Nieuwe ophef rond het Nederlands Opvangcentrum Papagaaien (N.O.P.) |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat een medewerker van het Nederlands Opvangcentrum Papegaaien (N.O.P.) mogelijk betrokken is bij de illegale invoer van exotische vogels uit Suriname en daarbij vogels zou hebben mishandeld?1
De illegale invoer van beschermde exotische vogels uit Suriname is strafbaar. Voor dit specifieke geval verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 2 t/m 5.
Is het waar dat bij huiszoekingen bij de medewerker vogels, wapens en geld in beslag zijn genomen? Zo ja, hoeveel vogels van welke soort zijn in beslag genomen en waar zijn deze vogels vervolgens ondergebracht?
Op 1 februari 2012 heeft het Interregionaal Milieuteam Zuid West, met bijstand van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit, in opdracht van het openbaar ministerie twee verdachten uit Rotterdam respectievelijk Spijkenisse aangehouden. Diezelfde dag zijn doorzoekingen verricht in woningen in Rotterdam en Spijkenisse. Ook werd een doorzoeking verricht in het Nederlands Opvangcentrum Papegaaien (N.O.P.) in Veldhoven, waar één van de verdachten als vrijwilliger werkzaam was. Bij de doorzoekingen zijn naast een aantal vogels (zeven twa twa’s en één kolibrie) geldbedragen en een vuurwapen in beslag genomen. In het belang van het strafrechtelijk onderzoek kunnen op dit moment geen verdere mededelingen worden gedaan.
Is u bekend of het N.O.P. een rol heeft gespeeld bij de illegale handel in exotische dieren? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan in termen van strafrechtelijk onderzoek?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de nieuwe ophef over het N.O.P. in het licht van het eerdere oordeel van uw ambtsvoorganger dat nader onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van het N.O.P. bij de illegale handel in dieren niet nodig was? Deelt u de mening dat dat oordeel moet worden herzien?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u alsnog bereid een nader (strafrechtelijk) onderzoek in te stellen naar de praktijken van het N.O.P.? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Ziet u een trend ontstaan nu de berichten over misstanden bij het N.O.P. zich opstapelen en er voldoende redenen zijn om te twijfelen aan de naleving van de wet- en regelgeving (welzijn en de Convention on International Trade in Endangered Species (CITES)) bij het N.O.P.? Zo ja, kunt u nauwkeurig aangeven waarom het toezicht op het N.O.P. heeft gefaald? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek naar de vrijwilliger in dienst van de N.O.P is op dit moment nog niet afgerond. Wanneer de uitkomsten van het onderzoek bekend zijn zal ik, wanneer hier aanleiding toe is, de overeenkomsten met de N.O.P. opnieuw bekijken.
Is het N.O.P. nog steeds een contractpartner van u, wat betekent dat in beslag genomen dieren tegen betaling door u door hen worden opgevangen? Zo ja, vindt u het acceptabel dat u een contract heeft met een opvangcentrum waar eerder ophef is ontstaan over mogelijke betrokkenheid bij de illegale handel in dieren en laatst nog over de slechte verzorging van duizenden in beslag genomen knaagdieren?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke afspraken is het contract tussen Dienst Regelingen en N.O.P. precies gebaseerd en welke afspraken zijn er gemaakt voor de opzegging van het contract? Hoe wordt de naleving van de afspraken uit het contract gecontroleerd en welke sancties staan er op schending van de afspraken?
Vanwege de behoefte aan opslagcapaciteit is deze overheidsopdracht aanbesteed.
Jaarlijks wordt de N.O.P. gecontroleerd door zowel de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit als door Dienst Regelingen (DR). Indien blijkt dat de N.O.P. niet aan de eisen in de overeenkomst voldoet, zal een termijn worden gegeven om de tekortkomingen te herstellen. Door middel van een controlebezoek kan worden vastgesteld of de opvanglocatie weer aan de eisen voldoet. Indien blijkt dat niet aan de eisen wordt voldaan, kan de overeenkomst eenzijdig worden ontbonden.
Kunt u uiteenzetten welke vergoeding het N.O.P. van Dienst Regelingen ontvangt voor de opvang van in beslag genomen dieren en dit specificeren naar diersoort? Hoeveel heeft het N.O.P. de afgelopen vijf jaar op deze manier ontvangen van uw ministerie?
In de overeenkomst met de N.O.P. staan de bedragen die per dier per dag zijn afgesproken. Vanwege het feit dat bij aanbesteding steeds een aantal organisaties concurrerende aanbiedingen doen, zijn de overeengekomen bedragen aan te merken als commercieel gevoelige informatie. Gezien het voorgaande kan ik deze informatie niet openbaar maken.
Deelt u de mening dat het N.O.P. nauwelijks een betrouwbare partner genoemd kan worden voor de opvang van in beslag genomen dieren voor Dienst Regelingen? Zo nee, waarop baseert u de mening dat het N.O.P. het toonbeeld van betrouwbaarheid zou zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Is de samenwerking tussen Dienst Regelingen en het N.O.P. inmiddels tot nader order opgeschort? Zo nee, bent u bereid het contract met het N.O.P. zo spoedig mogelijk te verbreken?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u uiteenzetten met welke opvangcentra u contracten heeft voor de opvang van in beslag genomen dieren en welke voorwaarden in die contracten zijn gesteld? Vindt u dat er voldoende betrouwbare opvangcentra beschikbaar zijn voor het opvangen van in beslag genomen dieren? Zo nee, hoe gaat u de capaciteit en/of de kwaliteit van opvangcentra vergroten?
De DR heeft overeenkomsten met zeven opvangadressen voor gezelschapsdieren. Deze adressen bestaan uit zowel asielen als dierenpensions. Daarnaast heeft DR met drie opvangadressen overeenkomsten afgesloten voor landbouwhuisdieren en paarden. Het gaat hierbij om particulieren en bedrijven. Er zijn met acht opvangadressen overeenkomsten afgesloten voor in- en uitheemse (beschermde) diersoorten. Het gaat hierbij om dierentuinen, vogelopvangcentra, reptielenopvangcentra en opvangcentra voor inheemse fauna.
In het bestek voor de aanbesteding voor de opvang zijn eisen neergelegd. Tijdens het aanbestedingstraject moet de schrijver zijn financiële en economische draagkracht aantonen en zijn technische bekwaamheid. Daarnaast worden specifieke eisen gesteld ten aanzien van dierenwelzijn, zoals het respecteren van de vijf vrijheden van Brambell, diervriendelijke omgang, kwaliteitseisen met betrekking tot verzorging en huisvesting van de dieren, veterinaire zorg en ziektepreventie.
De geselecteerde opvangadressen voldoen aan de gestelde eisen in de overeenkomst.
Er zijn op dit moment voldoende opvangadressen om alle in beslag/bewaring genomen dieren op te vangen. Mocht het, in verband met een hoger aantal inbeslagnames, nodig zijn, dan worden extra opvangadressen gezocht.
Het naleven van de afspraken over het welzijn van de grote grazers in de Oostvaardersplassen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u uiteenzetten hoe het staat met de uitvoering van de aanbevelingen van het International Committee on the Management of large herbivores in de Oostvaardersplassen (ICMO2), de expertcommissie die in navolging van ICMO1 heeft gezegd dat er meer beschutting moest komen voor de dieren in het gebied?
Zoals gemeld in mijn brief van 17 mei 2011 (Kamerstuk 32 563, nr. 25), heeft Staatsbosbeheer 1200 strekkende meter aan beschuttingswallen aangelegd en diverse bospercelen opengesteld voor de grazers. Overigens is sindsdien nog gewerkt aan het «verduurzamen» van enkele van die bospercelen, waardoor deze begrazing beter kunnen weerstaan, en het stapelen van dood hout als extra – alternatieve – beschuttingsmaatregel.
Waarom zijn de bossen van het naastgelegen Hollandse Hout nog niet opengesteld voor de edelherten, konickpaarden en heckrunderen van de Oostvaardersplassen? Erkent u dat hiermee een belangrijke aanbeveling voor het welzijn van de dieren niet wordt opgevolgd, met alle gevolgen voor de dieren van dien? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo neen, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven (Kamerstukken 32 563, nrs. 10, 11) wilde de gemeenteraad van Lelystad niet meewerken aan openstelling van het Hollandse Hout en heeft uw Kamer zich middels een motie hierover uitgesproken. Zoals ook eerder aangegeven (Kamerstuk 32 563, nr. 25), kies ik ervoor nu in te zetten op alternatieve beschuttingsscenario’s en zonodig een strakker vroeg-reactief beheer.
Bent u bereid u hard te maken voor openstelling van het Hollandse Hout in het belang van de dieren? Zo ja, op welke termijn denkt u het gebied open te kunnen stellen zodat de dieren er beschutting kunnen zoeken? Zo neen, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u uiteenzetten hoe het door ICMO2 aanbevolen vroeg-reactief afschotbeleid (tijdig afschot van een verzwakt dier dat het niet gaat redden) wordt toegepast en hoe de monitoring plaatsvindt van de effecten?
Over de stand van zaken van de toepassing van het vroeg-reactief beheer van de grote grazers in de Oostvaardersplassen ontvangt u separaat een brief (op verzoek van de vaste commissie voor EL&I). Zie voor monitoring het antwoord op vraag 5.
Deelt u de mening dat dit vroeg-reactief afschotbeleid met de grootste zorgvuldigheid moet plaatsvinden? Welke maatregelen heeft u getroffen om er zeker van te zijn dat er voldoende personeel van Staatsbosbeheer beschikbaar is om dagelijks de kuddes in de gaten te kunnen houden en het gedrag en de lichamelijke condities van de grazers te kunnen controleren? Kunt u uiteenzetten hoe Staatsbosbeheer de zorgvuldige uitvoering hiervan in 2011 heeft gewaarborgd?
Ja. Zorgvuldigheid is onder meer gewaarborgd door uitvoering van het managementplan dat door de Beheeradviescommissie Oostvaardersplassen is goedgekeurd en door de inzet van voldoende betrokken vakmensen. Zoals in het managementplan aangegeven (bijlage bij Kamerstuk 32 563, nr. 25), is voorzien in uitgebreide en soms zeer frequente monitoring, ondermeer van dierconditie.
Kunt u bevestigen dat u het budget van Staatsbosbeheer in 2012 kort met 20 miljoen euro, een bezuiniging van 22% op het totale budget? Kunt u aangeven hoe Staatsbosbeheer het personeelsbestand op pijl kan houden om zo het vroeg-reactief afschotbeleid met de grootst noodzakelijke zorgvuldigheid uit te voeren wanneer zij met zulke enorme bezuinigingen te kampen heeft?
Nee. Ik ben nog met de provincies in gesprek over de financiering van het beheer door Staatsbosbeheer. Zoals recent toegezegd (zie Kamerstuk 29 659, nr. 76), zal ik de Kamer in het voorjaar van 2012 informeren over de strategie voor de toekomst van Staatsbosbeheer, inclusief de wijze waarop de bezuinigingen worden geëffectueerd.
Hoe wordt een goede uitvoering van het vroeg-reactief beheer gegarandeerd gelet op de toegankelijkheid van het gebied en de veiligheid van bezoekers? Onderschrijft u dat een grote veiligheidszone van een aantal kilometer nodig is om de veiligheid voor bezoekers te kunnen waarborgen? Zo ja, welke maatregelen treft u om een goede uitvoering van het vroeg-reactief beheer te kunnen garanderen zonder de veiligheid van bezoekers in gevaar te brengen? Welke extra maatregelen worden er getroffen nu de vorst is ingevallen en er mogelijk veel mensen willen komen schaatsen in het gebied?
Zoals aangegeven in bijlage 3 van het protocol vroeg-reactief beheer (bijlage bij Kamerstuk 32 563, nr. 10) worden diverse veiligheidsvoorschriften toegepast. Tijdens de aanwezigheid van begaanbaar ijs bestonden extra maatregelen uit extra surveillance, extra bebording en het uitzetten van een toertochtroute die zo ver mogelijk van het mogelijke risicogebied lag.
Deelt u de mening dat het, om langdurig lijden van de grote grazers zoveel mogelijk te kunnen voorkomen, absoluut noodzakelijk is de adviezen van het ICMO2 omtrent het vroeg-reactief afschotbeleid nauwlettend op te volgen? Zo ja, kunt u garanderen dat u het welzijn van de dieren voorop stelt als er afwegingen moeten worden gemaakt over veiligheidsmaatregelen rondom het afschotbeleid, ook als dat betekent dat er gebieden moeten worden afgesloten voor het publiek? Zo neen, waarom niet?
De diverse afwegingen bij toepassing van vroeg-reactief beheer, inclusief het zonodig afsluiten van gebieden voor het publiek, zijn terug te vinden in het protocol (bijlage bij Kamerstuk 32 563, nr. 10).
Een afschotverbod voor in het wild levende dieren in verband met de aanhoudende vorst |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het jachtverbod dat de Provincie Utrecht heeft afgekondigd vanwege het winterweer, terwijl de andere provincies dit (nog) niet nodig achten?1
Ja.
Onderschrijft u dat in het wild levende dieren op dit moment door de sneeuwval en zeer strenge vorst, die al sinds 29 januari onafgebroken aanhoudt, onvoldoende voedsel kunnen vinden en daardoor ernstig verzwakken? Zo neen, waaraan ontleent u die zekerheid?
Nee, de meeste in het wild levende dieren hebben genoeg reserves opgebouwd om een vorst periode van enkele weken goed te doorstaan.
Zie tevens het antwoord op eerder gestelde Kamervragen van het lid Thieme hierover (Tweede Kamer, 2010–2011, Aanhangsel met nr. 3604, antwoord op vraag 2).
Is het waar dat de verbodsbepalingen in artikel 53 eerste lid van de Flora- en Faunawet, waarin staat dat jagen verboden is indien de grond bedekt is met sneeuw, op wild dat zich bevindt in of in de nabijheid van wakken en op wild dat als gevolg van weersomstandigheden in uitgeputte toestand verkeert, niet van toepassing zijn op het afschieten van in het wild levende dieren in het kader van beheer en schadebestrijding?
De verbodsbepalingen in artikel 53, eerste lid, van de Flora- en faunawet zijn van toepassing op jacht en niet op beheer en schadebestrijding. Voor beheer en schadebestrijding gelden de kaders van artikel 65 e.v. van de Flora- en faunawet. Voor zover deze activiteiten elkaar overlappen, gelden zowel de regimes voor jacht als voor beheer en schadebestrijding. Zie voorts de eerdere beantwoording op Kamervragen over jagen terwijl de bodem met sneeuw bedekt is van lid Thieme (Tweede Kamer, 2010–2011, Aanhangsel nr. 1273).
Deelt u de mening dat het ethisch gezien onaanvaardbaar is dieren af te schieten juist wanneer zij door de winterse omstandigheden onvoldoende voedsel hebben kunnen vinden, daardoor verzwakt en langzaam zijn en hun natuurlijke schuwheid hebben opgeven om te kunnen overleven? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo neen, waarom niet?
Nee, soorten die op de provinciale vrijstellingslijst staan, richten juist schade aan in delen van het land. Derhalve zijn de provincies beter in staat om te beoordelen of beheer en schadebestrijding al dan niet tijdelijk opgeschort moet worden.
In winterse omstandigheden kan beheer en schadebestrijding van bepaalde dieren nodig zijn. Met winterse omstandigheden vertrouw ik wel op de betamelijkheid van jagers, wildbeheereenheden en faunabeheereenheden, opdat de rust in het landelijk gebied voor de andere dieren zoveel mogelijk gehandhaafd blijft.
Zie tevens eerdere beantwoording op Kamervragen van het lid Thieme over dit onderwerp (Tweede Kamer, 2009–2010, aanhangsel, nr. 1208).
Deelt u de mening dat de verbodsbepalingen uit artikel 53 eerste lid van de Flora- en Faunawet ook zouden moeten gelden voor in het wild levende dieren die worden afgeschoten in het kader van schadebestrijding en beheer? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat provinciale willekeur voorkomen dient te worden in kwesties als deze? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Onderschrijft u dat alle dieren, ook de dieren waarop niet gejaagd of geschoten mag worden, hun reserves moeten sparen om de winterse omstandigheden het hoofd te kunnen bieden en dat al deze dieren ernstig verstoord en opgejaagd worden wanneer jagers in het gebied actief zijn? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om Gedeputeerde Staten op te roepen een tijdelijk algeheel verbod in te stellen op het afschieten van in het wild levende dieren, zeker omdat het sinds 29 januari onafgebroken zeer streng heeft gevroren, deze kou verder aan zal houden en er nog geen einde in zicht is? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?
Zoals u zelf heeft kunnen vaststellen, is het weer inmiddels omgeslagen. Overigens zou ik bij aanhoudende vorst geen tijdelijk algeheel afschotverbod hebben ingesteld. Voor de motivatie verwijs ik u naar mijn antwoord bij vraag 4 en 6.
Bent u bereid, gelet op de actuele strenge winterse omstandigheden, deze vragen spoedig te beantwoorden, in ieder geval voor 10 februari 2012?
Helaas heb ik de vragen niet eerder kunnen beantwoorden.
Het advies om zwangere vrouwen te waarschuwen voor het Schmallenbergvirus |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Waarschuw zwangeren voor Schmallenberg»?1
Ja.
Bent u met huisarts Olde Loohuis van oordeel dat geen risico’s genomen mogen worden met kwetsbare groepen mensen in relatie tot het Schmallenbergvirus, zoals eerder wel gebeurde met betrekking tot de Q-koorts? Zo nee, waarom niet?
Uit de, ook door het European Centre for Disease Prevention and Control bevestigde risico inschatting van het RIVM blijkt dat het niet uit te sluiten is dat het Schmallenbergvirus een risico vormt voor mensen maar dat dit onwaarschijnlijk is. De adviezen van het RIVM zijn daarop gebaseerd. Op dit moment wordt zwangere vrouwen geadviseerd om geen verloskundige handelingen verrichten op bedrijven met verdenking van de aanwezigheid van het Schmallenbergvirus. Dit zijn overigens gebruikelijke hygiënemaatregelen. Zwangere vrouwen wordt standaard geadviseerd verlossingen van schapen en geiten niet uit te voeren en verlossingen van runderen te vermijden.
Deelt u de mening dat er geen eenduidige gegevens zijn over de infectieroute en de verspreiding van het Schmallenbergvirus, en dat derhalve overdracht van het virus naar mensen niet kan worden uitgesloten? Zo nee, waaraan ontleent u die zekerheid? Zo ja, deelt u de mening dat, gelet op het voorzorgsprincipe preventieve maatregelen om besmetting van mensen te voorkomen gerechtvaardigd zijn?
Overdracht van het virus naar mensen kan inderdaad niet worden uitgesloten en daarom zijn preventieve maatregelen vanuit het voorzorgprincipe gerechtvaardigd. Het RIVM adviseert aan zwangere vrouwen om geen verloskundige handelingen uit te voeren op bedrijven met verdenking van de aanwezigheid van het Schmallenbergvirus.
Is het waar dat artsen onvoldoende alert zijn op de risico’s van zoönoses en het ontstaan van (nieuwe) zoönoses? Zo nee, waaraan ontleent u die zekerheid? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit te verbeteren?
De bescherming van de volks- en diergezondheid moeten met elkaar verbonden zijn. Het zijn de professionals die verbinding moeten maken. De alertheid van artsen, zowel humane als veterinair kan verder vergroot worden. Zowel door de overheid als de vele betrokken professionals, zijn de afgelopen jaren initiatieven op dit vlak genomen. Professionals uit beide domeinen, zowel regionaal als centraal, zijn op bijeenkomsten, symposia en congressen regelmatig inzichten en expertise gaan delen. Deze acties dragen bij aan de alertheid van artsen op zoönosen.
Bent u van oordeel dat zwangeren en andere kwetsbare groepen voldoende gewaarschuwd worden dat zij (en hun ongeboren kind) kwetsbaar zijn voor zoönoses, en derhalve beter uit de buurt van bijvoorbeeld stallen van veebedrijven en kinderboerderijen kunnen blijven? Zo ja, waar baseert u zich op? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om de voorlichting aan zwangeren en andere kwetsbare groepen te verbeteren?
Op de website van het RIVM zijn diverse brochures en folders te vinden over de maatregelen die vrouwen tijdens de zwangerschap kunnen nemen om infecties, ook met zoönosen, te voorkomen. Dieren op de (kinder)boerderij kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen die ook voor mensen gevaarlijk kunnen zijn. Daarom is het verstandig om bij het bezoeken van een (kinder)boerderij extra aandacht te besteden aan hygiëne. Beperk het aanraken van dieren, hooi, stro en mest, was de handen met zeep en veel water na contact met dieren en vóór het eten, eet niet tussen de dieren en eet geen voedsel dat op de grond is gevallen. Het is niet nodig dat zwangere vrouwen uit de buurt van stallen en kinderboerderijen blijven.
De stichting kinderboerderijen Nederland, waarbij veel kinderboerderijen zijn aangesloten, geeft borden uit waarin de risico’s voor zwangere vrouwen helder uitgelegd worden. De NVWA en diverse GGD’en stimuleren de kinderboerderijen uit hun regio om het keurmerk van deze stichting aan te vragen. De voorlichting op kinderboerderijen wordt dus steeds beter.
De voorlichting aan zwangere werknemers, zoals veehouders en dierenartsen, loopt via de ARBO route. Zo bevat de ARBO catalogus voor dierenartsenpraktijken van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde uitgebreide informatie voor zwangeren.
Bent u bereid de adressen van bedrijven waar het Schmallenbergvirus is vastgesteld openbaar te maken, zodat zwangere vrouwen en andere kwetsbare groepen hun eigen afweging kunnen maken met betrekking tot hun veiligheidssituatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze?
Op de website van de NVWA wordt een overzichtskaart bijgehouden waarop de met het Schmallenbergvirus besmette bedrijven zijn afgebeeld, daarbij wordt ook een lijst gepubliceerd met de plaatsen waar deze bedrijven zich bevinden.
Bent u bereid op korte termijn onderzoek in te stellen naar de mogelijke gevaren van het Schmallenbergvirus voor mensen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Zoals in de brief van de staatssecretaris van EL&I van 9 februari jl. is vermeld heeft het RIVM een onderzoeksvoorstel voorbereid om een indruk te krijgen of mensen bij blootstelling geïnfecteerd kunnen worden met het virus. Dit voorstel is besproken in een deskundigenberaad over het Schmallenbergvirus. Het advies van dit beraad zend ik u separaat toe.
2578 onderschepte dode zeepaardjes op Schiphol |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat een Peruviaanse vrouw die op Schiphol betrapt is met 2578 dode zeepaardjes in haar koffer enkel een boete hoefde te betalen en vervolgens haar reis naar Hongkong kon voortzetten?1
Ja.
Was er hier sprake van een steekproef of van een stelselmatige controle waarbij deze dieren werden aangetroffen?
Volgens het Openbaar Ministerie ging het in dit geval om een steekproefsgewijze controle.
Deelt u de mening dat Nederland een internationale verplichting heeft om zeepaardjes, net zoals andere bedreigde diersoorten, te beschermen en de handel in deze diersoorten te voorkomen?
Het zeepaardje is beschermd op grond van het CITES-verdrag, waaraan op Europees niveau toepassing is gegeven via de CITES-basisverordening. Nederland onderschrijft de doelen van het verdrag ten aanzien van de regulering van de handel in bedreigde dier- en plantensoorten ter bescherming van deze soorten.
Kunt u inzicht geven in het aantal en de aard van de inbeslagnames van beschermde en bedreigde diersoorten in onze lucht- en zeehavens in de afgelopen drie jaar? Wat is er vervolgens gebeurd met de inbeslaggenomen dode dieren?
In de afgelopen drie jaar zijn onderstaande aantallen planten, dieren en onderdelen daarvan, die op grond van het CITES-verdrag en de CITES-basisverordening worden beschermd, door de douane in beslag of in bewaring genomen en bij Dienst Regelingen in bewaring gegeven.
2009
2010
2011
Dode materialen
490
520
510
Levende dieren en planten
20
30
40
Totaal
510
550
550
De categorie levende dieren en planten bestaat vooral uit planten. Er worden slechts enkele levende dieren per jaar in beslag of in bewaring genomen.
Er wordt eerst nagegaan of in beslag of in bewaring genomen levende dieren terug kunnen naar het land van herkomst. Wanneer dit niet mogelijk is, worden dieren opgevangen bij een opvangadres in Nederland. In beslag of in bewaring genomen dode dieren en planten of delen daarvan worden in de regel, na vrijgave door het Openbaar Ministerie, onttrokken aan het verkeer door vernietiging. Zij mogen niet worden verhandeld. Enkele dode materialen die zeer bijzonder zijn, kunnen worden gebruikt voor educatieve doeleinden.
Is het waar dat Nederland een belangrijke rol speelt in de illegale handel en doorvoer van exotische dieren? Zo nee, waaraan ontleent u die zekerheid? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Ik beschik niet over aanwijzingen dat Nederland een belangrijke rol zou spelen in de illegale handel en doorvoer van exotische dieren. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 8.
Hoe hoog was de boete die de vrouw heeft moeten betalen? Waarom is de maximale strafmaat niet gehanteerd? In welke gevallen wordt de maximale strafmaat wel gehanteerd bij de illegale handel in bedreigde diersoorten?
Overtreding van het relevante artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet kan op grond van artikel 6, eerste lid onder 1, Wet op de economische delicten leiden tot een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar, een taakstraf of een geldboete van de vijfde categorie. Het Openbaar Ministerie heeft mij meegedeeld dat in dit geval een transactie is aangeboden van € 3500, die door verdachte is geaccepteerd. Ook zijn de zeepaardjes in beslag genomen en aan het verkeer onttrokken. Het Openbaar Ministerie heeft bij het bepalen van de hoogte van het transactievoorstel rekening gehouden met de straf die de rechter in soortgelijke gevallen heeft opgelegd. Voorts zijn de persoonlijke omstandigheden, waaronder de draagkracht, van verdachte meegewogen. Ten slotte is overwogen dat, gelet op het feit dat verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, de kans op een geslaagde vervolging en executie van een eventueel vonnis betrekkelijk gering was geweest.
Het opleggen van een gevangenisstraf kan, dit ter beoordeling van de rechter, in beeld komen als het gaat om complexe zaken waarin sprake is van een grote bedreiging van de te beschermen belangen, en uit het gedrag van de verdachte(n) bijvoorbeeld blijkt van een hoge organisatiegraad, een commercieel motief, het meermalen overtreden van de wettelijke voorschriften en/of een hoge omzet.
Deelt u de mening dat deze straf te laag is gezien de enorme hoeveelheid zeepaardjes die de vrouw smokkelde en het feit dat alle soorten zeepaardjes in hun voortbestaan bedreigd worden?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het afschrikeffect van een boete zo laag is dat het mensen niet zal verhinderen bedreigde diersoorten (nogmaals) binnen te smokkelen, vooral gezien het feit dat de handel in bedreigde diersoorten erg lucratief is en individuen, die beschermde diersoorten smokkelen, vaak in opdracht werken van een crimineel georganiseerd netwerk? Deelt u de mening dat met het enkel opleggen van boetes aan deze individuen niet de bron, wordt namelijk de kopstukken uit de georganiseerde handel in dieren, aangepakt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen treft u om de georganiseerde handel in dieren effectiever aan te pakken?
In het strafvorderingsbeleid op het beleidsterrein natuur is opgenomen in welke gevallen, waaronder gevallen van het vervoeren van beschermde diersoorten, het volgens het Openbaar Ministerie gepast is een boete te eisen, waarbij afschrikking wordt meegewogen. Bij recidive vindt verhoging van de boetebedragen plaats. Ik heb met dit strafvorderingsbeleid ingestemd en sta daar nog steeds achter.
Met strafrechtelijk optreden tegen degenen bij wie de dieren zijn aangetroffen worden ook eventuele organisatoren op de achtergrond in zeker mate geraakt, doordat de in beslag genomen dieren niet verder kunnen worden verhandeld. Criminaliteit in relatie tot internationaal georiënteerde, georganiseerde handel is een prioriteit van de bijzondere opsporingsdienst van de NVWA en het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie. Om het afschrikeffect te verhogen wordt daarbij altijd gekeken naar de mogelijkheden om het wederrechtelijk verkregen voordeel af te pakken.
Onder verantwoordelijkheid van de Stuurgroep CITES zal in 2012 een proeftuin worden gestart gericht op (mogelijke) georganiseerde illegale handel in beschermde dier- en plantensoorten. Hieraan zullen ondermeer de NVWA, de politie en de douane deelnemen. Doelen zijn onder andere het blootleggen van (mogelijke) georganiseerde verbanden en het geven van adviezen voor de effectieve aanpak van internationaal georiënteerde (georganiseerde) criminaliteit op het gebied van CITES.
Deelt u de mening dat de smokkel in bedreigde diersoorten te vergelijken is met de handel in drugs, gezien het feit dat er in de handel in bedreigde diersoorten grote sommen geld omgaat en er vaak een netwerk van georganiseerde handel achter schuil gaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de maatregelen en strafmaten gelijk te trekken aan de maatregelen en strafmaten die worden gehanteerd voor het tegengaan van drugshandel?
Het voor overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet geldende strafmaximum van zes jaar gevangenisstraf is al het hoogst mogelijke strafmaximum voor een economisch delict. Op de in- en uitvoer van softdrugs is een strafmaximum gesteld van vier jaar gevangenisstraf. De in- en uitvoer van harddrugs kan met maximaal 12 jaar gevangenisstraf worden bestraft. Het relevante criterium is het beschermde belang. Het beschermde belang is bij het vaststellen van de strafmaat voor het handelen in harddrugs door de wetgever anders gewaardeerd dan bij de strafmaat voor het handelen in beschermde diersoorten. Ik zie geen aanleiding de door de wetgever gemaakte afweging ter discussie te stellen.
Overigens gelden de maatregelen uit Titel IIA van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht gelden al voor feiten die op grond van de Wet op de economische delicten en de Opiumwet zijn strafbaar gesteld.
op-schiphol.html
Een vrijwillig wetenschappelijk moratorium van 60 dagen op onderzoek naar levensgevaarlijk vogelgriepvirus |
|
Henk Jan Ormel (CDA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het wereldwijde vrijwillige moratorium op het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek met hoogpathogene aviaire influenza H5N1 virussen gedurende 60 dagen?1
Ik vind het belangrijk dat de discussie over dit onderzoek zorgvuldig gevoerd wordt. De uitkomsten zullen in de toekomst dienen om ander onderzoek aan te ijken. Doel is in overleg tot een voor alle partijen werkbare oplossing te vinden die de wetenschappelijke vrijheid respecteert en ondersteunt, maar waarborgen schept voor non-proliferatie. Het vrijwillige moratorium laat zien dat ook de wetenschap het dual use dilemma belangrijk vindt. Ik kan dit alleen maar toejuichen.
Wordt er, zoals voorgesteld in Science, gedurende deze 60 dagen een internationaal forum georganiseerd over de voor- en nadelen van onderzoek naar het ontstaan van een humane influenza epidemie? Wie organiseert dit forum?
Nederland heeft, samen met de Verenigde Staten, de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) verzocht een faciliterende rol te spelen in deze discussie en een internationaal overleg te organiseren. De WHO organiseert naar aanleiding hiervan op 16 en 17 februari een eerste overleg. Aan tafel zitten – naast de WHO – onder andere experts uit de VS, Japan, Nederland, Vietnam en Indonesië. Het overleg heeft het karakter van een technische bijeenkomst met een wetenschappelijke insteek vanuit een gezondheidsperspectief. De uitkomst ervan kan dienen als input voor mogelijke vervolgbijeenkomsten, waarbij ook andere landen kunnen aansluiten.
Het huidige dilemma benaderen vanuit het gezondheidsperspectief alleen is echter niet voldoende. Deze discussie moet nadrukkelijk óók gevoerd worden vanuit andere invalshoeken, zoals het veiligheids- en een non-proliferatieperspectief, om tot een gebalanceerd standpunt te komen. Bovendien moet worden gekeken naar de verplichtingen waaraan Nederland en andere landen internationaalrechtelijk gebonden zijn. Ik zie de bijeenkomst van de WHO dan ook nadrukkelijk als een start van een internationaal debat over het delen van de resultaten van dit type onderzoek. In dat debat zullen de gezondheidskundige voordelen moeten worden afgewogen tegen de risico’s.
Neemt de Nederlandse overheid deel aan dit forum?
Ja.
Vindt u dat een moratorium van 60 dagen genoeg is om wereldwijd tot afspraken te kunnen komen over veiligheidsnormen voor onderzoek naar het ontstaan van een humane influenza epidemie?
Of een moratorium van 60 dagen voldoende zal zijn om tot wereldwijde afspraken te komen zal de tijd moeten uitwijzen. Als meer tijd nodig is dan verwacht ik dat partijen hun verantwoordelijkheid nemen. Ik constateer in elk geval dat er een zorgvuldig proces in gang is gezet om tot een uitkomst te komen.
Vindt u het wenselijk dat onderzoekgegevens naar het muteren van een influenza H5N1 virus zonder enige terughoudendheid gepubliceerd kunnen worden?
Dit is geen eenvoudige vraag en schetst het dual use dilemma waar we nu mee te maken hebben. Er moet rekening worden gehouden met internationale instrumenten zoals het Biologische en Toxine Wapenverdrag, VN Veiligheidsraadresolutie 1 540 en het Pandemic Influenza Preparedness Framework (PIPF). Enerzijds is er de wetenschappelijke vrijheid en het belang voor de volksgezondheid, anderzijds zijn er de veiligheids en non-proliferatie aspecten. Ik vind het dan ook belangrijk dat er internationaal vanuit meerdere invalshoeken naar dit dilemma gekeken wordt. Ik kan en wil dan ook nu niet vooruitlopen op de uitkomsten van de internationale discussies die hierover op dit moment gevoerd worden.
Zijn er door de Nederlandse overheid vergunningen verleend voor wetenschappelijk onderzoek naar andere micro-organismen die een potentieel gevaar voor de volksgezondheid en de staatsveiligheid kunnen opleveren? Zo ja, kunt u daar een overzicht van geven?
De Nederlandse overheid houdt via vergunningen of anderszins toezicht op wetenschappelijk onderzoek met potentieel gevaarlijke, al dan niet genetisch gemodificeerde micro-organismen. Het toezicht van de overheid waarborgt daarbij dat het onderzoek uitgevoerd wordt op een manier die geen gevaar oplevert voor de volksgezondheid, bijvoorbeeld met behulp van veiligheidsvoorschriften. De overheid heeft vanuit de toezichtstaak overzicht over de verschillende onderzoeksprojecten. Juist in het belang van de staatsveiligheid kan er geen openbaar overzicht van die projecten worden gegeven.
Deelt u de mening dat het risico van bioterrorisme zeker zo groot is als het risico van nucleair terrorisme en dat wetenschappelijke publicaties aan dezelfde voorwaarden moeten voldoen?
De risico’s van verschillende uitingen van terrorisme laten zich niet eenvoudig vergelijken, vanwege de verschillen in aard van de terroristische daden en de mogelijke gevolgen ervan. Voor zowel het maken van biologische wapens als nucleaire wapens is veel specialistische kennis, kunde en materiaal nodig. Het wordt op dit moment niet waarschijnlijk geacht dat een terroristische groepering op eenvoudige wijze deze wapens kan vervaardigen. Het blijft echter van het grootste belang dat zowel tegen nucleair terrorisme als tegen bio-terrorisme gepaste maatregelen worden genomen. Wat dit betekent voor de wijze waarop omgegaan moet worden met wetenschappelijke publicaties voor het biologische terrein, daarover loopt nu juist de internationale discussie (zie ook het antwoord op vraag 2).
Hoe is de controle op deze risico’s geregeld bij publicaties over nucleair onderzoek?
Het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet bevat bepalingen die de vertrouwelijkheid van gevoelige informatie over nucleaire technologie waarborgen. Hieronder vallen ook onderzoeksresultaten. Daarnaast geldt voor de uitvoer van nucleaire goederen en technologie een vergunning vereist is van de Staatssecretaris van EL&I.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat in de Europese Unie een orgaan wordt opgericht dat, naar analogie van het National Science Advisory Board for Biosecurity in de Verenigde Staten, artikelen beoordeelt op het risico dat mogelijke informatie in handen van terroristen kan komen?
Ik vind het belangrijk dat we een manier vinden om vooraf en/of achteraf een moment van reflectie in te bouwen wanneer we nieuwe onderzoeksvragen bekijken die vergelijkbare gevolgen kunnen hebben als het onderhavige. Ik vind dat een dergelijke risicobeoordeling bij uitstek een overheidstaak is. Er zijn meerdere manieren om dit te organiseren. Een werkwijze als met een met de NSABB vergelijkbare organisatie, die de overheid adviseert over risico’s, is er daar één van. Ik wil in de komende maanden nagaan welke andere mogelijkheden er zijn en welke daarvan wenselijk en mogelijk zijn. Alle keuzen roepen beleidsmatige vragen op waar ik op dit moment nog geen antwoord heb en die ook in internationaal verband moeten worden beantwoord. Ik zal die daar agenderen.
Wanneer kan de Kamer de brief verwachten over het al dan niet publiceren van onderzoekgegevens die een potentieel gevaar voor de volksgezondheid en de staatsveiligheid kunnen opleveren, waarin verzocht in de regeling van werkzaamheden op 21 december 2011, voordat het vrijwillige moratorium afloopt?
Parallel aan deze set Kamervragen.
De onbeheersbaarheid van de populatie wilde zwijnen bij het Leenderbos door toedoen van jagers |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat volgens boeren de populatie wilde zwijnen nabij het Leenderbos onbeheersbaar is geworden door toedoen van jagers?1
Ja.
Is het waar dat boeren met gebruikmaking van kunstlicht willen jagen en dat deze jachtmethode in strijd is met de Beneluxovereenkomst? Zo nee, op welke informatie baseert u uw antwoord?
De Benelux-regelgeving inzake Jacht en Vogelbescherming2 verbiedt het gebruik van kunstlicht bij de uitoefening van de jacht. Deze regelgeving ziet op de harmonisatie van de jachtregelgeving binnen de Benelux. De jacht op het wild zwijn is in Nederland niet toegestaan. Het is immers niet aangewezen als bejaagbare soort. De genoemde Benelux-regelgeving is niet van toepassing op beheer en schadebestrijding tegen niet bejaagbare soorten. Te uwer informatie vermeld ik nog dat de Secretaris-Generaal van de Benelux een voorstel tot verduidelijking van de beschikkingen bij de Benelux-overeenkomst Jacht en Vogelbescherming in procedure heeft gebracht.
Ik ondersteun dat voorstel omdat ik vind dat gedeputeerde staten als verantwoordelijke voor de uitvoering van beheer en schadebestrijding, moet kunnen kiezen uit een breed palet van middelen. Bij die keuze moet niet de harmonisatie van jachtregelgeving een rol spelen, maar de vraag of de toepassing van het middel bijdraagt aan de effectieve uitvoering zonder onnodig lijden bij het dier te veroorzaken
Is het waar dat jagers er belang bij hebben de populatie zodanig te beheren dat er voldoende te schieten overblijft en er daardoor conflicterende belangen tussen jagers en boeren ontstaan? Zo nee, waarop baseert u uw antwoord? Zo ja, welke consequenties verbindt u hier aan?
Er is geen sprake van een gewapend conflict, van rivaliserende groepen wapendragers of impliciete dreigementen. Provincie Noord-Brabant is verantwoordelijk voor het beheer van schadeveroorzakende soorten in de provincie. De betrokken boeren hebben hun bezwaar bij gedeputeerde staten ingediend. Het is aan hen om over deze zaak te oordelen. Bij het beheer van de zwijnenpopulatie is een goede coördinatie van de activiteiten van belang. Dit geldt in het bijzonder bij afschot na zonsondergang, wanneer het beperkte zicht tot gevaarlijke situaties kan leiden.
Is het waar dat de rivaliteit tussen jagers en boeren zo hoog is opgelopen dat samen jagen tot veiligheidsproblemen zou kunnen leiden? Zo ja, moet hierbij gedacht worden aan een gewapend conflict en welke consequenties verbindt u hier aan? Zo, nee, waarom niet en waar moet dan wel aan gedacht worden?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is dat rivaliserende groepen wapendragers in de Nederlandse samenleving spreken over veiligheidsproblemen wegens tegengestelde belangen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen wilt u nemen om dit op te lossen?
Zie antwoord vraag 3.
Weet u dat de adjunct-secretaris van Faunabeheereenheid Noord-Brabant heeft gesteld dat hij vanwege de veiligheid boeren en jagers niet samen wil laten jagen? Is dit naar uw mening bedoeld als een impliciet dreigement? Zo nee, hoe dan?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het laten beheren van dierpopulaties niet aan actieve belanghebbende jagers kan worden overgelaten gelet op de ontstane problemen in Brabant? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke beleidsmaatregelen gaat u nemen om de jacht en het beheer door deze belanghebbenden in te perken?
Regionale jagers zijn goed in staat om een bijdrage te leveren aan beheer en schadebestrijding. De in het artikel geschetste tegengestelde belangen herken ik niet.
Een Russische importstop vanwege het Schmallenbergvirus |
|
Henk Jan Ormel (CDA) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de importstop die Rusland heeft afgekondigd voor geiten en schapen vanwege het Schmallenbergvirus?1
Ik betreur de maatregelen die Rusland heeft genomen en zet mij er voor in om de grens zo snel mogelijk weer open te krijgen.
Direct nadat de Russische importbeperking bekend werd heb ik een brief aan de Russische autoriteiten geschreven met daarin een overzicht van de actuele stand van zaken en een opsomming van de acties die ik in gang heb gezet. Nadat dit weekend het virus in Nederland ook werd geconstateerd bij twee kalveren is daarover op maandag 23 januari een brief met aanvullende informatie gestuurd.
Het bedrijfsleven is ook direct op de hoogte gesteld van de beperkingen. Ik heb ook een gesprek gearrangeerd met de Russische Minister van Landbouw tijdens de Grüne Woche in Berlijn op 20 januari. Met Minister Skrynnik ben ik overeengekomen dat experts van de Europese Commissie, Duitsland en Nederland en haar experts om de tafel gaan zitten om de zaak in detail te bespreken.
Dit overleg zal naar verwachting op 30 januari in Moskou plaatsvinden.
Zijn er meer landen die een importstop overwegen?
Mexico heeft de import uit Nederland van genetisch materiaal van alle herkauwers gestopt. Ook naar de Mexicaanse autoriteiten is een brief uitgegaan. De veterinaire autoriteiten van de Volksrepubliek China en Argentinië hebben schriftelijke vragen gesteld. Deze zijn direct per brief beantwoord.
Gaat Rusland er van uit dat het virus via vlees, eicellen en sperma verspreid kan worden en deelt u die mening? Zo nee, is een importstop dan te rechtvaardigen?
De precieze Russische overwegingen die ten grondslag liggen aan de importbeperking zijn mij niet bekend.
Geldt de importstop voor alle landen waar het Schmallenbergvirus is aangetoond?
Ja.
Welke activiteiten zijn vanuit de Europese Unie en vanuit Nederland ondernomen om direct na het melden van de uitbraak voldoende uitleg te geven over alle tot nu toe bekende gegevens van het Schmallenbergvirus? Wat is de rol van de Standing Committee on the Food Chain and Animal Health (SCOFCAH) hierin?
Zie vraag 1.
Verder is er in het SCOFCAH gesproken over de uitbraak van het Schmallenbergvirus in diverse landen en heeft er op 20 januari 2012 een extra vergadering plaatsgevonden om met de lidstaten een handleiding voor monitoring van het Schmallenbergvirus te ontwikkelen.
In het SCOFCAH en de CVO-vergadering (Chief Veterinary Officers) worden alle relevante ontwikkelingen rond het Schmallenbergvirus besproken met de Lidstaten en de Europese Commissie.
De Europese Commissie heeft verder een informatiedocument verspreid naar de vertegenwoordigingen van de Europese Unie in landen buiten de EU.
Hoe groot is het risico dat er ook een importstop voor runderen wordt afgekondigd? Wat is de geschatte schade voor het Nederlandse bedrijfsleven van deze importstop?
Nu het virus ook is aangetroffen bij kalveren neemt het risico toe dat landen preventief hun grenzen tevens sluiten voor fokdieren, sperma en embryo’s van runderen.
De volgende exportcijfers zijn bekend.
2010
2011 t/m juni
2010
2011 t/m juni
aantallen
aantallen
€x1000
€x1000
Levende runderen
Export wereld
44 745 st
24 000 st
68 000
42 000
Waarvan buiten EU
18 719 st
13 000 st
31 000
24 000
Waarvan Rusland
9 000 st
6 500 st
19 000
13 000
Acht u het risico aanwezig dat landen terughoudend worden in het melden van ziekte uitbraken als importerende landen bij iedere melding van een dierziekte direct hun grenzen sluiten?
Nee, ieder land zal beseffen dat het niet melden uiteindelijk meer schade zal opleveren voor bestaande handelsrelaties. Hoe sneller de situatie in kaart gebracht kan worden, hoe sneller er gewerkt kan worden aan oplossingen.
Kunt u deze vragen beantwoorden in geval u op de aanstaande Grüne Woche in Berlijn van 19 tot 21 januari 2012 uw Russische ambtsgenoot hierover hebt gesproken en daar ook verslag van doen?
Zie vraag 1.
De bouw van een gigastal bij Grubbenvorst |
|
Rik Grashoff (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wakkerdier maakt bezwaar tegen «gigastal»?1
Ja.
Klopt het dat het hierbij om een veehouderij zou gaan met meer dan 1 miljoen kippen en 35 000 varkens?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich uw uitspraak van 23 november 2011 tegenover de NOS, waarbij u aangeeft: «Excessen, zoals een bedrijf met een miljoen kippen of meer, of twee of drieduizend melkkoeien of meer, passen niet bij Nederland. Gelukkig hebben we die excessen ook niet»?2
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw kwalificatie van de plannen voor het realisatie van een veehouderij met een dergelijke omvang?
Ik verwijs u hiervoor kortheidshalve naar de uitgebreide antwoorden over vergelijkbare vragen die ik uw Kamer op 1 december 2011 heb gegeven (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 816 ).
Heeft u mogelijkheden om de bouw van deze gigastal te voorkomen? Zo ja, bent u bereid van deze mogelijkheden gebruik te maken? Zo ja, hoe en op welke termijn? Als u deze mogelijkheden niet heeft, bent u dan bereid deze wettelijke mogelijkheden te creëren en op welke termijn?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om met de provincie Limburg in gesprek te gaan om de aanleg van deze «gigastal» te voorkomen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De 28 in beslag genomen pony’s in Elkenrade |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Hebt u de beelden gezien die «Vandaag de dag» heeft gemaakt van één van de in beslag genomen pony’s die Stichting Paard in Nood onder haar hoede heeft genomen, nadat het dier voor verkoop was vrijgegeven door Dienst Regelingen?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een in beslag genomen pony, na vier weken te zijn verzorgd op een door aangewezen opvangadres, onder de aangekoekte mest bleek te zitten en zelfs een ontsteking had aan de achterhand? Vindt u dit een voorbeeld van goede verzorging van pony’s? Kunt u uw antwoord toelichten?
De dieren waren extreem vermoeid toen ze bij de opvang aankwamen. Op aanraden van de dierenarts is ervoor gekozen de paarden vooral rust te geven.
De huisvesting en voeding van de paarden en pony’s zijn goed geweest. De eerste periode is gezorgd voor noodzakelijke medische hulp, een goed strobed, rust en aangepaste voeding. De niet direct noodzakelijke verzorging zou in een later stadium plaatsvinden. Dit om de paarden zo goed mogelijk te laten herstellen en zo veel mogelijk te ontlasten.
In dit geval heeft een eerdere eigenaar van deze pony zich gemeld. Dienst Regelingen heeft voor de overdracht richting laatstgenoemde aangegeven dat de pony nog aan het herstellen was van de situatie waaruit deze gehaald was. Ook is aangegeven dat dit herstel tijd nodig heeft. Daarnaast is aangegeven dat het dier nog viezigheid in de vacht had. Door het jaargetijde is er niet voor gekozen het dier te scheren. Het was verstandiger geweest om te wachten met de overdracht tot het dier ook de niet direct noodzakelijke zorg gekregen had.
Het is voor mij op basis van dit videomateriaal lastig vast te stellen welke vooruitgang de pony bij de nieuwe eigenaar heeft gemaakt.
Kunt u uitleggen hoe het mogelijk is dat één van de in beslag genomen pony’s dankzij de zorg van Stichting Paard in Nood binnen drie dagen enorm is opgeknapt en dit bij het tijdelijke opvangadres, onder uw verantwoordelijkheid niet gelukt is, terwijl de pony daar vier weken heeft gestaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan het dat verwaarloosde dieren, na inbeslagname, de benodigde zorg niet krijgen op het opvangadres, terwijl u eerder heeft aangegeven dat opvangplaatsen voor in beslag genomen dieren onderworpen zijn aan strenge controles?
De opvangadressen zijn gecontroleerd en goed bevonden. In de overeenkomst is vastgelegd aan welke eisen de opslaghouder moet voldoen. In dit specifieke geval is een aantal punten ten aanzien van de verzorging nog niet gedaan, omwille van de rust die de pony nodig had.
Is het waar dat één van de in beslag genomen pony’s op het opvang-adres is overleden? Zo ja, kunt u uiteenzetten wat de oorzaak is van het overlijden van deze pony? Hoe was de situatie van dit dier op het moment dat het in beslag werd genomen? Is er een dierenarts geconsulteerd? Welke zorg heeft de pony op het tijdelijke opvangadres gekregen?
Ja, er is inderdaad één pony overleden. Gezien de leeftijd en de situatie waaruit hij is gehaald is dit niet verwonderlijk. De pony heeft alle nodige zorg ontvangen. De dierenarts heeft aangegeven dat de pony door een hartstilstand is overleden.
Kunt u uiteenzetten hoe vaak, op welke manier en door welke personen met welke competenties tijdelijke opvangplaatsen worden gecontroleerd voordat er dieren worden ondergebracht en nadat er dieren zijn geplaatst? Hoe wordt omgegaan met opvangplaatsen die niet aan de wettelijke verplichtingen blijken te voldoen?
Nee, ik deel de mening niet dat de controles aangescherpt moeten worden.
Jaarlijks worden alle opvangplaatsen landbouwhuisdieren en paarden door de NVWA gecontroleerd. Ook medewerkers van DR gaan regelmatig bij de opvangplaatsen langs om te beoordelen of de dieren de benodigde verzorging krijgen.
Indien blijkt dat bepaalde opvangplaatsen niet aan de wettelijke verplichtingen voldoen dan zal een termijn worden gegeven om de tekortkomingen te herstellen. Door middel van een controlebezoek kan worden vastgesteld of de opvanglocatie weer aan de wettelijke eisen voldoet. Indien blijkt dat niet aan de wettelijke eisen wordt voldaan, wordt de overeenkomst ontbonden.
Deelt u de mening dat de controles op (tijdelijke) opvangadressen aangescherpt moeten worden, zodat verwaarloosde dieren na inbeslagname niet in exact dezelfde situatie terecht komen als waaruit ze zijn weggehaald? Zo ja, hoe wilt u dit gaan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Mogelijkheden tot het verlagen van het aantal dierproeven |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de kritiek van prof.dr. H. Schellekens betreffende het gebrek aan voorspellend vermogen van testen op proefdieren en de huidige, verouderde methoden voor de ontwikkeling van alternatieven voor proefdieronderzoek?1
De voorspellende waarde van dierproeven is soms beperkt. We zien juist op dit gebied de uitdaging om proefdiervrije alternatieven te ontwikkelen, die een betere voorspellende waarde hebben voor de mens. Uitermate belangrijk hierbij is de vraag «wat willen we precies weten op het gebied van gezondheid, ziekte en veiligheid», in dit geval de veiligheid van medicijnen. Dit is zowel een wetenschappelijk als een maatschappelijk vraagstuk en met het laatste ook een bestuurlijke uitdaging. De keuzes op dit vlak moeten leiden tot maatschappelijke en uiteindelijk ook internationale, regulatoire acceptatie. We willen immers het proefdiergebruik terugdringen en de veiligheid van geneesmiddelen borgen. Dierproeven worden vooralsnog noodzakelijk geacht om complexe maatschappelijk relevante vragen op dit gebied te beantwoorden. Dit blijkt althans uit uitgebreide consultaties van het wetenschappelijke veld.
Hoe staat u tegenover de nieuwe manier van risicobeoordeling die gericht is op de aandoeningen of gezondheidsschade bij de mens die men wil voorkomen, tegenover het verouderde kader waarin de werking van een stof in dieren, zoals bijvoorbeeld naar voren gebracht in het rapport «Het proefdier voorbij»2 en welke stappen neemt u om dit toe te passen en te bevorderen?
Deze beweging wordt in bepaalde kringen ook wel «paradigmashift» genoemd (zo ook in het rapport «Het proefdier voorbij»). Ik draag hieraan bij met het Actieplan Dierproeven en Alternatieven 2011–2021 en met het programma «Meer Kennis met Minder Dieren» van ZonMw, waaraan ook de gedachte van een paradigmashift ten grondslag ligt en waarin gewerkt wordt aan proefdiervrije technieken. Ook het beleidsondersteunend onderzoek bij het RIVM, TNO en het RIKILT is gericht op de vernieuwing van de risicobeoordeling in deze zin. Verder wordt de brug geslagen in het innovatiecontract Topsector Life Sciences and Health. Ik hecht eraan de verwachtingen – ten aanzien van het reducerend effect op het proefdiergebruik op de korte termijn – op een realistisch niveau te brengen. De vernieuwing van de risicobeoordeling is een buitengewoon complex wetenschappelijk vraagstuk, waarvan dierexperimenteel onderzoek voorlopig deel zal blijven uitmaken. In dit opzicht zijn de V's van «Vermindering» en «Verfijning» onverminderd actueel.
Zijn er al proeftuinen gerealiseerd waar ondernemers, wetenschap en overheid zich volgens het concept van «Het proefdier voorbij» richten op productontwikkeling van risicotesten die niet langer dierexperimenteel onderzoek nodig hebben?
Nee, er zijn nog geen proeftuinen gerealiseerd. Op dit moment zijn alle inspanningen gericht op de uitwerking van de innovatiecontracten. Hiervoor is een brede consultatie gaande. De invulling van de innovatiecontracten gaat vooraf aan de inrichting van de proeftuinen.
Welke maatschappelijke organisaties zijn betrokken bij de proeftuinen en het topsectorenbeleid?
Er zijn nog geen proeftuinen. Welke maatschappelijke organisaties bij de proeftuinen betrokken zijn, is daarom nog niet bekend. In het algemeen is bij het topsectorenbeleid met name sprake van betrokkenheid van het bedrijfsleven, van kennisinstellingen en van diverse koepelorganisaties, zoals bijv. koepels van (academische) ziekenhuizen en patiëntenorganisaties.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het algemeen overleg over dierproeven op 8 december 2011?
Ja.
Het mogelijk versoepelen van de regelingen om honden als trekdier in te kunnen zetten |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Is het waar dat het u werkt aan een nieuwe regeling voor de ontheffingen op het verbod om een hond als trekkracht te gebruiken?
Ten behoeve van de sledehondensport is krachtens art. 107 van de Gezondheids en welzijnswet voor dieren (GWWD) vrijstelling verleend van het verbod om honden als trekkracht te gebruiken. In de Vrijstellingsregeling dierenwelzijn zijn de vijf hondenrassen aangewezen waarop de vrijstelling van toepassing is.
De rassen zijn: Alaskan Malamute, Eskimohond, Groenlandse hond, Samojeed en Siberian husky. Eigenaren van andere hondenrassen waarmee men sledehondensport of andere vormen van trekkracht door honden wil beoefenen, kunnen op basis van artikel 107 van de GWWD een verzoek tot ontheffing van het verbod op trekkracht indienen bij het ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie.
Momenteel wordt gewerkt aan het formaliseren van de procedure waarmee de verzoeken tot ontheffing van het verbod op trekkracht beoordeeld worden. Dit in verband met het streven naar uniformiteit en transparantie in de besluitvorming bij het al dan niet verlenen van ontheffingen. Er is dus geenszins sprake van een beleidswijziging ten aanzien van het verlenen van een ontheffing. Bij de beoordeling zal artikel 36 van de GWWD, net zoals dat nu ook gebruikelijk is, uitgangspunt blijven.
Zo ja, wat is de reden dat u een nieuw protocol wil opstellen?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat met de invoering van het nieuwe protocol het gemakkelijker wordt om honden als trekdier in te kunnen zetten? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot art. 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren1 dat stelt dat het verboden is om zonder redelijk doel of met overschrijding van het geen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen? Zo nee, wat denkt u dan met dit nieuwe protocol te bereiken?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat ontheffingen op wettelijke verboden ongewenst zijn en tot het minimum beperkt moeten worden? Zo ja, waarom wenst u dan meer ontheffingen te gaan verlenen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat aan een ontheffing de voorwaarde wordt verbonden dat alle honden jaarlijks, vóór aanvang van het seizoen, röntgenologisch worden onderzocht door een gespecialiseerde instantie, waarbij de Nederlandse normen worden gehanteerd, om te kunnen waarborgen dat niet alleen honden zonder afwijkingen beginnen aan het trekken van een kar, maar alle honden die een kar trekken gezond zijn en dat een hond enkel bij een negatieve uitkomst van de beoordeling op één van de afwijkingen, gedurende één jaar trekkracht mag verrichten?
Zoals ik al aangaf, wordt er gewerkt aan het formaliseren van de procedure waarmee de verzoeken tot ontheffing van het verbod op trekkracht beoordeeld worden. Een vast onderdeel hiervan is dat er door de dierenarts een verklaring omtrent gezondheid en welzijn dient te worden opgemaakt. Dat wordt ook nu al als eis gesteld.
Bent u bereid de Kamer over de nieuwe regeling te informeren en deze te bespreken, voordat deze van kracht wordt? Zo ja, wanneer kan de Kamer het bericht hierover verwachten? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen aanleiding om u dit te sturen want het is bestaande regelgeving.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vόόr het algemeen overleg Dierhouderij op 14 december a.s.? (...)
Zie antwoord vraag 1.
Een megastal met 1 miljoen kippen |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de plannen van het Nieuw Gemengd Bedrijf (NGB) in Horst aan de Maas voor een stal met 1,2 miljoen kippen en 35 000 varkens en het feit dat de gemeente het bestemmingsplan wil aanpassen ten gunste van het NGB?1
Ja. De bestemmingsplanwijziging die is opgestart in juni 2010 vindt plaats in verband met de realisatie van het landbouwontwikkelingsgebied (log) Witveldweg en is conform de gebiedsvisie log Witveldweg die in de Gemeenteraad d.d. 12 februari 2008 is vastgesteld. Dit gebied is 211 ha groot, het NGB maakt daar deel van uit. Sinds 2004 is NGB in overleg met de gemeente over vestiging in het log en de bouwvergunning voor het NGB is aangevraagd op 6 augustus 2010.
Hoe verhoudt zich dit tot uw eerdere uitspraken dat u 1 miljoen kippen als exces ziet en veronderstelt dat dit in Nederland niet voorkomt?2
Ik heb aangegeven dat een zeer gering percentage van de bedrijven een grotere omvang heeft dan wat overeenkomt met een bedrijf waar één of twee gezinsinkomens uit behaald kunnen worden. Bestaande bedrijven die qua omvang daar boven zitten komen dus ook voor. Zoals ik in mijn visie veehouderij heb aangegeven, biedt het huidige ruimtelijke ordenings- en milieuinstrumentarium provincies en gemeenten de mogelijkheden te sturen op een goed woon- en leefklimaat in de directe omgeving van de locatie van het NGB. Als een dergelijke grootschaligheid de toekomstige hoofdontwikkelrichting gaat worden, dan wil ik een grens kunnen stellen aan de omvang van bedrijven op een locatie. Op dit moment is ingrijpen voor het kabinet niet aan de orde.
De gemeente Horst aan de Maas streeft naar een goede inpassing van het NGB in de lokale omgeving en heeft hiertoe in samenwerking met onder andere landschapsarchitecten en de omgeving een landschapsplan opgesteld en op 20 oktober 2009 vastgesteld.
Bent u bereid in te grijpen in de situatie in Horst aan de Maas? Welke middelen heeft u hiertoe beschikbaar?
Zie antwoord vraag 2.
Indien u hier wettelijk gezien geen mogelijkheden toe ziet, bent u dan bereid op zeer korte termijn een reparatiewet te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u op de hoogte van het feit dat de provincie Limburg op 15 november jl. besloten heeft een oprichtingsvergunning te verstrekken aan het NGB (in het kader van de Milieuwet) en derhalve ook geen gevolg geeft aan uw oproep om te wachten met aanpassing van bestemmingsplannen totdat het advies van de Gezondheidsraad binnen is?
De milieuvergunningen zijn bij de provincie Limburg aangevraagd op 30 september 2010. De provincie Limburg heeft op 15 november 2011 twee ontwerpbeschikkingen vastgesteld en ter inzage gelegd ten behoeve van een pluimveebedrijf met bio-energiecentrale en voor een varkensbedrijf. Beide bedrijven vormen samen het Nieuw Gemengd Bedrijf. Na afloop van de inzageperiode op 4 januari 2012 zal de provincie met inachtneming van de eventueel ontvangen zienswijzen een besluit nemen over de beide ontwerpbeschikkingen.
De gemeente Horst aan de Maas heeft de GGD Limburg-Noord opdracht gegeven het IRAS-rapport «Mogelijke effecten van intensieve veehouderij op de gezondheid van omwonenden» te vertalen naar de locatie NGB en de directe omgeving, waarbij het advies van de GGD antwoord dient te geven op de vraag of de komst van het NGB tot zodanige gezondheidsrisico’s leidt in de directe omgeving en in de omliggende woonkernen, dat vestiging van het NGB niet verantwoord is. Daarnaast heeft de gemeente een fijnstofmeetpunt ingericht in de nabijheid van het log Witveldweg.
De bouwvergunningaanvragen dateren van 6 augustus 2010. Er is geen sprake van nieuwe aanvragen als bedoeld in de motie van de leden Grashoff en Van Veldhoven (TK kamerstuk 28 286, nr. 488). Op 5 juli 2011 heeft de gemeente de ontwerp-projectbesluiten en ontwerp-bouwvergunningen voor het NGB vastgesteld en ter inzage gelegd. Op 22 november 2011 heeft de gemeenteraad het procesvoorstel besluitvorming NGB vastgesteld. Hierin is opgenomen dat aan de hand van het GGD-advies en de resultaten van de fijnstofmetingen van het ingerichte fijnstofmeetpunt het college en daaropvolgend de raad zullen bepalen of de in gang gezette projectbesluit- en bouwvergunningsprocedure voor het NGB kan worden voortgezet.
Bent u bereid richting provincie actie te ondernemen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u op de hoogte van het feit dat de gemeente Horst aan de Maas uw voorgaande verzoek om te wachten, totdat het landelijk gezondheidsonderzoek is verricht met het verlenen van vergunningen, ook aan de kant heeft gezet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke communicatie heeft hierop tussen u en de gemeente plaatsgevonden?
Aan de gemeente is informatie gevraagd naar aanleiding van de gestelde vragen. De verkregen informatie heb ik betrokken bij de beantwoording.
Wilt u deze vragen voor 1 december 2011 beantwoorden in verband met het algemeen overleeg Intensieve veehouderij?
Ja.
Het bericht dat de BSE-controle in Polen zwak en onvolledig is |
|
Janneke Snijder-Hazelhoff (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «BSE-controle Polen zwak en onvolledig»?1
Ja.
Kunt u zich vinden in het signaal uit het bericht dat de naleving van de BSE-regelgeving in Polen nog steeds gebrekkig is? Zo nee, waarom niet?
Nee, het artikel is gebaseerd op een audit van de Food and Veterinary Office (FVO) van de Europese Commissie naar de Poolse BSE-maatregelen (juni 2011). De FVO concludeerde dat de naleving in Polen in grote lijnen bevredigend is, maar op een aantal punten verbetering behoeft.
Deelt de u opvatting dat de EU een rol heeft in het verbeteren van het toezicht op de naleving van BSE-regelgeving in Polen? Zo nee, waarom niet?
Nee, Polen is zelf verantwoordelijk voor een adequaat toezicht op de naleving in de Poolse slachthuizen en andere bedrijven. De FVO controleert in alle lidstaten of de lidstaten dit goed uitvoeren en geeft zo nodig aanbevelingen voor verbetering. Indien de situatie dan nog niet verbetert, kan de Europese Commissie een inbreukprocedure starten tegen de desbetreffende lidstaat.
Kunt u aangeven of Poolse runderen in Nederland zijn geïmporteerd? Zo ja, hoeveel runderen betreft het hier?
De producten van deze runderen kunnen op de Nederlandse markt terecht zijn gekomen.
Er bestaat geen risico voor de volksgezondheid. De kalveren worden alle geslacht op een leeftijd jonger dan een jaar. Daarbij is er geen risico op BSE. De overige slachtrunderen (overigens een zeer gering aantal) worden net als Nederlandse runderen geslacht en conform de EU-eisen getest. Daarbij wordt ook het specifiek risicomateriaal bij de slacht verwijderd uit het karkas. Dit is het materiaal dat mogelijkerwijs nog een risico zou kunnen vormen voor de gezondheid van de consument.
Kunt u aangeven of het risico bestaat dat producten van deze runderen op de Nederlandse markt terecht zijn gekomen en of er een risico bestaat voor de volksgezondheid?
Ongelukken tijdens het vervoer van dieren |
|
Marianne Thieme (PvdD), Esther Ouwehand (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten over een incident op de A4 waarbij een koe of os tijdens transport op de weg is beland en daar uren heeft gelegen?1 2
Op zaterdag 8 oktober is op de A4 ter hoogte van Zoeterwoude een incident geweest met een transport van twee Schotse Hooglanders. De dieren (ossen) werden per trailer vervoerd van Brabant naar Noord-Holland. Een van de runderen is met de achterpoten gedeeltelijk door de voordeur gekomen. Er is een dierenarts ter plaatse geweest en die heeft vastgesteld dat het rund slechts een kleine schaafwond had opgelopen aan één van de achterpoten. De dieren stonden goed aangebonden. De dierenarts heeft het dier licht verdoofd om hem rustig te houden en weer in de trailer terug te krijgen. De twee runderen zijn bij een veehouderij naast de A4 overgeladen. De politie heeft geen dier doodgeschoten.
Is het waar dat de koe door de politie is doodgeschoten? Zo ja, wat vindt u daarvan? Zo nee, hoe is het dan afgelopen met deze koe?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven of hier sprake was van hobbymatig, eigen vervoer of beroepsvervoer en wat voor vervoermiddel hiervoor is gebruikt voor het vervoer van welk type rund?
Het betrof hobbymatig vervoer van 2 runderen in een paardentrailer.
Was het betreffende vervoermiddel onlangs nog door een veterinaire of andere dienst gekeurd voor het transport van dieren? Zo ja, hoelang geleden heeft deze keuring plaatsgevonden? Zo nee, wat vindt u ervan dat levende dieren in ongekeurde wagens op de openbare weg vervoerd worden?
De paardentrailer hoeft niet te zijn gekeurd voor transport, maar moet wel voldoen aan de algemene eisen voor vervoermiddelen uit de Transportverordening (EU 1/2005).
Ik zie geen reden tot een verplichte periodieke keuring van paardentrailers en andere vervoermiddelen voor hobbymatig en eigen vervoer. Indien een ondeugdelijke wagen voor het vervoer van dieren wordt aangetroffen, wordt daartegen opgetreden.
Kunt u een overzicht geven van de ongelukken met trailers, sinds de (her)keuring door een veterinaire dienst voor hobbymatig vervoer is komen te vervallen?
In de periode 2006 tot en met 2011 heeft de AID/nVWA bij 36 controles tekortkomingen geconstateerd aan een vervoermiddel voor het transport van dieren. Het betrof in het merendeel van de gevallen het beroepsmatig vervoer van dieren. Een precieze uitsplitsing naar beroeps- dan wel hobbymatig vervoer is niet beschikbaar. Bij het niet voldoen aan de eisen voor het vervoermiddel wordt een proces-verbaal opgemaakt. Indien het beroepsmatig vervoer van dieren betreft, kan de vergunning worden geschorst of ingetrokken als het grotere gebreken betreft.
Kunt u een overzicht geven van bevindingen van de controles van de Algemene Inspectie Dienst (AID), c.q. nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA), op het naleven van de EU transportverordening ten aanzien van de eisen van vervoersmiddelen voor diertransporten met betrekking tot hobbymatig, eigenvervoer en beroepsvervoer in de afgelopen 5 jaar?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u voornemens om wetgeving door te voeren voor een verplichte periodieke keuring van paardentrailers en andere vervoermiddelen voor hobbymatig en eigen diervervoer voor kort transport? Zo ja, op welke wijze en per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het zonder toestemming afschieten van een damhert |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «damhert zonder toestemming burgemeester afgeschoten»?1
Ja.
Is het waar dat het hert zonder de vereiste toestemming is afgeschoten?
De burgemeester van Leiderdorp is bevoegd om de genoemde toestemming te verlenen. Het is niet aan mij om daarover vragen te beantwoorden, maar aan het college van B&W. Ik verwijs dan ook naar het antwoord van het college op de vragen van de Groenlinks-fractie in de gemeenteraad. Zie daarvoor de agenda van de Raad van 11 november 2011, agendapunt 3.2
Kunt u aangeven of proces verbaal is opgemaakt van het in strijd met de regels afschieten van dit hert? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven welke stappen vervolgens ondernomen zullen worden?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de jager in strijd met de wettelijke bepalingen heeft gehandeld? Zo nee, waarop is uw mening gebaseerd? Zo ja, welke consequenties heeft dit voor de jachtakte van de betreffende jager?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het eigenmachtig optreden van jagers in strijd met wettelijke regels een extra reden vormt uitvoering, regelgeving en toezicht op het faunabeleid vanuit gescheiden organen te doen plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Er is hier geen sprake van eigenmachtig optreden van een jager. Ik zie in dit incident dan ook geen aanleiding om wijzigingen aan te brengen in de wijze waarop beleid, uitvoering en toezicht zijn georganiseerd.
Een betere grenscontrole op Afrikaanse varkenspest door de Europese Unie |
|
Janneke Snijder-Hazelhoff (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht het artikel «PVV wil betere grenscontrole op Afrikaanse varkenspest»?1
Ja.
Deelt u de zorg over de berichten dat de Russen de ziekte niet onder controle krijgen en de grenscontroles van aan Rusland grenzende landen niet adequaat en effectief zijn?
Afrikaanse varkenspest (AVP) komt sinds 2007 voor in Georgië en de Kaukasus. In 2011 zijn regelmatig uitbraken van Afrikaanse Varkenspest gerapporteerd door Rusland en Armenië. De situatie in Rusland ten aanzien van Afrikaanse varkenspest is inderdaad zorgwekkend.
Deze zorg wordt door de andere lidstaten in de EU en de Europese Commissie gedeeld. De lidstaten van de EU zijn zeer doordrongen van het feit dat preventie van insleep van AVP buitengewoon belangrijk is.
Belangrijke preventieve maatregelen waren in de grenslidstaten al van kracht of zijn inmiddels geïntensiveerd, zoals: controle van importen, desinfectiemaatregelen, verbod op swill voedering. Lidstaten aan de grens van Rusland moeten er verder, volgens Commissie Besluit 2011/78/EU, op toezien dat veewagens die varkens hebben vervoerd gereinigd en gedesinfecteerd zijn als ze uit Rusland de EU binnenkomen. Import van varkens en herkauwers uit de Russische Federatie en Kaukasus is niet toegestaan.
Gezien de ondersteuning die de Commissie al geeft aan de grensstaten en samenwerking die er al plaatsvindt met de buurlanden, vind ik het niet opportuun om hier in Europees verband meer ondersteuning voor te vragen. In Europees CVO-overleg zal de preventie van AVP een terugkerend aandachtspunt zijn.
Deelt u de opvatting dat de Europese Unie (EU) een rechtstreeks belang heeft om te voorkomen dat de ziekte overslaat en op dat punt actief ondersteuning moet bieden aan landen in Oost-Europa om grensinspecties en controles adequaat uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat verplaatsingen van dieren vooraf moeten worden geregistreerd, met Unieke Bedrijfsnummers (UBN), zodat te allen tijde duidelijk is waar de dieren blijven? Zo nee, waarom niet?
Ja, conform Europese regelgeving worden alle intracommunautaire dierverplaatsingen geregistreerd in TRACES (Europees notificatie- en certificeringssysteem) met herkomst- en bestemmingsadres.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een actieve ondersteuning vanuit de EU bij grensinspecties en controles van aan Rusland grenzende Oost-Europese landen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het algemeen overleg Landbouw- en Visserijraad op 10 november 2011?
Ja.
Minimale afstanden tussen woningen en intensieve veehouderij |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u er kennis van genomen dat de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) met een advies is gekomen over minimale afstandsnormen tussen intensieve veehouderijen en woningen? Hoe beoordeelt u dit?
Ja. Ik wil en kan dit advies pas beoordelen nadat de Gezondheidsraad het door mij, mede namens de staatssecretarissen van I&M en EL&I, gevraagde advies over een beoordelingskader voor micro-organismen en endotoxinen afkomstig uit veehouderijen heeft uitgebracht. De Gezondheidsraad is verzocht onder meer antwoord te geven op de vraag of en zo ja welke afstandseisen tussen veehouderijen en woningen gesteld zouden moeten worden. De Gezondheidsraad heeft in zijn werkprogramma aangegeven dit advies in het derde kwartaal van 2012 af te ronden.
Deelt u de mening van de GGD dat de intensieve veehouderij moet worden gekenschetst als een industriële bedrijfstak, waar hoge eisen worden gesteld aan de bedrijfsvoering? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
De staatssecretaris van EL&I heeft uw Kamer toegezegd uiterlijk in november zijn visie op de veehouderij aan te bieden en hij zal daarbij mede namens mij de rapportage van de heer Alders en het advies van de Commissie van Doorn betrekken. In de rapportage van de heer Alders zijn de GGD-aanbevelingen meegenomen en is het verslag van een aanvullend gesprek met de GGD opgenomen.
Deelt u de mening dat er snel landelijke wettelijke normen moeten worden gesteld waarmee een minimale afstand tussen woningen en intensieve veehouderijen worden geborgd, om de bevolking te beschermen tegen de gezondheidsrisico’s die de intensieve veehouderij met zich meebrengt voor de burger? Zo ja, op welke wijze en termijn wilt u dit regelen? Zo nee, waarom niet en kunt u hierbij ingaan op de reden dat de GGD nu met dit advies komt, namelijk dat veel veehouders nu bezig zijn met nieuwbouw en uitbreiding in verband met de aangescherpte normen die vanaf 2013 ingaan?
Ik wil en kan hierover pas een standpunt innemen na ontvangst van het eerder genoemde advies van de Gezondheidsraad. Het advies van GGD Nederland is gebaseerd op het IRAS onderzoek naar de relatie tussen intensieve veehouderij en de gezondheid van omwonenden. Ik heb uw Kamer aangegeven, ook tijdens het debat hierover, dat het rapport voor mij geen aanleiding geeft voor andere maatregelen dan de maatregelen die worden genomen rond fijn stof en Q-koorts. Dat sommige veehouders nu bezig zijn met nieuwbouw of uitbreiding verandert niets aan de noodzaak van een goede wetenschappelijke onderbouwing voordat een sector beperkende maatregelen wordt opgelegd.
Deelt u de mening dat bij planontwikkeling de gezondheid van burgers meegenomen moet worden en dat de GGD daarbij betrokken moet worden? Zo ja, op welke wijze bent u voornemens daar uitvoering aan te geven? Zo nee, waarom niet?
Ik neem over deze vragen een standpunt in na ontvangst van het eerder genoemde advies van de Gezondheidsraad. Zonder dit advies is een afgewogen oordeel op basis van de beschikbare kennis over mogelijke risico’s van veehouderijen voor de volksgezondheid niet mogelijk.
Bent u bereid om de adviezen die de GGD heeft gegeven in deze, namelijk het instellen van minimale afstanden en het verplicht laten opstellen van een gezondheidsadvies bij nieuwvestiging en uitbreiding van intensieve veehouderij, zo snel mogelijk om te zetten in wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het algemeen overleg over dierziekten en antibioticagebruik van 26 oktober a.s.?
Dit is niet gelukt.
Doorfok bij paarden en argeloze hondenkopers die misleid worden door LICG |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
|
|
|
Klopt het dat één jaar na uw belofte als staatssecretaris om doorfok aan te pakken, nog steeds rashonden met erfelijke ziekten ongestoord worden tentoongesteld en verkocht, en er zelfs actief reclame voor wordt gemaakt op een door de overheid mede gefinancierde website van het Landelijk Informatie Centrum Gezelschapsdieren (LICG)?1
Dat dieren ten gevolge van fokkerij erfelijke gebreken hebben en hiervan welzijnsproblemen ondervinden vind ik zorgwekkend.
In mijn brief aan uw Kamer (28 286, 27 september 2011) heb ik mijn visie over fokkerij uiteengezet. Voor mij staat centraal hoe we zorgen voor een maatschappelijk geaccepteerde fokkerij. Ik zie daarbij een grote verantwoordelijkheid voor het welzijn en de gezondheid van de dieren voor de fokkers en de houders van dieren. De overheid kan bijdragen door het stellen van randvoorwaarden en kaders, evenals via het verstrekken van voorlichting. Daarnaast kan de overheid waar mogelijk de sector faciliteren.
Zoals ook de Raad voor Dierenaangelegenheden concludeerde in haar rapport over fokkerij en voortplantingstechnieken is het de consument die met zijn vraag direct het aanbod op de markt bepaalt. Een mondige, kritische consument stimuleert bijvoorbeeld fokkers om gezonde dieren te fokken.
Het LICG heeft tot taak ervoor te zorgen dat de consument die een huisdier wil aanschaffen goed en objectief geïnformeerd wordt, zodat deze voldoende kennis heeft en kritisch kan zijn om zijn eigen verantwoordelijkheid te kunnen nemen bij de keuze voor een huisdier. Naast het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) wordt het LIGC gesteund door de Dierenbescherming, de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde, de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, Wageningen University en Research, Vereniging Landelijke Organisatie Dibevo en het Groenhorstcollege Barneveld. De informatie van het LICG is neutrale en evenwichtige informatie die wetenschappelijk wordt getoetst.
Er wordt door het LICG voorlichting gegeven over zowel de negatieve als de positieve aspecten aan een huisdier. Informatie over bijvoorbeeld het karakter van een huisdier is ook belangrijk voor een goede match tussen houder en huisdier. Verder is goede informatie over erfelijke gebreken essentieel bij de keuze voor het juiste huisdier.
Het LICG besteedt extra aandacht aan dit onderwerp. Op de website van het LICG valt op verschillende plekken belangrijke informatie te lezen over de erfelijke gebreken problematiek bij huisdieren. Hiernaast heeft het LICG in het voorjaar in het lespakket «Feit of fabel» dat ter gelegenheid van de «Week van het Huisdier 2011» is ontwikkeld voor de groepen 5 t/m 8 van het basisonderwijs aandacht besteed aan erfelijke aandoeningen. Verder is het LICG onlangs een campagne gestart die gericht is op voorlichting over en bewustwording van dierhouders over erfelijke aandoeningen bij huisdieren. Via radiospotjes, persberichten, de website en Google adwords wordt aandacht gevraagd voor dit onderwerp.
Vindt u dat de reclame-achtige teksten, de verwijzing naar de rashondenvereniging en de bedekte en vergoelijkte gezondheidswaarschuwingen recht doen aan het gegeven dat meer dan de helft van de Cavalier King Charles Spaniëls kampt met een erfelijke aandoening (syringomyelie) die in de eerste helft van hun leven ernstig lijden veroorzaakt? Met name als u daarbij in aanmerking neemt, dat het hier om een van de meest erfelijk-zieke hondenrassen gaat waarin een breed scala van erfelijke defecten voorkomt, dat volgens experts tot meer dan 90% van de Cavaliers optelt?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het goed zou zijn als er een serieuze gezondheidswaarschuwing op een prominente plek op de LICG-website staat, waarbij wordt aangegeven dat de kans op de koop van een zieke Cavalier King Charles Spaniël uitzonderlijk hoog is en een verwijzing is opgenomen naar een website die de gezondheidsgevaren serieus neemt zoals bijvoorbeeld rashondenwijzer.nl?
Zie antwoord vraag 1.
Welke acties heeft u ondernomen in de richting van de internationale rashondententoonstelling in Ahoy op 27 en 28 augustus 2011, met name betreffende het bevorderen van diergezondheid, het geven van eerlijke voorlichting en het tegengaan van de promotie en tentoonstelling van ziekelijke honden en doorgefokte rassen?
De organisatie van rashondententoonstellingen is een private aangelegenheid. Fokkerijorganisaties kunnen zelf regels stellen voor tentoonstellingen, bijvoorbeeld met betrekking tot het verstrekken van informatie over hondenrassen en eerlijke voorlichting aan bezoekers over het voorkomen van gezondheidsproblemen bij rassen. Hiervoor kan men gebruik maken van de informatie van het LICG.
Neemt u de gezondheidsbedreiging van doorfok serieus? Zo ja, bent u bereid het LICG erop aan te speken geen argeloze hondenkopers te verleiden tot de aankoop van doorgefokte zieke rashonden?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat raspaarden stamboeken met een populatie van meer dan 5000 merries volgens de reglementen niet of in verminderde mate hoeven aan te tonen dat ze voldoen aan de door het Productschap Vee en Vlees (PVV) gestelde regel dat het inteelttoename percentage niet meer dan 1% mag zijn?
In de Verordening erkenningsvoorwaarden voor stamboeken, prestatieonderzoek en fokwaardeschatting (PVV) 2010 is bepaald dat de organisatie die erkenning wil krijgen of behouden aantoont dat zij voldoende dieren omvat om haar programma tot verbetering van het ras uit te voeren of, indien noodzakelijk, de instandhouding van het ras te kunnen garanderen. Als uitwerking daarvan is in de verordening bepaald dat de organisatie in ieder geval aantoont dat haar fokkerij- en selectiebeleid is gericht op het mijden van inteelt en dat het percentage inteelttoename lager is dan 1% per generatie. Is de populatie van de organisatie kleiner dan 5000 dieren, dan moet de organisatie aanvullend aangeven hoe ze de inteelttoename bewaakt.
Kortom; elke organisatie moet aan de basiseis voldoen (aantonen dat het percentage inteelttoename lager is dan 1% per generatie), maar daarnaast moeten organisaties met een populatie van minder dan 5000 merries extra inspanningen verrichten (aantonen hoe de inteelttoename bewaakt wordt).
Klopt het dat daarmee bijvoorbeeld het Friese stamboek paard, het paardenras met de grootste doorfokproblemen, niet of in verminderde mate hoeft aan te tonen dat het inteelttoenamepercentage kleiner dan 1% is, omdat de populatie groter is dan 5000 merries? Zo ja, vindt u dit terecht of bent u bereid met de PVV hierover in gesprek te gaan2? Op welke manier worden doorgefokte stamboeken zoals het Friese paard door de PVV hierop aangesproken of aangepakt?
Ook het Friesch Paarden Stamboek zal wanneer zij een erkenning aanvragen aan de basiseis moeten voldoen (zie het antwoord op vraag 6), namelijk aantonen dat het percentage inteelttoename per generatie lager is dan 1%. Daarnaast wordt door het productschap van alle stamboeken gevraagd dat zij een actief beleid ontwikkelen ten aanzien van erfelijke gebreken. Dit is in verband met de criteria dat stamboeken een voldoende grote fokpopulatie moeten hebben en dat de organisatie doeltreffend moet functioneren.
Hoe objectiveerbaar is de advisering over stamboomerkenning door de commissie Erkenning en Toezicht Paardenfokkerij (ETP)? Wat zijn de criteria, is doorfok daar één van en hoe wordt neutraliteit bij de toepassing van de criteria door de commissie gegarandeerd?
Aan de beoordeling van een erkenningsaanvraag voor stamboeken zijn 22 criteria verbonden (waaronder het aantonen dat het percentage inteelttoename per generatie lager is dan 1%). Deze criteria staan ook genoemd en beschreven in het «Handboek erkenning organisaties in het kader van fokkerijregelgeving Paardachtigen», dat op de website van het productschap te vinden is. Deze criteria worden beoordeeld om te toetsen of een organisatie voldoet aan de Europese en nationale regelgeving. De werkwijze van de Commissie van Advies inzake Erkenningen en Toezicht Paardenfokkerij (Commissie ETP) is vastgelegd in een reglement van orde. De Commissie ETP is samengesteld uit een onafhankelijk voorzitter die ervaring heeft in de (paarden)fokkerij en twee genetici van de Faculteit Diergeneeskunde en de WUR. Door de samenstelling van de Commissie ETP en de opdracht die deze commissie heeft is neutraliteit gegarandeerd.
De Commissie ETP adviseert de voorzitter van het productschap over aanvragen tot erkenning, verlenging van erkenningen en intrekking van erkenningen.
De criteria die de Commissie ETP bekijkt zijn dus de criteria die in de verordening zijn opgenomen. Daarbij zal de Commissie ETP de criteria zo uniform mogelijk toepassen.
Het doden van zwerfdieren in Oekraïne |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de massale dodingspraktijken van loslopende honden en katten in de Oekraïne in aanloop naar het EK voetbal in 2012?1
Ik heb kennisgenomen van de betreffende persberichten.
Bent u bereid contact op te nemen met de ambassadeur van de Oekraïne om u door hem te laten inlichten over deze gang van zaken?
Door de Oekraïense regering zijn inmiddels, mede op aandringen van UEFA, maatregelen genomen om een eind te maken aan het afmaken en de mishandeling van zwerfhonden. Deze maatregelen worden verwelkomd door UEFA Er is derhalve geen directe aanleiding meer om de Oekraïense autoriteiten hierop aan te spreken.
(zie ook http://www.uefa.com/uefa/aboutuefa/news/newsid=1718992.html).
Indien blijkt dat de berichtgeving waar is hoe beoordeelt u dan de methoden die de Oekraïense overheid hanteert om zwerfdieren te ruimen, zoals het doodslaan van dieren of het levend in speciaal daarvoor aangeschafte mobiele ovens gooien van dieren?2
Zwerfhonden vormen een risico voor de volksgezondheid in Oekraïne. Het is daarom begrijpelijk dat de Oekraïense autoriteiten zoeken naar een aanpak voor dit probleem. Het is daarbij aan de Oekraïense autoriteiten zelf om te bepalen op welke wijze het probleem van zwerfhonden wordt aangepakt. Uiteraard vind ik dat, indien het noodzakelijk is om dieren te doden, dit op een humane, diervriendelijke wijze dient te gebeuren. Door de OIE (World Organization of Animal Health), waarbij ook Oekraïne is aangesloten, zijn richtlijnen en aanbevelingen opgesteld voor de aanpak van zwerfhonden. Ik ga ervan uit dat de Oekraïense autoriteiten bij de aanpak van zwerfhonden de aanbevelingen van de OIE volgen.
Bent u bereid een officieel protest in te dienen bij de Oekraïense regering? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie antwoord op vraag 2.
Bent u tevens bereid de discussie aan te gaan met buitenlandse collega’s om te voorkomen dat de dodingsacties in de aanloop naar sportwedstrijden, zoals in China,3 Griekenland4 en nu in Oekraïne, niet vaker voor gaan komen? Zo nee, waarom niet?
De OIE (World Organization of Animal Health)vormt het aangewezen forum voor de bespreking van veterinaire gezondheid en dierenwelzijn in internationaal verband. De OIE adviseert veterinaire autoriteiten in de lidstaten bij de bestrijding van dierziekten die een gevaar kunnen opleveren voor de volksgezondheid, en heeft daartoe richtlijnen, standaarden en aanbevelingen opgesteld. Massale slachting van zwerfhonden of andere dierenpopulaties wordt in dit verband niet beschouwd als een duurzaam en effectief middel voor bestrijding van dierziektes die gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Ik ga ervan uit dat de veterinaire autoriteiten in de betrokken landen, allen lidstaten van de OIE, bekend zijn met de richtlijnen, standaarden en aanbevelingen van de OIE. Ik acht het van belang dat de veterinaire autoriteiten in betrokken landen in de aanloop naar grote evenementen bij de bestrijding van de dierziektes de standaarden van de OIE volgen.