De druk van expats op de woningmarkt |
|
Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Eindhovens Dagblad waarin valt te lezen dat op de particuliere woningmarkt expats meestal winnen van starters die hier zijn geboren en getogen, vanwege ruimere salarissen en fiscale voordelen?1
Ja.
Kunt u per gemeente binnen de G4 en G40 aangeven wat het totale aandeel van expats is binnen de middenhuur en vrijesectorhuur? Kunt u daarbij aangeven welke definitie van expat wordt gehanteerd? Zo nee, waarom niet?
In heb geen zicht op wat per gemeente binnen de G4 en G40 het totale aandeel van expats is binnen de middenhuur en de vrijsectorhuur, evenals welk percentage van de jaarlijkse vrijkomende midden- en vrijesectorhuurwoningen in de G4 en G40 gemeenten wordt verhuurd aan expats.
Wel heeft de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM) onlangs een publicatie uitgebracht waarin zij inzicht geven in de omvang en invloed van internationals op de woningmarkt.2 In deze publicatie wordt onder internationals verstaan: alle anderstaligen die zich voor langere tijd in Nederland vestigen en via een NVM-makelaar een woning huren of kopen. Dit betreft onder andere expats, buitenlandse studenten, arbeidsmigranten en andere buitenlanders, zoals ondernemers. Ten aanzien van de huurmarkt kijken zij specifiek naar het midden- en vrijehuursegment. De sociale huursector wordt niet meegenomen in de cijfers. Dit is logisch gegeven deze internationals doorgaans niet aanmerking komen voor een sociale huurwoning. Bij expats zal het inkomen doorgaans te hoog zijn om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning. Daarnaast geldt dat internationals geen wachttijd hebben opgebouwd. Ook in de gevallen waarin zij een inkomen onder de sociale huurgrens hebben, zullen zijn door het niet hebben van wachttijd vaak aangewezen zijn op het midden- of vrijehuursegment.
Landelijk gezien is één op de vier huurders via een NVM-makelaar een international. Dit aandeel is de afgelopen jaren redelijk stabiel gebleven. De markt voor internationals is vrij geconcentreerd: in totaal zijn 16 van de 344 gemeenten verantwoordelijk voor 85% van alle door internationals gehuurde woningen in de periode 2024 en de eerste helft van 2025.
In 2024 en de eerste helft van 2025 waren vooral Amsterdam en Den Haag populair onder hurende internationals. Ruim 60% van de hurende internationals vestigden zich in deze gemeenten. Als wordt gekeken naar de gemeenten met het hoogste aandeel internationals in alle huurders zien we dat naast Amsterdam en Den Haag ook de randgemeenten van Den Haag populair zijn. Den Haag en de randgemeenten zijn populair doordat de vele internationale organisaties en ambassades onder meer diplomaten en NGO-medewerkers aantrekken. De onderstaande tabel laat de top 10 gemeenten naar aandeel internationals op de huurmarkt zien.
Top 10 gemeenten naar aandeel internationals op de huurmarkt
Gemeente
Aandeel
Wassenaar
74%
Leidschendam-Voorburg
69%
Den Haag
62%
Amsterdam
53%
Delft
50%
Amstelveen
45%
Hilversum
32%
Haarlem
30%
Leiden
26%
Diemen
25%
Bron: NVM, Internationals op de woningmarkt
Kunt u per gemeente binnen de G4 en G40 aangeven welk percentage van de jaarlijks vrijkomende middenhuurwoningen en vrijesectorhuurwoningen wordt verhuurd aan expats? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen heeft u momenteel tot uw beschikking om het gebruik van middenhuurwoningen, vrijesectorhuurwoningen en koopwoningen door expats te beperken, en bent u bereid aanvullende maatregelen te onderzoeken of voor te stellen om de positie van Nederlandse starters ten opzichte van expats te verbeteren?
De Huisvestingswet 2014 biedt gemeenten de mogelijkheid om toewijzingscriteria en voorrangsregels voor woonruimten te stellen via een huisvestingsverordening. Dit kan worden gebruikt voor sociale huur, middenhuur en (nieuwbouw) betaalbare koop, indien er sprake is van schaarste aan woonruimte in die segmenten. Een van deze mogelijkheden is om bij de toewijzing voorrang te geven aan mensen met een maatschappelijke of economische binding.3 Gemeenten kunnen hiermee bijvoorbeeld voorrang verlenen aan mensen die al woonachtig zijn in de gemeente. Tot 50% van de in de Huisvestingsverordening aangewezen categorieën van woonruimte mogen gemeenten toewijzen aan mensen met een vorm van binding. In de huursector wordt dit voor de bestaande bouw voornamelijk toegepast bij sociale woningen van woningcorporaties. Deze woningen worden via een woonruimteverdeelsysteem aangeboden, waardoor het stellen van deze voorrangsregels mogelijk is. Voor private huurwoningen gelden deze regels doorgaans niet. Doordat er geen centraal zicht is op deze woningen, is het met voorrang toewijzen van private huurwoningen aan mensen met een lokale binding lastig in de uitvoering. Wel gebruiken gemeenten voorrang bij lokale binding geregeld bij nieuwbouwwoningen in sociale en middensegment, en bij nieuwgebouwde betaalbare koopwoningen.
Gemeenten hebben dus al mogelijkheden om bij woonruimteverdeling voorrang te verlenen voor mensen met lokale binding. Ik zie geen noodzaak om aanvullende maatregelen te onderzoeken of voor te stellen. Zoals blijkt uit de beantwoording van vraag 3 en 5, zijn internationals vooral actief in de gebieden waar veel internationale bedrijven, organisaties en ambassades zijn gevestigd. Dit zijn ook de bedrijven en organisaties waar zij werkzaam zijn. In de betreffende gebieden zullen andere woningzoekenden meer concurrentie ondervinden bij het vinden van een woning in de midden- of vrije huur, of in de koopsector. Aanvullende maatregelen om de positie van expats te verminderen raken echter direct aan de aantrekkelijkheid voor internationaal talent om in Nederland te komen werken. Hierdoor zal het voor bedrijven moeilijker worden om het benodigde talent vanuit het buitenland aan te werven en dit zal negatieve gevolgen hebben voor het vestigings- en ondernemingsklimaat van Nederland en het innovatie- en concurrentievermogen van bedrijven.
Heeft u inzichtelijk welke effecten expats precies hebben op de hoogte van huizenprijzen (zowel huur, als koop) op korte en lange termijn, waaronder in regio’s zoals de regio Brainport Eindhoven en Groot Amsterdam? Zo ja, kunt u deze informatie met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te laten verrichten?
Het exacte effect van expats op de hoogte van huizenprijzen is lastig te bepalen. Uiteindelijk spelen hier een tal aan factoren een rol. Wel licht de publicatie van NVM de voorkeuren en bestedingsmogelijkheden van internationals toe. Dat geeft inzicht waar en bij welke woningen woningzoekenden vaker concurrentie van internationals ondervinden.
Net als bij de huurmarkt, concentreren internationals op de koopmarkt zich ook in specifieke gebieden. In 2025 ging landelijk ongeveer 1,6% van alle via NVM-makelaars verkochte woningen naar een international. De onderstaande tabel laat het percentage internationals zien in aankopen. Vooral in de regio Groot-Amsterdam en Eindhoven sprint dit percentage ver boven het gemiddelde.
Top 10 gemeenten naar aandeel internationals op de koopmarkt
Gemeente
Aandeel
Amstelveen
20%
Veldhoven
14%
Ouder-Amstel
13%
Eindhoven
12%
Amsterdam
11%
Uithoorn
10%
Haarlemmermeer
9%
Geldrop-Mierlo
7%
Aalsmeer
7%
Waalre
7%
Bron: NVM, Internationals op de woningmarkt
Internationals geven de voorkeur aan woningen die direct bewoonbaar zijn en hebben minder interesse in kluswoningen. Ook op de huurmarkt kiezen internationals vaker voor gestoffeerde of gemeubileerde woningen.
Internationals hebben daarnaast in algemene zin een hoger budget dan Nederlandse woningzoekenden. Dit komt doordat zij gemiddeld genomen een hoger inkomen hebben, maar ook doordat zij vaak minder kritisch zijn op de prijs. Internationals hebben immers direct een woning nodig als ze in Nederland aankomen, waar Nederlandse woningzoekenden vaker zoeken vanuit een woning en vaker een vangnet hebben bij familie. Op de huurmarkt betaalt het grootste gedeelte van de internationals meer dan € 2.000 per maand (81% tegenover 28 van de niet-internationals). Ook op de koopmarkt betalen internationals gemiddeld meer dan niet-internationals. In de onderzochte wijken betalen internationals gemiddeld € 591.000 voor een woning. Niet internationals betalen in diezelfde wijken gemiddeld € 575.000 voor een woning.
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: «Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht»»1?
Ja.
Klopt het dat in 2025 slechts twee procent van de investeringen in de woningbouw door institutionele beleggers (zoals pensioenfondsen) uit het buitenland kwam? Hoe hoog is dat percentage in andere landen?
Volgens Capital Value zijn in 2025, met een bedrag van 5,3 miljard euro, de investeringen in nieuwbouw huurwoningen tot een recordhoogte gestegen. Dit getal bevat zowel investeringen van corporaties als marktpartijen. Het aandeel internationale investeringen in nieuwbouw van het investeringsvolume in huurwoningen door beleggers is volgens Capital Value echter sterk gedaald van bijna 32% in 2022 naar 1% in 20252. Vrijwel alle investeringen in huurwoningen zijn van institutionele beleggers en corporaties. Onduidelijk is hoe groot precies de rol van institutionele beleggers is in de woningmarkt van andere Europese landen.
Hoeveel investeringen zijn de komende jaren nodig om te zorgen voor voldoende woningbouw in Nederland?
Uit de meest recente Woningmarktverkenning van ABF blijkt dat er in de periode 2025–2039 in totaal circa 1,2 miljoen woningen moeten worden toegevoegd3. Een deel hiervan zal gefinancierd worden door particuliere kopers, een deel door corporaties en een deel door (buitenlandse) private investeerders. De totale investeringsopgave tussen 2025 en 2039 – huur en koop tezamen – schat het kabinet op 300 tot 350 miljard euro.
Hoeveel huurwoningen hebben buitenlandse en binnenlandse investeerders toegevoegd in 2023 en 2024?
Investeerders hebben volgens Capital Value in 2023 en 2024 respectievelijk 5.300 en 6.000 nieuwbouwhuurwoningen gekocht. Het aandeel geïnvesteerd volume van internationale investeerders in deze jaren is respectievelijk 13% en 3%.4 Het aandeel internationale investeerders in nieuwbouw neemt sinds een aantal jaar af. In 2021 en 2022 bedroeg het aandeel nog respectievelijk 27% en 32%, om vervolgens te dalen naar 13% in 2023 en 3% in 2024. Desalniettemin zijn de totale investeringen in nieuwe huurwoningen uiteindelijk verdubbeld ten opzichte van 2023 en 2024.
Hoeveel investeringen zijn momenteel afkomstig uit kapitaal van binnenlandse institutionele beleggers? Is het uw verwachting dat binnenlandse investeringen door institutionele beleggers alle noodzakelijke investeringen in de woningbouw kunnen dekken de komende jaren?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vorige vragen zijn in 2025 nagenoeg alle investeringen in nieuwbouw huurwoningen van binnenlandse institutionele investeerders en corporaties. Capital Value geeft aan dat particuliere investeerders en buitenlandse institutionele investeerders nagenoeg afwezig zijn in de nieuwbouw. In het artikel wordt gesteld dat Nederlandse pensioenfondsen al meer dan hun redelijke aandeel in Nederlandse woningen hebben belegd. In gesprekken met verschillende pensioenfondsen wordt aangegeven dat zij in veel gevallen tegen de grenzen aanlopen van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico en spreidingsoverwegingen zit hier een limiet aan. De investeringsopgave in de Nederlandse woningbouw is dusdanig groot dat ook buitenlandse investeerders belangrijk zijn om voldoende huurwoningen te bouwen.
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, wat bent u van plan om te doen om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om te investeren in de woningbouw in Nederland?
In het Coalitieakkoord is het voornemen opgenomen om de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. Het kabinet komt met een ministeriële taskforce Versnelling Woningbouw die de koers uitzet voor de realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar. Ook het investeringsklimaat komt in deze taskforce terug. Het kabinet zal uw Kamer vanzelfsprekend over de voortgang van deze taskforce informeren.
Welke stappen zijn er de afgelopen twee jaar gezet om Nederland aantrekkelijk te houden voor buitenlandse en binnenlandse investeerders?
Het vorige kabinet heeft het tarief in de overdrachtsbelasting al naar 8% verlaagd. Daarnaast is door het vorige kabinet – vanuit de wens om het investeringsklimaat te verbeteren – een versoepeling van de earningsstrippingmaatregel ingevoerd waarmee het maximale renteaftrekpercentage is verhoogd van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst.
Daarnaast is ter opvolging van de Woontop 2024 in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (hierna: VRO) en het Ministerie van Financiën vorig jaar onderzoek verricht door onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek naar de staat van het investeringsklimaat voor middenhuurwoningen. Een kabinetsreactie op dit onderzoek volgt in Q2.
Tot slot is het ook van belang om in contact te blijven met buitenlandse investeerders om te begrijpen wat de knelpunten zijn, om hen te informeren over ons beleid en om de kansen voor investeringen in de woningbouw uit te lichten. Met dit doel is een afvaardiging van BZK aanwezig op de Expo real in München. Daarnaast werken we als lid van Holland Metropole samen met de verschillende grote steden en marktpartijen om investeringskansen in de Nederlandse woningbouw uit te dragen richting buitenlandse investeerders.
Kunt u bevestigen dat de opmerking over de vennootschapsbelasting in het in vraag 1 genoemde artikel de wijziging van het regime voor de fiscale beleggingsinstelling («fbi») per 1 januari 2025 betreft? Zo nee, op welke wetswijziging ziet de opmerking dan?
Het kabinet kan zich voorstellen dat hier wordt gedoeld op de wijziging van het fbi-regime. Het fbi-regime beoogt collectief beleggen te faciliteren door het voorkomen van extra belastingheffing op het niveau van de beleggingsinstelling ten opzichte van rechtstreeks beleggen. Met dit doel is de fbi subjectief belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting, maar wordt de winst belast tegen een tarief van 0%. Het uitgekeerde dividend naar de participanten in de fbi wordt in beginsel belast met dividendbelasting, met dien verstande dat de dividendbelasting in beginsel een voorheffing is op de inkomsten- of vennootschapsbelasting op het niveau van de aandeelhouder en ook verschillende tegemoetkomingen kent.5 Zo kan in voorkomende gevallen bijvoorbeeld een beroep worden gedaan op een vrijstelling of (gedeeltelijke) teruggaaf op basis van de wet of een belastingverdrag. Met ingang van 1 januari 2025 is het fbi-regime gewijzigd (de zogenoemde vastgoedmaatregel). De vastgoedmaatregel beoogt de fiscale behandeling van resultaten uit Nederlands vastgoed zo vorm te geven dat weer belasting kan worden geheven. Voordat deze wijziging van het fbi-regime was ingevoerd, was er sprake van twee heffingslekken, waarbij Nederland in een aantal grensoverschrijdende gevallen het heffingsrecht over Nederlands vastgoed niet kon effectueren.6
Als gevolg van de wijziging van het fbi-regime is het niet langer mogelijk voor een fbi om direct in Nederlands vastgoed te beleggen. Een lichaam dat direct in Nederlands vastgoed belegt, is met ingang van 1 januari 2025 in beginsel regulier vennootschapsbelastingplichtig.7 Anders gezegd: in de oude situaties betaalden sommige buitenlandse beleggers in beginsel dus geen belasting in Nederland over winsten uit Nederlands vastgoed, terwijl dit niet conform de bedoeling van de wet is. Met deze maatregel zijn buitenlandse investeerders in Nederlands vastgoed belastingplichtig voor de Nederlandse vennootschapsbelasting. Zodat buitenlandse investeerders (net als Nederlandse investeerders) ook belasting betalen over winst uit Nederlands vastgoed.
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling is omvorming naar een fiscaal transparante structuur genoemd als een werkbaar alternatief voor onder andere pensioenfondsen, klopt het dat voor buitenlandse (zowel EU als non-EU) pensioenfondsen het verkrijgen van een subjectieve vrijstelling voor de vennootschapsbelasting ingewikkeld is? Wat zijn de criteria en hoe toetst de Belastingdienst deze criteria?
Pensioenfondsen zijn in de regel subjectief vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling is voor het fiscaal neutraal beleggen in vastgoed voor pensioenfondsen het participeren in een voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant lichaam dat vastgoed houdt als alternatief genoemd voor het beleggen in een fbi. Een transparant lichaam is namelijk niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Omdat als gevolg van die transparantie vennootschapsbelasting wordt geheven op het niveau van de participanten, kunnen pensioenfondsen hun subjectieve vrijstelling blijven effectueren.8
Daarnaast merkt het kabinet op dat de Belastingdienst voornemens is te kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit nog actueel zijn en modernisering behoeven.9 Een eventuele modernisering van de voorwaarden vergt een nadere uitwerking en moet zorgvuldig gebeuren. Voor de pensioenfondsvrijstelling is en blijft (conform het wettelijke kader) van belang dat er sprake moet zijn van een buitenlandse pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden moeten dus worden bezien in het licht van de Nederlandse Pensioenwet. Een aanpassing die verder gaat dan een modernisering binnen het huidige wettelijke kader zou ertoe kunnen leiden dat buitenlandse «pensioenfondsen» onder de vrijstelling worden gebracht die als zij een Nederlands fonds waren geen recht zouden hebben op de pensioenfondsvrijstelling en meer lijken op een beleggingsfonds. Dat kan ook leiden tot budgettaire gevolgen in de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting.10
De subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting voor pensioenfondsen is gestoeld op i) de gedachte dat pensioenfondsen naar hun aard geen winst maken omdat hun resultaten steeds ten goede komen aan de uitkeringsgerechtigden, en ii) de maatschappelijke functie die deze fondsen kenmerkt, dat ziet op de verzorging van (gewezen) werknemers voor de gevolgen van ouderdom en ziekte op basis van solidariteit en collectiviteit.11 Naast Nederlandse pensioenfondsen, kunnen ook in het buitenland gevestigde pensioenfondsen (als zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenfondsen) zich beroepen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting. In het buitenland gevestigde pensioenfondsen zijn vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting, als zij zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden met het uitvoeren van pensioenregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met een Nederlandse pensioenregeling. In het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb12 zijn in onderdeel 3.1.1. cumulatieve criteria opgenomen aan de hand waarvan de Belastingdienst aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval toetst of een buitenlandse pensioenregeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet. Het toetsen daarvan kan voor buitenlandse pensioenfondsen bewerkelijk zijn, bijvoorbeeld omdat buitenlandse pensioenregelingen vaak niet exact overeenkomen met Nederlandse pensioenregelingen. In gesprek met het Ministerie van VRO meldt de sector dat het ontbreken van zekerheid over de vrijstelling in de Vpb tot afstel van investeringen leidt.
De voorwaarden vereisen onder andere dat het pensioenlichaam moet voldoen aan de werkzaamhedeneis13 en de winstbestemmingseis14 zoals opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Vpb 1971. Voor de pensioenregeling wordt onder andere als voorwaarde gesteld dat er sprake is van een verplichte deelname voor werknemers en een verplichte verzekering, dat de pensioenregeling voorziet in een ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en/of arbeidsongeschiktheidsverzekering en dat er – behoudens een kleine uitzondering – een afkoopverbod geldt. Dit onderdeel uit het beleidsbesluit bevat daarnaast een tweetal specifieke goedkeuringen ten aanzien van de begunstigden van de pensioenregeling en het afkoopverbod.
De voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn eveneens relevant voor buitenlandse pensioenfondsen die via een belang in Nederlandse vennootschappen inkomen genereren, zoals inkomen uit het beleggen in aandelen of vastgoed. Buitenlandse pensioenfondsen ontvangen dividenden uit deze Nederlandse vennootschappen. Ten aanzien van een buitenlands pensioenfonds mag onder voorwaarden inhouding van dividendbelasting achterwege blijven of wordt een teruggaaf verleend van de ingehouden dividendbelasting. Hierbij geldt onder meer als voorwaarde dat het buitenlandse pensioenfonds in Nederland een beroep zou kunnen doen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat er ook situaties bestaan waarin een belastingverdrag voorziet in een teruggaaf van dividendbelasting voor pensioenfondsen (bijvoorbeeld in de belastingverdragen met het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten). Voor een in deze landen gevestigd pensioenfonds, dat voldoet aan de voorwaarden die het belastingverdrag stelt, bestaat reeds op die grond een recht op teruggaaf van dividendbelasting.
Hoeveel verzoeken heeft de Belastingdienst hiervoor ontvangen en wat is hiervan de gemiddelde doorlooptijd? Welk aandeel van de verzoeken is toegewezen en welk aandeel van de verzoeken is afgewezen?
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen verzoeken om zekerheid vooraf over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting en verzoeken waarin door buitenlandse pensioenfondsen om een teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd.
Verzoeken om zekerheid vooraf vallen onder het internationale vooroverleg en moeten voldoen aan de daarvoor geldende eisen, zoals vastgelegd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter.15 Sinds de inwerkingtreding van dit besluit in 2019 zijn 30 verzoeken om vooroverleg over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting ontvangen. Hiervan zijn momenteel 9 verzoeken in behandeling. Van de 21 verzoeken die al zijn afgehandeld zijn er 9 toegewezen. De overige verzoeken zijn niet toegekend. Er zijn verschillende redenen waarom een verzoek niet wordt toegekend. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat er niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter of omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de subjectieve vrijstelling. De gemiddelde doorlooptijd van de toegewezen verzoeken bedraagt ruim een jaar.
Voor de verzoeken waarin om teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd, geldt dat informatie, waaronder het aantal verzoeken, de doorlooptijd en het aandeel toegewezen verzoeken, niet gestructureerd voorhanden is.
Maakt de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 het investeren in Nederlandse woningbouw minder aantrekkelijk voor buitenlandse (institutionele) investeerders, zoals buitenlandse pensioenfondsen, dan voor Nederlandse pensioenfondsen die een subjectieve vrijstelling genieten?
Met de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 wordt voorkomen dat in bepaalde gevallen geen Nederlandse belasting wordt geheven over winsten uit Nederlands vastgoed. Ondanks deze wijziging in het fbi-regime kunnen buitenlandse pensioenfondsen nog altijd fiscaal aantrekkelijk in Nederlands vastgoed investeren zolang wordt voldaan aan de criteria zoals beschreven in het antwoord op vraag 9. Zij genieten dan dezelfde vrijstelling voor de vennootschapsbelasting (en de dividendbelasting) als binnenlandse pensioenfondsen.
Zoals gezegd, is het fbi-regime aangepast met als doel de fiscale behandeling van resultaten uit Nederlands vastgoed evenwichtiger te maken, zodat buitenlandse investeerders die gebruik maakten van de heffingslekken met ingang van 1 januari 2025 ook belasting betalen over winst uit Nederlands vastgoed.16 Hiervoor wordt ook naar de beantwoording van vraag 8 verwezen. De wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 geldt voor zowel Nederlandse als voor buitenlandse (institutionele) beleggers. Door deze wijziging, ook wel de vastgoedmaatregel, is het een fbi niet langer toegestaan om direct te beleggen in Nederlands vastgoed. Daardoor kunnen pensioenfondsen niet langer fiscaal neutraal (onbelast) beleggen door te beleggen in een fbi. Het blijft voor zowel Nederlandse als voor buitenlandse (institutionele) beleggers mogelijk om (fiscaal neutraal) te participeren in een voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant lichaam dat vastgoed houdt, zoals uit de beantwoording van vraag 9 volgt. Een dergelijk transparant lichaam is namelijk niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. In beginsel is de achterliggende participant wel vennootschapsbelastingplichtig, tenzij deze een beroep kan doen op een vrijstelling. Het kabinet erkent dat het gevolg van het dichten van voorgaande heffingslekken ertoe leidt dat partijen die voorheen middels een fbi in vastgoed investeerden maar niet voor de pensioenfondsvrijstelling kwalificeren, daardoor met ingang van 1 januari 2025 ook regulier vennootschapsbelastingplichtig zijn geworden. Hierdoor ontstaat voor die partijen een hogere belastingdruk dan voorheen het geval was. Vanuit de sector wordt dan ook aangegeven dat de vastgoedmaatregelen ervoor hebben gezorgd dat het minder aantrekkelijk is voor buitenlandse investeerders om te investeren in Nederlandse huurwoningen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat in het verleden buitenlandse vastgoedbeleggers vooral betrokken waren bij commercieel vastgoed en slechts voor 2 procent van de investeringen via vastgoed-fbi’s bij investeringen in woningen betrokken waren.17
Welke alternatieven die zijn aangedragen tijdens het wetgevingsproces rondom de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 hadden voor minder impact op buitenlandse investeringen in Nederlandse woningbouw gezorgd? Waarom is bij het wetsvoorstel niet gekozen voor één van die alternatieven? In hoeverre zouden buitenlandse (private) investeringen de noodzaak voor publieke investeringen in de woningbouw kunnen vervangen?
Het kabinet Rutte IV heeft onder meer onderzoek gedaan naar alternatieve opties voor beursgenoteerde vastgoed-fbi’s.18 Uiteindelijk is niet voor deze opties gekozen. In plaats daarvan is ervoor gekozen de toepassing van het fbi-regime niet langer toe te staan in het geval een lichaam direct in Nederlands vastgoed belegt. De reden hiervoor is, kort gezegd, dat andere oplossingsrichtingen leiden tot een toenemende complexiteit en het voortbestaan van heffingslekken, dan wel niet snel genoeg dichten van de heffingslekken. Ook leiden deze alternatieven ertoe dat de geraamde budgettaire opbrengst lager uitvalt. Met de voorgestelde vastgoedmaatregel heeft het kabinet Rutte IV gekozen voor een robuuste oplossing om de heffingslekken in het fbi-regime te dichten.19 De woningbouwopgave in Nederland is groot: dat betekent dat we alle partijen nodig hebben die investeren, zowel buitenlandse en binnenlandse private investeringen als publieke investeringen.
Deelt u de mening dat dit probleem met «een paar pennenstreken» opgelost kan worden?
Nee, die opvatting deelt het kabinet niet. Het terugdraaien van de aanpassing van het fbi-regime zou betekenen dat in bepaalde gevallen buitenlandse investeerders al dan niet onbedoeld opnieuw Nederlandse belastingheffing zouden kunnen ontlopen. Dit acht het kabinet geen evenwichtige situatie. Alternatieve opties die destijds waren overwogen om het heffingslek te dichten, waren fiscaaltechnisch complexer of op korte termijn niet haalbaar, omdat dit bijvoorbeeld een aanpassing van belastingverdragen vergde. Een andere mogelijkheid zou zijn om een zogenoemd REIT-regime te introduceren. Het introduceren van een nieuw fiscaal regime is echter ook niet eenvoudig. In een Kamerbrief van 7 juni 2024 heeft het destijds zittende kabinet een aantal belangrijke aandachtspunten ten aanzien van een REIT-regime genoemd.20 De juridische houdbaarheid, rekening houdend met de Europeesrechtelijke aspecten, en uitvoerbaarheid zijn belangrijke onderdelen die moeten worden meegewogen. De vormgeving van een REIT-regime moet worden afgestemd op het doel dat ermee wordt beoogd en passen binnen de geldende (Europeesrechtelijke) kaders. Een REIT-regime moet voldoende waarborg bieden dat er geen heffingslekken ontstaan, zoals de heffingslekken in het fbi-regime die per 1 januari 2025 zijn gedicht. Daarnaast geldt dat het invoeren van een REIT-regime een tegemoetkoming is voor belastingplichtigen die daarom naar verwachting een budgettaire derving tot gevolg heeft die budgettair gedekt moet worden. Ook zou het invoeren van een REIT-regime een systeemwijziging bij de Belastingdienst vergen.21
Welke andere recent genomen fiscale maatregelen maken het potentieel minder aantrekkelijk om te investeren in Nederlandse woningbouw?
Recent zijn vooral maatregelen genomen die het fiscale klimaat verbeteren en het juist aantrekkelijker maken om te investeren in Nederlandse woningbouw, zie hiervoor de beantwoording op vraag 6. Daarvoor zijn enkele maatregelen genomen die het minder aantrekkelijk hebben gemaakt om te investeren. Per 1 januari 2023 is de overdrachtsbelasting voor woningen die niet door de koper als hoofdverblijf worden verhoogd naar 10,4%. Het vorige kabinet heeft dit percentage verlaagd naar 8% en het huidige kabinet is voornemens dit verder te verlagen naar 7%. In vergelijking met andere Europese landen is in Nederland de overdrachtsbelasting relatief hoog. Sinds 2023 geldt daarnaast dat vastgoed in box 3 wordt belast met behulp van een forfait. Dit zorgt voor een lastenverzwaring voor investeerders in vastgoed in box 3. In het nieuwe box 3-stelsel, met beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2028, wordt het werkelijke rendement belast. Bovendien geldt dan een vermogenswinstbelasting en hoeft daardoor pas op moment van vervreemding over de vermogenswinst belasting te worden afgedragen. Ook wordt het mogelijk om kosten af te trekken. Investeerders geven aan goed met het nieuwe stelsel uit de voeten te kunnen.
Kan de strenge Nederlandse implementatie van de earningsstrippingmaatregel uit ATAD 1 bijvoorbeeld een dempend effect hebben op investeringen in de woningbouw? Wat is de impact van het 8%-tarief in de overdrachtsbelasting voor woningen? Hoe verhoudt dit tarief zich tot andere EU-lidstaten waar buitenlandse investeerders kunnen investeren in de woningbouw en het EU gemiddelde op dit punt?
De earningsstrippingmaatregel betreft een generieke renteaftrekbeperking voor alle vennootschapsbelastingplichtigen. Door de earningsstrippingmaatregel kunnen financieringskosten (tijdelijk) hoger worden, waardoor het rendement op investeringen lager wordt.22 Belastingplichtigen, waaronder investeerders in woningbouw, wegen dit mee bij hun investeringsbeslissing. Echter, bij investeringsbeslissingen in woningbouw zijn ook andere factoren relevant.23 Het kabinet is niet bekend met recent kwantitatief onderzoek waaruit blijkt dat de earningsstrippingmaatregel een dempend effect heeft op investeringen in de woningbouw.
In 2021 is, mede naar aanleiding van de door de Kamer unaniem aangenomen motie Dik-Ronnes24 de overdrachtsbelasting gedifferentieerd. Het doel van deze differentiatie was om met name starters een betere positie te verschaffen ten opzichte van beleggers. Het algemene tarief is per 1 januari 2023 verhoogd van 8% naar 10,4% en recent, mede naar aanleiding van de evaluatie Wet differentiatie overdrachtsbelasting25, weer verlaagd naar 8% voor alleen woningen. Dit omdat uit deze evaluatie bleek dat de differentiatie en verhoging van het algemene ovb-tarief, samen met andere macro-economische ontwikkelingen (zoals de rentestand) en wijzigingen in het woon- en fiscaal beleid negatieve neveneffecten heeft gehad. Zo concluderen de onderzoekers dat de differentiatie van overdrachtsbelasting – tezamen met andere factoren – waarschijnlijk heeft geleid tot een langzamere groei van de huurwoningvoorraad. Ook wordt door de onderzoekers een neerwaarts effect op het rendement bij gebiedsontwikkeling, waaronder nieuwbouw, genoemd. Het huidige kabinet is voornemens het tarief verder te verlagen naar 7%, wat het investeringsklimaat positief beïnvloedt.
Het nieuwe tarief van 8% geldt sinds 1 januari 2026 voor alle verkrijgingen van woningen, met uitzondering van gevallen waarin het bestaande verlaagde tarief van 2% of een vrijstelling, zoals de startersvrijstelling, van toepassing is. Het doel van deze maatregel was om het aanbod van huurwoningen te vergroten door investeringen in woningen in de private, midden- en vrije huur te stimuleren. Daarnaast beoogde de maatregel de bouw van meer (private) huurwoningen te stimuleren door de uiteindelijke belastingdruk bij verkoop te verlagen. De verlaging is begin dit jaar van kracht geworden. Dit is te kort geleden om de impact op investeringen in huurwoningen te bepalen. Wel geldt dat het tarief van 8% een van de hoogste in de EU is.26 Voor nieuwbouw geldt in beginsel de samenloopvrijstelling waardoor geen overdrachtsbelasting geheven wordt (zie ook vraag 16).
In het recent verschenen rapport Investeringsklimaat Middenhuur27 concludeert SEO dat een verlaging van de overdrachtsbelasting een zeer beperkt positief effect heeft op het aantal aan- en verkopen in de bestaande voorraad. De omvang van het effect op de woningbouw is niet onderzocht door SEO. SEO wijst er op dat de hoogte van de overdrachtsbelasting invloed heeft op het rendement en de balanswaarde van beleggers en daarmee op de financieringscapaciteit en de bredere businesscase van nieuwbouw.
Speelt de omzetbelasting nog een rol bij nieuwe woningen? Hoe verhoudt de Nederlandse omzetbelasting zich bijvoorbeeld tot de Italiaanse omzetbelasting bij de verkoop van nieuwe woningen?
Ja. Italië hanteert verlaagde btw-tarieven en -vrijstellingen bij woningbouw, de details en voorwaarden van de Italiaanse omzetbelasting bij de verkoop van nieuwe woningen zijn mij niet bekend. In het algemeen geldt dat de verkoop van nieuwe woningen met btw belast is. Lidstaten hebben daarnaast de mogelijkheid om in te vullen onder welke voorwaarden een woning als nieuw kwalificeert. Daardoor kan de btw-behandeling bij de verkoop van nieuwe woningen per lidstaat verschillen, afhankelijk van nationale keuzes binnen de kaders van de Europese btw-richtlijn.28
In Nederland geldt dat bij de levering van woningen binnen twee jaar na de eerste ingebruikname het algemene btw-tarief van 21% van toepassing is. Bij de levering van woningen die langer dan twee jaar in gebruik zijn is geen btw verschuldigd maar overdrachtsbelasting. Ter voorkoming van dubbele heffing geldt bij btw-belaste leveringen de samenloopvrijstelling, waardoor in beginsel geen overdrachtsbelasting wordt geheven als er btw verschuldigd is.
De effecten van een verlaging van het btw-tarief op nieuwbouw in het kader van sociale huurwoningen is onderzocht in het IBO-rapport Op grond kun je bouwen. Rapport Op grond kun je bouwen Een verlaging van het btw-tarief op nieuwbouw in het kader van sociaal beleid verstrekte huisvesting kent omvangrijke juridische, uitvoerings- en budgettaire risico’s. Een verlaging heeft alleen direct effect wanneer sprake is van een rechtstreekse, btw-belaste levering van een nieuwe woning door de bouwer aan de koper. Bij andere constructies, zoals eigenbouw of de aankoop van een woning via een aandelentransactie, kan een verlaagd tarief doorgaans slechts worden toegepast op de prestaties van onderaannemers, waardoor het uiteindelijke effect op de woningprijs beperkt is. Op de lange termijn is een positief effect op woningprijzen ook afhankelijk van de mate waarin het btw-voordeel doorwerkt in de grondprijzen. Omdat de effecten van een btw-verlaging onzeker zijn, zou het nodig zijn economisch onderzoek te doen naar de impact, wat dit zou betekenen voor de nieuwbouw van sociale huurwoning en de effecten van een dergelijke maatregel.
De bestaande verlaagde btw-tarieven zijn recent geëvalueerd door Dialogic en Significant Public.29 Uit deze evaluatie volgt dat een btw-verlaging slechts in beperkte mate doeltreffend is en over het algemeen geen doelmatig instrument vormt. Ondernemers zijn niet verplicht om een btw-verlaging door te berekenen, waardoor onzeker is of een btw-verlaging daadwerkelijk wordt verrekend in lagere prijzen. Daarnaast kent de bouw van sociale huurwoningen een vrij hoge mate van inelasticiteit, waardoor het risico bestaat dat het voordeel neerslaat bij de grondeigenaar via hogere grondprijzen, terwijl de woningproductie slechts beperkt toeneemt.
Bereiken u in algemene zin signalen dat buitenlandse investeerders in toenemende mate afzien van het investeren in Nederlandse woningen vanwege in het recente verleden doorgevoerde, snel opvolgende wijzigingen in fiscale en juridische wet- en regelgeving en een als gevolg hiervan toenemende onvoorspelbaarheid van deze wet- en regelgeving voor deze buitenlandse investeerders?
Mij bereiken inderdaad signalen vanuit de markt dat de snel opeenvolgende wijzigingen in het huur en fiscale beleid hebben gezorgd voor instabiliteit en onvoorspelbaarheid. Investeerders geven al langere tijd aan dat langjarig en stabiel overheidsbeleid essentieel is voor een goed investeringsklimaat. Zoals in het coalitieakkoord is opgenomen, zet het kabinet zich in om de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen.
Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren? Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor binnenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren?
Voor een toelichting naar de plannen van het kabinet wordt verwezen naar het antwoord op vraag 6.
Kunt u in navolging op de Kamerbrief van uw ambtsvoorganger van 7 juni 2024, kamerstuknummer 2024-0000341126 een REIT-regime verder laten uitwerken?
In het SEO-rapport is geconcludeerd dat de doelmatigheid van een REIT-regime beperkt is. Het Kabinet neemt verschillende maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren, zie ook het antwoord op vraag 6. Uitwerking van het REIT-regime is op dit moment geen onderdeel van het kabinetsbeleid.
Het bericht ‘’De belastingen worden torenhoog!’ Hoe het Rijk Katwijk voor de kosten van Valkenhorst liet opdraaien’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen waarom het Rijksvastgoedbedrijf in een tijd van extreme woningnood als expliciete doelstelling heeft om «zwarte cijfers» te draaien, in plaats van maximale maatschappelijke waarde te realiseren?1
Het Rijksvastgoedbedrijf is als agentschap gebonden om te handelen binnen financiële kaders, waaronder een sluitende of budget-neutrale begroting. Dit betekent dat Rijksvastgoedbedrijf geen winstdoelstelling heeft. De term «zwarte cijfers» moet gelezen worden als geen verlies maken en/of tekort op de begroting toestaan. Daarbij heeft het Rijksvastgoedbedrijf opdracht om binnen dit kader in te zetten op het realiseren van maatschappelijk meerwaarde.
Deelt u de opvatting dat rijksgrond geen handelswaar zou moeten zijn, maar een publiek instrument om betaalbaar wonen mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja ik deel uw opvatting dat rijksgronden geen handelswaar zijn. Het Rijk zet de rijksgronden voor de brede gebiedsontwikkeling van Valkenhorst in als publiek middel om maatschappelijke meerwaarde te realiseren, waaronder de bouw van betaalbare woningen.
Waarom heeft het Rijk zich tijdens de onderhandelingen over Valkenhorst zo fel verzet tegen een hoger aandeel sociale huur en betaalbare koopwoningen, terwijl juist in deze segmenten de woningnood het grootst is?
Het door u geschetste beeld herken ik niet. Het Rijk heeft zich niet verzet tegen het bouwen van betaalbare woningen. De wensen en eisen van de gemeente ten aanzien van de programmering («de woningmix») en de financiële kaders en maatschappelijke doelstellingen van het Rijk waren uitgangspunt bij de toenmalige overleggen. Mijn voorganger heeft uw Kamer hier op 23 september 2022 (Kamerstuk 2022Z14057) over geïnformeerd.
Is het volgens u wenselijk dat het Rijk winst maakt op dure randstadgrond, terwijl gemeenten en inwoners worden geconfronteerd met hogere schulden, stijgende lokale belastingen en bezuinigingen op voorzieningen?
De veronderstelling dat winst wordt gemaakt door Rijksvastgoedbedrijf met de grondexploitatie is onjuist. Het Rijksvastgoedbedrijf handelt als agentschap binnen het beleidskader dat de grondexploitatie financieel neutraal is. Dit impliceert dat er geen sprake is van een winstoogmerk voor het Rijksvastgoedbedrijf bij gebiedsontwikkeling.
Hoe verhoudt deze winstlogica zich tot de grondwettelijke en maatschappelijke opdracht van de overheid om het recht op wonen te waarborgen?
Zie antwoord op vraag 4.
Waarom heeft het Rijksvastgoedbedrijf geweigerd om financiële berekeningen te delen met de gemeente Katwijk, terwijl diezelfde gemeente wel onder zware tijdsdruk moest instemmen met een overeenkomst met grote financiële risico’s?
Het Rijksvastgoedbedrijf heeft een transparante verstandhouding met de gemeente Katwijk en heeft zodoende de financiële berekeningen van de gebiedsontwikkeling Valkenhorst met de gemeente Katwijk gedeeld. In de beginfase van de gebiedsontwikkeling is de grondexploitatie zelfs gezamenlijk met de gemeente opgesteld. Destijds had de gemeente het voornemen om financieel te participeren in de grondexploitatie. Later heeft de gemeente de keuze gemaakt om over te stappen naar faciliterend grondbeleid voor Valkenhorst. Ook toen is het Rijksvastgoedbedrijf transparant gebleven en heeft zij inzage in de grondexploitatie van Valkenhorst gegeven. Ook is er nog steeds sprake van frequent constructief en open overleg tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente Katwijk. Onderdeel van die bespreking betreft de kwalitatieve, kwantitatieve en financiële kaders van de gebiedsontwikkeling. Het Rijksvastgoedbedrijf verschaft daarbij, op basis van vertrouwelijkheid, inzage in de onderliggende (financiële) gegevens van de gebiedsontwikkeling.
Vindt u het democratisch en bestuurlijk verantwoord dat Katwijk onder dreiging van provinciale overname binnen twee weken moest tekenen voor een overeenkomst die lokaal wordt omschreven als een «wurgcontract»?
Ik herken mij niet in het geschetste beeld. Het proces om overeenstemming te bereiken tussen het Rijk, de provincie en de gemeente heeft destijds geruime tijd geduurd omdat verschillende eisen, wensen en uitgangspunten van genoemde partijen bij elkaar moesten worden gebracht. Resultaat van dit grondige proces is dat sinds 2020 er bestuurlijk afspraken en een samenwerkingsovereenkomst van kracht zijn, die door alle partijen worden gedragen.
Waarom ontvangt Katwijk slechts beperkte rijksbijdragen voor infrastructuur, groen en scholen, terwijl het Rijk bij vergelijkbare grootschalige woningbouwprojecten wél tientallen miljoenen euro’s bijdraagt?
De gemeente Katwijk heeft vele rijksbijdragen ontvangen van het Rijk. In de afgelopen jaren zijn omvangrijke investeringen gedaan door het Rijk (en de provincie) in infrastructurele maatregelen en versterking van de natuur. Het Rijk heeft investeringen gedaan aan de Rijnland-route ad 513 miljoen euro en aan de HOV corridor Zuid-Holland Noord ad 180 miljoen euro (waarvan 24 miljoen euro aan de buscorridor Leiden-Katwijk-Noordwijk). De gemeente ontvangt daarnaast op basis van wettelijk kostenverhaal circa 30 miljoen euro en een bijdrage van 20 miljoen euro als vergoeding van historische plankosten. Vanuit mijn ministerie is tevens een Woningbouw Impuls-subsidie van 6,9 miljoen euro verstrekt aan de gemeente om de financiële tekorten van fase 1 van gebiedsontwikkeling Valkenhorst te bekostigen.
Hoe verklaart u dat het Rijk voor de ontwikkeling van de Gnephoek in Alphen aan den Rijn een eenmalige bijdrage van ruim 60 miljoen euro beschikbaar stelt om financiële tekorten te dekken, terwijl Katwijk bij Valkenhorst grotendeels zelf moet opdraaien voor een tekort dat kan oplopen tot circa 120 miljoen euro?
De beide gemeenten dragen zelf financieel bij aan binnen- en bovenplanse plankosten, die niet-wettelijk verhaalbaar zijn op de grondeigenaar of ontwikkelaar. Gemeenten dragen zelf zorg voor de aanleg van gemeentelijke voorzieningen zoals sport en onderwijs. De bekostiging daarvan loopt via de gemeentelijke begrotingen. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Welke inhoudelijke redenen rechtvaardigen volgens u dit verschil in behandeling tussen Valkenhorst en de Gnephoek, gelet op de vergelijkbare omvang van beide projecten en de woningbouwopgave?
Voor beide gebiedsontwikkelingen geldt dat het Rijk forse bijdragen heeft gedaan aan aanpalende investeringen op gebied van infrastructuur en een tekort op de gebiedsontwikkeling.
Is het volgens u redelijk dat gemeenten miljoenen moeten lenen om rijksgrond bouwrijp te maken, terwijl de structurele baten grotendeels bij het Rijk terechtkomen?
Het Rijksvastgoedbedrijf zorgt zelf voor het bouwrijp maken van Valkenhorst en draagt hiervan de kosten. De gemeente doet hiervoor geen investering (en hoeft dan ook niet te lenen).
Deelt u de zorg dat het begrip «betaalbaar wonen» bij Valkenhorst feitelijk is uitgehold, doordat koopwoningen tot ruim vier ton als betaalbaar worden aangemerkt? Voor welke inkomensgroepen acht u deze woningen daadwerkelijk bereikbaar?
Nee, voor Valkenhorst worden naast sociale- en middensegment huurwoningen ook koopwoningen gebouwd tot aan de betaalbaarheidsgrens. In mijn Kamerbrief van 8 oktober 2025 (Kamerstuk 32 847, nr. 1381) heb ik aangegeven dat de betaalbaarheidsgrens in 2026 is vastgesteld op EUR 420.000 en dat deze koopwoningen betaalbaar zijn voor tweeverdieners met een inkomen van maximaal twee keer modaal.
Wat vindt u ervan dat Katwijk, ondanks de enorme financiële bijdrage, geen structurele voorrang mag geven aan eigen inwoners bij de toewijzing van sociale huurwoningen, en wat doet dit volgens u met het lokale draagvlak voor woningbouw?
De gemeente ontvangt rijksbijdragen zoals toegelicht bij beantwoording van 8. Bovendien geldt dat in de regio Holland-Rijnland, waar de gemeente Katwijk binnen valt, een regionale huisvestingsverordening van kracht is. De gemeente kan bovendien lokaal maatwerk toepassen met een gemeentelijke huisvestingsverordening. Op basis hiervan kan de woningcorporatie bij het toewijzen voorrang verlenen aan inwoners van de gemeente voor sociale huurwoningen in Valkenhorst.
Is de Minister van mening dat de ontwikkeling van Valkenhorst in lijn is met de aangenomen motie-Beckerman c.s., die de regering oproept om bij woningbouw door het Rijksvastgoedbedrijf minstens twee derde van de woningen betaalbaar te realiseren, terwijl dit aandeel bij Valkenhorst circa 36% bedraagt?
In de Kamerbrief van 20 maart 2024 (Kamerstuk 32 847, nr. 1159) heb ik u geïnformeerd over het onderzoek dat het Rijksvastgoedbedrijf in september 2023 heeft uitgevoerd naar de woningbouwmogelijkheden voor Valkenhorst. Het bestemmingsplan «Woongebied Valkenhorst» was toen al door de gemeenteraad vastgesteld en in procedure gebracht. Dit bestemmingsplan is onlangs onherroepelijk geworden.
De gemeente en het Rijksvastgoedbedrijf zijn momenteel in overleg om kansen en mogelijkheden te verkennen om het eerder vastgestelde aandeel van betaalbare woningen (in het bestemmingsplan) verder te verhogen.
Bent u bereid om, naar analogie van de rijksbijdrage aan de Gnephoek, met de gemeente Katwijk in overleg te treden over een substantiële aanvullende financiële bijdrage, zodat niet de huidige inwoners via hogere belastingen opdraaien voor de kosten van rijksbeleid?
Het Rijk heeft, zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 8 en 9, bijgedragen aan diverse bovenplanse plankosten – zoals bijdrage aan infrastructuur en natuur – van de gebiedsontwikkeling Valkenhorst. Het bijdragen aan maatschappelijke doelen is een vast onderdeel van de afstemming tussen de gemeente Katwijk en het Rijksvastgoedbedrijf over de verdere ontwikkeling van Valkenhorst. Dit overleg past ook binnen het beleid van Rijksvastgoedbedrijf om maatschappelijke meerwaarde te creëren bij gebiedsontwikkeling van Rijksgronden.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om alsnog tot een rechtvaardiger verdeling van kosten en opbrengsten bij Valkenhorst te komen, waarbij betaalbaar wonen en publieke belangen zwaarder wegen dan winst voor het Rijk?
De verdeling van kosten en opbrengsten is tot stand gekomen binnen de wettelijke financiële- en juridische kaders, waarbinnen het Rijksvastgoedbedrijf moet handelen (zoals aangegeven in antwoord op de vragen 1, 2 en 4). Binnen deze kaders zet het Rijk de rijksgronden in als publiek middel om maatschappelijke doelen te realiseren, waaronder betaalbare woningen. Ik zie geen aanleiding om de huidige verdeling van kosten en opbrengsten te heroverwegen, omdat deze in lijn is met de geldende afspraken met gemeente Katwijk en vigerende wetgeving. Wel blijft het Rijksvastgoedbedrijf met de gemeente Katwijk in gesprek over hoe het binnen het bestaande kader kan bijdragen aan meer betaalbaar wonen en (eventuele) andere publieke belangen.
De misstanden en onveiligheid in het wooncomplex Stek Oost met statushouders |
|
Simon Ceulemans (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
David van Weel (VVD), Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Stek Oost, waaronder de artikelen in het Parool en op AT5 waaruit blijkt dat woningcorporatie Stadgenoot al jaren wil stoppen met het gemengd wonen van statushouders en jongeren in Stek Oost vanwege ernstige onveiligheid, maar dat de gemeente Amsterdam dit heeft tegengehouden?1 2
Ja.
Kunt u een volledig feitenrelaas geven over de situatie in Stek Oost sinds de start in 2018, inclusief het aantal bewoners (onderscheid statushouders/jongeren) per jaar, de aard en ernst van de incidenten, het aantal meldingen bij politie, het aantal aangiften en het aantal huisuitzettingen?
Stek Oost is gestart in 2018 als tijdelijk woon- en gemeenschapshuisvestingproject, waar Amsterdamse jongeren en statushouders in hetzelfde complex wonen. In 250 zelfstandige studio’s werden deze doelgroepen aan elkaar gekoppeld, waar de jongeren zich inzetten om de statushouders te ondersteunen. Bij de start was er een verhouding van 50% statushouders en 50% Amsterdamse jongeren.
Op 20 januari 2026 heeft gemeenteraadslid Von Gerhardt (VVD) in Amsterdam schriftelijke vragen gesteld aan het college van burgemeester en wethouders.3 Bij de beantwoording van deze vragen op 2 februari 2026, is in een bijlage ook een tijdlijn aangeleverd van gebeurtenissen op Stek Oost tussen 2018 en 2025.4 Hierbij geeft het college aan dat incidenten in deze tijdlijn «zeer ernstige en acute incidenten met een directe, grote impact op de omgeving betreft» en dat «reguliere zorg- en overlastmeldingen daar niet onder vallen».
In deze tijdlijn staan tussen 2018 en 2025 meerdere ernstige incidenten beschreven, zoals: steekincidenten, meldingen en aangifte van zedendelicten en veroordeling van een toenmalig bewoner van Stek Oost voor een zedendelict. Verder staat in de tijdlijn onder meer beschreven:
Voor de volledige tijdlijn verwijs ik naar de beantwoording van de schriftelijke vragen aan het college van Amsterdam van 2 februari in het raadsinformatiesysteem van de gemeente Amsterdam.5
De berichtgeving en beschikbare stukken schetsten een beeld van meerdere heftige incidenten en ik leef mee met eenieder die slachtoffer is geworden van dergelijke incidenten. Je thuis moet een veilige plek zijn.
Klopt het dat er in een periode van circa anderhalf jaar minimaal twintig aangiften zijn gedaan door bewoners en oud-bewoners, onder meer wegens aanranding, geweld, steek- en vechtpartijen, stalking, diefstal, LHBTIQ+-gerelateerde intimidatie en andere vormen van grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, wat zijn dan de exacte aantallen per delictcategorie sinds de start van het project?
Voor de volledige tijdlijn verwijs ik naar de beantwoording van de schriftelijke vragen aan het college van Amsterdam van 2 februari in het raadsinformatiesysteem van de gemeente Amsterdam.
Hoe beoordeelt u het oordeel van Stadgenoot dat de veiligheid in Stek Oost niet gegarandeerd kon worden en dat de corporatie daarom heeft willen stoppen met het gemengd wonen op deze locatie?
Dit gaat om gesprekken die hebben plaatsgevonden tussen de gemeente en de corporatie, het Ministerie van VRO heeft hier geen rol in gespeeld.
Deelt u de zorg dat de gemeente Amsterdam, door beëindiging van het gemengd wonen in Stek Oost tegen te houden, de veiligheid van (met name vrouwelijke en LHBTIQ+-) Nederlandse bewoners en andere omwonenden ondergeschikt heeft gemaakt aan haar eigen beleidsdoel om statushouders gemengd te huisvesten?
Ik beschik niet over voldoende informatie om hierover een inhoudelijk oordeel te geven. Het gemeentebestuur van Amsterdam geeft aan dat de wettelijke taakstelling om statushouders te huisvesten nooit doorslaggevend is geweest bij afwegingen die zijn gemaakt over Stek Oost. Bij incidenten is gehandeld zoals zij dat altijd en overal doen. Er is daarbij steeds gekeken naar wat nodig was en er zijn maatregelen genomen om de leefbaarheid en veiligheid voor de bewoners van Stek Oost te verbeteren.
Voor een nadere toelichting verwijs ik naar de raadsinformatiebrief van de Gemeente Amsterdam van 16 februari 20266.
Heeft u of uw voorgangers signalen ontvangen van Stadgenoot, bewoners, politie, de Arbeidsinspectie of andere instanties over structurele onveiligheid en overlast in Stek Oost en vergelijkbare projecten? Zo ja, om welke signalen ging het concreet, op welke data zijn deze signalen ontvangen en welke acties zijn daarop door het Rijk ondernomen?
Er zijn mij geen signalen bekend vanuit genoemde partijen richting mij of mijn voorgangers over de situatie op Stek Oost.
Kunt u een overzicht geven van alle gemengde wooncomplexen in Nederland waar statushouders samen met Nederlandse jongeren of andere doelgroepen wonen, uitgesplitst naar gemeente, omvang (aantal bewoners) en samenstelling (percentage statushouders)?
Nee, ik heb geen totaaloverzicht van gemengde wooncomplexen tot mijn beschikking. Er zijn allerlei manieren waarop gemengde wooncomplexen tot stand komen, dit is een lokale aangelegenheid. Wel geldt voor projecten die met de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen tot stand komen, een eis om 30% van de woningen in het project te reserveren voor statushouders of Oekraïense ontheemden. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om deze eis buiten het SFT project in te vullen door elders in de gemeente woningen voor deze groep beschikbaar te stellen.
In hoeveel van deze complexen zijn de afgelopen vijf jaar incidenten geregistreerd die betrekking hebben op geweld, zedendelicten, intimidatie/stalking, drugshandel, ernstige overlast en LHBTIQ+-gerelateerde discriminatie of geweld? Kunt u dit per complex en per delictcategorie specificeren, inclusief aantallen meldingen en, voor zover bekend, het aantal incidenten waarbij LHBTIQ+-bewoners betrokken waren als slachtoffer?
Hier heb ik geen informatie over.
Erkent u dat de combinatie van een grote schaal, een hoge concentratie statushouders (circa 50% of meer) en een relatief homogene groep statushouders (zelfde herkomstlanden, leeftijd, alleenstaande mannen) een belangrijke risicofactor is voor onveiligheid en mislukte integratie, zoals onder meer door Stadgenoot is geschetst? Zo nee, waarom niet?
Laat ik vooropstellen dat ik het voor de slachtoffers en overige bewoners van Stek Oost verschrikkelijk vind wat er gebeurd is. Ik wil echter geen algemene conclusies trekken over dat de genoemde factoren per definitie maken dat dit leidt tot onveiligheid en mislukte integratie, of dat statushouders per definitie voor overlast of onveiligheid zouden zorgen. Veel statushouders gedragen zich als een goede huurder en er zijn verschillende goede en geslaagde voorbeelden van soortgelijke woonprojecten. Het is hierbij belangrijk te kijken naar de randvoorwaarden die aanwezig zijn, zoals de opzet van het complex en aanwezigheid van sociaal beheer en ondersteuning.
Hoe waarborgt u dat Nederlandse jongeren, studenten en starters niet opnieuw in feitelijk onveilige pilotprojecten of experimenten terechtkomen, waarbij zij als het ware proefpersonen zijn voor integratiebeleid en de nadelige gevolgen van verkeerde beleidskeuzes dragen?
Gezien de ernst van de incidenten op Stek Oost, begrijp ik de ontstane onrust. Er zijn echter, ook binnen de gemeente Amsterdam, meerdere gemengd wonen projecten bekend die wel goed functioneren. Inmiddels zijn er lessen geleerd en procedures en werkwijzen bij gemeenten aangepast. Daarnaast zet ik in op meer sociaal beheer, onder andere door de aanpassing van de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT+), waarbij gemeenten nu ook een bijdrage van € 6.000 (bij zelfstandige woonruimte) of € 4.000 (bij onzelfstandige woonruimte) per woonruimte voor sociaal beheer ontvangen.
Bent u, gelet op de jarenlange signalen over ernstige onveiligheid in Stek Oost en andere gemengde wooncomplexen en de waarschuwingen van woningcorporaties, bereid bewoners, in het bijzonder vrouwelijke en LHBTIQ+-bewoners, die daar slachtoffer zijn geworden van zedenmisdrijven, geweld, stalking of andere ernstige feiten te compenseren en/of hen prioritaire toegang tot andere, wél veilige huisvesting te geven, bijvoorbeeld door hen een vorm van urgentie of voorrang bij herhuisvesting toe te kennen?
Hiertoe heb ik geen mogelijkheden. Het toekennen van urgentie of voorrang bij herhuisvesting is een keuze die de gemeente samen met de corporatie kan maken.
Hoe verhouden de ervaringen en incidenten bij gemengde complexen zoals Stek Oost zich tot het wetsvoorstel om de voorrang voor statushouders in de sociale huur te schrappen en gemeenten te stimuleren om «doorstroomlocaties' te openen waar ook andere woningzoekenden een plek kunnen krijgen? Acht u het, in het licht van de misstanden in Stek Oost en andere projecten, verantwoord om juist dit type gemengde, tijdelijke woonvormen als oplossing te presenteren en welke extra waarborgen voor veiligheid, in het bijzonder voor vrouwen en LHBTIQ+-bewoners, bent u voornemens hierin wettelijk vast te leggen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid een onafhankelijke, landelijke evaluatie te laten uitvoeren van alle gemengde woonprojecten met statushouders, inclusief de veiligheidssituatie en ervaringen van bewoners, op basis daarvan scenario’s uit te werken waarin met gemengde projecten wordt gestopt of deze drastisch worden beperkt tot kleinschalige, strikt gereguleerde initiatieven en de Kamer hierover uiterlijk vóór het zomerreces 2026 te informeren?
Nee, dit blijft een lokale afweging. Wel probeer ik op de hoogte te blijven van ontwikkelingen rondom gemengd wonen en kijk ik waar mogelijk aanvullend beleid voor nodig is.
Wilt u deze vragen uiterlijk maandag 2 februari 2026, één voor één beantwoorden?
In verband met de benodigde afstemming met partijen is dit niet gelukt.
(duurzaamheids) eisen aan de woningbouw. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van ABN AMRO genaamd «Housing market monitor – Energy transition» uit augustus 2025 waarin onder andere wordt gesteld dat de Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG)-eisen leiden tot hogere bouwkosten en daarmee tot hogere huizenprijzen?1
Ja.
Kan u aangeven in hoeverre dit soort duurzaamheidseisen de bouwkosten per woning verhogen?
Bij de implementatie van de BENG-eisen zijn destijds de financiële gevolgen in kaart gebracht. Kortheidshalve verwijs ik naar het rapport waarin dit is onderbouwd. https://www.internetconsultatie.nl/wijziging_bouwbesluit_2012_ivm_beng_2020/document/4333
In hoeverre is er bij de invoering van BENG en aanverwante eisen rekening gehouden met de effecten op de bouwkosten en huizenprijzen?
Bij alle extra eisen in de bouwregelgeving wordt het effect op de bouwkosten meegewogen. Het is evident dat de BENG-eisen leid(d)en tot hogere bouwkosten dan de nul-optie, waarin de energiezuinigheid niet wordt verhoogd. Maar tegelijkertijd wordt de gebruiker van een gebouw gecompenseerd door een structureel lagere energierekening: de investeringen worden bij normaal gebruik terugverdiend binnen de daarvoor gestelde termijn. En met de onzekere energieprijzen op de wereldmarkt en leveringszekerheid is energiebesparing nodig. Daardoor sloeg en slaat de weging positief uit.
De bouwkosten en huizenprijzen worden naast extra duurzaamheidseisen natuurlijk ook bepaald door andere economische variabelen, zoals renteontwikkeling, inflatie, lonen, vraag naar woningen, wereldmarktprijzen voor bouwmaterialen en lokale grondprijzen. Deze kennen gezamenlijk een groter effect.
Deelt u de mening dat hogere bouwkosten als gevolg van duurzaamheidseisen vooral terechtkomen bij kopers en huurders?
De hogere kosten bij nieuwbouw moeten afgewogen worden tegen de lagere kosten door minder energiegebruik tijdens het gebruik van een woning. Bij de implementatie van energetische verduurzamingseisen wordt gewerkt met kostenoptimalisatiestudies2 om de technische haalbaarheid vast te stellen en de kosten in lijn te brengen met de energiebesparing. Op deze manier blijven de kosten van verduurzaming economisch verantwoord. Deze bepaling van kostenoptimaliteit is een regulier onderdeel bij de implementatie van de Europese richtlijn energieprestatie gebouwen, waar de BENG-eisen uit voortvloeien.
Indien uw antwoord op vraag 4 erkennend luidt, acht u dit dan wenselijk in de huidige woningmarkt?
Zie antwoord vraag 4.
Kan u aangeven hoeveel projecten sinds 2021 alleen nog rendabel zijn door subsidies of aanvullende overheidsbijdragen, juist vanwege aangescherpte duurzaamheidseisen?
In algemene zin worden vanuit het Rijk geen subsidie of aanvullende overheidsbijdragen in nieuwbouwprojecten verstrekt voor de zaken, die verplicht zijn in de bouwregelgeving op het terrein van duurzaamheid. De nieuwbouweisen op het terrein van energiezuinigheid (BENG) zijn daarnaast kostenoptimaal.
Acht u het wenselijk dat woningbouw steeds afhankelijker wordt van subsidies om aan wettelijke eisen te kunnen voldoen?
Zie vraag 6.
Kan u aangeven in hoeverre strengere duurzaamheidsregels hebben geleid tot vertraging/uitstel of afstel van woningbouwprojecten?
Mij is niet bekend dat woningbouwprojecten vertraagd of uitgesteld zijn vanwege duurzaamheidseisen aan de woningbouw. In mijn antwoord op vraag 3 heb ik al aangegeven dat naast bouwkostenstijging ook andere economische variabelen effecten hebben op de doorlooptijd van het ontwikkel- en bouwproces. Daarnaast bepaalt in de praktijk het vergunningsverleningsproces de doorlooptijd.
Kan u inzicht geven in de extra doorlooptijd van vergunningstrajecten als gevolg van aanvullende duurzaamheidsberekeningen en rapportageverplichtingen?
Een initiatiefnemer toont het voldoen aan duurzaamheidseisen bij vergunningstrajecten aan met een energieprestatieberekening en een milieuprestatieberekening. Deze berekeningen zijn zo ingericht dat deze tijdens het ontwerp en vergunningproces uitgevoerd kunnen worden met de dan beschikbare gegevens van het gebouw. Er is daardoor geen of een minimale extra doorlooptijd. Ook de beoordeling van deze eisen is volledig geïntegreerd in het vergunningsproces en leidt niet tot extra doorlooptijd.
Kan u aangeven in hoeverre de duurzaamheidseisen bijdragen aan het verschuiven van woningbouw naar hogere prijssegmenten, ten koste van betaalbare woningen?
De duurzaamheidseisen zijn geformuleerd in termen van prestatie-eisen aan een bouwwerk. Deze prestatie-eisen zijn voor het betaalbare segment gelijk aan die voor het duurdere segment. Duurzaamheidseisen leiden tot extra bouwkosten voor gebouwen, maar in vergelijkbare mate voor betaalbare woningen en hogere prijssegmenten. Ook zijn de duurzaamheidseisen erop afgestemd dat deze door de bewoner terugverdiend worden.
Hoe verhoudt de verplichting tot bijna energieneutrale en straks emissievrije nieuwbouw zich volgens u tot de urgente woningnood, en acht u het wenselijk dat klimaatdoelstellingen voor nieuwbouw zwaarder wegen dan het realiseren van voldoende en betaalbare woningen?
Het realiseren van voldoende en betaalbare woningen is een prioriteit in mijn beleid. Daarnaast is ook het behalen van klimaatneutrale nieuwbouw, vanaf 2030, van groot belang. Een betaalbare energierekening en nationale energiezekerheid, vanwege de geopolitieke situatie, spelen daarbij een even grote rol. Bij het vaststellen van eisen houd ik er rekening mee dat zowel voldoende betaalbare woningen als een klimaatneutrale gebouwvoorraad naast elkaar haalbaar moeten zijn.
Kan u concreet aangeven hoeveel extra woningen er jaarlijks sinds 2021 gebouwd hadden kunnen worden als deze eisen er niet of minder streng waren?
Nee, zie ook het antwoord op vraag 8.
Bent u het eens dat vooral kleinere ontwikkelaars onevenredig hard worden geraakt door dit soort duurzaamheidseisen?
Regelgeving verandert regelmatig en alle ontwikkelaars moeten zich verdiepen in de eisen die gesteld worden. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de BENG-eisen in 2018 heeft intensief nader overleg met het MKB plaatsgevonden, om na te gaan of en zo ja welke specifieke aandachtspunten er voor de MKB’ers zijn.
Het gaat zowel om deelname van het MKB aan de klankbordgroep BENG en de begeleidingscommissie Kostenoptimaliteit-BENG, als om deelname aan de Juridisch Technische Commissie en het Overlegplatform Bouwregelgeving. Ook zijn de reacties in het kader van de internetconsultatie voor een groot deel afkomstig van het MKB. De inbreng van het MKB over de uitvoeringsmodaliteiten is meegewogen, juist om de uitvoerbaarheid te borgen.
Bent u bereid zich te verzetten tegen bestaande en nieuwe EU-wetgeving die het invoeren van duurzaamheidseisen verplicht stelt?
Ik beoordeel elk voorstel voor nieuwe wetgeving vanuit Europa op zijn merites en handel daarnaar. Natuurlijk ben ik extra gespitst op voorstellen, die de woningbouwopgave mogelijk belemmeren of vertragen. Daar wordt al jarenlang kritisch naar gekeken en dat zal ik ook blijven doen. Verder is ook in Europees verband opgeroepen om te komen tot het schrappen van tegenstrijdig en overbodige eisen in Europese regelgeving. Met de Europese Strategy for Housing Construction en het Affordable Housing Plan worden stappen in de goede richting gezet.
Indien het antwoord op vraag 14 erkennend luidt, op welke wijze wilt u zich dan verzetten?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid om dit soort duurzaamheidseisen af te schaffen of (tijdelijk) te versoepelen om de woningbouw te versnellen?
Voor de versnelling van de woningbouw ben ik nu bezig met de uitvoering van het programma STOER. Met de brief van mijn ambtsvoorganger d.d. 10 oktober 2025, over het advies van de commissie STOER, is uw Kamer hierover geïnformeerd.
Kan u toezeggen dat bij toekomstige aanscherpingen van duurzaamheidseisen expliciet wordt getoetst op de effecten voor bouwkosten en huizenprijzen?
Ja. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 en 5 is een kostenoptimaliteitsstudie een standaard onderdeel van het wetgevingsproces voor duurzaamheidseisen.
Nieuwe problemen met vergoedingen voor gedupeerden |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
van Marum |
|
|
|
|
De SP is in bezit van een document van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) waarin staat dat de vaste vergoeding voor zelf aangebrachte voorzieningen (hierna: ZAV) in 2026 6.500 euro zal bedragen, woningbouwcorporatie Wierden en Borgen heeft dit ook aan huurders verteld. Klopt het dat deze aangekondigde hogere vergoeding nu niet doorgaat? Waarom is hiervoor gekozen?
Deelt u onze mening dat het wrang is dat sommige huurders al te horen hebben gekregen dat de forfaitaire ZAV vergoeding verhoogd zou worden en nu niet het bedrag krijgen dat hen in het vooruitzicht is gesteld?
Bent u bereid de forfaitaire ZAV vergoeding alsnog te verhogen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Welke andere vergoedingen worden in 2026 niet geïndexeerd? Kunt u voor alle vergoedingen bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de NCG aangeven welke indexatie er plaatsvindt?
Het IMG indexeert elk jaar de bouwkosten en bij NCG kunnen de bouwkosten tot aan de start van de bouw geïndexeerd worden door aannemers en wordt periodiek de Groninger Maatregelen Catalogus geïndexeerd. Als het gaat om de vergoedingen die mensen ontvangen in het kader van schade door versterken (NCG) of bijkomende kosten (IMG), maak ik jaarlijks een afweging met betrekking tot indexatie van de verschillende vergoedingen. Het gaat hier om de vergoedingen waarvoor een vast bedrag is vastgesteld in bijlage 2.2 van de Regeling Tijdelijke wet Groningen.
Alle vergoedingen uit de lijst in bijlage 2.2 worden dit jaar geïndexeerd met 3,27%. Uitzonderingen hierop zijn de forfaitaire ZAV-vergoeding, de vergoeding voor eigen tijd en lang wachten op een opgeleverde versterkte woning (maatregel 16) en de vergoeding om de verschillen recht te trekken tussen eigenaren en huurders ten aanzien van de overlastvergoeding voor de versterking (maatregel 12b). De vergoeding voor het thuisblijven tijdens de schadeopname en het schadeherstel kan jaarlijks door het IMG wordt geïndexeerd op basis van het minimumloon.
De reden waarom de ZAV-vergoeding niet wordt geïndexeerd heeft te maken met de eerder genoemde verkenning van mogelijkheden om het forfaitaire bedrag te verhogen. Maatregel 16 is een eenmalige vergoeding van € 2.500. Deze vergoeding is niet gekoppeld aan bepaalde kosten die aan inflatie onderhevig zijn en wordt daarom niet geïndexeerd. Maatregel 12b is bedoeld als vergoeding voor tijd en overlast uit het verleden, waardoor jaarlijkse indexatie niet in de rede ligt. Bij regelingen van het IMG met een maximale vergoeding, zoals de forfaitaire vergoedingen en immateriële schadevergoeding, wordt deze maximale vergoeding niet geïndexeerd. Ook wordt de waardedalingsregeling niet geïndexeerd.
De wijziging in de Regeling Tijdelijke wet Groningen, waarin deze indexatie van 3,27% terugwerkende kracht tot 1 januari wordt geregeld, is op 21 januari gepubliceerd in de Staatscourant.1
Klopt het dat bewoners in Tjamsweer tijdens een presentatie over de sloop van hun woning beloofd is dat ze in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor zelf aangebrachte voorzieningen en nu alsnog een afwijzing van de NCG krijgen?
Ja, dit klopt.
Waarom komen deze bewoners niet in aanmerking voor de ZAV regeling van de NCG?
De aanpak in Tjamsweer betreft een aanpak voor het dempen van onaanvaardbare verschillen. Zoals ik in mijn brief van 19 september 20252 heb aangegeven horen bij deze aanpak ook de juiste vergoedingen. Hiervoor ontbreekt echter de juiste grondslag in de wetgeving. Vandaar dat NCG op dit moment de bewoners een afwijzing moet sturen. Momenteel wordt verkend of er toch een wettelijke grondslag kan worden gecreëerd om ook de kosten van deze bewoners te vergoeden. Ik verwacht uw Kamer hier spoedig over te informeren.
Erkent u dat hier weer ongelijkheid ontstaat tussen bewoners? Waarom wordt hiervoor gekozen?
Ja, ik erken dat hierdoor ongelijkheid ontstaat. Vandaar dat ik met NCG de mogelijkheden verken om dit recht te zetten.
Bent u bereid de huurders uit Tjamsweer en mogelijke andere huurders die nu niet in aanmerking komen voor een vergoeding van de kosten voor ZAV via de NCG alsnog voor deze regeling in aanmerking te laten komen?
Zie antwoord vraag 7.
Waarom stoppen de «Subsidie Verduurzaming Groningen – € 7.000» en de «Subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen – € 17.000» op 31 mei aanstaande?
De wijzigingsregeling die een verlenging van deze subsidies mogelijk maakt, leg ik nog deze maand ter voorhang aan uw Kamer voor.
Gedupeerden in de versterkingsoperatie die nog wachten op een beoordeling van de NCG krijgen nu een afwijzing voor de «Subsidie Verduurzaming en Verbetering Groningen». Kunt u garanderen dat alle rechthebbende gedupeerden alsnog in aanmerking komen voor deze subsidieregelingen? Wanneer dat niet zo is, dan ontstaat toch opnieuw ongelijkheid omdat gedupeerden die «toevallig» eerder een beoordeling kregen van de NCG wél en gedupeerden die nog wachten op een beoordeling niet in aanmerking zijn gekomen voor dit geld?
Ja, ook bewoners die nog een beoordeling krijgen, kunnen aanspraak maken op deze subsidie.
In Nij Begun is een maatregel (16) opgenomen om mensen die nog wachten op de versterking te compenseren met 2.500 euro. Een deel van de mensen die nu nog wachten hebben dit geld ook nog niet gekregen, waarom is hiervoor gekozen?
Er is niet bewust voor gekozen om bepaalde bewoners wel en andere bewoners geen vergoeding toe te kennen. Binnen maatregel 16 worden verschillende doelgroepen onderscheiden, waarbij de uitvoerbaarheid per doelgroep verschilt. Het uitkeren van de vergoeding aan eigenaren van een gebouw dat in de werkvoorraad van de NCG zit en waarvoor een versterkingsbesluit of besluit op norm is ontvangen is het meest eenvoudig gebleken. Deze groep heeft de vergoeding inmiddels ontvangen of ontvangt deze op korte termijn.
Voor huurders van sociale huurwoningen binnen de werkvoorraad van de NCG geldt een andere situatie. Omdat ik voor uitbetaling van de vergoeding aan deze groep afhankelijk ben van woningcorporaties, is de situatie hier ingewikkelder. Op dit moment werk ik samen met NCG en woningcorporaties aan een complete lijst van adressen die recht hebben op de vergoeding.
Voor de uitbreiding van deze vergoeding naar bewoners in de Batch 1588 en de Zandplatenbuurt-Zuid te Delfzijl geldt dat ik met de betrokken gemeenten heb afgesproken dat zij de vergoeding zullen uitkeren aan deze bewoners. Ik verwacht dat bewoners hier binnen enkele weken meer duidelijkheid over zullen krijgen.
Erkent u dat het krom is dat compensatie voor het lange wachten nu alweer jaren op zich laat wachten?
Ik vind het uiteraard vervelend dat de vergoeding voor eigen tijd en het lange wachten op een versterkte, opgeleverde woning voor een deel van de doelgroep later komt dan werd verwacht. Ondanks dat alle betrokken partijen zich inzetten voor een spoedige uitkering, blijkt de regeling in de uitvoering complex. Mijn inzet blijft erop gericht alle bewoners zo snel mogelijk te vergoeden.
Wanneer zullen alle rechthebbende bewoners dit bedrag ontvangen hebben?
Uiteraard onderschrijft het kabinet het doel om, in het geval van vergoedingen, bewoners tijdig en rechtvaardig tegemoet te komen. Daarom werkt de NCG er op dit moment aan om ervoor te zorgen dat alle doelgroepen van maatregel 16 uit Nij Begun zo snel mogelijk de vergoeding ontvangen. De processen hiervoor zijn ingericht en veel bewoners hebben de vergoeding al ontvangen of zullen deze binnenkort ontvangen. Ik zet me ervoor in dat alle bewoners die recht hebben op de vergoeding en hier nu op wachten, deze voor het vierde kwartaal van 2026 kunnen ontvangen. Hierbij moet ik wel zeggen dat NCG bij sommige doelgroepen, zoals huurders, ook afhankelijk is van informatie die zij zelf aanleveren voordat NCG de vergoeding aan hen kan uitkeren.
Waarom is geen uitvoer gegeven aan een aangenomen Kamermotie (Kamerstuk 33 529, nr. 1334) om te zorgen dat alle bewoners dit bedrag voor 1 november 2025 zouden hebben ontvangen?
Zoals gezegd heb ik het doel om bewoners tijdig en rechtvaardig tegemoet te komen in de vergoedingen waar zij recht op hebben. Zoals ik in mijn appreciatie van de betreffende motie aangaf, was het niet mogelijk om deze vergoeding voor 1 november uit te keren aan alle bewoners. Vanwege de eerder genoemde complexiteit in het uitkeren van de vergoeding aan bepaalde doelgroepen, is dit tot nu toe helaas nog niet voor iedereen mogelijk geweest.
Bewoners die al gebruik hebben kunnen maken van de 2.500 euro regeling (maatregel 16) hebben dit bedrag op de rekening ontvangen, bij bewoners die nog wachten wordt het opgenomen in hun versterkingsbudget en is het dus niet vrij besteedbaar. Waarom is hiervoor gekozen?
Het bedrag wordt niet opgenomen in het versterkingsbudget. De maatregel van maatregel 16 wordt vastgelegd in het versterkingsbesluit, zodat NCG geen apart besluit hoeft te nemen om deze vergoeding uit te keren. In het versterkingsbesluit is een afzonderlijke alinea aan deze maatregel gewijd. Bewoners, onder wie ook bewoners die nog in afwachting zijn van een versterkingsbesluit, ontvangen het bedrag te zijner tijd rechtstreeks op hun rekening. Er is dus geen sprake van ongelijkheid. Het bedrag is voor iedereen die het ontvangt vrij besteedbaar.
Erkent u dat dit weer een keuze voor ongelijkheid tussen gedupeerden is? Bent u bereid dit terug te draaien?
Zie antwoord vraag 15.
Bouweisen bij optoppen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de ontruiming van een Rotterdamse flat vanwege verroeste vloeren en de vrees dat dit een signaal is voor bredere, landelijke problemen met opgetopte woningen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het hoogst zorgelijk is dat optopprojecten die nog geen twintig jaar geleden zijn uitgevoerd nu al serieuze structurele mankementen vertonen?
Als bij in het recente verleden uitgevoerde optopprojecten daadwerkelijk sprake is van serieuze structurele mankementen is dit inderdaad zorgelijk.
Wat vindt u van de reactie van architect en universiteit docent bouwtechniek Stephan Verkuijlen die aangeeft dat dit geval aantoont dat controle versnipperd is en dat naar verwachting bij relatief nieuwe optopprojecten nog vaker mankementen aan het licht zullen komen?
Ik ben het niet eens dat de controle versnipperd is op bestaande optopprojecten. De verantwoordelijk voor de veiligheid van bestaande woningen (waaronder optopprojecten) is primair de verantwoordelijkheid van de eigenaar. Gemeenten kunnen hierop als bevoegd gezag toezicht houden en waar nodig handhaven.
Ik heb geen aanwijzingen dat bij relatief nieuwe optopprojecten nog vaker mankementen aan het licht zullen komen.
Wanneer heeft u contact met de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland, de gemeente Rotterdam en Aedes om te zien in hoeverre dit een groter – landelijk – probleem is?
Mijn ambtenaren hebben reeds contact met de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland, de gemeente Rotterdam en Aedes. Op dit moment is er nog geen volledig beeld of sprake is van een groter landelijk probleem. Ik verwacht hier de komende weken meer zicht op te krijgen in samenspraak met de genoemde partijen.
Bent u bereid om problemen met optopprojecten proactief te onderzoeken en niet te wachten tot de volgende onveilige situatie zich openbaart? Welke stappen gaat u zetten om de problemen in beeld te krijgen en aan te laten pakken?
Ik heb vooralsnog geen aanwijzingen dat er zich ook bij andere optopprojecten onveilige situaties openbaren. Ik zie voor mij nu geen aanleiding om optopprojecten proactief te onderzoeken.
Deelt u de mening dat bestaande problemen met opgetopte gebouwen moeten worden aangepakt, maar dat bovendien ook nieuwe problemen moeten worden voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben het eens dat als er een probleem is geconstateerd met een opgetopt gebouw dit moet worden aangepakt door de eigenaar van het gebouw. Ook ben ik het eens dat nieuwe problemen moeten voorkomen. Vooralsnog ga ik er vanuit dat bij nieuwe optopprojecten die voldoen aan de bouwvoorschriften er geen nieuwe problemen zijn te verwachten.
In 2023 diende de SP reeds een motie in (Kamerstuk 32 813, nr. 1339) in om de eisen voor het optoppen van gebouwen niet te versoepelen. Deelt u de mening dat de huidige eisen erg soepel zijn en dit in de toekomst problemen kan veroorzaken?
Ik deel deze mening niet. Voor optoppen gelden in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) de eisen voor verbouw. Deze eisen zijn dan wel minder zwaar dan de eisen voor nieuwbouw, maar leiden bij juiste toepassing nog steeds tot goede woningen. Overigens is er sinds de aanpassing van de verbouwregels (zie mijn antwoord op vraag 8) geen sprake geweest van versoepeling van regels voor optoppen.
Bent u bereid om, in lijn met de eerdere oproep van de VNG, de eisen voor brandveiligheid, duurzaamheid en kwaliteit bij optoppen weer in lijn te brengen met de eisen die we stellen aan nieuwbouw?
Nee. Onder het Bouwbesluit 2003 golden voor verbouw (waaronder optoppen) de nieuwbouweisen en hadden gemeenten met maatwerk per project de mogelijkheid om hiervan af te wijken met lagere eisen. In het Bouwbesluit 2012 is hiervan bewust afscheid genomen en gekozen voor landelijk geldende verbouweisen. Gemeenten bleken namelijk terughoudend te zijn om lagere eisen dan nieuwbouw toe te staan waardoor verbouw-, transformatie- en optopprojecten onvoldoende van de grond kwamen. Ook was hierdoor geen sprake van landelijke eenduidige verbouweisen waardoor bouwers bij iedere gemeente geconfronteerd konden worden met ander beleid en andere regels. In het huidige Bbl zijn deze landelijke verbouweisen voortgezet. Zie verder mijn antwoord op vraag 7.
Welke stappen gaat u zetten om te borgen dat de controle op de bouw altijd afdoende is zodat problemen met de veiligheid van opgestopte woningen worden voorkomen?
De bouwer (aannemer en opdrachtgever) van opgetopte woningen is er volgens het Bbl verantwoordelijk voor dat deze woningen ten minste voldoen aan de eisen in het Bbl. Het is aan de bouwer om zelf de kwaliteitscontrole goed te regelen. Optopprojecten zijn verder altijd vergunningplichtig. Het is aan de gemeente om de vergunningaanvraag te toetsen en toezicht te houden op het voldoen aan de vergunning. Er is voor mij nu geen aanleiding om stappen te zetten.
Voorgenomen nieuwe hospiteerregels van studentenhuisvester DUWO |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van studentenhuisvester DUWO om het huidige hospiteerbeleid aan te passen, onder meer door middel van een door DUWO bepaalde voorselectie van kandidaten via een centraal platform?
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat deze beleidswijziging de invloed van zittende bewoners op de keuze van nieuwe huisgenoten verkleint, terwijl DUWO tegelijkertijd publiekelijk stelt dat huurders de regie behouden?
Het Ministerie van VRO is geen partij in deze wijziging. De beleidskeuzes zijn aan DUWO.
In hoeverre deelt u de opvatting dat hospiteren essentieel is voor de harmonie, veiligheid en leefbaarheid in studentenhuizen, waar bewoners intensief samenleven op beperkte woonruimte en met gedeelde voorzieningen?
Het is niet aan mij om uitspraken te doen over de wijze van verdelen van woningen met gedeelde voorzieningen. In het land worden daarvoor verschillende systemen gebruikt. Dit varieert van vormen waarbij de zittende huurders met verschillende maten van vrijheid zelf kunnen kiezen, tot vormen waarbij de kamerzoekende zelf kan kiezen wanneer die volgens objectieve criteria aan de beurt is.
Erkent u dat studentenhuizen vaak een specifieke cultuur of identiteit hebben, zoals verenigingshuizen, en dat wijzigingen in hospiteerregels deze identiteitsgebonden woongemeenschappen onevenredig kunnen raken?
DUWO heeft als sociale woningcorporatie de verantwoordelijkheid om voor studenten die op achterstand staan zorg te dragen voor gelijke kansen. Zij wijst daarbij onder andere op de student van ver die een kamer nodig heeft om te kúnnen studeren, de eerste-generatie student die de weg niet voldoende weet en nog geen groot netwerk heeft of een MBO-student. Dat sluit direct aan bij haar taakstelling die zij heeft als Toegelaten Instelling die in het belang van de volkshuisvesting werkt. DUWO is daarbij onderworpen aan de regels van de Woningwet, de overlegwet huurders-verhuurders en heeft ook te maken met de bepalingen van de Wet Goed Verhuurderschap.
Verhuurders kunnen zich hierbij niet ontdoen van de plicht om de woningtoewijzing (gedeeltelijk) elders onder te brengen. In het kader van de Wet goed verhuurderschap acht ik het voor sociale studentenhuisvesters noodzakelijk om een heldere en transparante manier van toewijzing te hanteren, waar objectieve selectiecriteria een rol spelen. Coöptatie met een vorm van voorselectie voldoet aan deze voorwaarden.
Hoe weegt u de brede signalen van gebrek aan draagvlak voor de voorgestelde wijzigingen, waaronder enquêteresultaten van huurdersorganisaties, brievenacties van studenten en bewoners, een omvangrijke petitie en gezamenlijke uitingen van studentenorganisaties over het belang van sterke woongemeenschappen voor studentencultuur en welzijn?
Het Ministerie van VRO is geen partij in deze wijzigingen.
In hoeverre acht u het proportioneel dat DUWO deze wijziging doorvoert in het vrije hospiteersegment, terwijl volgens betrokken partijen reeds een groot deel van de woningvoorraad via bestaande voorrangsregelingen al wordt toegewezen en de voorgenomen wijziging bovendien geen enkele extra studentenkamer oplevert?
De vraag of en in welke mate bestaande voorrangsregelingen bijdragen aan het bredere beleidsdoel zie ik als onderdeel van het goede gesprek tussen DUWO en haar stakeholders en is niet aan mij ter beoordeling.
Deelt u de analyse dat het structurele tekort aan studentenkamers het werkelijke kernprobleem is binnen de studentenhuisvesting, en dat aanpassing van het hospiteerbeleid niet bijdraagt aan het vergroten van de capaciteit? Zo nee, waarom niet?
Het aanpassen van het hospiteerbeleid staat los van het verkleinen van het structurele tekort. Ik onderschrijf de noodzaak van meer studentenhuisvesting. Als ministerie zetten wij ons in voor de realisatie van 60.000 nieuwe studentenwoningen en zijn daarbij voorstander van meer woningen met gedeelde voorzieningen. DUWO levert daar een bijdrage aan.
Hoe beoordeelt u het risico dat het door DUWO voorgestelde beleid de sociale samenhang, stabiliteit en sociale veiligheid aantast in hechte studentenhuizen die momenteel juist een belangrijke buffer vormen tegen eenzaamheid, prestatiedruk en mentale klachten bij studenten?
Het Landelijke Actieplan Studentenhuisvesting (LAS) gaat in op het studentenwelzijn. Het Ministerie van VRO is geen partij bij het door DUWO voorgestelde beleid.
DUWO stelt dat aanscherping van het hospiteerbeleid nodig om te kunnen voldoen aan de Wet goed verhuurderschap (Wgv). Erkent u dat deze wet ziet op verhuurders en niet op bewoners die gezamenlijk een huisgenoot kiezen, en dat gemeenten en huurdersorganisaties aangeven dat DUWO de Wgv te ruim interpreteert?
De Wet goed verhuurderschap (Wgv) richt zich tot verhuurders en verhuurbemiddelaars. Zij zijn verantwoordelijk voor het voorkomen van ongerechtvaardigd onderscheid en voor transparantie over de wijze waarop huurders worden geselecteerd wanneer sprake is van een openbaar aanbod van woonruimte. Dat betekent onder meer dat verhuurders en verhuurbemiddelaars verplicht zijn te werken met objectieve selectiecriteria, een transparant selectieproces en een motiveringsplicht voor de gekozen huurder. Zij moeten beschikken over een vastgelegde werkwijze om ongerechtvaardigd onderscheid te voorkomen, die openbaar is gemaakt en bekend is bij alle werknemers van de verhuurder/verhuurbemiddelaar. De Wgv sluit voor wat betreft het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid aan bij de normen van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) en brengt daarin geen inhoudelijke beperking aan ten opzichte van het reeds bestaande recht. Daarbij mag de verhuurder bij de keuze voor een nieuwe huurder geen onderscheid maken op grond van de persoonskenmerken die de Awgb beschermt. Het gaat daarbij om: godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid en burgerlijke staat.
De Wgv schrijft geen specifieke vorm van huurderselectie voor en verbiedt daarmee coöptatie of hospiteren niet. Ook selectie via coöptatie kan onder de Wgv plaatsvinden, mits deze op een transparante wijze is ingericht en binnen de kaders van het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid blijft, zoals dat volgt uit de Awgb. Een manier waarop verhuurders uitvoering kunnen geven aan de wettelijke verplichtingen van de Wgv en Awgb is door schriftelijk vast te leggen en te communiceren (bijvoorbeeld via de website) dat nieuwe huurders worden geselecteerd middels coöptatie. Daarnaast dienen verhuurders de zittende huurders die bij de selectie betrokken zijn te instrueren dat de Wgv en de Awgb van toepassing zijn op de verhuurder. Op grond van de Awgb mogen zittende huurders bij coöptatie kan echter in sommige gevallen wel verdere eisen stellen aan kandidaat-huurders op grond van de persoonskenmerken die de Awgb beschermt en bijvoorbeeld huurders selecteren op basis van geslacht. Er mag echter nooit onderscheid worden gemaakt op basis van afkomst of huidskleur. Ook deze instructie kan schriftelijk worden vastgelegd als onderdeel van de werkwijze ter voorkoming van woondiscriminatie.
Hoe de verhuurder de wettelijke verplichtingen voortvloeiende uit de Wgv en Awgb concreet vertaalt in beleid, is in beginsel aan de verhuurder zelf. In hoeverre een verhuurder de Wgv aanleiding vindt om het eigen hospiteerbeleid aan te passen, betreft de wijze waarop die verhuurder invulling geeft aan zijn verantwoordelijkheden onder de wet.
In hoeverre kunt u bevestigen dat de Wgv studentenhuisvesters niet verplicht om hospiteren sterk in te perken en dat dit derhalve een beleidskeuze van DUWO betreft?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 9 stelt de Wet goed verhuurderschap (wgv) randvoorwaarden aan verhuurpraktijken, zoals onder andere het voorkomen van ongerechtvaardigd onderscheid middels transparantie over de selectieprocedure en het gebruik van objectieve selectiecriteria. De Wgv laat ruimte voor verschillende vormen van huurderselectie, zolang niet in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) wordt gehandeld.
Indien het huidige hospiteerbeleid van een verhuurder echter niet voldoet aan de wettelijke randvoorwaarden voor verhuurpraktijken, dient een verhuurder het hospiteerbeleid aan te passen.
Kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden u ziet binnen de Woningwet en de Wgv om het hospiteren als verworven praktijk in studentenhuizen te beschermen, mede gezien het belang van sterke woongemeenschappen voor studentencultuur, welzijn en sociale veiligheid?
De Wet goed verhuurderschap (Wgv) alsook de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) laten ruimte voor het voortbestaan van coöptatie of hospiteren als huurdersselectie. De Wgv en de Awgb maken geen einde aan het recht van zittende bewoners om betrokken te zijn bij de keuze van een nieuwe huisgenoot, maar stellen randvoorwaarden om ongerechtvaardigd onderscheid te voorkomen. Binnen dit wettelijke kader kunnen verhuurders coöptatie blijven toepassen door transparant vast te leggen dat via coöptatie wordt geselecteerd, objectieve en kenbare selectiecriteria te hanteren, te beschikken over een vastgelegde en openbaar gemaakte werkwijze ter voorkoming van woondiscriminatie en door bewoners te instrueren dat de Wgv (en daarmee tevens de Awgb) op de verhuurder van toepassing is. Waarbij de zittende huurders, wanneer zij via een openbaar aanbod een huurder zoeken middels coöptatie, nimmer mogen selecteren op de verboden discriminatiegronden afkomst of huidskleur en daarbij een duidelijke werkwijze te hanteren.
Binnen het bestaande wettelijke kader kunnen verhuurders dus beleid voeren dat ruimte laat voor bewonersbetrokkenheid bij huurderselectie door middel van coöptatie, zolang dit zorgvuldig en non-discriminatoir wordt ingericht. Het is aan verhuurders zelf om binnen de wettelijke kaders keuzes te maken ten aanzien van zijn verantwoordelijkheden en de wijze waarop zij selectieprocedures inrichten.
Welke beleidsinstrumenten staan de rijksoverheid hierbij ter beschikking?
Zie antwoord op vraag 11.
Heeft u zicht op de vraag of ook andere studentenhuisvesters voornemens zijn hun hospiteerbeleid aan te scherpen of te beperken, en kunt u aangeven in hoeverre hiervan sprake is van een bredere ontwikkeling binnen de studentenhuisvesting?
Kences is de brancheorganisatie voor sociale studentenhuisvesters. De Kences-corporaties willen gelijke kansen voor alle woningzoekenden, zoals ook mbo-studenten en studenten met een beperking of extra ondersteuningsvraag. Vorig jaar hebben de leden van Kences de toegankelijkheid van hun huisvesting en hun toewijzingsbeleid met elkaar besproken. Daaruit kwam naar voren dat zij de toegankelijkheid van hun huisvesting willen vergroten met meer gelijke huisvestingskansen voor iedereen. Bij de keuze van de toewijzingsmethode wordt een goede sociale cohesie binnen studentenhuizen meegewogen. Hospiteren op basis van inschrijftijd is een voorbeeld van een toewijzingsmethode waarmee studentenhuisvesting voor álle studenten toegankelijker wordt.
Daarnaast heeft het Landelijk Platform Studentenhuisvesting afgelopen augustus een oplegger voor het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting ondertekend. Daarin hebben het Ministerie van VRO, het Ministerie van OCW, studentenhuisvesters en studenthuurders zich uitgesproken voor een toegankelijke woningmarkt voor álle studenten.
Bent u bereid in gesprek te gaan met studentenhuisvesters, gemeenten, huurdersorganisaties en studentenorganisaties over zowel de juridische interpretatie van de Wgv als de maatschappelijke gevolgen van het beperken van het hospiteerbeleid?
Ik zie geen reden om een gesprek aan te gaan over het hospiteerbeleid van studentenhuisvesters. De studentenhuisvesters blijven met hun voorstellen binnen de kaders van de wet.
Als het antwoord «ja» is op vraag 14: bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van dit overleg, inclusief een beoordeling van mogelijke maatregelen om het hospiteren te behouden als norm binnen de studentenhuisvesting en om identiteitsgebonden studentenhuizen te beschermen?
Zie antwoord op vraag 14.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Zesduizend handtekeningen tegen hospiteerbeleid. Mensen willen gewoon heel graag zelf kiezen’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Moes , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat DUWO het bestaande hospiteerbeleid ingrijpend wil wijzigen, waardoor het zelf kiezen van een nieuwe huisgenoot, zogenaamde vrije hospitatie, in veel studentenhuizen lijkt te verdwijnen?1
Ja.
Bent u bekend met de onrust die dit nieuws heeft veroorzaakt in de studentengemeenschap? Hoe beoordeelt u die onrust?
Ja. Op dit nieuws wordt zowel positief als negatief gereageerd. Een deel van de onrust volgt uit belangen van zittende huurders. Een ander deel van de onrust is gebaseerd op het beeld dat het hospiteren zou worden afgeschaft. Steun is er vanuit de hoek van groepen die minder kansen hebben door gebrek aan informatie, onvoldoende kennis van de markt of het ontbreken van een netwerk.
Heeft u kennisgenomen van een petitie die inmiddels meer dan 6.000 handtekeningen heeft verzameld, waarin studenten aangeven dat zij hechten aan de vrijheid om hun huisgenoten zelf te kiezen, juist voor hun veiligheid en woongenot? Herkent u de zorgen hierover?
Ja. De petitie is aangeboden aan DUWO. De Ministeries van VRO en OCW zijn geen partij in deze wijziging. De beleidskeuzes zijn aan DUWO.
Deelt u de opvatting dat hospiteren in studentenhuizen meer is dan een studentikoze traditie, maar een systeem dat aantoonbaar bijdraagt aan de sociale cohesie tussen studenten en aan de studentencultuur in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Ik ben voorstander van het realiseren van meer studentenwoningen met gedeelde voorzieningen. In de afgelopen periode is het Woningwaarderingsstelsel voor onzelfstandige woningen (WWS onzelfstandig) aangepast, waardoor de businesscase voor het bouwen van nieuwe kamers beter is geworden. Daarnaast kennen we de regeling Regeling huisvesting aandachtsgroepen, met objectsubsidies voor de bouw van studentenwoningen, waarbij projecten die inzetten op kamers met gedeelde voorzieningen voorrang krijgen. De mogelijkheid van huurtoeslag voor kamers met gedeelde voorzieningen wordt momenteel onderzocht. Of dat haalbaar is, is een vraag voor het nieuwe kabinet.
Het is echter niet aan mij om uitspraken te doen over de wijze van verdelen van woningen met gedeelde voorzieningen. In het land worden daarvoor verschillende systemen gebruikt. Dit varieert van vormen waarbij de zittende huurders met verschillende graden van vrijheid zelf kunnen kiezen én vormen waarbij de kamerzoekende zelf kan kiezen als die bovenaan de lijst staat en volgens objectieve criteria aan de beurt is.
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Stichting Lieve Mark en de Erasmus Universiteit Rotterdam over woongemeenschappen? Hoe beoordeelt u de conclusie dat de keuze met wie je samen wilt wonen een belangrijke beschermende factor vormt tegen eenzaamheid, stress- en mentale klachten onder studenten?
Ja. Uit de door u genoemde onderzoeken maak ik op dat regie op keuze van belang is.
Klopt het dat DUWO als reden voor dit nieuwe beleid aangeeft dat het nodig is om te voldoen aan de Wet goed verhuurderschap? Hoe beoordeelt u deze argumentatie?
DUWO geeft aan dat zij als sociale woningcorporatie de verantwoordelijkheid voelt zorg te dragen voor gelijke kansen onder studenten. Zij wijst daarbij onder andere op de student van ver die een kamer nodig heeft om te kunnen studeren, de eerstegeneratiestudent die de weg niet voldoende weet en nog geen groot netwerk heeft of een MBO-student. Dat sluit aan bij haar taakstelling die zij heeft als Toegelaten Instelling die in het belang van de volkshuisvesting werkt. DUWO is als verhuurder daarbij o.a. onderworpen aan de regels van de Woningwet, de overlegwet huurders-verhuurders en de Wet goed verhuurderschap (Wgv).
De Wgv verplicht verhuurders en verhuurbemiddelaars om zich te onthouden van ongerechtvaardigd onderscheid. De Wgv sluit voor wat betreft het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid aan bij de normen van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) en brengt daarin geen inhoudelijke beperking aan ten opzichte van het reeds bestaande recht. Uit de Wgv volgt onder meer dat verhuurders en verhuurbemiddelaars verplicht zijn te werken met objectieve selectiecriteria, een transparant selectieproces en een motiveringsplicht voor de gekozen huurder. Zij moeten beschikken over een vastgelegde werkwijze om ongerechtvaardigd onderscheid te voorkomen, die openbaar is gemaakt en bekend is bij alle werknemers van de verhuurder/verhuurbemiddelaar.
De Wgv schrijft geen specifieke vorm van huurderselectie voor en doet geen afbreuk aan het bestaande recht op coöptatie. In die zin biedt de Wgv ruimte voor verschillende uitvoeringskeuzes waarbij ook selectie via coöptatie onder de Wgv kan plaatsvinden, mits deze op een transparante wijze is ingericht en binnen de kaders van het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid blijft, zoals dat volgt uit de Awgb. Hoe een verhuurder deze wettelijke verplichtingen concreet vertaalt in beleid, is in beginsel aan de verhuurder zelf.
Is het huidige systeem van hospiteren volgens u op enig punt in strijd met de wet goed verhuurderschap? Welke ruimte biedt of beperkt deze wetgeving op dit punt?
Het systeem van hospiteren of coöptatie is niet in strijd met de Wet goed verhuurderschap (Wgv). De Wgv brengt geen wijziging aan in het bestaande recht dat zittende bewoners een rol kunnen hebben bij de keuze van een nieuwe bewoner, maar stelt enkel randvoorwaarden aan de wijze waarop dat wordt georganiseerd. De Wgv bepaalt namelijk dat verhuurders bij openbaar aanbod van woonruimte zorg moeten dragen voor een transparante en heldere selectieprocedure, objectieve selectiecriteria moeten hanteren, aan de afgewezen kandidaat-huurder(s) moeten motiveren waarom voor een huurder is gekozen, en dat zij een werkwijze ter voorkoming van discriminatie vastleggen en openbaar maken. De Wgv sluit voor wat betreft het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid aan bij de normen van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Daarbij mag door de verhuurder bij de keuze voor een nieuwe huurder geen onderscheid worden gemaakt op grond van de persoonskenmerken die de Awgb beschermt. Dan gaat het om: godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid en burgerlijke staat. Dit geldt dus ook voor verhuurders die niet zelf woonachtig zijn in een woning en die middels coöptatie huurders laten werven. Op grond van de Awgb mogen zittende huurders bij coöptatie echter soms wel verdere eisen stellen aan kandidaat-huurders en bijvoorbeeld huurders selecteren op basis van geslacht. Er mag echter nooit onderscheid worden gemaakt op basis van afkomst of huidskleur.
Een manier waarop verhuurders uitvoering zouden kunnen geven aan de bepalingen uit de Wgv betreffende het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid is door schriftelijk vast te leggen en te communiceren (bijv. via hun website) dat nieuwe huurders worden geselecteerd middels coöptatie. De zittende huurders, die o.b.v. coöptatie een nieuwe huurder mogen kiezen, dienen onverwijld door de verhuurder te worden geïnstrueerd dat de Wet goed verhuurderschap en daarmee tevens de Awgb van toepassing is, en dat de zittende huurders, wanneer zij via een openbaar aanbod een huurder zoeken, daarbij nimmer mogen selecteren op de verboden persoonskenmerken afkomst of huidskleur. Ook deze instructie kan door de verhuurder schriftelijk worden vastgelegd, zodat het deel uitmaakt van de vastgelegde werkwijze ter voorkoming van woondiscriminatie.
Op welke wijze kan de Wet versterking regie volkshuisvesting een aangrijpingspunt kunnen zijn om de goede elementen van hospiteren te behouden?
De Wet Versterking Regie Volkshuisvesting staat in mijn optiek los van het thema hospiteren.
Hoe verhoudt het voorgenomen besluit zich volgens u tot het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting, waarin juist wordt ingezet op uitbreiding van wooncapaciteit onder studenten en de verbetering van studentenwelzijn?
Ik onderschrijf de noodzaak van meer studentenhuisvesting. Als ministerie zetten wij ons in voor de realisatie van 60.000 nieuwe studentenwoningen en zijn daarbij voorstander van meer woningen met gedeelde voorzieningen. DUWO levert hier een bijdrage aan.
Aanvullend beschrijft het Landelijke Actieplan Studentenhuisvesting (LAS) niet alleen de wooncapaciteit en het studentenwelzijn. In de recente oplegger van de LAS van september 2025 wordt aandacht gevraagd voor extra maatregelen om de schaarse studentenwoningvoorraad toegankelijker te maken voor onder andere mbo-studenten.
Bent u het eens dat er meer ingezet moet worden op onzelfstandige huisvesting waarbij hospiteren een belangrijk onderdeel is?
Het ministerie staat positief tegenover de realisatie van nieuwe onzelfstandige huisvesting. Woningcorporaties en andere verhuurders zijn vrij om binnen de kaders van de wet hun woonruimteverdeling zelf in te vullen.
Hoe gaat u zorgen dat de balans in de realisatie tussen onzelfstandige en zelfstandige woonruimte meer gaat uitslaan naar onzelfstandige woonruimte?
Zie antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om over dit bericht met DUWO in gesprek te gaan? Zo ja, wat zou daarbij uw inzet zijn en bent u bereid de Kamer over de uitkomsten te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen reden om met DUWO in gesprek te gaan over hun voornemens om het hospiteerbeleid aan te passen. Ze blijven met hun voorstellen binnen de kaders van de wet.
Het bericht ‘Ouderen wonen in gouden kooi: ‘Onaantrekkelijk om te verhuizen’’ |
|
Hanneke Steen (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problematiek omtrent doorstroming in relatie tot hypotheekverstrekking bij senioren, zoals beschreven in het artikel «Ouderen wonen in gouden kooi: «Onaantrekkelijk om te verhuizen»»?1
Ja. Ik ben bekend met de problematiek die in het artikel wordt geschetst. Ik herken dat veel ouderen beschikken over overwaarde maar ervaren dat verhuizen naar een passende woning financieel moeilijk haalbaar kan zijn.
Bent u bekend met de eerder gestelde schriftelijke vragen d.d. 2 april 2025: «Senioren geweigerd voor tijdelijke lening ondanks overwaarde».
Ja. De Kamervragen van 2 april 2025 naar aanleiding van de Radar-uitzending zijn op 12 mei 2025 beantwoord door de Minister van Financiën en mij. In die beantwoording ben ik onder andere ingegaan op knelpunten bij tijdelijke en overbruggingsfinanciering voor ouderen, de vervolgstappen via het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen2 en gesprekken die ik hierover met de sector voer.
Hoe staat het met de uitvoering van het convenant «Ouderen & Toekomstbestendig Wonen»2, ondertekend door diverse kredietverstrekkers, waarin is afgesproken dat de ondertekenaars de mogelijkheden van (hypotheek)financiering voor ouderen naar een hoger niveau willen tillen, onder andere door in kaart te brengen aan welke aanvullende financieringsmogelijkheden bij ouderen behoefte is, gezien hun woonwensen?
Het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen wordt uitgevoerd in samenwerking met kredietaanbieders, financieel adviseurs en belangenorganisaties. Doel is dat ouderen tijdig inzicht krijgen in hun woon- en financieringsmogelijkheden. Het convenant wordt uitgevoerd door de ondertekenaars. In de periodieke bijeenkomsten worden voortgang en knelpunten besproken en worden ervaringen gedeeld. Met de ondertekenaars is afgesproken dat het convenant na twee jaar integraal wordt geëvalueerd. Deze evaluatie zal zien op de uitvoering van de gemaakte afspraken en de zichtbare effecten daarvan. Ik verwacht uw Kamer rond de zomer van 2026 over de uitkomsten van deze evaluatie te informeren.
Heeft het gesprek met ouderenorganisaties, de Nederlandse Vereniging van Banken, de banken en de toezichthouders over de verbetering van de financieringsmogelijkheden voor senioren voor het sluiten van een overbruggingshypotheek zoals aangegeven in de beantwoording op eerdergenoemde schriftelijke vragen, plaatsgevonden? Zo ja, kan de Kamer een afschrift van het gespreksverslag ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Het onderwerp woningfinanciering voor ouderen wordt meegenomen in de periodieke gesprekken binnen het convenant. Hierbij zijn kredietaanbieders, ouderenorganisaties en consumentenorganisaties betrokken. In het laatste gesprek is het onderwerp overbruggingshypotheken ook, mede op verzoek van uw Kamer, besproken. Hieruit is naar voren gekomen dat losse overbruggingshypotheken voor veel kredietaanbieders relatief duur zijn om aan te bieden en dat het verstrekken van een losse overbruggingslening in hun huidige systemen op dit moment niet of slechts beperkt kan worden ingepast. Daarbij is gesignaleerd dat de infrastructuur van het Hypotheken Data Netwerk het niet faciliteert om een losse overbruggingshypotheek aan te vragen.
Tegen deze achtergrond wordt in de praktijk in sommige gevallen door een aantal kredietaanbieders door middel van een combinatie van een (kleine) reguliere hypotheek en overbruggingsfinanciering de behoefte aan financiering ingevuld. Ook biedt een beperkt aantal kredietaanbieders voor bestaande klanten een losse overbruggingshypotheek aan. Deze routes bieden voor een deel van de ouderen een oplossing, maar niet voor de hele doelgroep.
In de gesprekken hebben de deelnemers daarnaast verschillende mogelijke oplossingsrichtingen benoemd om de toegankelijkheid van overbruggingsfinanciering voor ouderen te verbeteren. Deze variëren van verdere specialisatie door individuele of gezamenlijke aanbieders tot vormen van risicodeling, waaronder, een gezamenlijk of publiek georganiseerd fonds. Dit betreft suggesties vanuit de sector die zich nadrukkelijk in de verkennende fase bevinden. Hierover zijn nog geen keuzes gemaakt.
Ook is besproken welke procesverbeteringen in de adviespraktijk kunnen bijdragen aan betere ondersteuning van ouderen, zoals verbeterde informatievoorziening en duidelijkere hulpmiddelen voor adviseurs. Dit geldt ook zeker voor het aanvragen van overbruggingshypotheken. Deze inzichten worden meegenomen in de lopende verkenning naar verbetering van de financieringsmogelijkheden voor ouderen. De uitkomsten hiervan worden bij het evaluatiemoment van het convenant in de zomer van 2026 met uw Kamer gedeeld.
Ben u van mening dat er voldoende voortgang op dit dossier zit? Zo niet, wat gaat u doen om dit te versnellen?
Ik ben van mening dat er duidelijke inspanningen worden geleverd binnen dit dossier, al kost de uitwerking van oplossingen tijd. Binnen het convenant werken ondertekenaars onder andere aan verbeteringen in de informatievoorziening richting ouderen en adviseurs, zodat financieel adviseurs beter worden toegerust bij vragen over doorstroming. Dit heeft geleid tot concrete resultaten, zoals extra opleidingen en ondersteuning voor financieel adviseurs en aanpassingen in het productaanbod voor ouderen door enkele kredietaanbieders.
Daarnaast wordt binnen het convenant verkend hoe de kosten van overbruggingsfinanciering voor ouderen kunnen worden verlaagd, waarbij onder andere wordt gekeken naar de hoogte van advies-, taxatie- en notariskosten, zodat producten voor ouderen aantrekkelijker geprijsd kunnen worden. Tegelijkertijd is zichtbaar dat de problematiek voor ouderen nog niet is opgelost. De komende periode wordt verder gewerkt aan deze verkenningen en worden de gemaakte afspraken betrokken bij de evaluatie van het convenant in 2026.
Zou u in kaart willen brengen hoe het gebrek aan financieringsmogelijkheden voor senioren doorwerkt op de doorstroming op de woningmarkt en welke groepen hierdoor het meest worden geraakt?
Daar ben ik toe bereid. Uit onderzoek blijkt dat slechts een beperkte groep ouderen een concrete verhuiswens heeft. Ouderen zijn minder geneigd om te verhuizen dan jongere huishoudens, en hechten vaker aan hun woning en woonomgeving.4 Uit het WoON-onderzoek 2024 komt naar voren dat ouderen de afgelopen twee jaar minder vaak zijn verhuisd dan in de periode voorafgaand aan WoON 2021 (een afname van ongeveer 10%).5
Dit onderstreept dat de beperkte verhuisbereidheid bij ouderen een belangrijke factor is voor de doorstroming. Financieringsbelemmeringen kunnen voor een deel van de ouderen een rol spelen bij een verhuizing, maar het is lastig om exact vast te stellen welk deel van de beperkte doorstroming hiermee samenhangt. Een verhuizing is immers een grote beslissing die met meerdere factoren samenhangt. Samen met kennisinstellingen en de sector, vergaar ik daarom meer informatie over dit onderwerp.
Zou u in overleg willen treden met hypotheekverstrekkers en ouderenorganisaties, waaronder de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen, over welke knelpunten senioren het vaakst ervaren bij het aanvragen van een overbruggingshypotheek of verhuishypotheek, en de Kamer informeren over de uitkomsten?
Ja, deze gesprekken zijn al gaande. Hierbij is naast de ANBO ook onder andere Vereniging Eigen Huis (VEH) uitgenodigd. De Kamer zal over de uitkomsten hiervan rond de zomer van 2026 worden geïnformeerd.
Hoe beziet u de huidige toetsingsnormen voor senioren, zoals de inkomens- en leencapaciteitscriteria van de Nationale Hypotheek Garantie en de richtlijnen van de toezichthouder, tegen de achtergrond van de toegenomen overwaarde en relatief lage risico’s bij deze doelgroep?
Samen met de Minister van Financiën stel ik jaarlijks de leennormen voor hypothecair krediet vast. De leennormen voor hypothecair krediet zorgen ervoor dat huishoudens op verantwoorde wijze een hypothecair krediet aangaan bij het kopen van een woning. Kredietaanbieders kunnen via maatwerk gemotiveerd afwijken van de leennormen wanneer een huishouden niet door de standaard krediettoets komt. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) kan via leidraden en de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) via haar Voorwaarden & Normen nadere invulling geven aan de wettelijke leennormen.
Mijn indruk is dat bij zowel de wettelijke leennormen zelf als bij de nadere invulling hiervan door de AFM en NHG geen belemmeringen zitten die ervoor zorgen dat senioren moeite hebben met doorstromen. Kredietaanbieders mogen in beginsel de lopende verplichtingen onder een hypotheek voor de financiering van een nog niet verkochte woning, inclusief de kosten die verband houden met het afsluiten van een overbruggingslening, buiten beschouwing laten bij de kredietbeoordeling voor de financiering van de nieuw gekochte woning. NHG heeft speciaal voor senioren een tweetal regelingen, de seniorenverhuisregeling en de tijdelijke tekortregeling bij verschillende aow leeftijden. Daarnaast heeft de AFM in 2017 verduidelijkt hoe kredietaanbieders verantwoord maatwerk kunnen bieden aan senioren. SEO concludeerde dit jaar in haar evaluatie van de leennormen dat kredietaanbieders en adviseurs hierdoor geen problemen ervaren bij het toepassen van maatwerk voor senioren.
Uit de gesprekken met marktpartijen komen andere factoren naar voren die verklaren waarom een overbruggingshypotheek voor senioren relatief beperkt beschikbaar en duur is. Vooral het feit dat een overbruggingshypotheek vaak relatief kort loopt is een belemmering voor het aanbod. Kredietaanbieders moeten dan immers in een korte tijd de gemaakte kosten terugverdienen. Dat kan leiden tot een hogere prijs (bijv. hypotheekrente) voor dergelijke producten. Het is nog niet duidelijk of ouderen bereid zijn een hogere prijs te betalen voor dit product dan voor een reguliere hypotheek. Zoals gezegd: ik ben met de partijen in gesprek en wil hier graag met ze tot een oplossing komen. Ik vind het namelijk van groot belang dat senioren makkelijker toegang krijgen tot een overbruggingslening. Mochten er toch belemmeringen zitten in de leennormen, dan ben ik uiteraard bereid om hiernaar te kijken. Uitgangspunt blijft daarbij wel dat een (overbruggings)hypotheek altijd financieel verantwoord moet zijn.
Zou u willen onderzoeken welke internationale voorbeelden bestaan van hypotheek- of financieringsconstructies die bijdragen aan doorstroming onder senioren, en of dergelijke modellen toepasbaar zijn in Nederland?
Een eerste verkenning bij beleidsmakers in andere Europese landen heeft het beeld opgeleverd dat veel landen weliswaar de problematiek van onderbenutting van de bestaande voorraad en gebrek aan doorstroming van senioren erkennen, maar dat de beleidsinspanningen veelal nog gericht zijn op het langer laten thuis wonen van ouderen door middel van aanpassingen aan de woning en levering van zorg aan huis. De regelingen die er zijn om onderbenutting tegen te gaan zijn vooral gericht op de sociale huursector en de huurtoeslag. Zo kunnen Vlaamse sociale huisvesters kleine huishoudens in grote woningen laten doorverhuizen naar meer passende woningen, hoewel men hier bij ouderen terughoudend mee omgaat. In het Verenigd Koninkrijk kunnen kleine huishoudens in grote sociale huurwoningen gekort worden op de huurtoeslag. Ouderen zijn hiervan echter nadrukkelijk uitgezonderd.
Vooralsnog verwacht ik niet dat nader internationaal vergelijkend onderzoek wel bruikbare casussen gericht op hypotheek- of financieringsconstructies zal opleveren. Dit vanwege de grote verschillen tussen lidstaten op het gebied van woningfinanciering. Passende innovatieve vormen die ontwikkeld worden, moeten toegesneden zijn op de Nederlandse context.
Wat gaat u doen met het gegeven dat veel senioren aangeven te willen verhuizen naar een passende woning, maar door financieringsbelemmeringen niet in staat zijn deze stap te zetten?
Zoals aangegeven bij vraag 6 heeft slechts een beperkt deel van de ouderen een concrete verhuiswens. Financieringsbelemmeringen kunnen echter voor een deel van de ouderen die wel willen verhuizen een rol spelen. Binnen het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen en het Platform Hypotheken wordt daarom gewerkt aan het verbeteren van de informatievoorziening en aan het verder in beeld brengen en verminderen van financieringsknelpunten bij overbruggingshypotheken. Ook wordt verkend hoe deze producten beter toegankelijk en betaalbaar kunnen worden gemaakt. Daarnaast wordt binnen het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen ingezet op het vergroten van het aanbod van passende ouderenwoningen, wat essentieel is voor doorstroming. Ik blijf in gesprek met ouderenorganisaties, kredietaanbieders en toezichthouders om knelpunten te adresseren.
Deelt u de opvatting dat het tekort aan geschikte en betaalbare seniorenwoningen een belangrijke factor is in het uitblijven van doorstroming, en zou u op een rij willen zetten welke aanvullende maatregelen op korte en langere termijn mogelijk zijn om dit aanbod te vergroten?
Ik ben het met u eens dat beschikbaarheid een belangrijke voorwaarde is voor ouderen om te kunnen verhuizen naar een passende woning, waarmee doorstroming op de woningmarkt ontstaat. Samen met het Ministerie van VWS zet ik sterk in op realisatie van voldoende passende woningen voor ouderen, waarbij we nauw samenwerken met medeoverheden en de verschillende partners uit het woon- en zorgdomein. Zo hebben we op de Woontop van december 2024 afspraken gemaakt over de schaalvergroting en versnelling in de realisatie van de opgave van de circa 290.000 woningen geschikt voor ouderen tot en met 2030. Ook zetten we in op maatregelen die eraan bijdragen dat ouderen die dat willen, een verhuisstap kunnen maken om passend te wonen.
In de voortgangsbrief ouderenhuisvesting van april jl.6 staan de acties die ik samen met het Ministerie van VWS in gang heb gezet om de realisatie van voldoende woningen, en het passend wonen van ouderen te stimuleren. Op 8 december is de Staat van de Volkshuisvesting naar uw Kamer gestuurd, waarin is ingegaan op de realisatie van het woningaanbod voor ouderen en het aandeel verhuisde ouderen. In de loop van 2026 informeren de Staatssecretaris van Langdurige en Maatschappelijke Zorg en ik uw Kamer weer over de voortgang op de opgave ouderenhuisvesting, waaronder de maatregelen op passend wonen en doorstroming.
Op welke wijze worden de inspanningen binnen het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen afgestemd met de bredere ambities binnen het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen?
Het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen komt voort uit een samenwerkingsverband tussen het Ministerie van VRO en de hypothecaire sector, het Platform Hypotheken. Het convenant heeft als doel oplossingen te ontwikkelen voor knelpunten in de hypotheekadvisering en -verstrekking. Daarnaast worden tijdens de tussentijdse bijeenkomsten vanuit VRO ook relevante ontwikkelingen uit het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen gedeeld met de ondertekenaars, zodat zij deze kunnen meenemen in hun eigen beleidsvorming en verdere uitwerking van de samenwerking.
De ondertekenaars van het convenant gaan periodiek met elkaar en het Ministerie van VRO in gesprek om de ontwikkelingen omtrent woningfinanciering voor ouderen te bespreken en te onderzoeken of er meer mogelijkheden kunnen worden gecreëerd voor woningfinanciering voor ouderen. Dit heeft als doel om te stimuleren dat ouderen passend kunnen wonen, en te stimuleren dat ouderen die dat willen een verhuisstap kunnen maken. Daarmee sluiten de inspanningen vanuit het convenant aan bij de bredere ambities binnen de opgave ouderenhuisvesting en de inspanningen binnen het convenant worden ook gedeeld met de werkgroep en stuurgroep Wonen en zorg voor ouderen
Hoe betrekt u senioren bij de beleidsvorming rondom financieringsmogelijkheden en doorstroming, en op welke wijze worden hun ervaringen structureel benut bij het opstellen en evalueren van maatregelen?
Ik vind het belangrijk dat ouderen vertegenwoordigd zijn in het beleidsvormingsproces rondom financieringsmogelijkheden en passend wonen en doorstroming. De ANBO-PCOB is betrokken bij het periodiek overleg met de hypotheeksector dat voortkomt uit het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen, zoals beschreven bij antwoord 12. Ook is de ANBO-PCOB onderdeel van de werkgroep en stuurgroep Wonen en zorg voor ouderen. In deze werkgroep werken Ministerie van VRO en het Ministerie van VWS samen met medeoverheden en partners uit het woon- en zorgdomein aan de opgave ouderenhuisvesting. Daarnaast worden de ervaringen van ouderen meegenomen via verschillende onderzoeken, zoals het WoOn-onderzoek.7
Kunt u toelichten hoe de aanwijzing van de vier gemeenten Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en Hengelo-Enschede als grootschalige woningbouwlocatie zich verhoudt tot het feit dat zij hierdoor niet langer in aanmerking komen voor de regeling Woningbouw op Korte Termijn?1
Om de regionale spreiding van rijksinvesteringen voor het ontsluiten en bereikbaar maken van nieuwe woningen te borgen is een scheiding gemaakt tussen woningbouwlocaties in de nationaal grootschalige woningbouwgebieden en woningbouwlocaties daarbuiten (de zgn. «woningbouw op korte termijn», hierna: WoKT). Projecten voor woningbouwlocaties die binnen de nationaal grootschalige woningbouwgebieden vallen konden enkel aanspraak maken op het budget dat voor deze gebieden werd gereserveerd en andersom.
Voor de gemeenten Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en Hengelo-Enschede betekent de aanwijzing van nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden binnen hun gemeentegrenzen eerder dit jaar, dat zij voor projecten binnen dat geografische gebied geen aanvraag meer konden doen voor een bijdrage uit het WoKT budget, maar wel voor het infrabudget dat was gereserveerd voor nationaal grootschalige woningbouwgebieden én het gebiedsbudget van VRO. Voor projecten buiten deze nationaal grootschalige woningbouwgebieden konden gemeenten nog altijd een WoKT voorstel indienen. Zo ontvangt de gemeente Apeldoorn naast gebiedsbudget ook middelen uit het WoKT budget (ca. € 2,9 miljoen).
Hoe weegt u het feit dat deze vier gemeenten niet langer in aanmerking komen voor de regeling Woningbouw op Korte Termijn, terwijl er op dit moment ook nog geen perspectief is op financiering vanuit de middelen voor de infrastructurele ontsluiting van de grootschalige woningbouwlocaties, en zij daarmee dus tussen wal en schip vallen?
De volledige € 2,5 miljard die dit kabinet uittrok voor het ontsluiten en bereikbaar maken van nieuwe woningen in de nationaal grootschalige woningbouwgebieden en daarbuiten is verdeeld2. Het beperkte budget heeft geleid tot het kabinetsbesluit om aan de in de ontwerp-Nota Ruimte aangewezen nationaal grootschalige woningbouwgebieden (Alkmaar Kanaalzone, Binnenstad, spoor- en kanaalzone Apeldoorn, Helmond Centrum+ en Spoorzone Hengelo-Enschede (SHE) nu alleen gebiedsbudget (ongeveer € 100 miljoen) toe te kennen. Met dit budget kunnen eerste stappen gezet worden. Dat is niet genoeg voor de totale ontwikkeling van deze gebieden. Het is aan een nieuw kabinet om te bezien of en hoe de noodzakelijke mobiliteitsmaatregelen alsnog geborgd kunnen worden. We zijn hierover met de betreffende gemeenten in gesprek.
Welke risico’s ziet u voor de voortgang van de woningbouwopgave in deze vier gemeenten, gegeven het ontbreken van financieringsperspectief voor de noodzakelijke ontsluitende infrastructuur?
Met de toekenning van € 100 mln. gebiedsbudget (VRO) aan de nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden in de genoemde vier gemeenten kunnen eerste stappen gezet worden. Samen met het Ministerie van VRO is het Ministerie van IenW de komende periode met de betrokken gemeenten in gesprek om de mogelijkheden en risico’s van deze situatie voor de voortgang van de woningbouwopgave nader in kaart te brengen.
Zou u, samen met deze vier gemeenten en de betrokken provincies, in kaart willen brengen welke ontsluitende infrastructuur benodigd is om de woningbouwopgave te kunnen realiseren, en welke financieringsopgave daarbij hoort?
In aanloop naar de verdeling van de beschikbare middelen hebben ook de vier nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden een propositie voor de ontsluiting van deze gebieden ingediend. Op basis daarvan is het Ministerie van IenW komende periode samen met het Ministerie van VRO met de betrokken gemeenten in gesprek om te bespreken welke ontsluitende infrastructuur benodigd is en welke financieringsopgave daarbij hoort.
Hoe gaat u deze vier gemeenten en de betrokken provincies betrekken bij de toekomstige besluitvorming over de financiering van de ontsluitende infrastructuur voor grootschalige woningbouwlocaties?
Er kan geen toezegging gedaan worden over de toekomstige besluiten en financiering van de benodigde infrastructuur voor grootschalige woningbouwgebieden, omdat dit aan een nieuw kabinet is. In de vier nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden kunnen op korte termijn veel nieuwe woningen worden gebouwd als wordt geïnvesteerd in de bereikbaarheid van de woningbouwlocaties. De al ingediende proposities kunnen daarvoor als basis dienen.
Wat gaat u eraan doen om te voorkomen dat deze vier gemeenten daadwerkelijk tussen wal en schip vallen bij de rijksfinanciering van hun woningbouw- en infrastructuuropgave? Zou u de Kamer over deze inspanningen willen informeren?
Zoals aangegeven is het Ministerie van IenW samen met het Ministerie van VRO met de betrokken gemeenten in gesprek om te bespreken welke ontsluitende infrastructuur benodigd is en welke financieringsopgave daarbij hoort. Over de uitkomsten hiervan wordt de Kamer in het voorjaar geïnformeerd. Besluitvorming over het toekennen van eventuele nieuwe rijksmiddelen is echter aan een nieuw kabinet.
Hoe beziet u het feit dat er op dit moment een financieringsgat bestaat in de wijze waarop infrastructuur voor woningbouw wordt ondersteund op het moment dat woningbouwlocaties overgaan naar de status van grootschalige woningbouwlocatie? Zou u willen inventariseren welke verbeteringen mogelijk zijn om te voorkomen dat gemeenten hierdoor tussen wal en schip raken?
Het feit dat het financieel tekort op de infrastructuurmaatregelen nu niet wordt gedekt komt niet voort uit de aanwijzing tot nationaal grootschalig woningbouwgebied, maar is een consequentie van het beperkte budget dat dwingt tot de gemaakte kabinetskeuze. Als de woningbouwlocaties in de vier betreffende gemeenten niet tot nationaal grootschalig woningbouwgebied waren aangewezen dan zouden de voorstellen hiervoor binnen de WoKT kaders zijn beoordeeld en geprioriteerd. Tevens kon dan geen aanspraak op het gebiedsbudget worden gemaakt, waaruit nu € 100 miljoen is toebedeeld.
Het verwijderen van het dorp Moerdijk ten behoeve van de energietransitie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD), Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel over het opheffen van het dorp Moerdijk?1
Ja, dit artikel is bekend.
Deelt u de zorgen van onder andere bewoners dat het opheffen van dit (eeuwenoude) dorp een buitengewoon ingrijpende maatregel is?
Het kabinet erkent dat de impact van alle ontwikkelingen op ondernemers en inwoners van zowel het dorp Moerdijk, inwoners van het buitengebied én van andere dorpskernen, zeer groot is.
Acht u het wenselijk dat (eeuwenoude) dorpen in Nederland verdwijnen om ruimte te maken voor de energietransitie?
Het opheffen van een dorp of dorpskern is een hele zware keuze. Dit kan alleen indien uit een integrale afweging blijkt dat er geen redelijke alternatieven zijn en voldoende compenserende maatregelen genomen worden. Tegelijkertijd is Nederland vol en zijn de opgaven groot. Om ook voor de toekomst voldoende ruimte te kunnen bieden aan een groeiende economie en bevolking, is uitbreiding van het energienet en bedrijvigheid noodzakelijk. Dat is nodig om woningen en bedrijven van stroom te kunnen voorzien. Daarbij is in de Powerport regio Moerdijk ruimte nodig voor de verduurzaming en het circulair maken van de industrie. Er zullen moeilijke keuzes gemaakt moeten worden, waarbij lokale, regionale en landelijke belangen met elkaar afgewogen worden. Soms betekent dit dat bepaalde functies zullen verdwijnen om plaats te maken voor andere. Het opheffen van een dorp of dorpskern is daarbij een heel zwaar besluit dat niet vaak genomen zal worden.
Indien het antwoord op vraag 3 bevestigend luidt, kunt u aangeven hoe vaak dit naar verwachting nog zal voorkomen?
Dit is een unieke situatie. Er zijn nu geen soortgelijke situaties voorzien.
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, welke stappen onderneemt u om te voorkomen dat dit gestelde precedent navolging krijgt in de toekomst?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe verhoudt het verwijderen van een dorp zich tot het huidige kabinetsbeleid dat inzet op leefbare woonomgevingen, het behoud van gemeenschappen, het oplossen van de wooncrisis en het behoud van erfgoed?
De inzet op een leefbare woonomgeving en behoud van gemeenschappen is het uitgangspunt. Uit de technische analyse2 en het participatieproces3 is gebleken dat er voor de uitbreiding van de Powerport regio Moerdijk geen alternatief is waarbij de leefbaarheid in het dorp Moerdijk niet aangetast wordt en het voortbestaan op lange termijn gegarandeerd is. Het kabinet kijkt met de provincie en gemeente naar het herhuisvesten van de inwoners van dorp Moerdijk, mocht besloten worden dat er geen toekomst is voor het dorp.
Deelt u de mening dat het verwijderen van een dorp in strijd is met het eigendomsrecht?
Het eigendomsrecht is het meest omvattende recht op een zaak, maar het is geen absoluut recht. Dat betekent dat inbreuk op het eigendomsrecht kan worden gemaakt, maar alleen onder strikte voorwaarden. Dat kan alleen door de overheid en als aan wettelijke eisen is voldaan. Het gedwongen ontnemen van eigendomsrechten op onroerende zaken (bijvoorbeeld woningen) heet onteigening. Onteigening kan alleen plaatsvinden in het algemeen belang en tegen een volledige schadeloosstelling. Daarnaast verloopt een onteigening via een zeer zorgvuldig proces, waarbij volledige rechtsbescherming is geborgd. Voorafgaand aan een onteigening moet altijd worden geprobeerd om de onroerende zaken minnelijk – dus met overeenstemming via een koop- of ruilovereenkomst – te verwerven. Bij minnelijke verwerving wordt geen inbreuk op het eigendomsrecht gemaakt.
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom is het verwijderen van een dorp volgens u niet in strijd met het eigendomsrecht?
Zie het antwoord op vraag 7.
Vindt u dat de energietransitie zo ver mag gaan dat dorpen verwijderd mogen worden?
Zie het antwoord op vraag 3.
Erkent u de dat bewoners in de praktijk geen mogelijkheden hebben om zo’n besluit te voorkomen, terwijl het gaat over het verlies van hun woonplaats en gemeenschap?
Op dit moment betreft het bestuurlijke keuzes waarop bewoners geen directe mogelijkheid hebben tot bezwaar en beroep. De inzet van de gemeente is vastgesteld in de gemeenteraad. Hierbij hebben inwoners en ondernemers de mogelijkheid gehad tot inspreken. Voordat een definitief besluit wordt genomen over waar de ontwikkelingen (energietransitie, verduurzaming en circulair maken van industrie) binnen Powerport regio Moerdijk plaats moeten vinden, zal een planologische procedure doorlopen worden waarbij belanghebbenden, dus ook inwoners en ondernemers in Moerdijk, de mogelijkheid hebben om in bezwaar en beroep te gaan.
Er is tot nu toe een zorgvuldig participatieproces doorlopen. Waarbij er in aanloop naar het voorgenomen besluit van 1 december 2025, vanuit de Ontwerptafel Powerport regio Moerdijk meerdere participatiebijeenkomsten georganiseerd. Inwoners, agrariërs, bedrijven en het Havenbedrijf konden aangeven wat voor hen belangrijk is (hun randvoorwaarden en condities). Ook in de volgende fase dient participatie een goede plek te krijgen. Bij de uitwerking van randvoorwaarden en condities zal ruimte zijn om input van individuele inwoners, agrariërs en bedrijven te betrekken. Op welke manier dit gaat gebeuren wordt uitgewerkt in het plan van aanpak voor het vervolgproces.
Bent u van mening dat het democratisch onwenselijk is dat een gemeentebestuur – in samenwerking met provincie en Rijk – zulke beslissingen kan nemen zonder bindende inspraak, zoals een referendum, onder de bewoners?
Nee, formele inspraak van inwoners geschiedt via de gemeenteraad volgens de wettelijke democratische procedures. Daarnaast is er ook voor gekozen om, zoals hierboven reeds aangegeven, bewoners op verschillende manieren uitvoerig te betrekken in het participatieproces. Bovendien hebben het Kabinet en de regio afgesproken dat participatie ook in de volgende fase een goede plek verdient. Op welke manier dit gaat gebeuren wordt uitgewerkt in het plan van aanpak voor het vervolgproces.
Vindt u het in het algemeen belang om (eeuwenoude) dorpen te verwijderen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien het antwoord op vraag 12 bevestigend luidt, waarom is dit in het algemeen belang?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, deelt u de mening idat het in het algemeen belang is om historie, cultuur en erfgoed te beschermen en zodoende te staan voor het behoud van een (eeuwenoud) dorp?
Zie het antwoord op vraag 3.
Welke criteria zijn gehanteerd door het gemeentebestuur in samenwerking met het Rijk om te bepalen dat het verwijderen van het dorp Moerdijk noodzakelijk is?
Het gemeentebestuur heeft een eigen afweging gemaakt, ter voorbereiding van het Bestuurlijk Overleg Powerport regio Moerdijk dat op 1 december 2025 heeft plaatsgevonden. Het kabinet en de regio hebben op 11 juni 2025 de afspraak gemaakt om op 1 december 2025 een voorkeur uit te spreken voor de ontwikkelrichting in Moerdijk. De stukken van de gemeente ter onderbouwing van het raadsbesluit staan op de website van de gemeente Moerdijk4.
In hoeverre is er sprake van een systematisch onderzoek waarin alternatieve locaties voor nieuwe energie-infrastructuur met elkaar zijn vergeleken?
Voordat een definitief besluit wordt genomen over waar de ontwikkelingen plaats moeten vinden, zal een planologische procedure doorlopen worden. Daarbij zullen belanghebbenden, dus ook inwoners en ondernemers in Moerdijk, de mogelijkheid hebben om in bezwaar en beroep te gaan. In deze planologische procedure zal nader onderzoek plaatsvinden naar verschillende alternatieve locaties om de benodigde ruimte voor energie-infrastructuur, verduurzaming en circulair maken van industrie te faciliteren.
In het Programma Energiehoofdstructuur5 (PEH) is eerder in kaart gebracht hoeveel ruimte nodig is voor energie-infrastructuur in Nederland richting 2050. De toekomstige ruimtebehoefte concentreert zich vooral in en rondom industrieclusters, waaronder Moerdijk. In de ontwerp-Nota Ruimte6 staat het belang van het samenbrengen van vraag en aanbod van energie en grondstoffen. Dit kan betekenen dat op sommige plekken de ruimtevraag of de impact op de ruimte en leefomgeving hoger wordt, om de druk op de leefomgeving op andere plekken te beperken.
In hoeverre en op welke manier zijn bewoners van het dorp Moerdijk bij dit besluit betrokken geweest?
In aanloop naar het voorgenomen besluit van 1 december 2025, zijn er vanuit de Ontwerptafel Powerport regio Moerdijk meerdere participatiebijeenkomsten georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomsten zijn inwoners geïnformeerd over Powerport regio Moerdijk en beide zoekrichtingen. Inwoners, agrariërs, bedrijven en het Havenbedrijf konden aangeven wat voor hen belangrijk is (hun randvoorwaarden en condities). Er is gesproken met inwoners welke gevolgen de twee zoekrichtingen hebben voor hen en wat er voor hen geregeld moet worden mocht één van de zoekrichtingen daadwerkelijk worden gekozen. De gesprekken hebben plaatsgevonden met inwoners en ondernemers in beide zoekrichtingen: Zevenbergschen Hoek (24 september 2025), het buitengebied (25 september 2025), Moerdijk (1 oktober 2025), Zevenbergen (2 oktober 2025) en Klundert (6 oktober 2025). Voor deze brede bijeenkomsten zijn alle inwoners uitgenodigd. De uitkomst van de participatie is te lezen op de website van de gemeente7. De inhoud is geverifieerd met verschillende vertegenwoordigingen van inwoners, voordat deze is meegenomen als input voor het besluit van 1 december 2025.
Er is tot nu toe een zorgvuldig participatieproces doorlopen. Ook in de volgende fase dient participatie een goede plek te krijgen. Bij de uitwerking van randvoorwaarden en condities zal ruimte zijn om input van individuele inwoners, agrariërs en bedrijven te betrekken. Op welke manier dit gaat gebeuren wordt uitgewerkt in het plan van aanpak voor het vervolgproces.
Welke wettelijke grondslag is er voor het verwijderen van het dorp en hoe zal dit eruit komen te zien in de praktijk?
De overheid kan met de Omgevingswet een ruimtelijke keuze maken en een andere functie toedelen aan een gebied of een locatie. Als deze functie concreet is uitgewerkt in een omgevingsplan, projectbesluit of in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geeft dit de overheid, indien nodig, een zogenaamd onteigeningsbelang dat op grond van de Omgevingswet nodig is voor onteigening. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 7.
Indien tot verwijdering van het dorp wordt overgegaan, hoe worden de 1100 bewoners dan concreet gecompenseerd en wordt hierin (im)materiële schade door ontheemding meegenomen, denk aan psychische belasting, verlies van gemeenschap, voorzieningenverlies en de effecten op het woon-werkverkeer?
Het kabinet en de regio erkennen dat de impact voor bewoners groot is en duidelijkheid en inwonersperspectief op korte termijn nodig is. Daarom zorgen het kabinet en de regio ervoor dat, parallel aan het gebiedsplan, een rechtvaardig en menselijk pakket van randvoorwaarden wordt uitgewerkt en tijdig geëffectueerd wordt voor inwoners en bedrijven in het gebied van de ontwikkelrichting. Er wordt daarin meegenomen dat blijven moet lonen om zo de leefbaarheid in het dorp te behouden, maar dat er wel de mogelijkheid moet zijn om te kunnen vertrekken.
Het kabinet en de regio hebben op 1 december 2025 afgesproken om gezamenlijk een pakket van randvoorwaarden uit te zoeken, gegeven de forse impact van de besluitvorming op bewoners (kopers en huurders), ondernemers en de structurele (sociale) leefbaarheid en brede welvaart in de omgeving. Dit wordt onderdeel van het principebesluit over de voorkeur van de ontwikkelrichting in juni 2026 en de vaststelling van het nog op te stellen gebiedsplan.
In 2026 zal daarnaast een analyse gestart worden naar de emotionele en sociale impact van de keuze voor een van de ontwikkelrichtingen. De uitkomst van deze analyse vormt één van de bouwstenen voor de nog op te stellen transitiestrategie.
Hoe wordt er – nota bene tijdens een wooncrisis – gezorgd voor een nieuwe, passende woonruimte voor 1.100 bewoners?
Hierover gaat het kabinet in overleg met betrokken gemeenten en provincie. Daarbij zou een besluit over dat het dorp moet verdwijnen niet betekenen dat het dorp in één keer weg moet. De eerste werkzaamheden voor energieprojecten vinden plaats rond 2030, de uitbreiding van het haven- en industriecluster begint naar verwachting pas na 2035.
Zijn er plannen om in de toekomst andere woongebieden te verwijderen ten behoeve van de energietransitie?
Zie het antwoord op vraag 4.
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, kunt u aangeven om welke plannen dit gaat?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid te onderzoeken of – samen met provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk – alternatieven ontwikkeld kunnen worden die het behoud van het dorp Moerdijk waarborgen?
Voorafgaand aan het participatieproces zijn alle denkbare alternatieven gewogen, waarbij alleen de oostelijke en zuidoostelijke richting als reële alternatieven voor de ontwikkelrichting van haven- en industriecluster Moerdijk overbleven. Andere alternatieven zullen niet opnieuw onderzocht worden.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja, de vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen» van 11 november 2025, waarin de gemeente Moerdijk haar standpunt toelicht over de uitbreiding van het haven- en industrieterrein in het kader van de nationale Powerport-opgave?
Ja.
Kunt u aangeven op welke feitelijke grondslag de gemeente Moerdijk voornemens is het dorp Moerdijk op te heffen, en welke stappen tot op heden zijn ondernomen richting realisatie van dit besluit?
In het traject Powerport regio Moerdijk verkent het kabinet samen met de decentrale overheden, waaronder gemeente Moerdijk, de mogelijkheden voor ontwikkeling van dit gebied. Het is niet aan het kabinet om namens de gemeente te spreken, maar het kabinet begrijpt dat de gemeente een voorkeur heeft uitgesproken voor de oostelijke ontwikkelrichting voor het gebied, omdat zij menen dat ze hiermee op lange termijn de balans tussen leefbaarheid en economische ontwikkeling het beste kunnen zekerstellen. Het kabinet heeft op 1 december 2025 aangegeven nog geen voorkeursrichting te kunnen uitspreken op basis van de bij het kabinet aanwezige uitkomsten van onderzoeken en het participatietraject. Het kabinet heeft dit toegelicht in een Kamerbrief d.d. 2 december 20251.
Kunt u aangeven op welke juridische grondslag de gemeente Moerdijk voornemens is het dorp Moerdijk op te heffen, en welke stappen tot op heden zijn ondernomen richting realisatie van dit besluit?
Op dit moment is er geen juridische grondslag voor een definitief besluit. Het betreft een bestuurlijke voorkeursrichting vanuit de gemeente.
Wat is het vastgestelde of vooraf bepaalde besluitvormingsproces?
Het besluitvormingsproces voor de ontwikkeling van Powerport Moerdijk staat nog niet vast. Op een volgend bestuurlijk overleg stellen het kabinet, provincie Noord-Brabant en de gemeenten Moerdijk, Drimmelen en Geertruidenberg en waterschap Brabantse Delta vast wat de te doorlopen juridische procedure is.
Is er aan alle 1.100 inwoners gevraagd of zij weg willen? Zo ja, is er gevraagd onder welke voorwaarden? Zo nee, gaat u dat wel doen?
In aanloop naar het voorgenomen besluit van 1 december 2025, zijn er vanuit de Ontwerptafel Powerport regio Moerdijk meerdere participatiebijeenkomsten georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomsten zijn inwoners geïnformeerd over Powerport regio Moerdijk en beide zoekrichtingen. Inwoners, agrariërs, bedrijven en het Havenbedrijf konden aangeven wat voor hen belangrijk is (hun randvoorwaarden en condities). Er is gesproken met inwoners welke gevolgen de twee zoekrichtingen hebben voor hen en wat er voor hen geregeld moet worden mocht één van de zoekrichtingen daadwerkelijk worden gekozen. De gesprekken hebben plaatsgevonden met inwoners en ondernemers in beide zoekrichtingen: Zevenbergschen Hoek (24 september 2025), het buitengebied (25 september 2025), Moerdijk (1 oktober 2025), Zevenbergen (2 oktober 2025) en Klundert (6 oktober 2025). Voor deze brede bijeenkomsten zijn alle inwoners uitgenodigd. De uitkomst van de participatie is te lezen op de website van de gemeente2. De inhoud is geverifieerd met verschillende vertegenwoordigingen van inwoners, voordat deze is meegenomen als input voor het besluit van 1 december 2025.
Er is tot nu toe een zorgvuldig participatieproces doorlopen. Ook in de volgende fase dient participatie een goede plek te krijgen. Bij de uitwerking van randvoorwaarden en condities zal ruimte zijn om input van individuele inwoners, agrariërs en bedrijven te betrekken. Op welke manier dit gaat gebeuren wordt uitgewerkt in het plan van aanpak voor het vervolgproces.
Hoe realistisch acht u het zelf dat dit plan binnen 10 jaar doorgaat gezien de onrust en juridische strijd die dit zal veroorzaken?
Het kabinet acht het realistisch dat ruimtelijke ontwikkelingen zullen plaatsvinden. De eerste energieprojecten vragen nu al of op korte termijn om een keuze om start van de bouw rond 2030 mogelijk te maken. Deze zijn nodig voor de nationale en regionale energievoorziening en de verduurzaming van bestaande industrie.
Om ook voor de toekomst voldoende ruimte te kunnen bieden aan een groeiende economie, is naar verwachting meer ruimte voor bedrijvigheid en energie noodzakelijk. Daarbij zullen moeilijke keuzes gemaakt moeten worden over functies die zullen verdwijnen om plaats te maken. Voordat een definitief besluit wordt genomen over waar de ontwikkelingen plaats moeten vinden, zal een zorgvuldige planologische procedure doorlopen worden waarbij belanghebbenden, dus ook inwoners en ondernemers in Moerdijk, de mogelijkheid hebben om in bezwaar en beroep te gaan.
Erkent u dat dit besluit diep ingrijpt in de levens van de circa 1.100 inwoners van het dorp Moerdijk, die nu in onzekerheid verkeren over hun woningen, hun gemeenschap en zelfs over het voortbestaan van het lokale kerkhof?
Een eventueel besluit tot opheffing, zoals verwoord in het collegebesluit van de gemeente Moerdijk richting de gemeenteraad en daarmee de inzet van de gemeente Moerdijk richting het Bestuurlijk Overleg van 1 december jl., is een ingrijpende keuze met veel impact voor de lokale gemeenschap. De zorgen en emoties in het gebied zijn invoelbaar en het kabinet heeft begrip voor de inwoners, ondernemers en agrariërs die al lange tijd in onzekerheid leven.
Welke alternatieve plannen anders dan Moerdijk opheffen zijn verkend? Worden deze alternatieven nog opnieuw beoordeeld vóór het definitieve besluit op 1 december?
Zie antwoord op vraag 2, er is nog geen definitief besluit genomen. In een eerdere fase van de Ontwerptafel Powerport regio Moerdijk zijn diverse technische verkenningen uitgevoerd waarbij onder meer is gekeken naar de exacte omvang van de benodigde extra ruimte en vooral ook waarom die per se in de Powerport Regio Moerdijk gevonden moet worden, waarom het niet elders in Nederland kan en wat er gebeurt als we geen extra ruimte bieden. Hierbij zijn verschillende alternatieven voor de uitbreiding van Powerport Moerdijk verkend. Hieruit zijn de varianten oost en zuidoost overgebleven als realistische uitbreidingsrichtingen.
Hoe beoordeelt u het voornemen om Moerdijk op te heffen, mede in het licht van de grondwettelijke taak van de overheid om de leefbaarheid en het welzijn van haar inwoners te waarborgen?
Op het bestuurlijk overleg van 1 december is geen keuze gemaakt voor een ontwikkelrichting, dat is aan een nieuw kabinet. Het kabinet heeft respect voor het collegebesluit van de gemeente Moerdijk om hun voorkeur uit te spreken. Zij staan als lokale overheid het dichtste bij hun inwoners en achten dit de beste keuze voor hun gemeenschap. De gemeente heeft dit besluit niet lichtzinnig genomen. Zij stellen dat de oostelijke richting alleen kan onder zwaarwegende voorwaarden, zoals het in stand houden al dan niet verbeteren van de leefbaarheid in de gemeente Moerdijk, evenals een goede compensatie voor bewoners en ondernemers in en rondom het dorp Moerdijk.
Zijn er landelijke criteria of indicatoren om te beoordelen of de opheffing van een bestaand dorp, zoals Moerdijk, proportioneel, noodzakelijk en subsidiair is in de context van de energietransitie?
Er zijn geen landelijke criteria. Indien het kabinet en de regio gezamenlijk besluiten om een voorkeursrichting te kiezen dan is dat op basis van een integrale afweging van alle belangen en opgaven, waar ook de belangen van ondernemers, inwoners en agrariërs in het gebied meewegen.
Zijn de plannen voor Moerdijk nog steeds actueel gezien de ontwikkelingen rondom stagnerende projecten aangaande windturbines op zee en een dalend vestigingsklimaat waar de Botlek last van heeft?
Ja, de plannen voor windturbines, energie-infrastructuur en verduurzaming van de industrie zijn actueel. Er zijn meerdere energieprojecten in procedure / in onderzoek waarvan de bouw rond 2030 begint. Daarbij is Moerdijk een van de locaties die in beeld is voor aanlandingen voor windparken op zee. Ook verduurzaming en uitbreiding van industriële bedrijvigheid is actueel. Op 20 juni 2025 is een Kamerbrief3 verstuurd waarin staat aangegeven dat er richting 2050 meer ruimte nodig is voor de economie, de verduurzaming en het circulair maken van de industrie. Parallel wordt gewerkt aan het verbeteren van het vestigingsklimaat. Daar spelen verschillende factoren een rol in, voldoende fysieke- en milieuruimte voor de industrie is daar één van.
Is er al bekend welke agrariërs te maken zullen krijgen met kabeltracés?
Dit verschilt per locatie, niet alle kabel- en hoogspanningstracés liggen al vast. De tracés voor de Delta Rhine Corridor en de 380kV hoogspanningsverbinding Zuid-West Oost liggen al vast. Deze zijn te vinden op de respectievelijke projectwebsites4, 5. Tracés voor andere projecten worden de komende jaren vastgesteld.
Hoe is het draagvlak onder agrariërs voor kabeltracés?
Kabeltracés worden gezien als noodzakelijk voor de energievoorziening van Nederland. Tijdens het participatieproces hebben agrariërs gevraagd om in de aanlegfase zo veel mogelijk rekening te houden met hun belangen en bedrijfsvoering, bijvoorbeeld door zoveel mogelijk te bundelen en zorgvuldig afgewogen trajectkeuzes. Bij de aanlegfase wordt daarom getracht zo min mogelijk verstoring van de bedrijfsvoering van agrariërs te veroorzaken.
Zijn er Rijksmonumenten in Moerdijk aanwezig? Zo ja, wat betekent dit op den duur als het dorp afgebroken moet worden?
Het dorp Moerdijk heeft 1 inschrijving in het Rijksmonumentenregister: de Nederlands hervormde kerk uit 1815. Hierover zullen afspraken gemaakt worden in de uitwerking van het nog te nemen besluit over de voorkeursrichting.
Welke impact heeft dit besluit op de grondkwaliteit en de grondwaarde?
Het nemen van een besluit voor de voorkeursrichting heeft geen invloed op de grondkwaliteit. Voor de grondwaarde in Moerdijk heeft een dergelijk besluit wel gevolgen. Op dit moment is een garantieregeling van kracht voor woningeigenaren in Moerdijk om de waarde van de woningen te behouden. Voor de situatie na het vaststellen van een voorkeursrichting zullen regelingen uitgewerkt worden voor grondeigenaren. De uiteindelijke ontwikkeling kan wel impact hebben op de grondkwaliteit. Hier moet op een later moment onderzoek voor plaatsvinden.
Is er een risicoanalyse beschikbaar over de negatieve effecten (psychosociaal, sociaal-economisch, infrastructuur) voor bewoners? Zo ja, kan deze openbaar worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Deze is nog niet beschikbaar en wordt in 2026 verwacht.
Welke impact heeft dit besluit op lokale ondernemers en hoe worden zij gecompenseerd?
De impact op alle betrokkenen in het gebied is groot, zo ook voor de ondernemers. In hoeverre dit ook financiële consequenties heeft voor ondernemers is per ondernemer verschillend. Uitgangspunt voor het kabinet is dat ook ondernemers compensatie dienen te krijgen voor de geleden schade. Hierover lopen gesprekken tussen betrokken overheden als onderdeel van de besluitvorming over de uitbreidingsrichting.
Hoe wordt de emotionele en sociale impact van dit besluit meegewogen, met name voor ouderen, gezinnen en nabestaanden die geconfronteerd worden met vragen over het behoud of verplaatsing van graven op het kerkhof?
In 2026 zal een analyse gestart worden naar de emotionele en sociale impact van de keuze voor een van de ontwikkelrichtingen. De uitkomst van deze analyse vormt één van de bouwstenen voor de nog op te stellen transitiestrategie.
Welke maatregelen neemt het Rijk om te voorkomen dat woningwaarden kelderen in gemeente Moerdijk als gevolg van de onzekerheid over de toekomst?
Het kabinet ziet in dat woningwaarden, voornamelijk in het dorp Moerdijk, beïnvloed worden door de ontwikkelingen binnen de Powerport regio Moerdijk en de besluitvorming van 1 december 2025. Om woningeigenaren de kans te bieden om te vertrekken als zij dit willen, kunnen zij gebruik maken van de Moerdijkregeling6. Dit is een garantieregeling waarbij huiseigenaren de garantie krijgen dat hun woning aan de gemeente verkocht kan worden voor 100% (voorheen 95%) van de getaxeerde en geïndexeerde waarde. De indexatie is gebaseerd op de gemiddelde waardeontwikkeling van vergelijkbare woningtypen in de provincie Noord-Brabant.
Welke rol ziet u voor uzelf als Minister van Volkshuisvesting in het bieden van perspectief aan bewoners van het dorp Moerdijk, gelet op het feit dat 1.100 inwoners op straat dreigen komen te staan?
Het kabinet stelt allereerst dat niemand uit het dorp Moerdijk zomaar op straat komt te staan. Nederland heeft een groot tekort aan woningen. Tot 2040 moeten in de provincie Noord-Brabant ongeveer 100.000 woningen gebouwd worden. In het geval het besluit in juni wordt genomen om ongeveer 500 woningen in Moerdijk te slopen, dan lijkt dat daarmee strijdig. Echter voor de bouw van deze nieuwe woningen en bedrijven hebben we energie nodig en hiervoor moet het energienet uitgebreid worden. Daarnaast is er meer ruimte nodig voor nieuwe bedrijven, de verduurzaming en het circulair maken van de industrie, ook in de Powerport regio Moerdijk. Dat hiervoor mogelijk 1.100 inwoners moeten wijken, maakt dat we deze stap niet lichtzinnig zullen zetten. Een principebesluit over de voorkeursrichting die zal leiden tot opheffen van het dorp Moerdijk zal hand in hand moeten gaan met afspraken over herhuisvesting en compensatieregelingen.
Hoe draagt het verdwijnen van het dorp Moerdijk en de mogelijke verdringing van agrarische bedrijven bij aan het versterken van de brede welvaart, zoals beoogd in de Nota Ruimte bij de uitbreiding van de Powerport-regio Moerdijk?
De uitbreiding van het haven- en industriecluster Moerdijk heeft negatieve effecten op de omgeving, ongeacht de uitbreidingsrichting. De uitbreiding van het haven- en industriecluster in oostelijke richting heeft grote gevolgen voor de leefbaarheid van het dorp Moerdijk en agrarische bedrijven. Uit het participatietraject en technische analyse blijkt echter dat het alternatief van uitbreiding in zuidoostelijke richting leidt tot verdringing van meer agrarische bedrijven én aantasting van de leefbaarheid van meerdere omliggende dorpskernen met meer inwoners. Het dorp Moerdijk raakt dan ingeklemd door de ontwikkelingen vanuit industrie en energie, waardoor overlast toeneemt en een leefbaar perspectief onzeker is. Daarbij blijft de kans bestaan dat de discussie over de houdbaarheid van het dorp op een later moment opnieuw terugkomt. Om de impact van de uitbreiding te ondervangen en de leefbaarheid in deze regio te versterken hebben het kabinet en de regio op 1 december afgesproken om een pakket van randvoorwaarden op te stellen, gegeven de forse impact van de besluitvorming op bewoners (kopers en huurders), ondernemers en de structurele (sociale) leefbaarheid en brede welvaart in de omgeving. Dit wordt onderdeel van het besluit over de voorkeur van de ontwikkelrichting, waarvan het voornemen is dit in juni 2026 te doen, en de vaststelling van het nog op te stellen gebiedsplan.
Hoe krijgen bewoners en agrariërs daadwerkelijk invloed op het proces waarin de clusterspecifieke consequenties en de vertaling van de gekozen richting worden vormgegeven, en hoe wordt hun inbreng daarbij gewogen ten opzichte van de economische belangen van het havenbedrijf en de industrie?
Bewoners en agrariërs zijn de afgelopen maanden betrokken bij het participatietraject. De uitkomsten van dit traject worden meegenomen in de huidige en toekomstige besluitvorming. Voor verdere uitwerking word ook een participatiestrategie opgesteld.
Kunt u aangeven of en hoe het kabinet bereid is om op voorstel van de gemeente Moerdijk en haar bewoners gezamenlijk tot een alternatief plan te komen waarbij behoud van de kern mogelijk is?
Het college van de gemeente Moerdijk heeft zelf de stap naar voren gezet door haar voorkeur uit te spreken voor uitbreiding oostwaarts. De gemeenteraad heeft hiermee ingestemd met 19 stemmen voor en 3 stemmen tegen. De gemeente heeft aangegeven dat de uitkomsten van het participatietraject en de technische analyses duidelijk zijn en wil vooral duidelijkheid geven aan haar inwoners en ondernemers over de voorwaarden van het te nemen principebesluit.
Hoe verhoudt het besluit tot opheffing van Moerdijk zich tot het bestaansrecht van basisschool IBS De Klaverhoek en bent u zich ervan bewust dat hierdoor klassen abrupt uiteengerukt dreigen te worden?1, 2
Het kabinet is zich bewust van het risico van het «leeglopen» van de basisschool wanneer gezinnen vetrekken. Op dit moment is hiervan nog geen sprake. Indien besloten wordt tot oostwaartse uitbreiding en overgegaan wordt tot het opkopen van vrijkomende woningen kan dit wel aan de orde zijn. In de nog op te stellen transitiestrategie zal hier aandacht aan besteed worden.
Hoe wordt geborgd dat inwoners van Moerdijk, waaronder ouderen en kwetsbaren, toegang blijven houden tot zorg in de buurt als het dorp wordt opgeheven en zij noodgedwongen moeten verhuizen?
Op dit moment is nog geen sprake van teruglopende voorzieningen. Indien besloten wordt tot oostwaartse uitbreiding en overgegaan wordt tot het opkomen van vrijkomende woningen kan dit wel aan de orde zijn. In de nog op te stellen transitiestrategie zal hier aandacht aan besteed worden.
Is het mogelijk dat inwoners die willen blijven dat mogen? Onder welke voorwaarden?
Op dit moment is geen sprake van gedwongen vertrek van inwoners. Er is nog geen besluit genomen. Als wel wordt besloten tot opheffing van het dorp Moerdijk, dan kunnen inwoners die willen blijven de komende jaren, waarschijnlijk tot 2035, in het dorp blijven wonen. De eerste werkzaamheden voor energieprojecten vinden plaats rond 2030, de uitbreiding van het haven- en industriecluster begint naar verwachting pas na 2035.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja, de vragen zijn een voor een beantwoord.
Het besluit de inhoudingsregeling voor huisvesting op het minimumloon van arbeidsmigranten in stand te houden. |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA), Ilse Saris (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen wat de aanleiding was om binnen twee weken na uw benoeming als Minister van SZW, de inhoudingsmogelijkheid van huur op het wettelijk minimumloon in stand te willen houden, zoals blijkt uit de ambtelijke nota d.d. 18 september 2025?
Als gevolg van het besluit van mijn voorganger heeft het Ministerie van SZW regelgeving (in een algemene maatregel van bestuur – AmvB) voorbereid om de inhoudingsmogelijkheid trapsgewijs af te bouwen. Aan mij is deze AMvB voorgelegd ter agendering voor een onderraad om te versturen voor advies aan de Raad van State. Op dat moment heb ik het besluit gewogen en daarin een andere keuze gemaakt.
Welke formele en informele gespreken heeft u, met wie en wanneer gevoerd over dit onderwerp in de periode tot 18 september 2025. En welke argumenten heeft u gehoord in die gesprekken die maken dat u de maatregel wilde terugdraaien?
Zoals ook aangegeven tijdens de behandeling van de Wet toelating terbeschikkingstelling arbeidskrachten in de Eerste Kamer heb ik eigenstandig op basis van de informatie die er lag een besluit genomen. De basis voor deze afweging is de uitgevoerde ambtelijke verkenning naar de inhoudingsmogelijkheid. Mijn voorganger heeft die verkenning op 6 februari 2025 met uw Kamer gedeeld.1 In deze verkenning zijn de voor- en nadelen van de inhoudingsmogelijkheid op een rij gezet. Er is destijds gesproken met de Arbeidsinspectie, vakbonden FNV, CNV en VCP, werkgeversorganisaties VNO-NCW/MKB-NL, AWVN, LTO, ABU en NBBU, werkgevers in de uitzend-, land- en tuinbouwsector.
Op 28 augustus heeft mijn ministerie een kopie ontvangen van een brief die door VNO-NCW/MKB-Nederland is verzonden aan leden van de Tweede Kamer (ten behoeve van het Commissiedebat arbeidsmigratie). Daarin wordt door partijen gepleit voor het in stand houden van deze regeling. Dat standpunt was eerder door VNO-NCW/MKB-Nederland bekend gemaakt ten tijde van de verkenning. De brief gaf daarmee een bekend standpunt weer. Op 1 oktober is door mijn ambtenaren het besluit medegedeeld aan de sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Ik heb daarnaast met geen organisatie of individu gesproken over het genomen besluit.
Wat is de reden dat u bij de kennismakingsgesprekken met de verschillende partners in het maatschappelijk middenveld niet heeft besproken dat u voornemens was de inhoudingsmogelijkheid in stand te houden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke formele en informele gespreken heeft u, met wie en wanneer gevoerd over dit onderwerp in de periode na 18 september 2025 tot het versturen van de brief aan de kamer op 30 oktober 2025?
De insteek van deze gesprekken was kennismaken. Hierbij is een breed pakket aan onderwerpen van SZW op hoofdlijnen de revue gepasseerd. Wel is door mijn ambtenaren, onder embargo, het besluit gedeeld met sociale partners in de Stichting van de Arbeid.
Welke organisaties of individuen hebben er bij u formeel of informeel op aangedrongen om deze maatregel terug te draaien?
Zie antwoord vraag 2.
Het artikel 'Doek valt voor Winst Uit je Woning, dat gemeenten helpt met isolatie van woningen' |
|
Pieter Grinwis (CU), Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel?1
Ja.
Wat is uw reactie op het faillissement van Winst Uit Je Woning, een partner die door meerdere gemeenten werd ingezet voor de uitvoering van het Nationaal Isolatieprogramma (NIP)?
Ik volg de situatie rond Winst Uit Je Woning aandachtig. Daarbij is voor mij het meest belangrijk dat mogelijke vertraging in de uitvoering van de verduurzaming beperkt blijft. Het is positief dat er een doorstart is voor Winst Uit je Woning.2 De komende tijd zal duidelijk worden hoe er vervolg wordt gegeven aan de lopende opdrachten. Winst Uit je Woning geeft aan stap-voor-stap werkzaamheden te hervatten. Het tempo waarmee de uitvoering voortgezet kan worden zal mede hiervan afhankelijk zijn.
Welke maatregelen neemt u om te garanderen dat gemeenten en woningeigenaren alsnog geen vertraging oplopen bij de aanpak van slecht geïsoleerde woningen?
Dit is voornamelijk een zaak tussen de betreffende gemeenten als opdrachtgever en Winst uit je Woning. Echter, in het algemeen is er behoefte aan versnelling van de gemeentelijke isolatieaanpakken. Om versnelling in de uitvoering te realiseren heb ik recent 9 miljoen euro beschikbaar gesteld voor regionale ondersteuning aan gemeenten via de regeling specifieke uitkering isolatieopgave nationaal programma lokale warmtetransitie (SpUk isolatieopgave NPLW). Daarmee kan op regionale schaal capaciteit, expertise en ondersteuning worden geboden om de uitvoering van de lokale isolatieaanpakken te versnellen.
Kunt u aangeven in hoeverre het programma voorzien was op verschillen in gemeentelijke eisen en regelingen en welke kostenverhogingen daaruit voortvloeiden (zoals door het genoemde maatwerk bij Winst Uit Je Woning)?
De lokale aanpak van het Nationaal isolatieprogramma heeft als doel om 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) van huishoudens die extra ondersteuning nodig hebben samen met gemeenten te isoleren. Er is veel vrijheid aan gemeenten gelaten hun isolatieaanpak vorm te geven om de juiste ondersteuning te bieden die past bij de verscheidenheid aan behoeften van deze bewoners. Gemeenten kunnen daardoor de aanpakken ook laten aansluiten bij bestaande lokale initiatieven, de transitievisies warmte en specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld een relatief hoog aantal VvE’s).
Het is logisch dat extra specifieke eisen in een aanbesteding voor aannemende partijen extra kosten met zich meebrengt, zowel in de aanvraag als uitvoering. Het is daarom belangrijk om een goede balans te vinden bij de aanbesteding en een realistisch beeld te krijgen van kosten en risico’s die spelen bij partijen. Veel gemeenten voeren om deze rede ook marktconsultaties uit om de voorwaarden van een aanbesteding te toetsen. Bedrijven kunnen deze kosten uiteraard opvoeren in hun tarieven of als bedrijven de voorwaarden niet acceptabel vinden dan hoeven ze niet aan te bieden.
In hoeverre vindt u de verschillende gemeentelijke eisen wenselijk?
Zoals ik in antwoord op vraag 4 heb beschreven is het maatwerk dat gemeenten kunnen leveren aan de meest kwetsbare woningeigenaren een belangrijk onderdeel van de lokale aanpak. Wel is het altijd van belang voor gemeenten om te kijken waar dit maatwerk een toevoeging is voor de kwaliteit van ondersteuning van bewoners en waar extra eisen wellicht juist de verduurzaming in de weg staan of tot onnodige kosten of risico’s voor marktpartijen kunnen leiden.
Welke stappen neemt u om de uitvoering zoveel mogelijk te standaardiseren?
Ik ga gemeenten niet beperken in de vrijheid die zij hebben invulling te geven aan hun rol bij de lokale isolatieopgave of welke afspraken ze met private partijen mogen maken. Wel bied ik hier richting en ondersteuning in via het programma Verbouwstromen. Dit biedt ondersteuning bij de lokale aanpak van het NIP op een wijze die schaalbaar is en op regionaal niveau wordt ingestoken. Zo is de ontwikkelde Meerjarige Collectief Ontzorgen (MCO) aanpak in meerdere regio’s in uitvoering. Hierbij zijn samenwerkende gemeenten geholpen bij de voorbereiding van de uitvraag aan de markt en werken zij aan standaardisering. Verbouwstromen zorgt ook actief voor het verspreiden van de kennis en expertise die daarbij zijn opgedaan, zodat aanbestedingen zo slim en effectief mogelijk worden vormgegeven. Daarnaast worden goede voorbeelden en richtlijnen ook gedeeld vanuit Communities of Practice en webinars, die op regelmatige basis voor gemeenten door het Nationaal programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) georganiseerd worden. Dit leidt zeker ook tot een mate van standaardisering.
In hoeverre is gewaarborgd dat juist huishoudens met lage inkomens (die meer risico lopen op energiearmoede) in het huidige uitvoeringsmodel van het NIP worden bereikt, ook nu een speler is weggevallen?
De lokale aanpak van het NIP is juist erop gericht om isolatiemaatregelen te nemen bij eigenaar-bewoners en VvE’s die extra ondersteuning nodig hebben. Het is nog te vroeg om conclusies te trekken over het gevolg van het faillissement en doorstart van de betreffende partij. Met het NPLW blijf ik met de betreffende gemeenten in contact over de ontwikkelingen.
Hoe monitort u of de isolatiemaatregelen leiden tot daadwerkelijke vermindering van de energierekening en verbetering van woonlasten voor deze doelgroep?
Gemeenten dienen jaarlijks bij RVO voortgangsinformatie aan over de woningen die zij via de lokale aanpak hebben geholpen en welke maatregelen daarbij zijn getroffen. Verder werk ik eraan om deze informatie toe te voegen aan het dashboard energiesubsidies van het CBS. Op basis hiervan kunnen we ook berekenen hoeveel energie wordt bespaard. De Monitor Energiearmoede geeft de ontwikkeling van het aantal huishoudens met energiearmoede in Nederland weer. Daaruit blijkt dat woningverbetering een belangrijke bijdrage is voor het feit dat het aandeel energiearmoede in 2024 minder hoog was dan in 2019, terwijl de energieprijzen toen veel lager waren.
Welke cijfers heeft u over de gemiddelde kostprijs van de isolatie-trajecten die via gemeenten en intermediairs (zoals Winst Uit Je Woning) worden uitgevoerd?
Daar heb ik geen compleet beeld van. Gemiddeld ontvangt een gemeente circa 2.000 euro per woning in de lokale aanpak van het NIP. In de verantwoording van de lokale aanpak moeten gemeenten de totale kosten die zij maken aangeven, maar daarbij is niet altijd duidelijk in welke trajecten een intermediair is ingezet. Bovendien geeft het geen compleet beeld van de kostprijs voor het totale isolatie-traject in een woning. Tot circa 30% van de kosten kan met de ISDE of de SVVE worden vergoed en ook is vaak nog een klein deel eigen bijdrage van de bewoner nodig, al dan niet in de vorm van een gunstige lening van Nationaal Warmtefonds. Deze kosten hoeven niet in de verantwoording vermeld te worden.
De middelen uit de lokale aanpak worden grotendeels ingezet voor extra financiële ondersteuning, bovenop de landelijke subsidies. De middelen kunnen ook voor begeleiding en ontzorging ingezet worden. Dat is voor deze doelgroepen vaak belangrijk om stappen te kunnen zetten. Te verwachten is dat de gemiddelde kostprijs voor de isolatie-projecten in de lokale aanpak in het algemeen door deze extra diensten in verhouding hoger is dan de kostprijs voor andere woningen waar deze diensten niet zijn geleverd.
Uit een marktconsultatie uit 2023 van het programma Verbouwstromen blijkt dat de opgegeven kosten voor advies en begeleiding door intermediairs tussen de € 250 tot € 1.000 per uitvoering kunnen bedragen afhankelijk van de ondersteuning die nodig is. Bijvoorbeeld het begeleiden van bewoners bij de subsidieaanvraag, activatie en communicatie, nazorg of IT-kosten. De kosten voor deze diensten zijn aanvullend op de kosten voor het plaatsen van de isolatiemaatregelen zelf waarvan de prijs sterk afhankelijk is van het type maatregel en de eigenschappen van de woning.
Wat zijn de lessen die u trekt uit het faillissement van een uitvoerende partij zoals Winst Uit Je Woning op het gebied van toezicht, financiële kwaliteit van partners, en contractvoorwaarden met gemeenten?
Het is aan gemeenten de juiste voorwaarden te stellen bij het inschakelen van een intermediair in hun isolatieaanpak. Op basis van de ervaring die het programma Verbouwstromen inmiddels bij verschillende regio’s heeft opgedaan, geeft het de volgende algemene aanbevelingen over toezicht, financiële kwaliteit van partners en contractvoorwaarden:
Punt van aandacht is een goede balans tussen strenge contractvoorwaarden en ruimte voor innovatie. Meer toezicht en strengere contractvoorwaarden brengt ook het risico op disproportionaliteit met zich mee en minder kans op innovatie. Het is belangrijk hier een juiste balans in te vinden.
Kunt u aangeven of er herzieningen komen in de criteria voor samenwerking met intermediairs en zo ja, welke?
Nee. Ik ga de vrijheid van gemeenten niet inperken in de afspraken die zij kunnen maken met partijen in de markt bij het aanbesteden. Dit is tussen de gemeente en de betreffende partij.
Wel bied ik gemeente ondersteuning en advies in hoe ze hun aanpak vorm kunnen geven en uitvoeren via het programma Verbouwstromen en het Nationaal programma lokale warmte (NPLW).
Kunt u deze vragen binnen drie weken één voor één beantwoorden?
De vragen heb ik niet binnen de gebruikelijke termijn van drie weken kunnen beantwoorden.
Verhuurfraude |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Foort van Oosten (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat tientallen Hagenaars slachtoffer zijn geworden van verhuurfraude, waarbij mensen een woning bezichtigen, een voorschot betalen en zelfs een huurcontract tekenen waarna blijkt dat de woning niet van de vermeende verhuurder is?1
Ja.
Kan de Minister van Justitie en Veiligheid aangeven of hij van plan is deze vorm van fraude waar nu weinig zicht op is op te laten nemen in de volgende slachtofferenquête van het CBS, zoals onderzoekers van het CBS zelf voorstellen? Zo nee, waarom niet?
Het CBS en het Ministerie van Justitie en Veiligheid beslissen gezamenlijk welke vragen er gesteld worden in de Veiligheidsmonitor, de slachtofferenquête waar het hier over gaat. Wij doen dit in nauwe samenwerking met partners die belang hebben bij de monitor, zoals politie en gemeenten.
Het uitgangspunt is dat de vragenlijst door de jaren heen zoveel mogelijk hetzelfde blijft. Anders zijn de cijfers door de jaren heen niet meer te vergelijken en verliest de monitor zijn kracht. Tegelijkertijd moet de Veiligheidsmonitor ook meegaan met de tijd. Daarom verkennen het CBS, het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de partners in voorbereiding op iedere nieuwe Veiligheidsmonitor in welke mate er behoefte is aan data over eventuele aanvullende onderwerpen.
Op het moment van schrijven wordt de Veiligheidsmonitor 2025 uitgevoerd. De voorbereidingen voor de Veiligheidsmonitor 2027 worden in het najaar van 2026 opgestart. Dan zal het Ministerie van Justitie en Veiligheid samen met het CBS en de partners verkennen of het nuttig, wenselijk en haalbaar is om vragen over verhuurfraude op te nemen in de vragenlijst.
Kan de Minister van Justitie en Veiligheid aangeven of hij van plan is deze vorm van fraude apart te laten registreren door bijvoorbeeld de politie? Zo nee, waarom niet?
Door middel van het toekennen van een Maatschappelijke Klasse registreert de politie meldingen in haar systemen. Dat gebeurt ook voor vastgoedfraude, maar niet specifiek voor verhuurfraude. De politie geeft desgevraagd aan dat het ook niet wenselijk is hier een aparte klasse voor te creëren, omdat er vele vormen van vastgoedfraude zijn. Dit maakt de registratie diffuus en door alle verschillende definities minder overzichtelijk. Ik vind het van belang om te benadrukken dat slachtoffers van oplichting, en dus ook van verhuurfraude, aangifte bij de politie kunnen doen.
Kan de Minister van Veiligheid en Justitie aangeven wat de Fraudehelpdesk van het ministerie nu al doet rondom deze vorm van fraude en ziet de Minister aanleiding om de Fraudehelpdesk hier extra aandacht aan te laten besteden, bijvoorbeeld via specifieke ondersteuning voor slachtoffers of het beschikbaar stellen van preventieve informatie gericht op immigranten, gezien zij een «makkelijke» doelgroep voor deze fraude zijn?
De Fraudehelpdesk geeft desgevraagd aan dat dit jaar ongeveer 300 meldingen over (pogingen tot) verhuurfraude zijn gedaan, waarbij ongeveer de helft van deze melders financieel is gedupeerd. Het gaat hierbij om slachtoffers die geld hebben betaald voor een niet-bestaande woning of voor een woning die feitelijk niet beschikbaar is voor verhuur.
De Fraudehelpdesk biedt slachtoffers ondersteuning door samen met de melder te bekijken welke stappen kunnen worden gezet, en waar nodig door te verwijzen naar de juiste instanties. Daarnaast wordt via de website en sociale media actief gewaarschuwd voor deze vorm van oplichting. Zie bijvoorbeeld de campagne «Een dak boven je hoofd, of van je centen beroofd?» (https://www.fraudehelpdesk.nl/campagnes/een-dak-boven-je-hoofd-of-van-je-centen-beroofd/). De toegankelijkheid en vindbaarheid van kwetsbare groepen is voor de Fraudehelpdesk is een belangrijk aandachtspunt. De algemene folder van de Fraudehelpdesk is beschikbaar in het Nederlands, Engels, Turks en Arabisch, om ook anderstalige doelgroepen beter te bereiken.
Zien de Ministers aanleiding om extra aandacht te besteden aan het verhogen van de meldings- en aangiftebereidheid van verhuurfraude, aangezien de drempel voor veel mensen hoog is vanwege het feit dat ze het zichzelf verwijten? Zo nee, waarom niet?
Wij roepen burgers die slachtoffer zijn geworden van criminaliteit op om aangifte te doen bij de politie of om dit te melden bij de Fraudehelpdesk. Zoals bij het antwoord op vraag 4 is toegelicht heeft de Fraudehelpdesk, die ook wordt aangehaald in het interview, aandacht voor verhuurfraude en biedt hierover voorlichting en geeft informatie wat de potentiële huurder zelf kan doen om te voorkomen dat deze wordt opgelicht. Daarnaast treden gemeenten én woningbouwcorporaties op tegen illegale verhuurconstructies en frauduleuze praktijken met sociale huurwoningen.
Ziet de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ook dat de commerciële huursector een «black box» is wat fraude vergemakkelijkt en ziet de Minister reden om daar iets aan te doen? Zo nee, waarom niet?
Het huren en verhuren van woonruimte en het aangaan van een huur-verhuurrelatie, is een privaatrechtelijke overeenkomst, die bij de overheid onbekend is. Ik onderzoek op dit moment de meerwaarde van een huurregister, dit n.a.v. van verschillende Kamermoties, waarin in een huurregister een instrument wordt gezien om particuliere verhuur in beeld te krijgen en frauduleuze verhuurpraktijken beter aan te kunnen pakken.2
Ziet de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verhuurfraude als een extra reden om een landelijk huurregister in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Een huurregister wordt op dit moment door mij nader onderzocht. Een huurregister kan uiteenlopende maatschappelijke doelen dienen. Het uit de anonimiteit halen van de huur-verhuurrelatie is er daar één van. Met een huurregister kan de huurder bijvoorbeeld nagaan of de verhurende partij bij het register bekend is. Dat zou voor situaties zoals beschreven een extra waarborg kunnen geven.
Wordt de aanwezigheid van deze vorm van verhuurfraude meegenomen in de plannen voor een landelijk huurregister? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 7 is genoemd, wordt een huurregister op dit moment door mij nader onderzocht. Eén van de mogelijkheden van een huurregister is dat de huurder na zou kunnen gaan of de verhurende partij bij het register bekend is.
Welke scenario’s voor een huurregister worden op dit moment uitgewerkt door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en wanneer zal de Kamer hierover geïnformeerd worden?
Ik verwacht een voorstel voor het huurregister in het eerste kwartaal van 2026 in internetconsultatie te kunnen brengen. Daarmee wil ik alle relevante stakeholders uitnodigen mee te denken over de nadere inrichting van een huurregister. In het voorstel zal ik ook ingaan op onderzochte scenario’s en alternatieven.
Het investeringsklimaat voor middenhuur |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Deelt u de conclusie van SEO dat huurprijsverhoging weliswaar het investeringsklimaat voor particuliere verhuurders kan verbeteren, maar ten koste gaat van betaalbaarheid voor middeninkomens? Zo ja, waarom kiest u desondanks voor verhoging van de puntprijs?1
Bij het aanpassen van huurprijsregulering is er inderdaad een afruil tussen de betaalbaarheid van huurwoningen en de investeringsbereidheid van investeerders zoals particuliere verhuurders. In het coalitieakkoord is het voornemen opgenomen om de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. Daarnaast is afgesproken dat voorafgaand aan de evaluatie van de Wet betaalbare huur wordt bezien op welke punten de wet kan worden geoptimaliseerd om het aanbod van huurwoningen op peil te houden. Ik ben voornemens u in april nader te informeren over de ontwikkelingen op de huurmarkt en de uitwerking van deze afspraak in het coalitieakkoord.
Heeft u kennisgenomen van de aanbeveling van SEO om de betaalbaarheid voor huurders te waarborgen via subsidies of borgstellingen, in plaats van via hogere huren of afschaffing van huurregulering?
Ja.
Waarom acht u het gerechtvaardigd dat huurders met een middeninkomen meer moeten betalen om particuliere verhuurders «betere businesscases» te gunnen?
Een betere businesscase voor particuliere verhuurders is op zichzelf geen beleidsdoel, maar een middel om verhuur rendabel te houden en het aanbod van huurwoningen te bevorderen. Indien ik aanpassingen aan de huurprijsregulering zal voorstellen, is dit met het doel om het aanbod van betaalbare huurwoningen op peil te houden.
Hoe verhoudt deze benadering zich tot uw eigen beleidsdoelstelling dat werken moet lonen en dat ook middeninkomens betaalbaar moeten kunnen wonen?
Zoals hiervoor toegelicht zal het doel van eventuele aanpassingen aan de wet betaalbare huur zijn om het aanbod van betaalbare huurwoningen voor middeninkomens op peil te houden.
Waarop baseert u de veronderstelling dat hogere huren noodzakelijk zijn om nieuwbouw van middenhuur te realiseren, terwijl het SEO-model aangeeft dat slechts een klein deel van het segment rendabel kan worden bij die huurverhoging?
De berekeningen van SEO Economisch onderzoek laten zien dat vooral kleinere meergezinswoningen met een hogere huur binnen het middenhuursegment rendabel gebouwd kunnen worden. Of dit mogelijk blijft is sterk afhankelijk van macro-economische variabelen. Voorbeelden van redenen om het investeringsklimaat te verbeteren zijn het mogelijk maken van de bouw van meer woningen met groot oppervlak en het behouden van meer middenhuurwoningen in de bestaande voorraad. SEO Economisch Onderzoek schetst dat er verschillende mogelijkheden zijn om het uitponden tegen te gaan en de bouw van nieuwe huurwoningen te stimuleren, maar dit heeft altijd een prijs. Volgens SEO Economisch Onderzoek kan een beter investeringsklimaat door drie groepen worden betaald: huurders in een gereguleerde middenhuurwoning, de overheid of eigenaar-bewoners. In het onderzoek licht SEO Economisch Onderzoek toe dat een betere aansluiting van gereguleerde huren op de marktwaardering van woningen op de huurmarkt het investeringsklimaat verbetert en daarmee de beschikbaarheid van huurwoningen bevordert, maar ten koste gaat van de betaalbaarheid voor huurders in een gereguleerde middenhuurwoning.
Hoe verhoudt uw opstelling tegenover particuliere verhuurders zich tot de kabinetsbrede inzet op bestaanszekerheid en betaalbaarheid?
Zoals hiervoor toegelicht zal het doel van eventuele aanpassingen aan de wet betaalbare huur zijn om het aanbod van betaalbare huurwoningen voor middeninkomens op peil te houden wat ik niet in strijd acht met inzet op bestaanszekerheid en betaalbaarheid.
Wilt u erkennen dat het hier niet gaat om «kleine beleggers met één woning», maar om partijen die vaak opereren met hoog vreemd vermogen en forse rendementseisen, zoals SEO en DNB aangeven?
De verhuurders die actief zijn in het middenhuursegment lopen sterk uiteen.
Het rapport van SEO Economisch Onderzoek is deels gebaseerd op inzichten die men heeft verkregen met het uitzetten van een enquête onder investeerders. 21 investeerders hebben daarop gereageerd. 17 investeerders hebben in hun reactie aangegeven in hoeverre zij hun investeringen financieren met vreemd vermogen; dit loopt uiteen van 0% van de totale waarde van de investeringen tot 70%, met een gemiddelde van 30%. Het gemiddelde vereist rendement voor belastingen is onder deze investeerders 6,4%; het gemiddelde vereist rendement voor investeerders die zich wel deels financieren met vreemd vermogen is dit 9,2%.
Hoe vaak spreekt u met de Minister van Financiën over fiscale prikkels die van invloed zijn op het investeringsklimaat in de middenhuur?
Het kabinet heeft een Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw ingesteld met als doel binnen zes maanden een integraal programma op te stellen dat de koers uitzet voor de realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar. Het investeringsklimaat komt in deze Taskforce terug. De Minister van Financiën is lid van deze Taskforce. Daarnaast is er veelvuldig contact tussen mijn ministerie en het Ministerie van Financiën en is het Ministerie van Financiën vertegenwoordigd in het Structureel Overleg Investeringsklimaat.
Waarom zijn de SEO-aanbevelingen over verruiming van de pensioenfondsvrijstelling, achterborgstellingen en fiscale gelijkheid tussen huur en koop niet overgenomen in uw beleid?
Zoals toegelicht in antwoord 1 ben ik voornemens u in april nader te informeren over de ontwikkelingen op de huurmarkt en de uitwerking van deze afspraak in het coalitieakkoord. Ik wil u dan tevens informeren over de aanbevelingen van het onderzoek van SEO Economisch Onderzoek.
Kunt u toezeggen dat u, bij de aangekondigde vervolgbrief met de Staatssecretaris van Fiscaliteit, expliciet zult reflecteren op de lijn dat fiscale stimulansen en borgstelling beter zijn dan huurverhoging?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de opvatting dat wie bewust met een hoge schuldratio belegt, zelf verantwoordelijk is voor dat risico en niet met hogere huren gecompenseerd hoeft te worden?
Bedrijfsmatige verhuurders en hun kredietverstrekkers dragen zelf het risico van de keuze om te financieren met vreemd vermogen. Van hen wordt geacht dat zij voldoende kennis hebben over de risico’s. Wel gelden voor kredietaanbieders die zogenaamde buy-to-let hypotheken verstrekken aan particuliere verhuurders die één of enkele woningen voor de verhuur kopen, bijvoorbeeld als (aanvullende) pensioenvoorziening, aanvullende regels. Particuliere verhuurders zijn doorgaans namelijk minder bekend met de risico’s en sluiten een hypotheek niet vaak af. Daarom is de Wet op het financieel toezicht van toepassing op kredietaanbieders die buy-to-let hypotheken verstrekken aan dergelijke consument-beleggers. Kredietaanbieders die dergelijke hypotheken aanbieden zijn daarmee gebonden aan dezelfde eisen die ook gelden voor reguliere woninghypotheken, zoals een maximale Loan-to-Value (LTV) van 100 procent en inkomenseisen.
Hoeveel particuliere verhuurders in Nederland beleggen met meer dan 70% vreemd vermogen, en hoeveel woningen hebben zij gezamenlijk?
Hoeveel woningen in de bestaande voorraad precies in het bezit zijn van particuliere verhuurders met meer dan 70% vreemd vermogen is niet bekend. Wel blijkt uit een analyse uit 2024 van transactiegegevens van het Kadaster dat sinds 2019 bij ongeveer 30% van de woningen aangekocht door investeerders een hypotheek is afgesloten (Grafiek 1). Particuliere investeerders sloten voor hun woningaankopen vaker een hypotheek af dan bedrijfsmatige verhuurders.
De gemiddelde loan-to-value (LTV) van door particuliere investeerders afgesloten hypotheken lag in de periode 2019–2022 tussen de 80% en 84% (Grafiek 2). In 2023 nam de LTV toe tot 92%. De onderstaande figuur toont de ontwikkeling van het aantal woningen dat door particuliere verhuurders is aangekocht met een LTV-ratio onder de 70%, tussen de 70% en 100% en tussen de 100% en 150%2.
Grafiek 1: Aandeel aankopen investeerders met hypotheek
Grafiek 2: Verhuurhypotheken: Loan-to-Value (LTV)
De vastgoedlobby predikt het beeld dat het vooral gaat om «kleine beleggers die voor hun pensioen sparen», maar is hier een kwantitatieve onderbouwing voor?
Uit de transactiedata van het Kadaster blijkt dat op 1 januari 2026 5,67% van de totale woningvoorraad in bezit is van een bedrijfsmatige belegger. Daarnaast is 3,34% van de woningen in bezit van een particuliere belegger. Tot slot is 2,1% in bezit van een particulier als tweede woning. Van die laatste categorie is een deel in bezit voor eigen gebruik en wordt een deel verhuurd. Op basis van de data van het Kadaster is niet te zeggen welk deel dit betreft. Wel blijkt uit onderzoek van het CBS dat zo’n 70% van de tweede woningen wordt verhuurd. Dit impliceert dat ca. 1,5% van de totale woningvoorraad een particuliere belegger met maximaal twee woningen betreft.
De afgelopen jaren neemt het aandeel woningen in bezit van particuliere beleggers steeds verder af. Zo was in januari 2025 nog 3,64% van de woningen in bezit van particuliere beleggers, tegenover 3,34% in januari 2026. Het aandeel woningen in bezit van bedrijfsmatige investeerders is in lichte mate toegenomen, van 5,60% in januari 2025 naar 5,67% in januari 2026. Een reden hiervoor zou kunnen zijn dat particuliere beleggers hun verkopen niet kunnen compenseren door middel van aankopen of het bijbouwen van woningen, terwijl de bedrijfsmatige investeerders hier beter toe in staat zijn.
Zou het niet logischer zijn om deze problematiek (een goed pensioen regelen) te adresseren binnen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in plaats van binnen Volkshuisvesting, aangezien dit primair gaat over individuele vermogensvorming en niet over volkshuisvesting?
Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4 en vraag 6 zullen eventuele aanpassingen in de huurprijsregulering gericht zijn op het bevorderen van het aanbod van betaalbare huurwoningen, niet om individuele vermogensvorming te bevorderen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het ABF-rapport Woningmarktverkenning 2025–2040 |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Herkent u dat ABF Research in het rapport van 2024–2039 adviseert op 64 procent betaalbaar en in 2025–2040 op 60 procent betaalbaar?
Deze cijfers komen overeen met het scenario «midden» in het rapport van ABF van dit jaar en vorig jaar. In de rapporten zijn een laag, midden en hoog scenario doorgerekend omdat de ontwikkeling van de woningmarkt grote onzekerheden kent. Verschillende scenario’s bieden op basis van uiteenlopende veronderstellingen ten aanzien van de verwachte ontwikkeling van inkomens- en woonwensen een bandbreedte van mogelijke ontwikkelingen.
Hoe verklaart u deze verschillen gezien de stagnerende woningbouw?1
ABF geeft in het rapport aan dat de belangrijkste oorzaak voor het verschil de verminderde vraag naar betaalbare koopwoningen lijkt te zijn. Zoals uit een vergelijking tussen het WoON 2024 en 2021 naar voren is gekomen. In het rapport benoemt ABF nog een aantal oorzaken die een rol spelen zoals de (veronderstelde) inkomensontwikkeling en veranderingen in de verdeling van de bestaande voorraad naar betaalbaarheidssegmenten. Zoals in de Tweede Kamerbrief [Kamerstukken II, TK 32 847, nr. 1385] waarmee het rapport aan uw Kamer is aangeboden, deel ik de conclusie van ABF.
Wat zijn volgens u de hoofdoorzaken van de daling in het aandeel betaalbare koop (– 3 procentpunt, middenscenario)?
Zie antwoord op vraag 2.
Erkent u dat ABF Research in het rapport van 2025–2040 expliciet stelt dat de financiële haalbaarheid van betaalbare koop een probleem is («in de praktijk moeilijker») en dat dit mede de lagere behoefte in het bouwprogramma voedt?
ABF-Research stelt in het rapport niet dat het moeilijker worden van de financiële haalbaarheid van betaalbare koop, mede de lagere behoefte in het bouwprogramma voedt. ABF stelt dat er veel behoefte is aan betaalbare koop én dat nieuwbouw van betaalbare koopwoningen de laatste jaren in de praktijk financieel steeds moeilijker is geworden.
Hoe verhoudt dit zich tot uw kabinetsdoel van twee-derde betaalbaar bouwen?
Woningbouw is gebaat bij voorspelbaarheid in de betaalbaarheidsdoelstellingen voor de middellange termijn. Die voorspelbaarheid is van belang voor de ruimtelijke plannen van de overheden, maar ook voor marktpartijen en woningcorporaties. De ABF Woningmarktverkenning (Socrates scenario-model) is daarbij een hulpmiddel om vraag en aanbod in beeld te brengen. Met behulp van veronderstellingen over bijvoorbeeld de inkomensontwikkeling wordt een bandbreedte geboden voor mogelijke ontwikkelingen op de woningmarkt en voor de invulling van de bouwmix.
Daarnaast blijkt ook dat woningzoekenden hun woonvoorkeuren moeten bijstellen indien er onvoldoende betaalbaar aanbod is, terwijl de doelstelling van het kabinet juist is dat het aanbod aansluit bij de woonbehoefte van woningzoekenden. Het kabinet houdt daarom vast aan een betaalbaarheidsdoelstelling van twee derde betaalbaar bouwen. Daarbinnen is er ruimte voor lokale overheden om aan te sluiten bij wat er lokaal nodig is, bijvoorbeeld als het gaat om de verhouding tussen koop en huur, het aandeel eengezinswoningen of appartementen.
Hoe verhoudt dit zich tot de woonwens van aspirant-kopers?
Het merendeel van de het aanbod voor aspirant-kopers ontstaat door het vrijkomende aanbod in de bestaande voorraad. Door bij de programmering van de woningbouw segmenten toe te voegen waarin de kwalitatieve tekorten het grootst zijn, wordt met de woningbouw zo goed mogelijk bijgedragen aan de woningvraag.
Vindt u het ook opvallend dat het rapport stelt dat problemen in de realisatie van een wens leiden tot een andere woonwens?
Nee, dat vind ik niet opvallend. Mensen kiezen binnen de mogelijkheden die voor hen bereikbaar zijn. Indien duidelijk is dat de initiële woonwens niet vervuld kan worden, kunnen ze een alternatieve keuze maken. Bijvoorbeeld door te kiezen voor een huurwoning in plaats van een koopwoning.
Dit laat onverlet dat ik ernaar streef dat met het realiseren van betaalbare woningen zo goed mogelijk tegemoet gekomen wordt aan de woningbehoefte. Hierover maak ik afspraken met provincies en regio’s. Bij de inwerkingtreding van de Wet regie op de volkshuisvesting wordt dit wettelijk verankerd. Het aandeel van de woningbouw in het totale aanbod op de woningmarkt is overigens beperkt. Het grootste deel bestaat uit het vrijkomende aanbod in de bestaande voorraad.
Kan de conclusie ook zijn dat problemen in de realisatie dus beter weggenomen moeten worden zodat mensen hun oorspronkelijke woonwens kunnen realiseren?
Ik ben van mening dat alle inzet er op gericht moet zijn om te zorgen voor voldoende betaalbare woningbouw met meer tempo. Daarvoor zet het Rijk in op versnellen van betaalbare woningbouw.
Wat gaat u eraan doen om ervoor te zorgen dat mensen in Nederland die een betaalbare koopwoning zoeken hun woonwens kunnen realiseren?
Doelstelling van het kabinet is om binnen de woningbouwopgave twee derde betaalbare woningen te realiseren, onderdeel daarvan zijn betaalbare koopwoningen. Het Rijk ondersteunt de realisering hiervan met financiële regelingen, zoals de realisatiestimulans en betaalbare koopwoningen voor koopstarters met de Koopstartregeling.
Kunt u precies toelichten hoe in de onderzoeksmethode ervoor gezorgd wordt dat beschikbaarheids- en betaalbaarheidsbeperkingen niet verward worden met voorkeuren?
Er wordt gebruik gemaakt van het WoonOnderzoek Nederland van het Ministerie van VRO en het CBS. Daarin wordt gevraagd naar verhuiswensen en kenmerken van woningen die gewenst worden. Respondenten houden bij het beantwoorden van deze vragen op basis van hun eigen inzichten en ervaringen rekening met de mogelijkheden die er zijn. De in het WoON gemeten voorkeuren zijn leidend voor de bepaling van de kwalitatieve woningvraag.
Klopt het dat ABF Research aangeeft dat een andere betaalbare koopgrens (bijvoorbeeld 400.000 euro in plaats van 390.000 euro) de gemeten koopvraag in dat segment met bijna 10 procent zou verhogen?
Dat klopt.
Welke gevoeligheidsanalyses zijn uitgevoerd om dit grenseffect te mitigeren?
Hoe voorkomt u dat door het wijzigen van vraagstelling en parameters sprake kan zijn van politieke doelredenatie?
ABF Research is een onafhankelijk onderzoeksbureau met meerdere opdrachtgevers en maakt haar eigen keuzes. Jaarlijks stelt ABF een scenario-model op met een laag, midden en hoog scenario. ABF bepaalt zelf de uitgangspunten en parameters en zij lichten deze keuzes transparant toe in hun rapportage. Het Rijk is bovendien niet de enige afnemer van deze scenario-uitkomsten. Opdrachtgevers kunnen ABF vragen om aangepaste scenario’s met andere veronderstellingen en uitgangspunten door te laten rekenen. In dat geval wordt er een aparte notitie door ABF opgesteld waarin duidelijk is beschreven welke uitgangspunten zijn gekozen. In het rapport «Bouwmix, doorstroming en betaalbaarheid» dat ik u 10 juli jl. [Kamerstukken II, 32 847, nr. 1374] heb toegezonden zijn bijvoorbeeld andere scenario’s doorrekend.
Is het nieuw dat ABF Research een niet-gerealiseerde koopwens (door rente, prijs of financierbaarheid) interpreteert als een lagere voorkeur voor koop?
ABF geeft in het rapport een duiding/interpretatie van de oorzaken van de vraagverschuiving tussen het WoON 2021 en het WoON 2024. De woonwensen zijn geen constant gegeven maar worden beïnvloed door verschillende factoren, bijvoorbeeld de inkomensontwikkeling en hypotheekrente. In de kernpublicatie van het WoON2024 «Tussen wensen en wonen» die ik u 10 april jl. heb toegezonden [Kamerstukken II, 32 847, nr.1321] duidde het onderzoeksbureau Companen de uitkomsten op dezelfde manier. Op de parameters en veronderstellingen in het model heeft deze interpretatie geen invloed. De woonvoorkeuren zoals gemeten in het WoON 2024 zijn hiervoor het uitgangspunt.
Heeft ABF Research dat in eerdere jaren ook zo gedaan, of is dit een methodologische wijziging?
Er heeft geen methodologische wijziging op dit punt plaatsgevonden en ABF is transparant over methodiek en gemaakte keuzes in haar rapportages. ABF neemt het meest recente WoON als uitgangspunt voor de woonvoorkeuren. Het WoON wordt elke drie jaar uitgevoerd. In de onderhavige woningmarktverkenning was een recent WoON (2024) beschikbaar.
Worden respondenten expliciet gevraagd naar hun ideale keuze versus hun budget- of marktconforme keuze? Waarom wel of niet?
De respondenten van het WoON worden onder meer gevraagd of hun voorkeur uitgaat naar een koopwoning of een huurwoning, en welke prijs zij willen betalen. Er wordt niet gevraagd of dit de ideale of een budget- of marktconforme keuze is. Als er gevraagd wordt naar de ideale keuze waarbij budget geen rol speelt zal de respondent waarschijnlijk aangeven dat hij een duurdere woning wil. Er zal dus altijd en discrepantie zijn tussen de ideale of een budget- of marktconforme keuze. Deze informatie levert echter weinig concrete handvatten voor beleid. Daarom wordt dit niet uitgevraagd.
Wie formuleert de onderzoeksvragen voor de ABF-Woningmarktverkenning: het ministerie, ABF Research, of gezamenlijk?
De Woningmarktverkenning is een jaarlijkse exercitie waarbij dezelfde componenten worden beschreven. Bijvoorbeeld de uitgangspunten en de uitkomsten voor de het lage, midden en hoge scenario. Afhankelijk van de actualiteit kunnen aanvullende onderzoeksvragen in het rapport beantwoord worden. Dit kan aangedragen worden door ABF, door het Rijk of een gezamenlijke vraag zijn. In de onderhavige Woningmarktverkenning is bijvoorbeeld extra ingegaan op de uitkomsten van het nieuwe WoON.
Wilt u de opdrachtbrieven en voorwaarden van 2023, 2024 en 2025 aan de Kamer doen toekomen?
In de bijlage treft u de opdrachtbrief 2024 t/m 2026 met voorwaarden.
Kunt u uitsluiten dat de opdrachtformulering, parameters of scenario’s politiek-normatief zijn gestuurd richting meer particuliere huur en minder betaalbare koop?
Ik kan uitsluiten dat er politiek-normatief gestuurd is richting meer particuliere huur en minder betaalbare koop. In hoofdstuk 3 van de Woningmarktverkenning geeft ABF Research en uitgebreide beschrijving van hun uitgangspunten voor het scenario-model en de invulling van hun parameters. De opdrachtformulering geschiedt bovendien voor drie achtereenvolgende jaren. De Woningmarktverkenningen 2024, 2025 en 2026 vallen onder dezelfde opdracht die in 2024 is aanbesteed.
Welke waarborgen bestaan er om wetenschappelijke onafhankelijkheid te borgen?
ABF stelt de kwalitatieve woningmarktverkenning zelfstandig op, al meer dan 20 jaar. Zij maken daarbij gebruik van gezaghebbende bronnen als het CPB, het WoON, BAG en CBS. De uitkomsten van de verkenningen wordt door een groot aantal partijen gebruikt, zoals andere overheden en belanghebbenden.
ABF bepaalt welke uitgangspunten en parameters ze kiezen voor hun model en lichten deze transparant toe in het rapport. Dit rapport is openbaar en voor iedereen in te zien. Aan de basis van de kwalitatieve verkenning ligt het demografische Primos-model dat op dit moment subject is van een audit, waarbij zowel de totstandkoming als de inhoudelijke uitwerking onderzocht worden. In het verleden is Primos bijvoorbeeld door de RLI beoordeeld.
Welke definitie van «betaalbare koop» hanteert u momenteel, en bent u bereid de grens te herijken (bijvoorbeeld 400.000 euro in plaats van 390.000 euro) om het grenseffect te mitigeren? Waarom wel of niet?
De grens voor betaalbare koopwoningen wordt jaarlijks geïndexeerd. Voor 2026 komt de bovengrens voor betaalbare koop op € 420.000. In 2025 was dit € 405.000. Uw Kamer ontvangt jaarlijks een brief met de nieuwe grens.
Zoals bij vraag 12 aangegeven gebruikt ABF-Research de betaalbaarheidsgrens voor de koop zoals die gold op in het «nuljaar» van het scenario-model. Voor het rapport 2025–2040 is 2024 het nuljaar. In dat jaar was de betaalbaarheidsgrens 390.000 euro. Doordat de grens van betaalbare koopwoningen jaarlijks wordt geïndexeerd ligt de grens in de versie van het komende jaar op € 405.000.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Dat heb ik volgens verzoek gedaan.
Het artikel 'Kabinet plant grootschalige woonwijken bij vier Nederlandse steden' |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Wat is de huidige eigendomssituatie van de percelen binnen de in de Nota Ruimte genoemde locaties voor grootschalige woningbouwontwikkeling?1
In de Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving van afgelopen juni zijn enkele gemeenten benoemd waarbinnen een kansrijke nationaal grootschalige locatie ligt die extra Rijksregie vraagt. Vervolgens zijn na verder overleg deze gebieden in de ontwerop-Nota Ruimte opgenomen. De selectie van deze nationaal grootschalige woningbouwlocaties is gebaseerd op de huidige woondeals waarbij gekeken is naar de omvang van het aantal woningen dat t/m 2034 gerealiseerd kan worden op één geografisch samenhangende locatie, de complexiteit van de opgave en de ruimtelijke effecten van een locatie. De eigendomssituatie van de percelen is in deze analyse niet meegenomen.
Deze vier nieuwe nationaal grootschalige woningbouwlocaties zijn abstract aangestipt in de Ontwerp-Nota Ruimte en niet te herleiden tot perceelniveau. Het grondeigendom is in zijn algemeenheid gevarieerd met gronden in eigendom van verschillende partijen zoals overheid, particulieren, marktpartijen, agrariërs en bedrijven. Het ministerie heeft geen compleet overzicht van de eigendomssituatie van de percelen binnen de nationaal grootschalige woningbouwlocaties.
Heeft de Rijksoverheid of een publieke partij, zoals het Rijksvastgoedbedrijf of de gemeente, al grondaankopen gedaan of opties genomen in deze gebieden voorafgaand aan de publicatie van de plannen?
Gemeenten maken soms de keuze om proactief gronden aan te kopen of een samenwerking te zoeken met de grondeigenaar of ontwikkelaar. Dit is vaak al gedaan voorafgaand aan de publicatie Ontwerp-Nota Ruimte. Ook zijn gemeenten gericht actief met de toepassing van het voorkeursrecht binnen de Omgevingswet. Wij hebben geen compleet overzicht van percelen waar gemeenten voornemens zijn om een voorkeursrecht te vestigen of al hebben gevestigd.
Eendachtig de motie van het lid Grinwis (CU) c.s.2 roep ik gemeenten actief op om strategisch om te gaan met de inzet van het voorkeursrecht op potentiële ontwikkellocaties. Het is een belangrijk instrument in het kunnen versnellen van de woningbouw.
Is vooraf onderzocht of het openbaar aankondigen van deze locaties de grondprijs heeft beïnvloed, zoals stijging door speculatie?
De aanwijzing in de Ontwerp-Nota Ruimte is abstract en vaak niet direct toe te leiden naar percelen. De aankondiging in de Ontwerp-Nota Ruimte is voor de betrokken mede overheden en marktpartijen geen verrassing. Het betreft gebieden waar gemeenten al zelf actief bezig waren met visievorming etc. en die ze zelf bij het ministerie hebben aangedragen om aan te wijzen. Sommige gemeenten hebben intern hier een afweging gemaakt en het onderwerp van risico van prijsopdrijving meegewogen.
Zijn er afspraken gemaakt met gemeenten of grondeigenaren over het afromen van planbaten bij functiewijziging van de grond (bijvoorbeeld via een planbatenheffing)?
Nee, deze afspraken zijn er niet gemaakt. Er is geen wettelijke regeling op basis waarvan gemeenten aan grondeigenaren een planbatenheffing kunnen opleggen. Gemeenten kunnen de kosten voor publieke investeringen verhalen op de grondeigenaar (initiatiefnemer) voor maximaal de waardestijging als gevolg van een wijziging in de toegestane functie in het Omgevingsplan. Gemeenten maken met grondeigenaren afspraken over het verhalen van kosten. Zonder een houdbaar juridisch stelsel proberen gemeenten nog niet om een planbatenheffing in te voeren.
Is overwogen om het eigendom van de gronden eerst publiek te maken voordat het woningbouwprogramma wordt gestart, zodat betaalbaarheid geborgd wordt?
Afhankelijk van de gemeente en locatie is gekeken of men een actieve rol in de verwerving kon spelen. Op specifieke locaties is wel deze keuze gemaakt maar dit geldt zeker niet voor alle vier nieuwe nationaal grootschalige woningbouwlocaties.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden binnen drie weken?
Het bericht 'Vacatures voor renovatie Binnenhof duiden op schijnzelfstandigheid' |
|
Bart van Kent (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten van de Aannemersfederatie, FNV & CNV dat er sprake is van schijnzelfstandigheid bij de renovatie van het Binnenhof?1
Deze berichten zijn ons bekend, maar het Rijksvastgoedbedrijf herkent zich niet in de berichtgeving. Van ondernemingen die contracten afsluiten met de Rijksoverheid en dus ook met het Rijksvastgoedbedrijf wordt verwacht dat zij werken volgens wettelijke kaders en regelgeving. Dit is ook in de contracten geborgd. Dat betekent overigens niet dat er geen ruimte is voor zelfstandigen binnen de Rijksoverheid. Daar waar het mogelijk is om voor eigen rekening en risico te werken, en waar geen sprake is van gezag, kunnen zelfstandigen worden ingezet.
Bij het Rijksvastgoedbedrijf, noch bij de voor het Binnenhof door het Rijksvastgoedbedrijf gecontracteerde aannemers, zijn meldingen ontvangen van de bonden. Daarnaast hechten het Rijksvastgoedbedrijf en de aannemers eraan dat de vakbonden wanneer de wens daartoe bestaat, een bezoek kunnen brengen aan de bouwplaats. Er is geen verzoek ontvangen van FNV en CNV om een bezoek te brengen aan de bouwplaats. Op de bouwplaats van het Binnenhof gelden veiligheidsmaatregelen, waardoor deze niet vrij toegankelijk is. Dit geldt voor meer bouwplaatsen in Nederland. Vanwege de veiligheidsbeperkingen is het maken van een afspraak voorafgaand aan het verkrijgen van toegang tot de bouwplaats noodzakelijk. Van een van de aannemers hebben wij vernomen dat op 27 oktober jl. contact is opgenomen. Dit heeft nog niet geleid tot een afspraak om de bouwplaats te bezoeken.
In algemene zin is het kabinet van mening dat de Rijksoverheid zelf het goede voorbeeld moet geven bij de uitvoering van beleid en zich aan geldende wet- en regelgeving moet houden. In dat kader wordt het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen binnen het Rijk zo snel mogelijk naar nul afgebouwd, voor 1 januari 2026. Hiervoor is eerder ook een circulaire ontwikkeld, waarmee ieder departement is opgeroepen om in hun inhuurbestand bij te houden wat de ondernemingsvorm van een inhuurkracht is. Over de voortgang van het afbouwen van het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen bij de Rijksoverheid wordt u op korte termijn geïnformeerd door de Minister van BZK.
Hoe is het mogelijk dat schijnzelfstandigheid zich voordoet op een bouwplaats van het Rijksvastgoedbedrijf terwijl het Rijk tegelijkertijd zich inzet om schijnzelfstandigheid te beperken?
Zie het antwoord op vraag 1. Bij het Rijksvastgoedbedrijf zijn geen gevallen van schijnzelfstandigheid bekend. Van de gecontracteerde aannemers wordt ook verwacht dat zij werken volgens wettelijke kaders en regelgeving. Bij een overtreding zullen passende maatregelen worden genomen door het Rijksvastgoedbedrijf.
Kunt u inzage geven in hoe de aanbesteding is verlopen met de verschillende bedrijven waarbij mogelijk sprake is van schijnzelfstandigheid?
Over de renovatie van het Binnenhof wordt uw Kamer geïnformeerd met halfjaarlijkse voortgangsrapportages. In deze rapportages wordt ook ingegaan op de contractering. In de Kamerbrief van 23 november 2016 (Kamerstuk 34 293, nr. 31) is toegelicht dat het project renovatie Binnenhof geheim is verklaard in de zin van de Aanbestedingswet 2012. Dit mede gebaseerd op het advies van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid. Het geheim verklaren heeft als doel om informatie bij een zo klein mogelijke groep van marktpartijen te houden. Dit heeft onder meer tot gevolg dat werkzaamheden voor de renovatie door het Rijksvastgoedbedrijf aan een of meer partijen worden opgedragen zonder dat een aanbestedingsprocedure wordt gevolgd.
Bij hoeveel werknemers is er sprake van schijnzelfstandigheid op het Binnenhof, mocht u geen concrete getallen hebben, dan graag een schatting?
Er zijn bij het Rijksvastgoedbedrijf geen gevallen van schijnzelfstandigheid bekend.
Hoelang is er al sprake van schijnzelfstandigheid? Is dit al vanaf het begin van de renovatie in 2021 of is dit op een later moment pas geïnitieerd?
Zie antwoord op vraag 4.
Welke maatregelen gaat u nemen om de schijnzelfstandigheid op het Binnenhof tegen te gaan zoals is afgesproken binnen de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA)? Hoe gaat specifiek de handhaving worden verbeterd?
Van ondernemingen die contracten afsluiten met de Rijksoverheid en dus ook met het Rijksvastgoedbedrijf wordt verwacht dat zij werken volgens wettelijke kaders en regelgeving. Dit is ook in de contracten van het Rijksvastgoedbedrijf geborgd middels een aantal uniforme bepalingen. Gedurende de uitvoering wordt door het Rijksvastgoedbedrijf risicogestuurd getoetst op de werkwijze en het naleven van de processen door de opdrachtnemer. Daarnaast is dit onderwerp van gesprek in de voortgangsoverleggen van het Rijksvastgoedbedrijf met de opdrachtnemer en wordt de opdrachtnemer – indien noodzakelijk – gewezen op het strikt naleven van de wettelijke en contractuele bepalingen. Bij een overtreding zullen passende maatregelen worden genomen door het Rijksvastgoedbedrijf.
In het kader van de verbetering van de handhaving is op 1 januari 2025 het handhavingsmoratorium voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen opgeheven. Dit betekent dat de Belastingdienst weer volledig kan handhaven en weer met terugwerkende kracht naheffingen loonheffingen kan opleggen tot 1 januari 2025. Met betrekking tot de periode vóór 1 januari 2025 geldt dat Belastingdienst – met inachtneming van de vijfjaarstermijn – alleen naheffingen kan opleggen als sprake is van kwaadwillendheid of als een eerder gegeven aanwijzing niet in voldoende mate is opgevolgd. Zoals eerder aangegeven in de Kamerbrief van 24 juni 2022 inzake de Kabinetsreactie rapporten ARK en ADR en daaropvolgende voortgangsbrieven werken met en als zelfstandige(n) is enkel het verbeteren van de handhaving echter niet de oplossing van het probleem rondom schijnzelfstandigheid. Daarom heeft het kabinet gekozen voor een aanpak langs drie lijnen waarin naast het verbeteren van de handhaving, een gelijker speelveld tussen contractvormen (lijn 1) en meer duidelijkheid over de vraag wanneer gewerkt wordt als werknemer dan wel als zelfstandige (lijn 2) urgent zijn om stappen op te zetten.
Daarnaast heeft het kabinet de Kamer onlangs geïnformeerd dat de afgesproken verbetering op de handhaving van schijnzelfstandigheid wordt voortgezet en de zachte landing niet wordt verlengd2.
Bent u bekend met het signaal van zowel werkgevers- als werknemersorganisaties dat intermediairs op grote schaal schijnzelfstandigen bemiddelen in de bouw ondanks de aangekondigde en lopende wetgeving? Zo ja, wat gaat u hier op korte termijn aan doen? Zo nee, bent u bereid tot een rondetafelgesprek met deze organisaties?
Het kabinet voert regelmatig gesprekken met werkgevers-, werknemers en zelfstandigenorganisaties over de aanpak van schijnzelfstandigheid in den brede, maar ook als het gaat om specifieke sectoren zoals de bouw. Het doel hiervan is om tijdig signalen op te halen en met elkaar te delen. Tevens zijn er in aanloop naar de opheffing van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 – maar ook in het afgelopen jaar – veel gesprekken gevoerd met brancheorganisaties om meer duidelijkheid te geven over het aangaan van de juiste arbeidsrelatie, en te werken conform wet- en regelgeving. Dat geldt ook voor de bouwsector. Deze gesprekken blijven wij waar nodig ook de komende periode voeren, ook als het gaat om de bouw.
Bent u zich bewust van waar soortgelijke situaties zich nog meer afspelen waar het Rijk onderdeel van uitmaakt? Zo ja, welke plekken zijn dat? Zo nee, bent u van plan hier onderzoek naar te doen?
In algemene zin wordt er door het kabinet naar gestreefd het aantal schijnzelfstandigen binnen het Rijk zo snel mogelijk af te bouwen. Dat wil helaas (nog) niet zeggen dat er op dit moment helemaal geen sprake meer is van situaties waarbij mogelijk sprake is van schijnzelfstandigheid. Daarom zijn acties er op gericht het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen zo snel mogelijk naar nul af te bouwen, voor 1 januari 2026.
Over de voortgang van het afbouwen van het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen bij de Rijksoverheid wordt u, conform de motie Boon, op korte termijn geïnformeerd door de Minister van BZK.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de werknemers waarover het gaat zo snel mogelijk een vast contract krijgen aangeboden?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, zijn er geen gevallen van schijnzelfstandigheid bekend bij het Rijksvastgoedbedrijf. In het algemeen benadruk ik dat de renovatie van het Binnenhof een grote en complexe bouwopgave is. Hiervoor is een grote noodzaak om (specialistisch) personeel te werven en te behouden. Via aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden wordt juist ingezet op de werving van personeel.
Is hier mogelijk sprake van een fiscaal delict doordat er sprake is van een belastingschuld van de werkgever? Zo ja, is de FIOD hiervan op de hoogte en wordt er een onderzoek gestart? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst kan deze vraag op grond van zijn geheimhoudingsplicht niet beantwoorden. In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat ook bij handhaving op het gebied van arbeidsrelaties het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen (Protocol AAFD 2023) gevolgd wordt. Het Protocol beschrijft hoe de Belastingdienst de aanmeldingen van delicten die voor mogelijke strafrechtelijke afdoening in aanmerking komen, selecteert op het terrein van belastingen, douane en toeslagen. Als er sprake is van een fiscaal nadeel van meer dan € 100.000 en een vermoeden van opzet, wordt de zaak aangemeld.
Hoe verantwoordt u dat er bij aanbestedingen geen eisen worden gesteld ten aanzien van onderaannemers, zodat preventief al gehandhaafd kan worden op schijnzelfstandigheid?
Van ondernemingen die contracten afsluiten met de Rijksoverheid en dus ook met het Rijksvastgoedbedrijf wordt verwacht dat zij werken volgens wettelijke kaders en regelgeving. Dit is ook in de contracten geborgd.
De Arbeidsinspectie geeft aan dat de kans op een ongeval hoger is voor werknemers in de flexibele schil, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit wordt beperkt? Hoe wordt daarbij ook de toezicht verbeterd zodat ook de kleinere ongevallen, waar geen medische hulp bij nodig is, inzichtelijk worden gemaakt?2
Structureel werk zou moeten worden uitgevoerd op basis van een vast contract of een tijdelijk contract met uitzicht op vast. De realiteit is helaas dat veel structureel werk ook nog steeds wordt uitgevoerd door mensen in de flexibele schil. De werkgever hoort er primair voor te zorgen dat iedere werkende het werk gezond en veilig moet kunnen uitvoeren. Dat betekent op de werkvloer voor de werkgever mogelijk extra aandacht voor ervaring, opleiding, competenties, werkinstructies en toezicht om aan de zorgplicht te voldoen. Mede vanuit de Arbovisie 2040 wordt ingezet op nog meer bewustwording en kennis hierover richting werkgevers.
Indien er sprake is van een ernstig arbeidsongeval, is de werkgever verplicht dit te melden aan de Arbeidsinspectie. Naast deze gemelde arbeidsongevallen, dient de werkgever ook op basis van artikel 9 lid 2 van de Arbowet een lijst bij te houden van arbeidsongevallen die hebben geleid tot verzuim van meer dan drie werkdagen. Bij dit soort arbeidsongevallen hoeft geen medische hulp nodig te zijn geweest. De werkgever dient de aard en datum te registreren en de gegevens toegankelijk te maken voor deskundigen als arbodeskundigen en arbodiensten.
Deelt u de mening dat een Bouwplaats-ID een goede oplossing is om meer toezicht te krijgen in de werkzaamheden op de bouwplaats, zeker ook preventief met betrekking tot schijnzelfstandigheid. Zo ja, wanneer bent u bereid dit in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Op 30 oktober jl. is uw Kamer per brief geïnformeerd dat onvoldoende rechtvaardiging bestaat om ondernemingen en werkenden via een wettelijke verplichting te onderwerpen aan een allesomvattend Bouwplaats-ID systeem. Het belang van eerlijk, gezond en veilig werk op de bouwplaats kan evenwel worden onderschreven. De brief vermeldt mogelijke alternatieven die zonder wettelijke verplichting kunnen worden gerealiseerd.