Het bericht 'Varkensboer die voor miljoenen is uitgekocht, wil op andere plek uitbreiden' |
|
Jan Paternotte (D66) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de in het artikel beschreven situatie, waarbij een uitgekochte varkenshouder elders zijn bedrijf uitbreidt?1
De varkenshouder waar het artikel betrekking op heeft, heeft gebruikgemaakt van de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden – ook wel bekend als Maatregel gerichte aankoop (hierna: MGA) – om een veehouderijlocatie te beëindigen. Op grond van een voorwaarde uit de MGA mag een deelnemer niet elders in Nederland een veehouderij vestigen of overnemen, ook niet via een deelneming van de veehouder in een vennootschap, samenwerkingsverband of anderszins (het zogenoemde doorstartverbod). Een veehouder mag een bestaande veehouderijlocatie, die op het moment van aanvraag van de MGA al op zijn naam stond, voortzetten en, binnen de bestaande wettelijke kaders, uitbreiden.
Op grond van aan mij door provincie Noord-Brabant verstrekte informatie breidt de stoppende varkenshouder uit het artikel zijn bedrijf niet elders uit maar betreft de uitbreiding een ander bedrijf, namelijk het bedrijf van zijn broer, waar de stoppende varkenshouder bedrijfsmatig niet bij betrokken is.
In hoeverre geldt voor de landelijke opkoopregelingen dat de in Brabant ontstane situatie, waarbij een uitgekochte ondernemer elders een (familie-)bedrijf uitbreidt, kan worden voorkomen?
Net als in de MGA is ook in de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) en de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) een doorstartverbod als voorwaarde verbonden aan subsidieverstrekking. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven mag een veehouder een bestaande locatie voortzetten en uitbreiden, mits deze locatie al op het moment van subsidieaanvraag op zijn of haar naam stond (of de betreffende veehouder al deelnemer was in de vennootschap, het samenwerkingsverband of anderszins).
Indien uw inschatting is dat een dergelijke situatie zich ook kan voordoen rondom de landelijke opkoopregelingen, deelt u dan de mening dat dit zeer onwenselijk is omdat publiek geld dan kan worden gebruikt voor het voortzetten van de bedrijfsactiviteiten?
Het doorstartverbod vloeit voort uit het Europese steunkader, waar de landelijke beëindigingsregelingen door de Europese Commissie aan getoetst zijn. Deze regelingen laten ruimte voor het voortzetten van de bedrijfsactiviteiten in bepaalde gevallen, in het bijzonder op een andere bestaande locatie, zoals aangeduid in het antwoord op vraag 2. De regelingen bieden een subsidie voor veehouders die een locatie van hun bedrijf beëindigen maar bevatten geen voorschriften voor de concrete aanwending van die subsidie. De subsidie kan bijvoorbeeld worden aangewend voor het aflossen van een lening, maar ook voor investeringen in een ander bedrijf of voor de uitbreiding van een andere bestaande locatie voor zover dat is toegestaan binnen de regeling.
Daarbij heeft de veehouder ook de mogelijkheid om gebruik te maken van de latente ruimte binnen de voor die bestaande locatie aanwezige vergunning. Om uit te kunnen breiden, is echter meer nodig dan alleen de juiste vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. Zo dient een veehouder te beschikken over voldoende productierecht voor melkvee, varkens en/of pluimvee en kan er in bepaalde gevallen ook een milieuvergunning/omgevingsvergunning nodig zijn om een uitbreiding mogelijk te maken. Voor de productierechten geldt dat wanneer een ondernemer gebruik maakt van een stoppersregeling, het merendeel van de productierechten wordt doorgehaald. Als een ondernemer dus besluit locatie A te beëindigingen via een beëindigingsregeling en locatie B wil uitbreiden, zal hij of zij productierechten van een andere ondernemer moeten overnemen (die bijvoorbeeld krimpt). Dankzij deze subsidievereisten daalt met de beëindigingsregelingen het aantal productierechten dat in Nederland beschikbaar is voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee en wordt daarmee geborgd dat er sprake is van een blijvende daling van de stikstofdepositie.
In hoeverre geldt dat een ondernemer niet elders een soortgelijk bedrijf begint (het «beroepsverbod»), een voorwaarde die voortvloeit uit de Europese voorwaarden voor staatssteun waar de opkoopregelingen onder vallen wanneer er sprake is van een reeds afgegeven vergunning voor een bedrijf elders, zoals het geval is in Brabant?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 gold in de MGA als voorwaarde voor een aankoop dat de uitgekochte veehouder niet elders in Nederland een veehouderij mag vestigen of overnemen.
Ook bij de Lbv-plus en de Lbv is sprake van een verbod voor deelnemers aan deze regelingen om elders dezelfde activiteit te starten door een veehouderijlocatie te vestigen of over te nemen. De reikwijdte van dat verbod is expliciet vermeld in de toelichtingen bij de regelingen (paragraaf 5.4.4 en paragraaf 8), zoals die zijn gemeld bij en goedgekeurd door de Europese Commissie. Zoals ook aangegeven in voorgaande antwoorden kunnen deelnemers dus hun bedrijf op andere bestaande locaties voortzetten. Die voortzetting is naar zijn aard afhankelijk van de mogelijkheden die de vergunningen van betrokkene daarvoor bieden.
Vindt u het nodig om bij het vervolg van de landelijke opkoopregelingen ook oog te hebben voor reeds afgegeven vergunningen, waarmee het mogelijk is om de bedrijfsvoering op die andere vergunning toch voort te zetten?
De landelijke beëindigingsregeling hebben tot doel de stikstofdepositie die door individuele veehouderijlocaties wordt veroorzaakt op overbelaste en voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden te beëindigen. Het aangrijpingspunt van de landelijke beëindigingsregeling is daarmee de individuele veehouderijlocatie. De voorwaarden voor subsidieverstrekking (criteria, vereisten en vergoedingen) zien om die reden uitsluitend op de veehouderijlocatie waarvoor subsidie wordt verleend, niet op andere veehouderijlocaties die tot dezelfde onderneming behoren. Daarmee zou zich immers de situatie kunnen voordoen dat ook eisen worden gesteld aan een veehouderijlocatie die buiten de doelgroep van de betreffende regeling valt.
Hoe verhoudt het potentieel aan stikstofreductie door de opkoopregelingen zich tot het totaal aan ongebruikte vergunde stikstofruimte in Nederland?
Er is geen compleet beeld van latente ruimte in natuurvergunningen. Zoals eerder aan uw Kamer aangegeven bij de beantwoording van Kamervragen van het lid Omtzigt (De Groep-lid Omtzigt) (Kamerstuk 2022–2023 Aanhangsel 1670) schat ik, op basis van een door onderzoeksbureau Sweco uitgevoerde desk research, de omvang van latente ruimte in de agrarische sector in tussen de 25% en 40% van de verleende natuurvergunningen.
Ingebruikname van latente ruimte is onwenselijk, omdat het een risico kan vormen voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Een veehouder heeft echter meer nodig dan alleen ruimte in zijn natuurvergunning om te komen tot een uitbreiding op een locatie. Zo dient een veehouder te beschikken over voldoende productierecht voor melkvee, varkens en/of pluimvee en kan er in bepaalde gevallen ook een milieuvergunning («omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit») nodig zijn om een uitbreiding mogelijk te maken.
Ik onderken het risico van ingebruikname van latente ruimte voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Daarom heb ik in de Kamerbrief van 25 november 2022 de aanpak van latente ruimte aangekondigd, onder meer door herinvoering van een natuurvergunningplicht voor intern salderen. Begin 2023 heb ik daartoe een conceptwetsvoorstel in consultatie gebracht. Dat voorstel bevatte ook de in het coalitieakkoord van het kabinet-Rutte IV aangekondigde aanscherping van de stikstofdoelen.2 In oktober 2023 heeft het lid Akerboom een motie ingediend waarin de regering wordt verzocht om, indien de wetswijziging voor de aanscherping van de stikstofdoelen niet bij de Tweede Kamer wordt ingediend, het onderdeel voor de herintroductie van de vergunningplicht voor intern salderen wel zo snel mogelijk voor te leggen aan de Raad van State en vervolgens naar de Kamer te sturen.3 Deze motie is door de Kamer verworpen.4 Los daarvan geven de reacties uit de internetconsultatie aanleiding om te bezien welk instrument het beste aansluit bij het doel om grip te krijgen op latente ruimte en zekerheid bij natuurvergunningen. Daarbij kijk ik ook naar eventuele alternatieven voor de vergunningplicht. Ik wil de keuzes die hierover gemaakt kunnen worden, overlaten aan een volgend kabinet.
Het is nog te vroeg om een prognose te geven van de reductie van de ammoniakemissie en stikstofdepositie die met de Lbv en Lbv-plus gerealiseerd kan worden. Pas op het moment dat meer zekerheid bestaat over het aantal en het soort veehouderijlocaties (zoals ligging ten opzichte van overbelaste en voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, sector en omvang) dat daadwerkelijk overgaat tot definitieve en onherroepelijke beëindiging is het mogelijk om tot een onderbouwde prognose te komen.
Verwacht u dat met het huidige openstellingsbudget alle geïnteresseerde ondernemers zouden kunnen worden uitgekocht? Zo nee, hoe veel meer budget is daarvoor nodig in 2024?
De interesse voor de vrijwillige beëindigingsregelingen Lbv en Lbv-plus is groot. Om alle aanvragen die aan de voorwaarden voldoen te kunnen honoreren zijn extra middelen nodig. Ik maak me sterk voor het vinden van deze middelen. Ik zal uw Kamer op korte termijn nader informeren.
De mestderogatie |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
In de derogatiebeschikking is duidelijk opgenomen dat u per 1-1-2024 de nutriënten verontreinigde (NV)-gebieden moet hebben aangewezen. Erkent u dat u een serieus risico op Brussels ingrijpen neemt door deze gebieden nog niet te hebben aangewezen?
Erkent u dat u veehouders hiermee onnodig lang in onzekerheid houdt en mogelijk opzadelt met onnodig hoge kosten wanneer Brussel zelf de regie neemt? Zo ja, wat is uw beleid om veehouders vertrouwen te geven?
Met de bekendmaking van de regeling is voor landbouwers duidelijk welke nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden) zijn aangewezen. Hiermee implementeer ik de voorwaarden vanuit de derogatiebeschikking tijdig voor 1 januari 2024.
Het proces om te komen tot de (door mij gewenste gedetailleerde) aanwijzing van NV-gebieden vergde tijd, mede i.v.m. het noodzakelijke overleg met de Europese Commissie. Juist ook vanwege de ingrijpendheid van de maatregelen die gelden voor NV-gebieden wilde ik dat we de gebieden zo gedetailleerd mogelijk konden aanwijzen, zodat de gebieden worden aangewezen waar de maatregelen door de agrariërs ook echt nodig zijn en effect hebben.
Ik realiseer me dat de maatregelen een grote impact hebben op de agrarische bedrijfspraktijk. Vanwege die ingrijpendheid zal ik de agrariërs in de NV-gebieden helpen om er zo snel mogelijk voor te zorgen dat de waterkwaliteit in deze gebieden op orde komt. Dit wil ik doen met advies van de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet en het ophalen van best practices in de praktijk en bij waterschappen. Vervolgens zal ik actief de boeren in deze gebieden hierover informeren.
Bent u bereid om de bufferzones rond Natura 2000-gebieden, die u per 1-1-2024 moet toepassen, te baseren op maatwerk waarbij u zich vanuit het oogpunt van doeltreffendheid enkel focust op habitattypen waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden en niet op gehele Natura 2000-gebieden?
Met de aanwijzing van de derogatievrije zones rond Natura 2000-gebieden geef ik uitvoering aan de voorwaarde in de derogatiebeschikking, dat met ingang van 1 januari 2024 ook geen derogatievergunning meer mag worden verstrekt voor percelen die binnen een bufferzone liggen rondom de grens van een Natura 2000-gebied waar de kritische stikstofbelasting voor stikstofdepositie wordt overschreden. De voorwaarde uit de derogatiebeschikking ziet dus op het hele Natura 2000-gebied waar de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden. De derogatiebeschikking biedt geen ruimte om hiervan af te wijken door enkel te focussen op habitattypen in het Natura 2000-gebied waar de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden.
Op basis van een advies van Wageningen Environmental Research (WEnR) heb ik een zone vastgesteld rondom de Natura 2000-gebieden waar de KDW wordt overschreden. De Natura 2000-gebieden die het betreft zijn opgenomen in bijlage 5 van mijn Kamerbrief van 5 december over de voortgang implementatie derogatiebeschikking mest en implementatie van met nutriënten-verontreinigde gebieden (Kamerstuk 33 037, nr. 521) en in bijlage II bij de op 19 december gepubliceerde regeling (Stcrt. 2023, 34882).
Welke maatregelen treft u om de mestexcretie in 2025 zoveel mogelijk in overeenstemming te laten zijn met het dan geldende excretieplafond? Bent u bereid om hierbij alles in het werk te stellen om een generieke korting te voorkomen en om bedrijven die door willen te ontzien?
De maatregelen die ik nu reeds genomen heb – voorlopig afzien van het actualiseren van de excretieforfaits voor melkvee en voorlopig afzien van het openstellen van de fosfaatbank – richten zich op het voorkomen dat de mestproductie toe kan nemen. Dit is een eerste stap om de mestproductie in 2025 zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met het dan geldende nationale mestproductieplafond. Het effect van deze maatregelen en de resultaten van de Lbv en Lbv-plus op het doelbereik zullen door mij gemonitord worden en zo nodig zullen extra aanvullende maatregelen getroffen moeten worden. Over deze extra aanvullende maatregelen, zoals de mate van verhoging van het afromingspercentage bij overdracht van fosfaatrechten, ga ik het gesprek aan met sectorpartijen. Insteek daarbij is het voorkomen van een generieke korting op fosfaatrechten om te voldoen aan de mestproductieplafonds uit de derogatiebeschikking. Voorts verwijs is u naar mijn brief van 5 december jl. over dit onderwerp.
Bent u zich ervan bewust dat de afbouw/verlies van derogatie voor de veehouderij met bijbehorende gevolgen ertoe leidt dat komend jaar gezinsbedrijven acuut in financiële problemen komen?
Ik ben mij ervan bewust dat de derogatiebeschikking een grote impact heeft op de agrarische sector en op individuele bedrijven (zie ook mijn brief aan de Tweede Kamer van 28 september 2022 (Kamerstuk 33 037, nr. 480)). Daarnaast heeft het koude en natte voorjaar geleid tot minder afzetmogelijkheden voor dierlijke mest en een toename van de mestafzetkosten. Ter uitvoering van de moties van de leden Van Campen c.s. en Boswijk c.s. (Kamerstukken 33 037, nr. 468 en nr. 469) heb ik Wageningen Economic Research (WEcR) opdracht gegeven de economische effecten van de maatregelen uit de derogatiebeschikking voor verschillende typen melkveebedrijven in beeld te brengen. Ik streef ernaar dit onderzoek medio januari 2024 naar de Tweede Kamer te sturen.
Kunt u aangeven wat de additionele kosten zijn voor een doorsnee melkveehouder die het gevolg zijn van de afbouw/verlies van derogatie in combinatie met het verlies aan grond door het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB) (bufferstroken)?
De additionele kosten voor mestafzet ten gevolge van de derogatiebeschikking zullen sterk uiteenlopen per melkveebedrijf. Deze zijn onder andere afhankelijk van de bedrijfsstructuur, het management en de regio waar het bedrijf zich bevindt. Ik verwijs u naar het onderzoek genoemd in het antwoord op vraag 5, dat ik naar verwachting medio januari 2024 naar de Tweede Kamer zal sturen.
Erkent u dat de huidige financiële situatie van veehouderijbedrijven, mede veroorzaakt door de afbouw/verlies van derogatie, ertoe leidt dat deze bedrijven geen financiële slagkracht meer overhouden om de door de overheid beoogde transitie in te zetten? Zo ja, wat gaat u voor deze bedrijven doen?
Zoals ik eerder heb aangegeven (Kamerstuk 30 252, nr. 77) is het verdienvermogen van agrarische ondernemers een cruciale factor voor het laten slagen van de transitie naar een duurzame landbouw. Ter uitvoering van ook de motie van de leden Thijssen en Bromet (Kamerstuk 36 200, nr. 38), heb ik het in het antwoord op vraag 5 genoemde onderzoek door WEcR uitgezet naar de economische en milieueffecten van mogelijke maatregelpakketten die inspelen op de beleidsopgaven voor natuur, klimaat en waterkwaliteit en op mogelijke transitiepaden. Vervolgens wordt nagegaan welk type ondersteunende instrumenten vanuit markt en overheid potentie hebben om de landbouwbedrijven in de transitie te ondersteunen. Ik streef ernaar dit onderzoek medio januari 2024 naar de Tweede Kamer te sturen. Het is ter overweging aan het volgende Kabinet of, en zo ja, welke maatregelen getroffen moeten worden.
Bent u zich er van bewust dat de huidige situatie op de mestmarkt als gevolg van de afbouw van derogatie in combinatie met overige factoren als oplopende rentestanden ertoe leidt dat vooral jonge ondernemers financieel naar de afgrond worden gedrukt en hiermee onze toekomstige voedselmakers en beheerders van het landschap worden verloren? Wat gaat u hieraan doen?
Ik vind het belangrijk dat jonge ondernemers behouden blijven in de agrarische sector. Ik zet mij in voor jonge boeren, onder andere met de jonge boerenregeling en ook fiscaal wordt bedrijfsoverdracht gefaciliteerd. Tegelijkertijd heb ik geen mogelijkheden om bepaalde algemene bedrijfsomstandigheden, zoals verhoging van de mestafzetkosten, te veranderen voor specifieke doelgroepen, zoals jonge boeren. Ik ben wel voornemens om in 2024 het steuninstrument vestigingssteun jonge landbouwers open te stellen. Hiervoor wordt vanuit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 25.000 euro per jonge landbouwer gefinancierd. In mijn Kamerbrief van september (Kamerstuk 30 252, nr. 128) heb ik de Kamer geïnformeerd om 100 miljoen euro aan het steuninstrument toe te voegen.
Deelt u de mening dat de huidige afbouw/verlies van derogatie te snel gaat ten opzichte van de gehele transitie van de landbouw waardoor er nu bedrijven op «omvallen» staan?
Nederland heeft sinds 2006 een derogatie op de Nitraatrichtlijn verkregen. Bij het opnieuw verlenen van de derogatie werden daar steeds meer voorwaarden aan verbonden, omdat de waterkwaliteit in Nederland onvoldoende verbeterde. Hoewel het kabinet zich tot het uiterste heeft ingespannen voor het verkrijgen van een volledige nieuwe derogatie, heeft de Europese Commissie in de derogatiebeschikking voor de periode 2022–2025 een afbouwpad van de derogatie opgenomen en aan deze afbouwende derogatie strenge voorwaarden verbonden. Ik ben mij bewust van het korte tijdpad waarmee bedrijven geconfronteerd worden en de impact hiervan op de bedrijfsvoering.
Bent u bereid om alles in het werk te stellen om de daling van de gebruiksnorm voor N-dierlijk minder snel te laten dalen zodat er een transitiepad met perspectief ontstaat voor de agrarische sector?
Zowel het afbouwpad voor dierlijke mest als de korting op de totale stikstofgebruiksnorm in NV-gebieden die in de beschikking zijn opgenomen zijn bindend, ik zie geen ruimte om daarvan af te wijken.
Bent u bereid om de subsidiebedragen van de regeling «subsidie behoud graslandareaal» te herzien in het licht van de explosief gestegen mestafvoertarieven? En bent u bereid om in de berekening van het subsidiebedrag per tien kilogram stikstof uit te gaan van het actuele wettelijke forfaitaire stikstofgehalte van rundveedrijfmest in plaats van het oude forfait?
Ik ben mij ervan bewust dat de kosten voor het afzetten van dierlijke mest zijn gestegen vanwege de afname van de mestplaatsingsruimte. De Subsidieregeling behoud grasland is bedoeld als tegemoetkoming in een deel van de extra kosten die derogatiebedrijven moeten maken als gevolg van de afbouw van de derogatie en is erop gericht landbouwers te stimuleren derogatie aan te vragen om daarmee het graslandareaal van deze bedrijven te behouden. In de regeling wordt uitgegaan van een forfaitaire vergoeding van twintig euro per tien kg stikstof uit dierlijke mest per hectare terugval in de mestplaatsingsruimte. De berekening van deze vergoeding is gebaseerd op informatie van WEcR over mestafzetprijzen uit het bedrijveninformatienet (BIN) van 2020. Hierbij is rekening gehouden met het stikstofgehalte in een ton melkveemest zoals vastgesteld door de Werkgroep Uniformering berekening Mest en mineralencijfers (WUM). Op dit moment zie ik binnen het beschikbare budget voor de regeling (ca. 130 miljoen euro) en binnen de kaders van de Europese de-minimissteunvoorwaarden geen ruimte om de subsidiebedragen te verhogen, ondanks de toegenomen kosten voor mestafzet.
Bent u ermee eens dat de strikte definitie van het «geen aanspraak kunnen maken op een derogatievergunning» als uitsluitingsgrond binnen de regeling «subsidie behoud graslandareaal» onevenredig is voor bedrijven waarbij slechts een klein percentage van het areaal buiten Natura 2000-gebied of een waterwingebied ligt? Bent u bereid dit te herzien?
Ook bedrijven die een klein percentage van het areaal buiten een Natura 2000-gebied, een derogatievrije zone rondom een Natura 2000-gebied of een grondwaterbeschermingsgebied hebben liggen, kunnen onder voorwaarden voor de subsidie in aanmerking komen. Om hiervoor in het kalenderjaar 2024 in aanmerking te komen, moeten zij in 2021 of 2022 en ook in 2023 een derogatievergunning hebben gehad en opnieuw derogatie aanvragen en verkrijgen. De subsidie die een landbouwer ontvangt is afhankelijk van de mate van terugval in de mestplaatsingsruimte door afname van de derogatienorm en het aantal hectare dat in feitelijk gebruik is bij het bedrijf. Deze bedrijven ontvangen daarom voor de percelen in Natura 2000-gebied, derogatievrije zone rondom een Natura 2000-gebied of een grondwaterbeschermingsgebied een hogere vergoeding.
Erkent u dat het toekomstperspectief in de melkveehouderij voor een belangrijk deel afhankelijk is van de investeringen die gedaan kunnen worden in innovaties en de inzet van extra grond? Zo ja, ziet u mogelijkheden om extra investeringen mogelijk te maken binnen de komende begrotingsstaat Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)?
Naast investeringen in innovaties, waarvan de werkzaamheid en de milieu-impact kan worden geborgd, zijn langjarige vergoedingen voor ecosysteemdiensten en verlaging van de grondkosten belangrijk voor het toekomstperspectief van melkveebedrijven. Zoals u hebt kunnen lezen werden juist in het landbouwakkoord hierover afspraken gemaakt. Het is nu aan het volgende kabinet om te overwegen of er aanvullend op de LNV-begroting maatregelen moeten worden genomen.
Bent u het ermee eens dat mede door overheidsingrijpen de melkveehouderijsector de laatste acht jaar veel heeft moeten inleveren, zoals de generieke korting van 8,3 procent, de afbouw van de derogatie en de introductie van de bufferstroken en dat mede hierdoor het toekomstperspectief zwaar onder druk staat?
Ik ben mij ervan bewust dat de impact van overheidsingrijpen omwille van Europese kaders en natuur- en milieudoelen (waaronder waterkwaliteit) groot is op het boerenerf. Ten aanzien van het toekomstperspectief van melkveebedrijven verwijs ik naar mijn antwoord op voorgaande vragen.
Bent u bereid om het de hoeveelheid stikstofbemesting per hectare de komende jaren te verruimen om de sector de gelegenheid te bieden om de aanpassingen in de bedrijfsvoering over een periode van tien jaar te realiseren?
Zoals u terecht opmerkt in vraag 1 en 2 is er een reëel risico op ingrijpen van de Europese Commissie wanneer Nederland zich niet aan de voorwaarden uit de derogatiebeschikking alsmede andere EU-regelgeving houdt. Daar valt ook de 20% verlaging van de stikstofgebruiksnorm onder, die in de NV-gebieden zal plaatsvinden. Ook de gebruiksnorm voor stikstof uit dierlijke mest is gebonden aan Europese kaders (170 kg N/ha/jaar of voor bedrijven met een derogatievergunning in 2024 en 2025 nog de hogere derogatienorm). Ik zie daarnaast geen ruimte om de stikstofgebruiksruimte in andere gebieden te verhogen, omdat de Nitraatrichtlijn ook voorschrijft dat waterverontreiniging door nitraten uit de landbouw dient te worden verminderd en voorkomen. Een toename van de stikstofbemesting boven het huidige niveau is daarmee niet in lijn.
Als blijkt dat er door verouderde gegevens met betrekking tot de bijdrage van de landbouw onterecht gebieden zijn aangewezen als nutriënten-verontreinigd, wanneer herziet u dan deze gebieden?
De aanwijzing van de NV-gebieden geldt in ieder geval voor de duur van de derogatiebeschikking, 2024 en 2025. Deze aanwijzing en daarmee de geldende maatregelen in deze gebieden, staat hiermee vast voor de komende twee jaar. Voorts verwijs ik u naar de gelijktijdig verzonden brief aan uw Kamer naar aanleiding van een verzoek van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) over dit onderwerp.
Betekent dit dat wanneer blijkt dat de bijdrage van de landbouw in de actuele cijfers lager blijkt dan 19 procent, de korting van uiteindelijk 20 procent totaal stikstof wordt teruggedraaid?
De aanwijzing van de NV-gebieden geldt in ieder geval voor de duur van de derogatiebeschikking, 2024 en 2025. Deze aanwijzing en daarmee de geldende maatregelen in deze gebieden, staat hiermee vast voor de komende twee jaar. Voorts verwijs ik u naar de gelijktijdig verzonden brief aan uw Kamer naar aanleiding van een verzoek van de vaste commissie voor LNV over dit onderwerp.
Waarom wordt met 19 procent aandeel zonder buitenlandse bronnen gerekend, terwijl het om het totaal van nutriënten in water gaat? Wat zou het percentage drempelwaarde-aandeel zijn als de overige bronnen wel worden meegerekend?
Het percentage drempelwaarde-aandeel van de landbouw is in de derogatiebeschikking vastgesteld op 19%, hiervan kan niet worden afgeweken. Om alle agrariërs in Nederland op dit punt gelijkwaardig te behandelen, is de buitenlandse belasting – evenals de inlaat vanuit Rijkswateren – bij de bepaling van de bijdrage van de landbouw in de verontreiniging van het oppervlaktewater niet meegewogen in de totaalsom. Ik heb hiertoe in afstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstraat (I&W) besloten.
De schade door PFAS in landbouwgif |
|
Eva Akerboom (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat in ongeveer vijf procent van het in Nederland toegelaten landbouwgif PFAS zit, ook wel de forever chemicals genoemd, omdat deze stoffen niet of nauwelijks afbreken in het milieu?1
In het RIVM-rapport «Inventarisatie Zeer Zorgwekkende Stoffen in bestrijdingsmiddelen» (Kamerstuk 22 112, nr. 3580) is geconcludeerd dat ongeveer 5% van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden een werkzame stof bevatten die voldoet aan de definitie van PFAS. Aangezien dit onderzoek is gebaseerd op een analyse van eind 2021 en het middelenpakket en de definitie van PFAS enigszins zijn gewijzigd heeft het Ctgb deze gegevens geactualiseerd en heeft hierbij ook de zogenoemde hulpstoffen meegenomen. Dat zijn stoffen die worden toegevoegd aan een gewasbeschermingsmiddel, bijvoorbeeld om er voor te zorgen dat het middel beter werkt. Op basis van de momenteel toegelaten middelen2 bevat circa 10% van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en minder dan 1% van de toegelaten biociden PFAS. De conclusie dat ongeveer 5% van de toegelaten middelen (gewasbeschermingsmiddelen en biociden) PFAS bevat, blijft hierdoor overeind.
Kent u het onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) waaruit blijkt dat Nederlanders te veel PFAS binnenkrijgen, onder andere via voedsel, wat schadelijk is voor de gezondheid?2
Ja, uit dit rapport komt naar voren dat PFAS breed in onze leefomgeving voorkomen en mensen hier via tal van routes aan worden blootgesteld.
In hoeveel van de in Nederland toegelaten landbouwgiffen en biociden zit een werkzame stof die onder de definitie van PFAS valt? Welke werkzame stoffen zijn dit?
Op basis van de geactualiseerde gegevens bevatten 105 toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en 3 toegelaten biociden een werkzame stof die onder de definitie van PFAS in het restrictievoorstel valt. Dit betreft middelen op basis van de volgende 25 werkzame stoffen: cyflufenamid, cyflumetofen, diflufenican, flocoumafen, flonicamid, fluazifop-P-butyl, fluazinam, flufenacet, fluopicolide, fluopyram, flutianil, flutolanil, isoxaflutool, mefentrifluconazool, metaflumizone, penthiopyrad, picolinafen, prosulfuron, pyridalyl, pyroxsulam, sulfoxaflor, tefluthrin, tembotrione, triflusulfuron-methyl en tritosulfuron.
In hoeveel van de in Nederland toegelaten landbouwgiffen en biociden zit een hulpstof (als synergist, formuleringshulpstof, toevoegingsstof, beschermstof, of detergent) die onder de definitie van PFAS valt? Welke hulpstoffen zijn dit?
Op basis van de geactualiseerde gegevens bevatten 5 toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en 1 toegelaten biocide PFAS als hulpstof. Dit betreft de volgende 3 hulpstoffen: Trans-1,3,3,3-tetrafluoroprop-1-ene, bis(perfluoroalkyl (C6-C12)) fosforzuur-, en perfluoroalkyl (C6-C12) fosforzuur.
Zijn er wettelijk toegestane maximumgehaltes PFAS per formulering en wordt hierop gecontroleerd? Zo ja, door welke instantie? Zo nee, waarom niet?
Gewasbeschermingsmiddelen en biociden worden streng beoordeeld volgens vastgestelde, veelal Europese kaders. Een middel wordt alleen toegelaten wanneer het gebruik veilig is bevonden voor mens, dier en milieu, waarbij onder andere is beoordeeld op toxiciteit en persistentie. Het maximale gehalte aan werkzame stof in het betreffende middel en de maximale hoeveelheid die mag worden toegepast is vastgesteld in het wettelijk gebruiksvoorschrift. Dit geldt voor alle werkzame stoffen en middelen, dus ook voor PFAS. Voor werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen die op voedselgewassen worden toegepast, zijn eveneens maximale gehaltes aan residu vastgesteld, de maximale residulimiet (MRL). De NVWA houdt toezicht op de samenstelling en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en publiceert de controleresultaten jaarlijks op haar website.
Zijn de resultaten van deze controles openbaar en zo ja, waar kunnen deze worden gevonden?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u, gezien de eigenschap van PFAS dat het niet-afbreekbaar is, zicht op de ophoping van PFAS in landbouwbodems? Zo ja, in welke mate is hier sprake van en wat zijn hiervan de risico’s voor het milieu? Zo nee, waarom niet?
Omdat verschillende type PFAS zich op verschillende wijze in de bodem gedragen, is beperkt zicht op de ophoping in de bodem. Het RIVM heeft echter ten behoeve van het handelingskader PFAS in 2020 een landelijk achtergrondwaardenonderzoek4 uitgevoerd. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de concentraties PFAS in bebouwd gebied verhoogd zijn ten opzichte van de concentraties in landbouw- en natuurgebied. De gevonden achtergrondwaarden veroorzaken volgens het rapport geen onaanvaardbare effecten op het ecosysteem.
Bij welk gehalte van PFAS in landbouwbodems zou er sprake zijn van verontreinigde grond?
Het RIVM heeft in 2021 nieuwe risicogrenzen afgeleid5 voor PFAS in grond en grondwater. Deze risicogrenzen worden gebruikt om vast te stellen of sprake is van een bodemverontreiniging waarbij mogelijk maatregelen, zoals een sanering, genomen dienen te worden. Bij het bepalen of er sprake is van verontreinigde grond wordt geen rekening gehouden met het beoogd gebruik van de locatie.
Klopt het dat het restrictievoorstel van de Europese Commissie beoogt het gebruik van PFAS op termijn te verbieden, maar dat hierbij een uitzondering wordt gemaakt voor PFAS als werkzame stoffen in landbouwgif en biociden? Vindt u dit wenselijk?3
Het Europese restrictievoorstel beoogt een zo breed mogelijk verbod op het op gebruik en op de markt brengen van PFAS. Hierbij is gekozen om toepassingen uit te sluiten die al zijn beoordeeld op de mogelijke risico’s zoals werkzame stoffen in geneesmiddelen, diergeneesmiddelen, biociden en gewasbeschermingsmiddelen7. Hulpstoffen die onderdeel zijn van formulering in gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn wel onderdeel van het restrictievoorstel en zullen zodoende worden uitgefaseerd. Het Europese restrictievoorstel is in lijn met mijn opvatting dat dit soort stoffen en middelen alleen mogen worden toegepast na grondige toetsing van mogelijke effecten op mens, dier en milieu.
Wat is de stand van zaken betreffende de behandeling van dit restrictievoorstel? Loopt deze behandeling volgens planning en per wanneer zou de restrictie ingaan?
Het voorstel is januari 2023 ingediend bij het EU agentschap voor chemische stoffen, ECHA, waar het van maart tot september open heeft gestaan voor een publieke consultatie. Momenteel worden de 5.642 binnengekomen commentaren verwerkt door ECHA. De indienende lidstaten, naast Nederland ook Duitsland, Denemarken, Zweden en Noorwegen, helpen mee met het verwerken van de commentaren. Uw Kamer wordt met regelmaat over de voortgang geïnformeerd door de verantwoordelijk Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.
Welke maatregelen gaat u zelf nemen tegen het gebruik van PFAS-houdende landbouwgiffen (als werkzame stof én als hulpstof), om hiermee PFAS-verontreiniging te voorkomen?
Gewasbeschermingsmiddelen mogen alleen op de markt komen wanneer op grond van het wettelijk kader is aangetoond dat deze veilig kunnen worden toegepast. Dit geldt ook voor PFAS. Binnen het Europese restrictievoorstel wordt voorgesteld om PFAS die als hulpstof binnen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden, uit te faseren. In het Europese restrictievoorstel wordt daarnaast de aanbeveling gedaan om het gebruik van PFAS te monitoren en de persistentiecriteria van geneesmiddelen, diergeneesmiddelen, biociden en gewasbeschermingsmiddelen te verbeteren. Voor gewasbescherming heeft de Europese Commissie inmiddels aangekondigd hier stappen op te nemen. Ik steun deze voorstellen en zal de Europese Commissie hier actief op blijven bevragen.
Deelt u het inzicht dat het, vooruitlopende op wettelijke verboden, wenselijk is als het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) op de website een waarschuwing plaatst bij alle landbouwgiffen en biociden die PFAS bevatten? Zo ja, gaat u hiertoe opdracht geven? Zo nee, waarom niet?
Nee. Gewasbeschermingsmiddelen en biociden worden geclassificeerd volgens Europees geharmoniseerde kaders, waaronder de CLP-Verordening (1272/2008). Voor de aanwezigheid van PFAS in een middel is geen officiële classificatie beschikbaar; er is dan ook geen juridische basis om de middelen op een dergelijke wijze van een waarschuwing te voorzien. Bovendien vind ik het niet wenselijk om met een dergelijke waarschuwing de suggestie te wekken dat een door het Ctgb toegelaten middel niet aan de veiligheidseisen zou voldoen. Wanneer een gewasbeschermingsmiddel niet meer voldoet aan deze veiligheidseisen, zal het Ctgb ingrijpen op de toelating.
Het artikel 'NAM: 'Laatste aardgas uit velden halen, is niet voor meer ruimte afvalwater oliewinning'' |
|
Sandra Beckerman |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
Bent u bekend met het artikel «NAM: «Laatste aardgas uit velden halen, is niet voor meer ruimte afvalwater oliewinning»»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Wat zijn de exacte redenen van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) om de aardgaswinning in Zuidoost-Drenthe, met name in de velden van Dalen, Oosterhesselen, Schoonebeek, en Nieuw-Amsterdam, opnieuw op te starten?
De NAM heeft op 31 oktober 2022 het verzoek om instemming met de actualisatie van het winningsplan ZO-Drenthe Zuur ingediend. De reden die de NAM aangeeft voor de actualisatie van het geldende winningsplan is de verlengde levensduur van de gasvelden Dalen DC, Dalen ZEZ2C, Oosterhesselen ZEZ2C en Emmen-Nieuw Amsterdam ZEZ2C tot en met 2030. De velden van Schoonebeek vallen niet onder het winningsplan ZO-Drenthe Zuur.
In hoeverre heeft het heropstarten van de aardgaswinning te maken met de behoefte aan bergruimte voor het afvalwater uit de oliewinning? Is er sprake van een direct verband tussen deze twee activiteiten? Kunt u aangeven of deze motivatie in lijn is met het beleid en de doelstellingen van de overheid met betrekking tot de energietransitie en duurzaamheid?
De NAM legt in het winningsplan ZO-Drenthe Zuur geen verband tussen de aardgaswinning en eventuele bergruimte ten behoeve van andere winningen zoals de oliewinning. De aardgaswinning ZO-Drenthe Zuur staat dan ook op zichzelf. Aardgas is in de transitie naar duurzame energie nog steeds nodig en dit is een onderdeel van het klimaatbeleid.2 Daarbij geldt als uitgangspunt dat Nederlandse gaswinning onder het niveau van de binnenlandse aardgasvraag blijft.
Kunt u bevestigen hoe u op de hoogte bent gesteld van het voornemen van de NAM om de aardgaswinning in Zuidoost-Drenthe, met name in de velden van Dalen, Oosterhesselen, Schoonebeek en Nieuw-Amsterdam, opnieuw op te starten?
De NAM heeft op 31 oktober 2022 het verzoek om instemming met de actualisatie van het winningsplan ZO-Drenthe Zuur ingediend.
Wat is uw reactie op de zorgen van de gemeenten Emmen en Coevorden, evenals de provincie, die aangeven zich «overvallen» te voelen door dit plan? Kunt u aangeven welke stappen u overweegt te nemen om de betrokken partijen te betrekken bij het besluitvormingsproces?
Ik vind het vervelend dat de gemeenten Emmen en Coevorden zich overvallen voelen. Bij de besluitvorming over het winningsplan ZO-Drenthe Zuur worden partijen op verschillende manieren betrokken. Op 31 augustus 2023 heeft EZK een bijeenkomst georganiseerd met de decentrale overheden. De NAM was hier ook bij aanwezig. Tijdens de bijeenkomst zijn vragen van de decentrale overheden beantwoord. Aldaar is afgesproken elkaar op te zoeken bij vragen of zorgen. In het ontwerpbesluit betrek ik de adviezen van de decentrale overheden. Tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbesluit organiseer ik een informatiemarkt op locatie.
Hoe beoordeelt u de bezwaren van Stop Afvalwater Schoonebeek, met name de zorgen over de mogelijke gevolgen van gestapelde mijnbouw en de ruimte voor afvalwaterinjectie in de gasvelden?
Gas- en oliewinning kunnen bodemdaling veroorzaken. In een winningsplan moet zowel de bodemdaling ten gevolge van dat winningsplan, als de bodemdaling door andere winningen worden aangegeven. Het advies van TNO en SodM over deze bodemdaling betrek ik in mijn besluit. Bij dit winningsplan is geen sprake van waterinjectie in de gasvelden van ZO-Drenthe Zuur.
Wat is uw standpunt met betrekking tot de zorgen van Stop Afvalwater Schoonebeek over de capaciteit van het gasveld Schoonebeek om het afvalwater uit de oliewinning te absorberen?
Op dit moment is geen sprake van onvoldoende capaciteit. Mocht in de toekomst toch blijken dat er onvoldoende capaciteit is, dan zal de NAM aanvullende capaciteit moeten zoeken en daarvoor een vergunning moeten aanvragen. Ook dan zal daar alleen een vergunning verleend worden als dat veilig en verantwoord mogelijk is. Dit is geen onderdeel van het winningsplan ZO-Drenthe Zuur en voor zover mij bekend heeft NAM daar ook geen voornemens toe.
Het artikel vermeldt dat de gemeenten Emmen en Coevorden vrezen dat de NAM mogelijk de bijna lege gasvelden in Dalen, Oosterhesselen en Nieuw-Amsterdam verder wil leegmaken om ruimte te creëren voor de injectie van afvalwater; kunt u aangeven welke maatregelen u overweegt te nemen om mogelijke negatieve gevolgen te voorkomen?
Een aanvraag voor de injectie van afvalwater is niet aan de orde voor de gasvelden Dalen DC, Dalen ZEZ2C, Oosterhesselen ZEZ2C en Emmen-Nieuw Amsterdam ZEZ2C. Mocht een dergelijke aanvraag in de toekomst, hoewel momenteel niet voorzien, toch ingediend worden, dan zal deze volgens de dan geldende wet- en regelgeving beoordeeld moeten worden. Veiligheid van omwonenden staat daarbij voorop. Het Staatstoezicht op de Mijnen adviseert mij over de mogelijke gevolgen voor de veiligheid van mens en milieu en de adequaatheid van de risicobeheersing.
De gemeente Emmen en het provinciebestuur verzetten zich tegen het heropstarten van het gasveld onder Nieuw-Amsterdam vanwege de toegenomen bodemdaling en schademeldingen; kunt u aangeven welke maatregelen u overweegt te nemen om de zorgen over bodemdaling en mogelijke schade aan te pakken? Hoe wordt het voorzorgsprincipe en nee, tenzij principe gewaarborgd?
In de adviezen van de decentrale overheden is een onderzoek3 naar schademeldingen in Nieuw-Amsterdam door bodemdaling en ongelijkmatige zetting vermeld. Dit onderzoek wijst uit dat de schademeldingen in het gebied niet door mijnbouw lijken te komen. TNO en SodM schrijven in hun adviezen dat de toekomstige gaswinning door de voorliggende wijziging van het winningsplan tot een halve millimeter extra bodemdaling zal leiden. Alle andere bodemdaling door mijnbouwactiviteiten in het gebied is veroorzaakt door gaswinning die al heeft plaatsgevonden, of wordt veroorzaakt door andere winningen zoals Schoonebeek. Mede door na-ijleffecten en de effecten van deze andere activiteiten gaat de NAM uit van 6 cm extra bodemdaling in het winningsplan ZO-Drenthe Zuur ten opzichte van het vorige winningsplan. In het ontwerpbesluit met de wijziging van het winningsplan zal ik aandacht hebben voor de zorgen die leven in het gebied. Ik stem alleen in met het winningsplan als dit veilig en verantwoord kan.
Wat is uw reactie op het standpunt van Coevorden dat vraagt om een «stappenplan» in geval van aardbevingen en het bespreken van de opbrengsten van nieuwe aardgaswinning met de NAM?
Indien in een gasveld een beving plaatsvindt, meet het seismische meetnetwerk van het KNMI de magnitude en de locatie van de beving. Daarna kan worden bepaald of de beving werd veroorzaakt door gaswinningsactiviteiten.
In het seismisch risicobeheersplan van de NAM is een stappenplan vastgelegd voor acties en communicatie naar aanleiding van een beving. Hierin wordt onder andere vastgelegd bij welke magnitude van een beving de NAM een rapportage op moet stellen en productiemaatregelen moet overwegen. SodM beoordeelt die rapportage en de voorgestelde maatregelen en kan hierop handhaven.
Het delen van de opbrengsten van aardgaswinning is momenteel geen onderdeel van het afwegingskader om tot een besluit te komen. Zoals benoemd in de brieven aan de Tweede Kamer van 20 januari 20234 en 15 juni 20235 over de contourennota voor de aanpassing van de Mijnbouwwet, wil ik de mogelijkheden verkennen om de lusten en lasten van mijnbouwactiviteiten anders te verdelen. Een onderzoek dat in dit kader is uitgevoerd deel ik met een korte duiding zo spoedig mogelijk met uw Kamer.
Kunt u aangeven welke invloed de heropstart van de aardgaswinning in Zuidoost-Drenthe heeft op de totale verwachte bodemdaling, zoals aangegeven door de NAM?
TNO en SodM schrijven in hun adviezen dat de toekomstige gaswinning door de voorliggende wijziging van het winningsplan tot een halve millimeter extra bodemdaling zal leiden.
Welke maatregelen overweegt u te nemen om ervoor te zorgen dat het besluitvormingsproces en de uitvoering van de aardgaswinning in lijn zijn met de belangen van de betrokken gemeenten, provincies en de bredere doelstellingen van duurzame energie en milieu?
Ik volg de gebruikelijke procedure waarin de decentrale overheden advies uitbrengen. Gezien de zomervakantie heb ik de provincie, het waterschap, en de gemeenten gedurende een ruimere periode dan normaal in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen: van 24 juli 2023 tot 6 oktober. Voor de gemeenten heb ik deze termijn op hun verzoek nog verlengd tot eind oktober. SodM en TNO hebben ook advies uitgebracht.
SodM heeft een wettelijke opdracht mij te adviseren over de veiligheid en de nadelige gevolgen voor mens en milieu. Deze adviezen zijn voor mij leidend. Ik wijs in dit kader naar het in de contourennota (Kamerstuk 32 849, nr. 214) vastgelegde uitgangspunt dat de binnenlandse gasproductie de Nederlandse vraag naar gas niet overschrijdt. Het milieu maakt als toetsingsgrond onderdeel uit van het nog op te stellen ontwerpbesluit met het winningsplan. Ik betrek de adviezen van de decentrale overheden bij het ontwerpbesluit.
Kunt u op dit artikel reflecteren met een specifieke focus op het voorzorgsprincipe en het nee, tenzij principe?
In voorgaande antwoorden heb ik uitgelegd hoe ik op basis van de wet omga met deze en andere aanvragen voor wijziging van een winningsplan. Dat staat los van de wensen voor nieuw beleid die zijn vastgelegd in de contourennota (Kamerstuk 32 849, nr. 214). Ik wil een nationaal programma voor duurzaam gebruik van de diepe ondergrond opstellen, dat vooraf duidelijk maakt waar welke activiteit mag plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De keuze welke mijnbouwactiviteiten in welke gebieden mogen plaatsvinden komt tot stand in een maatschappelijke dialoog op nationaal niveau en wordt vastgelegd in het kader van het aangekondigde programma voor duurzaam gebruik van de diepe ondergrond. Door voorafgaand aan de verschillende activiteiten met elkaar in gesprek te gaan en afspraken te maken ontstaat meer zekerheid rond mijnbouwactiviteiten. Dit is het doel van het nee, tenzij principe.
Zijn er nog mogelijkheden voor omwonende om nee te zeggen tegen het heropstarten van gaswinning? Zo ja, welke?
Wanneer ik een ontwerpbesluit heb genomen, wordt dit inclusief alle stukken ter inzage gelegd. Ongeveer twee weken later organiseer ik een informatiemarkt op locatie. Ter plekke kunnen mensen zich laten informeren over de plannen en zij kunnen ook een zienswijze laten optekenen. Omwonenden en andere inwoners kunnen tijdens de terinzagelegging ook een zienswijze insturen. De zienswijzen worden verwerkt in een besluit, dat ook weer ter inzage wordt gelegd en waartegen beroep bij de Raad van State mogelijk is.
Wat is nu de stand van zaken met betrekking tot Schoonebeek? Zijn daar lessen uit getrokken met betrekking tot het participatietraject die u nu toepast bij de nieuwe gaswinning in Zuidoost-Drenthe?
Hoewel het gebiedsproces in Schoonebeek nog niet is afgerond, zal de eerste fase begin 2024 worden geëvalueerd. Het doel van deze evaluatie is deels om terug te kijken op het doorlopen proces, maar is nadrukkelijk ook bedoeld om te leren van de ervaringen. De resultaten van de evaluatie worden voor de zomer verwacht en zullen met uw Kamer worden gedeeld. Deze lessen gebruik ik om tot richtsnoeren te komen voor participatie bij concrete projecten en gebiedsprocessen rondom mijnbouwactiviteiten. Eventuele aanpassingen in wet- en regelgeving neem ik mee in de herziening van de Mijnbouwwet, zoals beschreven in de Kamerbrief van 15 juni 2023 over de contourennota voor de aanpassing van de Mijnbouwwet.
Een vullingstoets |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Klopt het dat u voornemens bent om bij het plaatsen van stikstofdepositieruimte in het Stikstofregistratiesysteem (SSRS) op voorhand de additionaliteit wilt onderbouwen middels een zogenoemde vullingstoets?
Ja. Het gaat niet goed met veel natuur in Nederland. Dit maakt het lastig om voor uitgifte van stikstofdepositieruimte te voldoen aan het additionaliteitsvereiste wat een voorwaarde is voor een houdbare vergunning (staande jurisprudentie). Ik ben met de rijkspartners en provincies in gesprek om te bezien hoe we economische en maatschappelijke activiteiten mogelijk kunnen maken en tegelijk zoveel mogelijk zekerheid in kunnen bouwen dat stikstofdepositieruimte gebruikt kan worden voor toestemmingverlening.
Waarop baseert u de noodzaak van deze vullingstoets gezien het feit dat noch artikel 5.5a, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb), noch artikel 6.1 en 6.2 van de Habitatrichtlijn hiertoe aanleiding geven? Waarom wenst u een strengere additionaliteitstoets dan wettelijk is vereist of uit jurisprudentie blijkt?
Het voornemen om, naast uitgifte, ook voorafgaand aan het vullen van stikstofbanken een toets op additionaliteit te doen is een beleidsmatige keuze en betekent geen verzwaring van de inhoud van de provinciale toets achteraf. De keuze voor een vullingstoets leidt ertoe dat er meer zekerheid is over de inzetbaarheid van de stikstofdepositieruimte in de stikstofbanken. Ik vind het belangrijk dat er voor gebruikers een grotere mate van zekerheid bestaat dat stikstofdepositieruimte die geregistreerd staat in een stikstofbank daadwerkelijk gebruikt kan worden ten behoeve van toestemmingverlening.
Bent u zich ervan bewust dat de vullingstoets mogelijk niets meer toevoegt of tenminste is achterhaald ten aanzien van wettelijk verplichte additionaliteitstoets op het moment van toestemmingsverlening? Hoe wilt u hiermee omgaan? Wat gebeurt er met stikstofdepositieruimte die achteraf onterecht niet in het SSRS is geplaatst en waardoor Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders nog steeds niet in aanmerking komen voor legalisatie?
Het gaat niet goed met veel natuur in Nederland. Dit beperkt de mogelijkheden om nieuwe economische en maatschappelijke initiatieven mogelijk te maken en PAS-melders te legaliseren. Gelet op het additionaliteitsvereiste, vind ik het een uiting van betrouwbaarheid van de overheid dat alleen stikstofdepositieruimte in de banken wordt opgenomen die gebruikt kan worden voor toestemmingverlening. Een additionaliteitstoets bij vulling borgt deze betrouwbaarheid waardoor de waarde van de stikstofbanken wordt verhoogd. Stikstofdepositieruimte die nu nog niet-additioneel is, wordt bewaard zodat het op een later moment ingezet kan worden ten behoeve van toestemmingverlening zodra additionaliteit onderbouwd kan worden. Door een additionaliteitstoets bij vulling te hanteren, kan een toets bij uitgifte eenvoudiger worden door na te gaan of er wezenlijk nieuwe inzichten zijn.
Tegelijk ben ik nog met rijkspartners en provincies in gesprek over hoe deze vullingstoets er inhoudelijk precies uit komt te zien.
Waarom bent u voornemens de (voorlopige) resultaten van de natuurdoelanalyses (NDA’s) te gebruiken om de additionaliteit te onderbouwen en daarmee te bepalen of ruimte voldoet aan de vullingstoets voor het SSRS?
Bij de behandeling van aanvragen om een natuurvergunning moet bij het inzetten van depositieruimte uit een stikstofbank rekening worden gehouden met de meeste actuele inzichten over de staat van de natuur. Hier geven de NDA’s ook informatie over. Er kan uit ander onderzoek blijken dat depositieruimte wel inzetbaar is en in de stikstofbanken beschikbaar kan worden gemaakt, ook die inzichten worden meegenomen in de onderbouwing van additionaliteit.
Hoe voorkomen we dat de stikstofdepositieruimte die later uit Instrument-X in SSRS wordt geplaatst (langdurig) beschikbaar komt voor andere project in plaats van de PAS-melders, waardoor voor de PAS-melders weer minder mogelijkheden tot legalisatie overblijven?
Met de wijziging van de Regeling natuurbescherming in oktober 2023 zijn ook de afspraken over prioritering van de doelen voor de uitgifte van depositieruimte uit het SSRS gewijzigd. De nieuwe afspraken houden in dat, na pre-reservering voor de exacte benodigde ruimte voor woningbouwprojecten, de beschikbare ruimte in het SSRS als eerste voor PAS-meldingen beschikbaar is. Dat geldt ook voor depositieruimte die later bruikbaar is en in het SSRS beschikbaar komt.
Hoe verantwoordt u dat onderaan de streep dit jaar slechts een zeer beperkt aantal PAS-melders zal worden geholpen middels een legalisatie van de stikstofdepositie uit hun (terechte) melding door uw voorgenomen besluit, met name gelet op het feit dat er geen (juridische) aanleiding is voor de voorgestelde vullingstoets?
Het moment waarop een additionaliteitstoets wordt gedaan (zoals een toets bij vulling) doet mijns inziens geen afbreuk aan de hoeveelheid stikstofdepositieruimte die uit het SSRS kan worden ingezet voor vergunningverlening. Het borgt juist een mate van zekerheid dat ruimte dat geregistreerd staat, daadwerkelijk gebruikt kan worden voor toestemmingverlening. Het uitvoeren van bronmaatregelen voor stikstofreductie is essentieel voor natuurherstel en randvoorwaardelijk voor een houdbare vergunningverlening in verband met het additionaliteitsvereiste.
Ik ben van mening dat de PAS-melders moeten kunnen vertrouwen op een betrouwbare overheid die zich inzet om al het mogelijke te doen, waarbij juridische zekerheid voor juist deze groep, heel belangrijk is. Als een van de instrumenten die vergunningverlening mogelijk moet (blijven) maken, wil het Rijk dit instrument met zoveel mogelijk waarborgen omgeven. Tegelijk ben ik nog met rijkspartners en provincies in gesprek over hoe deze vullingstoets er inhoudelijk precies uit komt te zien.
De stemming omtrent de verlenging van glyfosaat |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitkomst van de stemming binnen de Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF) over de mogelijke verlenging van de handelsvergunning van glyfosaat?
Uw Kamer is op 16 november geïnformeerd over de uitkomst van het beroepscomité over de verlenging van de goedkeuring van glyfosaat (Kamerstuk 27 858, nr. 641). Tijdens dit beroepscomité is wederom geen meerderheid vóór of tegen het voorstel van de EC bereikt, waardoor de EC nu gemachtigd is om een eigenstandig beslissing op het voorstel te nemen. De EC heeft inmiddels aangekondigd een positieve beslissing te zullen nemen op het huidige voorstel. Een daadwerkelijk besluit moet uiterlijk 14 december 2023 worden gepubliceerd omdat de huidige goedkeuring van glyfosaat op 15 december 2023 afloopt.
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie (EC) het gebruik van glyfosaat nog niet met tien jaar heeft verlengd zoals uit berichtgeving blijkt, maar dat de EC nu is bevoegd om daarover te besluiten en dat dat vóór 15 december 2023 dient te gebeuren?
Zie antwoord vraag 1.
Welke voorwaarden en condities zijn verbonden aan die 10-jarige verlenging, gegeven het feit dat de EC op korte termijn zal besluiten tot het verlengen van het gebruik van glyfosaat?
In het voorstel van de EC zijn verschillende voorwaarden een aandachtspunten opgenomen (Kamerstuk 27 858, nr. 636) waar lidstaten rekening mee moeten houden bij de (her)beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen op basis van glyfosaat. Het betreft de volgende punten:
Zijn de door Nederland aangevoerde voorwaarden, zoals geuit bij de eerdere Nederlandse stemverklaring, te weten: aanvullend wetenschappelijk onderzoek naar het European Food Safety Authority (EFSA)-toetsingskader op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten, onderdeel van het voorstel van de EC?
De toetsingskaders waarop gewasbeschermingsmiddelen en werkzame stoffen worden beoordeeld zijn door de lidstaten gezamenlijk vastgesteld en gebaseerd op de laatste stand van de wetenschap. Op basis van alle beschikbare wetenschappelijke informatie en aangeleverde studies over neurotoxische effecten concluderen EFSA en het Ctgb dat glyfosaat geen neurodegeneratieve effecten veroorzaakt. In aanvulling hierop heeft Nederland in de stemverklaring (Kamerstuk 27 858, nr. 635) EFSA opgeroepen om prioriteit te geven om specifieke testprotocollen te ontwikkelen om neurodegeneratieve effecten inzichtelijk te maken zodat 2023Z04745deze vervolgens ook in de beoordeling kunnen worden opgenomen. Uw Kamer is op 25 april 2023 geïnformeerd (Kamerstuk ) dat een eerste call for tender van EFSA om het neurodegeneratieve effecten van gewasbeschermingsmiddelen hiervoor door het RIVM als onvoldoende toereikend werd gezien. Inmiddels is EFSA voornemens om dit project in aangepaste vorm in 2024 op te starten. Ik zal dit uiteraard nauwlettend in de gaten houden.
Zo nee, bent u bereid om met andere landen die zich hebben onthouden van stemming of tegen de verlenging hebben gestemd, gezamenlijk op te trekken zodat deze voorwaarden onderdeel worden van een aangepast EC-voorstel?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid, gelet op de eerdere wens van de Tweede Kamer om tegen de verlenging van het gebruik van glyfosaat te stemmen «en de nieuwe situatie die zich na de SCoPAFF-stemming voordoet», zich op korte termijn in te zetten voor een intelligente oplossing waarin de wetenschap leidend is bij het herijken van de EFSA-toelatingscriteria voor gewasbeschermingsmiddelen?
De mogelijke risico’s van gewasbeschermingsmiddelen worden beoordeeld door de hiervoor aangewezen onafhankelijke instanties op basis van internationaal afgestemde toetsingscriteria. De toetsingscriteria worden vastgesteld op basis van de laatste stand van de wetenschap en met regelmaat aangepast wanneer nieuwe wetenschappelijke inzichten hier aanleiding toe geven. Nederland levert hier altijd een actieve bijdrage aan en zal dat ook, in het geval van de ontwikkeling van een specifiek toetsingskader voor neurodegeneratieve effecten, blijven doen.
Het artikel 'Het 'giftigste' terrein van Nederland wordt eindelijk aangepakt, maar zorgen bij omgeving blijven' |
|
Sandra Beckerman |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
Bent u bekend met het artikel «Het «giftigste» terrein van Nederland wordt eindelijk aangepakt, maar zorgen bij omgeving blijven»?1
Ja, in het kader van de voorbereiding van het artikel en de uitzending zijn door de redactie van EenVandaag schriftelijke vragen gesteld aan het ministerie en deze zijn beantwoord.
Bent u bekend met de tv- en radiouitzending van EenVandaag van 2 november 2023?
Ja.
Hoe beoordeelt u de ernst van de situatie zoals beschreven in het artikel en de uitzending en welke maatregelen heeft u genomen om de gezondheid en veiligheid van de omwonenden te waarborgen?
In de beantwoording van de Kamervragen van het lid Kröger (GroenLinks) op 23 februari 20212 gaat mijn voorganger uitgebreid in op de situatie op het EMK-terrein. De veiligheid van de omwonenden is met de uitvoering van de IBC-sanering (Isoleren, beheren en controleren) van eind jaren 80 gewaarborgd. Er bestaan sinds die tijd geen gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Het terrein is afgesloten van de omgeving en wordt gecontroleerd en beheerst.
Om het terrein weer geschikt te maken voor gebruik wordt nu een aanvullende sanering voorbereid zodat het gebied in de toekomst kan worden gebruikt als bedrijventerrein. Bij de opzet van deze aanvullende sanering is er veel aandacht besteed om deze sanering veilig en met minimale overlast voor de omgeving uit te voeren. Zo wordt er bijvoorbeeld in een gesloten hal gewerkt waarbij de lucht wordt afgevangen en gezuiverd.
Welke en hoeveel bedrijven lieten hun chemisch afval door de Exploitatie Maatschappij Krimpen (EMK)/Uniser «verwerken»? Hoeveel en welke van deze bedrijven bestaan nog?
Uit meldingsformulieren in het kader van de Verordening industriële en chemische afvalstoffen Zuid-Holland uit de periode 1976–1978 en een coderingsoverzicht van aanwezige vaste afvalstoffen op het terrein uit maart 1977 zijn vele tientallen bedrijven op naam teruggevonden. In de Hinderwet uit 1973 voor het bedrijf EMK wordt de inrichting als volgt beschreven «oliezuiverings- opslag- reiniging en scheeps- en motorenreparatie-, afvalverwerkingsbedrijf» met als aanvullende beschrijving: de verwerking van afvalolie, de verwerking van afgewerkte boor, snij en wals olie-emulsies, de opslag van stoffen voor derden, het reinigen van tanks, schepen en tankauto’s, scheeps- en motoren reparatie, verhuur van loodsen en terreinen, opslag en overslag van zand, grind, bouwmaterialen en bulkgoederen en de opslag van afvalstoffen in stalen en/of fiber drums, en/of containers. Aangezien er op dit moment geen grondslag is om deze bedrijven iets te verwijten, is het niet zinvol specifieke bedrijven bij naam te noemen.
Past bij «maatschappelijk verantwoord ondernemen» ook niet de financiële verantwoordelijkheid voor de schadelijke voetafdruk uit het verleden? Zo nee, waarom niet?
Ja en dat is ook vastgelegd in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb biedt de mogelijkheid om bedrijven aan te kunnen spreken op het veroorzaken van verontreinigingen en indien nodig een bodemsanering juridisch af te dwingen, dit geldt voor bodemverontreinigingen die veroorzaakt zijn na 1975. Echter bij bodemverontreinigingen die veroorzaakt zijn voor 1975 is de aansprakelijkheid via arresten van de Hoge Raad beperkt en ligt die maatschappelijke verantwoordelijkheid bij de bedrijven zelf. Bij faillissement, zoals bij het bedrijf EMK, kan een bedrijf niet meer aangesproken worden en heeft het Rijk in dit geval de maatschappelijke verantwoordelijkheid voor de noodzakelijke bodemsanering. Ook heeft het Rijk de aanvullende sanering van het terrein op zich genomen.
Hoe beoordeelt u de oproep van sommige omwonenden om het terrein weer veilig in te pakken en niet door te gaan met de plannen om het deels beschikbaar te maken voor bouw?
Ik wil benadrukken dat het om een enkele omwonende/eigenaar van een aangrenzend bedrijfspand gaat. Een groot deel van de omwonenden is via de Stichting belangen EMK IJsselwijk door middel van een speciaal ingerichte klankbordgroep van het project al jaren intensief betrokken. Deze klankbordgroep zet in op het minimaliseren van overlast die de hersanering van het terrein kan veroorzaken en is positief over de hersanering en herontwikkeling van het terrein.
Ten aanzien van het terrein weer veilig inpakken: het terrein is veilig en zal ook na de aanvullende bodemsanering veilig blijven. De aanvullende sanering heeft tot doel om het terrein weer een maatschappelijke functie te geven. Het Rijk heeft zich gecommitteerd aan de sanering in een bestuurlijke overeenkomst met de provincie Zuid-Holland en de gemeente Krimpen aan den IJssel om het terrein geschikt te maken als bedrijventerrein.
Wat doet u om de zorgen van omwonenden over mogelijke gezondheidsrisico's als gevolg van de vervuiling serieus te nemen en de betrokken gemeenschap te informeren en te betrekken bij de aanpak van dit probleem?
Zorgen over mogelijke gezondheidsrisico’s worden zeer serieus genomen. De GGD Rotterdam-Rijnmond is sinds de indiening van het raamsaneringsplan in 2016 betrokken bij het project om toe te zien op gezondheidsrisico’s die verband houden met de luchtkwaliteit en stankoverlast bij uitvoering van de sanering. De GGD is onderdeel van de speciale klankbordgroep en brengt daar haar expertise in.
Voor het informeren van de betrokken gemeenschap zijn bij het indienen van het saneringsplan en het uitvoeringsplan informatieavonden georganiseerd. Daarnaast is er een projectwebsite (www.stormpolderdijk.nl) waarbij het project op de voet gevolgd kan worden. Ook wordt er periodiek een digitale nieuwsbrief verstuurd aan geïnteresseerden.
Wat is de huidige stand van zaken met betrekking tot de sanering van het terrein? Hoe staat u tegenover de door de verantwoordelijk wethouder uitgesproken kritiek en de zorgen van de gemeente Krimpen aan de IJssel?
Op dit moment worden volop voorbereidende werkzaamheden getroffen om in het voorjaar van 2024 met de daadwerkelijke bodemsanering te starten. De kritiek en zorgen van de verantwoordelijke wethouder hadden geen betrekking op de uitvoering van de bodemsanering. Er is overeenstemming tussen Rijk en gemeente over het uitvoeringsplan. Wel lopen nog gesprekken tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente over een mogelijke aanpassing van de oorspronkelijk overeengekomen koopprijs. Dit omdat met het uitvoeringplan de voor ontwikkeling beschikbare oppervlakte beperkt is gewijzigd.
Hoe wordt er toezicht gehouden op de voortgang en de effectiviteit van de saneringsinspanningen op dit terrein? Hoe en waar gaat het chemisch afval verwerkt worden? Wat gaat er met het residu aan vaste stoffen die na verwerking overblijven gedaan worden? Wat is de kwaliteit in milieutechnische zin van dit restproduct? Zijn er plannen om deze grote berg afvalstoffen te hergebruiken, of in algemene zin: wat gaat daarmee gebeuren?
Op de voortgang en de effectiviteit van de saneringsinspanningen wordt toezicht gehouden, en indien noodzakelijk gehandhaafd, door het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb), DCMR Milieudienst Rijnmond namens de provincie Zuid-Holland.
De bij de sanering vrijkomende verontreinigde grond wordt afhankelijk van de samenstelling (type grond en mate verontreiniging) conform de wettelijke regels gestort of thermisch gereinigd. Het merendeel van de verontreinigde grond gaat naar een thermische reiniger. Het materiaal dat ontstaat na reiniging wordt in een aantal korrelgrootte deelfracties gescheiden en is onder bepaalde voorwaarden veilig herbruikbaar. In het Besluit bodemkwaliteit staan regels over de kwaliteit en de toepassing van thermisch gereinigde deelfracties. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op het thermische reinigingsproces. Deelfracties van de thermisch gereinigde grond kunnen nuttig worden toegepast, waaronder in civiele werken maar ook in beton.
Kunt u aangeven welke financiële middelen beschikbaar zijn gesteld voor de sanering van dit terrein en hoe deze middelen worden ingezet om de situatie te verbeteren? Zijn er afspraken over extra saneringskosten bij onvoorziene problemen? Wat weet u bijvoorbeeld over de zeer waarschijnlijke nog niet in kaart gebrachte aanwezigheid van grote hoeveelheden chemisch afval in de kelders van de voormalige «vatenloods»?
Op dit moment is zestig miljoen euro gereserveerd voor de herontwikkeling en hersanering van het gehele EMK-terrein.
Deze middelen worden ingezet om de sanering en herontwikkeling uit te voeren conform het raamsaneringsplan, het uitvoeringsplan 2.0 en de afspraken zoals vastgelegd in de bestuurlijke overeenkomst en de koopovereenkomst met de gemeente. Dit betekent uiteindelijk een functioneel gesaneerd terrein geschikt als bedrijventerrein waarbij oude ondergrondse kelders, funderingen en andere obstakels verwijderd zijn inclusief het overgrote deel van de sterk verontreinigde grond. Extra saneringskosten bij onvoorziene problemen zijn voor rekening van het Rijk.
De kans is klein dat er nog grote hoeveelheden niet in kaart gebrachte verontreinigingen en kelders worden gevonden. Ter voorbereiding van het raamsaneringsplan zijn in 2013 twee grote proefsleuven op het terrein gegraven om inbeeld te brengen wat er zich ondergronds kan bevinden Daarnaast zijn er ten behoeve van de heroriëntatie tientallen aanvullende boringen verdeeld over het terrein geplaatst. Deze zijn geplaatst met een nieuwe boortechniek die de verontreiniging beter in beeld brengt.
Wat is de verwachte tijdlijn voor de volledige sanering en het herstel van het terrein? Of, indien volledige sanering niet wordt uitgevoerd, waarom niet? Is dit in overeenstemming met de lokale overheid besloten? Is niet-volledig saneren op milieutechnische gronden of op financiële gronden gebaseerd?
De beoogde start van de aanvullende sanering is in dit voorjaar. De grootschalige grondsanering duurt circa 2 jaar, waarna er nog circa 2 jaar een aanvullende grondwatersanering plaatsvindt. Dit betreft een sanering waarbij het terrein functioneel geschikt wordt gemaakt voor het toekomstig gebruik als bedrijventerrein. Dit betekent niet dat het terrein volledig schoon wordt gemaakt; er blijven restverontreinigingen achter, maar deze zullen geen risico’s voor de gezondheid opleveren.
De wijze van sanering is conform het functioneel saneringsbeleid zoals dat sinds 2001 van kracht is. Het saneringsbeleid is gebaseerd op het traject beleidsvernieuwing bodemsanering (BEVER) waarin de functiegerichte en kosteneffectieve aanpak van bodemverontreiniging wordt uitgewerkt en is gebaseerd op technische en financiële afwegingen.
Afstemming met de lokale overheid over de sanering en herontwikkeling heeft plaatsgevonden in het kader van de afgesloten Bestuurlijke Overeenkomst op 13 mei 20153.
Zijn er wettelijke vereisten of normen voor bodemsanering en de bescherming van de omgeving in dergelijke gevallen? Zo ja, hoe wordt ervoor gezorgd dat deze normen worden nageleefd?
De wettelijke vereisten en normen voor bodemsanering zijn vastgelegd in de Wbb, de circulaire bodemsanering (2013) en in de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland.
De opdrachtgever/eigenaar moet een voorgenomen sanering melden aan het bevoegde gezag Wbb (gedeputeerde staten Zuid-Holland, gedelegeerd aan DCMR Milieudienst Rijnmond). Het bevoegde gezag toetst of het ingediende saneringsplan voldoet aan de wettelijke vereisten en normen en legt dat vast in een beschikking. De opdrachtgever en degene die de sanering feitelijk uitvoert zijn verplicht om het saneringsplan en de aan de beschikking verbonden voorschriften na te leven. Het bevoegd gezag ziet erop toe dat de sanering conform het plan wordt uitgevoerd. Wijzigingen van het saneringsplan moet de saneerder ten minste twee weken van tevoren melden. Naar aanleiding van deze melding kan het bevoegde gezag aanwijzingen geven omtrent de verdere uitvoering van de sanering. De saneerder is verplicht om deze aanwijzingen op te volgen.
Na beëindiging van de sanering dient de saneerder een evaluatieverslag in. Het bevoegd gezag toetst of het evaluatieverslag voldoet aan de vereisten en legt dat vast in een beschikking.
Kunt u aangeven welke rol u speelt in het toezicht op en de coördinatie van bodemsaneringsprojecten tot en met de eindverwerking? Hoe wordt de samenwerking met andere betrokken instanties geregeld?
In de Convenanten bodem en ondergrond van 2010 t/m 2020 en in de bestuurlijke afspraken bodem en ondergrond 2023 – 2030 tussen het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zijn afspraken vastgelegd over de aanpak van de zogenaamde spoedlocaties voor bodemsanering en de monitoring hiervan. Hierover wordt jaarlijks door Rijkswaterstaat Bodem+ gerapporteerd4). Bodemsanering en het verwerken van verontreinigde grond zijn erkenningplichtige werkzaamheden binnen het stelsel kwaliteitsborging in het bodembeheer (Kwalibo-stelsel). Het Kwalibo-stelsel is een publiek-privaat stelsel dat regelt dat bepaalde werkzaamheden in of met de bodem goed worden uitgevoerd en door integer werkende bedrijven. In dit stelsel zijn ook de vergunningverlening, toezicht en handhaving geregeld en de samenwerking tussen de verschillende organisaties.
Bent u bereid om er bij de Koninklijke Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI) op aan te dringen om, in het kader van productverantwoordelijkheid van hun leden, ook in de kosten van de sanering van hun afvalproducten uit het verleden bij te gaan dragen? Zo nee, wat belemmert u om de verantwoordelijkheid mede bij de «ontdoeners» van chemisch afval te leggen, in samenwerking met de VNCI, op grond van een vrijwillige overeenkomst tot het vormen van bijvoorbeeld een gezamenlijk Saneringsfonds Bodemverontreiniging van de Chemische Industrie, of desnoods via wetgeving? Hoe zorgt u dat deze kosten niet afgeschoven worden op de gemeenschap?
Bent u van mening dat de «ontdoeners» moesten weten en hebben kunnen weten, dat de EMK/Uniser niet tot milieuverantwoordelijk verwerken in staat was?
Schade in Groningen |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat de memorie van eis van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) in de arbitrage van september 2022 niet is overgelegd aan de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen (PEAG)?
Dat klopt. De enquêtecommissie heeft tussen 11 februari 2021 en 12 juli 2022 in een aantal vorderingen afschriften van documenten opgevraagd. De Minister van EZK heeft deze in alle gevallen verstrekt of de enquêtecommissie in staat gesteld kennis te nemen van deze documenten. Zoals uit het eindrapport van de enquêtecommissie blijkt, heeft de commissie in de zomer van 2022 van het Ministerie van EZK en van NAM informatie gevorderd t.a.v. de standpunten van beide betrokken partijen (zie in «Groningers boven gas», verwijzingen naar de gevorderde schriftelijke inlichtingen in Boek 4, hoofdstuk 9, pagina 1439–1442, voetnoten 394 en 402). Het onderwerp van de arbitrage als zodanig viel dus binnen de reikwijdte van de genoemde vorderingen. De memorie van eis van de NAM dateert van september 2022, viel om die reden buiten de reikwijdte van de vorderingen.
Klopt het dat in de memorie van eis van de NAM de formele standpunten van de NAM ten aanzien van de versterking van de gebouwen in Groningen is weergegeven en kunt u aangeven hoeveel pagina’s het processtuk betreft?
Het klopt dat de memorie van eis de formele standpunten van de NAM bevat inzake de versterking van gebouwen in Groningen. Het stuk bevat ongeveer 180 pagina’s, exclusief bijlage.
Bent u er zeker van dat de wijziging van artikel 52g Mijnbouwwet geen kapitale schade toebrengt aan de schatkist van de Staat der Nederlanden en zo ja, kunnen we hiervan de toetsing ontvangen waarbij extensief ingegaan wordt op de gevolgen voor de vergoedingsplicht van de NAM en de gevolgen voor de periode vanaf 1 januari 2020 tot het invoeren van de heffing en de argumenten uitgewisseld in de arbitrageprocedure?
De wijziging van artikel 52g van de Mijnbouwwet die op dit moment bij uw Kamer ligt heeft geen enkele invloed op de betalingsverplichting van NAM voor de versterkingsoperatie.
Het artikel 52g is ingevoerd met de Wet van 17 oktober 2018, houdende wijziging van de Gaswet en van de Mijnbouwwet betreffende het minimaliseren van de gaswinning uit het Groningenveld (Stb. 2018, 371). Het derde lid hiervan, waarmee de zorgplicht voor de veiligheid, die de basis vormt voor de versterkingsoperatie, van de vergunninghouder is overgeheveld naar de Staat, is in werking getreden met ingang van 19 december 2018. Dat werd geregeld in het Besluit van 6 december 2018 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel C, artikel 52g, derde lid, van de wet van 17 oktober 2018, houdende wijziging van de Gaswet en van de Mijnbouwwet betreffende het minimaliseren van de gaswinning uit het Groningenveld (Stb. 2018, 371) (Stb. 2018, 471).
In de nota van toelichting bij dat besluit werd toegelicht dat deze datum was gekozen in verband met het kort daarvoor sluiten van de overeenkomst tussen de NAM en de Minister van Economische Zaken en Klimaat over de financiering van het treffen van maatregelen (Interim betalingsovereenkomst versterken; IBOV) (bijlage bij Kamerstuk 33 529, nr. 535). Die overeenkomst regelde de betalingsplicht voor de NAM voor de versterkingsoperatie tot, met diverse verlengingen, 1 juli 2023, waarna artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen de heffing op NAM (ook) voor de versterkingsoperatie regelt. Artikel 52g, derde lid, is vervolgens per diezelfde datum overgeheveld naar artikel 13ba van de Tijdelijke wet Groningen. Noch de invoering van artikel 52g Mijnbouwwet noch de wijziging daarvan heeft gevolgen gehad voor de mogelijkheid van de Staat om kosten in rekening te brengen bij NAM.
Op dit moment ligt het wetsvoorstel tot wijziging van de Gaswet en Mijnbouwwet in verband met de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld (Kamerstuk 36 441) voor in uw Kamer. In dit wetsvoorstel wordt artikel 52g aangepast met het oog op de beëindiging van de gaswinning. De wijziging heeft geen invloed op de betaalverplichting van NAM, omdat deze reeds is overgeheveld naar artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen.
Kunt u toelichten hoe het heeft kunnen gebeuren dat in de zomer van 2022, dus tijdens de parlementaire enquête en ook in het dossier Groningen waar transparantie uitgangspunt is, door de Minister of de Staatssecretaris is besloten om -anders dan bijvoorbeeld een openbare arbitrageprocedure of een openbare rechtbankprocedure- een slot te zetten op de processtukken, de inhoud van de arbitrageprocedure?
Er is geen sprake van een specifiek slot op documenten. Arbitrage is een bij wet gereguleerde manier van geschilbeslechting waarbij vertrouwelijkheid een uitgangspunt is. De keuze om in het gasgebouw geschillen te beslechten op basis van arbitrage is in het begin van de samenwerking, in de jaren ’60 gemaakt. Specifiek voor de kosten voor versterking is de arbitragebepaling opgenomen, in de onder vraag 3 genoemde IBOV, in 2018. Daarbij is bepaald dat de uitspraak cq. uitkomst van de arbitrage openbaar wordt gemaakt.
De Kamer is in februari, juni 2022 en voor het laatst in september 2023 geïnformeerd over de arbitrages met NAM. In mijn brief van 13 september jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 1172) heb ik aangeboden de Kamer vertrouwelijk nader te informeren over de argumenten die in de procedures gebruikt worden door beide partijen. Openbaar informeren over inhoudelijke elementen van deze procedures schaadt de procespositie van de Staat.
Is de keuze om een slot op de arbitrageprocedure te zetten alleen uw keuze, of is dit ook besproken of gedeeld met het kabinet of de regering dan wel de Minister-President?
Er is, zoals in antwoord op vraag 4 reeds toegelicht, geen sprake van een keuze voor een slot en daarover heeft dus ook geen afstemming met het kabinet dan wel de Minister-President plaats gevonden.
Zijn er nog andere afspraken gemaakt ten aanzien van de arbitrageprocedure in het kabinet of de regering en zo ja, zijn deze geheim of openbaar en in beide gevallen? Graag ontvang ik een afschrift van die afspraken.
Nee, er zijn geen afspraken gemaakt in het kabinet of de regering over de arbitrageprocedure.
Klopt het dat een arbitrageprocedure met een slot erop nooit de betrokken bewindvoerders ontslaat van de plicht om de documenten aan de parlementaire enquêtecommissie te verstrekken?
Er is, zoals in het antwoord op vraag 4 is toegelicht, geen sprake van een specifiek slot op documenten van de arbitrageprocedure. Indien deze zouden zijn opgevraagd zou er geen belemmering zijn geweest om de arbitragedocumenten aan de commissie te verstrekken of, vanwege overwegingen van vertrouwelijkheid, in elk geval de enquêtecommissie in staat te stellen kennis te nemen van deze documenten.
Is de keuze van een slot op de arbitrageprocedure gemaakt vanwege de fouten van de opvolgend VVD-Ministers in de versterkingsprocedure en specifiek Minister Wiebes in het Akkoord op Hoofdlijnen en de interim Betalingsovereenkomst Versterken (IBOV)(+)?
Nee, hiervan is geen sprake zoals reeds toegelicht in antwoorden op vraag 4, 5, 6 en 7.
Klopt het dat alle versterkingskosten op grond van artikel 52g Mijnbouwwet en 6:95 BW voor rekening van NAM dienen te komen voor de periode vanaf 1 januari 2020, het publiek worden van de versterkingsoperatie?
Artikel 52g van de Mijnbouwwet vormt geen grondslag voor de vergoedingsplicht voor NAM van de versterkingsoperatie. Zoals toegelicht in antwoord op vraag 3 werd die vergoedingsplicht tot 1 juli 2023 gevormd door de IBOV en sinds die datum door artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen.
Bent u met mij eens dat onder de Wettelijke Vergoedingsplicht Versterken door NAM voor Groningen, dus op basis van artikel 52g Mijnbouwwet en het Burgerlijk Wetboek, alle versterkingskosten vallen, waaronder maar niet beperkt tot:
Zoals toegelicht in antwoord op vragen 3 en 9 wordt de betalingsplicht van NAM niet beheerst door artikel 52g van de Mijnbouwwet. Alle genoemde posten vallen wel onder de betalingsverplichting van NAM onder de IBOV en de Tijdelijke wet Groningen. Deze kosten worden dan ook gewoon in rekening gebracht bij NAM.
Op mijn vraag of de versterkingskosten 11 miljard euro bedragen, komt u terug met het in rekening gebrachte bedrag bij NAM van 1,1 miljard euro plus nog 4 miljard euro versterkingsgeld voor de periode van 2023 t/m 2028. Ik ben daarom ook gaan rekenen en kom meer in de buurt van mijn bedrag van 11 miljard euro. Op basis van miljoenennota 2024 en 2023 + alle overige versterkingskosten, kom ik uit op: versterkingskosten 2020 (onbekend) + 5.847 miljoen + beleidsmatige ontwikkelingen PEAG+ Apparaatskosten NCG + Bestuurlijke Afspraken 2020 1.5 miljard + Nationaal Programma Groningen 1,15 miljard. Toelichting 5.874 miljoen euro: namelijk (miljoenennota 2023) voor het jaar 2021 – einde een bedrag van 5.386 miljoen euro plus 461 miljoen euro (bijstelling miljoenennota 2024) = 5.847 miljoen. Graag uw reactie op de door mij opgevoerde posten. Waar u het niet eens bent met een (volledige) doorbelasting aan de NAM?
In de rekensom uit de vraag lopen verschillende elementen door elkaar, zoals de reguliere versterkingskosten, uitgaven rondom bestuurlijke afspraken, het Nationaal Programma Groningen en ontwikeling PEGA.
In de Bijlage Groningen Schade en Versterken bij de Miljoenennota 2024 is in tabel 22.4 een raming opgenomen voor de resterende periode van de versterkingsoperatie. Over de periode 2023–2028 telt deze op tot een bedrag van € 4,8 miljard. Dit is inclusief de apparaats- en uitvoeringskosten van de NCG. De betaalverplichting van NAM is vastgelegd in artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen en daar handel ik naar.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat met de Wiebes-overeenkomsten, namelijk het Akkoord op Hoofdlijnen uit 2018, de IBOV uit 2018 en de IBOV+ uit 2019 met de NAM, de wettelijke vergoedingsplicht versterken door de NAM voor Groningen (hierna ook: WVVNG) is ingeperkt?
Op grond van de genoemde overeenkomsten is de NAM aan de Staat verplicht om alle kosten voor de versterkingsopgave te vergoeden. De vergoedingsplicht is dus niet ingeperkt.
Kunt u aangegeven waarom in het Akkoord op Hoofdlijnen, specifiek vanaf artikel 5.5 is opgenomen dat de apparaatskosten voor personeel, gebruik gebouwen, ICT, externe inhuur medewerkers, programmatuur, gebruik van diensten zoals DICTU van NCG (hierna gezamenlijk: Apparaatskosten) van de Wettelijke Vergoedingsplicht Versterken door de NAM voor Groningen zijn uitgezonderd?
Er is waarschijnlijk sprake van een misverstand. Ten tijde van het Akkoord op Hoofdlijnen (AoH) was de verwachting dat zowel schade-afhandeling als versterking zouden worden uitgevoerd door een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Het AoH bepaalt dat de kosten van het bestuur van dit ZBO niet in rekening worden gebracht bij NAM om iedere schijn van belangenverstrengeling te voorkomen. Alle overige apparaatskosten zouden wel in rekening worden gebracht. Uiteindelijk is alleen voor schade voor het ZBO-model gekozen in de vorm van het IMG. Bij het IMG worden de kosten die verband houden met de bezoldiging en huisvesting van de leden van het Instituut en de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van het Instituut, niet in rekening gebracht bij NAM. Voor versterken is er geen ZBO, dus geen onafhankelijk bestuur, en worden alle apparaatskosten volledig in rekening gebracht bij NAM.
Zoals uit onderstaande tabel, uit de ontwerpbegroting EZK, blijkt worden de apparaatsuitgaven van de NCG doorbelast aan de NAM.
Had het onttrekken van de Apparaatskosten van de Wettelijke Vergoedingsplicht Versterken door de NAM voor Groningen niet expliciet gemeld moeten worden aan de Kamer en had dit bovendien niet als staatssteun voor toetsing gemeld moeten worden bij de Europese Commissie?
Zoals uit het antwoord op vraag 13 blijkt is er geen sprake van het onttrekken van apparaatskosten en daarom waren een melding aan de Kamer en een melding aan de Europese Commissie voor een staatsteuntoets niet aan de orde.
Kunt u aangeven wat de Apparaatskosten van NCG zijn voor de publieke versterkingsoperatie, namelijk de periode 1 januari 2020 tot aan het einde, met een onderverdeling van Apparaatskosten in de periode van 1 januari 2020 tot nu en vanaf nu tot het einde van de versterkingsoperatie?
In tabel 66 van de ontwerpbegroting 2024 van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 2, blz. 181) zijn de apparaatskosten van het hele departement inzichtelijk gemaakt.
In deze tabel zijn ten onrechte de personeelskosten van de NCG meegenomen onder het kerndepartement. Dat is onjuist, want de NCG is een zogenoemde buitendienst. In onderstaande tabel is de raming 2023–2028 opgenomen. Voor de uitgaven 2020–2022 wordt verwezen naar het antwoord op vraag 13.
Personeel
112.396
112.256
112.773
112.748
106.986
101.574
Materieel
30.985
23.168
21.150
19.548
18.567
18.568
Kunt u de, vanwege belangen van de Staat der Nederlanden, weggelakte artikelen 5.8 en 5.9 van het Akkoord op Hoofdlijnen alsnog openbaar maken en zo ja, dan graag een kopie en zo nee, waarom niet en kunt u dan tenminste aangeven of hierin ook een beperking van de Wettelijke Vergoedingsplicht Versterken voor Groningen door de NAM is opgenomen en zo ja, voor welke kosten?
Artikel 5.8 van het AoH is in 2018 ongelakt aan de Kamer toegezonden en bevat de volgende tekst:
Artikel 5.9 bevat de volgende tekst:
Deze bepaling was gelakt, omdat de openbaarmaking van deze bepaling destijds mogelijk onrust zou veroorzaken bij bewoners van de genoemde batches. Inmiddels is er voor deze batches een aanpak in uitvoering waardoor de tekst nu niet langer vertrouwelijk hoeft te blijven. Beide bepalingen bevatten geen beperking van de vergoedingsplicht van NAM.
Waarom is de Kamer bij het Akkoord op Hoofdlijnen in 2018 niet expliciet geïnformeerd over het verkleinen van de wettelijke vergoedingsplicht door NAM?
Zoals hiervoor toegelicht in reactie op de vragen 12 tot en met 16 is er geen sprake van een inperking van de vergoedingsplicht door NAM.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat in de IBOV(+) de Wettelijke Vergoedingsplicht Versterken door NAM voor Groningen is teruggebracht, namelijk van een niet-limitatieve wettelijke vergoeding van alle vermogensschade en ander nadeel in Groningen naar een limitatief aantal kostenposten van de versterkingsoperatie in Groningen namelijk:
De genoemde posten omvatten alle kosten die door de NCG voor de versterking worden gemaakt (beoordelen van de veiligheid en uitvoeren van versterking indien nodig). Alle kosten worden bij NAM in rekening gebracht. Er is geen sprake van een inperking van de vergoedingsplicht door NAM.
Waarom is de Kamer in 2018 niet expliciet geïnformeerd over deze (tweede) fundamentele wijziging en afwijking van de wettelijke vergoedingsplicht door NAM?
Zoals hiervoor toegelicht is er geen sprake van een inperking van de vergoedingsplicht door NAM. De Kamer is geïnformeerd over het publiek maken van de versterkingsoperatie en de betaalafspraken met NAM bij brief van 26 november 2018 (Kamerstuk 33 529, nr. 535).
Is de Minister in 2018 bij het aangaan van het Akkoord op Hoofdlijnen dan wel bij het aangaan van de IBOV door de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) geïnformeerd dat een inperking van de wettelijke vergoedingsplicht door de exploitant verboden staatssteun aan NAM en haar aandeelhouders is in de zin van artikel 107 e.v. VWEU?
Zoals hiervoor toegelicht is er geen sprake van een inperking van de vergoedingsplicht en dus geen sprake van staatssteun.
Is er een verband tussen enerzijds de in de PEAG uitspringende keuze van Minister Wiebes tot het stilleggen van de versterkingsoperatie in 2018 en anderzijds de Wiebesovereenkomsten uit dezelfde periode, waarin het wettelijke kostenverhaal van de Staat op NAM is beperkt?
Nee, dit verband bestaat niet.
Klopt het dat naast de door de PEAG genoemde keuze voor het stilleggen van de versterkingsoperatie met verstrekkende gevolgen voor de Groningers, eveneens door Minister Wiebes een fout lijkt te zijn gemaakt met verstrekkende gevolgen voor de schatkist?
Nee, het geschetste gevolg doet zich niet voor.
Is niet de essentie van een melding bij de Europese Commissie van staatssteun dat de Wiebesovereenkomsten worden getoetst aan verenigbaarheid met de Europese regels van staatssteun en dat dit in essentie zal leiden tot een verplichting van de Staat der Nederlanden om alle versterkingskosten te verhalen op NAM?
Dit gaat alleen op wanneer er sprake zou zijn van ongeoorloofde staatsteun en dat is niet het geval, omdat de Staat alle versterkingskosten in rekening brengt bij NAM.
Zou je kunnen stellen dat het op het eerste gezicht lijkt alsof NAM handiger en slimmer is geweest bij het verkleinen van haar vergoedingsplicht voor versterken over de band van de Wiebesovereenkomsten, maar dat deze inperking nietig is voor zover wordt afgeweken van de wettelijke verplichting tot betaling van de versterkingskosten door NAM?
Zoals uit de beantwoording van eerdere vragen blijkt is er geen sprake van verkleining van de vergoedingsplicht van NAM en dus gaat de stelling in deze vraag niet op.
Is staatssteun gebruikt door de Staat der Nederlanden in de arbitrageprocedure over de facturen op grond van de Wiebesovereenkomsten?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven is vertrouwelijkheid een wettelijk vastgelegd uitgangspunt van arbitrage. Desgewenst kan ik uw Kamer vertrouwelijk informeren over de argumenten die door de Staat zijn gevoerd in deze procedure.
Gaat de Staat der Nederlanden voor een verhaal van alle versterkingskosten vanaf 1 januari 2020, niet alleen de facturen maken op grond van de Wiebesovereenkomsten?
Ik verwijs naar de antwoorden op vragen 2 en 25.
Heeft u namens de Staat der Nederlanden al een staatssteunmelding gedaan voor de totale versterkingskosten en de inperking van de Wiebesovereenkomsten en zo nee, is dit er niet een verplichting om dit alsnog te doen op grond van de inzichten van vandaag?
Nee, er is geen melding gedaan en er zijn geen inzichten die er toe leiden dit alsnog te doen.
Was het niet nuttig en eigenlijk essentieel geweest als de PEAG en ook de Kamer op de hoogte was gebracht van de gevolgen van de Wiebesovereenkomsten voor het verhaal van versterkingskosten op NAM en de mogelijkheid om dit via een staatssteunmelding bij de Europese Commissie alsnog recht te zetten?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 27.
U heeft zoals ook eerder aangegeven dat via het gashuis uiteindelijk een 30 (NAM): 70 (Staat der Nederlanden) verdeling van de kosten ontstaat. Klopt het dat in 1963 een verdeling van de kosten is afgesproken op 60 (NAM): (40) Staat der Nederlanden. Kunt u het verschil toelichten?
In 1963 is afgesproken om opbrengsten en kosten te verdelen in de verhouding 60 (NAM) en 40 (EBN). NAM is over haar aandeel Vennootschapsbelasting en mijnbouwheffingen aan de Staat verschuldigd en samen bedraagt dat 50% over het door NAM behaalde resultaat. Hierdoor komt indirect de helft van NAM’s resultaat weer toe aan de Staat waardoor uiteindelijk de verdeling van opbrengsten en kosten plaatsvindt in de verhouding 70 (Staat)/30 (NAM). Voor een nadere toelichting op de inkomsten uit het gasgebouw verwijs ik u naar de brief van 13 december 2021 (Kamerstuk 33 529, nr. 932).
Kunt u, in dat kader, nog eens toelichten waarom de verhouding 70 tot 30 procent is zoals u aangaf, bijvoorbeeld bij de niet denkbeeldige situatie dat er weinig tot geen baten zijn voor NAM en wel versterkingskosten voor rekening van NAM?
De Staat ontvangt via het aandeel van EBN 40% van de winst. Via het winstaandeel en Vpb ontvangt de Staat ook de helft van het aandeel van 60% van de vergunninghouder. Dit leidt ertoe dat de Staat over de winningswinst uiteindelijk 70% van de opbrengst verminderd met 73% van de kosten ontvangt en dat komt overeen met ongeveer 70% van de winst. Als de NAM verlieslatend is, is er geen winst te verdelen en dan is de verdeling 40/60.
Zijn in het Ministerie van EZK maatregelen genomen vanwege de uitkomsten van de PEAG ten aanzien van het kerndepartement?
Hoofdstuk 4 «bouwen aan een betere overheid» van de kabinetsreactie «Nij begun» beschrijft een breed pallet aan maatregelen die genomen zijn naar aanleiding van de uitkomsten van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen.
Gezien de inhoud van de Wiebesovereenkomsten, het integriteitsonderzoek en de uitkomsten van de PEAG ten aanzien van het kerndepartement, kunt u de Kamer ervan verzekeren dat de onderhandelingen met Shell en Exxon niet worden gevoerd door een of meer medewerkers die de Wiebesovereenkomsten hebben geschreven of onderhandeld met NAM en haar aandeelhouders en zo nee, kunt u hiertoe maatregelen nemen?
Over de inzet van individuele medewerkers op specifieke dossiers doe ik geen uitspraken. In algemene zin kan ik aangeven dat de gesprekken met Shell en ExxonMobil een brede inzet vragen van capaciteit en expertise binnen het kerndepartement, externe deskundigen en de uitvoeringsorganisaties. Vanuit het kerndepartement zijn meerdere directies betrokken. Denk daarbij naast de primair verantwoordelijke beleidsdirectie ook aan de directie Wetgeving en Juridische Zaken (DWJZ) en de directie Financieel Economische Zaken (DFEZ).
Gezien de inhoud van de Wiebesovereenkomsten, het integriteitsonderzoek en de uitkomsten van de PEAG ten aanzien van het kerndepartement, kunt u de Kamer ervan verzekeren dat u op het verhaal van de totale versterkingskosten en ook het doen van een staatssteunmelding niet wordt geadviseerd door een of meer medewerkers die de Wiebesovereenkomsten hebben geschreven of onderhandeld met NAM en haar aandeelhouders en zo nee, kunt u hiertoe maatregelen nemen?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 32.
Met de focus op de versterkingsoperatie en het afwikkelen van schade, is het niet beter om -naast de huidige DG voor Groningen- een apart tijdelijk DG op te richten waarin de versterkingskosten en kosten door schade worden verhaald?
Nee.
Kunt u toelichten hetgeen u op 12 oktober 2023 in de Kamer aangaf, namelijk dat de IBOV per 1 juli 2023 niet meer van toepassing is op de versterkingsoperatie vanwege de heffing die is opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen?
Met het van kracht worden van de Wet van 19 april 2023 tot wijziging van de Tijdelijke wet Groningen in verband met de versterking van gebouwen in de provincie Groningen (Stb. 2023, 164) vervalt de werking van de IBOV. De kosten voor de versterkingsoperatie worden vanaf deze datum in rekening gebracht door middel van een heffing, op grond van artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen.
Bent u met mij eens dat een van de twee wettelijke grondslagen voor verhaal van de versterkingskosten fundamenteel worden aangepast met het wetsvoorstel (kamerstuk 36 441), waarbij in het voorstel bijvoorbeeld wordt verwijderd de tekst dat de «houder van de winningsvergunning Groningenveld neemt alle noodzakelijke maatregelen om de gevolgen van een zwaar ongeval voor mens en milieu te beperken»?
Zoals hiervoor toegelicht is de verhaalbaarheid van de versterkingskosten geregeld in artikel 15 van de Tijdelijke wet Groningen, is artikel 52g van de Mijnbouwwet hiervoor niet van belang en heeft dus ook een wijziging van dat artikel geen gevolgen voor de vergoedingsplicht van de NAM.
De bedoelde verplichting wordt met het wetsvoorstel onder Kamerstuk 36 441 overigens niet verwijderd uit artikel 52g, maar slechts aangepast naar de situatie waarin de gaswinning definitief is beëindigd. Het voorgestelde artikel 52g, eerste lid, aanhef en onder b, komt te luiden: De houder van de winningsvergunning Groningenveld dan wel indien deze vergunning haar gelding heeft verloren, de laatste houder daarvan, neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om [...] te voorkomen dat als gevolg van een mijnbouwwerk dat buiten werking is nadelige gevolgen voor mens en milieu worden veroorzaakt.
Bent u met mij eens dat het oorspronkelijke wetsartikel 52g kan blijven staan zo lang er schade ontstaat of versterking nodig is en zo nee, kunt u uitleggen wat hierop tegen is?
Het artikel kan in de huidige vorm niet blijven bestaan, omdat dit enkel verplichtingen oplegt aan een vergunninghouder. De vergunning voor het Groningenveld zal zijn gelding verliezen. Daarom moet de bepaling worden aangepast om te bereiken dat na het beëindigen van de gaswinning de NAM zijn verplichtingen voor een ordentelijke en veilige ontmanteling van de putten behoudt.
Bent u bereid zorg te dragen dat er een externe heroverweging plaatsvindt van de recente Kamerstukken van 5 oktober 2023 (Kamerstuk 36 441), met name het schrappen van artikel 52g Mijnbouwwet, een en ander om potentiële miljoenen of miljardenschade over de afgelopen jaren en nog te vergoeden kosten door NAM te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen aanleiding voor een externe heroverweging van de wijziging (en dus niet het schrappen) van artikel 52g van de Mijnbouwwet.
Kunt u aangeven waarom er geen beslag is gelegd onder NAM voor de ingehouden substantiële betalingen op de facturen en waarom er geen staatssteunmelding is gedaan voor de versterkingskosten in de Wiebesovereenkomsten?
De Staat laat geen enkel juridisch instrument onbenut om de NAM aan zijn betalingsverplichting te houden. In de Kamerbrief van 13 september jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 1172) is uw Kamer geïnformeerd over de juridische stappen die op dit moment zijn gezet met het oog op de niet volledige betaling door NAM. De afwegingen over het wel of niet nemen van juridische stappen kan met het oog op de procespositie van de Staat vertrouwelijk worden toegelicht aan de Kamer. Er is geen staatssteunmelding gedaan, omdat er geen sprake is van staatssteun.
Kunt u de Wiebesovereenkomsten waarmee u bij uw aantreden geconfronteerd werd met de kennis van nu beschouwen en aangeven of u de Wiebesovereenkomsten anders had geschreven voor wat betreft het verhaal van de versterkingskosten?
Ik zie geen aanleiding om het AoH en de IBOV uit 2018 in een ander licht te bezien.
Kunt u aangeven waarom er naast de arbitrage met als eiser NAM, niet ook een juridische procedure door de Staat der Nederlanden voor de volledige versterkingskosten is ingesteld. Bent u bereid dit alsnog te doen?
Zoals in Kamerbrief van 29 juni 2022 (Kamerstuk 33 529, nr. 1039) is gemeld, heeft de Staat der Nederlanden een tegenvoordering ingediend als onderdeel van de lopende arbitrage.
Kunt u aangeven of u, met de kennis van dit moment en de vragen hier gesteld, tot de conclusie komt dat er alsnog een verplichte staatssteunmelding moet worden gedaan vanwege de Wiebesovereenkomsten?
Zoals hiervoor aangegeven is er geen sprake van staatssteun en dus ook geen aanleiding voor het doen van een melding.
Kunt u door het advocatenkantoor dat u inzake de onderhandelingen adviseert (en niet betrokken is geweest bij de Wiebesovereenkomsten) laten uitzoeken of het doen van een staatssteunmelding gunstige gevolgen heeft voor de arbitrageprocedure door bijvoorbeeld het verlies van belang of het stoppen hiervan vanwege de arbitrageafspraken uit medio 2022, ook gezien het integriteitsonderzoek bij directie Wetgeving en Juridische Zaken (WJZ) bij het onderdeel wat deze arbitrageprocedure heeft voorbereid?
Ik heb begin 2023 (februari–maart) door twee externe deskundigen, die niet eerder betrokken zijn bij het dossier, laten beoordelen of er sprake is van staatssteun. Beide zijn van oordeel dat dit niet het geval is. Daarmee is de door u gesuggereerde check reeds uitgevoerd.
Kunt u aangeven welke andere belanghebbenden een staatssteunmelding over de Wiebesovereenkomsten kunnen doen bij de Europese Commissie?
Aangezien er geen sprake is van staatssteun, is er geen aanleiding om aan te nemen dat andere partijen daar een melding over kunnen doen.
Kunt u er voor zorgen dat de procedure voor artikel 52g Mijnbouwwet, Kamerstukken van 5 oktober 2023 (Kamerstuk 36 441) met spoed aangepast wordt door intrekking dan wel een andere wijze van aanhouding en waarbij u extern onderzoek laat uitvoeren of dit wetsartikel zonder enig risico voor de staatskas, de arbitrageprocedure en de wettelijke vergoedingsplicht versterken door NAM voor Groningen kan worden aangepast?
Zoals hiervoor toegelicht berusten de zorgen over de wijziging van artikel 52g op een onjuiste lezing van dit artikel. Ik zie geen aanleiding om de procedure voor de wijziging van dit artikel aan te passen.
Kunt u de Kamer met spoed informeren over de stand en planning van de arbitrageprocedure en het doen van een staatssteunmelding?
De Kamer is per brief van 13 september 2023 reeds geïnformeerd over de planning van de arbitrageprocedure (Kamerstuk 33 529, nr. 1172). Zoals hiervoor aangegeven wordt er geen melding van staatssteun gedaan.
Kunt u aangeven welke verbeteringen binnen het Ministerie van EZK zijn doorgevoerd of welk traject hiervoor is ingezet, naar aanleiding van de opmerkingen die door de PEAG zijn gemaakt over het Ministerie van EZK met punten die verbeterd zouden moeten worden, bijvoorbeeld het niet informeren van de politiek bestuurder of het nemen van ambtelijke beslissingen die politiek bestuurlijke afstemming hadden moeten hebben?
Zoals in antwoord op vraag 31 is aangegeven zijn er diverse maatregelen genomen om de uitkomsten van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen te adresseren.
Kunt u er voor zorgen dat er in de adviezen die uitgevraagd en aan u gegeven worden voor de staatssteunmelding, arbitrage en onderhandelingen met NAM en haar aandeelhouders, zich geen filters van medewerkers bevinden die betrokken zijn geweest bij het schrijven of onderhandelen van de Wiebesovereenkomsten of die onderdeel uitmaken van het integriteitsonderzoek?
Ik verwijs hierbij naar de antwoorden op vraag 31, 32, 33 en 47.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Kunt u deze vragen met spoed, maar in elk geval ruim voor 22 november 2023 beantwoorden?
Vanwege het aantal vragen is het niet gelukt om deze voor 22 november te hebben beantwoord. Conform artikel 12.2 van het reglement van orde van uw Kamer heb ik op 24 november 2023 een uitstelbrief gestuurd om aan te geven dat de termijn van 3 weken niet haalbaar is.
Vergunningverlening locatie Schoonebeek van NAM |
|
Suzanne Kröger (GL), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Betekent de vergunning rondom de realisatie van een tijdelijke scheidingsinstallatie met actief koolfilters ten behoeve van het reduceren van het tolueengehalte in het productiewater1 dat de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) voornemens de oliewinning in Schoonebeek op zeer korte termijn te hervatten, en daarmee ook de afvalwaterinjectie in Twente?
Nee, wat mij betreft niet en dat kan ook niet aangezien de vergunning slechts geldig is tot 31 december 2023. Daarnaast heb ik met de NAM afgesproken dat de waterinjectie in Twente niet zal worden hervat en ik zal de NAM houden aan deze afspraak.
Hoeveel geld is er nodig om alle olieputten en waterinjectieputten te verwijderen en de vervuilde bodem te saneren in Drenthe en Twente? Hoe hoog wordt de overheidsbijdrage daarvan ingeschat door de NAM?
Op dit moment worden in Schoonebeek en in Twente oude olielocaties en oude gas- en waterinjectielocaties opgeruimd en gesaneerd. Deze werkzaamheden zijn onderdeel van het meerjarige opruimprogramma van NAM. De kosten voor het opruimen en eventueel saneren variëren per locatie. De NAM heeft voor het opruimprogramma middelen gereserveerd en dit ook gepubliceerd in haar jaarrekening over 20222. NAM heeft voor haar aandeel in de sanerings- en opruimingskosten € 2.035 mln. gereserveerd. NAM heeft deze kosten niet uitgesplitst naar specifieke locaties en ook geen inschatting gegeven voor het deel van de overheid. Voor de locaties op land geldt doorgaans dat de overheid voor circa 40% deelneemt.
Kunt u meer details geven over de afgegeven vergunning dan vermeld staan in de Kamerbrief over de vergunningverlening voor E-boilers op locatie Schoonebeek van de NAM (Kamerstuk 32 813, nr. 1284)? Om wat voor e-boilers gaat het? Hoeveel elektriciteit gebruiken ze?
De twee e-boilers waar de vergunning op ziet hebben elk een vermogen van 30 MWe. NAM heeft nog niet gekozen voor een bepaalde leverancier. De e-boilers gebruiken elektriciteit en worden aangesloten op de reeds aanwezige stroomvoorziening op de inrichting. De locatie is aangesloten op een hoogspanningsleiding. Deze aansluiting hoeft niet te worden verzwaard.
Deelt u de mening dat dit geen toekomstbestendige investering zou zijn? Is er een risico dat de Staat gedwongen wordt om deze E-boilers te compenseren wanneer er normering komt om de oliewinning te stoppen?
Het is niet aan mij om te oordelen over de toekomstbestendigheid van investeringen door NAM. De NAM kan een deel van haar energieverbruik vergroenen op het moment dat de e-boilers gebruik maken van duurzame elektriciteit. Dat vind ik een goede ontwikkeling.
Als de Staat aan NAM via regelgeving dwingt om de oliewinning te stoppen en NAM beschikt op dat moment over een geldige vergunning dan ontstaat er een kans dat de Staat de NAM zal moeten compenseren.
Waar komt de stroom voor deze E-boilers vandaan? Legt dit geen gigantisch beslag op het lokale elektriciteitsnet? Is hier überhaupt wel ruimte voor?
De e-boilers zullen in combinatie met het bestaande stoomgeneratiesysteem worden ingezet. De e-boilers worden ingezet op het moment dat er een overschot aan groene stroom is op het elektriciteitsnet. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van de reeds aanwezige stroomvoorziening. De stroomvoorziening op de inrichting hoeft niet verzwaard of aangepast te worden.
Hoeveel draagt de Staat bij, direct en indirect, bij aan de boilers ten behoeve van de oliewinning Schoonebeek, bijvoorbeeld subsidies, deelname van EBN, etc.)? Hoeveel is er in het verleden aan subsidie in totaal verleend aan activiteiten rondom Schoonebeek?
Het olieveld Schoonebeek is in 1943 gevonden en is in de periode 1947 tot 1996 in productie geweest. Voor zover mij bekend zijn er in deze periode vanuit het Rijk geen subsidies verleend.
EBN BV heeft sinds 2009 een 40% belang in de herontwikkeling van de oliewinning in Schoonebeek. Dit betekent dat 40% van alle investeringen door EBN worden gefinancierd. NAM heeft aangegeven dat zij tot op heden geen subsidie heeft ontvangen voor de e-boilers.
Deelt u de mening dat schaarse duurzame stroom en schaarse netcapaciteit beter kan worden ingezet voor activiteiten met een hogere maatschappelijke waarde?
Ik vind dat particulieren en bedrijven zoveel mogelijk duurzame stroom moeten gebruiken. De e-boilers worden ingezet op het moment dat er een overschot aan groene stroom is op het elektriciteitsnet. De e-boilers dragen bij aan de maximale benutting van duurzame stroom.
Om welke vergunning voor een technische en milieuneutrale aanpassing van de transport voor de aan- en afvoer van materialen gaat het precies?
Als onderdeel van het voornemen om de waterverwerking van de oliewinning nabij Schoonebeek te beleggen zijn er op de oliebehandelingsinstallatie in Schoonebeek een aantal wijzigingen voorgenomen. Het betreft onder andere het inpassen van de e-boilers en het verder verlagen van emissies. In de huidige omgevingsvergunning uit 2009 zijn diverse transportbewegingen vergund in verschillende categorieën. Het onderscheid tussen deze transportbewegingen is middels de in juli 2023 verleende milieu-neutrale wabo vergunning opgeheven. Deze transportbewegingen zijn ten behoeve van de koeling van de oliewinningslocaties, afvalstoffenafvoer, het onderhoud en de aanvoer van hulpstoffen.
Het debat tijdens de begroting EZK |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Is de memorie van eis van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) van september 2022 ingediend bij de parlementaire enquête commissie? Zo nee, waarom niet?
De enquêtecommissie heeft tussen 11 februari 2021 en 12 juli 2022 in een aantal vorderingen afschriften van documenten opgevraagd. De Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) heeft deze in alle gevallen verstrekt of de enquêtecommissie in staat gesteld kennis te nemen van deze documenten. Zoals uit het eindrapport van de enquêtecommissie blijkt, heeft de commissie in de zomer van 2022 van het Ministerie van EZK en van NAM informatie gevorderd t.a.v. de standpunten van beide betrokken partijen (zie in «Groningers boven gas», verwijzingen naar de gevorderde schriftelijke inlichtingen in Boek 4, hoofdstuk 9, pagina 1439–1442, voetnoten 394 en 402). Het onderwerp van de arbitrage als zodanig viel dus binnen de reikwijdte van de genoemde vorderingen. De memorie van eis van de NAM dateert van september 2022, viel om die reden buiten de reikwijdte van de vorderingen.
Klopt het dat een medewerker het «niet melden van de memorie van eis van de NAM» in december 2022 heeft aangekaart bij Pels Rijcken en de directie Wetgeving en Juridische Zaken (WJZ)? Wat is er met deze melding gebeurd?
Het klopt dat intern is gesignaleerd dat de memorie van eis niet aan de parlementaire enquête commissie is verstrekt. Naar aanleiding van dit signaal is geverifieerd of de commissie ten onrechte stukken niet zou hebben gekregen. Zoals onder vraag 1 is aangegeven is dit niet het geval.
Klopt het dat deze medewerker het «niet melden van de memorie van eis van de NAM» aan uzelf heeft medegedeeld op 21 februari 2023?
Ja.
Klopt het dat er een financieel verschil zit tussen het bedrag dat de NAM zou moeten betalen op basis van de «Ollongrenovereenkomst» van 19 december 2019 en de «Wiebesovereenkomsten» doordat in de laatste overeenkomsten het wettelijk schadebegrip is beperkt?
Dit klopt niet. Onder het Akkoord op Hoofdlijnen en de interim- betalingsovereenkomst versterken (IBOV) uit 2018 is NAM verplicht om de volledige kosten voor de versterking te betalen. De overeenkomst van 19 december 2019 betreft een uitwerkingsovereenkomst die geen beperking heeft opgeleverd van de overkoepelende afspraken dat NAM de volledige rekening dient te betalen. Dit blijkt onder andere uit artikel 8 lid 2 van laatstgenoemde overeenkomst, waarin is bepaald: «De financiële draagplicht van NAM onder de IBOV blijft onverkort gelden.»
Hoe groot is dat financiële verschil in het slechtste geval en wie draait op voor deze schade?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven heeft er zich geen beperking voorgedaan in de betalingsverplichting in de uitwerking uit 2019 ten opzicht van de basisafspraken uit 2018.
Bent u van mening dat fouten met grote financiële gevolgen moeten worden gemeld aan de Kamer, ongeacht of er een integriteitsonderzoek loopt bij directie WJZ?
Ja. Als er fouten worden geconstateerd met grote financiële gevolgen wordt dit altijd aan de Kamer gemeld. In het jaarverslag wordt verantwoording afgelegd over alle meldingen, waaronder die rondom integriteit, die zijn gedaan. Zoals hiervoor aangegeven is er geen aanleiding om aan te nemen dat er fouten zijn gemaakt in de overeenkomsten uit 2018 en 2019.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het Universiteit van Amsterdam (UvA)-rapport inzake stikstofdepositie |
|
Caroline van der Plas (BBB), Roelof Bisschop (SGP) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek uitgevoerd door de UvA in opdracht van het Mesdagfonds met de titel «Nitrogen deposition around dairy farm: spatial and temporal patterns», van Tietema en andere(n) (e.a.)?
Ja. Op 29 september 2023 heb ik per brief1 mijn reactie op het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam, waar ook dit nieuwsartikel over gaat, met de Tweede Kamer gedeeld.
Denkt u, gezien de conclusies van dit onderzoek, dat het zinvol is om in het beleid zo de focus te blijven leggen op de aanpak van zogenaamde piekbelasters, waarvan er veel op kilometers afstand van stikstofgevoelige natuur liggen? Zo ja, waarom?
Zoals aangegeven in de genoemde brief is het onderzoek vooral een bevestiging van bestaande kennis. Er zijn daarom geen directe gevolgen of aanleidingen om de huidige methodiek of het beleid te herzien. De aanpak piekbelasting is bedoeld om een forse vermindering van overbelasting op stikstofgevoelige natuur te realiseren. Bij het bepalen van de doelgroep voor de aanpak piekbelasting is gekozen voor een drempelwaarde. Deze drempelwaarde is gedefinieerd als depositievracht; het totaal aan depositie op overbelaste natuur. Deze keuze zorgt ervoor dat de aanpak zich richt op de bedrijven die in totaal de grootste belasting hebben op de natuur. Het onderzoek bevestigt de bestaande kennis dat deze totale depositie inderdaad niet zo dicht bij de bron kan worden bepaald met metingen. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van modellen, omdat het overgrote deel van de stikstof onderdeel wordt van de zogenaamde stikstofdeken en verder van de bron neerslaat. Hierdoor wordt efficiënt gestuurd op het terugdringen van de depositie.
Bent u bereid om meer onderzoek uit te zetten naar de droge depositie van stikstof op basis van dit onderzoek dat een mogelijke discrepantie laat zien tussen de gemodelleerde droge depositie en de gemeten droge depositie, ook met inachtneming van de verwachte niet gemeten depositie? Zo nee, waarom niet?
Met de methoden die de UvA heeft gebruikt kan een deel van de depositie (tot 500 meter van de bron) goed worden gemeten. In het onderzoek is echter niet expliciet de droge depositie gemeten en daarom is een mogelijke discrepantie tussen modellen en metingen ook niet te bepalen.
In het Nationaal Kennisprogramma Stikstof (NKS) lopen onderzoeksprojecten om bestaande kennisleemtes in de berekeningen van de stikstofdepositie op te vullen. Er worden bijvoorbeeld hoog resolutiemetingen uitgevoerd om de modellen verder te verbeteren. Daarnaast wordt in samenwerking met regionale overheden het aantal meetpunten voor depositie uitgebreid.
Deelt u de mening dat dit onderzoek bevestigt dat we over moeten stappen op emissiebeleid in plaats van depositiebeleid? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bevat dit onderzoek geen nieuwe inzichten en is het daarom geen aanleiding om over te stappen op emissiebeleid. Dit neemt niet weg dat het van belang is om beleidsmatig op stabiele doelen te kunnen sturen. Mede hierom loopt er een onderzoek naar een alternatief voor de KDW als omgevingswaarde in de wet.
Ziet u mogelijkheden om op basis van dit, maar ook al eerdere onderzoeken op dit onderwerp, het vergunningenbeleid aan te passen op basis van een afstandsgrens van 500 meter of ten minste een wetenschappelijk onderbouwde grens die veel minder ver ligt dan 25 kilometer?
Zoals aangegeven in mijn brief blijkt uit dit onderzoek dat in de Nederlandse situatie tot ongeveer 500 meter van een stal de depositie met metingen te herleiden is tot een bron. Met modelberekeningen is de afstand waarop een bijdrage toerekenbaar is aan een individuele bron 25 kilometer, zoals toegelicht in de Kamerbrief van 9 juli 20212 en recent bevestigd door de Raad van State3.
Het is daarom niet zo dat het huidige beleid geen effect heeft.
Hoe waardeert u de constatering dat de metingen wijzen op een relatief lage uitstoot van ammoniak door bemest grasland? Wordt hier meer onderzoek naar gedaan?
In dit onderzoek is de depositie rond een stal gemeten. Omdat de stal zelf een hoge bijdrage heeft, is het te verwachten dat de bijdrage vanaf bemest grasland laag is. Gemiddeld over Nederland is ongeveer 33% van de ammoniakemissie uit de landbouw afkomstig van mestaanwending.4 Dit is mestaanwending op grasland en bouwland. Binnen het NKS wordt onderzoek gedaan om de emissiefactoren voor bemesting en beweiding te actualiseren.
Deelt u de mening dat de isotopenanalyse in het genoemde onderzoek, waarbij stikstof uit mest en uit verbrandingsprocessen kan worden onderscheiden, opvallende resultaten geeft wat betreft de verhouding tussen deze stikstofbronnen, en derhalve vraagt om verder onderzoek met isotopen naar deze verhouding, mede gelet op internationaal onderzoek dat wijst op onderschatting van de ammoniakemissie uit verbrandingsprocessen? Bent u voornemens verder isotopenonderzoek in eigen land te doen?1
Uit de isotopenanalyse van dit onderzoek van de UvA blijkt dat vrijwel alle stikstof in de biomonitor afkomstig is van ammoniak van dierlijke oorsprong. Aangezien de metingen zijn uitgevoerd nabij stallen, ligt dat in de lijn der verwachting. Ik zie nu dan ook niet direct aanleiding voor nader isotopenonderzoek.
Wordt de ammoniakconcentratie in stedelijk gebied, in industriegebieden en langs waterlopen met veel scheepvaart gemeten? Zo nee, gaat dit nog wel gebeuren?
Er worden vanaf 2021 in vier grote steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) ammoniakconcentraties gemeten. Het ammoniak-meetnet is afgezien van die vier plekken met name gericht op het meten in natuurgebieden. Er wordt momenteel nog niet expliciet ammoniak gemeten op industriegebieden of langs drukke vaarroutes. Er worden wel veel andere concentraties van stoffen in de lucht gemeten in stedelijk gebied en langs (vaar)wegen.6
Heeft het Rijksinstituut voor Volksvezondheid en Milieu (RIVM) inmiddels op Europees niveau contact gelegd met andere onderzoeksinstanties met betrekking tot de ammoniakemissie bij verbrandingsprocessen?2
Het onderwerp van ammoniakemissies bij verbrandingsprocessen is met andere onderzoeksinstanties besproken tijdens de bijeenkomst van de Task Force on Emission Inventories and Projections. Naar aanleiding van deze bespreking zijn de emissiefactoren m.b.t. ammoniakemissies uit steenkoolverbranding niet aangepast in de internationale richtlijnen. Vermoedelijk komt dit omdat deze emissiebron een verwaarloosbare bijdrage heeft aan het totaal van ammoniakemissies.
Heeft het RIVM inmiddels meer inzicht gekregen in de ammoniakemissie uit steenkoolverbranding?3
Zie antwoord vraag 9.
Hoe verklaart u de analyse op basis van korstmossenonderzoek in Overijssel dat de Nitrofiele IndicatieWaarde (een indicator voor de ammoniakconcentratie) in bebouwde gebieden hoger is dan in agrarisch gebieden, terwijl je het andersom zou verwachten?4
De conclusies uit het genoemde korstmossenonderzoek in Overijssel geven aanwijzingen richting mogelijke redenen voor de geconstateerde verhoging van ammoniakconcentraties in het bebouwde gebied: «Vermoedelijk spelen verkeersgerelateerde effecten hierbij een belangrijke rol. Het gaat dan om de toepassing van AdBlue in dieselvoertuigen, en om katalysatoren in benzineauto’s.» Ook staat in het rapport dat klimaat, temperatuur en zuurgraad van de omgeving een belangrijke rol spelen. Mogelijk zijn de omstandigheden voor bepaalde korstmossen net iets gunstiger in de steden. Binnen het NKS zal meer onderzoek gedaan worden naar biomonitoring.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot benutting van satellietdata en meerdere modellen (modelensemble) om de huidige modellering van de stikstofdepositie te verbeteren (Kamerstuk 35 334, nr. 158)?
Op dit moment loopt het onderzoek naar de toepasbaarheid van satellietwaarnemingen en het gebruik van ensemblemodellering binnen het NKS. Naar verwachting komen de eerste resultaten in de loop van 2024 beschikbaar.
Is er al een eerste analyse beschikbaar van de metingen van de droge depositie met het Conditional TimeAveraged Gradient (COTAG)-systeem in onder meer Bargerveen in verhouding tot de berekende depositie?
Nee, die is er nog niet. Een onzekerheidsrapport met een eerste vergelijking wordt binnen enkele maanden verwacht in een RIVM-rapportage, een uitgebreidere analyse volgt later.
Is de uitbreiding van het aantal locaties voor metingen met het COTAG-systeem van drie naar tien al gerealiseerd? Zo ja, waar?
RIVM is bezig met uitbreiding van droge depositiemetingen. Op dit moment wordt op zes locaties (Bargerveen, Veluwe, Oostelijke Vechtplassen, Noord-Hollands Duinreservaat, Veenkampen, Haaksbergerveen) gemeten. De overige vier locaties zijn nog in ontwikkeling. De planning is dat medio 2024 tien meetpunten operationeel zijn.
Hoe waardeert u de recente onderzoeksresultaten van Wageningen Livestock Research waaruit zou blijken dat de ammoniakemissie uit ligboxenstallen neerkomt op 11,1 kilogram per koe per jaar, dus lager dan de huidige emissiefactor, vanwege hogere uitstoot van niet-reactief stikstofgas dan gedacht?5
In tegenstelling tot hetgeen wordt gesuggereerd in de vraag wordt in het rapport niet geconcludeerd dat de ammoniakemissie uit ligboxenstallen neerkomt op
11,1 kg per koe per jaar.11 De strekking van het rapport is dat het in dit onderzoek toegeschreven stikstofverlies in de vorm van N2-gas (9,7% van de N-excretie) hoger is dan de 1% die voor nationale berekening emissie naar lucht uit landbouw wordt gebruikt (berekend met NEMA). De genoemde 11,1 kg NH3 per koe per jaar uit het onderzoek is een eenmalige jaargemiddelde waarneming in de stal waar het betreffende onderzoek is uitgevoerd. Uit een eenmalige waarneming kan geen conclusie over de juistheid van een emissiefactor worden getrokken en dat wordt ook niet gedaan in het betreffende rapport. De Rav-emissiefactor voor deze conventionele stal is 13,0 kg NH3 per dier per jaar en is gebaseerd op het gemiddelde van metingen aan 8 melkveebedrijven (Ogink et al., 2014, WLR rapport 744), daarin wordt ook aangegeven dat de variatie tussen bedrijven ca. 20% bedraagt. Dit emissieniveau is recent nog eens bevestigd in het onderzoek van Schep et al. (2022, WLR-rapport 1388) waarin op 12 melkveebedrijven een gemiddeld niveau van 13,1 ±3,3 kg NH3 per koe per jaar werd gemeten (gemiddelde met standaarddeviatie, gebaseerd op continu-metingen). De in het onderzoek waargenomen emissie valt binnen de genoemde spreiding van dit onderzoek.
Op welke wijze worden de genoemde cijfers meegenomen in de RIVM-berekeningen rond emissies en deposities?
De berekeningen van de ammoniakemissie uit de landbouw worden berekend met het National Emission Model for Agriculture (NEMA). Hiervoor worden voor alle landbouwactiviteiten emissiefactoren bepaald. Deze emissiefactoren worden gebaseerd op de laatste wetenschappelijke inzichten, zoals het geval kan zijn in het door u genoemde onderzoek naar de ammoniakemissie uit ligboxenstallen. De bepaling van de emissiefactoren worden ook gebaseerd op inzichten over toepassing in de praktijk, zoals de werking van emissiearme vloeren van melkveestallen in de praktijk.
De UNESCO brief over de voorgenomen gaswinning bij Ternaard |
|
Tjeerd de Groot (D66), Faissal Boulakjar (D66) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de Waddenzee een uniek natuurgebied is, het enige natuurlijke Werelderfgoed in Nederland, dat we zo veel mogelijk moeten behouden en beschermen?1
Die mening delen wij.
Deelt u de mening dat er zwaarwegende natuurbelangen zijn binnen het Waddengebied?
Die mening delen wij.
Deelt u de mening van United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO) en diverse wetenschappers dat er op zijn minst gerede twijfel bestaat over de schadelijkheid van de voorgenomen gaswinning bij Ternaard voor de natuurwaarde van de Waddenzee?
De Minister voor Natuur en Stikstof kan nu niet vooruit lopen op een formeel besluit op de vergunningaanvraag. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Klopt het dat dit juridisch gezien voldoende grond biedt om het afgeven van een natuurvergunning voor de voorgenomen gaswinning bij Ternaard te weigeren?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven wat valt onder het juridische begrip «mijnbouwwerk»?
Een mijnbouwwerk is, zoals vastgelegd in artikel 1 van de Mijnbouwwet:
Artikel 2 van het Mijnbouwbesluit geeft een nadere invulling van wat een mijnbouwwerk is.
Erkent u dat de verplichtingen van het UNESCO Werelderfgoed ook van toepassing zijn op besluitvorming rondom gaswinning bij Ternaard omdat de mijnbouwwerken grotendeels onder de Waddenzee zouden komen te liggen?
De verplichting tot toetsing op effecten op de Outstanding Universal Value (OUV) is indirect van toepassing. Werelderfgoed (World Heritage) is cultureel of natuurlijk erfgoed dat wordt beschouwd als onvervangbaar, uniek en eigendom van de hele wereld. Het zijn monumenten, natuurgebieden, gebouwen en landschappen van uitzonderlijke en universele waarde (de Outstanding Universal Value of OUV). De waarden van het Werelderfgoedgebied Waddenzee overlappen voor een groot deel met de beschermde waarden van het Natura 2000-gebied Waddenzee.
De voorgenomen gaswinning vindt plaats vanaf land. Omdat het gasveld Ternaard grotendeels onder Natura 2000-gebied de Waddenzee ligt, kan dit effecten hebben op de natuurwaarden van de Waddenzee. Als een plan of project mogelijk significant negatieve effecten heeft op de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, geldt hiervoor een vergunningplicht op grond van de Wnb. Er kan alleen een Wnb-vergunning worden verleend als het project afzonderlijk of in combinatie met andere projecten geen significante gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Dat is zo ook uitgelegd aan UNESCO bij de aanvraag tot de status van Werelderfgoed.
Deelt u de mening dat u, als beheerder van het Werelderfgoed Waddenzee, daarom ook de verplichtingen uit het UNESCO Werelderfgoedverdrag moet betrekken bij het besluit over een natuurvergunning voor Ternaard?
Het UNESCO Werelderfgoedverdrag stelt verschillende voorwaarden voor de siteholder, waaronder een goede bescherming van de Outstanding Universal Value. Als siteholder van het Werelderfgoed Waddenzee is de Minister voor Natuur en Stikstof verantwoordelijk voor het invullen van de verplichtingen uit het UNESCO Werelderfgoedverdrag. Naast beheerder van deze status, is de Minister voor Natuur en Stikstof ook het bevoegd gezag voor het beoordelen van vergunningaanvragen in het kader van de Wnb. Als bevoegd gezag toetst de Minister vergunningaanvragen aan de vereisten die in de wet zijn opgenomen.
Er is sprake van overlap tussen beide rollen omdat de Outstanding Universal Value wordt beschermd via de voorwaarden zoals opgenomen in Wnb. De waarden van het Werelderfgoedgebied Waddenzee overlappen daarnaast grotendeels met de beschermde waarden van het Natura 2000-gebied Waddenzee. Eén van de criteria voor het ontvangen van de status van Werelderfgoed is het goed beschermen van de kernwaarden van het Werelderfgoedgebied. In het nominatiedossier, waarin de Waddenzee bij UNESCO is voorgedragen als Werelderfgoed, is hier uitgebreid op ingegaan. De Waddenzee is voorgedragen met alle activiteiten die op moment van nominatie (2009) al plaatsvonden, inclusief de gaswinning onder de Waddenzee op basis van het «hand aan de kraan»-principe. Voor die activiteiten is ook toestemming verleend.
In het nominatiedossier bij inschrijving op de Werelderfgoedlijst is aangegeven dat nieuwe boringen binnen het Werelderfgoedgebied niet zijn toegestaan. Daarbuiten, zoals in het geval van de voorgenomen gaswinning Ternaard, zijn nieuwe boringen wél toegestaan, mits dit het UNESCO Werelderfgoed niet aantast en significante gevolgen op de betrokken Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Ook is in het nominatiedossier beschreven dat juridische toetsing van nieuwe activiteiten zou plaatsvinden op basis van de Mijnbouwwet en de Wnb.
Kunt u reflecteren op de ontstane situatie, waarbij andere UNESCO-landen zich genoodzaakt hebben gevoeld om zich uit te spreken tegen de mijnbouwactiviteiten op de Waddenzee, omdat Nederland zelf onvoldoende oog lijkt te hebben voor de natuurwaarden daar?
Werelderfgoed is uniek en onvervangbaar in de wereld. Waarom de Waddenzee zo bijzonder is, is vastgelegd in de OUV of uitzonderlijke universele waarde van de Waddenzee. Die status betekent ook dat Nederland verantwoording moet afleggen aan de internationale gemeenschap over het behoud van die uitzonderlijke universele waarde. Wij waarderen het dat UNESCO meekijkt en ons stimuleert om nog beter op de Waddenzee te passen.
Zoals gemeld kan alleen toestemming worden verleend voor mijnbouwactiviteiten als wordt voldaan aan vereisten uit de Mijnbouwwet en de Wnb. Als een plan of project mogelijk significant negatieve effecten heeft op de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, geldt hiervoor een vergunningplicht op grond van de Wnb. Er kan alleen een Wnb-vergunning worden afgegeven als op basis van een passende beoordeling geconcludeerd kan worden dat de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet worden aangetast. Vanuit de Mijnbouwwet wordt beoordeeld wat de effecten op natuur en milieu zijn van de gaswinning in de diepe ondergrond. Instemming met de gaswinning kan worden geweigerd in verband met nadelige gevolgen voor natuur of milieu.
UNESCO verzoekt om uiterlijk 1 februari 2024 met een reactie te komen in de vorm van een zogenaamde State of Conservation. Nederland wordt samen met Duitsland en Denemarken aangesproken aangezien de drie landen de status van Werelderfgoed delen. Overleg vindt nu plaats met beide landen. De Minister voor Natuur en Stikstof zal voor 1 februari 2024 met een reactie komen op de verschillende verzoeken van UNESCO.
Op welke manier worden de verplichtingen uit het Werelderfgoedverdrag en het recente besluit van de UNESCO, dat een besluit om gaswinning bij Ternaard toe te staan van invloed is op de werelderfgoedstatus, meegewogen bij het besluiten over een natuurvergunning? Hoe zal deze belangenafweging inzichtelijk worden gemaakt?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid een analyse te maken van de Outstanding Universal Value, waarom het Unesco-rapport duidelijk vraagt?
Ja. De Minister voor Natuur en Stikstof is bereid om de kwaliteit van de Outstanding Universal Value in beeld te brengen. Dat doet de Minister bij voorkeur samen met Duitsland en Denemarken omdat we de status van Unesco werelderfgoed delen met hen. Dit wordt meegenomen in de lopende gesprekken.
Deelt u de mening van de UNESCO dat een samenhangend beeld nodig is van de cumulatieve effecten voor de natuur van de verschillende mijnbouwactiviteiten die plaatsvinden op de Waddenzee? Zo ja, bent u bereid alle cumulatieve effecten in kaart te brengen alvorens een conclusie te trekken over de aangevraagde vergunning?
De Minister voor Natuur en Stikstof is bereid om alle cumulatieve effecten in kaart te brengen. Overleg vindt nu plaats met Denemarken en Duitsland over de vervolgstappen. Daarnaast zal conform de afspraken in het Waddengebied ook het Omgevingsberaad Waddengebied en de Beheerautoriteit Waddenzee worden gevraagd om te reageren op voorgenomen reactie aan Unesco. Als onderdeel van de Agenda voor het Waddengebied 2050 werkt de Minister voor Natuur en Stikstof ook aan het beleidskader natuur Waddenzee om de (cumulatieve) impact van het gebruik op de natuur van de Waddenzee terug te brengen en zo de balans tussen ecologie en economie te herstellen.
De Minister voor Natuur en Stikstof kan dat proces niet afwachten alvorens een conclusie te trekken over de aangevraagde Wnb-vergunning. Daarbij komt dat eventueel nog te ontwikkelen beleid en/of regelgeving niet van toepassing is op de afhandeling van lopende vergunningaanvragen. Overigens vindt in het kader van natuurvergunningverlening ook een toetsing op cumulatieve effecten plaats; zie het antwoord op vraag 6. Een dergelijke toets heeft ook plaatsgevonden voor de voorgenomen gaswinning Ternaard. De Minister voor Natuur en Stikstof kan op dit moment niet vooruitlopen op de formele besluitvorming.
Hoe beoordeelt u het recente in gebreke stellen van de Ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en Economische Zaken en Klimaat (EZK) door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) vanwege het uitblijven van een beslissing over het vergunnen van de mogelijke gaswinning bij Ternaard? Deelt u de mening dat deze stap van de NAM getuigt van weinig omgevingssensitiviteit en weinig hoop biedt voor de zorgvuldigheid waarmee de NAM zou moeten omgaan met de natuur en het lokale draagvlak?
Wij betreuren het dat de NAM zich genoodzaakt voelt om deze stap te zetten. De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat deelt de mening over het gebrek aan omgevingssensitiviteit bij de NAM en zorgvuldig omgaan met lokaal draagvlak.
De aanvraag voor een natuurvergunning voor de voorgenomen gaswinning Ternaard wordt getoetst aan de vereisten uit de Wnb en kan dus alleen plaatsvinden als er zorgvuldig met de natuur wordt omgegaan. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat boren in een UNESCO-werelderfgoedgebied op zijn minst vereist dat een bedrijf een grote mate van maatschappelijke verantwoordelijkheidszin toont?
Ja.
Deelt u de mening dat de NAM in het Groningen-dossier niet haar maatschappelijke verantwoordelijkheidszin heeft genomen?
Het kabinet deelt deze mening. Dat wordt ook bevestigd door de parlementaire enquête «Groningers boven gas».
Deelt u de mening dat de NAM in reactie op de parlementaire enquête nog niets heeft gedaan en daarmee geen maatschappelijke verantwoordelijkheidszin toont?
Het kabinet deelt deze mening. Tot op heden heeft NAM nog geen opvolging gegeven aan de conclusies van de parlementaire enquête.
Deelt u de mening dat, zoals in de Mijnbouwwet (Mbw) wordt genoemd, een gebrek aan verantwoordelijkheidszin (waaronder ook maatschappelijke verantwoordelijkheidszin), waarvan de aanvrager blijk heeft gegeven bij activiteiten onder een eerdere vergunning een grond is om een vergunning te weigeren?
Artikel 9 van de Mijnbouwwet biedt de mogelijkheid een vergunning voor het opsporen en of winnen van delfstoffen te weigeren op grond van een gebrek aan (maatschappelijke) verantwoordelijkheidszin. De NAM vraagt voor de voorgenomen gaswinning bij Ternaard nu instemming op een winningsplan. Het winningsplan waarvoor nu instemming wordt gevraagd, is gebaseerd op artikel 34 van de Mijnbouwwet en heeft andere weigeringsgronden dan de in artikel 9 van de Mijnbouwwet genoemde winningsvergunning. Deze weigeringsgrond is dus niet van toepassing wanneer het instemming op een winningsplan betreft, maar op instemming met een winningsvergunning. De winningsvergunning voor het gebied (Winningsvergunning Noord Friesland) – waarin het gasveld Ternaard ligt – is al eerder verleend. NAM heeft sinds 1969 de winningsvergunning Noord-Friesland, op basis waarvan zij gas kan winnen en opsporen in het gebied waarvoor de winningsvergunning geldt, waaronder het gasvoorkomen Ternaard.
Deelt u de mening dat, alle hiervoor genoemde bezwaren in overweging nemende, de vergunning voor Ternaard moet worden geweigerd? Zo niet, op basis waarvan bent u overtuigd van de maatschappelijke verantwoordelijkheidszin van de NAM?
Wij kunnen niet vooruit lopen op de nog te nemen besluiten die nodig zijn om gas te kunnen winnen bij Ternaard.
Kunt u garanderen dat zowel de impact van de voorgenomen gaswinning bij Ternaard als de cumulatieve effecten van de winning op de Waddenzee geen negatieve effecten zullen hebben op de natuurwaarde van de Waddenzee
Er kan alleen een Wnb-vergunning worden verleend als het project afzonderlijk of in combinatie met andere projecten geen significante gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Dit geldt dus ook voor Natura 2000-gebied de Waddenzee. De nadelige gevolgen voor natuur en milieu worden ook afgewogen binnen de kaders van de Mijnbouwwet bij de beoordeling van het ingediende winningsplan.
Kunt u volledig garanderen, zonder enige vorm van twijfel, dat er nooit of te nimmer een lekkage zal plaatsvinden van de buizen die worden geboord onder de Waddenzee?
De garantie dat er nooit of te nimmer een lekkage zal plaatsvinden in een van de buizen onder de Waddenzee, kunnen wij niet geven. De wet- en regelgeving is erop gericht om een lekkage te voorkomen en, indien deze toch plaatsvindt, de effecten zo sterk mogelijk te beperken. Het is de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat om binnen het kader van de wet mijnbouwvergunningen te verlenen. Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) ziet er op toe dat de mijnbouwbedrijven de wet- en regelgeving naleven.
Een van de veiligheidsmaatregelen bij gasputten is het gebruiken van een dubbele verbuizing. Met deze dubbele barrière wordt het gas in de put gescheiden gehouden van de omliggende bodemlagen. Dichter naar het oppervlakte neemt het aantal verbuizingen toe. Vanaf 500 meter tot vlak onder het oppervlakte bestaat de put uit vijf buizen. Om de buitenste buis zit cement. Op deze wijze wordt er voor gezorgd dat er meerdere barrières zijn die lekkages naar de omliggende lagen kunnen voorkomen.
Het is de verantwoordelijkheid van het mijnbouwbedrijf om installaties en putten op een veilige wijze te exploiteren. Hiertoe behoort tevens het vergaren van voldoende informatie ten behoeve van onderhoud, reparaties en in dit geval ook het voorkomen en eventueel opvolgen van incidenten. Iedere mijnbouwonderneming in Nederland moet daarom een deugdelijk putintegriteit zorgsysteem hebben. Gasputten worden middels dit zorgsysteem gemonitord en onderhouden. Bij afwijkingen van de normen kan tijdig en, indien nodig, direct worden ingegrepen om te voorkomen dat er een lekkage bij de put optreedt. SodM houdt ook toezicht op het putintegriteit zorgsysteem.
Op welke manier neemt u de zwaarwegende natuurbelangen mee in het te nemen besluit? Bent u bereid om alle juridische mogelijkheden aan te grijpen om het afgeven van de natuurvergunning voor de voorgenomen gaswinning bij Ternaard te voorkomen?
Er kan alleen een Wnb-vergunning worden verleend als het project afzonderlijk of in combinatie met andere projecten geen significante gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Dit geldt dus ook voor Natura 2000-gebied de Waddenzee.
Deelt u de mening dat, zelfs al zou het zo zijn dat natuurlijke kenmerken niet worden aangetast door eventueel gaswinning bij Ternaard, een natuurvergunning kan worden geweigerd vanwege zwaarwegende natuurbelangen?
Een weigering van een vergunning zonder dat er sprake is van significante gevolgen, vergt een bijzondere motivering aan de hand van vastgesteld (natuur)beleid op basis van artikel 1.10 van de Wnb. Deze zwaarwegende natuurbelangen moeten wel vastliggen in beleid of regelgeving. Het huidige beleid zoals vastgelegd in de structuurvisie Waddenzee en Agenda voor het Waddengebied 2050, voorziet niet in de mogelijkheid voor de Minister voor Natuur en Stikstof om een strenger toetsingskader te hanteren. Zowel in de structuurvisie Waddenzee als in de Agenda voor Waddengebied 2050 is opgenomen dat gaswinning vanuit kleine velden onder de Waddenzee vanaf een locatie op het land mogelijk is met toepassing van het «hand-aan-de-kraan»-principe. In het coalitieakkoord van 15 december 2021 is bepaald dat geen nieuwe vergunningen meer worden verleend voor gaswinning onder de Waddenzee, maar dat de procedure ten aanzien van de voorgenomen gaswinning Ternaard nog wordt afgerond.
Deelt u de mening van het juridische advies van de Waddenacademie dat wanneer door aanvullend onderzoek het wegnemen van de tekortkomingen van de hand-aan-de-kraan-aanpak en andere maatregelen het oordeel zou ontstaan dat redelijke wetenschappelijke twijfel over significante gevolgen kan worden uitgesloten, dan, gelet op de formulering van artikel 2.7, derde lid van de Wet natuurbescherming, moet worden aangenomen dat de Minister van LNV alsnog de mogelijkheid heeft om een vergunning te weigeren?
Wij kunnen nu niet vooruit lopen op een formeel besluit op de vergunningaanvraag. Wij delen de mening dat – als de Minister voor Natuur en Stikstof constateert dat significante gevolgen kunnen worden uitgesloten – het mogelijk is om te regelen dat nieuwe gaswinning onder de Natura 2000-gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone wordt verboden. Een dergelijke weigering staat op grond van toepassing van nieuw – tijdens de besluitvormingsprocedure – tot stand gekomen beleid op gespannen voet met de rechtszekerheid. De consequentie van toepassing van gewijzigd beleid kan dan volgens de landsadvocaat2 zijn dat door de Staat moet worden voorzien in nadeelcompensatie of schadevergoeding voor de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM).
Deelt u de mening dat normaliter ontwerp-vergunningen ter inzage worden gelegd nadat de Commissie voor de milieu-effectrapportage de gelegenheid heeft gehad om over het Milieueffectrapportage (m.e.r.) advies uit te brengen?
Nee, de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat deelt die mening niet.
Met de Rijkscoördinatieregeling wordt beoogd besluitvormingsprocessen te stroomlijnen en één periode te creëren waarin de ontwerpbesluiten en het MER ter inzage liggen en er zienswijzen kunnen worden ingediend. Artikel 7 32 lid 1 Wet milieubeheer schrijft voor dat zienswijzen over het milieueffectrapport gelijktijdig met de ontwerpbesluiten naar voren kunnen worden gebracht. De Commissie m.e.r. betrekt de zienswijzen die betrekking hebben op het MER vervolgens bij haar advies3. Wetgeving en staande praktijk zijn dus zo ingericht dat de zienswijzenprocedure vooraf gaat aan het advies van de Commissie m.e.r., zodat de Commissie de zienswijzen die zijn ingediend over het MER kan betrekken bij de advisering. De werkwijze in het geval van Ternaard is niet alleen bij deze procedure gevolgd maar is de staande werkwijze voor alle besluiten waarbij een MER wordt opgesteld.
Klopt het dat dit niet het geval is geweest bij de terinzagelegging voor de vergunning voor Ternaard? Zo ja, deelt u de mening dat hierdoor de ontwerpen opnieuw ter inzage moeten worden gelegd?
Zie het antwoord op vraag 23.
Op welke manier zullen omwonenden worden meegenomen in de recente ontwikkelingen en op welke manier zullen zij een stem krijgen in het vervolgproces?
Omwonenden worden geïnformeerd over recente ontwikkelingen via de regionale overheden en via het netwerk van het omgevingsproces. De besluitvorming over Ternaard wordt nu eerst afgerond. Het hangt van het besluit af hoe omwonenden vervolgens hun stem kunnen laten horen.
Wanneer zal de nieuwe Mijnbouwwet aan de Kamer worden voorgelegd, waarin wordt vastgelegd dat er geen nieuwe vergunningen zullen worden afgegeven voor mijnbouw op/onder de Waddenzee, met uitzondering van vergunningen voor onderhoud en verwijdering)?
Op 15 juni 2023 heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat uw Kamer geïnformeerd over de planning rondom de uitwerking van de contourennota voor aanpassing van de Mijnbouwwet (Kamerstuk 32 849, nr. 229). De daarin aangekondigde internetconsultatie over de AmvB uitsluiten nieuwe winning van delfstoffen onder het Waddengebied is gestart op 14 juli jl. en is op 25 augustus jl. geëindigd. Op dit moment is de Staatssecretaris alle reacties aan het verwerken en de benodigde toetsen in het kader van nieuwe regelgeving aan het uitvoeren voordat de wijziging verder in procedure kan worden gebracht.
Kunt u, uitgaande van de uitgangspunten van de contourennota mijnbouw, aangeven wanneer er een einde komt aan de bestaande winning op de Waddenzee? Kunt u dit specificeren per winningslocatie?
De winningsplannen voor bestaande gaswinning onder de Waddenzee vanaf land lopen in 2035 af. De zoutwinning (vanuit Harlingen) die momenteel plaatsvindt onder de Waddenzee kent een einddatum in 2052. In het eerder gepubliceerde ontwerpbesluit Ternaard werd uitgegaan van een einddatum van 31 december 2037.
Zoals in de contourennota aangegeven, is het voornemen van dit kabinet om de winningen na afloop van de bestaande winningsplannen te beëindigen en ook geen nieuwe winningen meer toe te staan. Met de hiervoor genoemde AMvB wordt beoogd dit te bereiken. Deze AMvB is afgelopen zomer in consultatie gegaan. In deze consultatieversie is aangegeven dat het waarschijnlijk is dat de delfstoffenwinning in de Waddenzee rond 2035 moet stoppen vanwege de versnelde zeespiegelstijging. Hiervoor zal dan het instrument Hand aan de Kraan worden benut.
Het bericht ‘NAM dient winningsplan Norg in’ |
|
Sandra Beckerman |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
Kent u het bericht «NAM dient winningsplan Norg in»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) gewenste winning van kussengas ongewenst, ongepast en onacceptabel is en voorkomen dient te worden?
In het Commissiedebat van 28 september met uw Kamer heb ik aangegeven niet enthousiast te staan tegenover het idee om, zo vlakbij het Groningen gasveld, gas uit een ander gasveld te gaan winnen. De situatie is dat de NAM reeds een winningsvergunning voor UGS Norg heeft. De NAM kan op basis daarvan een winningsplan voor het kussengas ter instemming aan mij voorleggen en heeft dat inmiddels gedaan, omdat zij de opslag wil beëindigen en wil beginnen met het winnen van het kussengas van het gasveld. In mijn rol als vergunningverlener ben ik verplicht dit winningsplan te beoordelen volgens de procedure uit de Mijnbouwwet. In deze procedure zal ik het voorstel kritisch toetsen aan de eisen uit de wet. Daarbij win ik advies in van onder andere SodM, de Mijnraad en regionale overheden. Voor alles geldt dat ik enkel zal toestaan om op termijn het kussengas te winnen als dit veilig kan.
Daarnaast geldt dat ACM in een afzonderlijke procedure moet beoordelen of de stopzetting van de gasopslaginstallatie de gasleveringszekerheid op Unie- of nationaal niveau niet vermindert.
Naar verwachting zullen al deze elementen samen anderhalf tot twee jaar in beslag nemen.
Deelt u de mening dat het uitermate wrang is dat na alle beloftes over het stoppen van de gaswinning uit het Groningenveld per één oktober en nu én geen sprake is van een definitieve stop én er bovendien de dreiging is van (nieuwe) gaswinning uit kleine velden?
Het kabinet heeft de belofte gedaan ernaar te zullen streven de gaswinning uit het Groningenveld in 2023 of in 2024 definitief te stoppen en komt die belofte na. Bij het antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven niet enthousiast te zijn over winning van kussengas zo vlakbij het Groningenveld.
Zo ja, welke stappen gaat u zetten om de gaswinning bij Norg te voorkomen?
Ik zal het winningsplan beoordelen op basis van de criteria uit de Mijnbouwwet, onder andere ten aanzien van de veiligheid voor omwonenden en zal de regionale overheden, de Mijnraad en SodM daarbij om advies vragen. Deze procedure zal een geruime tijd in beslag nemen. Op basis van deze adviezen neemt de Staatssecretaris Mijnbouw een beslissing over instemming met de voorgenomen gaswinning bij Norg.
Daarnaast geldt dat, op grond van EU-regelgeving2, ACM moet beoordelen of het beëindigen van een opslag niet leidt tot een vermindering van de gasleveringszekerheid op Unie- of nationaal niveau.
Bent u, met ons, van mening dat omwonenden van de gasopslag Norg (Langelo) al jarenlang een grote bijdrage hebben geleverd aan zowel het voorzien van Nederland van gas als het zorgen dat de gaswinning uit het Groningenveld versneld kon worden afgebouwd?
De inzet van de gasopslag Norg heeft inderdaad jarenlang een grote bijdrage geleverd aan het voorzien van Nederland van gas en de versnelde afbouw van de gaswinning uit het Groningenveld, net als de andere gasopslagen in Nederland. De NAM is met de gemeente Westerkwartier en Noordenveld en EZK een omgevingstraject gestart. Hierin wordt het gesprek met omwonenden aangegaan over de gasopslag. Ik zal uw Kamer informeren wanneer er afspraken gemaakt worden op het gebied van monitoring, conform motie Beckerman Nijboer van 6 juli 2022 (Kamerstuk 33 529, nr. 1047).
Deelt u de mening dat omwonenden van de gasopslag lang niet gehoord zijn en bleven zitten met schade die niet vergoed werd? Wordt deze schade inmiddels wel goed vergoed? Hoeveel schades zijn er inmiddels vergoed?
Ja, ik onderschrijf dat sinds mei 2017 een deel van de omwonenden van de gasopslag met schade te maken heeft gehad met onduidelijkheid over de schadeafhandeling waar zij een beroep op kunnen doen.
Per 1 januari 2024 wordt met een algemene maatregel van bestuur het effectgebied van de gaswinning in Groningen en de gasopslag in Norg weer hersteld naar de oorspronkelijke afbakening en wordt daar weer het wettelijk bewijsvermoeden onverkort toegepast. Het bewijsvermoeden zal tevens van toepassing zijn op de gasopslag bij Grijpskerk.
Het IMG vergoedt momenteel geen schades nabij de gasopslag bij Norg, met de uitzondering van twaalf kleinere deelgebieden. De behandeling van de schademeldingen en het vergoeden van deze schades zal na inwerkingtreding meelopen met de gefaseerde invoering van de maatregelen uit Nij Begun.
Klopt het bericht van persbureau Bloomberg dat de NAM de gasopslagen bij Norg en Grijpskerk te koop heeft aangeboden aan de staat?2
Op 13 december 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gesprekken met Shell en ExxonMobil om definitieve afspraken te maken over de financiële afwikkeling van de gaswinning en tegelijk ook over de toekomst van de gasopslagen Norg en Grijpskerk, zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 13 december 2022 (Kamerstuk 33 529, nr. 1105). Als de gesprekken aanleiding geven tot een update zal de Kamer hierover (vertrouwelijk) worden geïnformeerd. Een eventueel akkoord zal voor ondertekening aan de Kamer ter goedkeuring worden voorgelegd.
Zo ja, waarom heeft de staat deze opslagen niet overgenomen? Had daarmee niet veel onrust, zoals nu over de indiening van een winningsplan, voorkomen kunnen worden en bestaande problemen kunnen worden opgelost?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe verhoudt de wens van de NAM om de gasopslagfunctie bij Norg te stoppen zich tot de door het kabinet uitgesproken noodzaak van opslagcapaciteit?
Momenteel zijn er vijf gasopslagen in Nederland: Alkmaar, Bergermeer, Grijpskerk, Norg en Zuidwending. Een zesde gasopslag in Duitsland, UGS Nüttermoor, bedient ook de Nederlandse markt. Deze zes gasopslagen samen hebben bij ongestoord functioneren voldoende opslag- en onttrekkingscapaciteit om op dit moment te voorzien in de belangrijkste functies, namelijk seizoensopslag, pieklevering en het balanceren van het net door marktpartijen.
Het kabinet vindt het belangrijk dat de gasopslagen in Nederland in werking blijven, zolang dit voor het energiesysteem nodig is. Daarom is het belangrijk dat – voordat de gasopslaginstallatie wordt stopgezet – ACM moet concluderen dat het beëindigen van een opslag niet leidt tot een vermindering van de gasleveringszekerheid op Unie- of nationaal niveau.
Wat kan het verlies van opslagcapaciteit betekenen voor de leveringszekerheid van gas en de prijzen van gas in Nederland?
Zoals al opgemerkt, is op dit moment niet aan te geven of instemming wordt verleend aan het ingediende winningsplan. Wat het eventuele verlies van opslagcapaciteit betekent wordt onderzocht. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Hoe verhoudt zich de door de NAM gewenste gaswinning bij Norg tot het in 2021 door het kabinet met Shell en Exxon gesloten Norg-akkoord en de arbitragezaak over de gewijzigde inzet van de gasopslag?
Het winningsplan dat de NAM heeft ingediend houdt rekening met de afspraken in het Norg-akkoord. Het Norg-akkoord is gesloten ten behoeve van de versnelde sluiting van het Groningenveld.
Kent u het bericht «creatief idee» van Shell voor gasopslag, goed voor miljardenwinst, op kosten van de staat?3
Ja.
Klopt het dat door het Norg-akkoord en de uitkomst van de arbitragezaak de gasopslag bij Norg heeft gezorgd voor grote extra inkomsten voor de NAM (Shell en Exxon)?
Nee. Het Norg-akkoord zorgt ervoor dat NAM in dezelfde positie wordt gesteld als wanneer het akkoord niet zou zijn gesloten. Daarbij is aangesloten bij het nadeelcompensatierecht. De gewijzigde inzet van de gasopslag Norg leidt ertoe dat de gaswinning uit het Groningenveld sneller kan worden afgebouwd. Zoals vermeld in de Kamerbrief van 1 april 2022 (Kamerstuk 33 529 nr. 997) heeft een onafhankelijke arbiter op 22 maart 2022 uitspraak gedaan over de berekeningswijze van een marktconforme vergoeding die de Staat zal betalen aan de eigenaar van Norg, de NAM. Dit is een vergoeding voor de inkoop van het gas dat wordt opgeslagen in Norg, de transportkosten, extra kosten door het wegvallen van flexibele inzet van Norg en gederfde inkomsten in de verkoop van gas. Het belangrijkste onderdeel van de vergoeding bestaat uit de inkoop van hoogcalorisch gas. Zonder het Norg-akkoord zou gas uit het Groningenveld opgeslagen worden in Norg. In plaats daarvan is hoogcalorisch gas ingekocht en geconverteerd naar laagcalorisch gas. De Staat betaalt daarom een vergoeding, om het nadeel van de NAM te compenseren. Het Norg-akkoord leidt dus niet tot extra inkomsten voor de NAM.
Is met dit akkoord het ondernemersrisico van de NAM afgewenteld op de staat?
Nee. Zie het antwoord op vraag 11.
Hoeveel heeft de NAM in totaal verdiend aan het Norg-akkoord? Hoeveel heeft de staat aan dividend en vennootschapsbelasting ontvangen vanwege het Norg-akkoord? Is er een schatting hoeveel dat de komende jaren zal zijn?
De vergoeding wordt door de NAM en EBN verantwoord op hun resultatenrekeningen en komt grotendeels terug bij de overheid. De door NAM ontvangen btw wordt door NAM weer geheel afgedragen aan de Staat. De vergoeding bedraagt naar verwachting exclusief btw circa 9 miljard euro over de jaren 2019 t/m 2024, waarvan circa 6,4 miljard euro cumulatief terugvloeit naar de Staat. EBN ontvangt namelijk 40% van de vergoeding, waarover zij onder meer solidariteitsbijdrage (in 2022) en vennootschapsbelasting afdragen aan de Staat. Omdat EBN een 100% beleidsdeelneming is, staat de volledige winst ter beschikking aan de Staat. Over het deel dat NAM ontvangt wordt winstaandeel, vennootschapsbelasting en solidariteitsheffing (in 2022) betaald. De Norg-vergoeding wordt niet anders behandeld dan andere inkomsten van NAM.
Aangezien de vergoeding afhankelijk is van de gasprijs van het betreffende gasjaar is de raming nog met veel onzekerheid omgeven. In de miljoenennota voor 2023 is een overzicht voor de komende jaren gegeven.
Hoe verhoudt zich het ingediende winningsplan door de NAM tot de voorgenomen verkoop van (delen van de) NAM?
Zie het antwoord op vraag 7.
Deelt u de mening dat we de problemen die door gaswinning zijn veroorzaakt eindelijk moeten oplossen en niet moeten verplaatsen?
Ja.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het eerstvolgende commissiedebat Mijnbouw/Groningen op 28 september 2023?
Dit is niet gelukt voor het debat van 28 september.
De winning van gas in Norg door NAM |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «NAM: stop gasopslag Norg»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) het zogenaamde kussengas in Norg wil winnen?
Ja, dat klopt. De NAM heeft een winningsplan ingediend omdat zij de opslag wil beëindigen en wil beginnen het kussengas uit de gasopslag te winnen.
Wat vindt u van de idee om de gasopslag Norg leeg te pompen?
Ik vind dit ingewikkeld en ik snap de zorgen die er in de omgeving zijn. De situatie is dat NAM een vergunning heeft om het kussengas van gasopslag Norg te produceren. Om daadwerkelijk te kunnen beginnen met het winnen van het kussengas heeft de NAM daarnaast echter een instemmingsbesluit van mij nodig op het ingediende winningsplan. In die rol als vergunningverlener zal ik het plan toetsen op grond van de vereisten uit de Mijnbouwwet, waaronder de veiligheid voor omwonenden. Daarbij win ik advies in van onder andere toezichthouder SodM, de Mijnraad en regionale overheden.
Daarnaast moet ACM in een afzonderlijke procedure beoordelen of de stopzetting van de gasopslaginstallatie de gasleveringszekerheid op Unie- of nationaal niveau niet vermindert.2 Dit zijn voorwaarden die geborgd moeten zijn voor er op termijn kussengas gewonnen kan worden.
Naar verwachting zullen al deze elementen samen anderhalf tot twee jaar in beslag nemen.
Deelt u de zorg dat juist de opslag bedoeld is om een reserve te hebben als er weer gasnood uitbreekt? Bent u bereid dit belang zwaar te wegen en ervoor te zorgen dat NAM niet gaat winnen?
Naast het veiligheidsbelang van de omwonenden weegt het leveringszekerheidsbelang mee. EU-regelgeving schrijft voor dat eigenaren van ondergrondse gasopslaginstallaties hun activiteiten alleen mogen stopzetten indien de certificeringsinstantie (in Nederland is dat ACM) tot de conclusie komt dat een dergelijke stopzetting de gasleveringszekerheid op Unie- of nationaal niveau niet vermindert. De ACM dient hiertoe een beoordeling uit te voeren en daarbij rekening te houden met een advies van het ENTSB (het Europees netwerk voor transmissiesysteembeheerders) voor gas.3
Snapt u de zorgen van de inwoners van Norg en Langelo en gemeente Noordenveld? Kunt u hen geruststellen en zeggen dat dit plan van tafel gaat?
Ik begrijp de zorgen van de bewoners in de buurt van de gasopslag. Belangrijk voor deze bewoners is te weten dat ik alleen toestemming zal geven om het kussengas te winnen als dit veilig kan voor de inwoners. Tevens moet de leveringszekerheid geborgd blijven. Naast veiligheid spelen mogelijk ook andere zorgen. Juist hierom is de NAM samen met de gemeenten Westerkwartier en Noordenveld en EZK een omgevingstraject gestart, waar er ruimte is voor bewoners om deze zorgen op tafel te leggen en gekeken kan worden hoe deze geadresseerd kunnen worden.
Begrijpt u ook niet dat NAM hier weer kiest voor het platte financiële voordeel in plaats van rust en zekerheid voor inwoners in het Noorden en leveringszekerheid voor heel Nederland?
Ik had het van meer maatschappelijke verantwoordelijkheid vinden getuigen als NAM even had gewacht met deze vraag. Dat neemt niet weg dat de NAM als private onderneming een winningsplan kan indienen. Dat beoordeel ik vervolgens op de in antwoord 3 en 4 toegelichte wijze.
Het aantal illegaal gehouden dieren in de veehouderij en de daarbij horende stikstofuitstoot |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Behalve de 2.500 al bekende boeren stoten mogelijk duizenden andere agrarische bedrijven óók illegaal stikstof uit»1?
Ja.
Hoeveel veehouders werken momenteel zonder natuurvergunning of met een ontoereikende natuurvergunning, die dat wel nodig hebben? Kunt u dit uitsplitsen naar geverifieerde PAS-melders, onjuiste PAS-melders2, interimmers en eventueel een overige categorie?
Er zijn 2488 PAS-melders die gegevens hebben ingediend zodat ze gelegaliseerd kunnen worden. Die zijn echter nog niet allemaal beoordeeld. Per 1 september waren 2367 dossiers van de 2488 in behandeling, en daarvan is bij 690 verzoeken tot legalisatie is vastgesteld of ze een oplossing krijgen. Voor de overige bedrijven die behoren tot de groep van 2367 vindt de beoordeling op dit moment plaats of is aanvullende informatie nodig om de verificatie te kunnen afronden. Van de 690 meldingen waar is vastgesteld of ze een oplossing krijgen, hebben 317 een negatieve verficatie gekregen. Dat lijkt een relatief hoog aandeel. Maar dat geeft geen goed beeld van de verhoudingen meldingen die wel/niet aan de criteria voldoen. Het is immers sneller te zien of meldingen niet voldoen aan de criteria dan als ze wel voldoen, en de dossiers die niet aan de criteria voldoen, zijn dan ook sneller afgehandeld. Bijvoorbeeld: het is snel te zien als de oorspronkelijke melding meer dan 1 mol betrof, en daarmee meteen niet in aanmerking komt voor legalisatie. Terwijl álle criteria gecheckt moeten zijn om vast te stellen dat een melding wél in aanmerking komt voor legalisatie. 317 van de 2367 bedrijven die zijn gecontroleerd door het betreffend bevoegd gezag, is een aandeel van 13% die niet voldoen aan de criteria. Tot slot hecht ik eraan te benadrukken dat niet gesproken kan worden over onjuiste PAS-meldingen, maar over PAS-meldingen met een negatieve verificatie. In sommige van deze gevallen is toestemmingverlening niet meer nodig, bijvoorbeeld omdat al een vergunning is verleend.
Er is geen lijst van overige activiteiten die geen passende vergunning hebben. Zodoende kan ik u die informatie niet verstrekken.
Indien u hier geen precieze cijfers van kunt geven, waarom niet? Kunt u in dat geval dan een nauwkeurige schatting maken?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 is toegelicht, is het enkel mogelijk om cijfers te verstrekken over de PAS-melders, en niet van overige categorieën bedrijven zonder passende natuurvergunning. Ook niet op basis van een schatting.
Bent u voornemens om, gezien de rijksbrede omvang van de stikstofcrisis, een landelijk systeem op te zetten dat de benodigde en uitgegeven natuurvergunningen registreert? Zo nee, waarom wilt u, als eindverantwoordelijke voor de staat van de natuur, dat overzicht niet hebben?
Ik vind het van belang om een goed overzicht te hebben over waar stikstof neerslaat, van welke bron die stikstof afkomstig is en welke toestemming daarvoor aanwezig is. De eerste twee aspecten zijn op dit moment al goed inzichtelijk door gebruik van het AERIUS-instrumentarium. De provincies geven mij aan dat ze de informatie van het derde aspect – geregistreerde natuurvergunningen – op dit moment niet kunnen verstrekken. Ik deel de zorgen van Kamerlid Vestering over het huidige inzicht in uitgegeven natuurvergunningen. Een beter inzicht in uitgegeven natuurvergunningen zal namelijk bijdragen aan het vinden van effectieve oplossingen. Daarom ben ik in overleg met de provincies over de mogelijkheden om beter zicht te krijgen op uitgegeven natuurvergunningen.
Hoeveel dieren worden er in de Nederlandse veehouderij gehouden zonder dat daar een (juiste) natuurvergunning voor is afgegeven en die dus feitelijk illegaal worden gehouden?
De provincies geven mij aan dat ze deze informatie op dit moment niet kunnen verstrekken aangezien het op dit moment moeilijk te achterhalen is of geregistreerde dieren gehouden worden met een juiste natuurvergunning. Ik ben in overleg met de provincies over de mogelijkheden om beter inzicht te krijgen in het aantal illegaal gehouden dieren zonder een passende natuurvergunning.
Indien u hier geen precieze cijfers van kunt geven, waarom niet? Kunt u in dat geval onderzoek doen om hier wel een antwoord op te geven?
Ik kan u deze cijfers niet verstrekken omdat provincies mij aangeven dat ze deze informatie op dit moment niet kunnen verstrekken. Ik ben in overleg met de provincies over de mogelijkheden om beter inzicht te krijgen in het aantal illegaal gehouden dieren zonder een passende natuurvergunning.
Hoeveel stikstofuitstoot veroorzaken deze illegaal gehouden dieren in de veehouderij in totaal? Welk percentage van de totale uitstoot is dat?
De provincies geven mij aan dat ze deze informatie op dit moment niet kunnen verstrekken aangezien niet vergunde dieren (en dus de bijbehorende uitstoot) per definitie niet geregistreerd zijn. Ik ben in overleg met de provincies over de mogelijkheden om beter inzicht te krijgen in de stikstofuitstoot van illegaal gehouden dieren zonder een passende natuurvergunning.
Indien u hier geen precieze cijfers van kunt geven, waarom niet? Kunt u in dat geval dan een nauwkeurige schatting maken?
Het RIVM heeft in beeld gebracht wat de geschatte depositie is van de interimmers3. De gemiddelde depositie van deze bedrijven bedraagt naar schatting tussen enkele tientallen en enkele honderden molen.
Hoeveel van de PAS-melders en interim-mers zijn tevens stikstof-piekbelasters? Indien u hier geen precies antwoord op kunt geven, kunt u dit dan uitzoeken?
Er is geen lijst beschikbaar van ondernemingen die voldoen aan de drempelwaarde van de aanpak piekbelasting. Als gevolg daarvan is het niet mogelijk om aan te geven hoeveel van de ondernemingen die voldoen aan de drempelwaarde, PAS-melder of interimmer zijn.
Deelt u het inzicht dat er voor een illegaal opererende veehouderij, die vervolgens ook één van de belangrijkste vervuilers blijkt te zijn op een kwetsbaar natuurgebied, geen toekomst is? Wilt u eerlijk zijn naar veehouders en hen geen beloftes doen voor legalisatie als daar helemaal geen ruimte voor is?
Het is niet mogelijk om generieke uitspraken te doen over het toekomstperspectief van specifieke bedrijven. Als de gebiedsprocessen zijn gestart, nemen alle al dan niet gelegaliseerde bedrijven (waaronder PAS-meldingen) deel aan het gebiedsproces waar bepaald moet worden welke activiteiten op welke manier nog kunnen plaatsvinden. Op basis van de kennis en inzichten die ik heb, schets ik het toekomstperspectief voor de verschillende sectoren zo reëel mogelijk.
Deelt u het inzicht dat handhaven op de vergunning van dergelijke veehouderijen (waarbij ze moeten stoppen of krimpen tot een omvang die past binnen de verleende vergunning) een zeer kosteneffectieve maatregel is om de natuur te beschermen? Bent u voornemens dit te doen?
Zoals ik in de beantwoording van vraag 10 heb toegelicht, wordt in de gebiedsprocessen vastgesteld welke activiteiten op welke manier kunnen plaatsvinden. Daarop vooruitlopen door actief te handhaven doet geen recht aan de complexiteit in de gebieden, zeker niet waar het ondernemers betreft die te goeder trouw hebben gehandeld en door toedoen van de overheid nu geen passende vergunning hebben.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het commissiedebat Stikstof, NPLG en natuur?
Ik heb gepoogd u zo goed mogelijk te informeren, maar helaas kan ik u minder informatie verstrekken dan gehoopt. Desalniettemin heb ik de vragen één voor één beantwoord. Het is helaas niet gelukt de beantwoording voor het genoemde commissiedebat te verzenden.
Aardbevingsschade aan stal en mestkelder |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat boer Peter schade aan zijn mestkelder heeft door aardbevingen, maar dat de overheid een nieuwe stal niet wil betalen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het bizar is dat de overheid niet ruimhartig over de brug komt met het vergoeden van aardbevingsschade? Graag verzoek ik u om een gedetailleerd antwoord.
Door aardbevingen kunnen bestaande scheuren in mestkelders verergeren en ook nieuwe scheuren ontstaan, waardoor grondwater naar binnen lekt en het mestvolume verandert. Veehouders moeten als gevolg hiervan meer mest uitrijden en/of afvoeren. Dit kost veel geld en reparatie is lastig.
Ruimhartigheid is een belangrijk uitgangspunt sinds de kabinetsreactie Nij begun bij het vergoeden van schade2. Dit geldt ook voor de schade aan mestkelders. Bij de beoordeling van schade wordt aangenomen dat de schade in het effectgebied is veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. Het IMG wil deze schade zo snel mogelijk afhandelen met zo min mogelijk gedoe voor de agrariër. De afgelopen jaren bleek dat lastig. Daarom heeft het IMG deze zomer de werkwijze voor de schadeafhandeling van mestkelders aangepast, waardoor sneller en ruimhartig schade aan mestkelders kan worden vastgesteld en afgehandeld.3
Het IMG benadert nu iedere agrariër die een melding heeft gedaan voor een keukentafelgesprek. Doelstelling van de nieuwe werkwijze is om met een snellere en persoonlijkere procedure (drie tot zes maanden) tot een adequate oplossing te komen. Er wordt, in overleg met de agrariër, gekeken naar verschillende mogelijkheden om het probleem op te lossen. Als de mestkelder niet gerepareerd kan worden, dan wordt de agrariër gecompenseerd voor het (vaker) leegmaken van de mestkelder. Deze kosten, de bedrijfsschade, worden vergoed tot het einde van de levensduur van de mestkelder.
Voor de agrariër waarvoor deze regeling toch onvoldoende oplossing biedt, is door het IMG een werkgroep ingesteld. De werkgroep Mestkelders is op 19 oktober jl. van start gegaan. De werkgroep, waar de sector aan deel neemt, buigt zich over complexe situaties bij schade aan mestkelders. Zij bekijken ook of de nieuwe werkwijze van de mestkelderregeling de schadeafhandeling in algemene zin verbetert en waar nog bijstelling nodig is. Tijdens het eerste overleg kwam naar voren dat de mestkelderregeling een positieve start heeft gemaakt met 20 afgeronde zaken.
Deelt u de mening dat het lariekoek is dat een woordvoerder van het door de Staat aangestelde Instituut Mijnbouwschade Gronningen (IMG) heeft gesteld dat er bij het vergoeden van de stal en mestkelder sprake zou zijn van ongeoorloofde staatssteun? Zo ja, wilt u als overheid zo snel mogelijk een nieuwe stal en mestkelder realiseren? Graag verzoek ik u om een gedetailleerd antwoord.
Bij de afhandeling van schade aan lekkende mestkelders moet onder andere gekeken worden naar de nog resterende levensduur van de mestkelder. Als de vergoeding ver uitstijgt boven daadwerkelijk ontstane schade gegeven de nog resterende levensduur, dan zal niet langer sprake zijn van schadevergoeding, maar van subsidiëring. Dat zou gezien kunnen worden als ongeoorloofde staatssteun en zou in strijd zijn met het Europees recht. Een gedupeerde agrariër loopt dan het risico dat de Europese Commissie vraagt om een deel van de uitbetaalde schadevergoeding terug te betalen. Daarom wordt met de nieuwe werkwijze van de mestkelderregeling in overleg met de agrariër gekeken naar een passende oplossing.
Bent u bekend met het feit dat bij de Stichting Boerenbelang Mijnbouwschade vele tientallen meldingen van boeren bekend zijn en dat negen op de tien boeren die zich melden allemaal schade hebben aan hun mestkelder? Graag verzoek ik u om een gedetailleerd antwoord.
Het IMG voert periodiek gesprekken met de sector en maatschappelijke organisaties, waaronder ook de Stichting Boerenbelang Mijnbouwschade. De gevolgen van de schade aan mestkelders heeft effect op de bedrijfsvoering van de agrariër hetgeen naast het vele ongemak, overlast en ook extra werk oplevert.
Met de aanpassing van de mestkelderregeling hoop ik dat er een goede stap gemaakt kan worden in het oplossen van de problematiek. Een goede vinger aan de pols is hier van groot belang. Daartoe is tevens de werkgroep Mestkelders voor ingericht. (zie vraag 2 over de werkgroep Mestkelders).
De koeiensterfte bij de dijk van het Reevediep |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het AD «Hij is de hoop kwijt: boer Jaap verliest 25ste koe en wacht nog steeds op onderzoek»?1
Ik ben bekend met dit bericht.
Bent u op de hoogte van de laatste stand van zaken rondom deze problematiek?
Ja, ik ben op de hoogte van de situatie rond de koeiensterfte op de boerderij van de familie Bos.
De provincie Gelderland heeft opdracht gegeven bodemonderzoek uit te voeren naar het dijklichaam, het oppervlaktewater en het grondwater nabij de percelen van de familie Bos. De familie Bos wil (vooralsnog) geen toestemming verlenen voor onderzoek op de eigen percelen. Doel van het bodemonderzoek is te achterhalen of de toegepaste grond de oorzaak zou kunnen zijn van de koeiensterfte. De resultaten daarvan zijn naar verwachting in november 2023 bekend. Uit dossier onderzoek door RWS over de toegepaste grond blijkt dat de dijk is aangelegd conform de regelgeving, het Besluit bodemkwaliteit.
Is er over deze casus contact tussen de ministeries en het waterschap Drents Overijsselse Delta, dat een onderzoek gaat doen naar de dijk?
Tussen de provincie Gelderland, Rijkswaterstaat, Oldebroek, Kampen, het waterschap Vallei & Veluwe, het waterschap Drentse Overijssel Delta en de provincie Overijssel is er regelmatig en goed overleg.
De provincie Gelderland heeft het voortouw genomen en opdracht gegeven voor een bodemonderzoek naar de kwaliteit van het dijklichaam en grond en oppervlaktewater nabij de percelen van de familie Bos.
Zo ja, hoe verloopt dit contact? Waar zitten eventuele obstakels in het onderzoek?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u, gezien de betreffende boer in het artikel stelt dat «ze bellen om een afspraak te maken, maar ik heb liever dat ze aan het werk gaan», een reflectie geven over waarom het waterschap Drents Overijsselse Delta deze indruk achterlaat bij de boer in kwestie?
De provincie Gelderland heeft contact gezocht met de familie Bos over het uitvoeren van bodemonderzoek. De familie Bos heeft echter besloten hier niet aan mee te werken en geen toestemming te willen geven voor onderzoek op de eigen percelen. Derhalve zal het onderzoek zich alleen richten op de dijken, sloten en percelen aangrenzend aan die van de familie Bos.
Deelt u de mening van bodemexpert Theo Edelman die stelt dat er een gesloten balans moet komen waarbij er een duidelijker beeld moet komen van hoeveel grond is aangevoerd en hoeveel daarvan daadwerkelijk onderzocht is?
Nee, bij de aanleg van de dijk is conform de regelgeving, het Besluit bodemkwaliteit, gehandeld en er is een grondbalans opgesteld. Daarbij is de dijk ingedeeld in vakken en is precies bekend welke partijen grond en de kwaliteit daarvan, zijn toegepast in de dijkvakken.
98,7% van de toegepaste grond in de dijksecties die grenzen aan het terrein van de familie Bos bestaat uit klasse Achtergrondwaarde (AW). Klasse AW mag altijd worden toegepast en is de schoonste klasse die in Nederland aan grond wordt toegekend.
Een kleine fractie, 1,3% van de toegepaste grond, is licht/matig verontreinigd en heeft de klasse Industrie. Deze bevindt zich in de kern van de dijk en is afgedekt door minimaal 0,5 meter klei, zoals voorgeschreven op grond van het Besluit bodemkwaliteit.
Zo ja, welke stappen zullen hier dan uit voortvloeien?
Zie antwoord vraag 6.
Welke pogingen tot samenwerking met de boer zijn «tevergeefs» ondernomen?
De provincie Gelderland heeft contact gezocht met de familie Bos voor het uitvoeren van bodemonderzoek op de percelen in eigendom van de familie Bos.
De berichtgeving van de koeiensterfte is vorig jaar de aanleiding geweest dat de gemeente Oldebroek een aantal keer contact heeft gehad met de familie Bos. Dit is reden geweest voor de gemeente om contact te zoeken met andere overheden voor onderzoek naar de mogelijke oorzaak van de koeiensterfte. Dit voorjaar zijn wederom gesprekken gevoerd vanuit de gemeente Oldebroek met de boer en hebben ook andere partijen zoals dierenartsen, Omgevingsdienst Noord-Veluwe en de omliggende waterschappen diverse gesprekken gehad met de boer en is getracht om tot een gezamenlijk gedragen onderzoek te komen. Dit is uiteindelijk niet gelukt en de familie Bos heeft de medewerking hieraan gestopt. Begin mei 2023 heeft de gemeente Oldebroek opnieuw een bezoek gebracht aan de familie Bos.
Zodra de definitieve resultaten van het bodemonderzoek bekend zijn zullen deze resultaten met de familie Bos worden gedeeld.
Welke informatie is er van de betreffende boer nodig die de specialisten van het waterschap niet hebben?
Tevergeefs is medewerking verzocht van de familie Bos in het onderzoek naar mogelijke locaties waar volgens de familie Bos verontreinigde grond is toegepast. Daarnaast zijn de onderzoeksgegevens van veeartsen niet beschikbaar gesteld. Afhankelijk van de definitieve resultaten van het bodemonderzoek zal bekeken worden of er vervolgstappen nodig zijn om na te gaan wat oorzaken kunnen zijn voor de koeiensterfte. Daarvoor zal de medewerking van de familie Bos nodig zijn.
Welke stappen gaan worden ondernomen om het onderzoek zo snel mogelijk te laten starten?
De provincie Gelderland heeft opdracht gegeven een bodemonderzoek uit te voeren naar het dijklichaam en het oppervlaktewater en grondwater rondom de percelen van de familie Bos. Naar verwachting zal het onderzoek in november 2023 worden afgerond. Zodra de definitieve resultaten van het onderzoek bekend zijn en eventuele vervolgstappen zal ik uw Kamer hierover informeren.
Impregneermiddelen die gebruikt worden in moestuinbakken en plantenbakken |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat impregneermiddel giftig is en niet mag worden geconsumeerd door dier en mens?
Het klopt dat impregneermiddel giftige eigenschappen kan hebben. Ze zijn dan ook niet bedoeld om te worden geconsumeerd door mens en dier. Omdat een impregneermiddel giftige eigenschappen kan hebben, hebben we in de EU een systeem opgezet om biociden (waar sommige impregneermiddelen onder vallen) en de daarin aanwezige actieve stoffen te beoordelen. Dit systeem wordt hieronder verder uitgelegd.
Er zijn verschillende soorten impregneermiddelen op de markt, afhankelijk van de reden om het hout te impregneren. Hout kan bijvoorbeeld worden geïmpregneerd ten behoeve van brandvertraging, om het waterdicht te maken, of om de levensduur te verlengen. Alleen in het laatste geval gaat het om het gebruik van een biocide of om «voorwerpen die zijn behandeld met een biocide» (behandeld voorwerp) in dit geval de planten- en moestuinbakken.
Voor biociden die in de EU op de markt worden gebracht om de levensduur van hout te verlengen, geldt dat de betreffende EU verordening twee stappen vereist voor gebruik is toegestaan. Allereerst moet(en) de werkzame stof(fen) op Europees niveau worden beoordeeld. Vervolgens worden de biocide middelen (actieve stof(fen) met hulpstoffen) beoordeeld voor de toepassingen waar de toelating voor wordt aangevraagd. In Nederland wordt deze toetsing uitgevoerd door het College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Indien de toelating is aangevraagd en verleend voor bijvoorbeeld het impregneren van schuttinghout, dan mag dit hout niet worden gebruikt om kweekbakken van te maken.
Behandelde voorwerpen (kant en klare moestuin- en plantenbakken) mogen alleen op de markt worden gebracht als deze zijn geïmpregneerd met in Europa goedgekeurde werkzame stoffen.
Veel van de door het Ctgb toegelaten houtconserveringsmiddelen bevatten een specifieke waarschuwing op het etiket, bijvoorbeeld dat een middel niet geschikt is om te worden gebruikt op hout dat rechtstreeks in contact kan komen met voedsel (bijvoorbeeld fruitkisten of houten snijplanken), diervoeder en dieren.
Bent u ermee bekend dat er in Nederland een ruim aanbod is van planten- en moestuinbakken die geïmpregneerd hout bevatten?
Nee dat is mij niet bekend.
Wist u dat wanneer planten en voedsel contact hebben met geïmpregneerd hout, zij deze giftige middelen opnemen?
De chemische stoffen uit geïmpregneerd hout kunnen in bepaalde mate vanuit het hout aan de grond worden afgegeven. Voor impregneermiddelen die worden gebruikt voor schuttinghout wordt bijvoorbeeld gekeken naar uitloging naar de grond en naar het effect op het bodemleven en de waterkwaliteit. De middelen worden toegelaten als deze onder andere op deze aspecten als veilig zijn beoordeeld. Of en in welke mate de stoffen uit de grond vervolgens in voedselgewassen worden opgenomen, is mij niet bekend.
Is er ooit in kaart gebracht of onderzocht wat geïmpregneerd hout doet met voedselgewassen? Zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Noch het RIVM, noch de NVWA kent onderzoek waarin de mate van overdracht van stoffen uit geïmpregneerd hout naar gewassen in kaart is gebracht.
Is er ooit onderzocht in welke mate geïmpregneerde moestuinbakken zorgen voor gezondheidsproblemen of het risico daarop? Zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten?
Bij mij is geen onderzoek bekend waarin is gekeken naar (het risico) op gezondheidsproblemen als gevolg van geïmpregneerde moestuinbakken.
Bent u bereid informatie in te winnen en/of een onderzoek uit te voeren als er bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) te weinig duidelijk is over deze kwestie? Zo nee, waarom niet en zo ja, wanneer?
Ja, ik ben bereid om het RIVM te vragen een verkennend onderzoek uit te voeren naar wat er in de internationale literatuur bekend is over de overdracht van stoffen uit geïmpregneerde moestuinbakken via de grond naar planten en naar (het risico op) gezondheidseffecten.
Bent u bereid maatregelen te treffen die de verkoop van geïmpregneerde voedselbakken aan consumenten verbieden, mocht blijken dat geïmpregneerd hout nadelige effecten heeft voor voedsel en dus mens en dier?
Mocht het onderzoek van het RIVM wijzen op onaanvaardbare risico’s voor mens of dier dan moeten uiteraard maatregelen worden genomen.
De stikstofuitstoot van Schiphol |
|
Pieter Omtzigt , Caroline van der Plas (BBB), Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch), Roelof Bisschop (SGP) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Bepalen drempelwaarde piekbelasters-aanpak» van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin een lijst staat met bedrijven uit de sectoren «industrie en energievoorziening» die bovenin de lijst van 3.001 piekbelasters vallen?1
Ja. Dit onderzoek is in opdracht van het Ministerie van LNV uitgevoerd en vormt de basis voor de gekozen drempelwaarde van de aanpak piekbelasting.
Is het u ook opgevallen dat «Schiphol», dat in eerdere lijsten tweede stond, niet op de lijst van 30 grootste piekbelasters in 2019 en 2020 (coronajaar) voorkomt?
De bedrijven uit tabel 2 van voornoemde rapportage zijn alle bedrijven uit de sectoren Industrie en Energievoorziening die in 2019 en/of in 2020 voldoen aan de drempelwaarde. Bedrijven uit de sector Verkeer en Vervoer, waar Schiphol onderdeel van uitmaakt, zijn niet betrokken bij het opstellen van deze tabel.
Bij de eerdere lijst waarnaar verwezen wordt, de top 100 grootste uitstoters van stikstofoxiden, is geen onderscheid gemaakt tussen sectoren.
Valt Schiphol onder de definitie «industrie en energievoorziening», die het RIVM in het rapport hanteert? Kunt u de definitie geven?
Schiphol valt in de Emissieregistratie onder de sector Verkeer en Vervoer en is om die reden niet betrokken bij het opstellen van de tabel met bedrijven uit de sectoren industrie en energievoorziening. Meer informatie over de verdeling in sectoren en bijbehorende definities is te vinden in het methoderapport van de Emissieregistratie2.
Welke andere bedrijven of hubs vallen buiten de definities en zijn dus niet meegenomen in de lijst van grootste piekbelasters?
Tabel 2 uit het onderzoek bevat alleen bedrijven uit de sectoren Industrie en Energie, zoals ingedeeld door de Emissieregistratie. De Emissieregistratie onderscheidt in totaal 14 sectoren waaronder, naast industrie, energie en landbouw bijvoorbeeld ook Verkeer en Vervoer of de Bouw. Omdat de aanpak piekbelasting zich richt op ondernemingen in de landbouw, industrie of energiesector, zijn bedrijven die actief zijn in de overige sectoren geen onderdeel van het RIVM-rapport. Meer informatie over de verdeling in sectoren is te vinden op de website van de Emissieregistratie3. Voor deze andere sectoren worden ook maatregelen getroffen onder andere vanuit de duurzaamheidsopgave. In het kader van het wegverkeer zet het kabinet met een (breed) pakket aan (inter)nationale en lokale maatregelen bijvoorbeeld in op een verdere daling van stikstofemissies in het wegverkeer. Voorbeelden hiervan zijn de voortdurende aanscherping van de Europese emissienormen NOX voor nieuwe voertuigen en Europese CO2 normen voor wegvoertuigen. De industrie moet voldoen aan vergunningeisen of eisen die vastgelegd zijn in algemene regels, gebaseerd op beste beschikbare technieken (BBT). De aanpak piekbelasting voor de industrie is hier aanvullend op. Daarnaast geldt voor een deel van de industrie het Europese emissiehandelssysteem voor broeikasgassen ETS.
Kunt u aangeven hoeveel depositievracht Schiphol had in 2019 en 2020 en met welke twee punten op figuur 1 overeenkomt?
Een exact inzicht in de depositievracht is nu niet beschikbaar. Gezien de omvang van de activiteiten op het terrein van Schiphol en het aantal vliegbewegingen van en naar de luchthaven, is de verwachting dat Schiphol in beide jaren voldoet aan de drempelwaarde van de aanpak piekbelasting.
Klopt het dat Schiphol en het luchtverkeer in het Aerius-model geen enkele depositie op de Veluwe veroorzaken omdat er een afkapgrens is, verder dan 25 kilometer van de bron is er geen depositie meer, en omdat luchtverkeer boven de 900 meter niet meetelt in het Aerius-model?
Dat klopt niet. De maximale rekenafstand van 25 kilometer geldt voor berekening van de depositiebijdrage van een individuele bron of een individueel project. In de totale (landelijke) depositie die het RIVM jaarlijks berekent, worden alle emissiebronnen, ook de luchtvaart, landsdekkend doorgerekend. Dit betekent dat ook de depositiebijdrage van luchtvaart op de Veluwe is berekend. Daarbij worden de emissies van luchtvaart betrokken tot een hoogte van 3.000 meter. Daaraan liggen inhoudelijke argumenten ten grondslag die zijn toegelicht op de website van het RIVM4. Het RIVM kalibreert de totale berekende deposities aan de hand van metingen. Deze kalibratie betekent dat de beperkte deposities die afkomstig zijn van emissies boven de 3.000 voet, zijn verdisconteerd in de totale deposities die RIVM rapporteert.
Ik hecht eraan te benadrukken dat het vliegverkeer van en naar Nederlandse luchthavens dat hoger vliegt dan 3.000 voet relatief beperkt bijdraagt aan de totale stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Uit een rapport van de Commissie m.e.r. en het RIVM5 volgt dat deze bijdrage gemiddeld over Nederland ongeveer 0,01% bedraagt. Meer uitgebreide informatie over de bijdrage van de luchtvaart aan de totale stikstofdeposities is te vinden in de factsheet Luchtvaart en stikstof6. De feiten en cijfers in deze factsheet zijn geverifieerd door het RIVM.
Kent u de berekeningen dat tussen de 70 en 92 procent van de stikstofdepositie van de luchtvaart wereldwijd en in Nederland dus buiten de modellen blijft?2
Ja, ik ben bekend met de studie. In deze studie van de TU Delft is de bijdrage van de luchtvaart aan de stikstofdeposities in beeld gebracht, waarbij onderscheid is gemaakt tussen de depositiebijdrage van wereldwijde emissies in de LTO-cyclus (Landing Take-Off) en de emissies buiten de LTO-cyclus (cruise)8.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 betrekt RIVM in de berekeningen de emissies van vliegverkeer binnen de LTO-cyclus tot een hoogte van 3000 voet. Dit betekent niet dat de bijdrage van de luchtvaart boven 3.000 voet buiten beeld blijft in de gerapporteerde deposities, aangezien het RIVM de berekende deposities kalibreert aan de hand van metingen.
Door het RIVM is in 2020, ten behoeve van het Advies luchtvaartsector van het Adviescollege Stikstofproblematiek9, voor de situatie in Nederland in beeld gebracht wat de depositiebijdrage is van vliegverkeer tot 3.000 voet (LTO-fase) en boven 3.000 voet (non-LTO). Hieruit blijkt dat vliegverkeer van en naar Nederlandse luchthavens tot een hoogte van 3.000 voet gemiddeld 0,1% bijdraagt aan de gemiddelde deposities in Nederland. De depositiebijdrage van overig vliegverkeer boven 3.000 voet (hoofdzakelijk Europees en mondiaal vliegverkeer van vliegtuigen die niet in Nederland landen of opstijgen) is door het RIVM ingeschat op ongeveer 0,9%.
Hoeveel procent van de depositie die het luchtverkeer in Nederland veroorzaakt blijft volgens u buiten de modellen? Kunt u daar een zo nauwkeurig mogelijke schatting van maken?
In de totale (landelijke) depositie die het RIVM jaarlijks berekent en rapporteert zijn de deposities afkomstig van alle luchtvaartemissies verdisconteerd. Er blijft dus niets buiten de modellen, zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 7.
Hoeveel stikstofdepositie, in 2019, 2020, 2021 en 2022, veroorzaakt de luchtvaart volgens het Aerius-model op Natura 2000-gebied de Veluwe?
In de RIVM-berekeningen van de totale depositie op Natura 2000-gebieden is 2020 het meest actuele jaar. Voor de jaren 2021 en 2022 zijn nog geen gegevens beschikbaar.
Uit de RIVM-berekeningen blijkt dat de activiteiten op Nederlandse luchthavens en de vliegbewegingen van en naar deze luchthavens tot een hoogte van 3.000 voet in 2018 gemiddeld 2,3 mol/ha/jaar (ca. 0,1%) bijdroegen aan de totale gemiddelde deposities op de Veluwe. In 2019 was dit 2,5 mol/ha/jaar (ca. 0,1%) en in 2020 1,6 mol/ha/jaar (ca. 0,1%). De meest actuele data is te raadplegen op de website van het RIVM10.
Hoeveel stikstofdepositie, in 2019, 2020, 2021 en 2022, veroorzaakt de luchtvaart in het echt op Natura 2000-gebied de Veluwe?
De berekende depositiebijdragen op de Veluwe zoals aangegeven in het antwoord op vraag 9 zijn de berekende bijdragen van vliegverkeer van en naar Nederlandse luchthavens tot een hoogte van 3.000 voet.
In het eerdergenoemde rapport van de Commissie m.e.r. en het RIVM11 is aangegeven dat de emissie boven de 3.000 voet van het vliegverkeer van en naar Nederlandse luchthavens een depositie binnen Nederland veroorzaakt die kleiner is dan 10% van de depositie veroorzaakt onder de 3.000 voet door datzelfde vliegverkeer. In dit rapport is ook aangegeven dat er geen modellen beschikbaar zijn om de depositiebijdrage van vliegtuigemissies boven 3.000 voet lokaal voldoende betrouwbaar in beeld te brengen.
Bent u, met het oog op natuurherstel, geïnteresseerd in de echte stikstofdepositie of in de stikstofdepositie van het Aerius-model?
De daadwerkelijke situatie in de natuur is altijd leidend. Mede daarom zijn er in Nederland ruim driehonderd meetpunten in Natura 2000-gebieden. De met het model berekende waarden worden geijkt aan de meetresultaten om de feitelijke situatie zo goed mogelijk weer te geven.
Denkt u dat dat de natuur wordt beïnvloed door de theoretische stikstofdepositie van het Aerius-model of door echte stikstofdepositie?
Zie antwoord vraag 11.
Wat is de reden dan, dat Schiphol niet voorkomt in het RIVM-rapport?
Het RIVM-rapport is opgesteld ter onderbouwing van de drempelwaarde voor de aanpak piekbelasting. Deze aanpak richt zich op ondernemingen uit de landbouw en uit de industrie. Het Ministerie van LNV heeft hiervoor het RIVM gevraagd de stikstofdepositie van alle veehouderijen en industriële bedrijven in Nederland van hoog naar laag te sorteren. De depositie van het 3001ste bedrijf bepaalt de maat die gebruikt is voor het bepalen van de drempelwaarde.
Het doel van dit onderzoek was dus vooral het kunnen bepalen van een drempelwaarde. Hierbij is ervoor gekozen om naast de veehouderijen alleen industriële bedrijven te betrekken, omdat daarvoor in algemene zin de beste emissiegegevens voorhanden zijn via de Emissieregistratie. Dit is ook in lijn met het advies van de heer Remkes12.
Omdat de aanpak piekbelasting zich richt op bedrijven uit de landbouw en uit de industrie, zijn bedrijven binnen de sector Verkeer en Vervoer, waar luchtvaart onder valt, dus niet betrokken in het rapport. Dat neem niet weg dat binnen deze sector ook wordt gewerkt aan reductie van stikstofemissies. Dit gebeurt onder andere via het steeds verder aanscherpen van internationale emissienormen en beprijzing. Specifiek voor luchtvaart kiest het kabinet voor een aanpak waarmee geluidsoverlast en de uitstoot van onder meer stikstof en ultrafijnstof wordt verminderd. Er wordt een sectorbrede aanpak uitgewerkt gericht op een stapsgewijze reductie van de stikstofuitstoot door de luchtvaart.
Schiphol heeft een plan uitgewerkt om de stikstofuitstoot te beperken, onder andere door de elektrificatie van de grondoperaties. Met de reductie van het aantal vliegtuigbewegingen waartoe het kabinet in juni 2022 heeft besloten, wordt een extra stap gezet in de beperking van die uitstoot, naast andere maatregelen die nodig zijn voor het verminderen van de stikstofdepositie en het verkrijgen van een natuurvergunning.
Is er overleg geweest over Schiphol, KLM en/of luchtvaart in het RIVM-rapport tussen RIVM en ministeries, zoals het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) en het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)? Zo ja, kunt u beschrijven hoe en als er schriftelijke documenten over bestaan, die aan de Kamer doen toekomen?
Er is geen overleg geweest tussen het RIVM en de betrokken ministeries over het al dan niet betrekken van Schiphol in het rapport. Het Ministerie van LNV heeft een aanpak piekbelasting voor de agrarische sector en industrie ontwikkeld en de uitvraag bij het RIVM daarop gebaseerd.
Herinnert u zich de toezegging om alle stikstofruimte die is opgekocht door ministeries, staatsbedrijven en publiekrechtelijke rechtspersonen de afgelopen drie jaar voor 1 juli 2023 aan de Kamer te doen toekomen en wilt u die toezegging gestand doen?
Ik heb aangegeven dat deze informatie-uitvraag wordt meegenomen in de evaluatie extern salderen, die op dit moment wordt uitgevoerd. Als de evaluatie is afgerond, zal ik de Kamer over de resultaten informeren. Naar aanleiding van toezeggingen aan de heer Omtzigt13 en de heer Boswijk14 heb ik een deel van de informatie versneld uitgevraagd. Deze heb ik in de voortgangsbrief stikstof met de Kamer gedeeld.15
Kunt u de concept stikstofvergunning en de concept milieuvergunning van Schiphol aan de Kamer doen toekomen en aangeven wat de stand van zaken is rondom beiden?
Ik ben het bevoegd gezag voor de aanvraag van Schiphol voor een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Vanwege de mogelijke negatieve gevolgen van stikstof voor Natura 2000-gebieden, is stikstofdepositie één van de facetten waarop de aanvraag om een natuurvergunning wordt getoetst. De ontwerpvergunning heeft in het kader van een zienswijzeprocedure ter inzage gelegen van 16 februari tot en met 29 maart 2021 en is nog steeds voor een ieder te raadplegen16.
De ingediende zienswijzen en een advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage waren voor mij aanleiding om Schiphol te verzoeken de ingediende aanvraag aan te vullen. Een afschrift van dit aanvullingsverzoek heeft uw Kamer ontvangen17. Schiphol heeft aan dit verzoek voldaan. De ingediende aanvullingen worden op dit moment zorgvuldig getoetst. Besluitvorming over de aanvraag zal zo spoedig mogelijk maar met de vereiste zorgvuldigheid plaatsvinden.
De (aanvullingen op de) passende beoordeling voor de door Schiphol aangevraagde natuurvergunning en alle relevante onderliggende informatie worden openbaar gemaakt zo spoedig mogelijk nadat een definitief besluit op de aanvraag is vastgesteld. Daarover wordt de Kamer op dat moment geïnformeerd.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt.
Het bericht 'Meer giftige zware metalen komen in grondwater dan gedacht door 'staalslakken': 'Het maakt al het leven kapot'' |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Bouchallikh |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Meer giftige zware metalen komen in grondwater dan gedacht door «staalslakken»: «Het maakt al het leven kapot»» van EenVandaag1 en het bijbehorende rapport van het RIVM in opdracht van de ILT?2
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Heeft u kennisgenomen van de Statenvragen die hierover zijn gesteld door de Gelderse fracties van GroenLinks en de PvdA?3, 4
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Deelt u de mening dat het gebruik van mogelijk giftige materialen in bouwwerken op basis van het voorzorgsprincipe zo veel mogelijk voorkomen dient te worden?
In de transitie naar een circulaire economie is het doel om materiaal zo te benutten dat primaire grondstoffen uitgespaard kunnen worden. Zo voorkomen we milieuschade door de winning van primaire grondstoffen. Een voorwaarde daarbij is dat de bescherming van mens en milieu, inclusief bodem en het (grond)water, afdoende geborgd is. De bodemregels stellen hiervoor de kaders. Wanneer er door verkeerde toepassing van secundaire bouwstoffen zoals staalslakken schade is voor mens en/of milieu is er geen goede balans tussen beschermen en benutten.
Dit blijkt in de praktijk soms voor te komen. Dat is niet wat ik wil en ik neem die signalen daarom erg serieus. Net als de Signaalrapportage staalslakken van ILT (deze heb ik aan de Kamer aangeboden op 19 april 20235) waarin ILT constateert dat de bestaande regels voor het gebruik van staalslakken de risico’s voor mens en milieu niet voldoende afdekken. Daarom lopen er twee acties.
Ten eerste houd ik de regelgeving voor secundaire bouwstoffen tegen het licht. Denk bij secundaire bouwstoffen aan bodemas, recyclinggranulaat en ook staalslakken. Ik neem bovenstaande signalen nadrukkelijk mee bij het kritisch bekijken van de bodemregelgeving.
Ten tweede ga ik na hoe toezicht en handhaving kan worden versterkt. Ik ben daarover met de koepel van omgevingsdiensten in gesprek. Onder meer wordt bekeken in hoeverre een meldplicht of een vergunningplicht voor werken met staalslakken toegevoegde waarde heeft. Een vergunning of een meldplicht biedt de mogelijkheid vooraf te toetsen of een toepassing voldoet aan de eisen gesteld in het Besluit bodemkwaliteit en of er voldoende maatregelen worden genomen om risico’s te voorkomen. Beide acties worden ook toegelicht in de aanbiedingsbrief aan de Kamer bij de Signaalrapportage staalslakken.
Hoe wordt het voorzorgsprincipe momenteel toegepast in de regelgeving omtrent het gebruik van staalslakken?
Op grond van het voorzorgsbeginsel kan de overheid maatregelen nemen als er op basis van de best beschikbare informatie redelijke gronden zijn om te vrezen voor ernstige en/of onomkeerbare milieuschade. Om die reden heeft de overheid op rijksniveau specifieke milieueisen voor de vervaardiging en de toepassing van bouwstoffen (zoals staalslakken) opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de Regeling bodemkwaliteit (Rbk). Bovendien gelden ook wettelijke zorgplichten die zijn opgenomen in de Wet bodembescherming, de Wet milieubeheer, de Waterwet en het Besluit bodemkwaliteit. Op grond van die zorgplichten is iemand die staalslakken toepast verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs mogelijk zijn om verontreiniging van de bodem of het oppervlaktewater te voorkomen. Voor staalslakken wordt dit uitgelegd in de Circulaire «Toepassing van staalslak en hoogovenslak(zand) in aanvullingen en ophogingen van 6 juli 2005». Als onderdeel van de herijking van de bodemregelgeving zal ook deze circulaire tegen het licht worden gehouden (zie ook eerder genoemde brief aan de Kamer van 19 april 2023).
Toezichthouders kunnen toetsen of er voldoende maatregelen zijn of worden genomen om risico’s te voorkomen en als zij dat nodig vinden kunnen zij handhavend optreden bijvoorbeeld door de toepasser te verplichten (meer) maatregelen te treffen of de toepassing ongedaan te maken. Ook is het mogelijk dat het Openbaar Ministerie strafrechtelijk ingrijpt.
Omdat er in de praktijk vaak (te) weinig aandacht besteed wordt aan niet-genormeerde stoffen en andere parameters, zoals de zuurgraad, zijn in de nieuwe Regeling bodemkwaliteit 2022, die gelijktijdig met de Omgevingswet in werking treedt, de bestaande verplichtingen met betrekking tot niet-genormeerde stoffen en andere relevante parameters meer expliciet uitgewerkt. Zo wordt het voor opdrachtgevers in de bouw duidelijker wat zij aan onderzoeksbureaus en laboratoria moeten vragen en wat zij van hen mogen verwachten, zodat verrassingen in de fase van toepassen van bouwstoffen beter kunnen worden voorkomen.
Waarom mogen staalslakken nog zo breed gebruikt worden, terwijl er nauwelijks zicht is op de mate van uitspoeling van zware metalen en de bijbehorende risico’s voor de leefomgeving van mens en dier?
Om toegepast te mogen worden moeten staalslakken voldoen aan milieueisen uit het Bbk en Rbk, zoals de samenstelling en de emissie van schadelijke stoffen. Dit moet blijken uit een milieuhygiënische verklaring die voldoet aan de door het Bbk gestelde voorwaarden (Kwalibo-stelsel). Bovendien is er zoals hier boven aangegeven de zorgplicht op grond waarvan er bij toepassing van staalslakken passende maatregelen moeten worden genomen om uitspoeling naar grond- en oppervlaktewater te voorkomen. Wanneer zowel aan de eisen voor het toepassen van bouwstoffen uit het Bbk als aan de zorgplicht wordt voldaan, kunnen staalslakken veilig worden toegepast.
Tegelijkertijd zie ik dat het in de praktijk niet altijd goed gaat en neem ik de zorgen die ILT uitdraagt in de signaalrapportage en zorgen van burgers die in de media doorklinken zeer serieus. Daarom wordt de komende tijd een aantal stappen gezet: de bodemregelgeving wordt herijkt en vooruitlopend daarop wordt onderzocht hoe toezicht en handhaving kunnen worden versterkt. Voor meer toelichting verwijs ik u naar eerdergenoemde brief aan de Kamer van 19 april 2023.
Heeft u een overzicht van alle plekken in Nederland waar staalslakken bloot (kunnen) worden gesteld aan hemelwater en de mate van uitloging van giftige stoffen daarbij?
Staalslakken zijn vrij toepasbare bouwstoffen. Er is geen meldplicht. Er is geen overzicht van alle toepassingen in Nederland met staalslakken. Zoals tijdens het Commissiedebat Leefomgeving van 17 mei jl. is aangegeven onderzoekt RWS of het mogelijk is een dergelijk overzicht van toepassingen in Rijkswerken op een andere wijze aan te leveren. Zoals toegezegd in het commissiedebat zal ik voor het eind van het jaar de informatie toesturen die ik op dat moment heb.
Hoe wordt er gewaarborgd dat in deze situaties een definitieve waterdichte oplossing op tijd wordt gerealiseerd, voordat de grondwaterkwaliteit en volksgezondheid in het geding komen?
Wanneer staalslakken in bepaalde situaties niet conform de regelgeving zijn toegepast en er milieueffecten optreden, is het aan het lokale bevoegd gezag om handhavend op te treden. Deze kan op grond van de zorgplicht maatregelen afdwingen ter bescherming van de grondwaterkwaliteit en volksgezondheid. Hoe dat moet gebeuren zal afhangen van de specifieke omstandigheden ter plaatse en het deskundige oordeel van de toezichthouders.
Deelt u de mening dat het redelijk is dat het Rijk financieel bijdraagt aan waterdichte oplossingen die eerder gerealiseerd moeten worden dan voorheen voorzien op basis van de geldende kennis en regelgeving (zoals dat in Eerbeek het geval is)?
Nee, daar zie ik geen aanleiding toe. Wanneer staalslakken worden toegepast volgens de geldende eisen gebeurt dit veilig. Als dat in een specifieke situatie (incidenten) niet het geval is dan dienen er op kosten van de vervuiler/toepasser maatregelen genomen te worden en niet op kosten van het Rijk.
Wat zijn de waterdichte oplossingsmogelijkheden voor situaties zoals in Eerbeek die al vroeger dan 2047 toe kunnen worden gepast, zodat de gezonde leefomgeving niet in het geding hoeft te komen?
De voormalige stort aan de Doonweg in Eerbeek is niet meer in gebruik en zal volgens planning uiterlijk in 2047 definitief worden afgedekt om vervolgens te worden overgedragen aan de provincie Gelderland. Tot die tijd wil men deze locatie benutten als zonnepark. De staalslakken die zijn aangebracht dienen als tijdelijke afdichting en als fundering voor de zonnepanelen. Bij de vergunningaanvraag werd, op grond van resultaten bij een proefopstelling, aangenomen dat de staalslakken zouden verlijmen zodat er een afdichtende laag zou ontstaan. Tegen de verwachting in is dat niet gebeurd, met als gevolg dat er stoffen uit de staalslakken via regenwater in het grondwater terecht zijn gekomen.
Uit contact met de Gelderse omgevingsdiensten blijkt dat de beste oplossing hiervoor is om de afvalberg van de voormalige vuilstort aan de Doonweg in Eerbeek zo snel mogelijk definitief af te dichten. Echter, daarvoor moet de stort voldoende stabiel zijn: de ondergrond van de stort mag niet te veel bewegen. Uit onderzoek in opdracht van de provincie Gelderland blijkt dat de stort voor deze afdichting nog niet stabiel genoeg is.
Daarom worden, vooruitlopend op het aanbrengen van deze afdichting, beschermende maatregelen getroffen. Door deze maatregelen wordt de verspreiding van stoffen uit de staalslakken naar het milieu tegengegaan. Het verontreinigde water dat van de stort afstroomt wordt door de maatregelen direct in een ringsloot opgevangen en afgevoerd naar een waterzuivering. Daarmee wordt verontreiniging van bodem en grondwater beperkt.
De uitvoering van deze beschermende maatregelen wordt vertraagd doordat in het werkgebied beschermde diersoorten zijn aangetroffen, waaronder een das, een ringworm en kleine marterachtigen. Deze beschermde diersoorten mogen niet zomaar verplaatst worden. Uit ecologisch onderzoek moet blijken op welke wijze de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder verstoring van de beschermde diersoorten.
Daarnaast veroorzaken de werkzaamheden in het kader van de beschermende maatregelen stikstofuitstoot door het inzetten van zwaar materieel en rijbewegingen van vrachtwagens. Op dit moment wordt een berekening uitgevoerd om het effect van de stikstofuitstoot in kaart te brengen. Van daaruit moet worden bepaald welke stikstof-beperkende en/of compenserende maatregelen getroffen moeten worden. De stikstofproblematiek vormt hiermee een vertragende factor bij het treffen van deze eerste maatregelen.
Wat gaat u doen om de regelgeving ten aanzien van hergebruik van afvalstoffen te verbeteren, zodat gezondheidsrisico’s worden ingeperkt?
De Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen geeft de voorwaarden waaronder materialen die overblijven uit productieprocessen of materialen die uit afvalstoffen worden teruggewonnen opnieuw een toepassing in de economie mogen krijgen zonder dat ze de status «afvalstof» hebben. Deze voorwaarden voor de status «bijproduct» of «einde-afval» zijn overgenomen in de Wet milieubeheer. Ze komen er in het kort op neer dat het materiaal een specifiek doel moet hebben, dat er in de markt interesse voor het materiaal moet bestaan, dat het materiaal aan alle daarop van toepassing zijnde regelgeving moet voldoen en dat het gebruik ervan niet nadelig mag zijn voor de menselijke gezondheid en het milieu (ten opzichte van het materiaal dat erdoor vervangen wordt). Ook geeft de Kaderrichtlijn afvalstoffen voorwaarden voor de nuttige toepassing van materialen die wel de status «afvalstof» hebben. Kern daarvan is dat ervoor moet worden gezorgd dat de nuttige toepassing geen gevaar oplevert voor de menselijke gezondheid en geen nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Een «nuttige toepassing» is samengevat elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt.
De regelgeving met betrekking tot afvalstoffen biedt daarmee in de basis voldoende bescherming. Er is op dit moment geen reden om de regelgeving op het gebied van afvalstoffen aan te passen.
In het Bbk staat bovendien dat bouwstoffen die afvalstoffen zijn, alleen mogen worden toegepast wanneer deze toepassing een nuttige toepassing is (en dus geen sprake is van afvalverwijdering, bijvoorbeeld stort.)
Wat gaat u doen om het toezicht en de handhaving op het gebruik van staalslakken te verbeteren?
Er wordt samen met de omgevingsdiensten onderzocht hoe toezicht en handhaving op korte termijn kan worden versterkt. Daarin wordt onder meer bekeken in hoeverre bijvoorbeeld een meldplicht en/of vergunningplicht toegevoegde waarde heeft. Deze gesprekken lopen. Zie ook bovengenoemde brief aan de Kamer van 19 april jl.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat omgevingsdiensten weer worden versterkt, zodat het uitvoeren van controles in situaties zoals in Eerbeek niet meer alleen bij private bedrijven komt te liggen?
Uit navraag bij de Gelderse omgevingsdiensten blijkt dat in de situatie in Eerbeek de grondwatermonitoring niet uitsluitend belegd is bij een private partij. Stort Doonweg in Eerbeek is op grond van de vergunning verplicht de kwaliteit van het grondwater te controleren. Daarvoor heeft stort Doonweg een grondwatermonitoringsplan opgesteld. Dit monitoringsplan is goedgekeurd door de provincie Gelderland. Deze grondwatermonitoring wordt door stort Doonweg uitbesteed aan een gecertificeerd privaat laboratorium. De resultaten van een monstername moeten ter goedkeuring aan de provincie worden overlegd. Specialisten van de omgevingsdienst beoordelen de resultaten.
Daarnaast vinden namens de provincie inspecties plaats op de stort. Deze worden uitgevoerd door toezichthouders en bodemspecialisten van de omgevingsdiensten en een ingehuurde externe deskundige. Het doel van de inspecties is om zelf de stabiliteit van de stort en de effectiviteit van de waterafvoer te controleren.
Het toezicht door de omgevingsdiensten behoeft op deze locatie in die zin dus geen versterking. Het toezicht op deze locatie is op orde. Of er in andere situaties behoefte is aan een dergelijke versterking van omgevingsdiensten is mij niet bekend. Dit zal blijken uit de gesprekken die ik voer met de koepelorganisatie van de omgevingsdiensten over versterking van toezicht en handhaving (zie ook het antwoord bij vraag6.
Hoeveel geld krijgen aannemers doorgaans voor het afnemen van staalslakken?
Welke prijs staalslakken en andere bouwstoffen hebben is aan de markt. Het bedrijf Pelt & Hooykaas verhandelt de staalslakken op basis van contractafspraken met Tata Steel onder NL-BRL-productcertificaten in de bouwsector. Op de website van Pelt & Hooykaas staan twee producten vermeld waarin LD-staalslakken zijn verwerkt: waterbouwslak en LD mix. Navraag bij Pelt & Hooykaas levert op dat er geen algemeen antwoord te geven is op de vraag hoe hoog de prijs is. Bovendien geeft Pelt&Hooykaas aan dat de prijsstelling in individuele gevallen als bedrijfsvertrouwelijke informatie beschouwd wordt.
Wat vindt u ervan dat dergelijk afvalmateriaal door grote bedrijven zoals Tata Steel kan worden gedumpt door geld toe te geven op het afnemen ervan, waardoor risicoloze alternatieven als zand en grind niet worden gebruikt?
Staalslakken die voldoen aan geldende wet- en regelgeving kunnen als bouwstof worden toegepast. Door dit soort materialen toepasbaar te maken, kan het winnen van primair materiaal voorkomen worden. In het licht van de circulaire economie benutten we de mogelijkheden om primaire grondstoffen te vervangen met materialen die resteren uit productieprocessen. Daarbij is een voorwaarde dat het toepassen van secundair materiaal milieuverantwoord is. Dit is duidelijk in de regelgeving, zowel op het gebied van afval als de bodem, vastgelegd.
Wat gaat u doen om deze perverse verdienmodellen, waarbij aannemers geld verdienen met het innemen van afvalmateriaal zonder het op een duurzame manier te hoeven verwerken, in het afvalbeleid te voorkomen?
Momenteel kan ik aan de prijs van materialen niets veranderen. Wel ben ik voornemens om een systeemanalyse reststromen uit te voeren. Daarbij worden voor ketens van meerdere restromen onderzocht welke prikkels er zijn en of die prikkels stimuleren tot het zo schoon en hoogwaardig mogelijk opwerken van de reststroom en of die prikkels stimuleren tot het minimaliseren van effecten voor het milieu. Indien de prikkels de verkeerde kant op blijken te wijzen, zal ook antwoord gegeven worden op de vraag hoe dit kan worden aangepast.
Kan Tata Steel aansprakelijk worden gesteld voor het opruimen van het teveel aan staalslakken dat is gebruikt in Eerbeek?
De producent/leverancier van een bouwstof (in dit geval staalslakken) moet ervoor zorgen dat deze bouwstof aan de milieueisen van de Rbk voldoet, gedekt door een milieuhygiënische verklaring. De eisen voor de toepassing van bouwstoffen zoals staalslakken richten zich tot de toepasser. Een van de voorwaarden voor degene die bouwstoffen toepast is dat er geen grotere hoeveelheid wordt toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de toepassing en ook dat de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waar deze plaatsvindt of onder de omstandigheden waarin deze plaatsvindt. Aanvullend geldt er een zorgplicht voor de toepasser (zie ook het antwoord op vraag7. Het is de toepasser die zich aan deze voorwaarden moet houden en dat is logischerwijs de partij die je aanspreekt wanneer dat niet (voldoende) is gebeurd. Hierop kan langs bestuursrechtelijke en strafrechtelijke weg op worden gehandhaafd.
Hoe wordt het voorzorgsprincipe gewaarborgd bij andere potentieel schadelijke afvalmaterialen die elders hergebruikt worden?
Zoals in de beantwoording bij vraag 3 en vraag 10 benoemd, kan de overheid op grond van het voorzorgsbeginsel maatregelen nemen als er op basis van de best beschikbare informatie redelijke gronden zijn om te vrezen voor ernstige en/of onomkeerbare milieuschade. De voorwaarden die de Kaderrichtlijn afvalstoffen stelt aan de nuttige toepassing van afvalstoffen en aan de status van «bijproduct» of «einde-afval» zijn mede op het voorzorgsbeginsel gebaseerd. Hetzelfde geldt voor de voorwaarden die in het Bbk zijn opgenomen voor het vervaardingen en toepassen van bouwstoffen.
Wanneer vaststaat dat een bouwstof niet aan deze voorwaarden voldoet of wanneer daar onvoldoende zekerheid over bestaat dan is toepassen of nuttig toepassen niet toegestaan en zal het materiaal als afvalstof verwijderd moeten worden.
Wat gaat u doen om de inwoners rondom de oude stortplaats in Eerbeek zo snel als mogelijk een gezonde en veilige leefomgeving te garanderen?
Het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland is in deze bevoegd gezag. De omgevingsdiensten Arnhem en Nijmegen voeren de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving uit namens GS. Deze omgevingsdiensten hebben in opdracht van de provincie een team aan specialisten vrij gemaakt voor het toezicht op de locatie en toezicht op de stort bij het vinden van een oplossing voor de situatie.
Voor het herstellen van de veilige en gezonde leefomgeving zijn plannen gemaakt. Deze plannen worden in het antwoord op vraag 9 toegelicht.
Hoe bent u van plan om het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-stelsel) voor het afvalstelsel van de staalindustrie te verbeteren conform de aanbevelingen van de commissie-Van Aartsen?
Ik werk met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het Openbaar Ministerie, provincies, gemeenten en omgevingsdiensten in het interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel (IBP VTH) samen aan de opvolging van de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen en daarmee aan de versterking van het VTH-stelsel. Over de voortgang van het IBP VTH wordt u voor de zomer geïnformeerd. In het IBP VTH wordt onder andere gewerkt aan de versterking van de informatie-uitwisseling, datakwaliteit en kennisinfrastructuur.
Samen met het IPO en ODNL werkt het ministerie aan het oprichten van het Kennisplatform «Afval of niet». In dit Kennisplatform worden kennis, ervaringen en casuïstiek met betrekking tot de vraag of een materiaal een afvalstof is of niet opgebouwd door en gedeeld met omgevingsdiensten. Waar nodig kan er een advies over worden uitgebracht.