daarom aan de gemeente om contractuele afspraken te maken met de leverancier en de leverancier erop aan te spreken als deze zich niet aan de afspraken houdt.
Vanuit VWS is wel met enige regelmaat contact met branchevereniging Firevaned, waar Medipoint onderdeel van is. Firevaned is actief betrokken bij de uitvoering van de maatregelen in de Werkagenda VN-verdrag Handicap, zoals benoemd bij het antwoord op vraag 4. Daarnaast is vanuit VWS gesproken met Medipoint over de klachten. Zie daarop het antwoord van vraag 6.
Heeft Medipoint inmiddels al concrete stappen gezet om de klantenservice te verbeteren? Zo nee, bent u bereid om hen daarop aan te spreken?
Medipoint gaf in gesprek met VWS aan dat zij het erg vervelend vindt dat de kwaliteit van haar klantenservice in enkele vestingen momenteel niet goed is. Zij lichtte toe hoe zij op dit moment werkt aan het verbeteren van de service, waaronder door training van medewerkers, uitbreiding van het klantenserviceteam en betere monitoring van klanttevredenheid. Deze werkwijze breidt zij uit met een «leermeester casemanagement», die casemanagers traint op onder andere klantgerichtheid en klantcommunicatie. Tot slot zegt Medipoint de voortgang op het verbetertraject actief te monitoren, te evalueren en bij te sturen waar nodig.
De uitzending van Radar over de problemen met bekkenbodemmatjes |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Radar over de problemen met bekkenbodemmatjes en het verwijderen daarvan?1
Ik ben onder de indruk van het verhaal van deze twee vrouwen en vind het moedig dat zij dit hebben gedeeld in de uitzending. Ik ben blij dat de behandeling heeft geleid tot verlichting van hun klachten.
Deelt u de mening dat het een onacceptabele situatie is dat vrouwen enorm ingrijpende klachten ervaren door de inzet van bekkenbodemmatjes en andere mesh-implantaten, waarvan werd gezegd dat deze veilig waren, terwijl de volledige verwijdering daarvan niet in Nederland wordt aangeboden en vaak niet wordt vergoed als dit in het buitenland gebeurt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid hierover met de getroffen vrouwen in gesprek te gaan?
Ik vind het heel vervelend dat vrouwen deze klachten ervaren. De problematiek rondom mesh-implantaten heeft onder mijn voorgangers onder andere geleid tot terughoudend gebruik van mesh-implantaten in gespecialiseerde ziekenhuizen, betere voorlichting via een specifieke patiënten folder2, en een leidraad om de nazorg van mesh3 te verbeteren.
Bij elke behandeling moet worden gekeken of de voordelen groter zijn dan de nadelen. Dat geldt ook voor een mesh-implantaat. Geen enkele behandeling is zonder risico’s. Daarom is het belangrijk dat de specialist samen met de patiënt een goede afweging maakt. In de patiënten folder staat uitgebreide informatie over klachten en mogelijke behandelingen. Ook staat er informatie in over het verwijderen van een mesh-implantaat. Hoe dit verwijderen precies gaat, hangt af van de situatie van elke patiënt. De Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) geeft aan dat artsen per persoon bekijken of een implantaat helemaal moet worden verwijderd. Zij letten daarbij op de soort en ernst van de klachten en op de risico’s van een volledige verwijdering. Als gekozen wordt voor volledige verwijdering, kan dit in Nederland gebeuren in twee gespecialiseerde centra: Amsterdam UMC, locatie AMC, en UMC Utrecht.
Deze operaties worden – als ze medisch noodzakelijk zijn – vergoed vanuit het basispakket. In mijn antwoorden op vraag 8 en 9 ga ik hier verder op in.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is wanneer vrouwen wordt verteld dat hun klachten «tussen de oren» zitten, terwijl dit een structureel probleem is dat veel vrouwen raakt? Deelt u de analyse dat het feit dat het hierbij om vrouwen gaat daarbij meespeelt?
Ik vind het niet acceptabel als iemand te horen krijgt dat haar klachten «tussen de oren» zouden zitten. Iedereen heeft recht op goede zorg, ongeacht bijvoorbeeld geslacht. Dat geldt voor vrouwen die denken dat hun klachten door een mesh-implantaat komen, maar ook voor vrouwen die moeten leren omgaan met pijn en ongemak. Als een arts zelf niet verder kan helpen, moet hij of zij de patiënt zo goed mogelijk doorverwijzen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat dezelfde experts betrokken zijn bij het onderzoek naar bekkenbodemmatjes, de toelating, de toepassing ervan en de beslissing om deze wel of niet te verwijderen en dat deze ook betaald worden door de producenten? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om deze (schijn van) belangenverstrengeling aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
In het algemeen vind ik het belangrijk dat de zorg met medische hulpmiddelen steeds verder verbetert. De ervaring van artsen die met deze hulpmiddelen werken, speelt daarbij een grote rol. Het klopt dat artsen soms advies geven aan fabrikanten. Dat doen zij onder andere om de producten te verbeteren op basis van ervaringen in de praktijk, zodat ze veiliger worden of beter werken. Ik vind het vooral belangrijk dat deze samenwerking met fabrikanten transparant gebeurt en dat het zorgt voor betere zorg. Sommige van de afspraken tussen een fabrikant en zorgverlener worden gunstbetoon genoemd. Hierbij betaalt een bedrijf een zorgprofessional bijvoorbeeld voor de deelnamekosten van een congres. Er gelden strenge regels voor gunstbetoon, om te voorkomen dat er vormen van beïnvloeding plaatsvinden.
Hoe kijkt u naar het Engelse voorstel om bekkenbodemmatjes enkel te laten plaatsen in gespecialiseerde centra waar deze ook volledig verwijderd kunnen worden?
Ik ben niet bekend met de exacte inhoud van dat voorstel en kan er daarom niet inhoudelijk op reageren. In Nederland worden bekkenbodemmatjes alleen in gespecialiseerde centra geplaatst. Daarnaast kunnen patiënten bij twee academische ziekenhuizen (Amsterdam UMC, locatie AMC en UMC Utrecht) terecht wanneer volledige verwijdering de beste oplossing is.
Deelt u de mening dat het besluit over de toelating van implantaten zoals bekkenbodemmatjes zou moeten worden genomen door een onafhankelijke publieke instelling, zoals ook de praktijk is bij geneesmiddelen, in plaats van door commerciële partijen en experts die worden gefinancierd vanuit de producenten zelf? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor zetten? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik niet. De toelating van implantaten op de Nederlandse markt verloopt volgens Europese regelgeving. Implantaten moeten voldoen aan de strengste eisen uit de Europese verordening voor medische hulpmiddelen, de Medical Device Regulation (MDR). De MDR stelt hoge eisen waaraan een product moet voldoen. Dat betekent onder andere dat fabrikanten tijdens de ontwikkeling verschillende klinische onderzoeken moeten laten doen. De overheid heeft erkende keuringsinstanties (notified bodies) aangewezen die bekijken of medische hulpmiddelen aan de Europese eisen voldoen. Deze instanties zijn onafhankelijk, onpartijdig en deskundig. Als een implantaat voldoet aan de strenge Europese eisen voor onder andere veiligheid, dan geeft een notified body een CE-markering af. Alleen producten met een CE-markering mogen in Nederland op de markt worden gebracht.
Deelt u de mening dat Nederland zelf de expertise zou moeten hebben om bekkenbodemmatjes volledig te verwijderen, als we deze hier ook plaatsen? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om dit te regelen? Bent u bereid om zich in te zetten voor het opzetten van een expertisecentrum op dit gebied? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals ik eerder in het antwoord op vraag 2 heb geschreven, zijn er in Nederland al twee academische ziekenhuizen die mesh-implantaten volledig kunnen verwijderen als dat de beste oplossing is. De benodigde expertise is dus al in Nederland aanwezig.
Deelt u de mening dat vrouwen die in het buitenland hun bekkenbodemmatje of ander mesh-implantaat moeten laten verwijderen in het buitenland, omdat dit in Nederland niet mogelijk is, deze behandeling volledig vergoed moeten krijgen? Zo ja, hoe gaat u regelen dat zij dit gewoon vergoed krijgen? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel dat zij hiervoor afhankelijk zijn van hun eigen spaargeld, giften van vrienden en familie, crowdfunding en/of zichzelf in de schulden moeten steken?
Verwijderingsoperaties worden vergoed vanuit het basispakket als ze medisch noodzakelijk nodig zijn. Als zo’n operatie in Nederland (of bij een gecontracteerde zorgaanbieder in het buitenland) niet mogelijk is of niet op tijd kan plaatsvinden, moet de zorgverzekeraar – als de patiënt daarom vraagt – toestemming geven voor behandeling in een ander EU/EER-lidstaat, in Zwitserland of in het Verenigd Koninkrijk. Dit is verplicht volgens Europese regels4.
Dezelfde voorwaarden gelden hierbij als in Nederland. Er is bijvoorbeeld een verwijzing nodig van de huisarts of medisch specialist. Vergoeding vindt dan plaats volgens de sociale ziektekostenverzekering van het betreffende land. Moet de patiënt toch nog een deel zelf betalen, dan is soms een aanvullende vergoeding uit de zorgverzekering mogelijk.
Deelt u de mening dat de vrouwen die hun bekkenbodemmatjes of ander mesh-implantaat op eigen kosten hebben moeten laten verwijderen in het buitenland hiervoor gecompenseerd moeten worden? Zo ja, hoe gaat u dit regelen? Zo nee, waarom niet?
Gelet op het antwoord op vraag 8 is compensatie van een voor eigen rekening uitgevoerde verwijderingsoperatie niet aan de orde. Als een operatie niet, of niet op tijd, in Nederland (of bij een gecontracteerde zorgaanbieder in het buitenland) kan worden gedaan, dan moet vooraf toestemming worden gevraagd volgens de EU-regels. Alleen in bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken.
Als niet aan de voorwaarden van de zorgverzekering is voldaan, of als er geen voorafgaande toestemming is gevraagd en gekregen, dan kunnen de kosten niet worden vergoed.