De politieke beloften die al decennia aan dieren worden gedaan, maar nooit zijn nagekomen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat al in 2001, door het kabinet Kok II, advies werd gevraagd over de manier waarop we onze veehouderij hebben ingericht, wat vervolgens is uitgebracht door de commissie-Wijffels?1
Ja, dat kan ik bevestigen.
Kunt u bevestigen dat de commissievoorzitter concludeerde dat de veehouderij terug moet naar de tekentafel om met behulp van een nieuw ontwerp grondig te worden herzien?2
De commissie kwam met aanbevelingen voor de toekomst van de veehouderij, met op het gebied van dierenwelzijn als uitgangspunt de vijf vrijheden van Brambell3. Een van de uitgangspunten was dat het dieren niet onmogelijk wordt gemaakt om natuurlijk gedrag te vertonen.
Kunt u bevestigen dat de commissievoorzitter concludeerde dat economisering en schaalvergroting in de veehouderij zelfs tot amorele verschijnselen hebben geleid?
Zoals bij uw Kamer bekend is kwam de commissie met verschillende aanbevelingen. Veel van de aanbevelingen van dit rapport zijn in de praktijk opgepakt en hebben er toe geleid dat de staande praktijk van vandaag niet meer te vergelijken is met de situatie van toen.
Kunt u bevestigen dat oud-landbouwminister Brinkhorst vervolgens beloofde dat dieren in 2012, maar uiterlijk in 2022, hun soorteigen gedrag mogen vertonen en geen ingrepen meer mogen ondergaan vanwege het houderijsysteem?
In de beleidsnota dierenwelzijn van maart 2002 werd een richtinggevend perspectief voor gehouden dieren geschetst op basis van de toenmalige omstandigheden in de veehouderij. Sinds die tijd zijn veel stappen gezet waardoor er nu sprake is van een flink gewijzigde situatie in de veehouderij.
Kunt u bevestigen dat oud-landbouwminister Verburg deze belofte in 2007 herhaalde en stelde dat vijftien jaar later, dus uiterlijk in 2022, het perspectief van het dier leidend zou zijn bij de inrichting van stallen en bij de bedrijfsvoering?
In de nota dierenwelzijn van Minister Verburg staan meerdere langetermijndoelstellingen genoemd ten opzichte van de toenmalige omstandigheden in de veehouderij. Met het oog op de discussie van destijds zijn sindsdien grote stappen gezet.
Bent u bekend met de evaluatie van de Wet dieren uit 2020?3
Ja.
Onderschrijft u de conclusie uit deze evaluatie dat de Wet dieren niet zorgt voor «zoveel mogelijk bescherming van het dier tegen menselijke handelingen die zijn fysieke en ethologische welzijn aantasten»?
Berenschot constateert in deze evaluatie dat de introductie van de Wet dieren en de onderliggende regelgeving er niet op was gericht om het beschermingsniveau van dieren te verhogen ten opzichte van de situatie van vóór de wet. Het doel van de wet op dit punt is beleidsneutraal.
Erkent u de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) als een belangrijk adviesorgaan? Erkent u de deskundigheid en expertise van de RDA?
De RDA is een onafhankelijke raad van deskundigen waarin overleg plaatsvindt over vraagstukken betreffende het nationaal en internationaal beleid op het gebied van de gezondheid en het welzijn van dieren.
Bent u bekend met de zienswijze van de RDA over een dierwaardige veehouderij, waarin zes principes worden geschetst die leidend zouden moeten zijn in een dierwaardige veehouderij, zoals de erkenning van de intrinsieke waarde en de integriteit van het dier, een goede omgeving en het kunnen vertonen van natuurlijk gedrag?4
Ja.
Onderschrijft u de conclusie van de RDA dat deze zes principes leidend moeten zijn in een dierwaardige veehouderij? Zo nee, waarom niet?
Deze principes zijn wettelijk verankerd in de Wet dieren en ze vormen daarmee het wettelijk kader waarnaar ik op dit moment handel.6
Bent u ermee bekend dat uw voorganger vervolgens aan de Universiteit Utrecht de opdracht gaf om in kaart te brengen hoe deze zes principes concreet kunnen worden toegepast in de veehouderij, met name op het gebied van huisvesting?
Ja, ik ben daar mee bekend.
Onderschrijft u de uitkomsten die vervolgens door de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht zijn opgeleverd, waarin naar voren komt welke gedragsbehoeften dieren in de veehouderij hebben en welke aspecten nodig zijn voor een dierwaardige veehouderij?5
Aan de Universiteit Utrecht is destijds gevraagd in een quickscanrapportage de stand van zaken van de wetenschappelijke literatuur weer te geven over het kijken vanuit het dier naar het veehouderijsysteem. Het is dus geen rapportage die onderschreven kan worden; het geeft de stand van zaken van de wetenschappelijke kennis van dat moment weer.
Erkent u dat sommige boeren, zoals de Caring Farmers, al vormen van landbouw laten zien waarbij maatschappelijke doelen, zoals gezonde natuur, schoon water en schone lucht, een stabiel klimaat en het natuurlijk gedrag van dieren worden geborgd?
Alle boeren dragen bij aan doelen die de maatschappij aan hen heeft gesteld. Naast de door u genoemde doelen vind ik hun bijdrage aan strategische autonomie, waaronder voedselzekerheid, in het bijzonder van belang.
Bent u bereid om deze zomer te gaan kijken bij Caring Farmers en met ze in gesprek te gaan?
Ik sta uiteraard open voor gesprekken met alle partijen en sectoren.
Bent u bereid om uw uitspraak dat de Caring Farmers «nepperds» zijn, «die – over de rug van echte collega’s – doen alsof ze het beter kunnen» terug te nemen? Zo nee, waarom niet?
Op deze vraag heb ik in de hoorzitting voorafgaand aan mijn beëdiging als Minister al antwoord gegeven. Ik blijf bij mijn antwoord.
Bent u bereid om voor deze uitspraak uw excuses aan te bieden aan de Caring Farmers? Zo nee, waarom niet?
Op deze vraag heb ik in de hoorzitting voorafgaand aan mijn beëdiging als Minister al antwoord gegeven. Ik blijf bij mijn antwoord.
Bent u voornemens om het traject over de dierwaardige veehouderij, zoals die is gestart door uw voorhanger, voort te zetten? Zo ja, wanneer gaat u de aangekondigde Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) naar de Kamer sturen?
Het Hoofdlijnenakkoord is voor mij leidend. Daarin staat een aantal punten opgenomen dat in het regeerprogramma verder zal worden uitgewerkt. Ik kan daar nu niet op vooruit lopen.
Kunt u deze vragen binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Het onderzoek waaruit blijkt dat afgedankte Ierse racepaarden in snacks terechtkomen. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Piet Adema (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van House of Animals en RTÉ Investigates waaruit blijkt dat Nederlandse paardenhandelaren een rol spelen bij de slacht en handel in afgedankte Ierse racepaarden?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er in Ierland en het Verenigd Koninkrijk een overschot aan afgedankte paarden uit de race-industrie is?
Dat kan ik niet bevestigen. Ik kan als Minister in Nederland geen oordeel geven over de situatie in Ierland of het Verenigd Koninkrijk.
Kunt u bevestigen dat deze paarden ongeschikt zijn voor consumptie, vanwege mogelijke medicatie die is toegediend om veelvoorkomende raceblessures te behandelen?
Dat kan ik niet bevestigen. Europese wet- en regelgeving bepalen dat een dierenarts een paardachtige moet uitsluiten voor de slacht voor menselijke consumptie. Dit is bijvoorbeeld aan de orde wanneer een diergeneesmiddel is toegediend waar geen maximum residu limiet van is bepaald én dat niet op de positieve lijst staat. De toediening van een dergelijk diergeneesmiddel wordt genoteerd in het paardenpaspoort. Het paard wordt dan definitief en dus levenslang uitgesloten voor de slacht voor menselijke consumptie.
Wat is uw reactie op het onderzoek waaruit blijkt dat jaarlijks vele duizenden Ierse racepaarden uit registratiesystemen verdwijnen, in een illegaal Europees circuit terechtkomen en, onder een nieuwe identiteit, worden geslacht voor consumptie?
Het zijn schokkende berichten. Het gaat hier om identiteitsfraude met paardenpaspoorten. Dergelijke praktijken zijn onacceptabel. Vanuit de NVWA is hier aandacht voor. Zo heeft de NVWA onder andere in 2022 melding gemaakt van fraude met paardenpaspoorten in het Europese fraudesysteem. Daarover zijn de toezichthouders in de overige lidstaten geïnformeerd via het Europese waarschuwingssysteem (RASFF). Het vlees is -voor zover nog niet geconsumeerd – van de markt gehaald. Ook heeft de NVWA-IOD recent een strafrechtelijk onderzoek afgerond naar het vervalsen van paardenpaspoorten en dat ligt nu bij het Openbaar Ministerie. In dit kader is het ook goed om te vermelden dat Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) in 2013 al een advies uitgebracht heeft over risico’s voor de volksgezondheid van paardenvlees met onbekende herkomst en hieruit blijkt dat deze risico’s beperkt zijn. Dit laat uiteraard onverlet dat deze praktijken onacceptabel zijn en dat er een eind moet komen aan de frauduleuze praktijken in de paarden(vlees)keten2.
Hoeveel paarden zijn de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar jaar, vanuit Ierland en het Verenigd Koninkrijk naar Nederland getransporteerd?
In het Europese TRAde Control and Expert System (TRACES) worden gegevens vastgelegd over o.a. de invoer en uitvoer van dieren. Wanneer een exploitant een paard wil verplaatsen naar een ander land, meldt de exploitant het voornemen van deze verplaatsing in TRACES, en vraagt bij de veterinaire autoriteit een gezondheidscertificaat aan. Nadat de veterinaire autoriteit dit certificaat heeft afgegeven, en als zodanig in TRACES heeft ingevoerd, mag de verplaatsing plaatsvinden. Overigens kan er tussen het moment van melden en het moment van transport, iets gebeuren waardoor het transport niet doorgaat. Dit blijft in TRACES wel staan als (voorgenomen) transport.
In onderstaande tabel wordt weergegeven voor hoeveel paarden (dit betreft alle paarden, inclusief sportpaarden) een voornemen tot verplaatsing naar Nederland is geregistreerd in TRACES met als land van herkomst Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Of alle verplaatsingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, is niet uit TRACES af te leiden.
(t/m 31–05)
1.765
1.209
2.145
1.406
1.388
348
3.354
2.365
8871
1.122
1.233
484
512
1.081
1.164
340
Vanaf 2021 zijn de cijfers over Groot-Brittannië en Noord-Ierland uitgesplitst. Groot-Brittannië is een derde land geworden en Noord-Ierland blijft onderdeel van Intraverkeer binnen de EU.
Kunt u bevestigen dat paarden in Nederland een nieuw paardenpaspoort kunnen krijgen via een zogeheten «paardenpaspoort uitgevende instantie» (ppi), zonder de tussenkomst van een dierenarts?
Dat kan ik bevestigen. De eerste identificatie van het paard (het chippen en het verzamelen van de gegevens om een paspoort op te maken) gebeurt namelijk door een dierenarts of een persoon die de opleiding tot paardenpaspoortconsultent heeft afgerond. Slechts in de volgende gevallen mag een PPI een nieuw, respectievelijk een vervangend paspoort afgeven voor een paardachtige;
Kunt u bevestigen dat hierbij vaak gebruik wordt gemaakt van Duitse microchips, die zijn opgenomen in een gesloten database, waardoor het moeilijk, of zelfs onmogelijk is om de achtergrond van een paard te controleren?
Nee, dat kan ik niet bevestigen. Wanneer een paard 30 dagen of langer op een inrichting verblijft, moet het dier geregistreerd worden in de database, met bijhorende chip, ongeacht vanuit welk land de chip komt. De toegang tot de nationale databank van afzonderlijke lidstaten, is zeer divers geregeld. Sommige lidstaten hebben een vrij toegankelijk systeem waarin identificatiegegevens van paarden kunnen worden geverifieerd. Bij andere lidstaten is dit niet het geval en moeten de gegevens handmatig opgevraagd worden bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat, dit kost echter vaak veel tijd. Mijn ministerie is in gesprek met Frankrijk, Ierland en België om te onderzoeken hoe de data uitwisseling nog beter kan en over hoe dit vervolgens ook met andere lidstaten te implementeren.
Kunt u uitsluiten dat (een deel van) de geïmporteerde paarden een nieuwe chip en een vals paspoort hebben gekregen? Zo nee, waarom niet?
Dit kan ik niet uitsluiten. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6, schrijft Europese wet- en regelgeving voor wanneer een PPI een nieuw paspoort mag afgeven. Meerdere lidstaten ervaren het probleem dat het proces rondom het uitgeven van paardenpaspoorten fraudegevoelig is. Daarom zijn in de Europese Diergezondheidsverordening de regels aangescherpt om het proces rondom paardenpaspoortuitgifte verder te professionaliseren. Deze wet- en regelgeving voorziet onder meer in strikte eisen aan organisaties die paspoorten mogen uitgeven en meer toezicht en handhaving op die organisaties. Nederland werkt op dit moment aan de uitvoering van deze strengere wet- en regelgeving. Dit najaar is de aanvraagprocedure gestart waarbij de huidige paardenpaspoort uitgevende instanties (PPI’s) een erkenning als gemachtigde instantie kunnen aanvragen onder de strenge eisen. Per 1 juli 2025 zal de aanwijzing van de gemachtigde instanties onder het strengere kader zijn afgerond. Dan zal ook het nieuwe machtigingsbesluit gepubliceerd zijn en de uitvoering en handhaving op de nieuwe situatie ingeregeld zijn. Dit vergt van de bestaande PPI’s die als gemachtigde instantie beogen te worden aangewezen, een aanpassing van hun organisatie en werkzaamheden, ook gedurende het veulenseizoen. Mijn ministerie is in gesprek met de PPI’s en vertegenwoordigers van de paardensector om deze overgang zo goed mogelijk te laten verlopen, met oog voor de praktische uitvoerbaarheid. In een gezamenlijke werkgroep zijn hierover concrete afspraken gemaakt. Het proces waarmee rechtspersonen aan kunnen geven in aanmerking te willen komen voor aanwijzing als gemachtigde instantie, is gestart op 1 november 2024. Uw Kamer zal in een brief nader worden geïnformeerd over deze overgang per 1 juli 2025 en de aanwijzing en werkwijze van gemachtigde instanties.
Kunt u uitsluiten dat (een deel van) de uit Ierland en het Verenigd Koninkrijk geïmporteerde paarden in Nederland zijn geslacht of zijn getransporteerd naar slachthuizen in andere landen? Zo nee, waarom niet?
Dat kan ik niet uitsluiten. Het slachten van uit Ierland en het Verenigd Koninkrijk geïmporteerde paarden, als ook het vervoeren van dergelijke paarden naar andere lidstaten is toegestaan mits aan de relevante regelgeving wordt voldaan.
Kunt u aangeven hoe slachthuizen in andere landen kunnen achterhalen of de in Nederland uitgegeven paspoorten van de paarden authentiek zijn?
Buitenlandse slachthuizen hebben kosteloze read-only toegang tot het Nederlandse I&R-systeem om de informatie in het paspoort te verifiëren, zoals informatie over of het paard wel of niet is uitgesloten van de slacht voor menselijke consumptie. Daarmee kunnen slachthuizen in andere lidstaten achterhalen of de identificatiegegevens in het paardenpaspoort authentiek zijn. Derde landen kunnen deze informatie opvragen bij de Nederlandse PPI’s.
Kunt u aangeven hoeveel paardenvlees de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar jaar, van de Nederlandse markt is gehaald naar aanleiding van fraude met paardenpaspoorten, aanwezigheid van medicatie en/of illegaliteit?
Ja, dat kan ik. Hieronder geef ik u daarvan een overzicht.
Totaal aantal GFL en RASFF meldingen m.b.t. I&R paard binnen de EU
Aantal terughaalacties op de Nederlandse markt
Aantal kg paardenvlees
2019
22
2
486,8
2020
8
3
1823,4
2021
10
2
1242,6
2022
5
2
1468,4
2023
1
0
0
2024 (tot 1 juni 2024)
2
1
331
Bent u bereid om een onderzoek in te stellen naar de fraude met paspoorten en chips van paarden? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 4 ligt op dit moment een afgerond strafrechtelijk onderzoek van IOD-NVWA naar het vervalsen van paardenpaspoorten bij het Openbaar Ministerie. Tegelijkertijd is de daadwerkelijke omvang van fraude lastig te bepalen. De NVWA is in dit kader bezig met een onderzoek naar de gehele paardenketen om in beeld te krijgen waar de grootste frauderisico’s liggen. Naar aanleiding van die resultaten wordt gekeken welke verdere acties nodig zijn.
Hoeveel paardenvlees heeft Nederland het afgelopen jaar geïmporteerd?
In 2023 zijn 131 zendingen paardenvlees uit derde landen geïmporteerd, in totaal 2.758 ton. In 2024 zijn t/m 31 juli 47 zendingen paardenvlees geïmporteerd, in totaal 997 ton.
Hoeveel paardenvlees is het afgelopen jaar vanuit Nederland geëxporteerd?
Nederland heeft het afgelopen jaar geen paardenvlees geëxporteerd naar derde landen. Binnen de EU is vrij verkeer van goederen en de NVWA houdt geen gegevens bij over vervoer van vlees van in Nederland geslachte paarden naar landen binnen Europese Unie.
Hoeveel paarden zijn het afgelopen jaar in Nederland geslacht, uitgesplitst per slachthuis?
Vanwege privacy wordt de naam van het slachthuis niet vermeld. De slachthuizen worden aangegeven met nummers.
1.
65
121
2.
1
0
3.
29
0
4.
3
0
5.
5
0
6.
2
0
7.
2
0
8.
28
18
9.
17
3
10.
15
6
11.
2.082
1.149
12.
2
0
13.
47
12
14.
76
12
15.
2
2
16.
2
0
17.
0
1
18.
0
1
19.
0
1
Kunt u bevestigen dat in 2022 een Europese voedselveiligheidswaarschuwing is uitgegaan voor vlees afkomstig van de slachterij in Kerkdriel, omdat het niet in de keten voor menselijke consumptie terecht had mogen komen? Zo ja, waarvoor is deze waarschuwing destijds afgegeven?
In 2022 is op 13 september en op 14 oktober een Rapid Alert (RASFF) bericht verstuurd naar de Europese Commissie en andere EU-lidstaten met betrekking tot in totaal 5 paarden (respectievelijk 4 paarden en 1 paard) die geslacht werden met een incorrect paspoort. Het vlees van deze dieren was deels gedistribueerd naar andere lidstaten en is – voor zover nog niet geconsumeerd – van de markt gehaald.
Kunt u bevestigen dat het slachthuis in Kerkdriel veel paarden slacht met Duitse microchips? Zo ja, kunt u uitsluiten dat deze paarden afkomstig zijn uit Ierland of het Verenigd Koninkrijk?
Ik kan bevestigen dat in 2024 in Kerkdriel paarden zijn geslacht met een Duitse microchip. Ik kan niet uitsluiten dat deze paarden met Duitse microchips afkomstig zijn uit Ierland of het Verenigd Koninkrijk. Als een paard in een ander land illegaal een nieuw paspoort en nieuwe transponder krijgt, is het in Nederland niet meer te achterhalen waar het dier oorspronkelijk vandaan kwam.
Hoeveel controles zijn er in de afgelopen vijf jaar door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) uitgevoerd bij het slachthuis in Kerkdriel? Zijn er bij deze controles misstanden geconstateerd? Zo ja, welke?
Op dagen dat paarden bij het slachthuis in Kerkdriel worden aangevoerd, zijn twee NVWA dierenarts aanwezig en wordt met het vier-ogen-principe 100% van de dieren gecontroleerd. In de afgelopen vijf jaar zijn 1137 inspecties uitgevoerd bij het slachthuis in Kerkdriel. Bij deze inspecties zijn 13 onregelmatigheden ten aanzien van Identificatie en Registratie (paspoorten) van paarden vastgesteld, zijn drie keer fraudeleuze paspoorten aangetroffen en één keer is een welzijnsovertreding ten aanzien van het welzijn van een aangevoerd paard geconstateerd. Er zijn Rapporten van Bevindingen (RvB’s) aangezegd en corrigerende maatregelen uitgevoerd (zoals afkeuren voor de slacht, andere gebruikersbestemming (dierentuinvoer) recall).
Bent u bereid om, naar aanleiding van het onderzoek van House of Animals, het slachthuis in Kerkdriel te sluiten vanwege dierenwelzijn, fraudebestrijding en voedselveiligheid? Zo nee, waarom niet?
Bij het vaststellen van overtredingen is het reguliere interventiebeleid van de NVWA van toepassing. In het slachthuis in Kerkdriel zijn geen overtredingen geconstateerd die schorsing of sluiting hiervan op dit moment rechtvaardigen.
Bent u bereid om een grootschalig onderzoek te starten naar de aanwezigheid van illegaal paardenvlees op de Nederlandse markt en de rol van Nederlandse paardenhandelaren en -slachthuizen bij de slacht van Ierse renpaarden? Zo nee, waarom niet?
Op alle slachthuizen controleert de NVWA nu reeds regulier vóór de slacht bij alle paarden (100% controles) of de juiste paspoorten/microchips bij de juiste paarden zitten en of veterinaire behandelingen juist geregistreerd worden in de paspoorten. Tevens vindt er een controle plaats in de nationale registers van andere landen, zoals Ierland en het VK. Deze controles in de nationale registers van andere landen vinden voor de slacht plaats. Het kan voorkomen dat er geen toegang is tot het nationale register van een ander land of er niet gereageerd wordt op navraag bij de paspoort uitgevende instantie. Dan kan een controlerend dierenarts alleen afgaan op de gegevens zoals vermeld in het paspoort om zijn beslissing te nemen. Soms wordt er aan de hand van het paspoort en/of paard een gegevensvraag gesteld aan de bevoegde autoriteit van het andere land. De reactiesnelheid van andere landen is divers, waardoor het voorkomt dat een paard al geslacht is voordat er antwoord is. Als de reactie erop wijst dat het vlees teruggeroepen moet worden, gebeurt dit. De NVWA onderzoekt op dit moment waar de grootste frauderisico’s liggen binnen de paardenketen. Naar aanleiding van die resultaten wordt gekeken welke verdere acties nodig zijn. De Tweede Kamer wordt hierover geïnformeerd in het eerste kwartaal van 2025.
Ook is een traceringsonderzoek gedaan naar in 2024 geslachte paarden afkomstig uit Verenigd Koninkrijk en Ierland. Op basis van een steekproef zijn 19 paarden uit Ierland en 13 paarden uit het Verenigd Koninkrijk bekeken. Hiervoor zijn de databases van Ierland en het Verenigd Koninkrijk geraadpleegd. De 19 paarden uit Ierland in deze steekproef waren geschikt voor menselijke consumptie. Van de 13 paarden vanuit het Verenigd Koninkrijk in deze steekproef waren er twee ongeschikt voor menselijke consumptie. Deze dieren waren ook in Nederland correct uitgesloten voor menselijke consumptie en zijn voor vervoedering naar dierentuinen gegaan. De resultaten van het traceringsonderzoek gaven geen aanleiding voor de NVWA om het traceringsonderzoek verder uit te breiden.
Bij een reguliere nacontrole na de slacht zijn door de NVWA in de afgelopen periode een Iers paard en een Duits paard alsnog uitgesloten voor menselijke consumptie vanwege onregelmatigheden in het paspoort. Het bedrijf heeft voor beide paarden een recall uitgezet en het vlees is teruggehaald. De controles worden aangescherpt op buitenlandse paardenpaspoorten. Als aanvullende stap om mogelijke frauduleuze activiteiten met paardenpaspoorten te voorkomen, wordt er een aanscherping doorgevoerd in het I&R-systeem. Hierdoor zal een geïmporteerd paard dat zonder gezondheidscertificaat wordt geregistreerd, in het I&R-systeem automatisch uitgesloten worden voor de slacht voor menselijke consumptie, vanwege het ontbreken van vereiste informatie over de voedselketen.
Ik vind het van groot belang dat de huidige onderzoeken van de NVWA voortvarend worden uitgevoerd, inclusief de interventie maatregelen. Dit is in lijn met de brief vanuit de Europese Commissie van 15 juli jl. waarin alle lidstaten dringend worden opgeroepen om de waakzaamheid ten aanzien van deze identiteitsfraude met paardenpaspoorten te verhogen en om de meest geschikte handhavingsmaatregelen te nemen.
Tot slot wordt op dit moment samen met de sector gewerkt aan de uitvoering van de aangescherpte Europese wet- en regelgeving die onder meer voorziet in striktere eisen aan organisaties die paspoorten mogen uitgeven (gemachtigde instanties) en in meer toezicht en handhaving op deze organisaties om frauduleuze praktijken met paardenpaspoorten te voorkomen. Inzet is om uiterlijk per 1 juli 2025 de aanwijzing van deze gemachtigde instanties onder het strengere kader te hebben afgerond, en de uitvoering en handhaving op de nieuwe situatie te hebben ingeregeld. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u aangeven hoelang paardentransporten vanuit Ierland en het Verenigd Koninkrijk naar Nederland doorgaans duren?
De totale geschatte duur van het vervoer van paarden vanuit Ierland en het Verenigd Koninkrijk naar Nederland inclusief overtocht is gemiddeld 37,5 uur.
Wat is uw reactie op het bericht dat in november 2023 een paardentransport is aangetroffen in Dover met als eindbestemming een paardenhandelaar uit Oostwold, waarbij zeven paarden illegaal werden getransporteerd, vijf paarden drachtig waren en één van de dieren er zo slecht aan toe was dat deze is geëuthanaseerd?
Dit is een schokkend bericht. Om zowel het dierenwelzijn als de diergezondheid als de volksgezondheid te beschermen moeten transporteurs voldoen aan de geldende wet- en regelgeving.
Hoeveel misstanden zijn de afgelopen vijf jaar bij paardentransporten geconstateerd?
Bij het Nationaal Contactpunt van de NVWA komen meldingen van overtredingen binnen, die betreffen onder andere vervoer van dieren tussen lidstaten. Bij paardentransporten van een lidstaat naar Nederland is 1 keer een dierenwelzijnsmelding verzonden naar het buitenland. Andere lidstaten hebben 15 keer een melding van dierenwelzijnsovertredingen (een melding kan meerdere overtredingen bevatten) aan Nederland verzonden na transporten vanuit Nederland naar andere lidstaten (12x overbelading, 4x dieren die ongeschikt waren voor het vervoer, 1x te weinig drinken of voer). Ook houdt de NVWA regulier controles op het welzijn van dieren tijdens transport. De afgelopen vijf jaar is een aantal overtredingen vastgesteld. Meestal was sprake van import zonder een gezondheidscertificaat. Op het gebied van dierenwelzijn is een aantal overtredingen geconstateerd, waaronder het niet scheiden van dieren en het onjuist vervoeren van onafgerichte paarden. Jaarlijks worden inspectieresultaten hiervan openbaar gemaakt3.
Bent u bereid om het toezicht op paardentransporten uit Ierland en het Verenigd Koninkrijk te intensiveren? Zo nee, waarom niet?
Bij binnenkomst in de EU vanuit het Verenigd Koninkrijk wordt reeds 100 procent controle gedaan op de geïmporteerde paarden. Dit is wettelijk verplicht. De NVWA zal de komende periode het toezicht op paardentransporten intensiveren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het gebruik van de mobiele schaapskooi ter bescherming van schapen. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Piet Adema (CU), Christianne van der Wal (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in de Telegraaf waar een Friese schapenhouder toelicht hoe innovaties, zoals de mobiele schaapskooi, succesvol kunnen zijn in het beschermen van dieren tegen predatoren?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat houders van dieren de plicht hebben om hun dieren te beschermen, onder andere tegen roofdieren?
Ja. Volgens artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houders van dieren (hierna: Bhvd) moeten dierhouders ervoor zorgen dat hun dieren, indien deze niet in een gebouw worden gehouden, zo nodig bescherming wordt geboden tegen roofdieren. In het geval van de wolf is een nieuwe situatie ontstaan voor dierhouders, waar ik bij de invulling van deze open norm rekening mee zal houden. Daarnaast ben ik me bewust van het feit dat in de praktijk niet alle houders exact dezelfde maatregelen kunnen treffen.
Kunt u aangeven hoeveel schapenhouders op dit moment voldoende maatregelen nemen om hun schapen te beschermen tegen roofdieren, zoals de wolf?
Deze gegevens worden niet bijgehouden en zijn derhalve niet beschikbaar.
Acht provincies hebben een subsidiepot voor wolfwerende maatregelen. Friesland, Limburg en Gelderland hebben aangegeven het beschikbare budget uit te breiden voor 2024, vanwege de grote vraag. De subsidiepot van Zeeland is na goedkeuring van de laatste aanvragen geheel gebruikt.
Heeft u gezien dat de schaapsherder in het artikel aangeeft dat sinds ze deze schaapskooi hebben, er niks meer is gebeurd en de schapen rustig en zonder stress kunnen slapen?
Ja.
Bent u van mening dat een mobiele schaapskooi hiermee een effectieve manier is om de verplichte bescherming van landbouwdieren uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Momenteel werk ik aan een beleidsregel voor de invulling van de open norm over bescherming van dieren die niet in een gebouw worden gehouden (artikel 1.6, derde lid, Bhvd), zoals ik in mijn brief van 19 juli 2024 aan de Eerste Kamer heb aangegeven (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. M).2 Als onderdeel hiervan verken ik welke wolfwerende maatregelen passend zijn. Ik betrek de mobiele schaapskooi in deze verkenning.
Deelt u de mening dat schapenhouders en andere houders van dieren kunnen leren van deze ontwikkelingen en dergelijke innovaties ook kunnen toepassen op hun eigen bedrijf en in hun eigen context?
De terugkomst van de wolf heeft effect op een grote diversiteit aan bedrijven en hobbydierhouders. Bij het nemen van wolfwerende maatregelen is maatwerk daarom van groot belang. We bevinden ons in een fase waarin verschillende wolfwerende innovaties worden getest in de praktijk. Bij de invulling van de norm van artikel 1.6, derde lid, Bhvd houd ik hier rekening mee. De beleidsregel moet de ruimte bieden voor maatwerk en innovatie.
Bent u bereid te inventariseren welke rol de overheid kan nemen om het op grotere schaal uitrollen van deze beschermingsmaatregel te faciliteren? Zo nee, waarom niet?
De overheid neemt al een pakket van maatregelen in dit kader. Zoals ik ook in mijn brief van 19 juli 2024 aan de Eerste Kamer heb aangegeven, zorg ik met het invullen van de open norm voor duidelijkheid, zodat dierhouders voorafgaand aan het maken van investeringen zeker weten dat deze voldoen aan de norm. Verder wordt ingezet op informatievoorziening over wolfwerende maatregelen en over de financiële steun waarvoor dierhouders in aanmerking kunnen komen. Er zijn immers al provinciale subsidies beschikbaar om de overgang naar een wolfwerend systeem te stimuleren. Dit jaar zijn er provincies die hun budgetten al hebben verhoogd, vanwege de grote belangstelling van dierhouders die maatregelen willen treffen. Daarnaast gaat de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zich samen met provincies inzetten voor een landelijk wolf fencing team om houders praktische ondersteuning te bieden bij het treffen van wolfwerende maatregelen.
Valt de aanschaf van een mobiele schaapskooi onder de financiële regeling voor wolfwerende hekken? Zo nee, waarom niet?
Er zijn provinciale subsidieregelingen beschikbaar voor het nemen van wolfwerende maatregelen. Het interprovinciaal wolvenplan bevat een advies over de inrichting van de provinciale subsidieregelingen, maar iedere provincie bepaalt de invulling uiteindelijk zelf. Bijvoorbeeld welke wolfwerende maatregelen worden vergoed en wie aanspraak kan maken op de subsidie. Of een wolfwerende maatregel wordt vergoed, is dus onder andere afhankelijk van de aanvrager en van de provincie waarin de aanvraag wordt gedaan. Ik vind het belangrijk dat alle subsidiemogelijkheden in kaart worden gebracht, zowel nationaal als vanuit de EU, om te kijken welke subsidies voor alle houders er gefaciliteerd kunnen worden. Ik vind het namelijk van belang dat dierhouders gefaciliteerd worden bij het treffen van maatregelen om hun dieren te beschermen.
Kunt u aangeven welke stakeholders, experts en deskundigen betrokken zijn bij het proces rondom de invulling van artikel 1.6, derde lid van het Besluit houders van dieren?
De provincies en onze buurlanden hebben al veel kennis in kaart gebracht en ervaring opgedaan met het thema bescherming van dieren tegen de wolf. Bij de invulling van de open norm van artikel 1.6, derde lid, Bhvd neem ik deze kennis en ervaring mee, zoals mijn ambtsvoorganger in de Kamerbrief over samenleven met de wolf ook heeft aangegeven (Kamerstuk 33 576, nr. 376).3 Daarnaast betrek ik in dit proces een brede groep aan stakeholders, waaronder sectorvertegenwoordigers en natuurbeschermingsorganisaties.
Bent u bereid om natuur- en dierenwelzijnsorganisaties en ecologen nauwer te betrekken bij dit proces? Kunt u toelichten wie en op welke wijze?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 9 heb aangegeven, betrek ik een brede groep stakeholders bij het opstellen van de beleidsregel. Ik heb er vertrouwen in dat we op deze wijze komen tot een goed onderbouwde en praktisch toepasbare invulling.
Kunt u aangeven op welke wijze de wetenschap betrokken is bij de invulling van de open norm en welke wetenschappelijke indicatoren en onderzoeken hiervoor aan de basis liggen? Zo ja, kunt u deze onderzoeken naar de Kamer sturen?
Een goede wetenschappelijke basis is van belang bij de invulling van de open norm. Zoals ik heb aangegeven in mijn voorgaande antwoorden, is er al veel kennis in kaart gebracht en ervaring opgedaan met het bieden van bescherming tegen de wolf. Dit vormt het uitgangspunt voor de beleidsregel. Zodra deze uitgewerkt is, kan ik de Kamer informeren over de specifieke invulling en onderbouwing.
Bent u bereid om onderzoek te laten uitvoeren zodat er een degelijk wetenschappelijke basis aan dit artikel ten grondslag ligt, indien de wetenschap niet wordt betrokken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u van mening dat, nu er steeds meer bewezen mogelijkheden zijn waarmee schapenhouders hun dieren tegen wolven kunnen beschermen, er reden is om het gedoogbeleid voor het onvoldoende beschermen van landbouwdieren af te bouwen? Zo nee, waarom niet?
Momenteel werk ik aan de invulling van de open norm van artikel 1.6, derde lid, Bhvd. Daarbij helpt het dat er steeds meer kennis is over beschermingsmaatregelen tegen de wolf. Wanneer de open norm is ingevuld, kan de NVWA toezicht houden op de naleving van deze norm van artikel 1.6, derde lid, Bhvd wat betreft de bescherming van gehouden dieren tegen de wolf.
Kunt u aangeven wanneer toezicht en handhaving op het bepaalde in artikel 1.6 derde lid van het besluit houders van dieren op de wettelijk bedoelde wijze ter hand zal worden genomen door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) waarmee het gedoogbeleid kan worden beëindigd?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb de antwoorden op een deel van de vragen samengevoegd. Ik heb me ingespannen deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden. In verband met de benodigde afstemming konden de vragen niet binnen de gevraagde termijn worden beantwoord. Hier is de Tweede Kamer over geïnformeerd via een uitstelbrief.
Het schokkende onderzoeksrapport over dierenpark Mondo Verde |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Piet Adema (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Tralies en Tranen» van Stichting Bite Back?1
Ja.
Wat is uw reactie op het alarmerende rapport dat is gebaseerd op openbare bronnen, Wet open overheid-verzoeken, Kamer van Koophandel-documenten, bezoeken aan het park, contact met klokkenluiders, verhalen van bezoekers en (undercover)onderzoek?
Dierentuinen hebben een belangrijke voorbeeldfunctie op het gebied van dierenwelzijn. Ik verwacht van dierentuinen dat ze de hoogste dierenwelzijnsstandaarden nastreven en ze er alles aan doen om hun dieren een goed leven te geven. Daarom worden aan dierentuinen uitgebreide eisen op het gebied van dierenwelzijn gesteld, zoals is vastgelegd in hoofdstuk 4 van het Besluit houders van dieren (Bhvd). Wanneer mensen vermoeden dat een dierentuin zich hier niet aan houdt, is het belangrijk dat dit gesignaleerd wordt en hier melding van wordt gemaakt. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) kunnen dan onderzoek instellen en waar nodig maatregelen nemen. Dit rapport zie ik als een signaal dat aanleiding geeft voor verder onderzoek naar de situatie bij Mondo Verde.
RVO en de NVWA zullen daarom samen optrekken om het welzijn van de dieren in de dierentuin nogmaals grondig te onderzoeken en de dierverblijven opnieuw te beoordelen. De dierentuin verleent hier volledige medewerking aan en is bereid om waar nodig verbeteringen door te voeren.
Kunt u aangeven welke informatie uit het rapport al bekend was bij u, het ministerie, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en welke informatie nieuw is?
In hoofdlijnen zijn de zorgen die in het rapport worden geuit bekend. Er zijn in het verleden meldingen ontvangen waarin bezoekers en oud-werknemers zorgen uitten over het welzijn van enkele dieren die ook in het rapport voorkomen. Zoals mijn ambtsvoorganger eerder dit jaar in de beantwoording van de vorige set Kamervragen over dierenpark Mondo Verde heeft gemeld (kenmerk 2023Z20270, ingezonden op 15 december 2023), hebben er de afgelopen jaren meerdere inspecties bij de dierentuin plaatsgevonden en zijn waar nodig maatregelen getroffen. Het is echter niet zo dat na iedere melding misstanden op het gebied van dierenwelzijn zijn aangetroffen. Het beeld dat geschetst wordt in het rapport van Stichting Bite Back komt dan ook niet overeen met het beeld dat RVO van de dierentuin heeft.
Kunt u bevestigen dat de dagelijkse verzorging van de dieren in Mondo Verde onder leiding staat van het voormalig hoofd dierverzorging van het Nederlands Opvangcentrum voor Papegaaien, waar «duizenden vogels» zijn verdwenen, vogels in kleine kooitjes werden gehouden waar ze zich nauwelijks konden bewegen, er een «ongekend dodenaantal» was en dat betrokken was bij de illegale invoer van exotische vogels?2
Deze vraag gaat over het personeelsbestand van een externe partij. Daarover heb ik geen beschikking.
Op welke manier is dit patroon van ernstige misstanden en dierenwelzijnsovertredingen meegenomen in de beoordelingen tijdens de inspecties in dierenpark Mondo Verde of beoordeling van uitbreiding van het aantal dieren in het park?
Iedere dierentuin in Nederland wordt op dezelfde wijze beoordeeld. Ze moeten zich allemaal aan dezelfde wet- en regelgeving houden en ik verwacht van iedere dierentuin dat ze goed voor hun dieren zorgen. Daarom wordt op alle dierentuinen streng toegezien en wordt één lijn getrokken bij de beoordeling van alle dierentuinen. Als er na deze objectieve beoordeling een overtreding wordt geconstateerd, kan het verleden wel meewegen bij het bepalen van de te nemen maatregelen. Zo zal bij een patroon van herhaalde overtredingen een last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling worden opgelegd.
Wat vindt u ervan dat Mondo Verde meerdere honden achter de schermen houdt in modderige buitenverblijven met alleen een paar pallets en een iglohut?
Het is niet bekend of de situatie zoals deze in het rapport wordt beschreven ook daadwerkelijk de huidige situatie is in Mondo Verde. De NVWA bekijkt hoe de situatie van de honden meegenomen kan worden in het toekomstige dierenwelzijnsonderzoek bij de dierentuin.
Ten algemene vind ik dat honden goed moeten worden verzorgd. In het Besluit houders van dieren staan regels voor het houden van honden in een ren. Wanneer een hond in een buitenverblijf wordt gehouden is de houder verplicht om de bodem zodanig te onderhouden dat deze schoon blijft en niet drassig wordt. Bovendien moet de hond toegang hebben tot een hok dat bescherming biedt tegen nadelige weersinvloeden en kou. De NVWA zal in het dierenwelzijnsonderzoek toetsen of de verblijven van de honden aan deze regelgeving voldoen.
Wat vindt u ervan dat een dierenpark actief met honden fokt?
Het is mij niet bekend of er gefokt wordt met de honden die op het terrein van de dierentuin worden gehouden. Ten algemene geldt dat dierentuinen zich moeten richten op hun maatschappelijke taak in de vorm van conservatie en educatie, en de dieren die zij daarvoor in hun collectie hebben.
Wat vindt u ervan dat een oud-medewerker aangeeft dat de honden verder niet uit de verblijven worden gehaald?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 6 heb aangegeven is het niet bekend of de situatie die in het rapport wordt beschreven ook daadwerkelijk overeenkomt met de situatie in het dierenpark.
Ten algemene geldt dat honden, ook degenen die in een ren worden gehouden, met enige regelmaat de gelegenheid moeten krijgen te voldoen aan hun natuurlijke behoeften, zoals beweging en sociale contacten. Dit kan bijvoorbeeld door de hond uit te laten of rond te laten lopen op het erf buiten de ren. Zeker ten behoeve van de socialisatie van puppy’s is het essentieel om de honden regelmatig uit de verblijven te halen.
Kunt u aangeven of de NVWA deze honden heeft aangetroffen tijdens hun inspectie? Indien dat niet het geval is, hoe verklaart u dat? Indien dat wel het geval is, welke stappen zijn er ondernomen?
De inspecteurs van de NVWA hebben zich tijdens de inspectie gericht op de dieren die werden tentoongesteld in relatie tot de dierentuinvergunning. Zij hebben wel gezien dat er honden aanwezig waren, maar deze niet specifiek geïnspecteerd. De inspecteurs die dierentuinen inspecteren zijn namelijk gespecialiseerd in het welzijn van dierentuindieren, inspecties bij honden vragen andere expertise. Er waren overigens geen signalen dat direct ingrijpen bij de honden noodzakelijk was. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 6 heb aangegeven bekijkt de NVWA hoe de situatie van de honden meegenomen kan worden in het toekomstige dierenwelzijnsonderzoek bij de dierentuin.
Wat vindt u ervan dat uit het onderzoeksrapport blijkt dat de kamelen, tijgers en leeuwen in het park (ernstig) onnatuurlijk, stereotiep gedrag vertonen?
Het is nooit fijn om dieren stereotiep gedrag te zien vertonen. Stereotiep gedrag is een gedrag dat een dier zichzelf heeft aangeleerd toen het in een stressvolle situatie zat, om zich op dat moment beter te gaan voelen. Als een dier dit gedrag eenmaal heeft aangeleerd en zich er prettig door voelt, zal hij dit blijven vertonen, zelfs als de stressvolle situatie niet meer aanwezig is. Het waarnemen van stereotiep gedrag betekent dan ook niet per definitie dat het welzijn van een dier op dat moment is aangetast. Het geeft enkel aan dat een dier ooit gedurende een langere periode in zijn leven stress heeft ervaren.
RVO zal, bij het eerdergenoemde onderzoek naar het welzijn van de dieren in de dierentuin ook kijken naar de huidige inrichting van de verblijven en de aangeboden verrijkingsmiddelen. Beide kunnen het gedrag van een dier positief beïnvloeden.
Kunt u bevestigen dat een leeuw in Mondo Verde al meerdere jaren in een zeer klein verblijf leeft? Is dit door handhavende instanties tijdens eerdere inspecties geconstateerd? Zo ja, hoe oordeelt u over de wijze waarop deze leeuw wordt gehouden? Zo nee, hoe kan het dat dit niet is geconstateerd door de instanties?
RVO is ervan op de hoogte dat de dierentuin nu ongeveer 1,5 jaar problemen heeft met de huisvesting van de aanwezige leeuwen en heeft hierover contact met Mondo Verde. De binnen- en separatieverblijven waarin de leeuw gehouden wordt zijn onderdeel van het verblijf, maar zijn niet bedoeld voor permanente huisvesting. Het langdurig houden van dieren in slechts één of een deel van deze gekoppelde verblijven leidt mogelijk tot dierenwelzijnsproblemen. Een makkelijke oplossing is niet voor handen omdat de twee mannelijke leeuwen van het park niet samen gehouden kunnen worden. Slechts één van hen kan tegelijk in het buitenverblijf zijn. Daarom worden de dieren gerouleerd. Om de dieren meer ruimte te geven heeft Mondo Verde ervoor gekozen de leeuwen ook ’s nachts toegang tot het buitenverblijf te geven. Bovendien is de dierentuin bezig om een van de leeuwen een nieuw onderkomen te geven.
Omdat er reeds uitzicht is op herstel van de situatie, de dieren tijdens inspectie een gezonde en alerte indruk maakten en de dierentuin maatregelen heeft genomen om het welzijn van de dieren te bevorderen is besloten niet handhavend op te treden.
Kunt u zich herinneren dat u in antwoord op eerdere Kamervragen op 13 maart jongstleden aan de Kamer schreef dat u een attractiepark geen geschikte omgeving vindt voor wilde dieren?3
Ja, mijn voorganger heeft deze vragen destijds beantwoord.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat de dieren verdere hinder ondervinden van deze attracties?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven zal het welzijn van de dieren in de dierentuin onderzocht worden. Binnen dit traject zal ook aandacht zijn voor een mogelijk effect van attracties op de dieren.
Gaat u in de vergunningverlening in de toekomst strenger toezien op dit uitgangspunt zodat deze ongeschikte situatie zich niet weer voordoet? Zo nee, waarom niet?
Bij vergunningverlening ziet RVO er al op toe dat dieren in hun nieuwe verblijven geen hinder van de omgeving ervaren. Enkel wanneer duidelijk is dat de dieren niet worden gestoord, bijvoorbeeld door een naastgelegen attractie, wordt een vergunning afgegeven. Het kan ook voorkomen dat nieuwe attracties in de buurt van bestaande en reeds vergunde dierverblijven worden geplaatst. In dat geval kan worden ingegrepen wanneer na inspectie wordt geconstateerd dat de dieren aantoonbaar last hebben van de attractie.
Hoe oordeelt u over het gegeven dat het (nacht)verblijf van de leeuwen direct naast de botsauto-attractie ligt? Hoe oordeelt u over de reactie van Mondo Verde dat dit «leuker en gezelliger» is voor de leeuwen, omdat ze dan «nog eens wat horen»?
Ik sluit mij aan bij de woorden van mijn ambtsvoorganger, die heeft aangegeven dat een attractiepark geen geschikte omgeving is voor wilde dieren.
Over de genoemde uitspraken kan ik geen oordeel geven. Ik kan immers niet met zekerheid vaststellen dat dit daadwerkelijk door de dierentuin is gezegd. Ik ga ervan uit dat alle dierentuinen in Nederland dierenwelzijn serieus nemen en signalen over eventuele verstoring van de dieren door attracties of andere zaken onderzoeken.
Kunt u bevestigen dat u op 13 maart jongstleden aan de Kamer schreef dat de leeuwen toegang hebben tot binnenverblijven waar zij zich kunnen afzonderen? Zo ja, wat is uw reactie op de bevinding uit het rapport dat de leeuwen overdag geen toegang hebben tot deze binnenverblijven en ze zich overdag dus niet kunnen afzonderen?
Mijn ambtsvoorganger heeft aangegeven dat volgens de vergunning een binnenverblijf aanwezig is waar de dieren zich kunnen afzonderen. Het kan zijn dat dierentuinen zich in uitzonderlijke situaties genoodzaakt voelen af te wijken van de vergunning. Als wordt geconstateerd dat een dierentuin zijn vergunning niet naleeft gaat RVO in gesprek met de dierentuin en wordt gekeken of handhaving op zijn plaats is. Tijdens de recente inspectie bij Mondo Verde is de situatie zoals beschreven in het antwoord op vraag 11 aangetroffen. RVO heeft, om de in dat antwoord beschreven reden, besloten in deze specifieke situatie niet handhavend op te treden.
Wat is uw reactie op een opmerking van een oud-medewerker die aangeeft dat als de leeuwen binnen waren en niet naar buiten wilden gaan, het hoofd dierverzorging ze verplichtte om de tuinslang met volle straal op de dieren te zetten?
Op basis van het rapport kan ik niet met zekerheid vaststellen of dit in de dierentuin heeft plaatsgevonden. Daarom kan ik geen oordeel vellen over deze specifieke situatie. Ten algemene geldt dat het belangrijk is dat verblijven dierentuindieren voldoende keuzevrijheid bieden om aan hun behoeften te voldoen. Soms is een tijdelijke beperking in deze keuzevrijheid noodzakelijk voor de verzorging. In dat geval is het belangrijk is dat de dieren op een positieve manier getraind worden, zodat de verzorging van de dieren op een veilige manier en met zo min mogelijk stress kan plaatsvinden.
Kunt u bevestigen dat Mondo Verde voornemens is om een van hun leeuwen te verkopen aan een dierenpark in Indonesië, waar shows met de dieren worden gehouden, leeuwenwelpjes kunnen worden geaaid, de dieren worden gevoerd en bezoekers met ze op de foto kunnen?
Het klopt dat Mondo Verde voornemens is een van hun leeuwen naar een dierenpark in Indonesië te verplaatsen. Uit onderzoek van RVO is gebleken dat de genoemde interacties op dit moment niet meer plaatsvinden in de Indonesische dierentuin.
Het is echter nog niet zeker dat de leeuw naar Indonesië zal verhuizen. Mondo Verde heeft aan Stichting Bite Back aangeboden dat zij een andere locatie voor het dier zoeken, onder de voorwaarde dat de leeuw in een dierentuin terecht komt, de locatie voldoet aan artikel 4.11 (Bhvd), en de verhuizing op korte termijn kan plaatsvinden.
Kunt u bevestigen dat deze verhuizing in overtreding is van artikel 4.11 van het Besluit houders van dieren, dat verplicht dat een dierentuin zich ervan moet verzekeren dat de dieren op een plek terecht komen waar wordt voldaan aan de normen voor dierenwelzijn die ook voor Nederlandse dierentuinen gelden? Zo ja, waarom heeft de RVO deze verhuizing dan goedgekeurd? Zo nee, waarom niet?
RVO heeft onderzoek gedaan naar de voorgenomen verhuizing van de leeuw en onder meer documenten over het leeuwenverblijf in Indonesië opgevraagd bij Mondo Verde. De aangeleverde documenten waren voldoende om er van uit te gaan dat de dierentuin zich ervan heeft verzekerd dat het welzijn van de leeuw geborgd is. De inschatting was zelfs dat het welzijn van de leeuw waarschijnlijk zou verbeteren vergeleken met de huidige situatie.
Bent u bereid om deze verhuizing alsnog tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Naast artikel 4.11 uit het Besluit houders van dieren moet Mondo Verde zich ook houden aan betreffende veterinaire en CITES-regelgeving. Zo lang de dierentuin dit doet, zie ik geen reden om de verhuizing tegen te houden. Er is ook geen bevoegdheid om de export van dieren naar derde land te verbieden als aan de voorwaarden is voldaan. Nederland moet een exportcertificaat afgeven als kan worden voldaan aan de eisen die een derde land stelt met betrekking tot diergezondheid. Dit is vastgelegd in Europese diergezondheidsverordening (2016/429, art. 243).
Hoe verklaart u dat u eerder aangaf dat de RVO het park zou aanspreken op het niet beschikken over een vergunning om de kamelen tentoon te stellen en dat de situatie zou moeten worden hersteld, maar dat uit het onderzoeksrapport blijkt dat de situatie voor de kamelen onveranderd is gebleven?
Het herstellen van de situatie betekent in het geval van het onvergund tentoonstellen van de kamelen dat een vergunning moet worden aangevraagd. Dit heeft Mondo Verde gedaan en RVO beoordeelt de vergunningsaanvraag momenteel.
Welke eisen worden er vanuit uw ministerie gesteld aan de ervaring en vaardigheden bij medewerkers van dierentuinen als deze nieuwe diersoorten willen houden en hoe wordt hier toezicht op gehouden en op gehandhaafd?
Als een dierentuin nieuwe diergroepen wil houden (d.w.z. dieren die niet verwant zijn aan diersoorten die al door de dierentuin gehouden worden) wordt de beschikbaarheid en de ervaring van het personeel binnen de dierentuin meegenomen in de beoordeling. Een dierentuin ontvangt alleen een vergunning als er voldoende vakbekwaam personeel is. Dit is vastgelegd in hoofdstuk 4 van het Bhvd. De specifieke eisen die worden gesteld zijn afhankelijk van welke diersoort een dierentuin wil houden, aangezien het houden dierentuindieren specialisme vereist en voor iedere diersoort weer andere zaken belangrijk zijn.
Bent u bereid te onderzoeken of een opleiding en/of certificering verplicht kan worden gesteld aan dierentuinmedewerkers wanneer dierentuinen willen werken met kwetsbare diersoorten zoals wolven?
Dit acht ik niet nodig. Er wordt bij vergunningverlening immers al toegezien op de beschikbaarheid van vakbekwaam personeel.
Hoeveel overtredingen moeten er nog worden aangetroffen voordat er ingrijpendere maatregelen worden getroffen bij Mondo Verde, gelet op het feit dat u eerder aan de Kamer schreef dat in de afgelopen vijf jaar vijf inspecties hebben plaatsgevonden bij Mondo Verde, waarbij verschillende overtredingen zijn geconstateerd?
Zoals ik in de antwoorden op eerdere vragen heb aangegeven zullen RVO en de NVWA onderzoek doen naar het dierenwelzijn binnen Mondo Verde. Tijdens dit onderzoek zal de gehele dierentuin, voor en achter de schermen, worden bekeken en wordt getoetst of de dierentuin voldoet aan de huidige normen die we aan dierentuinen stellen. De dierentuin verleent hier volledige medewerking aan en geeft aan te willen verbeteren waar nodig. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek zullen eventuele vervolgstappen worden bekeken.
Wat vindt u ervan dat een dierentuin blijkbaar meerdere keren over de schreef kan gaan en dat het de inspectie niet lukt om verbeteringen af te dwingen?
Ik vind het kwalijk als dierentuinen zich niet aan de geldende wet- en regelgeving houden. Ze hebben een voorbeeldfunctie en een belangrijke maatschappelijke taak. Ik verwacht van dierentuinen dat dierenwelzijn voorop staat. Daar zien RVO en de NVWA op toe met vergunningverlening, toezicht en handhaving.
Als een overtreding wordt geconstateerd ligt de eerste focus altijd op herstel. Vaak wordt een last opgelegd, wat betekent dat de dierentuin de kans krijgt om de overtreding te beëindigen. Als de overtreding nogmaals wordt geconstateerd, verbeurt de dierentuin een dwangsom of kan RVO de overtreding zelf beëindigen. Dat is over het algemeen voldoende om dierentuinen tot verbetering aan te zetten. Ook Mondo Verde heeft in het verleden zaken hersteld nadat RVO maatregelen heeft opgelegd.
Heeft de RVO zich al beraad op de te nemen maatregelen tegen dit park? Zo ja, kunt u de conclusies van de RVO met de Kamer delen? Zo nee, wanneer gaat deze berading plaatsvinden?
Zie mijn antwoord op vraag 24.
Kunt u zich herinneren dat u eerder aan de Kamer schreef: «De foto’s geven een gedeelte van de verblijven van de dieren weer en geven daardoor geen compleet beeld van de dierverblijven. Ik heb op basis van de foto’s dan ook niet voldoende informatie om een zorgvuldig oordeel over de dierverblijven te geven.»?
Ja, mijn ambtsvoorganger heeft deze vragen destijds beantwoord.
Heeft u inmiddels, naar aanleiding van het uitgebreide onderzoeksrapport, voldoende informatie om een zorgvuldig oordeel over het dierenpark te vellen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik kan alleen een oordeel vellen op basis van een rapport van officiële toezichthouders. Daarom zullen RVO en de NVWA onderzoek doen bij Mondo Verde.
Bent u bereid om, vanwege al deze misstanden en dierenwelzijnsschandalen, de dierentuinvergunning van dierenpark Mondo Verde in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Ik kan een dierentuinvergunning niet zomaar intrekken. Ten algemene geldt dat een dierentuin erop wordt aangesproken wanneer deze zijn vergunning overtreedt. Er wordt een gesprek gevoerd over de overtreding en er wordt herstel aangezegd, bijvoorbeeld via een last onder dwangsom. De eerste focus ligt op herstel omdat het belangrijk is dat de onvergunde situatie zo snel mogelijk stopt. De mogelijkheid tot herstel is ook vastgelegd in artikel 4.13 van het Besluit houders van dieren. Hierin staat dat een dierentuin een redelijke termijn moet krijgen, die ten hoogste 2 jaar bedraagt, om de situatie te herstellen voordat een vergunning wordt ingetrokken.
In het geval van Mondo Verde zijn de eerder geconstateerde overtredingen hersteld. Uit het aangekondigde onderzoek zal blijken of er nog meer zaken binnen de dierentuin zijn die moeten verbeteren. De dierentuin verleent hier volledige medewerking aan. Ik heb er dan ook vertrouwen in dat eventueel benodigde verbeteringen in de toekomst worden doorgevoerd.
Bent u bereid om de dieren in het park die veelal in schrijnende situaties zitten, daar weg te laten halen en onder te laten brengen op plekken waar ze wel goed worden verzorgd? Zo nee, waarom niet?
Uit de inspecties die eerder dit jaar bij Mondo Verde zijn uitgevoerd zijn geen zaken naar voren gekomen die het in bewaring nemen van de dieren rechtvaardigt. Uit het onderzoek dat RVO en de NVWA zullen uitvoeren, zal blijken of dierenwelzijn in de dierentuin verbeterd moet worden.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Vanwege de benodigde afstemming is het niet gelukt om de vragen binnen drie weken te beantwoorden. Hier is de Tweede Kamer over geïnformeerd via een uitstelbrief.
Financiering van de vee-industrie door de Rabobank |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onlangs gepubliceerde rapport «Blocking a better world altogether – Rabobank’s bogus policy about animal welfare and sustainable agriculture»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de uitspraak van World Animal Protection NL dat de Rabobank één van de drijvende krachten is geweest van het huidige agrarische model van industrialisering in Nederland, maar ook in het buitenland, waaronder Brazilië?
De intensivering en schaalvergroting van de landbouw, zowel in Nederland als daarbuiten, is het gevolg geweest van meerdere factoren, waaronder technologische vooruitgang, overheidsbeleid en economische wetmatigheden, waarbij alle ketenpartijen een rol hebben gespeeld. De verduurzaming van het landbouw- en voedselsysteem is een opgave die voortkomt uit deze gedeelde verantwoordelijkheid en moet daarom ook als gezamenlijke opgave aangepakt worden. Ik vind het daarom van groot belang dat ook financiële instellingen een proactieve rol spelen in deze transitie. Verschillende instellingen hebben ook aangegeven die rol te willen pakken.
Hoe reflecteert u op de uitspraak van World Animal Protection NL dat de Rabobank, door diens financiering van de intensivering en het financieel stimuleren van melkveehouders tot schaalvergroting na het loslaten van de melkquota, medeverantwoordelijk is voor de huidige stikstofcrises?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich de schriftelijke vragen2 van mijn fractie over de rol van JBS in grootschalige ontbossing, gigantische CO2-uitstoot, het veroorzaken van ernstig dierenleed, veroordeling voor corruptie, betrokkenheid bij kinderarbeid en schendingen van mensenrechten, alsmede belastingontwijking?
Ja.
Steunt u de oproep van World Animal Protection NL aan de Rabobank om op korte termijn de banden met JBS te verbreken? Zo nee, waarom niet?
Ik verwacht van financiële instellingen, net als van andere partijen in de keten, dat zij hun rol pakken in de transitie van het landbouw- en voedselsysteem. Ook verwacht ik van Nederlandse bedrijven, waaronder financiële instellingen, dat zij handelen conform de internationale standaarden voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen, de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Daarnaast hebben financiële instellingen zelf hun ambities rondom maatschappelijk verantwoord ondernemen. Tot slot dienen financiële instellingen financiële risico’s, waaronder biodiversiteitsrisico’s, om prudentiële redenen adequaat te beheersen.
Gelet hierop verwacht ik van een financiële instelling dat zij het handelen van een bedrijf in het licht van de benodigde landbouwtransitie, de OESO-richtlijnen, financiële duurzaamheidsrisico’s en hun eigen IMVO-beleid, meewegen in hun financieringsbeslissingen en daar vervolgens consequenties aan verbinden als dit blijkt te botsen. Zo geeft Rabobank in haar dierenwelzijnsbeleid onder andere aan dat ze van klanten verwacht er proactief zorg voor te dragen dat bepaalde kernprincipes van dierenwelzijn geëerbiedigd worden.
Het is aan Rabobank zelf om het onderhouden van een klantrelatie met JBS in dit licht te wegen. Alhoewel uit het genoemde onderzoek niet duidelijk wordt of er een directe link is tussen financiering van de Rabobank van JBL en mogelijke misstanden van dit bedrijf ten aanzien van dierenwelzijn, roept het rapport in algemene zin de vraag op in hoeverre een partij als JBS de door Rabobank benoemde kernprincipes van dierenwelzijn proactief waarborgt. Ik vind het dan ook opvallend dat de Rabobank in een reactie aangeeft wat betreft dierenwelzijn in de praktijk voor niet-Europese financieringen andere standaarden te hanteren dan voor Europese, hoewel ze in haar beleid een dergelijk onderscheid niet lijkt te maken. Tot slot geeft Rabobank in een reactie aan geen direct lid te zijn van de National Pork Producers Council (NPCC), maar wel met leden van de NPPC samen te werken. Ook ten aanzien hiervan verwacht ik dat de hiervoor omschreven kaders door een financiële instelling zoals Rabobank worden meegewogen.
Wat vindt u van het feit dat de Rabobank geld investeert in de National Pork Producers Council, een coalitie van private bedrijven en stakeholders met een belang in de vee-industrie, die naar de Surpreme Court is gegaan om dierenwelzijnswetgeving te blokkeren?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de verduurzaming van de financiële sector, het gegeven dat Nederlandse banken met een internationale tak investeren in bedrijven die bijdragen aan de vernietiging van biodiversiteit, het versnellen van klimaatverandering en mogelijk betrokken zijn bij criminele activiteiten?
Het verduurzamen van de financiële sector vereist dat financiële instellingen de duurzaamheid van een bedrijf meewegen in haar financiersingsbeslissingen. Onder andere op grond van de eerder genoemde OESO-richtlijnen, moeten financiële instellingen risico’s voor mens en milieu in de waardeketen, zoals het risico op bijdragen aan de vernietiging van biodiversiteit, identificeren en aanpakken. Ook moet een financiële instelling volgens de OESO-richtlijnen, afhankelijk van de mate van betrokkenheid bij de schade, bijdragen aan herstel of zijn invloed aanwenden om nadelige gevolgen te beperken. Bovendien heeft een groot aantal Nederlandse financiële instellingen het Commitment Financiële Sector Klimaatakkoord (CFSK) ondertekend. Via het CFSK verbindt de financiële sector zich eraan om haar financieringen in lijn te brengen met de doelstellingen van het Parijsakkoord. Het CFSK richt zich primair op klimaat, maar kan ook positieve effecten hebben voor andere vormen van duurzaamheid, omdat verschillende aspecten van duurzaamheid met elkaar samenhangen. Tot slot zal vanuit de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD), waarover uw Kamer op 12 april jl. is geïnformeerd3, een verplichting volgen voor financiële instellingen om gepaste zorgvuldigheid toe te passen in hun financieringen.
Daarnaast zijn banken er ook aan gehouden om de relevante (financiële) risico’s die zijzelf lopen, van onder meer klimaatverandering, te monitoren en adequaat te beheersen. Keuzes en investeringen moeten ook vanuit dat opzicht te verantwoorden zijn. De Europese Centrale Bank en De Nederlandsche Bank houden daar toezicht op.
Het kabinet is van mening dat de financiële sector een belangrijke rol kan vervullen bij het tegengaan van misstanden in en het verder verduurzamen van waardeketens. Het lijkt mij evident dat financiële instellingen nagaan in welke mate bedrijven die zij financieren betrokken zijn bij ontbossing, en/of het versnellen van klimaatverandering, en indien blijkt dat dit het geval is, zij daar consequenties aan verbinden, bijvoorbeeld middels het verbreken van de klantrelatie.
Bent u het eens met de fractie van de Partij voor de Dieren dat er niet alleen aandacht moet zijn voor groene financieringen maar dat het ook noodzakelijk is om bestaande niet-duurzame financieringen af te bouwen? Zo nee, waarom niet?
Ja, hier ben ik het mee eens. Niet-duurzame financieringen zijn op termijn niet houdbaar. Het succesvol implementeren van de door de financiële sector zelf opgelegde doelen uit het CFSK vraagt daarom ook om het op termijn terugdringen van niet-duurzame financieringen. De vraag hoe financiële instellingen via engagementhun klanten kunnen bewegen tot verduurzaming is daar een belangrijk onderdeel van, omdat voorkomen moet worden dat financiële instellingen enkel hun eigen vervuilende investeringen afstoten, zonder dat er daadwerkelijke verduurzaming in de reële economie gerealiseerd wordt. Ook in Europees verband vraagt het kabinet daarom continu aandacht voor het belang van transitionele investeringen.
Maakt de afbouw van financiering van industriële grootschalige veehouderijsystemen en vleesgiganten onderdeel uit van de gesprekken die u voert met financiële instellingen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik spreek financiële instellingen regelmatig over hun rol in de transitie naar een duurzame economie en naar een toekomstbestendige vorm van landbouw. Daarbij gaat het zowel over de kansen en verantwoordelijkheden die dit biedt voor de financiële sector, als de manier waarop de overheid de inspanningen van de sector kan bespoedigen. De proactieve houding die de Minister van Landbouw, de Minister van Natuur en Stikstof en ik van financiële instellingen verwachten ten aanzien van hun bijdrage aan de landbouw- en voedseltransitie is ook onderdeel van deze gesprekken.
Welke rol ziet u voor banken in de Nederlandse transitie naar een «dierwaardige veehouderij»?
De wijziging van de Wet dieren is dit voorjaar in de Tweede en Eerste Kamer behandeld en de gewijzigde wet zal per 1 juli 2024 in werking treden. Binnen 1 jaar na inwerkingtreding zal voor vier veehouderijsectoren (varkens, pluimvee, melkvee en kalveren) in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) worden vastgelegd hoe voor deze sectoren dierwaardige veehouderij er in 2040 uit zal zien. De beweging naar dierwaardige veehouderij vindt plaats binnen de gestelde natuur-, water,- milieu-, lucht en klimaatkaders en doelen. Uit een quick scan4 die de Minister van LNV heeft laten uitvoeren blijkt de forse financiële impact van deze transitie. Overheid, financiers en markt- en ketenpartijen zullen tijdig en in voldoende mate moeten gaan inspelen op het lange termijn perspectief en ze moeten elkaar waar nodig hier op aanspreken. Ik verwacht dat banken hun beleid inrichten op deze ontwikkeling en daarmee vanuit hun rol deze transitie mogelijk maken.
De huis- en hobbydierlijst |
|
Cor Pierik (BBB) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Hoeveel dieren en hoeveel diersoorten worden er op dit moment in Nederland gehouden die niet op de huis- en hobbydierenlijst staan?
Er zijn ruim 300 zoogdiersoorten beoordeeld voor de totstandkoming van de huis- en hobbydierenlijst. Mensen die in Nederland een dier houden hoeven dit dier vaak niet te registeren, uitgezonderd bijvoorbeeld de houders van honden. Uit onderzoek blijkt dat er in 2021 ruim 21 miljoen gezelschapsdieren werden gehouden in Nederland. Het is niet duidelijk welk gedeelte hiervan niet op de huis- en hobbydierenlijst staat en om welke soorten dit gaat.
Bent u op de hoogte van de onomkeerbare maatregelen die houders van dieren die niet op de lijst staan moeten nemen om hun dieren binnen de geldende regels te houden vanaf 1 juli 2024?
Er is voorzien in overgangsrecht. Mensen die op 1 juli 2024 een dier van een soort hebben die niet op de lijst staat, mogen dat dier houden totdat het dier overlijdt. Dit geldt ook voor de jongen waarvan een dier drachtig is op het moment dat de lijst in werking treedt. De dieren die op deze manier uitgezonderd zijn van de huis- en hobbydierenlijst, mogen nog verhandeld worden. Er mag niet met deze dieren worden gefokt vanaf 1 juli 2024. Het is aan de houders om ervoor te zorgen dat de dieren zich niet kunnen voortplanten. Dieren van soorten die niet op de lijst staan en vanaf 1 juli 2024 uit het buitenland naar Nederland komen, mogen niet in Nederland worden gehouden.
Bent u bekend met de uitspraak van het College van Beroep van 28 maart 2017, waarin werd bepaald dat beoordelingen onvoldoende transparant en verifieerbaar zijn wanneer deze uitsluitend bestaan uit de context gehaalde citaten uit (wetenschappelijke) literatuur?1
Ik ken de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb). In 2017 heeft het CBb geoordeeld over de wijze waarop diersoorten werden beoordeeld voor plaatsing op de lijst. Het CBb oordeelde dat de besluitvorming niet voldeed aan het Europeesrechtelijke vereiste van wetenschappelijke objectiviteit en dat niet was voldaan aan de beginselen van deskundigheid en transparantie.
Kunt u bevestigen dat beoordelingen momenteel opnieuw uitsluitend bestaan uit verwijzingen naar en buiten de context geplaatste citaten uit (wetenschappelijke) literatuur?
Nee, dit is onjuist. Het aanwijzen van dieren voor de huis- en hobbydierenlijst moet gebeuren op basis van objectieve en niet-discriminatoire criteria. Dit volgt uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU in 2008. De Tweede Kamer heeft in 2020 het toetsingskader ontvangen dat is gebruikt voor het samenstellen van de nieuwe lijst (Kamerstuk 28 286, nr. 1085). Dit toetsingskader is ontwikkeld door de Wetenschappelijke adviescommissie positieflijst, bestaande uit onafhankelijke wetenschappers, en gaat uit van risicofactoren voor dierenwelzijn en gevaar voor de mens. De risicofactoren zijn geclusterd in de volgende categorieën: letsel bij de mens, gezondheid van de mens (zoönosen), voedselopname van het dier, ruimtegebruik/veiligheid van het dier, thermoregulatie van het dier en sociaal gedrag van het dier.
Voor de beoordeling van de zoogdiersoorten is het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst ingesteld. Dit adviescollege bestaat uit onafhankelijke wetenschappers. Het college heeft ruim 300 zoogdiersoorten beoordeeld aan de hand van het toetsingskader. Bij de beoordeling van de diersoorten is gebruik gemaakt van wetenschappelijke bronnen. De huis- en hobbydierenlijst is gebaseerd op het advies van dit college. Dit maakt dat de lijst een gedegen wetenschappelijke onderbouwing heeft. De eigenschappen en behoeften van het dier zijn hierbij het uitgangspunt, en niet de mogelijkheden die een houder heeft om hiermee om te gaan.
Wat is de reden dat, ondanks de eerdere uitspraak van het College van Beroep, beoordelingen in het kader van de huis- en hobbydierenlijst nog steeds bestaan uit verwijzingen naar en citaten uit (wetenschappelijke) literatuur?
Deze stelling is onjuist; ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u op de hoogte van het bezwaarschrift dat door «Our-EARTH» is ingediend tegen de positieflijst/huis- en hobbydierlijst die per 1 juli in werking treedt?
Ja.
Mede gezien de uitkomst van de beroepsprocedure bij de vorige positieflijst, hoe schat u de kansen van het bezwaar van «Our-EARTH» in?
De bezwaarprocedure wordt zorgvuldig doorlopen, het is niet passend om in antwoorden op Kamervragen voorspellingen over het verloop te doen.
Zijn volgens u de gevolgen van het castreren van mannelijke dieren, gezien de onomkeerbaarheid van de ingreep, in verhouding met het doel, zolang de beroepsprocedure van «Our-EARTH» niet afgerond is?
Het is aan de houder van het dier om te bepalen hoe ervoor wordt gezorgd dat een dier dat niet op de lijst staat, zich vanaf 1 juli 2024 niet meer kan voortplanten. Door hier zorg voor te dragen, zorgt de houder van het dier ervoor dat het overgangsrecht van toepassing is. De vrijstellingsvoorwaarden zijn doelgericht, en verplichten niet tot de inzet van een bepaald middel om voortplanting te voorkomen. Het is aan de houders zelf om te bezien wat nodig is.
Zijn volgens u de gevolgen van het castreren of steriliseren van vrouwelijke dieren, gezien de onomkeerbaarheid van de ingreep, in verhouding met het doel, zolang de beroepsprocedure van «Our-EARTH» niet afgerond is?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 8.
Zijn volgens u de gevolgen van het opbreken van stabiele (familie)groepen om de voortplanting te voorkomen, gezien de risico’s op onomkeerbaarheid daarvan en de gevolgen voor het dierenwelzijn, in verhouding met het doel, zolang de beroepsprocedure van «Our EARTH» niet afgerond is?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 8.
Is er een mogelijkheid voor het ministerie om af te zien van handhaving van de regels die gepaard gaan met het instellen van de huis- en hobbydierenlijst per 1 juli 2024, zolang de volledige procedure rondom het bezwaar dat is ingediend door «Our-EARTH» nog niet is afgerond?
Bezwaar- en beroepsprocedures hebben geen schorsende werking (zie artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht) ten aanzien van de inwerkingtreding van de huis- en hobbydierenlijst op 1 juli 2024. Om deze reden zal er niet worden afgezien van handhaving van de huis- en hobbydierenlijst gedurende deze procedures. Er wordt risicogericht toezicht gehouden. Dit betekent dat het toezicht plaatsvindt op plekken waar de grootste risico’s worden verwacht of waar nieuwe risico’s kunnen ontstaan. Ook wordt er toezicht gehouden naar aanleiding van meldingen
Indien het antwoord op vraag 8 «ja» is, bent u bereid van die mogelijkheid gebruik te maken?
Ik denk dat in de vraagstelling bedoeld is te verwijzen naar het antwoord op vraag 11. U kunt in mijn antwoord op vraag 11 lezen dat er geen schorsende werking uitgaat van een bezwaar of beroep en dat er dus niet wordt afgezien van handhaving van de huis- en hobbydierenlijst.
Kunt u de antwoorden op deze vragen binnen twee weken met ons delen, aangezien eigenaren van dieren die niet op de lijst staan anders mogelijk onnodige, onomkeerbare en dieronvriendelijke ingrepen aan hun dieren laten uitvoeren?
Ja.
Het onderzoek waaruit blijkt dat het Dolfinarium zich opnieuw niet aan de afspraken houdt. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u de berichtgeving van EenVandaag bevestigen, waaruit blijkt dat het Dolfinarium zich opnieuw niet aan de gemaakte afspraken houdt?1
In de uitzending van EenVandaag heb ik aangegeven dat ik zou onderzoeken of het Dolfinarium de gemaakte afspraken naleeft. Het onderzoek wijst uit dat het Dolfinarium één van de afspraken niet naleeft.
Wat vindt u ervan dat het Dolfinarium een pakket van € 99,– aanbiedt waarmee bezoekers twintig minuten bij de dolfijnen in het water kunnen, met ze op de foto gaan en de dieren mogen aanraken?2
Er zijn afspraken gemaakt over hoe dit programma moet worden vormgegeven. Dit moet ervoor zorgen dat de interacties met de dieren een duidelijke educatieve waarde hebben, dierenwelzijn en veiligheid geborgd zijn en er een correct en natuurlijk beeld van de dieren wordt neergezet. Het Dolfinarium moet bijvoorbeeld benadrukken dat dolfijnen wilde dieren zijn en geen knuffeldieren.
Het Dolfinarium leeft één van de gemaakte afspraken niet na. De dolfijnen worden tijdens het programma door de begeleider aangezet tot interacties met de deelnemers door het geven van commando’s, waarmee ook een fotomoment wordt gefaciliteerd. Het vastleggen van de interactie is echter enkel toegestaan als de dieren zelf op de deelnemers en de interactie afkomen en niet in navolging van een opgevolgd commando. Dat het Dolfinarium zich niet aan deze afspraak houdt vind ik kwalijk. Het programma moet worden aangepast zodat dit volgens afspraak wordt vormgegeven. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is daarom voornemens om een last onder dwangsom op te leggen.
Desondanks heb ik er onvoldoende vertrouwen in dat publieksinteracties tussen bezoekers en wilde dieren in dierentuinen in het algemeen mogelijk zijn, zonder een onnatuurlijk beeld van de dieren neer te zetten. Daarom zal ik de mogelijkheid onderzoeken om publieksinteracties met dierentuindieren te verbieden, zodat mijn ambtsopvolger hier een weloverwogen besluit over kan nemen.
Kunt u bevestigen dat de Visitatiecommissie Dierentuinen al in 2019 oordeelde dat fotomomenten met dolfijnen een risico vormen voor bezoekers?
Dat klopt. Daarom zijn de fotomomenten verboden en zijn er afspraken gemaakt om de veiligheid van bezoekers tijdens de overige publieksinteracties te borgen. Uit het onderzoek van RVO is gebleken dat het Dolfinarium zich houdt aan dit deel van de afspraken.
Kunt u bevestigen dat deze commissie ook oordeelde dat fotomomenten geen toegevoegde (educatieve) waarde hebben en het kinderen juist een verkeerd, onnatuurlijk beeld geeft van dieren?
Dat klopt. Daarom zijn de losse fotomomenten verboden en mogen enkel nog publieksinteracties worden vastgelegd die onderdeel zijn van een uitgebreid educatief programma. Desondanks maak ik mij zorgen over het beeld dat publieksinteracties binnen een educatief programma over de dieren geeft. Daarom zal ik de mogelijkheid tot een verbod op publieksinteracties in dierentuinen onderzoeken.
Kunt u bevestigen dat er naar aanleiding van deze bevindingen met het Dolfinarium is afgesproken deze fotomomenten af te schaffen?
Zie mijn antwoorden op de vragen 3 en 4.
Wat vindt u ervan dat het Dolfinarium bijna drie jaar later nog steeds deze fotomomenten aanbiedt en hiermee deze afspraken niet is nagekomen?
Uit de inspectie is gebleken dat de losse fotomomenten volgens afspraak zijn afgeschaft. Het Dolfinarium mag interacties tussen bezoekers en de dieren wel vastleggen als deze onderdeel uitmaken van het uitgebreide educatieve programma. Ik vind het echter kwalijk dat de dieren, tegen de afspraak in, opdracht krijgen om voor deze foto te poseren met deelnemers.
Heeft het Dolfinarium al gereageerd op uw verzoek om opheldering over het niet nakomen van deze afspraken? Zo ja, kunt u deze reactie delen met de Kamer?
Naar aanleiding van het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom kan het Dolfinarium een zienswijze geven. Het Dolfinarium zal daarom worden uitgenodigd voor een gesprek. Daarna zal een definitief besluit over handhaving worden genomen. Ik zal na dit gesprek en het besluit met betrekking tot handhaving een verslag van het gesprek met de Kamer te delen.
Tijdens de inspectie gaf het Dolfinarium al aan dat wanneer er zaken werden gevonden die niet in lijn zouden zijn met de afspraken, ze deze zouden aanpassen.
Kunt u uw volgende uitspraak in de uitzending van EenVandaag toelichten: «Zorg dat je de vergunning naleeft en als je dat niet doet, dan moet ik de vergunning intrekken. Zo ver is het natuurlijk niet. Eerst dat gesprek.» Waarom is het «natuurlijk» nog niet zo ver?
Ten algemene geldt dat een dierentuin erop wordt aangesproken wanneer deze zijn vergunning overtreedt. Er wordt een gesprek gevoerd over de overtreding en er wordt herstel aangezegd, bijvoorbeeld via een last onder dwangsom. De eerste focus ligt op herstel omdat het belangrijk is dat de onvergunde situatie zo snel mogelijk stopt. De mogelijkheid tot herstel is ook vastgelegd in artikel 4.13 van het Besluit houders van dieren. Hierin staat dat een dierentuin een redelijke termijn moet krijgen, die ten hoogste 2 jaar bedraagt, om de situatie te herstellen voordat een vergunning wordt ingetrokken of gewijzigd en de dierentuin geheel of gedeeltelijk wordt gesloten. Daar is nu nog geen sprake van.
Heeft het betreffende gesprek al plaatsgevonden? Zo ja, wat is er uit dit gesprek gekomen? Zo nee, wanneer gaat dit gesprek plaatsvinden?
Zie mijn antwoord op vraag 7.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk een verslag van dat gesprek met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 7.
Kunt u uiteenzetten wat het door u aangekondigde onderzoek naar deze fotomomenten precies inhoudt? Wanneer gaat dit plaatsvinden? Bent u bereid om de resultaten van het onderzoek zo spoedig mogelijk met de Kamer te delen?
Het onderzoek heeft plaatsgevonden op woensdag 1 mei jongstleden en bestond uit een inspectie door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij het Dolfinarium. Tijdens de inspectie is gekeken naar de naleving van alle afspraken die met het Dolfinarium zijn gemaakt, met speciale aandacht voor het educatieve programma waarbij deelnemers in het water bij de dolfijnen kunnen. De NVWA heeft hiervan rapport opgemaakt, wat door RVO als handhavende instantie op de dierentuinen wordt beoordeeld. Via de beantwoording van deze vragen informeer ik u over de uitkomsten van dit onderzoek.
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium ook in 2017 en in 2019 eerder gemaakte afspraken over dierverblijven en shows niet is nagekomen?
Mijn ambtsvoorganger heeft in 2021 voor het eerst formele afspraken gemaakt met het Dolfinarium. Deze zijn in 2022 als voorwaarden aan de dierentuinvergunning van het Dolfinarium verbonden. Het is voor het eerst dat wordt geconstateerd dat één van de gestelde voorwaarden, en daarmee dus één van de gemaakte afspraken, niet wordt nageleefd.
Kunt u een update geven van de uitvoering van de met het Dolfinarium overig gemaakte afspraken?
Zoals eerder aan het lid Wassenberg (PvdD) is toegezegd, informeer ik de Tweede Kamer periodiek over de uitvoering van de afspraken met het Dolfinarium in de verzamelbrief dierenwelzijn. De laatste update heb ik op 24 januari jongstleden met de Tweede Kamer gedeeld (Kamerstuk 28 286, nr. 1324). De eerstvolgende brief zal in ieder geval voorafgaand aan het nog in te plannen commissiedebat over dieren buiten de veehouderij aan de Kamer worden verstuurd.
Wat vindt u ervan dat het Dolfinarium nog steeds het aanraken van andere wilde dieren, zoals roggen en haaien aanbiedt? Deelt u de mening dat dit geen educatieve waarde heeft?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven maak ik mij zorgen over het onnatuurlijke beeld dat publieksinteracties met dierentuindieren kunnen neerzetten en zal ik daarom de mogelijkheid tot een verbod op publieksinteracties onderzoeken.
Kunt u bevestigen dat het Dolfinarium nog steeds niet definitief heeft uitgesloten dat ze dolfijnen en zeeleeuwen gaan verkopen aan een pretpark in China, ondanks dat de Tweede Kamer3 en u als verantwoordelijke Minister4, fel tegen deze verkoop zijn?
Het is niet uitgesloten dat de dieren weggaan. Momenteel kunnen de dieren echter nog niet vertrekken. Het Dolfinarium moet immers eerst aantonen dat de situatie in China voldoet aan de dierenwelzijnseisen die we aan Nederlandse dierentuinen stellen. Ik ben hier nog niet van overtuigd.
Deelt u de mening dat het er hierdoor zeer sterk op lijkt dat het Dolfinarium niet het welzijn van hun dieren op één heeft staan, maar het commerciële belang van hun park? Zo nee, waarom niet?
Het is mij niet bekend waarom het eventuele vertrek van de dieren vertraagd is. Wel is duidelijk dat de dieren alleen kunnen vertrekken als hun welzijn geborgd is.
Bent u bereid om, gezien het niet nakomen van de afspraken, de dierentuinvergunning van het Dolfinarium alsnog in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 8 heb uitgelegd kan ik een dierentuinvergunning niet zomaar intrekken.
Bent u bereid om, gezien het niet nakomen van de afspraken, het dolfinarium een permanent fok- en aankoopverbod van dolfijnen op te leggen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 8 heb aangegeven is het belangrijk dat de maatregelen die worden genomen gericht zijn op herstel. De situatie moet immers zo snel mogelijk voldoen aan de gemaakte afspraken. Een verbod op het fokken en verwerven van nieuwe dieren draagt hier niet aan bij. Bovendien is er geen wettelijke grondslag om een fok- en aankoopverbod op te leggen wanneer een dierentuin haar vergunning overtreedt. Daarom is RVO van plan om een last onder dwangsom op te leggen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Vanwege de benodigde afstemming is het niet gelukt om de vragen binnen drie weken te beantwoorden. Hier heb ik de Tweede Kamer over geïnformeerd via een uitstelbrief.
Het bericht Meer sleepnetvisserij in Nederlandse natuurgebieden dan in zes andere landen bij elkaar |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Meer sleepnetvisserij in Nederlandse natuurgebieden dan in zes andere landen bij elkaar»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het rapport «A quantification of bottom towed fishing activity in Marine Natura 2000 sites» van de Marine Conservation Society?
Het rapport vraagt aandacht voor bodembescherming. Dit is wat beoogd wordt met de afspraken over de natuurtransitie uit het Noordzeeakkoord (NZA) om zo tot 15% bodembescherming te komen in beschermde gebieden in 2030.
Voor de zeevisserij (dus buiten de 3 mijlszone) geldt dat de Europese Unie exclusief (dus met uitsluiting van de lidstaten) bevoegd is om maatregelen te nemen. De Nederlandse overheid is hier dus niet bevoegd om vergunningen te verlenen aan de visserij. Daarom moet voor het nemen van instandhoudingsmaatregelen (in de vorm van visserijbeperkende maatregelen) de artikel 11-procedure van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) worden doorlopen. In dit proces wordt gekeken waar sluiting voor bodemberoering nodig is voor het halen van de natuurdoelen. Deze procedure kost tijd omdat er wetenschappelijke onderbouwing verzameld moet worden voor de instandhoudingsmaatregelen én omdat er afstemming met andere lidstaten nodig is. Zolang er geen maatregelen gelden in delen van beschermde gebieden is het voor vissers dus ook toegestaan om in deze gebieden te vissen.
Kunt u bevestigen dat uit het onderzoek blijkt dat er meer dan 2,1 miljoen uur met sleepnetten is gevist in Nederlandse Natura 2000-gebieden?
Ja, dat kunnen wij bevestigen. Op basis van gegevens2, 3 van het Vessel Monitoring System (VMS) in combinatie met logboekdata is door Wageningen Marine Research (WMR) een inschatting gemaakt van de visuren en lijkt het gemiddelde aantal uren qua ordergrootte per jaar overeen te komen met het rapport van MCS waarbij enkel gegevens van het Automatische Identificatie Systeem (AIS) zijn gebruikt.
Kunt u bevestigen dat 96 procent van deze geviste uren kan worden toegewezen aan Nederlandse vissersschepen?
Nee, dit kunnen wij niet bevestigen. Voor de gebieden in de kustzone beschikken we enkel over de informatie over Nederlandse schepen. Hoewel daar met name door Nederlandse schepen wordt gevist is het daardoor niet mogelijk deze cijfers te verifiëren.
Kunt u bevestigen dat bijna evenveel uren in Nederlandse Natura 2000-gebieden is gevist als in zes andere Europese landen (Zweden, Denemarken, Duitsland, Ierland, Portugal en Spanje) bij elkaar?
Nee, dit kunnen wij niet bevestigen omdat we niet in het bezit zijn van
VMS-gegevens van andere Europese landen.
Wat is uw reactie hierop?
Het rapport en de inschatting van WMR geven aan dat het aantal visuren voornamelijk komt door Nederlandse schepen die actief zijn in Nederlandse kustwateren. Op basis van de huidige kaders en richtlijnen in die gebieden kunnen deze vissers hun activiteiten daar uitvoeren.
Kunt u bevestigen dat bodemberoerende visserij, waarbij visnetten over de zeebodem worden gesleept om vis te vangen, de natuur op de zeebodem verstoort wat resulteert in verlies van biodiversiteit en de aantasting van de leefgebieden van diersoorten? Zo nee, waarom niet?
Het gebruik van sleepnetten heeft een verstorend effect op de habitats van de zeebodem en de soorten die in en nabij de bodem leven. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het Quality Status Report4 van OSPAR uit 2023. Bodemberoerende visserij kan resulteren in verlies van biodiversiteit en achteruitgang van de natuur. Daarom wordt er gewerkt aan 15% bodembescherming in 2030 in ecologische waardevolle gebieden op zee conform de afspraken uit het NZA.
Hoe oordeelt u over de druk die met sleepnetvisserij wordt gelegd op de zeebodem in beschermde natuurgebieden?
Zie beantwoording vraag 7.
Deelt u de mening dat kwetsbare natuurgebieden op zee, die we met een reden hebben aangewezen als beschermd gebied, ook daadwerkelijk goed moeten worden beschermd? Zo nee, waarom niet?
Ja, waarbij per gebied gekeken moet worden welke maatregelen nodig zijn in relatie tot de daar gestelde doelstellingen. Het beschermingsregime zal verschillen per beschermd gebied aangezien sommige gebieden zijn aangewezen ter bescherming van het habitat, zeezoogdieren of zeebodem en andere gebieden voor bepaalde vogelsoorten. Om instandhoudingsmaatregelen te treffen in de aangewezen natuurgebieden op zee, maken wij gebruik van de daartoe voorziene wettelijke kaders zoals het GVB en de artikel 11-procedure5 die daaruit voortkomt.
Kunt u bevestigen dat slechts 5 procent van de Nederlandse Noordzee is gesloten voor bodemberoerende visserij?
Ja, op dit moment is 5% van de Nederlandse Noordzee gesloten voor bodemberoerende visserij. Daarnaast wordt er gewerkt aan de verdere uitvoering van de afspraken uit het NZA om de 15% vrijwaring van bodemberoerende visserij in 2030 te realiseren.
Kunt u bevestigen dat slechts 29 procent van de beschermde zeebodem in Nederland niet wordt bevist?
In Nederland kennen wij twee vormen van bodembescherming. Een deel van de gebieden zijn aangewezen onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) en een deel van de gebieden zijn aangewezen onder de Habitatrichtlijn. In totaal geldt dat in die gebieden 21% gesloten is voor bodemberoerende visserij. Dit komt niet overeen met de 29% die wordt genoemd. Het is uit de vraagstelling niet duidelijk hoe de 29% tot stand is gekomen.
Kunt u verklaren waarom we in Nederland kwetsbare natuurgebieden op zee aanwijzen als beschermd gebied, maar deze gebieden vervolgens niet daadwerkelijk beschermen?
Er zit spanning op het Natura 2000-beleid en het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) in de toepassing van de verplichtingen die hieruit voortvloeien. Het GVB gaat uit van het duurzaam beheer van de biologische rijkdommen van de zee. Het omvat doelstellingen en maatregelen om duurzame visserij te bevorderen. Voor de zeevisserij geldt dat de Europese Unie exclusief (dus met uitsluiting van de lidstaten) bevoegd is om maatregelen te nemen. Dit staat haaks op de verplichting van de lidstaat om op zee instandhoudingsmaatregelen te nemen om te voldoen aan de doelen in milieuwetgeving van de Unie die impact hebben op de visserij. Hoewel de basisverordening van het GVB voorziet in een procedure om via gemeenschappelijke aanbevelingen te komen tot gedelegeerde handelingen, blijkt deze procedure in de praktijk tijdrovend te zijn.
Welke maatregelen gaat u op korte termijn nemen om ervoor te zorgen dat een toenemend deel van de beschermde gebieden niet meer toegankelijk is voor (sleepnet)visserij?
Wij hebben afgelopen (kabinets)periode gewerkt aan de uitvoering van de NZA-afspraken. Momenteel is 5% van de Nederlandse zeebodem beschermd door een verbod op bodemberoerende visserij. Er wordt momenteel gewerkt aan een gemeenschappelijke aanbeveling (voorstel) met instandhoudingsmaatregelen om zo in de Nederlandse Noordzee tot 13,7% bodembescherming te komen conform het NZA. Deze gemeenschappelijke aanbeveling zal aan de Europese Commissie worden voorgelegd. Hiernaast wordt er gewerkt aan de uitvoering van de NZA-afspraak om tot 15% bodembescherming te komen in 2030.
Welke maatregelen gaat u nemen om de controle en handhaving te intensiveren om zo te garanderen dat de beschermingsmaatregelen ook daadwerkelijk worden nageleefd?
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt risicogebaseerd toezicht en treedt bij constatering van een overtreding op. Dit wordt gedaan binnen de bestaande capaciteit en middelen. In het kader van de herziene Controleverordening zal ook de kleinschalige vloot (schepen kleiner dan 12 meter) in uiterlijk 2028 moeten voldoen aan de VMS-verplichting en de logboekverplichting. Hierdoor is beter bij te houden waar gevist is en of dit in een gebied is geweest dat gesloten is voor die bepaalde vorm van visserij. Aanvullend moeten vissersvaartuigen per 2024 hun AIS- en VMS-systemen altijd aan hebben staan en begaan zij een zogenoemde ernstige inbreuk in het kader van het GVB wanneer zij een van deze systemen uit hebben staan. Hierdoor zijn vissersvaartuigen beter te volgen op zee. Ook moeten schepen die door beschermde gebieden inclusief de bijbehorende alert zones heen varen de ping frequentie van hun VMS verhogen naar 1x per 10 minuten, zodat deze schepen beter te monitoren zijn.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Met uitzondering van vraag 8 hebben wij op al uw vragen afzonderlijk geantwoord. Gezien de benodigde afstemming en verificatie van gegevens waren wij genoodzaakt uitstel te vragen voor de gestelde termijn voor de beantwoording.
Het rapport 'Hinweise zum Einsatz autogener BTV-3 Impfstoffe' |
|
Caroline van der Plas (BBB), Cor Pierik (BBB) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het rapport «Hinweise zum Einsatz autogener BTV-3 Impfstoffe» van de Ständige Impfkommission Veterinärmedizin (StIKo Vet) bij het Friedrich-Loeffler-Institut, Bundesforschungsinstitut für Tiergesundheit?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er in Europa nog geen blauwtongvaccin tegen blauwtong serotype 3 is toegelaten op grond van artikel 5, artikel 26, eerste lid, of artikel 110, tweede lid, van Verordening (EU) 2019/6 van het Europees parlement en de Europese Raad?
Er zijn inderdaad in de EU geen vaccins toegelaten tegen BTV-3. Echter inmiddels heb ik d.m.v. artikel 110 lid 2 van de Europese diergeneesmiddelenverordening 2019/6, toestemming gegeven voor het gebruik in Nederland van het vaccin Syvazul BTV 3 van de producent Syva, het vaccin Bultavo 3 van producent Boehringer Ingelheim en het vaccin Bluevac-3 van producent CZ Vaccines/Kernfarm BV.
Kunt u bevestigen dat artikel 2, derde lid, in samenhang met artikel 106, vijfde lid, en artikel 105, van Verordening (EU) 2019/6 de mogelijkheid biedt voor dierenartsen om geïnactiveerde immunologische diergeneesmiddelen (autovaccins) voor te schrijven?
Ja, de dierenarts mag in uitzonderlijke omstandigheden, wanneer er voor de indicatie geen toegelaten vaccin beschikbaar is, een autovaccin voorschrijven. Echter in artikel 2 lid 3 van diergeneesmiddelenverordening staat ook de beperking hiervan in de definitie van een autovaccin. Autovaccins (ook bekend als bedrijfseigen vaccins of stalvaccins) zijn volgens de definitie van de diergeneesmiddelenverordening (EU) 2019/6 bedoeld voor gebruik bij ziekten waarbij de ziekteverwekker wordt geïsoleerd uit een specifieke stal of bedrijf, of bij bedrijven die een epidemiologische verband hebben, om deze vaccins vervolgens ook binnen die stal of dat bedrijf toe te passen. Een autovaccin hoeft, omdat het voor kleinschalig gebruik bedoeld is, daarom niet aan alle strenge bepalingen te voldoen zoals dat geldt voor reguliere vaccins. Dat maakt dat het niet geschikt is om in het hele land toe te passen.
Kunt u bevestigen dat onwenselijk gebruik van autovaccins in Nederland is beperkt door artikel 3.17, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Regeling diergeneesmiddelen 2022?
Ja, voor de dierziekten die volgens EU Verordening 2018/1882 gecategoriseerd zijn als A en B ziekte, zoals vogelgriep en mond- en klauwzeer, is het niet toegestaan in Nederland om een autovaccin in te zetten.
Kunt u bevestigen dat de experts in de Ständige Impfkommission Veterinärmedizin (StIKo Vet) bij het Friedrich-Loeffler-Institut, Bundesforschungsinstitut für Tiergesundheit aangeven dat bij het vaststellen van de dieren die vallen onder een «eenheid met een bevestigd epidemiologisch verband», moet worden uitgegaan van de dieren die zich bevinden in het verspreidingsgebied van knutten die zijn besmet met blauwtong serotype 3, zoals eerst vastgesteld in Nederland?
Dat is inderdaad wat deze experts aangeven; maar zoals aangegeven heb ik hierover een andere opvatting. Zie mijn antwoord op vraag 3.
Kunt u bevestigen dat de autoriteiten in Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen, Bremen en Rijnland-Palts StIKo Vet volgen in de interpretatie dat in relatie tot blauwtong serotype 3 het begrip «dieren uit een eenheid met een bevestigd epidemiologisch verband» uit artikel 2, derde lid, van Verordening (EU) 2019/6, zo moet worden uitgelegd dat hieronder die dieren vallen die zich bevinden in het verspreidingsgebied van knutten die besmet zijn met blauwtong serotype 3 – zoals eerst vastgesteld in Nederland – en vatbaar zijn voor blauwtong?
Ja
Kunt u bevestigen dat het verspreidingsgebied van knutten met blauwtong serotype 3, met eenzelfde stam, zich van Nederland uitstrekt naar de Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen, Bremen en Rijnland-Palts?
Het klopt dat ook in Duitsland bij knutten BTV 3 stammen zijn aangetoond.
Kunt u bevestigen dat de «SAN Group Biotech Germany GmbH» een geïnactiveerde immunologisch diergeneesmiddel tegen blauwtong serotype 3 heeft ontwikkeld en dat inmiddels distribueert?
Ja, dat klopt. Inmiddels is dit autovaccin ook weer teruggeroepen door de fabrikant. Deze adviseert om geen dieren meer te vaccineren met dit autovaccin, want er blijken veiligheidsissues te zijn. Er is bij gevaccineerde dieren een blauwtong-besmetting vastgesteld en deze dieren vertoonden ook verschijnselen van blauwtong. Het virus in het vaccin is waarschijnlijk niet goed geïnactiveerd.
Kunt u bevestigen dat de wachttijd, voor onder andere melk, voor dit vaccin nul dagen is?2
Het vaccin is niet toegelaten in Nederland en derhalve is geen informatie bekend over de specificaties
Kunt u bevestigen dat dit vaccin inmiddels met goede ervaringen door Duitse dierenartsen wordt toegepast?3
Nee, zie antwoord op vraag 8.
Kunt u bevestigen dat de experts in de StIKo Vet bij het Friedrich-Loeffler-Institut, Bundesforschungsinstitut für Tiergesundheit aangeven dat vaccinatie tegen blauwtongvirus de enige betrouwbare bescherming van de dieren tegen blauwtong is en dat de vaccinatiecampagne tegen de zomer (meestal vanaf juli) moet zijn voltooid in verband met het begin van het hoofdvliegseizoen van de overdragende knutten?4
Ja, vaccinatie is de enige uitweg uit de huidige situatie met blauwtong. Ik ben blij dat er in Nederland werkzame en veilige reguliere vaccins beschikbaar zijn gekomen.
Kunt u bevestigen dat de experts in de StIKo Vet bij het Friedrich-Loeffler-Institut, Bundesforschungsinstitut für Tiergesundheit aangeven dat de vaccinatiecampagne uiterlijk in mei 2024 moet starten om voldoende bescherming te bieden voor de start van het knuttenseizoen?5
Ja, volgens experts zal het verloop van de BTV-3 epidemie dit jaar waarschijnlijk lijken op het verloop van de BTV-8 epidemie in 2007. Ik verwacht dat voor het begin van een nieuwe besmettingsgolf veel dieren kunnen worden gevaccineerd.
Kunt u bevestigden dat u (in welk geval uw ministerie) het volgende heeft gecommuniceerd? «We begrijpen dat houders van dieren graag zo snel mogelijk wil gaan vaccineren. Echter is het niet toegestaan het Duitse autovaccin in Nederland te gebruiken. Als de NVWA dit constateert zal er worden gehandhaafd. We hebben goede hoop dat er op korte termijn een veilig en werkzaam vaccin beschikbaar is.».6
Ja
Hoe vindt u het dat herkauwers in Nederland onnodig lijden en sterven omdat Nederlandse dierenartsen het autovaccin niet durven voor te schrijven, omdat u, via de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), dreigt om op te treden tegen dierenartsen die het Duitse autovaccin voorschrijven? Wat denkt u dat dit met boerengezinnen doet?
Ik heb heel veel inzet gepleegd om een werkzaam en veilig vaccin voor de zomer beschikbaar te krijgen. De eerste gesprekken met de farmaceuten zijn in oktober 2023 gestart. De daadwerkelijke ontwikkeling van vaccin is gestart in november. Het is zeer uitzonderlijk dat in 6 maanden tijd een vaccin is ontwikkeld, positief beoordeeld en geproduceerd. Dit duurt normaal minimaal anderhalf jaar. Dankzij de inzet van de producenten en de beoordelingsautoriteit aCBG/BD is dit zeer snel verlopen. Ik hoop dat hiermee een tweede golf van besmettingen en veel leed bij de dieren en dierhouders voorkomen kan worden.
Aanvaart u aansprakelijkheid voor de schade die optreedt doordat veehouders het Duitse autovaccin niet kunnen inzetten, omdat dierartsen het vaccin niet voor durven te schrijven door het dreigement van uw ministerie?
Nee.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat uw ministerie binnen een zo kort mogelijke termijn naar dierenartsen en veehouders toe bevestigt dat het door «SAN Group Biotech Germany GmbH» ontwikkelde autovaccin, op grond van de Europese regelgeving, in het gehele Nederlandse besmettingsgebied van knutten met blauwtong serotype 3 kan worden toegepast?
Ik ga daar niet voor zorgen. Er zijn inmiddels reguliere vaccins beschikbaar, daarnaast is het autovaccin teruggeroepen vanwege veiligheidsissues. Zie mijn eerdere antwoord op vraag 8.
Hoe gaat u er in de toekomst voor zorgen dat bij een uitbraak van andere (vector)ziekten waarvoor geen geregistreerd vaccin beschikbaar is, zoals Epizootic haemorrhagic disease (EHD) of een uitbraak met een ander serotype van blauwtong, er zo snel mogelijk een autovaccin in het Nederlandse besmettingsgebied kan worden ingezet?
Ik zal ook dan waarschijnlijk niet voor een autovaccin kiezen. De reden hiervoor is dat van een autovaccin geen gegevens bekend zijn over de veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit (zie ook antwoord op vraag 3 en 8). Voor grootschalige dierziekte, waarin de overheid geen plicht heeft deze te bestrijden, zal ik voor zover mogelijk dezelfde weg bewandelen als ik voor het BTV-3 vaccin heb gedaan.
Kunt u alle vragen voor 1 mei 2024 individueel beantwoorden?
Vanwege de drukte op dit dossier is dat helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Dagen na ongeval met vrachtwagen vindt gezin nog tientallen halfkale kippen: ‘Wat hier gebeurt, kan echt niet’’ |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat er dagen na een ongeval met een transportwagen met kippen nog steeds tientallen halfkale kippen worden aangetroffen naast de N65?1
Ja, dat heb ik gezien.
Wat ging er door u heen toen u las dat een omwonende die de kippen aantrof het ongeval als volgt omschreef: «De hele weg lag bezaaid met pluisjes maar ik hoorde ook een enorm gekrijs. Pas toen ik dichterbij kwam zag ik het bloed, de dode en gewonde kippen, afgerukte lichaamsdelen én nog levende kippen volledig in de stress. Het was afschuwelijk.»?
Het ongeval met de vrachtwagen vind ik uiteraard verschrikkelijk. Voor alle betrokkenen, dieren en omstanders zal dit erg ingrijpend zijn geweest.
Hoe verklaart u de uitspraak van de omwonende waaruit blijkt dat de kippen ook gedurende het transport al een slecht welzijn hadden: «Hoe ze eruit zagen heeft ons geshockeerd. Zwaar ondervoed en half kaal. Om te janken. Dat heeft ons echt geraakt»?
Er zijn meerdere oorzaken mogelijk voor de staat waarin de kippen zich bevonden. Dieren mogen alleen vervoerd worden wanneer ze geschikt zijn voor het voorgenomen vervoer. De eisen hiervoor zijn vastgelegd in de Europese verordening (Verordening (EG) nr. 1/2005).
Wat vindt u ervan dat een omwonend gezin vlak na het ongeval, maar ook in de dagen erna, zoveel mogelijk kippen probeerde te redden omdat zij zagen dat «er verder niemand was die zich om de kippen bekommerde»?
Ik vind het hartverwarmend dat het omwonend gezin zo begaan was met kippen. Tegelijkertijd betreur ik dat dit nodig is geweest.
Kunt u bevestigen dat artikel 2.1 lid 6 van de Wet dieren stelt dat eenieder verplicht is om een hulpbehoevend dier hulp te bieden?
Ja, artikel 2.1, zesde lid, bepaalt dat een ieder een hulpbehoevend dier de nodige zorg verleent.
Kunt u aangeven in hoeverre de betreffende transporteur zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en de resterende levende kippen heeft opgevangen en/of de benodigde zorg heeft verleend? Zo nee, waarom niet?
De wegbeheerder, in dit geval Rijkswaterstaat, is verantwoordelijk voor het bergen van de vrachtauto en de lading. Via het Centraal meldpunt vrachtautobergingen (ingesteld door Rijkswaterstaat, het Verbond van Verzekeraars en verladers-/vervoerdersorganisaties, verenigd in de Stichting Incident Management Vrachtauto’s (STIMVA)) komen meldingen binnen. Deze meldingen worden doorgegeven aan bergers die een contract hebben met Rijkswaterstaat. De bergers hebben de verantwoordelijkheid voor de vrachtauto en de lading. In geval van ladingen met levende have tracht het centraal meldpunt ervoor te zorgen dat er, naast de berger, ook een veespecialist ter plaatse komt. In dit geval is het niet gelukt om een dergelijke veespecialist ter plaatse te krijgen. Wel is er ter plaatse met negen personen van verschillende instanties naar dode en levende dieren gezocht. Op het moment van vertrek van de locatie zijn er geen dieren meer gezien door de aanwezigen. De transporteur heeft de dieren na het ongeval naar de voorgenomen eindbestemming, het slachthuis, vervoerd. Hiermee heeft de transporteur volgens de geldende wet- en regelgeving voldoende zijn verantwoordelijkheid genomen.
Indien de betreffende transporteur zich niet heeft bekommerd om de resterende levende kippen, welke stappen worden er dan tegen hem ondernomen?
Zie antwoord op vraag 6, er worden geen stappen tegen de transporteur ondernomen.
Kunt u bevestigen dat er geen kippen zijn opgevangen door de politie?
Ja.
Kunt u bevestigen dat er geen kippen zijn opgevangen door Rijkswaterstaat?
Ja.
Kunt u bevestigen dat er geen kippen zijn opgevangen door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)?
Ja.
Kunt u bevestigen dat er door de bevoegde instanties geen hulp is ingeschakeld van de Dierenambulance of andere dierenhulporganisaties?
Ja.
Bij wie ligt de verantwoordelijkheid voor hulp aan de dieren bij een dergelijk ongeluk?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag 6.
Wie handhaaft hierop en waarom is dat niet gedaan? Wordt er alsnog voor gezorgd dat er wordt gehandhaafd en de transporteur sancties krijgt?
Er vindt geen handhaving plaats op de hulp aan dieren door de transporteur. Zie hiervoor antwoord bij vraag 6.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kippen bij een verkeersongeval aan hun lot worden overgelaten? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik. Ik ga ervan uit dat dit hier ook niet de bedoeling is geweest en van Rijkswaterstaat heb ik begrepen dat de mensen ter plaatse er alles aan hebben gedaan de dieren te vangen.
Deelt u de mening dat hulp aan dieren bij een dergelijk ongeval niet afhankelijk moet zijn van de welwillendheid van omwonende? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel die mening.
Hoe verklaart u dat dode en levende kippen dagen na het ongeluk nog worden aangetroffen in de omgeving? Hadden deze kippen niet moeten worden opgehaald en/of verzorgd door de betreffende transporteur of de bevoegde instanties?
Het is niet ondenkbaar dat de levende kippen weggerend zijn van het ongeval en beschutting hebben gezocht en zich op die manier aan het zicht van de bergers hebben onttrokken. Daarbij is het mogelijk dat een deel van die kippen op een later moment alsnog is doodgegaan. Zoals al vermeld bij het antwoord op vraag 6 hebben de aanwezigen zich er ter plaatse van vergewist dat er geen dieren meer aanwezig waren bij het verlaten van de locatie. Uiteraard hadden de kippen die niet zichtbaar waren op een later moment alsnog opgevangen moeten worden.
Wat gaat u op korte termijn doen om ervoor te zorgen dat de resterende levende kippen zorg krijgen, conform artikel 2.1 lid 6 van de Wet dieren?
Ik ga ervan uit dat de kippen inmiddels de juiste zorg hebben gekregen bij het gezin dat de kippen heeft opgevangen.
Wat gaat u op korte termijn doen om het betreffende gezin, dat vrijwillig de zorg van vele zwaargewonde kippen op zich heeft genomen, te ondersteunen en te bedanken?
Ik waardeer het dat het betreffende gezin de zorg over deze kippen heeft opgenomen. Ik heb contact opgenomen met het gezin om ze te bedanken voor het opvangen van de kippen. Voor de volledigheid geef ik graag aan dat in dergelijke gevallen melding gemaakt kan worden bij de dierenpolitie via telefoonnummer 144.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn een voor een beantwoord. Gelet op de hoeveelheid vragen en de verschillende instanties die het betreft is het niet gelukt de vragen binnen de termijn te beantwoorden. De Kamer is hierover op 8 mei 2024 geïnformeerd.
De productie van groengas via monomestvergisting |
|
Thom van Campen (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de kansen in de productie van groengas via monomestvergisting en deelt u de mening dat deze vorm van productie een waardevolle bijdrage leveren aan de verduurzaming van ons energiesysteem, doordat het als alternatief voor fossiele brandstof bijvoorbeeld kan zorgen voor de verwarming van huizen? Hoe waardeert u deze kansen en kunt u daarbij aangeven via welke wegen u op dit moment de productie van groengas via monomestvergisting stimuleert?
Ja, ik ben bekend met de kansen in de productie van groen gas en monomestvergisting in het bijzonder. Groen gas kan dienen als een vervanger van fossiel aardgas in het energiesysteem en als grondstof, met toepassingen in diverse sectoren zoals de industrie, de gebouwde omgeving, vervoer en de landbouwsector.
Via het Programma Groen Gas stimuleert het kabinet groen gasproductie. Om de nationale groen gasdoelstellingen te halen, hebben we alle groen gas productietechnieken nodig, waaronder monomestvergisting. Dit gebeurt via de SDE++, de voorgenomen bijmengverplichting voor groen gas en door stimulering van de techniek vergassing via de DEI+. Daarnaast werkt het kabinet binnen het Programma Groen Gas aan de versnelling van de ruimtelijke inpassing. Dit omvat onder andere een handreiking voor vergunningverleners en groen gas voorlichtingsbijeenkomsten in provincies.
Groen gasproductie via monomestvergisting kan een belangrijke bijdrage leveren aan de opgaven in de landbouw. Zoals u al noemt, kan mestvergisting allereerst zorgen voor aanzienlijke emissiereducties van methaan en stikstof uit mest in de stal, wanneer dit gecombineerd wordt met dagontmesting. Ten tweede kan mestvergisting in potentie bijdragen aan de productie van kunstmestvervangers uit digestaat (het restproduct van het vergistingsproces). Deze potentie hangt wel af van de goedkeuring van de Europese Unie voor Renure (stikstofhoudende meststoffen gewonnen uit mest of digestaat). Tot slot kan de productie en verkoop van groen gas bijdragen aan extra inkomsten voor de boeren.
Ik deel de mening dat hier een win-win situatie ontstaat met betrekking tot de landbouw- en energietransitie. Het kabinet heeft dit ook expliciet gemaakt richting de provincies in de «Handreiking voor het opstellen van gebiedsprogramma’s» door mestvergisting daar te benoemen als functiecombinatie die bijdraagt aan zowel de hernieuwbare energiedoelen als de doelen uit het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG).
Hoe reflecteert u daarnaast op het feit dat monomestvergisting een waardevolle bijdrage kan leveren aan de reductie van stikstof- en methaanemissies uit de stal en opgeslagen mest? Deelt u de mening dat we deze meekoppelkansen moeten aangrijpen en hoe waardeert u deze meekoppelkansen?
Zie antwoord vraag 1.
In de brief van 1 maart 2024 betreffende de openstelling van de SDE++ 2024 (Kamerstuk 31 239, nr. 387) kondigt u een nieuwe categorie voor kleinschalige monomestvergistingsprojecten aan, omdat dergelijke projecten alleen met hogere basisbedragen een sluitende business case [kunnen] realiseren. Klopt het dat het huidige SDE++-tarief voor deze projecten 1,48 euro per kuub gas bedraagt? En klopt het ook dat het SDE++-tarief voor de nieuwe categorie 2,13 euro per kuub gas gaat bedragen en dat deze vanaf 10 september wordt opengesteld? Hoe zijn deze cijfers tot stand gekomen, wat is de cijfermatige onderbouwingen van deze bedragen?
In de SDE++ 2023 konden monomestvergistingsprojecten met een vermogen kleiner dan 450 kW die groen gas produceerden een aanvraag indienen voor een basisbedrag van 0,1.523 euro / kWh. Dit komt overeen met 1,49 euro per kuub groen gas. In de SDE++ 2024 wordt deze categorie opgesplitst in twee categorieën. Eén categorie geldt voor projecten met een vermogen tussen 110 kW en 450 kW met een basisbedrag van 0,1.588 euro / kWh. Dit komt overeen met 1,55 euro / kuub groen gas. De tweede categorie geldt voor projecten met een vermogen onder de 110 kW met een basisbedrag van 0,2.187 euro / kWh. Dit komt overeen met 2,14 euro per kuub groen gas. Deze cijfers zijn tot stand gekomen door adviezen van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en zijn beschikbaar via de website van het PBL over de SDE++ advisering.1
Bent u ermee bekend dat kleinere veehouderijen die reeds een SDE++-beschikking hebben gekregen op basis van het huidige tarief, niet meer kunnen overstappen naar het tarief van het aangekondigde nieuwe tarief? Zo ja, bent u voornemens maatregelen te nemen, zodat deze kleinere veehouderijen ook kunnen overstappen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben ermee bekend dat projecten niet kunnen overstappen naar een hoger basisbedrag. Nadat een project een aanvraag heeft ingediend en op basis daarvan een beschikking heeft gekregen, ligt het basisbedrag vast over de hele looptijd van de beschikking. Het is niet wenselijk, en daarom niet mogelijk, om nadat men een SDE++ beschikking heeft gekregen opnieuw in een daaropvolgend jaar een SDE-aanvraag in te dienen, enkel omdat in dat jaar de tarieven gestegen zijn. Dit was bij de aanvragers bekend. Bij veehouderijen was op het moment van aanvragen bekend dat ik het PBL heb verzocht om voor de openstelling in 2024 te adviseren over een passende categorie voor kleinschalige monomestvergistingsprojecten. RVO heeft op mijn verzoek hierover proactief gecommuniceerd. Ik heb uw Kamer over dit voornemen geïnformeerd in mijn beantwoording van Kamervragen van de leden Erkens en Van Campen (beiden VVD) aan de Ministers voor Klimaat en Energie en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit2.
Begrijpt u dat als een overstap niet mogelijk is, het daarmee onmogelijk wordt gemaakt voor betreffende bedrijven om een sluitende businesscase te realiseren, zoals u zelf al schrijft in de brief van 1 maart? Hoe waardeert u deze uitspraak uit de brief van 1 maart, mede in het licht van de kabinetsinzet om de productie van groengas een impuls te geven?
Mijn passage uit de Kamerbrief van 1 maart3 over problemen met de business case voor kleinschalige vergisters had betrekking op projecten die geen gebruik hebben gemaakt van de SDE++ 2023 vanwege te lage tarieven. Ik ga ervan uit dat projecten die een aanvraag binnen de SDE++ 2023 hebben ingediend dit hebben gedaan omdat ze in staat zijn hun project te realiseren. Aanvragers hebben hiervoor informatie aangeleverd om dit te onderbouwen. De projecten zijn vervolgens door RVO getoetst op (financiële) haalbaarheid. Ook heeft RVO de betreffende projecten vóór afgifte van de beschikking gebeld en aangegeven dat het niet mogelijk is om in 2024 opnieuw een aanvraag voor een hoger tarief in te dienen in de SDE++ 2024 als projecten al een beschikking uit de SDE++ 2023 hebben. Een deel van deze aanvragers heeft hierna besloten in 2023 de subsidieaanvraag niet door te zetten. Deze projecten kunnen in 2024 alsnog een aanvraag indienen.
Wat zijn de mogelijkheden om ruimte te geven aan kleinschalige monomestvergistingsprojecten die reeds een SDE++-beschikking hebben ontvangen om over te stappen naar de nieuwe categorie met een hoger tarief en hoe gaat u deze kleinschalige veehouderijen bereiken om deze mogelijkheden kenbaar te maken?
Zoals aangegeven bij mijn antwoord op vraag 4 is het niet wenselijk, en daarom niet mogelijk, om nadat men een SDE++ beschikking heeft gekregen opnieuw in een daaropvolgend jaar een SDE-aanvraag in te dienen enkel omdat de tarieven gestegen zijn. Het is ook niet mogelijk om binnen een bestaande SDE++-beschikking over te stappen naar een hoger basisbedrag, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 4.
De visserij en ETS-2 |
|
Wytske de Pater-Postma (CDA), Cor Pierik (BBB), André Flach (SGP), Pieter Grinwis (CU), Eline Vedder (CDA) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken) (D66), Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat wordt gesproken over het brengen van de visserij onder het CO2-emissiehandelssysteem (ETS-2)?1
Bij de voorjaarsnota 2023 (Kamerstuk 32 813, nr. 1230) is uw Kamer geïnformeerd over de brede inzet van het kabinet met betrekking tot het Europese emissiehandelssysteem voor fossiele brandstoffen (ETS2). Bij het instellen van ETS2 zijn een aantal deelsectoren, waaronder de visserij, buiten dit systeem gehouden met de optie voor lidstaten om deze deelsectoren middels een opt-in alsnog onder ETS2 te brengen.
Inmiddels heeft het kabinet besloten om visserij niet onder het ETS2 te brengen middels de opt-in (Kamerstuk 32 813, nr. 1374).
Wat zijn de mogelijke gevolgen van ETS-2 voor de visserij? Wanneer wordt onderzoek hiernaar afgerond?2
Het kabinet heeft besloten om de visserij niet onder te brengen onder het ETS2 middels de opt-in. Dit betekent dat de huidige situatie voor de visserij ongewijzigd blijft. Wageningen Economic Research (WeCR) heeft een impact-analyse uitgevoerd naar de gevolgen van de invoering van ETS2 voor de landbouw en voor de visserij. Uit deze impact-analyse blijkt dat de gevolgen, zoals de financiële impact, voor de visserij groot zouden zijn. Het rapport van WEcR is inmiddels gereed voor publicatie en wordt met een separate brief aan uw Kamer aangeboden.
Acht u het brengen van de visserij onder ETS-2 rechtvaardig nu de Europese Unie geen ruimte biedt voor gebruik van de pulskor?
Het besluit over welke sectoren onder ETS2 gebracht worden middels de opt-in is een nationale aangelegenheid. Het kabinet heeft reeds besloten om visserij niet onder ETS2 te brengen. Ik blijf me onverminderd inzetten om aandacht te vragen voor de puls. Zo heeft Nederland tijdens de informele visserijraad van 24 en 25 maart jongstleden het opheffen van het pulsverbod als prioriteit benoemd (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1635). Hiermee is uitvoering gegeven aan de motie van de leden Van der Plas en Pierik over het streven naar een herziening van het Europees beleid om ruimte te bieden voor de pulsvisserij (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 83).
Wat is dan het handelingsperspectief voor visserijbedrijven?
Het op dit moment ontbreken van handelingsperspectief voor de visserijsector is voor het Kabinet mede de reden geweest om de sector niet onder de ETS2 opt-in te brengen.
Hoe beoordeelt u het eventueel brengen van de visserij onder ETS-2 in het licht van de sanering die al plaatsvindt?
De saneringsregeling visserij onder het Brexit Adjustment Reserve (BAR) heeft in 2023 plaatsgevonden. De regeling is toen opengesteld voor de eigenaren van vissersvaartuigen die kunnen aantonen dat zij consequenties ervaren van verlies van quotum als gevolg van Brexit (Kamerstuk 21 501 32, nr 1455). Besluitvorming over ETS2 staat hier los van.
Hoe gaan andere lidstaten om met de visserij in relatie tot ETS-2?
De keuze welke sectoren onder het ETS2 vallen is een nationale aangelegenheid. De verwachting is dat concurrerende visserijlanden, net zoals Nederland, ervoor zullen kiezen om hun visserijsector niet onder te brengen bij ETS2.
Deelt u de mening dat het onverstandig is de visserij onder het ETS-2 te brengen?
Ik deel de mening dat het op dit moment onverstandig is om de visserij onder ETS2 te brengen middels de opt-in. Er is vooralsnog onvoldoende handelingsperspectief voor de sector geïdentificeerd, er zijn Europeesrechtelijke beperkingen in subsidieverlening voor verduurzaming in de visserij en deze sector is specifiek bijzonder kwetsbaar voor een ongelijk speelveld met concurrerende visserijlanden in de EU. Daarom heeft het kabinet reeds besloten om de visserijsector niet onder ETS2 te brengen.
Kunt u toezeggen dat geen besluitvorming plaatsvindt voordat bovenstaande vragen zijn beantwoord en lopend onderzoek naar de gevolgen van ETS-2 voor de visserij is afgerond?
Zoals reeds gemeld aan uw Kamer, is het kabinet tot de beslissing gekomen om de visserijsector buiten ETS2 te houden. Over de gevolgen hiervan voor de uitvoering wordt uw Kamer voor Prinsjesdag geïnformeerd.
Het toepassen van de Wet aanpak dierenmishandeling |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Piet Adema (CU) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing per 1 januari 2024 de rechtspraak extra instrumenten heeft, waaronder het opleggen van een zelfstandig (levenslang) houdverbod?
Ja, dit klopt.
Kunt u bevestigen dat sinds de inwerkingtreding van deze wet de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) nieuwe instrumenten heeft, waaronder de bevoegdheid om een bedrijf te sluiten vanwege dierenwelzijn?
Ja.
Kunt u bevestigen dat sinds de inwerkingtreding van deze wet de officier van de justitie (OvJ) een gedragsaanwijzing kan opleggen waardoor een verdachte tot aan de zitting geen of minder dieren mag houden?
Ja, dit kan ik bevestigen.
Kunt u bevestigen dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) sinds de inwerkingtreding van deze wet extra instrumenten heeft, waaronder het opleggen van een educatieve maatregel en het geheel of gedeeltelijk sluiten van bedrijven, inrichtingen en locaties waar dierenwelzijn wordt geschaad?
Ja, waarbij de wijziging van de Wet dieren die het mogelijk maakt om een educatieve maatregel op te leggen op 1 juli 2024 in werking is getreden. Echter, kan deze maatregel nog niet opgelegd worden. Om de maatregel toe te kunnen passen, moeten er goede cursusmogelijkheden zijn om op te leggen aan de overtreder. In de praktijk blijken die er nog onvoldoende te zijn. Dit wordt momenteel nader uitgewerkt door het Ministerie van LVVN, RVO en de NVWA. Pas wanneer deze uitvoeringsaspecten duidelijk zijn, kan RVO hier uitvoering aan geven. Mijn ambtsgenoot de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zal dit ook op termijn middels een Kamerbrief aan u mededelen.
Kunt u aangeven hoe vaak er een zelfstandig houdverbod is opgelegd sinds de inwerkingtreding van de wet?
In de periode 1 januari t/m 15 april 2024 is in de eerste aanleg in minder dan 10 zaken een zelfstandig houdverbod opgelegd.
Kunt u aangeven hoe vaak er een levenslang houdverbod is opgelegd?
In de periode 1 januari t/m 15 april 2024 is in de eerste aanleg in minder dan 5 zaken een levenslang houdverbod opgelegd. Het betreft houdverbod als zelfstandige maatregel, er is voor zover te zien in de management informatiesystemen van de Rechtspraak geen levenslang houdverbod opgelegd als extra maatregel bij een voorwaardelijke straf.
Kunt u aangeven hoe vaak de NVWA een bedrijf heeft stilgelegd of gesloten vanwege dierenwelzijn?
Sinds de inwerkingtreding van deze wet heeft de NVWA twee bedrijven stilgelegd of gesloten. Dit na een voorgeschiedenis van een groot aantal overtredingen waarbij eerder de toegepaste interventies niet bleken te hebben geleid tot naleving.
De Inspecteur-Generaal van de NVWA geeft aan dat het stilleggen of sluiten van bedrijven een welkome aanvulling is op het instrumentarium dat de NVWA beschikbaar heeft bij ernstige inbreuken op het dierenwelzijn. Afhankelijk van de aard en ernst van de constateringen zal de NVWA, naast het stilleggen of sluiten van bedrijven, ook de eerder reeds beschikbare sancties en maatregelen blijven inzetten om slagvaardig op te treden bij overtredingen van het dierenwelzijn.
Kunt u aangeven hoe vaak de OvJ een gedragsaanwijzing heeft opgelegd waardoor een verdachte geen of minder dieren mag houden?
Uit de registratie van het OM is niet op te maken hoe vaak door een OvJ een houdverbod is opgelegd. Daarbij verdient opmerking dat de wet sinds 1 januari 2024 inwerking is getreden en alleen geldig is voor gevallen die na deze datum zijn gepleegd. Door de korte periode tussen inwerkingtreding en uw vragen is het effect en gebruik van deze maatregel nog niet goed meetbaar.
Kunt u aangeven hoe vaak de RVO een educatieve maatregel heeft opgelegd?
De RVO heeft de educatieve maatregel nog niet opgelegd. Ik verwijs u voor de verdere uitleg hierover naar het antwoord op vraag vier.
Kunt u aangeven hoe vaak de RvO een bedrijf, inrichting en/of locatie heeft stilgelegd of gesloten vanwege dierenwelzijn?
De RVO heeft deze maatregel nog niet opgelegd.
Hoe heeft u ervoor gezorgd dat deze instanties voldoende op de hoogte zijn van de extra bevoegdheden en instrumenten sinds de inwerkingtreding van de wet?
Er hebben op ambtelijk niveau meerdere overleggen plaatsgevonden met de RVO en NVWA in aanloop naar inwerkingtreding van de wet, waarin de uitvoeringsaspecten van deze extra bevoegdheden en instrumenten zijn besproken.
Heeft het aangekondigde gesprek met het Openbaar Ministerie (OM) en de rechtspraak over hoe de kennis over dierenwelzijnszaken kan worden geborgd, inmiddels plaatsgevonden? Zo ja, kunt u een terugkoppeling geven van dit gesprek? Zo nee, wanneer gaat dit gesprek plaatsvinden?
Er hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden welke hebben geresulteerd in een nieuwe, aangescherpte, richtlijn voor strafvordering. Deze richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling, dierendoding, dierenverwaarlozing, bijtincidenten en overtreding houdverbod dieren (2023R010) is per 1 januari 2024 in werking getreden.
In deze strafvorderingsrichtlijn zijn hogere strafeisen en de mogelijkheid tot het opleggen van een zelfstandig houdverbod opgenomen. Mijn ambtsgenoot de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zal dit ook op termijn middels een Kamerbrief aan u mededelen.
Kunt u bevestigen dat de NVWA onlangs een inspectie heeft gedaan bij een varkenshouderij in Twente, waarbij varkens met botbreuken en grote aantallen dode varkens zijn aangetroffen? Kunt u bevestigen dat de dieren nauwelijks licht hadden en de waterleiding was afgesloten?1
De NVWA heeft onlangs deelgenomen aan een inspectie bij een varkensbedrijf in Twente, in samenwerking met politie en de Arbeidsinspectie. De NVWA doet geen uitspraken over haar inspectiebevindingen bij individuele bedrijven. Wel kan ik u melden dat de NVWA het in uw vraag geschetste beeld over dit bedrijf niet herkent.
Kunt u bevestigen dat er naar aanleiding van deze inspectie een proces-verbaal is geschreven?
Zie mijn antwoord op vraag 13.
Kunt u verklaren waarom de NVWA er in dit geval, waarbij ernstige dierenmishandeling en dierverwaarlozing is aangetroffen, niet voor heeft gekozen om gebruik te maken van hun nieuwe bevoegdheid en het bedrijf stil te leggen of te sluiten vanwege gebrekkig dierenwelzijn en de dieren in beslag te nemen?
Zie mijn antwoord op vraag 13.
Bent u bereid om (opnieuw) in gesprek te gaan met de NVWA, de RVO, het OM en rechtspraak over de extra bevoegdheden en instrumenten die zij hebben om op te treden bij dierenmishandeling en dierverwaarlozing? Zo nee, waarom niet?
De Minister en Staatssecretaris van LVVN en ik houden vinger aan de pols en hebben regelmatig overleg met de NVWA, de RVO, het OM en rechtspraak om te bekijken of nieuwe instrumenten of bevoegdheden nodig zijn om op te treden bij dierenmishandeling en dierverwaarlozing. De Minister en Staatssecretaris van LVVN informeren de Kamer als er nieuwe ontwikkelingen zijn.
Bent u bereid om in dit gesprek aan te kaarten om de extra bevoegdheden en instrumenten een (belangrijker) onderdeel te maken van de relevante opleidingen, zoals de opleiding tot OvJ? Zo nee, waarom niet?
Binnen het Openbaar Ministerie zijn er specifieke opleidingen en cursussen voor medewerkers van het OM. Specifiek voor milieucriminaliteit, waar dierenmishandeling onderdeel van is, is er bijvoorbeeld de cursus «Wet Dieren» en is er een specifieke cursus m.bt. dierwelzijnszaken met gezelschapsdieren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Er is zo zorgvuldig mogelijk getracht uw vragen te beantwoorden, echter heeft dit door de afstemming met diverse partijen helaas langer geduurd dan wij graag hadden gewild.
Een dikbilstier die vanwege de stress is overleden op de veemarkt in Schagen. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat een dikbilstier op een veemarkt in Schagen in elkaar is gezakt en is overleden?1
De foto van de dikbilstier op de grond vind ik uiteraard verschrikkelijk om te zien. Het overlijden van de dikbilstier is voor alle betrokkenen ingrijpend.
Wat vindt u ervan dat we dieren op markten puur voor het vermaak van mensen blootstellen aan grote hoeveelheden stress, met ernstige welzijnsaantastingen als gevolg?
Ik vind dat dieren meer zijn dan een object of eigendom, het zijn levende wezens met een eigen waarde, los van de (gebruiks-)waarde die de mens er aan toekent. Deze intrinsieke waarde van dieren is vastgelegd in de Wet dieren en vormt dan ook het uitgangspunt van mijn beleid. We dienen met respect met dieren om te gaan, ze goed te behandelen en goede huisvesting en verzorging te bieden, van fok tot slacht ongeacht van de plaats waar het dier zich bevindt. Dus ook op markten waar dieren tentoongesteld mogen worden.
Deelt u de mening dat het overlijden van de dikbilstier geen incident is, maar onderdeel van een breder patroon van welzijnsproblemen en misstanden op markten met levende dieren?2, 3, 4, 5
Naar mijn mening is het overlijden van de dikbilstier een incident. Wanneer er runderen naar een tentoonstelling of keuring worden gebracht, dan gelden er eisen. Deze zijn opgenomen in artikel 4.15 en 4.16 van het Besluit houders van dieren en in hoofdstuk 8a, paragraaf 8a.1 van de Regeling houders van dieren. Daarnaast gelden er eisen aan het vertonen van dieren. Deze zijn opgenomen in artikel 2.16 van de Wet dieren. Houders van dieren dienen daarnaast te voldoen aan geldende huisvestings- en verzorgingseisen uit bestaande regelgeving.
Bent u bereid om wetgeving voor te bereiden om markten met levende dieren te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Voor markten met leven dieren zijn er voldoende waarborgen in de huidige regelgeving om het dierenwelzijn te borgen. Hoezeer ik het incident met de dikbilstier ook betreur, zie ik in dit incident geen aanleiding om de bestaande eisen verder aan te scherpen. Ik zal dan ook niet overgaan tot het verbieden van markten met levende dieren.
Kunt u bevestigen dat het verboden is om dieren onnodig angst en stress te bezorgen?
Als het onnodig bezorgen van angst en stress het welzijn van dieren benadeelt, dan is dat verboden op grond van artikel 2.1 van de Wet dieren.
Kunt u bevestigen dat dieren op deze veemarkt onnodig angst en stress zijn bezorgd?
Nee, dat kan ik niet bevestigen. Door genoemde eisen in het antwoord op vraag 3 wordt angst en stress tot een minimum beperkt op dergelijke tentoonstellingen en evenementen.
Was de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) aanwezig op deze veemarkt? Zo nee, waarom niet?
De NVWA was niet aanwezig op de veemarkt in Schagen. De NVWA voert haar toezicht risico gebaseerd uit en is niet op alle evenementen met levende dieren aanwezig. Er was geen directe aanleiding om deze markt te bezoeken.
Indien de NVWA wel aanwezig was, zijn er overtredingen of misstanden geconstateerd op deze veemarkt? Zo ja, hoeveel en welke?
Zie het antwoord op vraag 7.
Wat vindt u ervan dat extreem doorgefokte rassen zoals dikbilrunderen worden tentoongesteld op markten?
Ik deel de zorgen rondom het tentoonstellen van dieren met extreme uiterlijke kenmerken voor het dienen van het economisch belang. Echter is het tentoonstellen van runderen toegestaan in Nederland, mits wordt voldaan aan de genoemde eisen in artikel 4.15 en 4.16 van het Besluit houders van dieren en in hoofdstuk 8a, paragraaf 8a.1 van de Regeling houders van dieren.
Ziet u de mogelijkheid om dikbilrunderen ook op te nemen in het vertoningsverbod dat u voorbereidt voor dieren met extreme uiterlijke kenmerken? Zo nee, waarom niet?
Het vertoningsverbod dat wordt voorbereid voor schadelijke uiterlijke kenmerken ziet specifiek toe op gezelschapsdieren (te beginnen met honden en katten) die lijden onder hun uiterlijk omdat mensen dit mooi of schattig vinden. Door hun uiterlijk zijn deze dieren veelvuldig te zien in reclame en op social media en met het vertoningsverbod wordt beoogd de populariteit, en daarmee de vraag terug te dringen. De vraag naar landbouwhuisdieren met extreme uiterlijke kenmerken komt echter hoofdzakelijk voort uit productietechnische en economische overwegingen. Ik acht een vertoningsverbod gericht op reclame en social media voor deze dieren daarom weinig zinvol.
Kunt u bevestigen dat veel dikbilrunderen extreem zijn doorgefokt zodat ze meer vlees opleveren, maar dat dit ten koste is gegaan van het bekken dat juist smaller is geworden?
De selectie op spiermassa bij dikbilrunderen van de rassen Verbeterd Roodbont en Belgisch Witblauw lijkt gepaard te gaan met een onbedoelde selectie op moederdieren met een nauw bekken. Met het project Bewust Natuurlijk Luxe wordt door de sector gewerkt aan meer natuurlijke geboorten bij deze rassen, onder andere door selectie op bekkenmaten. Dit jaar vindt er een evaluatie plaats van het project Bewust Natuurlijk Luxe dat als doel had het aantal natuurlijke geboorten bij deze dieren te verhogen. Ik zal de resultaten van de evaluatie te zijner tijd met uw Kamer delen. Naast deze genoemde rassen zijn er andere vleesveerassen (bijvoorbeeld: Limousins, Charolais) in Nederland die doorgaans wel natuurlijk afkalven.
Kunt u bevestigen dat hierdoor het overgrote deel van de dikbilkalfjes niet op natuurlijke wijze kan bevallen, maar alleen via routinematige keizersneden?
Het is mij niet bekend hoeveel keizersneden er per jaar bij de rassen Verbeterd Roodbont en Belgisch Witblauw, de rassen waarbij gewerkt wordt aan meer natuurlijke geboorten, plaatsvinden. Voor de overige vleesrassen geldt dat natuurlijke geboorten de standaard is.
Kunt u bevestigen dat het al meer dan 15 jaar de inzet van het ministerie is om het aantal keizersneden bij dikbilrunderen te verminderen door vrijblijvende onderzoeken, pilots, gesprekken en plannen van de sector?6
In de Beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2013 (Kamerstuk 28 286, nr. 651) zijn houders van de dubbelgespierde rassen Verbeterd Roodbont en Belgisch Witblauw opgeroepen om toe te werken naar dieren die weer op een natuurlijke wijze kunnen afkalven. De sector heeft hiervoor een plan gemaakt en het project Bewust Natuurlijk Luxe (BNL) gestart. Wageningen Livestock Research heeft in 2018 een evaluatie over de voortgang opgeleverd welke eerder met de Kamer is gedeeld (Kamerstuk 28 286, nr. 1063). Uit het evaluatierapport bleek dat genetische selectie op specifieke kenmerken tijd kost en dat een projectperiode van 3 jaar te kort was om de beoogde genetische vooruitgang te bewerkstelligen om het aantal keizersneden te reduceren. Ook bleek uit het rapport dat de tot dan toe geboekte genetische vooruitgang het gunstigste was dat in dat stadium verwacht kan worden. Daarnaast bleek dat het draagvlak voor meer natuurlijke geboorten onder fokkers van luxe vleesvee duidelijk is versterkt. Daarom is in 2019 gestart met fase 2 van het project met meerdere doelstellingen, zoals het uitbreiden van dataverzameling ten behoeve van het fokprogramma en het uiteindelijke doel dat de sector het proces zelfstandig voortzet. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 11 vindt dit jaar de evaluatie plaats. Dan zal duidelijk worden wat het resultaat is van deze inspanningen.
Wat vindt u ervan dat het aantal keizersneden ondanks al deze vrijblijvende initiatieven nog steeds extreem hoog is?
Zie mijn antwoord op vraag 12.
Kunt u herinneren dat u eerder aan de Kamer schreef dat u een einde wil aan het fokken van dierrassen met kenmerken die schadelijk zijn voor hun welzijn en gezondheid?7
Ja, dat kan ik mij herinneren.
Erkent u dat dikbilrunderen worden gefokt met kenmerken die schadelijk zijn voor hun welzijn en gezondheid? Zo nee, waarom niet?
Mijn beleid is gericht om op termijn te komen tot een dierwaardige veehouderij volgens de zes leidende principes van de Raad van Dierenaangelegenheden (RDA). Binnen een dierwaardige veehouderij kunnen dieren hun gedragsbehoeften uitoefenen en worden fysieke ingrepen die plaatsvinden vanwege de wijze van houden niet meer toegepast. In de Quickscan die ik in dit kader heb laten opstellen worden ook de standaard keizersneden bij de dubbelgespierde vleesveerassen genoemd. De integriteit van het dier wordt aangetast en is daarmee onwenselijk. Het stoppen met fokken van dierrassen met kenmerken die schadelijk zijn voor hun welzijn of gezondheid zal binnen mijn beleid voor een dierwaardige veehouderij worden onderbracht.
Wanneer komt u met maatregelen om de fok van dikbilrunderen te verbieden?
Het instellen van een fok- of houdverbod is in strijd met de Europese Fokkerijverordening 2016/1021. In deze verordening is onder meer bepaald dat lidstaten er op toe moeten zien dat de toelating van raszuivere fokrunderen tot de voortplanting niet wordt verboden, beperkt of belemmerd. Fokrunderen van de rassen Verbeterd Roodbont en Belgisch Witblauw zijn raszuiver en vallen binnen de werkingssfeer van de verordening. Ik kan het fokken van dikbilrunderen niet verbieden. In het traject dierwaardige veehouderij wil ik zoals aangegeven in het antwoord op vraag 16 afspraken maken over het fokken van dierrassen met kenmerken die schadelijk zijn voor hun welzijn en gezondheid. Daarnaast heb ik bij onze inzet op Europees niveau gepleit voor het uitfaseren en verbieden van het fokken en houden van dieren met schadelijke kenmerken.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Om de vragen zorgvuldig te beantwoorden en af te stemmen is tijd nodig. Uiteraard heb ik mijn best gedaan de antwoorden zo spoedig mogelijk naar uw Kamer te sturen.
Het artikel 'Toekomst van Gorsselse melkveehouders onzeker, want in het bos staan eiken in plaats van iepen' |
|
Caroline van der Plas (BBB), Cor Pierik (BBB) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Toekomst van Gorsselse melkveehouders onzeker, want in het bos staan eiken in plaats van iepen» dat gestaan heeft in Trouw?1
Ja.
Op grond van welke informatie heeft u uw wijzigingsbesluit genomen om het Eester Loo te veranderen van een «essen-iepenbos» naar een «beuken-eikenbos met hulst»?
Het Eester Loo is één van de locaties binnen het gebied Rijntakken waarvoor is vastgesteld dat het habitattype Beuken-eikenbossen met hulst (H9120) voorkomt. Door artikel 27 van het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden (22 november 2022)2 is dit habitattype toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit Rijntakken.
De vaststelling heeft pas plaatsgevonden na de publicatie van het aanwijzingsbesluit, maar heeft betrekking op de situatie op het moment van aanwijzen. Het was dus noodzakelijk om het aanwijzingsbesluit op dit punt te corrigeren.
De feitelijke basis is de habitattypenkaart van het Natura 2000-gebied Rijntakken, opgesteld door de provincie Gelderland. Deze is gebaseerd op veldonderzoek ter plaatse om vast te stellen dat het habitattype aanwezig is en ook al aanwezig was in 2014 (toen het besluit-Rijntakken werd vastgesteld).
Overigens is het niet zo dat concreet voor deze locatie een afzonderlijk en specifiek besluit is genomen. Het lokaliseren van het sinds 2022 beschermde type is gebeurd door de provincie middels de genoemde habitattypenkaart. Ook bij de vergunningverlening wordt sindsdien rekening gehouden met (onder andere) deze locatie, met name door aanpassing van de AERIUS-kaart.
Kunt u een tijdlijn geven en ons meenemen in het proces wat uiteindelijk heeft geleid tot uw wijzigingsbesluit?
Het aanwijzingsbesluit Rijntakken werd op 23 april 2014 vastgesteld.
Reeds in oktober 2014 kreeg het ministerie de beschikking over een concept-habitattypenkaart waarop ook het habitattype Beuken-eikenbossen met hulst (H9120) was opgenomen, een type dat eerder dat jaar nog niet was vermeld in het aanwijzingsbesluit.
Op 13 november 2014 leverde de Interbestuurlijke Projectgroep Habitatkartering (die onafhankelijk habitattypenkaarten valideerde) een bevindingendocument in bij de provincie. Daarin werd o.a. geconstateerd dat de vermelding van H9120 op de locatie Eester Loo niet was onderbouwd. Wel was duidelijk dat het bos op een bosgroeiplaats voorkomt die reeds rond 1850 bestond (dit is een wezenlijk onderdeel van de onderbouwing). Maar er werd ook gewezen op een passende beoordeling waarin werd gesproken over een Essen-iepenbos in de randzone van dit bos, wat behoort tot het habitattype Vochtige alluviale bossen, subtype essen-iepenbossen (H91E0B).
Op 31 maart 2016 leveren de validatoren een bevindingendocument over de volgende conceptversie van de kaart in bij de provincie. Daaruit blijkt dat het gedeelte van het Eester Loo dat in eigendom is van Geldersch Landschap inmiddels overtuigend is onderbouwd, maar dat van een particulier nog niet.
Uit het bevindingendocument van 27 juli 2017 blijkt dat hierover geen vragen meer zijn en dat de onderbouwing alsnog voor het gehele bos in orde is.
Het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden werd intussen vanaf begin 2017 voorbereid met de provincies, het Ministerie van IenW en het Ministerie van Defensie. Over de aanwezigheid van type H9120 in het gebied Rijntakken, waaronder de locatie Eester Loo, was reeds in maart 2017 ambtelijk overeenstemming met de provincie Gelderland.
Op 5 maart 2018 werd het wijzigingsbesluit in ontwerp gepubliceerd en tussen 9 maart en 19 april 2018 ter inzage gelegd.
Op 22 november 2022 is het wijzigingsbesluit vastgesteld. Ten aanzien van H9120 in Rijntakken was het besluit gelijkluidend aan het ontwerpbesluit.
Bent u op de hoogte van andere natuurgebieden die ook te maken hebben gehad met een wijzigingsbesluit? Om hoeveel en welke gebieden gaat het, en hoe vaak heeft een wijzigingsbesluit in het verleden plaatsgevonden?
Het in het vorige antwoord genoemde wijzigingsbesluit heeft betrekking op 101 Habitatrichtlijngebieden. Zie de in voetnoot 2 genoemde vindplaats voor de tekst van het besluit en de daarin genoemde gebieden.
De wijzigingen waren nodig om te corrigeren wat in het verleden niet goed is gegaan bij het opstellen van de aanwijzingsbesluiten. Het is jammer dat dit zo lang heeft geduurd, maar het voldoen aan de wettelijke vereisten is noodzakelijk. Dat is inmiddels ook bevestigd in alle uitspraken die door de rechtbanken zijn gedaan in de beroepen tegen dit besluit3.
In het verleden zijn slechts weinig wijzigingsbesluiten genomen. Per gebied kan dit worden afgeleid uit de overzichten op de Natura 2000-website. Voor bijvoorbeeld het gebied Rijntakken is dat te zien op de betreffende webpagina4.
Hoeveel agrarische bedrijven zijn uiteindelijk geconfronteerd met een wijzigingsbesluit? Hoeveel van die agrarische bedrijven zijn daardoor geconfronteerd met een lagere kritische depositiewaarde (KDW)?
Het wijzigingsbesluit heeft geen directe betrekking op agrarische bedrijven. Indirect is het besluit als gevolg van de zogenoemde externe werking wel relevant voor een groot deel van de agrarische bedrijven omdat er tot op een afstand van 25 km van beschermde stikstofgevoelige habitats bij vergunningverlening getoetst moet worden op mogelijk significante gevolgen. Dat kan leiden tot een lokale aanscherping van het toetsingskader voor vergunningverlening, maar het blijkt dat lang niet in alle gevallen sprake is van een lagere KDW als gevolg van het alsnog beschermen van de toegevoegde stikstofgevoelige habitats. De concrete gevolgen zullen dus per bedrijf verschillen. Daar bestaat geen landelijk overzicht van. Elk bedrijf kan dit via een AERIUS-berekening nagaan.
Deelt u de mening dat door uw wijzigingsbesluiten in het kader van natuurbeleid een flink aantal agrarische bedrijven wordt beperkt in hun bedrijfsvoering buiten hun eigen mogelijkheden om hierop te sturen?
Uit dit wijzigingsbesluit vloeit niet automatisch voort dat agrarische bedrijven worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Zo heeft het wijzigingsbesluit niet tot gevolg dat bestaande vergunningen moeten worden heroverwogen.
Om te zorgen dat ruimte bestaat om de bedrijfsvoering te wijzigen is het wel van belang om gezamenlijk te zorgen voor een afname van de stikstofuitstoot waardoor nieuwe ontwikkelmogelijkheden ontstaan. Daar willen we agrarisch ondernemers bij ondersteunen. Samen moeten we – binnen de noodzakelijke beperkingen – zoeken naar oplossingen waar ook de boeren zelf op kunnen sturen.
Deelt u de mening dat uw wijzigingsbesluiten direct gevolgen heeft op hun verdienmodel?
Die mening deel ik niet, gezien het antwoord op vraag 6. Wel hebben de opgaven in het landelijk gebied in zijn algemeenheid effect op de manier waarop geproduceerd kan worden. Daarom is het van belang deze opgave in samenhang te bezien met het verdienvermogen van de agrarisch ondernemers.
Bent u op de hoogte van de zorgen van de Gorsselse melkveehouders over de levensvatbaarheid van hun bedrijven als gevolg van uw wijzigingsbesluit? Zo ja, deelt u deze zorgen en overweegt u maatregelen om deze bedrijven te ondersteunen?
Die zorgen ken ik. De betreffende melkveehouders hebben, naar eigen zeggen, reeds natuurvergunningen, dus ook voor hen geldt dat ze daarmee het recht hebben om evenveel stikstof uit te blijven stoten als in die vergunningen staat, ondanks dat er sinds 2022 een zeer stikstofgevoelig bos in hun directe omgeving wordt beschermd. In hoeverre er een noodzaak is om deze ondernemers meer te ondersteunen, is nog niet duidelijk, maar uiteraard heeft de overheid een belangrijke verantwoordelijkheid om gezamenlijk aan de opgaven in het landelijk gebied te voldoen en de ondernemers te ondersteunen om deze transitie mee te maken.
Hoe beoordeelt u de opmerkingen over het gebrek aan lokale maatwerkopties voor melkveehouders in Gorssel, ondanks de verklaringen van de overheid om dit te willen bieden?
Ik begrijp de behoefte aan maatwerk heel goed. Daarom heb ik de ambitie om, naast de generieke maatregelen en de gebiedsgerichte aanpak, maatwerk te leveren op het individuele boerenerf als dit noodzakelijk is. Dit gebeurt al in het kader van de aanpak piekbelasting en ook voor de PAS-melders wordt dit verkend. Met het verder invullen en verbreden van deze maatwerkaanpak ben ik nu bezig en het is aan het nieuwe kabinet om hier verdere keuzes in te maken.
Welke maatregelen overweegt u om de balans te bewaren tussen natuurbehoud en de levensvatbaarheid van agrarische bedrijven, met name in gebieden waar landbouw en natuur al lange tijd samen bestaan, zoals in Gorssel?
Het kan zijn dat ook deze bedrijven maatregelen moeten nemen die leiden tot een verdere vermindering van emissies van ammoniak en broeikasgassen. Het kabinet zet zich in om bedrijven hierin te ondersteunen zoals met het Omschakelprogramma Duurzame Landbouw.
In aanvulling op bestaand instrumentarium kan een volgend kabinet besluiten om boeren te ondersteunen bij de verdere verduurzaming, bijvoorbeeld via subsidies voor onderzoek en ontwikkeling van stal- en managementmaatregelen, investeringen in bewezen en geborgde technieken en vergoedingen voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
Deelt u de mening dat de Gorsselse boeren en het bos historisch met elkaar zijn verweven?
Ja, in die zin dat een deel van het bos sinds lang in bezit is van één van de betrokken families en de natuurwaarden dus ook mede door hun beheer zijn behouden.
In hoeverre wordt bij de besluitvorming over natuurbescherming rekening gehouden met de historische relatie tussen de omgeving en de agrarische bedrijven, zoals in het geval van Gorssel waar het landschap zich mede dankzij de omwonende boeren heeft gevormd?
Daar kan in de besluitvorming geen rekening mee worden gehouden. De Europese regels laten het niet toe om onderscheid te maken tussen eigendomssituaties.
Hoe beoordeelt u de opmerking dat juist de meer kleinschalige melkveehouders, die de overheid zegt te willen behouden, vaak dichtbij de natuur zitten en daar al jaren mee werken?
Ik wil allereerst mijn waardering uitspreken over wat veel boeren dichtbij Natura 2000-gebieden al doen om landbouw te combineren met agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
Tegelijk is het duidelijk dat ondernemers samen met overheden aan de slag moeten om ook kleinschalige melkveebedrijven toekomstbestendig te maken, in balans met hun leefomgeving. Ik erken dat er ook voor deze bedrijven dichtbij Natura 2000-gebieden voldoende toekomstmogelijkheden moeten zijn. De opgave is om samen met andere betrokken partijen in het gebied een goede balans te vinden tussen ruimte voor natuur en voor agrarische activiteiten. Dit zal vooral ruimte zijn voor extensievere vormen van landbouw gecombineerd met agrarisch natuur- en landschapsbeheer. In gebiedsprocessen wordt lokaal gekeken wat waar passend en mogelijk is. Het kabinet ondersteunt bedrijven hierbij onder andere via het Omschakelprogramma duurzame landbouw, de ecoregelingen en de samenwerkingsregeling voor melkveebedrijven in Natura 2000-overgangsgebieden in het kader van het Nationaal Strategisch Plan van het GLB.
Hoe beoordeelt u de opmerking dat door het huidige stikstofbeleid juist deze meer kleinschalige melkveehouders in de problemen raken?
Zie antwoord vraag 13.
Welke maatregelen neemt u om de rechtszekerheid van agrarische bedrijven te waarborgen?
Zoals uit de antwoorden op vraag 8 en 9 blijkt, is de rechtszekerheid geborgd doordat bestaande vergunningen niet worden aangetast door het genomen besluit.
Wat kunt u zeggen over de rechtszekerheid van de Gorsselse veehouders in het kader van uw wijzigingsbesluit?
Zie de antwoorden op vraag 8, 9 en 15.
Hoe gaat u om met de zorgen van melkveehouders in Gorssel over mogelijke toekomstige verplichtingen met betrekking tot dierenwelzijn, die mogelijk niet haalbaar zijn vanwege de beperkingen veroorzaakt door stikstofregelgeving en vergunningverleningen?
Uiteraard ben ik bekend met de zorgen die er leven over de beperkingen rondom vergunningverlening in relatie tot dierwaardige veehouderij. De Minister van LNV heeft de Kamer daar meermaals over geïnformeerd en in het convenanttraject dierwaardige veehouderij is dit ook onderwerp van gesprek geweest. De Tweede Kamer heeft op 19 maart jl. in het kader van de overgang naar een dierwaardige veehouderij een wijzigingsvoorstel voor de Wet dieren aangenomen. Daarin wordt bepaald dat dieren in de veehouderij hun gedragsbehoeften moeten kunnen uitoefenen. De concrete invulling van de eisen aan stallen zal worden uitgewerkt in lagere regelgeving. Er wordt gekeken naar de mogelijkheden voor een stapsgewijze aanpak, waarbij het uitgangspunt is een dierwaardige veehouderij in 2040. De transitie naar dierwaardige veehouderij zal plaatsvinden binnen de kaders van het natuur- en milieubeleid (waaronder het stikstofbeleid).
Ziet u mogelijkheden om de Europese en/of Nederlandse regelgeving omtrent natuurbescherming aan te passen zodat er meer ruimte ontstaat voor maatwerk en rekening kan worden gehouden met lokale omstandigheden en belangen?
Die mogelijkheden zie ik niet, omdat Nederland op dit vlak al scherp aan de wind zeilt.
Een via Nederland verspreide tuberculose-uitbraak bij apen die als proefdier worden gebruikt |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u de berichtgeving van Animal Rights bevestigen waaruit blijkt dat er via Nederland een tuberculose-uitbraak is verspreid bij apen die als proefdier worden gebruikt?1
Ja, wij kennen deze berichtgeving.
Wanneer bent u op de hoogte gebracht van deze tuberculose-uitbraak? Welke stappen zijn er ondernomen sinds de besmetting is vastgesteld?
De NVWA heeft op 28 april 2023 melding uit Frankrijk ontvangen dat bij een aap, afkomstig van een groep apen die via een bedrijf in Nederland in de EU was geïmporteerd, tuberculose was vastgesteld. De NVWA heeft de Ministeries van LNV en VWS op de hoogte gesteld. Tevens heeft de NVWA het bedrijf geblokkeerd en is door LNV melding gedaan van deze besmetting aan de andere EU-lidstaten die apen uit de originele groep hadden verkregen. De apen die nog in Nederland aanwezig waren zijn door de NVWA onderzocht op besmetting met tuberculose; 15 dieren bleken hierbij positief op een variant van het Mycobacterium tuberculosis complex waarop bij de import en intraverkeer binnen de EU niet is getest. Onderzoek op de in deze casus aangetoonde variant (M. bovis caprae) was ten tijde van de import geen verplichting. Wel is getest op M. tuberculosis; daarop testten de apen negatief. Uiteindelijk zijn op verzoek van de eigenaar alle nog in Nederland aanwezige apen geëuthanaseerd. De NVWA heeft daarnaast contact gezocht met het RIVM en de tuberculose-arts van de regionale GGD. Deze hebben de casus geanalyseerd en de risico’s voor de volksgezondheid als verwaarloosbaar klein beoordeeld.
Waarom heeft u de Tweede Kamer hier niet over geïnformeerd, maar moet de Kamer in plaats daarvan van het Spaanse Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedsel, via een dierenrechtenorganisatie, vernemen dat deze uitbraak heeft plaatsgevonden?
Het komt vaker voor dat er besmettingen met (mogelijke) zoönosen bij gehouden of wilde dieren worden aangetoond. We melden u niet elke besmetting, alleen waar dat mogelijk gevolgen voor de volksgezondheid heeft.
Heeft u op enig moment overwogen om de Kamer hierover te informeren, gezien het belang van een transparant bestuur, de politieke aandacht voor zoönosen en de politieke wens om een einde te maken aan dierproeven met apen? Zo nee, waarom niet?
Zie ook het antwoord op vraag 3. Verder maakt het RIVM elk jaar in opdracht van de NVWA een overzicht van de belangrijkste zoönosen in Nederland en hoe vaak ze voorkomen. Deze Staat van Zoönosen wordt online gepubliceerd. Zaken, die mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid hebben, melden we ook los van deze publicatie.
Bent u bereid om de Kamer voortaan (tijdig) te informeren over dergelijke uitbraken van dierziektes? Zo nee, waarom niet?
Zie ook het antwoord op vraag 3 en 4. Uitbraken van dierziektes die mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid hebben worden, ook los van de jaarlijkse Staat van de Zoönosen, aan uw Kamer gemeld.
Hoeveel besmette apen zijn er in Nederland aangetroffen en hoeveel, via Nederland getransporteerde, besmette apen zijn er in andere landen aangetroffen?
Na de melding uit Frankrijk over de tuberculosebesmetting zijn de apen uit de originele groep die nog in Nederland waren middels de testmethode tuberculinatie onderzocht op besmetting met tuberculose. 15 dieren testten positief in deze test. Na aanvullend onderzoek bij Wageningen Bioveterinairy Research (WBVR) werd de tuberculosebacterie getypeerd als Mycobacterium bovis caprae, dit is een andere variant dan de humane variant die over het algemeen bij mensen en apen wordt gevonden (M. tuberculosis).
De andere lidstaten die apen hebben verkregen uit de originele groep zijn geïnformeerd over de besmettingen. Het is aan die lidstaten om hier opvolging aan te geven, wij hebben geen informatie over aantallen besmette apen in andere lidstaten.
Kunt u bevestigen dat deze besmette apen vanuit Vietnam naar Nederland zijn getransporteerd? Via hoeveel transporten zijn deze apen naar Nederland gekomen?
De apen zijn in één zending in Nederland aangekomen vanuit Vietnam.
Klopt het dat deze apen naar Nederland zijn getransporteerd om vanaf hier verder te verhandelen voor proefdieronderzoeken? Zo niet, voor welke reden zijn de apen dan naar Nederland getransporteerd?
De apen zijn naar Nederland getransporteerd ten behoeve van proefdieronderzoek in erkende proefdiercentra in verschillende EU-lidstaten.
Naar welke landen zijn deze apen geëxporteerd?
Uit de originele groep zijn apen naar erkende proefdiercentra verplaatst in Frankrijk, Duitsland, Spanje, Hongarije en Italië.
Hadden deze apen al tuberculose voordat ze naar Nederland zijn getransporteerd of hebben ze de tuberculose in Nederland opgelopen?
Als apen worden geïmporteerd uit landen buiten de EU gelden er voorwaarden ten aanzien van de gezondheid. Daarnaast heeft de importeur aanvullende eisen gesteld, omdat de apen bestemd zijn voor proefdiercentra. Hier gelden zeer hoge gezondheidseisen in verband met het onderzoek dat aan deze dieren wordt gedaan. De apen waren onder meer bedoeld voor tuberculose-onderzoek en daarom was het noodzakelijk dat ze niet met tuberculose besmet waren. In Vietnam zijn daarom, als vereiste door de importeur, alle apen middels een Mantoux-test onderzocht op besmetting met Mycobacterium tuberculosis, de humane variant van tuberculose welke over het algemeen bij apen kan voorkomen. Alle dieren testten negatief. De apen waren klinisch gezond voorafgaand en tijdens de reis.
Na aankomst in Nederland zijn de apen in quarantaine gegaan en daar opnieuw door de importeur onderzocht met de Mantoux-test, als extra waarborg voor de proefdiercentra waar de apen voor bestemd waren. Opnieuw testten de dieren negatief op M. tuberculosis.
Na de melding uit Frankrijk zijn de dieren, die nog in Nederland aanwezig waren, door de NVWA ook onderzocht op andere varianten van het tuberculose-complex. Uiteindelijk bleken de apen besmet met Mycobacterium bovis caprae, een variant waar de Mantoux-test geen uitslag op geeft. Gezien de lange incubatietijd is het aannemelijk dat de apen al in Vietnam besmet zijn geraakt.
Welke eisen worden gesteld aan de import, quarantaine en export van apen? Zijn deze eisen in dit geval goed nageleefd?
Zie ook het antwoord op vraag 10. De veterinaire regels over het binnenbrengen van dieren in de Europese Unie zijn vastgelegd in EU-wetgeving. Deze wetgeving voorziet in de veterinaire vereisten voor import, zoals een verplichte klinische gezondheidsinspectie vooraf aan transport en de aanwezigheid van een gezondheidscertificaat. Deze certificaten worden afgegeven door de bevoegde autoriteit van het exporterende land. De apen voldeden aan deze vereisten.
In de praktijk wordt in aanvulling hierop de volgende handelwijze betracht: de toepassing van een quarantaineperiode (30 dagen vóór de export), binnen de EU alleen vervoer naar of tussen geconsigneerde inrichtingen (dat zijn bedrijven met een specifieke vergunning zoals dierentuinen of onderzoeksinstellingen), en een verblijf van de apen op het bedrijf van oorsprong van minimaal één jaar voor het moment van export.
Voor het intraverkeer naar andere EU-lidstaten gelden de eisen uit de EU-diergezondheidsverordening en onderliggende wetgeving. Die regels bevatten eisen met betrekking tot o.a. gezondheid, vervoer en welzijn. Het testen op tuberculose is hierin voor apen niet opgenomen. Tenslotte stellen geconsigneerde inrichtingen soms zelf aanvullende, private, eisen. Dit was in dit geval ook aan de orde.
Wat is er met de besmette apen gebeurd? Wat is er met de andere apen gebeurd die op dezelfde transporten zaten, maar niet besmet waren?
De apen in het Nederlandse bedrijf, zowel de besmette apen als de nog aanwezige apen waar geen besmetting bij is aangetoond, zijn uiteindelijk op verzoek van de eigenaar door de eigen bedrijfsdierenarts geëuthanaseerd. Er bestaat geen verplichting deze dieren te euthanaseren, de eigenaar heeft hier na zorgvuldige overweging en in overleg met experts voor gekozen. De apen waren niet meer geschikt voor het onderzoeksdoel waarvoor ze waren gekomen, noch was gebruik in een dierentuin mogelijk omwille van de gezondheidsrisico’s voor andere apen en voor bezoekers. Het is ons niet bekend wat er met de apen uit dezelfde groep in de andere EU-lidstaten is gebeurd, dit is aan de autoriteiten en onderzoeksinstellingen van die lidstaten.
Het Kabinet werkt actief aan het verminderen van dierproeven in het algemeen en aan dierproeven met apen in het bijzonder. Nederlandse onderzoeksinstellingen hebben in principe de afspraak gemaakt dat apen voor dierproeven niet uit het buitenland afkomstig kunnen zijn. Deze afspraak geldt in Nederland maar niet in andere EU-lidstaten, waar de apen voor bestemd waren. De euthanasie van deze apen voelt daarom zeer ongemakkelijk.
Kunt u bevestigen dat de besmette apen voordat ze zijn geïmporteerd, negatief zijn getest op tuberculose, en dat een dergelijke test dus niet de garantie biedt dat we apen zonder zoönosen importeren?
Zie het antwoord op vraag 10.
Heeft u, nadat u op de hoogte bent gebracht van de tuberculose-uitbraak, het transport van apen vanuit Vietnam naar Nederland stilgelegd? Zo ja, voor hoe lang? Zo nee, waarom niet?
De besmetting kwam als een verrassing, omdat de dieren door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst waren gecertificeerd en in de quarantaineperiode in Nederland geen ziekteverschijnselen vertoonden. De besmetting was daarom geen reden om de handel in apen stil te leggen. Het treffen van noodmaatregelen, zoals een schorsing van de binnenkomst van dieren, kan door de Europese Commissie worden ingezet, of vooruitlopend daarop door een lidstaat, als er significante risico’s bestaan voor bijvoorbeeld de volksgezondheid (artikelen 261 en 262 van verordening 2016/429). Dat was in dit geval niet aan de orde.
De casus is wel aanleiding geweest om rondom het importen van apen actiever onderzoek te doen naar de aanwezigheid van alle varianten van het Mycobacterium tuberculosis complex, inclusief de variant die gevonden is bij deze groep apen.
Heeft u, nadat u op de hoogte bent gebracht van de uitbraak, het transport van apen vanuit Nederland naar andere landen stilgelegd? Zo ja, voor hoe lang? Zo nee, waarom niet?
Nee dat is niet gebeurd. Wel is zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 het Nederlandse bedrijf, waar nog apen uit de originele groep zich bevonden, geblokkeerd zoals dat gebruikelijk is bij aantonen van besmettelijke dierziekten. Tevens zijn de lidstaten die apen uit de originele groep hebben ontvangen ingelicht over de geconstateerde besmetting.
Kunt u bevestigen dat er handhavend is opgetreden tegen de betreffende handelaar die apen met gevaarlijke zoönosen naar Nederland heeft gehaald? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Er is niet handhavend opgetreden, de importeur heeft geen regels overtreden. Wel is het bedrijf geblokkeerd en is nader onderzoek uitgevoerd. Zie verder de antwoorden op de vragen 6, 10 en 12.
Wat bedoelt de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) met: «Ondertussen is de certificering aangepast zodat dit niet meer kan voorkomen»?2
Zie het antwoord op vraag 14.
Kunt u bevestigen dat dit niet het eerste geval is van tuberculose-besmetting bij getransporteerde apen vanuit Zuidoost-Azië, maar dat er ook andere recente gevallen zijn, in bijvoorbeeld de Verenigde Staten?3
Tuberculose wordt veroorzaakt door een wereldwijd zeer veel voorkomende bacterie die zowel mens en dier kan besmetten. Het komt vaker voor dat besmettingen met tuberculose bij dieren worden vastgesteld.
Hoe verklaart u het verschil in handelen tussen de Amerikaanse overheid en de Nederlandse overheid, waarbij in de Verenigde Staten meteen een bericht uitging naar de veterinaire instanties en het luchtvaart- en vliegveldpersoneel werd gewaarschuwd, terwijl er in Nederland is besloten om «geen verdere ruchtbaarheid» aan deze uitbraak te geven, zoals de NVWA meldt op vragen van Animal Rights?
Wij kennen de overwegingen van de Amerikaanse overheid niet. Mogelijk zijn andere afwegingen gemaakt over het risico, of was sprake van omstandigheden die een reëel risico voor mensen heeft opgeleverd. Dit is ons niet bekend.
Deelt u de mening dat het over de hele wereld verschepen van apen uit Zuidoost-Azië een risico met zich meebrengt voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
In zijn algemeenheid bestaan er risico’s bij importen van dieren. De handel in apen voor onderzoeksdoeleinden is echter omgeven met voldoende regels en waarborgen, zodat het risico voor de gezondheid van mensen die in direct contact komen met deze dieren beperkt is, en het risico voor de volksgezondheid vrijwel nihil. Zie het antwoord op vragen 11 en 14.
Bent u bereid om de import van apen vanuit Zuidoost-Azië stil te leggen, gezien het risico voor de volksgezondheid en voor het dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 14 en 15. De import van apen is vooralsnog noodzakelijk aangezien er voor dierproeven in Europa met name op gebied van infectieziekten en ernstige neurologische aandoeningen -naast andere dieren- nog altijd apen gebruikt moeten worden. Deze onderzoeksgebieden zijn complex en daarom (nog) niet na te bootsen in beschikbare proefdiervrije technieken. Voor het verkrijgen van deze dieren zijn onderzoeksinstellingen grotendeels afhankelijk van toelevering van buiten Europa.
Toepassing van de regelgeving van de Europese Unie en de actieve monitoring op de aanwezigheid van alle varianten van het Mycobacterium tuberculosis complex, maakt dat de risico’s beheersbaar zijn en gezien het feit dat deze dieren geen contact hebben met het publiek is het risico onzes inziens acceptabel in het licht van het maatschappelijk doel wat aan deze transporten ten grondslag ligt.
Bent u bereid om, gezien deze risico’s, een einde te maken aan de commerciële handel in apen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 14 en 15.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het is ons door de noodzakelijk afstemming met de NVWA niet gelukt om binnen de gestelde termijn te antwoorden.
Het bericht ‘Boetes elk jaar omhoog, behalve voor dierenleed in slachthuizen’ |
|
Thom van Campen (VVD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Boetes elk jaar omhoog, behalve voor dierenleed in slachthuizen»?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat boetes voor overtredingen in slachthuizen al sinds 2012 niet meer zijn verhoogd?
De boetebedragen in het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren zijn sinds de inwerkingtreding daarvan in 2013 niet meer aangepast.
Ik vind het belangrijk dat de hoogte van boetes voor overtredingen voldoende afschrikwekkend zijn. Daarom wil ik ten eerste een inflatiecorrectie toepassen op de hoogte van boetecategorieën voor bedrijven. Hiertoe zal ik een wijzigingsbesluit in procedure brengen.
De inflatie is in de periode van 2013 (het jaar waarop het Besluit in werking is getreden) tot en met 2023 met 28,1%2 gestegen. Dat betekent dat de huidige boete van 2500 € voor overtreding van onder meer regels voor het doden van dieren in een slachthuis, na correctie voor inflatie, ruim 3200 € zal bedragen voor een enkele overtreding. Ik wil deze correctie doorvoeren voor alle boetecategorieën.
Ik vind echter dat enkel een inflatiecorrectie onvoldoende is. Elk incident waarbij het dierenwelzijn bij slachthuizen in het geding is, is er een te veel. Dat moet beter, en de sector is aan zet om dit te bewerkstelligen. Daar waar de sector dat niet doet, moet de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) stevig in kunnen grijpen. Ik heb diverse maatregelen genomen om het NVWA toezicht op de vleesketen te versterken (Kamerbrief 28 286, nr. 1294 en Kamerbrief 28 286, nr. 1335), waaronder de 3 strikes out aanpak en de inzet op cameratoezicht (zie hierover ook het antwoord op vragen 9 en 10). Om ervoor te zorgen dat boetes ook voor grotere bedrijven voldoende afschrikwekkend zijn, wil ik de mogelijkheid creëren om aan deze grote bedrijven, zoals bijvoorbeeld de grote slachthuizen, hogere boetes op te leggen. Dit vergroot de slagkracht van de NVWA om dierenwelzijnsnormen af te kunnen dwingen. Zie voor een nadere toelichting hierover mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u aangeven wat op dit moment de hoogtes van de boetebedragen zijn en kunt u daarnaast een reflectie geven op deze bedragen?
In het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren zijn de volgende 5 boetecategorieën vastgelegd:
Daarnaast geldt dat, als het economisch voordeel dat behaald is door een overtreding de hoogte van een van de boetecategorieën aanmerkelijk overschrijdt, de Minister van LNV een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste de categorie 5.
In het Besluit worden omstandigheden gespecificeerd die aanleiding kunnen geven om deze genoemde basisbedragen te verhogen of te verlagen. Zo kan de boete, indien risico’s of gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, dierenwelzijn, diergezondheid of milieu gering zijn of ontbreken, worden gehalveerd; bij ernstige risico’s of gevolgen kan het bedrag worden verdubbeld. Recidive is een andere boeteverhogende omstandigheid: als een overtreder binnen vijf jaar nadat voor een overtreding een bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden opnieuw die overtreding begaat, wordt het boetegedrag verhoogd met het bedrag van de eerder opgelegde bestuurlijke boete. Dat betekent dat een overtreder aan wie een boete van € 2.500 is opgelegd en die binnen vijf jaar nadat die boete onherroepelijk is geworden eenzelfde overtreding begaat, een boete krijgt van € 5.000, de boete voor de derde overtreding is € 7.500 enzovoorts.
In de praktijk kunnen met name partijen die onder permanent toezicht staan, zoals slachterijen, met de toepassing van de recidivebepaling te maken krijgen.
Ik heb in 2022 een onderzoek laten uitvoeren naar de effecten van de bestuurlijke boete. Uit het onderzoeksrapport van Berenschot blijkt dat de bestuurlijke boete een afschrikwekkend effect heeft. Het rapport signaleert dat boetes zwaar kunnen uitvallen voor kleine bedrijven en relatief licht zijn voor grote bedrijven. Slachterijen, zo meldt het rapport, geven aan dat de boetes door de samenloop van permanent toezicht en toepassing van de recidive-bepaling zeer hoog kunnen oplopen. Ik heb u dit rapport vergezeld van mijn reactie in mei 2023 toegestuurd (Kamerstuk 28 286, nr. 1294).
Zoals ik reeds heb aangegeven in het antwoord op vraag 2 vind ik het van belang dat de boetes voldoende afschrikwekkend zijn.
Deelt u de mening dat het uitblijven van verhogingen en de huidige hoogte voor een perverse prikkel kan zorgen bij slachthuizen, waarmee wordt afgedaan aan de hoge standaard waaraan we deze bedrijven moeten houden?
Als ik de vraag goed begrijp, bedoelt u met een «perverse prikkel» dat het voor slachthuizen bij de huidige hoogte van de bestuurlijke boetes kan lonen om overtredingen te begaan. Het met de overtreding te behalen voordeel zou groter kunnen zijn dan het verschuldigde boetebedrag.
Ik vind het belangrijk dat de hoogte van de boetes voorkomt dat een dergelijke perverse prikkel bestaat. Overtredingen ten aanzien van dierenwelzijn en/of voedselveiligheid zijn onacceptabel en mogen niet lonen. Ik acht een juiste interventiemix van bestraffende bestuurlijke boetes en corrigerende interventies cruciaal om naleving te bewerkstelligen. Bestuurlijke boetes zorgen vaak voor een «wake up call» door een kortstondige negatieve financiële prikkel. Corrigerende interventies kunnen langduriger effecten hebben waardoor bijvoorbeeld een verbeterde cultuur van een bedrijf leidt tot betere naleving. Een recent voorbeeld is de aanpak die de NVWA heeft ontwikkeld voor verscherpt toezicht (waaronder de «3 Strikes Out-aanpak», zie hierover ook het antwoord op vraag 9) bij slachthuizen die herhaaldelijk in overtreding zijn.
Vindt u de huidige boetetarieven afdoende afschrikwekkend? Zo nee, bent u bereid om de boetes op te hogen conform een tarief dat afdoende afschrikwekkend is en bedrijven aan voorgenoemde hoge standaard kunnen worden gehouden?
Boetes kunnen relatief zwaar uitvallen voor kleine bedrijven en particulieren (zoals kinderboerderijen/ hobbyboeren) en relatief licht zijn voor grote bedrijven (zoals grote slachthuizen). Tegelijkertijd worden boetes als gevolg van «boetestapeling» door toepassing van de recidivebepaling door slachterijen als hoog ervaren.
Er is daarom een behoefte vanuit de toezichthouder om maatwerk te kunnen leveren. Om daarin te kunnen voorzien pas ik, zoals ik eerder heb aangegeven, het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren aan (Kamerstuk 18 286, nr. 1294).
Ik wil dat hogere boetes (naast een door te voeren inflatiecorrectie) aan grote bedrijven, zoals grote slachthuizen, kunnen worden opgelegd, om te garanderen dat boetes ook voor deze slachthuizen voldoende afschrikwekkend zijn. Daarvoor onderzoek ik op welke wijze de omzetgerelateerde boete in de boeteregelgeving beter uitvoerbaar kan worden gemaakt. Het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren biedt de mogelijkheid om, zoals aangeven in het antwoord op vraag 3, een omzetgerelateerde boete op te leggen als het economisch voordeel dat behaald is door een overtreding aanmerkelijk hoger is dan de aangewezen boetecategorie. Dit geldt voor alle categorieën. De uitvoerbaarheid van het opleggen van deze omzetgerelateerde boete is voor verbetering vatbaar. Het voorgeschreven vaste percentage en het ontbreken van voldoende mogelijkheden tot maatwerk kunnen zorgen voor niet proportionele boetes. Daarnaast onderzoek ik of het boetebedrag van categorie 3, dat kan worden opgelegd bij overtreding van regels voor het doden van dieren in een slachthuis verder (naast de inflatiecorrectie) kan worden verhoogd voor slachthuizen, zonder dat dit leidt tot buitenproportionele boetes voor kleine slachthuizen en zelfslachters.
Kunt u aangeven wanneer u deze ophoging inregelt, indien u bereid bent om de boetes op te hogen? Zo nee, waarom niet?
Ik streef ernaar om het aangepaste besluit in juli 2025 in werking te laten treden. Het vergt helaas enige tijd om de voor een dergelijk besluit noodzakelijke processtappen te doorlopen. In de tussentijd streef ik ernaar om overtredingen van bepaalde welzijnsregels door slachthuizen in een hogere boetecategorie te plaatsen, zoals omschreven in het antwoord bij vraag 5.
Deelt u de mening dat er met de benoemde tijd tussen de geconstateerde overtreding en het opleggen van de boete, een onevenredige discrepantie bestaat met de tijd tot wanneer de boete wordt ontvangen?
Wanneer een overtreding wordt geconstateerd, ziet de NVWA er als eerste op toe dat de overtreder de overtreding beëindigt. De interventie die de toezichthouder ter plekke inzet, is passend bij de overtreding. Hier gaat direct een corrigerende werking vanuit. Een voorbeeld van zo’n corrigerende interventie is dat de NVWA de slachtband stil legt of de slachtsnelheid verlaagt. Daarnaast kan de NVWA besluiten om ook een Rapport van Bevindingen (RvB) op te maken. De NVWA streeft ernaar om de afhandeling van RvB’s binnen de termijn van 13 weken af te ronden. Deze termijn werd de afgelopen jaren vaak niet behaald. Ik ben net als de inspecteur-generaal van de NVWA van mening dat met een spoedige afhandeling de overtreder beter de link legt tussen de overtreding en de ontvangen boete. De NVWA werkt er dan ook hard aan om de overtreder binnen de wettelijke termijn van dertien weken te laten weten welke sanctie wordt opgelegd. Zie ook mijn antwoord op vraag 8.
Zo ja, kunt u aangeven waardoor het zo lang moet duren voordat boetes worden ontvangen en bent u voornemens om doorlooptijd te verkorten? Zo nee, waarom niet?
De reden voor de lange doorlooptijden is een combinatie van de zorgvuldigheid waarmee een afweging gemaakt wordt en de druk op de beschikbare capaciteit. Eind 2023 is de NVWA een project gestart om de doorlooptijden te verkorten. Zo wordt de toezichthouder optimaal ondersteund bij het maken van een RvB, is de samenwerking in de afhandeling geoptimaliseerd en wordt gericht capaciteit ingezet om de voorraad weg te werken. De NVWA doet er alles aan om de RvB’s die na 15 januari 2024 zijn opgemaakt, binnen 13 weken af te ronden.
Kunt u een stand van zaken geven over de uitvoering van de motie van van de leden Van Campen/Eerdmans (Kamerstuk 28 286, nr. 1249), waarbij de Kamer pleit voor een strengere procedure langs het three-strikes out principe?
De «3 Strikes Out-aanpak» is vanaf 1 december 2023 onderdeel van het verscherpt toezicht in slachthuizen en ingebed in het reguliere handhavingsbeleid. Inmiddels zijn in januari en februari bij twee verschillende roodvleesslachthuizen strikes vastgesteld. In een brief heb ik de Kamer geïnformeerd over welke overtredingen in ieder geval onder «3 Strikes Out» vallen (Kamerstuk 28 286, nr. 1315). Als bij deze ondernemers voor de derde keer in 2 jaar een overtreding uit die lijst wordt geconstateerd, is het bedrijf «out» en worden de erkenningen van deze bedrijven geschorst. Deze ondernemers hebben dus één strike achter hun naam staan, moeten een verbeterplan indienen en zijn ook onder verscherpt toezicht geplaatst (Kamerbrief 28 286, nr. 1335).
Wat is de stand van zaken van het wetsvoorstel Cameratoezicht in slachthuizen, wat volgens de beantwoording van de feitelijke vragen over de begroting LNV 2024 binnenkort in consultatie zou moeten gaan? Wordt met dit wetsvoorstel ook de mogelijkheid van artificial intelligence in slachthuizen geregeld, waarmee bij toezicht meer kan worden gekeken naar dierenwelzijn in de hele bedrijfsvoering, dan enkel naar incidenten?
Ik verwacht dat het ontwerp-wetsvoorstel cameratoezicht in slachthuizen en verzamelcentra in het voorjaar in consultatie gaat. In het ontwerp-wetsvoorstel is een grondslag opgenomen om regels te kunnen stellen over de toepassing van kunstmatige intelligentie, algoritmes en sensortechnologie om camerabeelden beter te kunnen selecteren en te analyseren. Er zijn reeds verschillende van deze «slimme» camerasystemen in ontwikkeling om bedrijven te helpen, dierenwelzijn structureel beter te borgen in hun bedrijfsvoering. Ik ga ervan uit dat deze technologieën op termijn ook van meerwaarde zullen zijn voor het toezicht van de NVWA. De toepassing van kunstmatige intelligentie en algoritmes zal conform het implementatiekader «verantwoorde inzet algoritmes» plaatsvinden.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja, alle vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Ik heb ernaar gestreefd om de antwoorden zo snel mogelijk, binnen de gebruikelijke termijn aan uw Kamer te sturen. Helaas is dat niet gelukt vanwege de benodigde afstemming tussen de betrokken diensten bij het opstellen van de antwoorden.
De illegale spieringvisserij in de Waddenzee. |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vissers halen meer dan 20 ton aan «verboden» vis uit Waddenzee»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat er in januari van dit jaar al meer dan 23 ton spiering uit de Waddenzee is gevist zonder dat daar een natuurvergunning voor is afgegeven?
Het vissen op spiering met het sleepnet in dit Natura 2000-gebied is zonder vergunning niet toegestaan. Het is volstrekt onacceptabel dat een aantal vissers toch, ondanks de kenbaarheid van dit verbod, deze visserij zeer bewust lijken te ondernemen. Mijn toezichthouders hebben deze visserij waargenomen en gerapporteerd. De Minister voor Natuur en Stikstof heeft drie vissers hierop formeel gewaarschuwd. Bij verdere overtredingen zullen uiteraard vervolgstappen ondernomen worden.
Welk gevolg is er gegeven aan de uitspraak die op 6 december 2023 werd gedaan door Rechtbank Midden-Nederland, waarin de natuurvergunningen voor spieringvisserij op acht locaties in de Waddenzee als niet voldoende onderbouwd werden verklaard? Kunt u verklaren hoe het mogelijk is dat op deze grote schaal illegaal gevist wordt zonder dat hierop wordt gehandhaafd?2
De Minister voor Natuur en Stikstof heeft geconstateerd dat de visserijbedrijven wiens eerdere natuurvergunning voor de spieringvisserij zijn vernietigd door de rechtbank, deze uitspraak respecteren. In zoverre geven zij dus gevolg aan de uitspraak. De vergunningplicht geldt uiteraard algemeen, ook voor vissers en visserijbedrijven die niet eerder om een natuurvergunning hebben verzocht.
Mij zijn drie concrete gevallen van ogenschijnlijk doelbewuste visserij op spiering, zonder geldige natuurvergunning, bekend. Zoals in mijn antwoord op vraag 2 aangegeven zijn hierop inmiddels passende actie gezet. De Minister voor Natuur en Stikstof zal die actie continueren bij voortgaande visserij.
Bent u bekend met het feit dat garnalenvissers hun netten hebben aangepast om op spiering te kunnen vissen?
Vanuit twee kaders bestaan specifieke verplicht aan te houden maaswijdtes voor de uitvoering van de garnalenvisserij. Vanuit de garnalenvergunning die is uitgeven op basis van de Visserijwet is een maaswijdte van minimaal 16 mm verplicht. Deze verplichting geldt dus altijd voor de garnalenvisserij. In de gedoogbeschikking voor het vissen op garnalen met het sleepnet alsmede met het bordennet op specifieke locaties in diverse Natura 2000-gebieden zonder vergunning op basis van de Wet natuurbescherming (inmiddels opgegaan in de Omgevingswet) is een maaswijdte van minimaal 20 mm in het gehele net en 22 mm in de kuil van de netten (de laatste 150 rijen van de mazen) verplicht. Dit laatste geldt dus alleen voor de garnalenvissers die onder de gedoogbeschikking in de Waddenzee vissen. Niet elk van de bewuste vissers heeft zich aan de vanuit deze gedoogbeschikking verplichte minimummaaswijdte gehouden, afgaande op de door henzelf ingevoerde data in het verplichte logboek. Mede daarom zullen de toezichthouders de komende periode hier fysiek gericht toezicht op houden.
Wat is uw reactie op de uitspraken van de Vogelbescherming dat de garnalenvissers een bepaalde vistechniek gebruiken, waardoor er geen sprake is van bijvangst maar van bewuste vangst van spiering?
Aan garnalenvissers is vanuit de Visserijwet een vergunning verleend voor het gebruik van enig vistuig geschikt voor het vangen van garnalen, zonder specificatie van soorten die daarmee wel of niet, en in welke hoeveelheden, mogen worden bijgevangen. Dit bemoeilijkt een eventueel oordeel of er sprake is van bijvangst dan wel een bewuste vangst van spiering. Het specifieker vaststellen van de vergunning wordt meegewogen voor het lange termijnperspectief. Om bijvangst in de garnalenvisserij te beperken, is de zeeflap een verplicht onderdeel van het garnalenvistuig. De betreffende garnalenvissers maakten hier gebruik van.
Los van de specifieke vistechniek die men mogelijk hanteert, vinden zowel ik als de Minister voor Natuur en Stikstof vooral de gekozen locaties voor het vissen op garnalen zeer opmerkelijk. De spuikommen bij Den Oever en Kornwerderzand zijn geenszins een reguliere locatie om op garnalen te vissen in de Waddenzee. De spuikommen zijn immers circa 25 meter diep. Garnalenvisserij vindt doorgaans op ondiepere locaties plaats waar met klossen aan het sleepnet de garnalen die zich in de zeebodem bevinden opgeschrikt worden. In combinatie met de aangelande hoeveelheden aan vangsten en de verhouding daarin tussen spiering en garnaal is in de optiek van de Minister voor Natuur en Stikstof een natuurvergunning voor spieringvisserij een vereiste.
Kunt u toezeggen onderzoek te doen naar de gehanteerde vistechnieken op de Waddenzee en maatregelen om de bijvangst van spiering zoveel mogelijk te beperken?
De betrokken toezichthouders zijn in hun waarnemingen alert op de specifieke vispatronen, exacte vislocaties, gehanteerde netconfiguraties en algehele uitvoering van deze visserijen die de betreffende vissers hanteren. Die analyses worden vastgelegd en zijn mede basis voor de dossiervorming richting vervolgstappen in optreden hiertegen.
Wat vindt u van het feit dat het Kornwerderzand één van de plekken is waar intensief wordt gevist, terwijl dit een gebied een voorgenomen visserijvrije zone is? Geldt dit ook nog voor andere gebieden?
Bij de spuisluizen van Kornwerderzand is nog geen visserijvrije zone van toepassing. De besluitvorming hierover is nog in voorbereiding. Over de stappen die hierin zijn genomen heb ik uw Kamer eerder geïnformeerd (Kamerstuk 32 627, nr. 45). In de beantwoording op vraag 8 ga ik hier nader op in. Hoewel er dus nog geen visserijvrije zones zijn ingesteld, is de spieringvisserij in het Natura 2000-gebied Waddenzee, en dus ook op deze locaties, niet toegestaan.
Welk gevolg is er gegeven aan de beleidsvoornemens om visserij nabij vismigratievoorzieningen waaronder stuwcomplexen in de Afsluitdijk aan te pakken, zoals staat vermeld in de brief gestuurd op 3 juli 2020 naar aanleiding van de motie van het lid Tjeerd de Groot (Kamerstuk 29 664, nr. 197) uit 2019?3
Uw Kamer is geïnformeerd over het beleidsvoornemen voor het instellen van een generieke visserijvrije zone van 250 meter bij alle vismigratievoorzieningen, bij de sluizen van de Afsluitdijk aan de zeezijde een zone van 1.000 meter en bij het Haringvlietsluis aan de zeezijde een zone van 1.500 meter (Kamerstuk 29 664, nr. 204).
Op 8 december 2020 heeft de Kamer de motie Lodders (Kamerstuk 33 450, nr. 82) aangenomen die verzoekt dat er wordt afgezien van het instellen van generieke visserijvrije zones en dat in plaats daarvan tot visserijvrije zones op maat wordt gekomen om de impact op de sportvisserij te verminderen. Per brief van 20 april 2021 is door mijn ambtsvoorganger aangegeven op welke wijze invulling zou worden gegeven aan de motie (Kamerstuk 29 675, nr. 200).
Naar aanleiding hiervan is in het commissiedebat zee- en kustvisserij op 30 juni 2021 over het onderwerp gesproken (Kamerstuk 29 675, nr. 207). Hierbij is toegezegd om met Sportvisserij Nederland in overleg te gaan om te kijken of voor bepaalde categorieën wateren kleinere visserijvrije zones ingesteld kunnen worden. De Kamer is hierover per brief van 9 juni 2022 geïnformeerd (Kamerstuk 29 664, nr. 207). Als gevolg hiervan is dus opnieuw bekeken welke omvang de visserijvrije zones op welke locaties zouden moeten krijgen en conform de motie Lodders is aan Sportvisserij Nederland en de waterbeheerders verzocht hier een gezamenlijk gedragen advies over uit te brengen. Dit advies is recent afgerond en zal worden betrokken in de definitieve besluitvorming over de instelling van visserijvrije zones. De Kamer is hierover laatstelijk per brief van 1 maart 2023 geïnformeerd (Kamerstuk 32 627, nr. 45).
Kunt u verklaren waarom de visserijvrijezones niet in de loop van 2021 zijn ingevoerd, zoals in de brief van 3 juli 2020 was aangekondigd?
Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 8.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van het invoeren van de visserijvrije zones die in 2024 plaats zal vinden volgens de brief gestuurd door de Minister op 1 maart 2023?4
Ik heb in de beantwoording op vraag 8 toegelicht welke processtappen reeds zijn doorlopen. Het maatwerkadvies van Sportvisserij Nederland en de waterbeheerders wordt nu beoordeeld om te bepalen in welke mate dit advies kan worden overgenomen om tot een afbakening van de visserijvrije zones te komen die de trekvissen voldoende beschermen. Op korte termijn zal ik de resultaten van het traject met Sportvisserij Nederland delen met de Tweede Kamer en bekendmaken hoe ik vervolg zal geven aan het instellen van visserijvrije zones.
De verkoop van illegaal gefokte dieren met ernstige erfelijke aandoeningen via Marktplaats. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat er op Marktplaats talloze advertenties zijn aangetroffen waarin kittens van het ras Scottish Fold en aanverwante kruisingen worden aangeboden?1
Ja, dit kan ik bevestigen.
Kunt u bevestigen dat het verboden is om te fokken met Scottish Fold katten, omdat deze dieren continu ernstig lijden vanwege erfelijke afwijkingen?
Ja, het is op grond van artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren verboden om te fokken met katten met vouworen (waaronder Scottish Fold katten), omdat deze katten drager zijn van een gen dat zorgt voor kraakbeenafwijkingen in het hele lichaam. Hierdoor krijgen ze op latere leeftijd ernstige gezondheidsproblemen, zoals kreupelheid en pijn. Ik vind het vreselijk dat deze dieren nog steeds worden gefokt.
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek van House of Animals blijkt dat in drie maanden tijd via meer dan honderd advertenties Scottish Fold kittens zijn aangeboden?
Uit het onderzoek blijkt helaas dat een verbod op het fokken met katten met vouworen onvoldoende effectief is. Daarom werk ik ook aan een houdverbod voor deze katten.
Hoe verklaart u dat fokkers deze illegaal gefokte dieren nog steeds kunnen verkopen via online handelsplatformen, zoals Marktplaats?
Deze dieren kunnen worden verkocht via online handelsplatformen, omdat het momenteel nog toegestaan is om Scottish Fold katten te houden, kopen en voor de verkoop aan te bieden. Online handelsplatformen hebben geen verplichting om na te gaan of de aangeboden kittens legaal zijn gefokt. Voor een online handelsplatform is het ook niet mogelijk om op basis van een advertentie vast te stellen of de aangeboden kittens illegaal zijn gefokt.
Herkent u de signalen dat advertenties voor Scottish Fold kittens op Marktplaats niet adequaat worden verwijderd, in tegenstelling tot andere op het platform verboden producten, zoals sigaretten?
De verkoop en aankoop van dieren op Marktplaats is in beginsel toegestaan als de handel hierin niet is verboden door nationale of internationale wet- en regelgeving. Zo is bijvoorbeeld sinds 1 juli 2023 de online verkoop van tabak en e-sigaretten verboden. Advertenties voor Scottish Fold kittens zijn dat niet. De vergelijking tussen sigaretten en Scottish Fold kittens kan dan ook niet gemaakt worden.
Deelt u de mening dat Marktplaats hiermee ernstig dierenleed faciliteert? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Het zijn de fokkers van deze katten die dit ernstige dierenleed veroorzaken voor hun eigen (financiële) gewin.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) in 2023 113 waarschuwingsbrieven en 227 naleefbrieven heeft verstuurd naar fokkers van Scottish Fold katten?
Dat klopt.
Deelt u de mening dat het, gezien het feit dat al zeker 10 jaar verboden is te fokken met dit soort katten, geen tijd meer is voor waarschuwingen, maar dat er meteen moet worden ingegrepen?
Nee, deze mening deel ik niet. Het artikel uit het Besluit houders van dieren dat gaat over het fokken met gezelschapsdieren is inderdaad op 1 juli 2014, dus bijna 10 jaar geleden, in werking getreden. Het betreft hier echter een open norm, waarbij pas meer recent duidelijk is geworden2 en gecommuniceerd3, 4 dat het fokken met katten met vouworen een overtreding van dit artikel is. Daarom is het niet gek dat er op dit moment waarschuwingen worden verstuurd.
Hoe vaak heeft de NVWA het afgelopen jaar, naar aanleiding van advertenties op Marktplaats, handhavend opgetreden bij fokkers van Scottish Fold katten?
De NVWA heeft in 2023 naar aanleiding van advertenties op Marktplaats 113 officiële waarschuwingen en 227 naleefbrieven verstuurd naar fokkers van vouwoorkatten zoals de Scottish Fold katten.
Hoe vaak heeft de NVWA het afgelopen jaar de betaalgegevens en/of de advertentiehistorie van verkopers van Scottish Fold katten gevorderd?
Vanaf juni 2023 verstuurt de NVWA officiële waarschuwingen naar aanbieders van vouwoorkatten zoals de Scottish Fold. Ten behoeve van het kunnen versturen hiervan is gestart met het vorderen van gegevens bij banken. In 2023 heeft de NVWA bij Marktplaats 201 keer de advertentiehistorie en bankrekeningnummers gevorderd van verkopers van vouwoorkatten zoals de Scottish Folds. Daarnaast heeft de NVWA de naam, adres en woonplaats (NAW)-gegevens van adverteerders 130 keer opgevraagd bij de banken.
Welke mogelijkheden ziet u om de handhaving te verbeteren en ervoor te zorgen dat er een einde komt aan de illegale fok van dieren die lijden vanwege erfelijke kenmerken?
Om ervoor te zorgen dat er een einde komt aan de illegale fok van dieren die lijden vanwege erfelijke kenmerken is het ook nodig om de vraag naar deze dieren te stoppen. Daarom heb ik in de Kamerbrief «Aanpak gezelschapsdieren met schadelijke uiterlijke kenmerken» d.d. 20 januari 2023 (Kamerstuk 28 286, nr. 1288) aangegeven een houd- en vertoningsverbod te willen voor gezelschapsdieren met schadelijke uiterlijke kenmerken. In de verzamelbrief dierenwelzijn gezelschapsdieren van 13 juli 2023 (Kamerstuk 28 286, nr. 1303) heb ik aangegeven zo snel mogelijk een houdverbod in te voeren voor katten met vouworen. Momenteel wordt dit houdverbod vormgegeven. Zoals aangegeven in de verzamelbrief dierenwelzijn van 24 januari 2024 (Kamerstuk 28 286, nr. 1324) verwacht ik dit voorjaar de internetconsultatie te starten.
De in voorbereiding zijnde nationale en in het EU-voorstel «Verordening inzake het welzijn van honden en katten en hun traceerbaarheid» (COM/2023/769 final) opgenomen identificatie- en registratieplicht (I&R) voor katten zal toezichthouders beter in staat stellen om een fokker te traceren, te achterhalen of een dier illegaal in Nederland is gefokt, en/of illegaal (voor de leeftijd van de verplichte rabiës-vaccinatie, 15 weken) is geïmporteerd.
Daarnaast is in het EU-voorstel (COM/2023/769 final) een artikel opgenomen waarin staat gesteld dat exploitanten van fokbedrijven ervoor moeten zorgen dat fokstrategieën niet leiden tot het ontstaan van genotypen en fenotypen met schadelijke gevolgen voor het welzijn van honden en katten of van hun nakomelingen. Voor de effectiviteit van dit voorschrift is het van belang dat de gedelegeerde bevoegdheden hieromtrent ook daadwerkelijk en zo spoedig mogelijk na het vaststellen van de verordening opgesteld worden. Ik dring er in de raadswerkgroepen dan ook op aan dat dit op korte termijn gebeurt voor de kenmerken waarover nu al wetenschappelijk onderbouwd stelling kan worden genomen, zoals brachycefale dieren, katten met vouworen en bepaalde designer breeds5.
Bent u bereid om er bij Marktplaats op aan te dringen dat ze advertenties van dieren die in Nederland niet mogen worden gefokt sneller gaan verwijderen? Zo ja, op welke manier gaat u dit waarborgen?
Nee, het is niet doenlijk om op basis van foto's van een dier vast te stellen of deze al dan niet illegaal is gefokt.
Bent u bereid om strengere regels op te stellen voor de online verkoop van levende dieren?
De voornoemde «Verordening inzake het welzijn van honden en katten en hun traceerbaarheid» (COM/2023/769 final) zal hier naar verwachting mogelijkheden toe bieden. In dit voorstel worden maatregelen voorgesteld om de handel in honden en katten via online platforms beter te reguleren, onder andere door een EU-brede verplichting tot identificatie en registratie (I&R) van honden en katten, en een verplichte controle op deze I&R voordat een advertentie geplaatst kan worden. Online platforms worden daarnaast verplicht om bij advertenties voor honden en katten een waarschuwing te plaatsen waarin het belang van verantwoord houderschap wordt benadrukt.
Daarnaast ziet de Digitaledienstenverordening (Digital Servies Act, EU 2022/2065), die sinds 17 februari 2024 van kracht is, toe op verdere zorgvuldigheidsverplichtingen voor online marktplaatsen die relevant zijn voor online verkoop van levende dieren zoals een verbeterde traceerbaarheid van handelaren. Deze ontwikkelingen maken dat ik momenteel geen aanleiding zie tot strengere nationale regelgeving.
Welke andere mogelijkheden zijn er, tot het houdverbod voor katten met vouworen in werking treedt, om te voorkomen dat deze katten nog worden aangeboden via Marktplaats?
Op korte termijn zie ik geen andere mogelijkheden om te voorkomen dat deze katten nog worden aangeboden via Marktplaats. Dat laat onverlet dat ik ook wil dat deze katten niet meer worden aangeboden op Marktplaats, en ik mij daar voor inzet middels het houdverbod.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
De vreselijke import van kalfjes uit Ierland |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wat dacht u toen u zag dat de Nederlandse kalversector ook in 2023 wéér meer kalfjes uit Ierland naar Nederland heeft gehaald – een «recordaantal» van meer dan 106.000 kalfjes – ondanks uw gesprekken met de sector over deze ontwikkeling, die ook u zorgwekkend heeft genoemd?1,2,3
De toename van het transport van ongespeende kalveren van Ierland naar Nederland in 2023 past niet bij mijn inzet om in EU-verband – onder andere bij de herziening van Europese Verordening (EG) nr. 1/2005 (de Transportverordening) – te komen tot een verbod op langeafstandstransporten (>8 uur) voor jonge ongespeende dieren. Deze transporten kan ik echter niet verbieden vanwege de regels omtrent vrij verkeer van goederen en de transportverordening die langeafstandstransporten van ongespeende kalveren onder voorwaarden toelaat. Dit moet EU-breed worden aangepakt. Daarom zet ik daar op in; zie ook mijn inzet voor het voorstel voor de herziening van de transportverordening, uiteengezet in het BNC-fiche Herziening verordening dierenwelzijn tijdens transport (Kamerstuk 22 112, nr. 3861).
Kunt u bevestigen dat u al jaren zegt een verbod te willen op langeafstandstransporten van ongespeende dieren, zoals de piepjonge Ierse kalfjes die tot wel 50 uur onderweg zijn naar Nederland, waarbij uit onderzoek van Eyes on Animals, L214 en Ethical Farming Ireland bij herhaling is gebleken dat de dieren ernstig worden mishandeld op Franse «rustplaatsen» waar kalfjes worden geschopt, geslagen met stokken en peddels en worden voortgesleept aan hun staart, oren en benen?4
Ik ben inderdaad een groot voorstander van een verbod op langeafstandstransporten (>8 uur) voor jonge ongespeende dieren en ik zet mij hier op Europees niveau voor in. Zie ook mijn inzet voor het voorstel voor de herziening van de transportverordening, uiteengezet in het BNC-fiche Herziening verordening dierenwelzijn tijdens transport (Kamerstuk 22 112, nr. 3861).
Kunt u bevestigen dat de veewagens waarmee jonge kalfjes uit Ierland worden vervoerd geen systemen aan boord hebben, waaruit deze kalfjes melk kunnen drinken?
Veewagens waarmee jonge ongespeende kalveren worden vervoerd hebben meestal geen drinksystemen aan boord waar de kalveren melk uit kunnen drinken. Er zijn een aantal bedrijven die dergelijke systemen wel hebben ontwikkeld en Ierland heeft deze eind oktober 2023 getest aan boord van de Roll-on-Roll-off-boot (waarbij de veewagen met daarin de dieren aan boord van de boot wordt geladen) van Ierland naar het vaste land van Europa en de kalveren ook een week gemonitord op de bestemming op het vaste land van Europa. Op dit moment worden de resultaten van die test geanalyseerd door de Ierse onderzoeksinstelling Teagasc. In 2024 voert Teagasc mogelijk nog meer onderzoek uit op dit onderwerp. Mijn departement onderhoudt nauw contact met de Ierse collega’s om deze ontwikkelingen goed te volgen.
Kunt u bevestigen dat elk transport met ongespeende kalfjes per boot van Ierland naar het Europese vasteland in principe de Europese regels overtreedt, aangezien de kalfjes tijdens de 19 uur durende overtocht met de veerboot van Ierland naar Frankrijk geen melk kunnen drinken in de veewagens waarin zij blijven staan?
Ieder transport met dieren moet voldoen aan de eisen die daaraan worden gesteld door de transportverordening. Dat betekent dat ook aan de regels omtrent voederen en drenken moet worden voldaan. Ik vind het heel belangrijk dat er – naast een verbod op lange afstandstransporten van ongespeende dieren – duidelijke regels zijn voor het drenken en voederen van dieren tijdens het transport. Daarom zet ik mij in het kader van de nieuwe transportverordening hiervoor in. Het is aan de Competente Autoriteit van de desbetreffende lidstaat om toezicht te houden op de naleving van de (huidige) transportverordening. In dit geval checkt de Competente Autoriteit van Ierland onder ander de planning van deze transporten voorafgaande aan het transport. Als deze niet in orde is, dan mag het transport niet worden uitgevoerd. Mijn departement heeft hierover contact met de Ierse collega’s, die aangeven dat deze transporten worden uitgevoerd volgens de regels in de Transportverordening.
Bent u bereid om opnieuw contact op te nemen met de Ierse autoriteiten en hen te wijzen op het feit dat zij goedkeuring geven aan transporten die niet zouden mogen worden goedgekeurd en hen met klem te verzoeken daar zo snel mogelijk mee te stoppen? Zo nee, waarom niet?
De Ierse autoriteiten zijn ervan op de hoogte dat ik geen voorstander ben van deze transporten. Zo heb ik in oktober 2023 nog naar mijn Ierse collega benadrukt dat deze transporten van Ierland naar Nederland eindig zijn en dat Ierland zelf voor deze kalveren moet zorgen in de toekomst.
Bent u bereid om, als de Ierse autoriteiten vervolgens nog steeds weigeren te stoppen met het goedkeuren van deze transporten, de Europese Commissie te verzoeken een EU-inbreukprocedure tegen Ierland te starten? Zo nee, waarom niet?
De Europese Commissie ziet toe op de naleving van de transportverordening door EU-lidstaten5. Nederland vertrouwt erop dat de Europese Commissie een lidstaat aanspreekt als door die lidstaat de transportverordening niet of niet voldoende wordt nageleefd en daarbij beziet of een inbreukprocedure in de rede ligt. Ik zal de Europese Commissie daarom niet verzoeken om een inbreukprocedure tegen Ierland te starten.
Kunt u bevestigen dat ook de drenksystemen waar kalfjes tijdens transport water uit zouden moeten kunnen drinken, vaak niet geschikt zijn? Kunt u bevestigen dat u hiervan al jaren op de hoogte bent, aangezien andere EU- lidstaten door Nederland meermaals zijn gewezen op de noodzaak van flexibele spenen waar kalfjes uit kunnen drinken, zonder dat dit heeft geleid tot aanpassingen in andere landen van de EU? Wat gaat u hieraan doen?
Metalen bijtnippels – waarmee de meeste veewagens zijn uitgerust – zijn ongeschikt voor ongespeende kalveren. Deze dieren kunnen daar niet goed uit drinken. In Nederland controleert de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) of veewagens die ongespeende kalveren vervoeren zijn uitgerust met flexibele spenen. Nederland heeft inderdaad andere EU-lidstaten meermaals op de noodzaak van deze flexibele spenen gewezen. Helaas heeft dit vooralsnog niet geleid tot aanpassingen in andere landen van de EU. Drinksystemen maken onderdeel uit van de position paper van de Vught-groep waar Nederland onderdeel vanuit maakt. De Vught-groep roept daarmee de Europese Commissie onder andere op om in de herziene Transportverordening duidelijkere regels te stellen over waaraan de drinksystemen voor ongespeende dieren moeten voldoen. Dit is in de huidige Transportverordening onvoldoende duidelijk omschreven. Ik zal mij ervoor inzetten dat een verplichting op geschikte drinksystemen voor ongespeende kalveren duidelijk wordt opgenomen in de herziening van de Transportverordening.
Heeft u gezien dat door Ierse kalverexporteurs nu voor de zoveelste keer wordt gesproken over het onzalige plan om kalfjes op het vliegtuig te zetten?5 Veroordeelt u dit nog steeds?6 Op welke wijze gaat u dit kenbaar maken aan de Ierse autoriteiten?
Ja, dit heb ik gezien. Ik ben van mening dat transport van ongespeende kalveren per vliegtuig ook dierenwelzijnsrisico’s kent, zoals extra stressfactoren (laad- en losmomenten en onbekende geluiden, geuren en bewegingen die bij vliegverkeer horen). De Ierse autoriteiten zijn op de hoogte van mijn standpunt in deze.
Kunt u bevestigen dat de kalversector en de VanDrie Group weliswaar op papier hebben beloofd om voor 2026 een einde te maken aan de import van kalfjes uit Ierland, maar in de praktijk jaar na jaar weer meer dieren naar Nederland slepen?7
Ja, ik kan bevestigen dat de import van kalfjes uit Ierland jaarlijks toeneemt. VanDrie Group had in het MVO-jaarverslag 2020 opgenomen dat het bedrijf voor 2026 zou stoppen met import van kalveren uit Oost-Europa en Ierland naar Nederland. In het verslag van 2021 is dit jaartal niet meer opgenomen.
Kunt u bevestigen dat u al vele jaren zegt hierover in gesprek te gaan met de kalversector en hen te wijzen op hun verantwoordelijkheid?
Ja, dit kan ik bevestigen.
Wat hebben deze gesprekken volgens u concreet opgeleverd?
Er lopen inderdaad al jaren gesprekken met de kalversector. Deze gesprekken zijn moeizaam, maar de kalversector zet stappen in de goede richting. Zo heeft de sector het voornemen om vanaf 2026 kalveren minimaal tweemaal daags te voeren met melk met een maximaal tijdsinterval van 14 uur, ook tijdens vervoer van melkvee- naar kalverhouder. De sector geeft tevens aan de import van kalveren uit Oost-Europa te stoppen. Omdat ik deze stappen nog niet ambitieus genoeg vind, zet ik me tegelijkertijd in Europa in voor strengere regels omtrent het vervoer van jonge ongespeende kalveren om verdere vooruitgang te stimuleren. Daarnaast werk ik aan een bestrijdingsplan voor de dierziektes BVD (Bovine Virale Diarree) en IBR (Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis, in de volksmond ook wel koeiengriep genoemd), dat ook de kalversector raakt en het transport van kalveren vanuit andere lidstaten naar Nederland beperkt. Ik zal de Kamer op korte termijn informeren over het tijdpad van de IBR-en BVD-bestrijding in Nederland. Uiteraard is de kalversector ook betrokken bij het traject rondom de dierwaardige veehouderij.
Erkent u dat de Kamer bij herhaling zeer duidelijk heeft gemaakt dat er een einde moet komen aan deze vreselijke transporten kalfjes, gelet op de aangenomen moties van de PvdD- en D66-fracties?8
Ja, dat erken ik.
Wat gaat u doen als de kalversector niet levert en de Ierse autoriteiten de regels blijven negeren om dit dierenleed tegen te gaan?
Ik vind het belangrijk dat dieren te allen tijde op een dierwaardige manier worden behandeld, zeker kwetsbare dieren zoals ongespeende kalveren. Daarom zet ik me op Europees niveau in voor een verbod op langeafstandstransporten van ongespeende dieren, zoals aangegeven in het BNC fiche Herziening verordening dierenwelzijn tijdens transport (Kamerstuk 22 112, nr. 3861). Ik word daarbij gesteund door het EFSA-rapport van 202210.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb de vragen afzonderlijk beantwoord, maar helaas niet binnen de daarvoor gestelde termijn.