De financiële onzekerheid van Iraanse studenten in Nederland |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Iraanse studenten in Nederland op dit moment in betalingsproblemen komen en mogelijk moeten terugkeren naar Iran als zij, bijvoorbeeld, hun collegegeld niet kunnen betalen? Zo ja, klopt dit bericht?1
Wat is precies bekend over de omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven? Zijn u coulanceregelingen bekend voor het treffen van een betalingsregeling als Iraanse studenten in financiële problemen geraken? Zo ja, welke onderwijsinstellingen bieden financiële ondersteuning en waaruit bestaan deze regelingen precies voor wat betreft ondersteuning bij de kosten voor levensonderhoud, studiekosten en dergelijke?
Klopt het dat bij het niet voldoen van het collegegeld automatische uitschrijving bij de onderwijsinstelling volgt en dat dan ook het verblijfsrecht in Nederland vervalt? Zijn u gevallen bekend waarin Iraanse studenten door financiële problematiek hun verblijfsrecht in Nederland dreigen te verliezen? Zo ja, om hoeveel studenten gaat het hier?
Bent u bereid om te onderzoeken hoe Iraanse studenten in Nederland financieel kunnen worden ondersteund bij de studiekosten en kosten van het levensonderhoud? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om te voorkomen dat betalingsproblemen leiden tot uitschrijving bij de betreffende onderwijsinstelling? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om bij deze groep Iraanse studenten in Nederland af te zien van het intrekken van studievisa? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om samen met onderwijsinstellingen te bezien hoe onder de huidige omstandigheden materiële en mentale steun aan de groep Iraanse studenten in Nederland geboden kan worden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, met het oog op de naderende deadline voor de inschrijving aan onderwijsinstellingen, deze schriftelijke vragen zo snel als mogelijk te beantwoorden?
Het bericht 'Geldstroom droogt op voor jonge, veelbelovende bedrijven in Nederland' |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geldstroom droogt op voor jonge, veelbelovende bedrijven in Nederland»1 en met het onderliggende onderzoek van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP), waaruit blijkt dat de fondsenwerving voor groeikapitaal in 2025 is gedaald tot € 32 miljoen, het laagste bedrag ooit gemeten, terwijl voor start-ups en buy-outs nog wél ruim kapitaal beschikbaar is?
Hoe verhoudt het opdrogen van juist het scale-upsegment zich tot de coalitieafspraak dat baanbrekende ondernemingen weer groot moeten kunnen worden in Nederland, en tot het feit dat het coalitieakkoord de grotere financieringsrondes van start- en scale-ups expliciet noemt als reden voor de Nationale Investeringsinstelling?
Deelt u de analyse dat hier geen sprake is van een kwaliteitsprobleem van Nederlandse bedrijven – gezien de slechts zes faillissementen en de aanhoudende interesse van buitenlandse investeerders – maar van een structureel tekort in de Nederlandse financieringsketen?
Hoe beoordeelt u, gelet op de waarschuwing in het rapport-Wennink dat scale-ups met een kapitaalbehoefte boven € 50 miljoen die financiering nauwelijks in Nederland kunnen vinden, het risico dat met de instap van buitenlandse investeerders hoofdkantoren, onderzoeksafdelingen, werkgelegenheid en daarmee verdienvermogen uit Nederland wegvloeien?
Welke concrete maatregelen neemt u om het door de NVP gesignaleerde gebrek aan exits (beursgangen en overnames) aan te pakken, bijvoorbeeld via de Europese kapitaalmarktunie, aantrekkelijkere beursnoteringen en het stimuleren van Nederlandse overnames van jonge innovatieve bedrijven?
Welke instrumenten krijgt de Nationale Investeringsinstelling om, conform de coalitieafspraak dat zij institutioneel kapitaal mobiliseert en op een schaal die aansluit bij het rapport-Wennink, het pensioenkapitaal (waarvan nu gemiddeld niet meer dan 0,1% naar start- en scale-ups gaat) daadwerkelijk los te trekken voor groeikapitaal, mede in het licht van initiatieven als het Scale-up Europe Fund en het Dutch Impact Growth Fund van Invest-NL?
In hoeverre verwacht u dat de aanhoudende geopolitieke onzekerheid de Nederlandse ambities op het gebied van groeikapitaal en innovatie-investeringen verder onder druk zet, en welke scenario’s of alternatieve plannen heeft u voor het geval de private investeringsbereidheid in het scale-upsegment structureel achterblijft?
Welke mogelijkheden ziet u om, gegeven de huidige budgettaire keuzes rondom het Toekomstfonds, de hefboomwerking van publieke investeringen voor het aantrekken van privaat groeikapitaal in stand te houden?
Bent u bekend met het artikel «In de TikTok Shop kunnen jongeren straks nóg makkelijker impulsaankopen doen. «Er is te weinig ruimte om zelf na te denken»»?1
Ja.
Welke risico’s ziet u bij de introductie van TikTok Shop voor consumenten, en in het bijzonder voor minderjarigen en jongvolwassenen, op het gebied van impulsaankopen, financiële weerbaarheid en problematische schulden?
Ik zie hier inderdaad risico’s. De introductie van TikTok Shop maakt het voor gebruikers mogelijk om de producten die op TikTok worden vertoond ook direct te kopen. Dit zou gebruikers er sneller en gemakkelijker toe kunnen aanzetten om een impulsaankoop te doen. TikTok heeft richting mij aangegeven dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Daarmee zou er met name een risico voor jongvolwassenen zijn. Wanneer als gevolg hiervan meer wordt uitgegeven dan het beschikbare budget toelaat, kan dit in het ergste geval leiden tot het ontstaan van (problematische) schulden. Ik ga in het antwoord op vraag 8 nader in op de leeftijdsbegrenzing.
Welke maatregelen treft TikTok om risico’s te mitigeren, ook als het bijvoorbeeld gaat om online veiligheid, datahacks, fraude en oplichting van onbetrouwbare partijen die zich bijvoorbeeld straks voordoen als verkopende partij op TikTok?
Zowel bestaande als nieuwe online marktplaatsen moeten voldoen aan Europese regelgeving op het gebied van o.a. productveiligheid, consumentenbescherming, gegevensbescherming en digitale dienstverlening. De handhaving van deze regels is belegd bij verschillende toezichthouders, zoals de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (productveiligheid, hierna: NVWA), de Autoriteit Consument en Markt (o.a. consumentenbescherming, hierna: ACM), de Autoriteit Persoonsgegevens (bescherming van persoonsgegevens, hierna: AP) en bij de Europese Commissie in het geval van de Digital Services Act (hierna: DSA).2 Online veiligheid met betrekking tot de bescherming tegen datahacks wordt onder andere gewaarborgd door vereisten omtrent een passende beveiliging van de verwerking van persoonsgegevens in de Algemene Verordening Persoonsgegevens (hierna: AVG). Op grond van de DSA is TikTok aangewezen als een zeer groot online platform en hierdoor heeft het extra verantwoordelijkheden om de veiligheid van zijn dienst te waarborgen.
TikTok heeft richting mij aangegeven dat zij uitgebreide plannen, risk assessment en veiligheids- en compliancemaatregelen heeft uitgevoerd en hierover in gesprek is met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders.3
Deelt u de opvatting dat de combinatie van een sterk gepersonaliseerd algoritme, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden de kans op impulsaankopen kan vergroten?
Ja, die opvatting deel ik. De combinatie van gepersonaliseerde aanbevelingen, influencermarketing en directe aankoopmogelijkheden («one-click buying») kan de drempel tot een aankoop verlagen. Dit is op zichzelf niet in strijd met geldende wet- en regelgeving, maar brengt wel risico’s met zich mee. Consumenten dienen in ieder geval correct en volledig te worden geïnformeerd en er dient geen sprake te zijn van misleiding. Voor de verplichtingen en verantwoordelijkheden van TikTok onder de DSA verwijs ik naar het antwoord op vraag 8, 9 en 10.
Welke inzichten zijn beschikbaar uit landen waar TikTok Shop reeds actief is, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, over de effecten op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren en welke lessen trekt u daaruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van TikTok Shop op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren in de genoemde landen. Relevant hierbij is dat TikTok richting mij heeft aangegeven dat de TikTok Shop in Nederland alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder.
Deelt u de opvatting dat social commerce-platforms zoals TikTok Shop een fundamenteel ander karakter hebben dan traditionele webwinkels, doordat sociale media, aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden in één omgeving worden gecombineerd? Zo ja, acht u aanvullende regelgeving of toezicht wenselijk?
Deze opvatting deel ik. Zogenaamde social commerce platforms combineren elementen die voorheen gescheiden waren – sociale interactie, content-aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en een directe transactiefunctie. Hierdoor kan de grens tussen content, reclame en het doen van een aankoop vervagen en dit levert risico’s op.
Het bestaande wettelijke kader, zoals de DSA en consumentenwetgeving4, is ook van toepassing op social commerce platforms. Bovendien biedt de AVG bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast zet het kabinet in Brussel in op gerichte maatregelen tegen onder meer dark patterns en verslavende ontwerpkeuzes in het kader van de aankomende Digital Fairness Act (hierna: DFA).5
Het is belangrijk dat de bestaande regels effectief gehandhaafd worden. De Europese Commissie heeft in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA. En de verschillende markttoezichthouders houden de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop.
Ondanks dat ik de opvatting deel dat een social commerce platform als de TikTok Shop een ander karakter heeft dan een traditionele webwinkel, zie ik – gelet op het bovenstaande – op dit moment geen reden voor een aanvullende beleidsinzet.
In hoeverre vallen betaalmethoden die via TikTok Shop worden aangeboden, waaronder achteraf betalen en gespreid betalen, onder de herziene Consumer Credit Directive (CCDII), en welke verplichtingen vloeien daaruit voort voor aanbieders van deze betaalmethoden?
Indien TikTok Shop een betaalmethode aanbiedt waarbij de aankoop direct wordt betaald, is er geen sprake van krediet. Voor zover TikTok Shop consumenten echter de mogelijkheid biedt om aankopen achteraf (ineens of gespreid) te betalen, is in beginsel sprake van krediet in de zin van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). In dat geval valt de dienstverlening onder de kredietregels, tenzij sprake is van een expliciete uitzondering binnen het toepassingsbereik van die richtlijn, zoals bij bepaalde vormen van uitgestelde betaling. In Nederland wordt de richtlijn geïmplementeerd door de implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: implementatiewet).6 Op dit moment biedt TikTok nog niet de mogelijkheid van achteraf betalen aan in Nederland.
Als TikTok deze dienst wel in Nederland aan zou bieden, geldt ook dat deze dienstverlening onder de nieuwe kredietregels komt te vallen van de implementatiewet. Voor de volledigheid leg ik uit wat de gevolgen hiervan zijn.
De kredietregels zien op verschillende aspecten. Zo dienen aanbieders van achteraf betalen voorafgaand aan kredietverlening een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, consumenten te voorzien van duidelijke en gestandaardiseerde precontractuele informatie en te voldoen aan regels en verboden inzake reclame. Daarnaast voorziet het implementatiewetsvoorstel in een verbod op kredietverlening in de vorm van uitgestelde betaling aan minderjarigen en worden kredietaanbieders verplicht de leeftijd van de consument voorafgaand aan het aangaan van de kredietovereenkomst te verifiëren. Verder geldt voor deze kredietaanbieders een vergunningplicht en staan zij ten aanzien van kredietverlening aan Nederlandse consumenten onder toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Welke leeftijdsgrenzen gelden voor het gebruik van TikTok Shop en de daarbij aangeboden betaalmethoden, welke vormen van leeftijdsverificatie worden toegepast en in hoeverre acht u deze effectief?
TikTok hanteert in algemene zin een minimumleeftijd van 13 jaar en geeft aan dat de TikTok Shop alleen beschikbaar wordt voor kopers van 18 jaar en ouder. Op basis van de DSA zijn zeer grote online platforms als TikTok verplicht om redelijke en doeltreffende maatregelen te treffen die de leeftijd van de gebruikers verifieert. TikTok heeft richting mij aangegeven gebruik te maken van een gelaagd toegangscontrolesysteem om de leeftijd van gebruikers vast te stellen. Dit omvat technologische checks, menselijke controles en extra veiligheidsmaatregelen zoals de mogelijkheid voor ouders om een melding te doen.7
Indien een minderjarige ondanks de leeftijdsbegrenzing door TikTok toch een aankoop doet via een eigen account in TikTok Shop, bijvoorbeeld omdat de leeftijd niet goed werd gecontroleerd, dan kan de wettelijke vertegenwoordiger de rechtshandeling (aankoop) achteraf vernietigen en het geld van de aankoop terugkrijgen. TikTok heeft richting mij bevestigd hiervoor een eenvoudig retourbeleid te zullen hanteren. Ouders dragen daarnaast zelf de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat hun account door hun kinderen wordt gebruikt.
In het antwoord op vraag 7 wordt toegelicht dat TikTok op dit moment geen achterafbetaalmogelijkheden in Nederland aanbiedt.
Acht u het wenselijk dat platforms zoals TikTok zelf verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van problematische schulden en impulsaankopen onder minderjarigen? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarbij?
TikTok heeft al een bepaalde mate van verantwoordelijkheid, nu zij de mogelijkheid biedt om via TikTok producten aan te kopen.
Zo heeft TikTok op grond van de DSA verschillende verantwoordelijkheden. Dit betreft onder meer de verplichting om tenminste jaarlijks onderzoek te doen naar mogelijke systemrisico’s van haar diensten, waaronder de negatieve effecten op minderjarigen (zie ook mijn antwoord op vraag 10). Ook dient TikTok onder de DSA passende en evenredige maatregelen te nemen waarmee een hoog niveau bescherming van minderjarigen binnen haar dienst wordt geborgd.
Indien TikTok uitstel van betaling voor de producten in TikTok Shop zou aanbieden, kwalificeert zij bovendien onder de implementatiewet CCDII als aanbieder van krediet. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 7, dient TikTok Shop in dat geval de verantwoordelijkheden uit de implementatiewet CCDII na te leven.
In hoeverre vallen TikTok en TikTok Shop onder de verplichtingen van de Digital Services Act (DSA), in het bijzonder waar het gaat om bescherming van minderjarigen, transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is TikTok aangewezen als «zeer groot online platform» onder de DSA. Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Dit omvat dus ook de verplichtingen inzake de bescherming van minderjarigen, de transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes (die, afhankelijk van het geval, kunnen kwalificeren als dark pattern en/of systeemrisico).
Zo is TikTok in dat kader verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeemrisico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van TikTok Shop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeemrisicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd.
Hoe verhoudt TikTok Shop zich tot het verbod uit de DSA op het tonen van gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen op basis van profilering en hoe wordt vastgesteld of gebruikers minderjarig zijn?
Dit verbod is onverkort van toepassing. TikTok mag dus geen reclame tonen op basis van profilering van minderjarigen. Om de leeftijd van gebruikers vast te stellen, maakt TikTok gebruik van een gelaagd toegangscontrolesysteem (zie ook mijn antwoord op vraag 8).
Kunt u inzicht geven in welke persoonsgegevens en gedragsgegevens worden gebruikt om productaanbevelingen binnen TikTok Shop te personaliseren, en in hoeverre acht u deze vorm van profilering wenselijk wanneer minderjarigen hierdoor worden blootgesteld aan commerciële prikkels?
TikTok Shop zou volgens TikTok alleen toegankelijk moeten zijn voor meerderjarige gebruikers. Het kabinet heeft geen inzicht in de persoonsgegevens en gedragsgegevens die TikTok Shop gebruikt voor het personaliseren van productaanbevelingen. Het is belangrijk dat het gebruik van deze gegevens voldoet aan de hiervoor geldende privacyregels in de AVG en de hiervoor genoemde regels uit de DSA (zie antwoord op vraag 11). De onafhankelijke toezichthouders zien daarop toe.
Acht u het mogelijk dat aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer-content binnen TikTok Shop feitelijk dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame? Zo ja, in hoeverre vallen dergelijke praktijken onder het huidige toezicht- en handhavingskader?
Ik beschik niet over informatie om te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer content dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame. Het is aan de bevoegde toezichthouders om daar een oordeel over te vellen. Dergelijke praktijken vallen onder het bestaande juridische kader. Naast de DSA gaat het onder meer om de AVG, de e-privacy richtlijn, de regels voor audiovisuele mediadiensten, en consumentenwetgeving.
Hoe wordt geborgd dat producten die via TikTok Shop worden aangeboden voldoen aan Europese productveiligheids- en consumentenwetgeving, en welke mogelijkheden hebben toezichthouders om hierop toezicht te houden en handhavend op te treden? Klopt het dat TikTok verantwoordelijk is voor de productaansprakelijkheid, zoals opgenomen in de nieuwe EU implementatie-richtlijn?
Producten die via TikTok Shop worden verkocht, moeten voldoen aan de Europese regels voor productveiligheid en consumentenbescherming. Verkopers en online marktplaatsen hebben, onder meer op basis van de Europese Algemene Productveiligheidsverordening8, consumentenwetgeving, en de DSA, bepaalde verantwoordelijkheden.
Het is belangrijk dat deze regels effectief gehandhaafd worden door toezichthouders zoals de NVWA, de ACM en de Europese Commissie. Zij kunnen handhavend optreden als producten onveilig zijn, consumenten worden misleid of online platforms hun verantwoordelijkheden niet naleven. Zoals tevens aangegeven in het antwoord op vraag 6, houden de markttoezichthouders de ontwikkelingen in de e-commerce sector, waaronder de import van non-conforme producten uit derde landen, dan ook scherp in de gaten en versterken het toezicht hierop. Ook is sprake van coördinatie tussen toezichthouders. Zo werken de ACM, de Europese Commissie en toezichthouders uit andere lidstaten nauw samen in het kader van het toezicht op de DSA.
Op grond van de herziene EU-richtlijn productaansprakelijkheid (Richtlijn (EU) 2024/2853) kan TikTok alleen in bijzondere omstandigheden aansprakelijk worden gesteld. Of TikTok aansprakelijk is, hangt namelijk af van de specifieke omstandigheden en de rol die TikTok in de keten vervult. In beginsel is bij verkoop van een gebrekkig product via een onlineplatform de in de EU gevestigde fabrikant aansprakelijk. Als de fabrikant buiten de EU gevestigd is, geldt een getrapt stelsel. In dat geval zijn eerst de importeur van het gebrekkige product in de EU of de gemachtigde van de fabrikant aansprakelijk en bij het ontbreken daarvan de fulfilmentdienstverlener (een partij die logistieke diensten verricht, zoals opslag, verpakking, adressering en verzending van een product). De aanbieder van het onlineplatform is slechts aansprakelijk als deze het gebrekkige product presenteert op een wijze die een gemiddelde consument doet geloven dat het product door het platform zelf wordt verstrekt én wanneer geen andere aansprakelijke marktdeelnemer (zoals de fabrikant, importeur, gemachtigde of fulfilmentdienstverlener) kan worden aangewezen op grond van de Richtlijn.
TikTok heeft desgevraagd richting mij aangegeven verschillende maatregelen te hebben genomen om productveiligheid te waarborgen. Zo verplicht TikTok verkopers om hun identiteit te verifiëren (via overheidsdocumenten voor zelfstandigen of bedrijfsregistratiegegevens voor rechtspersonen) en vereist zij compliance-informatie te verstrekken voordat producten mogen worden aangeboden. Nieuwe verkopers krijgen een proefperiode met accountbeperkingen.
Welke kansen ziet u in de aangekondigde Digital Fairness Act om verslavende ontwerpkeuzes, manipulerende verkooptechnieken en andere vormen van digitale gedragssturing gericht op kwetsbare consumenten aan banden te leggen?
In een relatief korte periode zijn diverse Europese wetten in werking getreden in het digitale domein, zoals de DSA en de AI-act. De inzet van het kabinet ziet daarom in eerste instantie op een versterking van de handhaving van bestaande Europese regelgeving. Het is daarom goed dat de Europese Commissie actief bezig is met de handhaving van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, waaronder TikTok (zie tevens het antwoord op vraag 6).
De DFA kan dienen als gerichte aanpak voor het reguleren van schadelijke online handelspraktijken, zoals verslavend ontwerp van digitale diensten. In dit kader pleit Nederland in Brussel voor het verbieden van ontwerptechnieken – waaronder algoritmes – die het welzijn van consumenten schaden, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en overname van het verbod op «dark patterns» uit de DSA (artikel 25) in het consumentenrecht.
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor aanvullende bescherming van minderjarigen en financieel kwetsbare consumenten binnen social commerce-platforms zoals TikTok Shop? Zo nee, waarom niet?
Ik ben in Europees verband actief betrokken bij beraadslagingen over de DFA. De Europese Commissie beoogt met de DFA onder andere de commerciële uitbuiting van kwetsbaarheden van consumenten aan te pakken.9 In dat kader wil de Europese Commissie de DFA ook specifiek richten op de bescherming van minderjarigen. De Nederlandse inzet bij de DFA heb ik besproken in mijn antwoorden op vraag 6 en vraag 15.10
In hoeverre acht u het wenselijk dat digitale platforms via algoritmen en verkooptechnieken consumptie stimuleren, terwijl Nederland en de Europese Unie tegelijkertijd inzetten op een circulaire economie, consuminderen en het verminderen van grondstoffengebruik? Ziet u hierin een beleidsmatige spanning?
Ja, hierin kan een beleidsmatige spanning bestaan. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het kabinet zoekt een balans tussen ondernemingsruimte op de vrije markt en de draagkracht van de aarde. Uit gedragswetenschappelijke inzichten blijkt dat de omgeving waarin mensen keuzes maken sterk van invloed is op hun gedrag. Daarom werkt het kabinet aan het makkelijker, logischer en eerlijker maken van circulaire keuzes voor consumenten.
Digitale platforms kunnen daarbij zowel een uitdaging als een kans vormen. Zij kunnen consumptie stimuleren, maar ook circulaire verdienmodellen zoals tweedehands handel, reparatie, delen en verhuur faciliteren. Het kabinet blijft zich, binnen bestaande nationale en Europese kaders, inzetten voor een keuzeomgeving waarin consumenten op basis van duidelijke en betrouwbare informatie een keuze kunnen maken, zonder misleidende of manipulatieve verkooptechnieken.
Hebben al meer bedrijven zich gemeld bij de Nederlandse overheid dat zij met een vergelijkbare online shop op de markt gaan komen? Zo ja, wat kunt u hierover met ons delen? En hoe zal er getoetst worden of zij voldoen aan alle wettelijke kaders en toegelaten worden?
Nederland kent een vrij ondernemingsklimaat. Dit betekent dat er geen plicht bestaat voor ondernemingen om zich te melden bij de Nederlandse overheid als zij met een online shop op de markt komen. De Nederlandse overheid toetst dan ook niet vooraf of een onderneming tot de markt wordt toegelaten. Uiteraard moeten ondernemers zich wel houden aan de toepasselijke wet- en regelgeving zodra zij de Nederlandse markt betreden en is het van belang deze regels effectief te handhaven.
Een verkeerd uitgegeven DSJ-laptop |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven aan wie de verkeerde laptop is uitgegeven? Is dat aan de gedetineerde die zich in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) bevindt, of is die laptop verstrekt aan de gedetineerde buiten de EBI?
Kunt u specificeren welke informatie beschikbaar was op de verkeerd uitgegeven laptop?
Is er een link tussen de strafzaken van beide gedetineerden? Hebben beide gedetineerden dezelfde advocaat? Of is er een zakelijke relatie tussen beide advocaten?
Kunt u uitleg geven over de reguliere procedure waarbij de laptop automatisch wordt opgeschoond? Komt hier menselijk handelen aan te pas? Zo ja, wordt hier gecontroleerd welke medewerker hiervoor verantwoordelijk is?
Hoe is het mogelijk dat deze laptop verkeerd is uitgegeven?
Bent u voornemens de reguliere procedure aan te scherpen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat elk incident er één te veel is en onderzocht moet worden of het fysiek inzien van strafdossiers de norm moet zijn, nu ook al in januari jongstleden een kwetsbaarheid in deze laptops werd aangetroffen? Zo nee, dan in ieder geval wel voor gedetineerden in de EBI, daar zij een extra risico vormen?
De positie van vrouwenrechten en reproductieve rechten binnen het kabinet |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «SGP eist lagere abortuscijfers in ruil voor steun aan kabinetsplannen»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de oproep om de afschaffing van de verplichte bedenktijd bij abortuszorg en de mogelijkheid voor huisartsen om abortusmedicatie voor te schrijven, terug te draaien? Deelt u de mening dat dergelijke stappen een inperking zouden zijn van de lichamelijke autonomie van vrouwen?
Het kabinet staat pal voor kwalitatieve en toegankelijke abortuszorg. De abortuszorg die abortusartsen en huisartsen bieden – zonder verplichte minimale beraadtermijn voor vrouwen – is zorgvuldig en van hoge kwaliteit. Dat is een groot goed. Het kabinet is niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Kunt u toezeggen dat u als Minister geen stappen zult zetten die de reproductieve rechten en rechten van vrouwen inperken, zoals het terugbrengen van de verplichte bedenktijd en het afschaffen van de mogelijkheid voor huisartsen om abortusmedicatie voor te schrijven? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Vindt u dat het verlagen van het abortuscijfer een doel op zich moet zijn, zoals de SGP in het artikel stelt? Of deelt u de mening van de indiener dat toegang tot kwalitatieve en veilige abortuszorg het hoofddoel moet zijn?
Voor het kabinet staan niet het aantal zwangerschapsafbrekingen, maar de zorgvuldigheid, kwaliteit en toegankelijkheid van abortuszorg centraal. Het is voor het kabinet geen doel op zich om het aantal abortussen te verlagen. Het kabinetsbeleid richt zich op het behouden van goede en toegankelijke abortuszorg
en op het versterken van de regie van mensen op hun kinderwens. In de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap staan verschillende activiteiten om deze regie te versterken.2
In hoeverre bent u bereid mee te gaan met de bezwaren van conservatieve partijen die ten kosten gaan van reproductieve rechten en waar trekt u de grens?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is het kabinet niet van plan om de verplichte minimale beraadtermijn opnieuw in te voeren of om het voorschrijven van abortusmedicatie door huisartsen te verbieden.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het wetgevingsoverleg over het VWS jaarverslag, d.d. 25 juni 2026?
Ja.
Het bericht ‘Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw’ |
|
Ismail El Abassi (DENK), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht van 29 mei jl. «Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw»?1
Hoe beoordeelt u deze gebeurtenis?
Deelt u de opvatting dat iedereen in Nederland, ongeacht geloofsovertuiging, zich veilig moet kunnen voelen in en rondom zijn of haar gebedshuis en dat aanvallen op moskeeën onaanvaardbaar zijn?
Kunt u aangeven hoe de regering gereageerd heeft op deze aanslag? Is er contact geweest met het bestuur van de Mevlana-moskee?
Is er inmiddels meer bekend over de achtergrond en motieven van de daders?
Kunt u aangeven hoe vaak in de afgelopen vijf jaar moskeeën, kerken, synagogen en andere gebedshuizen doelwit zijn geweest van vernieling, intimidatie of andere strafbare feiten? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jaar, type incident en religieuze instelling?
Welke maatregelen bestaan momenteel om de veiligheid van gebedshuizen te vergroten en acht u deze maatregelen toereikend?
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar dit incident en eventuele lessen die hieruit kunnen worden getrokken voor de bescherming van religieuze gemeenschappen in Nederland?
De verhouding tussen strafeisen, opgelegde straffen en wettelijke maximumstraffen bij ernstige misdrijven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u voor alle strafzaken van de afgelopen vijf jaar waarin sprake was van geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht, per genoemde delictscategorie inzichtelijk maken wat de gemiddelde opgelegde straf was?
Kunt u aangeven welk percentage van de bij het Openbaar Ministerie aangebrachte geweldsdelicten, zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht uiteindelijk heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de rechter? Kunt u deze cijfers per delictscategorie en per jaar uitsplitsen?
Kunt u voor deze delictscategorieën aangeven wat, gemiddeld genomen, de verhouding is tussen de opgelegde straf en de toepasselijke wettelijke maximumstraf, zowel in aantal als percentage?
Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, zodat zichtbaar wordt of de gemiddelde opgelegde straf als percentage van de wettelijke maximumstraf in de afgelopen vijf jaar is gestegen, gedaald of gelijk gebleven?
Kunt u voor dezelfde delictscategorieën aangeven welke straf het Openbaar Ministerie gemiddeld heeft geëist?
Kunt u per delictscategorie aangeven wat het gemiddelde verschil is tussen de strafeis van het Openbaar Ministerie en de uiteindelijk door de rechter opgelegde straf, zowel in aantal als percentage?
Kunt u voor geweldsdelicten tegen hulpverleners inzichtelijk maken wat in de afgelopen vijf jaar de gemiddelde strafeis van het Openbaar Ministerie was, wat de gemiddelde uiteindelijk opgelegde straf was en hoe groot de afwijking daartussen gemiddeld was, zowel in absolute zin als percentage van de strafeis?
Kunt u aangeven of de discrepantie tussen strafeis en opgelegde straf in deze delictscategorieën in de afgelopen vijf jaar is toe- of afgenomen?
Kunt u, voor zover beschikbaar, aangeven hoe de ontwikkeling van opgelegde straffen als percentage van de wettelijke maximumstraf zich verhoudt tot de langere termijn, bijvoorbeeld de afgelopen tien of vijftien jaar?
Wordt binnen uw ministerie, het Openbaar Ministerie of de Raad voor de rechtspraak structureel bijgehouden hoe opgelegde straffen zich verhouden tot wettelijke maximumstraffen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit voortaan structureel te laten monitoren?
Deelt u de opvatting dat inzicht in de verhouding tussen wettelijke maximumstraffen, strafeisen en daadwerkelijk opgelegde straffen noodzakelijk is om te kunnen beoordelen hoe strafmaxima in de praktijk doorwerken in de straftoemeting? Zo nee, waarom niet?
Het artikel 'SEH-artsen: VWS zet ons buitenspel bij hervorming acute zorg' |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «SEH-artsen: VWS zet ons buitenspel bij hervorming acute zorg»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA) niet langer wordt betrokken bij overleggen met het Ministerie van VWS over de verdere uitwerking van de budgetbekostiging van de spoedeisende hulp, terwijl de NVSHA eerder wel actief deelnam aan deze gesprekken? Zo ja, waarom is hiervoor gekozen?
Nee, dat klopt niet.
Begrijpt u dat het voor betrokken partijen onbetrouwbaar en onzorgvuldig kan overkomen wanneer een partij die vanaf het begin intensief betrokken was bij het traject en op basis van gemaakte afspraken heeft meegewerkt aan de eerste stap van budgetbekostiging, vervolgens niet langer mag meepraten over het vervolgtraject? Hoe verhoudt dit zich tot zorgvuldig bestuur en het belang van draagvlak in de sector?
Sinds 1 januari 2026 maken de spoedeisende hulpartsen (SEH-artsen), verenigd in de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA), onderdeel uit van de Federatie Medisch Specialisten (FMS). De FMS is de gesprekspartner van het kabinet en zij vertegenwoordigen hierin de medisch specialisten zoals de SEH-artsen. De FMS is volledig betrokken bij de uitwerking van de ontwikkelroute passende acute zorg in de regio. Het kabinet vindt het desalniettemin belangrijk dat de stem van de SEH-artsen bij de ontwikkelroute goed kan worden gehoord. In reactie op de motie van mevrouw Maeijer2 zal de Minister van VWS daarom binnenkort een gesprek voeren met de NVSHA en de FMS. Ze zal partijen verzoeken samen afspraken te maken zodat alle inbreng van partijen gehoord kan worden in de gesprekken over de ontwikkelroute. Het kabinet zal de Kamer informeren over de uitkomsten van dit gesprek en het vervolg ervan.
Deelt u de zorgen van de NVSHA dat keuzes rondom differentiatie, concentratie of afschaling van spoedzorg grote gevolgen kunnen hebben voor de bereikbaarheid, kwaliteit en continuïteit van acute zorg in de regio, met name voor regionale ziekenhuizen?
Het kabinet begrijpt dat er zorgen kunnen zijn als het aanbod van acute zorg in de regio verandert. Acute zorg moet voor iedereen in Nederland tijdig, toegankelijk en van goede kwaliteit beschikbaar zijn, nu en in de toekomst. En om dat te waarborgen moeten in de regio keuzes gemaakt worden over de inrichting van de acute zorg. Regionaal moet scherper bekeken worden welke acute zorg waar nodig is, welke functies dichtbij moeten blijven en waar concentratie of differentiatie medisch en organisatorisch verstandig kan zijn. De ontwikkelroute passende acute zorg in de regio is daarom gericht op het ondersteunen van noodzakelijke veranderingen in de regionale inrichting van de acute zorg en het bieden van kaders hiervoor.
Kunt u uitsluiten dat het huidige traject uiteindelijk zal leiden tot verdere verschraling of afbouw van SEH-zorg in de regio?
Het kabinet staat voor een passend zorglandschap. Het kabinet wil dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners toegang hebben tot passende spoedzorg in de regio. Het doel van de ontwikkelroute is dat de acute zorg ook op langere termijn, toegankelijk, kwalitatief goed en doelmatig georganiseerd is.
Op welke wijze bent u voornemens uitvoering te geven aan de aangenomen motie-Vermeer2 waarin de regering wordt verzocht om bij alle vervolgstappen richting budgetbekostiging te werken aan een passende financiële positie van SEH’s in regionale ziekenhuizen?
In lijn met de motie van het lid Vermeer, vindt het kabinet dat binnen de budgetbekostiging ruimte moet zijn voor goede acute zorg die past, een passend regionaal aanbod van acute zorg en zekerheid dat SEH-zorg beschikbaar is. Een SEH staat nooit op zichzelf en is enerzijds onderdeel van een acute zorgketen (zoals de huisartsenspoedpost en de ambulancezorg) en anderzijds onderdeel van een ziekenhuis en daarmee van het passend aanbod van ziekenhuiszorg in de regio. Regionale ziekenhuizen vervullen daarin een belangrijke rol: zij bieden inwoners herkenbare, toegankelijke en vertrouwde ziekenhuiszorg dichtbij huis, en dragen daarmee bij aan continuïteit, nabijheid en samenhang in de zorg voor de regio. Met de invoering van budgetbekostiging voor de SEH in de eerste stap per 2027, wordt een deel van de SEH-opbrengsten minder afhankelijk van productie. Dat draagt bij aan meer financiële zekerheid voor ziekenhuizen. Tegelijk is dit niet het eindstation van budgetbekostiging. In de ontwikkelroute wordt voor de bekostiging bezien hoe deze het beste aan kan sluiten bij de beschikbaarheid en de verschillende functies die een SEH vervult in het regionale aanbod van acute zorg.
In hoeverre acht u het wenselijk dat de stem van SEH-artsen zelfstandig wordt gehoord, juist omdat bredere koepel- en belangenorganisaties ook andere en bredere belangen vertegenwoordigen dan uitsluitend de acute zorg?
Het kabinet vindt de betrokkenheid van partijen, zoals de zorgprofessionals, belangrijk bij de verdere uitwerking van de ontwikkelroute. Daarom zijn en worden hierover gesprekken met partijen gevoerd. SEH-artsen werken dagelijks binnen de SEH van een ziekenhuis en kunnen goed aangeven wat keuzes betekenen voor kwaliteit, toegankelijkheid, werkbaarheid en patiëntveiligheid. Het perspectief van de SEH-artsen vindt het kabinet daarom van belang. De Minister van VWS zal daarom binnenkort een gesprek voeren met de NVSHA en de FMS en de Kamer informeren over de uitkomsten hiervan.
Bent u bereid om de NVSHA alsnog volwaardig te betrekken bij het vervolgtraject rond de budgetbekostiging en de toekomst van de acute zorg, juist vanwege hun praktijkervaring en inhoudelijke expertise op het gebied van spoedzorg en de acute zorgketen?
Zie antwoord vraag 7.
De campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal. |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal en kunt u aangeven welke publieke middelen direct of indirect beschikbaar zijn gesteld aan deze campagne, de betrokken organisaties en de uitvoering daarvan?1
Welke concrete, meetbare doelstellingen zijn aan deze campagne verbonden, op basis van welke wetenschappelijke inzichten is gekozen voor deze aanpak en hoe wordt vastgesteld of de campagne daadwerkelijk leidt tot een verbetering van de mentale gezondheid van jongeren?
Kunt u aangeven hoeveel vergelijkbare campagnes op het gebied van mentale gezondheid de afgelopen vijf jaar met publieke middelen zijn ondersteund, wat deze hebben gekost en welke aantoonbare resultaten zij hebben opgeleverd?
Hoe wordt voorkomen dat belastinggeld vooral terechtkomt bij campagnes, workshops, ambassadeurs en overlegstructuren, terwijl jongeren met psychische problemen nog steeds te maken hebben met wachtlijsten en beperkte toegang tot passende hulp?
Kunt u aangeven hoeveel jongeren momenteel wachten op geestelijke gezondheidszorg en hoe de uitgaven aan bewustwordingscampagnes zich verhouden tot investeringen in daadwerkelijke behandeling en ondersteuning?
Welke afspraken zijn gemaakt voor situaties waarin tijdens dergelijke bijeenkomsten signalen naar voren komen van ernstige psychische problemen, suïcidaliteit, huiselijk geweld of kindermishandeling en hoe wordt geborgd dat deze jongeren snel passende hulp krijgen?
Deelt u de opvatting dat het bespreekbaar maken van mentale problemen waardevol kan zijn, maar nooit een vervanging mag worden voor tijdige professionele hulpverlening? Zo ja, welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat jongeren na signalering ook daadwerkelijk hulp ontvangen?
Beantwoording van vragen inzake de Bilderbergconferentie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beantwoording die door u is verstuurd naar de Kamer op 2 juni 2026 (2026Z07726)?
Waarom is de tweede gesloten vraag niet, zoals gevraagd, ontkennend of bevestigend, met «ja» of «nee», beantwoord?
Waarom heeft het meer dan zes weken geduurd om deze simpele «ja-nee-vraag» te beantwoorden?
Vertegenwoordigden de Koning, Koningin en premier op deze Bilderbergconferentie Nederland? Ja of nee?
Kan deze ja-nee-vraag binnen een week beantwoord worden? Zo nee, waarom niet?
Seksuele uitbuiting van minderjarigen |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving vanaf 21 mei 2026 over een lopend politieonderzoek in het Duitse Neurenberg, waarbij de recherche een speciale onderzoekscommissie genaamd «EKO Kajal» heeft ingesteld naar aanleiding van signalen dat minderjarige meisjes – van wie het jongste bekende slachtoffer dertien jaar oud is – rondom het centraal station stelselmatig werden benaderd door een groep verdachten van voornamelijk Syrische, Noord-Afrikaanse en Pakistaanse afkomst, afhankelijk werden gemaakt van harddrugs zoals crystal meth en vervolgens seksueel werden uitgebuit?
Hoe beoordeelt u deze berichtgeving, mede in het licht van de grootschalige zaken in Rotherham en Rochdale, waarbij de dadergroepen overwegend bestonden uit mannen van Pakistaanse afkomst en de slachtoffers overwegend autochtone Britse meisjes waren – en waarbij de officiële evaluatie (Jay Report, 2014) concludeerde dat autoriteiten jarenlang hebben gefaald doordat zij de etnische achtergrond van de dadergroepen niet durfden te benoemen – en deelt u de opvatting dat onderzocht moet worden in hoeverre bij dergelijke zaken sprake is van etnisch gemotiveerde selectie van slachtoffers?
Deelt u de opvatting dat zaken als Rotherham en Rochdale enerzijds, en de huidige zaak in Neurenberg anderzijds, een structureel patroon laten zien waarbij kwetsbare minderjarigen door georganiseerde groepen worden gerekruteerd, via alcohol, drugs of intimidatie in een positie van afhankelijkheid en onmacht worden gebracht en vervolgens stelselmatig seksueel worden misbruikt en uitgebuit – en dat dit patroon zich doorgaans buiten het directe zicht van politie, hulpverlening en lokale overheden afspeelt?
Beschikt u over signalen dat vergelijkbare vormen van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen – waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet – zich ook in Nederland voordoen? Zo ja, wat is hierover bekend? Zo nee, op basis waarvan concludeert u dat dergelijke signalen ontbreken, mede gelet op het feit dat de Nationaal Rapporteur Mensenhandel in 2025 heeft gewaarschuwd voor infiltratie van criminele netwerken in zorginstellingen?
Worden in Nederland gegevens bijgehouden over de mate waarin minderjarige meisjes via drugs, schulden, afhankelijkheidsrelaties of andere vormen van dwang in seksuele uitbuiting terechtkomen? Zo ja, wat laten deze gegevens zien over de afgelopen vijf jaar? Zo nee, waarom niet, en acht u dit aanvaardbaar?
Kunt u aangeven in hoeveel zaken van seksuele uitbuiting of verkrachting van minderjarigen de afgelopen vijf jaar sprake was van een georganiseerd samenwerkingsverband van meerdere daders, en in hoeveel zaken van een individuele dader?
In hoeverre beschikken politie, Openbaar Ministerie, gemeenten, jeugdzorginstellingen en de Nationaal Rapporteur Mensenhandel over voldoende instrumenten om georganiseerde netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten vroegtijdig te herkennen en te ontmantelen, en welke knelpunten worden hierbij gesignaleerd?
Wordt in Nederland structureel onderzocht of bepaalde groepen minderjarige meisjes een verhoogd risico lopen slachtoffer te worden van deze vorm van uitbuiting – bijvoorbeeld meisjes uit instabiele gezinssituaties, de jeugdzorg of de gesloten jeugdhulp – en zo ja, wat zijn de uitkomsten van dat onderzoek?
Beschikt u over gegevens omtrent de nationaliteit, migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten die in Nederland betrokken zijn bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen? Zo ja, bent u bereid deze gegevens met de Kamer te delen? Zo nee, deelt u de opvatting dat het ontbreken van deze registratie – gelet op de uitdrukkelijke conclusie in het Britse Jay Report dat het niet benoemen van de achtergrond van dadergroepen het ingrijpen heeft vertraagd en slachtoffers heeft geschaad – zelf een beleidsrisico vormt dat correctie behoeft?
Indien gegevens over de achtergrond van daders bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen niet structureel worden verzameld of geanalyseerd, acht u het wenselijk hierin verandering te brengen, zodat beter inzicht ontstaat in de aard, omvang en achtergrond van deze ernstige vorm van criminaliteit en de aanpak daarop kan worden afgestemd?
Welke concrete lessen trekt u uit de zaken in Neurenberg, Rotherham, Rochdale en vergelijkbare buitenlandse onderzoeken, en ziet u aanleiding om de Nederlandse aanpak – inclusief het instrumentarium voor vroegherkenning, registratie en vervolging – tegen het licht te houden?
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van de aard en omvang van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen in Nederland, inclusief de wijze waarop politie, Openbaar Ministerie en hulpverlening dit monitoren en bestrijden, alsmede een beoordeling of het huidige instrumentarium toereikend is?
Het gebruik van Adobe Analytics in de betaalomgeving van de Belastingdienst |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Eerenberg , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Mick Beer van 2 juni 2026, getiteld «Een Amerikaans reclamebedrijf krijgt een verslag van elke klik terwijl jij je belasting betaalt»1?
Ja.
Klopt het dat binnen Mijn Belastingdienst, na inloggen met DigiD, bij het openen van een aanslag en het starten of annuleren van een betaling via iDEAL of Wero, gegevens worden verzonden naar adobe-analytics-dc.belastingdienst.nl en dat dit domein technisch doorverwijst naar Adobe-infrastructuur, waaronder data.adobedc.net?
Dit klopt. Zoals gemeld in de Kamerbrief over Digitale Autonomie die uw Kamer 11 juni 2026 heeft ontvangen, is de Belastingdienst recent door een ethisch hacker gewezen op het gebruik van Adobe Analytics op de websites van de Belastingdienst, waarbij gegevens zonder toestemming werden doorgezonden naar Adobe. De Belastingdienst heeft deze functionaliteit direct uitgezet toen bleek dat dit inderdaad het geval was.
De Belastingdienst heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) geïnformeerd en een datalek gemeld. Ik betreur dat dit is gebeurd en ik ben dankbaar dat deze ethisch hacker de Belastingdienst hierop heeft gewezen. Er is contact geweest om te bedanken voor het melden van de kwetsbaarheid. Ook heeft een aanvullend inhoudelijk gesprek plaatsgevonden. De Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen ontvangen graag signalen over beveiliging en privacy via het beschikbare responsible disclosure proces (ook wel Coordinated Vulnerability Disclosure genoemd), zodat deze continu op een hoger plan kunnen worden gebracht. Daarnaast geven we prioriteit aan de verkenning of er op andere plekken binnen de Belastingdienst, Toeslagen of Douane sprake is van vergelijkbare onzorgvuldigheden bij het gebruik van de analyticstooling. De uitkomsten hiervan deel ik met uw Kamer in de eerstvolgende stand-van-zakenbrief.
Kunt u exact aangeven welke gegevens, parameters, events, headers en identifiers in deze betaalflow aan Adobe Analytics worden verzonden, waaronder in ieder geval gegevens over belastingmiddel, aanslagjaar, betaalstatus, betaalmethode, funnelstap, actieve tab, gebruikersinterfacevoorkeur, betaalstart, annulering of mislukte betaling?
De Belastingdienst gebruikte Adobe Analytics voor het meten van gebruik, navigatie en prestaties van de digitale dienstverlening, om die voor burgers en bedrijven te verbeteren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is de functie om analyticsgegevens naar Adobe te sturen per 5 juni 2026 uitgezet. Dat betekent dat er op dit moment niets verzonden wordt aan Adobe. In de tabel in bijlage 1 staat aangegeven welke gegevens gedeeld werden met Adobe op het moment van uitzetten van de functie.2
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bij deze verwerking een Adobe Experience Cloud ID, ECID, MID of vergelijkbare persistente identifier wordt gebruikt en zo ja, wat de bewaartermijn is van de bijbehorende cookies of identifiers?
Zoals hierboven aangegeven, staat de functie om analyticsgegevens met Adobe te delen uit. Voordat deze functie was uitgezet werd een identifier gebruikt en werden tracking-cookies geplaatst bij de eindgebruikers voor twee jaar.
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bedragen, BSN, IBAN, betalingskenmerk, aanslagnummer, vorderingsidentificatie, claim-identifier, IP-adres, sessiegegevens, referrers of andere direct of indirect herleidbare gegevens aan Adobe of aan Adobe-gelieerde systemen worden verstrekt?
De functie om analyticsgegevens met Adobe te delen staat uit. Op dit moment kunnen we daarom uitsluiten dat gegevens verstrekt worden. In het antwoord op vraag 3 staat aangegeven welke gegevens werden gedeeld met Adobe. We kunnen niet uitsluiten dat meer gegevens zijn gedeeld, omdat niet duidelijk is wat een gebruiker gedeeld heeft in een vrij tekstveld of zoekmachine. Wel weten we dat het IP-adres in ieder geval meegezonden werd, zoals toegelicht op pagina 12 van bijlage 1.
Wie is voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke, wie is verwerker, en welke rol heeft Adobe juridisch en feitelijk bij deze verwerking: uitsluitend verwerker, zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke of gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke?
De Minister van Financiën is de verwerkingsverantwoordelijke. De standaarddienst voor websiteanalytics wordt afgenomen bij leverancier IBM, waarbij Adobe de onderleverancier is. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Er is destijds met IBM daarom een standaardcontract afgesloten, maar geen verwerkersovereenkomst. Naar nu blijkt zijn er wel persoonsgegevens verwerkt, waardoor een verwerkersovereenkomst nodig was geweest. Destijds is hier onvoldoende aandacht voor geweest.
Welke juridische grondslag bestaat er onder de AVG voor het meten van betaalgedrag binnen een verplichte overheidsdienst na DigiD-inlog, en hoe beoordeelt u daarbij noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Het gebruik van Adobe Analytics was niet in lijn met de geldende ePrivacy-regels en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Deze functionaliteit is dan ook uitgezet.
Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken (zie vraag 6). Daarom zijn de grondslag en de noodzakelijkheid niet beoordeeld. Als wij nu beoordelen welke gegevens zijn gedeeld, zijn wij van mening dat het niet noodzakelijk is om al deze gegevens te verwerken. De verwerking is dan ook gestopt. Bij het opnieuw inrichten van websiteanalytics zal de Belastingdienst de grondslag beoordelen en de noodzakelijkheidstoets uitvoeren.
Acht u voor het plaatsen of uitlezen van deze cookies of vergelijkbare trackingtechnologie toestemming vereist op grond van de Telecommunicatiewet/ePrivacy-regels, en zo nee, waarom kwalificeert deze verwerking volgens u als niet-privacygevoelige analytische meting?
De inrichting voldeed niet aan de geldende ePrivacy-regels. Gelet op het gebruik van tracking-cookies met een bewaartermijn van twee jaar en de aard en omvang van de verzamelde gegevens had toestemming gevraagd moeten worden.
Hoe verhoudt deze verwerking zich tot de cookieverklaring van de Belastingdienst, waarin staat dat de cookies geen persoonsgegevens vastleggen en niet tot personen herleidbaar zijn, en tot de privacyverklaring waarin staat dat persoonsgegevens alleen worden gebruikt voor wettelijke taken en doelen die daar direct uit voortvloeien?
De feitelijke verwerking sloot niet aan bij de cookieverklaring en de privacyverklaring. De betreffende functionaliteit is dan ook uitgezet.
Is voorafgaand aan deze inzet van Adobe Analytics in Mijn Belastingdienst en de betaalflow een DPIA, risicoanalyse, verwerkersovereenkomst, doorgiftebeoordeling en inkoopafweging opgesteld, en zijn de Functionaris Gegevensbescherming, CPO, CISO, CIO Rijk, Auditdienst Rijk of Autoriteit Persoonsgegevens hierbij betrokken geweest?
Nee. Zie ook de antwoorden op vraag 6 en 7. Bij het inrichten van de websiteanalytics was het niet de bedoeling om persoonsgegevens te verwerken. Hierdoor is er ook geen DPIA uitgevoerd. De Belastingdienst gaat evalueren of er op basis van de nieuwe inrichting van webanalytics nog een DPIA nodig is en zal, indien blijkt dat er een DPIA uitgevoerd moet worden, de CPO en Functionaris Gegevensbescherming betrekken conform standaardprocedure.
Kunt u bij de risico-inschatting onderscheid maken tussen wat theoretisch mogelijk, aannemelijk, waarschijnlijk en urgent is ten aanzien van koppeling van fiscaal betaalgedrag aan een persistent profiel, doorgifte buiten de EU/EER, toegang door derde partijen, ketenafhankelijkheid en gevolgen voor burgers die wettelijk verplicht zijn belasting te betalen?
Bij het opnieuw inrichten van de websiteanalytics zal conform standaardprocedure, indien nodig (zie vraag 10), een DPIA en/of een risico-inschatting, gemaakt worden. Dit is randvoorwaardelijk voor het in gebruik nemen van websiteanalytics. Alle risico’s die hier een rol spelen, inclusief bovenstaande punten, worden meegenomen. Hierbij zal in het bijzonder aandacht zijn voor de inzet van analytics en de daarvoor benodigde persoonsgegevens.
Bent u bereid de verzending van betaalflowgegevens aan Adobe Analytics per direct te laten onderzoeken en, zolang rechtmatigheid en proportionaliteit niet overtuigend zijn vastgesteld, tijdelijk stop te zetten, de Kamer binnen twee weken een tijdlijn, technische analyse, DPIA, verwerkersovereenkomst en relevante beslisnota’s te sturen voor zover juridisch mogelijk, en deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
De verwerking is stopgezet en wordt pas opnieuw opgestart nadat de rechtmatigheid en proportionaliteit zijn beoordeeld en passend zijn geborgd. Daarbij zal eerst een DPIA worden opgesteld en zullen verwerkersafspraken, waaronder een verwerkersovereenkomst, worden vastgesteld.
De mogelijke ontmanteling van oceaninsche monitoringsystemen door de Verenigde Staten en de gevolgen voor het AMOC-onderzoek |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat de regering-Trump voornemens is oceanische monitoringssystemen te ontmantelen, waaronder de systemen in de Irminger Zee die van cruciaal belang zijn voor het monitoren van de Atlantische Meridionale Omwentelingsstroming (AMOC)?1
Deelt u de opvatting dat de genoemde monitoringssystemen onmisbaar zijn voor wetenschappelijk onderzoek naar de AMOC, en dat ontmanteling ervan de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van AMOC-voorspellingen ernstig zou ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het voornemen van de Amerikaanse overheid om deze monitoringssystemen te ontmantelen, en wat zijn de consequenties van het stoppen voor Nederland en Europa?
Bent u bereid deze kwestie expliciet aan de orde te stellen in bilaterale contacten met de Verenigde Staten en daarbij de Nederlandse en Europese zorgen over het mogelijke verlies van onvervangbare wetenschappelijke kennis en meetdata kenbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de uitspraak van NIOZ-directeur Han Dolman dat de Amerikanen op het gebied van dit soort internationale wetenschappelijke projecten «een onbetrouwbare partner zijn geworden», en deelt u deze kwalificatie? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de wetenschappelijke samenwerking met de VS op het gebied van klimaatonderzoek? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken of het, in nationaal dan wel Europees verband, mogelijk is financiering beschikbaar te stellen teneinde de continuïteit van deze monitoringssystemen te waarborgen en ontmanteling ervan te voorkomen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het feit dat na 2028 nog geen financiering beschikbaar is voor de boeien van het NIOZ, en dat ook in Canada en het Verenigd Koninkrijk onderzoekers naarstig zoeken naar middelen om hun eigen meetnetwerken overeind te houden? Wat doet u om de continuïteit van de Nederlandse bijdrage aan dit mondiale meetnetwerk na 2028 veilig te stellen?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden en binnen de geldende termijn?
De dood van Henry Nowak als gevolg van etnisch gemotiveerd geweld en institutioneel falen van de Britse politie. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de moord op de 18-jarige Britse student Henry Nowak, die op 3 december 2025 in Southampton vijf keer werd neergestoken met een ceremonieel zwaard en stervend werd geboeid door de politie op basis van de gefabriceerde verklaring van zijn moordenaar?
Ik ben via mediaberichten op de hoogte van de berichtgeving over de dood van de heer Henry Nowak in Southampton.
Hoe oordeelt u over de omstandigheden van de dood van Henry Nowak, waarbij de politie de aanvaller geloofde boven het slachtoffer, mede omdat de aanvaller het slachtoffer beschuldigde van racistische uitlatingen?
Dit betreft een aangelegenheid van de Britse autoriteiten. Het is aan hen om de feiten vast te stellen, de toedracht te onderzoeken en indien nodig maatregelen te treffen.
Heeft u naar aanleiding van de dood van Henry Nowak uw zorgen geuit over het institutionele falen van de Britse politie bij uw Britse ambtsgenoot en kunt u dit antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Indien het antwoord op vraag drie ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een stervend slachtoffer wordt geboeid en medische hulp wordt onthouden, terwijl de dader – die het slachtoffer vals beschuldigde van racistische uitlatingen – ongemoeid werd gelaten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het feit dat de Nederlandse media en de politiek nauwelijks aandacht hebben besteed aan de dood van Henry Nowak, terwijl vergelijkbare zaken met andere slachtoffers wel tot uitgebreide politieke en maatschappelijke reacties leidden?
De keuze voor berichtgeving is aan onafhankelijke media zelf. Het is niet aan het kabinet om dit te beoordelen.
Hoe verklaart u dit verschil in politieke, journalistieke en maatschappelijke aandacht?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe beoordeelt u het feit dat de laatste woorden van Henry Nowak – «I can't breathe» – identiek zijn aan die van George Floyd, maar geen vergelijkbare politieke of maatschappelijke reactie hebben opgeroepen in Nederland?
Het kabinet doet geen uitspraken over de mate van maatschappelijke of politieke aandacht.
Deelt u de opvatting dat consequent anti-racismebeleid betekent dat geweld en institutioneel falen worden veroordeeld ongeacht de achtergrond van het slachtoffer?
Ja. Gelijke behandeling en nondiscriminatie zijn kernwaarden van de Nederlandse rechtsstaat.
Kunt u het antwoord op vraag negen toelichten?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid publiekelijk aandacht te vragen voor de zaak-Nowak en uw medeleven te betuigen aan de familie, zoals ook is gedaan bij vergelijkbare zaken?
Het overlijden van Henry Nowak is een tragische gebeurtenis en mijn medeleven gaat uit naar zijn familie en naasten. Het kabinet is begrijpelijkerwijs terughoudend publiekelijk in te gaan op individuele strafzaken in andere landen.
Het bericht dat op middelbare scholen commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat op middelbare scholen, zoals bij het Mondial College in Nijmegen, commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school?1
Ja.
Klopt het dat commerciële partijen via schermen en posters in scholen op deze manier onder de aandacht worden gebracht bij leerlingen tijdens schooltijd?
Ja.
Deelt u de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving horen te zijn en geen plek waar kinderen worden verleid met commerciële advertenties? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving moeten bieden waarin de ontwikkeling, het belang en het welzijn van leerlingen centraal staan. Binnen de wettelijke kaders hebben scholen de ruimte om hun eigen afwegingen te maken omtrent sponsoring en reclame-uitingen op school, maar deze ruimte is niet vrijblijvend. In het Sponsorconvenant2 zijn heldere normen en criteria afgesproken om leerlingen te beschermen tegen schadelijke reclame-uitingen. Met het sponsorconvenant helpen we scholen bij zorgvuldige en transparante besluitvorming over het aangaan van sponsorovereenkomsten. Zo mag sponsoring de ontwikkeling van leerlingen niet schaden en moet dit passen bij de pedagogische en onderwijskundige taak van de school. Daarnaast mag de onderwijsinhoud niet worden beïnvloed en de kernactiviteiten van de school dienen niet afhankelijk te worden van sponsorinkomsten. Ik verwacht van scholen dat zij hun verantwoordelijkheid nemen en dialoog voeren met hun medezeggenschapsraad bij het overwegen van een sponsorovereenkomst.
Mocht een school in de praktijk toch de grenzen van het convenant of de wet overschrijden, dan is het de verantwoordelijkheid van het bestuur om hierop aanspreekbaar te zijn. Belanghebbenden kunnen eventuele misstanden formeel aanhangig maken via de interne klachtenprocedure van de school. Daarnaast biedt de Reclame Code Commissie een laagdrempelige route om de inhoud van specifieke sponsor- of reclame-uitingen te laten toetsen aan de Nederlandse Reclamecode.
Kunt u inzichtelijk maken hoe vaak het voorkomt dat scholen commerciële advertenties via schermen of posters tonen? Kun u aangeven over wat voor soort producten dit gaat en waar in de scholen deze worden tentoongesteld?
Dit wordt niet door het Ministerie van OCW bijgehouden.
Deelt u de opvatting dat wanneer een externe partij geld verdient aan de aandacht van leerlingen, dit niet op thuishoort?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de opvatting dat scholen minderjarigen horen te beschermen tegen ongewenste commerciële reclames, juist ook vanwege het groeiende aantal jongeren met schuldenproblematiek, de impulsaankoopgevoeligheid en de grote mentale druk onder jongeren om erbij te horen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe voorkomt u dat commerciële partijen via scholen ongewenst invloed krijgen op het consumptiegedrag van kinderen, waarbij kinderen een extra kwetsbare doelgroep zijn, zowel vanwege hun leeftijd als het feit dat zij de plek van adverteren (de school) niet kunnen mijden?
Het uitgangspunt is dat de school een veilige, neutrale omgeving moet zijn waar leerlingen op een goede manier onderwijs kunnen volgen. De overheid voorkomt schadelijke beïnvloeding door wettelijke randvoorwaarden te stellen aan de besluitvorming omtrent reclame-uitingen en via sectorafspraken zoals opgenomen in het Sponsorconvenant.
Scholen zijn wettelijk verplicht om hun sponsorbeleid vooraf helder op te nemen in het schoolplan en de schoolgids. Hierdoor zijn de keuzes transparant voor inspectie, ouders en leerlingen. Ook is in de wet vastgelegd dat de school de medezeggenschapsraad moet betrekken bij besluiten over sponsoring. Een school kan dus niet zomaar besluiten over sponsoring of reclame. Mocht een school de wettelijke voorschriften niet naleven, dan voorziet de wet in een formele klachtenregeling.
Bestaan er op dit wetgeving of afspraken over commerciële reclames binnen schoolgebouwen in onderwijs? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u inzicht geven in de afspraken die scholen hebben met deze commerciële partijen en hierbij ook inzicht geven in wat er gebeurt met de opbrengsten van het beschikbaar stellen van reclameplekken door scholen?
Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor het opstellen en ondertekenen van een sponsorovereenkomst. In het Sponsorconvenant is opgenomen dat scholen sponsorinkomsten apart zichtbaar moeten maken in de jaarrekening van de school. Over de periode van 2020–2024 ging het om 0,006%3 van de totale baten van de scholen in het primair- en voortgezet onderwijs. Wat een school vervolgens doet met de opbrengsten, wordt niet bijgehouden.
Is het mogelijk om reclameuitingen op scholen te verbieden? Waarom wel of niet en welke subsidiaire mogelijkheden zijn er?
Op dit moment bieden de huidige wetgeving en het Sponsorconvenant scholen al voldoende handvatten om bewuste, autonome keuzes te maken. De regie ligt hiermee bij de school en de medezeggenschapsraad.
Om de naleving scherp te houden, is met de convenantpartijen afgesproken om het Sponsorconvenant ieder schooljaar onder de aandacht te brengen van het onderwijsveld. Het Sponsorconvenant wordt daarnaast elke vijf jaar geëvalueerd, de eerstvolgende evaluatie wordt in 2029 gedaan. Op dit moment zie ik dan ook geen aanleiding voor aanvullende wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor de behandeling van de Slotwet OCW 2025?2
De praktische organisatie en naleving rond het Offerfeest 2026 |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over het toezicht tijdens het Offerfeest 2026?1
Ja. Een dergelijk nieuwsbericht wordt iedere jaar voorafgaand aan het Offerfeest gepubliceerd.
Kunt u toelichten welke lessen uit eerdere edities van het Offerfeest concreet zijn verwerkt in de aanpak voor 2026, zowel ten aanzien van dierenwelzijn als handhaving en preventie van overtredingen?
Het Offerfeest wordt jaarlijks voorbereid in een samenwerkingsverband van LVVN, NVWA, Vereniging van Zelfslachtende Slagers (VZS), VleesNL, Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) en politie. Na afloop volgt in dit verband een evaluatie, waarbij iedere organisatie de verbeterpunten meeneemt voor het procesverloop van het Offerfeest. Er is gewerkt aan een betere aansluiting tussen het aangeboden aantal te slachten dieren en de planning van de toezichtscapaciteit. Zo wordt voorkomen dat het slachthuis meer dieren aanvoert dan geslacht kunnen worden. Ook heeft de NVWA de afgelopen jaren haar toezicht in algemene zin versterkt door invoering van verscherpt toezicht en three strikes out. Herhaalde overtredingen en ook misdragingen jegens toezichthouders van voorgaande jaren worden beter meegewogen bij de keuze van te nemen maatregelen. Daarnaast zet ik mij in voor een herziening van het boetestelsel, met onder meer hogere en omzetgerelateerde boetes, zoals ik heb aangekondigd in mijn brief van 18 juni 2026 (Kamerstuk 33 835, nr. 262). Tot slot wordt door de NVWA op bedrijfsniveau na elk offerfeest een evaluatie uitgevoerd, die meeweegt in de toestemming en het toezicht voor het jaar erop. Zo kijkt de NVWA elk jaar waar het beter kan.
Gelet op het feit dat de NVWA meldt dat in 2025 een groter aandeel dieren bedwelmd is geslacht, welke factoren hebben volgens u aan deze ontwikkeling bijgedragen en ziet u mogelijkheden om deze ontwikkeling verder te versnellen?
In Nederland is bedwelmde slacht de wettelijke standaard. De redenen om een dier onbedwelmd ritueel dan wel bedwelmd te laten slachten zijn divers en niet eenduidig vast te stellen; dit kan samenhangen met keuzes van religieuze gemeenschappen, slachthuizen en afnemers, en met de praktische organisatie rondom het Offerfeest. Mijn inzet blijft gericht op een zorgvuldige uitvoering binnen de geldende wettelijke kaders, met toezicht door de NVWA op dierenwelzijn, diergezondheid, voedselveiligheid en hygiëne. Tegelijk wil ik mij, binnen de huidige wettelijke kaders inzetten om het aandeel onbedwelmde religieuze slacht verder terug te brengen. Ik zal daarover met de betrokken partijen, waaronder het CMO, in gesprek treden.
Deelt u de opvatting dat het voorkomen van vermijdbaar dierenleed altijd leidend moet zijn bij beleid rondom rituele slacht?
Dat deel ik. Het verbeteren van dierenwelzijn tijdens de onbedwelmde rituele slacht was in 2012 een belangrijk uitgangspunt van het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten. In de evaluatie van het Convenant door Deloitte uit 2021 (Kamerstuk 28 286, nr. 1232) is geconcludeerd dat het Convenant doelmatig en doeltreffend functioneert in de praktijk en heeft geleid tot een verbetering van het dierenwelzijn ten opzichte van de nulmeting in 2014. Tegelijkertijd geldt dat rituele slacht zonder voorafgaande bedwelming binnen Europese regelgeving onder voorwaarden is toegestaan en beperking hiervan raakt aan de vrijheid van godsdienst. Daarom is de inzet erop gericht om binnen de geldende huidige wettelijke kaders de aantasting van het dierenwelzijn zo veel mogelijk te beperken. Dat gebeurt onder meer via aanvullende voorschriften in het Besluit houders van dieren, permanente aanwezigheid van de NVWA bij onbedwelmde rituele slacht en handhaving wanneer regelgeving niet wordt nageleefd.
Hoe beoordeelt u vanuit dierenwelzijnsperspectief het feit dat dieren bij onverdoofde slacht aantoonbaar langer bij bewustzijn kunnen blijven en daarbij meer stress en pijn ervaren?
De algemene wetenschappelijke opvatting is dat de halssnede bij een dier dat bij bewustzijn is pijn veroorzaakt en dat het dier stress ervaart in de periode tot het als gevolg van het verbloeden het bewustzijn verliest. Om die reden zijn in het convenant onbedwelmde slacht volgens religieuze riten concrete afspraken gemaakt om het welzijn van deze dieren te verbeteren. De normen uit het convenant die betrekking hebben op dierenwelzijn zijn opgenomen in het Besluit houders van dieren. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving en grijpt waar nodig in om het dierenwelzijn te waarborgen. Bij de totstandkoming van het convenant is ook een afweging gemaakt tussen dierenwelzijn en godsdienstvrijheid.
Bent u bekend met signalen van dierenartsen en dierenwelzijnsorganisaties dat dieren tijdens onverdoofde slacht langdurig worden gefixeerd, worden gekanteld in zogenoemde kantelboxen en in sommige gevallen herhaaldelijk moeten worden aangesneden voordat bewustzijnsverlies optreedt?2
Ik ben bekend met deze signalen. Het beeld dat dieren bij de onbedwelmde rituele slacht structureel langdurig worden gefixeerd, onjuist worden gekanteld of herhaaldelijk moeten worden aangesneden, herken ik echter niet. Fixatie en het gebruik van kantelapparatuur zijn aan strikte dierenwelzijnsvoorschriften gebonden en bij deze slacht is sprake van permanent toezicht door de NVWA. De NVWA ziet daarbij toe op de duur en wijze van fixatie, het gebruik van de apparatuur en een correcte uitvoering van de halssnede. Wanneer een handeling niet overeenkomstig de geldende voorschriften wordt uitgevoerd, grijpt de NVWA direct in en wordt waar nodig handhavend opgetreden. Er zijn geen aanwijzingen dat de dierenwelzijnsvoorschriften hierbij structureel niet worden nageleefd.
Hoe wordt tijdens het Offerfeest gecontroleerd dat dieren direct na de halssnede voldoende bewustzijnsverlies vertonen en welke maatregelen worden genomen wanneer dat niet het geval is?
Tijdens het Offerfeest worden niet alle dieren onbedwelmd geslacht. Uit de voorlopige cijfers blijkt dat tijdens het Offerfeest dit jaar 32% van de geslachte dieren onbedwelmd is geslacht en 68% van de dieren bedwelmd is geslacht. Bij bedwelmde slacht is er sprake van bewustzijnsverlies voordat de halssnede gezet wordt.
De NVWA ziet erop toe dat medewerkers van het slachthuis de controle op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid bij alle dieren die onbedwelmd geslacht worden, correct uitvoeren. De afwezigheid van corneareflex en ooglidreflex zijn betrouwbare indicatoren om te controleren op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid. Andere tekenen zijn de afwezigheid van ademhaling, een negatieve dreigtest of reactie op een toegediende pijnprikkel.3 De controle op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid vindt plaats voordat het dier de fixatie verlaat, of in ieder geval na 35 seconden waarbij in geval van tekenen van bewustzijn de dieren bedwelmd moeten worden binnen 40 seconden na de halssnede.
Zoals in antwoord op vraag 6 aangegeven, wordt bij geconstateerde overtredingen handhavend opgetreden. Ook worden corrigerende maatregelen genomen zoals een directe aanwijzing tot nabedwelmen en/of het niet meer toestaan van onbedwelmd ritueel slachten.
Bent u bekend met wetenschappelijke kritiek op de zogenoemde waterbadmethode bij pluimvee, waarbij dieren wel bewegingsloos maar niet volledig buiten bewustzijn zouden zijn?3
Ik ben bekend met de wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp en de risico’s die worden geschetst ten aanzien van de waterbadmethode.
Hoe beoordeelt u het risico dat dieren bij toepassing van de waterbadmethode alsnog bij bewustzijn de halssnede ondergaan of levend in verdere slachtprocessen, zoals de broeibak, terechtkomen?
Het bedwelmen met de waterbadmethode is toegestaan op grond van Verordening (EG) nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. Voor het gebruik van het waterbad als bedwelmingsmethode zijn in deze verordening specifieke voorschriften vastgelegd.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt toezicht op de naleving van deze voorschriften tijdens de slacht. Een verbod op of beperking van een toegestane bedwelmings- of dodingsmethode kan alleen in Europees verband worden gerealiseerd. Ik heb mij eerder in Europees verband ingezet voor een verbod op de waterbadmethode, mede naar aanleiding van de aangekondigde herziening van Verordening (EG) nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. Ik zal mij hiervoor op daartoe geschikte momenten blijven inzetten. Ook wil ik na de zomer in gesprek met de sector om te kijken of er afspraken gemaakt kunnen worden om zaken op het gebied van dierenwelzijn in slachthuizen te verbeteren. Daarbij wil ik ook kijken naar bedwelmingsmethodes.
Deelt u de opvatting dat technieken waarbij dieren langdurig bij bewustzijn blijven, zichtbaar stress ervaren of hun eigen slachtproces meemaken, zo veel mogelijk moeten worden uitgebannen?
Ja. Ik vind dat dieren tijdens het houden, transporteren en doden zo min mogelijk stress, pijn en vermijdbaar lijden mogen ondervinden. Tegelijkertijd geldt dat de beoordeling van specifieke slacht- en bedwelmingsmethoden plaatsvindt binnen de bestaande nationale en Europese wettelijke kaders. Voor toegestane methoden gelden voorschriften die erop gericht zijn de aantasting van het dierenwelzijn zo veel mogelijk te beperken. De NVWA ziet toe op de naleving daarvan. Waar uit nieuwe wetenschappelijke inzichten of praktijkervaring blijkt dat verdere verbeteringen mogelijk zijn, ben ik bereid deze te betrekken bij de verdere ontwikkeling van het dierenwelzijnsbeleid, zowel nationaal als in Europees verband.
In hoeverre acht u het wenselijk dat uitzonderingen voor religieuze slachtmethoden telkens opnieuw worden verlengd, terwijl het maatschappelijke en politieke draagvlak voor verdere verbetering van dierenwelzijn groeit?
Ik onderken dat over dit onderwerp maatschappelijk en politiek debat bestaat. Dat debat over de wenselijkheid en reikwijdte van de uitzondering voor religieuze slachtmethoden kan vanzelfsprekend in de Kamer worden gevoerd. Zolang de huidige wettelijke kaders gelden, richt ik mij op een zorgvuldige uitvoering daarvan, het minimaliseren van dierenleed, de naleving van de voorschriften en toezicht door de NVWA.
Deelt u de opvatting dat de overheid een duidelijke norm moet uitdragen dat bedwelmde slacht de standaard is en het onverdoofd slachten of koken van dieren verboden hoort te zijn?
Dit wordt uitgedragen. In Nederland is namelijk bedwelmde slacht de wettelijke standaard. De mogelijkheid om, voor religieuze doeleinden, dieren zonder voorafgaande bedwelming aan te snijden vormt daarop een uitzondering die rechtstreeks voortvloeit uit de Verordening 1099/2009. Het aantal dieren dat in Nederland onbedwelmd ritueel wordt geslacht is beperkt in verhouding tot het totaal aantal geslachte dieren. Uiteraard zullen we blijven uitdragen dat bedwelmde slacht de norm is.
Welke aanvullende mogelijkheden ziet u om dierenwelzijn tijdens het Offerfeest verder te verbeteren en het aandeel onverdoofde slacht verder terug te dringen, bijvoorbeeld via reversibele bedwelming of strengere voorwaarden aan slachtmethoden?
De bestaande regelgeving, de gezamenlijke voorbereiding van het Offerfeest en het permanente toezicht door de NVWA hebben de afgelopen jaren tot verbeteringen ten aanzien van dierenwelzijn geleid. Tegelijk wil ik mij, binnen de huidige wettelijke kaders, inzetten om het aandeel onbedwelmde religieuze slacht verder terug te brengen. Ik zal daarover met de betrokken partijen, waaronder het CMO, in gesprek treden. Daarbij kan worden gedacht aan het in overleg met de betrokken partijen verder bevorderen van het gebruik van bedwelming bij religieuze slacht.
Bent u bereid om na afloop van het Offerfeest 2026 de aanpak te evalueren met de NVWA, gemeenten, slachthuizen en betrokken maatschappelijke en religieuze organisaties en de Kamer daarbij expliciet te informeren over mogelijkheden om het aandeel onverdoofde slacht verder terug te dringen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, vindt jaarlijks overleg plaats tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), vertegenwoordigers van slachthuizen en vertegenwoordigers van de betrokken religieuze gemeenschappen over het verloop van het Offerfeest. Tijdens deze evaluaties, maar ook in de overleggen in aanloop naar het Offerfeest, staat primair de correcte uitvoering van de geldende wettelijke voorschriften centraal ten aanzien van dierenwelzijn, diergezondheid en voedselveiligheid, evenals de capaciteit voor toezicht en communicatie rondom het Offerfeest. Daarbij wordt niet gesproken over het actief terugbrengen van het aandeel onbedwelmde rituele slacht. De cijfers over onbedwelmd ritueel geslachte dieren, waaronder aantallen per diercategorie en gegevens over nabedwelming, worden jaarlijks aan de Tweede Kamer verstrekt en, conform de toezegging T03706 van 11 juli 2023, ook aan de Eerste Kamer toegezonden.
De positie van christenen in India |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Harde maatregelen tegen christenen in India: water en werk geweigerd»?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van de berichtgeving over de situatie van christelijke gemeenschappen in het district Kanker in de Indiase deelstaat Chhattisgarh, maar kan deze berichten in dit specifieke district niet verifiëren. Dat laat vanzelfsprekend onverlet dat het kabinet berichten over het mogelijk ontzeggen van toegang tot water, banen en andere bestaansmiddelen aan christelijke families zorgwekkend acht.
In algemene zin geldt dat de oorzaken van geweld tegen religieuze minderheden in India zich niet altijd eenduidig vast laten stellen. Er zijn grote verschillen in de dynamiek op nationaal niveau en op niveau van de verschillende deelstaten. Voorts is niet steeds mogelijk om helder te differentiëren of er sprake is van conflict van religieuze of etnische aard, gerelateerd aan sociale klasse, aan economisch conflict (bijvoorbeeld conflict over land of grondstoffen), of aan een combinatie van dergelijke factoren. Dit geldt zeker voor een deelstaat als Chhattisgarh die reeds decennialang geteisterd wordt door conflict.
Beschikt u over eigen informatie over de in het artikel beschreven situatie? Klopt het dat christelijke gemeenschappen via boycotmaatregelen onder druk worden gezet om hun geloof af te zweren?
Meldingen van sociale uitsluiting, discriminatie of druk in verband met religieuze identiteit zijn zorgelijk. De beschreven situatie zou passen binnen bredere spanningen rond religieuze bekeringen en de positie van religieuze minderheden waarover regelmatig gerapporteerd wordt door religieuze organisaties en mensenrechtenorganisaties. De Nederlandse ambassade in New Delhi volgt deze situatie nauwgezet. Zoals hierboven evenwel uiteengezet beschikt het kabinet momenteel niet over onafhankelijk geverifieerde informatie over de in het artikel beschreven situatie.
Bent u bereid om deze situatie, zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen van de Indiase autoriteiten en daarbij aan te dringen op bescherming van de getroffen christelijke gemeenschappen en op toegang tot de waterbronnen, banen binnen het overheidsprogramma en de producten uit het bos? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, zowel bilateraal als samen met EU-partners, in om zorgen over de positie van religieuze minderheden, waaronder christelijke gemeenschappen, bij de Indiase autoriteiten aan de orde te stellen. In EU-verband gebeurt dit onder meer via de jaarlijkse EU-mensenrechtendialoog met India en andere relevante politieke contacten, waar aandacht wordt gevraagd voor bescherming van kwetsbare groepen en hun toegang tot basisvoorzieningen en bestaansmiddelen.
Deze inzet vindt plaats binnen het bredere Nederlandse mensenrechtenbeleid. Een van de prioriteiten van het kabinet in het mensenrechtenbeleid is vrijheid van religie en geloofsovertuiging. Nederland maakt gebruik van bilaterale en multilaterale kanalen om zorgen over vrijheid van religie en levensovertuiging over te brengen, in lijn met de inzet zoals uiteengezet in de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart 2026.
Hoe taxeert u de antibekeringswet die is aangenomen door de Indiase deelstaat Chhattisgarh?2 Is deze wet inderdaad in strijd met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging? Op welke wijze heeft u deze kwestie aangekaart, zowel in bilateraal als in EU-verband?
Antibekeringswetgeving bestaat in verschillende Indiase deelstaten en is gericht op het voorkomen van bekeringen die volgens de wetgever tot stand komen door dwang, fraude of misleiding. De nieuwe wet in Chhattisgarh bevat onder meer bepalingen die personen die van religie willen veranderen verplichten dit vooraf te melden bij de autoriteiten. Daarnaast voorziet de wet in zware straffen voor bekeringen die volgens de wet door verboden middelen tot stand zijn gekomen.
De gevolgen van dergelijke wetgeving voor de vrijheid van religie en levensovertuiging baren het kabinet zorgen. Zowel artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) als artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) erkennen het recht om van religie of overtuiging te veranderen als onderdeel van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Wetgeving die religieuze bekeringen onderwerpt aan voorafgaande meldings- of toestemmingsvereisten staat daarmee op gespannen voet met deze internationale mensenrechtenstandaarden. Zie overigens het antwoord op vraag 3.
Kunt u in bredere context de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India schetsen? Deelt u de zorgen over onderdrukking van deze minderheden in India?
Naast christenen worden ook andere groepen zoals moslims in toenemende mate geconfronteerd met discriminatie, geweld en beperkende maatregelen. Dit past in een breder patroon van druk op religieuze minderheden in meerdere Indiase deelstaten. Het kabinet deelt de zorgen van de Kamer. De Nederlandse inzet is ingebed in een breed mensenrechtenkader dat zich richt op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen, ongeacht geloofsovertuiging. In de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart 2026 heeft het kabinet bevestigd dat bescherming van religieuze minderheden, waaronder christenen, een prioriteit is.
Wordt de situatie van christenen en andere religieuze minderheden in India expliciet betrokken bij de Nederlandse inzet ten aanzien van de betrekkingen met India? Zo ja, op welke wijze?
De situatie van religieuze minderheden maakt onderdeel uit van de bredere Nederlandse inzet op mensenrechten in India. Nederland volgt de situatie van religieuze minderheden in India nauwgezet, zowel bilateraal als in EU- en VN-verband. De Nederlandse ambassade in New Delhi onderhoudt contacten met maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers om zicht te houden op ontwikkelingen rondom vrijheid van religie en levensovertuiging. Ook spreekt de ambassade, samen met andere EU-lidstaten, regelmatig met vertegenwoordigers van religieuze minderheden over de situatie ter plaatse. Daarnaast wordt de positie van religieuze minderheden, inclusief die van christenen, geadresseerd in de EU-India mensenrechtendialoog.
Is christenvervolging als gespreksonderwerp aan bod gekomen tijdens het recente bezoek van Minister-President Modi aan Nederland, conform motie-Bikker/Stoffer (Kamerstuk 36 800, nr. 56)? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet handelt conform de motie-Bikker/Stoffer en betrekt vrijheid van religie en levensovertuiging structureel bij contacten met landen waar dit aan de orde is. Over de specifieke inhoud van diplomatieke gesprekken met Minister-President Modi doet het kabinet in het openbaar geen mededelingen. Mensenrechten vormen een vast onderdeel van de Nederlandse inzet in contacten met India. De inzet op dit thema is in lijn met de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder.
Welke concrete stappen zet Nederland momenteel in EU- en VN-verband ter bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India? Bent u bereid tot extra inzet? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, samen met EU-partners, in voor de bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India. Onder meer middels de EU-mensenrechtendialoog met India en in relevante bilaterale contacten.
Daarnaast wordt via de Nederlandse ambassade in New Delhi en de EU-delegatie nauw contact onderhouden met mensenrechtenverdedigers, maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van religieuze en andere kwetsbare gemeenschappen in India, om ontwikkelingen te volgen.
Deze inzet vindt plaats binnen het bredere Nederlandse mensenrechtenbeleid, waarin vrijheid van religie en levensovertuiging een prioriteit is. Nederland is actief lid van de International Freedom of Religion or Belief Alliance en zet zich daarbinnen in voor de bescherming van religieuze minderheden wereldwijd. In VN-verband steunt Nederland resoluties die vrijheid van religie bevorderen en spreekt het landen aan op schendingen. De diplomatieke inzet wordt ondersteund door programmatische instrumenten, waaronder het Mensenrechtenfonds en het FOCUS-programma (2026–2031, EUR 35 miljoen), actief in landen waar religieuze gemeenschappen aantoonbaar onder druk staan. De inzet richt zich naast concrete schendingen ook op onderliggende oorzaken zoals conflict, sociaaleconomische ongelijkheid en zwak bestuur, met als doel duurzame verbetering van de positie van religieuze minderheden.
Het bericht ‘Hoe de Waddentop in Esbjerg uitmondde in een deceptie’ |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het verloop en de uitkomsten van de trilaterale Waddenzeeconferentie in Esbjerg?1
Ik betreur dat het vanwege de op dat moment nog lopende kabinetsformatie in Denemarken onmogelijk was om een politieke ontmoeting met mijn Deense en Duitse collega’s te hebben op de conferentie in Esbjerg. Dit was een onvoorziene samenloop van omstandigheden waar helaas niets aan te doen was. Toch beoordeel ik het verloop en de uitkomsten van de conferentie als geheel positief. Er zijn veel nieuwe connecties gelegd tussen overheden, NGO’s en bedrijfsleven in de drie Waddenzeelanden en er is onder andere een gezamenlijk statement getekend door de drie landen waarin het belang van de bescherming van de Waddenzee opnieuw bevestigd is.2
Hoe beoordeelt u het feit dat er geen gezamenlijke regeringsverklaring tot stand is gekomen tussen Nederland, Duitsland en Denemarken?
In het gezamenlijke statement van de drie landen op de conferentie is uitgesproken dat de drie landen alsnog een regeringsverklaring zullen tekenen zodra de nieuwe Deense regering geïnstalleerd is. Van uitstel komt dus zeker geen afstel.
Deelt u de mening dat voor een goede bescherming van het Werelderfgoed Waddenzee goede internationale afspraken onontbeerlijk zijn?
Ja.
Acht u intensievere samenwerking tussen de Waddenzeelanden noodzakelijk gezien de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het beschermen van de Waddenzee als ecologische eenheid en UNESCO Werelderfgoed?
Ja. De trilaterale Waddenzee samenwerking is sinds het ontstaan in 1978 gebaseerd op een vrijwillige samenwerking tussen de drie landen Denemarken, Duitsland en Nederland.3 De wens om intensiever samen te werken zal dus ook door de andere twee landen gedeeld moeten worden om gerealiseerd te kunnen worden. Nederland zal als voorzitter deze wens met Duitsland en Denemarken bespreken.
Welke concrete resultaten zijn volgens u, ondanks het uitblijven van een regeringsverklaring, wel bereikt tijdens de conferentie in Esbjerg?
Het belang van de bescherming van de Waddenzee is op de conferentie opnieuw bevestigd door de drie deelnemende landen in een gezamenlijk statement. Ook is het voorzitterschap van de trilaterale samenwerking overgegaan van Denemarken naar Nederland. Luzette Kroon, Dijkgraaf van het Wetterskip Fryslân, zal deze rol de komende vier jaar namens Nederland vervullen. De brede deelname van overheden, NGO’s en bedrijfsleven aan de conferentie heeft daarnaast geleid tot meer wederzijds begrip.
Welke prioriteiten stelt Nederland tijdens het aankomende voorzitterschap van de Trilaterale Waddenzee Samenwerking?
Zodra de nieuwe Deense regering is aangetreden, leggen we de gezamenlijke inzet voor de samenwerking in de komende vier jaar vast in de Verklaring van Esbjerg. Zodra het zover is, zal ik deze ook met uw Kamer delen. Uit de Verklaring van Esbjerg zullen ook de prioriteiten en doelen van het Nederlandse voorzitterschap volgen. Deze prioriteiten en doelen worden de komende tijd uitgewerkt in samenspraak met overheden, NGO’s en stakeholders in het gebied. Hierbij zal de Waddengovernance worden betrokken. Ook zal er afstemming plaatsvinden met Duitsland en Denemarken. Inzet van Nederland is om het Werelderfgoed en de natuur beter te beschermen, met tegelijk oog voor de mensen die in het Waddengebied wonen en werken.
Welke concrete doelen wil Nederland tijdens het voorzitterschap bereiken op het gebied van natuurherstel, klimaatadaptatie en ecologische bescherming van de Waddenzee?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke stappen gaat Nederland als voorzitter zetten om te komen tot meer gezamenlijke en bindende afspraken tussen de drie Waddenzeelanden?
De trilaterale Waddenzee samenwerking is sinds het ontstaan in 1978 gebaseerd op een vrijwillige samenwerking. Deze vrijwillige samenwerking komt voort uit de grote verschillen die er bestaan tussen de governance van het Waddengebied in de drie verschillende landen. Nederland zal als voorzitter de wens om tot meer gezamenlijke en bindende afspraken te komen met Duitsland en Denemarken bespreken. Mocht deze wens door de andere twee landen gedeeld worden, dan zal er hiertoe gedurende het Nederlandse voorzitterschap een voorstel gedaan worden aan de andere twee landen.
Hoe gaat Nederland zich tijdens het voorzitterschap inzetten voor betere afstemming over grootschalige infrastructuurprojecten, zoals de aanleg van stroomkabels door het Waddengebied?
In trilateraal verband werken Nederland, Denemarken en Duitsland aan het LANICE-project.4 Dit project heeft als doelstelling om de EU-doelstellingen voor de aansluiting van hernieuwbare energie te ondersteunen met behoud van de unieke (ecologische) waarden van de Waddenzee. Nederland, Denemarken en Duitsland werken binnen LANICE aan het ontwikkelen van maatregelen om de milieu-impact effectief te verminderen. Dit wordt gedaan door milieueffecten -en conflicten te onderzoeken en de mogelijkheden voor mitigatie en versnelling van projecten voor de energie-infrastructuur in de Waddenzee in kaart te brengen.
Nederland heeft in het Programma Aansluiting Wind op Zee – Eemshaven onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor energie-infrastructuur in het Nederlandse deel van de Waddenzee. In PAWOZ – Eemshaven is uitgebreid gekeken naar de effecten van de aanleg van energie-infrastructuur en mitigerende maatregelen. Vanuit de opgedane kennis, ervaring en expertise van PAWOZ – Eemshaven zal Nederland in haar rol als voorzitter actief blijven bijdragen aan de verdere ontwikkeling van LANICE. Uiteraard in samenwerking met de andere Waddenzee-landen en de betrokken stakeholders, zoals de Waddengovernance en het Omgevingsberaad Waddengebied, alsmede met natuur -en milieuorganisaties.
Hoe gaat Nederland tijdens het voorzitterschap voorkomen dat nationale verschillen blijven leiden tot versnipperde besluitvorming binnen de trilaterale samenwerking?
De verschillen in besluitvorming binnen de trilaterale samenwerking komen voort uit de verschillen die er bestaan tussen de governance van het Waddengebied in de drie landen. Dit is inherent aan het feit dat de Waddenzee zich binnen de grenzen van drie landen bevindt. Met de aanwijzing in 2009 tot Werelderfgoed is het wel minder vrijblijvend geworden: Unesco spreekt de Waddenzeelanden gezamenlijk aan. Nederland zal zich als voorzitter inzetten voor goede afstemming van de besluitvorming binnen de trilaterale Wadden Sea Board, die minimaal twee keer per jaar vergaderd.5
Wanneer is de eerstvolgende geplande bestuurlijke bijeenkomst in het kader van de trilaterale Waddenzee-samenwerking?
De trilaterale Wadden Sea Board vergadert minimaal twee keer per jaar, de eerstvolgende keer in november 2026. Hierin zijn de drie samenwerkende landen op ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De eerstvolgende reguliere bestuurlijke bijeenkomst van de trilaterale Waddenzee samenwerking is gepland medio 2030, op de volgende regeringsconferentie in Nederland. Omdat de Waddenzee daarop niet kan wachten, zal ik – in overleg met mijn Deense collega – mijn collegaministers uitnodigen in Nederland om de Verklaring van Esbjerg te tekenen, zodra de nieuwe Deense regering daartoe in staat is. Ook is het mijn streven om in 2028, wanneer de trilaterale samenwerking 50 jaar bestaat, een extra trilaterale bestuurlijke bijeenkomst en conferentie te organiseren, in het Nederlandse Waddengebied.
Het artikel ‘Nederland is inventief maar te weinig commercieel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg , Herbert , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland is inventief maar te weinig commercieel» van auteur Killian McCarthy?1
Ja.
Deelt u de analyse dat Nederland internationaal sterk presteert op innovatie en kennisontwikkeling, maar achterblijft bij de opschaling en commercialisering van innovatieve bedrijven ten opzichte van andere innovatieve economieën?
Ik deel grotendeels de analyse uit het artikel. In de basis heeft Nederland alles in huis voor innovatie en ondernemende economie (Kamerstuk 32 637, nr. 690). We zijn de «gateway» naar Europa; hebben goed onderwijs, internationaal toponderzoek, internationaal toonaangevende bedrijven, een hoogopgeleide en internationaal georiënteerde, ondernemende beroepsbevolking en een fijn leefklimaat. In Nederland worden veel jonge innovatieve bedrijven opgericht. Echter we zien in Nederland dat de doorgroei van Nederlandse startups tot succesvolle scale-ups achterblijft, en zien we dat er in Nederland relatief weinig startups op basis van publieke kennis worden opgericht. Kortom: de commercialisering en opschaling blijft achter.
Met het startup en scale-up beleid werken wij middels een integrale aanpak aan het verbeteren van het ondernemingsklimaat voor jonge innovatieve tech-bedrijven. Het vorige kabinet heeft hiervoor de actieagenda startup en scale-up beleid2 gepresenteerd. Het kabinet zet deze aanpak voort en zal deze agenda uitvoeren. Daarbovenop zal het kabinet aanvullende maatregelen nemen om het ondernemingsklimaat voor jonge innovatieve tech-bedrijven te verbeteren. Ik zal u hierover later dit jaar informeren.
Heeft u inzicht in het aantal Nederlandse unicornbedrijven en de ontwikkeling daarvan sinds 2010? Zo nee, bent u bereid dit structureel inzichtelijk te maken?
Unicorns zijn private bedrijven – oftewel niet-beursgenoteerde bedrijven – met een waardering van ten minste één miljard dollar. Een bedrijf kan deze status verliezen door een beursgang, door de verkoop van het bedrijf of als de waardering van het bedrijf is gedaald. Doordat het private bedrijven betreft zijn de exacte waarderingen niet openbaar.
Verschillend private dataproviders zoals Dealroom, Crunchbase en CBInsights maken op basis van investeringsrondes schattingen van waarderingen en maken op basis daarvan overzichten van unicorns. Tussen de overzichten van verschillende dataproviders zitten aanzienlijke verschillen.
Sinds 2010 zijn volgens Dealroom 37 tech-bedrijven met een hoofdkantoor in Nederland op enig moment aan te merken geweest als een unicorn. Hiervan zijn volgens Dealroom 14 bedrijven met een hoofdkantoor in Nederland nog steeds aan te merken als unicorn.
Wordt het aantal unicornbedrijven door u gebruikt als indicator voor de effectiviteit van het Nederlandse startup- en scale-up ecosysteem en het investeringsklimaat? Zo nee, waarom niet?
Met het startup en scale-upbeleid streven wij ernaar om het ondernemingsklimaat voor jonge innovatieve techbedrijven te versterken zodat zoveel mogelijk tech-bedrijven doorgroeien tot techkampioenen van morgen. Onze stip op de horizon dat Nederland de komende tien jaar minstens 10 nieuwe technologie- en marktleiders voortbrengt3.
Om de effectiviteit van ons beleid in kaart te brengen kijken wij naar een mix van indicatoren, waaronder het aantal nieuwe tech-startups, het doorgroei percentage tot scale-ups en het geïnvesteerd kapitaal over de laatste jaren. Deze indicatoren tezamen hebben meer voorspellende waarde voor het toekomstig aantal unicorns dan het huidige aantal unicorns. Dit komt doordat het aantal nieuwe unicorns sterk fluctueert.
Wat is de actuele stand van zaken van de gesprekken met de pensioensector over investeringen in Nederlandse technologiebedrijven en scale-ups?
Het mobiliseren van institutionele beleggers zoals pensioenfondsen voor durfkapitaalinvesteringen – en met name Nederlandse technologiebedrijven en scale-ups – is een prioriteit. Hiervoor ben ik met sector en Invest-NL in gesprek.
Invest-NL werkt aan een fonds-in-fonds waar pensioenfondsen in kunnen investeren ten behoeve van start- en scale-up investeringen in hoge impact sectoren. Het fonds bevindt zich momenteel in een vergevorderde fase, waarbij de contouren en voorwaarden grotendeels zijn uitgewerkt en wordt gewerkt naar het vastleggen van zachte commitments. Daartoe voert Invest-NL momenteel actief gesprekken met de grootste pensioenfondsen en meerdere middelgrote en kleine pensioenfondsen, pensioenuitvoerders en verzekeraars.
Daarnaast heeft het Kabinet 200 miljoen euro vrijgemaakt voor het voorgenomen vervolg op het European Tech Champion Initiative (ETCI 2.0). Een belangrijk doel van ETCI is het mobiliseren van institutioneel kapitaal, hiertoe worden ook gesprekken gevoerd met de sector.
Kunt u inzicht geven in de omvang van investeringen van Nederlandse institutionele beleggers, waaronder pensioenfondsen en verzekeraars, in durfkapitaal en venturecapitalfondsen over de afgelopen tien jaar?
Pensioenfondsen investeren in toenemende mate in durfkapitaal, zowel direct in start- en scale-ups als indirect in durfkapitaalfondsen. Zo is er in de afgelopen jaren geïnvesteerd in private fondsen, zoals Innovation industries (600 miljoen euro), DeepTechXL (110 miljoen euro) en KEEN Ventures (40 miljoen).
In de bijlage van de Kamerbrief «Investeringen institutionele beleggers in durfkapitaal» wordt een overzicht gegeven van de durfkapitaal investeringen sinds 20104.
Daarnaast analyseert de NVP ook de investeringen van pensioenfondsen. Uit recente data blijkt dat er in 2023 en 2024 meer dan 3 miljard euro is opgehaald door durfkapitaalfondsen maar dat dit in 2025 wat is teruggezakt naar 816 miljoen euro (bron). Deze daling lijkt voornamelijk te komen doordat pensioenfondsen nu vaker direct investeren in Nederlandse scale-ups.
Welke aanvullende maatregelen neemt u om de beschikbaarheid van groeikapitaal voor startups en scale-ups te vergroten, aanvullend op de inzet via Invest-NL, de Nationale Investeringsinstelling, het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en de gesprekken met pensioenfondsen?
Het kabinet neemt verschillende aanvullende maatregelen om de beschikbaarheid van groeikapitaal voor startups en scale-ups te vergroten. Deze maatregelen bouwen voort op het bestaande durfkapitaalinstrumentarium en richten zich zowel op de vroege fase als op de opschalingsfase.
Voor de vroege fase blijven de Vroegefasefinanciering (VFF), SEED Capital, het Innovatiekrediet en de Thematische Technology Transfer-regeling van belang. Deze regelingen zijn tot 2030 verlengd. Met deze regelingen levert het kabinet een aanzienlijke bijdrage aan zowel valorisatie als de financiering van startups en scale-ups. Deze regelingen grijpen aan op knelpunten in de markt die voortkomen uit marktfalen of bij risicovolle investeringen in innovatieve projecten. Ook de ROM’s blijven hierbij een belangrijke rol spelen. Zij vormen een landelijk dekkend netwerk en ondersteunen innovatieve bedrijven in de vroege fase met risicokapitaal, innoveren en internationaliseren. Dit jaar vindt ook de verplichte beleidsevaluatie van de ROM’s plaats over de periode 2021–2025.
Voor de scale-up fase versterkt het kabinet bestaande en nieuwe initiatieven. Zo is voorgenomen € 130 miljoen beschikbaar te stellen voor versterking van het Deep Tech Fund bij Invest-NL. Samen met de inleg van Invest-NL groeit het fondsvermogen met € 360 miljoen naar € 610 miljoen. Daarmee kan het fonds blijven investeren in sleuteltechnologieën zoals fotonica, halfgeleiders, quantumtechnologie en kunstmatige intelligentie. Ook vergroot het kabinet haar inzet door middel van een Blended Finance Instrument waarvoor € 250 miljoen beschikbaar is gesteld. Dit instrument richt zich op het financieringsknelpunt bij opschaling en grotere tickets, met name voor kapitaalintensieve investeringen.
Door zachte voorwaarden aan te bieden kan het instrument aanvullende private investeringen mobiliseren. Het instrument wordt momenteel uitgewerkt in nauw overleg met de Europese Commissie, vanwege de vereiste staatssteun-goedkeuring. Ook zet het kabinet in op Europese opschalingsfinanciering. Het kabinet heeft € 200 miljoen vrijgemaakt voor ETCI 2.0. Daarmee wordt de slagkracht van Europese durfkapitaalfondsen vergroot en krijgen Nederlandse en Europese tech scale-ups betere toegang tot grotere financieringsrondes. Daarnaast verwelkomt het kabinet Europese initiatieven zoals het Scale-up Europe Fund, de EIC Accelerator en opschalingsfaciliteiten onder het toekomstige Fonds voor Europees Concurrentievermogen.
Tot slot is in 2025 de innovatiedekking binnen het exportkredietinstrumentarium geïntroduceerd. Met deze dekking kan de Staat garanties verstrekken op financiering van innovatieve bedrijven die investeren in sleuteltechnologieën met exportpotentieel. Hierdoor wordt het risico voor financiers verlaagd en kan aanvullend privaat kapitaal worden gemobiliseerd voor innovatieve startups en scale-ups, met name in de fase waarin substantiële investeringen nodig zijn voor opschaling.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige beleid voldoende aansluit bij de behoeften van bedrijven in de zogenoemde grow-upfase? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik onderschrijf het belang van een goede aansluiting van ons beleid bij de financieringsbehoeften van ondernemingen. Het beleid en de aansluiting daarvan bij de praktijk zijn uitgebreid in beeld gebracht in het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Bedrijfsfinanciering5. Hieruit bleek onder meer een hardnekkig knelpunt op het gebied van opschalingsfinanciering, met name bij investeringsrondes vanaf € 50 miljoen.
Het kabinet zet zich in om een dergelijk knelpunt aan te pakken, bijvoorbeeld met een nieuw blended finance instrument en een voorgenomen aanvullende bijdrage aan het Deep Tech Fonds (DTF) onder Invest-NL, evenals een voorgenomen bijdrage aan het vervolg op het European Tech Champions Initiative (ETCI 2.0).
Het kabinet blijft de ontwikkelingen in de markt volgen en benut daarbij de inzichten uit bestaande onderzoeken, evaluaties en de uitvoering van deze maatregelen om het beleid waar nodig verder te versterken. Zo staat in 2027 een evaluatie van Invest-NL gepland, die naar verwachting verdere inzichten zal bieden in de doelmatigheid en doeltreffendheid van dit voor startups en scale-ups relevante instrument.
In hoeverre richt het kabinetsbeleid zich op het vergroten van exitmogelijkheden voor startups en scale-ups, waaronder beursgangen en strategische overnames?
We erkennen dat de exit-mogelijkheden binnen Nederland en Europa onvoldoende zijn voor start- en scale-ups. Uit onderzoek van KPMG6 en EIF7 blijkt dat de afgelopen jaren de slechtste jaren waren sinds lange tijd voor de exit-markt, zowel voor beursgangen als acquisities. Dit remt volgens KPMG de durfkapitaalcyclus waardoor onderinvesteringen ontstaan, zowel op fonds- als op deal-niveau.
Hoewel er signalen zijn van voorzichtig herstel, blijft beleggersvertrouwen kwetsbaar. De stagnerende exitmarkt is wereldwijd een knelpunt en dit wordt versterkt door de huidige geopolitieke spanningen.
Juist onder deze omstandigheden is publiek-private samenwerking essentieel. Het kabinetsbeleid is erop gericht om vanuit de publieke fondsen en instrumenten zoals Invest-NL te zorgen voor tijdig verkennen van exit mogelijkheden voor deze bedrijven of te zorgen voor tijdelijke overbruggingsfinanciering
Wat is naar verwachting het effect van het wetsvoorstel Implementatiewet noteringen en benchmarks2 op het aantal beursgangen (IPO’s) en het vestigingsklimaat voor groeibedrijven in Nederland?
Het wetsvoorstel strekt tot implementatie en uitvoering van een Europees wetgevingspakket (de Listing Act).9 Hiermee wordt beoogd de toegang tot de publieke markten voor ondernemingen te verbeteren door de regels voor de toegang tot de handel op een gereglementeerde markt, multilaterale handelsfaciliteit (MTF) of mkb-groeimarkt te vereenvoudigen en te harmoniseren alsmede de administratieve lasten te verminderen. Onderdeel van het wetsvoorstel is een verhoging van de vrijstellingsgrens van de prospectusplicht bij aanbiedingen van effecten aan het publiek (van € 5 miljoen naar € 12 miljoen).
Door de maatregelen uit het Listing Act wetgevingspakket wordt het met name voor mkb-ondernemingen makkelijker om een beursnotering te krijgen, zodat hun aandelen (en andere effecten) breed verkrijgbaar zijn op de publieke kapitaalmarkt. Dit maakt het voor mkb-ondernemingen eenvoudiger om financiering aan te trekken bij een breed beleggerspubliek en stelt bijvoorbeeld startups en scale-ups in staat om door te groeien na eerdere private investeringsrondes. De verwachting is dan ook dat het wetsvoorstel zal bijdragen aan een toename van het aantal beursnoteringen en verruiming van de financieringsmogelijkheden van (mkb)ondernemingen en daarmee aan versterking van hun groei- en innovatievermogen alsmede hun concurrentiepositie.
Wat is uw inzet om het ondernemersvliegwiel te verbeteren en werknemersparticipatie bij start ups aantrekkelijker te maken?
Het kabinet komt in september met een wetsvoorstel waarin ook een fiscale regeling is opgenomen om werknemersparticipatie bij startups en scale-ups te stimuleren met een lagere belastingheffing en een heffingsmoment bij verkoop van de aandelen. Een positief effect van medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups ingeval van een succesvolle groei is dat een grotere groep van medewerkers profiteert van de waardestijging van de onderneming. Deze waardestijging komt via deze vorm van beloning ook deels beschikbaar om te investeren in andere startups en scale-ups. Daarmee verbetert het ecosysteem voor startups en scale-ups en het ondernemersvliegwiel, zoals ook in het artikel wordt betoogd.
Welke maatregelen zijn er op fiscaal vlak in de in het artikel genoemde landen Zweden, Estland en Ierland, maar ook in de VS, Israël en Singapore, die specifiek innovaties verder ondersteunen?
Om de toegang tot kapitaal te verbeteren voor startups en scale-ups bestaan verschillende fiscale regelingen in de genoemde landen. De toegang tot kapitaal is een van de randvoorwaarden voor succesvolle innovatie bij startups en scale-ups en is fundamenteel voor het opschalen van de onderneming. De belastingstelsels van deze landen zijn niet een-op-een vergelijkbaar met het Nederlandse belastingstelsel, maar een aantal elementen kunnen worden onderscheiden in de verschillende regelingen.
Het stimuleren van initiële investeringen: landen als Ierland, Israël en Singapore kennen fiscale faciliteiten voor particuliere investeerders, business angels of investeringen in jonge innovatieve ondernemingen.
Het belonen van succesvolle investeringen bij realisatie: in bijvoorbeeld de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk bestaat een regeling waarbij vermogenswinst op aandelen in kwalificerende kleine ondernemingen onder voorwaarden fiscaal gunstig wordt behandeld.
Het stimuleren van herinvestering: in onder andere Estland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten worden winsten onder voorwaarden in beginsel pas bij uitkering belast. Onder voorwaarden is het ook mogelijk om zonder belastingheffing gerealiseerde winsten te investeren in andere startups en scale-ups. Zweden kent geen specifieke fiscale regeling met dit doel, maar wel een relevante aanvullende uitzondering binnen hun deelnemingsvrijstelling. Vermogensresultaten op bepaalde aandelenbelangen, waaronder niet-beursgenoteerde deelnemingen, worden onder voorwaarden fiscaal gunstig behandeld.
Voor het zomerreces informeer ik u mede namens de Staatssecretaris van Financiën over het onderzoek naar een fiscale stimulans om privaat kapitaal voor startups en het mkb te versnellen, mede naar aanleiding van het in het coalitieakkoord opgenomen onderzoek naar een win-win-lening en de moties Dassen/Martens-America (motie 21 501-30, nr. 642), Vermeer (motie 32 637, nr. 721) en Bontenbal (motie 36 933, nr. 31).
Welke aanvullende beleidsmaatregelen overweegt u om ervoor te zorgen dat Nederlandse innovaties vaker doorgroeien tot internationaal concurrerende ondernemingen?
In lijn met de inzet van het vorige kabinet, blijft het kabinet zich inzetten op het versterken van het Nederlandse startup- en scale-up ecosysteem. In de kamerbrief «Bouwen aan de tech-kampioenen van morgen»10, heeft het kabinet hiervoor reeds een aantal gerichte maatregelen aangekondigd. Op dit moment ligt de focus op de uitvoering van deze actieagenda. Bij de uitwerking van deze inzet wordt nadrukkelijk gekeken naar knelpunten die innovatieve bedrijven ervaren in de opschalingsfase, waaronder toegang tot talent, financiering en internationale markten.
Daarbij wordt onder meer ingezet op een meer structurele ondersteuning van deeptech bedrijven, onder andere via Techleap. Verder zet het kabinet in op het versterken van valorisatie. Het kabinet onderzoekt daarom naar aanleiding van de motie Oualhadj (motie 32 637, nr. 746) hoe valorisatie kan worden versterkt door structurele financiering voor academische spin-offcreatie te bieden en dit te koppelen aan ondernemersvriendelijke randvoorwaarden.
Daarnaast zet Nederland zich actief in voor een Europees startup- en scale-upbeleid. Het kabinet levert input aan de ontwikkeling van de Europese Startup and Scale-up Strategy en zal bezien hoe de uitkomsten hiervan kunnen bijdragen aan een beter functionerende Europese interne markt voor innovatieve ondernemingen. In dat kader volgt het kabinet ook de ontwikkelingen rond een mogelijke pan-Europese ondernemingsvorm die grensoverschrijdend ondernemerschap binnen de Europese Unie kan vereenvoudigen.
Ten slotte blijft het kabinet werken aan een aantrekkelijk ondernemings- en arbeidsmarktklimaat voor innovatieve bedrijven. Daarbij gaat het onder meer om het behouden van een concurrerend vestigingsklimaat voor internationaal talent.
Met deze inzet werkt het kabinet aan een samenhangend pakket van maatregelen om ervoor te zorgen dat meer Nederlandse innovaties kunnen doorgroeien tot internationaal concurrerende ondernemingen.
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voor het rondetafelgesprek in de Kamer over belastingmaatregelen ter ondersteuning van startups en scale-ups op 11 juni 2026?
Gezien de complexiteit van de vragen en de benodigde interdepartementale afstemming was dit helaas niet mogelijk. We hebben er naar gestreefd om de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Het UNRWA-terror-network |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek van UN-Watch inzake de verwevenheid van UNRWA met terroristische organisaties?1
Is het u bekend dat in de VS een verdergaand onderzoek gaande is gericht op ca. 1.500 UNRWA medewerkers en dat wordt onderzocht/overwogen om UNRWA aan te wijzen als terroristische organisatie?2
Deelt u de mening dat deze informatie over verwevenheid van een VN-organisatie (waar Nederland veel geld in steekt) met terroristen buitengewoon verontrustend is?
Blijft u nog steeds op uw handen zitten of gaat u actie ondernemen? Zo ja, wat gaat u doen?