Het artikel 'Rijk verbiedt gemeenten om eigen maatregelen te nemen tegen staalslakken' |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA), Ines Kostić (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rijk verbiedt gemeenten om eigen maatregelen te nemen tegen staalslakken»?1
Ja.
Klopt het dat het ministerie gemeenten heeft opgedragen bestaande lokale verboden, toepassingsregels of vergunningplichten terug te draaien? Zo ja, op basis van welke juridische analyse is dit standpunt gebaseerd? Valt dit niet onder de beleidsvrijheid van gemeenten? Of de plicht van overheden om burgers tegen vermijdbare risico’s te beschermen?
Eind december 2025 is het Circulair Materialenplan (CMP) in werking getreden en is er door IenW een brief gestuurd aan bevoegde gezagen en de Omgevingsdiensten. Deze brief had als doel om decentrale overheden te informeren over de inwerkingtreding van het CMP. Naar aanleiding van deze brief en berichtgeving in de media is er verwarring ontstaan over de bevoegdheid van decentrale overheden om op lokaal niveau aanvullende maatregelen voor het toepassen van staalslak en andere secundaire bouwstoffen te treffen. Het CMP doet op geen enkele wijze afbreuk aan de juridische verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het bevoegd gezag. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende maatregelen te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving.
Ik heb dit recent ook verder toegelicht in de Kamerbrief van 13 maart jongstleden.2
Hoe verhoudt dit verbod om de eigen inwoners tegen gezondheidsschadelijke vervuiling te beschermen, zich tot de actuele kennis over de risico’s van staalslakken voor mens en milieu, zoals onder meer blijkt uit rapportages van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Algemene Rekenkamer?
Op basis van diverse onderzoeksrapporten, zoals rapportages van het RIVM, de ILT en de Algemene Rekenkamer is op 23 juli 2025 de tijdelijke regeling staalslak (pauzeknop) ingesteld. Deze regeling verbiedt het toepassen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20% staalslak op of in de landbodem in een laagdikte van meer dan 0,5 meter of op locaties waar direct oog-, mond- of huidcontact mogelijk is. Daarnaast is er een vergunningplicht ingevoerd voor het toepassen op of in de landbodem, voor zover deze niet onder het verbod vallen. De regeling geldt ten minste tot en met juli 2026 met een mogelijke verlenging tot januari 2027. Met deze landelijke regeling worden decentrale overheden ontlast en is het op dit moment niet nodig om voor de nieuwe toepassingen van staalslak die onder dit verbod of vergunningplicht vallen maatwerkregels of voorschriften in te stellen. Voor toepassingen die niet onder de reikwijdte van de regeling vallen (bijvoorbeeld toepassingen in oppervlaktewater) is maatwerk wel mogelijk.
Bent u bekend met de overweging van gemeenten om juist vanwege concrete lokale problemen en gezondheidsklachten, strengere regels te willen stellen voor het gebruik van staalslakken? Wat is uw reflectie hierop?
Het is mij bekend dat verschillende gemeenten maatregelen treffen en hebben getroffen voor het toepassen van secundaire bouwstoffen, waaronder staalslak. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende maatregelen te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Het staat bevoegde gezagen vrij om gemotiveerd lokaal beleid vast te stellen op basis van locatiespecifieke kenmerken ter bescherming van mens en milieu. Het doel van de tijdelijke regeling was om gemeenten hierin te ontlasten door op landelijk niveau voor staalslak een pauzeknop in te drukken.
Hoe verhoudt het standpunt, dat gemeenten geen generieke verboden mogen stellen, zich tot de tijdelijke stop op bepaalde toepassingen van staalslakken die het kabinet zelf heeft ingesteld vanwege gezondheidsrisico’s?
Het CMP doet op geen enkele wijze afbreuk aan de juridische verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het bevoegd gezag. Zie ook het antwoord op vraag 2. Verder is in de antwoorden op vragen 3 en 4 aangegeven dat de tijdelijke regeling tot doel heeft decentrale overheden te ontlasten. In de toelichting op deze regeling is dat ook aangegeven door erop te wijzen dat het voor lokale overheden door de regeling niet meer nodig is om de bestaande bevoegdheden tot het stellen van maatwerkregels of-voorschriften in te zetten.3 Ook op het Informatiepunt Leefomgeving is een passage gewijd aan de verhouding van decentrale regels tot de tijdelijke regeling.4
Wilt u reflecteren op de stelling dat door generieke verboden te verbieden voor gemeenten, het praktisch onmogelijk wordt voor gemeenten vanwege gebrek aan middelen, capaciteit, afdoende kennis om de gezondheid van hun inwoners goed te beschermen? Denkt u dat gemeenten, aannemers of het milieu er beter bij gebaat zijn als elke lading apart moet worden getest op schadelijke stoffen en aparte toepassingsregels krijgt?
Het CMP roept enkel op om per bouwstof en per toepassingslocatie een afweging te maken en geen generieke lokale beperkingen in te stellen op de toepassing van secundaire bouwstoffen die voldoen aan de kwaliteitseisen in wet- en regelgeving. Een generieke beperking belemmert de afzet van secundair materiaal – en daarmee de transitie naar een circulaire economie – en het leidt tot een ongelijk speelveld in Nederland. Het staat bevoegde gezagen echter vrij om gemotiveerd af te wijken op basis van locatiespecifieke kenmerken ter bescherming van mens en milieu.
Deelt u de mening dat gemeenten een verantwoordelijkheid hebben voor de bescherming van de gezondheid van hun inwoners en daarom ruimte moeten hebben om lokaal aanvullende maatregelen te nemen wanneer zij risico’s signaleren en het Rijk in gebreke blijft door niet tijdig effectieve regels en maatregelen te treffen?
Ja, de bevoegdheid tot het vaststellen van maatwerkregels en -voorschriften is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (afdeling 2.5). Hierbij kan worden afgeweken van de regels voor milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten in het Bal, tenzij anders is bepaald (artikel 2.12, tweede lid). Voor de milieubelastende activiteiten «toepassen van bouwstoffen en grond» bevat het Bal geen beperking. Wel is het zo dat maatwerk alleen mogelijk is met het oog op de belangen die zijn genoemd in artikel 2.2 van het Bal, waaronder het beschermen van gezondheid en milieu. Het is aan decentrale overheden zelf om hierin een afweging te maken.
Hoe verhoudt uw instructie aan gemeenten zich tot de motie van het lid Teunissen c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 428), waarin de regering werd verzocht om strengere regels voor het gebruik van staalslakken te onderzoeken en risico’s beter te beperken?
De motie van lid Teunissen verzoekt de regering om op basis van het voorzorgsbeginsel het gebruik van LD-staalslak te stoppen totdat alle onderzoeken rond zijn. Met de inwerkingtreding van de tijdelijke regeling staalslak op 23 juli 20255 is invulling gegeven aan deze motie. De oproep in het CMP doet op geen enkele manier afbreuk aan de ingestelde regeling.
Hoe verhoudt deze instructie voor gemeenten zich tot de motie van de leden Zalinyan/Kostic (Kamerstuk 28 089, nr. 343), waarin de regering werd verzocht om aanvullende maatregelen te nemen rond het gebruik van staalslakken en de relatie tot de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Zoals door de vorige Staatssecretaris aangegeven bij de appreciatie van de genoemde motie staat het zowel het kabinet als het parlement vrij om beleid te maken en wetten aan te passen, los van welke privaatrechtelijke afspraak dan ook. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het bevoegd gezag, zoals toegelicht in de antwoorden op vragen 2 en 3, staan eveneens los van welke privaatrechtelijke afspraak dan ook.
Wilt u reflecteren op de stelling dat het belang van de afzetmarkt voor secundaire bouwstoffen, zoals in de brief wordt benoemd, zwaarder telt dan de gezondheid van mens en milieu?
Een doel van dit kabinet is om de circulaire economie te bevorderen en daarbij een veilige, verantwoorde toepassing te borgen. Gezondheid en milieu zijn integraal onderdeel van de doelen van de circulaire economie. Dit is ook neergelegd in artikel 2.2 van het Bal, waarin niet alleen het beschermen van gezondheid en milieu zijn genoemd, maar ook het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen en het doelmatig beheer van afvalstoffen. Deze belangen moeten hand in hand met elkaar gaan.
Is over de inhoud van deze brief of het doel van deze instructie contact geweest met (vertegenwoordigers van) Tata Steel of afnemers van staalslakken van Tata Steel? Zo ja, wat was de inhoud van dat contact? Kunt u eventuele correspondentie en gespreksverslagen met de Kamer delen?
Nee, er is daarover geen contact geweest met genoemde partijen.
Klopt het dat er een financiële prikkel is om staalslakken te gebruiken in de vorm van dat als staalslakken afgenomen worden van Tata Steel, de afnemers geld krijgen daarvoor? Hoe ziet deze afzetmarkt eruit rondom de financiële prikkel? Waar ligt dan de grens tussen afval en grondstof?
Het klopt dat voor sommige toepassingen een negatieve prijs geldt. In dat geval krijgt de aannemer geld toe van de leverancier. Als het meegeven van geld aan aannemers aantoonbaar en structureel zou leiden tot een volgens de regels onjuiste of overmatige, niet-functionele toepassing, dan is er reden om op dát aspect aan te grijpen. Dit is namelijk niet toegestaan (artikel 4.1261 Bal). Dit wordt ook aangegeven in een rapport, opgesteld door Drift en Tauw, dat ook in de verzamelbrief Circulaire Economie van juni 2024 met de Kamer is gedeeld.6
Het rapport stelt dat enkel door het gegeven van een negatieve prijs (die geldt op het punt waarop de bouwstoffen uit de poort van de verwerker gaan) niet geconcludeerd kan worden dat er een prikkel is tot overmatig toepassen van materiaal. De transportkosten van staalslak vormen namelijk een belangrijk onderdeel van de totale kosten van de bouwstof. Omdat staalslak slechts op één locatie in Nederland geproduceerd wordt, is de reële prijs in de praktijk vaak positief en zijn de transportkosten hoger dan de vergoeding die de afnemer ontvangt voor de staalslakken. Daarmee heeft de afnemer op dat moment geen prikkel meer om meer af te nemen dan strikt noodzakelijk is voor het project.7
Met betrekking tot de grens tussen afval en grondstof, zijn de definities van de begrippen afvalstof, bijproduct en einde-afvalstof neergelegd in art. 1.1 Wet milieubeheer van belang. Op basis van deze definities moet worden bepaald of staalslakken afvalstoffen zijn of niet. Dat moet per geval worden bepaald. Een van de voorwaarden die bij de toepassing van staalslak als bouwstof moet zijn vervuld is dat het gebruik voldoet aan de hiervoor geldende wettelijke kaders, waaronder de eis dat geen grotere hoeveelheid mag worden toegepast dan functioneel nodig is voor het werk. Is niet aan deze voorwaarde voldaan (en dit moet per individuele situatie worden beoordeeld), dan kan er geen sprake zijn van een bijproduct of einde-afval.
Hoe ziet u de rol van het ministerie in het faciliteren en zelfs afdwingen van een afzetmarkt voor het afval van Tata Steel en de verplichting van de overheid om de gezondheid van mens en milieu te beschermen?
Secundaire bouwstoffen zijn afkomstig van afvalstoffen en reststromen van productieprocessen die op basis van wettelijke voorwaarden geschikt zijn of kunnen worden gemaakt om op een verantwoorde wijze als bouwstof te worden gebruikt. Ze zijn dan geen afvalstof meer, maar einde-afval of bijproduct. De regels voor afvalverwerking staan in de Wet Milieubeheer (Wm) en het Circulair Materialenplan (CMP) en de regels voor toepassing als bouwstof liggen op basis van de Omgevingswet en de Wm vast in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit. Door recycling en voorbereiding voor hergebruik, aanpassing van productieprocessen en vervolgens het gebruik van secundaire materialen kan winning en gebruik van primaire grondstoffen, zoals zand en grind, worden voorkomen. Bevorderen van efficiënt grondstofgebruik en het beschermen van de natuurlijke hulpbronnen in verband met de overgang naar een circulaire economie is een van de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Afval (Kra). De Kra stelt ook als doel en randvoorwaarde dat de menselijke gezondheid en het milieu moeten worden beschermd.
Kortom – het is in het kader van grondstoffenefficiëntie goed als afvalstoffen of reststromen van productieprocessen kunnen worden ingezet als secundaire bouwstof, maar dit moet wel veilig gebeuren. Deze belangen moeten hand in hand gaan.
Hoeveel gemeenten hebben een generiek verbod ingevoerd en hoeveel hebben andere aanvullende regels opgesteld? Worden alle aanvullende regels nu verboden? Hoe gaat u optreden tegen gemeenten die dit weigeren?
Er is geen totaalbeeld beschikbaar. Pas sinds de inwerkingtreding van het CMP geldt op grond van artikel 10:14, vierde lid, van de Wet milieubeheer dat decentrale overheden IenW moeten informeren wanneer zij afwijken van het CMP. Op basis van deze verstrekking plicht zijn er drie meldingen ontvangen. Als reactie op de ontvangen meldingen sturen we een niet-bindend advies. Het staat bevoegde gezagen vrij hiervan af te wijken met een motivering in het uiteindelijke besluit.
Deelt u de mening dat het beperken van de ruimte voor gemeenten om maatregelen te nemen haaks kan staan op de bedoeling van de Kamer en de aangenomen moties hierover, de autonomie van gemeenten en de zorgplicht van de overheid om te zorgen voor een gezonde leefomgeving voor haar inwoners?
Ja, deze mening deel ik. Ik heb toegelicht dat hiervan geen sprake is.
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in alle correspondentie van het ministerie met gemeenten, provincies en omgevingsdiensten over het terugdraaien van lokale beperkingen op staalslakken?
Hiervan is geen sprake geweest. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid uw staalslakkenverbodverbod aan te houden, zolang de onderzoeken naar de risico’s nog niet zijn afgerond en de landelijke regels nog niet zijn aangescherpt?
Zoals ook in de brief van 21 juli 20258 waarin de tijdelijke regeling werd aangekondigd is beschreven geldt de regeling in beginsel voor een jaar en kan maximaal met een half jaar worden verlengd (artikel 23.6a Omgevingswet). De regeling is een pas op de plaats om grip te krijgen op de huidige situatie en veilige toepassingen van staalslak te kunnen borgen. In deze periode wordt onderzoek gedaan om een beter beeld te krijgen van de risico’s om vervolgens de benodigde structurele maatregelen te kunnen nemen voor een verantwoorde toepassing na de periode van de tijdelijke regeling. Over een eventuele verlenging en over de opvolging van de tijdelijke regeling zal ik op korte termijn een besluit nemen. U wordt hierover geïnformeerd.
Kunt u de Kamer informeren op hoeveel locaties in Nederland meldingen zijn geweest van milieuschade of gezondheidsklachten?
Er bestaat geen totaalbeeld van het aantal meldingen of incidenten. In 2025 heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een onderzoek uitgevoerd naar grootschalige toepassingen met toepassingslagen dikker dan 0,5 meter van de LD-staalslak. Het rapport is op 27 oktober gepubliceerd.9 De ILT heeft 26 locaties onderzocht, waarvan op 23 locaties LD-staalslak is toegepast. Van deze 23 locaties zijn op 19 locaties milieueffecten geconstateerd.
Welke stappen zijn er sinds het instellen van het tijdelijke landelijke verbod op het gebruik van staalslakken gezet om tot strengere regels of betere bescherming van mens en milieu te komen? Wanneer kan de Kamer nieuwe wetgeving verwachten?
Gedurende de looptijd van de tijdelijke regeling wordt onderzoek gedaan om een beter beeld te krijgen van de risico’s van het toepassen van staalslak. Verder is een aantal scenario’s uitgewerkt voor de opvolging van de tijdelijke regeling. Over een eventuele verlenging en opvolging van de tijdelijke regeling zal ik op korte termijn een besluit nemen. U wordt hierover geïnformeerd.
Wat gebeurt er wanneer het tijdelijke verbod afloopt en op basis van welke criteria wordt besloten of het gebruik van staalslakken weer wordt toegestaan?
Zoals hierboven aangegeven is er een aantal scenario’s uitgewerkt voor de opvolging van de tijdelijke regeling. Over een eventuele verlenging en opvolging van de tijdelijke regeling zal ik op korte termijn een besluit nemen. U wordt hierover geïnformeerd.
Vrijwillige inzet |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de passage uit het coalitieakkoord die spreekt over de onbetaalbare inzet van vrijwilligers waar een zorgzame samenleving niet zonder kan?
Klopt het dat er in het coalitieakkoord geen concrete voorstellen staan om vrijwillige inzet te versterken?
Kent u de signalen van maatschappelijke organisaties dat zij een meerjarig perspectief missen om hun activiteiten rond vrijwillige inzet vorm te geven, maar in plaats daarvan vrijwel jaarlijks bezig zijn om middelen te vinden voor hun activiteiten?
Deelt u de mening dat vrijwillige inzet de weerbaarheid van de samenleving versterkt en dat dit met het oog op internationale dreigingen harder nodig is dan ooit? Kunt u toelichten op welke manieren u ziet dat vrijwillige inzet de weerbaarheid van de samenleving versterkt?
Welke verantwoordelijkheid heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om vrijwillige inzet in de hele samenleving te versterken?
Welk beleid is er momenteel om vrijwillige inzet duurzaam te versterken, niet alleen in de zorg maar in de hele samenleving?
Op welke manier geeft u invulling aan de motie Bikker c.s. (Kamerstuk 36 200 XVI, nr. 78) die verzoekt in de begrotingen van het Ministerie van VWS een post «ondersteunen en bevorderen vrijwilligerswerk» op te nemen?
Deelt u de mening dat serieuze ondersteuning en versterking van vrijwillige inzet vraagt om beleid dat in nauwe samenwerking met het maatschappelijke veld wordt ontwikkeld, en dat meerjarige kaders biedt waarbinnen vrijwilligersorganisaties hun inzet duurzaam kunnen versterken?
Op welke manier wordt de Coalitie Duurzame Vrijwillige Inzet, waarvan het Ministerie van VWS deel uitmaakt, benut en gefaciliteerd, ook met passende middelen, om te komen tot een duurzaam en breed gedragen beleid, en een gezamenlijke aanpak, samen met het veld, ter versterking van vrijwillige inzet?
Wilt u deze vragen beantwoorden voor 18 maart 2026?
Het artikel ‘Vesteda moet woningen verkopen omdat investeerders uitstappen’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eerenberg , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat woningbelegger Vesteda mogelijk woningen moet verkopen, omdat een groot deel van de investeerders uit het fonds wil stappen?1
Ja.
Klopt het dat institutionele beleggers voor een aanzienlijk deel van het fondsvermogen uitstapverzoeken hebben ingediend en dat dit kan leiden tot de verkoop van duizenden huurwoningen?
Bij Vesteda is voor € 4,1 miljard aan indicatieve redemptieverzoeken ingediend van vrijwel alle investeerders. Een redemptieverzoek is een formeel verzoek van een investeerder om zijn of haar deelname in een fonds te beëindigen of de inleg voor een deel terug te laten betalen. Dit komt overeen met ongeveer 52% van het eigen vermogen van het Vesteda Residential Fund. Investeerders kunnen tot 20 april hun indicatieve redemptieverzoeken naar beneden bijstellen. Op grond van de fondsvoorwaarden heeft Vesteda vervolgens meerdere jaren de tijd om deze verzoeken zorgvuldig af te wikkelen. Om aan de redemptieverzoeken te voldoen kan Vesteda huurwoningen verkopen, nieuwe investeerders aantrekken of meer vreemd vermogen aantrekken. Op basis van de huidige informatie zal de verkoop van woningen in ieder geval onderdeel zijn van de strategie om aan de redemptieverzoeken te voldoen maar in welke mate is nog niet duidelijk.
Deelt u de zorg dat dergelijke uitstroom van institutioneel kapitaal kan leiden tot:
Een van de manieren voor Vesteda om aan de redemptieverzoeken te voldoen is het verkopen van huurwoningen aan andere investeerders of aan particuliere kopers. Door dit laatste krimpt de private huursector, waaronder het middensegment. Daarnaast is het waarschijnlijk dat door de recente ontwikkelingen Vesteda minder nieuwbouw kan plegen. Dit baart het kabinet zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling dat buitenlandse institutionele beleggers in Nederland nog slechts circa twee procent van de woninginvesteringen vertegenwoordigen, terwijl dit aandeel in andere Europese landen vaak tussen de 20 en 50 procent ligt?
Het is goed om te noemen dat de cijfers van Capital Value waar u in de vraag naar refereert betrekking heeft op de woninginvesteringen door private investeerders, en dus niet de woninginvesteringen in totaal. De woningopgave wordt naast deze partijen namelijk ook gevuld door woningbouwcorporaties. Dat laat echter onverlet dat het vertrek van buitenlandse investeerders in de Nederlandse woningmarkt een zorgelijke ontwikkeling is, omdat Nederland voor een grote nieuwbouwopgave staat in de huursector waar grote investeringen voor nodig zijn.
Het beschikbare kapitaal van binnenlandse investeerders is op dit moment niet toereikend om deze opgave in te vullen en dus is kapitaal afkomstig van buitenlandse investeerders essentieel. Het vertrek van buitenlandse investeerders is een recente ontwikkeling. In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders – dus exclusief de investeringen van woningbouwcorporaties – nog uit het buitenland. Dit is in 2025 gedaald naar 1%2.
Deelt u de analyse dat Nederland zich daarmee internationaal uit de markt prijst voor institutioneel woningkapitaal?
De afname van buitenlandse investeringen in de nieuwbouw van huurwoningen laat zien dat het onaantrekkelijker is geworden om in Nederlandse nieuwbouw te investeren. Dit wordt veroorzaakt door verschillende factoren, zoals wijzigingen in het huur- en fiscaal beleid en veranderde macro-economische omstandigheden.
In hoeverre spelen volgens u fiscale factoren een rol bij deze ontwikkeling?
Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 5 wordt de afname van binnenlandse en buitenlandse investeerders in de Nederlandse woningmarkt veroorzaakt door een combinatie van verschillende oorzaken. Deze oorzaken zijn onder andere de verschillende maatregelen in het huur- en fiscaal beleid en de macro-economische omstandigheden. Het precieze effect van fiscale ontwikkelingen op investeringen hangt sterk af van het type investeerders. In de specifieke casus van Vesteda speelt ook mee dat dankzij waardegroei en goede resultaten het belang van Vesteda in de portefeuilles van een aantal investeerders zodanig is toegenomen dat zij hun belang willen afbouwen. Daarnaast kunnen investeerders slechts eens in de zeven jaar een dergelijke redemptie aanvragen.
Kunt u per maatregel aangeven in hoeverre deze effect heeft op investeringen in woningbouw door institutionele beleggers:
Alle genoemde maatregelen bij vraag 7 hebben effect op investeringen in woningbouw. De aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat is echter een complex samenspel van factoren, zoals huur- en fiscaal beleid en macro-economische omstandigheden. Het kabinet beschikt dan ook niet over een (cumulatieve) doorrekening van deze maatregelen op de investeringen in woningbouw voor institutionele beleggers. Specifiek ten aanzien van het de FBI-vastgoedmaatregel en de earningsstrippingmaatregel verwijs ik u naar de beantwoording van vragen van de Tweede Kamerleden de Groot en van Eijk3. Op een aantal van de in vraag 7 genoemde maatregelen en tarieven werkt het kabinet werkt aan een verbetering van het investeringsklimaat. Zo is het kabinet voornemens het tarief van de overdrachtsbelasting voor investeerders te verlagen naar 7%. Ten aanzien van de pensioenfondsvrijstelling geldt dat de Belastingdienst gaat kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit nog actueel zijn en modernisering behoeven. Ook is het kabinet voornemens om voorafgaand aan de evaluatie de Wet betaalbare huur te optimaliseren. Het kabinet komt met een ministeriële taskforce Versnelling Woningbouw. Dit zet de koers uit voor de realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar. Het investeringsklimaat is hier een belangrijk onderdeel van.
Heeft het kabinet een integrale analyse gemaakt van het cumulatieve effect van deze maatregelen op het investeringsklimaat voor woningbouw?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat de Wet op de vennootschapsbelasting geen onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen, maar dat het verschil in behandeling voornamelijk voortkomt uit de uitvoeringspraktijk van het besluit uit 2017?
De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) voorziet onder voorwaarden in een vrijstelling voor pensioenfondsen4. Deze vrijstelling is gestoeld op i) de gedachte dat pensioenfondsen naar hun aard geen winst maken omdat hun resultaten steeds ten goede komen aan de uitkeringsgerechtigden, en ii) de maatschappelijke functie die deze fondsen kenmerkt, die ziet op de verzorging van (gewezen) werknemers voor de gevolgen van ouderdom en ziekte op basis van solidariteit en collectiviteit.5 De beoordeling of een pensioenfonds is vrijgesteld voor de vennootschapsbelasting werkt ook door naar de dividendbelasting. Wanneer een in Nederland gevestigde rechtspersoon niet aan vennootschapsbelasting is onderworpen, mag inhouding van dividendbelasting achterwege blijven6 of wordt een teruggaaf verleend van de ingehouden dividendbelasting.7
Het klopt dat de Wet Vpb 1969 geen onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Naast Nederlandse pensioenfondsen, kunnen in het buitenland gevestigde pensioenfondsen (als zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenfondsen) zich beroepen op de vrijstelling in de vennootschapsbelasting. In het buitenland gevestigde pensioenfondsen zijn vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting, als zij zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden met het uitvoeren van pensioenregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met een Nederlandse pensioenregeling. In het verlengde hiervan kunnen buitenlandse pensioenfondsen ook aanspraak maken op de hiervoor genoemde tegemoetkomingen in de dividendbelasting.8
In het verleden waren de voorwaarden niet geëxpliciteerd, waardoor enige onduidelijkheid bestond over de toepassing van de vrijstelling door buitenlandse pensioenfondsen. In 2018 is die verduidelijking verschaft door de uitwerking van de voorwaarden in het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb.9 In dit beleidsbesluit zijn de criteria opgenomen aan de hand waarvan de Belastingdienst toetst of een buitenlandse pensioenregeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet en er wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Het toetsen aan de voorwaarden voor buitenlandse pensioenfondsen kan overigens bewerkelijk zijn, bijvoorbeeld omdat buitenlandse pensioenregelingen vaak niet exact overeenkomen met Nederlandse pensioenregelingen.
Klopt het dat buitenlandse pensioenfondsen in de praktijk moeten aantonen dat zij aan circa twaalf criteria voldoen voordat zij als vergelijkbaar met Nederlandse pensioenfondsen worden aangemerkt?
Het klopt dat in het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb10 in onderdeel 3.1.1. twaalf cumulatieve criteria zijn opgenomen aan de hand waarvan de Belastingdienst toetst of een buitenlandse pensioenregeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet. Er wordt hiermee derhalve geen onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen.
Hoeveel verzoeken tot toepassing van deze vrijstelling zijn de afgelopen tien jaar ingediend en hoeveel daarvan zijn toegewezen?
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen verzoeken om zekerheid vooraf over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting en verzoeken waarin door buitenlandse pensioenfondsen om een teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd.
Verzoeken om zekerheid vooraf vallen onder het internationale vooroverleg en moeten voldoen aan de daarvoor geldende eisen, zoals vastgelegd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter.11 Sinds de inwerkingtreding van dit besluit in 2019 zijn 30 verzoeken om vooroverleg over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting ontvangen. Hiervan zijn momenteel 9 verzoeken in behandeling. Van de 21 verzoeken die al zijn afgehandeld zijn er 9 toegewezen. De overige verzoeken zijn niet toegekend. Er zijn verschillende redenen waarom een verzoek niet wordt toegekend. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat er niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter of omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de subjectieve vrijstelling. Voor de verzoeken waarin om teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd, geldt dat informatie, waaronder het aantal verzoeken en het aandeel toegewezen verzoeken, niet gestructureerd voorhanden is.
Hoe verhoudt deze uitvoeringspraktijk zich tot het Europese beginsel van vrij verkeer van kapitaal?
Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat het kapitaal- en betalingsverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen niet beperkt mag worden zonder rechtvaardigingsgrond. Bij het toetsen of een buitenlandse pensioenregeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling en dat het betreffende buitenlandse pensioenfonds aan de verdere vereisten voldoet om een beroep te kunnen doen op de subjectieve vrijstelling voor pensioenfondsen, dient, voor zover relevant, dit Europese beginsel van vrij verkeer van kapitaal in acht te worden genomen. Zoals in de antwoorden op vraag 9 en vraag 10 aangegeven zijn de voorwaarden aan de hand waarvan buitenlandse pensioenregelingen worden getoetst gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet en wordt hiermee geen onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse pensioenfondsen. Desalniettemin komt het voor dat belastingplichtigen een beroep doen op het EU-recht vanwege een veronderstelde ongelijke behandeling, waarbij derhalve beoordeeld moet worden of er sprake is van een ongerechtvaardigde schending van het Europese beginsel van vrij verkeer van kapitaal.
Tijdens de parlementaire behandeling van de wijziging van het FBI-regime zijn alternatieven besproken, zoals een semi-transparant vastgoedbeleggingsregime: waarom is destijds niet gekozen voor een dergelijk alternatief?
Het kabinet Rutte IV heeft onder meer onderzoek gedaan naar alternatieve opties voor beursgenoteerde vastgoed-fbi’s.12 Uiteindelijk is niet voor deze opties gekozen. In plaats daarvan is ervoor gekozen de toepassing van het fbi-regime niet langer toe te staan in het geval een lichaam direct in Nederlands vastgoed belegt. De reden hiervoor is, kort gezegd, dat andere oplossingsrichtingen leiden tot een toenemende complexiteit. Daarnaast zouden bij deze alternatieven heffingslekken (gedeeltelijk) voortbestaan, dan wel niet snel genoeg gedicht worden, waardoor deze alternatieven tot een lagere budgettaire opbrengst leidden. Met de voorgestelde vastgoedmaatregel heeft het kabinet Rutte IV gekozen voor een robuuste oplossing om de heffingslekken in het fbi-regime te dichten.13
Wordt momenteel onderzocht of een REIT-achtig regime voor Nederlandse woningen kan bijdragen aan het aantrekken van internationaal institutioneel kapitaal?
Nee. Met de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 wordt voorkomen dat in bepaalde gevallen geen Nederlandse belasting wordt geheven over winsten uit Nederlands vastgoed. Het terugdraaien van de aanpassing van het fbi-regime zou betekenen dat in bepaalde gevallen buitenlandse investeerders al dan niet onbedoeld opnieuw Nederlandse belastingheffing zouden kunnen ontlopen. Dit acht het kabinet geen evenwichtige situatie. Alternatieve opties die destijds waren overwogen om het heffingslek te dichten, waren fiscaaltechnisch complexer of op korte termijn niet haalbaar, omdat dit bijvoorbeeld een aanpassing van belastingverdragen vergde. Een andere mogelijkheid zou zijn om een zogenoemd REIT-regime te introduceren. Het introduceren van een nieuw fiscaal regime is echter ook niet eenvoudig. In een Kamerbrief van 7 juni 2024 heeft het destijds zittende kabinet een aantal belangrijke aandachtspunten ten aanzien van een REIT-regime genoemd.14 De juridische houdbaarheid, rekening houdend met de Europeesrechtelijke aspecten, en uitvoerbaarheid zijn belangrijke onderdelen die moeten worden meegewogen. De vormgeving van een REIT-regime moet worden afgestemd op het doel dat ermee wordt beoogd en passen binnen de geldende (Europeesrechtelijke) kaders. Een REIT-regime moet voldoende waarborg bieden dat er geen heffingslekken ontstaan, zoals de heffingslekken in het fbi-regime die per 1 januari 2025 zijn gedicht. Daarnaast geldt dat het invoeren van een REIT-regime een tegemoetkoming is voor belastingplichtigen die daarom naar verwachting een budgettaire derving tot gevolg heeft die budgettair gedekt moet worden. Ook zou het invoeren van een REIT-regime een systeemwijziging bij de Belastingdienst vergen.15
Klopt het dat aanpassing van het besluit uit 2017 mogelijk zou zijn zonder wetswijziging
In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is bepaald dat buitenlandse pensioenfondsen subjectief zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting welke vrijstelling ook doorwerkt naar de dividendbelasting. Een buitenlandse pensioenregeling dient – kort gezegd – naar aard en strekking overeen te komen met een Nederlandse pensioenregeling in de zin van de Pensioenwet respectievelijk de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Met het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb is invulling gegeven wanneer sprake is van een pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. Een aanpassing van het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb is mogelijk zolang deze aanpassing binnen het wettelijke kader blijft.
Ziet het kabinet ruimte om de vergelijkbaarheidstoets voor buitenlandse pensioenfondsen meer functioneel toe te passen, bijvoorbeeld op basis van:
De Belastingdienst gaat kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb nog actueel zijn en modernisering behoeven. Een eventuele modernisering van de voorwaarden vergt een nadere uitwerking en moet zorgvuldig gebeuren. Voor de pensioenfondsvrijstelling is en blijft het (conform het wettelijke kader) van belang dat er sprake moet zijn van een buitenlandse pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden moeten dus worden bezien in het licht van de Nederlandse Pensioenwet. Hierbij is het belangrijk dat duidelijk is wat de voorwaarden zijn, zodat rechtszekerheid wordt gewaarborgd. Daarnaast wordt benadrukt dat elk land zijn eigen juridische inrichting en kaders kent en dat pensioenregelingen per land aanzienlijk kunnen verschillen. Ook dient in aanmerking te worden genomen dat de Nederlandse en buitenlandse wetgeving ten aanzien van pensioenfondsen onderhevig is aan ontwikkelingen en dat de voorwaarden en kenmerken hiervan in de loop der tijd kunnen wijzigen. Als buitenlandse pensioenfondsen slechts eenmalig zouden worden gekwalificeerd, zou niet telkens hoeven te worden beoordeeld of een buitenlandse pensioenregeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling en zou met de voornoemde ontwikkelingen en wijzigingen in de loop der tijd dus geen rekening worden gehouden hetgeen niet gewenst lijkt. Om recht te doen aan de specifieke omstandigheden die per situatie kunnen verschillen is maatwerk van belang. Daarnaast dient voorkomen te worden dat buitenlandse «pensioenfondsen» onder de vrijstelling worden gebracht die als zij een Nederlands fonds waren geen recht zouden hebben op de pensioenfondsvrijstelling en meer lijken op een beleggingsfonds. Dat kan ook leiden tot budgettaire gevolgen in de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting.
Bent u bereid te onderzoeken of een eenmalige kwalificatie voor buitenlandse pensioenfondsen mogelijk is om meer rechtszekerheid te creëren?
Zie antwoord vraag 16.
Deelt u, gezien de jaarlijkse investeringsbehoefte van circa 40 miljard euro voor woningbouw, de analyse dat het aantrekken van internationaal langetermijnkapitaal noodzakelijk is om deze opgave te realiseren?
Ja, Nederlandse pensioenfondsen lopen in veel gevallen tegen de grenzen aan van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico en spreidingsoverwegingen zit hier een limiet aan. De investeringsopgave in de Nederlandse woningbouw is dusdanig groot dat ook buitenlandse investeerders essentieel zijn om voldoende huurwoningen te bouwen.
Welke concrete stappen onderneemt het kabinet om Nederland weer aantrekkelijker te maken voor institutionele beleggers in woningbouw?
In het coalitieakkoord is het voornemen opgenomen om de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. Het kabinet komt ook met een ministeriële taskforce Versnelling Woningbouw die de koers uitzet voor de realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar. Ook het investeringsklimaat komt in deze taskforce terug. Het kabinet zal uw Kamer middels een brief begin mei over de voortgang van deze taskforce informeren.
De kopgroep die is gevormd met Duitsland, Denemarken, Griekenland, Oostenrijk en Nederland om “terugkeerhubs” te installeren in het buitenland |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wanneer heeft u het besluit genomen om deel te nemen aan deze kopgroep voor terugkeerhubs buiten de EU?
Waarom heeft u de Kamer niet voorafgaand de JBZ-Raad over dit voornemen geïnformeerd zodat hier tijdens het debat voorafgaand aan de JBZ-Raad over gesproken kon worden?
Waarom informeert u de Kamer niet na dit besluit onmiddellijk per brief, en moet de Kamer dit via de media vernemen?
Zijn er al landen in beeld voor deze terugkeerhubs? Zijn er landen geïnteresseerd om terugkeerhubs te huisvesten en wat zou daar dan eventueel tegenover staan?
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat mensenrechten in deze terugkeerhubs geborgd zijn? Kunt u dat altijd garanderen?
Is deze kopgroep geen lege huls zolang er geen landen in beeld zijn die interesse hebben om een terugkeerhub te huisvesten met strikte naleving van mensenrechten?
Kunt u garanderen dat er nu niet naar Oeganda wordt gekeken zoals in het coalitieakkoord staat?
Kunt u toezeggen dat de Kamer op de hoogte wordt gehouden wanneer er onderhandelingen met een specifiek derde land worden aangegaan en vervolgens gedurende het onderhandlingsproces?
Kunt u garanderen dat een overeenkomst met een derde land altijd ter ratificatie aan de Kamer wordt voorgelegd?
Kunt u toezeggen dat ngo's en het maatschappelijk middenveld betrokken worden bij het vooraf in kaart brengen van de mensenrechtensituatie in een derde land?
Kunt u garanderen dat mensen niet jarenlang in een terugkeerhub vast blijven zitten? Worden er maximumtermijnen voor de vrijheidsbeperkende omgeving afgesproken?
Wat gebeurt er met de mensen in de terugkeerhub als het niet lukt om ze terug te sturen naar een herkomstland?
Bent u van mening dat het uitzetten van mensen naar terugkeerhubs zal leiden tot een verhoging van het aantal mensen dat terugkeert naar het land van herkomst? Zo ja, waar concludeert u dat uit?
De Genocidezaak van Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de mogelijkheid voor staten om op grond van artikel 63 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof te interveniëren in de procedure die Zuid-Afrika heeft aangespannen tegen Israël inzake het Genocideverdrag?
Ja.
Klopt het dat staten tot omstreeks 12 maart 2026 nog een interventieverklaring kunnen indienen in verband met de procesplanning van het Hof? Zo ja, beschouwt u dit als een relevant beslismoment voor Nederland?
Ja. De uiterste datum voor indiening van een verklaring tot interventie in deze zaak was 12 maart 2026. Nederland heeft een verklaring tot interventie ingediend op 11 maart 2026.
Heeft de Nederlandse regering overwogen om gebruik te maken van het recht tot interventie in deze zaak? Zo ja, wanneer is deze afweging gemaakt en welke ministeries waren daarbij betrokken?
Ja, Nederland heeft een verklaring tot interventie ingediend. De uiterste deadline voor indiening van een verklaring tot interventie in deze was 12 maart 2026. In aanloop hiertoe is de afweging gemaakt een verklaring in te dienen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor het opstellen van dergelijke verklaringen tot interventie. Uw Kamer heeft een brief over dit onderwerp ontvangen op 17 maart 2026.1
Welke juridische, diplomatieke en politieke overwegingen spelen een rol bij de beslissing om al dan niet te interveniëren?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijst het kabinet naar de Kamerbrief over de Nederlandse verklaring tot interventie in de zaak Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof van 17 maart 2026.2
Deelt u de opvatting dat interventie op grond van artikel 63 primair betrekking heeft op de interpretatie van het Genocideverdrag en niet betekent dat een staat partij kiest in het onderliggende conflict? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord op deze vraag verwijst het kabinet naar de Kamerbrief over de Nederlandse verklaring tot interventie in de zaak Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof van 17 maart 2026.3
Hoe verhoudt een eventueel besluit om niet te interveniëren zich tot: de verplichting van staten onder het Genocideverdrag om genocide te voorkomen; de Nederlandse inzet voor versterking van de internationale rechtsorde en de bijzondere positie van Nederland als gastland van internationale gerechtshoven?
Het indienen van de verklaring tot interventie is op zichzelf geen invulling van de verplichting tot voorkoming van genocide zoals opgenomen in het Genocideverdrag. Het kabinet beschouwt het van belang dat Nederland bijdraagt aan de consistente en uniforme uitleg van het internationaal recht. Interveniëren in een specifieke zaak kan daaraan bijdragen. Daarnaast acht het kabinet het van belang dat Nederland met deze interventie een bijdrage kan leveren aan een consistente uitleg van het Genocideverdrag, en zijn visie op de reikwijdte van relevante bepalingen kan geven.
Welke EU-lidstaten hebben inmiddels een interventie ingediend of aangekondigd, en heeft hierover afstemming plaatsgevonden binnen de Europese Unie?
De lijst van staten die een verzoek tot interventie hebben ingediend is te vinden op de website van het Internationaal Gerechtshof. De volgende lidstaten van de Europese Unie hebben een verklaring tot interventie ingediend: België, Hongarije, Ierland, Nederland, en Spanje. Hierover heeft geen inhoudelijke afstemming plaatsgevonden binnen de Europese Unie. Dit laatste is ook niet gebruikelijk.
Op welke wijze geeft Nederland momenteel invulling aan zijn verplichting om genocide te voorkomen in relatie tot de lopende procedure bij het Internationaal Gerechtshof?
Uit de lopende zaak tussen Zuid-Afrika en Israël vloeien op zichzelf geen verplichtingen tot voorkoming van genocide voort voor Nederland, aangezien Nederland geen partij is bij de zaak.
Bent u bereid om deze vragen vóór 11 maart te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Amerikaanse chantage kost mensenlevens' |
|
Suzanne Kröger (GL), Sarah Dobbe (SP), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Amerikaanse chantage kost mensenlevens» van Aidsfonds en Rutgers van 23 januari 2026?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de Amerikaanse beslissing om hulporganisaties, andere overheden, en Verenigde Naties (VN)-agentschappen die Amerikaans geld ontvangen, te verbieden om te werken aan diversiteit, gendergelijkheid en inclusie, bovenop het verbod op het verlenen van abortuszorg?
Op 23 januari heeft de VS aangekondigd dat ze de bestaande Mexico City Policy gaan uitbreiden. Er zijn drie «rules» gepubliceerd die restricties opleggen in relatie tot alle VS financiering, op het gebied van abortus, «gender ideology» en DEI (Diversity, Equity en Inclusion). Samen wordt dit het «human flourishing in foreign» assistance beleid genoemd. Er is nog veel onduidelijk over de implementatie van dit beleid, de juridische haalbaarheid ervan, en de uiteindelijke impact. Organisaties weten dus nog niet hoe dit beleid hen precies zal raken. Het kabinet deelt de zorgen van veel organisaties over de potentiële consequenties voor vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen in het mondiale zuiden. Het kabinet staat pal voor mensenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). Deze staan wereldwijd onder druk en dat is uiterst zorgwekkend.
Deelt u de analyse dat deze maatregelen hulporganisaties ernstig belemmeren in het bieden van hulp aan kwetsbare groepen en dat dit zal leiden tot meer onveilige abortussen, moedersterfte en een toename in hiv-infecties wereldwijd?
De daadwerkelijke impact van het Amerikaanse beleid is nog niet helder. Het beleid geldt voor nieuwe bijdragen van de VS en werkt niet met terugwerkende kracht. De VS heeft aangegeven dat er een ontheffing (waiver)mogelijk is op dit beleid. Het is nog onduidelijk of, voor wie en waarvoor de VS dergelijke ontheffingen gaat toekennen. Echter, als een organisatie niet meer kan werken op het gebied van toegang tot veilige abortus, diversiteit, gendergelijkheid en inclusie, dan zal dit de toegang van gemarginaliseerde groepen tot gezondheidszorg belemmeren. Dit kan leiden tot meer onveilige abortussen, een hogere moedersterfte en een toename in hiv-infecties wereldwijd.
Onderhoudt uw ministerie contact met de Amerikaanse autoriteiten over deze beslissing? Op welk niveau? Wat wordt er in die contacten gewisseld? Bent u van plan om ambtgenoten op deze beslissing aan te spreken?
Nederland is continu in gesprek met de VS, zoals via de Nederlandse ambassade in Washington, zo ook over de uitbreiding van de Mexico City Policy. Het doel van die gesprekken is om zoveel mogelijk te voorkomen dat dit beleid een negatieve impact heeft op vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen in het mondiale zuiden en op door Nederland gefinancierde programma’s en organisaties. Gegeven de grote financieringsbehoefte voor mondiale gezondheid zet Nederland, samen met andere donoren, in op een zo efficiënt mogelijke besteding van de nog beschikbare middelen. Voor het kabinet staat de toegang tot gezondheidszorg voor vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen centraal. De VS blijft een belangrijke donor op het gebied van mondiale gezondheid, waarmee wij in nauwe dialoog blijven over dit thema.
Het kabinet volgt de uitvoering van het «human flourishing in foreign assistance» beleid ook samen met cross regionale coalities zoals de Equal Rights Coalition (ERC). Deze cross regionale coalitie van 44 landen, werkt nauw samen om rechten van lhbtiq+-personen wereldwijd te beschermen en te bevorderen.
Bent u het ermee eens dat Nederland historisch een voortrekkersrol heeft gespeeld in het verdedigen van de rechten en gezondheid van vrouwen, meiden, LHBTI-personen en andere groepen? Onderschrijft u het belang, gezien de terugtrekkende beweging van Amerika, om deze voortrekkersrol stevig te herpakken? Op wat voor manier doet u dat, bijvoorbeeld in Europees en VN-verband?
Ik zie het belang om als Nederland een leidende rol te vervullen op het vlak van SRGR, vrouwenrechten en rechten van lhbtiq+-personen. Dit zijn ook kernprioriteiten binnen het mensenrechtenbeleid van dit kabinet.
Nederland zal zich nog nadrukkelijker inzetten voor toegang tot goede gezondheidszorg, inclusief SRGR, voor iedereen. Wij zoeken hierbij de samenwerking met gelijkgezinden, aangezien we sterker staan als we ons gezamenlijk uitspreken. De Nederlandse inspanningen zijn gericht op het behoud en verder brengen van internationale afspraken op het gebied van SRGR, gendergelijkheid en vrouwenrechten binnen de VN. Nederland nam bijvoorbeeld een leidende rol tijdens de 70e zitting van de Commission on the Status of Women in maart dit jaar. De onderhandelingen over de politieke slotverklaring, werden gekenmerkt door forse tegendruk op bestaande internationale afspraken over vrouwenrechten, gendergelijkheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR). De VS diende acht amendementen in op de politieke slotverklaring, die tegen bestaande internationale afspraken in gingen. De leider van de Nederlandse delegatie, de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie, heeft vervolgens namens de EU een stemming aangevraagd. Daardoor werden de amendementen verworpen en werd de politieke slotverklaring met een grote meerderheid van stemmen aangenomen.
Ook binnen de EU blijft Nederland zich inzetten, samen met gelijkgezinden, voor behoud van bestaande afspraken. Binnen de beschikbare financiële ruimte blijf ik ook inzetten op SRGR (inclusief toegang tot veilige abortus), gendergelijkheid en vrouwenrechten.
Herinnert u zich de leidende rol die Nederland nam tijdens de vorige instelling van de Global Gag Rule, middels het initiatief van toenmalig Minister Ploumen om met SheDecides het financieringsgat op te vullen dat Trump achterliet? Bent u van plan die leidende rol, die door het vorige kabinet is losgelaten, weer te herpakken? Zo nee, waarom niet?
Nederland steunt het platform SheDecides nog steeds, met een bedrag van 900.000 EUR voor drie jaar. SheDecides speelt een belangrijke rol in het beschermen en bevorderen van internationale afspraken op het gebied van SRGR en gendergelijkheid. Tegelijkertijd is de reikwijdte van het «human flourishing in foreign assistance» beleid veel groter dan in 2017. Naast financiering is het bieden van politiek tegenwicht en gezamenlijk optrekken cruciaal. Tijdens mijn recente reis naar de VN heb ik uitgedragen dat Nederland staat voor een sterk multilateraal systeem en dat de VN kan rekenen op steun van Nederland voor normatieve mandaten, zoals op het gebied van gender gelijkheid en SRGR. Nederland wil hierin samen met EU-landen optrekken.
De inzet van het kabinet is om in gezamenlijkheid met andere landen, bestaande internationale afspraken op het gebied van mensenrechten, SRGR en gendergelijkheid te beschermen en organisaties die zich hiervoor inzetten duurzaam te ondersteunen. Het kabinet is bereid hier een leidende rol in te spelen.
Indien het antwoord op vraag 6 «Ja» is, hoe herpakt u die leidende rol? Doet u dit door de bezuinigingen op mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve rechten en gezondheid (54 miljoen in 2026, en 174 miljoen in 2027) terug te draaien?
Zoals beantwoord bij vraag 5 en 6, staat het kabinet pal voor universele mensenrechten en de internationale afspraken die hierover gemaakt zijn in multilateraal verband. Daarbij blijft Nederland zich inzetten voor het recht op gezondheid en SRGR voor iedereen. Het kabinet werkt daarom nauw samen met onze gelijkgezinde partners en de landen waar we werken.
Dit kabinet zal de bezuinigingen van het vorige kabinet op gezondheid en SRGR – EUR 124 miljoen in 2026 en EUR 172 miljoen in 2027 (t.o.v. 2024) – niet volledig ongedaan kunnen maken. Wel heeft het kabinet in de Voorjaarsnota voor 2.026 EUR 11 miljoen extra vrijgemaakt voor de inzet op mondiale gezondheid en SRGR. Daarnaast is het kabinet conform het coalitieakkoord voornemens om vanaf 2027 te blijven bijdragen aan de mondiale gezondheidsstrategie.
Bent u bereid, als Nederland en met gelijkgestemde landen, te zoeken naar alternatieve vormen van financiering voor VN-instanties en organisaties die door deze maatregel worden getroffen?
Nederland onderhoudt nauw contact met VN-organisaties, gelijkgezinde donoren, maatschappelijke organisaties, filantropische instellingen en ontvangende landen, over de mogelijke impact van het VS beleid binnen de VN en hoe wij hier een gezamenlijk antwoord op kunnen geven. In een context van afnemende ODA en tekorten en verstoring in gezondheidsdiensten wereldwijd, lijkt het antwoord vooralsnog te liggen in de kwaliteit van financiering (zoals meerjarige ongeoormerkte financiering), diplomatieke en politieke inspanningen ter bescherming van SRGR, gendergelijkheid en de meest gemarginaliseerde groepen. Nederland is en blijft daarom een stabiele en betrouwbare donor van o.a. de WHO, UNFPA en UNAIDS en van de humanitaire inspanningen van de VN bijvoorbeeld via UNHCR, UNICEF en WFP.
Bent u er van op de hoogte dat elke euro die bezuinigd wordt op dit thema, leidt tot meer ongeplande zwangerschappen, onveilige abortussen, hiv-doden, en hiv-besmettingen? Wat doet u om dit scenario te voorkomen?
Ja. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord blijft de Mondiale Gezondheidsstrategie leidend voor dit kabinet. Een van de prioriteiten in deze strategie is dat Nederland zich inzet voor gezondheidssysteemversterking. Verbeterde dienstverlening op het gebied van SRGR is daar een belangrijk onderdeel van. Zie verder mijn antwoorden op vragen 5, 6 en 7.
Herinnert u zich dat de Nederlandse inzet op vrouwenrechten en gender – die door het vorige kabinet werd gestopt – alleen door een ingreep van de Kamer nog tot en met 2027 wordt gecontinueerd? Wat doet u om dit budget ook na 2027 te herstellen en door te kunnen gaan met het steunen van vrouwen- en LHBTI-rechtenverdedigers wereldwijd?
Ja. Als gevolg van amendement Hirsch c.s. (Kamerstuk 36 725 XVII, nr. 21) komt – na aanname van de Ontwerpbegroting BHO 2027 in zowel de Eerste als Tweede Kamer – in 2.026 EUR 22 miljoen en in 2.027 EUR 21 miljoen beschikbaar voor vrouwenrechten en gendergelijkheid. Daarnaast heeft het kabinet in de Voorjaarsnota aanvullend EUR 5 miljoen in zowel 2026 en 2027 beschikbaar gemaakt voor de inzet op vrouwenrechten en gendergelijkheid. Conform het coalitieakkoord zet dit kabinet zich internationaal actief in voor de bescherming van de rechten van vrouwen en is het voornemens hier vanaf 2027 opnieuw in te investeren. In lijn met deze ambitie zal bij het opstellen van de BHOS begroting 2027 worden bezien wat de mogelijkheden zijn tot herstel van artikel 3.2.
Welke rol ziet u voor uzelf wat betreft het bevorderen van de internationale toegang tot abortuszorg en het internationaal tegengaan van bijvoorbeeld moedersterfte en hiv-infecties?
Nederland is en blijft een betrokken en actieve speler op veilige abortus, het tegengaan van moedersterfte en hiv-infecties. Ik zie hier een belangrijke rol voor mijzelf als Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Als Minister zal ik mij actief blijven inzetten voor de bescherming van gelijke rechten voor iedereen, zowel via partnerschappen met maatschappelijke organisaties en multilaterale instellingen als binnen multilaterale fora zoals de VN Mensenrechtenraad. Tijdens de voorjaarsvergadering van de Wereldbank in april 2026 zal ik aandacht vragen voor de gezondheid van vrouwen en meisjes en de Nederlandse steun hiervoor uitspreken bij een bijeenkomst van het Global Financing Facility dat met dit doel is opgericht.
Naast de diplomatieke inzet via de VN en de EU, investeert Nederland in organisaties zoals International Planned Parenthood Federation (IPPF), het Safe Abortion Action Fund (SAAF) en Ipas. Nederland is de grootste donor aan UNAIDS en we zijn de zesde donor van UNFPA. Daarnaast is het kabinet dit jaar gestart met een nieuw financieringsinstrument, onderdeel van het bredere FOCUS kader, dat inzet op de preventie en bestrijding van hiv-infecties in Zuidelijk Afrika.
Bent u van plan publiekelijk steun uit te spreken voor de overheden en organisaties die niet het contract ondertekenen dat hen door de Amerikaanse overheid wordt voorgelegd om te stoppen met alle werkzaamheden rond gendergelijkheid en diversiteit?
Nederland kiest voor een zo effectief mogelijke inzet. Het Amerikaanse beleid zal voor elk type organisatie anders uitpakken en het kabinet zal daarom niet ingaan op individuele partners en wat zij doen. Zo kunnen overheden, die geld aannemen van de VS, mogelijkerwijs nog steeds werken op abortus, gender, diversiteit, inclusie en gelijkheid, met andere financieringsbronnen. Het kabinet wil graag in gesprek blijven met deze overheden. De ervaring met de vorige Mexico City Policy leert namelijk dat er een neiging is tot over-implementatie en zelfcensuur. Daarnaast is het van belang om te noemen dat veel partners die essentieel zijn voor de uitvoering van ons SRGR beleid, geen Amerikaanse financiering meer ontvangen. Deze financiering stopte met het opheffen van USAID.
Bent u bekend met de verklaring van 2 maart 2026 van 10 landen, waaronder Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, waarin zij deze nieuwe regels veroordelen en opkomen voor het recht van iedereen op zelfbeschikking? Waarom ontbreekt Nederland onder deze verklaring? Is Nederland gevraagd om mee te tekenen? Zo ja, waarom heeft Nederland niet meegetekend? Steunt Nederland de inhoud van deze verklaring?2
Het kabinet is bekend met de verklaring en Nederland is gevraagd om mee te tekenen. Het kabinet heeft gekozen niet te tekenen omdat dit een bredere afweging vereist. Er is nog veel onduidelijk over de implementatie en daarmee over de impact van het beleid van de VS. Het kabinet volgt de ontwikkelingen nauwgezet om duidelijker in beeld te krijgen hoe dit beleid de gezondheid raakt van vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen. Nederland is hierover in contact met de VS, de landen waar Nederland mee samenwerkt op deze thema’s, gelijkgezinde donoren en partners. De verklaring is op 2 maart gepubliceerd op de website van SheDecides. Zoals reeds beantwoord, staat het kabinet pal voor mensenrechten en blijft het kabinet inzetten op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen.
Kunt u deze vragen binnen drie weken afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Aanvaller jonge vrouw in Rotterdam blijkt asielzoeker (22) uit Marokko: ‘Vreselijk wat slachtoffer heeft meegemaakt’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aanvaller jonge vrouw in Rotterdam blijkt asielzoeker (22) uit Marokko: «Vreselijk wat slachtoffer heeft meegemaakt»»?1
Kunt u bevestigen dat de verdachte ten tijde van het incident een asielzoeker was?
Kunt u bevestigen dat de verdachte verbleef op een opvanglocatie in Hendrik-Ido-Ambacht?
Kunt u bevestigen dat de verdachte afkomstig is uit Marokko?
In welke fase van de asielprocedure bevond betrokkene zich ten tijde van het incident? Kunt u daarbij aangeven of al sprake was van een voornemen, besluit in eerste aanleg, of een (hoger) beroep?
Was er in deze casus al begonnen met een terugkeerprocedure? Zo nee, waarom niet? Zo ja, werkte de asielzoeker mee aan terugkeer?
Kunt u aangeven hoe lang betrokkene op dat moment in Nederland verbleef, hoelang hij in de opvang verbleef en hoelang zijn aanvraag liep?
Is in deze zaak een versnelde procedure toegepast? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke doorlooptijd gold in deze zaak vanaf aanmelding tot en met besluitvorming?
Welke gemiddelde doorlooptijden hanteert u momenteel voor versnelde behandeling van aanvragen van vreemdelingen uit een veilig land van herkomst? Kunt u die afzetten tegen de reguliere procedure?
Deelt u de opvatting dat bij aanvragen uit landen die in de praktijk veelal kansarm zijn, snelheid in de procedure mede een veiligheidsbelang kan dienen voor de omgeving van opvanglocaties? Zo nee, waarom niet?
Waren er voorafgaand aan dit incident signalen bekend bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V), de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), of andere ketenpartners over overlastgevend, gewelddadig, of anderszins risicovol gedrag van betrokkene? Zo ja, welke maatregelen zijn genomen?
Worden COA-incidenten waarbij asielzoekers betrokken zijn in alle gevallen gedeeld met de IND, voor zover die incidenten relevant kunnen zijn voor de beoordeling van openbare orde of nationale veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Welke toets hanteert de IND momenteel bij de beoordeling of sprake is van gevaar voor de openbare orde in asielzaken? Kunt u uiteenzetten welke indicatoren daarbij een rol spelen, welke bronnen worden betrokken en hoe de evenredigheidstoets wordt uitgevoerd?
Is in deze zaak overwogen om maatregelen te treffen die de bewegingsvrijheid beperken, zoals overplaatsing naar een locatie met strenger toezicht, een vrijheidsbeperkende maatregel, of vreemdelingenbewaring? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven welke drempels in de praktijk gelden om vreemdelingenbewaring te kunnen inzetten bij asielzoekers met ernstige openbare-orde-signalen? Acht u die drempels in de uitvoering toereikend?
Kunt u aangeven hoeveel asielzoekers er in 2025 zijn aangehouden vanwege een verdenking van verkrachting of van een poging tot verkrachting?
Het voorkomen en herkennen van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de zorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meerdere aangiftes van seksueel wangedrag op zorgboerderij?»1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Hoeveel klachten zijn er sinds 2025 ontvangen door klachtenfunctionarisseren, uitgesplitst per zorgaanbieder, over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg? Hoeveel meldingen hebben geleid tot aangifte?
Er zijn geen cijfers bekend over het aantal klachten dat in 2025 is ontvangen door klachtenfunctionarissen over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg. Seksueel overschrijdend gedrag moet door de zorgaanbieder wel altijd gemeld worden bij de IGJ. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 ontvangen door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg? Hoeveel meldingen hebben geleid tot aangifte?
Sinds 2025 heeft de IGJ circa 100 meldingen ontvangen over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg. Hoeveel meldingen hebben geleid tot een aangifte is bij de IGJ niet bekend.
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 gedaan door cliënten en zorgpersoneel van grensoverschrijdend gedrag in de hele zorgsector, uitgesplitst per sector en uitgesplitst per vorm waarin de zorg wordt geleverd?
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de meldingen die de IGJ heeft ontvangen over seksueel grensoverschrijdend gedrag per 2025, uitgesplitst naar zorgsector en afgerond op tientallen. Een nadere uitsplitsing per zorgvorm is niet beschikbaar.
Eerstelijnszorg
50
Geestelijke Gezondheidszorg (dit jaar inclusief Zorg aan Justitiabelen)
80
Gehandicaptenzorg
100
Jeugd
70
Medisch Specialistische Zorg
10
Publieke gezondheidszorg
<5
Verpleging en Verzorging
30
Hoeveel zorgaanbieders hanteren momenteel een algemene VOG-verplichting voor alle zorgverleners?
Alle zorgaanbieders die zorg verlenen op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) moeten op grond van het Uitvoeringsbesluit wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van de zorgverleners die zorg verlenen aan hun cliënten. Die VOG-verplichting geldt binnen de Wlz ook voor andere personen die beroepsmatig in contact kunnen komen met de cliënten. Het voorgaande geldt ook voor zorgaanbieders die geestelijke gezondheidszorg verlenen met de mogelijkheid tot verblijf. Voor andere zorgaanbieders geldt dat het afhankelijk is van de individuele zorgaanbieder of een VOG wordt verlangd van zorgverleners. Een VOG verlangen is mogelijk, maar is geen wettelijke verplichting.
Wat zijn de kosten van invoering van een algemene VOG-verplichting voor alle zorgverleners? Welke gevolgen heeft een dergelijke algemene verplichting voor de administratieve lasten?
De totale kosten van een zorgbrede VOG-verplichting voor alle zorgverleners zouden aanzienlijk zijn, gezien het grote aantal zorgverleners in de sector. Naast financiële kosten zijn ook de uitvoeringsconsequenties van belang, met name voor screeningsautoriteit Justis en zorgaanbieders. De uiteindelijke kosten hangen bovendien sterk af van de invoering, bijvoorbeeld of de verplichting geldt voor nieuwe en/of zittende medewerkers en of deze eenmalig of periodiek wordt uitgevoerd. De financiële kosten en administratieve lasten van een uitbreiding van de VOG-verplichting moeten natuurlijk in verhouding staan tot het beoogde doel: het verkleinen van veiligheidsrisico's en het waarborgen van de integriteit binnen organisaties.
Hoeveel cliënten in de gehandicaptenzorg ontvangen momenteel zorg vanuit een persoonsgebonden budget (pgb) en hoeveel cliënten ontvangen zorg in natura?
Er zijn circa 133.000 cliënten met een zorgprofiel behorend bij de gehandicaptenzorg met gebruik van naturazorg, pgb of een combinatie van naturazorg en pgb (gemeten op peilmoment, 2024). Daarvan hadden er 105.300 naturazorg, 41.500 pgb en 13.800 een combinatie van naturazorg en pgb2.
Hoeveel pgb-gefinancierde wooninitiatieven zijn er in de gehandicaptenzorg? Wanneer kan het transparantieregister van pgb-wooninitiatieven verwacht worden?
Het exacte aantal pgb-gefinancierde wooninitiatieven in de gehandicaptenzorg is niet bekend. Wel is bekend dat medio 2025 6.170 pgb-houders met een zorg-profiel in de gehandicaptenzorg een wooninitiatieventoeslag ontvingen3. Als wordt uitgegaan van gemiddeld 12 bewoners per wooninitiatief komt dit neer op circa 500 pgb-gefinancierde wooninitiatieven in de gehandicaptenzorg. Samen met de IGJ, Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en het CIBG werk ik aan de ontwikkeling van een transparantieregister voor pgb-gefinancierde wooninitiatieven. Het is de bedoeling dat het register automatisch wordt samengesteld door gebruik te maken van de vragenlijsten van Meldplicht, Vergunningplicht en Openbare Jaarverant-woording. Hiervoor moeten deze vragenlijsten worden aangepast, zodat hieruit eenduidig kan worden afgeleid wanneer er bij een zorgaanbieder sprake is van een wooninitiatief. Deze informatie wordt verder aangevuld met gegevens van zorgkantoren.
Om dit alles te realiseren zijn zowel technische als juridische aanpassingen nodig. Met name het aanpassen van regelingen en het creëren van een vereiste grondslag voor gegevensuitwisseling kost tijd. Ik streef ernaar het register zo spoedig als mogelijk operationeel te hebben. Daarbij wordt verkend of het een optie is het register in fasen te vullen en beschikbaar te stellen, waarbij een steeds completer beeld ontstaat. Als blijkt dat dit mogelijk is, kan een eerste versie wellicht eind dit jaar beschikbaar zijn.
Wat is de stand van zaken van het door zorgaanbieders «beter in staat zijn van het herkennen en signaleren van seksueel grensoverschrijdend gedrag»? Op welke wijze worden zorgaanbieders gestimuleerd om te werken aan deze bewustwording en preventie, in het bijzonder als het gaat om cliënten met moeilijk verstaanbaar gedrag of die niet verbaal kunnen aangeven wat zij ervaren? Zijn er concrete veranderingen te zien?2
De inspectie ziet dat zorgaanbieders in de gehandicaptenzorg zich blijvend inspannen om het beleid verder te verbeteren. De inspectie ziet daarnaast een positieve ontwikkeling als het gaat om doorontwikkeling van het beleid. Zo is het bij veel zorgaanbieders aantoonbaar beleid om het thema gezonde seksuele ontwikkeling (vriendschap, relaties, intimiteit en seksualiteit) onderdeel te laten zijn van de methodische begeleiding van cliënten, als dat mogelijk is. Ook hebben veel zorgaanbieders de pijlers van de Veilige Zorgrelatie ingevoerd of werken zij daaraan.
De regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld heeft samen met de gehele zorgsector, waaronder het domein gehandicaptenzorg, in juni 2025 een zorgmanifest gepresenteerd op een zorgbreed congres tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dit manifest is inmiddels door 40 branche- en beroepsverenigingen ondertekend.
Ter opvolging van dit manifest heeft de regeringscommissaris op 17 december 2025 een bestuurlijk overleg georganiseerd ten behoeve van bestuurlijke inzet op het ontwikkelen van ideeën tot concrete plannen van aanpak. Op 28 mei a.s. wordt er een bestuurlijk vervolg op georganiseerd. De plannen van aanpak per zorgdomein zijn dan verder uitgewerkt en de eerste ideeën in gang gezet.
De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland heeft daarnaast een handreiking «Sturen op aanpak seksueel misbruik» met praktische handvatten en aanbevelingen voor zorgorganisaties om de preventie en aanpak van seksueel misbruik te organiseren. Deze handreiking wordt momenteel herschreven. De herziene handreiking beschrijft wijzigingen in wet- en regelgeving, bevat veel achtergrondinformatie en ondersteunt organisaties bij het uitwerken van hun eigen interne beleid en procedures ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag richting cliënten.
Over hoeveel inspecteurs beschikt de IGJ momenteel? Hoeveel bezoeken heeft de IGJ sinds 2025 afgelegd aan pgb-gefinancierde wooninitiatieven, zoals zorgboerderijen?
Er werken 470 inspecteurs bij de IGJ. Hiermee houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de gehele gezondheidszorg, jeugdhulp, farmaceutische producten en medische hulpmiddelen. Binnen de afdeling gehandicaptenzorg werken 28 inspecteurs.
De IGJ heeft vanaf 2025 229 bezoeken gebracht aan aanbieders van gehandicaptenzorg. Daaronder zijn ook pgb-gefinancierde wooninitiatieven. De financieringsvorm maakt echter geen deel uit van de risico informatie voorafgaand aan een bezoek. Daarom is geen exact antwoord te geven op de vraag hoeveel van de bezochte zorgaanbieders pgb-gefinancierd zijn. In haar toezicht en de ingezette toetsingskaders maakt de inspectie evenwel geen onderscheid tussen pgb- zorg en zorg in natura.
Verder ziet de IGJ veel mengvormen: aanbieders die zowel pgb-gefinancierd zijn, als zorg in natura leveren en ook door de Wmo gefinancierd zijn. Deze aanbieders bieden vaak zorg aan cliënten met uiteenlopende zorgvragen (gehandicaptenzorg, ggz, jeugd, ouderenzorg).
Beschikt de IGJ inmiddels over gespecialiseerde inspecteurs voor intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven, zoals verzocht in de motie-Westerveld? Zo ja, hoeveel inspecteurs zijn er inmiddels? Zo nee, waarom niet?3
Ja, de inspectie beschikt over inspecteurs die toezichthouden op aanbieders voor intramurale gehandicaptenzorg, waaronder pgb-wooninitiatieven. Binnen de afdeling Gehandicaptenzorg (GHZ) werken momenteel 28 inspecteurs.
Naar aanleiding van de bovengenoemde motie-Westerveld en de Toekomstagenda «zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking» (Toekomstagenda) is de capaciteit van de afdeling GHZ tijdelijk uitgebreid met 8 fte waarvan 6 inspecteurs. De huidige bezetting van 28 fte is inclusief die 6 inspecteurs.
Zijn er inmiddels gespecialiseerde vertrouwenspersonen voor de intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven, zoals verzocht in de motie-Westerveld? Zo ja, hoeveel vertrouwenspersonen zijn er? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen zicht op het type vertrouwenspersonen werkzaam in de intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven, noch heb ik zicht op het aantal vertrouwenspersonen werkzaam in de sector.
Mijn ambtsvoorganger is in 2024 in gesprek gegaan met de sector over cliënt-vertrouwenspersonen Wet zorg en dwang (Wzd). Hierover is aan uw kamer gerapporteerd in de voortgangsrapportage van de Toekomstagenda in 20246.
Welke concrete stappen zijn er sinds de antwoorden van uw ambtsvoorganger uit 2024 gezet om zicht te krijgen op de omvang van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg en om een gerichte aanpak in te zetten?
Met middelen uit de Toekomstagenda is de capaciteit van de IGJ fors uitgebreid (26%) met zes extra inspecteurs specifiek voor de gehandicaptenzorg.
Voor de inspectie heeft het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag zowel in 2025 als 2026 in de gehandicaptenzorg aandacht in het toezicht. De inspectie beoordeelt of zorgaanbieders voldoende doen om (toekomstige) cliënten te beschermen tegen (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Dit doet zij in zowel het risico-gestuurde toezicht als in het incidententoezicht. Zorgaanbieders worden daarnaast gestimuleerd om zelf hun beleid te beoordelen. De inspectie beoogt hiermee het bewustzijn binnen de sector te vergroten7.
Om beter zicht te krijgen op pgb-gefinancierde wooninitiatieven is er een transparantieregister in ontwikkeling. Ten slotte rapporteer ik hierover in de voortgangsrapportage van de Toekomstagenda die uw Kamer op korte termijn ontvangt.
De uitspraken van bestuursvoorzitter Air France-KLM over de dividenduitkeringen van Schiphol. |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Eelco Heinen (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-interview1 met Benjamin Smith, bestuursvoorzitter van Air France-KLM?
Ja.
Klopt de uitspraak van Benjamin Smith die stelt dat Schiphol in 2025 een recordwinst heeft geboekt en het hoogste dividend ooit uitkeert aan de staat en de andere aandeelhouders?
Schiphol heeft over 2025 een winst geboekt van € 550 mln. Dit is de hoogste winst die Schiphol ooit geboekt heeft. Schiphol stelt voor om € 162 mln. dividend uit te keren. Hierover moet de aandeelhoudersvergadering (AvA) nog een besluit nemen. Het dividendvoorstel van Schiphol is niet het hoogste dividend ooit, zo werd er in 2008 € 593 mln. aan de aandeelhouders van Schiphol uitgekeerd (inclusief superdividend).
Hoeveel dividend heeft de staat per jaar ontvangen tussen boekjaren 2015 en 2025?
In onderstaande tabel is vermeld wat er over boekjaren 2015–2025 aan de staat (met een aandelenbelang van 69,8%) is uitgekeerd. Zie ook de jaarverslagen van Schiphol en ook het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen over deze jaren.
Boekjaar
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Ontvangen dividend (in mln. euro) door de staat (uitbetaald in t+1)
131
104
105
82
0
0
0
0
0
0
Nog vast te stellen
Hoe verklaart u dat de bestuursvoorzitter van Air France-KLM – een private, commerciële partij – publiekelijk uitspraken doet over het dividend van Schiphol over boekjaar 2025, terwijl de aandeelhoudersvergadering pas in april 2026 plaatsvindt en het dividendbesluit dus formeel nog niet is genomen?
Schiphol heeft in een persbericht op 13 februari 2026 bekendgemaakt over boekjaar 2025 € 162 mln. aan haar aandeelhouders te willen uitkeren2. Dit is een voornemen, het definitieve besluit wordt op de aandeelhoudersvergadering in april vastgesteld door de aandeelhouders. Dit betreft een gebruikelijke gang van zaken, ook andere deelnemingen en beursgenoteerde ondernemingen nemen het dividendvoorstel op in hun jaarverslagen waarna de daadwerkelijke dividenduitkering pas later door de aandeelhoudersvergadering wordt vastgesteld.
Heeft Schiphol of de Staat aan Air France-KLM informatie verstrekt over de verwachte dividenduitkering over 2025 die niet aan de Kamer is verstrekt, en zo ja, op welke juridische of beleidsmatige grondslag is deze informatie wel met een private partij gedeeld maar niet met de Kamer?
Nee, zoals bij het antwoord op vraag 4 beschreven is deze informatie openbaar.
Waarom kan informatie wel met een private partij, zoals Air France-KLM, gedeeld worden en niet met de Kamer, gegeven uw eerdere weigering op grond van bedrijfsvertrouwelijkheid2
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 betreft dit openbare informatie. Deze informatie kon gepubliceerd worden aangezien dit gerealiseerd resultaat betreft en geen bedrijfsvertrouwelijke toekomstverwachting.
Bent u bereid de Kamer alsnog te informeren over de verwachte dividenduitkering over boekjaar 2025, nu het argument van bedrijfsvertrouwelijkheid is komen te vervallen doordat deze informatie al publiekelijk door een private partij verspreid is?
Zoals vermeld in de antwoorden op eerdere Kamervragen4 is het voorstel van Schiphol een winstuitkeringspercentage van 30% in 2026 over boekjaar 2025. De bovengenoemde € 162 mln. (totale dividend aan alle aandeelhouders) is 30% van de aan de aandeelhouders toekomende winst, zijnde € 539 mln.5
Het bericht ‘Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: ‘Dit is zeer zorgelijk’' |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: «Dit is zeer zorgelijk»»?1
Hoe kan het dat Chemelot jarenlang kennelijk veel meer kankerverwekkende stoffen uitstoot dan het rapporteert? Waarom stelt de provincie vertrouwen te hebben in de cijfers van Chemelot, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) daar geen zekerheid over geeft?
Hoe reageert u op emeritus-hoogleraar Toxicologie Martin van den Berg, die stelt dat «de uitstoot dusdanig overschrijdend is dat de omgevingsdienst hier direct met Chemelot over om tafel had gemoeten»?
Is Chemelot inderdaad meteen aangesproken en welke maatregelen heeft de provincie genomen?
Wat zijn de gezondheidseffecten en de potentiële risico’s van de stapeling van schadelijke stoffen voor de omwonenden?
Wat betekent het volgens u dat uit onderzoek blijkt dat omwonenden van Chemelot hun gezondheid structureel lager beoordelen dan het landelijk gemiddelde, dat de zorgkosten daar aanzienlijk hoger liggen dan het landelijk gemiddelde en dat omwonenden van Chemelot – in vergelijking met andere Nederlandse gemeenten – significant meer chronische ziekten, een minder goede algemene gezondheid en een lager mentaal welzijn rapporteren?
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Gera Nagelhout dat de waslijst aan gezondheidsklachten in de regio angstaanjagend is (vaker astma, longaandoeningen, hart- en vaatziekten, kanker, slaapproblemen, geluidsoverlast, etc.)?
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Van Schayck dat er in het Chemelot-rapport gekeken is naar slechts drie afzonderlijk gerapporteerde zeer zorgwekkende stoffen (terwijl er meer schadelijke stoffen zijn uitgestoten) en dat als de logische stap was gezet om het effect van die stoffen bij elkaar op te tellen, de uitstoot boven de grenswaardes van wat gevaarlijk is zou uitkomen?
Waarom is er niet gerapporteerd over de nog ongeveer twaalf andere zeer zorgwekkende stoffen die bij de vergunning horen?
Wordt er nog op korte termijn gekeken wat de stapeling en cocktail aan schadelijke stoffen voor effect heeft op de gezondheid van de omwonenden? Op welke manier wordt in de tussentijd het voorzorgsbeginsel toegepast?
Bent u het ermee eens dat extra bescherming van de gezondheid van omwonenden niet nog jarenlang op onderzoek mag wachten, maar dat er uit voorzorg extra maatregelen moeten worden getroffen? Zo nee, waarom neemt u onnodige risico’s met de gezondheid van mens en milieu?
Bent u het met hoogleraar Van Schayck eens dat de provincie als vergunningverlener moet eisen dat de ontbrekende concentraties van zeer zorgwekkende stoffen in kaart worden gebracht en dat als Chemelot zich niet aan de vergunning houdt, er handhavend moet worden opgetreden?
Wanneer zijn de voor milieu en gezondheid belangrijkste vergunningen van Chemelot voor het laatst geactualiseerd en aangescherpt?
Klopt het dat Chemelot schadelijke stoffen loost die kilometers worden verspreid en steeds uit het drinkwater moeten worden gezuiverd op kosten van de belastingbetaler?
Is er in het kader van de doelen van de Kaderrichtlijn Water, bescherming van natuur en (de kosten van) drinkwaterkwaliteit overwogen om de lozingsvergunningen voor Chemelot aan te scherpen, in ieder geval vanaf 2027? Zo ja, wat gebeurt er dan concreet? Zo nee, waarom niet?
Is er bereidheid om te kijken naar het effect van de combinatie van schadelijke chemische stoffen, microplastics en zware metalen op het milieu en de gezondheid en bijvoorbeeld de Hazard Index te gebruiken? Zo ja, hoe precies? Zo nee, waarom blijven we dan onnodige risico’s nemen met gezondheid van mens en milieu?
Weet u nog dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) concludeerde dat onder andere de gezondheidsschade door de uitstoot van milieuverontreinigende stoffen in Nederland 46 miljard euro per jaar kost?
Wat zijn in euro’s ongeveer de kosten van de schade die Chemelot veroorzaakt?
Bent u zich bewust van het feit dat de Algemene Rekenkamer het toezicht op vervuilende lozingen ontoereikend en zorgwekkend vindt en hoe kijkt u vanuit die conclusies naar de casus van Chemelot?2
Bent u zich bewust van het feit dat er vaker geconstateerd is dat uitstootgegevens die bedrijven rapporteren niet blijken te kloppen met echt onafhankelijke metingen en dat vanuit onder andere burgers, maatschappelijke organisaties, gezondheidsexperts (zoals de Expertgroep Gezondheid IJmond) en medeoverheden er een roep is om meer en onafhankelijk te meten bij bedrijven en regelgeving en toezicht op grote vervuilende bedrijven aan te scherpen?
Bent u zich ervan bewust dat de omgevingsdienst als toezichthouder op Tata Steel daarom terecht sinds een paar jaar als beleid heeft juist scherper aan de wind te zeilen in toezicht en handhaving bij Tata Steel, een bedrijf dat zich volgens de omgevingsdienst «calculerend en opportunistisch» gedraagt?
Wat bedoelt het kabinet dan precies met de zin uit het coalitieakkoord: «We maken afspraken met toezichthouders om regels niet strenger te interpreteren dan nodig is»?
Hebben omwonenden er volgens u recht op om op elk moment te weten aan hoeveel schadelijke stoffen ze worden blootgesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit beter faciliteren?
Gaat u de Omgevingsdienst Zuid-Limburg in staat stellen om zelf vaker nauwkeurige emissiemetingen te doen van schadelijke stoffen bij Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het provinciebestuur eerder heeft geprobeerd om de publicatie van een kritische RIVM-analyse over de kankerverwekkende uitstoot van Chemelot te voorkomen, omdat het zou kunnen zorgen voor «onrust, negatieve beeldvorming en voorbarige conclusies»? Zo ja, hoe denkt u dat dat overkomt op burgers?
Hoe reageert u op Jack Renet, oud-medewerker van Chemelot, die stelt: «Het is elke keer hetzelfde verhaal; de overheid probeert Chemelot overal buiten te houden en stopt alles onder de mat. Wederom verkiest de provincie economisch belang boven het belang van haar inwoners»?
Bent u het ermee eens dat het rapporteren van veel te lage uitstootcijfers van schadelijke stoffen een overtreding is op de Wet op de economische delicten?
Gaat u aangifte doen tegen Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het commissiedebat Leefomgeving van 2 april?
Het verdwijnen van buslijn 231 tussen Apeldoorn de Maten en Arnhem. |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen om lijn 231 tussen De Maten in Apeldoorn en Arnhem te schrappen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schrappen van lijn 231 de bereikbaarheid van inwoners van de wijk De Maten verslechtert, gezien het feit dat dagelijks gemiddeld 220 reizigers gebruikmaken van deze verbinding en zij hierdoor noodgedwongen hogere reiskosten maken en langer moeten reizen richting Arnhem? Zo nee, waarom niet?
Het betreft hier een besluit van de Provincie Gelderland in haar hoedanigheid als concessieverlener voor het regionale busvervoer. Van de Provincie Gelderland begrijp ik dat er op dit moment twee sneldiensten Apeldoorn–Arnhem zijn: via Beekbergen (lijn 301) en via De Maten (lijn 231). De concessiehouder Transdev kiest in lijn met het programma van eisen van de provincie in haar vervoerplan voor bundeling van vervoerstromen, waarbij de frequenties op lijn 301 enorm stijgen in de spits en het dal. Daar staat tegenover dat lijn 231 verdwijnt. Deze wijziging zorgt ervoor dat er in totaal wel meer bussen gaan rijden tussen Apeldoorn en Arnhem, ook komen er nachtbussen. Reizigers in De Maten die met de bus naar Arnhem willen moeten inderdaad langer reizen. Tegenover deze verslechtering voor een beperkte groep reizigers, staan voordelen voor een aanzienlijk grotere groep reizigers. De wijk De Maten in Apeldoorn wordt nog steeds bediend door twee stadslijnen en er kan ook gebruik worden gemaakt van het nabijgelegen treinstation. Veel reizigers die lijn 231 gebruiken zijn studenten. Vanwege het studentenreisproduct krijgt deze groep niet te maken met hogere reiskosten met bus of trein. Het is uiteraard vervelend voor reizigers dat een bestaande verbinding verdwijnt, maar er is door de provincie afgewogen dat er alternatieve reismogelijkheden voor handen zijn voor deze gebruikers en de verwachting is dat er per saldo meer reizigers gebruik gaan maken van het OV tussen Apeldoorn en Arnhem.
Heeft u kennisgenomen van de zorgen onder burgers en het college van B&W van Apeldoorn met hun brieven aan de provinciale staten en gedeputeerde staten in Gelderland over het verdwijnen van lijn 231?2
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Heeft u in beeld hoe vaak bij concessiewijzigingen haltes verdwijnen die belangrijk zijn voor woonwijken en forenzenverkeer? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Dienstregelingen in het busvervoer worden jaarlijks aangepast in nauwe afstemming tussen de concessiehouder (vervoerder) en de concessieverlener (provincie of vervoerregio). De verantwoordelijkheid voor de afweging van het al dan niet opheffen of samenvoegen van bushaltes berust op basis van de Wet Personenvervoer 2000 bij de concessieverlenende partij. De rijksoverheid heeft daarin geen bevoegdheid. Wel bevat het landelijke Centraal Halte Bestand (CHB) groot aantal kenmerken van haltes zoals de mate van toegankelijkheid. Deze informatie is beschikbaar via de jaarlijkse Staat van het OV3 van CROW.
Beschikt u over landelijke cijfers of signalen over reizigersverlies na het schrappen van haltes of lijnen? Zo ja, kunt u deze delen?
Er zijn wel landelijke cijfers beschikbaar over het gewijzigd aantal lijnen van het ene op het andere jaar, maar niet over het verlies aan reizigers als gevolg van het schrappen van haltes of lijnen. In het OV Dashboard van CROW is informatie te vinden over o.a. de ontwikkeling van buslijnen per concessie en de ontwikkeling van het totale aantal reizigers in een concessiegebied.
Welke verantwoordelijkheid ziet u voor het Rijk bij het bewaken van een minimumniveau van bereikbaarheid van woonwijken via het openbaar vervoer?
In het kabinetsstandpunt Bereikbaarheid op Peil uit 2025 is het belang van de bereikbaarheid van voorzieningen en banen onderschreven. Daarbij is ook het instrument van het bereikbaarheidspeil geïntroduceerd om de ontwikkeling van de bereikbaarheid van voorzieningen in heel Nederland te gaan monitoren. Bij de toepassing hiervan is een integrale aanpak voorzien, waarbij naar alle vormen van vervoer wordt gekeken, evenals naar de locaties van instellingen en banen. Deze toepassing vindt conform het kabinetsstandpunt gebiedsgericht plaats. De eerste stap daarbij is het opstellen van regionale bereikbaarheidsanalyses door de regionale overheden in heel Nederland. Daarvoor is met de regionale bestuurlijke partners in januari een plan van aanpak opgesteld. U bent daarover per brief4 geïnformeerd, waarbij tevens het plan van aanpak als bijlage aan de Kamer is toegezonden.
Bestaan er landelijke richtlijnen of kwaliteitsnormen voor bereikbaarheid bij regionale ov-concessies? Zo ja, worden deze voldoende nageleefd? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken of landelijke richtlijnen behulpzaam kunnen zijn om het ov op peil te houden?
In het kabinetsstandpunt Bereikbaarheid op Peil van vorig jaar is aangegeven hoe met het instrument van het bereikbaarheidspeil de (integrale) bereikbaarheid van voorzieningen in beeld wordt gebracht. Hierbij is ook aangegeven hoe dit gebiedsgericht uitwerking krijgt. Een belangrijke stap hierbij is het opstellen van regionale bereikbaarheidsanalyses door de medeoverheden, met hun bevoegdheid en verantwoordelijkheden in de regionale bereikbaarheid en hun inzichten in de regionale en lokale staat van bereikbaarheid. U bent daarover per eerdergenoemde brief geïnformeerd, waarbij tevens het plan van aanpak als bijlage aan de Kamer is toegezonden. Op basis van die bereikbaarheidsanalyses kan met de regio het gesprek gevoerd worden over het na te streven niveau van multimodale bereikbaarheid en de rol van het OV daarbinnen.
Hoe wordt bij (tussentijdse) concessiewijzigingen geborgd dat adviezen van gemeenten en reizigersorganisaties structureel worden meegenomen en vindt hierover landelijke monitoring plaats?
Op basis van de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000) is de concessieverlener (zoals een provincie of regio) verplicht overleg te voeren met consumentenorganisaties bij de totstandkoming of wijziging van een concessie, met name over het Programma van Eisen (PvE). Dit is in het geval van de Provincie Gelderland ook gebeurd. Dit PvE is door de provincie voorafgaand aan de aanbesteding van de nieuwe concessie ook gedeeld met gemeenten, regio's en aangrenzende concessieverleners.
Daarnaast stemmen vervoerbedrijven de dienstregelingen voortdurend af met de decentrale overheden (provincies en vervoerregio’s). Dat doen ze door het aanbod aan te passen aan de vraag zonder dat de beschikbaarheid en veiligheid van het OV daar onder lijdt. OV-autoriteiten bepalen in de zogenaamde «vervoerplancyclus» jaarlijks het OV-aanbod (dienstregeling) in hun concessies. Dit stemmen zij af met de gemeenten in het concessiegebied. De (regionale) reizigersorganisaties hebben adviesrecht op de voorgestelde wijzigingen in de dienstregeling. De dienstregeling wordt ter akkoord voorgelegd aan de decentrale volksvertegenwoordiging. Deze manier van werken past bij de decentralisatie van het stads- en streekvervoer die is vastgelegd in de Wet Personenvervoer 2000. De afwegingen per concessie, of zelfs per buslijn, zijn de verantwoordelijkheid van de decentrale overheid.
Bent u bereid om naar aanleiding van de ontstane onrust met de provincie Gelderland en Transdev in gesprek te gaan over het verdwijnen van lijn 231? Zo nee, waarom niet?
In de wettelijk vastgelegde rolverdeling tussen Rijk en regio is dit een aangelegenheid van de concessieverlener. Wel heb ik – zoals ik hierboven in de beantwoording van de vragen 6 en 7 heb aangegeven – de afgelopen maanden concrete stappen gezet om het proces te starten om met alle regio’s een feitenbasis te scheppen voor het gesprek tussen rijk en regio in de komende periode over de multimodale bereikbaarheid, waaronder dus ook de bereikbaarheid van en in de regio per OV.
Bereikbaarheid is een belangrijke sleutel in de keuzevrijheid van burgers om de voor hen belangrijke rechten als wonen, werken, gezondheid en onderwijs in te vullen op basis van de voorkeuren. Daarbij gaat het om zoeken naar balans tussen meerdere factoren, waaronder bereikbaarheid en rendabiliteit. Hoe dit invulling te geven, is regionaal maatwerk. De provinciale overheid kan hier samen met de vervoerder en de bewoners de beste beoordeling in maken. Ik volg de ontwikkelingen bij regionale OV-concessies nauwlettend en waar nodig bespreken we deze in het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB).
Bent u bereid om, wanneer er in het vervolg signalen ontstaan dat wijken slechter bereikbaar worden door (tussentijdse) concessiewijzigingen, provincies en vervoersregio’s aan te spreken op het opnieuw beoordelen van deze besluiten? Zo nee, waarom niet?
Ik ga ervan uit dat de provincie bij het opstellen van een nieuwe concessie samen met gemeenten, consumentenorganisaties en bewoners tot een gedragen programma van eisen komt dat voorziet in een optimale bereikbaarheid van de gehele provincie. Deze afspraken worden met de vervoerplancyclus verder geborgd.
Daarnaast heb ik – zoals ik ook in de beantwoording van de bovenstaande vragen heb aangegeven – concrete stappen gezet om het proces te starten om met alle regio’s een feitenbasis te scheppen voor het gesprek over de multimodale bereikbaarheid, waaronder dus ook de bereikbaarheid van en in de regio per OV.
Kunt u deze vragen in elk geval tijdig voor het commissiedebat openbaar vervoer en Taxi van 1 april 2026 beantwoorden?
Helaas is het niet gelukt de vragen voorafgaand aan de eerste termijn van het commissiedebat Openbaar vervoer ten Taxi te beantwoorden.
De komst van antisemitische activisten naar een bijeenkomst in de Dominicuskerk in Amsterdam |
|
Annelotte Lammers (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het evenement «People’s Congress» dat op 7 maart 2026 plaatsvindt in de Dominicuskerk in Amsterdam, waarbij onder meer Omar Barghouti, Francesca Albanese en Jeremy Corbyn als sprekers zijn aangekondigd?1
Bent u bekend met antisemitische uitlatingen van verschillende aangekondigde sprekers op dit evenement, waaronder de uitspraak van Omar Barghouti dat hij zich «definitely, most definitely» verzet tegen het bestaan van een Joodse staat, en de uitspraak van Jeremy Corbyn waarin hij sprak over «our friends in Hamas and Hezbollah», terroristische organisaties die oproepen tot de vernietiging van Israël?
Bent u bekend met de uitspraak van VN-rapporteur Francesca Albanese na de gruwelen van 7 oktober dat het geweld «must be put in context» en deelt u de mening dat dit neerkomt op het legitimeren van terrorisme?
Bent u bekend met VN-Veiligheidsraadresolutie 1566 (2004), waarin wordt gesteld dat terroristische daden «under no circumstances justifiable by considerations of a political, philosophical, ideological, racial, ethnic, religious or other similar nature» zijn, en deelt u de mening dat de uitspraken van de genoemde sprekers stuk voor stuk rechtstreeks ingaan tegen deze door de VN-Veiligheidsraad vastgestelde norm? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat Nederland nooit een podium mag bieden aan sprekers die antisemitisme verspreiden, oproepen tot het verdwijnen van een bondgenoot en terroristische aanslagen legitimeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid deze buitenlandse sprekers ter bescherming van de openbare orde de toegang tot Nederland te ontzeggen en hun een inreisverbod op te leggen?
Bent u bekend met het feit dat deze bijeenkomst plaatsvindt in een kerkgebouw, namelijk de Dominicuskerk in Amsterdam, en deelt u de mening dat het moreel volstrekt onacceptabel is dat een kerk wordt gebruikt als podium voor antisemitische propaganda?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat Nederland een vrijhaven wordt voor internationale sprekers die antisemitische propaganda verspreiden?
Kunt u deze vragen uiterlijk op 6 maart om 20:00 uur (vanavond) beantwoorden en maatregelen nemen om te voorkomen dat deze bijeenkomst doorgaat?
Het bericht dat het COA-bewoners van het azc Hardenberg niet elders kan onderbrengen terwijl contracten aflopen |
|
Don Ceder (CU) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sluiting azc Hardenberg op de tocht, Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) kan bewoners niet elders onderbrengen»?1
Klopt het dat het asielzoekerscentrum (azc) en de noodopvang in Hardenberg op 8 maart 2026 zouden sluiten omdat contracten en vergunningen aflopen?
Hoe kan het dat het Rijk en het COA, ondanks een lang aangekondigde sluitingsdatum, er niet in zijn geslaagd tijdig vervangende opvangplekken te organiseren? Wanneer wist het COA dit en klopt het dat recent nog een persbericht is uitgegaan over het vertrek op 8 maart?
Deelt u de opvatting dat het Rijk een betrouwbare partner moet zijn voor gemeenten en gemaakte afspraken moet nakomen, zeker wanneer contracten en vergunningen een duidelijke einddatum hebben?
Begrijpt u dat het niet nakomen van dergelijke afspraken het vertrouwen van gemeenten in de Rijksoverheid kan schaden?
Hoe beoordeelt u de situatie? Kunt u alsnog ervoor zorgen dat de afspraak wordt nagekomen? En hoe voorkomt u dat dergelijke situaties zich met het doorvoeren van de Spreidingswet gaan voordoen?
Deelt u de zorg dat situaties zoals in Hardenberg het draagvlak voor asielopvang onder inwoners ondermijnen, juist wanneer gemeenten zich jarenlang hebben ingezet voor opvang?
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat gemeenten opnieuw geconfronteerd worden met het verlengen van opvanglocaties terwijl afspraken over sluiting zijn gemaakt?
Kunt u deze vragen met spoed uiterlijk op 7 maart 2026 beantwoorden?
Strafbare acties van Extinction Rebellion en het blokkeren van scholen in Amsterdam |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat activisten van Extinction Rebellion in de nacht van 4 op 5 maart 2026 meerdere middelbare scholen in Amsterdam hebben geblokkeerd door sloten dicht te lijmen en kettingen om schoolhekken te leggen, waardoor de toegang tot de gebouwen werd verhinderd?1
Deelt u de mening dat het dichtlijmen van sloten, het blokkeren van de toegang tot gebouwen en het veroorzaken van schade aan eigendommen simpelweg strafbare feiten zijn en niets te maken hebben met het recht op demonstratie?
Hoe beoordeelt u het feit dat Extinction Rebellion zelf aangeeft dat deze actie «nog maar het begin» is en dat verdere ontwrichtende acties worden aangekondigd?
Hoeveel aanhoudingen zijn er verricht naar aanleiding van deze actie en welke strafbare feiten worden de betrokken activisten precies ten laste gelegd?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de volledige schade, herstelkosten en politie-inzet op de daders en de organisatie worden verhaald, zodat niet de samenleving maar de veroorzakers betalen?
Ziet u aanleiding om te onderzoeken of artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek moet worden aangepast of uitgebreid zodat ook organisaties die structureel maatschappelijke ontwrichting of chaos nastreven, maar op dit moment misschien niet direct onder de reikwijdte van dit wetsartikel vallen, effectiever kunnen worden verboden?
Wat gaat u verder concreet doen tegen deze anarchistische organisatie die herhaaldelijk strafbare en ontwrichtende acties organiseert en welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Extinction Rebellion opnieuw publieke voorzieningen kan blokkeren en de openbare orde kan verstoren?
Het artikel 'Kabinet overtrad beperking wapenexport die schending mensenrechten moest voorkomen' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het nieuws dat verschillende Ministers van Buitenlandse Handel wapenexportvergunningen uitgaven aan de Verenigde Aribische Emiraten (VAE), ondanks afspraken met de Tweede Kamer en overduidelijke risico’s?1
Hoe verantwoordt u dat, ondanks de gesloten presumption of denial (POD) en aangegeven waarschuwingen voor risico’s, er toch vergunningen zijn verleend aan de VAE? Op welke gronden zijn besluiten genomen en kunnen deze gedeeld worden met de Kamer?
Zijn er andere schendingen van de presumption of denial in deze periode of daarna? Zo ja, kunt u deze delen met de Kamer? Zo nee, hoe bent u daar zo zeker van?
Waarom is de informatie over de vergunningen niet gedeeld met de Kamer?
Deelt u de mening dat, gezien de grootschalige investeringen in Defensie, het belangrijk is om een debat te kunnen voeren over de inzet en implicaties van de investeringen? Zo ja, hoe gaat u dit implementeren? Zo nee, waarom niet?
Hoe bent u van plan de Kamer beter mee te nemen in de beslisnota’s van wapenexportvergunningen, zeker nu we steeds meer aan militaire middelen gaan uitgeven?
Hoe bent u van plan de mensenrechten te beschermen en immorele exportvergunningen in de toekomst tegen te gaan, zeker gezien het belang van het internationaal recht zoals aangegeven in het coalitieakkoord?
Als er vanuit het ministerie vergunningen worden verleend, is dat dan eenmalig of ook voor toekomstige orders? Indien dat laatste, hoe weegt het ministerie dat met de wapenexportcriteria indien blijkt dat, na het vergeven van de vergunning, het wapenbedrijf mensenrechtenschendingen begaat?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat niet alleen economische belangen meespelen in het verlenen van vergunningen, maar ook morele en juridische factoren?
Hoe staat het op heden met de wapenexportvergunningen naar de VAE, gezien de grootschalige genocide die plaatsvindt in Soedan en het aandeel van de VAE hierin?2 Kunt u inzage geven in welke vergunningen zijn verleend en op welke beslispunten dit is gebaseerd?
Staat u achter de redenen die gegeven zijn in 2025 voor het afschaffen van de POD? Zo ja, kunt u dat toelichten? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het van belang dat wapenexportcriteria een belangrijke overweging zijn in het uitgeven van vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat criteria een hoge standaard moeten zetten en ervoor moeten zorgen dat militaire middelen die Nederland exporteert niet tot mensenrechtenschendingen mogen leiden? Zo nee, waarom niet?
Als u bovenstaande twee vragen positief heeft beantwoord, bent u dan van plan om opnieuw een POD in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan de keuze tot toetreding van het verdrag van Aken te heroverwegen, gezien de woorden van Minister Schreinemacher aantonen dat de wapenexportcriteria afnemen door toetreding van dit Verdrag?
Deelt u de mening van Frank Slijper dat radar- en communicatiesystemen niet louter defensief zijn, gezien deze apparatuur gebruikt kan worden om in kaart te brengen welke mogelijke doelwitten er zijn. Zo ja, waarom is dat argument dan wel in de casus van het artikel gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Is er volgens u sprake van een medeplichtigheid van Nederland in het schenden van het internationaal recht in Jemen, zoals VN-experts duiden3, door het leveren van militaire middelen aan de VAE?
Het bericht dat QatarEnergy zich beroept op overmacht. |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte gesteld door QatarEnergy dat zij zich beroepen op overmacht en daarom op dit moment hun contractuele verplichtingen niet kunnen nakomen?1
Ja.
Kunt u aangeven of er sprake is van contractbreuk met QatarEnergy (27-jarig contract)?
De Staat heeft geen contracten met (markt)partijen, zoals QatarEnergy, over gasleveringen. Het leveren van gas wordt gedaan door energiebedrijven die hiervoor leveringscontracten sluiten. Marktpartijen hebben in deze contracten vaak clausules opgenomen waardoor het toegestaan is geen gas te leveren onder extreme omstandigheden, zoals door oorlog (force majeur/overmacht). Deze clausules zijn zeer gebruikelijk. Zonder dit soort clausules zouden de contracten veel duurder zijn. Het staat marktpartijen vrij om indien zij zich benadeeld achten en het contract geschonden is een schadevergoeding te vorderen.
Zijn er passages in het contract waarop Nederland zich in dit soort situaties zich kan beroepen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om een schadeclaim in te dienen bij QatarEnergy?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om (al dan niet vertrouwelijk) het contract met QatarEnergy ter inzage aan de Kamer te leggen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven heeft de Staat geen leveringscontracten.
Wat zijn de gevolgen voor Nederland nu QatarEnergy zich beroept op overmacht en de productie van LNG stopt?
Ik kan aangeven dat Nederland in 2025 geen LNG-volumes rechtstreeks uit Qatar heeft ontvangen via de LNG-terminals in Rotterdam en de Eemshaven. Het heeft daarom geen directe consequenties op de LNG-volumes die naar Nederland stromen. Wel zien we op de wereldmarkt dat de prijs van gas stijgt en daarmee ook op de prijs die men in Nederland hiervoor betaalt. Voor wat betreft de stopzetting van de LNG-productie door QatarEnergy en de bijbehorende leveringscontracten, daar heb ik geen kennis over.
Vindt u het niet ongelofelijk dom dat wij de gasvoorraad van Nederlandse bodem, de grootste van Europa, gaan dichtmetselen terwijl we zien dat onze leverancier van LNG in één keer de toevoer kan stoppen, om welke reden dan ook?
Nee. Zoals onder meer op 5 maart jl. aangegeven in het Commissiedebat over de Energieraad zijn er duidelijke beloftes gedaan aan Groningen en de Groningers na jaren van leed en onduidelijkheid: het Groningenveld blijft dicht. Een betrouwbare overheid komt daar niet op terug. Het verbod op winning uit het Groningenveld is in 2024 vastgelegd in een wet die met overgrote meerderheid in beide Kamers is aangenomen. Op dat moment was bekend dat de geopolitieke situatie veranderd was. Rusland was de Oekraïne al binnengevallen.
Het opnieuw in gebruik nemen van het Groninger gasveld voor enkel nationaal gebruik is niet mogelijk. Nederland is immers onderdeel van een Europese gasmarkt. Dit is vastgelegd in Europese wetgeving. Op grond van deze wetgeving mogen lidstaten geen maatregelen nemen die de gasstromen binnen de interne markt beperken.
Uiteraard is het essentieel dat onze gasvoorziening op orde is. Er dreigen echter geen fysieke tekorten en het openhouden van Groningen verlaagt de prijzen op de internationale gasmarkt niet. De prijzen zullen ook dan dus hoog blijven voor huishoudens. Wel zal staatsbedrijf EBN deze zomer opnieuw de gasopslagen vullen voor zover de markt het niet doet. Daar is eerder al geld voor vrijgemaakt. Daarnaast houden we de gaswinning op de Noordzee op peil, is de importcapaciteit van LNG sinds 2022 fors uitgebreid en blijven we inzetten op duurzame energie zodat we minder afhankelijk worden van import van fossiele brandstoffen.
Bent u bereid om het Groninger gasveld opnieuw in gebruik te nemen, exclusief voor nationaal gebruik, mits u de Groningers ruimhartig en zonder bureaucratische hobbels compenseert, om zo de komende 20 jaar voor vaste (goedkope) prijzen gas aan alle Nederlanders te leveren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u het ermee eens dat het opnieuw in gebruik nemen van het Groninger gasveld goed is voor de Nederlandse economie en dus zorgt voor meer rust in de portemonnee? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om deze vragen voor dinsdag 15:00 uur te beantwoorden en in de tussentijd direct te beginnen met het winnen van gas van Nederlandse bodem? Zo nee, waarom niet?
Beantwoording voor dinsdag 15.00 is niet mogelijk gebleken, de vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Bent u bekend met het bericht «Extinction Rebellion lijmt deuren van meer dan dertig scholen in Amsterdam dicht: «Dit heeft niets meer met demonstratievrijheid te maken»»?1
Wat vindt u ervan dat dit soort misstanden blijft voortduren en zich uitbreidt naar nieuwe maatschappelijke sectoren en dat overheden er kennelijk niet in slagen om zulke misstanden te verijdelen of zo snel mogelijk te beëindigen voordat maatschappelijke overlast ontstaat?
In hoeverre was de gemeente vooraf op de hoogte van de plannen om scholen te blokkeren en wat is verricht om deze misstanden te voorkomen of zo snel mogelijk te beëindigen?
Hoe reageert u op de aankondiging van Extinction Rebellion (XR) dat er noodzaak zou zijn de strijd te intensiveren? Welke inspanningen verricht u om te voorkomen dat meer scholen met deze overlast te maken krijgen?
Hebben alle scholen inmiddels aangifte gedaan tegen XR? Stimuleert u scholen dit te doen en hoe bevordert u dat de kosten zoveel mogelijk verhaald worden op XR?
Onderkent u dat gezien de aanhoudende, intensieve en brede inzet van XR om de maatschappij te ontwrichten door belangrijke locaties zoals snelwegen, stations en scholen te bezetten en te blokkeren, specifieke landelijke regie en ondersteuning van gemeenten nodig is om deze organisatie de kop in te drukken en misstanden vaker te kunnen voorkomen? Wil u hierbij uitdrukkelijk aandacht besteden aan scholen?
Kunt u aangeven of het Openbaar Ministerie een onderzoek in voorbereiding heeft om de rechter te verzoeken XR te verbieden, gezien het feit dat XR daadwerkelijk op allerlei terreinen uitwerking geeft aan de uitdrukkelijke doelstelling om de maatschappij te ontwrichten?
Hoe verhoudt de kennelijke doelstelling van XR om te maatschappij te ontwrichten zich tot de fiscale ondersteuning van de ANBI-regeling die gericht is op het bevorderen van maatschappelijk nut? Vindt u ook dat organisaties die blijkens eigen uitingen een doelstelling nastreven die in strijd is met het algemeen nut niet voor de ANBI-status in aanmerking mogen komen?
Het bericht 'Chinese staatszender kocht een week lang reclameruimte in NS-treinen' |
|
Björn Schutz (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Bertram , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Chinese staatszender kocht een week lang reclameruimte in NS-treinen»?1
Bent u ervan op de hoogte dat in de treinen van de NS-reclame is uitgezonden van China Media Group (CMG)?
Deelt u de mening dat het Centrale Propaganda Departement onder andere gericht is op buitenlandse beïnvloeding? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat buitenlandse mogendheden toegang hebben tot advertentieruimte in Nederlandse infrastructuur, zoals het openbaar vervoer?
Deelt u de mening dat staatsbedrijven, zoals de NS, een voorbeeldfunctie hebben om buitenlandse mogendheden geen reclameruimte te bieden? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre kunnen staatsbedrijven, zoals de NS, afstemmen en schakelen met een contactpersoon binnen de rijksoverheid over zaken als buitenlandse inmenging en beïnvloeding? Zo ja, tot wie kunnen zij zich richten en is dat op dit moment ook gebeurd? Zo niet, bent u bereid te onderzoeken of hier behoefte aan is?
In hoeverre kunnen commerciële partijen, zoals DSBP-consultants, schakelen met contactpersonen binnen de rijksoverheid over ongewenste buitenlandse inmenging en beïnvloeding?
Bestaan er richtlijnen of kaders vanuit de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid of de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst over samenwerking met buitenlandse propagandakanalen? Zo ja, kunt u deze delen met de Kamer en zijn deze ook gedeeld met de NS? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan om in gesprek te treden met de NS over bovenstaande zaak en het advertentiebeleid? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de NS zich niet kan verschuilen achter het argument dat het advertentiebeleid formeel is nageleefd?
Zijn er bij u andere gevallen bekend van de afgelopen twaalf maanden waarbij buitenlandse mogendheden gebruik maken van advertentieruimte van de NS?
Het bericht 'Oorlog in Iran kan energierekening gaan raken nu gasvoorraad erg laag is' |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oorlog in Iran kan energierekening gaan raken nu gasvoorraad erg laag is»?1 Hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja.
De gasprijzen zijn sterk gestegen door de huidige situatie in het Midden-Oosten. De meeste Nederlandse consumenten zijn echter op korte termijn beschermd tegen prijsschokken doordat ze een vast contract hebben waarmee de prijs voor langere tijd vastligt. Voor huishoudens met een dynamisch contract of die een nieuw energiecontract moeten afsluiten, kunnen de gestegen gasprijzen wel impact hebben.
Bent u bekend met het bericht «TNO: niet alle gasputten Groningen dichtmetselen, acuut tekort denkbaar»?2 Hoe beoordeelt u de uitspraken van TNO?
Ja. Het kabinet heeft kennisgenomen van de opvatting van TNO. Het kabinet ziet geen aanleiding om terug te komen op het besluit om de gaswinning uit het Groningenveld te beëindigen; een besluit dat met een zeer ruime meerderheid door zowel de Tweede als de Eerste Kamer is genomen.
Erkent u dat het heropenen van het Groninger gasveld zou betekenen dat de energierekening omlaag gaat voor Nederlanders? Zo nee, waarom niet?
Het heropenen van het Groningenveld betekent niet dat de energierekening voor Nederlanders omlaag gaat. Op de Nederlandse gashandelsplaats, de Title Transfer Facility (TTF), is in 2025 meer dan 77.000 TWh verhandeld en 442 TWh afgeleverd.3 Hiermee is in dat jaar meer verhandeld op de Nederlandse gashandelsplaats dan Nederland in ca. 250 jaar verbruikt, terwijl het afgeleverde volume een omvang heeft van slechts ca. 1,5 keer het Nederlandse jaarverbruik. Omdat er zoveel gas wordt verhandeld op de TTF zullen volumes uit het Groningenveld geen invloed hebben op de prijs van de verschillende producten en contracten die daar verhandeld worden. Toen het Groningenveld werd gesloten had dat evenmin effect op de gasprijs.
Deelt u de mening dat het in tijden van geopolitieke instabiliteit en oorlog onwenselijk is om afhankelijk te zijn van het importeren van gas uit het buitenland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nederland is sinds 2018 een netto-importeur van gas, net als andere landen in de Europese Unie. Nederland heeft daarbij het voordeel dat het over goede interconnecties met buurlanden beschikt alsmede over twee terminals voor de invoer van vloeibaar aardgas (LNG). Dat maakt het mogelijk dat op diverse manieren, via pijpleiding en scheepsvaart, in onze importbehoefte wordt voorzien.
Daarnaast zet Nederland met het op 23 april 2025 gesloten «Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie» in op de optimalisatie van de gaswinning op de Noordzee. Voor gaswinning op land zijn er op 16 januari 2026 aanvullende afspraken gemaakt die bijdragen aan meer duidelijkheid over gaswinning uit kleine velden op land tijdens de transitieperiode en de voorwaarden waaronder deze gaswinning daar nog kan plaatsvinden.
Klopt het dat het gasveld in Groningen het grootste in Europa is?
Ja, dat klopt, uitgaande van de oorspronkelijke inhoud en zolang Rusland niet tot Europa wordt gerekend.
Erkent u dat de gasvoorraad in Groningen door de recente geopolitieke ontwikkelingen veel meer waard is geworden? Bent u bereid dit te benutten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u dit aanpakken?
De eventuele waarde van het gas dat nog in het Groningenveld aanwezig is, speelt voor het kabinet geen rol. Het kabinet zal niet tot heropening overgaan.
Acht u het in het Nederlands belang om de gasputten in Groningen vol te storten met cement en daarmee de mogelijkheid uit te sluiten een beroep te kunnen doen op de gasvoorraad in geval van nood? Bent u bereid om het volstorten met cement stop te zetten, of in ieder geval te pauzeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Groningenveld is sinds 19 april 2024 bij wet gesloten om de aardbevingsproblematiek in Groningen bij de bron aan te pakken en recht te doen aan het veiligheidsbelang van de inwoners van Groningen, die nog altijd de negatieve gevolgen ondervinden van de voormalige gaswinning. Nu het Groningenveld gesloten is, is de NAM als laatste vergunninghouder verplicht om de productielocaties te ontmantelen. Het zorgvuldig afsluiten maakt hier om veiligheidsredenen onderdeel van uit.
Bent u bereid om de gaswinning in Groningen, zelfs al zij het maar tijdelijk, te hervatten om de energiezekerheid van Nederland veilig te stellen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals aangegeven bij de vorige vraag is het Groningenveld is bij wet gesloten en is het stopzetten van de winning een duidelijke belofte aan de Groningers waarmee een overweldigende meerderheid van zowel de Eerste als de Tweede Kamer heeft ingestemd. Daarbij zou het hervatten van gaswinning uit het Groningenveld niet per definitie leiden tot het veiligstellen van de energiezekerheid van Nederland. Het gas komt namelijk terecht op de Europese en internationale gasmarkt en kan dus ook naar andere landen stromen bij aankoop door buitenlandse marktpartijen. Het kabinet staat dan ook voor de beëindigde gaswinning en de ontmanteling van het Groningenveld.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk, in ieder geval voor het debat over Iran, en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Deze vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Beantwoording binnen de gebruikelijke termijn is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Nederlands bedrijf exporteerde duizenden keren illegaal naar Rusland’ |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert , Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RTL-bericht «Nederlands bedrijf exporteerde duizenden keren illegaal naar Rusland»?1
Ja.
Hoe kan het dat een Nederlands bedrijf zo lang ongemerkt illegaal producten kon exporteren naar Rusland via Azerbeidzjan die rechtstreeks nodig zijn voor de illegale oorlogsvoering ter waarde van tientallen miljoenen euro’s?
In algemene zin geldt dat sanctieomzeiling onacceptabel is. Daarom heeft de aanpak van sanctie-omzeiling de hoogste prioriteit voor het kabinet. Daarbij wordt ingezet op analyse van handelsstromen, samenwerking, handhaving en aanvullende sanctiemaatregelen waar nodig. De handhaving van sanctiemaatregelen ten aanzien van de in-, door- en uitvoer van goederen is de verantwoordelijkheid van de Douane in opdracht van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Daarbij wordt ook nadrukkelijk ingezet op het tegengaan van omzeiling.
In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat de Douane risicogericht handhaaft. Als er een verhoogd risico op sanctieomzeiling wordt geconstateerd, dan worden de gehanteerde risicoprofielen hierop aangescherpt. De Douane werkt nationaal en internationaal samen met andere (uitvoerings-)organisaties, de Europese Commissie en andere lidstaten om signalen die mogelijk op omzeiling wijzen uit te wisselen.
Desalniettemin blijft het tegengaan van omzeiling van de sanctiemaatregelen tegen Rusland via derde landen een grote uitdaging in de handhaving. Dit komt door de lange en complexe handelsketens, maar ook de omvang van handelsstromen vanuit Nederland. Over individuele bedrijven, specifieke handhavingsaanpak en de door de Douane onderkende risico’s doet het Kabinet geen uitspraken.
Is het bedrijf inmiddels gestopt met de illegale import? Op welke manier wordt dit gecontroleerd?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt het bedrijf gesanctioneerd, zo ja, wat is de sanctie? Zo nee, waarom niet?
Het schenden of omzeilen van EU-sancties geldt als een economisch delict. Wanneer vanuit de handhavingstaak van de Douane geconcludeerd wordt dat een bedrijf sancties heeft overtreden, wordt de zaak voorgelegd aan het OM voor strafrechtelijke vervolging. Zo heeft de Douane in 2025 422 handhavingsonderzoeken afgerond waar onder andere onderzoek is gedaan naar de naleving van de sanctiewetgeving. In 2025 zijn 16 onderzoeken overgedragen aan het Functioneel Pakket van het OM.
Wordt er meteen via het ImportGenius databedrijf uitgezocht of er meer illegale goederen worden geëxporteerd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet gebruikt diverse informatiebronnen om handelsstromen richting Rusland te onderzoeken en omzeiling op te sporen.
Heeft het bedrijf Valvoline AZ nog anderszins banden met Nederland?
Het kabinet gaat niet in op individuele bedrijven. Wanneer signalen over sanctieomzeiling naar specifieke entiteiten in derde landen aan het licht komen neemt de Douane gepaste actie om dit naar de toekomst toe te voorkomen. Daarnaast vinden uiteraard ook eventuele handhavingsacties binnen Nederland plaats.