Berichten op sociale media over het vrijlaten van jihadistische strijders uit voorheen door de SDF bewaakte detentiefaciliteiten |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten op sociale media dat door de recente transitie in Syrië en de verschuivende gezagsverhoudingen in het noordoosten van het land, jihadistische strijders uit voorheen door de Syrian Democratic Forces (SDF) bewaakte detentiefaciliteiten zijn vrijgelaten of ontsnapt?1
Ja, het kabinet is bekend met deze zorgelijke berichten. De situatie in noordoost-Syrië is in de afgelopen periode zeer volatiel en complex geweest, waarbij ook veel onjuiste informatie online is gedeeld. Zekerheid over aantallen en verantwoordelijkheid kan in dit stadium niet gegeven worden. Er circuleren verschillende berichten dat er aan IS-gelieerde personen in Syrië zijn ontsnapt en ook weer, deels, zouden zijn opgepakt.
Kunt u bevestigen of de instabiliteit tijdens de machtswisseling in Damascus direct heeft bijgedragen aan een beveiligingsvacuüm in de regio's waar IS-gevangenen werden vastgehouden? Hoe beoordeelt u de risico's hiervan voor de nationale veiligheid van Nederland en de Europese Unie (EU)?
De machtswisseling in Damascus zelf, die zich in december 2024 voltrok, lijkt niet direct van invloed te zijn geweest op de huidige veiligheidssituatie in noordoost-Syrië. Wel is het zo dat de situatie direct wordt beïnvloed door de recente conflicten tussen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) rond de integratie van laatstgenoemde in de Syrische staat. Bij gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in de afgelopen periode is sprake geweest van een zorgelijke veiligheidssituatie, met name in de kampen en detentiecentra waar zich voormalig ISIS-strijders en hun familieleden bevinden. Bemoedigend in het kader van een stabilisering van de situatie is de – op 30 januari jl. overeengekomen – overeenkomst tussen de Syrische overgangsregering en de SDF; onderdeel hiervan is een permanent staakt-het-vuren.
Daar het kabinet zich al langer zorgen maakt over de veiligheidssituatie in Syrië en de mogelijke impact daarvan op de Europese en nationale veiligheid, is onder andere vorig jaar EUR 7 miljoen extra vrijgemaakt om repatriëring en re-integratie van Iraakse terugkeerders in Irak mogelijk te maken. Hiermee wordt de druk op de kampen verlicht.
Met alle betrokken nationale- en internationale partners houden we de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Daarbij geldt dat het kabinet instrumentarium voorhanden heeft om onopgemerkte terugkeer van Nederlandse uitreizigers tijdig te onderkennen en op basis daarvan maatregelen kan treffen. Zo staan Nederlandse uitreizigers gesignaleerd en is tegen onderkende Nederlandse uitreizigers een strafrechtelijk onderzoek gestart. Op dit punt zijn ook alle nationale- en internationale partners alert en staan met elkaar in contact.
Hoe weegt u de algemene hervormingsagenda van de regering onder Ahmad al-Sharaa? Ziet u op dit moment voldoende bewijs dat Damascus een koers vaart die leidt tot duurzame vrede en een inclusieve samenleving, als voorwaarde voor verdere normalisatie?
In het afgelopen jaar heeft de Syrische overgangsregering een hervormingsagenda gepresenteerd die gericht lijkt op een inclusieve politieke transitie, gelijke rechten voor alle Syrische gemeenschappen en gerechtigheid voor gepleegde misdaden, zowel ten tijde van het Assad-regime als daarna. Het kabinet verwelkomt in dit kader het op 16 januari jl. door interim-president Sharaa getekende decreet waarin wordt herbevestigd dat de Koerdische gemeenschap een integraal onderdeel van Syrië is, waarin Koerdische culturele rechten worden erkend, en stateloze Koerden het burgerschap toegekend zullen worden.
Dit zijn belangrijke eerste stappen, waarbij het kabinet benadrukt dat daadwerkelijke inclusiviteit en gelijke rechten voor alle gemeenschappen blijvende aandacht en concrete uitvoering vergen. Het kabinet spreekt de overgangsregering dan ook consequent aan op haar verantwoordelijkheden op deze gebieden. In EU-verband benadrukt het kabinet, in lijn met de motie Stoffer/Ceder,2 dat aan mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties verbonden dienen te worden en dat zodoende sprake is van voorwaardelijke steun.3
Wat is uw visie op het proces waarbij de SDF worden geïntegreerd in de nationale defensiestructuren? Deelt u de zorg dat deze «absorptie» niet mag leiden tot de ontmanteling van de seculiere waarden en de unieke operationele expertise van de SDF?
Het kabinet volgt dit proces op de voet. De recentelijke gevechten tussen het Syrische leger en de SDF laten zien dat dit een onvoorspelbaar en complex proces is. In algemene zin kan integratie van de SDF in het Syrische leger bijdragen aan een grotere stabiliteit en meer vertrouwen in het Syrische veiligheidsapparaat bij de Syrische bevolking. Een inclusieve politieke transitie, met ruimte en rechtsstatelijke garanties voor alle Syrische gemeenschappen, waaronder de Koerden, blijft het uitgangspunt van het kabinet.
In hoeverre is er volgens uw informatie sprake van druk vanuit Turkije om de Koerdische autonomie binnen de nieuwe Syrische staatsstructuur volledig te beëindigen? Hoe streeft Nederland diplomatiek naar een balans tussen de veiligheidsbelangen van een NAVO-bondgenoot en de bescherming van de Koerdische bondgenoten?
Turkije is geen voorstander van Koerdische autonomie binnen de Syrische staatsstructuur en heeft zich uitgesproken voor integratie van alle groepen en individuen in deze structuur.
Zoals genoemd bij de beantwoording van vraag vier, blijft een inclusieve politieke transitie, met ruimte en rechtstatelijke garantie voor de Syrische gemeenschappen, waaronder de Koerden, het uitgangspunt voor dit kabinet. Deze boodschap draagt het kabinet ook uit, inclusief in contacten met de Turkse autoriteiten.
Op welke wijze monitort de Nederlandse regering de daadwerkelijke naleving van de mensenrechten en de bescherming van religieuze en etnische minderheden zoals de Koerden, Alawieten en Druzen ter plaatse, en in hoeverre is de mate van verdere diplomatieke erkenning van de Al-Sharaa regering afhankelijk van de institutionele borging van deze rechten?
Het kabinet monitort de naleving van mensenrechten in Syrië nauwgezet. Dit gebeurt bijvoorbeeld via onze steun aan het OHCHR-veldkantoor in Damascus, de VN Commission of Inquiry (CoI) en het International, Impartial and Independent Mechanism (IIIM).
Daarnaast zet Nederland via het beleidskader FOCUS en het mensenrechteninstrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» gericht in op de bescherming van religieuze en etnische minderheden, waaronder Koerden, Alawieten en Druzen.
Kunt u toelichten in hoeverre de recente ontwikkelingen, zoals de druk op de SDF-structuren en de berichten over de onveiligheid in IS-detentiefaciliteiten, zich verhouden tot het besluit om EU-sancties te versoepelen? Is deze versoepeling volgens u gestoeld op de verwachting van verdere hervormingen, en op welke wijze wordt geborgd dat deze verlichting niet contraproductief werkt voor de veiligheid van minderheden?
Het kabinet heeft, via de EU, bewust ingezet op sanctieverlichting voor Syrië, aangezien economisch herstel en wederopbouw essentieel zijn voor de stabiliteit en veiligheid. Daar zijn alle Syrische gemeenschappen bij gebaat. Tegelijkertijd hebben wij ons binnen de EU juist hard gemaakt voor het instellen van gerichte sancties tegen personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en sektarisch geweld. Deze maatregelen zijn erop gericht de verantwoordelijken van deze misdaden te treffen, en niet de bredere Syrische bevolking of economie. Daarnaast zet het kabinet zich in de EU in voor voorwaardelijke steun aan Syrië, waarbij concrete stappen van de Syrische overgangsregering worden verwacht ten aanzien van de huidige politieke transitie en de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen. Recentelijk heeft het kabinet hier wederom in EU-verband aandacht voor gevraagd, in lijn met de motie Stoffer/Ceder.4
Kunt u toelichten hoe de toezegging van het Europese steunpakket van 700 miljoen euro voor Syrië zich verhoudt tot de actuele ontwikkelingen op de grond, zoals de druk op de Koerdische zelfbeschikking en de positie van minderheden, en op welke wijze wordt concreet toegezien op de besteding van deze middelen om te borgen dat deze niet bijdragen aan de verdere marginalisering van deze groepen?
De voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad hebben begin 2026 een financieel steunpakket toegezegd van ongeveer 620 miljoen euro voor 2026 en 2027, als onderdeel van het verder versterken van de betrekkingen tussen de EU en Syrië. Dit steunpakket is primair gericht op humanitaire hulp, herstel en stabilisatie, en is vormgegeven met oog voor de positie van kwetsbare groepen, waaronder etnische- en religieuze minderheden.
De EU volgt de ontwikkelingen in Syrië nauwgezet en betrekt deze bij de geleidelijke en voorwaardelijke inzet van steun. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 7, heeft het kabinet recentelijk het belang van deze voorwaardelijkheid benadrukt, waarbij is aangegeven dat mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties zouden moeten hebben.
Daarbij geldt dat de besteding van EU-middelen onderworpen is aan strikte monitoring- en evaluatiemechanismen, waaronder risicobeoordelingen, rapportageverplichtingen en onafhankelijke monitoring. De financiering loopt daarbij tot op heden uitsluitend via VN-organisaties, internationale organisaties en Ngo’s, en dus niet via Syrische overgangsregering. Indien risico’s op uitsluiting of marginalisering van bevolkingsgroepen worden vastgesteld, kan de uitvoering worden aangepast, opgeschort of beëindigd. Hiermee wordt geborgd dat EU-steun niet bijdraagt aan spanningen of ongelijkheid.
Bent u bereid om in EU-verband aan te dringen op harde voorwaarden voor de uitbetaling van de resterende tranches van het steunpakket, specifiek gekoppeld aan de veiligheid en politieke vertegenwoordiging van minderheidsgroepen?
Zie antwoord vraag 8.
Onder welke voorwaarden ziet u Syrië op de lange termijn als een volwaardige partner voor vrede in het Midden-Oosten, en op welke wijze borgt u dat verdere normalisatie van de betrekkingen gelijke pas houdt met de voortgang op het gebied van de rechten van minderheden?
Duurzame voortuitgang op het gebied van veiligheid, inclusiviteit, rechtsstatelijkheid en mensenrechten, waaronder de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen, zijn cruciale elementen die onze relatie ten aanzien van de Syrische overgangsregering definiëren en ook richting de toekomst verder zullen bepalen. Op basis van concrete acties op deze gebieden kunnen de betrekkingen met de Syrische overgangsregering gefaseerd – en voorwaardelijk – plaatsvinden, waarbij dit proces steeds afhankelijk zal zijn van concrete en verifieerbare stappen op deze terreinen. Het kabinet volgt dit nauwgezet door voortdurende monitoring en nauwe afstemming met internationale partners en organisaties.
Het niet uitvoeren van de aangenomen motie over een campagne om mensen te werven om in de zorg te werken |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Waarom weigert u de aangenomen motie Dobbe1 uit te voeren, waarmee een tweederde meerderheid van de Kamer u verzocht om «om een wervingscampagne op te zetten, vergelijkbaar met de wervingscampagne van Defensie, om mensen te werven om in de zorg te werken, en de Kamer hier voor de begrotingsbehandeling over te informeren»?
Ik begrijp en deel de urgentie die aan deze motie ten grondslag ligt. De uitvoering van moties wordt door het kabinet serieus genomen. Ik heb ervoor gekozen om, binnen het arbeidsmarktbeleid voor zorg en welzijn, een andere route te bewandelen die aansluit bij de beschikbare middelen en eerder gemaakte afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). Op basis daarvan is samen met het veld een landelijke inzet voorbereid gericht op loopbaanoriëntatie en zichtbaarheid van zorg en welzijn. Zie ook de beantwoording van de vragen hierna.
Waarom bent u niet bereid om een wervingscampagne op te zetten voor de zorg, terwijl de personeelstekorten in de zorg één van de grootste problemen in Nederland is?
Ik deel de analyse dat de personeelstekorten in zorg en welzijn urgent zijn. Tegelijkertijd vergt effectieve werving in deze sector een aanpak die recht doet aan de grote diversiteit van beroepen, het regionale karakter van de arbeidsmarkt en de decentrale organisatie van werkgevers. Er is daarom samen met sociale partners gewerkt aan een gerichte inzet die zich richt op instroom, behoud en herintrede, op een manier die duurzaam, uitvoerbaar en realistisch is. De uitvoering van deze inzet is momenteel in voorbereiding en sluit aan bij bestaande samenwerkingsstructuren binnen de sector.
Erkent u dat het feit dat uw ministerie niet rechtstreeks de werkgever is van zorgverleners het niet onmogelijk maakt om een wervingscampagne op te zetten?2
Dat erken ik. Tegelijkertijd acht ik het van belang om bij de opzet van landelijke wervingsinspanningen goed aan te sluiten bij de autonomie en verantwoordelijkheid van werkgevers en sectorale organisaties. Individuele werkgevers zijn primair verantwoordelijk voor de werving van voldoende personeel. Ik zie dat zorg- en welzijnsinstellingen op lokaal en regionaal niveau grote inspanning leveren op dit vlak. Het is mijn rol om hen daar op landelijk niveau, in overleg met sociale partners en andere betrokken partijen, zo goed mogelijk bij te ondersteunen. Om die reden is ervoor gekozen om in nauwe samenwerking met betrokken partijen toe te werken naar een initiatief dat zowel landelijk herkenbaar als regionaal toepasbaar is.
Deelt u de mening dat het wel of niet opzetten van een wervingscampagne voor de zorg, terwijl er ook in andere sectoren personeelstekorten zijn, een politieke keuze is die een ruime meerderheid van de Kamer al heeft gemaakt? Zo ja, waarom maakt u deze weging dan eigenhandig opnieuw?
Het kabinet weegt aangenomen moties zorgvuldig en voert deze in beginsel uit. Tegelijkertijd is er sprake van een bredere arbeidsmarktdynamiek: ook in andere (semi-)publieke sectoren zijn personeelstekorten. Dat vraagt om doordachte keuzes in communicatie en werving. Mijn ministerie staat daarom, gecoördineerd door het Ministerie van SZW, in nauw contact met andere departementen als het gaat om afstemming en samenwerking tussen sectoren om de arbeidsmarkttekorten in Nederland het hoofd te bieden. Een landelijke wervingscampagne voor de sector zorg en welzijn past niet in de lijn die eerder kabinetsbreed is afgesproken, noch is deze wens financieel en uitvoeringstechnisch haalbaar.
De brede oproep van de Kamer om werk te maken van de instroom in de sector zorg en welzijn neem ik serieus en heb ik daarom nadrukkelijk meegenomen in de gesprekken die ik hierover voer met het veld. Zoals eerder toegezegd in de stand van zaken brief voor het kerstreces3, breng ik uw Kamer op de hoogte van de uitkomst van deze gesprekken.
Er is brede steun vanuit het veld om meerjarig te investeren in het voortzetten en integreren van bestaande loopbaaninstrumenten. Dit is afgesproken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). De betrokken partijen hebben recent ingestemd met het reserveren van 4,6 miljoen euro per jaar voor dit doel. Hiermee wordt nog dit jaar een landelijk loopbaanplatform gelanceerd waarop studiekiezers, studenten, werkenden, zij-instromers en herintreders terecht kunnen voor betrouwbare informatie en persoonlijk advies om een volgende loopbaanstap te zetten richting zorg en welzijn. De lancering van dit platform gaat gepaard met landelijke publiekscommunicatie om zoveel mogelijk mensen uit de doelgroep te bereiken. Deze keuze heb ik niet opnieuw of eenzijdig gemaakt, maar in overleg met sociale partners en AZWA-partijen voorbereid. Daarbij is het doel van de motie overeind gebleven: meer mensen enthousiasmeren voor werken in zorg en welzijn. Het middel om tot dit doel te komen is aangepast aan wat uitvoerbaar is binnen de huidige financiële en organisatorische ruimte.
Vindt u ook niet dat het ondemocratisch is om als dubbeldemissionair Minister, namens een coalitie die rust op 17% van de Kamer, een heel duidelijke, simpele en uitvoerbare wens van 101 Kamerleden naast u neer te leggen?
De demissionaire status van het kabinet doet niets af aan het uitgangspunt dat moties van de Kamer serieus worden genomen en in beginsel worden uitgevoerd. Dat geldt ook in dit geval. Zoals eerder aangegeven, is het financieel en uitvoeringstechnisch niet haalbaar om op korte termijn een grootschalige wervingscampagne op te zetten. Ik deel daarom niet de opvatting dat dit een heel simpele en op korte termijn uitvoerbare wens is.
De opzet en uitvoering van een grootschalige wervingscampagne zoals bij Defensie kost tientallen miljoenen euro’s per jaar4. Het amendement van het lid Van Zanten over middelen beschikbaar stellen voor een publiekscampagne werken in de zorg is tijdens de begrotingsbehandeling vorig jaar verworpen5. Met de hoogte van deze eenmalige middelen was het bovendien ook niet mogelijk geweest om een grootschalige wervingscampagne succesvol op te zetten en uit te voeren. Een overheidscampagne vergt immers, afhankelijk van de beschikbare input, de kennisbasis en de mate waarin doel, doelgroep en boodschap vooraf scherp zijn, vaak een aanzienlijke voorbereidingstijd. Zeker wanneer het gaat om het ontwikkelen van een nieuwe campagne (en niet het herhalen van bestaande uitingen) wordt in de praktijk vaak uitgegaan van een voorbereiding in de orde van grootte van grofweg acht tot twaalf maanden; in sommige gevallen kan dit ook richting een jaar of langer lopen (onder meer door onderzoek, conceptontwikkeling, inkoop/aanbesteding, productie, toetsing en bestuurlijke afstemming). Daarbij is het nog maar de vraag of de voorgenomen wervingscampagne voldoende bijdraagt aan het beleidsdoel en of de investering zich daarmee laat rechtvaardigen. Om die reden kies ik voor een ander middel dan een overheidscampagne. Ik verwacht daarmee recht te doen aan de geest van de motie én aan de uitvoeringspraktijk in het veld.
Wat betekent een aangenomen motie voor u? Is dat enkel een suggestie die u alleen uitvoert als u het er toevallig mee eens bent? Of bent u ook bereid om voorstellen uit te voeren waar u zelf niet achter staat, als de Kamer u daartoe oproept?
Een aangenomen motie beschouw ik als een opdracht aan het kabinet, die ik serieus neem. Tegelijkertijd vraagt elke motie om nadere interpretatie in de context van de uitvoerbaarheid, juridische kaders en betrokkenheid van partijen. Dat betekent dat de precieze vorm van uitvoering soms wordt ingevuld in overleg met het veld, zodat maatregelen niet alleen wenselijk maar ook werkbaar zijn. Dat is hier ook het geval.
Bent u bereid om alsnog een wervingscampagne op te zetten voor de zorg?
Ik ben bereid en reeds doende om, in samenwerking met sociale partners en AZWA-partijen, toe te werken naar een landelijke inzet die gericht is op het versterken van de zichtbaarheid van zorg en welzijn als aantrekkelijke loopbaankeuze. Kern van deze inzet is de ontwikkeling van een breed loopbaanplatform, dat mensen ondersteunt bij het oriënteren op, instromen in en doorgroeien binnen zorg en welzijn. Daarmee draagt het niet alleen bij aan instroom, maar ook aan behoud en herintrede, precies de plekken waar de personeelsopgave het meest knelt. Dit landelijke loopbaanplatform betreft bovendien een unieke samenwerking waarin alle branches binnen de sector zijn aangesloten; van zorg tot welzijn. Op die manier ontstaat voor het eerst een gezamenlijke basis met betrouwbare informatie voor iedereen die (weer) in de sector wil werken.
Een landelijke wervingscampagne op de schaal van Defensie is op dit moment niet haalbaar, gezien de voorbereidingstijd, uitvoeringscomplexiteit en financiële impact die kan oplopen tot tientallen miljoenen euro’s per jaar. De gekozen route is beter uitvoerbaar binnen de beschikbare middelen, beter passend bij de structuur van de sector, en naar verwachting effectiever doordat zij gedragen wordt door het veld. De voortgang van deze inzet zal actief worden gemonitord, zodat indien nodig kan worden bijgestuurd.
Ik zal uw Kamer vanzelfsprekend op de hoogte houden van de vorderingen van het nieuwe loopbaanplatform. Ik ben ervan overtuigd dat deze aanpak, hoewel anders van vorm dan in de motie verzocht, recht doet aan de kern: méér mensen enthousiasmeren en behouden voor het werk in zorg en welzijn.
Bent u bekend met het bericht ««Ik was net een spaghettisliert»: verslaafde inbreker ontdekt in de gevangenis crystal meth, crack en viagra»?1
Wat is uw reactie op de constatering dat drugs in de gevangenis zelfs meer verkrijgbaar zou zijn dan buiten de gevangenis?
Hoe is het volgens u mogelijk dat op grote schaal drugs in gevangenissen terecht komen, ondanks strenge controles?
Deelt u de mening dat het problematisch is dat zelfs in gevangenissen drugsgebruik veelvuldig voorkomt en deelt u ook de mening dat hiervoor een passende straf zou moeten gelden?
Wat zijn de consequenties als een gedetineerde wordt betrapt op het binnensmokkelen of gebruiken van drugs?
Worden volgens u voldoende maatregelen genomen om verslavingszorg aan te bieden aan gedetineerden die dat nodig hebben en in hoeverre is hierover voldoende kennis aanwezig bij het gevangenispersoneel?
In hoeverre wordt (jaarlijks) onderzoek gedaan naar drugsgebruik en drugsinvoer in Nederlandse gevangenissen?
Hoe staat het met het experiment van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) om met nieuwe technologie synthetische drugs te kunnen opsporen?
Hoeveel beschikkingen in het gevangeniswezen zijn in 2024 en 2025 opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs in de gevangenis?
Zijn er signalen bekend dat er nog steeds veel nieuwe psychoactieve stoffen in gevangenissen in Nederland worden gebruikt, zoals Spice en andere preparaten waarin synthetische cannabinoïden zijn verwerkt? Heeft u daar een beeld van? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te doen?
Kan de aanpak van gevangenissen in andere landen leerzaam zijn voor Nederland als het gaat om het aanpakken van drugsgebruik? Zo ja, welke specifieke ervaringen of ontwikkelingen zijn dat?
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voor het commissiedebat over drugsbeleid en het commissiedebat over gevangeniswezen, beiden gepland op 26 februari 2026?
Het bericht 'Steeds meer jongeren verslaafd aan online gokken: “In mbo-klassen steken bijna alle jongens hun hand op' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Steeds meer jongeren verslaafd aan online gokken: «In mbo-klassen steken bijna alle jongens hun hand op»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de trend dat steeds meer jongeren, waaronder minderjarigen, verslaafd zijn aan online gokken in het licht van de legalisering van online gokken in 2021?
Er zijn geen precieze cijfers over het aantal jongeren dat verslaafd is geraakt aan online gokken sinds 2021. In 2024 was 18% van het aantal mensen dat in behandeling is voor gokverslaving jonger dan 25 jaar.2 Dat vind ik zorgelijk. Jongeren, in het bijzonder minderjarigen, behoren tot een kwetsbare groep die extra gevoelig is voor de verleidingen van gokken. Daarom is mijn beleidsinzet er in het bijzonder op gericht om jongeren beter te beschermen tegen de risico’s van gokken.
Bent u het ermee eens dat legalisatie van online gokken eraan heeft bijgedragen dat gokken onder (minderjarige) jongeren genormaliseerd is en er sprake is van een aanzuigende werking? Zo nee, waarom niet?
Het is niet uitgesloten dat de legalisering, naast andere factoren zoals toegankelijkheid van online diensten, heeft bijgedragen aan de normalisering van online gokken. Het is bekend dat er in de afgelopen jaren meer jongeren, waaronder minderjarigen, online zijn gaan gokken.3 Om dit tegen te gaan zetten de Kansspelautoriteit (Ksa) en ik in op voorlichting over de risico’s van online gokken en het tegengaan van normalisering van deelname aan risicovolle kansspelen.
Op welke manier kan volgens u een cultuurverandering ingezet worden voor jonge jongens om het inzetten van geld op voetbalwedstrijden te denormaliseren?
Denormalisatie is een complex proces waarbij onder andere de sociale omgeving een belangrijke rol speelt.4 Bewustwordingsactiviteiten kunnen eraan bijdragen om jongeren en hun omgeving bewust te maken van de risico’s van sportweddenschappen en hen te laten nadenken of deelname aan deze kansspelen verstandig is. Met dit doel heeft de Ksa bijvoorbeeld al een campagne opgezet vanuit het Verslavingspreventiefonds rondom de sportzomer in 2024. In 2026 zet de Ksa via het Verslavingspreventiefonds opnieuw in op bewustwordingscampagnes. Ook worden bestaande campagnes, bijvoorbeeld de campagne om aandacht te vragen voor de Gokstop, verder uitgebreid. Daarnaast heeft de Ksa in september 2025 het consumentenplatform OpenOverGokken gelanceerd, een platform waar verschillende doelgroepen terechtkunnen voor informatie over gokken én voor informatie over hulp bij problemen door gokken. Begin van dit jaar is de publiekscampagne van OperOverGokken begonnen. Deze activiteiten maken ook onderdeel uit van de meerjarenagenda bescherming tegen gokschade die op dit moment in ontwikkeling is. Preventie ten aanzien van minderjarigen en jongvolwassenen vind ik daarbij van bijzonder groot belang. Voetbalclub Roda JC heeft, in samenwerking met de Ksa, het initiatief genomen voor de campagne «Wat kost je winst»?. De club vraagt daarmee aandacht voor het feit dat jongeren het steeds normaler vinden deel te nemen aan sportweddenschappen en de gevolgen daarvan. Eenmalig speelden de spelers met «min-rugnummers».5 Ik juich dit initiatief van harte toe.
Bent u het ermee eens dat de KNVB ook een verantwoordelijkheid heeft om de zorgelijke cijfers van voetbalgerelateerde gokverslavingen onder jonge jongens te mitigeren? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de KNVB geen formele verantwoordelijkheid heeft in het voorkomen en tegengaan van gokverslaving onder jonge jongens kan zij hier als maatschappelijke organisatie wel een rol in spelen, bijvoorbeeld in de keuze om al dan niet een overeenkomst aan te gaan met een kansspelaanbieder. In dat kader merk ik op dat sportsponsoring door loterijen toegestaan is. Tegelijkertijd betekent het feit dat iets volgens de wet mag, niet dat die wettelijke ruimte moet
worden benut. Zoals mijn voorganger heeft aangegeven in antwoorden op eerdere Kamervragen zie ik geen aanleiding om hier een gesprek met de KNVB over te voeren.6
Bent u het ermee eens dat de keuzes van de KNVB om het gokbedrijf «Eurojackpot» uit te kiezen als nieuwe hoofdsponsor en de naamgeving van het KNVB bekertoernooi als «Eurojackpot-KNVB beker» uiterst ongelukkig zijn? Bent u bereid daarover het gesprek met de KNVB aan te gaan?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat een totaalverbod op online gokreclames kan helpen in het denormaliseren van online gokken, vooral voor jongvolwassenen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven is normalisatie van online gokken een complex proces waarbij de sociale omgeving een belangrijke factor is. Reclame speelt ook een rol. Als het gaat om reclame in de online omgeving moet daarnaast in aanmerking worden genomen dat deze op dit moment voor een groot deel bestaat uit reclame voor illegaal aanbod. Dan gaat het om reclame via social media zoals Facebook of TikTok onder andere door influencers. Het bestrijden van dat soort ongewenste reclames wordt niet geraakt door de maatregelen in het reguleren van de reclame voor het legale aanbod. Hiervoor is meer inzet op handhaving van illegaal aanbod nodig. Bij de afweging hoe verstrekkend een reclameverbod voor vergunde online kansspelen moet zijn moet hiermee rekening worden gehouden.
Hoe wordt op dit moment opgetreden tegen influencers die reclame maken voor online goksites?
De inzet van rolmodellen, zoals influencers, bij reclame voor vergunde online kansspelen is verboden. De Ksa heeft in dat kader recentelijk een aanbieder aangesproken.7 Reclame door influencers voor illegaal aanbod is uiteraard ook verboden. De Ksa houdt toezicht en treedt op tegen overtredingen. De Ksa heeft eerder influencers die reclame maakten voor een illegale kansspelaanbieder een last onder dwangsom opgelegd.8 In de toezichtagenda 2026 geeft de Ksa aan dat zij zich komend jaar extra richt op toezicht op reclame en dat zij extra capaciteit inzet op het frustreren van illegale infrastructuur, in samenwerking met onder andere sociale mediabedrijven.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Kansspelautoriteit om hardere sancties in te voeren voor aanbieders die leeftijdsverificatie omzeilen of niet kunnen garanderen, zoals het direct offline halen van de site en het intrekken van de vergunning?
De Ksa treedt op in het geval dat een vergunde kansspelaanbieder niet voldoet aan de strenge eisen voor leeftijdsverificatie. In gevallen dat de leeftijdsverificatie omzeild wordt bij legale aanbieders gebeurt dit echter vaak via accounts van volwassen kennissen, familie en vrienden. Bij het illegale aanbod kan de leeftijdsverificatie volledig ontbreken of niet voldoende worden gedaan. Daarom vind ik het belangrijk om juist ook in te zetten de aanpak van illegaal aanbod en op denormalisatie van online gokken bij minderjarigen, zodat zij überhaupt niet online willen gaan gokken.
Hoeveel mensen kampen naar schatting op dit moment met een online gokverslaving sinds 2021?
Cijfers over het aantal mensen dat kampt met specifiek een online gokverslaving zijn er niet. Het aantal mensen in behandeling voor gokverslaving is opgenomen in de Kerncijfers verslavingszorg 2015–2024.9 Na een daling tussen 2018 en 2022 neemt sinds 2023 het aandeel en het aantal personen in de verslavingszorg met als primaire problematiek gokken toe. In 2024 waren 2700 personen in behandeling voor gokproblematiek. Dat deze cijfers zijn gestegen kan verschillende oorzaken hebben. Het is bekend dat het aantal spelers sinds 2021 is toegenomen. Sinds 2021 is er ook meer aandacht voor gokproblematiek en hulp en ondersteuning daarbij.
Wat is volgens u de reden dat sinds 2021 de verslavingscijfers van online gokken zijn gestegen?
Zie antwoord vraag 10.
Op welke manier kunt u ervoor zorgen dat jongeren met problematisch online gokgedrag zich sneller melden bij hulporganisaties?
De inzet op bescherming tegen de risico’s van gokken is een speerpunt van mijn beleid. In mijn antwoord op vraag 4 ben ik in gegaan op de inzet om jongeren bewuster te maken van de risico’s van gokken en de beschikbare hulp en ondersteuning.
Bent u bereid om meer preventieve maatregelen te nemen om jongeren de gevaren van online gokken te laten inzien en ervoor te zorgen dat online gokken niet wordt genormaliseerd onder jongeren? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u van mening dat het versterken van preventieprogramma’s voor online gokken op scholen hierin effectief kan zijn?
Ik vind dat preventieprogramma’s voor online gokken op scholen effectief kunnen zijn. Tegelijkertijd is wel van belang dat dit met zorgvuldigheid wordt vormgegeven om jongeren niet op ideeën te brengen of af te schrikken om hulp te zoeken. Daarom moet naast de jongere zelf ook de omgeving van de jongere worden betrokken bij preventieprogramma’s. Via het Verslavingspreventiefonds dat de Ksa beheert wordt reeds het programma Helder op school uitgebreid met het thema gokken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de begroting van Justitie en Veiligheid?
Ik heb deze vragen zo snel als mogelijk beantwoord. Dat is helaas niet gelukt voor de behandeling van de begroting van Justitie en Veiligheid.
(duurzaamheids) eisen aan de woningbouw. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van ABN AMRO genaamd «Housing market monitor – Energy transition» uit augustus 2025 waarin onder andere wordt gesteld dat de Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG)-eisen leiden tot hogere bouwkosten en daarmee tot hogere huizenprijzen?1
Kan u aangeven in hoeverre dit soort duurzaamheidseisen de bouwkosten per woning verhogen?
In hoeverre is er bij de invoering van BENG en aanverwante eisen rekening gehouden met de effecten op de bouwkosten en huizenprijzen?
Deelt u de mening dat hogere bouwkosten als gevolg van duurzaamheidseisen vooral terechtkomen bij kopers en huurders?
Indien uw antwoord op vraag 4 erkennend luidt, acht u dit dan wenselijk in de huidige woningmarkt?
Kan u aangeven hoeveel projecten sinds 2021 alleen nog rendabel zijn door subsidies of aanvullende overheidsbijdragen, juist vanwege aangescherpte duurzaamheidseisen?
Acht u het wenselijk dat woningbouw steeds afhankelijker wordt van subsidies om aan wettelijke eisen te kunnen voldoen?
Kan u aangeven in hoeverre strengere duurzaamheidsregels hebben geleid tot vertraging/uitstel of afstel van woningbouwprojecten?
Kan u inzicht geven in de extra doorlooptijd van vergunningstrajecten als gevolg van aanvullende duurzaamheidsberekeningen en rapportageverplichtingen?
Kan u aangeven in hoeverre de duurzaamheidseisen bijdragen aan het verschuiven van woningbouw naar hogere prijssegmenten, ten koste van betaalbare woningen?
Hoe verhoudt de verplichting tot bijna energieneutrale en straks emissievrije nieuwbouw zich volgens u tot de urgente woningnood, en acht u het wenselijk dat klimaatdoelstellingen voor nieuwbouw zwaarder wegen dan het realiseren van voldoende en betaalbare woningen?
Kan u concreet aangeven hoeveel extra woningen er jaarlijks sinds 2021 gebouwd hadden kunnen worden als deze eisen er niet of minder streng waren?
Bent u het eens dat vooral kleinere ontwikkelaars onevenredig hard worden geraakt door dit soort duurzaamheidseisen?
Bent u bereid zich te verzetten tegen bestaande en nieuwe EU-wetgeving die het invoeren van duurzaamheidseisen verplicht stelt?
Indien het antwoord op vraag 14 erkennend luidt, op welke wijze wilt u zich dan verzetten?
Bent u bereid om dit soort duurzaamheidseisen af te schaffen of (tijdelijk) te versoepelen om de woningbouw te versnellen?
Kan u toezeggen dat bij toekomstige aanscherpingen van duurzaamheidseisen expliciet wordt getoetst op de effecten voor bouwkosten en huizenprijzen?
Het bericht 'Minder asielaanvragen door IND ingewilligd, vooral door verbeterde situatie in Syrië' |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Minder asielaanvragen door IND ingewilligd, vooral door verbeterde situatie in Syrië»?1
Ja.
Zijn er los van de verbeterde situatie in Syrië meer redenen dat het inwilligingspercentage van eerste asielaanvragen gedaald is tot rond het Europese gemiddelde?
Het inwilligingspercentage laat zich niet makkelijk verklaren. De gemiddelde uitkomst van asielaanvragen wordt gevormd door een samenhang van allerlei relevante variabelen, zoals de samenstelling van de instroom en de actuele situatie in landen van herkomst. Ook beleidswijzigingen zijn van invloed.
In 2024 is een nieuw beoordelingskader geïntroduceerd. In dit beoordelingskader is de geloofwaardigheidsbeoordeling meer in lijn gebracht met de Europese richtlijn en is er voor de beoordeling van de vrees een meer individuele beoordeling geïntroduceerd.
Sinds juni 2025 wordt beleidsmatig voor Syrië niet langer in het algemeen uitgegaan van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer, zoals voorheen. Verder is het landenbeleid Jemen in 2024 wezenlijk veranderd. Eerder gold een generiek beschermingsbeleid voor personen uit Jemen, dat is inmiddels niet meer zo. Het betreft nu een meer individuele beoordeling. Dat het inwilligingspercentage daardoor is gezakt, is een gevolg van deze veranderde veiligheidssituatie in dat land. In 2023 en 2024 zijn nog een groot aantal Syrische en Jemenitische zaken afgedaan onder het oude beleid, in het project Bespoediging Afdoening Asiel (BAA). Dit project liep halverwege 2024 af. Vanwege het grote aantal en hoge inwilligingspercentage van deze zaken heeft dat invloed op de ontwikkelingen in de inwilligingscijfers.
Tot slot hebben er ook andere wijzigingen in het landenbeleid plaatsgevonden, bijvoorbeeld ten aanzien van Irak. Ook dit kan van invloed zijn op de inwilligingspercentages, omdat het relatief grote groepen betreft.
In hoeverre heeft de daling van het aantal ingewilligde asielaanvragen geleid tot kortere doorlooptijden bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Er is in het algemeen geen sprake van kortere doorlooptijden. De oplopende doorlooptijden worden veroorzaakt doordat er de afgelopen jaren meer asielaanvragen zijn binnengekomen dan waar de IND op is ingericht.
Het afwijzen van een aanvraag kost in beginsel ook meer tijd dan het inwilligen ervan. Dat komt doordat er op dit moment bij een afwijzing eerst een voornemen geschreven moet worden waarin kenbaar gemotiveerd moet worden waarom de IND voornemens is de aanvraag af te wijzen. De advocaat kan hier middels een zienswijze op reageren, waarna de IND een definitief besluit neemt waarbij de IND ook inhoudelijk in gaat op de zienswijze. In het geval van een inwilliging is een voornemen niet nodig en hoeft de beslissing in het besluit slechts kort gemotiveerd te worden. Daarom kost een afwijzing in de regel meer tijd dan een inwilliging.
Wat was in 2025 het inwilligingspercentage als Syrische asielzoekers niet worden meegerekend en hoe staat dit in verhouding tot het Europese gemiddelde?
Gemiddeld EU-27 landen
37%
37%
Nederland
48%
48%
Bron: Eurostat, geraadpleegd op 3-2-2026. De gegevens van kwartaal 4 2025 zijn nog niet volledig beschikbaar.
Gemiddeld EU-27 landen
51%
42%
Nederland
75%
55%
Bron: Eurostat, geraadpleegd op 3-2-2026.
Omdat een vergelijk wordt gevraagd naar het Europees gemiddelde is gebruik gemaakt van de gegevens in Eurostat over beslissingen in eerste aanleg, ook voor Nederland. De definities over beslissingen in eerste aanleg in Eurostat verschillen van de gebruikelijke nationale definities. De tabellen in Eurostat zien op het totaal aantal afdoeningen van eerste asielaanvragen, herhaalde asielaanvragen en herplaatsing (relocatie). Daarnaast zijn Dublinafdoeningen niet in de Eurostat-cijfers opgenomen.
Volgens de gebruikelijke Nederlandse definities wordt het inwilligingspercentage berekend als het aantal ingewilligde eerste asielaanvragen t.o.v. het totaal aantal beslissingen op eerste asielaanvragen.
De inwilligingspercentages, berekend op basis van Eurostat, vallen daardoor hoger uit dan wanneer wordt gekeken naar rapportages volgens de gebruikelijke Nederlandse definities.
Wat is het effect van de verbeterde situatie in Syrië op het aantal Syrische asielzoekers in de locaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)?
Het aantal Syrische asielzoekers dat verblijft in de opvanglocaties van het COA is de afgelopen jaren stabiel gebleven. Het aantal Syriërs in de opvang wordt niet alleen bepaald door de actuele situatie in het land van herkomst en het bijbehorende toelatingsbeleid, maar ook door factoren zoals eerdere instroom, de duur van asielprocedures, en de beperkte uitstroom naar huisvesting. Eventuele veranderingen in de veiligheidssituatie in Syrië vertalen zich daarom niet onmiddellijk in lagere aantallen asielzoekers in de opvang. Het kabinet blijft de ontwikkelingen in Syrië nauwlettend volgen en betrekt deze bij het landenbeleid.
Verwacht u dat een daling van het aantal ingewilligde asielaanvragen zal leiden tot verlichting van de druk op het COA?
Een daling van het aantal ingewilligde asielaanvragen kan, zeker gecombineerd met effectief terugkeerbeleid, verlichting bieden op de opvangdruk. Vanwege de vele factoren die invloed hebben is echter niet te zeggen dat of wanneer dit zich vertaalt naar een verminderde vraag voor opvangplekken. Het kabinet investeert op alle mogelijke manieren in een veilig, stabiel Syrië waar terugkeer van Syriërs mogelijk is inclusief beleid voor terugkeerondersteuning.
Kunt u een overzicht geven van de doorlooptijden bij de IND van de verschillende stromen zoals deze zich in de periode 2021–2025 hebben ontwikkeld?
De gemiddelde doorlooptijd van een eerste aanvraag in spoor 1 bedroeg in 2021 97 dagen, in 2022 182 dagen, in 2023 160 dagen, in 2024 126 dagen en in 2025 92 dagen.
De gemiddelde doorlooptijd van een eerste aanvraag in spoor 2 bedroeg in 2021 50 dagen, in 2022 70 dagen, in 2023 83 dagen, in 2024 95 dagen en in 2025 117 dagen.
De gemiddelde doorlooptijd van een eerste aanvraag in spoor 4bedroeg in 2021 335 dagen, in 2022 222 dagen, in 2023 349 dagen, in 2024 429 dagen en in 2025 582 dagen.
De gemiddelde doorlooptijd is niet hetzelfde als de tijd die daadwerkelijk nodig is om tot een beslissing te komen, omdat daaronder vooral de tijd wordt begrepen dat een aanvraag moet wachten op behandeling. De doorlooptijden zijn dan ook slechts in beperkte mate relevant voor beantwoording van de vraag naar de verhouding tussen behandelduur en uitkomst van de aanvraag.
Kunt u de meest recente cijfers geven over het jaar 2025 op het gebied van de instroom van asielzoekers in Nederland?
Eerste asielaanvragen per jaar
2015
43.090
2016
18.170
2017
14.720
2018
20.350
2019
22.530
2020
13.670
2021
24.690
2022
35.540
2023
38.380
2024
32.180
Kunt u de cijfers van 2025 afzetten tegen de cijfers van de instroom van asielzoekers van de afgelopen 10 jaren?
Zie antwoord vraag 8.
Heeft u een overzicht van dezelfde instroomcijfers van de landen om ons heen, zoals Frankrijk, België, Duitsland en Denemarken?
In de tabel staan de eerste asielaanvragen van België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk en Nederland.
2015
39.065
20.855
441.900
70.570
43.035
2016
14.290
6.070
722.365
76.790
19.285
2017
14.055
3.140
198.310
91.965
16.090
2018
18.160
3.495
161.930
126.580
20.465
2019
23.140
2.645
142.510
138.290
22.540
2020
12.930
1.435
102.580
81.735
13.720
2021
19.605
2.015
148.235
103.810
24.755
2022
32.140
4.505
217.775
137.605
35.530
2023
29.305
2.380
329.120
145.160
38.370
2024
32.710
2.210
229.750
129.910
32.000
Welke maatregelen zijn er genomen of gaat u nog nemen om de doorlooptijden bij de IND de komende tijd te verbeteren?
De nieuwe asielprocedure volgend uit het Asiel- en Migratiepact treedt op 12 juni 2026 in werking. Dit is gericht op een goede doorstroom van nieuwe aanvragen en biedt kansen voor een efficiëntere inrichting van de procedure. Dit kan de IND helpen om de doorlooptijden van nieuwe asielaanvragen te verbeteren. De procedure wordt vereenvoudigd en zorgt voor meer flexibiliteit in de procedure. Daardoor verwacht de IND op basis van de huidige inzichten de nieuwe termijnen te kunnen naleven en de instroom te kunnen bijhouden.
Kunt u aangeven hoeveel COA-locaties op dit moment volledig bezet zijn en hoeveel noodopvanglocaties nog in gebruik zijn, uitgesplitst naar reguliere opvang en crisisnoodopvang?
Op 1 januari 2026 waren 362 opvanglocaties operationeel. Uitgesplitst zijn dit 111 reguliere locaties, 215 noodopvanglocaties en 43 Tijdelijke Gemeentelijke Opvanglocaties (TGO’s). COA kampt al tijden met hoge druk op de asielopvang. De bezettingsgraad ligt rond de 101%. Dat betekent dat veel opvanglocaties (over)vol zitten en er beperkte bewegingsvrijheid is. Ook de doorstroom vanuit Ter Apel wordt hierdoor bemoeilijkt. Het COA en het kabinet zetten zich er dagelijks voor in om de bezettingsdruk te doen afnemen en de bestaande capaciteit maximaal uit te blijven nutten.
Is de bezetting van bewoners in COA-locaties in 2025 toegenomen? Hoeveel van deze bewoners zijn statushouders die wachten op een doorstroomwoning?
De bezetting is toegenomen. Op 1 januari 2025 was de bezetting ca 72.500 bewoners op COA-locaties en op 1 januari 2026 ca 79.830. Dit is een toename van ca 7.320 bewoners. Het aantal statushouders in de COA-opvang was op peildatum 1 januari 2026 ca 18.420 (waarvan ca 12.310 bewoners al langer dan 14 weken in de opvang zitten).
Wat is nu al het effect van de genomen maatregel om nareizigers niet langer in COA-locaties onder te brengen?
Het aantal nareizigers dat in de opvang verblijft blijft erg hoog. Op 23 september jl.2 is een tijdelijke actie aangekondigd om nareizigers van wie de referent reeds gehuisvest was direct bij de referent onder te brengen. In de praktijk was dit mogelijk bij kleinere gezinnen. Grote gezinnen konden alleen in overleg met betreffende gemeente worden uitgeplaatst. Door toepassing van deze maatregel zijn er circa 500 nareizigers versneld uitgestroomd. Het effect van deze maatregel is nog niet zichtbaar in de bezettingscijfers omdat er eerst enige aanlooptijd noodzakelijk is voordat nareizigers daadwerkelijk uitgeplaatst konden worden.
Daarnaast is de Regeling stimuleren uitstroom vergunninghouders uit de asielopvang 2026 (HAR+) op 27 januari jl. gepubliceerd.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van de begroting van Asiel en Migratie?
Dit is helaas niet gelukt.
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse Kustwacht door personeelstekorten beperkt handelingsperspectief heeft bij het signaleren en tegengaan van spionage- en sabotageactiviteiten op de Noordzee, mede in het licht van toenemende (digitale) dreigingen?1
Ja.
Heeft u inzicht in hoe groot het huidige capaciteitstekort is bij de Nederlandse Kustwacht, uitgesplitst naar personeel, vaartuigen en middelen, en wat dit concreet betekent voor het toezicht op de Noordzee? Zo ja, kunt u dit specificeren? Zo niet, wat bent u van plan doen om dit in kaart te brengen?
In 2023 is er een disbalans vastgesteld tussen het takenpakket van de Kustwacht en haar capaciteit. Door de opdrachtgevende departementen binnen het kustwachtsamenwerkingsverband is besloten om de capaciteit bij de Kustwacht op orde te brengen (toename van 43 FTE). Met deze additionele capaciteit is de Kustwacht in staat om haar huidige taken dienstverlening, handhaving en maritime security naar behoren uit te voeren. Voor een uitbreiding van taken in het kader van maritime security zullen nieuwe middelen beschikbaar gesteld moeten worden. Daarnaast ligt er een opdracht vanuit het Kustwachtsamenwerkingsverband om de organisatie en aansturing van de Kustwacht te onderzoeken. Het onderzoek moet antwoord geven op de vraag of het huidige model van de Kustwacht toekomstbestendig is. Ook wordt onderzocht hoe de huidige taken van de Kustwacht (dienstverlening, handhaving en maritime security) zich verhouden tot toekomstige ontwikkelingen, waaronder het op te bouwen National Maritime Security Centre (NMSC) dat onder regie van het Interdepartementaal Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) wordt uitgewerkt.2
In hoeverre acht u de bescherming van vitale infrastructuur op de Noordzee, zoals onderzeese kabels, pijpleidingen en windparken, op dit moment voldoende geborgd?
Het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) is opgericht in 2023. Het programma heeft als doel om de bescherming van de Noordzee infrastructuur te versterken. In 2024 en 2025 is door het programma ca. 44 mln. geïnvesteerd in het verbeteren van de beeldopbouw op de Noordzee, in het verhogen van de weerbaarheid van zowel de fysieke als digitale weerbaarheid van de Noordzee infrastructuur, het versterken van de crisisbeheersing, en het verbeteren van de nationale en internationale samenwerking (zowel publiek als privaat). Ook zijn er onderzoeken gedaan naar de meest kritieke infrastructuurpunten op de Noordzee, waar sensoren strategisch kunnen worden geplaatst en naar de governance van maritime security op de Noordzee.
Het onderzoek van ABDTOPConsult heeft aanbevolen om een Nationaal Maritiem Security Centrum (NMSC) op te richten, waarin het bijeenbrengen en analyseren van verschillende datastromen moet samenkomen en uitvoerende organisaties sneller kunnen worden ingezet. Voor de zomer van 2025 is een kwartiermaker aangesteld om te kijken hoe het NMSC moet worden ingericht. Er zijn veel initiatieven ontplooid om de bescherming van de Noordzee infrastructuur te versterken. Om het gewenste niveau te bereiken en het Actieplan Strategie ter Bescherming Noordzee Infrastructuur volledig uit te voeren is structurele financiering nodig. Dit besluit wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet. Om deze periode te overbruggen is door het huidige kabinet geld beschikbaar gesteld.
Acht u de huidige taakverdeling en samenwerking tussen Kustwacht, Koninklijke Marine en andere betrokken diensten passend bij de huidige dreiging van spionage en sabotage op zee? Zo niet, waar zit ruimte voor verbetering?
Alle betrokken uitvoeringsorganisaties werken hard om de dreiging van sabotage en spionage op de Noordzee aan te pakken. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 is één van de aanbevelingen van ABDTOPConsult om de samenwerking ter verbeteren op de Noordzee door o.a. de oprichting van een Nationaal Maritiem Security Centrum (NMSC).
Het NMSC is nodig voor het bijeenbrengen en analyseren van alle informatie van (zowel publieke als private) partijen die actief zijn op de Noordzee. Door gestructureerde samenwerking tussen de Kustwacht, Nationale Politie, Defensie, private partijen, buurlanden, inlichtingen- en veiligheidsdiensten moet een completer en actueler beeld van de situatie op de Noordzee ontstaan. Een ander belangrijk onderdeel van het NMSC is om uitvoerende organisaties, zoals de Kustwacht, Maritieme Politie en de Marine sneller te kunnen inzetten bij incidenten. Het beschermen van vitale infrastructuur op de Noordzee in vredestijd is echter een civiele verantwoordelijkheid die Defensie middels een bijstandsverlening aan het civiele gezag ondersteunt. Andere aanbevelingen gaan over het creëren van een goede wettelijke basis onder de informatiewisseling tussen overheid en private partijen en het zorgen voor voldoende capaciteit bij met name de Kustwacht, Defensie en Politie.
Bent u bereid de Koninklijke Marine een structureel grotere rol te geven bij de bescherming van de cruciale infrastructuur in de Noordzee? Zo niet, waarom niet?
Defensie heeft sinds juli 2023 een permanente taak op de Noordzee bij de bescherming van infrastructuur op de Noordzee. Zo bouwt Defensie beeld en begrip op van dreigingsactoren en factoren op de Noordzee. Daarnaast escorteert Defensie niet-NAVO eenheden door de Nederlandse EEZ. Dit gebeurt in afstemming met bondgenoten en wanneer daar aanleiding voor is.3 Het beschermen van de vitale infrastructuur op de Noordzee in vredestijd is een civiele verantwoordelijkheid. Defensie en in het bijzonder de Koninklijke Marine kan middels bijstandsverlening het civiele gezag daarin ondersteunen. Deze bijstand wordt op verzoek van het civiele gezag geleverd die de behoefte hiertoe formuleert. De Koninklijke Marine zet de komende jaren stappen om verder te ontwikkelen en vernieuwen. Capaciteiten ter versterking van de bescherming en maritime security op de Noordzee maken hier deel van uit.
Welke rol ziet u voor innovatie en technologische middelen, zoals onderwaterdrones, sensoren, autonome vaartuigen of satellietmonitoring, bij het verkleinen van het capaciteitstekort?
Vanuit Defensie speelt innovatie voor inzet op de Noordzee een centrale rol. Hierbij wordt een ambitie nagestreefd voor het interoperabel optreden van sensoren en effectoren van space naar zeebodem. Daar valt de integratie van de boven genoemde capaciteiten ook onder. Zo is in 2023 het Seabed Security Experimentation Centre (SeaSEC) in Scheveningen geopend, waar Nederland samen met Denemarken, Duitsland, Finland, Noorwegen en Zweden experimenteel onderzoek uitvoert om onderzeese infrastructuur te beschermen.
Hoe is de samenwerking met andere Noordzeelanden en internationale partners ingericht bij het detecteren en tegengaan van spionage en sabotage, en waar ziet u mogelijkheden tot intensivering?
Veiligheid staat hoog op de agenda van verschillende internationale organisaties en wordt actief vanuit de NAVO en de EU gestimuleerd. Vanuit de NAVO is de Critical Undersea Infrastructure Coordination Cell opgericht, waarin Nederland actief participeert. Daarnaast is er een samenwerkingsverband tussen het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Nederland. Door deze landen is een Joint Declaration of Intent (JDI) getekend om samen de bescherming van de infrastructuur te verbeteren. Dit wordt onder andere gedaan door het delen van informatie over incidenten, dreigingsbeelden en best practices, regelgeving op elkaar aan te sluiten en door het ontwikkelen van een gezamenlijke crisisrespons. De komende tijd wordt ook actiever de samenwerking opgezocht met de samenwerkende landen in de Baltische Zee.
Welke concrete maatregelen op korte en middellange termijn bent u voornemens te nemen om te voorkomen dat toezicht, handhaving en beveiliging op de Noordzee structureel tekortschieten?
De Kustwacht voert in opdracht van de samenwerkende departementen haar toezicht en handhavingsfunctie uit op de Noordzee, hiervoor worden de Kustwachtschepen en het Kustwachtvliegtuig ingezet. Dit najaar wordt een nieuw 24/7 schip operationeel wat de mogelijkheid geeft om langer op zee te zijn. Dit handhavingsvaartuig gaat reguliere toezicht en handhavingstaken uitvoeren. De verkenning naar de vervanging van de huidige handhavingsvaartuigen wordt deze maand opgestart.
Complementair aan deze civiele capaciteiten investeert Defensie, als onderdeel van de Defensienota 2022, in Intelligence, Surveillance and Reconnaissance (ISR-)capaciteit op de Noordzee. Met deze waarnemingscapaciteit kan Defensie dreigingen tegen vitale infrastructuur tijdig onderkennen, lokaliseren en volgen. Daarmee draagt deze capaciteit bij aan de afschrikking van mogelijke plegers van sabotage en spionage. Daarnaast bereidt Defensie de verwerving voor van twee licht-bemande schepen die een taak krijgen op de Noordzee. Met de vaartuigen kan Defensie proactief potentiële dreigingen opsporen en verdachte situaties monitoren. Hiervoor worden de schepen uitgerust met onderwaterapparatuur en sensoren. De schepen worden tevens ingezet om onderzoek te doen bij acute dreigingen en verstoringen. Defensie kan met deze investeringen invulling geven aan de taken die Defensie heeft op de Noordzee en, indien nodig, bijstand verlenen aan de Kustwacht.
De kansen voor Nederland en Curaçao om te profiteren van de aanlanding en opslag van Venezolaanse olie |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Rijkaart , van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een tanker met Venezolaanse olie is aangemeerd op Curaçao en dat deze olie daar tijdelijk wordt opgeslagen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze ontwikkeling Curaçao opnieuw positioneert als een strategisch knooppunt voor energieopslag en -logistiek in het Caribisch gebied? Zo ja, welke kansen ziet u hierin voor het Koninkrijk der Nederlanden als geheel?
Het is op basis van de berichtgeving nog te vroeg om dat te concluderen. Het gaat immers vooralsnog om tijdelijke activiteiten. Daarnaast is de situatie in Venezuela nog hoogst onzeker. Er bestaan verschillende scenario’s voor een Venezuela post-Maduro. Deze onzekerheid heeft ook betrekking op de olie-industrie. Tegelijkertijd beschikt Curaçao door zijn geografische ligging en bestaande haven- en opslaginfrastructuur over kenmerken die het eiland mogelijk interessant maken voor energielogistiek in de regio. Economische aangelegenheden vallen echter binnen de autonome bevoegdheden van Curaçao en dus buiten het mandaat van Nederland en het Koninkrijk.
Ziet u mogelijkheden om de bestaande olie- en haveninfrastructuur op Curaçao structureel beter te benutten voor opslag, overslag en doorvoer van energieproducten, mede gezien de gunstige geografische ligging van het eiland?
Op dit moment wordt de olie- en haveninfrastructuur hiervoor al benut. Er zijn geen aanwijzingen dat Curaçao meer bedrijvigheid zal kennen als fossiele doorvoerhaven door de huidige ontwikkelingen. Structurele economische keuzes liggen bij Curaçao.
In hoeverre ziet u kansen voor Nederland en Nederlandse bedrijven – onder meer actief in havenontwikkeling, maritieme dienstverlening, energie-logistiek, opslagtechnologie en engineering – om te profiteren van de toegenomen rol van Curaçao in internationale energiestromen, waarbij recente ontwikkelingen meer ruimte hebben gecreëerd voor opslag, overslag en doorvoer, in het licht van de vergrote Amerikaanse betrokkenheid bij de Venezolaanse olie-industrie?
De huidige ontwikkelingen betreffen vooralsnog tijdelijke activiteiten in een specifieke geopolitieke context. Dit maakt het te vroeg om te spreken over structurele kansen voor Nederland of Nederlandse bedrijven. Dat Curaçao beschikt over bestaande haven- en opslagfaciliteiten en een strategische ligging kan het eiland in algemene zin relevant maken als energiehub in de regio. Of en in hoeverre hieruit concrete economische kansen ontstaan, is afhankelijk van verdere ontwikkelingen en betreft in de eerste plaats een autonome afweging van het land Curaçao en marktpartijen.
Is er vanuit het Rijk actief contact met de regering van Curaçao over het versterken van economische samenwerking op het gebied van energie-logistiek en strategische infrastructuur? Zo ja, hoe krijgt deze samenwerking concreet vorm?
De primaire verantwoordelijkheid voor economische keuzes en haven- en industriële activiteiten ligt bij het Land Curaçao. De rol van het Koninkrijk is daarbij onder meer om, waar aan de orde, de Rijksbrede belangen te bewaken (zoals internationale verplichtingen en veiligheid).
Tegelijkertijd is er de afgelopen jaren actief ingezet om samenwerking op het gebied van energielogistiek en strategische infrastructuur te versterken. Zo zijn via de SDE++ middelen beschikbaar gesteld voor het versterken en uitbreiden van de energie-infrastructuur, waaronder netverzwaring en batterijopslag, met als doel de betrouwbaarheid en flexibiliteit van het energiesysteem te vergroten. Daarnaast is de BMKB-regeling opengesteld voor Curaçao om de toegang tot financiering voor het midden- en kleinbedrijf te verbeteren en zo de bredere economische ontwikkeling te ondersteunen. Deze inzet is gericht op het creëren van voorwaarden waarbinnen Curaçao zelfstandig verdere keuzes kan maken.
Ziet u mogelijkheden om Curaçao binnen het Koninkrijk te ontwikkelen tot een structurele energie-hub, vergelijkbaar met de rol die Nederland zelf vervult binnen Noordwest-Europa?
Hoewel Curaçao historisch een rol heeft gespeeld in de regionale energie-infrastructuur, is het op basis van de huidige informatie te vroeg om te spreken over de ontwikkeling van Curaçao tot een structurele energiehub binnen het Koninkrijk. De recente activiteiten geven daarvoor onvoldoende aanknopingspunten en kennen een tijdelijk karakter. De ontwikkeling van een dergelijke rol vergt langdurige investeringen, beleidskeuzes en stabiliteit, waarvoor de verantwoordelijkheid bij het autonome land Curaçao ligt. Nederland kan binnen de bestaande verhoudingen ondersteunen waar dat passend is, maar stuurt hier niet op.
Welke kansen ziet u om deze ontwikkelingen te benutten voor economische groei, werkgelegenheid en kennisontwikkeling op Curaçao, en daarmee voor een versterking van de sociaaleconomische positie van het eiland binnen het Koninkrijk?
Gezien het vooralsnog tijdelijke karakter van de huidige activiteiten is het op dit moment moeilijk te bepalen wat de exacte mogelijkheden zijn om deze ontwikkelingen in te zetten voor economische groei, werkgelegenheid en kennisontwikkeling op Curaçao. Dit betreft in de eerste plaats ook een autonome afweging van het land Curaçao en marktpartijen.
In hoeverre wordt bij deze ontwikkelingen gekeken naar synergie met Nederlandse havens, logistieke netwerken en kennisinstellingen, zodat toegevoegde waarde zo veel mogelijk binnen het Koninkrijk blijft?
Op dit moment is er geen sprake van concrete trajecten gericht op structurele synergie met Nederlandse havens, logistieke netwerken of kennisinstellingen. Zolang onduidelijk is of de huidige activiteiten een duurzaam karakter krijgen, ligt de focus op het volgen van de ontwikkelingen. Indien zich op termijn meer bestendige economische activiteiten aandienen, kan worden bezien of en hoe samenwerking binnen het Koninkrijk toegevoegde waarde kan hebben, met respect voor de autonome bevoegdheden van Curaçao.
Bent u bereid om, samen met Curaçao, te verkennen hoe deze ontwikkelingen kunnen worden ingebed in een bredere economische en strategische visie voor het Koninkrijk der Nederlanden op het gebied van energie en logistiek?
Ik ben bereid om hierover met Curaçao in gesprek te blijven, binnen de bestaande overlegstructuren in het Koninkrijk. Daarbij geldt dat een eventuele bredere economische visie rekening moet houden met internationale en juridische kaders (waaronder sanctieregimes voor zover van toepassing), veiligheid en weerbaarheid van strategische infrastructuur; en milieu- en gezondheidsaspecten.
Kunt u aangeven welke vervolgstappen u ziet om deze kansen actief te benutten, en op welke termijn de Kamer hierover nader kan worden geïnformeerd?
De berichtgeving laat zien dat de ontwikkelingen rond Venezolaanse olie in de Cariben veranderlijk zijn en geopolitieke gevoelig liggen. Daarom blijf ik goed in contact met het land Curaçao over de actuele ontwikkelingen en mogelijke implicaties voor het Koninkrijk. Het is aan het autonome land Curaçao om eventuele economische kansen te benutten. Indien Nederland hier een actieve rol in krijgt, breng ik de Kamer hiervan op de hoogte stellen.
Financiële en personele tekorten voor bescherming tegen spionage en sabotage in de Noordzee |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving waarin wordt gesteld dat financiële en personele tekorten bij de Nederlandse Kustwacht leiden tot verhoogde risico’s op sabotage en spionage? Hoe reflecteert u op deze verontrustende berichten?1
Ik ben bekend met de recente berichtgeving. De dreiging op de Noordzee is actueel, complex en vindt doelbewust plaats in het grijze gebied tussen oorlog en vrede. Nationale en internationale wetgeving dragen eraan bij, de aanpak complex is. In 2023 is door de opdrachtgevende departementen binnen het kustwachtsamenwerkingsverband besloten om de capaciteit bij de Kustwacht te vergroten met 43 FTE, waardoor de Kustwacht met deze additionele capaciteit in staat is om haar huidige taken dienstverlening, handhaving en maritime security naar behoren uit te voeren.
Klopt het dat het tekort aan geld en personeel bij de Kustwacht zo nijpend is dat de dienst tot zeker 2027 niet kan worden ingezet om internet- en elektriciteitskabels, pijpleidingen en andere infrastructuur op de Noordzee te beschermen tegen sabotage en spionage?
In 2018 heeft de Raad voor de Kustwacht besloten dat maritime security een aparte hoofdtaak voor de Kustwacht vormt. Deze nieuwe hoofdtaak bevat deeltaken zoals bijvoorbeeld crisiscommunicatie en informatievoorziening, security berichtgeving en pre-arrival analyses. Daarnaast is de Kustwacht sinds juli 2025 het meldpunt voor maritime security; mensen kunnen verdachte situaties melden bij de Kustwacht. Hierdoor kan de Kustwacht eerder adequaat reageren op mogelijke dreigingen. De meldkamer is 24/7 bezet voor het verwerken en uitlopen van deze meldingen. Voor een uitbreiding van taken in het kader van Maritime Security zullen aanvullende structurele middelen beschikbaar gesteld moeten worden. Het is aan een volgend kabinet om daar een besluit over te nemen.
Kunt u aangeven of er een causale relatie bestaat tussen het capaciteitstekort bij de Kustwacht en concrete incidenten, zoals het Russische spionageschip Eagle S dat twee uur lang ongestoord boven onderzeese kabels bij Terschelling kon varen op 24 november 2023?
De Kustwacht monitort de scheepvaart en verzamelt informatie om te weten wat er op de Noordzee gebeurt om de taken te kunnen uitvoeren. Over de inlichtingenpositie, werkwijze en activiteiten worden in het openbaar geen uitspraken gedaan, om te voorkomen dat tegenstanders en kwaadwillende inzage wordt gegeven in de modus operandi van de Kustwacht of de Koninklijke Marine.
Welke acties onderneemt het kabinet om heel snel een einde te maken aan het gesteggel over geld tussen de departementen die betrokken zijn bij het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI)?
Onder coördinatie van IenW is in 2023 het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee infrastructuur (PBNI) in het leven geroepen. Op dat moment is PBNI met IenW, DEF, JenV, EZ, KGG en BZ aan de slag gegaan met het maken van een Actieplan, analyses van dreigingen en het in kaart brengen van de meest kritieke infrastructuur in en op de Noordzee. PBNI heeft de afgelopen jaren diverse resultaten geboekt. Zo is er onder andere geïnvesteerd in versterkte beeldopbouw met onder meer een extra patrouilleschip, een verbetering van de communicatie op zee voor de Kustwacht, extra satellietcapaciteit, versterking van de publiek-private en de internationale samenwerking en is er een proeftuin gestart voor datafusie.
In deze proeftuin komt data van verschillende organisaties bij elkaar en wordt deze vervolgens gezamenlijk geanalyseerd om zo een betere beeldopbouw (Maritime Situational Awareness en Maritime Situational Understandig) te krijgen op en in de Noordzee. Daarnaast wordt nu intensief gewerkt aan meer handelingsopties om bijvoorbeeld de schaduwvloot aan te pakken. Ook wordt onderzocht hoe een mogelijk NMSC kan worden ingericht en welke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen betrokken departementen (Defensie, JenV en IenW) het meest effectief is. Met deze informatie kan een nieuw kabinet een besluit nemen over het vervolg van PBNI vanaf 2026 en verder, inclusief bijbehorende financiering.
Ziet het kabinet mogelijkheden om een deel van de financiële tekorten via Europese middelen te dekken, gelet op het feit dat Nederland een belangrijke Europese toegangspoort vormt voor trans-Atlantische datakabels?
Momenteel wordt door PBNI onderzocht welke financiële mogelijkheden vanuit de Europese Unie mogelijk zijn, bijvoorbeeld via het EU Action Plan on Cable Security. Echter, dit is geen structurele oplossing voor de financiële middelen die de uitvoering van het Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee infrastructuur nodig heeft. De Europese middelen kunnen als aanvulling worden gebruikt voor specifieke projecten, zoals de integratie van data of het gebruik van AI bij de analyse van scheepvaartbewegingen.
Ziet het kabinet daarnaast een rol voor de NAVO bij het versterken van de bescherming van onderzeese datakabels en andere kritieke maritieme infrastructuur?
Het kabinet heeft een goede en intensieve samenwerking met de NAVO voor de versterking van de bescherming van kritieke maritieme infrastructuur. Zo is op het NAVO-hoofdkwartier in Brussel een coördinatiecel ingericht om NAVO-initiatieven op dit gebied te versnellen en is een Critical Undersea Infrastructure Network opgericht om samenwerking en afstemming tussen bondgenoten, NAVO-partners en private partijen te bevorderen. Tevens is er een NATO Maritime Centre for the Security of Critical Undersea Infrastructure (NMCSCUI) bij het NATO Allied Maritime Command ingericht, dat in mei 2024 initial operational capable is verklaard. Wanneer het NMCSCUI gereed is, moet het in staat zijn om te voorzien in situationeel bewustzijn over het maritieme dreigingslandschap met betrekking tot kritieke maritieme infrastructuur. Tot slot patrouilleren beide noordelijke vlootverbanden van de NAVO geregeld in de Noordzee en Oostzee.
Het bericht dat een Nederlandse opiniemaker de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd vanwege haar mening |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse opiniemaker Eva Vlaardingerbroek de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd omdat «haar aanwezigheid niet bevorderlijk wordt geacht voor het algemeen belang» – een paar dagen nadat ze een kritische tweet over de Britse premier Starmer plaatste?1
Ja, het kabinet is bekend met dit bericht.
Bent u het eens dat de vrijheid van meningsuiting een zeer groot goed is, en dat we ook van onze buurlanden en bondgenoten – zoals het Verenigd Koninkrijk – verwachten dat ze deze verworvenheid uitdragen en beschermen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, erkent u dat het een flagrante schending van de vrijheid van meningsuiting is om een persoon de toegang tot het land te ontzeggen vanwege een geuite mening – al dan niet over de premier van het betreffende land?
Het kabinet beschouwt de vrijheid van meningsuiting als een fundamenteel mensenrecht en een kernwaarde van de democratische rechtsstaat. Het is een prioriteit in ons mensenrechtenbeleid.
Op basis van de berichtgeving kan niet worden vastgesteld dat het uiten van een mening aan de vermeende annulering van de ETA ten grondslag ligt. Daarnaast staat het annuleren van een ETA niet gelijk aan het ontzeggen van de toegang tot het VK.
Vindt u het feit dat de geweigerde persoon, in dit geval Vlaardingerbroek, geen bezwaar kan aantekenen tegen het genomen besluit verenigbaar met de principes van een rechtsstaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
De procedures met betrekking tot grenscontrole en toelating verschillen per land. Het is niet aan het kabinet om te oordelen over of zich te mengen in de inrichting van rechtsmiddelen binnen de nationale wetgeving van het Verenigd Koninkrijk.
Heeft u de Britse regering en/of ambassadeur al om uitleg gevraagd over waarom Vlaardingerbroek de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd? Zo ja, wat was daarop de reactie?
Nee.
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom heeft u dit nog niet gedaan en bent u bereid om de Britse regering en/of ambassadeur hierover alsnog ter verantwoording te roepen?
De Nederlandse overheid is geen partij in deze kwestie en treedt niet in contact met het Verenigd Koninkrijk over individuele gevallen.
Verwacht u dat deze inreisbeperking consequenties heeft voor andere Nederlanders die zich op sociale media kritisch of niet positief hebben uitgelaten over de regering van het Verenigd Koninkrijk? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Tot op heden heeft het kabinet geen informatie of signalen ontvangen dat er inreisbeperkingen worden opgelegd op basis van sociale media berichten.
Bent u bekend met recente berichtgeving dat de Britse politie vele duizenden mensen per jaar – zo’n dertig per dag – arresteert wegens het geven van hun mening in vermeende beledigende uitingen op sociale media en andere platforms?2
Het kabinet is bekend met deze berichtgeving.
Wat betekent het genoemde in vraag 7 volgens u voor (de vrijheid van meningsuiting van) Nederlanders die in het Verenigd Koninkrijk verblijven, op vakantie zijn, of daar wonen in verband met bijvoorbeeld werk?
Voor Nederlanders die in het Verenigd Koninkrijk verblijven of reizen gelden de Britse wetten en regels.
Bent u van mening dat het reisadvies naar het Verenigd Koninkrijk dient te worden aangepast, nu we zien dat de vrijheid van meningsuiting steeds verder wordt ingeperkt en mensen zelfs gevangenisstraffen moeten vrezen of zelfs daadwerkelijk opgelegd krijgen na het uiten van hun mening? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Een reisadvies wordt aangepast als er sprake is van een verandering in de veiligheidsrisico’s zoals het Ministerie van Buitenlandse Zaken die inschat voor Nederlandse reizigers in het betreffende land. Tot op heden heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken geen informatie of signalen ontvangen dat er sprake is van veranderingen in de veiligheidsrisico’s in het Verenigd Koninkrijk.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het buitenspel zetten van de rechter en het overtreden van de wet door de NVWA bij de behandeling van Woo-verzoeken |
|
Ines Kostić (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Inspectie zet rechter buitenspel en overtreedt de wet onder druk van boerenlobby» van Follow The Money?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat belangenorganisaties uit de vee-industrie grootschalig gecoördineerde acties hebben georganiseerd tegen het openbaar maken van informatie, waardoor de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) werd geconfronteerd met talloze bezwaren en verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen Wet open overheid (Woo)-besluiten?2
Ieder bestuursorgaan is zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo. Ik heb als stelselverantwoordelijke geen zicht op de uitvoering van de Woo bij individuele bestuursorganen. In dit kader is het aan mijn collega, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), om een nadere toelichting te geven op de werkwijze van de NVWA.
Kunt u bevestigen dat de NVWA naar aanleiding hiervan besloot om deze procedures niet volgens de regels af te handelen, maar overging op een nieuwe werkwijze waarbij gegevens van alle bezwaarmakers niet meer openbaar worden gemaakt zolang het bezwaar loopt, wat er in feite op neerkomt dat de rechter er niet meer te pas komt bij het beoordelen van voorlopige voorzieningen en bezwaarschriften?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie ernstig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik erken uiteraard de rol die de voorzieningenrechter hierin speelt. De primaire rol van de voorzieningenrechter is om te beoordelen of er spoedeisend belang is aan de zijde van de bezwaarmaker om openbaarmaking (in ieder geval tijdelijk) te voorkomen. Ik heb wel signalen ontvangen dat rechtbanken in toenemende mate verzoeken om een voorlopige voorziening toewijzen, ook buiten de zitting om. Hierbij wordt er niet overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling. Deze signalen neem ik mee in de wetsevaluatie van de Woo, die dit jaar wordt uitgevoerd.
Erkent u dat dit er in de praktijk toe leidt dat indieners van Woo-verzoeken een stuk later de gevraagde informatie krijgen en om verder uitstel te voorkomen zijn aangewezen op een civiele procedure, wat leidt tot aanzienlijk hogere kosten en drempels? Wat vindt u hiervan?
Ik kan op dit moment niet beoordelen of dit per definitie het geval is. Uw Kamer heeft vorig jaar de motie Van der Plas3 aangenomen. Deze motie verzoekt de regering om met een wetsvoorstel of wetswijziging te komen, zodat bezwaar van een derdebelanghebbende automatisch de openbaarmaking van een Woo-besluit opschort tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid zal ik (de gevolgen van) deze motie meenemen in de wetsevaluatie.
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van Woo-jurist Tim van Alten, die in de praktijk ervaart dat deze nieuwe werkwijze van de NVWA leidt tot onevenredige inspanningen en drempels voor indieners van Woo-verzoeken, waardoor het moeilijker wordt om bijvoorbeeld misstanden in de vee-industrie aan het licht te brengen?3 Deelt u deze zorgen?
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Uiteraard onderschrijf ik het belang van snelle en tijdige openbaarmaking van overheidsinformatie. Dit is ook een van de uitgangspunten van de Woo. Het belang van de verzoeker om informatie snel en tijdig te ontvangen en het belang van derdebelanghebbenden om daartegen in bezwaar te kunnen gaan, wordt dan ook meegenomen in de wetsevaluatie in het licht van de aangenomen motie van het lid Van der Plas.
Bent u ermee bekend dat als gevolg van de huidige werkwijze bij de NVWA Woo-verzoekers worden geconfronteerd met een situatie waarin de bezwaartermijn tegen een Woo-besluit aanvangt, terwijl de onderliggende documenten nog voor onbepaalde tijd niet zijn verstrekt?
Erkent u dat deze werkwijze ertoe leidt dat Woo-verzoekers bezwaar moeten maken tegen een besluit zonder de onderliggende documenten te hebben kunnen inzien, en dat het daardoor feitelijk onmogelijk is om te beoordelen of de openbaarmaking volledig is en of informatie ten onrechte is geweigerd of gelakt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het onder deze omstandigheden voor Woo-verzoekers praktisch ondoenlijk is om binnen de geldende bezwaartermijn inhoudelijke bezwaargronden te formuleren en dat dit de rechtsbescherming van Woo-verzoekers ernstig onder druk zet? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA in deze situaties in de regel weigert om de termijn voor het indienen van inhoudelijke bezwaargronden te verlengen tot een moment waarop de documenten daadwerkelijk zijn verstrekt en hooguit een beperkte hersteltermijn van maximaal acht weken hanteert, terwijl binnen die termijn zelden op de bezwaren van derde-belanghebbenden is beslist?
Erkent u dat Woo-verzoekers onder normale omstandigheden zes weken de tijd hebben om, met kennisneming van de verstrekte documenten, hun bezwaar inhoudelijk te onderbouwen, en dat deze systematiek door de huidige werkwijze van de NVWA feitelijk wordt doorkruist?
Deelt u de opvatting dat deze praktijk onwenselijk is vanuit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming en strijdig is met het doel en de strekking van de Wet open overheid? Zo nee, waarom niet?
Als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo vind ik het belangrijk dat informatie snel en tijdig openbaar wordt gemaakt en dat de belangen van zowel verzoekers als derdebelanghebbenden goed beschermd worden. In dit kader is het van belang dat de rechtsgang in het kader van Woo-verzoeken ook doeltreffend en doelmatig is. Daarom zal hier in de wetsevaluatie van de Woo naar gekeken worden.
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie onevenredig wordt vertraagd? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit belang erken ik.
Kunt u bevestigen dat de NVWA bij invoering van deze nieuwe werkwijze zelf heeft aangegeven dat deze «niet geheel in overeenstemming is met hetgeen bepaald is in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Woo»? Onderschrijft u deze constatering? Zo nee, waarom niet en op welk juridisch advies baseert u zich dan (graag het advies meesturen)?
Ja, de NVWA heeft aangegeven zich bij het invoeren van de pilot ervan bewust te zijn geweest dat de geschetste werkwijze op gespannen voet staat met het huidige wettelijke kader. Tegelijkertijd heb ik oog voor de problemen waar de NVWA in de uitvoeringspraktijk van de Woo tegenaan loopt. De onderhavige kwestie zal ik dan ook laten meenemen in de wetsevaluatie van de Woo.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van Cornelis van der Sluis, advocaat en oprichter van het Nederlands Kenniscentrum Open Overheid, die deze werkwijze van de NVWA «volledig in strijd met de wet» noemt? Wat gaat u hiermee doen?
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid zal ik (de gevolgen van) de motie Van der Plas meenemen in de wetsevaluatie, aangezien hier een wetswijziging voor nodig zou zijn.
Wanneer bent u, als politiek eindverantwoordelijk bewindspersoon voor de Wet open overheid, geïnformeerd over het besluit van de NVWA om deze nieuwe werkwijze in te voeren?
Voor zover bekend, hebben medewerkers van mijn ministerie op 1 september 2025 voor het eerst een signaal ontvangen dat de NVWA een afwijkende werkwijze zou hanteren. Toen was nog niet precies duidelijk wat de werkwijze van de NVWA inhield en op welke punten deze werkwijze af zou wijken. Daar is vervolgens uitvraag naar gedaan bij de NVWA. Op 19 december 2025 werd voor medewerkers van mijn ministerie, op basis van door de NVWA toegestuurde informatie, duidelijk dat de NVWA een afwijkende werkwijze hanteerde met betrekking tot de schorsende werking van bezwaar in Woo-zaken. Op 7 januari 2026 is de toenmalig Minister van BZK geïnformeerd over deze werkwijze van de NVWA en op 9 januari 2026 heeft er een ambtelijk overleg plaatsgevonden tussen BZK en de NVWA. Tijdens dit overleg is door mijn medewerkers het belang van een juiste naleving van de Woo benadrukt.
Kunt u aangeven op welk moment u de Kamer heeft geïnformeerd over dit ingrijpende besluit van de NVWA om af te wijken van de wettelijke procedures uit de Awb en de Woo?
Bestuursorganen zijn zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo. Het is dan ook niet aan mij om verantwoording af te leggen over de uitvoering van de Woo door andere bestuursorganen. Zij leggen hier zelf verantwoording over af.
Kunt u bevestigen dat de NVWA al over was gegaan op deze nieuwe werkwijze voordat de motie van het lid Van der Plas over Woo-verzoeken werd aangenomen door de Kamer?4 Hoe verklaart u dit?
Uit de door de NVWA aangeleverde informatie aan mijn ministerie blijkt dat zij in juli 2024 gestart zijn met een pilot. De motie van het lid Van der Plas is in mei 2025 aangenomen. In juni 2025 heeft de NVWA de pilot omgezet in een vaste werkwijze.
Kunt u bevestigen dat de NVWA deze werkwijze vervolgens heeft uitgebreid naar Woo-verzoeken met minder dan vijftig belanghebbenden, terwijl uw ministerie op dat moment nog bezig was met een juridische analyse? Wat vindt u hiervan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 18, heeft de NVWA in juni 2025 de pilot omgezet naar een vaste werkwijze. Vanuit BZK was destijds inderdaad nog niet gestart met de wetsevaluatie, waarin de gevolgen van de uitvoering van de motie Van der Plas worden meegenomen. Als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo vind ik het belangrijk dat alle bestuursorganen de wet juist toepassen. Ieder bestuursorgaan is echter zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo.
Kunt u bevestigen dat de Kamer niet werd geïnformeerd op het moment dat de NVWA overging op deze nieuwe werkwijze en deze later uitbreidde? Waarom is dat niet gebeurd en wat vindt u hiervan?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 17, is het aan ieder bestuursorgaan zelf om de Woo juist uit te voeren en zich hierover te verantwoorden.
Kunt u bevestigen dat door uw ministerie aan Follow the Money is geantwoord dat de motie-Van der Plas nog niet kan worden uitgevoerd omdat hiervoor «een wetswijziging nodig [is]»?
Ja.
Hoe verhoudt deze constatering zich tot het feit dat de NVWA al langere tijd een nieuwe werkwijze toepast waarmee wordt afgeweken van de bestaande wettelijke kaders?
Ten aanzien van de werkwijze van de NVWA kan ik in het algemeen aangeven dat ieder bestuursorgaan zelf verantwoordelijk is voor een juiste uitvoering van de Woo. Als stelselverantwoordelijke voor de Woo stimuleer en bevorder ik overheidsbreed een goede uitvoering van de Woo. Als bestuursorganen tegen problemen aanlopen in de uitvoering van de Woo, dan kan dit uiteraard altijd bij mijn ministerie aangegeven worden zodat deze signalen bij het ontwerpen en aanscherpen van beleid en regelgeving kunnen worden meegenomen.
Onderschrijft u dat de NVWA met deze nieuwe werkwijze in strijd met de Woo en de Awb handelt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid om de NVWA op te roepen deze werkwijze te beëindigen en te waarborgen dat Woo-verzoekers pas worden gehouden aan het formuleren van inhoudelijke bezwaargronden nadat alle onder het Woo-besluit vallende documenten daadwerkelijk aan hen zijn verstrekt, met een redelijke termijn van ten minste vier weken? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij het antwoord op vraag 22 aangegeven, is ieder bestuursorgaan zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo. Wel ben ik bereid met de NVWA in gesprek te gaan over deze werkwijze en de effecten hiervan voor de praktijk.
Erkent u het fundamentele belang van openbaarheid van overheidsinformatie voor het functioneren van een democratische rechtsstaat en de controle op de overheid, wat daarnaast ook nog vele andere voordelen heeft voor de maatschappij zoals in kaart gebracht in het recente onderzoek De baten van transparantie van Instituut Maatschappelijke Innovatie en de Open State Foundation?5
Ja, als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo onderschrijf ik volledig het fundamentele belang van openbaarheid van overheidsinformatie voor het functioneren van een democratische rechtsstaat en de controle op de overheid.
Erkent u dat tijdige toegang tot informatie essentieel is voor die controle en dat langdurige procedures en vertragingen ertoe kunnen leiden dat informatie haar waarde, nut en maatschappelijke relevantie verliest?
Ja. Een van de uitgangspunten van de Woo is dan ook een snelle en tijdige verstrekking van overheidsinformatie als daarom gevraagd wordt.
Bent u bereid om de NVWA op te roepen om de nieuwe werkwijze in te trekken en de Woo-verzoeken, bezwaren en voorlopige voorzieningen te behandelen conform de geldende wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 22, ben ik als stelstelverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo niet verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo door individuele bestuursorganen. Wel wil ik met de NVWA in gesprek gaan over deze werkwijze en de effecten hiervan voor de praktijk.
Heeft u gezien dat mediaorganisaties er bij het opvragen van informatie op basis van de Woo ook nog eens tegenaanlopen dat de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) haar bevoegdheid misbruikt, waardoor informatie niet, of pas veel later, wordt geopenbaard?6
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving hierover. Wel wil ik hier over opmerken dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft geoordeeld dat de toenmalig Minister van LVVN geen misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden.8
Heeft u gezien dat deze mediaorganisaties zich genoodzaakt voelen om opnieuw juridische stappen te ondernemen tegen de Minister van LVVN, omdat «vrije nieuwsgaring onmogelijk» wordt gemaakt? Wat vindt u hiervan?
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid hecht ik veel waarde aan het uitgangspunt dat overheidsinformatie tijdig en snel openbaar wordt gemaakt zodat journalisten, burgers en onderzoekers de overheid kunnen controleren. Bij de openbaarmaking van overheidsinformatie vind ik het belangrijk dat er zowel recht wordt gedaan aan de belangen van verzoekers als die van derdebelanghebbenden.
Heeft u gezien dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding zich tot twee keer toe heeft uitgesproken tegen de handelwijze van de Minister van LVVN, maar dat haar advies nog altijd niet worden opgevolgd?7
Ja, ik ben op de hoogte van de bemiddelingsadviezen van het ACOI en de daaropvolgende inhoudelijke reacties van de toenmalige Minister van LVVN.
Bent u bereid om de Minister van LVVN op te roepen om een einde te maken aan dit misbruik van haar bevoegdheden? Zo nee, waarom niet?
Ook hier wil ik opmerken dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft geoordeeld dat de toenmalige Minister van LVVN geen misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden.10 Zoals bij meerdere antwoorden hiervoor aangegeven, zijn bestuursorganen zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid hecht ik veel waarde aan snelle en tijdige openbaarmaking van overheidsinformatie, een van de uitgangspunten van de Woo.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Beantwoording binnen de gestelde termijn is helaas niet gelukt, zoals aangegeven in de uitstelbrief die ik aan uw Kamer heb gestuurd.11
Nieuwe problemen met vergoedingen voor gedupeerden |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
van Marum |
|
|
|
|
De SP is in bezit van een document van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) waarin staat dat de vaste vergoeding voor zelf aangebrachte voorzieningen (hierna: ZAV) in 2026 6.500 euro zal bedragen, woningbouwcorporatie Wierden en Borgen heeft dit ook aan huurders verteld. Klopt het dat deze aangekondigde hogere vergoeding nu niet doorgaat? Waarom is hiervoor gekozen?
Deelt u onze mening dat het wrang is dat sommige huurders al te horen hebben gekregen dat de forfaitaire ZAV vergoeding verhoogd zou worden en nu niet het bedrag krijgen dat hen in het vooruitzicht is gesteld?
Bent u bereid de forfaitaire ZAV vergoeding alsnog te verhogen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Welke andere vergoedingen worden in 2026 niet geïndexeerd? Kunt u voor alle vergoedingen bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de NCG aangeven welke indexatie er plaatsvindt?
Het IMG indexeert elk jaar de bouwkosten en bij NCG kunnen de bouwkosten tot aan de start van de bouw geïndexeerd worden door aannemers en wordt periodiek de Groninger Maatregelen Catalogus geïndexeerd. Als het gaat om de vergoedingen die mensen ontvangen in het kader van schade door versterken (NCG) of bijkomende kosten (IMG), maak ik jaarlijks een afweging met betrekking tot indexatie van de verschillende vergoedingen. Het gaat hier om de vergoedingen waarvoor een vast bedrag is vastgesteld in bijlage 2.2 van de Regeling Tijdelijke wet Groningen.
Alle vergoedingen uit de lijst in bijlage 2.2 worden dit jaar geïndexeerd met 3,27%. Uitzonderingen hierop zijn de forfaitaire ZAV-vergoeding, de vergoeding voor eigen tijd en lang wachten op een opgeleverde versterkte woning (maatregel 16) en de vergoeding om de verschillen recht te trekken tussen eigenaren en huurders ten aanzien van de overlastvergoeding voor de versterking (maatregel 12b). De vergoeding voor het thuisblijven tijdens de schadeopname en het schadeherstel kan jaarlijks door het IMG wordt geïndexeerd op basis van het minimumloon.
De reden waarom de ZAV-vergoeding niet wordt geïndexeerd heeft te maken met de eerder genoemde verkenning van mogelijkheden om het forfaitaire bedrag te verhogen. Maatregel 16 is een eenmalige vergoeding van € 2.500. Deze vergoeding is niet gekoppeld aan bepaalde kosten die aan inflatie onderhevig zijn en wordt daarom niet geïndexeerd. Maatregel 12b is bedoeld als vergoeding voor tijd en overlast uit het verleden, waardoor jaarlijkse indexatie niet in de rede ligt. Bij regelingen van het IMG met een maximale vergoeding, zoals de forfaitaire vergoedingen en immateriële schadevergoeding, wordt deze maximale vergoeding niet geïndexeerd. Ook wordt de waardedalingsregeling niet geïndexeerd.
De wijziging in de Regeling Tijdelijke wet Groningen, waarin deze indexatie van 3,27% terugwerkende kracht tot 1 januari wordt geregeld, is op 21 januari gepubliceerd in de Staatscourant.1
Klopt het dat bewoners in Tjamsweer tijdens een presentatie over de sloop van hun woning beloofd is dat ze in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor zelf aangebrachte voorzieningen en nu alsnog een afwijzing van de NCG krijgen?
Ja, dit klopt.
Waarom komen deze bewoners niet in aanmerking voor de ZAV regeling van de NCG?
De aanpak in Tjamsweer betreft een aanpak voor het dempen van onaanvaardbare verschillen. Zoals ik in mijn brief van 19 september 20252 heb aangegeven horen bij deze aanpak ook de juiste vergoedingen. Hiervoor ontbreekt echter de juiste grondslag in de wetgeving. Vandaar dat NCG op dit moment de bewoners een afwijzing moet sturen. Momenteel wordt verkend of er toch een wettelijke grondslag kan worden gecreëerd om ook de kosten van deze bewoners te vergoeden. Ik verwacht uw Kamer hier spoedig over te informeren.
Erkent u dat hier weer ongelijkheid ontstaat tussen bewoners? Waarom wordt hiervoor gekozen?
Ja, ik erken dat hierdoor ongelijkheid ontstaat. Vandaar dat ik met NCG de mogelijkheden verken om dit recht te zetten.
Bent u bereid de huurders uit Tjamsweer en mogelijke andere huurders die nu niet in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor ZAV via de NCG alsnog voor deze regeling in aanmerking te laten komen?
Zie antwoord vraag 7.
Waarom stoppen de «Subsidie Verduurzaming Groningen – € 7.000» en de «Subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen – € 17.000» op 31 mei aanstaande?
De wijzigingsregeling die een verlenging van deze subsidies mogelijk maakt, leg ik nog deze maand ter voorhang aan uw Kamer voor.
Gedupeerden in de versterkingsoperatie die nog wachten op een beoordeling van de NCG krijgen nu een afwijzing voor de «Subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen». Kunt u garanderen dat alle rechthebbende gedupeerden alsnog in aanmerking komen voor deze subsidieregelingen? Wanneer dat niet zo is, dan ontstaat toch opnieuw ongelijkheid omdat gedupeerden die «toevallig» eerder een beoordeling kregen van de NCG wél en gedupeerden die nog wachten op een beoordeling niet in aanmerking zijn gekomen voor dit geld?
Ja, ook bewoners die nog een beoordeling krijgen, kunnen aanspraak maken op deze subsidie.
In Nij Begun is een maatregel (16) opgenomen om mensen die nog wachten op de versterking te compenseren met 2.500 euro. Een deel van de mensen die nu nog wachten hebben dit geld ook nog niet gekregen, waarom is hiervoor gekozen?
Er is niet bewust voor gekozen om bepaalde bewoners wel en andere bewoners geen vergoeding toe te kennen. Binnen maatregel 16 worden verschillende doelgroepen onderscheiden, waarbij de uitvoerbaarheid per doelgroep verschilt. Het uitkeren van de vergoeding aan eigenaren van een gebouw dat in de werkvoorraad van de NCG zit en waarvoor een versterkingsbesluit of besluit op norm is ontvangen is het meest eenvoudig gebleken. Deze groep heeft de vergoeding inmiddels ontvangen of ontvangt deze op korte termijn.
Voor huurders van sociale huurwoningen binnen de werkvoorraad van de NCG geldt een andere situatie. Omdat ik voor uitbetaling van de vergoeding aan deze groep afhankelijk ben van woningcorporaties, is de situatie hier ingewikkelder. Op dit moment werk ik samen met NCG en woningcorporaties aan een complete lijst van adressen die recht hebben op de vergoeding.
Voor de uitbreiding van deze vergoeding naar bewoners in de Batch 1588 en de Zandplatenbuurt-Zuid te Delfzijl geldt dat ik met de betrokken gemeenten heb afgesproken dat zij de vergoeding zullen uitkeren aan deze bewoners. Ik verwacht dat bewoners hier binnen enkele weken meer duidelijkheid over zullen krijgen.
Erkent u dat het krom is dat compensatie voor het lange wachten nu alweer jaren op zich laat wachten?
Ik vind het uiteraard vervelend dat de vergoeding voor eigen tijd en het lange wachten op een versterkte, opgeleverde woning voor een deel van de doelgroep later komt dan werd verwacht. Ondanks dat alle betrokken partijen zich inzetten voor een spoedige uitkering, blijkt de regeling in de uitvoering complex. Mijn inzet blijft erop gericht alle bewoners zo snel mogelijk te vergoeden.
Wanneer zullen alle rechthebbende bewoners dit bedrag ontvangen hebben?
Uiteraard onderschrijft het kabinet het doel om, in het geval van vergoedingen, bewoners tijdig en rechtvaardig tegemoet te komen. Daarom werkt de NCG er op dit moment aan om ervoor te zorgen dat alle doelgroepen van maatregel 16 uit Nij Begun zo snel mogelijk de vergoeding ontvangen. De processen hiervoor zijn ingericht en veel bewoners hebben de vergoeding al ontvangen of zullen deze binnenkort ontvangen. Ik zet me ervoor in dat alle bewoners die recht hebben op de vergoeding en hier nu op wachten, deze voor het vierde kwartaal van 2026 kunnen ontvangen. Hierbij moet ik wel zeggen dat NCG bij sommige doelgroepen, zoals huurders, ook afhankelijk is van informatie die zij zelf aanleveren voordat NCG de vergoeding aan hen kan uitkeren.
Waarom is geen uitvoer gegeven aan een aangenomen Kamermotie (Kamerstuk 33 529, nr. 1334) om te zorgen dat alle bewoners dit bedrag voor 1 november 2025 zouden hebben ontvangen?
Zoals gezegd heb ik het doel om bewoners tijdig en rechtvaardig tegemoet te komen in de vergoedingen waar zij recht op hebben. Zoals ik in mijn appreciatie van de betreffende motie aangaf, was het niet mogelijk om deze vergoeding voor 1 november uit te keren aan alle bewoners. Vanwege de eerder genoemde complexiteit in het uitkeren van de vergoeding aan bepaalde doelgroepen, is dit tot nu toe helaas nog niet voor iedereen mogelijk geweest.
Bewoners die al gebruik hebben kunnen maken van de 2.500 euro regeling (maatregel 16) hebben dit bedrag op de rekening ontvangen, bij bewoners die nog wachten wordt het opgenomen in hun versterkingsbudget en is het dus niet vrij besteedbaar. Waarom is hiervoor gekozen?
Het bedrag wordt niet opgenomen in het versterkingsbudget. De maatregel van maatregel 16 wordt vastgelegd in het versterkingsbesluit, zodat NCG geen apart besluit hoeft te nemen om deze vergoeding uit te keren. In het versterkingsbesluit is een afzonderlijke alinea aan deze maatregel gewijd. Bewoners, onder wie ook bewoners die nog in afwachting zijn van een versterkingsbesluit, ontvangen het bedrag te zijner tijd rechtstreeks op hun rekening. Er is dus geen sprake van ongelijkheid. Het bedrag is voor iedereen die het ontvangt vrij besteedbaar.
Erkent u dat dit weer een keuze voor ongelijkheid tussen gedupeerden is? Bent u bereid dit terug te draaien?
Zie antwoord vraag 15.
Bent u bekend met het bericht «Chemiereus Sabic verkoopt twee fabrieken: gevolgen voor honderden werknemers nog niet duidelijk»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe taxeert u de langetermijneffecten van deze transacties op de basisindustrie in Nederland in het algemeen?
Op 8 januari jl. heeft SABIC aangekondigd voornemens te zijn haar Europese assets grotendeels te verkopen. Het gaat hierbij om twee transacties. De Europese petrochemische activiteiten worden verkocht aan het Duitse AEQUITA en de Europese en Amerikaanse activiteiten in engineering thermoplastics (ETP) aan het Duitse Mutares. Vanuit het Ministerie van KGG staan we in nauw contact met SABIC over deze ontwikkelingen en de komende periode zullen we ook met deze nieuwe eigenaren in gesprek gaan over hun toekomstplannen. De inzet daarbij is zoveel mogelijk (hoogwaardige) activiteiten en werkgelegenheid die bijdragen aan versterking van de Nederlandse basisindustrie te behouden. De precieze langetermijneffecten zijn nu nog niet bekend.
Wel is reeds bekend dat AEQUITA recent ook soortgelijke Europese assets van LyondellBasell heeft gekocht. De investeringsmaatschappij heeft daarmee straks een significant deel van de Europese petrochemiemarkt in handen. In haar persbericht spreekt AEQUITA uit te willen consolideren naar een nieuwe Europese plastics speler. De geplande grote onderhoudsstop in 2026 wordt uitgevoerd volgens planning. Dit straalt vertrouwen uit naar de toekomst.
Mutares heeft geen andere chemieactiviteiten. De installaties die Mutares overneemt van SABIC, waaronder de fabriek in Bergen op Zoom, richten zich op meer gespecialiseerde materialen en vormen ook binnen SABIC een zelfstandig bedrijfsonderdeel met een eigen markt.
Tegelijkertijd staat het investeringsklimaat voor de basisindustrie in Europa, en zeker ook in Nederland, op dit moment sterk onder druk. AEQUITA en Mutares betalen aan SABIC een lage overnameprijs, waarbij betaling ook (deels) voorwaardelijk is aan toekomstige prestaties. Dit laat de zeer uitdagende concurrentiepositie van deze Europese installaties zien. Het is belangrijk op Europees niveau te zoeken naar gezamenlijke oplossingen. Hiervoor is op initiatief van de Europese Commissie recent de Critical Chemical Alliance opgericht, waarin Nederland een grote rol speelt.
Hoe taxeert u het langetermijneffect op het samenhangende basisindustrie ecosysteem van de Chemelot campus in Geleen in het bijzonder?
De transacties zullen waarschijnlijk pas in Q4 2026 worden afgerond. Met verkoop lijkt sluiting van de kraker voorlopig van de baan, al moet wel rekening worden gehouden met mogelijke sluitingen en reorganisaties binnen het bredere portfolio van AEQUITA in de toekomst. Sluiting van de kraker zou grote gevolgen hebben voor de site Chemelot. Daarom is vanuit het Ministerie van KGG nauw contact met SABIC en zullen ook contacten worden gelegd met de nieuwe eigenaren, zoals eerder aangegeven in antwoord op vraag 2.
Bent u van plan zich in te zetten voor het in Nederland vestigen van het hoofdkantoor van de chemische activiteiten van Aequita, net zoals het hoofdkantoor van Sabic zich op dit moment al in Amsterdam bevindt?
Het hoofdkantoor van SABIC, de productie van een aantal speciale polymeren in Bergen op Zoom en de R&D faciliteit van SABIC in Bergen op Zoom en op Chemelot zijn geen onderdeel van de transacties. Deze blijven in Nederland.
De hoofdkantoren van AEQUITA en Mutares bevinden zich momenteel in Duitsland. Door de gesprekken met deze partijen proberen we een beter beeld te krijgen van hun toekomstplannen. Mocht oprichting van een zelfstandig hoofdkantoor voor de chemische activiteiten van AEQUITA aan de orde komen, dan is gezien het belang van deze activiteiten voor Nederland de verwachting dat ingezet zal worden op aantrekken van dit nieuwe hoofdkantoor. De uiteindelijke inzet zou in samenwerking met de Netherlands Foreign Investment Agency2 worden bepaald en uitgevoerd, op basis van de verwachte toegevoegde waarde voor Nederland. Het is nu nog te vroeg hier verder uitspraken over te doen.
Kunt u faciliteren dat relevante arbeidsmarktregio’s en de nieuwe eigenaar om de tafel gaan om de effecten op personeelsgebied zo snel mogelijk in kaart te brengen?
Dit is niet aan de orde. De verantwoordelijkheid ligt bij de betreffende werkgever en de nieuwe eigenaar om met de betrokken vakbonden in gesprek te gaan over de effecten op personeelsgebied en een eventueel sociaal plan.
Kunt u aangeven welke stappen u zet om, samen met werkgevers, vakbonden en regionale overheden, alles in het werk te stellen om de werkgelegenheid en de economische vitaliteit in de betrokken regio’s te borgen, nu de Nederlandse SABIC-activiteiten zijn verkocht aan investeerders?
Regio Zuid Limburg zet in op een grensoverstijgende circulaire en innovatieve (kennis)economie. In het kader van o.a. Regiodeals en het Nationaal Programma Vitale Regio’s werken Rijk en regio hierbij samen. Kansen doen zich bijvoorbeeld voor bij het benutten van grensoverstijgend economisch potentieel in chemie, life sciences&health, medtech en smart services/AI, bij de verdere ontwikkeling van de campussen in Maastricht, Geleen en Heerlen, bij de Einstein telescoop, bij de verduurzaming van Chemelot en bij de Limburg Defensie Agenda.
Regio West Brabant zet in op een innovatieve plantaardige economie met toegepaste technologie als speerpunt en biotechnologie als focus voor de toekomst. In het kader van o.a. Regiodeals werken Rijk en regio hierbij samen. Kansen doen zich bijvoorbeeld voor op terreinen als voeding, bouw, chemie en farma.
Het bericht 'Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: ’Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: «Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen»»?1
Ja. Het is onacceptabel dat onbekwame mensen zorg verlenen aan jeugdigen in kwetsbare situaties. Iedereen die zorg of hulp ontvangt moet ervanuit kunnen gaan dat zorgverleners over de juiste kwalificaties beschikken. Fraude en criminaliteit in de zorg zijn ernstig, onaanvaardbaar en moeten stevig worden aangepakt.
Kunt u een overzicht geven van de huidige aantallen personeel met frauduleuze diploma’s binnen de jeugdzorg, inclusief uitgesplitst naar eventuele meldingen van criminelen, personen met een strafrechtelijk verleden en personen met een onbekende achtergrond?
Op basis van het nog lopende onderzoek naar EVC-dossiers van geregistreerde professionals heeft de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) tot nu toe circa 50 professionals uitgeschreven. Op de website van SKJ is zichtbaar welke professionals de afgelopen drie jaar zijn uitgeschreven. Dat betreft mensen wier registratie is doorgehaald vanwege fraude, maar ook mensen die met pensioen zijn gegaan of wier registratie om andere redenen verlopen is. Andere informatie is mij niet bekend. Deze zou overigens ook niet kunnen worden gedeeld vanwege privacywetgeving.
Bent u bereid om geanonimiseerde gegevens te verstrekken over de demografische profielen (zoals leeftijd, geslacht, herkomst, eerdere beroepsachtergrond) van personen die zijn betrapt op het werken met nep-diploma’s in de jeugdzorg, zodat de Kamer kan beoordelen of er sprake is van specifieke patronen die beleidsinterventies vereisen?
Deze gegevens zijn mij niet bekend.
Welke structurele maatregelen neemt u om er in de breedste zin voor te zorgen dat de jeugdzorgsector niet langer functioneert als een «toegangspoort» voor criminele ronselaars en bent u bereid om iedere medewerker die werkzaam is in de Jeugdzorg op basis van een ervaringscertificaat, per direct op non-actief te zetten?
Vanuit diens stelselverantwoordelijkheid heeft de Minister van VWS vorig jaar met de collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten. Ook is toen extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. Voor het jeugddomein wil ik dat wettelijk verankeren door de vergewisplicht in te voeren. De internetconsultatie hiertoe is gepland in april. Tenslotte heb ik met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek.
In het kader van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord zijn afspraken gemaakt met zorgpartijen tegen zorgfraude. Deze aanpak rust op drie pijlers: strengere toelatingseisen voor aanbieders tot de zorg, meer en beter toezicht met meer fysieke controles en harder optreden als fraude zich toch voordoet. Dit betekent onder andere aanscherping en verkenning van uitbreiding van de vergunningplicht in de zorg, uitbreiding van de VOG-plicht voor bestuurders van zorgorganisaties en betere toepassing van het instrument BIBOB bij de toetreding van het zorgdomein. Voor zorgaanbieders geldt specifiek ook dat het onder goed werkgeverschap valt om medewerkers te screenen bij aanname en ook om later – als daar aanleiding en een onderbouwing voor is – een medewerker op non-actief te zetten.
Erkent u dat, nu criminelen met een nepdiploma via het jeugdzorgsysteem toegang hebben gekregen tot kwetsbare minderjarigen om hen vervolgens te verleiden of te dwingen tot prostitutie of criminele activiteiten, dit niet slechts een incident betreft maar een fundamenteel falen van de overheid in haar kerntaak om kinderen te beschermen, en zo ja, welke bestuurlijke verantwoordelijkheden verbindt u hieraan?
Iedereen die zorg of hulp ontvangt moet ervan uit kunnen gaan dat zorgprofessionals over de juiste kwalificaties beschikken. Het is onacceptabel dat onbekwame mensen zorg verlenen aan jeugdigen in een kwetsbare situatie. Fraude met EVC-certificaten doet zich zorgbreed voor en vraagt een brede aanpak. Deze heeft, zoals ik in vraag 4 beschreef, mijn voortdurende aandacht.
Het onderzoek van de Gezondheidsraad naar het voorschrijven van puberteitsremmers aan minderjarigen met genderdysforie |
|
Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van prof. mr. J.L. Smeehuijzen «De Gezondheidsraad en het reguleringsklimaat rond puberteitsremming bij minderjarigen» in het Nederlands Juristenblad?1
Wat is uw reactie op de bevindingen van prof. Smeehuijzen ten aanzien van de onafhankelijkheid en de schijn van belangenverstrengeling van de leden van de commissie van de Gezondheidsraad die onderzoek doet naar gezondheidsrechtelijke en medische aspecten van het gebruik van puberteitsremmers bij minderjarigen met genderdysforie?
Hoe verhoudt in uw ogen de samenstelling van de genoemde commissie zich tot de «Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling» die de Gezondheidsraad verplicht zijn commissies zo samen te stellen dat het risico op kleuring van de oordeelsvorming door institutionele, professionele of persoonlijke belangen wordt geminimaliseerd en de geloofwaardigheid van het advies gewaarborgd blijft?
Hoe reageert u met name op het feit dat de helft van de commissie op een wezenlijke manier verbonden is met de interventie die zij moet beoordelen?
Kunt u aangeven hoe de interne controlemechanismen bij de Gezondheidsraad zijn georganiseerd als het gaat om de onafhankelijkheid van haar onderzoeken en de betrokken onderzoekers?
Hoe reflecteert u op de zeer beperkte juridische expertise die, blijkens de samenstelling ervan, in de commissie aanwezig is? Heeft u er vertrouwen in dat de commissie in staat is om een gefundeerd oordeel te vellen hoe de praktijk in Nederland zich verhoudt tot het geldende gezondheidsrechtelijke kader?
Wat is uw reactie op de zorgelijke opmerkingen die prof. Smeehuijzen maakt over het bredere Nederlandse reguleringsklimaat rond puberteitsremming? Hoe wordt, bij alle verwevenheid tussen klinische zorg, onderzoek en beleidsvorming, de onafhankelijkheid en onbevangenheid van wetenschappelijk onderzoek gewaarborgd?
Hoe waarborgt u als Minister van VWS uw eigen positie in dezen? Voert u, naast uw contacten met de betrokken Universitair Medisch Centra (UMC’s), ook het gesprek met artsen en wetenschappers die kritisch zijn op de Nederlandse praktijk ten aanzien van puberteitsremmers? Zo ja, hoe krijgt dit gestalte en in welke mate?
Kunt u aangeven wat de stand van zaken van het onderzoek van de Gezondheidsraad precies is? Wanneer verwacht de commissie het onderzoek af te kunnen ronden?
Is het de bedoeling dat de herziening van het Kwaliteitskader Transgenderzorg pas wordt voltooid na ommekomst van het advies van het onderzoek van de Gezondheidsraad?
Het repatriëren van het Nederlandse goud dat in New York is opgeslagen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het, onder andere gezien de recente dreigende taal vanuit Washington richting Groenland en het feit dat de Verenigde Staten een militaire aanval op Groenland en daarmee NAVO-bondgenoot Denemarken niet langer wil uitsluiten, inmiddels niet verstandig om uit voorzorg het Nederlandse goud dat in New York is opgeslagen zo snel mogelijk te repatriëren? Zo nee, waarom niet?
Het beheer van de Nederlandse goudvoorraad is belegd bij De Nederlandsche Bank (DNB) en maakt onderdeel uit van haar onafhankelijke taken als nationale centrale bank binnen het Europees Stelsel van Centrale Banken. Die onafhankelijkheid houdt in dat DNB, binnen het wettelijk kader en los van politieke besluitvorming, verantwoordelijk is voor beslissingen over de spreiding van de reserves, gericht op het borgen van financiële stabiliteit en het functioneren van het monetaire stelsel. Met de VS, Canada en het VK heeft DNB goede afspraken over het opslaan en de beveiliging van het goud. DNB houdt de ontwikkelingen rond de goudvoorraad voortdurend in de gaten en maakt daarbij doorlopend risicoanalyses.
Het belasten arbeidsmigranten door gemeenten |
|
Tijs van den Brink (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Rijkaart , Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belasting voor arbeidsmigranten: «Betalen niet mee aan schoonmaak en groen»», van Omroep Brabant, d.d. 08 januari 2026?1
Ja.
Deelt u de opvatting zoals die door de gemeente Helmond geschetst wordt dat arbeidsmigranten moeten bijdragen aan de openbare voorzieningen waar zij gebruik van maken, zoals openbaar groen en afvaldiensten, als ze tijdelijk woonachtig zijn in een gemeente?
Het kabinet deelt de opvatting dat arbeidsmigranten die langer dan vier maanden in Nederland verblijven, net als andere inwoners van Nederlandse gemeenten, verplicht zijn zich in te schrijven als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) en moeten meebetalen aan gemeentelijke voorzieningen via lokale belastingen.
Kunt u aangeven in hoeverre het niet-inschrijven van arbeidsmigranten bij gemeenten in beeld is als een probleem? En hoe plaatst u dit in een bredere context van gemeenten die geen zicht hebben op de aantallen arbeidsmigranten die zich binnen hun gemeentegrenzen begeven?
Het is zeker een bekend probleem. Het kabinet werkt aan maatregelen naar aanleiding van het advies van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten2. Een van de onderwerpen daarin is het verbeteren van de registratie van arbeidsmigranten om het zicht op hun verblijf in Nederland te vergroten. Op 9 september 2025 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in een Kamerbrief gerapporteerd over hoe de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) en SZW samen met gemeenten werken aan de maatregelen3.
Kunt u aangeven in hoeverre de aanwezigheid van arbeidsmigranten die geen lokale belasting betalen een financiële last is voor gemeenten die bovengemiddeld veel arbeidsmigranten hebben?
Het kabinet heeft hier geen goed zicht op. Zoals bij vraag 3 aangegeven is het kabinet bekend met het probleem van het niet-inschrijven van arbeidsmigranten. In dat kader wordt gewerkt aan het verbeteren van de registratie van arbeidsmigranten om het zicht op hun verblijf in Nederland te vergroten.
Welke maatregelen neemt u om het niet-inschrijven van arbeidsmigranten die langer dan vier maanden in Nederland verblijven tegen te gaan?
Al sinds het rapport van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten is er aandacht voor het beter zicht krijgen op arbeidsmigratie via betere registratie. De Tweede Kamer is in november geïnformeerd over de voortgang van alle maatregelen, waaronder de maatregelen op het verbeteren van de registratie4. Zoals bij vraag 3 aangegeven heeft de Minister van SZW op 9 september 2025 in een Kamerbrief gerapporteerd over hoe de ministeries van BZK en SZW momenteel samen met gemeenten werken aan deze en mogelijk aanvullende maatregelen.5
Welke mogelijkheden ziet u om, naast de bestaande initiatieven waarin ingezet wordt op de verantwoordelijkheid van werkgevers om zorg te dragen voor de huisvesting van hun werknemers, ook in te zetten op een verantwoordelijkheid van de werkgevers om erop toe te zien dat arbeidsmigranten die zijn naar Nederland halen ook ingeschreven worden?
In 2025 is de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) aangenomen door beide Kamers. In deze wet is een zorgplicht voor uitleners bij de registratie van arbeidskrachten opgenomen. Met deze zorgplicht worden uitleners verantwoordelijk om de registratie van arbeidskrachten te bevorderen en vervolgens te controleren of de persoon zich daadwerkelijk heeft laten inschrijven als ingezetene in de BRP. Ook komt er mogelijk een meldplicht. De zorgplicht wordt momenteel verder uitgewerkt in lagere regelgeving. Dit wordt samen met onder meer uitleners, vakbonden, gemeenten en uitvoeringsorganisaties gedaan. Het streven is de zorgplicht per 1 januari 2027 in werking te laten treden. Op termijn wordt toezicht en handhaving op de plicht georganiseerd via het normenkader van de Wtta.
Bent u van mening dat een dergelijke relatief hoge verblijfsbelasting een geschikte methode is om arbeidsmigranten te stimuleren om zich in te schrijven bij gemeenten?
Het is aan gemeenten om te bepalen welke methode voor hen het meest passend is. Zij zijn zowel verantwoordelijk voor de registratie in de BRP als voor het heffen van lokale belastingen.
Beschikt u over een overzicht van welke gemeenten in Nederland reeds een dergelijke verblijfsbelasting voor arbeidsmigranten ingevoerd hebben?
Nee, een dergelijk overzicht heb ik niet. Wel is er openbare informatie over toeristenbelasting beschikbaar in de Atlas lokale lasten 2025 van het COELO6. Daaruit blijkt dat 93% van de gemeenten in 2025 toeristenbelasting hief.
Het bericht ‘Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis»1?
Ja.
Klopt het dat het OECD Pillar 2 Side-by-Side Package niet alleen administratieve vereenvoudigingen bevat, maar ook materiële safe harbours introduceert die de werking van de Global Minimum Tax wezenlijk beperken?
Het Side-by-side pakket bestaat uit de volgende onderdelen:
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het Side-by-Side-pakket, in het bijzonder het Side-by-Side-systeem, wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels.
Deelt u de analyse dat met name Amerikaans-geleide multinationale ondernemingen door de Side-by-Side Safe Harbour en de UPE Safe Harbour feitelijk worden afgeschermd van bijheffing onder de IIR en/of UTPR, terwijl EU-geleide groepen volledig onder het regime blijven vallen?
De inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel zijn op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel niet van toepassing op entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een uiteindelijkemoederentiteit (hoofdkantoor) in de VS. Omdat de VS al als een kwalificerende Side-by-Side-jurisdictie zijn aangemerkt, is de UPE veiligehavenregel niet aan de orde. Daarbij merkt het kabinet op dat het van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is in ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het is positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffingsmaatregel. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veiligehaven-jurisdicties.
Acht u dit verschil in behandeling verenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling en het streven naar een level playing field binnen de interne markt?
Binnen de Europese Unie is Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie van toepassing. Ingevolge de richtlijn hebben 22 EU-lidstaten de minimumbelasting ingevoerd met inbegrip van de binnenlandse bijheffing. Vijf lidstaten met minder dan twaalf hoofdkantoren hebben gebruik gemaakt van de uitstelmogelijkheid van artikel 50 van de richtlijn.2 Multinationale groepen zijn binnen de EU in het overgrote deel van de gevallen onderworpen aan een binnenlandse bijheffing over laagbelaste winsten ongeacht de locatie van het hoofdkantoor.
Kan het SbS Package erin resulteren dat (Nederlandse) bedrijven hun hoofdkantoor verplaatsen naar een Side-by-Side land teneinde te kunnen profiteren van de regeling?
Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn om een hoofdkantoor in een bepaalde jurisdictie te vestigen. De fiscaliteit is een van die factoren. Het tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 25,8%, hetgeen boven het EU-gemiddelde is. Pijler 2 behoort ook tot de fiscale regelingen die in de overweging kunnen worden betrokken, maar er zijn ook andere factoren die voor een jurisdictie van belang kunnen zijn. Wat betreft de invloed van het Side-by-Side pakket, is het volgende van belang. Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is vooralsnog alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel zullen de landen die Pijler 2 hebben ingevoerd niet bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelaste winstmaatregel over de laagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Niettemin kan op grond van de binnenlandse bijheffingsmaatregel worden bijgeheven tot het effectieve minimumbelastingtarief van 15%. Deze binnenlandse bijheffingsmaatregel blijft onverkort gehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten aanzien van laagbelaste entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Veel jurisdicties hebben de binnenlandse bijheffing ingevoerd of zijn daarmee bezig. Op dit moment kennen zo’n zestig jurisdicties een binnenlandse bijheffing. Daarnaast is voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives ertoe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde omstandigheden kunnen blijven opereren als Amerikaanse ondernemingen. Vanwege de binnenlandse bijheffing in buitenlandse jurisdicties en de gunstige behandeling van Substance-Based Tax Incentives wordt het risico op verplaatsing van hoofdkantoren naar de VS louter als gevolg van het Side-by-Side-pakket beperkt. Ten slotte, eventuele wijzigingen in de vennootschapsstructuur om bijheffing te ontgaan, kan het IF meenemen in de toekomstige evaluatie.
Bent u voornemens het SbS Package in de Europese Unie te implementeren via artikel 32 van de Pillar Two-richtlijn? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze bepaling daarmee wordt gebruikt voor inhoudelijke beleidswijzigingen in plaats van louter administratieve vereenvoudiging?
De OESO-regels over de minimumbelasting, in de vorm van de OESO-modelregels, commentaar of de nadere regelgeving in de vorm van administratieve richtsnoeren, werken niet direct door in de Nederlandse rechtsorde. Het IF noch de OESO kunnen bindende wetgeving vaststellen. Het kabinet zal de nadere regelgeving vanuit de OESO daarom telkens beoordelen en aan de hand daarvan – van geval tot geval – bepalen of de wettekst en de toelichting van de Wet minimumbelasting 2024 aanpassing behoeven.3 Dit geldt ook voor het thans afgesproken Side-by-Side pakket. Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd.4 Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen beperking opgenomen tot louter administratieve vereenvoudiging.
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side Safe Harbour en de Qualified UPE Safe Harbour? Zo nee, waarom niet?
Nee. In Nederland zijn de Pijler 2-regels van toepassing in de vorm van de Wet minimumbelasting 2024. Daarom is er voor Nederland geen reden om een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side veiligehavenregel en de UPE veiligehavenregel.
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van deze dynamische verwijzing naar OECD-soft law met de Meroni-jurisprudentie van het Hof van Justitie, die delegatie van discretionaire bevoegdheden van politieke aard verbiedt?
De vraag wordt zo geïnterpreteerd dat met «deze dynamische verwijzing» artikel 32 van Richtlijn (EU) 2022/2523 wordt bedoeld. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen.
Kunt u toelichten hoe rechtszekerheid voor belastingplichtigen wordt gewaarborgd, nu de kwalificatie van een «Qualified SbS Regime» berust op open en subjectieve criteria zoals een «materieel risico» en een «pragmatische, holistische beoordeling over tijd»?
Het IF bepaalt of een regime als een Qualified Side-by-Side-regime kan worden aangemerkt. Welke regimes daarvoor in aanmerking komen, zal centraal worden bijgehouden. Belastingplichtigen kunnen zich hierdoor op de hoogte stellen welke regimes als een Qualified Side-by-Side-regime kunnen worden aangemerkt.
Deelt u de zorg dat de vaststelling van een «Qualified SbS Regime» plaatsvindt buiten de EU-rechtsorde, zonder effectieve rechterlijke toetsing, terwijl deze vaststelling directe gevolgen heeft voor de toepassing van EU-belastingregels?
De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Het Hof van Justitie van de EU is in hoogste instantie bevoegd om het EU-recht uit te leggen. Dat geldt ook voor de uitleg van Richtlijn 2022/2523.
Heeft u laten toetsen of de SbS- en UPE-safe harbours kunnen kwalificeren als selectieve staatssteun? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
In het Werkingsverdrag betreffende de Europese Unie (VWEU) is vastgelegd aan welke voorwaarden voorstellen tot EU regelgeving moeten voldoen, zo ook aan de staatssteunregels (artikelen 107 e.v. VWEU). Lidstaten mogen er vanuit gaan dat de Europese Commissie regelgeving conform het VWEU voorstelt en daarbij geen strijd met de regelgeving met betrekking tot staatssteun ontstaat. In dit verband verwijs ik naar de mededeling van 12 januari 2026, van de Europese Commissie (zie antwoord bij vraag 8).
Onderschrijft u dat, indien deze safe harbours als ongeoorloofde staatssteun zouden worden aangemerkt, lidstaten gehouden kunnen zijn tot terugvordering van belastingvoordelen, met mogelijk aanzienlijke retroactieve belastingclaims tot gevolg?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de juridische risico’s van implementatie van het SbS Package en toe te zeggen dat Nederland zich in EU-verband zal verzetten tegen elke implementatie die verder gaat dan zuivere administratieve vereenvoudiging?
Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting vóór de zomer van 2026 worden ingediend bij uw Kamer. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen beperking opgenomen tot zuivere administratieve vereenvoudiging.
Klopt het dat door het SbS Package Nederland 120 miljoen euro aan belastinginkomsten misloopt? Zo ja, waren deze inkomsten reeds ingeboekt in het inkomstenkader? Kunt u het verloop van de ramingen en de bijstellingen vanaf moment van opvoeren van de inkomsten uit de Wet minimumbelasting 2024 met de Kamer delen?
Bij de invoering in 2024 is geraamd dat Pijler 2 voor een structurele opbrengst van € 466 miljoen voor Nederland zou zorgen.5 Deze inkomsten zijn met aanname van de Wet minimumbelasting 2024 definitief ingeboekt in het inkomstenkader. Sinds 2024 maken de inkomsten uit pijler 2 daarmee deel uit van het basispad. De sindsdien aangebrachte wijzigingen in de Wet minimumbelasting 2024 hadden geen budgettaire gevolgen.
Met dit IF-akkoord is de situatie veranderd. De afgesproken aanpassingen leiden tot een budgettaire derving ten opzichte van het basispad. De derving van dit akkoord is voorlopig geraamd op circa € 120 miljoen per jaar. Bij de indiening van het wetsvoorstel ter uitvoering van dit akkoord zal, zoals gebruikelijk, een herijking plaatsvinden van deze budgettaire raming.
Ondanks deze budgettaire derving ten opzichte van het basispad, blijft de geraamde opbrengst van Pijler 2 voor Nederland ruimschoots positief. De verwachting blijft dat Nederland dankzij Pijler 2 uiteindelijk beter af is doordat fiscaal gedreven investeringen en fiscaal gedreven winstverschuiving zullen afnemen. Zonder dit akkoord zou de toekomst van Pijler 2 onzeker zijn, waarbij de gehele Pijler 2-opbrengst op de tocht zou staan. Een recent rapport van de OESO laat zien dat het wereldwijde gemiddelde vennootschapsbelastingtarief sinds de afspraken over Pijler 2 nu drie jaren op rij licht is gestegen, na tientallen jaren van daling.6 In een scenario zonder Pijler 2 zou een nieuwe race naar de bodem kunnen ontstaan, met grote druk om de tarieven in de Nederlandse vennootschapsbelasting te verlagen. Gegeven de huidige opbrengsten uit de vennootschapsbelasting van bijna € 50 miljard per jaar, zou een dergelijk scenario aanzienlijke consequenties voor de schatkist hebben.
De implementatie van de anti-dwangarbeidverordening |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
De Europese anti-dwangarbeidsverordening van december 2024 treedt eind 2027 in werking, kunt u aangeven wat de definitie is van dwangarbeid in deze verordening en welke maatregelen er genomen kunnen worden als de verordening overtreden wordt?
In de Anti-dwangarbeidverordening wordt de definitie van de Internationale Arbeidsorganisatie van «dwangarbeid» gehanteerd. Deze definitie luidt «alle arbeid of diensten die worden verricht door een persoon onder dreiging van een straf en waarvoor de betrokkene zich niet vrijwillig heeft aangeboden».1 Verder bepaalt de verordening dat bij de definitie van dwangarbeid ook gedwongen kinderarbeid moet worden inbegrepen.
De Anti-dwangarbeidverordening bevat een verbod voor het op de EU-markt aanbieden of daarvandaan uitvoeren van producten gemaakt met dwangarbeid. Als uit onderzoek van de zogenaamde leidende bevoegde autoriteit blijkt dat een bedrijf het verbod schendt, wordt het bedrijf geacht de desbetreffende producten van de markt te halen. De leidende bevoegde autoriteit zal het bedrijf een bevel geven dit te doen. Wanneer het betreffende bedrijf niet in actie komt nadat het bevel is gegeven, zullen bevoegde autoriteiten (in Nederland naar verwachting markttoezichthouders) het besluit handhaven en waar nodig producten van de markt halen en sancties opleggen. Op grond van de verordening krijgt ook de Douane een rol bij de handhaving van het verbod. De Douane wordt verantwoordelijk voor het aan de grens tegenhouden van producten waarvan is vastgesteld dat ze gemaakt zijn met dwangarbeid.
De Europese Commissie zal optreden als leidende bevoegde autoriteit bij vermoedens van producten gemaakt met dwangarbeid buiten de EU. Lidstaten, in het bijzonder de leidende bevoegde autoriteiten, zijn verantwoordelijk voor onderzoek en besluitvorming in gevallen van dwangarbeid binnen de eigen grenzen.
Kunt u aangeven hoe u deze verordening gaat implementeren om te voorkomen dat er in Nederlandse ketens sprake is van dwangarbeid?
De Anti-dwangarbeidverordening is landenneutraal en kan dus ook in Nederland eventuele misstanden tegengaan. Europese verordeningen zijn na inwerkingtreding als wet van toepassing in EU-lidstaten. Deze behoeven dan ook op zich zelf geen implementatie in Nederlandse wet- en regelgeving, en van aanvullende nationale beleidskeuzes is geen sprake. Wel moet er een uitvoeringswet komen. Vanaf 14 december 2027 is de Anti-dwangarbeidverordening in zijn geheel van toepassing en gaan de regels gelden voor bedrijven. Het kabinet werkt momenteel aan het inregelen van de uitvoering van de verordening door middel van een uitvoeringswet en bijbehorende memorie van toelichting. De uitvoeringswet ziet enkel toe op het aanwijzen van de bevoegde autoriteiten, het vastleggen van hun toezichts- en handhavingsbevoegdheden en het regelen van mogelijkheden voor samenwerking tussen bevoegde autoriteiten.
Het kabinet vindt het belangrijk om de Anti-dwangarbeidverordening uit te voeren op een manier die een zinvolle aanvulling is op het bestaande kader voor de bestrijding van dwangarbeid en arbeidsuitbuiting.
Daarnaast biedt het kabinet informatie en ondersteuning voor het bedrijfsleven. In oktober 2025 organiseerden het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een bijeenkomst voor het bedrijfsleven over de Anti-dwangarbeidverordening. Ook kunnen bedrijven terecht bij het MVO-steunpunt (belegd bij RVO) en zijn er een factsheet en flowchart beschikbaar die de inhoud van de verordening verder inzichtelijk maken.2
Het kabinet is voornemens in het voorjaar van 2026 de conceptuitvoeringswet en memorie van toelichting in consultatie te geven. Tijdens de consultatieperiode zullen de bevoegde autoriteiten ook verzocht worden om een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets te doen.
Op 14 december 2025 had duidelijk moeten zijn welke autoriteiten aangewezen worden om de wet te handhaven, kunt u aangeven welke autoriteit(en) door het kabinet zijn aangewezen voor deze toezichthoudende taken?
Lidstaten hadden tot uiterlijk 14 december 2025 om de beoogde bevoegde autoriteiten kenbaar te maken bij de Europese Commissie. Voor de handhaving van het verbod – nadat is vastgesteld dat producten gemaakt zijn met dwangarbeid – heeft het kabinet reeds vier markttoezichtouders genotificeerd bij de Europese Commissie onder voorbehoud van de door hen uit te voeren uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoetsen: de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Zij worden verantwoordelijk voor de handhaving voor producten waarvoor zij op grond van bestaande wetgeving al een taak hebben. Het gesprek over de rol van de leidende bevoegde autoriteit en welke partij daarvoor het meest geschikt is, loopt nog. De beoogde bevoegde autoriteiten worden formeel pas aangewezen in de uitvoeringswet.
Uit contacten met andere lidstaten blijkt dat ook zij in de meeste gevallen, net als Nederland, nog geen leidende bevoegde autoriteit hebben genotificeerd. Uiteraard wordt getracht hierover zo spoedig mogelijk helderheid te geven aan de Europese Commissie. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de gesprekken met potentiële partijen geïntensiveerd.
Kunt u daarbij uiteenzetten welke taken bij welke instantie of instanties worden belegd?
De leidende bevoegde autoriteit heeft de verantwoordelijkheid te onderzoeken of het verbod uit de Anti-dwangarbeidverordening is geschonden. Dit onderzoek bestaat uit het beoordelen van signalen over dwangarbeid (bijvoorbeeld ingediende informatie), het uitvoeren van het onderzoek naar dwangarbeid en waar nodig het nemen van een besluit. Dit besluit bevat een bevel om producten uit de handel te nemen of te verwijderen. Wanneer de vermoedelijke dwangarbeid buiten de EU plaatsvindt, is de Europese Commissie de leidende bevoegde autoriteit. Binnen de EU wordt per lidstaat een leidende bevoegde autoriteit aangewezen.
Als bedrijven zich niet op tijd aan het besluit van de verantwoordelijke leidende bevoegde autoriteit houden, zullen bevoegde autoriteiten het besluit handhaven. Zij zorgen ervoor dat de producten niet langer verhandeld worden en nemen waar nodig producten uit de handel of zorgen dat ze worden verwijderd. Vooralsnog zijn voor deze rol vier markttoezichthouders genotificeerd, zoals ook beschreven bij de beantwoording van vraag 3. De Douane wordt verantwoordelijk voor het aan de grens tegenhouden van producten waarvan is vastgesteld dat ze gemaakt zijn met dwangarbeid.
Klopt het dat de Nederlandse Arbeidsinspectie hierbij de voor de hand liggende autoriteit is om vast te stellen of er sprake is van dwangarbeid op de werkplek? Zo nee, waarom niet en welke autoriteit is in dat geval wel de partij die dwangarbeid op de werkplek vast kan stellen?
Het ligt inderdaad voor de hand dat de Arbeidsinspectie vast stelt of sprake is van dwangarbeid. De Arbeidsinspectie heeft aangeboden die taak op zich te nemen, onder het voorbehoud van een positieve uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets. De rol van de leidende bevoegde autoriteit is echter breder. De leidende bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor het beoordelen van ingediende informatie, het uitvoeren van onderzoeken en het nemen van besluiten of het verbod uit de Anti-dwangarbeidverordening is geschonden. Het gesprek over de rol van de leidende bevoegde autoriteit en welke partij daarvoor het meest geschikt is, loopt nog.
Uw Kamer wordt via de geannoteerde agenda’s voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel op de hoogte gehouden over de inrichting van het toezicht op de Anti-dwangarbeidverordening.
Kunt u de vragen separaat beantwoorden?
Ja.
De protesten in Iran |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op de protesten tegen het regime van Iran, waar onder meer Euronews over bericht?1
Het kabinet staat pal achter het Iraanse volk en diens recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzaam protest. De situatie in Iran is ernstig: vreedzame demonstranten worden met harde hand onderdrukt en er zijn al vele dodelijke slachtoffers gevallen. Het kabinet roept het Iraanse regime dan ook dringend op het geweld te staken, alle onterecht gevangengenomen personen vrij te laten en de toegang tot het internet volledig te herstellen.
Deelt u de mening dat deze protesten steun verdienen van de Nederlandse regering? Is de premier bereid om per direct steun uit te spreken voor het Iraanse volk en alle pogingen om de vreedzame protesten te onderdrukken te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de protesten steun verdienen van de Europese Unie (EU)? Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een gezamenlijk statement? Zo nee, waarom niet?
Op 9 januari jl. is een verklaring uitgegaan waarin de EU haar solidariteit uitspreekt met het Iraanse volk in hun legitieme streven naar een beter leven, vrijheid en waardigheid. In de verklaring veroordeelt de EU het gebruik van geweld, willekeurige arrestaties en intimidatie door veiligheidstroepen tegen demonstranten, en roept op tot de onmiddellijke vrijlating van allen die onterecht zijn vastgehouden. Daarnaast dringt de EU er bij de Iraanse autoriteiten op aan hun internationale verplichtingen na te komen, fundamentele vrijheden te respecteren en de toegang tot informatie, inclusief internettoegang, te herstellen.
Daarenboven zet het kabinet zich in voor verdere mensenrechtensancties tegen Iran en voor de terrorisme-listing van de Islamitische Revolutionaire Garde.
Op welke manier zet u zich er voor in, ook in EU-verband, dat Iraniërs hun grondrechten, zoals het recht op vrije meningsuiting en vergadering, kunnen uitoefenen? Bent u bereid om uw inzet hierop te vergroten? Zo nee, waarom niet?
De mensenrechtensituatie in Iran is al lange tijd zorgwekkend. Nederland zet zich actief en structureel in voor de mensenrechten in Iran, zowel vóór als achter de schermen. Nederland is bovendien al langer van mening dat de Islamitische Revolutionaire Garde op de EU-terreurlijst thuishoort en dat er sancties moeten worden opgelegd aan personen en organisaties die mensenrechten schenden en de bevolking onderdrukken, onder meer door communicatiekanalen af te sluiten.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat op 13 januari 2026 van de Raad Buitenlandse Zaken van 29 januari 2026?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.