Het bericht dat de GGZ-instellingen uitstel vragen voor de jaarrekening |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat GGZ-instellingen hun financiële jaarverslagen niet rond krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Ik ben bekend met de problematiek en ben hierover in gesprek met de ggz-sector, accountants, verzekeraars en de zorgautoriteit (NZa). Onder regie van GGZ Nederland wordt met betrokken partijen momenteel een plan gemaakt om de resterende problematiek aan te pakken. Dit plan van aanpak richt zich zowel op «oude» verslagjaren (waaronder 2013) als op latere verslagjaren/ de toekomst. De werkzaamheden zijn erop gericht dat partijen dit plan van aanpak in september gezamenlijk bestuurlijk vast te stellen. Met het oog daarop heb ik de ggz-sector inmiddels tot en met 1 oktober generiek uitstel verleend voor het indienen van het jaarverslag.
Sinds wanneer bent u op de hoogte van de problemen om de financiële verantwoording rond te krijgen? Heeft u bericht gekregen van accountants die aan de bel trokken over problemen bij de verslaglegging?
Coziek (de sectorcommissie van de NBA2 voor de zorgsector) heeft eind 2012 landelijk aangekaart dat bij de overgang naar prestatiebekostiging in de ggz vergelijkbare problemen rondom de omzetbepaling zouden kunnen ontstaan als bij de ziekenhuizen. Daarop is onder regie van GGZ Nederland door diverse partijen gewerkt aan een Handreiking omzetbepaling curatieve GGZ 2013. Die is op 24 oktober 2013 uitgebracht. De NZa heeft de ggz-sector, alsmede zorgverzekeraars, hierover op 31 oktober 2013 met een circulaire geïnformeerd.
Vooruitlopend op de publicatie van de handreiking heeft Coziek mij per brief op 12 september 2013 gemeld dat weliswaar zinvolle stappen waren gezet, maar dat in de handreiking niet alle verantwoordings- en controle-issues werden opgelost. Daarop ben ik met partijen in overleg gegaan over de resterende problematiek. In het overleg zijn concrete actiepunten benoemd om de resterende problematiek aan te pakken. Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en GGZ Nederland hebben in lijn daarmee eerst getracht zelf oplossingen aan te dragen. Per brieven van 18 november 2013 en 7 januari 2014 heeft Coziek mij ingelicht over de status van de resterende knelpunten. Het lukte deze partijen uiteindelijk echter niet om overeenstemming te bereiken over het normenkader voor controle en verantwoording.
Daarop heeft de NBA in april 2014 een audit alert voor de curatieve ggz uitgebracht. Hierop heb ik alle betrokken partijen opnieuw bij elkaar geroepen en is in een bestuurlijk overleg met VWS, NZa, GGZ Nederland, ZN en NBA besloten om een gezamenlijk plan van aanpak op te stellen voor de jaarrekeningen ggz, net zoals dit is gebeurd bij de medisch specialistische zorg. Zoals al gemeld in het antwoord op vraag 1, voert GGZ Nederland de regie over dit proces. Dit moet ertoe leiden dat in september dit plan van aanpak bestuurlijk wordt vastgesteld.
Hoeveel GGZ-instellingen hebben inmiddels om uitstel gevraagd? Welke zijn dat?
Er is generiek uitstel verleend. Dit betekent dat ggz-instellingen niet ieder voor zich uitstel hoeven aan te vragen.
Met welke argumentatie hebben GGZ-instellingen tot 15 juli uitstel gekregen voor het deponeren van hun jaarverslagen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het uitstel was bedoeld om partijen de gelegenheid te geven om te komen tot een plan van aanpak. Omstreeks 15 juli zijn de contouren van een plan van aanpak beschikbaar gekomen om ter toetsing te worden voorgelegd aan de achterbannen van de betrokken organisaties. Om een succesvolle en voortvarende implementatie van het plan van aanpak mogelijk te maken is finalisering van het plan van aanpak en het creëren van een breed bestuurlijk draagvlak en commitment een noodzakelijke voorwaarde. Om dat mogelijk te maken heb ik ggz-aanbieders nog een laatste keer generiek uitstel gegeven voor het indienen van hun jaarverslag 2013, namelijk tot en met 1oktober 2014. Ik zal daarna niet nogmaals generiek uitstel verlenen. Dit kan eventueel betekenen dat instellingen per die datum hun jaarverslagen met een andere dan een goedkeurende verklaring moeten indienen.
Waarom is uitstel verleend zonder dat de Kamer hierover is geïnformeerd? Had u de indruk dat de Kamer informatie over deze problematiek niet op prijs zou stellen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In eerdere overleggen met uw Kamer heb ik toegezegd de Kamer rond de zomer te informeren over voortgang ten aanzien van de jaarrekeningen GGZ. Eind mei is besloten om voor het deponeren van de jaarrekeningen GGZ generiek uitstel te verlenen tot 15 juli ten einde in overleg met de betrokken partijen verder aan een oplossing te werken. Dit generieke uitstel is bekendgemaakt op de site van het CIBG. Op dat moment was VWS nog steeds in overleg met partijen. In deze gesprekken is gebleken dat er meer tijd nodig is voor de uitwerking van een oplossing, hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd met brief van 22 juli 2014
(TK 33 750 nr. 111). De inzet is om in september met een plan van aanpak te komen.
Wat is uw reactie op het voorstel van het NBA, de brancheorganisatie van accountants, die adviseert om uitstel van de jaarverslagen te verlengen tot halverwege september? Gaat u het voorstel overnemen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat de (on)duidelijkheid rond de normen voor correct declareren de kern van het probleem vormt? Zo ja, welke problemen betreft het? Zo nee, wat is uw analyse van het probleem?
Normonduidelijkheid is een van de problemen. Het gaat hier onder andere om onduidelijkheid over administratieve normen (normen over de manier waarop in de administratie van de aanbieder moet kunnen worden aangetoond dat aan de regels is voldaan). De regeling inzake administratieve organisatie en interne controle (NR/CU-504) is door de NZa afgeschaft (deze was van toepassing tot 31 december 2012) en is vervangen door de regel dat er een «audit trail» moet zijn. Het is evenwel niet gelukt om op dit punt landelijke afspraken te maken tussen brancheorganisaties van aanbieders en verzekeraars. Dit veroorzaakt een belangrijk deel van de normonduidelijkheid. Op andere punten wordt de zorginhoudelijke norm als onduidelijk ervaren. Verzekeraars worden bijvoorbeeld geacht om toe te zien op gepast gebruik van zorg en hier ook handhavend op te treden door middel van materiële controles. Wat «gepast gebruik» is, is echter niet altijd scherp afgebakend.
Een ander deel van de problematiek wordt niet veroorzaakt door normonduidelijkheid, maar door «normdiversiteit». Verzekeraars kunnen in hun polissen en/of inkoopcontracten strengere of aanvullende voorwaarden stellen (denk bijvoorbeeld aan normen ten aanzien van het aantal minuten per fase van de behandeling). Deze zijn echter vaak niet eenvoudig of helemaal niet te toetsen, aangezien de registratiesystemen van aanbieders hierop niet zijn ingericht. Bovendien kunnen dit soort eisen verschillen per verzekeraar.
Waren de onduidelijkheden over hoofdbehandelaarschap, verwijsbrieven en gepast gebruik te voorzien? Bent u hiervoor gewaarschuwd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 2.
Wat is uw reactie op de uitspraak van het NBA die aangeeft dat de verschillende werkwijze van alle zorgverzekeraars de controle complex maakt? Bent u bereid maatregelen te treffen? Zo nee, waarom niet?
Het signaal dat verschillende werkwijzen en eisen van verzekeraars de controle complex maakt herken ik en sluit aan bij de signalen die naar voren komen uit de laatste Marktscan GGZ van de NZa in relatie tot het zorginkoopproces. Daaruit blijkt dat de verschillende eisen die verzekeraars stellen er soms toe kunnen leiden dat administratieve lasten te veel toenemen en processen bij zorgaanbieders complexer worden.
Wat betreft de administratieve verantwoording van zorgaanbieders richting verzekeraars, is het ten eerste van belang dat partijen (zorgaanbieders en zorgverzekeraars) er zich aan committeren een convenant «administratieve organisatie/ interne controle» (AO/IC) overeen te komen. Daarbij moet ook een bijbehorend landelijk protocol ten behoeve van de interne controle door zorgaanbieders worden vastgesteld, alsmede een bijbehorende controlestandaard. Dat is primair de verantwoordelijkheid van partijen zelf.
Verder is van belang dat zorgprofessionals zorgen voor de totstandkoming van (landelijke) veldnormen en zorgstandaarden. Duidelijke veldnormen en zorgstandaarden scheppen helderheid voor aanbieders en verbeteren mogelijkheden voor controle op gepast gebruik door zorgverzekeraars. In het kader van het Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGZ gaan partijen aan de slag met de ontwikkeling van zorgstandaarden. Partijen stellen daarbij hun eigen prioriteiten. Specifiek ten aanzien van het hoofdbehandelaarschap in de ggz zal eind dit jaar de commissie Meurs een advies uitbrengen voor een landelijke norm.
Wat is uw reactie op de uitspraak van Paul van Rooij, directeur GGZ Nederland, die aangeeft dat GGZ-aanbieders de dupe dreigen te worden van een fout in het stelsel?2
Door het opstellen van (zorginhoudelijke) veldnormen, het maken van goede, sectorbrede afspraken over de wijze van administratieve verantwoording door zorgaanbieders (zie ook mijn antwoord op vraag4 en door het waar nodig aanpassen of verhelderen van overheidsregels, zijn de problemen naar mijn overtuiging – binnen het huidige stelsel – op te lossen.
Hoeveel banken hebben aangegeven leningen te gaan opeisen bij het uitblijven van een goedgekeurd jaarverslag? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Hier heb ik geen informatie over. De banken worden op de hoogte gehouden van de voortgang van het totstandkomen van het hiervoor genoemde plan van aanpak. Het herstelplan dat hieruit voortvloeit moet de banken voldoende vertrouwen geven voor de toekomst.
Is er een overzicht voor hoeveel financieel gezonde GGZ-instellingen faillissement dreigt wanneer banken hun lening opeisen? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar is geen overzicht van. Zoals ik bij de beantwoording van eerdere vragen al heb aangegeven, werken partijen hard aan een plan van aanpak dat banken voldoende vertrouwen moet geven voor de toekomst.
Deelt u de mening dat het DBC-bekostigingsstelsel niet functioneert, aangezien zowel de GGZ sector als de ziekenhuissector door dit bekostigingssysteem hun jaarrekeningen niet voor elkaar krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik deel uw mening dat het DBC-bekostigingsstelsel (ten principale) niet functioneert niet. De problemen die nu spelen rond de jaarverslagen geven wel aan dat het DBC-bekostigingsstelsel meer vraagt van partijen, waar het gaat om het bieden van transparantie en het afleggen van verantwoording en dat het veel van partijen vraagt om hun processen hier efficiënt en effectief op in te richten. Ook laat het zien dat zorgaanbieders en zorgverzekeraars deels nog zoekende zijn naar hoe zij hun processen wat dit betreft goed (dat wil zeggen: op een voor ieder zo effectief en efficiënt mogelijke manier) op elkaar kunnen laten aansluiten.
Het jaar 2013 is het eerste jaar waarin de ggz-sector sectorbreed is overgestapt naar dbc-bekostiging. Veel problemen die spelen zijn dan ook transitieproblemen. Door het opstellen van (zorginhoudelijke) veldnormen, door het maken van goede, sectorbrede afspraken over de wijze van administratieve verantwoording door zorgaanbieders, en door het waar nodig aanpassen of verhelderen van overheidsregels, zijn deze problemen naar mijn overtuiging binnen het DBC-bekostigingsstelsel op te lossen.
Welke zelfreflectie over de introductie van beleid en financiering wordt op uw ministerie toegepast naar aanleiding van de problematiek om deugdelijke jaarrekeningen te kunnen afleveren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het onderstreept eens te meer dat fundamentele veranderingen in bekostgingsstelsels diep ingrijpen in de processen van zorgaanbieders en verzekeraars en daarmee zeer complex zijn. Zij vragen daarom om een zorgvuldige transitie die met voldoende waarborgen is omgeven en waar voldoende tijd voor wordt genomen.
Het bericht dat tijdelijke bestuurders de zorg overspoelen |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het bericht dat 1 op de 6 bestuurders in de zorg op tijdelijke basis werkt?1
Ik heb kennis genomen van het bericht.
Wat vindt u van de groei van tijdelijke en extern ingehuurde bestuurders van 40%? Hoe verklaart u die groei?
Ik heb kennis genomen van die groei. Aan de analyse over die groei in het artikel kan ik vier overwegingen toe voegen:
Hoe verhoudt deze forse stijging zich tot uw visie op goed bestuur in de zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Binnen private zorginstellingen is de Raad van Toezicht de werkgever van de Raad van Bestuur. De Raad van Toezicht dient de afweging te maken hoe het bestuur van een instelling het best ingericht kan worden, opdat continuïteit van kwalitatief goede en veilige zorg en van de zorginstelling kan worden gewaarborgd. Het feit dat een bestuurder een tijdelijk contract heeft, betekent niet dat hij niet kundig is. Vanuit oogpunt van goed bestuur is het van belang dat zorgbestuurders «in control» zijn van hun organisatie, zowel wat betreft kwaliteit, veiligheid als bedrijfsvoering. Continuïteit in het management en een langere termijnvisie is dan wel van belang, maar ook flexibiliteit en het vermogen zich aan te passen aan veranderende omstandigheden. De Raad van Toezicht moet hierin een balans zien te vinden, waarbij het ook belangrijk is hierbij het personeel en de cliëntenvertegenwoordiging te consulteren.
Is u bekend hoeveel falende bestuurders of topfunctionarissen die in opspraak zijn geraakt en ontslagen zijn als bestuurder elders weer als zorgbestuurder in dienst zijn genomen? Zo ja, wilt u hiervan een overzicht doen toekomen aan de Kamer? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Nee, het is niet mijn taak om de bedrijfsvoering van zorginstellingen door te lichten, noch om toe te zien op de geschiktheid van individuele bestuurders van zorginstellingen. Het is de taak van de Raad van Toezicht om er voor te zorgen dat er een goed bestuur is, dat de wervingsprocedure zorgvuldig is (ondermeer door referenties na te trekken en anderszins onderzoek te doen naar de bekwaamheid/geschiktheid van de kandidaat-bestuurders) en daar toezicht op te houden. Mijn taak is het om er op toe te zien dat er voldoende, kwalitatief verantwoorde en veilige zorg wordt geleverd, tegen aanvaardbare prijzen.
Is u bekend hoeveel en hoe vaak tijdelijke bestuurders zijn aangenomen bij een fusie/schaalvergrotingstraject? Zo ja, wilt u hiervan een overzicht aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u aan de Kamer een overzicht doen toekomen van alle tijdelijke en extern ingehuurde bestuurders die werkzaam zijn in de zorg, uitgesplitst per zorgsector in de afgelopen 5 jaar? Welke trend(s) valt(len) hieruit af te leiden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de zorgen van de governancedeskundigen die aangeven dat door het aanstellen van tijdelijke bestuurders, de bestuurlijke continuïteit in gevaar komt, doordat externe bestuurders vaak op een te grote afstand van de werkvloer staan? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven aangegeven, dienen bestuurders «in control» te zijn van de organisatie waar ze leiding aangeven. Ze zijn immers ook eindverantwoordelijk voor de kwaliteit en veiligheid van zorg. Ook een bestuurder met een tijdelijk contract kan prima functioneren.
Ik ga er van uit dat de Raden van Toezicht zich van hun taak kwijten, zich goed op de hoogte stellen welke inrichting van het bestuur in hun instelling nodig is en er op deze wijze voor zorgen dat zorginstellingen goed worden bestuurd en het bestuur goed wordt bemenst. Welk type contract daar het beste bij past, is een overweging voor de Raad van Toezicht.
Deelt u de mening dat het schadelijk is voor de kwaliteit en continuïteit van zorg, maar ook voor het personeelsbeleid dat er constant tijdelijke bestuurders aangesteld worden, die de dienst uitmaken in een zorginstelling? Zo ja, gaat u maatregelen treffen om tijdelijke aanstellingen van bestuurders zoveel mogelijk te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
In uw vraag gaat u van een andere situatie uit dan waar het bericht van spreekt. U gaat uit van een instelling waar constant tijdelijke bestuurders gedurende een relatief korte periode aan het roer staan. Maar het onderzoek geeft geen inzicht in de gemiddelde duur van de tijdelijke aanstelling noch van de opeenvolgendheid en de spreiding er om heen. Een arbeidsovereenkomst voor 5 jaar (in de zorgsector en voor bestuurders niet ongebruikelijk) is ook een tijdelijke arbeidsovereenkomst. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Deelt u ook de zorg dat wanneer er sprake is van wanbeleid de bereidheid van bijvoorbeeld personeel om naar een rechter of Ondernemingskamer te stappen afneemt omdat een bestuurder dan al vertrokken is? Hoe ziet u dit precies?
Ik kan over realiteit van de door u veronderstelde correlatie in uw vraag niets zinnigs zeggen. Er is mij geen onderzoek bekend op basis waarvan een degelijke conclusie kan worden getrokken. In het geval van Meavita bestond die correlatie in ieder geval niet. In het geval van onbehoorlijk bestuur kunnen bestuurders ook na hun vertrek nog worden aangesproken. Voor het overige verwijs ik u naar mijn antwoorden op uw vragen 4, 5, 6 en 7.
Kunt u verklaren waarom de tarieven van tijdelijke bestuurders zijn gedaald, terwijl eerdere berichtgeving aanwees dat de tarieven van interim-managers veruit het hoogst zijn vergeleken met andere sectoren? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?2
Over die eerdere berichtgeving hebt u vragen gesteld. Daarover heb ik op 1 augustus jl. geantwoord dat het betreffende onderzoek onvoldoende onderbouwing gaf voor de conclusies voor de zorg. Dit nieuwe bericht bewijst dat ook.
Ik kan alleen speculeren over mogelijke verklaringen want onderbouwen kan ik het niet. De invoering van de BBZ (beloningscode voor bestuurders in de zorg), de economische crisis en het toenemend besef dat het werken in de zorg zich niet leent voor toptarieven zijn mogelijk verklarende factoren.
Kunt u verklaren waarom het verschil tussen loonkosten van tijdelijke en vaste bestuurders het grootst is bij kleinere zorginstellingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een harde verklaring heb ik niet. Maar het is denkbaar dat bestuurders die voor een korte periode werkzaam zijn een minimumtarief hanteren dat los staat van de omvang van de zorginstelling, terwijl voor bestuurders met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd de omvang van de instelling wel drukkend werkt op hun beloning.
Bent u bereid onderzoek te (laten) doen naar het onderbrengen van zorgbestuurders onder een cao? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het is aan sociale partners zelf om te bepalen hoever de werkingssfeer van hun cao zich uitstrekt. Met de Wnt (wet normering topinkomens) bestaat inmiddels een voldoende instrument om de beloning van bestuurders te normeren.
Herinnert u zich uw eerdere uitspraken, waarin u aangaf dat in de afgelopen jaren er situaties zijn geweest waarin bestuurders onvoldoende hun verantwoordelijkheid namen voor de kwaliteit van zorg of waar toezichthouders gebrekkig op het bestuur toezagen? Zou een andere bestuursstructuur niet beter zijn voor de zorg? Kunt u uw visie hierop geven?3
In de brief omtrent «Goed Bestuur in de zorg» van 19 september 2013 heb ik aangegeven dat er verbeteringen nodig zijn in het bestuur, intern toezicht en medezeggenschap in de zorg. Met de Commissie Behoorlijk Bestuur, ben ik van mening dat het daarbij in belangrijke mate gaat om het bevorderen van een cultuuromslag binnen zorginstellingen die niet simpelweg met wet- en regelgeving te realiseren valt. Het is van belang dat ook binnen zorginstellingen zelf tegenspraak en «lastige gesprekken» worden georganiseerd. Binnen veel zorginstellingen valt daar nog veel te verbeteren.
Ik heb eerder toegezegd de beantwoording van het VSO over de brief Goed Bestuur voor het herfstreces naar de Kamer te sturen. Daarin zal ik nader ingaan op enkele concrete acties die ik op dit gebied wil ondernemen.
Bent u bereid maatregelen te treffen om het bestuurdersmodel in de zorg te herzien en een einde te maken aan falende bestuurders, graaiende bestuurders en de overvloed aan tijdelijke bestuurders? Zo ja, wanneer informeert u de Kamer hierover? Zo nee, waarom niet?
De Wnt stelt inmiddels al een door de politiek vastgesteld plafond aan de beloning van bestuurders. Verder heb ik u in de bovenstaande antwoorden gemeld dat ik het vraagstuk over het al dan niet aanbieden van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor bestuurders niet tot mijn verantwoordelijkheid reken. In bovenstaande antwoorden heb ik ook gemeld dat ik tijdelijke arbeidsovereenkomsten op zichzelf niet verwerpelijk acht.
De Kwaliteitsvisie Spoedeisende Zorg van Zorgverzekeraars Nederland (concentratie van spoedzorg) |
|
Henk van Gerven (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Op basis van welke plannen heeft de Autoriteit Consument & Markt geoordeeld dat de Kwaliteitsvisie Spoedeisende Zorg van Zorgverzekeraars Nederland (concentratie van spoedzorg) mogelijk in strijd is met de Mededingingswet?1
In het Bestuurlijk Hoofdlijnenakkoord Medisch Specialistische zorg (MSZ) tussen VWS, NVZ, NFU, ZKN en ZN (2011) zijn afspraken gemaakt om te komen tot een beheerste kostenontwikkeling en over spreiding en specialisatie van ziekenhuizen daar waar dit vanuit oogpunt van kwaliteit, doelmatigheid en innovatie van zorg wenselijk is. Acute zorg speelt in dit akkoord een belangrijke rol. Zorgverzekeraars Nederland (ZN) heeft het initiatief genomen om de in het Hoofdlijnenakkoord gemaakte afspraken verder uit te werken.
In het begin 2013 gepubliceerde rapport «Kwaliteitsvisie Spoedeisende Zorg» is door Zorgverzekeraars Nederland (ZN) de eerste stap gezet. In dit rapport is een landelijk kader van criteria voor de herinrichting van de spoedeisende zorg opgesteld. Op basis van deze criteria zijn scenario’s ontwikkeld en is, in dialoog met regionale zorgaanbieders, een inventarisatie gemaakt toegespitst op de specifieke situatie per regio.
Zorgverzekeraars beogen de kwaliteit en doelmatigheid van spoedeisende zorg in de regio’s te verbeteren op basis van structuur- en procesindicatoren en optimumvolumina, zoals beschreven in de ZN Kwaliteitsvisie (bijvoorbeeld spoedzorg na een hartinfarct of herseninfarct). Over deze stukken is door Zorgverzekeraars Nederland gesproken met de Autoriteit Consument en Markt (ACM).
Is het niet vreemd dat de ACM geconsulteerd is over de concentratieplannen maar dat u het onnodig vindt dat de Kamer over die plannen wordt geïnformeerd?2
De ACM is niet door het Ministerie van VWS geconsulteerd. De ACM heeft zelf onderzoek gedaan, op basis van haar toezichtstaak, naar de uitwerking door ZN van hun kwaliteitsvisie en de gevolgen daarvan voor de ziekenhuizen. Dit nadat de ACM signalen van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen had ontvangen dat zorgverzekeraars met de uitwerking van de plannen in strijd zouden handelen met de Mededingingswet (MW).
Vindt u het ook niet vreemd dat Zorgverzekeraars Nederland heeft verkondigd dat zij de plannen over de herziening van de spoedzorg geheimhoudt omdat ze maatschappelijke onrust zouden kunnen opleveren? Kunt u uw antwoord toelichten?
In februari 2013 heeft ZN de gezamenlijke uitgangspunten bij gesprekken spoedzorg bekend gemaakt. Op basis daarvan zijn vervolgens per regio verkennende gesprekken gevoerd tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. De uitgangspunten zijn dus niet geheim en wel transparant. Welke keuze uiteindelijk de inkoper van zorg, de zorgverzekeraar, per regio maakt is aan de zorgverzekeraar. Dat zolang er geen definitieve keuze is gemaakt, dit nog niet bekend is, acht ik onderdeel van het inkoopproces. Het is aan een zorgverzekeraar om te beslissen wanneer zij iets wil delen met haar verzekerden. Mijn goedkeuring is hiervoor niet nodig. De uitgangspunten van de zorgverzekeraars staan op de website van ZN.
Vindt u een maatschappelijk oordeel over de plannen – in navolging van het marktoordeel van de ACM – ook wenselijk? Zo ja, kunt u die geven? Zo nee, waarom niet?
De ACM heeft zorgverzekeraars erop gewezen dat hun gezamenlijke plannen voor de concentratie van spoedeisende ziekenhuiszorg de keuzemogelijkheden voor patiënten en verzekerden kunnen verminderen. Vanuit maatschappelijk perspectief is mijn uitgangspunt dat wat in ons zorgsysteem gebeurt altijd ten voordele is van de patiënt en de verzekerden. Ik vind het niet nodig om de plannen van ZN zelf te beoordelen. Zorgverzekeraars hebben een zorgplicht jegens hun verzekerden en zijn verantwoordelijk voor een doelmatige inrichting van de acute zorg (inclusief verloskundige zorg) binnen de bestaande wettelijke randvoorwaarden. Het Ministerie van VWS heeft wettelijk gezien alleen een rol als de continuïteit van de cruciale zorg of de veiligheid van de zorg in het geding komt.
Waar moet het Kwaliteitsinstituut een oordeel over vellen, nu Zorgverzekeraars Nederland stelt dat zij haar traject afrondt?3 Kunt u uw antwoord toelichten?
ZN noemt het Zorginstituut Nederland (ZiNL) de aangewezen partij om onafhankelijke kwaliteitsstandaarden en richtlijnen vast te stellen voor de spoedeisende zorg als het veld daar zelf niet uitkomt. Ik deel hun mening.
Heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg redenen om aan te nemen dat de kwaliteit van de spoedzorg in Nederland in het geding is, zoals Zorgverzekeraars Nederland beweerde in haar Kwaliteitsvisie Spoedeisende Zorg? Kunt u dit oordeel aan de Kamer zenden?
Nee. Indien dit wel het geval zou zijn, dan zou de IGZ ingrijpen. De inzet van zorgverzekeraars is te komen tot optimalisering van de kwaliteit en doelmatigheid van de complex acute zorgstromen.
Is het zo dat de plannen over de concentratie niet openbaar zijn gemaakt, tot op heden met uw goedkeuring, omdat de wetenschappelijke basis voor de plannen ontbreekt of drijfzand is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u het de transparantie in de zorg dienen dat de plannen over de concentratie van spoedzorg geheim blijven? Bent u bereid ze alsnog naar de Kamer te (laten) sturen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u het ook zo zorgelijk dat zorgverzekeraars beweren te willen saneren omwille van de kwaliteit van de zorg terwijl telkens blijkt dat ze de plannen niet op wetenschappelijke kwaliteitsargumenten baseren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik maak mij geen zorgen. ZN toont initiatief door zelf op zoek te gaan naar kwaliteitsstandaarden en heeft de oproep gedaan om onafhankelijke kwaliteitsstandaarden en richtlijnen voor de spoedeisende zorg op te stellen waar deze nu nog ontbreken. ZN heeft daarbij ZiNL ingeschakeld. ZiNL heeft inmiddels partijen in de zorg verzocht om zo snel mogelijk gezamenlijk de kwaliteitsstandaarden voor spoedeisende hulp te formuleren. Als ze daar niet uitkomen, zal ZiNL zelf een expertcommissie instellen om voorstellen te doen.
Bent u bereid stappen te nemen om verdere zinloze schaalvergroting en ziekenhuisfusies te voorkomen door via het publieke debat een nationaal netwerk ziekenhuizen te ontwikkelen uitgaande van de maatschappelijke wenselijkheid van ziekenhuiszorg in een regio en uitgaande van een drietal categorieën ziekenhuizen: het volwaardige streekziekenhuis, het topklinische ziekenhuis en het academische ziekenhuis? Kunt u dit toelichten?4
Nee, dat ben ik niet van plan. Dat past ook niet in de taak- en verantwoordelijkheidsverdeling zoals we dit in de wet hebben afgesproken.
De opvang van Syrische vluchtelingen |
|
Joël Voordewind (CU), Sharon Gesthuizen (SP), Kees van der Staaij (SGP), Marit Maij (PvdA), Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat vandaag, 16 juli 2014, de eerste honderd Syrische vluchtelingen zijn aangekomen vanuit Amman? Vallen deze vluchtelingen onder de 250 Syrische vluchtelingen die conform de motie Voordewind c.s.1 zijn losgekoppeld van het jaarlijkse quotum van de 500 uitgenodigde vluchtelingen? Zo nee, wanneer zullen deze 250 Syrische vluchtelingen dan wel in Nederland opgevangen worden? Uit welke landen komen deze Syrische vluchtelingen?
Het is juist dat er vorige week ongeveer 50 Syrische vluchtelingen via hervestiging zijn aangekomen in Nederland. Deze vluchtelingen vallen onder het reguliere quotum voor hervestiging. De vluchtelingen komen uit Jordanië. Zie verder ook het antwoord op vraag 5.
Klopt het tevens dat 109 uitgenodigde Syrische vluchtelingen die onder erbarmelijke omstandigheden in provisorische tenten en garageboxen in Beiroet verblijven daar nog eens zes maanden moeten wachten op vertrek naar Nederland? Klopt het bovendien dat zij moeten wachten wegens gebrek aan huisvestingsmogelijkheden in Nederland? Zo ja, hoe verklaart u deze vertraging gezien het feit dat de bovengenoemde motie in september 2013 is aangenomen?
Tijdens de hervestigingsmissie naar Libanon zijn ongeveer 110 personen geaccepteerd voor hervestiging, deze missie is op 11 juli afgerond. Het is de standaard procedure bij hervestiging dat vluchtelingen uiterlijk 6 maanden na acceptatie naar Nederland komen, omdat de vluchtelingen moeten worden voorbereid op hun komst naar Nederland en omdat er huisvesting moet worden geregeld. De Nederlandse regering hecht aan een goede voorbereiding, zodat de hervestigde vluchtelingen een goede start kunnen maken in de gemeente waar ze terecht komen.
Kunt u bevestigen dat deze groep inmiddels door de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties en de Immigratie- en Naturalisatiedienst ter plaatse zijn geselecteerd?
De groep Syrische vluchtelingen die is geïnterviewd door de Nederlandse hervestigingsmissie in Libanon is door UNHCR in juni 2014 voorgedragen aan Nederland en medio juli geaccepteerd.
Bent u bereid deze groep zo spoedig mogelijk in Nederland op te vangen, zo nodig tijdelijk in asielzoekerscentra?
Bij de groep die zeer recent in Libanon is geaccepteerd voor hervestiging, zal de gebruikelijke termijn van 6 maanden worden gehanteerd. Zoals ook in het antwoord op vraag 2 is aangegeven is deze termijn nodig voor een goede voorbereiding van de komst van de vluchtelingen naar Nederland.
Wanneer denkt u de overige 41 (van de 250) uitgenodigde Syrische vluchtelingen in Nederland op te vangen? Zijn deze vluchtelingen inmiddels geselecteerd? Zo ja, kunt u aangeven uit welke landen zij komen?
Inmiddels heeft Nederland meer dan 250 Syrische vluchtelingen geaccepteerd voor hervestiging, via hervestigingsmissies en via individuele voordrachten. Zij komen onder meer uit Jordanië en Libanon.
Kloppen de signalen dat aan sommige vluchtelingen wordt verteld dat zij niet voor hervestiging in Nederland in aanmerking komen omdat niet bekend is waar en onder welke omstandigheden hun partner zich op dat moment bevindt en Nederland daarom meent dat er een risico bestaat op een gezinsherenigingsverzoek in de toekomst waarbij mogelijk artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zou kunnen worden tegengeworpen? Zo ja, hoe wordt in dergelijke gevallen dan voorkomen dat het belang van een hulpbehoevende vluchteling wordt geschaad door omstandigheden waarop hij/zij geen invloed heeft of heeft gehad, te weten het niet kennen van de verblijfplaats noch de omstandigheden van het verblijf van een gezinslid?
UNHCR is verantwoordelijk voor de voordrachten van Syrische vluchtelingen. Nederland zal bij deze voordrachten van geval tot geval bekijken of artikel 1 F een risico vormt in het licht van het individuele asielrelaas.
De publicatie ‘Verstand op veilig’ |
|
Eric Smaling (SP), Henk van Gerven (SP), Nine Kooiman (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de publicatie «Verstand op veilig» (2014) van het Rathenau instituut, waarin wordt geconcludeerd dat de kerntaken van onze op nationale veiligheid gerichte kennisinstellingen, zoals het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), het Rijks- Kwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwproducten (RIKILT), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Deltares, de afdeling Defensie van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO Defensie), het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) onder druk zijn komen te staan?
Ja. Hierbij zij opgemerkt dat het Rathenau instituut zich alleen heeft gericht op KNMI, RIKILT, NFI en NVI en niet op de andere in uw vraag genoemde instituten.
Deelt u de bezorgdheid van de auteurs dat de kerntaken van deze instellingen, vanwege de intrede van marktwerking in de jaren-90 van de vorige eeuw, in meer of mindere mate in het gedrang zijn gekomen? Zo nee, waarom niet?
Nee, in tegendeel. Private financiering is van belang voor het in stand houden van voldoende expertise en capaciteit om de (wettelijke) onderzoekstaken uit te voeren. De betrokken departementen en instituten zijn gezamenlijk verantwoordelijk om goede waarborgen te scheppen voor een onafhankelijke en transparante uitvoering van de onderzoekstaken. Zo is er bijvoorbeeld voor de uitvoering van de wettelijke taken van het KNMI, o.a. die op het gebied van de publieke veiligheid, een vaste financiering vanuit de begroting van het departement van I&M beschikbaar. Vooruitlopend op de nieuwe Wet taken Meteorologie en Seismologie, die binnenkort zal worden behandeld in de Tweede Kamer, is een heldere scheiding aangebracht tussen wettelijke taken en andere aanvullende taken waarvoor aparte maatwerkfinanciering noodzakelijk is.
De kerntaken van het NFI zijn vastgelegd in de Regeling Taken NFI. Naast het verrichten van zaaksonderzoek behoort het ontwikkelen van nieuwe onderzoeksmethoden en technieken ter bevordering van kennis op het gebied van forensisch onderzoek en het zijn van (inter)nationaal kennis- en expertisecentrum op het gebied van het forensisch onderzoek tot de kerntaken. Tevens verwijs ik u ten aanzien van de positionering van het NFI naar mijn brief van november 2013 (Kamerstuk 33 750 VI, nr. 28) waarin ik heb aangegeven dat het NFI zich niet mag begeven op de commerciële civiele markt, maar uitsluitend diensten of producten mag aanbieden aan afnemers die worden genoemd in de Regeling Taken NFI.
De publieke veiligheidstaken van RIKILT op het gebied van voedselveiligheid worden als wettelijke taken benoemd in de Subsidieregeling DLO. De kerntaken die daarbij horen en de uitvoering daarvan zijn vastgelegd in een Uitvoeringsovereenkomst met DLO. De onafhankelijkheid is geborgd met een statuut.
Bent u bereid op grond van de in het rapport geschetste analyse met betrokken instellingen en andere relevante partijen om de tafel te gaan zitten om te bezien in hoeverre aan de gesignaleerde zorgen tegemoet kan worden gekomen?
Het kabinet ziet in het rapport geen aanleiding om met de betrokken instellingen en andere relevante partijen om tafel te zitten buiten verbanden waarin dat al gebeurt. Binnen de bestaande verbanden kunnen relevante zorgen uiteraard worden gedeeld.
Acht u het zinvol te bezien in hoeverre de in het rapport genoemde instituten naast verantwoordelijkheid naar het moederministerie ook via onderlinge horizontale dwarsverbanden effectiever zouden kunnen opereren? Bent u bereid dit te onderzoeken?
Er is geen directe aanleiding nieuwe horizontale dwarsverbanden op te zetten, maar dit punt kan worden meegenomen in bestaande overleggen en evaluaties van structuren.
Acht u het zinvol te bekijken in hoeverre Inspecties en andere op toezicht en handhaving toegesneden organisaties, die voor hun kennis leunen op de instituten beschreven in het rapport van het Rathenau instituut (zoals de Inspectie voor de Gezondheidszorg, Inspectie Leefbaarheid en Transport, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit), ook gebaat zouden zijn bij sterkere horizontale dwarsverbanden? Bent u bereid dit te onderzoeken?
De inzet van de overheid is in het algemeen gericht op het versterken van de samenwerking tussen de inspectiediensten en andere op toezicht en handhaving toegesneden organisaties. Zo zijn de rijksinspecties verenigd in de Inspectieraad. Het kabinet ziet, gelet op wat er is en gelet op het risico van bureaucratisering, geen reden te onderzoeken of nog sterkere horizontale dwarsverbanden (tussen de inspectiediensten en andere op toezicht en handhaving toegesneden organisaties danwel de kennisinstellingen onderling) meerwaarde zouden opleveren.
De onduidelijke antwoorden van de regering inzake de hongerstaking van de minister-president van Aruba |
|
Alexander Pechtold (D66), Wassila Hachchi (D66), Madeleine van Toorenburg (CDA), Sybrand van Haersma Buma (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u nader aangeven wat u precies heeft gedaan om te voorkomen dat het conflict met Aruba is gaan escaleren?1
Het kabinet heeft altijd de inzet gehad tot gezamenlijke afspraken te komen opdat er voor het land Aruba een realistische begroting 2014 zou kunnen worden vastgesteld. Zie beantwoording eerdere vragen voor een uitgebreid feitenrelaas.
Op 3 juli zijn met de Minister-President van Aruba afspraken gemaakt, neergelegd in een gezamenlijke persverklaring over het uitvoeren van een onafhankelijk onderzoek door het secretariaat van het College Financieel Toezicht (Cft). In die verklaring is onder punt 3 het volgende opgenomen: «Op verzoek van Aruba en Nederland wordt dit onderzoek uitgevoerd in de vorm van een onafhankelijk secretariaatsrapport van een team bestaande uit deskundigen met ervaring in met overeenkomstige taken belaste organen in Koninkrijksverband».
Er is maar één met overeenkomstige taken belast orgaan in Koninkrijksverband, dus de tekst is op zich al helder. Uit de communicatie tussen de regering van Aruba en de Nederlandse regering was bovendien helder dat de tekst duidde op een team bestaande uit deskundigen van het Cft. Met het oog op het proces van het vinden van een acute oplossing, acht ik het niet dienstig die communicatie nu publiek te maken. Ik ben desgevraagd bereid om dit vertrouwelijk met uw Kamer te delen.
Heeft u met Minister-President Eman expliciet afgesproken dat het College financieel toezicht (Cft) het onderzoek zou uitvoeren? Kunt u notulen, of andere documenten die dit ophelderen, eventueel vertrouwelijk, aan de Kamer ter kennis brengen? Deelt u de mening dat de formulering uit de persverklaring de mogelijkheid openlaat dat anderen dan de huidige leden van het Cft met het onderzoek belast zouden worden?
Zie antwoord vraag 1.
Welke oplossing voor de ontstane situatie heeft u nu voor ogen en welke acties gaat u ondernemen om die oplossing te bereiken?
Het is in het belang van de bevolking van Aruba én van het Koninkrijk dat het onderzoek ingevolge het koninklijk besluit wordt afgerond, opdat kan worden zeker gesteld dat Aruba niet afkoerst op een onhoudbare situatie. Binnen zes weken zal het definitieve eindrapport verschijnen. Dat bevat in ieder geval: de uiteenzetting of de ramingen in de begroting realistisch zijn; de meerjarige gevolgen van de begroting voor het begrotings- of financieringstekort respectievelijk -overschot en de staatsschuld; en de cijfermatige weergave van de verhouding van deze meerjarige tekorten respectievelijk overschotten en de staatsschuld ten opzichte van in het Koninkrijk en internationaal gehanteerde criteria van houdbare overheidsfinanciën en terugbetalingscapaciteit. Dit onafhankelijke onderzoek kan ook de tijdige totstandkoming van de begroting 2015 en de meerjarenraming bevorderen.
Gezien de acute situatie heb ik nu aan de gouverneur in zijn rol als opdrachtgever gevraagd of de onderzoekers zouden kunnen komen met een zeer snel tussenrapport, een quick scan. Ik verwacht die binnen enkele dagen. Er is intensief contact met de gouverneur; het proces is verder niet gediend met nadere mededelingen.
Hoe denkt u erover om een mediator in deze situatie in te schakelen, met bestuurlijke ervaring met Aruba, maar met voldoende distantie van de huidige kwestie en de dagelijkse politiek, gezien de impasse die lijkt te zijn ontstaan tussen Aruba en Nederland?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om de Raad van State, als onafhankelijke deskundige partij, te vragen om een uitspraak te doen over de rechtmatigheid van de besluitvorming van de Rijksministerraad en daarmee, of er in lijn met het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden is gehandeld, nu er op dit moment kennelijk een verschil van mening bestaat tussen de Arubaanse regering en de Nederlandse regering ten aanzien van de vraag of door de Rijksministerraad rechtmatig gehandeld is in deze zaak?
Neen. Het koninklijk besluit is op rechtmatige wijze tot stand gekomen. Zie ook eerder gegeven antwoorden van dinsdag 15 juli 2015, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2540.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het schrappen van dagbesteding en het sluiten van een zorgboerderij |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Acht u het wenselijk dat zorgboerderij Enjoy-it gedwongen is haar deuren te sluiten vanwege de bezuinigingen op het persoonsgebonden budget? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?1 2
Ik heb kennis genomen van de nieuwsberichten. Ik betreur de sluiting van de zorgboerderij omdat dit betekent dat de kinderen moeten zoeken naar een andere aanbieder die zorg levert die goed aansluit bij hun wensen en behoeften. De raad van bestuur is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de zorgboerderij en heeft op basis van een financiële analyse geconcludeerd dat het niet meer haalbaar is om de zorgboerderij voort te laten bestaan. Ik kan niet treden in de verantwoordelijkheid van het bestuur. De sluiting van de zorgboerderij betekent niet dat deze kinderen hun recht op zorg verliezen. Zij behouden dit recht en daarmee de mogelijkheid om via hun persoonsgebonden budget zorg elders in te kopen.
Welke gevolgen heeft het sluiten van zorgboerderijen voor kinderen zoals Stella, die gebaat zijn bij veiligheid en structuur, en voor wie het jaren kost om een stabiel alternatief te vinden? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Deze kinderen behouden hun recht op zorg. Via het persoonsgebonden budget kan elders zorg worden ingekocht. Stichting Enjoy-it heeft aangegeven dat wordt geprobeerd om met andere kleinschalige ondernemingen afspraken te maken over het overnemen van cliënten en het personeel.
Wat betekent de sluiting voor de zorgverleners die werkzaam zijn op zorgboerderij Enjoy-it? Worden zij ontslagen? Is de vakbond betrokken bij een sociaal plan?
Voor de twaalf medewerkers die op de loonlijst staan wordt bij het UWV een ontslagaanvraag ingediend. Een sociaal plan omvat met name compensatie op het terrein van loonderving. In de zorgsector is dat deel van het sociaal plan opgenomen in cao’s. Vakbonden kunnen eventuele aanvullende maatregelen uitonderhandelen per specifiek geval. Of dat in dit geval gebeurt, weet ik niet.
Hoe verhoudt de sluiting van deze zorgboerderij en andere dagbestedingscentra zich tot de middelen die voortgekomen zijn uit het begrotingsoverleg? U zou toch met dit geld voorkomen dat dagbestedingscentra moeten sluiten? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Voor begeleiding en dagbesteding worden door het kabinet voor de komende jaren extra middelen beschikbaar gesteld. Naast de € 195 miljoen in 2015, gaat het om € 165 miljoen in 2016, € 50 miljoen in 2017, € 40 miljoen in 2018 en € 30 miljoen structureel in de jaren daarna. De extra middelen zijn op zijn vroegst volgend jaar beschikbaar. Meer budget betekent meer mogelijkheden voor het continueren van zorg. Dit laat onverlet dat het aan individuele zorgaanbieders is om te besluiten onder welke condities zij het haalbaar vinden om een zorgboerderij te laten voortbestaan. Zoals eerder aangegeven, behouden de cliënten van de zorgboerderij hun recht op zorg.
Hoe verhoudt de sluiting van deze zorgboerderij en andere dagbestedingscentra zich tot de uitspraak van PvdA-leider Diederik Samsom dat hij opgelucht was met het begrotingsakkoord omdat mensen die nu dagbesteding hebben de zekerheid kregen dat ze deze niet zouden kwijtraken?5
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel andere zorgboerderijen en dagbestedingscentra moeten vanwege de forse bezuinigingen de deuren sluiten? Kunt u de Kamer hiervan een overzicht doen toekomen? Zo nee, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Ik beschik niet over dergelijke informatie. Het continueren van zorg (het voortbestaan) is een verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder.
Hoe verhoudt de sluiting van belangrijke dagbestedingscentra zich tot uw plannen om de langdurige zorg toekomstbestendig te maken? Kunt u dit uitleggen?
Zie antwoord vraag 4.
Het groeiende antisemitisme en anti-Israëlsentiment |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Keeper Sparta: Joods CIDI criminele organisatie»?1
Ja.
Hoe duidt u de uitspraak van de professioneel voetballer van Sparta, die in die hoedanigheid ook een voorbeeldfunctie vervult, dat het CIDI (Centrum voor Informatie en Documentatie over Israël) een criminele organisatie is?
Het is goed invoelbaar dat mensen in Nederland uiting geven aan zorgen, verdriet en woede over wat elders in de wereld gebeurt. We zijn er echter met elkaar voor verantwoordelijk dat conflicten die zich elders in de wereld afspelen niet leiden tot antisemitische en anderszins discriminatoire uitingen of oplopende spanningen en conflicten tussen bevolkingsgroepen in onze Nederlandse samenleving en dat wij elkaar met wederzijds respect tegemoet blijven treden. In dat opzicht betreur ik deze uitspraak van de keeper van Sparta.
Kunt u aangeven in hoeverre de KNVB afstand neemt van de uitlatingen van de Sparta-speler en op welke wijze u het antisemitisme met de voetbalbond gaat bespreken?
Zowel de KNVB als voetbalclub Sparta zien hierin geen rol voor zichzelf. Wat hen betreft gaat het hier om de persoonlijke mening van de desbetreffende keeper. Van de KNVB weet ik dat ze kwetsende en discriminerende spreekkoren onderzoekt en aanpakt en dat ze eerder rondetafelgesprekken tussen clubs en joodse organisaties heeft gefaciliteerd. Uiteraard ben ik er een groot voorstander van dat de KNVB alles in het werk stelt om antisemitisme op en rond de velden te blijven bestrijden.
Deelt u de zorgen dat er geen massale veroordeling klinkt vanuit de islamitische gemeenschap van de islam-gerelateerde moordpartijen, slachtingen en martelingen in o.a. Syrië, Irak, Somalië en Nigeria maar de Joodse staat wel zeer eenzijdig wordt veroordeeld en gedemoniseerd?
Vrijheid van meningsuiting vormt een belangrijke pijler van onze rechtsstaat. Er is geen verplichting om uitspraken te doen over conflicten elders in de wereld. Mijn zorg gaat er vooral naar uit dat conflicten die zich elders in de wereld afspelen niet leiden tot antisemitische en anderszins discriminatoire uitingen of oplopende spanningen en conflicten tussen bevolkingsgroepen in onze Nederlandse samenleving.
Ziet u het antisemitisme en anti-Israëlsentiment in onze samenleving ook groeien? Zo ja, op welke wijze tracht u deze ontwikkeling tegen te gaan? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord op de vraag 5 in de Vragen van de leden Van Klaveren en Bontes (beiden Groep Bontes/Van Klaveren) aan de Minister-President over de aanhoudende antisemitische golf die ons land overspoelt. (ingezonden 1 augustus 2014).
De gevolgen van de definitieve beslissing van het Europees Comité van de Sociale Rechten (ECSR) inzake de opvang van vreemdelingen |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Gerard Schouw (D66), Bram van Ojik (GL), Joël Voordewind (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Is er inmiddels een kabinetstandpunt ingenomen aangaande de afgelopen vrijdag genomen definitieve beslissing door het ECSR inzake de door de Conference of European Churches (CEC) ingediende klacht met betrekking tot het niet voorzien in opvang voor uitgeprocedeerde en ongedocumenteerde vreemdelingen?1
Bent u bereid de Kamer met de beantwoording van deze vragen, desgewenst vertrouwelijk, te informeren over de precieze uitkomst van de uitspraak van het ECSR?
Deelt u de mening dat, hoewel de definitieve beslissing vier maanden vertrouwelijk is en Nederland deze vier maanden kan gebruiken om maatregelen te nemen, het onwenselijk zou zijn om tot november te wachten met het nemen van maatregelen welke noodzakelijkerwijs voortvloeien uit deze uitspraak?
Deelt u de mening dat, indien Nederland inderdaad met deze definitieve beslissing gehouden is aan de verplichting opvang te verschaffen voor de groep uitgeprocedeerde en ongedocumenteerde vreemdelingen, het wenselijk is de maatregelen om te komen tot dergelijke opvang zo snel mogelijk te nemen en in ieder geval te voorkomen dat gewacht wordt met het nemen van maatregelen als het al weer kouder wordt?
Bent u bereid om zo snel mogelijk duidelijkheid te verschaffen aan de gemeenten waar (grote) groepen uitgeprocedeerde en ongedocumenteerde vreemdelingen leven, soms op straat, opdat gemeenten weten wat zij kunnen verwachten van het kabinet in deze kwestie?
Bent u tevens bereid om zo snel mogelijkheid duidelijkheid te verschaffen over deze uitspraak van het ECSR en de consequenties daarvan aan de vreemdelingen die het betreft?
Het bericht dat IKEA de Nederlandse wet omzeilt met Slowaakse chauffeurs |
|
Paul Ulenbelt (SP), Eric Smaling (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat IKEA de Nederlandse wet omzeilt met Slowaakse chauffeurs?1
Het artikel is mij bekend. Uiteraard vind ik het van belang dat bedrijven zich in Nederland aan de geldende wet- en regelgeving houden. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ziet toe op naleving van de vervoerswetgeving, die zich richt op de transportondernemingen en chauffeurs. De vervoerders zijn zelf verantwoordelijk voor naleving van de relevante regels. De FNV heeft de door haar gesignaleerde misstanden in de transportwereld bij de ILT gemeld. Ik neem deze signalen serieus. Daarom heeft de ILT in september 2014 een gesprek met de FNV om een toelichting te krijgen op de door FNV gesignaleerde knelpunten en om aan de FNV toe te lichten welke bevoegdheden de ILT heeft.
Bent u bereid om de Inspectie Leefomgeving en Transport op te dragen na te gaan of het in Slowakije gevestigde bedrijf een volwaardig functionerend transportbedrijf is waar ook de planning wordt gedaan voor de ritten die voor Ikea worden uitgevoerd? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
De ILT heeft geen bevoegdheid om zelf onderzoek te doen bij een in het buitenland gevestigd bedrijf. Zij kan wel, bijvoorbeeld naar aanleiding van inspecties in Nederland, bij de autoriteit in de betreffende lidstaat informatie vragen over zo’n bedrijf. De ILT kan vervolgens besluiten verder actie te ondernemen en, op basis van de Nederlandse inspectiebevindingen al dan niet in combinatie met de verkregen informatie, de buitenlandse autoriteit verzoeken een onderzoek in te stellen. Volgens het territorialiteitsbeginsel is het aan de betreffende autoriteit wel of geen gehoor te geven aan dit verzoek en eventueel over te gaan tot het opleggen van sancties.
Investeringen van Nederlandse bedrijven in de Palestijnse gebieden |
|
René Leegte (VVD), Han ten Broeke (VVD) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse investeerders Palestina tussen twee vuren»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de verklaring dat diplomatiek getouwtrek aan Nederlandse zijde heeft geleid tot ontmoediging van investering in de Palestijnse gebieden?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het artikel in het Financiële Dagblad en de daarin genoemde verklaring. Het is aan de individuele bedrijven om te bepalen welke activiteiten zij ontplooien en met welke partners zij samenwerken. Het kabinet spreekt Nederlandse bedrijven aan op het ontplooien van activiteiten in of ten behoeve van Israëlische nederzettingen en levert geen diensten ten behoeve van dergelijke activiteiten.
Deelt u de mening dat als ondernemers willen investeren in Israël en/of de Palestijnse gebieden, zij zich niet ontmoedigd mogen voelen door de Nederlandse staat, zolang hun investering niet bijdraagt aan de uitbouw of instandhouding van nederzettingen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, in het verlengde van de motie-Van der Staaij/Voordewind2 en de eerdere inzet in het kader van de handelsmissies – waar het bedrijf in kwestie zelf ook aan heeft deelgenomen – contact op te nemen met het bedrijf in kwestie en te benadrukken dat er van Nederlandse zijde niet alleen geen bezwaren spelen, maar dat de Nederlandse regering investering in Israël en de Palestijnse gebieden juist aanmoedigt?
Het kabinet spant zich in voor nauwere economische samenwerking met Israël en de Palestijnse gebieden. Het bilateraal samenwerkingsforum van december jl. heeft hiervoor een goede basis gelegd, waar op zal worden voortgebouwd.
Het kabinet treedt echter niet in de beslissingen van individuele bedrijven over hun economische activiteiten, dit geldt derhalve ook voor het besluit van Merford om de joint venture met zijn Palestijnse partner op te schorten.
Het omzeilen van de Nederlandse wet door IKEA |
|
John Kerstens (PvdA), Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «IKEA omzeilt Nederlandse wet met Slowaakse chauffeurs»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het uiterst onwenselijk is dat de Nederlandse wet wordt omzeild met constructies waarbij het loon wordt opgekrikt met onkostenvergoedingen?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Herinnert u zich de antwoorden van de minister van Infrastructuur en Milieu op eerdere vragen over het handhaven van rij- en rusttijden bij multinationals?2 Bent u nu wel bereid om de grote opdrachtgevers zoals IKEA en anderen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid?
Tijdens het vragenuur van 17 juni jl. heb ik heb aangegeven dat in het kader van het Actieplan bestrijden van schijnconstructies van mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook wordt gekeken naar de rol van de opdrachtgever en de rol die deze zou moeten spelen bij het tegengaan van uitbuiting, oneerlijke concurrentie en verdringing. Ik werk hierbij nauw samen met mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. We moeten er voor waken de opdrachtgever overal verantwoordelijk voor te maken. Het moet voor de opdrachtgever te controleren zijn. Zoals gezegd: mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is hiermee bezig in het Actieplan bestrijden van schijnconstructies en ik wil hier niet op vooruitlopen.
Bent u ook bereid om de Inspectie Leefomgeving en Transport opdracht te geven om, eventueel in samenwerking met de Inspectie SZW, onderzoek te doen naar dit soort constructies van IKEA en andere multinationals? Zo nee, waarom niet?
De ILT heeft geen wettelijke basis voor het doen van dergelijk onderzoek. De ILT ziet toe op naleving van de vervoerswetgeving en deze richt zich op de transportondernemingen en chauffeurs, niet op opdrachtgevers. Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven wordt door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gekeken naar de vraag, wat de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever in het kader van de aanpak van schijnconstructies zou moeten zijn.
Kunt u aangeven in hoeverre de aangekondigde Wet Aanpak Schijnconstructies constructies zoals door IKEA gehanteerd onmogelijk maakt?
In de Wet Aanpak Schijnconstructies (WAS) zal een aantal voorstellen worden gedaan die ook helpen schijnconstructies in de transportsector aan te pakken. De belangrijkste zijn:
Bij Kamerbrief van 4 juli 2014 (Kamerstuk 17 050, nr. 484) heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang in de aanpak van schijnconstructies. Daarin is de WAS, die nu voor advies voorligt bij de Raad van State, op hoofdlijnen beschreven.
Het uitwijken van schepen van de haven van Rotterdam naar Antwerpen |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Lading wijkt uit naar Antwerpen»?1
Ja.
Klopt het dat «deepsea»-rederijen steeds meer lading in Antwerpen in plaats van Rotterdam lossen en laden als gevolg van de congestieproblemen in de Nederlandse haven? Zo ja, wat is de oorzaak hiervan, om hoeveel lading gaat het en deelt u de mening dat dit een zorgelijke situatie is, waar onmiddellijk actie op moet worden ondernomen? Zo nee, waarom niet?
Uit informatie die ik heb ingewonnen bij het Rotterdamse havenbedrijfsleven maak ik op dat de conclusies in het aangehaalde artikel niet worden gedeeld. Er is weliswaar sprake van congestie bij enkele Rotterdamse containerterminals, maar dat geldt ook voor de terminals in andere Noord-Europese havens waaronder Antwerpen en Hamburg. Deze congestie wordt veroorzaakt door een samenloop van omstandigheden, waaronder juist een toegenomen ladingaanbod en het feit dat containerschepen niet op de afgesproken tijd binnen komen, wat consequenties heeft voor de terminalplanning. Daarbij speelt in Rotterdam de aanpassingen aan een bestaande terminal om grotere containerschepen snel en efficiënt te kunnen afhandelen. Dit geeft tijdelijk beperkingen.
Fluctuaties in ladingstromen zijn als gevolg van marktwerking aan de orde van de dag. Alhoewel er zeker zorgen zijn onder de verladers en cargadoors wordt op dit moment door geen van de partijen een wezenlijke uitwijk van lading naar Antwerpen waargenomen. Betrokken partijen in de Rotterdamse haven doen er daarbij alles aan om de congestie terug te dringen. In dat verband wijs ik ook op de opening van de nieuwe terminals van RWG en APMT op Maasvlakte 2 dit najaar. Daarmee zal de overslagcapaciteit voor containers in de Rotterdamse havens aanzienlijk toenemen.
Volledigheidshalve merk ik op dat van congestie op de achterlandverbindingen (weg, spoor, binnenvaart en short sea) in de Rotterdamse haven geen sprake is.
Piraterijbestrijding in de Golf van Guinee |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het beleidsdocument van het Witte Huis inzake piraterijbestrijding in de Golf van Guinee?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze beleidsvoornemens, in het bijzonder voor wat betreft de inzet van gewapende private beveiligers en het gebruik maken van maritieme patrouilles en beschermde konvooien? Welke bijdrage kunnen Nederland en de Nederlandse marine leveren aan de realisering van deze concepten?
Aan de beleidsvoornemens van de Verenigde Staten liggen aanzienlijke nationale belangen ten grondslag, zoals de aanwezigheid in de regio van aanzienlijke aantallen Amerikaanse staatsburgers in de olie-industrie. De Amerikaanse beleidsvoornemens richten zich op het monitoren van de regels van regionale staten met betrekking tot gewapende particuliere beveiligers, het bevorderen van het in acht nemen van internationale standaarden door lokale gewapende beveiligers, de capaciteitsversterking van regionale maritieme patrouilles en het pleiten voor de inzet van beschermde regionale konvooien. De Amerikaanse militaire presentie in de regio staat in het teken van lokale en regionale capaciteitsopbouw; de strategie maakt geen melding van zelfstandig militair optreden.
Het kabinet is voorstander van een regionale oplossing voor het probleem van maritieme criminaliteit in de Golf van Guinee, door middel van regionale preventie, vervolging en maritieme capaciteitsopbouw. De Nederlandse bijdrage strookt met de (relatief bescheiden) nationale belangen (zie beantwoording vraag 4).
Nederland is voorstander van een aanpak van de problematiek in EU-verband. In maart 2014 nam de EU een maritieme strategie voor de Golf van Guinee aan. De strategie omvat een analyse van de omvang van de dreiging, de risico's waaraan de kuststaten en de EU zijn blootgesteld en de maatregelen die de EU samen met de regionale partners kan nemen om regionale actoren te helpen bij de bestrijding van dreigingen.2
Klopt het naar uw mening dat veel aanvallen van piraten in de Golf van Guinee plaatsvinden «buiten de twaalfmijlszone en buiten het bereik van de marine’s in de regio»?2 Zo nee, waarom niet?
Het aantal incidenten in de regio is moeilijk te schatten, omdat deze veelal niet worden gerapporteerd. Er zijn aanvallen buiten de territoriale wateren, maar zoals ook wordt bevestigd in het Amerikaanse actieplan, worden de meeste aanvallen uitgevoerd binnen de territoriale wateren van West-Afrikaanse kuststaten, met name Nigeria.
Zo ja, ziet u dan aanleiding om de Nederlandse marine in die internationale wateren een actievere rol te laten spelen ter bescherming van Nederlandse belangen? Zo nee, waarom niet?
In november 2013 heeft de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders haar leden gevraagd de problematiek van piraterij aan de westkust van Afrika inzichtelijk te maken. Uit de zes ontvangen reacties komt geen helder beeld naar voren. Wel bevestigen de reacties dat het veelal gaat om gewapende overvallen in de territoriale wateren (TTW) van de kuststaten. Binnen de TTW zijn kuststaten exclusief bevoegd tot en verantwoordelijk voor de bescherming van koopvaardijschepen. Binnen deze wateren is het op grond van internationale verdragen niet toegestaan VPD’s of gewapende particuliere beveiligers in te zetten zonder toestemming van de kuststaat.
Door capaciteitsgebrek, gebrek aan samenwerking met buurlanden en corruptie zijn regionale marines en kustwachten niet volledig in staat piraterij en maritieme criminaliteit het hoofd te bieden. Nederland richt zich in de Golf van Guinee dan ook op maritieme capaciteitsopbouw. Zo neemt de Nederlandse marine jaarlijks deel aan de Amerikaanse oefening Obangame Express. De oefening versterkt de samenwerking tussen regionale deelnemende landen en bevordert de maritieme veiligheid in de Golf van Guinee. Daarnaast heeft Zr.Ms. Rotterdam in het kader van African Winds in 2013 verschillende West-Afrikaanse marine-eenheden getraind en levert Nederland financiële steun aan het Maritime Trade Information Sharing Centre in Ghana, dat informatie over maritieme criminaliteit deelt met scheepvaart en autoriteiten.
Hakenkruizen bij een anti-Israëldemonstratie |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vlaggen met hakenkruis bij demonstratie»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het meer dan walgelijk is dat er vlaggen met hakenkruizen werden getoond tijdens de anti-Israëldemonstratie in Den Haag?
Het kabinet verwerpt antisemitisme en elke andere vorm van discriminatie. Grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en recht van demonstreren, vormen een groot goed in ons land en verdienen zowel een krachtige als zorgvuldige bescherming. Deze grondrechten zijn begrensd als ze uitmonden in geweld, haatzaaien of discriminatie. Ieder mens moet zich in Nederland veilig en gerespecteerd voelen. Extremisme van wie dan ook vormt een bedreiging van onze rechtsstaat die hard wordt aangepakt door het Kabinet. Het is goed invoelbaar dat mensen in Nederland uiting geven aan zorgen, verdriet en woede over wat elders in de wereld gebeurt. We zijn er echter met elkaar voor verantwoordelijk dat conflicten die zich elders in de wereld afspelen niet leiden tot oplopende spanningen en conflicten tussen bevolkingsgroepen in onze Nederlandse samenleving en dat wij elkaar met wederzijds respect tegemoet blijven treden.
De burgemeester van Den Haag heeft conform het stelsel in de Gemeentewet verantwoording afgelegd over zijn handelen aan de gemeenteraad te Den Haag. Uit deze verantwoording2 blijkt dat de demonstranten zich verzamelden op het Spuiplein. Na enige tijd werd geconstateerd dat enkele borden omhoog werden gehouden waarop een Israëlische vlag werd getoond, gevolgd door een = (teken) en vervolgens een hakenkruis. De organisator is hierop door de politie aangesproken gelet op het aanstootgevende en mogelijk ook strafbare karakter dat van het tonen van deze symbolen/tekens uit kan gaan. De politie heeft daarbij in afstemming met de burgemeester de organisatie gewaarschuwd, dat indien deze uitingen gebruikt zouden blijven worden, een demonstratieve optocht door de stad niet zou worden toegestaan. De organisatie liet in reactie direct weten deze uitingen zelf ook onwenselijk te vinden en heeft daarop demonstranten opgeroepen de bewuste borden en vlaggen te verwijderen. Daar is gehoor aan gegeven. Vervolgens heeft de demonstratieve optocht plaatsgevonden.
Hoeveel verdachten zijn er aangehouden na deze antisemitische geweld-propagerende demonstratie?
Na deze demonstratie zijn tot dusver geen verdachten aangehouden.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen teneinde de jodenhaters die met de hakenkruis-vlaggen zwaaiden op te laten pakken en andere demonstraties waar ook wordt opgeroepen tot geweld subiet af te laten breken?
Het recht om een bijeenkomst te organiseren is vastgelegd in de Grondwet en in internationale verdragen en vormt een belangrijke pijler van onze rechtsstaat. Op basis van de Wet openbare manifestaties (WOM) kan de burgemeester vooraf voorschriften en beperkingen verbinden aan een demonstratie, en de nodige veiligheidsmaatregelen treffen zodat de betoging ordelijk en vreedzaam verloopt. Deze bevoegdheden mag hij slechts aanwenden ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Het is de burgemeester op grond van de WOM niet toegestaan een demonstratie te verbieden of tegen te gaan omdat de betoging naar zijn inhoud of doelstelling, of vanwege de inhoud van de mee te voeren leuzen, ongewenst wordt geacht. De burgemeester heeft ook geen bevoegdheid tegen een demonstratie op te treden enkel ter voorkoming of beëindiging van strafbare feiten, aangezien het enkele feit dat iemand de strafwet overtreedt geen wanordelijkheid is in de zin van de WOM. De burgemeester, die het gezag heeft over de politie als het de handhaving van de openbare orde betreft, kan ingrijpen als sprake is van zodanige (strafbare) feiten dat (tevens) sprake is van (vrees voor) wanordelijkheden. In andere gevallen kunnen individuele demonstranten die de strafwet overtreden strafrechtelijk worden aangepakt en eventueel worden gearresteerd op grond van het strafrecht, maar dat moet dan de betoging onverlet laten. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft het gezag over de politie als het de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreft. Als tijdens een demonstratie bijvoorbeeld belediging van personen, opruiing tot geweld of haatzaaien tegen dan wel discriminatie van bevolkingsgroepen wordt geconstateerd, kan de politie optreden. Het is aan het Openbaar Ministerie om de strafbaarheid van deze handelingen te beoordelen. Deze beoordeling kan plaatsvinden tijdens of na het voordoen van het incident.
Ten aanzien van de uitingen die zijn gedaan tijdens de demonstratie van 12 juli 2014 in Den Haag, is aangifte gedaan. Deze aangifte wordt nu onderzocht door het OM. Indien sprake is van een strafbaar feit, zal het OM tot vervolging overgaan.
In hoeverre ziet u ook het groeiende antisemitisme en anti-Israëlsentiment in Nederland? Op welke wijze denkt u deze ontwikkeling te keren?
De toename van het aantal meldingen van antisemitisme is bekend. Het CIDI registreerde 147 antisemitische incidenten in 2013 tegen 114 in 2012. Dit zijn zorgelijke cijfers. Antisemitisme wordt in samenwerking met andere bewindslieden en stakeholders op verschillende wijzen aangepakt. Dit heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid u op 16 januari jongstleden ook schriftelijk laten weten.3
Het kabinet zal, zoals ook is aangekondigd in de gemeenschappelijke verklaring na het overleg met de Joodse organisaties op 4 augustus jongstleden, in navolging van verschillende gemeenten, het initiatief nemen met alle betrokken partijen om de oplopende spanningen tussen groepen te bespreken en waar nodig te interveniëren. We juichen het initiatief toe van de Raad van Moskeeën en de Unie van Marokkaanse Moskeeën Nederland om in moskeeën op te roepen tot tolerantie en zetten het gesprek graag voort. De Joodse gemeenschap vormt een onlosmakelijk onderdeel van Nederland, net als andere minderheidsgroeperingen. Wij zijn het erover eens dat de gesprekken tussen de vertegenwoordigers uit al deze gemeenschappen van grote waarde zijn.
De anti-Israëldemonstratie |
|
Machiel de Graaf (PVV), Geert Wilders (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Weet u dat er bij de anti-Israëldemonstratie, die vandaag in Den Haag werd gehouden, hakenkruizen werden getoond, de Hitlergroet werd gebracht, en islamitische terreurvlaggen werden getoond?1
Ik verwijs naar het antwoord op de schriftelijke vragen 2 en 4 van de leden Van Klaveren en Bontes over hakenkruizen bij een anti-Israëldemonstratie (ingezonden 15 juli 2014).
Waarom is daar niet tegen opgetreden? Waarom zijn mensen die met nazivlaggen met hakenkruizen of islamitische terreurvlaggen zwaaiden, of mensen die de Hitlergroet brachten niet ter plekke gearresteerd? Deelt u de mening dat de burgemeester van Den Haag hier heeft gefaald?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid alsnog via videobeelden te achterhalen welke demonstranten de genoemde symbolen toonden en de Hitlergroet maakten, en hen alsnog op te pakken, vast te zetten en, in geval van een dubbel paspoort, het Nederlandse paspoort af te nemen, tot persona non grata te verklaren en Nederland voor altijd uit te zetten? Zo neen, waarom niet?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vragen 1 en 2.
Indien iemand een strafbaar feit heeft begaan, is het aan de rechter om te beoordelen welke straf passend is, gelet op het delict, de persoon van de dader(s) en het aangedane leed. De intrekking van de Nederlandse nationaliteit wegens een veroordeling voor commune misdrijven is niet mogelijk. Wel kan de Nederlandse nationaliteit afgenomen worden indien sprake is van een onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf dat is gepleegd na 1 oktober 2010. Na het intrekken van het Nederlanderschap, wordt betrokkene ongewenst vreemdeling verklaard en wordt hij uitgezet.
Voor zover het vreemdelingen betreft, is voor het beëindigen van het rechtmatig verblijf een onherroepelijke veroordeling nodig waarna aan de hand van de glijdende schaal wordt beoordeeld of het rechtmatig verblijf kan worden beëindigd. Het recht op eerbiediging van privé, familie- en gezinsleven zoals vastgelegd in artikel 8 van het EVRM speelt bij deze beoordeling een belangrijke rol. Als het rechtmatig verblijf van een vreemdeling wordt beëindigd, krijgt hij een inreisverbod opgelegd of wordt hij ongewenst verklaard en moet hij Nederland direct verlaten. Als de vreemdeling dat niet doet, kan hij worden uitgezet.
Piraterijbestrijding bij Somalië |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «the protector’s choice; an application of protector’s theory to Somali piracy»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de suggestie om de beschermheren van de piraten tot lucratiever economisch gedrag aan te zetten en de piraten geen vrijplaats meer te verschaffen?
In Somalië is een effectieve staat al jarenlang afwezig. Dit heeft ertoe geleid dat, wanneer dit voor henzelf of hun gemeenschap voordelen kan opleveren, lokale leiders voor veiligheid, basale dienstverlening en de ontwikkeling van lokale economie soms banden aangaan met andere clans, criminele netwerken, of zelfs met terreurgroepen zoals Al-Shabaab. Het optreden van lokale leiders als beschermheren van piraterij is vaak passief; men tolereert de activiteiten, uit vrees voor negatieve gevolgen.
De internationale maritieme missies EU Atalanta en Navo Ocean Shield, waaraan Nederland meedoet, leveren een doeltreffende en doelmatige bijdrage aan piraterijbestrijding op zee. Deze operaties, alsmede de zelfbeschermingsmaatregelen door de scheepvaartbranche en het gebruik van militaire en private beveiligers (in het geval van buitenlandse schepen), hebben het aantal kapingen en aanvallen op koopvaardijschepen sterk verminderd. Sinds 2012 zijn er geen schepen meer gekaapt. Deze trend is echter nog steeds omkeerbaar. Piratenleiders zijn in veel gevallen overgegaan op andersoortige activiteiten, sommige legaal, andere illegaal. Wanneer de controle op zee wegvalt, is de verwachting dat zij, vanwege het hoge rendement van piraterij, hun oude activiteiten weer zullen hervatten. De internationale gemeenschap beseft dat de onderliggende oorzaken van piraterij moeten worden aangepakt, zodat piraterij uiteindelijk een minder lucratieve bezigheid zal vormen dan deelneming aan de reguliere economie.
De wederopbouw van Somalië is een proces van lange adem. Nederland levert daar bijdragen aan, onder andere in het kader van de New Deal (zie Kamerstuk 22 831, nr. 93). Voor de in dat kader uitgevoerde concrete activiteiten verwijs ik naar het Meerjarig Strategisch Plan voor de Hoorn van Afrika 2014–2017 (bijlage bij Kamerstuk 33 625, nr. 71). Daarnaast levert Nederland bijdragen aan de bevordering van veiligheid op land door middel van bijdragen aan de EU-trainingsmissie in Somalië (EUTM Somalië) en de regionale maritieme capaciteitsopbouwmissie EUCAP Nestor.
Een geïntegreerde aanpak van piraterij is essentieel, de aanpak van oorzaken op land wordt hierbij steeds belangrijker. Op termijn zullen aard en omvang van de maritieme bijdrage aan antipiraterijmissies wijzigen. Dit geldt ook voor de Nederlandse maritieme bijdrage. Om de reductie van de maritieme presentie in de Hoorn van Afrika voor te bereiden, werkt de internationale gemeenschap aan een transitiestrategie. Het ontwikkelen van de federale structuur, de voltooiing van de Grondwet en de vaststelling van politieke partijwetten zijn onderdeel van het transitieproces.
Ziet u hierin mogelijkheden voor een beleid dat de Nederlandse belastingbetaler en Nederlandse ondernemers minder geld kost? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunnen beschermheren die weigeren om over te gaan op lucratiever economisch gedrag, onder druk worden gezet door hun aanlandingsfaciliteiten te verstoren en te vernietigen?2 Zo nee, waarom niet?
In 2012 is eenmalig een aanval uitgevoerd op een logistieke opslagplaats van piraten op de Somalische kust. Sindsdien zijn er geen specifieke aanlandingsfaciliteiten meer die exclusief door piraten worden gebruikt. Piraten vertrekken in de meeste gevallen vanaf het strand en soms vanuit havens. Het geciteerde artikel stelt overigens dat de bouw van maritieme infrastructuur de piraterij juist zal doen afnemen, omdat een gemeenschap die de beschikking heeft over bijvoorbeeld een haven daarmee reguliere handelsinkomsten kan genereren. Piraterij wordt daarmee een bedreiging voor die reguliere inkomsten en lokale elites zullen overgaan tot acties om piraterij te ontmoedigen, aldus de auteurs. Dit is consistent met hun bredere bevinding dat staatsopbouw uiteindelijk de beste strategie tegen piraterij is.
Financiering en eigendom Ommelander Ziekenhuisgroep Groningen |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Reportage over totstandkoming Ommelander Ziekenhuis Groep» en «Briljant ziekenhuisplan kan als kaartenhuis instorten»?1 2
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Ommelander Ziekenhuisgroep (OZG) een volledige dochter wordt van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG)? Is het toegestaan dat een universitair medisch centrum eigenaar wordt van een niet academisch ziekenhuis? Kan dit gevolgen hebben voor de wijze van financieren van beide ziekenhuizen? Zou door deze constructie sprake kunnen zijn van een dominante marktmacht van het UMCG?
Het is in beginsel niet verboden voor het UMCG om andere zorgaanbieders over te nemen. Wel moeten op basis van wettelijke voorschriften uit de Wet Marktordening gezondheidszorg en de Mededingingswet de effecten van een dergelijke overname getoetst worden. De beoordeling van de effecten van deze overname is aan de toezichthouders. Ik heb van partijen begrepen dat deze toets op dit moment bij NZa en ACM loopt.
De NZa toetst of de effecten van de overname goed in kaart zijn gebracht en of de overname voldoende degelijk is doordacht. Bovendien toetst de NZa of alle stakeholders goed zijn betrokken bij de besluitvorming. Pas als al deze facetten in orde zijn geeft de NZa toestemming voor overname of- indien aan de meldingsdrempels voor de ACM voldaan wordt – doorgeleiding naar de ACM. De ACM toetst op effecten voor de mededinging. Als deze overname leidt tot een significante beperking van de mededinging dat zal de ACM deze overname verbieden. Daarbij kijkt de ACM met name naar het ontstaan van een economische machtspositie. De ACM kan eventueel ook voorwaarden opleggen aan de overname. De beoordeling of er in dit geval sprake is van het ontstaan van een machtspositie laat ik dan ook aan de ACM.
De keuzes die gemaakt worden bij de vormgeving van de overname zullen ook gevolgen hebben voor de wijze van financiering van de diverse locaties. Ik kan geen uitspraken doen over hoe dit precies uitpakt.
Wat vindt u van het feit dat de provincie Groningen een lening verstrekt van 50 miljoen euro om de nieuwbouw van het OZG in Scheemda mogelijk te maken? Is het wenselijk dat provincies als bankier optreden? Zijn er voor de provincie Groningen risico’s aan deze lening verbonden? Zijn er naast financiering door banken en het verstrekken van een lening door de provincie nog andere manieren waarmee de nieuwbouw van de Ommelander Ziekenhuisgroep gefinancierd kan worden?
Ik heb begrepen dat de provincie nog geen lening heeft verstrekt, maar publiekelijk de bereidheid daartoe kenbaar heeft gemaakt en dat de provinciale staten van Groningen zich er eind september nog over moeten uitspreken, waarna – na een eventueel positief besluit – de voorwaarden nog exact moeten worden uitgewerkt.
Het is aan de provincie om daarover te besluiten en binnen de geldende wettelijke voorschriften te blijven.
Op dit moment ligt in de Eerste Kamer een wetsvoorstel dat het voor zorgaanbieders ook mogelijk maakt om makkelijker private investeringen aan te trekken. Ook valt in dit geval te denken aan het wekken van interesse bij lange termijninvesteerders zoals pensioenfondsen en andere institutionele beleggers, familiebedrijven die in de zorg investeren of vastgoedontwikkelaars en beheerders. Mij is echter niet bekend in hoeverre deze alternatieven verkend zijn voor de financiering van het vastgoed van de Ommelander ziekenhuisgroep en of deze passen binnen de tijdsplanning van het initiatief.
Is het mogelijk dat de lening van de provincie Groningen als staatssteun aangemerkt wordt? Zo ja, zou dat de nieuwbouw van het OZG in Scheemda in gevaar kunnen brengen? Zo nee, waarom niet?
Het correct naleven van de staatssteunregels, inclusief het oordeel of er al dan niet sprake is van staatssteun, is primair aan de provincie zelf. Het Rijk bevordert en faciliteert uitsluitend de goede naleving, onder meer door het geven van voorlichting en het onderhouden van contacten met de Europese Commissie. Als er naar het oordeel van de steunverlenende overheid (mogelijk) sprake is van staatssteun, dan moet die in beginsel door middel van een meldingsprocedure worden voorgelegd aan de Europese Commissie. De Commissie beoordeelt of er inderdaad sprake is van staatssteun, en zo ja, of en onder welke voorwaarden die is toegestaan. De meldingsprocedure wordt gecoördineerd door mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In dit geval is er geen melding geweest, mede omdat er nog geen besluit tot verstrekking van een lening is genomen. De provincie heeft aangegeven dat conformiteit met de regels van staatssteun een randvoorwaarde is voor het aangaan van een overeenkomst. Over het definitieve ontwerp van de te sluiten overeenkomst zal nog een extern advies worden ingewonnen alvorens het tot finale besluitvorming komt.
Hoe wordt voorkomen dat de andere ziekenhuizen in de regio, in het bijzonder het Refaja Ziekenhuis in Stadskanaal en het Martiniziekenhuis in Groningen, nadeel ondervinden van de gemaakte afspraken op het gebied van financiering en langdurige contractafspraken met zorgverzekeraars ten gunste van de Ommelander Ziekenhuisgroep?
Zorgverzekeraars hebben een zorgplicht. Zorgverzekeraars dienen voor hun naturaverzekerden voldoende zorg in te kopen, dat wil zeggen dat de zorg op redelijke afstand en redelijke termijn beschikbaar moet zijn. Zorgverzekeraars zijn zelf verantwoordelijk voor hun inkoopbeleid en maken, rekening houdend met hun zorgplicht, zelf keuzes bij welke zorgaanbieders zij hun zorg inkopen en met welke zorgaanbieders zij eventueel langdurige afspraken maken. Zorgverzekeraars maken hun keuzes op basis van onder andere prijs en kwaliteit en hieruit vloeit voort dat er verschillen in de contractafspraken kunnen ontstaan.
De dreigende teloorgang van het St. Jans Gasthuis in Weert door het beleid van CZ, VGZ en andere zorgverzekeraars |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat CZ, VGZ en andere zorgverzekeraars van plan zijn om geen beroerte (CVA)-zorg, klinische geboortezorg en heupoperaties meer in te kopen bij het St. Jans Gasthuis in Weert?1
In het Bestuurlijk Hoofdlijnenakkoord Medisch Specialistische zorg (MSZ) tussen VWS, NVZ, NFU, ZKN en ZN (2011) zijn afspraken gemaakt om te komen tot een beheerste kostenontwikkeling en over spreiding en specialisatie van ziekenhuizen daar waar dit vanuit oogpunt van kwaliteit, doelmatigheid en innovatie van zorg wenselijk is. Acute Zorg speelt in dit akkoord een belangrijke rol. Zorgverzekeraars Nederland (ZN) heeft het initiatief genomen om de in het Hoofdlijnenakkoord gemaakte afspraken verder uit te werken. In het begin 2013 gepubliceerde rapport «Kwaliteitsvisie Spoedeisende Zorg» is door Zorgverzekeraars Nederland (ZN) de eerste stap gezet. In dit rapport is een landelijk kader van criteria voor de herinrichting van de spoedeisende zorg opgesteld. In dit kwaliteitskader staat voor meerdere complexe acute aandoeningen (o.a. voor CVA-, geboorte- en heupfractuurzorg) aangegeven wat de kwaliteits- en volumecriteria zouden moeten zijn om de kwaliteit te verhogen. Op basis van deze criteria zijn scenario’s ontwikkeld en is een inventarisatie gemaakt toegespitst op de specifieke situatie per regio in dialoog met regionale zorgaanbieders. Zorgverzekeraars beogen de kwaliteit van spoedeisende zorg te verbeteren in de regio’s door op basis van kwaliteitscriteria te gaan contracteren bij ziekenhuizen die voldoen aan de gestelde eisen voor kwaliteit.
De Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft zorgverzekeraars er inmiddels op gewezen dat hun gezamenlijke plannen voor de concentratie van spoedeisende ziekenhuiszorg de keuzemogelijkheden voor patiënten en verzekerden kunnen verminderen. Op basis hiervan heeft ZN op 16 juli laten weten het gezamenlijke traject rond complexe spoedeisende zorg voor dit moment af te ronden. Er is op dit moment dus geen sprake meer van een gezamenlijk traject van de zorgverzekeraars om genoemde zorg niet meer in te kopen bij het St. Jans Gasthuis. Het is nu aan iedere zorgverzekeraar afzonderlijk om hier het eigen inkoopbeleid op te formuleren. Het inkoopbeleid van zorgverzekeraars is een individuele verantwoordelijkheid, waarbij de zorgverzekeraar moet voldoen aan de zorgplicht jegens zijn verzekerden.
Zo ja, waarop is dit besluit gebaseerd? Zijn er bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg aanwijzingen dat de zorg in het St. Jans Gasthuis op deze terreinen niet op orde is?
Zie antwoord op vraag 1.
De IGZ heeft geen signalen waaruit af te leiden is dat de kwaliteit van de beroerte (CVA)-zorg, klinische geboortezorg en heupoperaties in het St. Jans Gasthuis niet op orde is.
Wat zijn de kwalitatieve outcome-gegevens van dit ziekenhuis op deze drie terreinen? Klopt het dat deze outcome kwalitatief volledig aan de maat is vergeleken met andere ziekenhuizen?
Indien de zorg onder de maat is, treedt de inspectie op. Het is mij verder niet bekend wat de kwalitatieve outcome-gegevens van het St. Jans Gasthuis exact zijn en of deze vergelijkbaar zijn met andere ziekenhuizen. Het is de verantwoordelijkheid van individuele zorgverzekeraars om op basis van onder andere prijs- en kwaliteitsgegevens afwegingen te maken bij de zorginkoop.
Betekent het niet als de dominante zorgverzekeraars weigeren deze zorg in te kopen, dat dan het St. Jans Gasthuis als volledig basisziekenhuis op termijn ten dode is opgeschreven en dat door een domino-effect ook de intensive care en de spoedeisende eerste hulp (SEH) onder druk komen te staan?
Zoals ik heb aangegeven in mijn reactie op vraag 1 is het de verantwoordelijkheid van zorgverzekeraars om zorg in te kopen waarbij zij dienen te voldoen aan hun zorgplicht. Er is op dit moment geen sprake van een gezamenlijk traject van zorgverzekeraars om de genoemde zorg bij vraag 1 niet meer in te kopen. Elke zorgverzekeraar formuleert zijn eigen inkoopbeleid. Dit kan ertoe leiden dat bepaalde zorg niet langer wordt ingekocht en zou ook kunnen betekenen dat een ziekenhuis in het geheel niet langer wordt gecontracteerd. Zorgverzekeraars dienen rekening te houden met hun zorgplicht en indien zij daaraan niet voldoen kan de NZa ingrijpen. Daarnaast kan ingegrepen worden als de continuïteit van de cruciale zorg of de veiligheid van de zorg in het geding komt.
Daarnaast heb ik er vertrouwen in dat zorgverzekeraars en zorgaanbieders met behulp van andere relevante partijen gezamenlijk komen tot een kwalitatief verantwoorde en doelmatige inrichting van de (acute)zorg, waarin de verschillende functies van onder andere ziekenhuiszorg transparant en onderbouwd worden belegd.
Is het verdwijnen van het St. Jans Gasthuis als volledig basisziekenhuis volgens u een goede zaak? Zo ja, hoe verhoudt zich dit dan tot het streven om basisziekenhuiszorg om de hoek te leveren?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u het ook laf van de zorgverzekeraars dat ze weigeren hun plannen met betrekking tot de ziekenhuiszorg in Limburg en andere delen van het land openbaar te maken? Hebben zij iets te verbergen?
Wat betreft spoedzorg heeft ZN in februari 2013 de gezamenlijke uitgangspunten bekend gemaakt. Op basis daarvan zijn vervolgens per regio verkennende gesprekken gevoerd tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. De uitgangspunten zijn dus niet geheim en wel transparant. Uw Kamer kan de transparante uitgangspunten van de zorgverzekeraars raadplegen op de website van ZN.
Hiernaast hebben zorgverzekeraars een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot hun individuele inkoopbeleid. Welke keuze de zorgverzekeraar uiteindelijk maakt is aan de individuele zorgverzekeraar. Dat zolang er geen definitieve keuze is gemaakt, dit nog niet bekend is, acht ik onderdeel van het inkoopproces. Zie voorts de antwoorden op voorgaande vragen.
Getuigt het niet van een democratisch tekort als de ziekenhuisbesturen en de bobo’s van de verzekeraars wel van de plannen op de hoogte zijn en in de achterkamertjes van alles aan het bedisselen zijn, maar de bevolking en de patiënten en hun vertegenwoordigers zoals gemeentebesturen van niets weten, zodat een fatsoenlijk debat over de maatschappelijke wenselijkheid van ziekenhuiszorg in de regio niet kan plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 6.
Wanneer gaat u er nu eens voor zorgen dat alle plannen van de verzekeraars openbaar worden gemaakt, zodat een democratische discussie over deze plannen kan plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Nu al even veel drugsafval gedumpt als in heel 2013’ |
|
Peter Oskam (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de speciale themasite van de Omroep Brabant bekeken over synthetische drugs naar aanleiding van de vele dumpingen in deze provincie?1 2
Ja.
Hoe beoordeelt u de inschattingen die zijn gemaakt met betrekking tot het aantal drugsdumpingen en de daaraan gerelateerde kosten voor 2013 en 2014?
Uit door de provincie Noord-Brabant aan mij verstrekte informatie blijkt dat er in 2013 ongeveer 150 dumpingen hebben plaatsgevonden. De gemiddelde opruimkosten per dumping zijn 20.000 euro. In totaal bedroegen de opruimkosten in 2013 dus 3 miljoen euro. In 2014 zijn er in Noord-Brabant tot eind mei 90 dumpingen geregistreerd. De opruimkosten bedragen dit jaar dus bijna 2 miljoen euro. De provincie Noord-Brabant verwacht dat over heel 2014 de opruimkosten zo’n 5 miljoen euro zullen bedragen.
Indien u van mening bent dat (een aantal van) deze inschattingen niet kloppen, kunt u ze dan corrigeren?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat vanaf 2014 jaarlijks 1,8 miljoen euro naar de Taskforce Brabant Zeeland gaat?
De TaskForce Brabant Zeeland (TaskForce BZ) speelt een belangrijke aanjagende rol bij de gezamenlijke aanpak van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit. Ik ondersteun deze aanpak in Brabant en Zeeland onder meer door het leveren van een financiële bijdrage. In 2014 betreft mijn bijdrage € 750.000 voor het werk van het Integraal Afpakteam Brabant Zeeland en € 500.000 voor de andere activiteiten van de TaskForce BZ.
Hoeveel geld wordt vanaf 2014 jaarlijks besteed aan de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO)?
Vanuit mijn ministerie wordt jaarlijks een bedrag van € 520.000 in de algemene bijdrage voor de politie gereserveerd voor de LFO. Inmiddels heeft de politie aangegeven dat de kosten voor de LFO voor 2014 zijn geprognosticeerd op tenminste € 832.000,–. Gezien het feit dat de capaciteit van de LFO in 2014 is verdubbeld (van 4 naar 8 LFO-coördinatoren) betekent dit dat deze kosten verder zullen stijgen en worden geprognosticeerd op € 1.223.000,–.
Welke doelstelling legt u zichzelf op met betrekking tot de vermindering van het aantal drugsdumpingen, zowel in Brabant als Limburg?
Het aantal drugsdumpingen moet worden teruggebracht. Met het aanpakken van de productie van synthetische drugs wordt ook het aantal drugsdumpingen teruggedrongen. De aanpak van de productie van drugs heeft daarom onverminderd prioriteit, ook na 2014. Een belangrijke focus daarbij ligt op het verstoren van het productieproces. Het wordt criminelen moeilijk gemaakt om aan het benodigde gereedschap en de chemische grondstoffen te komen, bijvoorbeeld door intensieve internationale samenwerking met de bronlanden van deze grondstoffen. Naast deze aanpak aan de voorkant loopt in Noord-Brabant een project gericht op de aanpak van dumpingen. Diverse partners werken daarin samen om de gevolgen van de drugsdumpingen en de daarmee gepaard gaande opruimkosten te beperken. Ook wordt er in het kader van dit project door politie en openbaar ministerie (OM) bij drugsdumpingen onderzocht of de dader kan worden achterhaald om zo, naast een mogelijk strafrechtelijk vervolg, de opruimkosten te kunnen verhalen. De aanpak van synthetische drugs is bovendien een van de prioriteiten van de intensivering van de aanpak van ondermijnende criminaliteit in Zuid-Nederland. Concreet ziet de intensivering in Zuid-Nederland op het inzetten van meer capaciteit door de politie, binnen de bestaande capaciteit, ten behoeve van de integrale aanpak van ondermijning. Met behulp van vaste ondermijningsteams kan sneller geacteerd worden op signalen van ondermijnende criminaliteit, waaronder drugsdumpingen. Voor een nadere uitwerking van de intensivering verwijs ik graag naar mijn brief van 4 september 2014 over dit onderwerp.
Hoe wordt in de opsporing van drugslaboratoria rekening gehouden met de trend dat deze labs steeds vaker mobiel van aard zijn?
De aanpak van mobiele labs in bijvoorbeeld vrachtwagens, containers en aanhangers, maakt onderdeel uit van de training en voorlichting van opsporingsambtenaren die zijn belast met de bestrijding van synthetische drugs. Tevens is de nodige kennis overgebracht aan verkeersdiensten en specialistische onderdelen van de Nationale politie.
Hoe definieert u de door u vaak gebezigde term «topprioriteit»?
Bepaalde vormen van criminaliteit hebben een zodanig ondermijnend karakter, of een zodanige impact op de samenleving dat ik het van belang vind te benadrukken dat het een bijzonder belangrijke aangelegenheid betreft die topprioriteit verdient.
Waarom verwijst u in de beantwoording op eerdere vragen over drugsdumpingen op uw doelstelling dat eind 2014 het aantal aangepakte criminele samenwerkingsverbanden moet zijn verdubbeld? Niet ieder crimineel samenwerkingsverband is toch gelieerd aan georganiseerde drugscriminaliteit en evenmin is toch niet iedere drugsdumping het werk een criminele groepering?3
Ik heb gewezen op de doelstelling dat eind 2014 het aantal aangepakte criminele samenwerkingsverbanden moet zijn verdubbeld, omdat deze doelstelling op een beperkt aantal thema’s ziet waarvan synthetische drugs er één is. In de beantwoording is tevens gewezen op het belang van een gezamenlijke aanpak van drugsdumpingen, zoals in het project in Noord-Brabant en de verdubbelde capaciteit bij de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) om de problemen rondom dumpingen van drugsafval aan te pakken.
Wat hebben de gesprekken met uw Duitse, Franse, Belgische en Luxemburgse ambtgenoten om te bezien hoe de gezamenlijke inspanningen om de georganiseerde drugscriminaliteit te bestrijden geïntensiveerd kunnen worden, tot nu toe opgeleverd en wanneer wordt het gezamenlijke actieplan naar de Kamer gestuurd?4
Het actieprogramma waar ik momenteel aan werk met mijn Franse, Belgische en Luxemburgse collega’s zal later dit jaar gereed zijn en naar uw Kamer worden gestuurd. Ik acht het niet wenselijk op de inhoud daarvan vooruit te lopen.
Kunt u een overzicht geven van het aantal verdachten, alsmede het aantal uiteindelijke veroordelingen dat het onderzoek in de provincies Noord-Brabant en Limburg door de politie en het Openbaar Ministerie (OM) naar daders van dumpingen, de afgelopen twee jaar heeft opgeleverd?5
Nee, het College van procureurs-generaal heeft mij gemeld dat het niet beschikt over een overzicht van zaken waarin verdachten zijn veroordeeld ter zake van het dumpen van drugsafval. Zoals ik reeds heb gemeld in antwoord op vragen van de leden Jacobi en Rebel over «Handhaving dumping drugsafval in de natuur»6, kan het dumpen van drugsafval onder verschillende feiten worden vastgelegd, hetzij als een milieudelict hetzij als overtreding van de Opiumwet. Het dumpen van drugsafval wordt als zodanig niet geregistreerd in de bedrijfsprocessensystemen van het OM. Navraag bij de Eenheid Limburg van de Nationale politie heeft uitgewezen dat ook door de politie voor dit soort incidenten niet tevens een afzonderlijke classificatie wordt gebruikt. Deze incidenten zijn derhalve niet onder de noemer van «dumpen van drugsafval» in het bedrijfsprocessensysteem Basisvoorziening Handhaving (BVH) te identificeren.
Kunt u de meest actuele cijfers met betrekking tot het landelijke aantal drugszaken, de afdoening daarvan en het aantal betrokken verdachten zoals deze jaarlijks gepubliceerd worden in het Jaarbericht van de Nationale Drug Monitor, weergeven in de beantwoording van deze vragen?
Uit het meest recente jaarbericht van de Nationale Drugs Monitor (NDM), de NDM 2012, blijkt dat bij politie en Koninklijke Marechaussee in 2012 in totaal 18.327 verdachten van Opiumwetdelicten zijn geregistreerd en 18.098 Opiumwetzaken zijn ingestroomd bij OM. Per verdachte kan meer dan één zaak geregistreerd zijn. De zaken die door OM zijn afgedaan zijn onder te verdelen in: dagvaarding (59,8%), transactie (15,8%), beleidssepot (8,7%), technisch sepot (9,4%), voeging (1,0%), strafbeschikking (5,4%). Uit de cijfers blijkt verder dat 9.491 zaken door de rechter zijn afgedaan. Dit heeft in 3.211 zaken geleid tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, in 3.610 zaken tot een taakstraf en in 1.040 zaken tot een geldboete.
Kunt u bedenken waarom het een meerwaarde heeft als behalve registratie in de Basisvoorziening Handhaving (het zogenaamde BHV-systeem) ook het OM het dumpen van drugsafval als zodanig gaat registreren?6
Nee. De nationale politie ontvangt meldingen en aangiften van dit soort delicten.
Slechts de zaken die leiden tot een verdachte, worden ingezonden naar het OM. Vanuit deze optiek leidt afzonderlijke registratie door het OM niet tot het genereren van extra informatie, maar slechts tot extra registratiedruk voor de medewerkers van het OM. Ik zet mij er juist voor in om administratieve lasten terug te dringen.
Hoeveel geld stelt u beschikbaar aan Noord-Brabant, alsmede aan andere provincies, ten behoeve van het vergroten van kennis over de aanpak van drugsdumpingen?7
In mijn brief van 20 mei 20149 aan uw Kamer heb ik gemeld dat ik bereid ben om een financiële bijdrage te leveren om de kennis over de aanpak van drugsdumpingen in Noord-Brabant ook voor andere provincies beschikbaar te stellen. Daarvoor heb ik een bedrag van 20.000 euro gereserveerd. Over de uitvoering daarvan is inmiddels op ambtelijk niveau tussen Noord-Brabant en mijn ministerie overleg gaande.
Waarom wilt u wel geld besteden aan het vergroten van kennis, maar weigert u extra geld uit te geven aan extra capaciteit voor bestrijding van drugscriminaliteit alsmede geld voor een bijdrage aan een waarborgfonds dat de provincie Noord-Brabant wil instellen?8
In de voorbije periode zijn forse inspanningen geleverd voor de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Naar aanleiding van signalen van politie, OM en het openbaar bestuur is besloten de geïntegreerde aanpak van ondermijnende criminaliteit in Zuid-Nederland te intensiveren. Concreet ziet de intensivering in Zuid-Nederland op het inzetten van meer capaciteit door de politie, binnen de bestaande sterkte, ten behoeve van de aanpak van ondermijning. Met behulp van vaste ondermijningsteams kan sneller geacteerd worden op signalen van ondermijnende criminaliteit, waaronder drugscriminaliteit. Voor een nadere uitwerking van de intensivering verwijs ik graag naar mijn brief van 4 september 2014 over dit onderwerp. Voor wat betreft het waarborgfonds wijs ik er op dat er geen wettelijke beperkingen zijn aan het vormen van een waarborgfonds, zoals de provincie Noord-Brabant dit heeft voorgesteld. Het staat deze provincie dus vrij om een dergelijk fonds te vormen, maar voor zover mij bekend is dat nog niet gebeurd. Het verzoek van de provincie Noord-Brabant om een waarborgfonds (mede) te vullen uit Plukze-gelden heb ik, zoals ik op 20 mei van dit jaar (TK 2013–2014, 29 911, nr. 91) aan uw Kamer heb laten weten, afgewezen omdat deze gelden in de algemene middelen vloeien.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de totstandkoming van dit waarborgfonds?
Zie antwoord vraag 15.
Waarom is het niet mogelijk om uit de registratiesystemen van het OM en de Raad voor de rechtspraak gegevens te destilleren om de vraag te beantwoorden in hoeveel (straf)rechtszaken in 2012 en 2013 door onherstelbaar vormverzuim strafvermindering of vrijspraak volgde terwijl uit de bewijsmiddelen onomstotelijk is vast komen te staan dat er sprake was van een hennepkwekerij? Behoort een indicatie aan de hand van bestudering van onlinegepubliceerde uitspraken wel tot de mogelijkheden?9
In het registratiesysteem van het OM worden wel de rechterlijke uitspraken geregistreerd met het oog op de executie van die uitspraken. Registratie van de motivering van de uitspraken vindt niet plaats, omdat zo’n registratie zou leiden tot een grote werklastverzwaring van het OM. Bovendien worden niet alle vonnissen schriftelijk gemotiveerd en is (met name in politierechterzaken) vaak sprake van een verkort (mondeling) vonnis. Registratie van vonnissen zou niet leiden tot betrouwbare gegevens met betrekking tot de redenen die hebben geleid tot strafvermindering of vrijspraak. Onlinegepubliceerde uitspraken bevatten niet de informatie die nodig is om deze vraag te beantwoorden. Daarvoor zal zeer arbeidsintensief dossier- en jurisprudentieonderzoek noodzakelijk zijn.
Waarom heeft het OM mede op grond van beperkte onderzoeksmogelijkheden geen hoger beroep ingesteld tegen de vrijspraak van een hennepkwekerij10, terwijl uit de bewijsmiddelen onomstotelijk was vast komen te staan dat er sprake was van een hennepkwekerij?11
Zoals ik uw Kamer reeds heb gemeld in de beantwoording van de vragen van het lid Oskam14 heeft het OM geen hoger beroep ingesteld vanwege de ouderdom van de zaak en de beperkte onderzoeksmogelijkheden die resteren op het punt van de start van het onderzoek. De kans dat het Hof tot een ander oordeel zou komen werd als klein ingeschat.