Het bericht 'Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: ‘Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht’' |
|
Peter de Groot (VVD), Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: «Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht»»1?
Klopt het dat in 2025 slechts twee procent van de investeringen in de woningbouw door institutionele beleggers (zoals pensioenfondsen) uit het buitenland kwam? Hoe hoog is dat percentage in andere landen?
Hoeveel investeringen zijn de komende jaren nodig om te zorgen voor voldoende woningbouw in Nederland?
Hoeveel huurwoningen hebben buitenlandse en binnenlandse investeerders toegevoegd in 2023 en 2024?
Hoeveel investeringen zijn momenteel afkomstig uit kapitaal van binnenlandse institutionele beleggers? Is het uw verwachting dat binnenlandse investeringen door institutionele beleggers alle noodzakelijke investeringen in de woningbouw kunnen dekken de komende jaren?
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, wat bent u van plan om te doen om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om te investeren in de woningbouw in Nederland?
Welke stappen zijn er de afgelopen twee jaar gezet om Nederland aantrekkelijk te houden voor buitenlandse en binnenlandse investeerders?
Kunt u bevestigen dat de opmerking over de vennootschapsbelasting in het in vraag 1 genoemde artikel de wijziging van het regime voor de fiscale beleggingsinstelling («fbi») per 1 januari 2025 betreft? Zo nee, op welke wetswijziging ziet de opmerking dan?
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling is omvorming naar een fiscaal transparante structuur genoemd als een werkbaar alternatief voor onder andere pensioenfondsen, klopt het dat voor buitenlandse (zowel EU als non-EU) pensioenfondsen het verkrijgen van een subjectieve vrijstelling voor de vennootschapsbelasting ingewikkeld is? Wat zijn de criteria en hoe toetst de Belastingdienst deze criteria?
Hoeveel verzoeken heeft de Belastingdienst hiervoor ontvangen en wat is hiervan de gemiddelde doorlooptijd? Welk aandeel van de verzoeken is toegewezen en welk aandeel van de verzoeken is afgewezen?
Maakt de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 het investeren in Nederlandse woningbouw minder aantrekkelijk voor buitenlandse (institutionele) investeerders, zoals buitenlandse pensioenfondsen, dan voor Nederlandse pensioenfondsen die een subjectieve vrijstelling genieten?
Welke alternatieven die zijn aangedragen tijdens het wetgevingsproces rondom de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 hadden voor minder impact op buitenlandse investeringen in Nederlandse woningbouw gezorgd? Waarom is bij het wetsvoorstel niet gekozen voor één van die alternatieven? In hoeverre zouden buitenlandse (private) investeringen de noodzaak voor publieke investeringen in de woningbouw kunnen vervangen?
Deelt u de mening dat dit probleem met «een paar pennenstreken» opgelost kan worden?
Welke andere recent genomen fiscale maatregelen maken het potentieel minder aantrekkelijk om te investeren in Nederlandse woningbouw?
Kan de strenge Nederlandse implementatie van de earningsstrippingmaatregel uit ATAD 1 bijvoorbeeld een dempend effect hebben op investeringen in de woningbouw? Wat is de impact van het 8%-tarief in de overdrachtsbelasting voor woningen? Hoe verhoudt dit tarief zich tot andere EU-lidstaten waar buitenlandse investeerders kunnen investeren in de woningbouw en het EU gemiddelde op dit punt?
Speelt de omzetbelasting nog een rol bij nieuwe woningen? Hoe verhoudt de Nederlandse omzetbelasting zich bijvoorbeeld tot de Italiaanse omzetbelasting bij de verkoop van nieuwe woningen?
Bereiken u in algemene zin signalen dat buitenlandse investeerders in toenemende mate afzien van het investeren in Nederlandse woningen vanwege in het recente verleden doorgevoerde, snel opvolgende wijzigingen in fiscale en juridische wet- en regelgeving en een als gevolg hiervan toenemende onvoorspelbaarheid van deze wet- en regelgeving voor deze buitenlandse investeerders?
Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren? Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor binnenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren?
Kunt u in navolging op de Kamerbrief van uw ambtsvoorganger van 7 juni 2024, kamerstuknummer 2024-0000341126 een REIT-regime verder laten uitwerken?
Heeft u kennisgenomen van het nieuwe internationale Oxfam-rapport «Resisting the Rule of the Rich: Defending Freedom Against Billionaire Power» en het nationale onderzoek van Oxfam Novib «Rijker dan ooit, machtiger dan ooit. De politieke invloed van de rijken in Nederland»?
Ja.
Wat vindt u ervan dat wereldwijd het gezamenlijke vermogen van miljardairs inmiddels is gestegen tot 18,3 biljoen dollar, terwijl tegelijkertijd bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft?
Het is schrijnend dat bijna de helft van de wereldbevolking in armoede leeft.
Wat vindt u ervan dat de tein procent rijkste huishoudens meer dan de helft (56 procent) van het vermogen bezitten, terwijl de armste helft van het land maar twee procent van het vermogen bezit? Wat vindt u ervan dat in Nederland de rijkste 500 personen circa negen procent van het totale huishoudvermogen bezitten, terwijl zij slechts 0,003 procent van de bevolking uitmaken?
Vermogen is per definitie scheef verdeeld, veel schever dan inkomen. Dat is overal ter wereld zo en een logisch gevolg van het feit dat anders dan inkomen, vermogen gedurende de levensloop van mensen wordt opgebouwd. Het IBO Vermogensverdeling dat op 8 juli 2022 naar de Tweede Kamer is gestuurd, laat zien 40% van de scheefheid in de vermogensverdeling hiermee verklaard wordt. De inkomensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien laag en stabiel en volgens het CBS is de vermogensongelijkheid in Nederland in de periode 2011-2024 gedaald. In 2024 bedroeg de Gini-coëfficiënt voor de vermogensongelijkheid in Nederland 0,73 en in 2011 was dit 0,78. Verder geldt dat de vermogensongelijkheid in Nederland kleiner is als het collectief opgebouwde pensioenvermogen wordt meegenomen. Ook is de vermogensongelijkheid in Nederland internationaal gezien niet opvallend. Zo hebben vergelijkbare landen als Duitsland en Zweden een veel grotere vermogensongelijkheid dan Nederland. Dat laten cijfers van het World Inequality Lab ook zien. Ten slotte geldt dat Nederland een internationaal gezien uitgebreide collectieve voorzieningen heeft zoals een goed functionerend vangnet voor mensen die dat nodig hebben, een toegankelijk zorgstelsel en een adequaat minimumloon.
In het IBO-Vermogensverdeling wordt ook aangegeven dat een zekere mate van vermogensongelijkheid een kenmerk is van een gezonde, concurrerende economie. Dit biedt prikkels om ondernemingen te starten of te investeren in ondernemingen wat goed is voor de economische dynamiek. Ondernemen, investeren en beleggen brengt risico met zich mee en waarbij het vermogen van sommige huishoudens toeneemt terwijl dat van andere huishoudens afneemt. Ten slotte wordt aangegeven dat er economisch gezien geen optimaal getal voor vermogen of de vermogensverdeling valt te geven.
Deelt u de zorg dat deze mate van vermogensconcentratie kan leiden tot onevenredige politieke invloed van een zeer kleine groep burgers? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat vermogende Nederlanders meer invloed hebben op de democratische besluitvorming? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet. Oxfam Novib trekt de conclusies van Oxfam ten aanzien van de rijksten ter wereld en de politieke ontwikkelingen in de VS direct door naar de situatie in Nederland. Dit is te kort door de bocht. Allereerst is de vermogensongelijkheid in Nederland gedaald in de periode 2011–2024 en de vermogensongelijkheid in Nederland is internationaal gezien niet opvallend. Ten tweede betalen ook de zeer vermogenden net als andere personen en huishoudens in Nederland progressieve belasting over hun arbeids- en pensioeninkomen in box 1 (plus het eigenwoningforfait over hun eigen huis) en belasting over hun vermogen in box 2 respectievelijk box 3 van de inkomstenbelasting. Ten derde zijn er geen aanwijzingen dat de politieke invloed van zeer vermogenden in Nederland de laatste jaren is toegenomen. In onze democratie geldt de belofte dat elke stem telt, ongeacht bijvoorbeeld achtergrond, woonplaats of vermogen, en dat er oog is voor de verschillende belangen bij democratische besluitvorming. Dat vermogen zou leiden tot meer invloed op democratische besluitvorming is in dat kader onwenselijk. Onze democratie kent dan ook meerdere waarborgen om evenwichtige democratische besluitvorming te bevorderen, zoals de regels omtrent giften aan politieke partijen waarbij een maximumbedrag geldt, zoals toegelicht onder antwoord 5 en antwoord 9. Het kabinet neemt daarnaast meerdere maatregelen, zoals toegelicht onder antwoord 6 en antwoord 10, die onder meer bijdragen aan transparantie van invloed in democratische besluitvormingsprocessen.
Hoe kijkt u aan tegen de bevinding dat in het verkiezingsjaar 2025 elf (voormalige) Quote-500-leden of hun bedrijven verantwoordelijk waren voor 20 procent van alle grote giften aan politieke partijen?
Op grond van de Wet financiering politieke partijen (Wfpp) is het elke Nederlander toegestaan om per jaar in totaal ten hoogste € 100.000,– te doneren aan een politieke partij (art. 29b Wfpp). Dit geldt ook voor personen die genoemd worden in de Quote-500 en hun bedrijven. Het is belangrijk dat het risico op (de schijn van) belangenverstrengeling en ongewenste financiële beïnvloeding wordt voorkomen. Tegelijkertijd is het voor politieke partijen ook belangrijk dat hen ruimte wordt gelaten om fondsen te werven ten behoeve van bijvoorbeeld campagne-uitgaven. Fondsen werven is ook een vorm van politieke participatie. Dit vergt een zeker evenwicht. Daarom is er een giftenmaximum vastgesteld op 100.000 euro.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming te voorkomen?
Het kabinet neemt verschillende maatregelen om een gelijk speelveld te creëren voor alle soorten belangen en om evenwichtige politieke besluitvorming te bevorderen. Zo gelden er regels om giften aan politieke partijen transparant te maken: substantiële giften moeten worden gemeld en er geldt een giftenmaximum van 100.000 euro dat gedoneerd kan worden. Verder werkt het kabinet aan het vergroten van de transparantie van belangenbehartiging door middel van de openbare agenda’s van bewindspersonen en de advies- en consultatieparagrafen in memories van toelichting bij nieuwe wetgeving. In de gedragscode integriteit bewindspersonen staat dat Ministers en Staatssecretarissen in hun contacten met derden transparantie nastreven. De Europese verordening inzake transparantie en gerichte politieke reclames is inmiddels ook in werking getreden, waarmee transparantie-eisen worden gesteld aan politieke reclames. Tot slot wordt binnen Europa nog onderhandeld over de transparantierichtlijn uit het Defence of Democracy Package, die erop gericht is om belangenvertegenwoordigingsactiviteiten namens derde landen transparant te maken.
Zijn deze maatregelen volgens u voldoende? Zo ja, kunt u dat toelichten?
In samenhang zorgen deze maatregelen ervoor dat belangenvertegenwoordiging transparant is, politieke besluitvorming evenwichtig en onevenredige invloed op beleid wordt beperkt. Hier zou ik nog aan willen toevoegen dat belangenvertegenwoordiging tweerichtingsverkeer is: dit gaat niet alleen over de inrichting van publieke besluitvormingsprocessen, maar ook over het gedrag van individuen (belanghebbenden en overheidsfunctionarissen). Het is een belangrijke verantwoordelijkheid van bewindspersonen om met alle belanghebbenden en betrokkenen te spreken alvorens zij een besluit nemen. En belangenvertegenwoordigers zouden transparant moeten zijn over de belangen die zij vertegenwoordigen, ten bate van besluitvorming in het algemeen belang.
Welke aanvullende maatregelen zijn wat u betreft mogelijk om onevenredige invloed van vermogende individuen en grote bedrijven op politieke besluitvorming tegen te gaan?
Zoals uit het voorgaande blijkt, gelden al diverse maatregelen die onevenredige invloed beogen te voorkomen. Ik zie geen noodzaak tot aanvullende maatregelen.
Deelt u de mening dat het verlagen van het toegestane maximum aan giften en een verbod op donaties van rechtspersonen bijdragen aan het beperken van de invloed op politieke besluitvorming door vermogende individuen en bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Bij de behandeling van de Evaluatiewet Wfpp heeft de Kamer een amendement over het uitsluitend toestaan van giften van natuurlijke personen verworpen. Er bestond destijds onvoldoende politiek draagvlak voor een dergelijke maatregel.1 Om deze reden is in het bij uw Kamer aanhangige voorstel van wet houdende de Wet op de politieke partijen geen voorstel van deze strekking opgenomen. Uit het door uw Kamer uitgebrachte verslag blijkt evenwel dat er in uw Kamer ook fracties zijn die op dit punt een extra stap zouden willen zetten. Mocht ertoe worden besloten dat politieke partijen geen giften van rechtspersonen mogen aannemen, dan heeft dit uiteraard wel als consequentie dat politieke partijen daardoor minder eigen inkomsten zullen kunnen vergaren.
Het giftenmaximum is pas recent in de regelgeving voor de financiering van politieke partijen opgenomen.2 Ook het verlagen van het toegestane maximum aan giften heeft als gevolg dat de financiële speelruimte van politieke partijen wordt beperkt. De regering acht het van belang om proportionele maatregelen te treffen ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding van politieke partijen, maar wil politieke partijen en burgers niet overmatig beperken in hun mogelijkheden tot het geven van giften. Volgens de regering is met het huidig wettelijk kader een balans gevonden tussen toezicht en controle enerzijds en de vrijheid van vereniging anderzijds.
Deelt u de mening dat een lobbyregister van belang is om de transparantie te vergroten en om daarmee te voorkomen dat vermogende individuen en bedrijven eenvoudiger toegang hebben tot de politieke besluitvorming dan minder vermogende personen? Zo nee, waarom niet?
Een lobbyregister kan helpen om inzichtelijk te maken wie waarover met beleidsmakers praat en wat vervolgens met hun inbreng is gedaan in het besluitvormingsproces. Zo kan een register inzicht geven in het speelveld van alle belangen, transparantie bevorderen en verantwoording mogelijk maken over de weging van alle inbreng. Een lobbyregister is evenwel geen panacee. In maart 2025 nam de Kamer de motie Dassen/Van Waveren aan die het kabinet verzoekt om zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel tot een lobbyregister naar Iers model naar de Kamer te sturen, zodat dit uiterlijk 1 september 2026 in werking kan treden (Kamerstukken II 2024/25, 28 844, nr. 293). Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de uitvoering van de motie aan het volgende kabinet laat.
Deelt u de mening dat mondiale politieke ontwikkelingen, waaronder het beleid van de Verenigde Staten, internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing onder druk zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen onderneemt u om tegenwicht te bieden aan deze ontwikkelingen?
De recente mondiale politieke ontwikkelingen hebben internationale samenwerking op het gebied van eerlijke belastingheffing inderdaad niet makkelijker gemaakt. Tegelijkertijd zien we in de praktijk dat internationale samenwerking binnen de OESO en EU onverminderd wordt doorgezet. Dit geldt voor bestaande afspraken en onderhandelingen over nieuwe afspraken. Nederland zal zich altijd blijven inzetten voor internationale samenwerking. Zo was de Nederlandse inzet in de recente onderhandelingen in het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) en het zogenoemde «Side-by-Side-pakket» erop gericht om de oorspronkelijke doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen. Die doelstellingen zijn het stellen van een ondergrens aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten te verplaatsen naar jurisdicties die weinig belasting heffen.3 Op 5 januari is in het OESO Inclusive Framework een akkoord bereikt over het Side-by-Side-pakket, waarmee de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen overeind kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband.4
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels ondermijnen?
Ik ben het ermee eens dat internationale belastingontwijking en onderbelasting van grote vermogens de ongelijkheid in de wereld vergroten en het draagvlak voor belastingstelsels kan ondermijnen. Daarom is hier aandacht voor in internationale gremia als de G20 en bij de OESO. Nederland stelt zich actief in alle internationale gremia in zowel de agendering als de gesprekken over de aanpak van belastingontwijking en ongelijkheid.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de Nederlandse inzet binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken, waaronder de implementatie en aanscherping van de internationale minimumbelasting, en aangeven welke aanvullende stappen Nederland bereid is te zetten om zijn rol als doorstroomland verder af te bouwen?
Voor een actuele stand van zaken van de Nederlandse inzet binnen de lopende trajecten binnen de Europese Unie en de OESO om belastingontwijking door multinationals verder aan te pakken verwijs ik naar mijn brief van 15 december 2025 over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking.5 In het bijzonder heb ik uw Kamer daarnaast recent geïnformeerd over het akkoord van het OESO Inclusive Framework over de wereldwijde minimumbelasting voor multinationale ondernemingen (Pijler 2) in de vorm van het zogenoemde «Side-by-Side-pakket», inclusief de Nederlandse inzet en appreciatie.6 De Nederlandse inzet was, zoals hierboven ook benoemd, erop gericht om de doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen en afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Het kabinet neemt altijd het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband als uitgangspunt. Er zijn de afgelopen jaren al veel stappen genomen om geldstromen via Nederland naar laagbelastende jurisdicties te voorkomen. Op dit moment werkt de Europese Commissie aan een hernieuwd initiatief om de Richtlijn tegengaan fiscaal misbruik lege vennootschappen (Unshell) om te vormen. Het kabinet heeft de voorkeur om daarop te wachten. Het uiteindelijk effectief aanpakken van doorstroomvennootschappen is immers enkel mogelijk via een EU(of bredere)-aanpak
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Ouders die schreeuwen of duwen: leraren geconfronteerd met onaanvaardbaar gedrag' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente bericht van RTL Nieuws over grensoverschrijdend gedrag van ouders richting leraren?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevinding dat zeker 300 basisscholen de afgelopen vijf jaar te maken hebben gehad met grensoverschrijdend gedrag van ouders richting leraren?
Het is onacceptabel dat sommige ouders grensoverschrijdend gedrag vertonen richting onderwijspersoneel. Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid en de school hoort een veilige plek te zijn voor medewerkers. Scholen hebben daarnaast een taak om te investeren in een goede relatie tussen school en ouders.
Bovenal roep ik ouders op om respectvol met onderwijspersoneel om te gaan. Het is volkomen begrijpelijk dat je als ouder soms zorgen hebt, en die moet je te allen tijde kunnen bespreken met de school. Maar dat is nooit een reden voor grensoverschrijdend gedrag. Bij ernstige incidenten kan de school ouders de toegang tot de school ontzeggen en overgaan tot aangifte.
Is er structureel onderzoek gedaan naar de toename van grensoverschrijdend gedrag van ouders richting docenten? Of wordt hier momenteel onderzoek naar gedaan?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gebruikt de Landelijke Veiligheidsmonitor2 om de veiligheidsbeleving van leerlingen en personeel in het funderend onderwijs te meten en zicht te hebben op de (sociale) veiligheid op scholen. Momenteel wordt gewerkt aan de herziening en wettelijke verankering van de Landelijke Veiligheidsmonitor. Het wetsvoorstel wordt in het eerste kwartaal van dit jaar aan uw Kamer aan geboden. De eerstvolgende editie van de Landelijke Veiligheidsmonitor wordt naar verwachting in het schooljaar 2027–2028 uitgevoerd.
Uit de laatste editie van de Landelijke Veiligheidsmonitor blijkt dat er in de periode 2021–2022 een lichte toename in het aantal geweldsincidenten onder leerlingen en personeel was, waarbij verbaal geweld het vaakst voorkwam. Hierbij geeft 17% van personeel primair onderwijs (po) en 28% personeel voortgezet onderwijs (vo) aan eenmaal per maand soms of vaker geconfronteerd te worden met een incident. Dit percentage was bij zowel po- als vo-personeel zes procentpunt gestegen ten opzichte van 2020–2021.3
Bovendien is bekend dat bij zowel po- als vo-personeel, als zij slachtoffer worden van grensoverschrijdend gedrag, de dader van het incident in iets minder dan twintig procent van de gevallen een familielid van een leerling was. Er was een significante stijging van het aantal vo-docenten dat gepest werd door familieleden van leerlingen zichtbaar: van 10 procent in 2021 naar 23 procent in 2022. In het po waren geen significante verschillen hierin te zien.4
Herkent u het beeld dat het gedrag van ouders zorgt voor minder werkplezier en een toename van de werkdruk voor docenten?
In 2023 is onderzoek gedaan naar de vertrekredenen van leraren in het po, vo en mbo. Ongewenst gedrag van ouders werd niet genoemd als reden om te stoppen met het werken in het onderwijs.5
Is u bekend of dit gedrag een van de redenen is dat docenten stoppen met werken in het onderwijs? Zo ja, hoe groot is deze groep docenten die vanwege grensoverschrijdend gedrag van ouders stopt?
Zie antwoord vraag 4.
Is de toename van grensoverschrijdend gedrag van ouders meer zichtbaar in het primair onderwijs of in het voortgezet onderwijs?
Zie het antwoord op vraag 3.
Is bekend of docenten zich voldoende gesteund voelen door schoolbesturen en schoolleiders in situaties van grensoverschrijdend gedrag door ouders? Welke ruimte ziet u om docenten te ondersteunen bij het omgaan met agressief of grensoverschrijdend gedrag van ouders?
Schoolbesturen en schoolleiders moeten achter hun medewerkers gaan staan als er grensoverschrijdend gedrag plaatsvindt. Daarnaast roept het kabinet scholen altijd op om aangifte te doen als er een vermoeden is van een strafbaar feit. Hierbij ondersteunt het ministerie de PO-Raad en de VO-raad met een projectsubsidie om te investeren in de relatie tussen ouders en school. Daarnaast is Stichting School & Veiligheid er om scholen te ondersteunen bij het bevorderen van een sociaal veilig schoolklimaat.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs worden de eisen aan het veiligheidsbeleid van scholen versterkt. Daarmee wordt onder meer geregeld dat er interne en externe vertrouwenspersonen op scholen komen, veiligheidsincidenten worden geregistreerd en dat er een jaarlijkse evaluatieverplichting van het veiligheidsbeleid moet plaatsvinden. Ook moeten scholen een veiligheidscoördinator aanstellen die het veiligheidsbeleid coördineert. Hiermee wordt gezorgd voor beter zicht op de veiligheid, betere ondersteuning en begeleiding en goede evaluatie.
De beoogde inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is opgeschoven naar 1 augustus 2027. De eerder beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 augustus 2026 is niet langer haalbaar. Het moment van plenaire behandeling, in combinatie met de tijd die scholen nodig hebben om de wet zorgvuldig te implementeren en de onderlinge samenhang tussen de verschillende maatregelen, maakt dat een implementatie op z’n vroegst per 1 augustus 2027 mogelijk is. Het schooljaar 2026–2027 benutten we daarom om scholen goed voor te bereiden op de komst van de wet. Ik roep scholen dan ook op om niet te wachten met het aan de slag gaan met de maatregelen uit het wetsvoorstel.
Is bekend hoeveel scholen een protocol hebben opgesteld gericht op het omgaan met grensoverschrijdend gedrag van ouders? Hoe beoordeelt u het feit dat scholen protocollen voor de omgang met dit gedrag hebben?
Het opstellen van zulke protocollen zou eigenlijk niet nodig hoeven zijn, maar het kan desondanks goed zijn om met elkaar regels af te spreken om zo te weten wat je van elkaar verwacht. Dit helpt de relatie tussen ouders en leraren. In 2022 gaf ongeveer 90% van de schoolleiders aan dat de school een veiligheidsplan had. Personeelsleden die aangaven dat er expliciete gedragsregels voor personeel zijn, gaven onder andere aan dat omgang met ouders/verzorgers van leerlingen (po: 65%, vo: 64%) een onderwerp is waarover gedragsregels zijn opgesteld.6
De Marokkaanse rellen in Den Haag en Amsterdam. |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de gewelddadige rellen in Den Haag en Amsterdam na het verlies van Marokko in de finale van de Afrika Cup, waarbij auto’s in brand werden gestoken en politieagenten met zwaar vuurwerk werden bekogeld?1
Ja.
Zijn al deze Marokkaanse relschoppers opgepakt en worden zijn na een veroordeling gedenaturaliseerd en Nederland uitgezet?
Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om strafbare feiten te onderzoeken en, waar mogelijk, verdachten aan te houden en te vervolgen. Over lopende opsporingsonderzoeken en individuele zaken kan geen nadere informatie worden verstrekt.
In algemene zin kan worden aangegeven dat Nederlanderschap als hoofdregel niet vanwege een strafrechtelijke veroordeling kan worden ontnomen. De uitzonderingen vormen de ernstige misdrijven opgesomd in artikel 14, tweede lid van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Naast een individuele afweging, is randvoorwaarde bovendien dat door intrekking geen staatloosheid ontstaat.
Deelt u de mening dat Marokkanen die zich zo verbonden voelen met Marokko, maar lekker in Rabat moeten gaan wonen en daar moeten gaan rellen? Kunt u dat deze week nog in de Schilderswijk gaan vertellen?
Het kabinet maakt geen onderscheid naar afkomst of nationaliteit bij de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Iedereen in Nederland heeft zich te houden aan de wet. De verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde ligt bij de lokale autoriteiten, in het bijzonder de burgemeester en de politie. Het kabinet blijft, samen met gemeenten en ketenpartners, inzetten op het voorkomen en bestrijden van ordeverstoringen en op het versterken van sociale cohesie in wijken.
Kunt u bevestigen dat personen met een Marokkaanse migratieachtergrond oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitsstatistieken en in de uitkeringsafhankelijkheid? Zo ja, waarom wordt hier niet keihard tegen opgetreden?
CBS-cijfers laten zien dat het aandeel verdachten onder personen met een Marokkaanse migratieachtergrond hoger ligt dan onder de totale bevolking. De oververtegenwoordiging van personen met een Marokkaanse migratieachtergrond in verdachtenstatistieken betreft met name de tweede generatie. In absolute zin neemt het aantal verdachten onder personen met een Marokkaanse migratieachtergrond overigens al jaren af: van 74 per 1000 in 2005 naar 27 per 1000 in 20242. De daling doet zich voor onder zowel de eerste als de tweede generatie.
Uit onderzoek van de Risbo-Erasmus Universiteit uit 2023 blijkt tevens dat de oververtegenwoordiging van personen met een Marokkaanse migratieachtergrond in verdachtenstatistieken voor bijna de helft wordt verklaard door algemene factoren zoals het verschil in huishoudinkomen, opleidingsniveau en leeftijd en niet door de specifieke migratieachtergrond. Er is een ontwikkeling zichtbaar naar steeds meer evenredigheid in het aandeel verdachten onder personen met een Marokkaanse migratieachtergrond.3
De uitkeringsafhankelijkheid is met name hoog onder personen met een Marokkaanse migratieachtergrond van de eerste generatie. In 2024 is 18,1 procent van de eerste generatie afhankelijk van de bijstand. De bijstandsafhankelijkheid van de tweede generatie ligt met 4,7 procent net iets boven het totaal van de Nederlandse bevolking (3,3 procent).4
Statistieken laten zien dat in bepaalde groepen verschillen kunnen voorkomen, maar deze worden beïnvloed door diverse sociale, economische en historische factoren. Het is belangrijk om niet te generaliseren over een gehele bevolkingsgroep. Optreden tegen strafbare feiten gebeurt altijd individueel, proportioneel en binnen het kader van de wet. De overheid werkt continu aan integratie, preventie en handhaving, waarbij rechten en plichten voor iedereen gelden.
Bent u het ermee eens dat jarenlang openzetten van de grenzen en het massaal toelaten van migranten uit Marokko en andere niet-westerse landen heeft geleid tot de vorming van islamitische no-go zones?
In alle wijken en gemeenten in Nederland zijn de politie, justitie en andere overheidsinstanties toegankelijk, bevoegd en actief. De overheid baseert beleid om de veiligheid en de openbare orde te bevorderen op feitelijke analyse. Het wordt vormgegeven middels in integrale aanpak waarbij repressieve maatregelen hand in hand gaan met wijkgerichte handhaving en sociale interventies.
Bent u bereid om per direct een stop in te stellen voor nieuwe migranten uit Marokko en alle Marokkanen die de openbare orde verstoren of strafbare feiten plegen, na een veroordeling te denaturaliseren en uit Nederland te zetten?
Het Nederlandse migratiebeleid is gebaseerd op individuele beoordeling en rechtsstatelijkheid. Personen die de wet overtreden, worden vervolgd en bestraft binnen de wettelijke kaders. Collectieve maatregelen op basis van nationaliteit zijn niet toegestaan. Het kabinet blijft inzetten op een streng, rechtvaardig en handhaafbaar asiel- en migratiebeleid binnen de rechtsstatelijke kaders.
Wilt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
Voor de beantwoording van deze Kamervragen is de gebruikelijke termijn gehanteerd, teneinde een zorgvuldige beantwoording te waarborgen.
Spraakherkenningshulpmiddelen en tolken in relatie tot het onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Moes |
|
|
|
|
Wat is er gebeurd met uw toezegging in antwoord op onze Kamervragen in augustus 20251 waarin u zegt «VWS en OCW gaan samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging van Siméa, FODOK en Dovenschap in gesprek over welke (aanvullende) behoefte er bij leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het onderwijsdomein en bekijken wat er eventueel nodig is om dat mogelijk te maken.»? Hebben deze gesprekken plaatsgevonden? Welke (aanvullende) behoeften zijn er bij leerlingen en studenten? Hoe gaat u hier samen met genoemde instanties aan werken?
De contacten voor deze gesprekken zijn gelegd. De inzet is om hier dit voorjaar met elkaar afspraken over te maken, zoals eerder toegezegd in de antwoorden op de vragen van uw Kamer van augustus jl.2 Voor de zomer zullen de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik uw Kamer informeren over de opbrengst van deze gesprekken.
Zijn in deze gesprekken ook slechthorende en dove leerlingen en studenten zelf bevraagd zodat hun ervaringen meegenomen worden? Bent u bereid ervaringsdeskundige leerlingen en studenten ook structureel te betrekken bij uw beleid rondom toegankelijkheid van het onderwijs? Zo ja, op welke manier?
Zeker, het is heel belangrijk om bij de gesprekken in het voorjaar het perspectief van ervaringsdeskundigen – bijvoorbeeld via Dovenschap en Fodok – mee te nemen. Zij brengen ervaringskennis in van de gebruikers van spraakherkenningshulpmiddelen.
Bent u het met ons eens dat zowel de toegang tot spraakherkenningshulpmiddelen als het meepraten van ervaringsdeskundigen over beleid dat hen aangaat, een verplichting is die voortvloeit uit het VN-Verdrag Handicap, maar ook gewoon in ons aller belang is?
Zoals bij de beantwoording van vraag 1 is aangegeven, gaan de Ministeries van VWS en OCW samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging van Siméa, FODOK en Dovenschap in gesprek over welke (aanvullende) behoefte er bij leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het onderwijsdomein. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik bekijken wat er eventueel nodig en mogelijk is om in die behoeften te voorzien.
Kunt u toelichten waarom het UWV schrijftolken wél vergoedt voor het volgen van onderwijs, terwijl spraakherkenningshulpmiddelen, die dezelfde functionele behoefte vervullen (namelijk het omzetten van spraak naar tekst) voor werk wél, maar voor onderwijs niet door het UWV worden vergoed? Acht u deze ongelijke behandeling van functioneel gelijkwaardige voorzieningen logisch en uitlegbaar?
UWV kan inderdaad geen hulpmiddelen verstrekken die onder de Regeling zorgverzekering vallen. Vanuit UWV kunnen spraakherkenningshulpmiddelen alleen worden aangeboden aan mensen die een voorziening aanvragen voor werk. Spraakherkenningshulpmiddelen worden in het onderwijs wel vergoed door zorgverzekeraars, als deze onderdeel zijn van de volledige hooroplossing. Vergoeding is afhankelijk van de individuele situatie en de beoordeling daarvan.
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik vinden het belangrijk dat kinderen en jongeren met een gehoorbeperking ook goed kunnen meedoen in het onderwijs. De Ministeries van VWS en OCW gaan dit voorjaar samen met UWV, zorgverzekeraars en de vertegenwoordiging van Siméa, FODOK en Dovenschap in kaart brengen welke (aanvullende) behoefte er bij leerlingen en studenten is voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen in het onderwijs. Afhankelijk van de uitkomsten van deze gesprekken wordt bekeken wat er nodig is en mogelijk is om in die behoeften te voorzien.
Kunt u aanvullend ook uitleggen hoe uw antwoord op de vragen 5 en 6 in onze vorige Kamervragen (waarin u stelt dat mensen die doof en slechthorend zijn toegang moeten hebben tot hulpmiddelen die passen bij hun situatie en u stelt dat de toegang tot onderwijs voor deze groep geborgd moet zijn) zich verhoudt tot de complexe regelgeving waarbij vergoedingen voor hulpmiddelen afhankelijk zijn van de situatie en allemaal op een verschillende manier geregeld worden? Is het niet veel effectiever, gebruiksvriendelijker en uiteindelijk ook goedkoper als dit drastisch wordt versimpeld?
Het is vooral belangrijk dat hulpmiddelen aansluiten bij wat een leerling of student nodig heeft om deel te nemen aan het onderwijs. Niet iedere situatie in het onderwijs leent zich even goed voor het gebruik van spraakherkenningshulpmiddelen en niet voor ieder persoon is een dergelijk hulpmiddel passend. Het vinden van een passend hulpmiddel is en blijft maatwerk, waardoor versimpelen van regelgeving niet altijd eenvoudig is. Deze nuance nemen we mee in de gesprekken.
Bent u het met ons eens dat spraak-naar-teksthulpmiddelen op dit moment een belangrijke aanvullende rol vervullen in het onderwijs, met name wanneer er geen tolk beschikbaar is, en dat dit een reden zou moeten zijn om deze middelen te vergoeden voor degenen die dat nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen?
Spraakherkenningshulpmiddelen kunnen een passende oplossing zijn, maar dit is afhankelijk van de persoon en situatie. Een passende oplossing is maatwerk. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik zijn het met u eens dat het zeer vervelend is wanneer er geen tolk beschikbaar is en dat spraak-naar-teksthulpmiddelen in dat geval een aanvullende rol zou kunnen vervullen in het onderwijs.
Om de kans op een tolk te vergroten is er sprake van een (al bestaande) hardheidsclausule met betrekking tot de reiskosten. Hierdoor kunnen extra kilometers worden vergoed, bovenop de reguliere maximaal te declareren kilometers aan de tolk, als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden. Er is in het persoonlijk netwerk geen tolk gevonden, er een bemiddelingsopdracht bij Tolkcontact3 is uitgezet en er geen tolk is gevonden. Daarnaast is door Berengroep in opdracht van UWV en de Ministeries van OCW, SZW en VWS per 1 april de «achterwacht»-functie op vernieuwde wijze ingevuld. Hierdoor is er meer zekerheid dat er een tolk ingezet kan worden bij calamiteiten in het onderwijs-, werk- of leefdomein. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik nemen deze context mee in de gesprekken met betrokken partijen.
Is de vraag naar schrijf- en gebarentolken in het (hoger) onderwijs bekend? Zo ja, kunt u ons deze overzichten verstrekken? Zo nee, bent u bereid deze vraag structureel te monitoren?
Op dit moment zijn hier geen precieze cijfers over bekend. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie gaat in gesprek met de sector voor meer inzicht hierover.
Is bekend of naast de opleiding AD schrijftolk van de Hogeschool Utrecht2 nog meer opleidingen gaan stoppen? Kunt u de ontwikkeling van het aantal opleidingen en studenten in de afgelopen 5 jaar uiteenzetten? Erkent u dat het tekort aan schrijf- en gebarentolken niet wordt veroorzaakt door gebrek aan vraag of werk, maar door lage instroom en het dreigende verdwijnen van de opleiding tot schrijftolk, en dat dit vraagt om gericht opleidings- en instroombeleid? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Er zijn bij de Ministeries van VWS en OCW geen signalen bekend over het stoppen van het opleidingen van tolken. Wanneer hogescholen en universiteiten een opleiding willen beëindigen, dienen zij dit aan DUO, de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW, door te geven. Informatie over de ontwikkelingen van het aantal opleidingen en het aantal studenten is beschikbaar op de website OCW in cijfers.5 Het Ministerie van OCW verschaft deze gegevens op stelselniveau.
Het onderwijs is altijd in beweging. Dit betekent dat er voortdurend opleidingen starten en stoppen. Het stoppen van een opleiding betekent echter niet per definitie dat het onderwijs ook verdwijnt. Onderwijs kan in vele vormen worden aangeboden door hogescholen en universiteiten. Door dalende studentaantallen kunnen niet altijd alle opleidingen blijven bestaan. Dit vraagt om strategische en gecoördineerde keuzes. De onderwijsinstellingen spreken hier al regelmatig met elkaar over. Het Ministerie van OCW wil deze manier van werken bestendigen en verder mogelijk maken, zodat hogescholen en universiteiten collectief de verantwoordelijkheid kunnen nemen voor een dekkend onderwijsaanbod dat aansluit bij maatschappelijke behoeften.
Hogescholen en universiteiten zijn daarnaast zelf verantwoordelijk voor de voorlichting en werving van studenten voor hun opleidingen. Het Ministerie van OCW vindt het belangrijk dat studenten een studie kiezen die past bij hun talenten. Een gericht instroombeleid past daar niet bij.
Bent u bekend met de oproep van Terry Koper op LinkedIn3 die beschrijft hoe hij misschien geen passende masteropleiding kan volgen vanwege de beschikbaarheid van schrijftolken die Engels kunnen tolken? Wat zijn volgens u geschikte oplossingen voor studenten die tegen soortgelijke problemen aanlopen?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en ik zijn bekend met deze oproep en we begrijpen de zorgen. In de gesprekken gaan we op zoek naar mogelijke geschikte oplossingen voor studenten in situaties dat er geen schrijftolken beschikbaar zijn die Engels kunnen tolken.
Hoe gaat u borgen dat de toegankelijkheid voor dove en slechthorende studenten niet verder onder druk komt te staan, gezien de beperkte beschikbaarheid van Engelstalige schrijftolken? Bent u bereid om samen met het onderwijsveld extra inspanning te verrichten om te zorgen dat er voldoende aanbod is?
Zoals toegezegd wordt een gesprek met betrokken partijen gepland en daarin zal dit aspect worden meegenomen.
Wilt u deze vragen vóór het Wetgevingsoverleg Gehandicaptenbeleid beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen' |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen»?1
Ja.
Kunt u het beschreven risico op massale ontsnappingen door oplopende gevechten bevestigen?
In januari hebben er gevechten plaatsgevonden in Noordoost-Syrië tussen het leger van de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF). In deze regio bevinden zich ook de opvangkampen en detentiecentra waar aan ISIS-gelieerde personen zich bevinden. Het is inmiddels bekend dat aan ISIS-gelieerde personen zijn ontsnapt; een deel zou in de tussentijd ook weer zijn aangehouden door de veiligheidsdiensten van de Syrische overgangsregering, met ondersteuning vanuit de Verenigde Staten. Het is nog niet bevestigd of hier personen met een Nederlandse link onderdeel van uitmaken. Sinds 30 januari geldt een permanent staakt-het-vuren tussen de Syrische overgangsregering en de SDF. Op dit moment zijn er geen indicaties dat vrouwelijke uitreizigers met een Nederlandse link en hun kinderen, die in de kampen verbleven, zich op dit moment buiten de door de Syrische overgangsregering beveiligde kampen bevinden.
Heeft de Nederlandse overheid zicht op hoeveel Nederlandse jihadisten, veroordeelden en geradicaliseerde familieleden zich daar momenteel nog bevinden?
De situatie in Syrië is erg veranderlijk en de ontwikkelingen volgen elkaar snel op. Dit maakt snelle informatievoorziening en een accuraat beeld van de ontwikkelingen in Syrië moeilijk. Desalniettemin staan de betrokken nationale en internationale partners goed met elkaar in contact en houden zij de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten om een zo compleet mogelijk beeld te vormen. Dit is de afgelopen tijd gebeurd. Zo is uw Kamer op 19 februari jl. geïnformeerd over de aanwezigheid van mannelijke uitreizigers met een Nederlandse link in Irak.2 Voor de meest recente en openbare aantallen uitreizigers, verwijs ik uw Kamer het recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland.3
Acht u het scenario reëel dat ontsnapte Nederlandse IS-strijders opnieuw proberen Europa of Nederland te bereiken, en welke concrete maatregelen zijn getroffen om dit te voorkomen?
Dat is inderdaad een scenario waarmee rekening wordt gehouden. Om onopgemerkte terugkeer te voorkomen zijn verschillende maatregelen getroffen. Het openbaar ministerie heeft waar opportuun tegen alle onderkende uitreizigers met een Nederlandse link een strafrechtelijk onderzoek lopen. Daarnaast is ten aanzien van alle onderkende uitreizigers op verschillende momenten bekeken of het Nederlanderschap kon worden ingetrokken op grond van artikel 14, lid 4 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Daar waar mogelijk is het Nederlanderschap ingetrokken en zijn deze personen ongewenst verklaard. Ook zijn de reisdocumenten van uitreizigers waar mogelijk ongeldig verklaard en staan deze personen gesignaleerd. Alle betrokken veiligheidspartners zijn alert en wordt voortdurend onderzocht waar en op welke wijze eventuele aanvullende maatregelen getroffen kunnen worden.
Kunt u met klem verzekeren dat Nederland op geen enkele wijze actie onderneemt om mannelijke IS-terroristen naar Nederland te halen?
Het kabinet hanteert als uitgangspunt dat berechting van uitreizigers en de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen in de regio moet plaatsvinden. Conform dit standpunt is er intensief contact tussen onder andere het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Iraakse autoriteiten om hierover – binnen de (internationale) wettelijke vereisten – afspraken te maken. Er zijn op dit moment geen voornemens om uitreizigers met een Nederlandse link terug te halen. Indien sprake is van verzoeken tot repatriëring zal het kabinet in iedere casus alle omstandigheden en factoren wegen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de nationale veiligheid. In algemene zin geldt dat mannelijke uitreizigers, ten opzichte van vrouwelijke uitreizigers, een grotere potentiële geweldsdreiging vormen vanwege hun veelal grotere rol in de strijd en gevechtstraining en -ervaring. Dit maakt vanzelfsprekend onderdeel uit van besluitvorming over repatriëring. Deze afwegingen hebben er tot op heden toe geleid dat, in het kader van strafzaken tegen vrouwelijke uitreizigers, alleen vrouwelijke uitreizigers en hun kinderen zijn gerepatrieerd.
In hoeverre wordt actief ingezet op het intrekken van het Nederlanderschap bij jihadisten met een dubbele nationaliteit, en waarom gebeurt dit niet structureel?
Ja, dit kabinet hanteert als uitgangspunt dat mensen die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie hun recht op het Nederlanderschap hebben verspeeld. Om die reden is het Nederlanderschap, daar waar mogelijk, van hen afgenomen en zijn zij ongewenst verklaard. Het kabinet zet hier ook in de toekomst onverminderd op in.
Op grond van artikel 14, lid 4 RWN kan het Nederlanderschap worden ingetrokken bij personen die ouder zijn dan 18 jaar, die zich nog in het buitenland bevinden en als uit hun gedragingen is gebleken dat zij zich – na 11 maart 2017 – hebben aangesloten bij een terroristische organisatie die een dreiging vormt voor de nationale veiligheid. In deze gevallen wordt de betreffende persoon tevens ongewenst verklaard op grond van de Vreemdelingenwet en gesignaleerd in SIS III, waardoor legale terugkeer naar Nederland niet mogelijk is.4
Ten aanzien van het intrekken van de Nederlandse nationaliteit geldt dat op verschillende momenten alle dossiers van onderkende uitreizigers zijn doorlopen om te bezien of het Nederlanderschap ingetrokken kon worden op grond van artikel 14, lid 4 RWN. Bij de personen waar dit mogelijk is gebleken is het Nederlanderschap ingetrokken. Gevallen die eerder niet in aanmerking kwamen voor intrekking, kunnen in de toekomst mogelijk wel hiervoor in aanmerking komen als nieuwe informatie beschikbaar komt waarmee aan de juridische voorwaarden wordt voldaan. De betrokken organisaties blijven alert op eventuele nieuwe informatie waardoor intrekking alsnog tot de mogelijkheden kan behoren. Dit heeft in 2024 alsnog geleid tot een intrekking van het Nederlanderschap.5
Bent u bereid als uitgangspunt te hanteren dat personen die zich vrijwillig hebben aangesloten bij IS hun recht op terugkeer naar Nederland hebben verspeeld, en het beleid hier expliciet op aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat de kinderrechter Jeugdbescherming Noord ontslaat in zaak waarbij vader van jongen (3) de moeder vermoordde. |
|
Bente Becker (VVD), Hilde Wendel (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kritische kinderrechter ontslaat Jeugdbescherming Noord in zaak waarbij vader van jongen (3) de moeder vermoordde» in het Dagblad van het Noorden d.d. 16 januari 2026 inzake de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:78)?
Ja.
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar voorgekomen dat een rechter op deze wijze de voogdij van een gecertificeerde instelling (GI) beëindigt?
Dit wordt niet landelijk bijgehouden.
Hoe weegt u deze uitspraak in het licht van het verscherpte toezicht vanuit de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op Jeugdbescherming Noord?
De rechtbank Noord-Nederland verwijst in onderhavige uitspraak zelf naar het verscherpte toezicht: «de GI staat sinds 24 juli 2025 onder verscherpt toezicht van de Inspecties Gezondheidszorg en Jeugd en Justitie en Veiligheid. Door de GI is betwist dat de organisatorische en personele problemen binnen de GI van invloed zijn geweest op deze zaak. Hoewel in deze procedure niet met zekerheid kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate de algehele organisatorische en personele omstandigheden organisatie breed, direct van invloed zijn geweest op de taakuitvoering door de GI in déze specifieke zaak, zullen deze zeker niet hebben bijgedragen aan de wijze waarop de voogdij over [minderjarige] is uitgevoerd. Hoewel er in het geval van [minderjarige] wel bij aanvang van de voogdij twee jeugdzorgwerkers beschikbaar waren om de maatregel uit te voeren, heeft dit niet er toe geleid dat er ook tijdig passende hulp is ingezet. Dit blijkt duidelijk uit het feit dat [minderjarige] pas op 14 oktober 2025, bijna anderhalf jaar na het instellen van de voogdijmaatregel, is gestart met therapie bij GGZ Drenthe. Uit de voorgaande overwegingen blijkt verder dat het in deze casus heeft ontbroken aan een grondige analyse van de problematiek en complexe verhoudingen van alle bij [minderjarige] betrokken volwassenen. Er is onvoldoende regie gevoerd op de hulpverlening aan [minderjarige], maar ook op het contact en de samenwerking met de nabestaanden en de verhoudingen binnen het netwerk rondom [minderjarige]. Dit zijn gebreken in de taakuitoefening die wat de rechtbank betreft terug te voeren zijn op tekortkomingen weergegeven in het rapport van de Inspecties.» Ik heb daar niets aan toe te voegen.
Jeugdbescherming Noord heeft laten weten deze zaak te evalueren met hulp van externe deskundigheid. De uitkomsten van deze evaluatie zal ook worden gedeeld met andere GI’s.
Hoe weegt u deze uitspraak in het licht van de kritische rapporten «Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt» en «Kwetsbare kinderen, kwetsbaar stelsel» van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid? Kunt u in antwoord op deze vraag ook toelichten of en zo ja welke systeemverantwoordelijkheid u ziet wanneer een rechter ook in deze casus zo expliciet concludeert dat «geen verantwoorde hulp» is geleverd?
In de brief van 2 december 20251 naar aanleiding van genoemde rapporten van de inspecties zijn de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport en ik uitvoerig ingegaan op de conclusies van de inspecties. We hebben daarin aangegeven te herkennen dat de kwaliteit van de jeugdbescherming (en jeugdreclassering) een stelsel- en niet alleen een organisatievraagstuk is. Er is een fundamentele verandering van de huidige werkwijze in de jeugdbeschermingsketen en de brede jeugdzorg nodig. In de brief van 2 december 2025 zijn we nader ingegaan op wat daarvoor nodig is en hoe we daaraan werken, onder meer via de Hervormingsagenda en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming.
Deelt u de mening dat het belang van het kind bij partnerdoding altijd voorop zou moeten staan? Klopt het dat bij partnerdoding zonder strafrechtelijke vervolging (bijvoorbeeld door overlijden van de verdachte) in de praktijk soms terughoudendheid ontstaat om de feiten als uitgangspunt te nemen? Hoe voorkomt u dat kinderen hierdoor in onzekerheid blijven?
Het belang en de veiligheid van het kind moeten inderdaad altijd voorop staan. Er is geen terughoudendheid om de feiten als uitgangspunt te nemen. Bij een strafrechtelijk onderzoek staan de feiten dankzij het politieonderzoek op een rij. Wanneer er geen strafrechtelijke vervolging is kan het zijn dat het ingewikkelder is om de feiten vast te stellen. Het uitgangspunt is altijd de veiligheid en de ontwikkeling van het kind
Vindt u het wenselijk dat er door een GI kan worden afgeweken van het «Handelingsprotocol gezag, contact/omgang en hulp na partnerdoding» wanneer sprake is van partnerdoding? Zo nee, hoe gaat u voorkomen dat hier in de toekomst sprake van kan zijn?
In algemene zin is het uiteraard wenselijk dat dit handelingsprotocol wordt gevolgd door de betrokken organisaties. We weten dat kinderen die te maken krijgen met huiselijk geweld, extra kwetsbaar zijn. Dat geldt in het bijzonder als er sprake is van partnerdoding. De hulp, bescherming en begeleiding van kinderen die hiermee te maken krijgen moet beter. Het «Aanpakplan Kinderen van femicideslachtoffers en femicide-overlevers» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers en de Blijf Groep en ook de opbrengsten van het rondetafelgesprek in uw Kamer van 22 januari jl. naar aanleiding van dit aanpakplan, bieden handvatten voor deze verbetering. Bij het verder concretiseren hiervan zal ik – in samenwerking met de betrokken organisaties – het gebruik van het Handelingsprotocol met voorrang oppakken. U wordt uiterlijk voor de zomer van 2026 geïnformeerd over de voortgang van dit verbetertraject.
Is er momenteel sprake van een zekere vorm van prioritering binnen de hulpverlening die wordt geboden door de GI’s, bijvoorbeeld op basis van de ernst van een casus? Zo ja, op welke wijze is dit ingericht? En leidt partnerdoding tot een prioritering van hulpverlening aan kinderen die onder voogdij geplaatst worden bij een GI?
GI’s werken met het «handelingsperspectief en veldnorm bij onderbezetting». Dit houdt in dat bij onderbezetting de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen geprioriteerd wordt op basis van acute kindonveiligheid. Dit wordt gefaseerd ingericht waarbij de veiligheid en ontwikkeling van het kind centraal blijven staan. Prioritering is onderdeel van de veldnorm en vindt doorgaans plaats in geval van directe kindonveiligheid, zoals (dreiging van) geweld, misbruik of ernstige verwaarlozing. De capaciteit van een GI wordt gericht ingezet waar de risico’s op acute onveiligheid het grootst zijn.
In onderhavige casus blijkt uit de uitspraak van de rechtbank dat er bij aanvang van de voogdij twee jeugdzorgwerkers beschikbaar waren om de maatregel uit te voeren. De GI’s hebben laten weten dat zij altijd prioriteit geven aan de hulp aan kinderen in gevallen van partnerdoding.
Kunt u de Kamer informeren welke concrete maatregelen u neemt om te voorkomen dat kinderen na partnerdoding/femicide opnieuw schade oplopen door gebrek aan regie, expertise of tijdige hulp vanuit de GI of een andere instantie?
Dit wordt onderdeel van de bredere reactie op het «Aanpakplan Kinderen van femicideslachtoffers en femicide-overlevers». In de brief aan de Kamer van 19 december jl. met antwoorden op de Kamervragen over het aanpakplan is toegezegd dat deze reactie uiterlijk voor de zomer van 2026 volgt.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan het wetgevingsoverleg Jeugd d.d. 2 februari 2026?
Ja.
De situatie in Syrië |
|
Chris Stoffer (SGP), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het staakt-het-vuren dat zou zijn overeengekomen tussen het Syrische regeringsleger en de SDF?
In de afgelopen periode is de situatie in noordoost-Syrië zeer complex geweest, waarbij de ontwikkelingen elkaar snel opvolgden. Na het staakt-het-vuren van 20 januari, dat op 24 januari verlengd werd, kwamen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) op 30 januari een permanent staakt-het-vuren overeen. Onderdeel van deze overeenkomst is ook de integratie van de SDF en de gebieden in het noordoosten in de Syrische staat. Het kabinet verwelkomt deze overeenkomst. Van belang is dat er een vreedzame en duurzame oplossing tussen de twee partijen wordt gevonden, dat de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen worden geborgd en dat ontheemden veilig en verantwoord terug kunnen keren. Het kabinet blijft de situatie op basis hiervan nauwgezet volgen.
Op basis van welke actuele informatie concludeert u dat er geen risico bestaat op escalatie met Koerdische actoren in Irak, en acht u deze inschatting nog houdbaar in het licht van de gebeurtenissen sinds het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken gehouden op 13 januari jl.?
Het kabinet baseert zijn inschatting op informatie van het postennetwerk in de regio, internationale partners en veiligheidsdiensten. Daarbij wordt onderkend dat de situatie in Syrië en de bredere regio voortdurend in beweging is en dat ontwikkelingen in Syrië kunnen doorwerken in buurlanden, waaronder Irak. In het licht van de ontwikkelingen in noordoost-Syrië is het inderdaad zaak om deze inschatting continu te herijken. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen nauwgezet en stemt hierover af met internationale partners.
Bent u bereid zich in te zetten voor een onafhankelijk internationaal onderzoek naar de toedracht en verantwoordelijkheden rond het vrijlaten van IS-terroristen uit de gevangenis van Al-Shaddadi, en te pleiten voor gerichte EU-sancties tegen personen of entiteiten die hiervoor verantwoordelijk gehouden kunnen worden?
Het tegengaan van straffeloosheid is een prioriteit voor het kabinet. Het is zodoende van belang dat er duidelijkheid komt ten aanzien van de berichten dat IS-terroristen bewust zouden zijn vrijgelaten. Dit belang brengt het kabinet, ook via de EU, over aan de Syrische overgangsregering.
Duidelijkheid ten aanzien van wat er precies is voorgevallen en wie eventueel verantwoordelijk is geweest, kan op verschillende manieren worden bereikt. Het kabinet zet zich, ook in EU-verband, actief in voor het tegengaan van straffeloosheid en draagt hiertoe bij aan verscheidene organisaties die actief zijn op het gebied van monitoring en onderzoek. Het gaat dan onder meer om het OHCHR-veldkantoor in Damascus, de VN Commission of Inquiry (CoI) en het International Impartial and Independent Mechanism (IIIM).
Mocht blijken dat individuen of entiteiten verantwoordelijk zijn voor het vrijlaten van IS-terroristen, dan zal Nederland dit in EU-verband agenderen en bezien welke vervolgstappen binnen de geldende EU-kaders passend zijn. Het sanctie instrumentarium is daarbij één van de opties.
Bent u bereid om in EU-verband financiële en politieke steun aan de Syrische overgangsregering ter discussie te stellen, als vastgesteld wordt dat de autoriteiten ook maar enige verantwoordelijkheid dragen voor het ontsnappen van IS-terroristen?
De inzet van het kabinet ten aanzien van Syrië vraagt om een voortdurende en zorgvuldige afweging. Veiligheid en stabiliteit in Syrië zijn van groot belang voor Nederland en voor alle Syrische gemeenschappen. Vanuit dit perspectief zet het kabinet zich in voor humanitaire hulp, economische ontwikkeling, wederopbouw en het tegengaan van straffeloosheid.
Mede daartoe onderhoudt het kabinet contact met de Syrische overgangsregering, waarbij het kabinet zich nadrukkelijk bewust is van de achtergrond van de huidige machthebbers in Damascus en van zorgwekkende ontwikkelingen in het afgelopen jaar, waaronder de geweldsescalaties in Latakia en Sweida. Gelet op bovengenoemde inzet en met het oog op het beperken van de invloed van landen als Iran en Rusland, acht het kabinet het noodzakelijk om te blijven engageren met de Syrische overgangsregering.
Het kabinet spreekt de overgangsregering daarbij consequent aan op haar verantwoordelijkheden, waaronder het waarborgen van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen en het bevorderen van een inclusieve politieke transitie. In EU-verband zet het kabinet zich in voor een voorwaardelijke benadering van financiële en politieke steun, waarbij deze gekoppeld is aan de concrete stappen die de overgangsregering zet op deze terreinen. Recentelijk heeft het kabinet dit, volgend ook op de motie Stoffer en Ceder1, onder meer opgebracht in de Raad Buitenlandse Zaken van 29 januari jl.2
Indien wordt vastgesteld dat de autoriteiten verantwoordelijkheid dragen voor ernstige misstanden, waaronder betrokkenheid bij ontsnappingen van aan IS-gelieerde personen of aanhoudend geweld tegen minderheden, dan zal het kabinet zich ervoor inzetten om de steun opnieuw te wegen en, waar nodig, ter discussie te stellen.
Deelt u de conclusie dat de in de motie-Ceder c.s. (Kamerstuk 32 623, nr. 334) gestelde voorwaarden voor normalisatie van de betrekkingen met Damascus door het aanhoudende geweld tegen minderheden niet worden nageleefd? Zo ja, welke consequenties verbindt het kabinet hieraan voor de Nederlandse en Europese steun aan regering van Al-Sharaa?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven op welke manier Nederland en de EU de Koerden in Syrië politiek, diplomatiek en strategisch steunen, onder meer via partners in de Koerdische autonome regio in Noord-Irak? Ziet u mogelijkheden om deze steun uit te breiden?
Nederland en de EU steunen Syrië via een breed pakket aan humanitaire hulp, steun voor vroeg herstel en sociaaleconomische stabilisatie, waaronder een EU-steunpakket van circa EUR 620 miljoen voor 2026–2027. Deze inzet is gericht op een vreedzame en inclusieve transitie en komt ten goede aan de Syrische bevolking als geheel, waaronder ook Koerdische gemeenschappen.
Het kabinet zet zich onverminderd in voor een stabiel Syrië waarin de rechten van alle burgers worden gerespecteerd. Daarin maken Nederland en de EU geen onderscheid tussen bevolkingsgroepen.
Klopt het dat de Syrische interim-regering de aanvallen op de SDF op religieuze gronden legitimeert?1 Hoe beoordeelt u dit? Welke consequenties verbindt het kabinet aan religieuze rechtvaardiging van geweld door autoriteiten voor Nederlandse en Europese steun aan Syrië?
Het kabinet is bekend met berichtgeving dat (individuen binnen) de Syrische overgangsautoriteiten religieuze taal zouden gebruiken om optreden tegen de SDF te ondersteunen. Deze berichten zijn echter moeilijk onafhankelijk te verifiëren. In zijn algemeenheid geldt dat het kabinet religieuze rechtvaardiging van geweld, als ook het typeren van groepen op basis van religieuze identiteit, onaanvaardbaar acht.
Acht u het waarschijnlijk dat ontsnapte IS-strijders terugkeren op Europese bodem? Erkent u dat er dan sprake is van een risico voor de nationale en Europese veiligheid? Liggen er concrete protocollen klaar? Zo nee, bent u bereid deze in Europees verband te laten opstellen?
Het bericht ‘’De belastingen worden torenhoog!’ Hoe het Rijk Katwijk voor de kosten van Valkenhorst liet opdraaien’ |
|
Sandra Beckerman |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) |
|
Kunt u uitleggen waarom het Rijksvastgoedbedrijf in een tijd van extreme woningnood als expliciete doelstelling heeft om «zwarte cijfers» te draaien, in plaats van maximale maatschappelijke waarde te realiseren?1
Het Rijksvastgoedbedrijf is als agentschap gebonden om te handelen binnen financiële kaders, waaronder een sluitende of budget-neutrale begroting. Dit betekent dat Rijksvastgoedbedrijf geen winstdoelstelling heeft. De term «zwarte cijfers» moet gelezen worden als geen verlies maken en/of tekort op de begroting toestaan. Daarbij heeft het Rijksvastgoedbedrijf opdracht om binnen dit kader in te zetten op het realiseren van maatschappelijk meerwaarde.
Deelt u de opvatting dat rijksgrond geen handelswaar zou moeten zijn, maar een publiek instrument om betaalbaar wonen mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja ik deel uw opvatting dat rijksgronden geen handelswaar zijn. Het Rijk zet de rijksgronden voor de brede gebiedsontwikkeling van Valkenhorst in als publiek middel om maatschappelijke meerwaarde te realiseren, waaronder de bouw van betaalbare woningen.
Waarom heeft het Rijk zich tijdens de onderhandelingen over Valkenhorst zo fel verzet tegen een hoger aandeel sociale huur en betaalbare koopwoningen, terwijl juist in deze segmenten de woningnood het grootst is?
Het door u geschetste beeld herken ik niet. Het Rijk heeft zich niet verzet tegen het bouwen van betaalbare woningen. De wensen en eisen van de gemeente ten aanzien van de programmering («de woningmix») en de financiële kaders en maatschappelijke doelstellingen van het Rijk waren uitgangspunt bij de toenmalige overleggen. Mijn voorganger heeft uw Kamer hier op 23 september 2022 (Kamerstuk 2022Z14057) over geïnformeerd.
Is het volgens u wenselijk dat het Rijk winst maakt op dure randstadgrond, terwijl gemeenten en inwoners worden geconfronteerd met hogere schulden, stijgende lokale belastingen en bezuinigingen op voorzieningen?
De veronderstelling dat winst wordt gemaakt door Rijksvastgoedbedrijf met de grondexploitatie is onjuist. Het Rijksvastgoedbedrijf handelt als agentschap binnen het beleidskader dat de grondexploitatie financieel neutraal is. Dit impliceert dat er geen sprake is van een winstoogmerk voor het Rijksvastgoedbedrijf bij gebiedsontwikkeling.
Hoe verhoudt deze winstlogica zich tot de grondwettelijke en maatschappelijke opdracht van de overheid om het recht op wonen te waarborgen?
Zie antwoord op vraag 4.
Waarom heeft het Rijksvastgoedbedrijf geweigerd om financiële berekeningen te delen met de gemeente Katwijk, terwijl diezelfde gemeente wel onder zware tijdsdruk moest instemmen met een overeenkomst met grote financiële risico’s?
Het Rijksvastgoedbedrijf heeft een transparante verstandhouding met de gemeente Katwijk en heeft zodoende de financiële berekeningen van de gebiedsontwikkeling Valkenhorst met de gemeente Katwijk gedeeld. In de beginfase van de gebiedsontwikkeling is de grondexploitatie zelfs gezamenlijk met de gemeente opgesteld. Destijds had de gemeente het voornemen om financieel te participeren in de grondexploitatie. Later heeft de gemeente de keuze gemaakt om over te stappen naar faciliterend grondbeleid voor Valkenhorst. Ook toen is het Rijksvastgoedbedrijf transparant gebleven en heeft zij inzage in de grondexploitatie van Valkenhorst gegeven. Ook is er nog steeds sprake van frequent constructief en open overleg tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente Katwijk. Onderdeel van die bespreking betreft de kwalitatieve, kwantitatieve en financiële kaders van de gebiedsontwikkeling. Het Rijksvastgoedbedrijf verschaft daarbij, op basis van vertrouwelijkheid, inzage in de onderliggende (financiële) gegevens van de gebiedsontwikkeling.
Vindt u het democratisch en bestuurlijk verantwoord dat Katwijk onder dreiging van provinciale overname binnen twee weken moest tekenen voor een overeenkomst die lokaal wordt omschreven als een «wurgcontract»?
Ik herken mij niet in het geschetste beeld. Het proces om overeenstemming te bereiken tussen het Rijk, de provincie en de gemeente heeft destijds geruime tijd geduurd omdat verschillende eisen, wensen en uitgangspunten van genoemde partijen bij elkaar moesten worden gebracht. Resultaat van dit grondige proces is dat sinds 2020 er bestuurlijk afspraken en een samenwerkingsovereenkomst van kracht zijn, die door alle partijen worden gedragen.
Waarom ontvangt Katwijk slechts beperkte rijksbijdragen voor infrastructuur, groen en scholen, terwijl het Rijk bij vergelijkbare grootschalige woningbouwprojecten wél tientallen miljoenen euro’s bijdraagt?
De gemeente Katwijk heeft vele rijksbijdragen ontvangen van het Rijk. In de afgelopen jaren zijn omvangrijke investeringen gedaan door het Rijk (en de provincie) in infrastructurele maatregelen en versterking van de natuur. Het Rijk heeft investeringen gedaan aan de Rijnland-route ad 513 miljoen euro en aan de HOV corridor Zuid-Holland Noord ad 180 miljoen euro (waarvan 24 miljoen euro aan de buscorridor Leiden-Katwijk-Noordwijk). De gemeente ontvangt daarnaast op basis van wettelijk kostenverhaal circa 30 miljoen euro en een bijdrage van 20 miljoen euro als vergoeding van historische plankosten. Vanuit mijn ministerie is tevens een Woningbouw Impuls-subsidie van 6,9 miljoen euro verstrekt aan de gemeente om de financiële tekorten van fase 1 van gebiedsontwikkeling Valkenhorst te bekostigen.
Hoe verklaart u dat het Rijk voor de ontwikkeling van de Gnephoek in Alphen aan den Rijn een eenmalige bijdrage van ruim 60 miljoen euro beschikbaar stelt om financiële tekorten te dekken, terwijl Katwijk bij Valkenhorst grotendeels zelf moet opdraaien voor een tekort dat kan oplopen tot circa 120 miljoen euro?
De beide gemeenten dragen zelf financieel bij aan binnen- en bovenplanse plankosten, die niet-wettelijk verhaalbaar zijn op de grondeigenaar of ontwikkelaar. Gemeenten dragen zelf zorg voor de aanleg van gemeentelijke voorzieningen zoals sport en onderwijs. De bekostiging daarvan loopt via de gemeentelijke begrotingen. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Welke inhoudelijke redenen rechtvaardigen volgens u dit verschil in behandeling tussen Valkenhorst en de Gnephoek, gelet op de vergelijkbare omvang van beide projecten en de woningbouwopgave?
Voor beide gebiedsontwikkelingen geldt dat het Rijk forse bijdragen heeft gedaan aan aanpalende investeringen op gebied van infrastructuur en een tekort op de gebiedsontwikkeling.
Is het volgens u redelijk dat gemeenten miljoenen moeten lenen om rijksgrond bouwrijp te maken, terwijl de structurele baten grotendeels bij het Rijk terechtkomen?
Het Rijksvastgoedbedrijf zorgt zelf voor het bouwrijp maken van Valkenhorst en draagt hiervan de kosten. De gemeente doet hiervoor geen investering (en hoeft dan ook niet te lenen).
Deelt u de zorg dat het begrip «betaalbaar wonen» bij Valkenhorst feitelijk is uitgehold, doordat koopwoningen tot ruim vier ton als betaalbaar worden aangemerkt? Voor welke inkomensgroepen acht u deze woningen daadwerkelijk bereikbaar?
Nee, voor Valkenhorst worden naast sociale- en middensegment huurwoningen ook koopwoningen gebouwd tot aan de betaalbaarheidsgrens. In mijn Kamerbrief van 8 oktober 2025 (Kamerstuk 32 847, nr. 1381) heb ik aangegeven dat de betaalbaarheidsgrens in 2026 is vastgesteld op EUR 420.000 en dat deze koopwoningen betaalbaar zijn voor tweeverdieners met een inkomen van maximaal twee keer modaal.
Wat vindt u ervan dat Katwijk, ondanks de enorme financiële bijdrage, geen structurele voorrang mag geven aan eigen inwoners bij de toewijzing van sociale huurwoningen, en wat doet dit volgens u met het lokale draagvlak voor woningbouw?
De gemeente ontvangt rijksbijdragen zoals toegelicht bij beantwoording van 8. Bovendien geldt dat in de regio Holland-Rijnland, waar de gemeente Katwijk binnen valt, een regionale huisvestingsverordening van kracht is. De gemeente kan bovendien lokaal maatwerk toepassen met een gemeentelijke huisvestingsverordening. Op basis hiervan kan de woningcorporatie bij het toewijzen voorrang verlenen aan inwoners van de gemeente voor sociale huurwoningen in Valkenhorst.
Is de Minister van mening dat de ontwikkeling van Valkenhorst in lijn is met de aangenomen motie-Beckerman c.s., die de regering oproept om bij woningbouw door het Rijksvastgoedbedrijf minstens twee derde van de woningen betaalbaar te realiseren, terwijl dit aandeel bij Valkenhorst circa 36% bedraagt?
In de Kamerbrief van 20 maart 2024 (Kamerstuk 32 847, nr. 1159) heb ik u geïnformeerd over het onderzoek dat het Rijksvastgoedbedrijf in september 2023 heeft uitgevoerd naar de woningbouwmogelijkheden voor Valkenhorst. Het bestemmingsplan «Woongebied Valkenhorst» was toen al door de gemeenteraad vastgesteld en in procedure gebracht. Dit bestemmingsplan is onlangs onherroepelijk geworden.
De gemeente en het Rijksvastgoedbedrijf zijn momenteel in overleg om kansen en mogelijkheden te verkennen om het eerder vastgestelde aandeel van betaalbare woningen (in het bestemmingsplan) verder te verhogen.
Bent u bereid om, naar analogie van de rijksbijdrage aan de Gnephoek, met de gemeente Katwijk in overleg te treden over een substantiële aanvullende financiële bijdrage, zodat niet de huidige inwoners via hogere belastingen opdraaien voor de kosten van rijksbeleid?
Het Rijk heeft, zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 8 en 9, bijgedragen aan diverse bovenplanse plankosten – zoals bijdrage aan infrastructuur en natuur – van de gebiedsontwikkeling Valkenhorst. Het bijdragen aan maatschappelijke doelen is een vast onderdeel van de afstemming tussen de gemeente Katwijk en het Rijksvastgoedbedrijf over de verdere ontwikkeling van Valkenhorst. Dit overleg past ook binnen het beleid van Rijksvastgoedbedrijf om maatschappelijke meerwaarde te creëren bij gebiedsontwikkeling van Rijksgronden.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om alsnog tot een rechtvaardiger verdeling van kosten en opbrengsten bij Valkenhorst te komen, waarbij betaalbaar wonen en publieke belangen zwaarder wegen dan winst voor het Rijk?
De verdeling van kosten en opbrengsten is tot stand gekomen binnen de wettelijke financiële- en juridische kaders, waarbinnen het Rijksvastgoedbedrijf moet handelen (zoals aangegeven in antwoord op de vragen 1, 2 en 4). Binnen deze kaders zet het Rijk de rijksgronden in als publiek middel om maatschappelijke doelen te realiseren, waaronder betaalbare woningen. Ik zie geen aanleiding om de huidige verdeling van kosten en opbrengsten te heroverwegen, omdat deze in lijn is met de geldende afspraken met gemeente Katwijk en vigerende wetgeving. Wel blijft het Rijksvastgoedbedrijf met de gemeente Katwijk in gesprek over hoe het binnen het bestaande kader kan bijdragen aan meer betaalbaar wonen en (eventuele) andere publieke belangen.
Het bericht ‘Staking bij vrouwengevangenis Nieuwersluis om uitblijven loonsverhoging’ |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat medewerkers van de vrouwengevangenis in Nieuwersluis staken vanwege ontevredenheid over een achterblijvende loonsverhoging1? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja, ik ken het bericht. Ik heb veel waardering voor het personeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). De medewerkers van DJI voeren een belangrijke taak uit en verdienen onze waardering en respect.
De nullijn geldt voor alle medewerkers bij de Rijksoverheid. Deze maatregel is door het kabinet genomen om zijn ambities waar te kunnen maken.
Wat vindt u van de kwalificatie van FNV dat het «Code zwart» is bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)?
Het is inderdaad «code zwart». Mijn ambtsvoorgangers en ik hebben diverse noodmaatregelen getroffen om de capaciteitsproblematiek aan te pakken. Ondanks deze noodmaatregelen blijft de bezetting in de reguliere gevangenis voor mannen boven de 99%. Tevens is er nog steeds een grote voorraad zelfmelders en arrestanten. De Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de laatste stand van zaken omtrent de capaciteit bij DJI. De laatste voortgangsrapportage is verzonden op 2 december 2025.2
Kunt u aangeven hoe groot het huidige personeelstekort is in het gevangeniswezen? Kunt u een indicatie geven van de algemene tevredenheid van DJI-medewerkers over de omstandigheden waaronder zij hun werk moeten verrichten? En in hoeverre is het hanteren van de nullijn dienstbaar aan het werven van nieuwe DJI-collega’s?
DJI zet vol in op het werven van nieuwe medewerkers en dat is niet zonder resultaat. In 2025 zijn er 2.655 medewerkers ingestroomd bij DJI, terwijl 1.799 medewerkers uitgestroomd zijn. Dit betekent dat er in 2025 656 medewerkers extra zijn bijgekomen bij DJI. Dit laat onverlet dat er nog openstaande vacatures zijn en daardoor celcapaciteit niet inzetbaar is. Deze situatie benadrukt de noodzaak om onverminderd door te gaan met de inspanningen op het gebied van werven en behoud van medewerkers.
Tevredenheid van medewerkers ten aanzien van de verschillende aspecten van het werken binnen DJI wordt gemeten in onder andere het medewerkersonderzoek, dat tweejaarlijks wordt afgenomen onder alle DJI-medewerkers en de preventief medische onderzoeken. De omstandigheden waarin medewerkers hun werkzaamheden moeten verrichten worden niet specifiek uitgevraagd. Uit het medewerkersonderzoek volgt dat medewerkers relatief tevreden zijn ten aanzien van de aspecten vakmanschap en inhoud van het werk. De ervaren psychosociale arbeidsbelasting vormt een aandachtspunt. Op basis van de resultaten van dit onderzoek ontwikkelt DJI gerichte plannen ter verbetering.
DJI blijft onverminderd genoodzaakt tot intensieve werving op de arbeidsmarkt. Het succes hiervan is mede afhankelijk van de concurrentiepositie van DJI. Er zijn verschillende factoren die ervoor zorgen dat kandidaten willen werken voor DJI, salariëring is er daar een van. De nullijn kan daarmee van invloed zijn op de concurrentiepositie DJI. Bij de meest recent gehouden exit monitor was het salaris niet een van de voornaamste vertrekredenen voor executief personeel. De drie voornaamste vertrekreden voor executief personeel waren loopbaanontwikkelingsmogelijkheden, de inhoud van het werk en de cultuur in de organisatie. Een uitzondering hierop is het personeel dat binnen één jaar weer vertrekt. Voor personeel dat binnen een jaar weer bij DJI vertrekt, staat salariëring wel in de top drie van voornaamste vertrekredenen. DJI blijft zich inzetten om er voor te zorgen dat zij een aantrekkelijke werkgever blijft.
Bent u bereid om te bezien in hoeverre medewerkers van DJI, met het oog op de moeilijke omstandigheden waaronder zij hun zware werk moeten verrichten, kunnen worden uitgezonderd van de voor Rijksambtenaren voorgenomen nullijn? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om te onderzoeken of voor DJI-medewerkers een afzonderlijke CAO kan worden gesloten om te voorkomen dat de voor Rijksambtenaren voorgenomen nullijn ertoe leidt dat het huidige personeelstekort bij DJI nóg groter wordt? Zo nee, waarom niet?
De medewerkers van DJI vallen onder de CAO Rijk. Ik ben gebonden aan de afspraken van het Regeerprogramma en aan de CAO en zie geen ruimte om af te wijken van de gemaakte afspraken. Deze afspraken gelden voor alle medewerkers bij de Rijksoverheid. Een uitzondering hierop voor enkel DJI acht ik onwenselijk. Wel heb ik er voor gezorgd dat het DJI-personeel in 2025 eenmalig een toelage van € 500 netto heeft ontvangen als blijk van waardering voor het werk dat al geruime tijd onder hoge druk wordt uitgevoerd.
Bent u bereid om deze vragen voorafgaand aan het komende commissiedebat over het Gevangeniswezen te beantwoorden?
Ja.
De Gazaraad van Trump |
|
Eric van der Burg (VVD), Sarah Dobbe , Stephan van Baarle (DENK), Laurens Dassen (Volt), Hanneke van der Werf (D66), Kati Piri (PvdA), Derk Boswijk (CDA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u voornemens om aanwezig te zijn bij de tekenceremonie van Trumps «Vredesraad» donderdag in Davos?
Het kabinet heeft op 17 januari jl. een uitnodiging ontvangen om deel te nemen aan de Board of Peace, en op 19 januari jl. een uitnodiging om het Handvest daarvan te ondertekenen.
Het kabinet heeft, samen met Europese partners, een aantal serieuze vragen gesteld over het voorgestelde mandaat van de Board of Peace aangezien dat verder gaat dan oorspronkelijk voorzien in VN-Veiligheidsraadresolutie 2803 en waarin de focus lag op Gaza. De vragen betreffen onder andere hoe het voorgestelde mandaat zich verhoudt tot de VN en het VN-Handvest, de besluitvormingsstructuur van de organisatie en de verhouding tot andere internationale organisaties. Het kabinet onderstreept het belang van zoveel als mogelijk gecoördineerd optrekken met andere beoogde deelnemers aan de Board of Peace, waaronder Europese partners. Daarom is het voor Nederland op dit moment te vroeg om op donderdag 22 januari a.s. deel te nemen aan de ondertekeningsceremonie die op die dag in Davos door de VS wordt georganiseerd.
Daarbij is het van belang dat de vragen over de oprichting van de Board of Peaceals een internationale organisatie, met een breder mandaat dan Gaza, niet doen afleiden van de urgente noodzaak voortgang te maken met het vredesplan van president Trump voor Gaza. De inspanningen van het kabinet blijven gericht op het in stand houden van het staakt-het-vuren en het laten slagen van dit vredesplan. Het kabinet steunt daarom ook de oprichting van een Executive Board voor Gaza, die ressorteert onder de Board of Peace. Alhoewel de Board of Peace een breed mandaat heeft volgens het voorgestelde Handvest, en daarom de nodige vragen oproept, wordt in de bijgaande aankondiging van het Witte Huis de specifieke link met Gaza wel degelijk gelegd. Ook dat zal voor het kabinet meegewogen moeten worden in de wijze waarop Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace.
Deelt u de mening van de indieners dat een «Vredesraad» met onder andere Putin en Lukashenko ongewenst is en een serieuze bedreiging vormt voor de positie van de Verenigde Naties op het gebied van vrede en veiligheid wereldwijd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze berichtgeving. De VS heeft, voor zover bekend, ongeveer 60 landen uitgenodigd. Op het moment van dit schrijven is, op een aantal landen na, nog niet duidelijk welke landen de uitnodiging zullen accepteren en daadwerkelijk zullen plaatsnemen in de Board of Peace. Voor Nederland blijft het VN-Handvest hoe dan ook leidend. Ook leden van de Board of Peace zullen moeten handelen in overeenstemming met het internationaal recht.
Bent u voornemens om het Franse voorbeeld te volgen en de uitnodiging af te wijzen? Zo nee, bent u van plan om één miljard euro te betalen om deel te nemen?
Voor het kabinet komt ondertekening van het Handvest van de Board of Peaceop dit moment te vroeg. Over de wijze of, en zo ja hoe Nederland betrokken wil zijn bij de Board of Peace is nog geen besluit genomen. Daarvoor is ook nader overleg met Europese partners gewenst.
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk en voor het einde van de dag beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Vechtpartijen, vernielingen en vrouwen die worden lastiggevallen: reljeugd teistert treinreizigers in Zeeland’ |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat openbaar vervoer veilig moet zijn en dat iedereen te allen tijde zonder angst moeten kunnen reizen, vooral juist en vooral ook meisjes en vrouwen?1
Ja. Het gedrag van de betreffende Zeeuwse jongeren afgelopen periode was volstrekt onacceptabel. Ik vind het belangrijk dat het ov veilig is voor iedereen, zeker ook voor meisjes en vrouwen.
Deelt u de mening dat reizigers zich niet zouden moeten hoeven aanpassen aan het gedrag van een overlastgevende groep en dat NS-personeel het werk niet onder druk, met gevoel van onveiligheid moet hoeven uitvoeren?
Ja. Iedereen moet zich veilig voelen tijdens het reizen en werken in de trein, tram, metro of bus. Het personeel in het OV verdient daarbij steun bij de uitvoering van hun belangrijke en vaak moeilijke werk.
Sinds wanneer is deze overlast op het Zeeuwse spoor en stations ontstaan? Om hoeveel incidenten gaat het? Of is het beeld structureel?
Navraag bij NS leert dat op de Zeeuwse lijn en stations in januari t/m oktober 2024 circa 15 meldingen van overlast per maand geregistreerd zijn in treinen op het Zeeuwse spoor en op de Zeeuwse stations. Een piek in overlast is waar te nemen in november en december 2024. In november 2024 waren er 28 overlastmeldingen en in december 2024 waren dit er 29. Sinds dat moment is de overlast niet verder gegroeid, maar gemiddeld wel hoger dan de voorgaande jaren.
Sinds mei 2025 is de agressie tussen reizigers op de laatste treinen en het onveilige gevoel dat daarmee gepaard gaat toegenomen. Deze specifieke problematiek stak tijdelijk de kop op en is met extra inzet vanuit NS en de politie gericht aangepakt. Er wordt nauwgezet gemonitord.
In hoeverre neemt de problematiek toe, niet alleen in aantallen meldingen, maar ook in de ernst van het gedrag? En wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen incidentele verstoringen en structurele overlast door dezelfde groepen? Hoe is het beeld in de rest van het land?
Het gedrag van de groepen jongeren op het Zeeuwse spoor in de afgelopen periode was onacceptabel en afwijkend van het algemene beeld. Over het algemeen is er landelijk een stijging zichtbaar in het aantal overlast- en agressie-incidenten, maar het gedrag van deze groepen viel qua ernst duidelijk buiten het landelijke gemiddelde.
Ten aanzien van het beeld in de rest van het land geeft NS aan dat de afgelopen jaren een stijgende trend zichtbaar is in overlast, vandalisme en agressie op stations en in de trein. NS geeft hierbij aan dat diverse maatschappelijke problemen in de samenleving tot uiting komen in het OV, zoals de algemene verharding van de samenleving, een toename van onbegrepen gedrag en diverse andere overlastgevende doelgroepen invloed hebben op deze stijging.
In hoeverre zijn deze dadergroepen bij politie en NS in beeld? Wordt er gewerkt met een persoonsgerichte aanpak van veelplegers, bijvoorbeeld via vervoersverboden in het openbaar vervoer, gebiedsontzeggingen of andere interventies die verder gaan dan het steeds opnieuw reageren op incidenten? Welke rol nemen gemeenten in het proces?
NS heeft over de situatie in Zeeland nauw contact met de politie en brengt de problematiek onder de aandacht van de gemeente. De politie heeft de overlastgevers in beeld en zet zich actief in om de overlastgevers aan te pakken, waaronder het voeren van stopgesprekken. NS zet daarnaast extra NS-personeel in voor extra toezicht en past, waar nodig, reis- en verblijfsverboden toe.
In algemene zin hebben gemeenten de regie over de lokale aanpak op het terrein van zorg en veiligheid. De betrokken gemeenten in Zeeland zijn in contact met elkaar en willen dit probleem integraal aanpakken. De politie werkt daarbij samen met NS en gemeenten. Ieder incident wordt serieus genomen en waar nodig worden maatregelen getroffen, zoals verscherpt toezichtacties of het opvangen van de laatste trein.
Hoe houdbaar is de goede tijdelijke maatregel om extra toezicht en het meereizen van politie voort te zetten?
De inzet van extra maatregelen, zoals de inzet van extra NS-personeel en het meereizen van de politie, zijn tijdelijke maatregelen gericht op het herstellen van de huidige situatie naar een acceptabel en veilig niveau. Deze inzet vraagt aanzienlijke capaciteit en gaat ten koste van de inzet elders, waardoor zij niet permanent houdbaar is.
NS geeft aan dat de tijdelijke maatregelen aantoonbaar positieve effecten hebben gehad en hebben bijgedragen aan het normaliseren van de situatie in Zeeland. Op dit moment wordt de situatie beheersbaar gehouden binnen bestaande maatregelen, aangevuld met monitoring om tijdig te kunnen bijsturen indien de situatie daartoe aanleiding geeft.
Welke structurele, voortdurende maatregelen ziet u om de sociale veiligheid ín de trein voor reizigers en personeel te verbeteren, aanvullend op maatregelen op stations?
Mensen moeten veilig kunnen reizen met het openbaar vervoer. Dat vereist gezamenlijke inzet van meerdere partijen. NS ontvangt vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) 12 miljoen euro subsidie voor de aanschaf van bodycams voor hoofdconducteurs, voortbouwend op de positieve resultaten van een eerdere pilot. De OV-sector neemt daarnaast doorlopend maatregelen. Zo zijn er in de afgelopen jaren camera’s geplaatst op stations, meer stations afgesloten met poortjes, werkt de sector met veel incidentendata voor de data gestuurde inzet van personeel én kunnen NS-reizigers in het hele land onveilige situaties in treinen en stations via Whatsapp melden.
In het coalitieakkoord staan ambities benoemd die betrekking hebben op het effectief handhaven en innen van boetes als gevolg van zwartrijden en de toegang tot registers voor OV-boa’s en gegevensuitwisseling. Het afgelopen jaar heeft het Ministerie van IenW samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid gewerkt aan de toegang tot het Rijbewijzenregister voor OV-boa’s. Naar verwachting kunnen OV-boa’s medio 2026 gebruik maken van het Rijbewijzenregister. Daarnaast is gewerkt aan de verhoging van de boete voor het reizen zonder geldig vervoersbewijs om zwartrijden, en sociaal onveilige situaties die daardoor kunnen ontstaan, verder terug te dringen. De Minister voor Asiel en Migratie heeft eind vorig jaar aangegeven te werken aan het mogelijk maken van toegang voor boa’s in het openbaar vervoer tot de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV). Hiervoor is een wetswijziging vereist die wordt voorbereid door het Ministerie van Asiel en Migratie, zo nodig in afstemming met het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Hoe effectief is het recent geïntroduceerde noodnummer waarmee reizigers de conducteur kunnen bereiken bij bedreigende of vervelende situaties? In welke mate voelen conducteurs zich veilig genoeg om zelf in te grijpen wanneer zij bericht worden over een bedreigende of vervelende situatie? Hoe effectief is dit noodnummer en wat is de reizigerservaring hierop? Is dit noodnummer ook gebruikt bij deze overlastgevende situaties in Zeeland?
Sinds 2019 kunnen NS-reizigers via Whatsapp of SMS op laagdrempelige wijze contact opnemen met het meldnummer van NS voor overlast of een onveilige situatie. Dit is nadrukkelijk geen noodnummer. Bij spoedeisende hulp dient 112 gebeld te worden. Naar aanleiding van een toezegging tijdens het commissiedebat van 7 april 2025 wordt een onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van het meldnummer van NS, waarbij ook naar de reizigerservaring gekeken zal worden. Het eindrapport wordt in de eerste helft van dit jaar verwacht.
Hoofdconducteurs richten zich primair op het bieden van service en het controleren van vervoersbewijzen. Zij grijpen in beginsel niet zelfstandig in bij bedreigende situaties. Vanuit hun toezichthoudende rol kunnen zij wel personen aanspreken op het overtreden van huisregels of het verstoren van orde, rust en veiligheid en goede bedrijfsgang. Zij maken daarbij een eigen inschatting of een situatie de inzet van Veiligheid en Service of van de politie vereist of passend is. Indien dit het geval is, worden deze ingeschakeld.
Op basis van informatie van NS blijkt dat in 2024 via het meldnummer 4.308 meldingen van reizigers zijn geregistreerd, waarvan 33 betrekking hadden op situaties in Zeeland. In 2025 werden in totaal 67 meldingen op het NS-meldnummer geregistreerd in Zeeland. Het merendeel van de meldingen betreft overlast. De waargenomen stijging kan mede samenhangen met een hogere meldingsbereidheid en de wijze van registratie.
Overweegt u, of de NS, nog andere, aanvullende veiligheidsmaatregelen, bijvoorbeeld het implementeren van niet alleen een noodnummer maar ook een noodknop in de treincoupés? Kunt u de Kamer meenemen in mogelijkheden die u en de NS overwegen?
De NS heeft een breed scala aan veiligheidsmaatregelen getroffen. Zowel stations als treinen zijn veelal voorzien van noodknoppen met intercom, cameratoezicht en poortjes. Daarnaast wordt datagedreven en informatiegestuurd toezicht, controle en handhaving uitgevoerd, onder andere door cameraobservanten, hoofdconducteurs en boa’s Veiligheid & Service van NS. In geval van spoedeisende hulp worden de reguliere hulpdiensten ingeschakeld. Ik blijf in gesprek met NS over mogelijke aanvullende maatregelen om de veiligheid verder te versterken. Hierbij worden de effectiviteit en de haalbaarheid van deze maatregelen zorgvuldig afgewogen.
Zijn bij u nog andere effectieve voorbeelden bekend van maatregelen in het buitenland waar vergelijkbaar overlast in het openbaar vervoer is teruggedrongen? En vooral maatregelen die wij in Nederland nog niet toepassen? Zo ja, welke lessen kunnen daaruit worden getrokken voor Nederland?
Veel van de maatregelen die in het buitenland worden toegepast, zoals bodycams voor personeel, cameratoezicht als preventieve maatregel, laagdrempelige meldmogelijkheden via apps of sms en het gebruik maken van toegangspoortjes, worden in Nederland ook toegepast. Internationale voorbeelden laten zien dat zichtbare aanwezigheid, meldmogelijkheden en samenwerking tussen betrokken partijen bijdragen aan het vergroten van de sociale veiligheid in het OV. Waar passend wordt geleerd van ervaringen uit het buitenland binnen de Nederlandse wettelijke kaders. NS staat daarbij in contact met hun internationale collega’s om ervaringen en trends op het gebied van veiligheid uit te wisselen. Waar mogelijk worden lessen hieruit toegepast, rekening houdend met het feit dat regelgeving per land kan verschillen.
Hoe effectief blijken de camera's aan boord van de trein bij het registreren en opvolgen van de overlast? Zijn daar verbeteringen mogelijk en denkbaar? Wat is daarvoor nodig?
NS heeft laten weten dat camera’s aan boord van treinen vooral effectief zijn gebleken bij de opsporing en opvolging van strafbare feiten waarvoor aangifte wordt gedaan. Politie en Openbaar Ministerie maken hierbij waar mogelijk gebruik van beschikbaar beeldmateriaal.
Voor overlast kunnen de camera’s worden ingezet ter verificatie van meldingen, bijvoorbeeld via het meldnummer van NS. In een toenemend aantal treinen is het inmiddels ook mogelijk om live mee te kijken. Bij de aanschaf van nieuwe treinen en de revisie van bestaand materieel wordt rekening gehouden met deze functionaliteit, zodat camera’s effectiever kunnen bijdragen aan het registreren en opvolgen van overlast.
In welke mate kunnen slimme AI-camera's om, binnen de kaders van de AVG, onwenselijke gedragingen, vrij van persoonskenmerken, te detecteren, vast te leggen en te verwerken de oplossing zijn? Kan dat ook in de trein? Zijn deze camera's effectiever dan de huidige?
Slimme AI-camera’s kunnen het voor cameraobservanten mogelijk maken om beelden van het grote aantal camera’s effectiever te monitoren, doordat afwijkende situaties sneller worden gesignaleerd. Daarmee zijn deze camera’s effectiever dan de reguliere camera’s. Toepassing binnen de kaders van de AVG is mogelijk, maar vergt nog verdere, technische doorontwikkeling.
Vooral op stations lijken slimme AI-camera’s een kansrijke optie. In de trein is de toepassing minder haalbaar, omdat er onvoldoende fysieke ruimte is voor de benodigde hardware. Daarnaast kan het model niet direct op de camera of in de trein draaien, waardoor connectiviteit momenteel een beperkende factor vormt. Het gebruik van complexe modellen videostreams vereist bovendien hoogwaardige videostreams met minimale buffering en vertraging, wat ook een beperking vormt.
Deelt u de mening dat de pakkans aanmerkelijk verhogen preventief werkt? Wat is uw standpunt en – voor zover bekend – van de NS hierover?
Ja, ik deel de mening dat een hogere pakkans preventief kan werken. De verwachte pakkans kan mogelijk een factor zijn bij de beslissing om een strafbaar feit te plegen. Tegelijkertijd zijn er dadertypes waarvoor dit wellicht minder of geen effect heeft, bijvoorbeeld als gevolg van middelengebruik of een bepaalde geestestoestand. Ook NS stelt op basis van ervaring dat een hogere pakkans preventieve effecten kan hebben, zij het met de kanttekening dat dit niet voor alle daders even effectief zal zijn.
Indien cameratoezicht goed wordt ingezet, is er ruimte om raddraaiers en overlastgevers te herkennen en een (tijdelijk) reisverbod op te kunnen leggen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op basis van informatie van NS blijkt dat de meeste directe verboden worden opgelegd aan de hand van heterdaadwaarnemingen. Cameratoezicht kan daarbij van dienst zijn, maar veelal gebeurt dit aan de hand van directe waarnemingen van NS-personeel of na een aanhouding door de politie.
De misstanden en onveiligheid in het wooncomplex Stek Oost met statushouders |
|
Simon Ceulemans (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Stek Oost, waaronder de artikelen in het Parool en op AT5 waaruit blijkt dat woningcorporatie Stadgenoot al jaren wil stoppen met het gemengd wonen van statushouders en jongeren in Stek Oost vanwege ernstige onveiligheid, maar dat de gemeente Amsterdam dit heeft tegengehouden?1 2
Ja.
Kunt u een volledig feitenrelaas geven over de situatie in Stek Oost sinds de start in 2018, inclusief het aantal bewoners (onderscheid statushouders/jongeren) per jaar, de aard en ernst van de incidenten, het aantal meldingen bij politie, het aantal aangiften en het aantal huisuitzettingen?
Stek Oost is gestart in 2018 als tijdelijk woon- en gemeenschapshuisvestingproject, waar Amsterdamse jongeren en statushouders in hetzelfde complex wonen. In 250 zelfstandige studio’s werden deze doelgroepen aan elkaar gekoppeld, waar de jongeren zich inzetten om de statushouders te ondersteunen. Bij de start was er een verhouding van 50% statushouders en 50% Amsterdamse jongeren.
Op 20 januari 2026 heeft gemeenteraadslid Von Gerhardt (VVD) in Amsterdam schriftelijke vragen gesteld aan het college van burgemeester en wethouders.3 Bij de beantwoording van deze vragen op 2 februari 2026, is in een bijlage ook een tijdlijn aangeleverd van gebeurtenissen op Stek Oost tussen 2018 en 2025.4 Hierbij geeft het college aan dat incidenten in deze tijdlijn «zeer ernstige en acute incidenten met een directe, grote impact op de omgeving betreft» en dat «reguliere zorg- en overlastmeldingen daar niet onder vallen».
In deze tijdlijn staan tussen 2018 en 2025 meerdere ernstige incidenten beschreven, zoals: steekincidenten, meldingen en aangifte van zedendelicten en veroordeling van een toenmalig bewoner van Stek Oost voor een zedendelict. Verder staat in de tijdlijn onder meer beschreven:
Voor de volledige tijdlijn verwijs ik naar de beantwoording van de schriftelijke vragen aan het college van Amsterdam van 2 februari in het raadsinformatiesysteem van de gemeente Amsterdam.5
De berichtgeving en beschikbare stukken schetsten een beeld van meerdere heftige incidenten en ik leef mee met eenieder die slachtoffer is geworden van dergelijke incidenten. Je thuis moet een veilige plek zijn.
Klopt het dat er in een periode van circa anderhalf jaar minimaal twintig aangiften zijn gedaan door bewoners en oud-bewoners, onder meer wegens aanranding, geweld, steek- en vechtpartijen, stalking, diefstal, LHBTIQ+-gerelateerde intimidatie en andere vormen van grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, wat zijn dan de exacte aantallen per delictcategorie sinds de start van het project?
Voor de volledige tijdlijn verwijs ik naar de beantwoording van de schriftelijke vragen aan het college van Amsterdam van 2 februari in het raadsinformatiesysteem van de gemeente Amsterdam.
Hoe beoordeelt u het oordeel van Stadgenoot dat de veiligheid in Stek Oost niet gegarandeerd kon worden en dat de corporatie daarom heeft willen stoppen met het gemengd wonen op deze locatie?
Dit gaat om gesprekken die hebben plaatsgevonden tussen de gemeente en de corporatie, het Ministerie van VRO heeft hier geen rol in gespeeld.
Deelt u de zorg dat de gemeente Amsterdam, door beëindiging van het gemengd wonen in Stek Oost tegen te houden, de veiligheid van (met name vrouwelijke en LHBTIQ+-) Nederlandse bewoners en andere omwonenden ondergeschikt heeft gemaakt aan haar eigen beleidsdoel om statushouders gemengd te huisvesten?
Ik beschik niet over voldoende informatie om hierover een inhoudelijk oordeel te geven. Het gemeentebestuur van Amsterdam geeft aan dat de wettelijke taakstelling om statushouders te huisvesten nooit doorslaggevend is geweest bij afwegingen die zijn gemaakt over Stek Oost. Bij incidenten is gehandeld zoals zij dat altijd en overal doen. Er is daarbij steeds gekeken naar wat nodig was en er zijn maatregelen genomen om de leefbaarheid en veiligheid voor de bewoners van Stek Oost te verbeteren.
Voor een nadere toelichting verwijs ik naar de raadsinformatiebrief van de Gemeente Amsterdam van 16 februari 20266.
Heeft u of uw voorgangers signalen ontvangen van Stadgenoot, bewoners, politie, de Arbeidsinspectie of andere instanties over structurele onveiligheid en overlast in Stek Oost en vergelijkbare projecten? Zo ja, om welke signalen ging het concreet, op welke data zijn deze signalen ontvangen en welke acties zijn daarop door het Rijk ondernomen?
Er zijn mij geen signalen bekend vanuit genoemde partijen richting mij of mijn voorgangers over de situatie op Stek Oost.
Kunt u een overzicht geven van alle gemengde wooncomplexen in Nederland waar statushouders samen met Nederlandse jongeren of andere doelgroepen wonen, uitgesplitst naar gemeente, omvang (aantal bewoners) en samenstelling (percentage statushouders)?
Nee, ik heb geen totaaloverzicht van gemengde wooncomplexen tot mijn beschikking. Er zijn allerlei manieren waarop gemengde wooncomplexen tot stand komen, dit is een lokale aangelegenheid. Wel geldt voor projecten die met de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen tot stand komen, een eis om 30% van de woningen in het project te reserveren voor statushouders of Oekraïense ontheemden. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om deze eis buiten het SFT project in te vullen door elders in de gemeente woningen voor deze groep beschikbaar te stellen.
In hoeveel van deze complexen zijn de afgelopen vijf jaar incidenten geregistreerd die betrekking hebben op geweld, zedendelicten, intimidatie/stalking, drugshandel, ernstige overlast en LHBTIQ+-gerelateerde discriminatie of geweld? Kunt u dit per complex en per delictcategorie specificeren, inclusief aantallen meldingen en, voor zover bekend, het aantal incidenten waarbij LHBTIQ+-bewoners betrokken waren als slachtoffer?
Hier heb ik geen informatie over.
Erkent u dat de combinatie van een grote schaal, een hoge concentratie statushouders (circa 50% of meer) en een relatief homogene groep statushouders (zelfde herkomstlanden, leeftijd, alleenstaande mannen) een belangrijke risicofactor is voor onveiligheid en mislukte integratie, zoals onder meer door Stadgenoot is geschetst? Zo nee, waarom niet?
Laat ik vooropstellen dat ik het voor de slachtoffers en overige bewoners van Stek Oost verschrikkelijk vind wat er gebeurd is. Ik wil echter geen algemene conclusies trekken over dat de genoemde factoren per definitie maken dat dit leidt tot onveiligheid en mislukte integratie, of dat statushouders per definitie voor overlast of onveiligheid zouden zorgen. Veel statushouders gedragen zich als een goede huurder en er zijn verschillende goede en geslaagde voorbeelden van soortgelijke woonprojecten. Het is hierbij belangrijk te kijken naar de randvoorwaarden die aanwezig zijn, zoals de opzet van het complex en aanwezigheid van sociaal beheer en ondersteuning.
Hoe waarborgt u dat Nederlandse jongeren, studenten en starters niet opnieuw in feitelijk onveilige pilotprojecten of experimenten terechtkomen, waarbij zij als het ware proefpersonen zijn voor integratiebeleid en de nadelige gevolgen van verkeerde beleidskeuzes dragen?
Gezien de ernst van de incidenten op Stek Oost, begrijp ik de ontstane onrust. Er zijn echter, ook binnen de gemeente Amsterdam, meerdere gemengd wonen projecten bekend die wel goed functioneren. Inmiddels zijn er lessen geleerd en procedures en werkwijzen bij gemeenten aangepast. Daarnaast zet ik in op meer sociaal beheer, onder andere door de aanpassing van de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT+), waarbij gemeenten nu ook een bijdrage van € 6.000 (bij zelfstandige woonruimte) of € 4.000 (bij onzelfstandige woonruimte) per woonruimte voor sociaal beheer ontvangen.
Bent u, gelet op de jarenlange signalen over ernstige onveiligheid in Stek Oost en andere gemengde wooncomplexen en de waarschuwingen van woningcorporaties, bereid bewoners, in het bijzonder vrouwelijke en LHBTIQ+-bewoners, die daar slachtoffer zijn geworden van zedenmisdrijven, geweld, stalking of andere ernstige feiten te compenseren en/of hen prioritaire toegang tot andere, wél veilige huisvesting te geven, bijvoorbeeld door hen een vorm van urgentie of voorrang bij herhuisvesting toe te kennen?
Hiertoe heb ik geen mogelijkheden. Het toekennen van urgentie of voorrang bij herhuisvesting is een keuze die de gemeente samen met de corporatie kan maken.
Hoe verhouden de ervaringen en incidenten bij gemengde complexen zoals Stek Oost zich tot het wetsvoorstel om de voorrang voor statushouders in de sociale huur te schrappen en gemeenten te stimuleren om «doorstroomlocaties' te openen waar ook andere woningzoekenden een plek kunnen krijgen? Acht u het, in het licht van de misstanden in Stek Oost en andere projecten, verantwoord om juist dit type gemengde, tijdelijke woonvormen als oplossing te presenteren en welke extra waarborgen voor veiligheid, in het bijzonder voor vrouwen en LHBTIQ+-bewoners, bent u voornemens hierin wettelijk vast te leggen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid een onafhankelijke, landelijke evaluatie te laten uitvoeren van alle gemengde woonprojecten met statushouders, inclusief de veiligheidssituatie en ervaringen van bewoners, op basis daarvan scenario’s uit te werken waarin met gemengde projecten wordt gestopt of deze drastisch worden beperkt tot kleinschalige, strikt gereguleerde initiatieven en de Kamer hierover uiterlijk vóór het zomerreces 2026 te informeren?
Nee, dit blijft een lokale afweging. Wel probeer ik op de hoogte te blijven van ontwikkelingen rondom gemengd wonen en kijk ik waar mogelijk aanvullend beleid voor nodig is.
Wilt u deze vragen uiterlijk maandag 2 februari 2026, één voor één beantwoorden?
In verband met de benodigde afstemming met partijen is dit niet gelukt.
Het toenemend aantal schuldregelingen met een ‘nulaanbod’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de verschenen artikelen1 2 3 over de ontwikkelingen in de schuldhulpverlening waar het «nulaanbod» toeneemt?
Hoe beoordeelt u de verschillende standpunten over de rechtmatigheid van het gebruik van het «nulaanbod»?
Onderschrijft u het besluit van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) om per 1 juli 2024 het zogenoemde «nulaanbod» voor hun leden toe te staan voor mensen die conform de methode van het vrij te laten bedrag geen afloscapaciteit hebben? Ziet u dit als een goede stap vooruit in het kader van de bestaanszekerheid van deze groep schuldenaren (die voor de schuldregeling vaak jaren te maken hebben gehad met beslagleggingen en dergelijke)?
Deelt u tegelijkertijd de zorg dat het structureel toepassen van een nulaanbod bij een steeds groter wordende groep mensen mogelijk kan leiden tot een disbalans tussen schuldenaren en schuldeisers en mogelijk afbreuk doet aan het uitgangspunt van wederkerigheid en draagkracht? Kunt u uw zienswijze delen?
Kunt u toelichten hoe dit nulaanbod zich verhoudt tot de wettelijke 5%-regeling die geldt voor de beslagvrije voet en die volgens de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) en de wetsgeschiedenis ook voor de schuldhulpverlening geldt? Wat is volgens u de verhouding tussen artikel 285 lid 1 onder f FW en de 5%-regeling? Is het nulaanbod gelet op de memorie van toelichting van de Wgs (Kamerstukken II 2019/20, 35 316, nr. 3, p. 17.) strijdig met de bedoeling van de wet of is het kabinet van mening dat het nulaanbod wel degelijk verenigbaar is? In hoeverre is het feit dat een minnelijke schuldregeling een afspraak is tussen partijen waar de Wgs formeel los van staat hierbij relevant?
Klopt het dat het nulaanbod inmiddels voor ongeveer een derde van de nieuwe schuldregelingen geldt? Hoe beoordeelt het kabinet dit? Bent u bereid dit cijfer nader te onderzoeken en daarbij ook de onderliggende draagkracht van deze groep te analyseren?
Wat is uw visie op aflossen, zij het zeer beperkt, in relatie tot duurzame gedragsverandering? Bent u bereid te onderzoeken hoe duurzame gedragsverandering inclusief financiële bewustwording en het voorkomen van terugval het beste gerealiseerd kan worden? In hoeverre is het hierbij relevant dat verschillende schuldeisers liever een schuld afboeken in plaats van een klein deel van de schuld te ontvangen (inclusief bijbehorende administratieve handelingen)?
Bent u bereid om met de relevante partners uit het veld het gesprek te voeren over het nulaanbod en te onderzoeken wat de ervaringen in de praktijk zijn (zowel van schuldeisers, schuldenaren als schuldhulpverleners) en of het nulaanbod invloed heeft op de algemene bereidheid van schuldeisers om mee te werken aan een schuldregeling? Ziet het kabinet een rol voor zichzelf in het herijken van het beleid rond aflossingsverplichtingen binnen minnelijke schuldregelingen? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw standpunt aangaande het moment van finale kwijting bij een nulaanbod? In hoeverre zou een spaarprognose-aanbieding een alternatief zijn (in plaats van een saneringskrediet i.c.m. een nulaanbod) om schuldenaren 18 maanden te kunnen begeleiden om duurzame gedragsverandering mogelijk te maken?
Hoe kijkt u aan tegen een uitspraak4 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt afgewezen omdat volgens de ene afdeling van de gemeente er wel afloscapaciteit is en er 5% ingehouden wordt op de uitkering, terwijl de schuldhulpverlener, in opdracht van diezelfde gemeente aangeeft dat er geen afloscapaciteit is en van schuldeisers verlangd wordt in te stemmen met een nulaanbod?
Wat is uw reflectie op de uitspraak5 van de rechtbank Midden-Nederland waarbij een dwangakkoord met een nulaanbod wordt afgewezen omdat een traject in de wettelijke schuldsanering vergelijkbaar zou zijn en daar betere waarborgen zijn voor een hogere afdracht aan de schuldeisers dan het nulaanbod in het minnelijk traject?
Klopt het dat rechters in Wsnp-zaken het vrij te laten bedrag berekenen volgens een methode die is ontwikkeld door Recofa, waarbij de wettelijke 5%-norm niet wordt meegenomen? Hoe beoordeelt u dit juridisch en beleidsmatig?
Bent u het eens dat het wenselijk zou zijn dat schuldenaren een minimale aflossing moeten kunnen doen met inachtneming van het vtlb, wat noodzakelijkerwijs vraagt het sociaal minimum te verhogen? Bent u bereid om, mede naar aanleiding van het rapport van de Commissie sociaal minimum, te onderzoeken hoe het sociaal minimum zodanig kan worden versterkt dat mensen ook met een laag inkomen toch een bijdrage naar draagkracht kunnen leveren in schuldregelingen? Wat zouden de financiële consequenties hiervan zijn?
Het bericht 'Steeds meer jongeren verslaafd aan online gokken: “In mbo-klassen steken bijna alle jongens hun hand op' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Steeds meer jongeren verslaafd aan online gokken: «In mbo-klassen steken bijna alle jongens hun hand op»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de trend dat steeds meer jongeren, waaronder minderjarigen, verslaafd zijn aan online gokken in het licht van de legalisering van online gokken in 2021?
Er zijn geen precieze cijfers over het aantal jongeren dat verslaafd is geraakt aan online gokken sinds 2021. In 2024 was 18% van het aantal mensen dat in behandeling is voor gokverslaving jonger dan 25 jaar.2 Dat vind ik zorgelijk. Jongeren, in het bijzonder minderjarigen, behoren tot een kwetsbare groep die extra gevoelig is voor de verleidingen van gokken. Daarom is mijn beleidsinzet er in het bijzonder op gericht om jongeren beter te beschermen tegen de risico’s van gokken.
Bent u het ermee eens dat legalisatie van online gokken eraan heeft bijgedragen dat gokken onder (minderjarige) jongeren genormaliseerd is en er sprake is van een aanzuigende werking? Zo nee, waarom niet?
Het is niet uitgesloten dat de legalisering, naast andere factoren zoals toegankelijkheid van online diensten, heeft bijgedragen aan de normalisering van online gokken. Het is bekend dat er in de afgelopen jaren meer jongeren, waaronder minderjarigen, online zijn gaan gokken.3 Om dit tegen te gaan zetten de Kansspelautoriteit (Ksa) en ik in op voorlichting over de risico’s van online gokken en het tegengaan van normalisering van deelname aan risicovolle kansspelen.
Op welke manier kan volgens u een cultuurverandering ingezet worden voor jonge jongens om het inzetten van geld op voetbalwedstrijden te denormaliseren?
Denormalisatie is een complex proces waarbij onder andere de sociale omgeving een belangrijke rol speelt.4 Bewustwordingsactiviteiten kunnen eraan bijdragen om jongeren en hun omgeving bewust te maken van de risico’s van sportweddenschappen en hen te laten nadenken of deelname aan deze kansspelen verstandig is. Met dit doel heeft de Ksa bijvoorbeeld al een campagne opgezet vanuit het Verslavingspreventiefonds rondom de sportzomer in 2024. In 2026 zet de Ksa via het Verslavingspreventiefonds opnieuw in op bewustwordingscampagnes. Ook worden bestaande campagnes, bijvoorbeeld de campagne om aandacht te vragen voor de Gokstop, verder uitgebreid. Daarnaast heeft de Ksa in september 2025 het consumentenplatform OpenOverGokken gelanceerd, een platform waar verschillende doelgroepen terechtkunnen voor informatie over gokken én voor informatie over hulp bij problemen door gokken. Begin van dit jaar is de publiekscampagne van OperOverGokken begonnen. Deze activiteiten maken ook onderdeel uit van de meerjarenagenda bescherming tegen gokschade die op dit moment in ontwikkeling is. Preventie ten aanzien van minderjarigen en jongvolwassenen vind ik daarbij van bijzonder groot belang. Voetbalclub Roda JC heeft, in samenwerking met de Ksa, het initiatief genomen voor de campagne «Wat kost je winst»?. De club vraagt daarmee aandacht voor het feit dat jongeren het steeds normaler vinden deel te nemen aan sportweddenschappen en de gevolgen daarvan. Eenmalig speelden de spelers met «min-rugnummers».5 Ik juich dit initiatief van harte toe.
Bent u het ermee eens dat de KNVB ook een verantwoordelijkheid heeft om de zorgelijke cijfers van voetbalgerelateerde gokverslavingen onder jonge jongens te mitigeren? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de KNVB geen formele verantwoordelijkheid heeft in het voorkomen en tegengaan van gokverslaving onder jonge jongens kan zij hier als maatschappelijke organisatie wel een rol in spelen, bijvoorbeeld in de keuze om al dan niet een overeenkomst aan te gaan met een kansspelaanbieder. In dat kader merk ik op dat sportsponsoring door loterijen toegestaan is. Tegelijkertijd betekent het feit dat iets volgens de wet mag, niet dat die wettelijke ruimte moet
worden benut. Zoals mijn voorganger heeft aangegeven in antwoorden op eerdere Kamervragen zie ik geen aanleiding om hier een gesprek met de KNVB over te voeren.6
Bent u het ermee eens dat de keuzes van de KNVB om het gokbedrijf «Eurojackpot» uit te kiezen als nieuwe hoofdsponsor en de naamgeving van het KNVB bekertoernooi als «Eurojackpot-KNVB beker» uiterst ongelukkig zijn? Bent u bereid daarover het gesprek met de KNVB aan te gaan?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat een totaalverbod op online gokreclames kan helpen in het denormaliseren van online gokken, vooral voor jongvolwassenen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven is normalisatie van online gokken een complex proces waarbij de sociale omgeving een belangrijke factor is. Reclame speelt ook een rol. Als het gaat om reclame in de online omgeving moet daarnaast in aanmerking worden genomen dat deze op dit moment voor een groot deel bestaat uit reclame voor illegaal aanbod. Dan gaat het om reclame via social media zoals Facebook of TikTok onder andere door influencers. Het bestrijden van dat soort ongewenste reclames wordt niet geraakt door de maatregelen in het reguleren van de reclame voor het legale aanbod. Hiervoor is meer inzet op handhaving van illegaal aanbod nodig. Bij de afweging hoe verstrekkend een reclameverbod voor vergunde online kansspelen moet zijn moet hiermee rekening worden gehouden.
Hoe wordt op dit moment opgetreden tegen influencers die reclame maken voor online goksites?
De inzet van rolmodellen, zoals influencers, bij reclame voor vergunde online kansspelen is verboden. De Ksa heeft in dat kader recentelijk een aanbieder aangesproken.7 Reclame door influencers voor illegaal aanbod is uiteraard ook verboden. De Ksa houdt toezicht en treedt op tegen overtredingen. De Ksa heeft eerder influencers die reclame maakten voor een illegale kansspelaanbieder een last onder dwangsom opgelegd.8 In de toezichtagenda 2026 geeft de Ksa aan dat zij zich komend jaar extra richt op toezicht op reclame en dat zij extra capaciteit inzet op het frustreren van illegale infrastructuur, in samenwerking met onder andere sociale mediabedrijven.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Kansspelautoriteit om hardere sancties in te voeren voor aanbieders die leeftijdsverificatie omzeilen of niet kunnen garanderen, zoals het direct offline halen van de site en het intrekken van de vergunning?
De Ksa treedt op in het geval dat een vergunde kansspelaanbieder niet voldoet aan de strenge eisen voor leeftijdsverificatie. In gevallen dat de leeftijdsverificatie omzeild wordt bij legale aanbieders gebeurt dit echter vaak via accounts van volwassen kennissen, familie en vrienden. Bij het illegale aanbod kan de leeftijdsverificatie volledig ontbreken of niet voldoende worden gedaan. Daarom vind ik het belangrijk om juist ook in te zetten de aanpak van illegaal aanbod en op denormalisatie van online gokken bij minderjarigen, zodat zij überhaupt niet online willen gaan gokken.
Hoeveel mensen kampen naar schatting op dit moment met een online gokverslaving sinds 2021?
Cijfers over het aantal mensen dat kampt met specifiek een online gokverslaving zijn er niet. Het aantal mensen in behandeling voor gokverslaving is opgenomen in de Kerncijfers verslavingszorg 2015–2024.9 Na een daling tussen 2018 en 2022 neemt sinds 2023 het aandeel en het aantal personen in de verslavingszorg met als primaire problematiek gokken toe. In 2024 waren 2700 personen in behandeling voor gokproblematiek. Dat deze cijfers zijn gestegen kan verschillende oorzaken hebben. Het is bekend dat het aantal spelers sinds 2021 is toegenomen. Sinds 2021 is er ook meer aandacht voor gokproblematiek en hulp en ondersteuning daarbij.
Wat is volgens u de reden dat sinds 2021 de verslavingscijfers van online gokken zijn gestegen?
Zie antwoord vraag 10.
Op welke manier kunt u ervoor zorgen dat jongeren met problematisch online gokgedrag zich sneller melden bij hulporganisaties?
De inzet op bescherming tegen de risico’s van gokken is een speerpunt van mijn beleid. In mijn antwoord op vraag 4 ben ik in gegaan op de inzet om jongeren bewuster te maken van de risico’s van gokken en de beschikbare hulp en ondersteuning.
Bent u bereid om meer preventieve maatregelen te nemen om jongeren de gevaren van online gokken te laten inzien en ervoor te zorgen dat online gokken niet wordt genormaliseerd onder jongeren? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u van mening dat het versterken van preventieprogramma’s voor online gokken op scholen hierin effectief kan zijn?
Ik vind dat preventieprogramma’s voor online gokken op scholen effectief kunnen zijn. Tegelijkertijd is wel van belang dat dit met zorgvuldigheid wordt vormgegeven om jongeren niet op ideeën te brengen of af te schrikken om hulp te zoeken. Daarom moet naast de jongere zelf ook de omgeving van de jongere worden betrokken bij preventieprogramma’s. Via het Verslavingspreventiefonds dat de Ksa beheert wordt reeds het programma Helder op school uitgebreid met het thema gokken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de begroting van Justitie en Veiligheid?
Ik heb deze vragen zo snel als mogelijk beantwoord. Dat is helaas niet gelukt voor de behandeling van de begroting van Justitie en Veiligheid.
Het bericht dat Curaçao wordt gebruikt als doorvoerhaven voor Venezolaanse olie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat een tanker met Venezolaanse olie recent is aangemeerd bij Curaçao voor tijdelijke opslag, en zo ja, welke hoeveelheden zijn betrokken en in wiens opdracht gebeurt dit?1
Hoe beoordeelt u de uitspraak van premier Pisas dat deze ontwikkeling een «buitenkansje» is voor Curaçao?
Bent u vooraf geïnformeerd over de aankomst en opslag van Venezolaanse olie op Curaçao? Zo ja, wanneer en door wie?
Deelt u de mening dat de oliehandel via Curaçao het signaal afgeeft dat schendingen van internationaal recht door de illegale acties van de VS geen gevolgen hoeven te hebben zolang economische belangen spelen?
Hoe voorkomt u dat Nederlandse bedrijven economisch profiteren van een situatie die is ontstaan door illegale interventie van de VS in Venezuela?
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao structureel wordt gepositioneerd als fossiele doorvoerhub? Acht het kabinet dit in lijn met het Klimaatakkoord van Parijs en de EU-klimaatdoelstellingen? Zo nee, wat doet het kabinet om het structureel inbedden van een fossiele doorvoerhaven te voorkomen?
Bent u bereid om met Curaçao in gesprek te gaan over alternatieven voor economische ontwikkeling die niet leunen op fossiele doorvoer en opslag, en die niet het gevolg zijn van een illegale interventie door de VS? Zo ja, welke concrete stappen zijn daarvoor voorzien?
Acht u het wenselijk dat Curaçao zich profileert als doorvoerhaven voor fossiele olie, terwijl Nederland zich internationaal uitspreekt voor klimaatdoelen, afbouw van fossiele afhankelijkheid en het beperken van de macht van olie-exporterende staten?
Hoe verhoudt het faciliteren van de doorvoer en opslag van Venezolaanse olie via Curaçao zich tot het Nederlandse beleid om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en olie-exporterende staten te verminderen, en tot de inzet op strategische energie-onafhankelijkheid?
Het niet uitvoeren van de aangenomen motie over een campagne om mensen te werven om in de zorg te werken |
|
Sarah Dobbe |
|
Bruijn |
|
Waarom weigert u de aangenomen motie Dobbe1 uit te voeren, waarmee een tweederde meerderheid van de Kamer u verzocht om «om een wervingscampagne op te zetten, vergelijkbaar met de wervingscampagne van Defensie, om mensen te werven om in de zorg te werken, en de Kamer hier voor de begrotingsbehandeling over te informeren»?
Ik begrijp en deel de urgentie die aan deze motie ten grondslag ligt. De uitvoering van moties wordt door het kabinet serieus genomen. Ik heb ervoor gekozen om, binnen het arbeidsmarktbeleid voor zorg en welzijn, een andere route te bewandelen die aansluit bij de beschikbare middelen en eerder gemaakte afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). Op basis daarvan is samen met het veld een landelijke inzet voorbereid gericht op loopbaanoriëntatie en zichtbaarheid van zorg en welzijn. Zie ook de beantwoording van de vragen hierna.
Waarom bent u niet bereid om een wervingscampagne op te zetten voor de zorg, terwijl de personeelstekorten in de zorg één van de grootste problemen in Nederland is?
Ik deel de analyse dat de personeelstekorten in zorg en welzijn urgent zijn. Tegelijkertijd vergt effectieve werving in deze sector een aanpak die recht doet aan de grote diversiteit van beroepen, het regionale karakter van de arbeidsmarkt en de decentrale organisatie van werkgevers. Er is daarom samen met sociale partners gewerkt aan een gerichte inzet die zich richt op instroom, behoud en herintrede, op een manier die duurzaam, uitvoerbaar en realistisch is. De uitvoering van deze inzet is momenteel in voorbereiding en sluit aan bij bestaande samenwerkingsstructuren binnen de sector.
Erkent u dat het feit dat uw ministerie niet rechtstreeks de werkgever is van zorgverleners het niet onmogelijk maakt om een wervingscampagne op te zetten?2
Dat erken ik. Tegelijkertijd acht ik het van belang om bij de opzet van landelijke wervingsinspanningen goed aan te sluiten bij de autonomie en verantwoordelijkheid van werkgevers en sectorale organisaties. Individuele werkgevers zijn primair verantwoordelijk voor de werving van voldoende personeel. Ik zie dat zorg- en welzijnsinstellingen op lokaal en regionaal niveau grote inspanning leveren op dit vlak. Het is mijn rol om hen daar op landelijk niveau, in overleg met sociale partners en andere betrokken partijen, zo goed mogelijk bij te ondersteunen. Om die reden is ervoor gekozen om in nauwe samenwerking met betrokken partijen toe te werken naar een initiatief dat zowel landelijk herkenbaar als regionaal toepasbaar is.
Deelt u de mening dat het wel of niet opzetten van een wervingscampagne voor de zorg, terwijl er ook in andere sectoren personeelstekorten zijn, een politieke keuze is die een ruime meerderheid van de Kamer al heeft gemaakt? Zo ja, waarom maakt u deze weging dan eigenhandig opnieuw?
Het kabinet weegt aangenomen moties zorgvuldig en voert deze in beginsel uit. Tegelijkertijd is er sprake van een bredere arbeidsmarktdynamiek: ook in andere (semi-)publieke sectoren zijn personeelstekorten. Dat vraagt om doordachte keuzes in communicatie en werving. Mijn ministerie staat daarom, gecoördineerd door het Ministerie van SZW, in nauw contact met andere departementen als het gaat om afstemming en samenwerking tussen sectoren om de arbeidsmarkttekorten in Nederland het hoofd te bieden. Een landelijke wervingscampagne voor de sector zorg en welzijn past niet in de lijn die eerder kabinetsbreed is afgesproken, noch is deze wens financieel en uitvoeringstechnisch haalbaar.
De brede oproep van de Kamer om werk te maken van de instroom in de sector zorg en welzijn neem ik serieus en heb ik daarom nadrukkelijk meegenomen in de gesprekken die ik hierover voer met het veld. Zoals eerder toegezegd in de stand van zaken brief voor het kerstreces3, breng ik uw Kamer op de hoogte van de uitkomst van deze gesprekken.
Er is brede steun vanuit het veld om meerjarig te investeren in het voortzetten en integreren van bestaande loopbaaninstrumenten. Dit is afgesproken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). De betrokken partijen hebben recent ingestemd met het reserveren van 4,6 miljoen euro per jaar voor dit doel. Hiermee wordt nog dit jaar een landelijk loopbaanplatform gelanceerd waarop studiekiezers, studenten, werkenden, zij-instromers en herintreders terecht kunnen voor betrouwbare informatie en persoonlijk advies om een volgende loopbaanstap te zetten richting zorg en welzijn. De lancering van dit platform gaat gepaard met landelijke publiekscommunicatie om zoveel mogelijk mensen uit de doelgroep te bereiken. Deze keuze heb ik niet opnieuw of eenzijdig gemaakt, maar in overleg met sociale partners en AZWA-partijen voorbereid. Daarbij is het doel van de motie overeind gebleven: meer mensen enthousiasmeren voor werken in zorg en welzijn. Het middel om tot dit doel te komen is aangepast aan wat uitvoerbaar is binnen de huidige financiële en organisatorische ruimte.
Vindt u ook niet dat het ondemocratisch is om als dubbeldemissionair Minister, namens een coalitie die rust op 17% van de Kamer, een heel duidelijke, simpele en uitvoerbare wens van 101 Kamerleden naast u neer te leggen?
De demissionaire status van het kabinet doet niets af aan het uitgangspunt dat moties van de Kamer serieus worden genomen en in beginsel worden uitgevoerd. Dat geldt ook in dit geval. Zoals eerder aangegeven, is het financieel en uitvoeringstechnisch niet haalbaar om op korte termijn een grootschalige wervingscampagne op te zetten. Ik deel daarom niet de opvatting dat dit een heel simpele en op korte termijn uitvoerbare wens is.
De opzet en uitvoering van een grootschalige wervingscampagne zoals bij Defensie kost tientallen miljoenen euro’s per jaar4. Het amendement van het lid Van Zanten over middelen beschikbaar stellen voor een publiekscampagne werken in de zorg is tijdens de begrotingsbehandeling vorig jaar verworpen5. Met de hoogte van deze eenmalige middelen was het bovendien ook niet mogelijk geweest om een grootschalige wervingscampagne succesvol op te zetten en uit te voeren. Een overheidscampagne vergt immers, afhankelijk van de beschikbare input, de kennisbasis en de mate waarin doel, doelgroep en boodschap vooraf scherp zijn, vaak een aanzienlijke voorbereidingstijd. Zeker wanneer het gaat om het ontwikkelen van een nieuwe campagne (en niet het herhalen van bestaande uitingen) wordt in de praktijk vaak uitgegaan van een voorbereiding in de orde van grootte van grofweg acht tot twaalf maanden; in sommige gevallen kan dit ook richting een jaar of langer lopen (onder meer door onderzoek, conceptontwikkeling, inkoop/aanbesteding, productie, toetsing en bestuurlijke afstemming). Daarbij is het nog maar de vraag of de voorgenomen wervingscampagne voldoende bijdraagt aan het beleidsdoel en of de investering zich daarmee laat rechtvaardigen. Om die reden kies ik voor een ander middel dan een overheidscampagne. Ik verwacht daarmee recht te doen aan de geest van de motie én aan de uitvoeringspraktijk in het veld.
Wat betekent een aangenomen motie voor u? Is dat enkel een suggestie die u alleen uitvoert als u het er toevallig mee eens bent? Of bent u ook bereid om voorstellen uit te voeren waar u zelf niet achter staat, als de Kamer u daartoe oproept?
Een aangenomen motie beschouw ik als een opdracht aan het kabinet, die ik serieus neem. Tegelijkertijd vraagt elke motie om nadere interpretatie in de context van de uitvoerbaarheid, juridische kaders en betrokkenheid van partijen. Dat betekent dat de precieze vorm van uitvoering soms wordt ingevuld in overleg met het veld, zodat maatregelen niet alleen wenselijk maar ook werkbaar zijn. Dat is hier ook het geval.
Bent u bereid om alsnog een wervingscampagne op te zetten voor de zorg?
Ik ben bereid en reeds doende om, in samenwerking met sociale partners en AZWA-partijen, toe te werken naar een landelijke inzet die gericht is op het versterken van de zichtbaarheid van zorg en welzijn als aantrekkelijke loopbaankeuze. Kern van deze inzet is de ontwikkeling van een breed loopbaanplatform, dat mensen ondersteunt bij het oriënteren op, instromen in en doorgroeien binnen zorg en welzijn. Daarmee draagt het niet alleen bij aan instroom, maar ook aan behoud en herintrede, precies de plekken waar de personeelsopgave het meest knelt. Dit landelijke loopbaanplatform betreft bovendien een unieke samenwerking waarin alle branches binnen de sector zijn aangesloten; van zorg tot welzijn. Op die manier ontstaat voor het eerst een gezamenlijke basis met betrouwbare informatie voor iedereen die (weer) in de sector wil werken.
Een landelijke wervingscampagne op de schaal van Defensie is op dit moment niet haalbaar, gezien de voorbereidingstijd, uitvoeringscomplexiteit en financiële impact die kan oplopen tot tientallen miljoenen euro’s per jaar. De gekozen route is beter uitvoerbaar binnen de beschikbare middelen, beter passend bij de structuur van de sector, en naar verwachting effectiever doordat zij gedragen wordt door het veld. De voortgang van deze inzet zal actief worden gemonitord, zodat indien nodig kan worden bijgestuurd.
Ik zal uw Kamer vanzelfsprekend op de hoogte houden van de vorderingen van het nieuwe loopbaanplatform. Ik ben ervan overtuigd dat deze aanpak, hoewel anders van vorm dan in de motie verzocht, recht doet aan de kern: méér mensen enthousiasmeren en behouden voor het werk in zorg en welzijn.
Heeft u kennisgenomen van het NOS-artikel «Grote drukte bij notariskantoren: meer akten met minder notarissen»1, waarin wordt beschreven dat de vraag naar notariële diensten sterk toeneemt terwijl het aantal notarissen achterblijft?
Ja.
Herkent u het geschetste beeld dat notariskantoren te maken hebben met structurele drukte en personeelstekorten, en welke gevolgen ziet u hiervan voor burgers en ondernemers die afhankelijk zijn van tijdige notariële dienstverlening?
Ja, dit beeld herken ik. Uit de praktijk herken ik signalen dat notariskantoren te maken hebben met toenemende drukte en personeelstekort. Ik wil benadrukken dat een aantal producten in het notariaat een sterke conjuncturele fluctuatie kennen. De voorzienbare gevolgen van de structurele drukte, in combinatie met personeelstekorten, zijn dat burgers en ondernemers te maken zullen krijgen met langere wachttijden. Recent is het WODC-onderzoek «Staat van het Notariaat II» uitgevoerd. Dit rapport bied ik in Q1 aan uw Kamer aan. Een inhoudelijke reactie hierop zal op een later moment aan uw Kamer worden aangeboden.
Welke risico’s ziet u voor de rechtszekerheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van notariële diensten als deze ontwikkeling zich de komende jaren doorzet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, zal het WODC-onderzoek naar de staat van het notariaat op korte termijn aan uw Kamer worden aangeboden. In dit rapport wordt gekeken naar de ontwikkelingen van het aanbod in de notariële dienstverlening. Op basis van deze informatie kan beter worden bezien in welke mate er sprake is van risico’s voor de rechtszekerheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de notariële diensten. In algemene zin heb ik geen reden om aan te nemen dat de kern van de notariële dienstverlening en rechtszekerheid onder druk staat. Het is niet ondenkbaar dat, mede afhankelijk van de conjuncturele ontwikkelingen in het werkveld, de wachttijd in individuele gevallen op kan lopen. Dit kan met name gebeuren in verband met de eindejaarsdrukte die zich jaarlijks in de notariële praktijk voordoet. Ten aanzien van de betaalbaarheid van de notariële diensten, blijft de marktwerking leidend. Voor particulieren met een lage draagkracht bestaat tot slot ook de optie tot een wettelijke financiële tegemoetkoming.2
Deelt u de opvatting dat een verandering in de manier van werken binnen het notariaat noodzakelijk is en dat digitalisering daarbij een wezenlijk onderdeel van de oplossing kan zijn? Zo ja, hoe ziet u die rol van digitalisering concreet voor zich; zo niet, waarom niet?
Deze opvatting deel ik gedeeltelijk. Enerzijds dient het notariaat, net zoals iedere beroepsgroep, mee te gaan met het digitaliseren van werkprocessen. Anderzijds blijft de dienstverlening van het notariaat gericht op het bieden van rechtszekerheid en wordt de werkwijze grotendeels bepaald door regelgeving. Dat stelt hoge eisen aan de digitale systemen die het notariaat gebruikt, zodat mensen met vertrouwen hun zaken bij de notaris kunnen blijven regelen. Voor dossierbehandeling maken notariskantoren volop gebruik van de mogelijkheid digitaal gegevens te verifiëren («rechercheren») en digitaal gegevens uit te wisselen met onder meer het Kadaster en het Handelsregister. Tegelijkertijd blijft het ook belangrijk voor notariskantoren dat tijdens een persoonlijk gesprek met cliënten advies en uitleg wordt gegeven. Een persoonlijke afspraak vormt een drempel ter voorkoming van identiteitsfraude en stelt de notaris beter in staat de poortwachtersrol uit te voeren. Ook kan de notaris tijdens een fysieke afspraak de wilsbekwaamheid van cliënten beter beoordelen dan tijdens online contact.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat verdere vertraging in de digitalisering van het notariaat de drukte bij notariskantoren zal verergeren en de toegang tot het recht onder druk zet?
Digitalisering kan, indien dit de werkprocessen effectiever maakt, inderdaad bijdragen aan het verhogen van de arbeidsproductiviteit en dat kan de druk op notariskantoren doen afnemen. De wijze waarop notarissen dit doen verschilt door de ondernemerskeuzes die zij maken en hun kantoor vormgeven, naar gelang hun mogelijkheden, de behoefte van hun cliënten en de marktomstandigheden. Niet ieder kantoor hoeft op dezelfde wijze te digitaliseren. Zo blijft er een divers aanbod van notariële dienstverlening voor verschillende groepen cliënten.
Welke concrete stappen heeft u sinds de toezegging in april 2022 gedaan door toenmalig Minister Weerwind om het juridisch mogelijk te maken om meer typen notariële akten digitaal tot stand te laten komen?2
De afgelopen periode zijn met de KNB de wensen verkend op het gebied van digitalisering en is besproken welke lessen wij kunnen leren van de reeds opgedane ervaringen. Nu wordt verkend op welke wijze het aantal digitale akten uit te breiden is. In de beleidsreactie op het voormelde WODC-rapport zal nader worden ingegaan op de ambities die er ten aanzien van het notariaat zijn voor de komende jaren.
Kunt u toelichten welke typen notariële akten u op korte termijn geschikt acht voor digitaal passeren, en welke waarborgen daarbij noodzakelijk zijn voor identiteit, wilsbekwaamheid en rechtszekerheid?
Op dit moment kan die toelichting nog niet worden gegeven. Met het notariaat wordt zoals reeds aangegeven verkend voor welke soorten notariële akten het digitaal passeren geschikt zou zijn. Daarbij staat voorop, dat het notariaat kan blijven voldoen aan de hoge eisen die nu worden gesteld aan de rechtszekerheid, integriteit en betrouwbaarheid.
Dient er een voorstel tot wijziging van de Wet op het notarisambt te komen om digitaal passeren van (meer of alle) akten mogelijk te maken?
De akte van oprichting van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (B.V.) kan op grond van de wet al digitaal worden opgericht. Als uit voormeld beleidstraject blijkt dat het wenselijk is voor méér of alle soorten akten het digitaal passeren mogelijk te maken, is wijziging van de Wet op het notarisambt noodzakelijk. Daarnaast zal ook andere wet- en regelgeving moeten worden aangepast.
Wilt u de Kamer informeren over een concreet tijdpad waarbinnen verdere digitalisering van het notariaat wordt gefaciliteerd en geïmplementeerd?
Verdere digitalisering van het notariaat moet worden beschouwd in samenhang met de digitaliseringstrajecten van andere organisaties binnen het juridische domein en de implementatie van Europese regelgeving, met name de Digitaliseringsverordening en de verordening «eIDAS 2.0»4. Uw Kamer is door middel van de BNC-fiches hierover reeds geïnformeerd en wordt daarvan op de hoogte gehouden. Bij een beleidsreactie op het voornoemde WODC-rapport zal ook nader worden ingegaan op de ontwikkelingen in het notariaat. De aanbieding van deze reactie kan naar verwachting nog in het tweede kwartaal plaatsvinden.
Op welke wijze betrekt u notarissen, beroepsorganisaties en gebruikers van notariële diensten bij de uitwerking van deze digitaliseringsslag, zodat deze bijdraagt aan zowel verlichting van de werkdruk als behoud van kwaliteit en vertrouwen?
Uiteraard is er vanuit het ministerie regulier contact met de KNB als publiekrechtelijke beroepsorganisatie voor het notariaat. Hierin wordt onder meer stilgestaan bij de wensen voor verdere digitalisering en vormen de werkdruk en behoud van vertrouwen belangrijke aandachtspunten. Ook is er, zoals onder 9 vermeld, contact met meerdere organisaties in het juridische domein over digitalisering in het licht van kwaliteit en vertrouwen in het rechtsverkeer.
Bent u bekend met het bericht ««Ik was net een spaghettisliert»: verslaafde inbreker ontdekt in de gevangenis crystal meth, crack en viagra»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat drugs in de gevangenis zelfs meer verkrijgbaar zou zijn dan buiten de gevangenis?
Laat ik voorop stellen dat het onacceptabel is dat drugs in gevangenissen terecht komt. De invoer van drugs in de justitiële inrichtingen is strafbaar. Voor het verhandelen of het bezit van drugs gelden dezelfde strafrechtelijke normen als buiten de gevangenis. Voor het gevangenispersoneel maar ook voor gedetineerden zelf brengt het veiligheidsrisico’s met zich mee wanneer dit in de Penitentiaire Inrichtingen (PI) voorkomt. Daarom hanteert DJI een zerotolerancebeleid en wordt er stevig opgetreden.
Hoe is het volgens u mogelijk dat op grote schaal drugs in gevangenissen terecht komen, ondanks strenge controles?
DJI werkt hard om contrabande, waaronder drugs, te voorkomen.
Met een gelaagd proces wordt er op de volgende wijze op contrabande gecontroleerd:
Ondanks deze controles komt er drugs de gevangenissen in. Veel wordt onderschept voordat het een gedetineerde bereikt. Dit zijn bijvoorbeeld contrabande die zijn aangetroffen bij fouillering na bezoek, een controle na deelname aan een buitenactiviteit, controles van de post en gedetecteerde drones.
Mede daarom is de aanpak om contrabande tegen te gaan geïntensiveerd en is er momenteel een taskforce actief om contrabande in PI’s verder tegen te gaan. De taskforce volgt op een aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Ellian2. Bij een zestal PI’s worden minimaal zes maanden lang geïntensiveerde controles toegepast. De Kamer wordt overeenkomstig de motie hierover uiterlijk september 2026 geïnformeerd.
Deelt u de mening dat het problematisch is dat zelfs in gevangenissen drugsgebruik veelvuldig voorkomt en deelt u ook de mening dat hiervoor een passende straf zou moeten gelden?
Ik deel de mening dat het problematisch is wanneer drugs voorkomen in PI’s. De invoer en het verhandelen van drugs in de justitiële inrichtingen is strafbaar, en heeft bij constatering altijd consequenties. Tevens levert het veiligheidsrisico’s op als het gaat om de gezondheid van gedetineerden en medewerkers, en beïnvloeding van gedrag in negatieve zin. Wanneer drugsgebruik voorkomt, en dit herleidbaar is naar een gedetineerde, beslist de vestigingsdirecteur welke disciplinaire straf wordt opgelegd. In regimes waar het toetsingskader promoveren en degraderen geldt, wordt de gedetineerde gedegradeerd naar het basisprogramma. In regimes waar het toetsingskader niet geldt wordt op maat gesanctioneerd. Wanneer drugsinvoer herleidbaar is naar een bezoeker of «invoerder», wordt aangifte gedaan wat kan leiden tot strafrechtelijke sancties. Dit geldt ook voor bezit.
Wat zijn de consequenties als een gedetineerde wordt betrapt op het binnensmokkelen of gebruiken van drugs?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Worden volgens u voldoende maatregelen genomen om verslavingszorg aan te bieden aan gedetineerden die dat nodig hebben en in hoeverre is hierover voldoende kennis aanwezig bij het gevangenispersoneel?
Binnen de Penitentiaire Inrichtingen is verslavingszorg beschikbaar. Het medisch personeel bestaat uit BIG-geregistreerde professionals met kennis van verslavingszorg. Indien de zorgvraag het aanbod van een PI overstijgt kan forensische zorg worden ingezet. Dit is aanvullende ambulante zorg, die wordt ingekocht bij forensische zorgaanbieders, met het doel de kans op terugval in drugsgebruik en hiermee gepaard gaand crimineel handelen te verkleinen. Ook is er aandacht voor scholing voor met name de psychologen binnen PI’s. Tevens zijn er trainingen beschikbaar voor de medewerkers van de inrichtingen via het online leerportaal op het gebied van verslaving.
In hoeverre wordt (jaarlijks) onderzoek gedaan naar drugsgebruik en drugsinvoer in Nederlandse gevangenissen?
Aangetroffen contrabande, waaronder drugs, worden jaarlijks door DJI gepubliceerd.3 Verder worden er steekproefsgewijs urinecontroles uitgevoerd bij justitiabelen. DJI ontvangt de uitslagen van deze urinecontroles van het laboratorium die de controles uitvoert. Verder wordt er momenteel geen gericht onderzoek gedaan naar drugsgebruik- en invoer in Nederlandse gevangenissen. Ik bekijk of en wat de mogelijkheden zijn om drugsgebruik- en invoer in gevangenissen beter in kaart te brengen en wat daarvan de toegevoegde waarde is.
Hoe staat het met het experiment van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) om met nieuwe technologie synthetische drugs te kunnen opsporen?
Ontwikkelingen op de drugsmarkt volgen elkaar snel op en het opsporen van nieuwe psychoactieve stoffen (zoals synthetische cannabinoïden)
is moeilijk. De meeste van deze synthetische drugs worden namelijk niet gedetecteerd door bijvoorbeeld urinecontroles. Daarom investeert DJI in aanvullende detectie en laboratoriumanalyse. De afgelopen jaren is in meerdere inrichtingen geëxperimenteerd met nieuwe detectietechnologie voor sporenanalyse van verdachte materialen. De eerste resultaten zijn positief. Op basis daarvan schaalt DJI gefaseerd op: inrichtingen kunnen verdachte monsters centraal laten analyseren bij daartoe ingerichte testlocaties.
Hoeveel beschikkingen in het gevangeniswezen zijn in 2024 en 2025 opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs in de gevangenis?
In 2024 zijn er in het gevangeniswezen en vreemdelingenbewaring 3.155 beschikkingen opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs, in 2025 ging het om 3.548 beschikkingen.
Zijn er signalen bekend dat er nog steeds veel nieuwe psychoactieve stoffen in gevangenissen in Nederland worden gebruikt, zoals Spice en andere preparaten waarin synthetische cannabinoïden zijn verwerkt? Heeft u daar een beeld van? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te doen?
Zoals genoemd in het antwoord bij vraag 8 volgen de ontwikkelingen op de drugsmarkt elkaar snel op en is en blijft het lastig om synthetische drugs op te sporen, maar investeert DJI daarom in op aanvullende detectie en laboratoriumanalyse. Dit is nog steeds een grote uitdaging. Voor de vraag over onderzoek verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Kan de aanpak van gevangenissen in andere landen leerzaam zijn voor Nederland als het gaat om het aanpakken van drugsgebruik? Zo ja, welke specifieke ervaringen of ontwikkelingen zijn dat?
Op Europees niveau is er vanuit de European Union Drugs Agency (EUDA) al langere tijd aandacht voor de monitoring en behandeling van drugs in gevangenissen. Vanuit Nederland is er nog ruimte voor verbetering als het gaat om monitoring en de aanpak van drugsgebruik in detentie. Van andere landen valt dan ook zeker nog te leren. Er wordt bezien welke mogelijkheden er zijn om de aanpak en zorg rondom drugs te verbeteren in PI’s Voorbeelden en ervaringen uit andere landen worden hierin meegenomen.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voor het commissiedebat over drugsbeleid en het commissiedebat over gevangeniswezen, beiden gepland op 26 februari 2026?
Berichten op sociale media over het vrijlaten van jihadistische strijders uit voorheen door de SDF bewaakte detentiefaciliteiten |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten op sociale media dat door de recente transitie in Syrië en de verschuivende gezagsverhoudingen in het noordoosten van het land, jihadistische strijders uit voorheen door de Syrian Democratic Forces (SDF) bewaakte detentiefaciliteiten zijn vrijgelaten of ontsnapt?1
Ja, het kabinet is bekend met deze zorgelijke berichten. De situatie in noordoost-Syrië is in de afgelopen periode zeer volatiel en complex geweest, waarbij ook veel onjuiste informatie online is gedeeld. Zekerheid over aantallen en verantwoordelijkheid kan in dit stadium niet gegeven worden. Er circuleren verschillende berichten dat er aan IS-gelieerde personen in Syrië zijn ontsnapt en ook weer, deels, zouden zijn opgepakt.
Kunt u bevestigen of de instabiliteit tijdens de machtswisseling in Damascus direct heeft bijgedragen aan een beveiligingsvacuüm in de regio's waar IS-gevangenen werden vastgehouden? Hoe beoordeelt u de risico's hiervan voor de nationale veiligheid van Nederland en de Europese Unie (EU)?
De machtswisseling in Damascus zelf, die zich in december 2024 voltrok, lijkt niet direct van invloed te zijn geweest op de huidige veiligheidssituatie in noordoost-Syrië. Wel is het zo dat de situatie direct wordt beïnvloed door de recente conflicten tussen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) rond de integratie van laatstgenoemde in de Syrische staat. Bij gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in de afgelopen periode is sprake geweest van een zorgelijke veiligheidssituatie, met name in de kampen en detentiecentra waar zich voormalig ISIS-strijders en hun familieleden bevinden. Bemoedigend in het kader van een stabilisering van de situatie is de – op 30 januari jl. overeengekomen – overeenkomst tussen de Syrische overgangsregering en de SDF; onderdeel hiervan is een permanent staakt-het-vuren.
Daar het kabinet zich al langer zorgen maakt over de veiligheidssituatie in Syrië en de mogelijke impact daarvan op de Europese en nationale veiligheid, is onder andere vorig jaar EUR 7 miljoen extra vrijgemaakt om repatriëring en re-integratie van Iraakse terugkeerders in Irak mogelijk te maken. Hiermee wordt de druk op de kampen verlicht.
Met alle betrokken nationale- en internationale partners houden we de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Daarbij geldt dat het kabinet instrumentarium voorhanden heeft om onopgemerkte terugkeer van Nederlandse uitreizigers tijdig te onderkennen en op basis daarvan maatregelen kan treffen. Zo staan Nederlandse uitreizigers gesignaleerd en is tegen onderkende Nederlandse uitreizigers een strafrechtelijk onderzoek gestart. Op dit punt zijn ook alle nationale- en internationale partners alert en staan met elkaar in contact.
Hoe weegt u de algemene hervormingsagenda van de regering onder Ahmad al-Sharaa? Ziet u op dit moment voldoende bewijs dat Damascus een koers vaart die leidt tot duurzame vrede en een inclusieve samenleving, als voorwaarde voor verdere normalisatie?
In het afgelopen jaar heeft de Syrische overgangsregering een hervormingsagenda gepresenteerd die gericht lijkt op een inclusieve politieke transitie, gelijke rechten voor alle Syrische gemeenschappen en gerechtigheid voor gepleegde misdaden, zowel ten tijde van het Assad-regime als daarna. Het kabinet verwelkomt in dit kader het op 16 januari jl. door interim-president Sharaa getekende decreet waarin wordt herbevestigd dat de Koerdische gemeenschap een integraal onderdeel van Syrië is, waarin Koerdische culturele rechten worden erkend, en stateloze Koerden het burgerschap toegekend zullen worden.
Dit zijn belangrijke eerste stappen, waarbij het kabinet benadrukt dat daadwerkelijke inclusiviteit en gelijke rechten voor alle gemeenschappen blijvende aandacht en concrete uitvoering vergen. Het kabinet spreekt de overgangsregering dan ook consequent aan op haar verantwoordelijkheden op deze gebieden. In EU-verband benadrukt het kabinet, in lijn met de motie Stoffer/Ceder,2 dat aan mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties verbonden dienen te worden en dat zodoende sprake is van voorwaardelijke steun.3
Wat is uw visie op het proces waarbij de SDF worden geïntegreerd in de nationale defensiestructuren? Deelt u de zorg dat deze «absorptie» niet mag leiden tot de ontmanteling van de seculiere waarden en de unieke operationele expertise van de SDF?
Het kabinet volgt dit proces op de voet. De recentelijke gevechten tussen het Syrische leger en de SDF laten zien dat dit een onvoorspelbaar en complex proces is. In algemene zin kan integratie van de SDF in het Syrische leger bijdragen aan een grotere stabiliteit en meer vertrouwen in het Syrische veiligheidsapparaat bij de Syrische bevolking. Een inclusieve politieke transitie, met ruimte en rechtsstatelijke garanties voor alle Syrische gemeenschappen, waaronder de Koerden, blijft het uitgangspunt van het kabinet.
In hoeverre is er volgens uw informatie sprake van druk vanuit Turkije om de Koerdische autonomie binnen de nieuwe Syrische staatsstructuur volledig te beëindigen? Hoe streeft Nederland diplomatiek naar een balans tussen de veiligheidsbelangen van een NAVO-bondgenoot en de bescherming van de Koerdische bondgenoten?
Turkije is geen voorstander van Koerdische autonomie binnen de Syrische staatsstructuur en heeft zich uitgesproken voor integratie van alle groepen en individuen in deze structuur.
Zoals genoemd bij de beantwoording van vraag vier, blijft een inclusieve politieke transitie, met ruimte en rechtstatelijke garantie voor de Syrische gemeenschappen, waaronder de Koerden, het uitgangspunt voor dit kabinet. Deze boodschap draagt het kabinet ook uit, inclusief in contacten met de Turkse autoriteiten.
Op welke wijze monitort de Nederlandse regering de daadwerkelijke naleving van de mensenrechten en de bescherming van religieuze en etnische minderheden zoals de Koerden, Alawieten en Druzen ter plaatse, en in hoeverre is de mate van verdere diplomatieke erkenning van de Al-Sharaa regering afhankelijk van de institutionele borging van deze rechten?
Het kabinet monitort de naleving van mensenrechten in Syrië nauwgezet. Dit gebeurt bijvoorbeeld via onze steun aan het OHCHR-veldkantoor in Damascus, de VN Commission of Inquiry (CoI) en het International, Impartial and Independent Mechanism (IIIM).
Daarnaast zet Nederland via het beleidskader FOCUS en het mensenrechteninstrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» gericht in op de bescherming van religieuze en etnische minderheden, waaronder Koerden, Alawieten en Druzen.
Kunt u toelichten in hoeverre de recente ontwikkelingen, zoals de druk op de SDF-structuren en de berichten over de onveiligheid in IS-detentiefaciliteiten, zich verhouden tot het besluit om EU-sancties te versoepelen? Is deze versoepeling volgens u gestoeld op de verwachting van verdere hervormingen, en op welke wijze wordt geborgd dat deze verlichting niet contraproductief werkt voor de veiligheid van minderheden?
Het kabinet heeft, via de EU, bewust ingezet op sanctieverlichting voor Syrië, aangezien economisch herstel en wederopbouw essentieel zijn voor de stabiliteit en veiligheid. Daar zijn alle Syrische gemeenschappen bij gebaat. Tegelijkertijd hebben wij ons binnen de EU juist hard gemaakt voor het instellen van gerichte sancties tegen personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en sektarisch geweld. Deze maatregelen zijn erop gericht de verantwoordelijken van deze misdaden te treffen, en niet de bredere Syrische bevolking of economie. Daarnaast zet het kabinet zich in de EU in voor voorwaardelijke steun aan Syrië, waarbij concrete stappen van de Syrische overgangsregering worden verwacht ten aanzien van de huidige politieke transitie en de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen. Recentelijk heeft het kabinet hier wederom in EU-verband aandacht voor gevraagd, in lijn met de motie Stoffer/Ceder.4
Kunt u toelichten hoe de toezegging van het Europese steunpakket van 700 miljoen euro voor Syrië zich verhoudt tot de actuele ontwikkelingen op de grond, zoals de druk op de Koerdische zelfbeschikking en de positie van minderheden, en op welke wijze wordt concreet toegezien op de besteding van deze middelen om te borgen dat deze niet bijdragen aan de verdere marginalisering van deze groepen?
De voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad hebben begin 2026 een financieel steunpakket toegezegd van ongeveer 620 miljoen euro voor 2026 en 2027, als onderdeel van het verder versterken van de betrekkingen tussen de EU en Syrië. Dit steunpakket is primair gericht op humanitaire hulp, herstel en stabilisatie, en is vormgegeven met oog voor de positie van kwetsbare groepen, waaronder etnische- en religieuze minderheden.
De EU volgt de ontwikkelingen in Syrië nauwgezet en betrekt deze bij de geleidelijke en voorwaardelijke inzet van steun. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 7, heeft het kabinet recentelijk het belang van deze voorwaardelijkheid benadrukt, waarbij is aangegeven dat mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties zouden moeten hebben.
Daarbij geldt dat de besteding van EU-middelen onderworpen is aan strikte monitoring- en evaluatiemechanismen, waaronder risicobeoordelingen, rapportageverplichtingen en onafhankelijke monitoring. De financiering loopt daarbij tot op heden uitsluitend via VN-organisaties, internationale organisaties en Ngo’s, en dus niet via Syrische overgangsregering. Indien risico’s op uitsluiting of marginalisering van bevolkingsgroepen worden vastgesteld, kan de uitvoering worden aangepast, opgeschort of beëindigd. Hiermee wordt geborgd dat EU-steun niet bijdraagt aan spanningen of ongelijkheid.
Bent u bereid om in EU-verband aan te dringen op harde voorwaarden voor de uitbetaling van de resterende tranches van het steunpakket, specifiek gekoppeld aan de veiligheid en politieke vertegenwoordiging van minderheidsgroepen?
Zie antwoord vraag 8.
Onder welke voorwaarden ziet u Syrië op de lange termijn als een volwaardige partner voor vrede in het Midden-Oosten, en op welke wijze borgt u dat verdere normalisatie van de betrekkingen gelijke pas houdt met de voortgang op het gebied van de rechten van minderheden?
Duurzame voortuitgang op het gebied van veiligheid, inclusiviteit, rechtsstatelijkheid en mensenrechten, waaronder de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen, zijn cruciale elementen die onze relatie ten aanzien van de Syrische overgangsregering definiëren en ook richting de toekomst verder zullen bepalen. Op basis van concrete acties op deze gebieden kunnen de betrekkingen met de Syrische overgangsregering gefaseerd – en voorwaardelijk – plaatsvinden, waarbij dit proces steeds afhankelijk zal zijn van concrete en verifieerbare stappen op deze terreinen. Het kabinet volgt dit nauwgezet door voortdurende monitoring en nauwe afstemming met internationale partners en organisaties.