Verschillen in nitraatmetingen tussen Europese lidstaten |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beantwoording van de vragen over mestbeleid van april 2024 (Kamerstuk 2024D15537), waarin is aangegeven dat de meetnetten van verschillende lidstaten niet één-op-één vergelijkbare resultaten opleveren?
Kunt u uiteenzetten welke verschillen er bestaan tussen de nitraatmetingen in Nederland en die in nabij gelegen landen, zoals Duitsland, België en Denemarken? Kunt u daarbij aangegeven op welke diepte wordt gemeten, hoe meetlocaties worden gekozen en wat de meetfrequentie is?
In hoeverre komen deze verschillen in meetmethoden voort uit nationale politieke keuzes?
Aan welke concrete eisen moeten meetnetten voldoen om volgens de Nitraatrichtlijn een representatief beeld te geven? Wie beoordeelt of de meetnetten van de verschillende lidstaten aan deze eisen voldoen?
Kunt u uitleggen hoe de Europese Commissie (EC) rekening houdt met deze verschillen bij de beoordeling van waterkwaliteit en mestbeleid van lidstaten?
Is onderzocht in welke mate de keuze voor een meetmethode invloed heeft op het aantal gerapporteerde overschrijdingen van de nitraatnorm? Zo ja, wat waren hiervan de uitkomsten? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Deelt u de opvatting dat verschillen in meetmethoden op zichzelf geen reden mogen zijn om Nederlandse boeren strengere maatregelen op te leggen dan boeren elders in Europa? Hoe wordt bij de onderbouwing van het Nederlandse mestbeleid gewaarborgd dat dit niet gebeurt?
Kunt u uiteenzetten welke ruimte Nederland heeft om de meetmethoden beter te laten aansluiten bij die van andere lidstaten? Welke mogelijkheden worden nog niet benut en waarom niet?
Kunt u uitleggen wat sinds de beantwoording van april 2024 is gedaan om de vergelijkbaarheid van nitraatmetingen tussen lidstaten te verbeteren? Bent u bereid hierover met de EC en de betrokken lidstaten afspraken te maken en de Kamer te informeren over de uitkomst?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Mestbeleid?
De communicatie van de uitzondering van GLMC 7 op bedrijven met minder dan 30 hectare grond |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over de toepassing van de Goede Landbouw- en Milieuconditie (GLMC) 7?1
Klopt het dat landbouwbedrijven die meer dan 30 hectare landbouwgrond opgeven in de Gecombineerde Opgave moeten voldoen aan GLMC 7, terwijl landbouwbedrijven die 30 hectare of minder opgeven hiervan zijn uitgezonderd?
Klopt het dat deze uitzondering pas tegen het einde van het huidige teeltseizoen door RVO duidelijk is gecommuniceerd naar de betreffende ondernemers?
Was u voorafgaand aan het teeltseizoen op de hoogte van deze uitzondering voor landbouwbedrijven met 30 hectare of minder landbouwgrond?
Waarom is deze informatie niet eerder en duidelijker gecommuniceerd aan landbouwbedrijven, zodat zij voor de start van het teeltseizoen wisten of de verplichtingen uit GLMC 7 op hen van toepassing waren?
Kunt u aangeven hoeveel landbouwbedrijven naar verwachting onder de grens van 30 hectare vallen en daardoor niet aan GLMC 7 hoeven te voldoen?
Bent u ervan op de hoogte dat landbouwbedrijven in sommige gevallen al teeltmaatregelen hebben genomen of opbrengsten hebben misgelopen, omdat zij ervan uitgingen dat GLMC 7 op hen van toepassing was voordat ze konden weten dat ze onder een uitzondering vielen?
Kunt u in kaart brengen welke financiële gevolgen landbouwbedrijven mogelijk hebben ondervonden doordat zij hun bouwplan of gewasrotatie hebben aangepast in de veronderstelling dat GLMC 7 op hen van toepassing was?
Bent u bereid om te onderzoeken of het mogelijk is om landbouwbedrijven die aantoonbaar kosten hebben gemaakt of inkomsten zijn misgelopen doordat zij als gevolg van onduidelijke of te late communicatie ten onrechte rekening hebben gehouden met GLMC 7, tegemoet te komen?
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat vergelijkbare wijzigingen of uitzonderingen in de toekomst pas na de start van het teeltseizoen duidelijk worden voor landbouwbedrijven?
Het door NS weigeren van een oproep om op dierendag geen dieren te eten, terwijl vleesreclames wel zijn toegestaan. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NS weert campagne Wakker Dier op stations vanwege «te controversiële» boodschap»?1
Kunt u bevestigen dat deze «controversiële boodschap» een oproep betrof om op dierendag één dag geen dieren te eten? Vindt u dit geen censuur?
Kunt u bevestigen dat de NS een staatsdeelneming is met 100 procent eigenaarschap van de Nederlandse Staat en dat het uw eigen beleid is dat u verwacht dat de NS een voorbeeldrol vervult op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen?2, 3
Kunt u bevestigen dat de NS vleesreclames wel toestaat?
Hoe rijmt u dit met het besluit om deze oproep wel te weigeren?
Vindt u het niet verontrustend dat Wakker Dier naar de rechter moet stappen om af te dwingen dat de NS deze reclame niet mag weigeren?
Bent u bereid om met NS-directeur Wouter Koolmees in gesprek te treden om hem om opheldering te vragen over het (door de rechter gecorrigeerde) besluit om de reclame van Wakker Dier niet te plaatsen met verwijzing naar uw eigen beleid over wat u zelf van de NS verwacht? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om zelf ook uit te dragen dat het op dierendag beter is om eens een dagje geen dieren te eten? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat minder vlees eten ook nog eens ontzettend goed is voor het klimaat, waarmee Wakker Dier met deze campagne het kabinet gratis en voor niets een dienst bewijst voor het halen van de eigen klimaatdoelen?
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 2 oktober 2026 beantwoorden?
Het belang van gezonde bodems voor boeren. |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Erkent u dat het gebruik en de resten van bestrijdingsmiddelen deze schimmels en de gezondheid en productiviteit van de bodem schaadt en dus de hoeveelheid voedsel van eigen bodem die boeren aan hun dieren kunnen geven?1
Is er voldoende duidelijk over op welke wijze bestrijdingsmiddelen van buiten het eigen bedrijf (zoals via voer of hooi) de bodem inkomen en welke impact dit heeft op bedrijf en bodem? Zo nee, bent u bereid hier aanvullend onderzoek naar te laten doen?
Welke gevolgen heeft dit voor boeren die meer natuurinclusief willen werken of de overstap willen maken naar natuurinclusieve landbouw?
Hoelang duurt het voordat bodems hersteld zijn na jarenlange blootstelling aan bestrijdingsmiddelen? Als dat onbekend is, kunt u toezeggen dit te laten onderzoeken?
Neemt u bodembiologie, waaronder mycorrhiza, en residuen van bestrijdingsmiddelen mee in de Nederlandse uitwerking van de Europese richtlijn bodemmonitoring en het convenant gewasbescherming? Zo nee, waarom niet?
Hoe staat het met het doel zoals beschreven in de brief van 4 september 2020 (Kamerstuk 30 015, nr. 79) om in 2030 alle landbouwbodems duurzaam te beheren en hoeveel grasland voldoet daar nu aan?
Hoe ondersteunt u melkveehouders die investeren in bodemherstel, bijvoorbeeld met kruidenrijk grasland en stimulering van gezond bodemleven?
Welke verdere stappen acht u kansrijk om boeren te stimuleren minder bestrijdingsmiddelen te gebruiken en hun bodems te herstellen?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat gewasbescherming van 8 oktober 2026?
Onduidelijkheid voor akkerbouwers over de verplichte teelt van rustgewassen vanaf 2027 |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de informatie op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) waarin staat dat nog niet zeker is hoe lang het nieuwe tijdvak voor de verplichte teelt van rustgewassen vanaf 2027 zal duren?1
Waarom is hierover, terwijl het huidige tijdvak eind 2026 afloopt, nog steeds geen duidelijkheid?
Deelt u de mening dat akkerbouwers ruim voor aanvang van het nieuwe teeltseizoen moeten weten aan welke verplichtingen zij vanaf 2027 moeten voldoen, zodat zij hun bouwplan kunnen maken en tijdig zaaizaad en pootgoed kunnen bestellen? Deelt u de mening dat deze duidelijkheid er inmiddels al had moeten zijn?
Kunt u op zeer korte termijn duidelijkheid geven over de regels die vanaf 2027 gelden, waaronder de duur van het nieuwe tijdvak? Zo nee, waarom niet en wanneer kunnen akkerbouwers deze duidelijkheid dan wel verwachten
Het gezondheidsrisico van onduidelijkheid over spuitzones en onzorgvuldige toekenning van pesticiden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat de Staatssecretaris van LVVN heeft besloten om geen opdracht te geven voor de ontwikkeling van een rekenmethode voor spuitzonering, ondanks dat het RIVM en de WUR in hun rapport hierover concluderen dat dit haalbaar is, ondanks dat daartoe is opgeroepen door middel van de motie Vedder c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 659), ondanks dat gemeenten vragen om duidelijkheid, en ondanks dat de gezondheid van mensen, dieren en natuur op dit moment ernstig bedreigd worden door het gebruik van landbouwgif? Hoe rijmt u dit met een beleid dat de volksgezondheid op één wil zetten? Vindt u bedrijfsbelangen dan toch belangrijker?1 2 3
Bent u het eens dat een wetenschappelijk onderbouwde rekenmethode veel kan betekenen voor het draagvlak onder bedrijven en de bevolking en veel duidelijkheid kan scheppen bij gemeenten voor spuitzonering? Zo nee, waarom niet?
Welke zwaarwegende argumenten voor bescherming van volksgezondheid heeft u om het advies van het belangrijkste instituut voor volksgezondheid, het RIVM, niet op te volgen?
Als u niet verder gaat met het ontwikkelen van een rekenmethode, hoe verwacht u dan tegemoet te komen aan de zorg, die u zelf aanhaalt in uw brief, dat «uit jurisprudentie blijkt dat bestaande onderbouwingen voor maatwerk in lokale situaties regelmatig onvoldoende worden geacht»? Verwacht u dat de bestuurlijke afspraken in het Convenant «Gewasbeschermingsmiddelen» voldoende gaan zijn om stand te houden bij de rechter? Zo ja, waar baseert u zich dan precies op? Is dat een voorwaarde die u stelt aan de bestuurlijke afspraken?
Hoe bent u nu concreet van plan om de volksgezondheid te gaan waarborgen en gemeenten wetenschappelijke onderbouwde duidelijkheid te geven over spuitzonering?
Aangezien uit onderzoek bekend is dat landbouwgif zich kilometers kan verspreiden, bent u bereid om in lijn met het voorzorgsbeginsel, zo lang als er onduidelijkheid bestaat, en zolang u niet kunt onderbouwen dat een kleinere spuitzonering kan bestaan zonder aantasting van gezondheid van mens, dier en milieu, een spuitzonering van minstens 500 meter verplicht te stellen? Of op zijn minst 50 meter verplicht te stellen, in lijn met huidige jurisprudentie? Zo nee, waarom niet, en op welke recente wetenschappelijke inzichten baseert u zich?
Bent u bekend met de oproep van meer dan huisartsen om te stoppen met landbouwgif in de sierteelt?4
Wat vindt u ervan dat zoveel zorgprofessionals zich genoodzaakt voelden om een noodsignaal uit te zenden, bijvoorbeeld omdat er «overtuigende aanwijzingen voor verbanden met ernstige aandoeningen zoals Parkinson, ALS en leukemie bij kinderen» zijn? Wat is uw reactie op hun zorgen en oproep?5
Hoe gaat u de zorgen van de vele zorgprofessionals nu wegnemen, terwijl u doorwerkt aan een convenant waar maatschappelijke organisaties die opkomen voor de gezondheid hun handtekening niet onder willen zetten? Op welke manier vindt u zo’n convenant dan geloofwaardig voor de zorgprofessionals?
Bent u bekend met het feit dat het UMCG recent heeft besloten opnieuw onderzoek te gaan doen tussen het verband van pesticiden en de ziekte van Parkinson, omdat bij de hoogste mate van blootstelling aan een combinatie van verschillende middelen het risico op Parkinson met zo'n 50 procent stijgt?6
Wat vindt u van de zorg die onderzoekers en zorgprofessionals hebben dat bij beoordeling en maatregelen geen rekening wordt gehouden met het «cocktaileffect» van middelen? Vindt u dat deze zorg relevant is voor de gezondheid van Nederlanders? Zo nee, op welk wetenschappelijk onderzoek baseert u zich? Hoe gaat u deze zorg wegenemen en welke concrete maatregelen (met tijdlijn) horen daarbij?
Als er nog zoveel onduidelijk is, en er zulke grote risico’s zijn, waarom loopt u dan weg voor uw verantwoordelijkheid om een duidelijke lijn uit te zetten wat betreft spuitzones? Waarom is het beschermen van de gezondheid van mens, dier en milieu niet uw hoogste prioriteit?
Bent u ermee bekend dat uit onderzoek van Pointer bleek dat de pesticidenlobby mee heeft kunnen schrijven bij amendementen op EU-wetgeving, en wel 101 toegangspassen had tot het Europees Parlement?7
Kunt u (in het kader van artikel 68 van de Grondwet) aangeven op welke wijze en hoe vaak agrobedrijven, pesticidenbedrijven en hun lobbyisten in het afgelopen jaar contact met u hebben gezocht? Kunt u een overzicht geven met welke agrobedrijven en pesticidenproducenten u heeft gesproken in het afgelopen jaar en hoe vaak precies, mede gelet op artikel 68 van de Grondwet?
Bent u bereid een lobbyverbod in te stellen voor pesticidenproducenten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de rechterlijke uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin is besloten dat het pesticide-middel Pitcher zo snel mogelijk uit de handel genomen moet worden, omdat in Pitcher een werkzame stof (fludioxonil) zit die hormoonontregelende eigenschappen heeft? En bent u bekend met het nieuwsbericht van de Volkskrant hierover «PAN Nederland haalt het gif uit de markt, Achmea krijgt de volle laag van het noodweer»?8 9
Bent u ermee bekend dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) wel een toelating heeft gegeven voor Pitcher ondanks de vaststelling dat er fludioxonil in zit? Hoe verklaart u dat dit kon gebeuren? Acht u dit wenselijk?
Wat vindt u ervan dat het Ctgb ondanks een eerdere soortgelijke uitspraak wederom volgens de rechter onterecht toelating heeft verleend aan een middel met een werkzame stof waarvan de Europese voedselautoriteit EFSA heeft vastgesteld dat deze hormoonverstorend is voor mens en dier, en waarvan Ctgb wist dat deze niet leidde tot verwaarloosbare blootstelling omdat de toepassing niet in een gesloten systeem plaatsvindt of in andere omstandigheden die contact met mens of dier uitsluiten?10
Hoe beoordeelt u het feit dat de huidige lijn die wordt gevolgd bij het Ctgb niet standhoudt bij de rechter en schadelijk blijkt te zijn voor de volksgezondheid? Vindt u dat het beleid strenger moet om de volksgezondheid wel te waarborgen? Zo nee, waarom vindt u volksgezondheid niet het belangrijkste wat er is?
Hoe gaat het Ctgb haar toelatingsbeleid aanpassen om te voldoen aan de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven?
Welke andere toepassingen van bestrijdingsmiddelen met de werkzame stof fludioxonil hebben een toelating bij het Ctgb en vinden niet plaats in een gesloten systeem of in andere omstandigheden die contact met mensen en dieren uitsluit? Kunt u daar een overzicht van geven? Bent u het eens dat deze middelen ook zo snel mogelijk uit de markt genomen moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Welke andere bestrijdingsmiddelen met werkzame stoffen die door EFSA beoordeeld zijn als hormoonverstorend voor mens of niet doelwit-organismen (dieren) hebben een toelating bij het Ctgb en vinden niet plaats in een gesloten systeem of in andere omstandigheden die contact met mens of dier uitsluit, zoals cyprodinil? Vindt u dat deze ook uit de markt genomen moeten worden omwille van de volksgezondheid? Zo nee, wat is uw wetenschappelijke onderbouwing daarvoor? Kunt u onderbouwd uitsluiten dat u daarmee mensen en dieren opzadelt met een hogere kans op gezondheidsschade?11 12
Welke van de in de vorige vraag betreffende bestrijdingsmiddelen hebben een toelating van het Ctgb waarvan het toelatingsbesluit dateert van nadat de EFSA de stof had beoordeeld als hormoonverstorend? Kunt u hier een overzicht van geven?
Bent u zich bewust van het feit dat hormoonverstorende stoffen al in hele lage concentraties schadelijk kunnen zijn voor met name jonge kinderen en de wet dan ook niet voor niets stelt dat deze pesticiden niet gebruikt mogen worden in situaties waar contact met de mens niet is uitgesloten? Hoe ziet u in dit licht het gebruik van hormoonverstorende pesticiden?
Hoeveel van deze werkzame stoffen hebben hun meest recente goedkeuring te danken aan een automatische verlenging van de Europese Commissie zonder inhoudelijke beoordeling van de risico’s voor mens of milieu?
Klopt het dat automatische verlengingen worden toegepast bij stoffen waarvan de EFSA een risico heeft vastgesteld, bijvoorbeeld dat deze hormoonverstorend is? Zo ja, klopt het dat dit gebeurt wegens economische belangen en dat deze voorrang krijgen boven gezondheidsbelangen? Klopt het dat het Food & Feed Omnibus voorstel van de Europese Commissie deze zorg niet wegneemt? Zo nee, op welke wetenschappelijke conclusies baseert u zich dan? Vindt u dat het compromisvoorstel van de lidstaten deze zorg wel zou moeten wegnemen? Zo nee, waarom niet?
Hoe vaak worden door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op levensmiddelen restanten fludioxonil aangetroffen die liggen boven de gangbare maximale residu limiet (MRL) van 0,01 mg/kg die als veiligheidsgrens geldt voor in Europa verboden pesticiden, bijvoorbeeld omdat zij als hormoonverstorend zijn geclassificeerd? Welke range van gehaltes betreft dit en welke producten betreft dit?
Hoeveel fludioxonil wordt gebruikt en afgezet in Nederland sinds 2010? Indien sprake is van een toename in gebruik van deze zorgwekkende stof, wat zijn de verklaringen hiervoor?
Zijn werkenden in de landbouw en hun partners in uw ogen voldoende bekend met de grote risico’s van (hormoonverstorende) pesticiden, met name de risico’s voor mensen met een kinderwens, zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven, zoals geschetst in het Informatieblad «Werken met bestrijdingsmiddelen» van het RIVM? Zo ja, waar baseert u zich dan op? Zo niet, wat bent u bereid te doen om die situatie te verbeteren?13
Hoe gaat het Ctgb invulling geven aan de opdracht van de rechter om de respijttermijnen (aflevertermijn en opgebruiktermijn) voor verkoop en gebruik van bestrijdingsmiddelen met de werkzame stof fludioxonil zo kort mogelijk te maken aangezien Pitcher niet toegelaten had mogen worden?
Wat is het concrete doel van LVVN in het convenant «gewasbeschermingsmiddelen» met betrekking tot hormoonverstorende pesticiden? Wat is het doel van VWS? Welke maatregelen horen daarbij en welke tijdlijn? Bent u bereid om bij de afwegingen gezondheidsexperts te betrekken?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
Het onttrekkingsverbod van het Hoogheemraadschap van Delfland en de gevolgen voor de glastuinbouw. |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Joris Lohman (CDA) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het Hoogheemraadschap van Delfland vanaf woensdag 5 augustus een volledig verbod instelt op het onttrekken van oppervlaktewater en alle sluizen in het beheergebied sluit?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de constatering van Delfland dat dit de meest verstrekkende maatregel is die het waterschap ooit heeft genomen? Hoe beoordeelt u de omvang en urgentie van deze situatie?
Het hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland) noemt het onttrekkingsverbod op zijn website een uitzonderlijke situatie met grote gevolgen voor inwoners en bedrijven, maar geeft aan dat de maatregel onvermijdelijk is om grotere schade aan de leefomgeving te beperken. Die beschouwing deel ik. De droogte is in heel Nederland voelbaar en het neerslagtekort is in alle regio’s, ook die van Delfland, groot. De situatie van Delfland verschilt met andere regio’s vanwege de volgende aspecten: het neerslagtekort in deze regio is nog groter dan het gemiddelde in Nederland en de aanvoer van zoet water in het gebied is beperkt mogelijk. Bovendien is de watervraag vanuit de tuinbouw hoog en er liggen veel droogtegevoelige keringen in het beheergebied.
Delfland heeft de zorgplicht voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid van haar inwoners en het gebied. Vanwege het behoud van de peilen in het gebied zijn de verstrekkende maatregelen ingezet, omdat de situatie urgent is. Vanuit de verdringingsreeks, zoals vastgelegd in de wet, gaat bij watertekorten de veiligheid van keringen vóór op andere functies zoals landbouw. Dat is inmiddels ook bekend bij alle betrokken sectoren, zie ook bijlage 1. Daarbij wordt continue gekeken of maatregelen niet langer dan noodzakelijk van kracht zijn. Dit heeft er ook toe geleid dat Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk heeft opgeheven tot en met 26 augustus voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie).
Klopt het beeld dat de verminderde beschikbaarheid van zoetwater via het Brielse Meer en de Klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA) wordt veroorzaakt door een combinatie van aanhoudende droogte, een historisch lage afvoer van de Rijn en toenemende verzilting? Kunt u toelichten hoe de zoetwateraanvoer naar West-Nederland zich de afgelopen weken heeft ontwikkeld?
Ja, via de grote rivieren (met zeer lage en nog steeds afnemende afvoeren) en de klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA+) wordt zoetwater aangevoerd naar West-Nederland. Water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek wordt met behulp van gemalen, watergangen en stuwen naar Midden- en West-Nederland gepompt, om daar watertekorten en verzilting zo veel mogelijk tegen te gaan. Door de hoge temperaturen is de verdamping erg groot, waardoor niet aan de volledige watervraag kan worden voldaan.
Hoe kan het dat tot voor kort de verwachting was dat het Brielse Meer voldoende zoetwater kon leveren, terwijl de aanvoer inmiddels is stopgezet? Op welk moment werd duidelijk dat dit noodzakelijk was? Was deze ontwikkeling, gelet op de al langer bekende lage Rijnafvoer en toenemende verzilting, eerder te voorzien?
Tot voor kort was de verwachting dat het Brielse Meer voldoende zoetwater kon leveren. Door de aanhoudend lage Rijnafvoer en toenemende verzilting kwam de zoetwatervoorziening echter onder druk te staan. De aanvoer uit het Brielse Meer is niet stopgezet. Het Brielse Meer loopt wel risico op verzilting. Verzilting vormt een probleem voor onder andere de landbouw omdat gewassen niet tegen zilt water kunnen. Ook voor andere functies die water uit het Brielse Meer gebruiken is verzilting een probleem, zoals voor de natuur en industrie.
Zijn de sector en de betrokken ondernemers naar uw oordeel tijdig betrokken en geïnformeerd over de maatregelen en stappen die worden genomen tijdens periodes van droogte, zoals we die momenteel kennen, zodat zij hierop adequaat kunnen anticiperen? Worden ook andere sectoren en ondernemers elders in het land, die te maken krijgen met uitzonderlijke maatregelen, zoals op het Twentekanaal2, tijdig geïnformeerd en meegenomen, zodat ook zij zich hierop kunnen voorbereiden?
Na het genomen besluit zijn alle stakeholders, waaronder de glastuinbouw, direct geïnformeerd. Het besluit is na 5 dagen in werking getreden, waarmee betrokkenen zich konden voorbereiden op het besluit.
Ook elders in het land worden sectoren en ondernemers geïnformeerd over de droogtesituatie, zodat ook zij zich hierop kunnen voorbereiden. Om betrokken partijen tijdig te informeren, wordt via verschillende kanalen informatie gedeeld over de ontwikkeling van droogte en de beschikbaarheid van zoetwater. Zo wordt onder meer via de Droogtemonitor Rijkswaterstaat (RWS) en binnen de Regionale Droogte Overleggen (RDO’s) informatie uitgewisseld over de actuele situatie en de te verwachten ontwikkelingen. Ook waterschappen informeren betrokken partijen hierover vanuit hun eigen verantwoordelijkheid.
Op welke wijze worden ondernemers die direct worden geraakt door dergelijke verstrekkende maatregelen na de inwerkingtreding daarvan betrokken bij de vervolgstappen, zodat zij tijdig duidelijkheid krijgen over het toekomstperspectief en hun bedrijfsvoering daarop kunnen afstemmen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Heeft u, dan wel Rijkswaterstaat, de afgelopen weken actief contact gehad met Delfland en de andere betrokken waterschappen over de aanvoer van zoetwater? Had het Rijk – bijvoorbeeld via de Landelijke Commissie Waterverdeling (LCW) – met een andere sturing op het hoofdwatersysteem deze acute situatie geheel of gedeeltelijk kunnen voorkomen, en welke rol pakt het Rijk nu? . Welke onomkeerbare schade ontstaat volgens u wanneer een onttrekkingsverbod slechts gedeeltelijk wordt ingesteld? Kunt u daarbij aangeven welke schade, naast schade aan dijken en de waterveiligheid, wordt voorkomen? Hoe verhoudt deze schade zich tot de gevolgen die een volledig onttrekkingsverbod heeft voor de glastuinbouw?
Ja, binnen het regionale droogteoverleg West Midden is er in de afgelopen weken continu afstemming geweest tussen de waterbeheerders (Rijkswaterstaat, Hoogheemraadschappen van Rijnland, Delfland, Schieland en de Krimpenerwaard, De Stichtse Rijnlanden en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht). Ook zijn de Staatssecretaris van LVVN en ik op 13 augustus jl. op werkbezoek geweest in het Westland en hebben daar samen met Glastuinbouw Nederland ondernemers in de glastuinbouw gesproken.
Vanaf begin juli vindt aanvullend landelijke afstemming en coördinatie plaats binnen de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) en sinds half juli in het Managementteam Watertekorten (MTW). Binnen de LCW en MTW wordt de watervraag in de verschillende regio’s zo goed mogelijk bediend en wordt het water verdeeld conform de verdringingsreeks, maar de hoeveelheid beschikbaar water is te klein om aan alle waterbehoeften te voldoen. Vandaar ook de opschaling naar fase 2: feitelijk watertekort.
Welk beeld heeft u van de gevolgen van het onttrekkingsverbod voor de glastuinbouw? Hoeveel glastuinbouwbedrijven worden volgens u direct door het verbod geraakt? Bent u ermee bekend dat ondernemers aangeven dat hun waterbassins deze week droog dreigen te komen te staan, ondanks de gerealiseerde extra opvangcapaciteit? Zo ja, hoe beoordeelt u deze situatie?
Het algehele onttrekkingsverbod in het beheergebied van Delfland is genomen met het oog op de waterveiligheid. In het algemeen geldt dat de categorieën 1 en 2 van de verdringingsreeks maatschappelijke functies betreft, waarbij het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting centraal staat. De categorieën 3 en 4 betreffen economische functies en overige behoeftes.
Worden er op dit moment noodoplossingen onderzocht om de sector door deze periode te helpen? Is bijvoorbeeld gezuiverd effluent uit rioolwaterzuiveringen inzetbaar, of andere alternatieve bronnen? Welke rol kan het Rijk daarbij spelen?
Binnen het beheergebied van Delfland bevinden zich circa 1.500 glastuinbouwbedrijven. Naar schatting teelt 10% hiervan in de volle grond en is afhankelijk van water uit sloten en regenbassins. Deze bedrijven worden direct geraakt door het onttrekkingsverbod van Delfland. Bij een langdurig verbod kan schade ontstaan aan gewassen en daarmee aan de productie en bedrijfscontinuïteit. De overige 90% van de bedrijven zijn niet volledig afhankelijk van het gebruik van oppervlaktewater. Deze bedrijven kunnen recirculeren en/of alternatieve waterbronnen inzetten.
Het is mij bekend dat ondernemers aangeven dat hun waterbassins droog dreigen te komen te staan. Dit onderstreept de ernst van de situatie. Tegelijkertijd sta ik achter de keuze van Delfland om binnen de geldende wettelijke kaders en de daarbij behorende verdringingsreeks te handelen en een onttrekkingsverbod in te stellen.
Wanneer de situatie verbetert en oppervlaktewater weer beschikbaar komt: op welke wijze wordt bepaald welke sectoren en organisaties als eerste weer water mogen gebruiken? Deelt u de opvatting dat daarbij gekeken moet worden naar de partijen die de grootste en meest onomkeerbare schade lijden, zoals teelten, jonge natuur- en groenaanplant en sportvelden?
Ja, met betrokkenheid van mijn departement wordt momenteel onder leiding van Delfland met urgentie onderzocht of- en onder welke voorwaarden aanvullende mogelijkheden om water te kunnen leveren aan de sector beschikbaar zijn. Er liggen meerdere opties op tafel, zoals bijvoorbeeld ontzilting van brak- of zoutwater, hergebruik van effluent en wateraanvoer vanuit het Hollands Diep via tankwagens. Tevens heeft Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk opgeheven (t/m 26 augustus) voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie).
Welke structurele maatregelen neemt u, samen met de waterschappen en de betrokken sectoren, om de zoetwatervoorziening in Nederland toekomstbestendig te maken en herhaling van situaties zoals de huidige zo veel mogelijk te voorkomen? Welke aanvullende of specifieke maatregelen acht u daarbij noodzakelijk voor West-Nederland, gelet op de kwetsbaarheid van deze regio voor zoetwatertekorten?
Zolang er nog sprake is van watertekorten, blijft opschalingsniveau 2 van kracht. Water wordt dan verdeeld volgens de verdringingsreeks. Als de situatie zodanig verbetert dat er meer water beschikbaar is dan nodig in categorie 1 en 2, wordt gekeken hoe maatschappelijk gezien binnen categorie 3 en vervolgens categorie 4 het water zo goed mogelijk verdeeld kan worden. In de praktijk wordt gestuurd op het zoveel mogelijk voorkomen van schade. Welke sectoren binnen de categorieën van de verdringingsreeks dan in welke volgorde worden bediend, verschilt per regio en is afhankelijk van het weer en de waterhuishoudkundige situatie.
Hoe kan er, in samenwerking met waterschappen en regionale overheden, voor gezorgd worden dat ondernemers in het Westland, maar ook elders in Nederland die door droogte of de daaruit voortvloeiende maatregelen kunnen worden geraakt, tijdig worden geïnformeerd en betrokken, zodat zij zich adequaat kunnen voorbereiden en in hun bedrijfsvoering kunnen anticiperen op de gevolgen van dergelijke maatregelen?
In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Tot nu toe is in de praktijk vooral ingezet op optimaliseren van het huidige watersysteem. In de droge jaren 2018, 2022 en ook dit jaar, hebben we daar de vruchten van geplukt. Voorbeelden van optimalisatie zijn de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland (KWA), de aanleg van de Roode Vaart in Zevenbergen, waterbesparende maatregelen bij de stuwen en sluizen in de Maas, het optimaliseren van de waterverdeling over de Rijntakken, het aanpassen van gemalen voor het regionale watersysteem en Slimwatermanagement. Met de huidige klimaatverandering is dit echter niet langer voldoende, gelet op de omvang van de zoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Dit vergt meer ingrijpende systeemmaatregelen, maar ook aanpassingen in onze ruimtelijke ordening en aanpassingen van gebruikers en sectoren.
Systeemmaatregelen worden onder andere voorbereid in het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0. Zo is uit onderzoek gebleken dat voor de Waal de aanleg van een meergeulensysteem gecombineerd met het aanvullen van sediment (suppleren) de enige maatregel is die de bodem structureel kan stabiliseren én die tegelijkertijd bijdraagt aan bevaarbaarheid, natuurherstel en een betere verdeling van zoetwater over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van dit programma3. Deze maatregelen zijn ook van belang voor de regio West-Nederland.
Verder wordt gewerkt aan het Deltaplan Zoetwater fase 3 (2028–2033), waarin individuele maatregelen worden beoordeeld op hun hydrologische effectiviteit, kosten, baten en maatschappelijke effecten. Daarbij wordt ook gekeken naar maatregelen in het regionale watersysteem, waaronder dat van West-Nederland. De inzet is daarmee niet alleen gericht op het vergroten van de beschikbaarheid van zoetwater tijdens perioden van lage rivierafvoer, maar vooral op het benutten van perioden waarin water beschikbaar is om een zoetwaterbuffer op te bouwen. Naast fysieke maatregelen wordt onderzoek voorbereid, waaronder een Kennisimpuls Externe Verzilting. Dit is voor de regio West-Nederland van groot belang. Of de maatregelen (regionaal en in het hoofdwatersysteem) daadwerkelijk in uitvoering kunnen worden gebracht, is afhankelijk van de beschikbare financiering uit het Deltafonds4. Hiervoor geldt een prioriteringsopgave, waardoor er landelijk wordt gekeken welke maatregelen het meest urgent zijn.
Bent u bereid deze vragen, gelet op de urgentie en het acute karakter voor de betrokken ondernemers, met spoed en bij voorkeur binnen enkele weken te beantwoorden?
Er is nauw contact tussen de ondernemers en de waterbeheerders. De huidige droogtesituatie kent een lange aanloop en betrokkenen zijn in de reguliere overlegsituaties daar al zoveel mogelijk op voorbereid. Dit betreft niet alleen informatievoorziening over de actuele situatie maar ook meer structureel bij het opstellen van procedures en protocollen. Dit geldt zowel bij hoogwatersituaties als bij neerslagtekorten. Dit was ook één van de punten die uit de evaluatie van de droogte in 2018 en 2022 volgde.
Ook in het kader van het Deltaprogramma wordt al sinds langere tijd gesproken over «waterbeschikbaarheid». Ondernemers weten inmiddels ook dat 100% waterbeschikbaarheid niet bestaat. Als ondernemers de risico’s voor hun bedrijfsvoering te groot vinden, dan kunnen ze daar zelf aanvullende maatregelen voor nemen. Bijvoorbeeld met een groter bassin, grijswateraanvoer of waterbesparende maatregelen. Veel ondernemers hebben dat ook al gedaan. De ervaringen van deze droogte zullen waar mogelijk worden vertaald naar aanvullende maatregelen en afspraken en kunnen mogelijkerwijs leiden tot aanpassingen in de bedrijfsvoering. Daarbij zijn echter ook beperkende factoren aan de orde, zoals gebrek aan ruimte voor wateropslag en de gesteldheid van de bodem.
De openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (SEM) |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (SEM) is verlengd tot en met 27 januari 2027?1
Ja, van dat bericht heb ik kennisgenomen.
Op 22 juli jl. is de openstellingsperiode van de Sem verlengd tot en met 27 januari 2027 in plaats van de initiële einddatum van 29 juli 2026. In de Kamerbrief van 26 juni 2026 (Kamerstuk 36 800-XIV-87) heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd om vergunningverlening weer op gang te brengen. Een belangrijk onderdeel daarvan is het ondersteunen van boerenbedrijven bij het nemen van maatregelen die bijdragen aan het verminderen van emissies, waaronder extensivering. De Sem is één van de maatregelen waarmee het kabinet ondernemers ondersteunt. De verlenging van de openstelling van de Sem sluit daarmee aan bij de aanpak van het kabinet om weer ruimte te maken voor vergunningverlening en boeren te ondersteunen naar een toekomstbestendig bedrijf.
Klopt het dat zich tot op heden 42 melkveehouders hebben aangemeld voor de SEM? Zo ja, hoeveel kilogram fosfaatrechten vertegenwoordigen deze aanmeldingen?
Het klopt dat tot op heden 42 melkveehouders zich hebben aangemeld voor de Sem. Zie voor het aantal aanvragers dat zich heeft teruggetrokken en het aantal kilogram fosfaatrechten het antwoord op vraag 1 uit de set met kenmerk 2026Z15702.
Wat is de aanleiding geweest om de openstelling van de SEM te verlengen? In hoeverre houdt deze verlenging verband met de tot nu toe beperkte belangstelling voor de regeling?
Zie voor de aanleiding om de openstelling van de Sem te verlengen het antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven welke signalen u uit de sector heeft ontvangen over de beperkte belangstelling voor de SEM?
De sector heeft aangegeven signalen te hebben gehad dat melkveehouders hebben gewacht op de Kamerbrief «Weer ruimte voor boer, natuur en bouw» van 26 juni jl. Onder andere de voorgestelde koppeling van de bedrijfsspecifieke emissienormen voor melkveebedrijven aan fosfaatrechten geeft onzekerheid. De sector geeft aan dat dit onder andere leidt tot het willen behouden van dieren en fosfaatrechten. Daarnaast geeft de sector aan dat een rol speelt dat de vergoeding per fosfaatrecht in de Sem lager is dan de huidige marktwaarde.
Houdt de beperkte belangstelling naar uw oordeel verband met de knelpunten waarover eerder schriftelijke vragen (Kamerstuk 2026Z15702) zijn gesteld, waaronder het gebruik van 2025 als referentiejaar, de voorwaarden ten aanzien van het graslandareaal en de hoogte van de vergoeding voor fosfaatrechten? Zo nee, waarom niet?
Zie voor het antwoord op deze vraag de antwoorden op vraag 2, 3 en 4 uit de set met kenmerk 2026Z15702.
Verwacht u dat de verlenging van de openstelling zal leiden tot een substantiële toename van het aantal aanvragen? Waarop baseert u die verwachting?
In de Kamerbrief van 26 juni 2026 (Kamerstuk 36 800-XIV-87) heeft het kabinet een pakket aan maatregelen aangekondigd. Nu daar meer over bekend is, kunnen melkveehouders de aangekondigde maatregelen betrekken bij de toekomstplannen voor hun bedrijf. Ik verwacht dat er melkveehouders zullen zijn die de langere openstellingsperiode zullen gebruiken voor de keuze om al dan niet deel te nemen aan de Sem. Dit zijn individuele ondernemersbeslissingen. Het is niet in te schatten hoe groot de toename van het aantal aanvragen zal zijn. Het definitief aantal deelnemende veehouders zal na de sluiting van de openstelling bekend zijn.
Verlenging mestuitrij-seizoen |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van gevolgen van de droogte en warmte voor het uitrijden van mest?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat een droge bodem de opname remt van meststoffen doordat mineralisatie en nutriëntentransport stagneren?
Ja, door suboptimale vochtvoorziening wordt de groei van een gewas beperkt. Daarnaast kan het uitrijden van drijfmest op droge grond inderdaad zorgen voor meer gasverlies en verzouting rond de wortels. Deze emissies zijn onder natte en koude omstandigheden lager dan onder de huidige droge en warme omstandigheden. Ook kan het voorkomen dat het toedienen van drijfmest onder droge omstandigheden bijdraagt aan extra scheurvorming op met name klei- en veengronden.
Bent u ervan op de hoogte dat planten voedingsstoffen niet kunnen oplossen of opnemen via de wortels en het uitrijden van drijfmest op harde, droge grond zorgt voor extra scheurvorming, gasverlies (ammoniakemissie) en verzouting rond de wortels?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ervan op de hoogte dat meststoffen essentieel zijn voor de groei van gras en gewassen?
Voedselzekerheid is van fundamenteel belang voor de nationale en Europese weerbaarheid en strategische autonomie. Een robuuste voedselproductieketen levert hier uiteraard een cruciale bijdrage aan.
Voor de groei van gewassen is het toedienen van voldoende nutriënten van belang. De opname van nutriënten wordt bepaald door een combinatie van neerslag, vochtleverend vermogen van de bodem en het gewastype. Het huidige neerslagtekort heeft een negatieve invloed op de gewasproductie door de verminderde opname van nutriënten.
Acht u voedselproductie en voedselzekerheid van het grootste belang voor de weerbaarheid en stabiliteit in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ervan op de hoogte dat bij een gebrek aan mineralen en nutriënten oogsten minder opbrengen en de voedselproductie kan stagneren dan wel oogsten kunnen mislukken?
De opname van nutriënten door gewassen is essentieel voor de gewasopbrengsten. Droogte kan zorgen voor lagere opbrengsten. Het is uiteraard niet wenselijk dat oogsten mislukken.
Vindt u dit wenselijk? Zo ja, waarom?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat het vanuit zowel landbouwkundig als milieukundig oogpunt onwenselijk is wanneer agrariërs vanwege een vaste einddatum voor het uitrijden van mest feitelijk worden gedwongen mest uit te rijden op een moment waarop de weers- en bodemomstandigheden daarvoor ongunstig zijn, terwijl uitstel tot gunstigere omstandigheden kan leiden tot een betere benutting van nutriënten en minder verliezen naar het milieu? Zo nee, waarom niet?
De uitrijdperiodes voor dierlijke mest op bouwland en grasland zijn geregeld in Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en komen voort uit een verplichting vanuit de Europese Nitraatrichtlijn en richten zich op het doel om een goede grond- en oppervlaktewaterkwaliteit te bewerkstelligen. De kalenderlandbouwmaatregel voor het inzaaien van vanggewassen is opgenomen in het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn en is daarmee onderdeel van de afspraken die zijn gemaakt met de Europese Commissie over dit actieprogramma.
Het hanteren van een uitrijdperiode heeft tot doel om de uitspoeling van nutriënten uit de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater te beperken. Dit brengt met zich mee dat het zinvol is om uitrijdperiodes te reguleren, binnen welke de dierlijke mest mag worden uitgereden en optimaal kan worden benut door de gewassen. In sommige jaren leidt dit tot problemen voor de landbouwpraktijk, waarbij weers- en bodemomstandigheden het uitrijden van dierlijke mest kunnen beperken met als gevolg dat de agrariër mogelijk onvoldoende ruimte heeft om de gewassen optimaal te voorzien van dierlijke meststoffen. Het vaststellen van uitrijddata is echter noodzakelijk vanuit milieukundig oogpunt, waar slechts bij hoge uitzondering van kan worden afgeweken mits hiertoe een landbouwkundige noodzaak is en er geen nadelige milieukundige effecten zijn.
Deelt u de opvatting dat kalenderlandbouw moet worden voorkomen en dat de daadwerkelijke weers- en bodemomstandigheden leidend zouden moeten zijn bij het bepalen van het moment voor het uitrijden van mest? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u ervan op de hoogte dat in 2024 het mestuitrijseizoen in 2024 ook is verlengd vanwege weersomstandigheden in die zomer?
Vanwege de extreem natte weersomstandigheden vanaf het najaar 2023 tot en met het voorjaar van 2024 konden agrariërs niet tijdig alle dierlijke mest binnen de beschikbare gebruiksruimte plaatsen. Vanwege deze extreme weersomstandigheden in het voorjaar is op basis van een advies van een Expertcommissie, samengesteld uit wetenschappers op het vlak van waterkwaliteit, plantengroei, het KNMI en vertegenwoordigers van sectorpartijen, besloten om de uitrijdperiode van dierlijke drijfmest op grasland te verlengen van 31 augustus naar 15 september1.
Bent u bereid om zich in te spannen om het mestuitrij-seizoen dat tot 31 augustus duurt, te verlengen en daarvoor de Commissie Deskundigen Meststoffen per omgaande (met de grootste spoed) een advies te vragen? Zo nee, waarom niet?
Voor een uitstel van de uitrijddata dierlijke mest moet een afweging worden gemaakt tussen de weersomstandigheden en hoe zich dit ontwikkelt tot en met eind augustus, het effect van eventueel verlengen van de uitrijddata op de waterkwaliteit (en andere milieukundige aspecten) en de landbouwkundige noodzaak voor de gewasgroei om de uitrijddata te verlengen. In het verleden zijn in enkele jaren uitrijddata verlengd vanwege droogte (2018, 2021) of juist natheid in het betreffende jaar (2024, zie antwoord vraag 10). Ook zijn in andere jaren verzoeken gedaan, waarbij bovengenoemde afweging niet leidde tot een uitstel van uitrijdperiodes. Bij een uitstel van een uitrijdperiode voor dierlijke mest moet in ieder geval de Europese Commissie worden geïnformeerd, omdat hiermee wordt afgeweken van eerdere afspraken over de vastgestelde uitrijddata.
Naast uw vragen heeft LTO Nederland op 11 augustus jongstleden een verzoek gedaan voor het verlengen van de uitrijdperiode voor aanwending van mest op grasland.
Ik zal de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) vragen om een advies voor de verlenging van de uitrijdperiode van dierlijke drijfmest op grasland. Verder blijf ik de weers- en bodemomstandigheden monitoren en daarbij blijf ik in nauw contact staan met de sector. Zodra de CDM een advies heeft opgesteld zal ik op basis van dit advies een afweging maken over een eventuele verlenging van de uitrijdperiode van dierlijke mest. Indien ik zal besluiten tot een eventuele verlenging van de uitrijdperiode, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Kunt u deze vragen, gezien de tijdsdruk, per omgaande beantwoorden, doch uiterlijk vrijdag 7 augustus?
De beantwoording is zo spoedig als mogelijk naar uw Kamer verzonden.
Het wolven – en natuurbeleid |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Erkent u de wetenschappelijke conclusies dat we in een biodiversiteitscrisis zitten (zie onder andere de gezamenlijke conclusies van het Intergouvernementeel Wetenschaps- en Beleidsplatform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES) en het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC))? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Het gaat inderdaad over het algemeen niet goed met natuur en biodiversiteit in Nederland. Dit blijkt, naast uit de rapporten van IPBES en IPCC, ook uit nationale rapportages zoals die van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en de elfde Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 472).1 We zien dat lokaal ook verbetering plaats vindt door natuurherstelmaatregelen, maar over het geheel bezien nemen bijzondere, van oorsprong hier voorkomende natuurwaarden nog steeds af. De natuur wordt daarmee steeds eenvormiger in plaats van (bio)diverser. De nationale rapportages voor Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn over de periode 2019–2024 laten zien dat slechts 6 van de 52 habitattypen (12%) en 20 van de 91 Habitatrichtlijnsoorten (22%) in gunstige staat zijn. De vogels laten een iets rooskleuriger beeld zien, maar daarvoor worden alleen aantallen en trends gerapporteerd en niet of die aantallen voldoende zijn.
Erkent u de wetenschappelijke conclusies dat wolven een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan herstel van natuur en biodiversiteit in Nederland en daarmee bijdragen aan een gezondere en veiligere toekomst voor de mens? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich?
Een wolf is een groot roofdier en heeft een belangrijke sturende rol in het ecosysteem. Hij staat bovenaan in de voedselpiramide.
Bent u bereid om te werken aan initiatieven die meer bekendheid geven aan de positieve bijdrage van wolven voor Nederland? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
Via het Landelijk Informatiepunt Wolven (LIW) wordt bekendheid gegeven aan de aanwezigheid van wolven in Nederland. Het LIW biedt feitelijke, actuele en toegankelijke informatie over wolven in Nederland en is een centrale plek waar iedereen terecht kan met vragen over wolven.
Kunt u bevestigen dat wetenschappers van onder andere het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) aangeven dat Nederland meer ruimte moet maken voor natuur?
Dit blijkt inderdaad uit onderzoek van PBL en ook uit bijvoorbeeld de hiervoor aangehaalde rapportage over soorten en habitattypen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR).2 Een belangrijke voorwaarde voor de duurzame instandhouding van VHR-beschermde natuur is voldoende ruimte. De natuurherstelverordening bevat bindende en tijdsgebonden verplichtingen en maakt de noodzaak voor meer ruimte voor natuur daarmee extra urgent.
Naast deze wettelijke verplichtingen toont onderzoek aan dat investeringen in natuur tal van maatschappelijke en economische voordelen hebben.
Hoeveel schapen houden we in Nederland en hoeveel worden er per jaar geslacht? Hoeveel daarvan is voor de export?
In 2025 was het gemiddeld aantal schapen in Nederland ongeveer 900.500 schapen. In dat jaar zijn ongeveer 481.000 slachtingen gemeld. Het is niet bekend hoeveel geslachte schapen bestemd waren voor de export.
Kunt u bevestigen dat Nederland het meest veedichte land is van Europa?
Ja.
Deelt u de opvatting dat daar iets aan moet veranderen en er zo meer ruimte moet komen voor natuur en in het wild levende dieren, zoals wolven? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de wettelijke verplichting om te zorgen voor de duurzame instandhouding van VHR-beschermde soorten en habitattypen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat daarvoor meer ruimte nodig is. Dat hoeft niet allemaal te worden ingevuld met gebieden met een exclusieve natuurfunctie; leefgebieden van veel soorten kunnen bijvoorbeeld goed samengaan met andere functies. De ruimtelijke inpassing van de Nederlandse natuurdoelen vraagt zorgvuldige afweging met andere ruimtelijke opgaven.
Kunt u met de Kamer delen met welke diersoorten het niet goed gaat, welke extra maatregelen er door dit kabinet zijn genomen en worden genomen om die negatieve trend aantoonbaar te keren en welke tijdlijn daarbij hoort, aangezien er een duidelijke opdracht vanuit de Kamer ligt (motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 21 501–08, nr. 942)) aan het kabinet om met maatregelen te komen om ervoor te zorgen dat de negatieve trend voor verschillende dierpopulaties zo snel mogelijk wordt gekeerd en dat er extra maatregelen worden getroffen om aan alle bestaande natuurafspraken te voldoen? Kunt u met de Kamer ook delen aan welke bestaande (Europese) afspraken rondom natuur het kabinet nog niet voldoet, welke extra maatregelen er door dit kabinet zijn genomen en worden genomen om hier alsnog aan te voldoen en welke tijdlijn daarbij hoort?
Zoals aangegeven in de meest recente rapportage van de VHR gaat het met een aanzienlijk deel van de Nederlandse beschermde soorten niet goed. Via verschillende instrumenten en programma’s wordt gewerkt aan populatieherstel (bijvoorbeeld Programma Natuur, Groen in en om de Stad, Basiskwaliteit Natuur). In het kader van de NHV worden aanvullende maatregelen ontwikkeld om de situatie te verbeteren. Voor diersoorten bevat de NHV een algemene verplichting om voor alle VHR-soorten voldoende leefgebied van voldoende kwaliteit te verzekeren. Daarnaast zijn er ook tijdgebonden kwantitatieve verplichtingen voor specifieke soortgroepen (boerenlandvogels, bosvogels, mariene soorten en bestuiverpopulaties). Het kabinet geeft invulling aan deze verplichtingen in het Natuurplan. Voor het voldoen aan de bestaande Europese afspraken rondom natuur heeft het kabinet extra maatregelen genomen met het maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof (Kamerstuk II 2025–2026, 36 800 XIV, nr. 87).
Erkent u dat het belangrijk is dat we leren samenleven met de wolven en dat de overheid een cruciale rol speelt in het faciliteren daarvan? Zo nee, waarom niet?
De wolf is er nu eenmaal in Nederland, dus we moeten manieren vinden om daar op een goede manier mee om te gaan. Hierbij heb ik extra oog voor de veiligheid van inwoners in wolvengebieden. Via het LIW en nationale regelgeving geef ik invulling aan mijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het omgaan met wolven in Nederland.
Deelt u de opvatting dat samenleven met de wolf betekent dat wij mensen ons ook aanpassen aan de aanwezigheid van wolven in Nederland, zoals we ons ook aanpassen aan andere dieren (denk aan broedende vogels, zwanen met kleintjes, et cetera)? Welke wettelijke of bestuurlijke aanpassingen, bijvoorbeeld in ruimtelijke ordening of recreatiegedrag, gaat u in dat kader nemen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Deelt u de opvatting dat het uitbreiden van het natuurareaal en wegwerken van de versnippering van natuur in Nederland de kans kleiner zou maken op zogenaamde «probleemsituaties met een wolf»? Zo nee, waarom niet en op welke wetenschappelijk bronnen baseert u zich? Zo ja, bent u bereid zich daar meer voor in te zetten en wat gaat u concreet extra doen?
Het ligt in de verwachting dat een uitbreiding of ontsnippering van dat habitat ertoe leidt dat er in beginsel ruimte komt voor het bestaand aantal roedels wolven. Of het ook leidt tot een kleinere kans op probleemsituaties met wolven kan ik nu niet zeggen, er is geen onderzoek naar gedaan.
Voor zover het gaat om wolvenaanvallen op vee heeft Wageningen Environmental Research, zoals ik u in mijn brief van 26 mei jl. (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 484) heb gemeld, een ruimtelijke analyse uitgevoerd van de schade in Nederland. De onderzoekers concluderen dat het grootste deel van de aanvallen door gevestigde wolven vallen binnen beperkte gebieden die aangewezen zouden kunnen worden als preventiezones waar wolfwerende maatregelen nodig zijn. Momenteel bezie ik wat deze resultaten betekenen voor de invulling van de open norm uit het Besluit houders van dieren met een beleidsregel en voor andere beleidsdossiers. Dit wordt mede onderwerp van gesprek tijdens het Nationaal Wolvenberaad in december.
Erkent u dat de algemene maatregel van bestuur (AMvB) wel nieuwe beoordelingsregels introduceert voor de begrippen «probleemwolf» en «probleemsituatie met een wolf», maar niet concreet vastlegt welk handelingsprotocol geldt wanneer zich morgen een incident met een wolf voordoet? Zo nee, waarom niet?
Provincies zijn bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen voor een flora- en fauna-activiteit. De amvb vult de beoordelingsregels voor een flora- en fauna-activiteit voor handelingen met betrekking tot een wolf in afdeling 8.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) aan met specifieke regels voor het geval sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» (de nieuwe artikelen 8.74la en 8.74lb Bkl). Deze aanvullende beoordelingsregels zijn bedoeld om het bevoegd gezag specifieke handvatten te bieden voor de toetsing aan de vereisten voor vergunningverlening. Het is aan bevoegd gezag om hieraan invulling te geven in het kader van de daadwerkelijke vergunningverlening.
Worden onafhankelijke wetenschappers, natuurorganisaties en wolvenexperts gevraagd om advies bij verdere invulling van de AMvB en wordt dit advies leidend? Zo nee, waarom niet? Hoe ziet de tijdlijn voor het vervolgproces eruit?
De amvb behoeft geen verdere invulling en er is hiervoor daarom geen vervolgproces waar wetenschappers, natuurorganisaties en wolvenexperts bij worden betrokken. Wel moeten provincies, als bevoegd gezag, als zij bij de vergunningverlening gebruik maken van de mogelijkheden die de amvb biedt, gebruikmaken van het oordeel van wolvendeskundigen bij de vraag of er sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf». Provincies kunnen zelf bepalen welke deskundigheid er in specifieke gevallen nodig is en eventueel nadere eisen stellen aan de in te schakelen deskundige.
Kunt u per situatie aangeven welke landelijke scenario’s, draaiboeken of protocollen inmiddels gereed zijn voor situaties, zoals: een wolf nabij bebouwing, een wolf bij honden, een wolf bij goed beschermd vee, een wolf op of nabij een speelplek, een wolf die een mens verwondt? Wie gaat in zulke gevallen ter plaatse? Wie stelt de feiten vast? Wie duidt het gedrag van de wolf? Wie communiceert met omwonenden en wie neemt het besluit om op te schalen? Hoe wordt geborgd dat de betrokkenen geen jagersbelangen hebben?
Het opstellen van draaiboeken en protocollen, als ook het per geval vaststellen of er sprake is van een probleemsituatie of een probleemwolf is de bevoegdheid van gedeputeerde staten van de betrokken provincie. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen op welke manier het dit plaatsvindt.
Is het uitgangspunt om alles te doen om te voorkomen dat wolven moeten worden gedood en dat dus eerst alle alternatieven moeten zijn uitgeprobeerd? Zo nee, waarom wordt gemakzuchtig omgegaan met het doden van een prachtig dier dat recht heeft op ruimte in Nederland?
De Europese regelgeving bepaalt de algemene kaders van het Nederlandse wolvenbeleid. Het verlenen van een vergunning voor het doden, of vangen, van een wolf is binnen deze kaders mogelijk, wanneer aan bepaalde vereisten is voldaan. Het eerste vereiste is dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, het tweede vereiste is de aanwezigheid van een goede rechtvaardigingsgrond voor de handeling. Het derde vereiste is dat het ingrijpen geen afbreuk doet aan het streven om de wolf in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Het bevoegd gezag toetst dus bij de beoordeling van een vergunningaanvraag onder meer of er geen minder ingrijpende alternatieve maatregelen dan het opzettelijk doden van de wolf zijn. Er wordt in de praktijk serieus omgegaan met deze voorwaarden en er wordt niet lichtzinnig omgegaan met het doden van wolven.
Klopt het dat door de gewijzigde beschermingsstatus verjaging of verstoring van wolven in bepaalde situaties zonder omgevingsvergunning kan plaatsvinden, maar dat daarbij nog steeds de specifieke zorgplicht geldt? Hoe voorkomt u dat deze wijziging in de praktijk wordt opgevat als een vrijbrief voor burgers, dierhouders of andere partijen om zelfstandig wolven te verjagen?
Het klopt dat het enkel verstoren van wolven niet langer vergunningplichtig is nu de wolf is toegevoegd aan bijlage IX bij artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Wel valt verstoring onder de specifieke zorgplicht, die is geregeld in artikel 11.27 van het Bal. Provincies zijn voor de specifieke zorgplicht het bevoegd gezag. Die zorgplicht houdt kort gezegd in dat van de initiatiefnemer van een activiteit die nadelige gevolgen kan hebben voor een soort, wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen daadwerkelijk nadelige gevolgen kan hebben en ook hoe hij die gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen. Het uitgangspunt van deze specifieke zorgplicht is ook dat handelingen met mogelijk nadelige gevolgen voor in het wild levende planten en dieren achterwege worden gelaten. Dit betekent dat verstoring op een zorgvuldige manier moet gebeuren om nadelige gevolgen voor in dit geval de wolvenpopulatie te voorkomen. Provincies kunnen daarover maatwerkregels stellen of in individuele gevallen maatwerkvoorschriften geven, om duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop bij het verstoren van wolven aan de zorgplicht invulling kan worden gegeven (artikelen 11.29 en 11.31 van het Bal). In de praktijk zal de verstoring vaak gebeuren door gespecialiseerde eenheden die in opdracht van de provincie werken. Hiermee is gewaarborgd dat er geen sprake kan zijn van een vrijbrief en dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met het verjagen van wolven.
Welke middelen zijn volgens u toegestaan om wolven te verjagen? Wie mag die middelen inzetten? Onder wiens verantwoordelijkheid gebeurt dat? Wie handhaaft en wanneer komt er een landelijk protocol voor zorgvuldige en deskundige aversieve conditionering?
De toegestane middelen zijn niet gespecificeerd en er is, mits het legaal toegestane middelen betreft, geen beperking aan diegenen die deze middelen mogen gebruiken. Er wordt in de praktijk van uitgegaan dat alle legale middelen zijn toegestaan, mits deze niet dodelijk zijn en geen inbreuk maken op de staat van instandhouding, waaronder middelen die geluid- en lichtsignalen verspreiden. Het bevoegd gezag kan, desgewenst met behulp van een wolvendeskundige, bepalen welke middelen in welke situatie en op welke ingezet kunnen worden. Het verjagen en verstoren van de wolf valt daarnaast onder de specifieke zorgplicht die is geregeld in artikel 11.27 van het Bal. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 16.
Kunt u zich herinneren dat de Raad van State erop heeft gewezen dat de rol, onafhankelijkheid en expertise van de wolvendeskundige onvoldoende duidelijk waren uitgewerkt? Kunt u aangeven aan welke harde criteria een onafhankelijke wolvendeskundige moet voldoen? Hoe belangenverstrengeling met bijvoorbeeld jagers en agrarische sector wordt uitgesloten en of provincies verplicht worden gebruik te maken van een landelijk deskundigenteam?
In het advies is de Afdeling advisering van de Raad van State inderdaad ingegaan op de door het bevoegd gezag bij de beoordeling van vergunningaanvragen te betrekken wolvendeskundige. In de nota van toelichting ben ik daarom nader ingegaan op de rol van deze wolvendeskundige bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag. Een wolvendeskundige heeft expertise op het gebied van wolvengedrag, wetgeving of sociale impact en heeft daarom kennis over de interactie tussen wolven en hun leefomgeving, hoe een roedel functioneert, migreert of jaagt. Vanuit zijn expertise kan hij bijvoorbeeld het gedrag van de wolf in de specifieke situatie interpreteren, ook in het licht van de beoordelingsregels, en een objectieve en onpartijdige analyse geven aan het bevoegd gezag over de situatie en mogelijk aanpak. Zijn deskundigheid kan blijken uit kennis en ervaring op een specifiek onderwerp over de wolf door wetenschappelijke publicaties of breed erkende meerjarige professionele ervaring. Het is aan het bevoegd gezag om een deskundige te kiezen en eventueel nadere eisen te stellen aan de in te schakelen deskundige. Hierbij is het van belang dat de onafhankelijkheid en expertise van de geraadpleegde wolvendeskundige maatschappelijk niet ter discussie staat. De deskundige zal bijvoorbeeld zelf geen direct belang mogen hebben bij het doden of vangen van wolven en geen deel mogen uitmaken van een actiegroep of een organisatie waarvan de maatschappelijke integriteit rond de positie van de wolf ter discussie staat. Er kan voor een deskundige uit het nog op te richten Landelijk Deskundigenteam Wolven worden gekozen, dit is niet verplicht.
Wanneer is duidelijk hoe dit deskundigenteam wordt samengesteld, welk mandaat het krijgt, hoe het wordt gefinancierd en binnen welke termijn het na een incident ter plaatse kan zijn?
De provincies hebben het voortouw bij de inrichting van dit team. Om provincies hierbij te helpen, ondersteun ik bij de oprichting van het Landelijk Deskundigenteam Wolven, dat zal bestaan uit deskundigen met brede expertise, waaronder deskundigheid over wolvengedrag, juridische kennis en diergeneeskundige deskundigheid. Het doel van dit Landelijk Deskundigenteam is de bevoegde overheden van duiding en onafhankelijk advies te voorzien bij incidenten. Naar verwachting is dit team op voor het eind van het jaar operationeel.
Bent u bereid om in lijn met de aangenomen motie-Podt/Kostic (Kamerstuk 33 576, nr. 438) een instructie mee te geven aan provincies om bij de oprichting van het landelijk deskundigenteam mee te nemen in het advies van de kwartiermaker dat dit team multidisciplinair moet zijn en de aanstelling van leden niet gebaseerd mag zijn op politieke voorkeuren, maar gebaseerd moet zijn op objectieve profielen van deskundigheid en ervaring en om te zoeken naar een organisatorische structuur die de onafhankelijkheid van het team waarborgt? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik u in mijn brief van 26 mei jl. (Kamerstuk II 2025–2026, 33 576, nr. 484) heb gemeld, hebben de provincies het voortouw bij de inrichting van het Landelijk Deskundigenteam Wolven. Hierbij wordt rekening gehouden met deskundigheid en objectiviteit van de leden. Het past niet bij de bevoegdheidsverdeling tussen Rijk en provincies om hier een instructie over mee te geven.
Kunt u bevestigen dat de Afdeling advisering van de Raad van State constateert dat in de toelichting een overtuigende motivering ontbreekt waarom een vergunning op voorhand binnen de geldende juridische kaders een passender en sneller middel zou zijn dan een individuele vergunning voor afschot van een «probleemwolf» en dat de Afdeling ook opmerkt dat ook met een individuele vergunning snel en adequaat kan worden opgetreden?
Zoals ik in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025/26, 33 576, nr. 486) heb aangegeven, heeft de Raad van State in haar advies van 20 mei jl. aangegeven de toelichting van de meerwaarde van deze vergunning op voorhand nog niet overtuigend te vinden en geadviseerd nader te motiveren waarom dit een passend instrument is voor de aanpak van ernstige incidenten, hoe dit instrument kan dienen om snelheidswinst te behalen ten opzichte van de individuele vergunningen, en hoe het rechtskarakter van de feitelijke vaststelling moet worden geduid. Naar aanleiding van dit advies heb ik de nota van toelichting daarom aangevuld en heb ik daarnaast de bepaling over feitelijke vaststelling gewijzigd.
Waarom houdt u vast aan de mogelijkheid van een vergunning op voorhand voor het doden van wolven die in toekomstige situaties mensen letsel toebrengen, terwijl de Raad van State dus vragen heeft bij de meerwaarde, snelheid, rechtsbescherming en juridische duiding van dit instrument?
Als een mens door een wolf is aangevallen en er daarbij ook letsel is toegebracht, is er sprake van een zeer ernstige situatie met grote maatschappelijke onrust tot gevolg. In zo’n situatie moet er snel kunnen worden gehandeld en moet worden voorkomen dat op dat moment nog een volledige vergunningprocedure moet worden doorlopen. Daarom vind ik het van belang dat het voor deze meest ernstige situatie van agressie mogelijk is om vooraf een vergunning te verlenen voor het doden van een wolf. Als voor deze situaties op voorhand al een vergunning is verleend, ligt deze vergunning als het ware al op de plank en kan snel worden ingezet. Gelet op de vragen van de Raad van State heb ik de nota van toelichting op dit punt aangevuld, waarbij nader is ingegaan op de passendheid, wenselijkheid en meerwaarde van het instrument van de vergunning op voorhand voor toekomstige situaties, en op de specifieke waarborgen die zijn verbonden aan deze vergunning. Daarnaast heb ik naar aanleiding van de vragen van de Raad van State over het rechtskarakter van de feitelijke vaststelling – zoals ook toegelicht in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025/26, 33 576, nr. 486) – de bepaling over deze feitelijke vaststelling gewijzigd in een advies- en informatieplicht waaraan de vergunninghouder moet voldoen. Dat voorschrift houdt in dat de vergunninghouder het bevoegd gezag om advies moet vragen over het gebruik van de vergunning in het specifieke geval – waarbij het bevoegd gezag een deskundige raadpleegt – en vervolgens het bevoegd gezag moet informeren over de wijze waarop hij bij het gebruik van de vergunning gevolg geeft aan het advies van het bevoegd gezag en de wolvendeskundige. Met deze wijziging worden onduidelijkheden over het rechtskarakter voorkomen en blijft de snelheid van het proces behouden. Een door het bevoegd gezag uit te brengen advies is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.
Kunt u alsnog een onderbouwde argumentatie geven waarom een vergunning op voorhand binnen de geldende juridische kaders een passender en sneller middel zou zijn dan een individuele vergunning voor afschot van een wolf? Kunt u daarbij concreet aangeven hoeveel sneller de vergunning op voorhand in de praktijk zou werken dan een individuele vergunning? Kunt u aangeven welke extra risico's op fouten daar tegenover staan?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 22 heb aangegeven, is er als een mens door een wolf is aangevallen en daarbij ook letsel is toegebracht, sprake van een zeer ernstige situatie met grote maatschappelijke onrust tot gevolg. In zo’n geval moet er snel kunnen worden ingegrepen. Het kan dan immers noodzakelijk zijn om direct in te grijpen om te voorkomen dat de situatie zich herhaalt of dat het gevaarlijke gedrag wordt overgenomen door andere wolven van dezelfde roedel, wat mogelijk tot grootschaliger ingrijpen met voor de populatie grotere gevolgen zou kunnen noodzaken. Bij deze incidentele gevallen gaat het daarnaast om de meest ernstige situaties van agressie van een wolf naar een mens, waarbij het belang van leven en gezondheid van mensen zwaar weegt. Artikel 8.74lb, tweede lid, van het Bkl maakt het mogelijk dat er voor deze meest ernstige situatie van agressie op voorhand een vergunning is verleend, zodat deze op de plank ligt als zo’n situatie zich voordoet en er niet nog een volledige vergunningprocedure doorlopen moet worden.
Omdat het gaat om een vergunning voor toekomstige situaties, waarbij op het moment van vergunningverlening nog onduidelijk is welke wolf het betreft, wordt aan deze vergunning een advies- en informatieplicht verbonden waaraan de vergunninghouder moet voldoen vóórdat hij daadwerkelijk gebruik kan maken van de vergunning in een concrete situatie (zie ook mijn antwoord op vraag 22).
Aangezien de Raad van State zich afvraagt of de combinatie van het verlenen van de vergunning op voorhand en het later «activeren» daarvan niet averechts kan werken, doordat op twee momenten juridische procedures kunnen ontstaan, onderschrijft u dit risico, en zo ja, hoe weegt u dit risico af tegen de beoogde snelheidswinst?
Nee. Zoals ik mijn antwoorden op de vragen 22 en 23 heb toegelicht, is de bepaling over de feitelijke vaststelling naar aanleiding van het advies van de Raad van State gewijzigd. In deze antwoorden heb ik toegelicht dat dit gewijzigde voorschrift is vormgegeven in een advies- en informatieplicht. Een door het bevoegd gezag uit te brengen advies is geen besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.
Aangezien de Raad van State het een tekortkoming noemt dat het kabinet geen duidelijkheid geeft over het rechtskarakter van de vaststelling dat een wolf letsel aan een mens heeft toegebracht, kwalificeert u deze vaststelling als een zelfstandig appellabel besluit, als een bestuurlijk rechtsoordeel of als een louter feitelijke handeling en welke rechtsmiddelen staan in elk van die gevallen open voor belanghebbenden?
Zie mijn antwoorden op de vragen 22, 23 en 24.
Hoe waarborgt u dat ook bij gebruik van een koepelvergunning steeds een individuele, feitelijke en ecologische beoordeling plaatsvindt, inclusief toetsing aan niet-dodelijke alternatieven en de staat van instandhouding? Kunt u toelichten of en hoe u hier wetenschappers bij gaat betrekken?
Het gaat om een vergunning op voorhand voor toekomstige situaties. Bij de verlening van deze vergunning is het bewijsvermoeden van overeenkomstige toepassing, waardoor het bevoegd gezag bij de beoordeling in beginsel kan uitsluiten dat er minder ingrijpende alternatieve maatregelen beschikbaar zijn en ervan uit kan gaan dat er een rechtvaardigingsgrond is. Ook kan op het moment van verlening worden getoetst of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding. Gelet op het feit dat het hier om zeer incidentele gevallen gaat, want gekoppeld aan de meest ernstige situatie van agressie en bovendien in een context van een nog steeds groeiende populatie, zal een negatief effect op de populatie naar verwachting kunnen worden uitgesloten. Daarnaast moet ook het van hogere orde zijnde universele recht op leven en verbod van foltering (artikelen 2 en 3 van het EVRM en artikel 2 van het Handvest grondrechten van de Europese Unie) in de afweging bij de verlening van deze vergunning worden betrokken. Deze grondrechten vragen de overheid immers om actief invulling te geven aan het voorkomen van inbreuken op deze rechten en in te grijpen en zich in te spannen om het leven en welzijn van ingezetenen te beschermen als er een acuut risico dreigt voor dat leven of het oplopen van verwondingen.
Omdat op het moment van vergunningverlening nog niet is vastgesteld om welke wolf het gaat, is het van belang dat extra wordt geborgd dat deze vergunning alleen wordt gebruikt in die situatie waarvoor de vergunning is bedoeld. Daartoe is in de amvb geregeld dat aan zo’n vergunning een advies- en informatieplicht is verbonden. Zie ook mijn antwoorden op de vragen 22 en 23.
Bent u bereid provincies te verzoeken geen koepelvergunning te verlenen of te gebruiken zolang de juridische houdbaarheid, rechtsbescherming, onafhankelijke deskundigheid en provinciale uitvoering niet aantoonbaar zijn geborgd? Zo nee, waarom niet?
Het is aan gedeputeerde staten als bevoegd gezag om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid om een vergunning op voorhand te verlenen. Ik verzoek hen juist om van deze mogelijkheid gebruik te maken.
Bent u bereid om begrippen als «verstoring», «aversieve conditionering», «pogingen», «hetzelfde gebied» en «geïnteresseerd lijkt» alsnog nader te duiden in een ministeriële regeling, beleidsregel of werkinstructie voor wolvendeskundigen en bevoegde gezagen, om eenduidige toepassing tussen provincies te waarborgen en misbruik of rechtsonzekerheid te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Hoe borgt u dan een eerlijke bescherming van de wolven?
Het is aan gedeputeerde staten als bevoegd gezag om een nadere invulling te geven aan deze begrippen. Ik zie geen reden om deze begrippen nader in te vullen.
Kunt u aangeven of het klopt dat nog steeds in meerderheid van gevallen van aanvallen op landbouwdieren blijkt dat boeren hun dieren onvoldoende tot niet hadden beschermd? Hoeveel aanvallen waren er op landbouwdieren afgelopen jaren en in hoeveel gevallen hadden de boeren onvoldoende of geen maatregelen genomen om hun dieren te beschermen? Kunt u de cijfers daarover per jaar (in de afgelopen vier jaar) met de Kamer delen?
Op basis van de beschikbare gegevens van BIJ12 over schademeldingen in het kader van aanvallen op landbouwdieren door wolven blijkt dat in een aanzienlijk deel van de gevallen sprake was van beschermingsmaatregelen die niet in overeenstemming waren met de provinciale adviesnormen. De exacte cijfers per jaar (2022–2025) zijn hieronder weergegeven.3
JAAR
TOTAAL AANTAL SCHADEMELDINGEN1
AANTAL GEVALLEN MET ONVOLDOENDE OF GEEN BESCHERMING
PERCENTAGE ONVOLDOENDE BESCHERMING
2022
312
308
99%
2023
427
418
98%
2024
804
773
96%
20252
1.121
1.040
92%
Het totaal aantal aanvallen betreft alleen de gevallen waarbij een schadeclaim is ingediend en waarbij de schade (vermoedelijk) is veroorzaakt door een wolf.
Deze getallen wijken af van de BIJ12 jaarrapportage wolf 20253. Dit komt omdat er ten tijde van de publicatie van de jaarrapportage nog 13 meldingen in behandeling waren.
Kunt u ook delen hoeveel geld elk jaar is gegeven aan dierhouders ter compensatie voor wolvenaanvallen?
Uit informatie van BIJ12 blijkt dat de provincies de afgelopen jaren de volgende tegemoetkoming in de wolvenschade hebben uitgekeerd:4
2022: € 300.708,00
2023: € 366.818,00
2024: € 928.382,00
2025: € 1.551.602,00
Wordt er op deze zorgplicht van dierhouders gehandhaafd? Hoeveel capaciteit staat daarvoor ter beschikking? Hoe en hoe vaak wordt dan gecontroleerd en door wie? Kunt u in details schetsen hoe dat precies in praktijk gaat?
De NVWA behandelt jaarlijks een groot aantal meldingen over dierenwelzijn. Meldingen van onvoldoende bescherming van vee tegen wolven vallen daar ook onder. Er is geen specifieke capaciteit toebedeeld aan inspecties over bescherming tegen wolven. Meldingen over onvoldoende bescherming tegen roofdieren worden beoordeeld en risicogericht opgepakt. Er wordt daarvoor gekeken hoeveel aanvallen er hebben plaatsgevonden, in welk gebied deze hebben plaatsgevonden en welke maatregelen de houder lijkt te hebben genomen.
De NVWA richt haar toezicht nu op situaties waarbij duidelijk sprake is van een exces. Dit in afwachting van de nadere invulling van de norm voor bescherming tegen wolven. In geval van een exces wordt er een fysieke inspectie uitgevoerd door een inspecteur dierenwelzijn. Er wordt gekeken welke dieren aanwezig zijn, in welk gebied ze staan en op welke manier bescherming wordt geboden tegen wolven. De NVWA benut hierbij de fauna preventiekit van BIJ12. Indien een overtreding wordt geconstateerd, volgt een interventie en een herinspectie.
Hoe vaak zijn in afgelopen vier jaar straffen/boetes opgelegd aan boeren die hun landbouwdieren niet volgens richtlijnen van experts hebben beschermd met wolfwerendemaatregelen en dus niet aan hun zorgplicht hebben voldaan? Wat waren dan de straffen/boetes precies?
In 2022 en 2023 heeft de NVWA geen inspecties uitgevoerd op de bescherming van gehouden dieren tegen wolven. Dit heeft er mee te maken dat de terugkomst van wolven naar Nederland een nieuwe ontwikkeling was, waar nog kennis over opgedaan moest worden en waar veehouders zich nog op moesten aanpassen. Eind 2024 heeft de NVWA één inspectie uitgevoerd en voor het eerst een officiële waarschuwing op dit onderwerp gegeven. In 2025 tot en met juni 2026 zijn er 8 inspecties uitgevoerd. In 6 gevallen is er een overtreding geconstateerd en een officiële waarschuwing gegeven. Ook zijn er 3 herinspecties uitgevoerd. Bij deze herinspecties bleek de situatie op orde.
Met welke extra maatregelen gaat u ervoor zorgen dat dierhouders hun dieren eindelijk volgens adviezen van experts gaan beschermen en dus aan hun zorgplicht voldoen?
Dierhouders zijn verantwoordelijk voor het beschermen van hun dieren tegen roofdieren, waaronder wolven. Om deze verplichting concreter te maken, wordt gewerkt aan een beleidsregel. Deze zal helderheid bieden over de verwachtingen en normen voor veebescherming. Dit draagt bij aan een effectiever toezicht en handhaving. Daarnaast zetten overheden in op het ondersteunen van dierhouders bij het treffen van adequate wolfwerende maatregelen. Dit vergt namelijk aanzienlijke inspanningen, specifieke kennis en expertise. Om dierhouders hierbij te ondersteunen, zijn de volgende maatregelen genomen:
Er zijn diverse initiatieven gestart of in ontwikkeling, zoals de Drentse praktijkproef met mobiele wolfwerende rasters. Deze initiatieven dragen bij aan kennisontwikkeling en praktische toepassing van beschermingsmaatregelen. Uit de huidige ontwikkelingen blijkt dat dierhouders in toenemende mate gebruikmaken van de beschikbare ondersteuningsmogelijkheden. Dit onderstreept het belang van deze regelingen en initiatieven voor de praktijk.
Wanneer wordt het uitkeren van een schadevergoeding strikt gekoppeld aan naleving van de preventienorm door dierenhouders? Kunt u een concrete tijdlijn schetsen? Zo nee, waarom niet?
Het uitkeren van tegemoetkomingen bij schade door wolven is een provinciale bevoegdheid. De provincies bepalen zelf de voorwaarden en vereisen momenteel geen preventieve maatregelen om aanspraak te kunnen maken op een tegemoetkoming in de schade. Het is aan provincies om te bepalen wanneer er wat hen betreft voldoende praktische en doelmatige mogelijkheden tot ingrijpen zijn die het opportuun maken om preventieve maatregelen als voorwaarde te stellen.
Kunt u delen hoe de gesprekken met de provincies zijn verlopen over de rapporten die ten gevolge van de aangenomen motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 33 576, nr. 436) zijn opgesteld? Welke concrete afspraken zijn er gemaakt? Was er ondersteuning van het ministerie gewenst vanuit de provincies voor Europese aanvragen en is die ondersteuning geboden? Zo ja, kunt u aangeven hoe vaak dit is voorgekomen?
De rapporten zijn met de provincies gedeeld en besproken. Daarbij is afgesproken dat provincies bezien hoe de uitkomsten kunnen worden betrokken bij hun subsidieregelingen. Ook is aangeboden provincies te ondersteunen bij aanvragen voor Europese fondsen. Van dit aanbod is tot op heden geen gebruik gemaakt. Wel wordt op initiatief van LVVN en Gelderland gekeken of deelname aan het Europese LIFE-project «Wild Wolf» haalbaar is. De provincies Drenthe, Noord-Brabant en Groningen hebben aangegeven ook interesse te hebben in deelname.
Welke rol van het ministerie is vastgelegd wat betreft de suggesties en conclusies uit de rapporten? Kunt u een overzicht geven welke conclusies en suggesties uit de rapporten zijn overgenomen en welke niet en uitleggen waarom wel en niet?
Provincies zijn verantwoordelijk voor de subsidieregelingen voor wolfwerende maatregelen. Het ministerie verkent de aanvullende inzet van rijksregelingen binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en kan provincies ondersteunen bij Europese aanvragen. De aanbevelingen om bestaande regelingen toegankelijker en eenvoudiger te maken, het verhoogde de-minimisplafond te benutten en Europese financieringsmogelijkheden nader te onderzoeken, worden onderschreven. Provincies bepalen zelf of en hoe zij hun regelingen aanpassen. Voor LIFE en Horizon Europa zijn samenwerkingsprojecten en een langdurige voorbereiding vereist. Het EFRO biedt binnen de huidige programmaperiode weinig financiële ruimte. Deze mogelijkheden zijn daarom tot op heden niet omgezet in afzonderlijke landelijke subsidieregelingen.
Kunt u per jaar aangeven hoeveel geld er afgelopen vier jaar is besteed aan maatregelen die helpen bij het leren samenleven met de wolf en het voorkomen van mens-wolfconflicten en ook waar dat geld precies aan is besteed?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, biedt het LIW feitelijke, actuele en toegankelijke informatie over wolven in Nederland. Specifieke gegevens over maatregelen die helpen bij het leren samenleven met de wolf worden niet structureel bijgehouden. In 2025 en 2026 is er € 2.653.000
besteed aan het LIW.
Kunt u een overzicht geven hoeveel geld er binnen het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), het Programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en Horizon Europa beschikbaar is en hoeveel er in de afgelopen jaren (per jaar) in Nederland is benut, specifiek óók voor preventie van wolf-mensconflicten en betere bescherming van landbouwdieren door veehouders, ook per provincie?1
De gevraagde informatie is niet op dit detailniveau beschikbaar. Europese fondsen registreren uitgaven naar programma en projectdoel en niet afzonderlijk als preventie van mens-wolfconflicten of bescherming van landbouwdieren. Daardoor kan de Nederlandse benutting niet per jaar en provincie worden uitgesplitst. Uit de uitgevoerde verkenning blijkt dat binnen Horizon Europa maximaal € 37 miljoen beschikbaar was voor relevante oproepen en binnen LIFE maximaal € 3,5 miljoen per project, hier is door Nederland nog geen gebruik van gemaakt. Binnen het GLB is voor de regeling Productieve investeringen Groen-Blauw en dierenwelzijn voor 2023–2028 in totaal € 50 miljoen beschikbaar, in ieder geval Gelderland heeft hier een subsidiemogelijkheid voor gerealiseerd. EFRO biedt binnen de huidige programmaperiode naar verwachting weinig ruimte. Provincies maken voor wolfwerende maatregelen vooralsnog beperkt gebruik van Europese fondsen; wel worden dus rijksmiddelen en provinciale middelen ingezet, zie ook mijn antwoord op vraag 33.
Kunt u aangeven of uw verkenning naar aanleiding van aangenomen motie-Kostic c.s. (Kamerstuk 33 576, nr. 436) ertoe heeft geleid dat meer houders van landbouwdieren hun dieren beter en volgens officiële instructies zijn gaan beschermen? Wat heeft het kabinet precies gedaan in het licht van de motie en wat waren de resultaten?
Dit verband kan niet causaal worden vastgesteld. Het aantal dierhouders dat maatregelen treft, wordt niet landelijk op uniforme wijze geregistreerd. Ter uitvoering van de motie heeft het kabinet de provinciale subsidieregelingen en de Europese financieringsmogelijkheden laten onderzoeken, de uitkomsten met provincies gedeeld en ondersteuning bij Europese aanvragen aangeboden. Uit het onderzoek blijkt dat acht provincies begin 2025 een subsidieregeling hadden en dat in meerdere provincies budgetten zijn verhoogd of regelingen zijn vereenvoudigd. Dit wijst op een toenemend gebruik van wolfwerende maatregelen, maar maakt niet inzichtelijk welk deel daarvan rechtstreeks het gevolg is van de motie.
Kunt u delen wat provincies hebben gedaan met uw oproep naar aanleiding van de aangenomen motie-Kostic/Graus (Kamerstuk 33 576, nr. 437) om een tijdelijk stop in te stellen op beheer van en jacht op de belangrijkste prooien van de wolf?
Er is tot op heden door de provincies geen vervolg gegeven aan deze oproep, want er zijn momenteel bij de provincies geen aanwijzingen dat er sprake is van een tekort aan voedsel voor wolven in de leefgebieden. Daarnaast is het beheer van grote hoefdieren in deze gebieden vaak een onderdeel van een breder beleid, zoals het voorkomen van aanrijdingen en biodiversiteitsherstel door graasdrukvermindering. De impact van wolven op de populatie is niet voldoende om die doelstellingen te bereiken.
Bent u bereid deze oproep opnieuw te doen aan de provincies en daar afspraken over te maken, gezien uw leidende rol in het wolvenbeleid? Zo nee, waarom drukt u dan onder het mom van «spoed» wel een AMvB zonder een debat door de Kamer, maar weigert u ervoor te zorgen dat de meest basale, belangrijke maatregelen die wolf-mensconflicten kunnen voorkomen (zoals het stoppen van jagen in bepaalde gebieden) worden genomen?
De oproep is bekend bij de provincies. Het is aan hen als bevoegd gezag om te besluiten over de invulling van het natuurbeleid. Zie ook mijn antwoord op vraag 40.
Kunt u een overzicht geven van extra maatregelen die het kabinet heeft getroffen of nog gaat treffen (met tijdlijn) in het kader van preventie van conflicten tussen mensen en wolven en het leren samenleven met wolven, zoals (maar niet uitsluitend) goede en wijdverspreide en makkelijk toegankelijke voorlichting over wat wel/niet te doen en het afsluiten van natuurgebieden?
Via het LIW, het landelijk initiatief veebescherming en de amvb zet me ik in om informatie beschikbaar te stellen en preventieve maatregelen mogelijk te maken en te ondersteunen waarmee incidenten met wolven kunnen worden voorkomen. Zie in dit verband ook mijn antwoord op de vragen 3 en 37.
Is er met onafhankelijke wolvenexperts en wetenschappers gesproken over welke maatregelen het beste getroffen zouden kunnen worden voor het faciliteren van samenleven met wolven? Welke van die maatrgelen zijn wel en niet overgenomen?
Het LIW en BIJ12 maken bij hun informatievoorziening gebruik van wetenschappelijke informatie en praktijkervaringen. Er wordt niet bijgehouden welke informatie wel en niet wordt overgenomen.
Kunt u aangeven welke juridische risico’s werden bedoeld in de beslisnota over de AMvB (Kamerstuk 2026D20155) in de zin: «De conclusie is dat er sowieso juridische risico's zitten aan de figuur van de vergunning op voorhand»? Wie heeft deze risico-inschatting gemaakt en op basis van welke analyse? Waarom is deze passage niet, of niet in vergelijkbaar expliciete bewoordingen teruggekomen in de Kamerbrief van 24 april 2026 (Kamerstuk 33 576, nr. 480) zelf?
In de Kamerbrief van 24 april jl. heb ik aangegeven dat ik verschillende varianten van de vergunning op voorhand voor toekomstige situatie heb verkend en dat juridische risico’s in dit verband niet zijn uit te sluiten. De juridische risico’s waarover het in de bijbehorende beslisnota ging, zagen op de juridische houdbaarheid van een dergelijke op voorhand verleende vergunning, waarbij onder meer onzekerheid over de staat van instandhouding van de wolf, toetsing van de situatie in het individuele geval en vraagstukken over rechtsbescherming een rol spelen. Juristen van mijn ministerie hebben over deze varianten een risico-inschatting gemaakt en deze is ook onderschreven door de Landsadvocaat. Met de vormgeving van de vergunning op voorhand met aanvullende waarborgen zoals deze nu in de amvb is opgenomen zijn de risico’s zoveel mogelijk beperkt. Zekerheidshalve heb ik – zoals ook in die brief genoemd – het ontwerpbesluit opnieuw aan de Raad van State voor advies voorgelegd. Zoals ik in mijn brief van 8 juni jl. (Kamerstukken II 2025–2026, 33 576, nr. 484) en ook in mijn antwoord op uw vragen 21, 22 en 23 heb toegelicht, heb ik vervolgens naar aanleiding van dat advies de toelichting nog aangevuld en het aan die vergunning verbonden voorschrift gewijzigd.
Bent u bereid in het kader van Artikel 68 van de Grondwet de volledige beslisnota, inclusief de hier geciteerde passage, ongeschoond openbaar te maken? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt dat zich tot Artikel 68 van de Grondwet?
De beslisnota is, op persoonsgegevens na, reeds volledig openbaar.
Kunt u uitleggen hoe een systeem van vooraf verleende vergunningen, die later moeten worden «geactiveerd» na vaststelling dat de juiste wolf is betrokken, praktisch uitvoerbaar is als het kabinet zelf erkent dat die identificatie in veel gevallen onmogelijk is? Welke concrete identificatiemethode (bijvoorbeeld DNA-onderzoek of camerabeelden) wordt bij activering van een vergunning op voorhand als minimaal vereist beschouwd, door welke onafhankelijke actoren wordt dat uitgevoerd en binnen welke termijn moet deze beschikbaar zijn voordat tot doden wordt overgegaan?
Aan de vergunning op voorhand is een advies- en informatieplicht verbonden waaraan de vergunninghouder moet voldoen vóórdat hij in een concrete situatie daadwerkelijk gebruik kan maken van de vergunning in een concrete situatie (artikel 8.74sa Bkl).
De adviesverplichting houdt in dat de vergunninghouder het bevoegd gezag om advies moet vragen over het gebruik van de vergunning voor het doden van de wolf in kwestie. Het bevoegd gezag geeft dit advies na raadpleging van een wolvendeskundige. In het advies gaat het bevoegd gezag in op vraag of het hier daadwerkelijk om de wolf gaat die letsel heeft toegebracht. Er is geen vereiste identificatiemethode of -termijn vastgelegd en er kan altijd een mate van onzekerheid bestaan bij identificatie ten tijde van spoed. Omdat er sprake is van letsel zal er waarschijnlijk DNA van de wolf aanwezig zijn, zodat hierbij DNA-onderzoek kan worden verricht. Het advies kan ook gaan over de verificatie van uiterlijke of gedragskenmerken van de wolf. Na ontvangst van dit advies moet de vergunninghouder het bevoegd gezag informeren over de wijze waarop hij in dat individuele geval gevolg geeft aan het advies van het bevoegd gezag (de informatieplicht).
Wat gebeurt er als bij twijfel over de identiteit van de wolf toch tot afschot wordt overgegaan en achteraf blijkt dat de verkeerde wolf is gedood? Welke juridische en beleidsmatige consequenties heeft dat en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Zoals ik in onder meer mijn antwoord op vraag 46 heb aangegeven, is aan de vergunning op voorhand een voorschrift bestaande uit een adviesverplichting in combinatie met een informatieplicht verbonden, waaraan de vergunninghouder moet voldoen. Het voorschrift verzekert dat het bevoegd gezag voor elk concreet geval waarbij daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de vergunning op voorhand, na raadpleging van een wolvendeskundige, heeft kunnen adviseren en daarmee toezicht kan uitoefenen. Er kan altijd een mate van onzekerheid bestaan bij identificatie ten tijde van spoed. Als er twijfel is over de identiteit van de wolf in kwestie, zal het bevoegd daaraan in het advies aandacht besteden. De vergunninghouder zal bevoegd gezag vervolgens moeten informeren over de wijze waarop hij gevolg geeft aan het advies. Indien nodig kan het bevoegd gezag, als de vergunninghouder bijvoorbeeld in afwijking van het advies wil handelen, handhavend optreden, met bijvoorbeeld een last onder bestuursdwang.
Provincies zijn voor de vergunningverlening het bevoegd gezag en hebben daarmee ook de verantwoordelijkheid voor bestuursrechtelijke handhaving. Het handelen in strijd met de voorschriften van een vergunning is ook strafbaar op grond van de Wet op de economische delicten. Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de strafrechtelijke handhaving. Dit geldt overigens niet specifiek voor de vergunning op voorhand voor elke vergunning voor flora- en fauna-activiteit met betrekking tot een wolf.
Het grootste deel van de aanvallen door gevestigde wolven valt binnen beperkte gebieden, zo blijkt uit de ruimtelijke analyse van Wageningen Environmental Research. We onderzoeken in het kader van het vaststellen van de Beleidsregel ter invulling van de open norm de mogelijkheid om die gebieden aan te wijzen als preventiezones waar wolfwerende maatregelen noodzakelijk zijn. Dit kwam ook naar voren tijdens mijn werkbezoek aan Nedersaksen: er zijn roedels wolven die schuw zijn en geen overlast veroorzaken en ook roedels die dat wel doen. We moeten ons richten op de roedels die overlast veroorzaken. Met beheer en met schuw maken. Dan zou het aantal incidenten ook omlaag kunnen gaan.
Erkent u dat een onbekende staat van instandhouding, gelet op vaste Europese rechtspraak (waaronder ECLI:EU:C:2019:851), een verhoogde motiveringsplicht en een voorzorgsbenadering met zich meebrengt bij elk voornemen tot versnelde of verruimde vergunningverlening voor het doden van wolven? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik deel het uitgangspunt dat er gelet op de onbekende staat van instandhouding vanuit voorzorg moet worden uitgegaan van een ongunstige staat van instandhouding en er gelet op vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie alleen in uitzonderlijke situaties kan worden overgegaan tot het aan de natuur onttrekken van wolven door doden of vangen. Dat uitgangspunt is ook gehanteerd bij de in de amvb opgenomen specifieke beoordelingsregels. Ik vind het van belang dat er een brede afweging van belangen plaatsvindt, waarbij het recht op leven prevaleert.
Op welke datum wordt het in uw brief (Kamerstuk 33 576, nr. 480) aangekondigde aanvullende Staat van Instandhouding (SvI)-onderzoek aan de Kamer toegezonden? Bent u, zolang dit onderzoek nog niet beschikbaar is, bereid de onderdelen van de AMvB die zien op versnelde vergunningverlening niet toe te passen? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik zal uw Kamer voor het eind van het jaar het onderzoeksrapport toesturen. De amvb is op 11 juli jl. in werking getreden. De invulling van de specifieke beoordelingsregels is zodanig dat is verzekerd dat het onttrekken van wolven aan de natuur in een situatie dat de soort nog niet in een gunstige staat van instandhouding verkeert overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt beperkt tot uitzonderlijke situaties, namelijk de meest ernstige gevallen van agressie, en met waarborgen is omgeven.
Aangezien de wolvenpopulatie tussen vergunningverlening en daadwerkelijk gebruik (mogelijk jaren later) kan zijn afgenomen en de staat van instandhouding nu al als ongunstig geldt, op welk momenten vindt toets aan de staat van instandhouding plaats en kan het bevoegd gezag een vergunning intrekken als de populatieontwikkeling daartoe aanleiding geeft? Zo nee waarom niet? Is bevoegd gezag daartoe verplicht als de populatieontwikkeling daartoe aanleiding geeft? Zo nee, waarom niet en met welke juridische en wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik heb de afgelopen periode aanpassingen aan de amvb gedaan om deze juridisch houdbaar te maken, waaronder het goed verwerken van het laatste advies van de Raad van State. Zoals ook toegelicht in de nota van toelichting is daarbij rekening gehouden met de staat van instandhouding van wolven in Nederland.De toets over de vraag of het ingrijpen afbreuk doet aan het streven om de wolf in zijn natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat te laten voortbestaan vindt plaats bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag.
Het bevoegd gezag kan de vergunning intrekken, of de voorschriften van een vergunning wijzigen, als er sprake is van een situatie die ertoe had geleid dat de aanvraag op dat moment geweigerd had kunnen worden (artikel 8.97 van het Bkl). Daarvan zou sprake kunnen zijn als de toets aan het streven naar een gunstige staat van instandhouding een andere uitkomst zou hebben. Het bevoegd gezag is hiertoe niet verplicht.
Hoe beoordeelt u het risico dat het wettelijk vermoeden dat in een «probleemsituatie» geen minder schadelijke alternatieven bestaan en een rechtvaardigingsgrond voor ingrijpen aanwezig is, de bewijslast in bezwaar- en beroepsprocedures feitelijk verschuift van het bevoegd gezag naar degene die het vermoeden wil weerleggen, zoals natuurorganisaties?
Deze specifieke regels vinden hun rechtvaardiging in het bijzondere karakter van wolven, waardoor deze als zij gewend zijn geraakt aan mensen en mensen niet langer ontwijken, daadwerkelijk een gevaar kunnen vormen voor de mens. Tevens zijn zij als grote roofdieren een bedreiging voor door de mens gehouden dieren. Bij incidenten met een wolf die daadwerkelijk een gevaar vormt voor mensen en gehouden dieren en bij wolven die die een probleem kunnen gaan vormen moet snel en adequaat kunnen worden opgetreden. Het gaat bij deze zogenaamde «probleemwolven» en «probleemsituaties met een wolf» om nauwkeurig in het tweede en derde lid van artikel 8.74la van het Bkl omschreven gevallen. Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituaties met een wolf» wordt ook in alle gevallen een wolvendeskundige geraadpleegd. Het gaat hier om een wettelijk bewijsvermoeden, waarbij ruimte is voor tegenbewijs en ook voor een nadere afweging van het bevoegd gezag in een concreet geval.
Hoe verhoudt dit risico zich tot vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder de Finse wolvenzaak (ECLI:EU:C:2019:851), waarin is bepaald dat de bewijslast voor het ontbreken van alternatieven bij het bevoegd gezag zelf ligt?
Het bevoegd gezag kan gebruik maken van het wettelijk bewijsvermoeden, waarbij de specifieke beoordelingsregels zo zijn vormgegeven dat alleen als sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» zoals nauwkeurig is omschreven in artikel 8.74la, tweede of derde lid, van het Bkl, wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn.
Welke concrete, verifieerbare gegevens moeten zijn vastgelegd voordat een beroep op dit bewijsvermoeden gerechtvaardigd is en bent u bereid dit als toetsbare voorwaarde in de AMvB of de onderliggende beleidsregel vast te leggen?
De specifieke beoordelingsregels zijn zo vormgegeven dat als sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» zoals nauwkeurig is omschreven in artikel 8.74la, tweede of derde lid, van het Bkl, wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn en er sprake is van een rechtvaardigingsgrond. Alleen als aan de hier omschreven situatie wordt voldaan kan met gebruikmaking van artikel 8.74la, eerste lid, van het Bkl een omgevingsvergunning voor het (tijdelijk) vangen of doden worden verleend. Bij de omschrijving van de omstandigheden waaronder de wolf kan worden beschouwd als een «probleemwolf», is verzekerd dat het in alle gevallen om de meest ernstige situaties gaat, namelijk situaties van gebleken agressie van een wolf tegen mensen of gehouden, goed beschermde dieren. En bij de lichtere categorie van een «probleemsituatie met een wolf» is geregeld dat de specifieke beoordelingsregels alleen van toepassing zijn bij het slechts voor korte duur uit de natuur halen van wolven, met het oog op monitoring of verplaatsing. Naar mijn idee is dit voldoende concreet in artikel 8.74la van het Bkl opgenomen.
Hoe waarborgt u dat het wettelijke vermoeden niet ertoe leidt dat de escalatieladder uit de interventierichtlijnen in de praktijk wordt overgeslagen of onvoldoende wordt gedocumenteerd, terwijl juist het bevoegd gezag moet aantonen dat minder schadelijke alternatieven daadwerkelijk zijn benut of onderzocht?
Het is aan provincies als bevoegd gezag om te bepalen op welke manier de provinciale interventierichtlijnen worden toegepast. Deze richtlijnen vormen geen verplichting voor provincies. Bij het beoordelen of er sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf» waaraan het bewijsvermoeden van artikel 8.74la, eerste lid, van het Bkl is verbonden, betrekt het bevoegd gezag altijd het oordeel van een wolvendeskundige. Een deskundige kan vanuit zijn expertise bijvoorbeeld het gedrag van de wolf in de specifieke situatie interpreteren, ook in het licht van de beoordelingsregels, en een objectieve en onpartijdige analyse geven aan het bevoegd gezag over de situatie en mogelijk aanpak. Hiermee is geborgd dat er in de betreffende situatie daadwerkelijk sprake is van een probleemwolf als bedoeld in dat artikel waarbij wordt vermoed dat er geen minder schadelijke alternatieven zijn.
Deelt u de constatering dat het criterium voor een «probleemsituatie» met een wolf dat deze «ten minste twee keer getolereerd heeft dat mensen naderen tot minder dan 30 meter» mede afhankelijk is van menselijk gedrag waar de wolf geen controle over heeft en dat natuurlijk, niet-agressief gedrag van de wolf daardoor tot een probleemkwalificatie kan leiden, terwijl de aanleiding (mede) in menselijk gedrag ligt? Denk aan de wolven die voortdurend wordt opgezocht door recreanten en fotografen en wordt gevoerd met pannenkoeken?2 3 Wat gaat u doen om te voorkomen dat wolven op deze manier worden bestraft voor verkeerd gedrag van mensen? Zo nee, waarom niet en met welke wetenschappelijke adviezen onderbouwt u dat precies?
Ik vind het van groot belang dat mensen zo veel mogelijk afstand houden tot wolven. Maar het kan desondanks voorkomen dat mensen en wolven elkaar tegenkomen. Dit kan leiden tot probleemsituaties. Ik keur het lokken of bewust benaderen van wolven af. Via het LIW wordt informatie verstrekt hoe het publiek met deze situatie om moet gaan. Het is aan provincies en gemeenten als bevoegd gezag, met ondersteuning van een deskundige, om in specifieke situaties te bepalen of er daadwerkelijk sprake is van een probleemsituatie.
Welke maatregelen zijn genomen of worden genomen om te voorkomen dat mensen die tegenstander zijn van de aanwezigheid van wolven doelbewust dicht bij een wolf gaan staan, een wolf benaderen of een wolf lokken om zo een «probleemsituatie» in de zin van dit artikel te creëren? Kunt u dit uitgebreid toelichten en aangeven hoe de maatregelen zijn afgestemd met wetenschappers en onafhankelijke wolvenexperts?
Zoals ik mijn antwoord op vraag 55 heb aangegeven, keur ik het lokken of bewust benaderen van wolven af. Ik heb op dit moment geen aanwijzingen dat mensen bewust «probleemsituaties» uitlokken.
Bent u bereid dit criterium te schrappen of te herformuleren zodat uitsluitend gedrag van de wolven zelf, en niet het verkeerde gedrag van de mens, bepalend is voor de kwalificatie en dus om te voorkomen dat wolven onnodig worden bestraft voor verkeerd gedrag van mensen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 49 heb aangegeven, is de amvb op 11 juli jl. in werking getreden en zie ik geen aanleiding om hier aanpassingen aan te doen.
U heeft tegen een aangenomen motie van de Kamer de AMvB zonder debat met de Kamer definitief vastgesteld, maar was daarvoor de definitieve, na het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 20 mei 2026, aangepaste tekst van het ontwerpbesluit met nader rapport aan de Kamer toegezonden (los van uw brieven) en was de door de vaste commissie voor LVVN gevraagde reactie op de notitie van Werkgroep Wolf Leusden van 12 mei 2026 daarvoor verzonden? Klopt het dat vragen vanuit de Eerste Kamer nog niet waren beantwoord, voordat u de AMvB definitief had gemaakt? Kunt u een precieze tijdlijn delen?
In mijn beantwoording van vragen van uw Kamer op 6 juli jl. (Kamerstukken II 2025–2026, 33 576, nr. 512) heb ik aangegeven dat ik uw Kamer inzicht heb gegeven in het gewijzigde ontwerpbesluit, dat ik uw Kamer heb gewezen op het belang van spoedige vaststelling van het besluit en dat het afwachten van een oordeel van uw Kamer geen vereiste is in het totstandkomingsproces van het ontwerpbesluit.
Een reactie op de twee brieven van de Werkgroep Wolf Leusden (Kamerstukken II 2025–2026, 2026Z09907/2026D23750 en 2026Z14671/2026D34934) heeft uw Kamer op 27 augustus ontvangen in mijn brief over de ontwikkelingen in het wolvenbeleid (Kamerstuk II 2025–2026, nr. 2026Z17340).
Op 6 juli jl. heb ik de Eerste Kamer de beantwoording toegestuurd van nadere vragen over wijziging Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals) toegestuurd (Kamerstukken I 2025–2026, 33 118, HH). De amvb is op 10 juli jl. gepubliceerd en op 11 juli jl. in werking getreden.
Wie gaat toezicht houden, monitoren en handhaven op correcte en tijdige uitvoering van de wet en Europese afspraken rondom wolven? Hoe wordt dit precies gecontroleerd? Hoeveel capaciteit staat daarvoor ter beschikking? Is er extra capaciteit door dit kabinet vrijgemaakt hiervoor en zo ja, hoeveel en voor wat precies?
Provincies zijn het bevoegd gezag voor het uitvoeren van en controleren van het wolvenbeleid. In het Wolvenplan 2025 hebben provincies hun gezamenlijke beleid vastgelegd. Daarnaast zijn er verschillende provincies die aanvullend beleid hebben geformuleerd. Het is mij niet bekend hoe elke provincie de controle uitvoert en welke capaciteit hiervoor wordt ingezet, omdat er geen centrale registratie plaatsvindt van de provinciale inzet. Het kabinet heeft geen extra capaciteit vrijgemaakt voor controle van het wolvenbeleid.
Kunt u deze vragen één voor één voor het debat over de wolf beantwoorden?
Ja.
Water grote rivieren |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe u de toenemende watertekorten in Nederland beoordeelt en welke gevolgen u verwacht voor de landbouw, natuur, drinkwatervoorziening, industrie en regionale economie?
Zoals gemeld in de droogtebrief van 16 juli jl.1 is sprake van een stevige droogteperiode en worden de effecten daarvan helaas steeds merkbaarder. Op dit moment ondervinden de scheepvaart, de agrarische sector, de natuur, de industrie en regionale economie negatieve gevolgen van de droogte. De drinkwatervoorziening is nog geborgd.
Helaas zijn maatregelen, zoals schutbeperkingen en onttrekkingsverboden nodig om de waterveiligheid, drinkwater en energievoorziening te waarborgen. De waterverdelingskeuzes volgen uit de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks uit Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin is de rangorde van maatschappelijke belangen bij waterschaarste bepaald. De samenwerkende waterbeheerders doen er alles aan om de negatieve effecten die optreden zo veel mogelijk te mitigeren. Net als iedereen hoop ik op een spoedig herstel van de waterbalans in Nederland waardoor de verschillende getroffen sectoren weer regulier van water kunnen worden voorzien.
Bent u bekend met de zorgen van de waterschappen over de verdeling van het beschikbare Rijn- en Maaswater tussen de verschillende landen en bent u bereid zich in te zetten voor een rechtvaardigere verdeling van het water bij zowel droogte als hoogwater?
Ja, daarmee ben ik bekend. Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land binnenstroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor de bevaarbaarheid van rivieren en daarmee de bevoorrading van de eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Dit is vastgelegd in diverse verdragen. Het beeld dat de verdeling nu niet rechtvaardig zou zijn, herken ik niet.
Nederland is al lang actief om internationaal afspraken te maken binnen diverse intensieve samenwerkingsverbanden waaronder de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC) voor de hoofdstroom van de Rijn en de Maas. Deze Rijn- en Maascommissies gaan onder andere over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden. Binnen deze riviercommissies worden kennis en data uitgewisseld, waardoor betrouwbare voorspellingen gedaan kunnen worden en effecten van klimaatverandering op waterafvoeren worden ingeschat. Naast hoog water wordt binnen de ICBR en de IMC steeds gerichter samengewerkt aan laagwater.
Nederland is er sinds 2018 in geslaagd om de problematiek van afnemende afvoeren en daarmee gepaard gaande droogte in zowel de ICBR als in de IMC op de agenda te krijgen. In de ICBR wordt nu gezamenlijk gewerkt aan het in beeld brengen van sociaaleconomische ontwikkelingen en handelingsperspectieven. Dit biedt de basis voor de aanpassing van de ICBR-klimaatadaptatiestrategie en nadere afspraken. Binnen de IMC is ook afgesproken om een gezamenlijke klimaatstudie te starten als basis voor afspraken in het gehele stroomgebied. Voor de Maas zijn er reeds afspraken over waterverdeling tussen Vlaanderen en Nederland. Dit is vastgelegd in het Maasafvoerverdrag.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland zet vooralsnog in op afspraken binnen de riviercommissies en maakt daarbij mede gebruik van de lopende Europese trajecten zoals de Europese Water Resilience Strategy. Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bereid om met de Rijn- en Maasstaten in overleg te treden om te komen tot nieuwe of aangepaste afspraken over de verdeling van het beschikbare rivierwater, zodat Nederland bij perioden van droogte niet onevenredig wordt benadeeld?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u toelichten welke afwegingen momenteel worden gemaakt bij de verdeling van het Rijnwater over de Waal, de Neder-Rijn/Lek en de IJssel tijdens perioden van lage afvoer en hoe daarbij de belangen van landbouw, natuur, drinkwater, scheepvaart en het tegengaan van verzilting worden meegewogen?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de zogenaamde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
veiligheid en voorkomen van onomkeerbare schade
nutsvoorzieningen (in verband met leveringszekerheid)
kleinschalig hoogwaardig gebruik
overige belangen (economische afweging, ook voor natuur)
1. stabiliteit van waterkeringen
2. voorkomen van klink en zetting (veen en hoogveen)
3. natuur (voorkomen onomkeerbare schade, anders dan cat. 4)
1. drinkwatervoorziening
2. energievoorziening
– tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen
– verwerken van industrieel proceswater
– scheepvaart
– landbouw
– natuur
– industrie
– waterrecreatie
– binnenvisserij
– drinkwatervoor-ziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– energievoorziening (anders dan belang van leverings-zekerheid)
– overige belangen
gaat voor →
gaat voor →
gaat voor →
–
Binnen deze verdringingsreeks treffen Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen, die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
In het Landelijk Draaiboek Waterverdeling en Droogte staat hoe crisispartners informatie uitwisselen, maatregelen afstemmen en de communicatie aanpakken.
Waar verzilting van invloed is op een van de belangen uit de verdringingsreeks, wordt dit dus volwaardig meegewogen in de waterverdelingskeuzes.
Hoe beoordeelt u de signalen dat tijdens droogte een groot deel van het beschikbare zoetwater wordt ingezet voor het tegengaan van verzilting in West-Nederland, terwijl Noord-, Oost- en Zuid-Nederland hierdoor met watertekorten worden geconfronteerd?
Hoewel de geografische verdeling van water geen doel is bij waterschaarste, kan een waterverdelingskeuze op basis van de verdringingsreeks wel positief uitpakken voor de ene regio en negatief voor een andere regio. Maar dat is dan het resultaat van de inhoudelijke belangenafweging binnen deze wettelijke verdringingsreeks. De belangen van alle regio’s worden daarmee, zeker in de zwaarwegender categorieën 1–3, zo goed mogelijk beschermd.
Bent u bereid onderzoek te laten uitvoeren naar de mogelijkheden om tijdens perioden van lage rivierafvoer meer zoetwater in Nederland vast te houden, bijvoorbeeld door aanvullende stuwen, sluizen of andere waterbergende maatregelen, zodat Nederland beter bestand is tegen langdurige droogte?
Ja, hiertoe ben ik bereid. Het kabinet investeert actief in kennisontwikkeling gericht op het beter vasthouden van zoetwater. In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Daarbij wordt onderzoek gedaan naar een breed pakket aan maatregelen, zoals het optimaliseren van bestaande zoetwaterbuffers (bijvoorbeeld het IJsselmeer), het vergroten van de sponswerking van de bodem, ondergrondse zoetwateropslag en slimmer operationeel waterbeheer met behulp van de bestaande infrastructuur. Ook in het kader van het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0 wordt onderzoek gedaan naar onder andere het verbeteren van de zoetwaterverdeling over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van het Programma Ruimte voor de Rivier 2.02.Er zijn grote keuzes nodig over de indeling van ruimte. We moeten op meer plekken ruimte creëren waar water kan worden opgeslagen, zodat we daaruit kunnen putten in tijden van droogte. Ook moeten we op sommige plekken de grondwaterstanden verhogen. Dit gesprek voeren we in het kabinet, dat is belangrijk want het heeft consequenties voor het gebruik van onze ruimte en de richting daarvan.
Tegelijkertijd geldt dat het hoofdwatersysteem niet overal en altijd kan voorkomen dat watertekorten ontstaan, ook niet met aanvullende maatregelen. Daarom investeert het kabinet ook in regionaal praktijkonderzoek gericht op het vasthouden van grondwater zoals in projecten Proeftuin Zoet Water Zeeland, BodemUP 2.0 in Noord-Brabant en de ondergrondse zoetwateropslag bij Wolphaartsdijk. Ook in Europees verband wordt kennis ontwikkeld, zoals binnen het onderzoeksproject AGROMAR gericht op verantwoorde grondwateraanvulling. Daarnaast zijn er nog verschillende onderzoeken gericht op droogteadaptatie en het omgaan met verzilting.
Nieuwe, aanvullende plannen voor kennisontwikkeling worden momenteel voorbereid in het kader van het nieuwe Nationaal Water Programma (2028–2033) dat eind dit jaar in concept gereed is.
Welke concrete langetermijnmaatregelen bereidt u voor om de Nederlandse zoetwatervoorziening toekomstbestendig te maken en wordt daarbij ook gekeken naar grootschalige infrastructurele oplossingen, zoals extra stuw- en sluizencomplexen en andere maatregelen om meer rivierwater in Nederland vast te houden?
In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Tot nu toe is in de praktijk vooral ingezet op optimaliseren van het huidige watersysteem. In de droge jaren 2018 en 2022 en ook dit jaar, hebben we daar de vruchten van geplukt. Voorbeelden van optimalisatie zijn de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland (KWA), de aanleg van de Roode Vaart in Zevenbergen, waterbesparende maatregelen bij de stuwen en sluizen in de Maas, het optimaliseren van de waterverdeling over de Rijntakken, het aanpassen van gemalen voor het regionale watersysteem en Slimwatermanagement. Vanwege klimaatverandering is dit echter niet langer voldoende3, gelet op de omvang van de zoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Dit vergt meer ingrijpende systeemmaatregelen, maar ook aanpassingen in onze ruimtelijke ordening en aanpassingen van gebruikers en sectoren.
Systeemmaatregelen worden onder andere voorbereid in het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0. Zo is uit onderzoek gebleken dat voor de Waal de aanleg van een meergeulensysteem gecombineerd met het aanvullen van sediment (suppleren) de enige maatregel is die de bodem structureel kan stabiliseren én die tegelijkertijd bijdraagt aan bevaarbaarheid, natuurherstel en een betere verdeling van zoetwater over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van dit Programma (zie ook vraag 6).
Verder wordt gewerkt aan het Deltaplan Zoetwater fase 3 (2028–2033), waarin individuele maatregelen worden beoordeeld op hun hydrologische effectiviteit, kosten, baten en maatschappelijke effecten. Daarbij wordt ook gekeken naar maatregelen in het regionale watersysteem. De inzet is daarmee niet alleen gericht op het vergroten van de beschikbaarheid van zoetwater tijdens perioden van lage rivierafvoer, maar vooral op het benutten van perioden waarin water beschikbaar is om een zoetwaterbuffer op te bouwen. Of deze maatregelen (regionaal en in het hoofdwatersysteem) daadwerkelijk in uitvoering kunnen worden gebracht, is afhankelijk van de beschikbare financiering uit het Deltafonds4. Hiervoor geldt een prioriteringsopgave, waardoor er landelijk wordt gekeken welke maatregelen het meest urgent zijn.
Kunt u aangeven in hoeverre binnen het Deltaprogramma en het Nationaal Waterprogramma voldoende aandacht wordt besteed aan het vergroten van de strategische zoetwaterbuffers en het vasthouden van rivierwater in Nederland?
Zoetwaterbeschikbaarheid is een belangrijk onderwerp in het Deltaprogramma en het Nationaal Waterprogramma. Hierin wordt voldoende aandacht besteed aan het vergroten van de strategische zoetwaterbuffers en het vasthouden van rivierwater in Nederland. Bijvoorbeeld via het onderzoeken van het stapsgewijs vergroten van de buffer in het IJsselmeer en Markermeer.
Bent u bereid de Kamer vóór het einde van 2026 te informeren over de voortgang van de internationale gesprekken met de Rijn- en Maasstaten over een eerlijkere verdeling van het beschikbare rivierwater en de aanvullende maatregelen die Nederland zelf wil treffen om de beschikbaarheid van zoetwater tijdens langdurige droogte te verbeteren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe worden natuurlijke zoetwaterbuffers, zoals klimaatbuffers, waterretentiegebieden en natuurlijke sponsgebieden, momenteel ingezet binnen het nationale beleid om droogte en zoetwatertekorten tegen te gaan?
In het hoofdwatersysteem is onze grootste buffer het IJsselmeer. Zoals deze zomer is gebleken, heeft deze buffer ervoor gezorgd dat de noordelijke regio een langere tijd minder effecten van de droogte heeft gevoeld. Voor zoetwaterbuffers buiten het hoofdwatersysteem is het Rijk niet aan zet. Hiervoor treffen de regio’s desgewenst zelf maatregelen. Het rijk wil regionale waterbeheerders, maar ook gemeenten, natuurbeheerder en agrariërs, stimuleren en faciliteren om de kansen voor het vergroten van de sponswerking van de bodem op een zorgvuldige manier te benutten.
Hoeveel natuurlijke zoetwaterbuffers worden in Nederland beheerd door natuurorganisaties, hoeveel zoet water kunnen deze gezamenlijk vasthouden en welke bijdrage leveren zij aan de nationale zoetwatervoorziening?
Het exacte aantal natuurlijke zoetwaterbuffers beheerd door natuurorganisaties in Nederland is lastig te bepalen. Het is een netwerk van zoetwaterbuffers en -zones dat door grond-, regen- en smeltwater, en de natuurlijke zoet-zout dynamiek wordt bepaald. De capaciteit van de buffers is hierdoor lastig vast te stellen. De effectieve capaciteit hangt sterk af van bodemtype, conditie en waterpeil. Op landelijke schaal kunnen natuurlijke zoetwaterbuffers, zoals veengebieden, moerassen, natte bossen, uiterwaarden, retentiegebieden en andere klimaatbuffers fungeren als «natuurlijke sponzen», en zo zoetwater beter vasthouden (zie ook het antwoord vraag 10). De waterhuishouding in Nederland beweegt zich steeds meer van een afvoerstelsel naar een vasthoudstelsel. Natuurgebieden zijn hierin essentieel.
Kan inzichtelijk worden gemaakt in hoeverre water dat in deze natuurgebieden wordt vastgehouden ook daadwerkelijk beschikbaar blijft voor omliggende landbouwgebieden en andere maatschappelijke functies tijdens droge perioden?
Zoetwater dat is vastgehouden in natuurgebieden kan niet vanzelfsprekend beschikbaar worden gesteld voor landbouw of andere functies. Een deel van het vastgehouden water verdampt door de combinatie met hogere temperaturen. Een ander deel infiltreert naar de diepere ondergrond alwaar het door (drink)waterwinningen onttrokken grondwater aanvult. En een deel wordt gedraineerd door de naaste omgeving: veelal landbouwgebieden. Verdroging is een van de grootste drukfactoren voor de natuur, zoals de natuurdoelanalyses aangeven. Door droogte komt (kwetsbare) natuur nog verder onder druk te staan. De beschikbaarheid van water in tijden van een feitelijk watertekort voor de verschillende sectoren en maatschappelijke functies hangt af van prioritering volgens de verdringingsreeks, technische mogelijkheden (opties om het water te kunnen sturen) en kwaliteit van het water. Stabiliteit van waterkeringen, voorkomen van klink en zetting (in veen en hoogveen), en voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur bevinden zich in categorie 1 van de verdringingsreeks (zie ook antwoord vraag 4). Deze belangen krijgen voorrang bij de verdeling van het nog beschikbare zoetwater.
Hoe wordt voorkomen dat water langdurig wordt vastgehouden in afzonderlijke natuurgebieden, terwijl elders in dezelfde regio tekorten ontstaan voor landbouw, scheepvaart of drinkwatervoorziening?
Zoals bij vraag 4 eerder aangeven, bevindt natuur zich in categorie 4 en het voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur zich in categorie 1. Voldoende water van de juiste kwaliteit is noodzakelijk om ons hieraan te houden. Tegelijkertijd zorgt het vasthouden van water in natuurgebieden voor een buffer voor andere sectoren.
Ziet u mogelijkheden om bestaande natuurlijke zoetwaterbuffers nadrukkelijker onderdeel te maken van de landelijke zoetwaterstrategie, zodat zij niet alleen bijdragen aan natuurdoelen, maar ook aan de beschikbaarheid van zoet water voor landbouw, drinkwater, scheepvaart en economie?
De huidige zoetwaterbuffers zijn niet alleen ontwikkeld om aan de natuurdoelen te voldoen. Zij vervullen reeds een rol in de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, scheepvaart en economie. In tijden van watertekort worden deze zoetwaterbuffers ingezet aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf pluimveehouders |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»?1
Ja.
Hoe verhoudt het intrekken van jarenlang rechtmatig verleende natuurvergunningen zich tot het beginsel van rechtszekerheid?
Ik vind het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Het rechtszekerheidsbeginsel beschermt de burger tegen onzekerheid en willekeur veroorzaakt door de overheid. Dat betekent bijvoorbeeld dat vergunningen in principe niet worden aangetast. Ik roep alle partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekking van vergunningen te voorkomen. Tegelijkertijd geldt dat het rechtszekerheidsbeginsel van rechtszekerheid niet absoluut is. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning, bijvoorbeeld als een rechterlijke uitspraak daartoe noopt. Het intrekken van een vergunning is een ingrijpend besluit en brengt onzekerheid met zich mee. Uiteraard is het belangrijk dat bij dergelijke besluiten een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Zo staat tegen een intrekking rechtsbescherming open, waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan die benodigde zorgvuldigheid heeft betracht.
Lopen naast deze vijf agrarische bedrijven ook bedrijven in andere sectoren risico op het intrekken van een geldige vergunning? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke bedrijven lopen dit risico?
Er zijn intrekkingsverzoeken gedaan in verschillende sectoren, waaronder de agrarische sector, industrie en de woningbouw. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd.
Acht u het wenselijk dat ondernemers die volledig volgens de geldende wet- en regelgeving hebben gehandeld, alsnog hun bedrijf dreigen te verliezen?
Nee, dat vind ik niet wenselijk en daarom roep ik betrokken partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Bent u van mening dat de overheid ondernemers moet beschermen wanneer zij hebben gehandeld op basis van door diezelfde overheid verleende vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven, vind ik het van groot belang dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Indien een verzoek tot intrekking wordt gedaan, geldt dat daar een (juridische) procedure voor bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Zoals gezegd is het daarom des te urgenter om het recent gepresenteerde maatregelenpakket juridisch te verankeren.
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van burgers en ondernemers in de overheid wanneer legaal verleende vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van vergunningen zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ten behoeve van het vertrouwen is het daarom van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en bij het doorlopen van een procedure grote zorgvuldigheid betrachten. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarom voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het eigendomsrecht zoals beschermd door Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (recht op eigendom)?
In de Europese Unie geldt een recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM). Het eigendomsrecht is echter niet absoluut en kan dus, onder omstandigheden, aan beperkingen onderhevig zijn. Een beperking kan in het algemeen belang gerechtvaardigd zijn. Het is niet aan mij om voor deze concrete gevallen te beoordelen of een eventuele beperking van het eigendomsrecht gerechtvaardigd is.
Vindt u dat het huidige vergunningenstelsel nog voldoende rechtszekerheid biedt als een ondernemer ondanks een geldige vergunning nooit zekerheid heeft dat deze in stand blijft?
Ondernemers moeten er in principe vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Zoals hiervoor aangegeven, is het beginsel van rechtszekerheid niet absoluut en zijn vergunningen niet onaantastbaar. Er kunnen zich situaties voordoen waardoor een vergunning toch wordt ingetrokken. Een rechterlijke uitspraak kan een reden zijn om daartoe te besluiten. Ik ben bij vraag 2 uitgebreider ingegaan op de onzekerheid die intrekkingen van vergunning met zich meebrengt. Zoals ik eerder heb aangegeven, roep ik partijen op om, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om dit te voorkomen.
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de provincies om te voorkomen dat legaal opererende bedrijven door vergunningintrekkingen buiten hun schuld om worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Ik heb namens het kabinet een uitgebreid pakket aan maatregelen gepresenteerd waarmee met een juridisch geborgd maatregelpakket het mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dit vanuit de overtuiging van het kabinet dat alle partijen hier, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles voor moeten zetten. Immers, zoals eerder aangegeven, vind ik het erg belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Dit blijft in individuele gevallen echter een afweging van het bevoegde bestuursorgaan, waarbij alle belangen zullen worden gewogen. Tegen intrekkingsbesluiten staat in de regel rechtsbescherming open bij de bestuursrechter.
Welke waarborgen ziet u om te voorkomen dat vergunningverlening door de overheid feitelijk haar betekenis verliest doordat vergunningen jaren later alsnog worden ingetrokken?
Zoals toegelicht, geldt dat indien een verzoek tot intrekking van de vergunning wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure is ingericht om tot een afgewogen besluit te komen. Dat is een belangrijke waarborg voor het systeem van vergunningverlening. Daarbij is belangrijk dat bij dergelijke besluiten die grote gevolgen kunnen hebben voor betrokkenen, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Het kabinet zet vol in op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket. In oktober zal ik daarom een spoedwet en een programma van maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen.
Erkent u dat een overheid die eerst vergunningen verleent en vervolgens dezelfde vergunningen intrekt, het fundament van de rechtsstaat en het vertrouwen in de overheid ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Ik erken dat niet. Bij een rechtsstaat hoort namelijk ook dat gehoor wordt gegeven aan rechterlijke uitspraken, ook als die het intrekken van vergunningen tot gevolg hebben. Tegelijkertijd begrijp ik wel dat een mogelijke intrekking van de vergunning zeer ingrijpende is voor een ondernemer. Daarom moeten de betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles te zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Daarom blijf ik vol inzetten op het zo snel mogelijk juridisch verankeren van het maatregelenpakket.
Waar ligt volgens u de grens van de rechtszekerheid in Nederland als een ondernemer die volledig volgens de regels heeft geïnvesteerd, desondanks zijn vergunning en daarmee zijn bedrijf kan verliezen?
Bij vraag 2 ben ik ingegaan op de verhouding tussen het intrekken van vergunningen en het beginsel van rechtszekerheid.
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie wil vergunning vijf Brabantse kippenboeren intrekken»1 ?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat Nederland een gezond, betrouwbaar en goed investerings- en vestigingsklimaat moet hebben?
Ja.
Deelt u de opvatting dat ondernemers moeten kunnen vertrouwen op door de overheid verleende onherroepelijke vergunningen wanneer zij investeren in hun bedrijf?
Ja, ik vind het belangrijk dat ondernemers er in beginsel vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen waarin het eigendomsrecht op gespannen voet staat met andere verplichtingen. Wanneer een dergelijke spanning zich voordoet, bestaan daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Voor mij staat voorop dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welk signaal geeft het aan ondernemers en investeerders als een rechtmatig verleende onherroepelijke vergunning jaren later alsnog kan worden ingetrokken?
Ik realiseer mij heel goed dat een verzoek tot het intrekken van de vergunning zeer ingrijpend is voor een ondernemer. Ik wil daarom vooral als belangrijk signaal geven dat het van groot belang dat betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen en dat wanneer een ondernemer wordt geconfronteerd met een dergelijk verzoek kan rekenen op een zorgvuldig proces om tot een afgewogen besluit te komen. Daarnaast voelt het kabinet grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke gevolgen heeft deze ontwikkeling volgens u voor het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
De onzekerheid die samengaat met de stikstofproblematiek en de handhavings- en intrekkingsverzoeken die daar onderdeel van uit maken, heeft negatieve gevolgen voor het investeringsklimaat. Ondernemers hebben behoefte aan duidelijkheid. Daarom is het van belang om het maatregelenpakket zoals aangekondigd op 26 juni jl. zo snel mogelijk in uitvoering te brengen. Dit zal een positieve uitwerking hebben op ons investeringsklimaat. Daarbij komt dat bedrijven er al langer mee bekend zijn dat vergunningen voor diverse activiteiten op dit moment complex en lastig te verkrijgen zijn. Dit is een onderwerp dat ook in het rapport Wennink aan de orde is gesteld. Ook vanuit dat perspectief is uitvoering van het pakket van groot belang.
Hoe wilt u ondernemers nog stimuleren om te investeren in verduurzaming, innovatie en uitbreiding als zij geen zekerheid hebben dat hun vergunning behouden blijft?
Ondernemers moeten er in beginsel vanuit kunnen gaan dat vergunningen blijven gelden. Het maatregelenpakket is er juist op gericht dat de vergunningverlening weer op gang komt. Een essentieel onderdeel van dat pakket is onder andere van brede ondersteuning van ondernemers bij stappen gericht op verduurzaming en innovatie, in het bijzonder binnen de agrarische sector, maar het pakket bevat ook ondersteunende maatregelen gericht op verduurzaming van de industrie en mobiliteit.
Bent u het ermee eens dat deze problematiek niet alleen de agrarische sector raakt, maar in beginsel ieder bedrijf met een omgevings- of natuurvergunning kan treffen? Zo nee, waarom niet?
Intrekkingsverzoeken komen niet alleen voor in de agrarische sector, maar ook in andere sectoren, zoals de industrie. Dat benadrukt de urgentie om snel een geborgd pakket juridisch te verankeren om uiteindelijk intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken2. Ik deel die mening.
Welke gevolgen verwacht u voor de financierbaarheid van bedrijven als banken en investeerders moeten rekenen met het risico dat vergunningen achteraf worden ingetrokken en waar baseert u dit op?
Banken en investeerders zijn bekend met de regelgeving en situatie rond Natura-2000 gebieden en de gronden waarop vergunningen kunnen worden verleend en welke eventuele risico’s er ontstaan indien er een verzoek tot intrekking van een vergunning van een specifiek bedrijf wordt gedaan. Zij betrekken deze informatie in hun financieringsbeslissingen. Ik verwacht dat het maatregelenpakket, waarmee we geleidelijk van stikstofslot zullen komen, een positief effect heeft op investeringsklimaat.
Welke economische schade verwacht u wanneer ondernemers noodzakelijke investeringen uitstellen vanwege afnemende rechts- en investeringszekerheid?
Het huidige stikstofslot leidt in algemene zin tot forse economische impact. Uit onderzoek van SEO en CE Delft bleek dat de verminderde vergunningverlening in de periode van 2024–2030 tot € 30,7 miljard aan bruto omzetverlies kan leiden. Verschillende onderwerpen, zoals de schade aan het vestigingsklimaat, konden daarbij niet worden becijferd. Het is voor de economie dus van eminent belang om de noodzakelijke maatregelen te nemen en daarom vindt het kabinet het van groot belang om het maatregelenpakket snel uit te voeren.
Acht u het wenselijk dat Nederland internationaal bekend komt te staan als een land waar legaal verleende onherroepelijke vergunningen achteraf kunnen worden ingetrokken? Zo nee, hoe gaat u dat voorkomen?
Alle betrokken partijen moeten, zeker met het gepresenteerde maatregelenpakket en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Daarnaast geldt in Nederland dat indien er een verzoek tot intrekking wordt gedaan, daarvoor een (juridische) procedure bestaat om tot een afgewogen besluit te komen. Onderdeel daarvan is onder andere dat tegen een intrekking rechtsbescherming open staat waarbij de rechter zal toetsen of het bestuursorgaan de benodigde zorgvuldigheid heeft betracht. Daarmee wordt de rechtszekerheid geborgd. Daarnaast geldt dat het uitgebreide maatregelenpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd zal bijdragen aan een beter investeringsklimaat omdat Nederland daarmee weer van het stikstofslot zal komen.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de ambitie van het kabinet om Nederland aantrekkelijk te houden voor ondernemers en investeerders?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant over het voornemen om onherroepelijke vergunningen van ondernemers in te trekken? Zo nee, waarom niet. Zo ja, kunt u ons zo snel mogelijk na dit overleg informeren?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Net als VNO-NCW heb ik ook bij de provincies benadrukt dat een zorgvuldige procedure essentieel is. Ook heb ik in gesprek met Noord-Brabant aangegeven dat ik verwacht dat zij geen onomkeerbare besluiten nemen, totdat het «trappetje van Remkes» is uitgelopen. Als laatste heb ik voorgesteld om nog deze zomer met alle provincies met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen over het gemotiveerd afwijzen van intrekkings- en handhavingsverzoeken
Het voornemen van de provincie Noord-Brabant om vergunningen in te trekken van vijf kippenboerderijen |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Provincie wil vergunningen van vijf kippenboeren intrekken», waarbij de provincie Noord-Brabant de natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven wil intrekken?1
Ja.
Bent u bekend met de voorgenomen intrekking van natuurvergunningen van vijf pluimveebedrijven in Noord-Brabant naar aanleiding van de Mobilisation for the Environment (MOB)-procedure? Hoe beoordeelt de Minister deze ontwikkeling?
Dit voornemen is mij bekend. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. De provincie Noord-Brabant heeft zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak tot dit voornemen genoodzaakt gezien.
Anders dan de beeldvorming die vrijdag mogelijk uit de berichtgeving2 is ontstaan, ben ik van mening dat het stikstofpakket zoals gepresenteerd in de brief van 26 juni jl. in beginsel, ook in toekomstige situaties in Noord-Brabant, voldoende basis biedt om gemotiveerd handhavingsverzoeken af te wijzen. Alle betrokken partijen moeten, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Dit is waarom ik vol blijf inzetten op het zo snel mogelijk ook juridisch verankeren van het pakket dat ik in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer heb gepresenteerd, en waarom ik onder andere in oktober een spoedwet en een concept-programma met maatregelen aan uw Kamer zal voorleggen waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden voorkomen. Met dit pakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen kan verslechtering van de natuur aantoonbaar worden voorkomen. Ook duidelijke instructieregels nabij Natura 2000-gebieden in het kader van de zoneringsaanpak leveren een belangrijke bijdrage aan het voorkomen van intrekkings- en handhavingsverzoeken.
Deelt u de opvatting dat het ongewenst is om zonder doorlopend gesprek in een proces over een reductieplan van de veehouders over te gaan tot het voornemen een vergunning in te trekken? Is er sprake van behoorlijk bestuur? Is de provincie voldoende toegerust om dit proces te begeleiden?
Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant hebben een voornemen aangekondigd om uiterlijk 1 oktober vijf ontwerpbesluiten te nemen waarin dit voornemen op bedrijfsniveau zal worden uitgewerkt en de daarvoor geldende procedures worden gevolgd. Alternatieve plannen voor stikstofreductie zullen en moeten dan nog in de belangenafweging die gedeputeerde staten dienen te maken, worden meegenomen. De betreffende ondernemingen worden in dit proces ook in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Het besluit van gedeputeerde staten zal uiteindelijk door de rechter moeten worden getoetst. In dat kader zal dan ook worden beoordeeld of de provincie zich daarbij heeft gehouden aan de juridische kaders, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het is uiteindelijk aan de provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel vind ik het uitermate van belang dat de lijnen zoals beschreven in mijn Kamerbrief, namelijk mogelijkheden voor gebiedsprocessen waarin ondersteuning vanuit het trappetje van Remkes worden geboden, worden gevolgd. Te weten ondersteuning voor omschakelen, verplaatsen of vrijwillig beëindigen. Zo ook in Noord-Brabant.
Hoe beoordeelt u situaties waarin ondernemers aangeven een gezamenlijk stikstofreductieplan te hebben ingediend, maar men desondanks wordt geconfronteerd met een voorgenomen vergunningintrekking? Welke eisen stelt het Rijk aan een zorgvuldige beoordeling van dergelijke plannen?
Naast de casuïstiek in Noord-Brabant (vraag 3), is er mij momenteel geen andere situatie bekend waarbij er een gezamenlijk stikstofreductieplan is ingediend en waar men vervolgens met een voorgenomen vergunningenintrekking geconfronteerd is.
Kunt u toelichten wat hij concreet verstaat onder «perspectief voor jonge boeren» en hoe dat perspectief zich verhoudt tot situaties waarin jonge ondernemers, ondanks het indienen van een stikstofreductieplan, worden geconfronteerd met het vooruitzicht hun bedrijf te moeten beëindigen?
Ik vind het erg belangrijk dat er een duurzaam perspectief is voor de agrarische sector in Nederland. Dat is juist van belang voor jonge agrariërs. Dat is ook waar het pakket van maatregelen dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd ten volste op inzet. Ondersteuning van en voor de sector maakt daar terecht een essentieel onderdeel van uit.
Hoe verhoudt de beschreven situatie zich tot een gebiedsgerichte aanpak, waarin innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging worden gecombineerd ten einde de doelen voor een gebied te halen?
De aanpak die het kabinet heeft gepresenteerd, zet nadrukkelijk in op meerdere sporen. Ondersteuning gericht op innovatie, extensivering, verplaatsing en vrijwillige bedrijfsbeëindiging zijn essentiële onderdelen van het maatregelenpakket. De tijd die het stikstofpakket ondernemers biedt om om te schakelen, te innoveren, te verplaatsen of te beëindigen is daarbij ook van groot belang. Voor de zoneringsaanpak zet het kabinet ook in op specifiek flankerend beleid om boeren te ondersteunen om de beweging naar extensivering te kunnen maken. Voor de zoneringsaanpak zijn de lopende gebiedsprocessen van groot belang. Ik kijk bij de uitwerking van deze aanpak ook naar de aansluiting op lopende processen.
Bent u van mening dat reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging binnen een gebied voldoende moet worden meegewogen bij de beoordeling van aanvullende maatregelen voor de resterende bedrijven? Zo ja, hoe wordt dit geborgd?
Ja, reeds gerealiseerde stikstofreductie door vrijwillige bedrijfsbeëindiging moet – ook vanuit proportionaliteitsoogpunt – worden meegewogen. Dit gebeurt ook al in de huidige praktijk. Binnen de context van intrekkingsverzoeken is dit geborgd doordat het juridische instrument van intrekking vanwege stikstofoverbelasting alleen mag (en blijkens jurisprudentie, in specifieke situaties, moet) worden toegepast wanneer sprake is van dreigende of geconstateerde verslechtering van de voor stikstof gevoelige natuurwaarden. Wanneer door vrijwillige bedrijfsbeëindiging of andere aanvullende maatregelen daar geen sprake meer van is, kunnen intrekkingsverzoeken ook gemotiveerd worden afgewezen. Het pakket aan maatregelen zoals gepresenteerd door het kabinet op 26 juni jl. is erop gericht om dat te bewerkstelligen.
Ziet u aanleiding om samen met provincies te bezien hoe juridische procedures kunnen worden gecombineerd met gebiedsprocessen, zodat ondernemers, natuurorganisaties en overheden gezamenlijk tot duurzame oplossingen kunnen komen?
Ik deel dat het van grote waarde is dat ondernemers, natuurorganisaties en overheden samen tot oplossingen komen en deze op breed draagvlak kunnen rekenen. Dit staat ook centraal bij de wijze waarop de samenhangende aanpak is vormgegeven en zal ook een belangrijk onderdeel blijven van de verdere uitwerking daarvan. De gebiedsprocessen bieden daar een waardevolle basis voor. Daarbij is het wel van belang dat de oplossingsrichtingen en voorziene maatregelen passen bij hetgeen nodig is, juist om in de toekomst zoveel mogelijke juridische procedures te voorkomen.
Ik vind het belangrijk dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het Interprovinciaal Overleg (IPO), maar ook met de provincie in Noord-Brabant in overleg treden, om zo met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Omdat ik een van de betroffen boeren heb bezocht in een van mijn eerste werkbezoeken, zal ik me ook bij hen in hun gebied verder laten informeren over hoe onze kabinetsaanpak past bij de aanpak die nu in het gebied plaatsvindt.
Ecoregelingen |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Negatieve beschikkingen eco-regeling 2025: LTO blijft aandringen op herbeoordeling»1 waaruit blijkt dat maar weinig herbeoordelingen van afgewezen eco-regelingen leiden tot het terugdraaien van een afwijzing?
Ja, ik ben bekend met het nieuwsbericht.
Hoeveel van de toegezegde 1345 herbeoordelingen zijn intussen gedaan?
N.a.v. motie Koorevaar (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1789) heeft RVO inmiddels alle 1.345 van de toegezegde herbeoordelingen uitgevoerd. De motie verzocht om beschikkingen opnieuw te beoordelen die hadden geleid tot substantiële verlagingen of afkeuringen van vergoedingen binnen de Eco-regeling, waarbij menselijke beoordeling een zwaardere rol krijgt. Aanvullend heeft RVO ook de dossiers waarin de eco-activiteit «Groenbedekking» was afgekeurd door doodgevroren gewas en dit financiële gevolgen had, opnieuw beoordeeld.
Hoeveel van de herbeoordelingen leiden tot een positieve beschikking waar die eerder negatief was?
Van de inmiddels herbeoordeelde dossiers heeft RVO in 386 gevallen vastgesteld dat het herbeoordelen van de eco-activiteit Groenbedekking alsnog heeft geleid tot een hogere vergoeding
Hoeveel andere bezwaren op de (pro-forma) beschikkingen 2025 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) intussen ontvangen en wat is de stand van zaken (aandeel ingediend versus afgehandeld) van de ingediende bezwaren 2025?
RVO heeft inmiddels 5.306 bezwaren ontvangen tegen de beschikkingen over 2025. Daarvan zijn 168 bezwaren afgehandeld en zijn 5.138 bezwaren nog in behandeling. RVO registreert in de bezwaarprocedure niet op welke specifieke onderdelen van een beschikking bezwaar wordt gemaakt. Een bezwaar kan bovendien betrekking hebben op meerdere onderdelen van een aanvraag. Daardoor kan niet worden aangegeven welk deel van de bezwaren specifiek betrekking heeft op specifieke activiteiten.
Is beheer (maaien en klepelen) van percelen waarvoor de eco-regeling minimaal 80 procent groenbedekking vereist is, toegestaan?
Of beheer van een perceel is toegestaan, hangt af van de betreffende eco-activiteit en de daarbij behorende subsidievoorwaarden. Voor verschillende eco-activiteiten is beheer, waaronder maaien en klepelen, toegestaan. Voor de eco-activiteit Groene braak geldt dat het perceel gedurende de vereiste periode minimaal 80% zichtbaar bedekt moet zijn met het aangegeven gewas. Maaien of klepelen is daarbij toegestaan, maar het maaisel moet op het perceel blijven liggen en mag niet worden afgevoerd. Het uitvoeren van beheer laat de verplichting om gedurende de vereiste periode aan de voorwaarden voor bedekking te voldoen onverlet.
Is het AMS-systeem in staat om voldoende bodembedekking door droog/afgestorven/afgevroren/gemaaid/geklepeld gewas te herkennen en te beoordelen?
Het AMS is ontwikkeld om op basis van satellietbeelden en algoritmen te beoordelen of aan de subsidievoorwaarden wordt voldaan. In specifieke situaties, bijvoorbeeld bij doodgevroren, verdroogd of gemaaid gewas, kan de interpretatie van satellietbeelden complex zijn. Door AMS als afwijkend beoordeelde («rode») percelen worden daarom alsnog door een medewerker beoordeeld, die naast satellietdata ook andere gegevens bij de beoordeling kan betrekken. En aanvullend houdt RVO rekening met vorstgevoelige gewassen en vorstperiodes bij de eco-activiteit Groenbedekking. Bij de eco-activiteit Groene braak is de werkwijze aangepast om beter rekening te houden met onder andere maaien, droogte en klepelen. De wijze waarop beelden worden geïnterpreteerd en wanneer aanvullende menselijke beoordeling nodig is, wordt door RVO continu verder ontwikkeld en verbeterd.
Het AMS-systeem en de praktijk lijken niet overeen te komen. Hoe gaat u om met deze zorg en hoe kalibreert u het AMS-systeem op de praktijk (inclusief weersomstandigheden/klimaat/groeiverloop/et cetera)?
Het AMS wordt jaarlijks gevalideerd aan de hand van onder meer veldwaarnemingen, controles ter plaatse en analyses van de uitkomsten. De resultaten van de herbeoordelingen van Groenbedekking geven geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van structureel onjuiste beoordelingen door het AMS. Wel blijkt dat menselijke beoordeling in specifieke situaties, bijvoorbeeld bij mogelijke gewasschade door weersomstandigheden, van meerwaarde blijft. Samen met RVO blijf ik daarom bezien hoe de toepassing van AMS en de aanvullende menselijke beoordeling verder kunnen worden verbeterd, waarbij ook rekening wordt gehouden met weersomstandigheden, het groeiverloop en andere agronomische omstandigheden.
Veel boeren ontvingen de beschikking 2025 pas laat in het voorjaar van 2026, toen de betreffende percelen alweer in gebruik waren voor het bouwjaar 2026. Als die boeren bezwaar willen maken, maar geen foto of satellietmateriaal of andere data beschikbaar hebben om hun gelijk te onderbouwen, wat kunnen zij dan wel doen om het bezwaar te onderbouwen?
Ook wanneer een agrariër niet beschikt over eigen foto’s of andere bewijsmiddelen, kan deze bezwaar maken tegen een beschikking. RVO betrekt bij de beoordeling van het bezwaar de beschikbare gegevens die relevant zijn voor de beoordeling, waaronder de satellietbeelden en andere gegevens die bij de oorspronkelijke beoordeling zijn gebruikt.
Agrariërs kunnen daarnaast zelf beschikbare informatie aanleveren die hun bezwaar ondersteunt, zoals teeltregistraties, gegevens over uitgevoerde werkzaamheden of andere relevante bedrijfsgegevens. Satellietdata, in de vorm van luchtfoto's, zijn openbaar en te vinden via het satellietdataportaal van de Netherlands Space Agency (NLSA). De aanvullende beoordeling van de beschikbare gegevens kan bij RVO worden opgevraagd.
Als een boer die bezwaar maakt tegen een beschikking vraagt om de satellietbeelden van de RVO, krijgt de boer die dan altijd ook voor de hele periode waarop de beschikking betrekking heeft? Zo nee, waarom niet? Wat kan een boer in dat geval doen?
Een agrariër kan RVO verzoeken om de beschikbare gegevens die ten grondslag liggen aan de beoordeling van een eco-activiteit, waaronder de gebruikte satellietbeelden. RVO verstrekt de beelden en gegevens die bij de beoordeling van de betreffende eco-activiteit zijn gebruikt en die betrekking hebben op de relevante verplichtingsperiode.
Als een agrariër van mening is dat bepaalde relevante gegevens ontbreken, kan hij of zij dit bij RVO aangeven en deze informatie betrekken bij een bezwaarprocedure.
Klopt het dat het aantal deelnemers aan de eco-regeling met ruim 6 procent is gedaald ten opzichte van 2025? Wat vindt u hiervan? Wat wilt u doen om deze trend te keren?
Van de 43.276 GLB-deelnemers, hebben 32.052 boeren gekozen voor deelname aan de Eco-regeling. Dat is circa 6% minder dan in 2025. Ik neem deze daling uiteraard serieus. Uit een analyse van RVO blijkt dat de oorzaken divers zijn. Een deel van de voormalige deelnemers heeft in 2026 geen GLB-aanvraag meer ingediend, bijvoorbeeld vanwege een bedrijfsbeëindiging of bedrijfsoverdracht. Daarnaast is er een groep die wel een GLB-aanvraag heeft ingediend, maar ervoor heeft gekozen niet meer deel te nemen aan de Eco-regeling. Bij een deel van deze groep kan een lagere beschikking dan aangevraagd invloed hebben gehad op deze keuze. Ik vind het belangrijk dat de Eco-regeling aantrekkelijk blijft voor agrariërs. Daarom werk ik aan de aangekondigde aanpassingen van de regeling in 2027, waaronder een flexibelere puntensystematiek en uitbetaling op basis van de daadwerkelijk behaalde waarde van eco-activiteiten (Kamerstuk 28 625, nr. 383).
Boeren worden in 2026 opnieuw geconfronteerd met grote hitte en droogte. De RVO heeft de peildatum voor enkele eco-activiteiten uitgesteld naar 1 juli. De hitte en droogte duren echter voort en dit heeft grote invloed op de mate waarin boeren de eisen aan deelname aan de eco-regeling kunnen naleven. Wilt u toezeggen om bij de controles op de naleving van de eco-activiteiten in 2026 hier mee rekening te houden en coulance te betrachten bij afwijkingen? Wat kan u praktisch doen om een herhaling van 2025 te voorkomen? Wilt u toezeggen om controles voor een bepaalde tijd op te schorten als de boer aangeeft dat het moment bijzonder ongelukkig gekozen is gezien de droogte?
Ik heb voor dit jaar, vanwege de droogte, reeds besloten om voor drie eco-activiteiten de beoordelingsdatum te verschuiven naar 1 juli. Ook hanteert RVO dit jaar voor controles van verschillende activiteiten een langere periode voor het insturen van een geotagfoto, zodat agrariërs langer de gelegenheid hebben om een representatieve foto van de uitvoering van een activiteit aan te leveren. De Europese GLB verordeningen bieden verder ruimte om bij extreme weersomstandigheden, zoals droogte, overmacht te bieden aan landbouwers die door deze omstandigheden zijn getroffen. Van die ruimte wil ik gebruik maken door heel Nederland aan te wijzen als gebied waar sprake is van extreme droogte en daarbij overmacht toe te kennen voor twee conditionaliteitsvoorwaarden en een aantal subsidievoorwaarden binnen de eco-regeling.
Welke lessen leert u naar aanleiding van de vele problemen met de eco-regeling voor het toekomstige Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2028–2034? Wilt u toezeggen hierover met de sector te blijven overleggen?
De ervaringen met de huidige Eco-regeling laten zien dat onder andere voorspelbaarheid en doenbaarheid belangrijke voorwaarden zijn voor een succesvolle Eco-regeling. Ik zet mij daarom in voor een GLB waarin doelgerichtheid en werkbaarheid hand in hand gaan. Daarbij vind ik het van belang dat agrariërs voldoende handelingsperspectief hebben en dat de administratieve lasten beperkt blijven. Ik blijk hierover nadrukkelijk in gesprek met sectorpartijen, uitvoeringsorganisaties en andere betrokkenen, zowel bij de verdere uitwerking van de Eco-regeling vanaf 2027 als in de Nederlandse inzet voor het GLB na 2027.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de provincie Noord-Brabant voornemens is de natuurvergunningen van vijf legaal opererende pluimveebedrijven rond de Peel en de Kampina in te trekken naar aanleiding van een intrekkingsverzoek van Mobilisation for the Environment (MOB)?1
Ja.
Klopt het dat deze bedrijven beschikken over rechtsgeldige natuurvergunningen, dat zij jarenlang legaal hebben geopereerd en dat het hier nadrukkelijk niet gaat om PAS-melders of bedrijven zonder vergunning?
Ik heb begrepen dat deze vijf bedrijven geen PAS-melders zijn en in het bezit zijn van een natuurvergunning2.
Deelt u de opvatting dat ondernemers, die op basis van door de overheid verleende vergunningen miljoeneninvesteringen hebben gedaan, personeel hebben aangenomen en hun bedrijf hebben voortgezet, erop moeten kunnen vertrouwen dat de overheid niet plotseling halverwege de spelregels verandert en hen alsnog richting sluiting duwt?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Tegelijkertijd moet Nederland zich houden aan de geldende Europese regelgeving, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn. Verplichtingen die daaruit voortvloeien kunnen op gespannen voet staan met het eigendomsrecht. Wanneer op gronden van die spanning verzoeken tot intrekking van de vergunning zich voordoen, bestaan de daarvoor geldende (juridische) procedures. Bij het doorlopen van een dergelijke procedure is het uiteraard van belang dat er grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Voorop staat dat alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken ondernemers op verzoek van de provincie uitgebreide plannen hebben opgesteld om hun stikstofuitstoot fors te verminderen, vervolgens acht maanden niets hebben vernomen en nu ineens worden geconfronteerd met het voornemen om hun vergunning in te trekken?
Zoals aangekondigd in de antwoorden op vragen van het lid Korevaar (2026Z16351) heb ik met de provincie Noord-Brabant gesproken om beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om handhavingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik in zijn algemeenheid hecht aan een zorgvuldig proces, waarbij de ondernemers de mogelijkheid krijgen om alternatieve plannen in te dienen (trappetje van Remkes). Ook vind ik het belangrijk dat de effecten van het maatregelpakket dat het kabinet gepresenteerd heeft en waarvoor ik een spoedwet en een programma in oktober naar uw Kamer zal sturen, meegenomen zal worden bij de afweging. Ditzelfde geldt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen voor de intensieve sectoren die begin volgend jaar volgen.
In algemene zin geldt een uitgebreide procedure voordat een voornemen tot een definitief besluit om vergunningen in te trekken wordt genomen. In een dergelijke procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen. De provincie heeft in haar statenmededeling ook aangegeven dat er in het traject van zienswijzen ruimte is om aanvullende of alternatieve plannen te bespreken met elkaar, en dat zij zien dat de communicatie richting de ondernemers beter had gekund. Ik heb daarbij aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat, zeker bij dergelijke, zwaarwegende besluiten, een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht.
Deelt u de mening dat hiermee het signaal wordt afgegeven dat ondernemers die meewerken aan verduurzaming, reductieplannen indienen en constructief met de overheid om tafel gaan, uiteindelijk alsnog het risico lopen hun vergunning en daarmee hun levenswerk kwijt te raken?
Nee, die mening deel ik niet. Ik begrijp dat dit buitengewoon ingrijpend is voor de betreffende ondernemingen. Zoals aangegeven, is het van groot belang dat er alles aan wordt gedaan om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
In uw recente stikstofbrief heeft u aangegeven dat met het voorgestelde reductiepakket handhavings- en intrekkingsverzoeken beter kunnen worden afgewezen; hoe verhoudt die uitspraak zich tot het voornemen van de provincie Noord-Brabant om juist nu vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken? Deelt u de mening dat daarmee de stikstofplannen bewezen nutteloze geldverspilling zijn?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af kunnen te wijzen. In specifieke situaties is mogelijk een aanvullende inzet nodig. Daarbij moeten alle betrokken partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen. Die oproep doe ik hierbij nogmaals.
Ik deel de opvatting niet dat het maatregelen zoals aangekondigd op 26 juni niets zal doen voor vergunningverlening. Het is van belang dat de diverse maatregelen zo snel mogelijk juridisch geborgd worden. Ook vanuit dat perspectief voel ik grote urgentie om de verschillende elementen uit het pakket zo snel mogelijk in uitvoering te brengen.
Welke conclusie moeten ondernemers trekken over de miljarden euro’s aan landelijke en provinciale stikstofmaatregelen, opkoopregelingen, verduurzamingsprogramma’s en versnelde stalaanpassingen wanneer ondanks al die inspanningen de rechtszekerheid van bestaande vergunningen kennelijk nog steeds niet kan worden gegarandeerd? Blijkt hieruit niet overduidelijk dat de stikstofplannen van het kabinet dus absoluut niets gaan doen voor de vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat Noord-Brabant jarenlang heeft gesteld dat ingrijpende stikstofmaatregelen noodzakelijk waren om juridische risico’s en intrekkingsverzoeken te beperken en hoe verklaart u dat diezelfde provincie nu alsnog overgaat tot het voornemen om bestaande vergunningen in te trekken?
De hier aan de orde zijnde intrekkingsverzoeken zijn in eerste instantie ook door de provincie afgewezen. Uit het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2025 volgde evenwel dat dit onvoldoende juridisch gemotiveerd kon worden, en dat urgent een daling van de stikstofdepositie op de betreffende Natura 2000-gebieden noodzakelijk was. Als bevoegd gezag heeft Noord-Brabant hier met dit voornemen gevolg aan gegeven.
Deelt u de mening dat ondernemers zich terecht afvragen waarvoor zij enorme investeringen hebben gedaan als zelfs een rechtsgeldige vergunning na jaren van meewerken aan overheidsbeleid alsnog ter discussie kan worden gesteld?
Ik vind het belangrijk dat ondernemers in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen geldig zijn en blijven. Die duidelijkheid is belangrijk. Er kunnen zich echter specifieke omstandigheden voordoen die nopen tot aantasting van een vergunning. Bij dergelijke situaties past een grote mate van zorgvuldigheid. Ik vind het daarnaast van groot belang dat alle betrokken partijen er alles aan doen om dergelijke situaties te voorkomen.
Deelt u de zorg dat hiermee een gevaarlijk precedent ontstaat waarbij ook andere legaal opererende bedrijven, binnen en buiten de landbouw, moeten vrezen dat hun vergunning op verzoek van een procederende organisatie alsnog wordt ingetrokken?
Ik heb er vertrouwen in dat met een juridisch geborgd maatregelpakket het in principe mogelijk zal zijn om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen.
Welke gevolgen verwacht u voor het vertrouwen van ondernemers in de overheid wanneer verleende vergunningen niet actief worden verdedigd, maar uiteindelijk worden prijsgegeven zodra een procedure voldoende druk uitoefent?
Het proces over het voornemen om de vergunningen van de betreffende ondernemingen in te trekken is nog niet afgerond. Dit is een uitgebreide procedure waar niet lichtzinnig mee om wordt gegaan. In deze procedure krijgen de betreffende ondernemingen ook de gelegenheid om hun zienswijzen in te dienen, en is er ook ruimte om de aanvullende of alternatieve plannen van de ondernemers mee te wegen. Ik vind het belangrijk dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden, totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Vervolgens is het aan een provincie als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek. Ik vind het belangrijk dat daarbij een grote mate van zorgvuldigheid wordt betracht. Daarbij is het wel zo dat rechterlijke uitspraken geen drukmiddel zijn maar een belangrijk onderdeel van de Nederlandse rechtstaat.
Welke concrete rol ziet u voor het Rijk bij het beschermen van rechtsgeldige vergunningen tegen intrekkingsverzoeken wanneer ondernemers aantoonbaar aan alle geldende regels hebben voldaan?
Het is van belang dat het Rijk de kaders stelt waardoor ondernemers weten wat er van hen wordt verwacht. Juridische borging door duidelijke generieke emissiereductiedoelstellingen en aanvullende geborgde maatregelen in de zoneringsgebieden zijn daarmee cruciaal om in de toekomst intrekkingsverzoeken gemotiveerd af te kunnen wijzen. Dat is dan ook de inzet van dit kabinet. Daarnaast biedt het kabinet ondersteuning over ondernemers die te maken krijgen met de gevolgen van het maatregelenpakket, zoals beschreven in de Kamerbrief met het maatregelenpakket.
Deelt u de opvatting dat een overheid die eerst vergunningen verleent, vervolgens investeringen stimuleert en daarna bij juridische druk bereid blijkt diezelfde vergunningen in te trekken, het vertrouwen in de rechtsstaat ernstig ondermijnt?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u uitleggen waarom juist deze vijf pluimveebedrijven het risico lopen hun vergunning en daarmee hun bedrijfsvoering te verliezen, terwijl tal van andere activiteiten die eveneens stikstof veroorzaken onverminderd doorgaan en hoe voorkomt u dat hierdoor het beeld ontstaat dat de overheid met twee maten meet en de rekening onevenredig bij individuele ondernemers neerlegt?
Een belangrijk uitgangspunt van het kabinet is dat alle sectoren, landbouw, industrie en mobiliteit, een bijdrage leveren aan de noodzakelijke stikstofreductie. Om intrekkingsverzoeken te kunnen afwijzen – en daarmee ook regie te pakken op de noodzakelijke reductie-opgave – is het noodzakelijk dat het maatregelenpakket zo snel mogelijk juridisch wordt geborgd. In haar communicatie richting Brabant, geeft VNO-NCW aan dat het borgen van het maatregelpakket essentieel is voor het kunnen afwijzen van intrekkingsverzoeken3. Ik deel die mening.
Met betrekking tot deze vijf pluimveebedrijven geldt dat de provincie Noord-Brabant zich als gevolg van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond de betrokken Natura 2000-gebieden tot dit voornemen tot intrekking genoodzaakt heeft gezien. Tegelijkertijd doe ik hier nogmaals de oproep dat alle partijen, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles moeten zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Welke mogelijkheden heeft u om provincies aan te spreken wanneer zij voornemens zijn rechtsgeldige vergunningen van legaal opererende bedrijven in te trekken terwijl die bedrijven aantoonbaar hebben meegewerkt aan emissiereductie en verduurzaming?
Provincies zijn als bevoegd gezagen verplicht om voorliggende intrekkingsverzoeken te beoordelen en om daarbij uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken. Als Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) ben ik daarbij systeemverantwoordelijk en verantwoordelijk voor het bieden van duidelijke kaders waar ondernemingen aan dienen te voldoen en waar decentrale overheden vervolgens ook aan kunnen toetsen. Aan die verantwoordelijkheid geef ik onder andere invulling met het maatregelenpakket.
Ik heb ook aangegeven bij de beantwoording op Kamervragen van het lid Korevaar (2026Z16351), dat ik het belangrijk vind dat boeren bij de uitwerking van de aanpak, maar zeker ook waar het handhavings- en intrekkingsverzoeken aangaat, kunnen rekenen op een zo consistent mogelijke inzet van provincies. Gezien de betekenis van specifiek handhavings- en intrekkingsverzoeken, zal ik hierover nog deze zomer met het IPO overleggen. Daarnaast heb ik met de provincie in Noord-Brabant overlegd over deze situatie en hen op het hart gedrukt een zorgvuldige procedure te voeren, waarin het «trappetje van Remkes» wordt meegenomen en waarin de betekenis van de spoedwet en het bijbehorende programma in de zienswijze periode wordt opgepakt. Als laatste zet ik erop in met elkaar de beschikbare kennis, expertise en ervaring te delen om intrekkingsverzoeken gemotiveerd te kunnen afwijzen.
Bent u bereid direct in overleg te treden met de provincie Noord-Brabant om te voorkomen dat deze vergunningen worden ingetrokken en om de ingediende reductieplannen van de betrokken ondernemers alsnog serieus te laten beoordelen?
Het is aan de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag om een besluit te nemen over een intrekkingsverzoek, in het licht van de rechterlijke uitspraken. Het is niet aan mij om daar in individuele zaken een oordeel over te geven. Wel heb ik, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, met de provincie Noord-Brabant gesproken. Ik heb in dat gesprek aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten worden genomen totdat het «trappetje van Remkes» met alle ondernemers is doorlopen. Zoals gesteld in antwoord vraag 15 zal ik hierover nog deze zomer ook met het IPO in overleg treden.
Kunt u uitsluiten dat deze zaak door het kabinet zal worden gebruikt als argument dat ondernemers hun vergunning verliezen zolang nog niet alle landelijke stikstofmaatregelen volledig zijn uitgevoerd, terwijl de kern van deze zaak juist is dat de overheid bestaande vergunningen en rechtszekerheid behoort te verdedigen?
Het inzetten op gedwongen beëindiging is geen onderdeel van het kabinetsbeleid zoals ik dat op 26 juni jl. heb gepresenteerd. Zoals ik eerder heb aangegeven doe ik hier dan ook de oproep aan alle betrokken partijen om, zeker met het pakket zoals gepresenteerd door het kabinet en vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid, alles op alles zetten om intrekkingsbesluiten te voorkomen.
Deelt u de zorg dat, wanneer vergunningen kunnen worden ingetrokken ondanks een rechtsgeldige natuurvergunning en ondanks lopende reductie- en verbetertrajecten, dit feitelijk betekent dat alle vergunningen in Nederland nooit meer echt zeker zijn?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat, zodra stikstof in individuele gevallen onvoldoende grond blijkt voor een intrekkingsverzoek, andere vermeende milieueffecten vervolgens als nieuwe juridische grondslag worden aangevoerd om opnieuw vergunningen aan te vechten?
Deelt u de mening dat een vergunningenstelsel onwerkbaar wordt wanneer ondernemers voortdurend moeten vrezen dat een eenmaal verleende vergunning opnieuw ter discussie wordt gesteld op basis van steeds wisselende juridische argumenten?
Hoe beoordeelt u het risico dat een opeenstapeling van procedures over stikstof, water, gewasbeschermingsmiddelen of andere milieuthema’s ertoe leidt dat ondernemers jarenlang in permanente onzekerheid verkeren, ook wanneer zij aan de op dat moment geldende regelgeving voldoen?
In hoeverre acht u het wenselijk dat het natuurbeleid sterker wordt gebaseerd op effectief natuurbeheer, in plaats van vrijwel uitsluitend op modelmatige berekeningen van afzonderlijke factoren?
Ik vind het belangrijk dat het natuurbeleid gericht is op de daadwerkelijke staat van de natuur en ontwikkelingen daarin. Daarom vindt er ook veel natuurmonitoring plaats en wordt dit bovendien nog verder versterkt. Naast natuurmonitoring blijven modellen echter ook belangrijk, omdat modellen het mogelijk maken om onderbouwde uitspraken te doen over toekomstige ontwikkelingen. De combinatie van monitoringsgegevens en gegevens vanuit modellen zorgt voor een goede onderbouwing van het natuurbeleid.
Wordt bij de beoordeling van natuurherstel en natuurkwaliteit volgens u voldoende gekeken naar factoren zoals beheer, hydrologie, verdroging, onderhoud van natuurgebieden en andere ecologische omstandigheden die van grote invloed zijn op de staat van de natuur?
Bij de beoordeling van de staat van de natuur, waar natuurkwaliteit een belangrijk onderdeel van is, wordt gekeken hoe de natuur er feitelijk voor staat. Hierop is een samenspel van factoren van invloed, waaronder de in de vraag genoemde factoren. In bijvoorbeeld de natuurdoelanalyses worden dergelijke factoren in beeld gebracht. Het is belangrijk om hier inzicht in te hebben omdat dit nodig is om de juiste maatregelen te treffen om verslechtering van de natuur tegen te gaan en waar nodig herstel te realiseren. Op dit moment is inzicht hierin vrijwel altijd voldoende om met de belangrijkste maatregelen aan de slag te kunnen en moeten. Om tot volledig doelbereik te komen, is in sommige gevallen meer kennis nodig. Daarom wordt bijvoorbeeld de natuurmonitoring in de komende jaren verbeterd en uitgebreid via het Verbeterprogramma VHR Monitoring (VVM).
Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat ondernemers de rekening betalen voor natuurdoelen of juridische normen die in de praktijk moeilijk of niet haalbaar blijken, terwijl zij zelf aantoonbaar hebben geïnvesteerd in emissiereductie, verduurzaming en naleving van alle geldende regels?
Het maatregelenpakket is noodzakelijk om vergunningverlening op gang te krijgen. Ik realiseer mij dat dit veel vraagt van boeren en andere ondernemers. Daarom is een essentieel onderdeel van het pakket dat het kabinet brede ondersteuning biedt aan ondernemers bij diverse ontwikkelrichtingen: innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen of beëindiging.
De klimaatimpact van de veehouderij en de kabinetsaanpak |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat volgens de meest recente Klimaat- en Energieverkenning (KEV) nog circa 24 megaton CO₂-reductie nodig is om de klimaatdoelen voor 2030 te halen?
Volgens de Klimaat- en Energieverkenning 2025 (KEV25) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is nog 22 megaton CO2-eq. aanvullende broeikasgasreductie nodig om het wettelijke klimaatdoel van 55% broeikasgasreductie in 2030 ten opzichte van 1990 met 95% zekerheid te halen. In de KEV26, die met Prinsjesdag wordt gepubliceerd, komt het PBL met nieuwe cijfers en ramingen richting 2030, zie ook antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven hoeveel de landbouwsector en specifiek de veehouderij uitstoot in CO₂-equivalenten volgens de meest recente cijfers? Welk aandeel is dit van de totale uitstoot in Nederland?
Volgens de KEV25 kwamen de broeikasgasemissies van de landbouw in 2024 uit op 24,8 megaton CO2-eq. Hiervan kwam 17,8 megaton CO2-eq. door de procesemissies van de veehouderij en akkerbouw. De overige emissies kwamen door energieverbruik, met name afkomstig van de glastuinbouw. Dit komt neer op een aandeel van 17,1% van de landbouw en 12,3% specifiek van de procesemissies van de veehouderij en akkerbouw, van de totale uitstoot (145 megaton CO2-eq.) in Nederland.
Hoeveel van de nog benodigde reductiedoelstelling van 24 megaton gaat u toerekenen aan de landbouw- en veehouderijsector?
In 2022 zijn voor alle klimaatsectoren indicatieve sectordoelen gesteld1. In de voorjaarsbesluitvorming 20232 is de indicatieve restemissie van de landbouw aangescherpt met 1 Mton CO2-eq. extra reductie in de glastuinbouw. De landbouwsector heeft hierdoor een indicatief sectordoel (restemissiedoel) van 17,9 megaton CO2-eq. in 2030. Dit is uitgesplitst in een bijdrage van de veehouderij en akkerbouw van 13,6 megaton CO2-eq. en een bijdrage van de glastuinbouw van 4,3 megaton CO2-eq. in 2030. Volgens de KEV25 is het gat tot het doelbereik voor de landbouw nog 4 megaton CO2-eq., waarvan 2,5 megaton CO2-eq. voor de veehouderij en akkerbouw.
Kunt u aangeven hoeveel broeikasgasreductie het kabinet op dit moment concreet verwacht te realiseren in de veehouderij richting 2030 en 2035, uitgesplitst naar maatregelen en in megatonnen CO₂-equivalenten, gezien het voornemen om pas vanaf 2035 doelsturing in te voeren?
In de KEV26, die met Prinsjesdag wordt gepubliceerd, komt het PBL met nieuwe cijfers en ramingen richting 2030. Het kabinet heeft op 26 juni jl. het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof gepresenteerd.3 De maatregelen die hierin zijn genomen zullen vanwege de doorlooptijd nog niet kunnen worden meegenomen in de ramingen in de KEV26. In september 2026 volgt wel een reflectie van het PBL op dit maatregelenpakket, waarin ook de klimaateffecten worden meegenomen.
Staat de reductiedoelstelling uit het Klimaatakkoord 2019 van 1,2 tot 2,7 megaton nog steeds overeind, of gelden er op dit moment andere doelstellingen, aangezien in het Klimaatplan 2025–2035 geen concrete reductiedoelstellingen worden genoemd voor landbouw en veehouderij?
Na het Klimaatakkoord uit 2019 zijn zowel de wettelijke doelen (via wijziging van de Klimaatwet) als het bijbehorende beleid aangescherpt. Het kabinet stuurt voor de klimaatopgave primair op de indicatieve sectordoelen (restemissiedoelen), waaronder het eerdergenoemde restemissiedoel van 17,9 megaton CO2-eq. voor de landbouw. Daarnaast heeft Nederland zich gecommitteerd aan de Global Methane Pledge. Dit houdt in dat Nederland zich inzet voor 30% reductie van methaan in 2030 ten opzichte van 2020.
Wordt de reductiedoelstelling uit het Klimaatakkoord 2019 van 1,2 tot 2,7 megaton vanuit de veehouderij gehaald, en zo nee, waarom en welke reductie resteert?
Zie hiervoor het antwoord op de vragen 3 en 5.
Kunt u toelichten waarom in het Klimaatplan 2025–2035 geen concrete reductiedoelen of maatregelen voor de landbouw en veehouderij in megatonnen zijn opgenomen, terwijl deze sector een substantiële bijdrage levert aan de nationale uitstoot?
In het Klimaatplan, dat eens in de vijf jaar wordt vastgesteld, is een meerjarige beleidsagenda opgenomen en wordt het transitiepad geschetst voor de lange termijn. Het Klimaatplan bevat geen concrete reductiedoelen of maatregelen voor sectoren na 2030, ook niet voor andere sectoren dan de landbouw. De meerjarige beleidsagenda wordt in de jaarlijkse klimaatcyclus gebruikt voor de budgettaire besluitvorming over concrete klimaatmaatregelen. De meerjarige beleidsagenda is in de Klimaat- en Energienota 2025 geactualiseerd.4
Deelt u de conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat het huidige beleid onvoldoende is om de klimaatdoelen te halen en dat aanvullend beleid noodzakelijk is dat op korte termijn emissiereductie oplevert? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bereidt u specifiek voor de veehouderij voor?
Het PBL stelt in de KEV25 dat het huidige beleid onvoldoende is om de klimaatdoelen te halen. Na het verschijnen van de KEV25 heeft het kabinet maatregelen voor de landbouwsector aangekondigd in het kader van het pakket voor landbouw, natuur en stikstof. Onderdeel van dit pakket zijn de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat. Hiermee zet het kabinet in op reductie van broeikasgassen in de veehouderij. Daarnaast zijn er ook andere maatregelen aangekondigd die naar verwachting effect hebben op de reductie van de broeikasgassenuitstoot in de landbouw, zoals de vrijwillige beëindigingsregeling, de afroming van productierechten en grondgebondenheid. Conform het coalitieakkoord neemt het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen om de klimaatdoelen te halen. Het kabinet wil aansluiten bij de Europese aanpak en kijkt hiervoor ook naar de voorstellen van de Europese Commissie voor het 2040-maatregelenpakket die later dit jaar worden verwacht.
Kunt u aangeven hoeveel CO₂-reductie wordt verwacht als gevolg van het stikstofbeleid? Wat betekent dit voor de zekerheid waarmee klimaatdoelen gehaald kunnen worden?
Het PBL presenteert in september een reflectie op het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof. Het klimaateffect van het pakket zal in deze reflectie ook worden doorgerekend.
Kunt u inzichtelijk maken in welke mate de omvang van de veestapel onderdeel is van het klimaatbeleid, gegeven dat het PBL aangeeft dat deze voor een groot deel bepalend is voor de broeikasgasemissies? Welke concrete beleidskeuzes en doelstellingen hanteert het kabinet op dit punt?
Het kabinet stuurt in het klimaatbeleid op de eerdergenoemde sectorale restemissiedoelen. Voor de veehouderij is er vanuit de Ministeriële Taskforce voor landbouw, natuur en stikstof een reeks aan maatregelen aangekondigd, waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u toelichten wat u verstaat onder «een stevige aanpak [.] om invulling te geven aan het sectordoel van de veehouderij en mestaanwending in de akkerbouw» zoals genoemd in het Klimaatplan 2025–2025 (p. 43), en welke concrete maatregelen daar op dit moment onder vallen?
Zoals genoemd heeft het kabinet onlangs het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof gepresenteerd. Deze maatregelen zullen ook een bijdrage leveren aan de klimaatdoelen voor de landbouw. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8. Conform het coalitieakkoord neemt het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen om de klimaatdoelen te halen.
Kunt u per maatregel aangeven wat het verwachte reductiepotentieel is, binnen welke termijn deze gerealiseerd wordt en hoe zeker deze reductie is (bijvoorbeeld op basis van gevalideerde praktijkdata)?
In september 2026 wordt de doorrekening van PBL voor het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof verwacht. Hierbij wordt ook gekeken naar de effecten voor klimaat.
In hoeverre leunt het huidige beleid op technologische innovaties, zoals emissiearme stalsystemen en managementmaatregelen? Hoe beoordeelt u de risico’s dat deze innovaties onvoldoende of te laat leveren?
De aanpak bestaat uit verschillende soorten maatregelen en leunt niet alleen op technologische innovaties. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Voor het behalen van de bedrijfsspecifieke emissiedoelen is het van belang dat de veehouder voldoende maatregelen tot zijn beschikking heeft om het bedrijfsspecifieke emissiedoel te halen. Daarom wordt het doel ook bepaald op basis van technisch reductiepotentieel. De borging van de bedrijfsspecifieke emissiedoelen wordt verder uitgewerkt om te zorgen dat ingezette maatregelen ook tot daadwerkelijke reductie zullen leiden.
Klopt het dat het kabinet voornemens is doelsturing pas vanaf 2035 in te voeren, waarbij agrariërs afrekenbare emissiedoelen krijgen? Waarom wordt deze systematiek niet al vóór 2030 ingevoerd, gezien de urgentie van de klimaatopgave?
Doelsturing en het invoeren van afrekenbare emissienormen vraagt om een uitvoerige systeemwijziging die niet van vandaag op morgen gerealiseerd is. De periode richting 2035 geeft agrarische bedrijven tevens de ruimte om zorgvuldige keuzes te maken over de toekomst van hun bedrijf waarna ze moeten voldoen aan de individuele bedrijfsnormen. Het is daarbij cruciaal om ondernemers te ondersteunen met het maken van deze keuzes en in het nemen van maatregelen om in 2035 voldoen aan de geldende normen. Voor ammoniak geldt bovendien in 2030 een sectorale streefwaarde waardoor er naar verwachting al sprake zal zijn van reductie voor 2030. Het kabinet verkent de mogelijkheden voor een passend borgingsmechanisme in 2030.
Hoe verhoudt het uitstellen van doelsturing tot na 2030 zich tot de noodzaak om op korte termijn substantiële emissiereducties te realiseren?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 14. Er geldt voor ammoniak een sectorale streefwaarde voor 2030 en het kabinet verkent mogelijkheden voor een passend borgingsmechanisme. Daarnaast zet het kabinet voordat de normen afrekenbaar worden al in op emissiereducerende maatregelen door bijvoorbeeld managementmaatregelen te stimuleren. Naast de inzet op doelsturing, heeft het kabinet andere maatregelen aangekondigd in het onlangs verschenen maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Welke alternatieve instrumenten zet het kabinet vóór 2030 in om daadwerkelijk afdwingbare emissiereductie in de veehouderij te realiseren?
Zie antwoord op vraag 15.
Kunt u toelichten waarom het kabinet stelt dat emissies uit de veehouderij in 2050 niet tot nul kunnen worden teruggebracht, en in hoeverre deze aanname invloed heeft op de ambitie en inzet richting 2030?
De emissies uit de veehouderij worden in 2050 niet tot nul teruggebracht vanwege de biologische processen die met deze emissies gepaard gaan. Met de huidige inzichten kunnen deze biologische processen van met name (melk)vee en mesttoediening niet volledig emissievrij worden. De (melk)veehouderij en mesttoediening zal ook in 2050 nog in Nederland plaatsvinden, waardoor deze sector niet geheel naar nul emissie zal gaan. Deze stelling doet niets af aan de ambitie en inzet richting het klimaatdoel van 2030.
Hoe groot acht u de resterende emissies uit de landbouwsector in 2030, en in hoeverre rekent u op koolstofverwijdering of andere vormen van compensatie om deze te neutraliseren?
Zie antwoord op vraag 2. De indicatieve sectordoelen voor 2030 tellen op tot het wettelijke netto reductiedoel van 55% ten opzichte van 1990. Het kabinet stuurt op doelbereik in de sectoren en rekent voor 2030 niet op koolstofverwijdering of andere vormen van compensatie voor het indicatieve sectordoel voor de landbouw. Voor realisatie van het indicatieve sectordoel voor het landgebruik in 2030 wordt echter wel gerekend op een toename van koolstofverwijdering in bossen en minerale bodems, naast emissiereductie uit organische veenbodems.
Acht u het wenselijk om in te zetten op compensatie van landbouwemissies, in plaats van maximale reductie aan de bron? Kunt u dit toelichten?
Een van de uitgangspunten uit de Routekaart Koolstofverwijdering5 is dat het reduceren van broeikasgasemissies voorop blijft staan. Hiermee wordt de afhankelijkheid van koolstofverwijdering voor compensatie richting klimaatneutraliteit in 2050 geminimaliseerd. Voor de landbouwsector, evenals voor andere klimaatsectoren, betekent dit concreet dat emissiereductie aan de bron plaatsvindt waar dit mogelijk en haalbaar is. Onvermijdelijke of zeer moeilijk te reduceren emissies worden op duurzame wijze gecompenseerd door de inzet van koolstofverwijdering.
Hoe borgt u dat Nederland voldoet aan de verplichtingen onder de Europese Effort Sharing Regulation (ESR), waarin landbouwemissies zijn inbegrepen, indien aanvullende nationale maatregelen uitblijven?
De KEV25 raamt dat het heel erg waarschijnlijk is (meer dan 95% kans) dat Nederland zijn verplichtingen nakomt onder de ESR. De ESR beslaat naast landbouw ook uit emissies uit mobiliteit (excl. luchtvaart), gebouwde omgeving, kleine industrie en afval.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn als Nederland zijn ESR-doelen niet haalt, zowel financieel als juridisch?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 20, ligt Nederland op koers om het ESR-doel voor 2030 te halen. Een lidstaat die niet voldoende reductie behaalt binnen de ESR, kan verschillende flexibiliteiten uit de verordening inzetten om alsnog aan de ESR-verplichting te kunnen voldoen. Hier gaat het onder andere om compensatie tussen verschillende jaren of het kopen van emissieruimte van andere lidstaten. Indien na inzet van deze flexibiliteiten alsnog niet voldaan wordt aan de verplichting, treedt de boeteclausule van de ESR-verordening in werking. De lidstaat moet in latere jaren dan meer emissies reduceren. Haalt een land de doelen structureel niet, dan heeft de Europese Commissie de mogelijkheid om een inbreukprocedure te starten bij het EU-Hof, wat kan leiden tot geldboetes voor de overheid.
Kunt u reflecteren op de bredere klimaatimpact van het in stand houden van de huidige omvang van de veehouderij, mede in relatie tot beleidskeuzes rond bijvoorbeeld groen gas? In hoeverre worden hier ook scope-2 en -3 effecten meegenomen?
Het kabinet stuurt voor de klimaatdoelen op emissiereductie van broeikasgassen. De inzet op groen gas is hier onderdeel van. De omvang van de veehouderij is geen doel op zich, maar kan wel een resultante zijn van het gevoerde beleid. Scope-2 en scope-3 effecten vormen geen onderdeel van de doelen, maar kunnen wel worden meegewogen in de besluitvorming.
Welke concrete stappen is het kabinet bereid op korte termijn te zetten om de uitstoot van de veehouderij daadwerkelijk en substantieel te reduceren, en wanneer kan de Kamer hierover uitgewerkte voorstellen verwachten?
Het kabinet zal de komende tijd uitgewerkte voorstellen uit het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof aan de Kamer doen toekomen. Zie verder ook het antwoord op vraag 8.
Deelt u de opvatting dat het huidige beleid onvoldoende concreet, onvoldoende afdwingbaar en onvoldoende ambitieus is om de klimaatdoelen te halen? Zo nee, waarop baseert u dat?
Volgens de KEV25 zijn er aanvullende maatregelen nodig om de klimaatdoelen te realiseren. Met het gepresenteerde maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof beoogt het kabinet een forse stap te zetten richting het vlottrekken van vergunningverlening. Maatregelen uit dit maatregelenpakket kennen ook een emissie-reducerend effect op klimaat. In september komt het PBL met een reflectie op dit maatregelenpakket, waarin ook wordt gekeken naar het klimaateffect. Daarnaast volgt met Prinsjesdag de KEV26 met nieuwe ramingen van het PBL. Conform het coalitieakkoord zal het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen nemen om de klimaatdoelen te halen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk, onderbouwd en op tijd beantwoorden?
Ja.
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Het structurele lijden van konijnen en nieuwe beelden van ernstige overtredingen in de Nederlandse vleeskonijnenhouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Was u zich beiden al bewust van de omstandigheden waaronder konijnen in de Nederlandse vleeskonijnenfokkerij worden gehouden? Kunt hier uiteenzetten hoe dieren moeten leven in de vleeskonijnenhouderij in ons land?
Ik ben op de hoogte van de algemene omstandigheden waarin konijnen leven in de houderijen. De omstandigheden waaronder konijnen worden gehouden, kunnen per houderij verschillen, maar ik ga er wel van uit dat houderijen minimaal voldoen aan de standaarden die zijn vastgelegd in de geldende wet- en regelgeving. Voor de standaarden in houderijen verwijs ik naar de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Deze wet- en regelgeving stelt minimumeisen aan huisvesting, verzorging en hantering van dieren, met als doel onnodig lijden te voorkomen. Voor konijnen zijn specifieke voorschriften opgenomen in het Besluit houders van dieren, waaronder eisen aan de ruimte, verlichting, verrijking en voer en water.
Heeft u de beelden bekeken die de afgelopen maanden op zestien verschillende konijnenhouderijen in Nederland zijn gemaakt, waarop te zien is op welke wijze konijnen op deze bedrijven uit hun kooien worden getrokken om afgevoerd te worden naar het slachthuis?1 2
Ja.
Heeft u gezien dat de konijnen op ruwe wijze aan hun oren en aan hun vacht worden opgetild en zeer ruw in transportkratten worden gegooid en geduwd?
Ja.
Heeft u gezien dat er ook gebruik wordt gemaakt van winkelwagentjes, die vol worden gegooid met konijnen, waarbij de dieren die onderin terecht zijn gekomen met hun pootjes op het raster van de winkelwagen zitten terwijl er een stapel van vier á vijf lagen konijnen bovenop ze wordt gegooid tot het winkelwagentje vol is, waardoor de dieren die onderin zitten worden geplet onder het gewicht van hun soortgenoten?
Ja.
Heeft u gezien dat er zelfs konijnen worden doodgeslagen tegen de grond?
Ja.
Wat vindt u van dit alles?
Wat te zien is op de beelden is verschrikkelijk en het gaat me aan het hart. Zo omgaan met dieren keur ik ten zeerste af en is onaanvaardbaar. We zien helaas vaker beelden van dieren die behandeld worden op een wijze die ons versteld doet staan. Als er geen toezichthouder in de buurt is, voelen sommigen zich kennelijk vrij op deze manier met dieren om te gaan. Dat is verontrustend en onbegrijpelijk.
Is dit de manier waarop in de Nederlandse veehouderij met dieren mag worden omgegaan? Zo nee, kunt u uitvoerig uiteenzetten welke overtredingen u hier allemaal ziet?
Dieren zijn meer dan een object of eigendom, het zijn levende wezens met een eigen waarde, los van de (gebruiks-)waarde die de mens eraan toekent. Deze intrinsieke waarde van dieren is vastgelegd in de Wet dieren en vormt dan ook het uitgangspunt van mijn beleid. We dienen met respect met dieren om te gaan, ze goed te behandelen en goede huisvesting en verzorging te bieden, van fok tot slacht.
Tijdens de verplaatsing van dieren moet letsel en lijden voorkomen worden en opwinding en stress tot een minimum worden beperkt. Ook moet de veiligheid van dieren worden gewaarborgd. Dit vereist een rustige en zorgvuldige manier van werken.
De NVWA heeft een grote hoeveelheid beeldmateriaal ontvangen. Het onderzoek loopt nog, dit betreft onder andere de beoordeling op authenticiteit. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met de dieren. Er worden dieren opgetild aan oren, vacht, poten en kop, dieren worden met te veel in een winkelwagen gestopt waardoor ze in de verdrukking komen. Ook is het verboden om konijnen te doden op de wijze zoals te zien is op de beelden.
Klopt het dat er op dit moment tussen de 25 en 30 vleeskonijnenhouderijen zijn in Nederland? Hoeveel zijn het er precies?
Op 1 april 2026 zijn 28 bedrijfsmatige houders van konijnen geregistreerd.
Hebt u gezien dat bij 16 Nederlandse konijnenhouderijen is gefilmd en dus bij (ruim) meer dan de helft van de bedrijven?
Ja, we hebben gezien dat bij 16 bedrijven is gefilmd. Er is een grote hoeveelheid aan beeldmateriaal.
Bent u ermee bekend dat in 2019 ook al beelden naar buiten kwamen over ernstig dierenleed in de Nederlandse konijnenhouderij, waarna toenmalig Minister Schouten aangaf dat zij begrijpt dat mensen hierdoor «geschokt, verdrietig en verontwaardigd zijn»?3
Ja, ik ben bekend met de reactie van toenmalig Minister Schouten op de beelden van toen.
Bent u ermee bekend dat vier jaar later opnieuw werd bevestigd dat konijnen in de veehouderij ernstig lijden, waarna toenmalig Minister Adema aangaf dit «verschrikkelijk» te vinden?4
Ja, ik ben bekend met de reactie van toenmalig Minister Adema op de beelden van toen.
Deelt u de mening dat er hierdoor niet kan worden gesproken over een incident, maar dat er sprake is van structureel en ernstig dierenleed en ernstige overtredingen in de konijnenhouderij? Zo nee, waarom niet?
De beelden uit 2019 en 2023 toonden het houden van de dieren op het primaire bedrijf en niet, zoals op de recente beelden, het vangen, laden en doden van konijnen.
Het onderzoek van de recente beelden loopt nog. Dit gaat om zowel het beoordelen van authenticiteit door NVWA-IOD als het onderzoeken van het materiaal op overtredingen. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Kunt u aangeven hoeveel controles sinds 2017 hebben plaatsgevonden bij konijnenhouderijen, uitgesplitst naar jaar? Klopt het dat er in elk geval in 2024 en 2025 geen enkele controle van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft plaatsgevonden bij konijnenhouderijen, ondanks de eerdere misstanden die in 2019 en ook in 2023 nog zijn geopenbaard?
Op de konijnenhouderijen in Nederland zijn zowel in de periode 2015–2017 als 2021–2022 naleefmetingen uitgevoerd op de wijze waarop de dieren worden gehouden.
Bij de naleefmeting in de periode 2015–2017 zijn 45 bedrijven met konijnen geïnspecteerd. Bij 15 bedrijven zijn overtredingen geconstateerd zoals het niet aanwezig hebben van knaagmateriaal, een te lage lichtintensiteit of het ontbreken van plateaus. Hiervoor zijn schriftelijke en mondelinge waarschuwingen gegeven. Bij de laatste naleefmeting in 2021/20225 zijn bij vijf van de 17 geïnspecteerde bedrijven overtredingen geconstateerd. Hiervoor zijn vijf schriftelijke waarschuwingen opgemaakt. In vier gevallen is tevens een maatregel ten behoeve van herstel opgelegd. Overtredingen die zijn geconstateerd hadden betrekking op huisvesting, het niet hanteren van een dag- en nachtritme of het niet (correct) bijhouden van het uitvalspercentage.
Omdat uit deze onaangekondigde inspecties bleek dat geen sprake is van ernstige overtredingen bij het houden van konijnen, zijn 2023, 2024 en 2025 in de konijnenhouderij geen inspecties uitgevoerd.
Kunt u aangeven hoeveel controles op het laden van konijnen voor transport hebben plaatsgevonden sinds 2017, uitgesplitst naar jaar?
Vanaf 2017 hebben er geen controles op het laden van konijnen plaatsgevonden.
Hoe kan het dat aan burgers, maatschappelijke organisaties en volksvertegenwoordigers nu al jaren wordt verteld dat de NVWA risicogericht toezicht houdt, terwijl in een sector zoals de vleeskonijnenhouderij, waar de risico’s op ernstig dierenleed en ernstige overtredingen overduidelijk groot en bekend zijn, niet wordt gecontroleerd?
De NVWA richt het toezicht op de locaties en sectoren waar de risico’s het grootst zijn en waar meldingen en signalen aanleiding geven voor inspecties. Omdat uit de inspecties uit 2021/2022 bleek dat er geen sprake was van ernstige overtredingen bij het houden van konijnen, zijn 2023, 2024 en 2025 in de konijnenhouderij geen inspecties uitgevoerd. In 2027 staat opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden.
Hoe verklaart u dat er, jaren nadat de eerste berichten van ernstig dierenleed in konijnenhouderijen naar buiten kwamen, nog steeds sprake is van structureel en ernstige dierenleed en ernstige overtredingen?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 12.
De sector heeft zelf een plan van aanpak huisvesting opgesteld waarover uw Kamer 14 april 2022 is geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Via dit plan van aanpak verplichten de houders zich om in de loop naar 2030 te voldoen aan bovenwettelijke huisvestingsvereisten.
Daarnaast is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het door de sector en onafhankelijke kwartiermaker te maken verbeterplan dat uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Hoelang duurt een cyclus van fok en geboorte van jonge konijnen tot aan het eindstadium van de vetmesterij op een gemiddeld vleeskonijnenbedrijf? Hoe veel van deze cycli vinden jaarlijks plaats en hoe vaak per jaar worden de vetgemeste konijnen op een gemiddeld bedrijf afgevoerd naar de slacht?
De draagtijd van een konijn bedraagt gemiddeld 31 dagen. De vleeskonijnen gaan rond 11 weken leeftijd naar de slacht. In het handboek van de sector van 2019–2020 staat dat moederkonijnen gemiddelde 6,8 worpen per jaar hebben. De gevraagde gegevens over het aantal keer per jaar dat de konijnen op een gemiddeld bedrijf naar de slacht worden afgevoerd, worden niet door de overheid bijgehouden.
Hoe geloofwaardig vindt u de reactie van één van de boeren, die bij RTL Nieuws namens de gehele vleeskonijnensector reageerde, dat ze echt geschrokken waren van de beelden, terwijl deze beelden ook op zijn eigen bedrijf waren gefilmd?
Op basis van het bericht over de beelden kan ik geen oordeel geven over de geloofwaardigheid van een individuele reactie van een houder.
Denkt u dat de betreffende boeren niet weten hoe de konijnen op hun eigen bedrijven uit hun kooien worden getrokken en in kratten worden gesmeten wanneer het tijd is om de vetgemeste dieren af te voeren naar de slacht? Liggen zij dan in bed als de konijnen op hun eigen bedrijf worden gevangen voor de slacht?
Ik kan geen oordeel vellen over de mate van betrokkenheid van specifieke konijnenhouders bij het vang- en laadproces. De konijnenhouder blijft hoe dan ook zelf verantwoordelijk voor het welzijn van de dieren op diens bedrijf en heeft zich aan de regels te houden. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.,
Deelt u het vermoeden dat de vleeskonijnenfokkers niet zozeer geschrokken zijn van wat er op de beelden te zien is, omdat dat hen wel bekend is, maar vooral van het feit dat deze beelden naar buiten zijn gekomen?
Op basis van de beschikbare informatie kan ik geen oordeel geven over de reacties van individuele konijnenhouders.
Denkt u dat een «stevig gesprek», dat de NVWA met de sector zegt te willen gaan voeren, een gepaste reactie is voor een sector die nu al verschillende keren via undercoverbeelden is ontmaskerd als een sector waarin dieren structureel ernstig lijden en waarin ernstige overtredingen worden begaan?
In het gesprek met de sector met LVVN en NVWA op 16 juli jl. is besproken dat de LTO in samenwerking met een onafhankelijke kwartiermaker een verbeterplan maakt dat uiterlijk in oktober door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. De uitkomsten van deze inspecties worden betrokken bij de beoordeling voor eventuele noodzaak van aanvullend toezicht. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.
Deelt u de mening dat een dergelijke sector geen uitvluchten meer mag krijgen door zelf met «verbeterplannen» te komen, maar dat de schandalige manier waarop in de vleeskonijnenhouderij met weerloze dieren wordt omgegaan stevig moet worden bestraft en serieuze consequenties moet hebben?
Ik deel de zorgen van de Kamer over de misstanden in de konijnenhouderijen en ik ben van mening dat er geen ruimte meer is voor vrijblijvendheid. De sector moet nu concrete stappen zetten om het vangen en laden van de konijnen te verbeteren en de NVWA zal waar nodig handhavend optreden.
Welke consequenties verbindt u aan het structurele lijden van konijnen in de vleeskonijnenhouderij en de ernstige overtredingen die keer op keer naar buiten komen voor de toekomst van deze sector in ons land?
Zie het antwoord op vraag 12.
Kunt u zich voorstellen dat veel burgers begrijpen dat er belastinggeld wordt gestoken in het uitkopen van veehouderijen en dat er subsidies worden verstrekt om de veehouderij te laten omschakelen naar een duurzamer en diervriendelijker landbouw, maar dat het indruist tegen hun rechtsgevoel als veehouderijbedrijven die zó met dieren omgaan en die zich schuldig maken aan ernstige overtredingen ook doodleuk in aanmerking komen voor uitkoopregelingen en subsidies? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij deze zorgen van burgers voorstellen. Subsidieregelingen voor beëindiging van veehouderijen, zoals de Lbv-regelingen6 en de in voorbereiding zijnde Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr) kennen een bepaling die het mogelijk maakt om bij ernstige overtredingen een aanvraag af te wijzen. Immers kunnen alleen ondernemingen die aan de normen van de Europese Unie voldoen, zoals ten aanzien van dierenwelzijn, voor subsidie in aanmerking komen. Als een veehouder niet aan deze normen voldoet en zijn activiteiten moet beëindigen wordt een aanvraag in elk geval afgewezen. Ook de overtreding van normen die niet gestoeld zijn op regelgeving van de Europese Unie kan reden zijn om een ondernemer uit te sluiten van deelname aan een beëindigingsregeling. In het bijzonder gaat het om overtredingen van de Meststoffenwet en om overtredingen van de regelgeving voor dierenwelzijn die zo ernstig zijn dat ze niet bestuursrechtelijk zijn afgedaan, maar dat ze in het strafrechtelijke spoor zijn beoordeeld. Genoemde regelingen bevatten een grondslag om in dergelijke gevallen de subsidieaanvraag af te kunnen wijzen. Bij de beoordeling wordt hierbij als criterium gehanteerd of een straf is opgelegd door het Openbaar Ministerie (strafbeschikking) of de strafrechter voor een strafbaar feit dat in een periode van vijf jaar voor de datum van subsidieaanvraag is begaan.
Gaat u ervoor zorgen dat bij veehouderijbedrijven die zich schuldig maken aan ernstige overtredingen strikte handhaving en sanctionering wordt ingezet, in plaats van straffeloze beloning in de vorm van uitkoopregelingen of omschakelsubsidies op kosten van de belastingbetaler? Zo ja, kunt u uiteenzetten hoe u dit aan gaat pakken? Zo nee, waarom vindt u het gerechtvaardigd om schaarse middelen uit het stikstoffonds op te maken aan bedrijven die ernstige overtredingen begaan en zo omgaan met dieren?
Zie mijn antwoord op vraag 12 en 24. In het geval van ernstige overtredingen of misdrijven wordt het opgemaakte proces-verbaal overgedragen aan het Openbaar Ministerie, dat zal besluiten over strafoplegging of vervolging.
Eerder heb ik uitgelegd welke voorwaarden subsidieregelingen bevatten om voor subsidie in aanmerkingen te komen en welke mogelijkheden er zijn om een ondernemer uit te sluiten bij (ernstige) overtredingen.
Deelt u de mening dat de schandalige manier waarop konijnen uit hun kooien werden gehaald en (via winkelwagentjes) in transportkratten werden gegooid en geduwd nooit meer voor mag komen? Zo nee, waarom vindt u dat de vleeskonijnensector ernstige overtredingen mag blijven begaan? Zo ja, hoe gaat u zorgen dat dit niet meer gebeurt?
Zie mijn antwoord op vraag 6. Ik deel dat het laden en doden van de konijnen op de videobeelden op een dieronwaardige manier gebeurt en keur dit af. Echter, zoals aangegeven loopt het onderzoek van de beelden nog.
De konijnenhouder is verantwoordelijk dat tijdens de verplaatsing van de dieren letsel en lijden voorkomen wordt en opwinding en stress tot een minimum wordt beperkt. Ook moet de veiligheid van dieren worden gewaarborgd. De konijnensector gaat een verbetertraject opzetten met een onafhankelijke kwartiermaker. Dit proces zal nauwlettend gevolgd worden.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.
Erkent u dat er in het huidige veehouderijsysteem voor konijnen sprake is van structureel lijden, ook als de veehouder zich aan alle regels houdt, omdat de tot nu toe toegestane manier van huisvesting totaal niet is aangepast aan de natuurlijke behoeften, het welzijn en de integriteit van deze dieren? Deelt u de mening dat er een einde moet komen aan dit structurele dierenleed?
De Wet dieren en het Besluit houders van dieren is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten en Europese richtlijnen, zoals Richtlijn 98/58/EG betreffende de bescherming van landbouwhuisdieren. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoeften van dieren, voor zover deze verenigbaar zijn met de economische en praktische haalbaarheid in de houderijen.
Of er sprake is van structureel lijden is niet te zeggen omdat de omstandigheden variëren per bedrijf. Wel is het van belang om te benadrukken dat de huidige wetgeving minimumeisen stelt, maar dat er ruimte is voor verbetering in het kader van het welzijn van de konijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek van onder andere de European Food Safety Authority (EFSA)1 blijkt dat konijnen behoeften hebben die in lijn liggen met hun natuurlijke gedrag.
Zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. Nr. 1394), werk ik aan een AMvB voor een dierwaardige veehouderij. Ik heb uw Kamer geïnformeerd over de stappen die hierop worden ondernomen en dat de concept-AMvB na de zomer aan het parlement zal worden voorgehangen. De focus ligt in de AMvB die reeds wordt opgesteld bij de grotere sectoren (varkens, runderen en pluimvee), maar op termijn zullen ook de overige sectoren, waaronder de konijnensector, worden betrokken. Op het moment dat de AMvB voor de konijnensector wordt opgesteld zal nogmaals goed gekeken worden naar de gedragsbehoeftes en het natuurlijke gedrag van konijnen om zo tot passende nieuwe wetgeving te komen.
Hoeveel konijnen worden er in Nederland jaarlijks gefokt? Kunt u bevestigen dat uit schattingen blijkt dat rond de 350.000 konijnen per jaar niet levend de stallen uitkomen, omdat ze er sterven vanwege de slechte omstandigheden?5 Zo nee, om welke aantallen gaat het dan en waar baseert u dat op?
In totaal zijn in 2025 iets meer dan 246.000 konijnen gefokt (gespeende vleeskonijnen en voedsters). Cijfers over de sterfte van konijnen worden niet centraal geregistreerd.
Bent u ermee bekend dat de toenmalig landbouwminister in 2020 liet weten in gesprek te gaan met de konijnensector over het centraal registeren van het aantal konijnen dat sterft in de stallen en dat deze cijfers vanaf 2025 beschikbaar zouden komen?6 7
Ja, hier ben ik mee bekend; dit is de Zorgwijzer. De LTO konijnenhouderij is dit samen met Wageningen Economic Research (WEcR) gestart. Het is een centrale registratie van data die inzicht geeft in een aantal duurzaamheidsprestaties van de deelnemende bedrijven op het gebied van diergezondheid en dierenwelzijn, waaronder de sterftecijfers. De Zorgwijzer is reeds toegepast voor 2023 en 2024 en zal dit najaar worden ingezet om de sterftecijfers van 2025 en 2026 vast te stellen.
Kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De overheid beschikt niet over deze cijfers. De Zorgwijzer is een private tool en deelname van konijnenhouders is vrijwillig. Niet alle konijnenhouders nemen deel aan de Zorgwijzer en het is niet bekend of de totaalcijfers representatief zijn.
Hoe beoordeelt u het in termen van dierwaardigheid dat konijnen moeten leven in een kooi, zonder ruimte om te rennen, graven, schuilen of knagen, dag en nacht in een ammoniaklucht doorbrengend, waarbij de mannetjes die worden gehouden voor hun zaad in hun eentje in kooien zitten, net als (een groot deel van) de moederdieren op het moment dat zij geen jongen hebben?
Zie mijn antwoord op vraag 27.
Onderschrijft u de analyse van de Universiteit Utrecht die in haar rapport de gedragsbehoeften van konijnen heeft gedefinieerd, waaronder exploreren, knagen, foerageren en scharrelen, het onderhouden van sociale banden, het vertonen van maternaal en nestgedrag, het vertonen van zooggedrag en het ontvangen van moederzorg voor jongen?8
Ja.
Onderschrijft u de analyse van de Universiteit Utrecht dat konijnen zich moeten kunnen terugtrekken om agressie te vermijden, dat ze moeten beschikken over voldoende vlucht-, schuil- of uitwijkmogelijkheden, dat ze moeten kunnen liggen en rusten, dat ze zich moeten kunnen afzonderen van het nest voor moederdieren ter voorkoming van infanticide en verwonding van de jongen en dat ze moeten beschikken over voldoende ruimte voor beweging, zodat ze kunnen springen, huppelen en rennen?
Ja.
Onderschrijft u dat konijnen behoefte hebben aan eten en drinken van onbeperkt beschikbaar schoon water en van voldoende geschikt voer op een manier die aansluit bij de voorkeur van deze dieren?
Ja.
Onderschrijft u de analyse van Universiteit Utrecht dat vleeskonijnen in kleine kooien of hokken gevoelig zijn voor hittestress? Welke maatregelen worden op dit moment getroffen om deze dieren tegen de hitte te beschermen?
Ja, ik onderschrijf dat konijnen gevoelig zijn voor hittestress. Momenteel wordt bij hoge temperaturen de koeling ingeschakeld. Deze koeling kan worden uitgevoerd door de toepassing van PAD-cooling, mechanische koeling of grondbuizen.
Hebben de konijnenfokkers in hun fokprogramma’s rekening gehouden met minder dieren (lagere stalbezetting) in de zomermaanden omdat het risico op hittestress dan groot is?
Nee, zij maken enkel gebruik van verkoelingsmogelijkheden.
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen u op korte termijn gaat treffen, en met welk tijdpad, om een einde te maken aan het ernstige en structurele dierenleed in de konijnenhouderij, inclusief handhaving en beëindiging van de bedrijven die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige overtredingen?
Zie mijn antwoord op vraag 21.
Het bericht “Undercoverbeelden tonen geweld tegen konijnen bij Nederlandse fokkers” |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Wat is er sinds de eerdere beelden van misstanden in de konijnenfokkerij in 2019 en 2023 concreet gedaan om dit soort mishandelingen te voorkomen en stevig in te grijpen bij bedrijven waar dit plaatsvindt? Welke concrete straffen zijn er destijds opgelegd aan bedrijven en medewerkers?1
De beelden zijn schokkend en op deze manier mag nooit met dieren omgegaan worden. De houder van de dieren draagt te allen tijde verantwoordelijk voor mishandeling of ander dierenleed dat wordt veroorzaakt en dient dit te voorkomen.
Bij de naleefmeting in de periode 2015–2017 zijn 45 bedrijven met konijnen geïnspecteerd. Bij 15 bedrijven zijn overtredingen geconstateerd zoals het niet aanwezig hebben van knaagmateriaal, een te lage lichtintensiteit of het ontbreken van plateaus. Hiervoor zijn schriftelijke en mondelinge waarschuwingen gegeven. Bij de laatste naleefmeting in 2021/20222 zijn bij vijf van de 17 geïnspecteerde bedrijven overtredingen geconstateerd. Hiervoor zijn vijf schriftelijke waarschuwingen opgemaakt. In vier gevallen is tevens een maatregel ten behoeve van herstel opgelegd. Overtredingen die zijn geconstateerd hadden betrekking op huisvesting, het niet hanteren van een dag- en nachtritme of het niet (correct) bijhouden van het uitvalspercentage.
Welke concrete afspraken zijn er naar aanleiding van eerdere misstanden met de sector gemaakt?
De sector heeft zelf een plan van aanpak huisvesting opgesteld waarover uw Kamer 14 april 2022 is geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Dit plan bevat een viertal onderdelen op het gebied van huisvesting die bijdragen aan het verbeteren van dierenwelzijn voor alle konijnen gehouden voor productie, namelijk: I. (stal)klimaat en calamiteiten, II. omgevingsverrijking, III. comfort voor opfokvoedsters en IV. leefruimte voor zowel vleeskonijnen als voedsters. Via dit plan van aanpak verplichten de houders zich om in de loop naar 2030 te voldoen aan bovenwettelijke huisvestingsvereisten. Eind 2025 dient elke konijnenhouder minimaal de helft van het totaal aantal punten behaald te hebben. De borging hiervan verloopt via het private kwaliteitssysteem.
Hoe is het mogelijk dat Animal Rights constateert dat deze misstanden nu weer bij álle zestien gefilmde fokkers plaatsvinden?
Ik constateer dat sommigen zich kennelijk vrij voelen om op deze manier met dieren om te gaan als er geen toezichthouder in de buurt is. Dat is verontrustend en onbegrijpelijk.
Momenteel is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het door de sector en onafhankelijke kwartiermaker te maken verbeterplan dat uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Daarnaast werk ik, zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. Nr. 1394), aan een AMvB voor een dierwaardige veehouderij die na de zomer aan het parlement zal worden voorgehangen. De focus in de AMvB die reeds wordt opgesteld ligt bij de grotere sectoren (varkens, runderen en pluimvee), maar op termijn zullen ook de overige sectoren, waaronder de konijnensector, worden betrokken.
Zou u, gezien de schaal en het steeds opnieuw terugkeren van deze misstanden nog spreken van incidenten of gaat het hier over structurele misstanden in een sector waar maar weinig lijkt te verbeteren?
De beelden uit 2019 en 2023 toonden het houden van de dieren op het primaire bedrijf en niet, zoals op de recente beelden, het vangen, laden en doden van konijnen.
Het onderzoek van de recente beelden loopt nog. Dit gaat om zowel het beoordelen van authenticiteit door NVWA-IOD als het onderzoeken van het materiaal op overtredingen. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Welke stappen zijn er inmiddels genomen naar aanleiding van deze beelden?
Zie het antwoord op uw derde vraag. De harde schijf met beelden is overgedragen aan de NVWA. Het gaat om een grote hoeveelheid beeldmateriaal.
Daarnaast heeft een gesprek met LVVN, NVWA en de konijnensector plaatsgevonden op 16 juli jl. Tijdens dit gesprek zijn afspraken gemaakt hoe de sector LVVN en de NVWA op de hoogte houdt over de voortgang van het verbetertraject. Zo is onder andere afgesproken dat het door een onafhankelijke kwartiermaker en de sector te maken verbeterplan uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer eind van dit jaar informeren.
Klopt het dat in Vlaanderen bij soortgelijke misstanden veel steviger is ingegrepen? Waarom is dit en wat is er in Nederland meer mogelijk?
De Vlaamse autoriteit geeft aan dat dit om een specifiek geval in 2023 gaat. Animal Rights heeft daar een konijnenhouderij gefilmd. Naar aanleiding hiervan heeft een inspectie door de Vlaamse autoriteit plaatsgevonden. Tijdens de inspectie is een aantal overtredingen van de in Vlaanderen geldende regelgeving vastgesteld, het zogenoemde «Besluit van de Vlaamse regering van 19 december 2020 betreffende het welzijn van konijnen in fokkerijen». Voor deze overtredingen is een proces verbaal opgemaakt. De rechter heeft hier toen vrij streng op geoordeeld, aldus de Vlaamse autoriteit. De twee zaakvoerders kregen elk afzonderlijk een boete van 8.000 euro, waarvan 6.000 euro met uitstel. Hun vennootschap moest 20.000 euro betalen, waarvan 8.000 euro met uitstel.
In Nederland kan de NVWA zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk optreden met het daarbij behorende instrumentarium.
Welke conclusies trekt u uit deze beelden ten aanzien van de noodzaak tot veel strenger optreden, nut en noodzaak van afspraken met deze sector als het blijkbaar steeds op deze schaal misgaat en de toekomst van deze sector in Nederland?
De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Daarnaast is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het verbeterplan dat door de sector en de onafhankelijke kwartiermaker uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden willen realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer eind dit jaar informeren.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. De uitkomsten van deze inspecties worden betrokken bij de beoordeling voor eventuele noodzaak van aanvullend toezicht. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.