Spreiding Rijkswerkgelegenheid en ontwikkeling Rijksdienst |
|
Sander van Waveren (NSC) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Onderschrijft het kabinet nog steeds de doelstellingen voor spreiding van Rijkswerkgelegenheid, zoals vastgelegd in de Kamerbrieven van 8 mei 2024 en 25 oktober 2024?1 2
Ja, het kabinet werkt, samen met provincies en regio’s, aan een betere spreiding van rijkswerkgelegenheid over Nederland. Daar gaan we mee door, ook nu het kabinet demissionair is.
Op welke wijze is de versterkte, coördinerende rol van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot uitvoering gebracht? Kunt u dit voor elk van de punten (a t/m e), die in de brief van 8 mei genoemd worden separaat concreet maken met voorbeelden?
In het kabinet zijn afspraken gemaakt die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een sterkere coördinerende rol geven om Ministers te ondersteunen bij het toewerken naar een betere spreiding van de Rijksoverheid over Nederland. Deze verantwoordelijkheid vloeit voort uit diens bredere coördinerende rol ten aanzien van de organisatie en bedrijfsvoering van het Rijk. Samen zoeken we naar locaties die bijdragen aan de versterking van regio’s en aan een goede uitvoering en dienstverlening aan inwoners en ondernemers. Uiteindelijk zijn het mijn collega’s in het kabinet die besluiten over locatiekeuzes van de diensten die onder hun ministerie vallen.
In de brief van 8 mei 2024 worden vijf actielijnen geformuleerd aan de hand waarvan invulling wordt gegeven aan de coördinerende rol inzake spreiding. Op elk van de vijf actielijnen is het afgelopen jaar geacteerd en zijn resultaten behaald. Zo is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties meerdere malen door collega-bewindspersonen benaderd om locatieadvies uit te brengen bij wijziging in de omvang van een rijksdienst, bij een nieuwe rijksdienst of bij aanpassing van de vigerende masterplannen voor de rijkskantoorhuisvesting. Met alle ministeries met zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) is gesproken over de mogelijkheden van spreiding van zbo’s indien nieuwe huisvestingsopties worden onderzocht. En er vindt een gespreksronde plaats langs commissarissen van de Koning en burgemeesters waarbij de kansen voor rijksdiensten in een regio worden besproken. Veel provincies en regio’s hebben inmiddels een profiel met kernkwaliteiten aangereikt om te bezien waar kansen liggen voor samenwerking. Zo kunnen in de toekomst goede matches worden gemaakt tussen regio’s en rijksdiensten. In de tweede helft van dit jaar wordt een dashboard ontwikkeld waarin alle beschikbare gegevens inzichtelijk worden ondergebracht.
Ik noem een aantal concrete voorbeelden. In Drenthe werken meerdere ministeries samen met de provincie en gemeenten om de rijkswerkgelegenheid te versterken. In het afgelopen jaar waren daar al mooie voorbeelden van te zien. Op 25 augustus 2025 hebben we een volgende stap gezet om aanvullende afspraken te maken over de toekomst van de Johan Willem Frisokazerne in Assen, inclusief het completeren van een deel van het kazerneterrein met functies met maatschappelijke meerwaarde. Met ministeries worden de mogelijkheden besproken voor het huisvesten van onderdelen buiten Den Haag of Utrecht. Daarbij benutten we de profielen die we van provincies en regio’s ontvangen. Een concreet voorbeeld is dat bij de uitbreiding van de formatie van de Belastingdienst ten behoeve van box 3 we inzetten op huisvesting verspreid over het land. In Breda wordt hiertoe de formatie uitgebreid. Ook op locaties als Groningen, Leeuwarden, Doetinchem en Venlo is de komende jaren een forse formatieve ontwikkeling voorzien. We gaan ook verder op de ingezette weg om de Rijksoverheid voor mensen uit de regio een aantrekkelijk werkgever te laten zijn. Zo wordt de basis gelegd voor een betere regionale vertegenwoordiging in de Rijksoverheid. Het netwerk van rijksontmoetingspleinen ondersteunt dit. Eind dit jaar wordt in Middelburg het negende rijksontmoetingsplein geopend.
In de jaarlijkse rapportage over de stand van de spreiding van rijkswerkgelegenheid (Kamerbrief te verzenden begin september) wordt, zoals toegezegd in het commissiedebat Regio’s en grensoverschrijdende samenwerking van 5 februari 2025, een overzicht gepresenteerd van casussen waaraan het afgelopen jaar is gewerkt. Deze voorbeelden laten zien hoe we gezamenlijk tot een betere spreiding over het land komen.
Kunt u aangeven welke werkgelegenheid feitelijk op een andere locatie is beland door de coördinerende inzet van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, graag met aantallen fte en vestigingslocaties?
Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan de rapportage over 2024, waarin een integraal beeld wordt geschetst. U ontvangt de Kamerbrief begin september. In de rapportage zal ik een gedetailleerd overzicht, uitgedrukt in fte’s, geven van de spreiding over provincies en de verschillende sectoren van rijkswerkgelegenheid, geïllustreerd aan de hand van concrete voorbeelden. Daarbij wordt gerapporteerd volgens de eerder met uw Kamer afgesproken methodiek. Voor het eerst zal in de Kamerbrief ook een uitsplitsing per ministerie worden verstrekt. Daarmee kan in de komende jaren beter inzicht worden gegeven in de voortgang van het dossier, per provincie en ministerie, op basis van een jaar-op-jaar vergelijking.
Indien onder vraag 3 geen of weinig concrete voorbeelden genoemd kunnen worden, wat bent u dan voornemens te wijzigen in het beleid om de beoogde doelstellingen alsnog te bereiken?
Het kabinet zet maximaal in om binnen de huidige mogelijkheden tot een betere spreiding van rijkswerkgelegenheid te komen. Met de rapportage over 2024 ontvangt uw Kamer een overzicht van concrete voorbeelden. Daarnaast worden weliswaar nu met ministeries en regio’s afspraken gemaakt, maar de feitelijke realisatie zal veelal pas over vier of vijf jaar zijn. Het eerlijke verhaal is dat het toewerken naar een betere spreiding een kwestie van lange adem is. Niet alles kan in één keer en overal. De spreiding zal er van vandaag op morgen niet heel anders uitzien. Internalisering van de kabinetsbrede aanpak, kostenoverwegingen, beschikbare capaciteit bij de rijksdienstverleners en samenwerking met provincies en regio’s zijn vereist. De nieuwe aanpak heeft dan ook op de cijfers over 2024 nog weinig effect kunnen hebben. Wel zijn veelbelovende stappen gezet om beter inzicht te krijgen in de mogelijkheden die er zijn en waar winst valt te behalen. Dit zal in de volgende jaarlijkse rapportages over de spreiding van rijkswerkgelegenheid naar voren komen.
Heeft u in de Ministeriële Commissie Taakstelling Rijksdienst (MCTR) al gesproken over de effecten van de krimptaakstelling op de regionale spreiding van Rijkswerkgelegenheid? Zo ja, wat was de uitkomst daarvan?
Hier is niet als zodanig over gesproken in de MCTR. Het is wel op andere momenten in het kabinet besproken. Zo is in de ministerraad van 25 oktober 2024 bekrachtigd dat Ministers, bij het verwezenlijken van de aanpak om tot een betere spreiding te komen, handelen naar een aantal richtinggevende principes. Uiteraard geldt daarbij dat er oog is voor het primaire proces van een dienst. Er zullen altijd specifieke gevallen zijn die tot andere keuzes nopen.
In hoeverre zijn de regionale effecten van de voorgenomen bezuinigingen op de Rijksdienst op dit moment in beeld en op welke wijze wordt daar op gestuurd?
De voorgenomen bezuinigingen op de Rijksdienst zijn vertaald naar een budgettaire taakstelling van € 1 miljard. In het kabinet is afgesproken dat het aan individuele bewindspersonen is om invulling te geven aan, en daarmee te sturen op, de taakstelling. Bewindspersonen maken zelf keuzes die passend zijn voor hun organisatie. Ik word niet vooraf door collega-bewindspersonen ingeschakeld bij keuzes hoe de taakstelling uitpakt voor de regionale spreiding van rijkswerkgelegenheid, anders dan in die gevallen waarbij 100 of meer fte in het geding is en de betreffende bewindspersoon mij daarover om locatieadvies vraagt. Zoals toegelicht bij vraag 3, zal vanaf dit jaar in de jaarlijkse Kamerbrief een uitsplitsing van de regionale spreiding van werkgelegenheid per ministerie worden verstrekt, waarmee inzicht wordt gegeven in de ontwikkelingen per ministerie. Uit de rapportage over 2024 zal overigens blijken dat in het afgelopen jaar de totale rijkswerkgelegenheid met 3,8% is gegroeid.3
Kunt u per ministerie aangeven hoe de uitvoering van de 22% taakstelling uitpakt voor de regionale spreiding van de werkgelegenheid?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u van mening dat de taakstelling – door de opdracht die daaronder ligt – voor het overgrote deel in de Haagse departementen moet neerslaan?
In het kabinet is afgesproken dat het aan individuele bewindspersonen is om invulling te geven aan de taakstelling. De bezuinigingen op de Rijksdienst mogen evenwel wat mij betreft geen reden zijn om af te wijken van de ingezette weg om tot een betere spreiding van rijkswerkgelegenheid te komen en het belang van de regio centraal te stellen. Ik zet mij daarvoor in. Het gaat erom een balans te vinden tussen de afspraak dat bewindspersonen aangaande de taakstelling zelf keuzes maken die passend zijn voor hun organisatie, en de afspraak dat krimp in beginsel in de Randstad plaatsheeft en groei daarbuiten. Niet voorkomen kan worden dat in specifieke gevallen afgeweken wordt van deze afspraken. Ik zal vanuit mijn coördinerende rol aandacht blijven vragen voor een integrale aanpak, met inachtneming van de regiocontext.
Bent u bereid in de eerstvolgende MCTR of anderszins binnen het kabinet te komen tot een Rijksbrede werkwijze om te voorkomen dat krimp van de Rijksdienst leidt tot verminderde regionale spreiding? Zo nee, waarom niet?
Met de afspraak in het kabinet om krimp in beginsel in de Randstad te laten plaatshebben, verkleinen we het risico dat de taakstelling negatief uitpakt op de regionale spreiding. Toch zal er in specifieke gevallen en voor individuele regio’s nooit absolute zekerheid te geven zijn. De aanpak die op 25 oktober 2024 in de ministerraad is vastgesteld en nadien met uw Kamer besproken, biedt een goede basis om tot meer regionale spreiding te komen. De aanpak moet evenwel de tijd krijgen om zich te bewijzen: casussen moeten zich voordoen en rijksvastgoed moet worden voorbereid. Ontwikkelingen in de maatschappij zullen ook doorwerken in de omstandigheden waaronder de Rijksoverheid opereert, met inbegrip van de spreiding over het land.
Iftars op ministeries |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op welke ministeries er dit jaar een iftar (avondeten tijdens de ramadan) is georganiseerd?
Zie bijlage voor de gevraagde informatie per ministerie.
Op wiens initiatief zijn deze iftars georganiseerd?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven wat de kosten per iftar per ministerie bedroegen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt het faciliteren van religieuze bijeenkomsten door ministeries zich tot het grondwettelijke principe van de scheiding van kerk en staat?
Het principe van de scheiding van kerk en staat houdt in dat de overheid zich neutraal dient op te stellen ten aanzien van de belijdenis van godsdienst of levensovertuiging in beleid, uitvoering en toezicht. Dit volgt onder andere uit het discriminatieverbod en de vrijheid van godsdienst en betekent dat de overheid geen geloof of wijze van geloofsbelijdenis mag voortrekken en zich niet met geloofsbelijdenis of de interpretatie van religie mag bemoeien, maar ook dat religieuze organisaties geen formele positie hebben binnen de overheid. Een en ander betekent niet dat het de overheid verboden is om ruimte te maken voor de belijdenis van geloof of levensbeschouwing. Integendeel: aandacht voor pluriformiteit, bijvoorbeeld door het organiseren van betekenisvolle dagen, past binnen een democratische rechtsstaat zoals Nederland, waar een grote diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen.
Daarnaast heeft het Rijk ook een werkgeversrol richting medewerkers. Binnen ministeries wordt vanuit die werkgeversrol op verschillende manieren aandacht besteed aan betekenisvolle dagen. Hiermee wordt onder andere gestreefd naar het bevorderen van inclusie, het vergroten van bewustzijn over het non-discriminatiebeginsel en diversiteit binnen het Rijk, en het creëren van verbinding. Ministeries en rijksonderdelen besteden aandacht aan een mix van verschillende betekenisvolle dagen, aansluitend bij het personeelsbestand en behoeften binnen de organisatie, waarbij een balans bestaat tussen verschillende thema’s. Dit gebeurt in de meeste gevallen in overleg en/of samenwerking met de medewerkers(netwerken). Welke dagen worden uitgelicht verschilt veelal van jaar tot jaar. Religieuze dagen kunnen onderdeel uitmaken van de mix aan betekenisvolle dagen in een bepaald jaar, maar religie neemt hierin expliciet geen specifieke plek in.
Deze aanpak is niet in strijd met de neutraliteit en/of onpartijdigheid van ambtenaren.
Bent u van mening dat ambtenaren neutraal hun ambt moeten bekleden en dat het organiseren van iftars haaks staat op de neutraliteit van ambtenaren?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht “Powerplay bewindspersonen BBB: landbouwpost in Rome blijft voorlopig leeg” |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Rummenie , Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Klopt het dat de benoeming voor de permanente vertegenwoordiger in Rome al sinds december 2024 stilligt?1
Nee. De benoeming voor de Permanent Vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties-organisaties voor voedsel en landbouw (FAO, WFP en IFAD) in Rome loopt nog op dit moment. De procedure duurt langer dan oorspronkelijk was voorzien omdat de procedure na de eerste selectieronde, waar geen benoeming uit volgde, werd opengesteld voor kandidaten buiten het Rijk. De tweede selectieprocedure loopt nog. Na afronding zal de voordracht van een kandidaat via de ministerraad worden gedaan.
Klopt het dat deze benoeming stilligt omdat de BBB-bewindspersonen al twee kandidaten hebben afgewezen? Zo nee, waar ligt dit dan aan?
Zie het antwoord op vraag 1.
Hoe vaak komt het voor dat een voordracht van de selectiecommissie voor een functie op dit niveau door de politieke top van een ministerie niet ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de ministerraad? Hoe vaak komt het voor dat dit twee keer achter elkaar gebeurt?
Voorstellen tot dit type benoemingen worden gedaan door de Minister van Buitenlandse Zaken en bekrachtigd door de ministerraad. De besprekingen van de ministerraad en de benoemingen die voorliggen zijn niet openbaar en hetgeen besproken wordt, is vertrouwelijk. Dat geldt ook voor de benoemingen die voorliggen in de ministerraad.
Wat is de motivatie achter het tot tweemaal toe in de wind slaan van het advies van de selectiecommissie?
Zie ook het antwoord op vraag 1. Na de eerste selectieprocedure is besloten om de vacature ook open te stellen voor kandidaten buiten het Rijk. De tweede selectieprocedure loopt nog.
Klopt het dat de Staatssecretaris van LVVN de voorkeur heeft voor een eigen kandidaat die inmiddels is afgewezen?
Er worden gezien de vertrouwelijkheid van de procedure geen mededelingen gedaan over kandidaten.
Kunt u het rijksbrede benoemingenbeleid voor diplomatieke posities uiteenzetten? Welke rol is hierin weggelegd voor de persoonlijke voorkeur van bewindspersonen?
Voor het benoemingenproces inzake diplomatieke posities (ambassadeurs, consuls-generaal, permanent vertegenwoordigers) is het Ministerie van Buitenlandse Zaken het verantwoordelijke ministerie; het draagt zorg voor de selectie van een kandidaat en voordracht in de (Rijks)ministerraad. Er bestaan ten aanzien van het selectieproces een paar uitzonderingen, zoals de benoeming van de Permanent Vertegenwoordiger in Rome, waarbij het selectieproces door een ander ministerie wordt uitgevoerd; ook daar is het Ministerie van Buitenlandse Zaken evenwel betrokken bij het selectieproces en verloopt de voordracht via de Minister van Buitenlandse Zaken.
Het selectieproces voor alle diplomatieke topfuncties is gericht op het kiezen van de meest geschikte kandidaat. Daarbij wordt in ieder geval in aanmerking genomen: de voor die functie belangrijke competenties, relevante (buitenland)ervaring, beleidsinhoudelijke en managementervaring en integriteit.
Het selectieproces wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de desbetrefende bewindspersoon. De benoeming gebeurt door de ministerraad, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken.
Is er contact geweest tussen de Staatssecretaris van LVVN en de Minister-President en/of de Minister van Buitenlandse Zaken over de benoeming? Zo ja, wat was de aard van dit contact?
Het is in algemene zin niet ongebruikelijk dat er contact is tussen bewindspersonen over internationale benoemingen, omdat sommige functionarissen voor meerdere departementen werken. Dat geldt ook voor een functie als de Permanent Vertegenwoordiger in Rome.
Klopt het dat verschillende benoemingen voor commissies bij VN-organisaties op het gebied van landbouw «op persoonlijke titel» plaatsvinden en dat dit dus betekent dat Nederland niet meedingt naar vertegenwoordiging in deze commissies zolang er geen permanente vertegenwoordiger benoemd is?
Voor verschillende commissies bij de FAO, WFP en IFAD vinden benoemingen plaats op «persoonlijke titel». In de praktijk betekent dit dat Nederland een kandidaat moet voordragen door een CV en naam in te dienen. Zonder zo’n voordracht kan Nederland niet meedingen naar een zetel in deze commissies. Zoals gebruikelijk in het diplomatieke verkeer is, in afwezigheid van de geaccrediteerde Permanent Vertegenwoordiger, de plaatsvervanger aangemeld als tijdelijk vervanger.
Welke benoemingen voor commissies bij VN-organisaties zijn er sinds december 2024 voorbijgekomen, waarop Nederland geen kans maakt door het ontbreken van een permanent vertegenwoordiger?
Sinds dit voorjaar zijn er vacatures geweest voor het lidmaatschap en voorzitterschap van de zogenoemde Programme Committee, Finance Committee en Committee on Constitutional and Legal Mattersvan de FAO. Hier zijn inmiddels de benoemingen bekend. Bij IFAD en WFP zijn er geen mogelijke benoemingen geweest.
Welke benoemingen in commissies komen er tot aan december 2025 nog voorbij en missen we als Nederland dus mogelijk ook?
De commissies worden eens per twee jaar ingevuld tijdens de FAO Conferentie en zetels zullen in 2027 weer vacant komen. De laatste FAO Conferentie vond eind juni/begin juli jl. in Rome plaats.
Op welke andere vlakken is Nederland op dit moment minder effectief omdat we deze belangrijke post niet hebben ingevuld? Kunt u hierop een concreet antwoord geven gerelateerd aan de verschillende aspecten van het takenpakket van de permanent vertegenwoordiger?
Zoals gemeld in antwoord 8 is, in afwezigheid van de geaccrediteerde permanent vertegenwoordiger, de plaatsvervanger aangemeld als tijdelijk vervanger. Het voor langere periode afwezig zijn van een geaccrediteerde Permanent Vertegenwoordiger zou kunnen betekenen op termijn verminderde zichtbaarheid, effectiviteit en daarmee invloed van Nederland bij de VN-organisaties in Rome.
Deelt u de mening dat het absurd is dat Nederland een belangrijke post als deze niet binnen een normale termijn ingevuld krijgt?
Zie ook antwoord op vraag 1. De procedure wordt zorgvuldig uitgevoerd omdat het om een belangrijke internationale functie gaat voor Nederland. Zie verder het antwoord op vraag 11.
Bent u bereid bovenstaande vragen individueel en uiterlijk op 25 augustus 2025 te beantwoorden?
De vragen zijn individueel beantwoord maar het is helaas niet gelukt dit voor 25 augustus te doen.
De brief van de minister van Justitie en Veiligheid “Informatiebeveiliging OM” |
|
Martijn Buijsse (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u van mening dat het loskoppelen van de interne digitale omgeving van het Openbaar Ministerie (OM) een zware maatregel is?
Het loskoppelen van het OM van het internet is inderdaad een zware maatregel. Het OM heeft mij echter laten weten dat die in dit geval onvermijdelijk werd geacht.
Kunt u uitleggen waarom dit uit voorzorg gedaan is? Welke gebeurtenissen of risico’s gaven daar aanleiding toe?
Op 17 juli jl. berichtte ik u dat het OM uit voorzorg de interne systemen heeft losgekoppeld van het internet vanwege signalen van een mogelijke kwetsbaarheid in de Citrix-systemen.2 Op basis van het technisch en forensisch onderzoek is vastgesteld dat er inderdaad gebruik is gemaakt van de kwetsbaarheden in die systemen. Tot op heden zijn er echter geen aanwijzingen dat data (strafvorderlijk of anderszins) is gemanipuleerd of weggehaald. Verder forensisch en strafrechtelijk onderzoek vindt nog plaats. Inmiddels heeft het College van procureurs-generaal besloten om het OM stapsgewijs weer aan te laten sluiten op het internet. Hierover heb ik u op 4 augustus jl. geïnformeerd.3
Zijn er mogelijk vertrouwelijke gegevens ingezien of gestolen?
Zoals reeds gemeld in de brief van 4 augustus jl. zijn er tot op heden geen aanwijzingen dat data (strafvorderlijk of anderszins) is gemanipuleerd of weggehaald.
Zijn de back-ups van dossiers geborgd?
Ja.
Bestaat het risico op vertraging of vormfouten in lopende strafzaken door het misbruik van deze kwetsbaarheid bij het OM? Of zijn er andere operationele risico’s?
In algemene zin had de gehele afsluiting van het OM van het internet impact op het OM zelf en alle samenwerkingspartners. Door alle betrokkenen is dagelijks hard gewerkt om de ontstane knelpunten en effecten zoveel mogelijk op te lossen, met als doel de impact zoveel mogelijk beperken en de mogelijke risico’s mitigeren. Het OM en alle ketenpartners hebben intensief samengewerkt. Het doorgaan van zittingen en behandelen van strafzaken hebben prioriteit gekregen en voor spoedeisende processen zijn afspraken gemaakt met ketenpartners.
Tegelijkertijd leidt de situatie tot verstoringen en vertragingen in de operationele werkprocessen met ketenpartners. Om deze operationele uitdagingen zoveel als mogelijk te mitigeren, zijn er verschillende maatregelen geïmplementeerd. Over de meest recente situatie, inclusief de knelpunten en effecten, heb ik uw Kamer op 12 augustus jl. geïnformeerd.4
Zijn er maatregelen genomen om de bestaande, bekende kwetsbaarheden te verminderen?
In de periode vanaf juni 2025 tot aan 23 juli 2025 zijn er meerdere kwetsbaarheden bekend geworden van Citrix-systemen. Het NCSC heeft alle organisaties die Citrix NetScaler ADC en Citrix NetScaler Getaway gebruiken opgeroepen om onderzoek te doen naar mogelijk gebruik van de kwetsbaarheden, ook als de kwetsbaarheden reeds waren verholpen middels de update. Het NCSC heeft hier verschillende beveiligingsadviezen voor uitgebracht.
Het OM heeft naar aanleiding hiervan verscheidene maatregelen genomen, waaronder het loskoppelen van de systemen van het internet, en het bijwerken onder meer van de software waardoor de kwetsbaarheid is ontstaan om het veiligheidslek te dichten. Ook loopt er een strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast heeft het OM onderzoek gedaan om gebruik van de systemen te kunnen onderkennen of uit te kunnen sluiten. Er zijn tot op heden geen aanwijzingen dat data (strafvorderlijk of anderszins) is gemanipuleerd of weggehaald.
De livegang van de systemen van het OM dient stapsgewijs plaats te vinden, onder meer omdat deze zorgvuldig moet worden ingericht, met versterkte monitoring en detectie, omdat misbruik nooit helemaal kan worden uitgesloten.
Welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat rechters structureel door voorzorgsmaatregelen worden gehinderd in hun werkzaamheden, in het geval er toch een kwetsbaarheid aan het licht komt?
Met uitzondering van de (super) snelrechtzittingen hebben de zittingen voor het overgrote deel doorgang kunnen vinden. Wel zijn er alternatieve oplossingen bedacht voor werkprocessen om doorgang te kunnen waarborgen. Zo kon de advocatuur (proces)stukken die kort voor de behandeling van de zitting aangeleverd dienen te worden, sturen naar de Rechtspraak, die de processtukken vervolgens heeft verspreid naar de procespartijen. Daarnaast is er voor spoedeisende beslissingen geregeld dat de Rechtspraak – in plaats van het OM – deze naar het CJIB (Centraal Justitieel Incassobureau) stuurt. Het CJIB legt de beslissingen vervolgens op gebruikelijke en juiste wijze ten uitvoer. De focus ligt nu op de livegang van het OM. Het is nog te vroeg om te beoordelen of het nodig is om structurele maatregelen te treffen.
Zijn er redenen waarom de beschikbare, uitgebrachte patch niet kon voorkomen dat deze kwetsbaarheid is gemitigeerd?
Het moment waarop gebruik is gemaakt van de kwetsbaarheid in relatie tot het moment van patchen hangt samen met onderdelen uit het strafrechtelijk onderzoek. Ik wil niet op de uitkomsten daarvan vooruitlopen.
Wanneer heeft het OM de patch geïmplementeerd?
Zie antwoord vraag 8.
Was de implementatietijd van de patch voldoende om de systemen te beschermen tegen de hack?
Zie antwoord vraag 8.
Is er binnen het huidige audit- en screeningbeleid voldoende en tijdige aandacht geweest voor deze kwetsbaarheid? Geldt dit ook voor de leverancier van Citrix Netscaler?
Het NCSC heeft op verschillende momenten beveiligingsadviezen uitgebracht aan alle organisaties over de kwetsbaarheden in de Citrix-systemen, en heeft het OM naar aanleiding daarvan verschillende stappen gezet. Het OM volgt standaard operationele procedures om zo adequaat mogelijk te reageren op waarschuwingen. Er loopt nog nader onderzoek naar de omvang van het eventuele gebruik, de preventieve maatregelen die zijn genomen en de effecten daarvan.
Heeft het OM tijdig en adequaat gereageerd op de waarschuwingen van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC)?
Zie antwoord vraag 11.
Wat zijn de protocollen voor het omgaan met dergelijke waarschuwingen en zijn deze gevolgd?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
De vragen zijn waar relevant in samenhang beantwoord ter voorkoming van herhaling.
“Rijkswaterstaat sluit brug Urmond anderhalf jaar volledig af, maar gemeente Stein verzet zich: ‘Niet akkoord met samenloop verbreding A2’” |
|
Olger van Dijk (CDA), Natascha Wingelaar (NSC) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in De Limburger van 11 juli 2025, waarin wordt gemeld dat de brug over het Julianakanaal bij Urmond anderhalf jaar volledig wordt afgesloten voor alle verkeer?1
Ja
Klopt het dat Rijkswaterstaat heeft gekozen voor een volledige afsluiting van de brug, ondanks bezwaren en aangedragen alternatieven door de gemeente Stein en inwoners van Urmond?
Dat klopt. Veiligheid heeft de hoogste prioriteit bij Rijkswaterstaat. Op basis van de grote complexiteit van de werkzaamheden en de daarbij horende veiligheidsoverwegingen is Rijkswaterstaat genoodzaakt de brug tijdens de werkzaamheden volledig af te sluiten. Tijdens de laatste inspecties in 2023 en 2024 is gebleken dat de staat van de brug slechter is dan aanvankelijk werd ingeschat, waardoor meer ingrijpendere werkzaamheden noodzakelijk zijn. Dit betreft onder meer het verwijderen en volledig vernieuwen van het brugdek inclusief de fietspaden, alsook het vervangen van diverse stalen constructieonderdelen. Zonder renovatie zal de brug per 1 januari 2026 moeten worden afgesloten voor gemotoriseerd verkeer.
Hierdoor kan Rijkswaterstaat helaas geen invulling geven aan het aangedragen alternatief van de gemeente en omgeving om de brug tijdens de werkzaamheden open te houden voor fietsers en voetgangers. Dit is natuurlijk een flinke tegenvaller voor de inwoners van Urmond. Daarom is Rijkswaterstaat ook in gesprek met de omgeving om te bezien welke alternatieve mogelijkheden er zijn voor fietsers en voetgangers.
Op welke wijze zijn de gemeente Stein en de inwoners van Urmond betrokken geweest bij het besluitvormingsproces? In hoeverre zijn hun inzichten en zorgen meegenomen?
In de planfase is een gemeentelijke werkgroep actief betrokken geweest bij de variantenstudie en ook daarna in de verdere uitwerking van dit project.
Tijdens de variantenstudie in 2022 zijn de bewoners meegenomen in de keuze voor een voorkeursvariant van uitvoeringswijze. De Bewonerswerkgroep brug Urmond heeft toen haar voorkeur uitgesproken voor een renovatievariant met slechts beperkte hinder (enkele dagen) voor langzaam verkeer.
Deze variant blijkt nu niet langer haalbaar. Voor deze nieuwe situatie wordt opnieuw participatie georganiseerd. In de bewonersbrief van 10 juli 2025 is een oproep gedaan aan de omgeving om deel te nemen aan een klankbordgroep. Rijkswaterstaat denkt mee over acceptabele reismogelijkheden.
Hoe verhoudt deze aanpak zich tot uw beleid rondom burgerparticipatie en het betrekken van lokale gemeenschappen bij infrastructurele besluiten?
Bij een infrastructureel besluit krijgen alle betrokkenen de gelegenheid om hun inbreng te leveren. Dit is bij brug Urmond ook het geval. Daarbij wordt duidelijk gemaakt welke ruimte er is om mee te denken en wat de kaders zijn. Onder andere aan welke technische, juridische en financiële kaders een variant moet voldoen. De inbreng wordt serieus meegewogen in het besluit. Rijkswaterstaat gaat met inbrengers in gesprek én communiceert publiekelijk welke input geen plek heeft gekregen in het besluit.
Helaas hebben de inspecties in 2023 en 2024 aangetoond dat de technische toestand van de brug slechter is dan gedacht en dat de brug tijdens de renovatie geheel moet worden afgesloten voor al het verkeer.
Deelt u de mening dat overheidsbetrouwbaarheid ook inhoudt dat inwoners erop mogen vertrouwen dat hun stem serieus wordt genomen in besluiten die grote impact hebben op hun leefomgeving?
Ja. RWS neemt zoveel als mogelijk inbreng vanuit de omgeving mee in de uitwerking van projecten en weegt deze af. Helaas wil dat niet altijd zeggen dat er ook iets met de inbreng gedaan kan worden. Er moet telkens een evenwicht worden gevonden in maatschappelijke, technische, ruimtelijke, juridische en financiële haalbaarheid. Bovenal dient de veiligheid van de burgers en aannemer geborgd te worden tijdens de werkzaamheden.
Waarom is niet gekozen voor een gedeeltelijke of gefaseerde afsluiting, zodat de leefbaarheid, bereikbaarheid en veiligheid van Urmond gewaarborgd konden blijven?
De technische staat van de brug en daarbij behorende renovatiewerkzaamheden maakt een gefaseerde of gedeeltelijke afsluiting vanuit veiligheidsoverwegingen niet mogelijk. De renovatiewerkzaamheden zijn omvangrijk en moeten over de volledige breedte van de brug aaneengesloten worden uitgevoerd. Denk hierbij aan het tijdelijk ophogen van de brug i.v.m. scheepvaartpassage tijdens de renovatie, het volledig verwijderen van het brugdek en het uitvoeren van conserveringswerkzaamheden in een afgesloten en krappe werkomgeving.
Welke samenhang is er met de werkzaamheden rondom de verbreding van de A2? Op welke manier wordt hier rekening mee gehouden bij Rijkswaterstaat? Welke alternatieven zijn er qua planning van de beide projecten?
Rijkswaterstaat heeft de werkzaamheden aan de A2 Het Vonderen Kerensheide en brug Urmond op elkaar afgestemd. Zo zal brug Urmond pas worden afgesloten zodra de werkzaamheden langs/aan de Bergerweg (onderdeel van project A2 Het Vonderen Kerensheide) zijn afgerond.
Is er een maatschappelijke impactanalyse gemaakt van deze afsluiting? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen officiële maatschappelijke impactanalyse (MIA) opgesteld voor de afsluiting van brug Urmond. In de oorspronkelijke uitgangspunten werd ervan uitgegaan dat de brug gedurende de werkzaamheden toegankelijk zou kunnen blijven voor voet en fietsverkeer. Om die reden is destijds geen aparte impactanalyse uitgevoerd.
Wel is er, daar waar van toepassing, gesproken met relevante maatschappelijke actoren om te bezien hoe zij de gevolgen van deze afsluiting zullen ervaren en welke omrijdroutes er mogelijk zijn. Er is dus wel degelijk gekeken naar de maatschappelijke impact van de afsluiting. Daarbij is vanzelfsprekend contact onderhouden met belangrijke lokale partijen, zoals: de basisschool, hulpdiensten, Chemelot en enkele lokale verenigingen.
Bent u bereid in overleg te treden met Rijkswaterstaat en de gemeente Stein om te heroverwegen of alternatieve uitvoeringsvarianten mogelijk zijn die minder ontwrichtend zijn voor de gemeenschap?
Indien ik in overleg zou treden met de gemeente en Rijkswaterstaat, zou van daaruit de suggestie kunnen ontstaan dat alternatieve technische oplossingen mogelijk zijn. Dat is niet het geval. Het leidt ook onvermijdelijk tot vertraging, wat de kans op een volledige afsluiting vergroot. Daarom volg ik de aanpak van Rijkswaterstaat, met daarbij het nadrukkelijke verzoek aan Rijkswaterstaat om rekening te houden met alternatieve reisoplossingen.
Bent u bereid om nog eens goed naar alternatieve tijdelijke maatregelen te kijken zoals een fietsbrug, watertaxi, of andere maatregelen die de impact voor de gemeenschap verminderen?
Ja, hier is Rijkswaterstaat momenteel mee bezig en hierbij zullen ook de bewoners betrokken worden middels de genoemde klankbordgroep. Onder andere worden opties bekeken als deelfietsen en het inzetten van pendelbussen. Een omleiding via de brug bij Berg (hemelsbreed circa 1.500 meter verderop) is op minder dan 10 minuten fietsen beschikbaar.
Alternatieven moeten veilig en technisch uitvoerbaar zijn en passen binnen de beschikbare financiële ruimte. Binnen deze randvoorwaarden geven wij gemeente en bewoners graag de gelegenheid om mee te denken over hoe de impact op de omgeving zoveel mogelijk beperkt kan worden.
Welke lessen trekt u uit dit dossier voor toekomstige projecten, zodat lokale gemeenschappen niet het gevoel hebben overruled te worden door rijksdiensten?
Dat het eindbesluit bij een Rijksdienst ligt, wil niet zeggen dat er geen zorgvuldige samenspraak is geweest met de lokale gemeenschap. Rijkswaterstaat streeft altijd naar het (vroegtijdig) betrekken van de lokale gemeenschap; van het College van B&W tot aan eventuele dorpsraden en buurthuizen. Rijkswaterstaat luistert en informeert. Desondanks kunnen de wensen van de omgeving niet altijd gehonoreerd worden.
Kunt u toezeggen dat voortaan bij soortgelijke infrastructurele ingrepen burgerparticipatie structureel wordt verankerd en transparanter wordt gerapporteerd hoe met lokale input is omgegaan?
Zowel de participatie als transparante terugkoppeling is al verankerd. Zie het antwoord bij vraag 4. Ten aanzien van de renovatiewerkzaamheden van brug Urmond is de lokale input middels verschillende kanalen opgehaald en besproken met het college van B&W en in de gemeentelijke werkgroep.
Bent u bereid bovenstaande vragen binnen 14 dagen te beantwoorden?
Dit is vanwege de vakantieperiode en het Kamerreces niet gelukt.
De betrokkenheid van Extinction Rebellion bij het Nationaal Burgerberaad Klimaat |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de via een WOO-verzoek openbaar gemaakte e-mails en documenten waaruit blijkt dat Extinction Rebellion (XR) actief betrokken is geweest bij de voorbereiding van het Nationaal Burgerberaad Klimaat, waaronder het leveren van input voor uitnodigingen, discussienotities en de opzet van het beraad?1
Ja, ik heb kennisgenomen van de openbaar gemaakte e-mails en documenten.
Kunt u bevestigen dat vertegenwoordigers van XR rechtstreeks contact hadden met het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (OFL), waarbij zij expliciet verzochten betrokken te worden bij de inhoudelijke voorbereiding?
Het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (OFL) is verzocht om een secretariaat onder leiding van een onafhankelijke voorzitter op te richten om het burgerberaad te organiseren. Tijdens de voorbereiding van het burgerberaad heeft het onafhankelijk secretariaat van het burgerberaad met een brede groep van partijen en belanghebbenden gesproken. Denk hierbij aan: sociaaleconomische (koepel)organisaties, maatschappelijke organisaties, belangengroepen en het bedrijfsleven. Een deel hiervan heeft zich zelf gemeld (waaronder XR) en een deel is actief benaderd door het secretariaat (bijvoorbeeld VNO-NCW, FNV, CNV en de Kinderombudsman). Zo heeft het secretariaat breed kennis en lessen opgehaald vanuit verschillende maatschappelijke perspectieven. De uiteindelijke keuzes in de voorbereiding van het burgerberaad zijn gemaakt door het onafhankelijk secretariaat op basis van de 10 randvoorwaarden die zijn vastgesteld door het kabinet en de Tweede Kamer2.
Het secretariaat heeft tijdens de fase van inhoudelijke voorbereiding de werkwijze gehanteerd om iedereen die contact opnam van een reactie te voorzien. Zo ook XR. De input van XR richting het secretariaat was op eigen initiatief van XR en heeft niet geleid tot aanpassingen door het secretariaat.
Het onafhankelijk secretariaat heeft later in het proces aan een breed scala van belanghebbenden – waaronder bovengenoemde partijen en ook alle fracties van de Tweede Kamer – de mogelijkheid geboden om deskundigen aan te dragen. De deelnemers van het burgerberaad hebben vervolgens zelf bepaald welke deskundigen werden uitgenodigd. De deelnemers hebben niet gekozen voor de aangedragen deskundige van XR. De keuze van de deelnemers heeft geleid tot een grote verscheidenheid aan deskundigen en perspectieven die in het burgerberaad zijn ingebracht. In het kader van transparantie is de werkwijze van het secretariaat rond kennisvoorziening en het keuzeproces van de deelnemers rond de deskundigen die ze hebben uitgenodigd terug te vinden op de publiekswebsite van het burgerberaad3.
Acht u het wenselijk dat een activistische organisatie als XR, die zich richt op ontwrichting van de samenleving en bewust de wet overtreedt, directe invloed heeft gehad op de totstandkoming van een beleidsadviestraject dat als neutraal en representatief gepresenteerd wordt?
Zoals aangegeven is tijdens de inhoudelijke voorbereiding van het burgerberaad met een brede groep van partijen en belanghebbenden gesproken. XR heeft zich zelf gemeld bij het onafhankelijk secretariaat en het secretariaat heeft in haar reactie op XR de werkwijze gehanteerd zoals beschreven in vraag 2. Het secretariaat maakt de keuzes rond de inrichting van het burgerberaad. Dit doet het secretariaat onafhankelijk, neutraal en op basis van de 10 randvoorwaarden die zijn vastgesteld door het kabinet en de Tweede Kamer4. Zoals in de beantwoording van vraag 2 is toegelicht, was er hierin geen directe invloed van XR.
Hoe rijmt u de betrokkenheid van XR met de uitgangspunten van onafhankelijkheid, neutraliteit en brede maatschappelijke vertegenwoordiging die u het burgerberaad heeft meegegeven?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de gelote deelnemers van het burgerberaad vooraf niet expliciet zijn geïnformeerd over de betrokkenheid van XR bij de voorbereiding?
De deelnemers zijn in algemene zin geïnformeerd over het feit dat het onafhankelijk secretariaat tijdens de voorbereiding gesproken heeft met verscheidende partijen en belanghebbenden. De deelnemers zijn echter niet expliciet geïnformeerd over welke partijen dit zijn.
Welke waarborgen zijn er getroffen om te voorkomen dat het beraad wordt beïnvloed door ideologisch gedreven actiegroepen met een vooraf bepaalde agenda?
Voor een goed en legitiem burgerberaad is van belang dat de deelnemers een goede afspiegeling vormen van de samenleving waarbij ieder zijn eigen perspectief meeneemt naar de bijeenkomsten. De deelnemers moeten een advies kunnen geven zonder druk of beïnvloeding vanuit de maatschappij, actiegroepen of de politiek. Het is de verantwoordelijkheid van de onafhankelijk voorzitter om dit te waarborgen. Het onafhankelijk secretariaat zorgt voor ondersteuning van het burgerberaad met feitelijke en volledige informatie (randvoorwaarde 9). Het secretariaat zorgt dat kennis vanuit verschillende perspectieven voor het burgerberaad beschikbaar is. Een wetenschappelijke werkgroep geeft advies aan het secretariaat over kennis die het burgerberaad kan gebruiken. Tijdens het hele proces maken de deelnemers van het burgerberaad zelf keuzes over welke kennis en informatie ze willen ontvangen, en welke deskundigen ze uitnodigen. Dit hele proces is transparant te volgen voor heel Nederland via de publiekswebsite van het burgerberaad5.
Kunt u uitsluiten dat (individuen gelieerd aan) XR zitting nemen in het kennispanel, het ondersteuningsteam of andere begeleidende organen rond het burgerberaad?
Leden van de wetenschappelijke werkgroep, het ondersteuningsteam of andere begeleidende organen zijn door het onafhankelijk secretariaat geselecteerd op basis van hun kennis en kunde. Voor XR als organisatie is er geen rol in deze gremia. Betrokkenheid op persoonlijke titel is echter nooit uit te sluiten. Zoals eerder beschreven zijn er geen inhoudelijke deskundigen vanuit XR gehoord door de deelnemers van het burgerberaad.
Erkent u dat XR zich herhaaldelijk schuldig maakt aan strafbare feiten, zoals het blokkeren van snelwegen, het verstoren van de democratische rechtsorde en het bewust ontregelen van maatschappelijke processen?
Demonstreren is een belangrijk grondrecht, maar moet altijd gebeuren binnen de grenzen van de wet. Het demonstratierecht is niet onbegrensd en bepaalde vormen van protesten kunnen ontwrichtend zijn. Het blokkeren van snelwegen is daarvan een voorbeeld en keur ik daarom ook af. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of sprake is van een strafbare gedraging en of vervolging opportuun is. Het is vervolgens aan de rechter om te bepalen of er daadwerkelijk in strijd is gehandeld met de wet.
Deelt u de mening dat de betrokkenheid van XR bij het Nationaal Burgerberaad Klimaat de legitimiteit, geloofwaardigheid en representativiteit van het gehele traject fundamenteel ondermijnt?
Deze mening deelt het kabinet niet. Er was namelijk geen sprake van betrokkenheid van XR bij het burgerberaad, anders dan elke organisatie die input kon leveren aan het secretariaat. In het antwoord op vraag 6 wordt beschreven hoe door middel van de 10 randvoorwaarden de legitimiteit van het burgerberaad wordt gewaarborgd.
Bent u bereid om alle stukken, correspondentie en het eindrapport zo spoedig mogelijk (uiterlijk september 2025) naar de Kamer te sturen, zodat er in een politiek debat een oordeel gegeven kan worden over uitkomsten en de totstandkoming daarvan? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de zesde bijeenkomst op 21 en 22 juni jl. hebben de deelnemers van het burgerberaad gezamenlijk besloten de overhandiging van hun advies over de verkiezingen heen te tillen. Ze presenteren hun adviesrapport – en bijbehorende stukken – nu eind november aan de nieuwe Tweede Kamer en het demissionaire kabinet.
Het rapport ‘Tussen Minaret en Ministerie |
|
Doğukan Ergin (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport »Tussen Minaret & Ministerie» van onderzoeksbureaus Movisie en MoslimPeil?1 2
Ja.
In hoeverre deelt u de zorgen dat maar liefst 72 procent van de moskeebesturen weinig tot geen vertrouwen heeft in de overheid?
Het is zorgelijk dat het vertrouwen van een groot deel van de moskeebesturen in de overheid zo laag is. Herstel van vertrouwen is nodig en vraagt om een langdurige, open en eerlijke dialoog, op gelijkwaardige basis, alsook het voorkomen en aanpakken van discriminatie.
Ziet u in dat onder meer het heimelijk onderzoek doen in moskeeën, het schandaal van de Fraude Signalering Voorziening (zoals het doneren aan een moskee werd gezien als een indicator voor fraude) en het Toeslagenschandaal, het vertrouwen in de overheid ernstig heeft geschaad en dat de rijksoverheid er alles aan moet doen om dit vertrouwen te herstellen?
Het kabinet erkent het bestaan van een relatie tussen onrechtvaardige- en ervaren onrechtvaardige behandeling door de overheid en het vertrouwen in de overheid. De verantwoordelijkheid voor het herstel daarvan ligt deels bij de overheid. Daarom wordt er op dit moment door het Sociaal en Cultureel Planbureau onderzocht hoe deze relatie precies werkt en hoe de overheid hier in het vervolg responsiever op kan reageren (project «Leren van signalen uit de samenleving»)3.
Een voorbeeld waarin de overheid verantwoordelijkheid heeft genomen voor zaken die in het verleden niet goed zijn gegaan is het hersteltraject van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in het verleden bij de aanpak van maatschappelijke spanningen en de preventie van radicalisering persoonsgegevens verwerkt van voornamelijk mensen met een islamitische achtergrond zonder dat daarvoor een rechtmatige grondslag bestond.4 Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid informeert actief personen van wie in het verleden onrechtmatig persoonsgegevens zijn verworven en biedt hun inzage in de verwerkingen. De toenmalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in 2023 hiervoor excuses gemaakt. Ook heeft zij erkend dat de overheid onbedoeld heeft bijgedragen aan stigmatisering van islamitische gemeenschappen. De Staatssecretaris Participatie en Integratie heeft in juni 2025 de voortgang van dit traject gedeeld en gereflecteerd op het afgeronde onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens over deze kwestie.5
Welke nieuwe maatregelen is het kabinet van plan om te nemen naar aanleiding van het bovengenoemde rapport?
Het kabinet neemt het rapport «Tussen Minaret en Ministerie» serieus en werkt aan gerichte maatregelen om dit vertrouwen te herstellen. Voor dit herstel is allereerst de dialoog tussen overheid en de moslimgemeenschappen van groot belang. Het kunnen vaststellen van de zorgen die binnen de gemeenschappen leven, is effectiever wanneer het kabinet dit uit eerste hand kan vernemen door middel van het aangaan van de dialoog. Welke departementen er op dit moment in gesprek zijn met de moslimgemeenschappen, of dat voornemens zijn te doen, wordt in vraag 8 verder uiteengezet
Ook is aan Uw Kamer per brief6 dit jaar toegezegd de kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie en het verder voorkomen en bestrijden van moslimdiscriminatie7
Erkent u uw eigen rol in de verdere polarisatie en ondermijning van het vertrouwen van moskeebestuurders en de islamitische gemeenschappen in de overheid, door uw uitspraak dat «islamitische jongeren voor een groot deel onze Nederlandse normen en waarden niet onderschrijven»? En bent u inmiddels bereid uw welgemeende excuses hiervoor aan te bieden? Zo nee, waarom niet?
De Staatssecretaris Participatie en Integratie heeft met uw Kamer in het WGO over integratie op 25 november 2024 gesproken.8
Bent u bereid onomwonden uit te spreken dat moskeeën een positieve bijdrage leveren aan de Nederlandse samenleving en in dat licht ook te stoppen met al het stigmatiserende en discriminerende beleid dat moslims primair beschouwt als veiligheidsrisico?
In Nederland mag je geloven wat je wilt en uiting geven aan je geloof. Voor Nederlandse moslims horen moskeeën daarbij. Moskeeën zijn een plek in onze samenleving om uiting te kunnen geven aan de islam. Moskeeën zijn niet alleen gebedshuizen, maar vaak ook ontmoetingsplekken en steunpunten in de wijk, en bruggenbouwers in de verschillende gemeenschappen. Moskeeën die dit doen vervullen daarmee ook een maatschappelijke rol. We werken aan beleid dat vertrekt vanuit vertrouwen, gelijkwaardigheid en respect. Het Beleidskompas vervult daarin een belangrijke rol. Om in de toekomst onbewust discriminerend en stigmatiserend beleid tegen te gaan en te voorkomen, wordt er op dit moment gewerkt aan het verstevigen en prominenter maken van de discriminatietoets in het Beleidskompas. Tevens werkt de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme aan een beleidsvariant van de Discriminatietoets Publieke Dienstverleners (DPD) en is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in gesprek op welke wijze er aan de DPD een vervolg kan worden gegeven. Hiermee wordt beoogd mogelijk discriminerende effecten in nieuw beleid en wetgeving te voorkomen.
In hoeverre wilt u zich inspannen om, zoals terecht gebeurt bij de bestrijding van antisemitisme, ook een aparte Nationaal Coördinator Bestrijding Moslimhaat in het leven te roepen? Zo nee, waarom niet?
Er is bewust gekozen voor het instellen van een Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) die zich inzet voor alle discriminatiegronden. Naast de NCDR is er ook een Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB).
De NCAB is op nadrukkelijk verzoek van uw Kamer ingesteld9 en sluit tevens aan bij de oproep van de Europese Commissie in 2021. Deze oproep, het aanstellen van een nationaal coördinator antisemitismebestrijding en een separate aanpak van antisemitisme, is gedaan naar aanleiding van de EU-strategie10 op de aanpak van antisemitisme en het groeiend aantal incidenten in Europese lidstaten.
Desalniettemin acht het kabinet het wenselijk dat de overige discriminatiegronden bij één instituut belegd worden, zodat versnippering van de aandacht en aanpak van deze gronden voorkomen wordt. Hierdoor wordt er rekening gehouden met de verbinding tussen de verschillende actoren en de intersectionaliteit van talloze discriminatiegronden, alsook mogelijke synergie in de aanpakken.
Welke concrete stappen gaat u zetten om nog vóór de aankomende verkiezingen te komen tot een jaarlijks en structureel overlegmoment tussen de politieke top van uw ministerie (waaronder uzelf) en vertegenwoordigers van de Nederlandse moslimgemeenschap en dit te implementeren in beleid?
Het betrekken van moslims bij de aanpak van moslimdiscriminatie is van essentieel belang. Op dit moment worden er binnen meerdere departementen structurele en periodieke gesprekken gevoerd.
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voert een periodieke dialoog met een brede vertegenwoordiging van moslimorganisaties, waaronder moskeekoepels. Deze dialoog is geen eenmalige inspanning, maar een continu proces waarin er actief wordt samengewerkt aan het delen van zorgen, het vergroten van wederzijds begrip en het versterken van de maatschappelijke verbinding.
Tevens heeft Staatssecretaris Participatie en Integratie gesprekken gevoerd met Collectief Jonge Moslims (CJM) en de K9, een samenwerkingsverband van regionale moskeekoepels in Nederland.
De Minister van OCW heeft twee keer met de moslimstudentenorganisatie Moslimstudenten Associatie Nederland (MSA NL) gesproken. Deze gesprekken zijn als prettig ervaren. Ook wordt er op ambtelijk niveau met organisaties gesproken.
Vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bestaat tevens de wens om in gesprek te blijven met de moslimgemeenschap. Op 10 juli jl. heeft er een gesprek tussen de voormalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en MSA NL en CJM plaatsgevonden. Onderwerp van gesprek was de huidige problematiek en (politieke) situatie omtrent moslimdiscriminatie en discriminatie van moslimstudenten in Nederland. Daarnaast hebben zij hun persoonlijke ervaringen gedeeld en is er gesproken over welke oorzaken hier volgens hen aan ten grondslag liggen. De wens vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is om deze overleggen structureel te blijven voeren. Er is daarom door de voormalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de toezegging gedaan om halfjaarlijks een gesprek te voeren. Het volgende gesprek staat gepland voor het einde van Q4.
Diezelfde dag hebben de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een bijeenkomst georganiseerd waarbij de uitkomsten van het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie gedeeld en besproken zijn met onder andere vertegenwoordigers van moslimgemeenschappen en het maatschappelijk middenveld. Door middel van deelsessies is er op de verbeterkansen die uit het onderzoek naar voren komen gereflecteerd binnen de domeinen zorg, overheid en arbeidsmarkt/onderwijs. Bezien zal worden of en hoe er aan deze uitkomsten beleidsmatig structurele invulling kan worden gegeven.
Tevens zijn de Minister-President, voormalig Minister Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Staatssecretaris Participatie en Integratie, en de Staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie op 26 augustus jl. tijdens een Catshuissessie in gesprek gegaan met een groep moslimjongeren. Zij gaven aan zich niet voldoende gehoord te voelen en ervaren een gebrek aan vertrouwen in de politiek en de overheid.
De aanstelling van een oud GL-raadslid in Amsterdam en de directeur van Oxfam International als secretaris directeur van de Adviesraad Migratie |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Evelien van Roemburg secretaris-directeur Adviesraad Migratie»?1
Ja.
Klopt het dat Evelien van Roemburg, oud GroenLinks raadslid in Amsterdam, directeur Oxfam International en kandidaat Tweede Kamerlid voor GL-PvdA, is aangesteld als secretaris-directeur van de Adviesraad voor Migratie?
Ja.
Door wie is Evelien van Roemburg aangesteld als secretaris-directeur van de Adviesraad voor Migratie?
Bent u bekend met de uitspraken van Evelien van Roemburg over dat migratie niet het probleem is en dat het narratief moet worden omgebogen? Zo ja, deelt u de mening dat dit in strijd is met de visie van het kabinet dat asiel en migratie wel een probleem is en beperkt moet worden?2
Bent u er ook mee bekend met dat de Nederlandse afdeling van Oxfam zegt dat het kabinet leugens verspreidt over het asielbeleid en handelt in strijd met de rechtsstaat?3
Deelt u de mening dat de Adviesraad Migratie die u adviseert over het asiel- en migratiebeleid onafhankelijk en onpartijdig dient te zijn en personen met een uitgesproken linkse achtergrond u niet onafhankelijk en onpartijdig over het asielbeleid kunnen adviseren?
Gaat u gelet op bovenstaande ervoor zorgen dat de aanstelling van Evelien van Roemburg als secretaris-directeur van de Adviesraad Migratie per direct ongedaan wordt gemaakt?
De advertentie van ambtenaren van het ministerie van Asiel en Migratie |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de advertentie in dagblad Trouw van ambtenaren van het Ministerie van Asiel en Migratie, waarin kennelijk afstand wordt genomen u?1
Hoe verhoudt deze advertentie zich volgens u tot het loyaliteitsvereiste van een ambtenaar, zoals vastgelegd in artikel 10 van de Ambtenarenwet 2017? Hoe weegt u daarbij de gekozen uitingswijze, namelijk het welbewust zoeken van een landelijk platform om een gevoelige boodschap zo breed mogelijk te verspreiden?
Onderkent u dat dergelijke uitingen door ambtenaren op gespannen voet staan met de bepaling dat een ambtenaar zich «onthoudt van het openbaren van gedachten of gevoelens (...) indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn functie (...) niet in redelijkheid zou zijn verzekerd»? Vindt u het ook onacceptabel dat groepen ambtenaren op oneigenlijke wijze de taak van het departement doorkruisen door schijnbaar in naam van de organisatie boodschappen te verspreiden?
Deelt u de mening dat een dergelijke actie potentieel schadelijk is voor bewindspersonen én ambtenaren, aangezien door middel van rolvermenging de verschillende posities worden ondermijnd?
Welke stappen heeft u ondernomen of bent u voornemens te ondernemen naar aanleiding van deze advertentie?
Bent u bereid in het kabinet aandacht te vragen voor het feit dat ambtenaren zich vaker lijken uit te spreken tegen het optreden van bewindspersonen of het kabinet, zoals eerder ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich uitspraken tegen het Israëlbeleid?
Daar zie ik op dit moment geen aanleiding toe.
Het bericht dat bestuursorganen risicoprofilering mogen toepassen zonder specifieke wetgeving |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Struycken , Zsolt Szabó (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Rechtsbescherming tegen risicoprofilering op basis van de AVG, het EVRM en het Handvest»?1
Wij hebben kennis genomen van het artikel. De auteur, Fatma Çapkurt, bespreekt in dit artikel het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) over geautomatiseerde besluitvorming en geautomatiseerde risicoselectie in relatie tot artikel 22 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).2 Artikel 22, eerste lid, AVG verbiedt het nemen van een uitsluitend op geautomatiseerde verwerking, met inbegrip van profilering, gebaseerd besluit, wanneer dit voor de betrokkene rechtsgevolgen heeft of dit betrokkene anderszins in aanmerkelijke mate treft. De auteur van het artikel stelt, ten eerste, dat de waarborgen die de AP noemt voor de inzet van geautomatiseerde risicoselectie lastig te begrijpen zijn in het licht van artikel 22 AVG, en, ten tweede, dat de AP geen oog heeft voor het recht op respect op het privéleven.
De normen rondom de inzet van geautomatiseerde risicoselectie zijn nog niet uitgekristalliseerd. Geautomatiseerde risicoselectie kent een breed toepassingsgebied, van dienstverlening tot de detectie van fouten en fraude. De inzet van (deels) geautomatiseerde risicoselectie ondersteunt overheidsorganisaties bij het in beeld krijgen van dossiers of situaties die aandacht moeten krijgen. In 2024 verzocht de toenmalige Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst de AP om nadere duiding te geven over de reikwijdte van artikel 22 AVG in relatie tot het gebruik van geautomatiseerde selectie-instrumenten door de Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Douane. In haar advies van 10 oktober 2024, heeft de AP aanvullende waarborgen geformuleerd bij het toepassen van geautomatiseerde risicoselectie. De AP stelt in het advies dat het zonder een specifieke wettelijke grondslag is toegestaan om geautomatiseerde risicoselecties te maken, als deze alleen maar gebruikt worden om te beoordelen of acties jegens betrokkene nodig zijn, zoals navraag doen of informatie verzamelen, en eventuele gevolgen voor betrokkene pas tot stand komen na handmatige behandeling (betekenisvolle menselijke tussenkomst), mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. In deze situatie valt de geautomatiseerde risicoselectie dus buiten de reikwijdte van het verbod van artikel 22 AVG.
Dat neemt niet weg dat de inzet van geautomatiseerde risicoselectie moet voldoen aan geldende wet- en regelgeving en in lijn moet zijn met de grondrechten. De AP geeft in haar advies mee aan welke aanvullende waarborgen bestuursorganen die zulke instrumenten gebruiken moeten voldoen. In de kabinetsreactie op dit advies hebben wij benadrukt dat het van belang is dat overheden deze waarborgen toepassen.3 Tevens hebben wij aangegeven hoe wij, in samenwerking met publieke dienstverleners, de komende tijd werken aan verbetering en aanscherping hiervan. Het Netwerk van Publieke Dienstverleners (NPD), met ondersteuning van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voert dit jaar een analyse uit van casuïstiek om inzichtelijk te maken hoe in de uitvoeringspraktijk geautomatiseerde risicoselectie zich verhoudt tot artikel 22 AVG, aan welke waarborgen wordt voldaan, wat er mogelijk aanvullend nodig is om risicoselectie verantwoord te blijven inzetten en de wijze waarop hierover openheid en transparantie richting burgers en bedrijven wordt verschaft. Het NPD zal ook de kennisdeling hierover tussen beleid en uitvoering organiseren. De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is hierbij nauw betrokken en zal uw Kamer informeren voor het einde van 2025.
Daarnaast werken wij aan het vergroten van de transparantie over geautomatiseerde risicoselectie, mede op verzoek van uw Kamer. Het uitgangspunt is dat alle impactvolle algoritmen, waar geautomatiseerde risicoselectie-instrumenten onder vallen, worden opgenomen in het Algoritmeregister. Naar aanleiding van de motie van het lid Six Dijkstra zullen alle departementen voor de zomer 2025 een plan voor registratie van impactvolle algoritmen in het Algoritmeregister naar uw Kamer sturen en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal eind van dit jaar rapporteren over de voortgang.4 De motie-Van Nispen verzoekt de regering alle algoritmen die mogelijk gebruikmaken van risicoprofilering en geautomatiseerde selectie-instrumenten in het Algoritmeregister te publiceren.5 Naar aanleiding van de motie van de leden Kathmann en Six Dijkstra haalt de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties momenteel input op bij de medeoverheden en uitvoeringsorganisaties over de mogelijkheden om burgers altijd te informeren als er een (deels) geautomatiseerde risicoselectie heeft plaatsgevonden en dit tot een besluit heeft geleid.6 Dit zal de rechtsbescherming van burgers versterken.
Kortom, net als de auteur van het genoemde artikel, onderschrijft het kabinet het belang van transparantie en rechtsbescherming bij de inzet van geautomatiseerde risicoselectie. Het kabinet heeft in het regeerprogramma afgesproken meer werk te maken van transparantie en betere rechtsbescherming bij de inzet van algoritmen. Specifiek voor geautomatiseerde risicoselectie werken wij op verschillende manieren aan het versterken van een verantwoorde inzet en het vergroten van transparantie hierover.
Wat is uw reactie op de stelling uit het artikel dat de vijf voorwaarden uit het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) lastig te begrijpen vallen in het licht van artikel 22 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), omdat deze vijf voorwaarden niet bepalen of er sprake is van een uitsluitend op profilering gebaseerd besluit?
Dat de vijf voorwaarden voor het gebruik van geautomatiseerde risicoselectie die de AP noemt niet geheel in pas lopen met artikel 22 AVG is navolgbaar, aangezien de AP deze voorwaarden formuleert voor situaties die niet onder het verbod van artikel 22 AVG vallen. De AP geeft in haar advies criteria om te kunnen beoordelen wanneer het gebruik van een geautomatiseerd selectie-instrument binnen het toepassingsbereik valt van artikel 22 AVG. Het gaat dan om situaties waarin sprake is van een uitsluitend op geautomatiseerde verwerking, met inbegrip van profilering, gebaseerd besluit (dus zonder menselijke tussenkomst) met rechtsgevolgen of anderszins aanmerkelijke gevolgen voor betrokkene. De AP geeft tevens haar zienswijze over de voorwaarden die dan gelden. Voor situaties waarin geautomatiseerde risicoselectie niet onder de reikwijdte van artikel 22 AVG valt, noemt de AP eveneens voorwaarden die in acht genomen moeten worden om de rechten, vrijheden en gerechtvaardigde belangen van betrokkenen te garanderen. Dit zijn de vijf voorwaarden die in het advies worden genoemd: voorwaarden waaraan geautomatiseerde risicoselectie bij uitvoering of toezicht volgens de AP moet voldoen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) dat artikel 22 van de AVG geautomatiseerde besluitvorming, waaronder profilering, alleen toestaat wanneer dit is toegestaan op basis van nationale wetgeving? In uw reactie op de vraag van het lid Ergin2 stelt u dat de AP de wet niet minder strikt interpreteert; toch blijkt uit het advies van de AP dat er géén specifieke wettelijke grondslag vereist is, hetgeen in tegenspraak lijkt met de uitleg van het HvJEU. Kunt u deze tegenstrijdigheid toelichten?
Zoals gezegd ziet artikel 22 AVG op een verbod op uitsluitend op geautomatiseerde verwerking, met inbegrip van profilering, gebaseerde besluitvorming. Uitzonderingsmogelijkheden hierop zijn neergelegd in artikel 22 lid 2 AVG. Zo geldt het verbod niet als uitsluitend geautomatiseerde besluitvorming is toegestaan bij een lidstaatrechtelijke bepaling die voorziet in passende maatregelen ter bescherming van de rechten en vrijheden en gerechtvaardigde belangen van de betrokkene (artikel 22 lid 2 aanhef en onder b AVG). De vraag van het lid Ergin betrof het SCHUFA-arrest. Het HvJEU oordeelde in het SCHUFA-arrest dat niet alleen de uiteindelijke beslissing zelf, maar ook de voorbereidende handelingen die daaraan vooraf gaan, onder omstandigheden kunnen worden aangemerkt als een uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerd besluit. Daarnaast benadrukt het oordeel van het HvJEU het belang van betekenisvolle menselijke tussenkomst. Het HvJEU heeft zich niet uitgesproken over nationale wetgeving die uitzonderingen op het verbod toestaat.
De Nederlandse wetgever heeft met artikel 40 UAVG voorzien in voornoemde lidstaatrechtelijke uitzonderingsbepaling, maar alleen voor uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerde besluitvorming waarbij menselijke tussenkomst geen toegevoegde waarde heeft en niet voor geautomatiseerde besluitvorming op grond van profilering. Uit het AP-advies trekken wij de conclusie dat artikel 40 UAVG kan blijven gelden als uitzonderingsbepaling op artikel 22 AVG, mits bij de toegepaste geautomatiseerde besluitvorming voldoende waarborgen in acht worden genomen, waaronder die uit de Awb.
Het is voor een goed begrip van de geldende wet- en regelgeving van belang onderscheid te maken tussen een uitsluitend op geautomatiseerde verwerking, met inbegrip van profilering, gebaseerd besluit enerzijds, en geautomatiseerde risicoselectie, al dan niet door middel van profilering, anderzijds. Profilering op zich valt niet onder het verbod op uitsluitend geautomatiseerde besluitvorming zoals neergelegd in artikel 22 AVG. Zoals hierboven toegelicht, heeft de AP nader toegelicht dat geautomatiseerde risicoselectie, al dan niet door middel van profilering, niet onder de reikwijdte van het verbod valt als deze alleen maar gebruikt wordt om te beoordelen of acties jegens een betrokkene nodig zijn, zoals navraag doen of informatie verzamelen, en eventuele gevolgen voor de betrokkene pas tot stand komen na handmatige behandeling (betekenisvolle menselijke tussenkomst). De AP stelt dat in deze gevallen geen specifiek wettelijke grondslag vereist is als bedoeld in artikel 22, tweede lid, aanhef en onder b, van de AVG. Een tegenstrijdigheid met de rechtspraak van het HvJEU zien wij dan ook niet.
Wat is uw reactie op de stelling in het artikel dat uit artikelen 7 en 8 van het Handvest, artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 10 van de Grondwet volgt dat een inbreuk of beperking op het recht op respect voor het privéleven alleen gerechtvaardigd kan worden op basis van wetgeving, in materiële dan wel formele zin?
Wij onderschrijven de stelling van de auteur dat geautomatiseerde risicoselectie alleen mag worden ingezet indien het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt gerespecteerd. Al het overheidshandelen moet immers in lijn zijn met de grondrechten. Inperkingen op het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van de persoonsgegevens door overheidsorganisaties zijn alleen onder strikte voorwaarden mogelijk. Een inperking moet bij wet worden voorzien en voldoen aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Deze inperkingen mogen enkel plaatsvinden op basis van een wet omdat de inbreuk voldoende voorspelbaar en voorzienbaar moet zijn voor de betrokkenen. Een dergelijke wet moet duidelijk, voorzienbaar en voldoende toegankelijk zijn. Dit vloeit voort uit de Grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Europees Handvest, en wordt eveneens bevestigd in de AVG en Richtlijn 2016/680. Voor overheidsorganisaties geldt (ook in het kader van opsporing en vervolging van strafbare feiten) dat de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk moet zijn voor het voldoen aan een wettelijke verplichting of voor het uitoefenen van een taak van algemeen belang of voor het uitoefenen van openbaar gezag (artikel 6 lid 1 onder c) en onder e) AVG). De wet waarin deze verplichting of taak is vastgelegd bevat ook de rechtsgrondslag op basis waarvan persoonsgegevens mogen worden verwerkt.
Klopt het dat veel bestuursorganen momenteel gebruikmaken van algoritmische risicoprofilering, terwijl hiervoor geen specifieke wettelijke basis bestaat, waardoor zij mogelijk in strijd met de wet handelen?
Zoals wij in antwoord op vraag 1 en 3 hebben aangegeven, heeft de AP in haar advies geconcludeerd dat artikel 22 van de AVG geen specifieke wetgeving vereist voor het maken van geautomatiseerde risicoselecties, als deze alleen gebruikt worden om te beoordelen of acties jegens de betrokkene nodig zijn, zoals navraag doen of informatie verzamelen, en wanneer eventuele gevolgen voor de betrokkene van selectie pas intreden na de betekenisvolle menselijke tussenkomst. Alleen wanneer de risicoselectie geautomatiseerd, dus zonder menselijke tussenkomst, rechtsgevolgen of vergelijkbare aanmerkelijke effecten zou hebben voor betrokkene, geldt het verbod van artikel 22 AVG en is een wettelijke basis nodig om daarop een uitzondering te kunnen maken. Voor zover ons bekend is, wordt geautomatiseerde risicoselectie in de praktijk alleen ingezet om te beoordelen of acties jegens betrokkene nodig zijn, en treden eventuele (rechts)gevolgen voor betrokkene van de risicoselectie pas in na de betekenisvolle menselijke tussenkomst.
Hoe groot of betekenisvol moet volgens u de menselijke tussenkomst zijn om niet te kwalificeren als «uitsluitend op profilering gebaseerde besluiten»?
Wat menselijke tussenkomst betekenisvol maakt is nog niet definitief bepaald. Volgens de Werkgroep gegevensbescherming artikel 29 zijn hierbij onder andere van belang dat de mens die tussenkomt bevoegd moet zijn (het voorgenomen) besluit te kunnen veranderen, het hierbij niet gaat om een louter symbolische handeling en alle relevante gegevens in de analyse door de mens die tussenkomt worden betrokken.8 De AP licht in haar advies toe dat betekenisvolle menselijke tussenkomst inhoudt dat de behandelend ambtenaar weet hoe het geautomatiseerde proces (selectieregel/algoritme/technologie) werkt en op welke wijze deze (de totstandkoming van) het uiteindelijke besluit vormt en beïnvloedt. De ambtenaar moet in elk geval nagaan of de aanname waarop de (profilerende) selectie voor handmatige controle is gebaseerd ook opgaat in het voorliggende concrete geval. De AP heeft in maart handvatten opgesteld om te bepalen of menselijke tussenkomst betekenisvol zou kunnen zijn en heeft organisaties, experts en belanghebbenden uitgenodigd hierop te reageren.9 Een nieuwe versie van de handvatten wordt later dit jaar gepubliceerd.
Erkent u dat, om dat te kunnen beoordelen, juist transparantie vereist is over het besluitvormingstraject, inclusief de rol en invloed van risicoprofilering in individuele besluitvormingsprocedures?
Ja. Zonder transparantie is het voor een burger niet mogelijk om vast te stellen of en zo ja welke rol geautomatiseerde risicoselectie heeft gespeeld in de (voorbereiding van) besluitvorming. De AP adviseert dat het gebruik van geautomatiseerde risicoselectie voldoende kenbaar moet zijn voor betrokkene, indien de geautomatiseerde risicoselectie aanleiding was voor een bestuursorgaan om af te wegen of een bepaald Awb-besluit moest worden genomen of dit aanleiding gaf tot een bepaalde wijze van behandeling van een aanvraag. Daarom werkt het kabinet, mede op verzoek van uw Kamer, aan meer transparantie hierover, zie het antwoord op vraag 1. Meer algemeen wordt in dit kader uw Kamer nog geïnformeerd over de internetconsultatie over algoritmische besluitvorming en de Awb.
Klopt het dat u, mede op basis van het advies van de AP, het verzoek van de Kamer om alle rijksbrede profileringsalgoritmen te publiceren niet uitvoert? Hoe verhoudt dit besluit zich tot de toezegging die is gedaan om met een lijst te komen met potentieel onrechtmatige algoritmes?3
Het verzoek om tot een lijst te komen van alle algoritmen die mogelijk onrechtmatig zijn, is gedaan naar aanleiding van het advies van de Landsadvocaat over het gebruik van geautomatiseerde selectie-instrumenten.11 In de kabinetsreactie op het AP-advies hebben wij toegelicht dat de inzichten uit het AP-advies dit verzoek in een ander daglicht stelt en een rijksbrede inventarisatie niet langer aan de orde lijkt, omdat risicoselectie-instrumenten, indien wordt voldaan aan de door de AP genoemde voorwaarden, niet onder het verbod van artikel 22 AVG vallen. Het kabinet onderschrijft het belang van transparantie over geautomatiseerde risicoselectie en zet zich hiervoor in, zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de opvatting dat het in de praktijk vrijwel onmogelijk is om vast te stellen of er sprake is van een uitsluitend op profilering gebaseerd besluit in de zin van artikel 22 van de AVG als duidelijke documentatie en transparantie ontbreekt over de rol en invloed van risicoprofilering in individuele besluitvormingsprocedures? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie het antwoord op 7.
Bent u bereid alsnog uitvoering te geven aan het verzoek van de Kamer strekkende tot de publicatie van alle rijksbrede profileringsalgoritmen?
Nee, zie het antwoord op vraag 8.
De inzet van het kabinet voor de versobering van de Algemene Bestuursdienst (ABD) |
|
Sander van Waveren (NSC) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de beslisnota bijgevoegd bij de Kamerbrief «Hervormingsagenda voor versobering van de Algemene Bestuursdienst (ABD)» (Kamerstuk 31 490, nr. 360) onvoldoende inzicht geeft in de afweging om tot de maatregelen zoals voorgesteld in de Kamerbrief te komen?
In de genoemde beslisnota staan geen afwegingen beschreven. In deze beantwoording zal ik dit zoveel mogelijk inkleuren, maar merk ik ook op dat de genoemde maatregelen tot versobering van de Algemene Bestuursdienst momenteel nog worden onderzocht. Ik informeer u voor het zomerreces over de uitkomsten daarvan.
Kunt u nader toelichten hoe het verkleinen van de ABD-doelgroep bijdraagt aan versobering van de ABD, zoals is voorgesteld in het regeerprogramma? Deelt u de mening dat het verkleinen van de ABD-doelgroep geen versobering is, maar slechts een organisatorische hervorming? Zo nee, waarom niet?
Bij de maatregel om de schalen 15 (deels) niet meer onder de ABD te laten vallen wordt dienstverlening (werving, ondersteuning bij de selectie en loopbaanbegeleiding) voor deze functies mogelijk decentraal belegd bij de departementen. De functies zelf maken nu reeds onderdeel uit van de formatie van de departementen. De impact van de maatregel wordt op dit moment onderzocht. Deze maatregel is niet zozeer gericht op bezuiniging maar ik verwacht wel dat deze maatregel leidt tot substantiële versobering van de dienstverlening door de ABD.
Welke veranderingen voorziet u voor de HR-afdelingen van de afzonderlijke departementen als gevolg van het schrappen van schaal 15 uit de ABD-doelgroep?
De impact van de optie om de schalen 15 niet meer onder de ABD te laten vallen wordt op dit moment verkend. Daarbij worden gesprekken gevoerd met de departementen en met uitvoeringsorganisaties. Verschillende MD-taken, waaronder de werving en selectie voor deze functies zullen in dat geval gedaan moeten worden door de departementen zelf. De uitkomsten van de verkenning komen terug in de brief die ik voor het zomerreces naar uw Kamer stuur.
Kunt u ingaan op het voorziene effect in doorstroming naar de ABD-doelgroep als gevolg van het schrappen van schaal 15 uit de ABD-doelgroep? Kunt u ingaan op de gevolgen van deze maatregelen voor instroom in en selectie voor de ABD-functies? Wordt er ook gekeken naar externe instroom? Zo ja, hoe wordt daarbij naar generieke expertises, zoals omschreven in het opleidingsprogramma, gekeken?
Een voorwaarde die ik heb gesteld bij de optie om schalen 15 niet meer onder de ABD te laten vallen is dat er rijksbreed zicht blijft op de kwaliteit van het management en op talentvolle medewerkers die de potentie hebben om door te groeien naar topfuncties. Ook geldt als voorwaarde dat er voor de schalen 15 centraal ontwikkelaanbod moet blijven op leiderschap en ambtelijk vakmanschap. Daarmee moet de kwaliteit van de in- en doorstroom in de ABD geborgd worden. Voor voldoende externe instroom op de schalen 15 zullen departementen zelf verantwoordelijk zijn. DGABD houdt dan nog zicht op externe instroom op de schalen 16 tot en met 19.
Draagt het verkleinen van de ABD-doelgroep volgens u bij aan de bezuinigingsopgave voor de Rijksdienst? Zo ja, op welke manier? Zo nee, welke maatregelen zouden volgens u kunnen bijdragen aan zowel de versobering van de ABD als aan de bezuinigingsopgave voor de Rijksdienst?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u ingaan op de keuze waarom er wordt voorgesteld om medewerkers in schaal 15 niet meer onderdeel te laten zijn van de ABD-doelgroep, terwijl in uitvoeringsorganisaties medewerkers in schaal 15 op eindverantwoordelijke functies zitten? Heeft u overwogen om niet op basis van salarisschalen, maar op basis van organisatierollen onderscheid te maken? Zo ja, waarom is gekozen voor onderscheid op basis van salarisschalen?
Als onderdeel de verkenning naar de optie om de schalen 15 niet meer onder de ABD te laten vallen, worden gesprekken gevoerd met uitvoeringsorganisaties, o.a. om te toetsen of zij zelf de dienstverlening aan de mensen in deze schalen kunnen verzorgen. Hierbij is een voorwaarde dat er rijksbreed zicht blijft op de kwaliteit van het management en talentvolle medewerkers die de potentie hebben om door te groeien naar topfuncties, juist ook om de uitwisseling tussen beleid, uitvoering en toezicht zo vroeg mogelijk onderdeel te laten zijn van de loopbaan van toekomstig (top)management. Ik heb niet overwogen om de functies in schalen 15 bij uitvoeringsorganisaties uit te zonderen van deze maatregel omdat de dienstverleningsafspraken met de ABD in het verleden zijn gericht op leidinggevende functies met personele verantwoordelijkheden en salarisschaal niveau 15 en niet op basis van eindverantwoordelijkheid.
Kunt u deze vragen uiterlijk 22 april aanstaande beantwoorden, zodat de antwoorden betrokken kunnen worden bij het commissiedebat Functioneren Rijksdienst op 24 april aanstaande?
Ja.
De brandbrief van ‘bezorgde (oud)-ambtenaren’ |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel ondertekenaars van de brandbrief zijn momenteel rijksambtenaar?
Volgens de website van de Klimaatcoalitie1 zou bovengenoemde brandbrief ondertekend zijn door in totaal 2.253 (oud-)ambtenaren van onder andere het rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, veiligheidsregio’s en de politie. In het bestand worden 1.519 ambtenaren en medewerkers van semipublieke instellingen (onderwijs, zorg) met naam genoemd. Afgaande op de lijst met ondertekenaars, werken 448 hiervan bij de Rijksoverheid (inclusief uitvoeringsorganisaties en toezichthouders). Het gaat in elk geval in vijf gevallen om gepensioneerde rijksambtenaren.
Hoeveel werken of werkten bij departementen betrokken bij klimaat-, energie- of natuurbeleid?
In totaal werk(t)en dertien van de ondertekenaars volgens de lijst van ondertekenaars bij de departementen die betrokken zijn bij klimaat-, energie- of natuurbeleid (EZ, KGG en LVVN). Daarvan zijn er, voor zover bekend, drie niet meer in actieve dienst.
In welke functiegroepen (beleidsmedewerker, uitvoerder, communicatie, management, etc.) vallen zij?
Een zeer beperkt deel van de ondertekenaars is in actieve dienst bij de betrokken departementen. Voor de vraag of de actie van die ondertekenaars in het licht van onafhankelijkheid en onpartijdigheid – of anderszins – toelaatbaar is, is het eerdergenoemde artikel 10 van de Ambtenarenwet, in het bijzonder de zogeheten functioneringsnorm, het wettelijk beoordelingskader. Of de «functioneringsnorm» wordt overschreden kan niet in algemene zin, of voor hele groepen worden gezegd. Dat is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval en kan dus per situatie verschillen. De Aanwijzingen inzake externe contacten van rijksambtenaren benoemen factoren die kunnen meespelen, zoals maatschappelijke gevoeligheid van het onderwerp, de betrokkenheid van de ambtenaar bij het onderwerp, en het moment en de manier waarop ambtenaren opvattingen kenbaar maken.
Het is aan de individuele ambtenaar om deze aspecten mee te nemen in de afweging tot (openbare) uiting. Als daar aanleiding toe bestaat dienen ambtenaren zich jegens hun werkgever te verantwoorden over de afwegingen en keuzes die zijn gemaakt. De werkgever beoordeelt dit per situatie waarbij alle omstandigheden zorgvuldig worden gewogen. De afweging daarbij in een specifiek geval is een personele aangelegenheid.
Wij nodigen de ambtenaren uit om hier vanuit hun adviserende rol het gesprek aan te gaan binnen de departementen waar ze werkzaam zijn, voor zover dergelijke gesprekken al niet op de werkvloer worden gevoerd.
Is deze actie gemeld of afgestemd met leidinggevenden?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel actieve ambtenaren hebben deze brief ondertekend?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel oud-ambtenaren?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt dit aantal zich tot de eerdere actie met 4500 ondertekenaars in 2023?
Volgens de website van de Klimaatcoalitie hebben in 2023 in totaal 4.513 personen de toenmalige brandbrief2 ondertekend. Afgaande op de lijst van ondertekenaars van deze eerdere brief, ging het daarbij om 1.045 (oud-)rijksambtenaren.
De brief bevat beleidsvoorstellen, zoals sluiting van kolencentrales. Acht u dit verenigbaar met ambtelijke neutraliteit?
In onze democratische rechtstaat zijn ambtenaren politiek neutraal. In Nederland werken ambtenaren zonder politieke binding en ongeacht de eigen politieke voorkeur voor het algemeen belang. Een bewindspersoon is verantwoordelijk voor een politiek besluit, hij of zij legt hierover verantwoording af aan het parlement. Ambtenaren hebben hierbij een ondersteunende, adviserende en uitvoerende rol, waarin zij op basis van professionaliteit worden geacht om objectief te adviseren, en alle inzichten en opties aan bewindspersonen voor te leggen. Vervolgens voeren ambtenaren uit wat politiek is besloten, ook als de politieke weging tot een ander besluit heeft geleid dan werd geadviseerd. Als de uitvoering van een politiek besluit onbedoelde gevolgen heeft, is het de taak van ambtenaren om die signalen terug te leggen bij de verantwoordelijk bewindspersoon zodat die het besluit kan heroverwegen.4
Dit laat onverlet dat ambtenaren gebruik mogen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting zolang de zogeheten functioneringsnorm niet wordt overschreden. Artikel 10 van de Ambtenarenwet 2017 stelt dat de ambtenaar zich dient te onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens of van de uitoefening van het recht tot vereniging, vergadering en betoging, indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Of daarvan sprake is, is altijd afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Er is daarbij geen wettelijke verplichting om vooraf toestemming te vragen. Dit heeft te maken met het verbod op censuur. Als er aanleiding toe bestaat, dienen ambtenaren zich wel achteraf jegens hun werkgever te verantwoorden over de afwegingen en keuzes die zijn gemaakt.
In de Ambtenarenwet 2017 is ook geregeld dat ambtenaren bij indiensttreding de ambtseed -of belofte afleggen, waarin zij onder meer beloven zich aan de bestaande wetten en regels te houden en zich als goed ambtenaar te gedragen. Zoals hierboven uiteengezet doen zij dit in een ondersteunende, adviserende en uitvoerende rol en dragen de bewindspersonen uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor politieke besluiten. Het is het kabinet, anders dan de redenen die worden genoemd in de brief, niet bekend waarom de ambtenaren van mening zijn dat het huidige kabinetsbeleid in strijd zou zijn met de door hen afgelegde ambtseed.
De Gedragscode Integriteit Rijk geldt voor rijksambtenaren in actieve dienst. Met de gedragscode wordt aan geldende regelgeving en beleidskaders, zoals bijvoorbeeld de Ambtenarenwet 2017, meer bekendheid gegeven en gestreefd naar een uniforme uitleg en toepassing daarvan. Het is geen regelgeving maar een hulpmiddel bij toetsing aan het wettelijk kader. In het integriteitsbeleid op de departementen wordt deze gedragscode actief onder de aandacht gebracht.
De brief stelt dat beleid in strijd is met de ambtseed. Aan welk beleid wordt precies gerefereerd en acht u die interpretatie correct?
Zie antwoord vraag 8.
Acht u het gepast dat ambtenaren politieke druk uitoefenen op Kamer en kabinet via een publieke brief?
Zie antwoord vraag 8.
Vallen de ondertekenaars onder de Gedragscode Integriteit Rijk?
Zie antwoord vraag 8.
Acht u deze actie verenigbaar met de eis tot onafhankelijkheid en onpartijdigheid uit artikel 3.1 en 3.2 van de gedragscode?1
Zie antwoord vraag 8.
Is er binnen de betrokken departementen beleid om ambtenaren te wijzen op deze gedragsregels?
Zie antwoord vraag 8.
Acht u dit voorbeeld van georganiseerde beleidsbeïnvloeding door ambtenaren wenselijk?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid te (laten) onderzoeken of hierbij sprake is van integriteitsrisico’s? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De late bekendmaking van de forfaitaire rendementspercentages in Box 3 |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
|
|
|
Klopt het dat spaarders pas op 7 maart 2025 duidelijkheid hebben gekregen over de definitieve forfaitaire rendementspercentages in Box 3 die gelden voor het jaar 2024? Wat vindt u ervan dat de ministeriële regeling pas na het openstellen van de aangifteperiode inkomstenbelasting 2024 is gepubliceerd?
In de wetgeving voor box 3 is geregeld dat het forfaitaire rendementspercentage voor banktegoeden en schulden na afloop van het jaar wordt vastgesteld met een ministeriële regeling. Deze percentages worden met terugwerkende kracht in de wet opgenomen. De bedoeling hiervan is dat de percentages zo dicht mogelijk bij de werkelijke rendementspercentages in het betreffende jaar aansluiten.
De percentages voor 2024 zijn inderdaad op 7 maart 2025 gepubliceerd in de Staatscourant, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2024.1 De manier waarop de percentages worden berekend en vastgesteld is opgenomen in de wet. Dit is gebaseerd op gemiddelde rentes in de eerste elf maanden van het jaar zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank (DNB). Deze gemiddeldes zijn echter niet direct op 1 december beschikbaar, maar komen jaarlijks in de loop van januari beschikbaar. Vanwege de latere beschikbaarheid is ervoor gekozen om de maand december niet mee te wegen in de berekening. Die gegevens zouden namelijk pas in februari van het volgende jaar beschikbaar komen.2 Het Ministerie van Financiën heeft dit jaar de berekende percentages op 22 januari 2024 aan de Belastingdienst aangeleverd, zodat de Belastingdienst de juiste percentages kon gebruiken in communicatie naar belastingplichtigen. Op die manier worden in het digitale aangifteformulier de juiste percentages al toegepast. Op het moment dat de aanslagen na het openstellen van de aangifteperiode inkomstenbelasting worden opgelegd staan de definitief vastgestelde percentages opgenomen in de wet. In de wet is geen uiterste publicatiedatum opgenomen voor de ministeriële regeling. Aangezien de juiste percentages met terugwerkende kracht op een bij wet voorziene wijze worden vastgesteld zie ik juridisch gezien geen bezwaren in de publicatiedatum van 7 maart 2025.
Klopt de veronderstelling dat alle benodigde informatie al op 1 december 2024 beschikbaar is, omdat voor het berekenen van het forfaitaire rendementspercentage banktegoeden en schulden een gemiddeld rendement wordt uitgerekend over de eerste 11 maanden van het jaar?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de reden dat het publiceren van een regeling die enkel twee getallen wijzigt alsnog drie maanden in beslag neemt?
Zoals in het antwoord hierboven is weergegeven is de benodigde informatie om de percentages te berekenen jaarlijks pas in de loop van januari beschikbaar. Daarna moet de regeling worden opgesteld en worden voorgelegd voor een uitvoeringstoets door de Belastingdienst. Deze stappen kosten enige tijd. Het klopt echter dat sprake is van een relatief simpele regeling. Ik zal mij inspannen om de regeling volgend jaar voor 1 maart 2026 te publiceren.
Bent u bereid om, zolang de Wet werkelijk rendement niet is ingevoerd, de publicatie van de jaarlijkse regeling te versnellen, zodat spaarders eerder duidelijkheid hebben over het definitieve forfaitaire rendement waarover zij belasting betalen? Op welke datum verwacht u de regeling volgend jaar uiterlijk gepubliceerd te hebben?
Zie antwoord vraag 3.
Verwacht u nog formeelrechtelijke bezwaren en/of procedures als gevolg van de (te) late publicatie van de ministeriële regeling?
Zoals in het antwoord op vraag 1 en 2 is aangegeven is geen sprake van een te late publicatie. Mede daardoor zie ik juridisch gezien geen bezwaren in de publicatiedatum van 7 maart 2025. Ik heb op dit moment geen indicatie voor formeelrechtelijke bezwaren of procedures.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het tweeminutendebat over Box 3?
Ja.
Het bericht 'Minister Faber negeerde eigen inspectie bij vorming asielwet' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Minister Faber negeerde eigen inspectie bij vorming asielwet»?1
Ja.
Kunt u uitgebreid toelichten waarom u de Inspectie Justitie en Veiligheid niet heeft betrokken bij de totstandkoming van de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel, terwijl dat wel vereist is op grond van de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties en het Relatiestatuut van het ministerie?
Zoals toegelicht in de nader rapporten bij beide genoemde wetsvoorstellen wil de regering met spoed komen tot een breed pakket aan maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen. Om die reden worden beide wetstrajecten zoveel mogelijk versneld doorlopen en is ervoor gekozen in de consultatiefase de wetsvoorstellen alleen voor te leggen aan de organisaties die in hun uitvoering direct door de voorgestelde maatregelen worden geraakt.2 Hoewel wijzigingen van vreemdelingenwet en -regelgeving uiteraard in zijn algemeenheid relevant kunnen zijn voor de aard en omvang van het toezicht, wordt de Inspectie niet direct geraakt door de wetsvoorstellen. Deze voorzien niet in nieuwe taken of verplichtingen voor de Inspectie. De regering gaat ervan uit dat de genoemde instrumenten – de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties en het Relatiestatuut JenV – voldoende ruimte bieden om het verrichten van een uitvoeringstoets door de Inspectie in voorkomende gevallen hiertoe te beperken. Het vorengaande betekent overigens niet dat de kennis en ervaring van de Inspectie met de vreemdelingenketen niet worden meegenomen. Er bestaan reguliere contactmomenten waarin beleidsvoornemens en de ontwikkeling van wet- en regelgeving met de Inspectie worden besproken. Het is staand beleid dat de Inspectie gevraagd en ongevraagd de bewindspersonen van advies kan dienen.3
Kunt u toelichtingen waarom u niet heeft gereageerd op de brief van de Inspectie van 4 december 2024 waarbij u werd gewezen op dit vereiste?
De brief waar u naar verwijst betreft correspondentie tussen ambtenaren. De Inspectie is ambtelijk telefonisch op de hoogte gesteld van de keuzes die in het antwoord op vraag 2 zijn beschreven.
Deelt u de constatering van de Inspectie dat het niet vroegtijdig consulteren van de Inspectie ertoe kan leiden dat de consequenties van het wetsvoorstel onvoldoende in beeld zouden worden gebracht, met mogelijke negatieve effecten en schade als gevolg? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik niet. Bij de totstandkoming van de wetsvoorstellen zijn de partijen geraadpleegd die direct door deze voorstellen worden beïnvloed, of waarvan de taken door deze voorstellen worden geraakt. In het antwoord op vraag 2 is toegelicht dat en waarom de regering dat in dit geval, gelet op de aan de orde zijnde belangen, een verantwoorde keuze acht.
Deelt u de mening dat de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties alsnog dienen te worden nageleefd en dat de Inspectie zo snel mogelijk alsnog betrokken moet worden bij de de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel? Zo ja, op welk termijn bent u voornemens dit te doen en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik zal de Inspectie niet alsnog om een uitvoeringstoets vragen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 is de regering van oordeel dat de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties en het Relatiestatuut JenV voldoende ruimte bieden om in dit geval deze keuze te maken. Zoals eveneens toegelicht in het antwoord op vraag 2 betekent dat overigens niet dat de kennis en ervaring van de Inspectie met de vreemdelingenketen niet worden meegenomen.
In hoeverre voldoet u met deze werkwijze aan de ambitie in het hoofdlijnenakkoord om op zeer korte termijn wettelijk vast te leggen dat rijksinspecties vroegtijdig worden betrokken bij de totstandkoming van wet- en regelgeving?
Zie het antwoord op vraag 7.
Deelt u de mening dat uw handelen niet in lijn is met artikel 7 van de inmiddels in consultatie gebrachte Kaderwet rijksinspecties waarin staat dat «Onze Minister die het aangaat betrekt een rijksinspectie vroegtijdig bij de totstandkoming van beleidsvoornemens, internationale verplichtingen en ontwerpen voor wet- en regelgeving indien deze gevolgen hebben voor de toezichtstaak van de betreffende rijksinspectie»? Zo nee, waarom niet?2
Het in de vragen 6 en 7 bedoelde wetstraject loopt nog en is reeds daarom niet richtinggevend voor het antwoord op de vraag of een uitvoeringstoets door de Inspectie in dit geval moet worden verricht.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voor 3 april 2025?
Ik heb mijn best gedaan de vragen zo spoedig als mogelijk te beantwoorden.
De beschikbaarheid van essentiële data met betrekking tot aardbevingen in Groningen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Chris Jansen (PVV), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente wijzigingen in de beschikbaarheid en actualisatie van seismische en akoestische data door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI), zoals vermeld op haar website?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat tal van data met betrekking tot aardbevingen in Groningen niet langer geactualiseerd worden en/of moeilijker toegankelijk zijn, zoals onder meer de aardbevingscatalogus en modelmatig berekende peak ground acceleration-waarden (PGA) en peak ground velocity-waarden (PGV)? Zo ja, waarom is hiervoor gekozen en waarop en onder wiens bevoegdheid is deze verandering gebaseerd?
Nee, dit kan ik niet bevestigen, de data worden nog steeds geactualiseerd en blijven onverminderd beschikbaar. Het KNMI heeft in januari 2025 zijn seismologische operationele keten naar Amazon Web Services (AWS) gemigreerd, nadat hier in 2023 voor was gekozen. Onderdeel van deze migratie was het uitfaseren van verouderde producten door deze te vervangen door moderne varianten. Alle data en producten zijn op AWS onverminderd beschikbaar, in een vernieuwd en beter te onderhouden systeem dat bijdraagt aan een robuuste 24/7-beschikbaarheid. Dit is aangekondigd en staat beschreven op de KNMI-website. Op de KNMI-website blijven zowel de aardbevingscatalogus2 en PGA/PGV waarden via shakemaps3 beschikbaar voor aardbevingen die hebben plaatsgevonden en deze worden geactualiseerd in het geval van nieuwe aardbevingen.
Erkent u dat de beschikbaarheid van deze data van cruciaal belang is voor bewoners en hun advocaten bij juridische procedures? Zo ja, welke maatregelen worden getroffen om de toegankelijkheid en actualiteit van deze data te waarborgen?
Ja. Deze migratie draagt bij aan de toegankelijkheid omdat het nieuwe systeem moderner en beter te onderhouden is. Hierdoor wordt de 24/7 beschikbaarheid beter gewaarborgd (zie ook het antwoord op vraag 2).
Bent u het ermee eens dat Groningen hiermee in toenemende mate afhankelijk wordt van de trillingstool en de algemene maatregel van bestuur omtrent 2-millimeter, in plaats van voortschrijdende wetenschappelijke inzichten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven geeft het KNMI aan dat actuele gemeten PGA en PGV waarden onverminderd beschikbaar zijn via onder andere shakemaps in het KNMI Data Platform4 en shakemaps op de website. Daarnaast houdt het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) bij de beoordeling van schade rekening met voortschrijdende wetenschappelijke inzichten. Zo heeft het IMG recent onderzoek laten doen naar de effecten van gestapelde mijnbouw en doet het onderzoek naar de indirecte effecten van diepe bodemdaling. Als de resultaten daartoe aanleiding geven, wordt de werkwijze hierop aangepast. Alle onderzoeken en data op basis waarvan het IMG schade beoordeelt zijn toegankelijk en openbaar.
Hoe beoordeelt u de gevolgen van deze verandering voor de controleerbaarheid en transparantie van aardbevingsgegevens voor de Groningers en andere belanghebbenden?
Het KNMI geeft aan dat de migratie naar AWS en vernieuwing van bestaande producten geen invloed heeft op de controleerbaarheid en transparantie van aardbevingsgegevens. De modernisering van de seismologische operationele keten heeft als doel een robuuste 24/7-beschikbaarheid te garanderen. In de metingen en daaruit afgeleide aardbevingsgegevens, zoals de aardbevingscatalogus, shakemaps en bijbehorende PGA/PGV-waarden, is niets veranderd. Voor het beschikbaar stellen worden nu International Federation of Digital Seismographic Networks (FDSN) webservices gebruikt, de internationale standaard hiervoor, en het KNMI Data Platform.
Kunt u toelichten hoe de overstap naar de webservices van de International Federation of Digital Seismographic Networks (FDSN) en het KNMI Data Platform de toegankelijkheid en bruikbaarheid van deze gegevens verbetert voor de inwoners van Groningen? Zo nee, waarom niet?
Met FDSN webservices en het KNMI Data Platform heeft het KNMI een robuuste infrastructuur die eenduidige toegang verleent tot data en producten, waarbij 24/7-beschikbaarheid een belangrijk element van de dienstverlening is. Het KNMI is altijd bereid in samenspraak met belanghebbenden de toegankelijkheid en bruikbaarheid verder te verbeteren (zie ook het antwoord op vraag 7).
Zijn er vanuit u aanvullende inspanningen om ervoor te zorgen dat inwoners, deskundigen en wetenschappers de benodigde data op een laagdrempelige manier kunnen blijven raadplegen? Zo nee, waarom niet?
De data en producten zijn en blijven onverminderd beschikbaar. Het KNMI is altijd bereid in samenspraak met belanghebbenden de beschikbaarheid te blijven verbeteren en zo eenvoudig mogelijk te maken.
Bent u bereid te waarborgen dat alle noodzakelijke data beschikbaar blijven en gemakkelijk toegankelijk zijn voor de Groningse bevolking en hun juridische vertegenwoordigers? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Heeft er vanuit u communicatie plaatsgevonden met het Staatstoezicht op de Mijnen inzake de wijzigingen op de KNMI-site? Zo nee, waarom niet?
Nee, de migratie heeft geen invloed gehad op de beschikbaarheid van data en producten van het KNMI. Daarom heeft er geen directe communicatie met het Staatstoezicht op de Mijnen hierover plaatsgevonden.
Kunt u uitleggen waarom het KNMI tot op heden nooit is aangesloten bij de United States Geological Survey? Zo nee, waarom niet?
Bij de United States Geological Survey zijn met name Amerikaanse observatoria aangesloten. In Europa hebben seismologische observatoria, zoals het KNMI, zich verenigd in ORFEUS (Observatories & Research Facilities for European Seismology) voor data- en kennisuitwisseling. Het KNMI is daarom aangesloten bij ORFEUS.5
Adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State naar de media zijn gelekt |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV), David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de adviezen van de Afdeling advisering van de Raad van State naar de media zijn gelekt?1
Ik heb ervan kennisgenomen dat in de media berichten zijn verschenen over de veronderstelde strekking van de adviezen.
Klopt het dat het zeer uitzonderlijk is dat adviezen van de Afdeling advisering uitlekken voordat ze formeel openbaar worden gemaakt? Zo nee, welke voorbeelden kent u?
Blijkens het artikel zouden er (mondelinge) mededelingen zijn gedaan over het dictum en onderdelen van het advies. Dat is voor zover mij bekend niet gebruikelijk.
Klopt het dat alleen het betrokken ministerie c.q. de betrokken ministeries de stukken van de Afdeling advisering heeft/hebben ontvangen?
Dat is mij niet bekend. Mij is bekend dat de beide adviezen op donderdag 6 februari door de Afdeling advisering van de Raad van State aan het Ministerie van Asiel en Migratie zijn verstuurd. Vervolgens zijn zij door de Afdeling advisering conform de wettelijke plicht daartoe openbaar gemaakt, zoals gebruikelijk door publicatie op de website van de Raad van State. Dat gebeurde op maandag 10 februari 2025.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk en strafbaar is dat adviezen van de Afdeling advisering uitlekken? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het onwenselijk wanneer mededelingen worden gedaan over adviezen van de Raad van State, voordat deze openbaar zijn gemaakt door de Raad van State. Het is niet aan mij te kwalificeren of in een dergelijk geval sprake is van strafbaar handelen.
Gaat u aangifte doen van het lekken van deze stukken? Zo nee, waarom niet?
Nee. Daarvoor heb ik thans onvoldoende aanknopingspunten.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk 13 februari beantwoorden?
Dit is ondanks de inspanningen helaas niet gelukt.
Het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid binnen diverse uitvoeringsinstanties |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Barry Madlener (minister infrastructuur en waterstaat) (PVV), Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV), Dirk Beljaarts (minister economische zaken en klimaat) (PVV), Eelco Heinen (minister financiën) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Kunt u voor uw uitvoeringsorganisatie(s) zo specifiek mogelijk inzichtelijk maken hoeveel geld er de komende jaren zal worden besteed aan diversiteits-, gender-, en inclusiebeleid?1
Er zijn twee uitvoeringsorganisaties gelieerd aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) bevraagd. Dit gaat om de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). De twee gevraagde organisaties verschillen wat betreft rechtsvorm en relatie/verantwoordelijkheid naar het Ministerie van OCW. Daarnaast wordt er gevraagd naar de Nationale Publieke Omroep (NPO), maar dat is geen uitvoeringsorganisatie van het ministerie.
DUO is een agentschap. Dat betekent dat DUO een verzelfstandigd onderdeel is van het ministerie. OCW heeft geen specifiek diversiteits- of genderbeleid. Wel is er de OCW-agenda tegen discriminatie en racisme, om inclusie op de werkvloer te bevorderen. Dit is algemeen OCW beleid en daarmee ook leidend voor DUO. De antwoorden over DUO komen daarom grotendeels overeen met de antwoorden op soortgelijke Kamervragen die in oktober 2024 naar uw Kamer zijn gezonden.2 De ambities uit de eerdergenoemde agenda werken door in alle bedrijfsvoeringaspecten van OCW, waardoor het niet mogelijk is er een bedrag aan te koppelen.
NWO is een zelfstandig bestuursorgaan dat wettelijke taken uitvoert. De organisatie heeft een beleidsplan Diversiteit, Inclusie en Gelijkwaardigheid (DIG). NWO werkt in dit plan aan drie ambities:4 NWO streeft ernaar dat het personeelsbestand een representatieve afspiegeling is van de samenleving,5 NWO werkt aan een veilige werkomgeving, waarin iedere medewerker zichzelf kan zijn en gelijkwaardig wordt behandeld,6 NWO wil ervoor zorgen dat de nodige ambities en activiteiten goed geborgd worden in beleid, processen en structuren. Binnen haar budget van 1,5 miljard euro, stelt NWO 10.000 euro per jaar beschikbaar voor de uitvoering van dit beleid.
Kunt u voor uw uitvoeringsorganisatie(s) zo specifiek mogelijk inzichtelijk maken hoe het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid de komende jaren wordt vormgegeven? Bent u voornemens dit beleid binnen uw uitvoeringsorganisatie(s) te intensiveren of af te bouwen?
DUO volgt het beleid dat voortkomt uit de OCW-agenda tegen discriminatie en racisme. Er zijn geen plannen om het beleid te intensiveren of af te bouwen.
Het beleidsplan wordt op dit moment geëvalueerd, waarna wordt besloten op welke manier het beleid na 2025 wordt voortgezet.
Kunt u voor uw uitvoeringsorganisatie(s) inzichtelijk maken welke diversiteits-, gender-, en inclusiecursussen er worden aangeboden?
Medewerkers van DUO kunnen gebruikmaken van het Rijksbrede opleidingsaanbod op het gebied van inclusie. OCW heeft geen eigen aanbod als het aankomt op diversiteit, gender en inclusie.
NWO biedt een training aan die leidinggevenden kan helpen bij meer objectief en competentiegericht werven en selecteren.
Is er de afgelopen jaren op uw uitvoeringsorganisatie(s) sprake geweest van het weghalen van kunstobjecten, omdat deze bijvoorbeeld «niet meer van deze tijd» zouden zijn?
Nee.
Kunt u zo specifiek mogelijk inzichtelijk maken in hoeverre uw uitvoeringsorganisatie(s) een gender-en diversiteitsquotum hanteert voor uw personeel?
DUO en NWO hanteren het wettelijke quotum voor de banenafspraak.7
Op welke manier wordt het succes van het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid binnen uw uitvoeringsorganisatie(s) gemeten? Welke criteria of key performance indicators (KPI’s) hanteert u om het beleid te beoordelen?
DUO hanteert de Rijksbrede streefcijfers op diversiteit, zoals die worden gerapporteerd in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk. Daarnaast zijn inclusie en sociale veiligheid een vast onderdeel van de vragen die tweejaarlijks terugkomen in het Medewerkersonderzoek (MO).
Medewerkers worden halfjaarlijks (in de periode tussen november 2022 en november 2024) in het medewerker-tevredenheidsonderzoek gevraagd in hoeverre zij het eens zijn met de stelling dat de aandacht voor diversiteit in de werkomgeving bijdraagt aan het succes van de organisatie.
Kunt u inzichtelijk maken welke externe organisaties of consultants zijn ingehuurd om uw uitvoeringsorganisatie(s) te adviseren over diversiteits-, gender- en inclusiebeleid? Wat waren de kosten en uitkomsten van deze adviezen?
De OCW-agenda tegen discriminatie en racisme is algemeen OCW beleid en is ook leidend voor DUO. Voor het antwoord op deze vraag refereer ik daarom naar de eerdere antwoorden op de soortgelijke Kamervragen die in oktober 2024 naar uw Kamer zijn gezonden.8
De organisatie «Onbeperkt aan de Slag» heeft een toegankelijkheidsonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek kostte eenmalig 1.500 euro en leverde een rapportage op met verbeterpunten die zijn gebruikt om de NWO-panden toegankelijker te maken voor mensen met een fysieke beperking.
De organisatie Connectify heeft NWO geadviseerd over het werving- en selectieproces. Het resultaat daarvan is de training voor leidinggevenden die hen in staat stelt een werkwijze toe te passen die leidt tot het objectief en competentiegericht selecteren van de meest geschikte kandidaat voor een functie. Dit kostte ongeveer 15.000 euro.
Zou u de beantwoording per uitvoeringsinstantie afzonderlijk kunnen aanleveren?
Ja.
Het artikel 'Ambtenaren op ministeries moeten opstaan tegen een Wilders, Trump en Musk' |
|
Patrick van der Hoeff (PVV) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ambtenaren op ministeries moeten opstaan tegen een Wilders, Trump en Musk»?1
Ja.
Kunt u toelichten wat de formele status, aard en het doel was van de bijeenkomst waar uitlatingen van de secretaris-generaal van het Ministerie van OCW en andere ambtenaren zijn gedaan?
Het artikel waaraan gerefereerd wordt is een beschrijving van enkele momenten van een langer en breder gesprek tijdens een zogenoemd Reuring!Café. Deze worden georganiseerd door de VOM (Vereniging voor Overheidsmanagement), een organisatie waarbinnen leidinggevenden en professionals van verschillende overheidsorganisaties bij elkaar komen. De organisatie omschrijft de bijeenkomsten op hun website als een luchtige talkshow over serieuze zaken van, voor en door publieke professionals.
Hoe beoordeelt u dat de secretaris-generaal van het Ministerie van OCW diversiteits- en inclusiebeleid zou voeren wanneer dit haaks staat op democratisch tot stand gekomen overheidsbeleid, gezien de stelling van de secretaris-generaal dat diversiteits- en inclusiebeleid essentieel is en gehandhaafd blijft, ook indien de regering anders zou besluiten?
Het kabinet staat voor artikel 1 van de Grondwet. In dit artikel is vastgelegd dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden en dat discriminatie op welke grond dan ook verboden is. Net als bewindspersonen en Kamerleden zweren of beloven ook ambtenaren trouw te zijn aan de Grondwet.
De secretaris-generaal van het Ministerie van OCW heeft dit bevestigd. Het is belangrijk dat in onze samenleving iedereen op dezelfde manier behandeld, beoordeeld en benaderd wordt. Het past binnen de functie en verantwoordelijkheid van secretarissen-generaal, als degene die belast zijn met de leiding van het ministerie en de ambtelijke leiding van al hetgeen het ministerie betreft, om als werkgever voor hun ambtenaren te streven naar gelijkwaardigheid voor iedereen. Essentieel om daar invulling aan te geven is het vaststellen van beleid om inclusie te bevorderen en discriminatie en racisme tegen te gaan. Het is belangrijk om als overheid alle perspectieven in de samenleving te kunnen betrekken.
Hoe beoordeelt u de oproep van een aanwezige ambtenaar aan overige ambtenaren tijdens deze bijeenkomst om zich te verzetten tegen politici en hoe kwalificeert u de oproep: «Wat gaan wij daar als ambtenaren echt tegen doen en gaan we ertegen opstaan?»
Op uitspraken van individuen uit het publiek ga ik niet in.
Is voldoende onpartijdigheid en neutraliteit van ambtenaren op het Ministerie van OCW geborgd, zodat democratisch tot stand gekomen beleid ook daadwerkelijk uitgevoerd wordt?
Ja. Ambtenaren werken, ongeacht hun persoonlijke politieke voorkeur, in het algemeen belang voor onze samenleving. Vanuit hun ambtelijke professionaliteit brengen zij alle relevante aspecten in ten behoeve van goed afgewogen politieke besluitvorming. De bewindspersoon weegt af en komt op basis daarvan tot een politiek besluit, dat vervolgens wordt uitgevoerd. Daarbij wordt van ambtenaren in de uitvoering verwacht signalen en dilemma’s terug te leggen bij de bewindspersoon ten behoeve van politieke weging. Om deze ambtelijke rol goed te kunnen vervullen is ruimte voor reflectie en dialoog op de werkvloer noodzakelijk. Dit is niet alleen een kenmerk van goed werkgeverschap, maar ook noodzakelijk voor een goed functionerend overheidsapparaat. Binnen het Ministerie van OCW, is net als bij alle andere ministeries, structureel aandacht voor het publiek navolgbaar delen van alle relevante aspecten voor de politieke oordeelsvorming en besluitvorming.
Acht u het gepast dat een secretaris-generaal een houding aanneemt die getuigt van verzet tegen democratisch tot stand gekomen beleid en daarmee de uitvoeringsplicht mogelijk frustreert? Zo nee, welke stappen onderneemt u om mogelijk plichtsverzuim te voorkomen of te beëindigen?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 3, heeft de secretaris-generaal in het debat benadrukt dat iedereen zich heeft te houden aan de Grondwet en onpartijdigheid als ambtenaar. Dat betekent dat er voor discriminatie binnen de rijksoverheid geen plaats is. Vanuit goed werkgeverschap is het daarom belangrijk om discriminatie op de werkvloer tegen te gaan. Dat is een gezonde, professionele houding.
Het Nationaal Burgerberaad Klimaat |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre vindt u de deelnemers van het Nationaal Burgerberaad Klimaat daadwerkelijk een afspiegeling van de samenleving en representatief, aangezien mensen zich hier zelf voor konden aanmelden (na een loting) waardoor de verwachting is dat vooral klimaat-geïnteresseerden zich hiervoor aanmelden?
Het burgerberaad is qua samenstelling een soort Nederland in het klein. Het is een afspiegeling van onze samenleving, ook als het gaat om hun opvattingen en zorgen over het klimaat. De samenstelling van de 175 deelnemers aan het Nationaal Burgerberaad Klimaat (hierna: burgerberaad) kunt u zien in bijgevoegde infographic1. Deze is gemaakt door de onafhankelijk voorzitter van het burgerberaad. De deelnemers zijn geselecteerd op een vijftal kenmerken2: leeftijd, geslacht, geografische spreiding, opleidingsniveau en mening over klimaatbeleid.
Kunt u inzichtelijk maken wie de hoofdvraag «Hoe kunnen we als Nederland eten, spullen gebruiken en reizen op een manier die beter is voor het klimaat?» van het Nationaal Burgerberaad Klimaat heeft bedacht? Mocht deze vraag vanuit het vorige kabinet bepaald zijn, waarom is besloten deze vraag niet te wijzigen?
Zowel het ontwerp als de hoofvraag van het burgerberaad zijn tot stand gekomen in een zorgvuldig gezamenlijk proces van de Kamer en het kabinet. Na een uitnodiging door het kabinet3 heeft een voorbereidingsgroep vanuit de Kamer verkend hoe een burgerberaad zou kunnen worden vormgegeven. Deze verkenning is besproken met het vorige kabinet (d.d. 5 april 2023). Het kabinet heeft vervolgens een voorstel voor het ontwerp en de vraag gedaan.4 Dit ontwerp is besproken met de Kamer (d.d. 28 juni 2023). Het kabinet heeft de vraagstelling daarna vastgelegd in het Instellingsbesluit.5 Het huidige kabinet heeft vastgesteld dat de vraagstelling nog steeds voldoet aan de eisen6 voor een geschikte vraag: de vraag is concreet en behapbaar, technisch niet te ingewikkeld, raakt aan de persoonlijke levenssfeer, heeft voldoende dilemma’s en geeft voldoende ruimte in beleidsontwikkeling.
Waarom heeft dit nieuwe kabinet besloten geen einde te maken aan het traject Nationaal Burgerberaad Klimaat dat door voormalig Minister voor Klimaat en Energie Rob Jetten is ingezet?
De totstandkoming van het Nationaal Burgerberaad Klimaat is een zorgvuldig en gezamenlijk proces van kabinet en Kamer geweest. Dit kabinet hecht eraan dat burgers zich gehoord voelen en meer zeggenschap hebben over zaken die hen aangaan. Het klimaat gaat ons allemaal aan. Op 20 december 2024 heeft het kabinet dan ook een brief aan uw Kamer gestuurd7 waarin het kabinet aangeeft uit te kijken naar een spoedige start van het burgerberaad klimaat.
Kunt u zo specifiek mogelijk inzichtelijk maken wat de verwachte kosten zijn van het gehele traject van het Nationaal Burgerberaad Klimaat?
Het burgerberaad klimaat is begroot op 6,18 miljoen euro en wordt bekostigd uit het Klimaatfonds. De voorzitter van het burgerberaad heeft in de voortgangsrapportage8 aangegeven dat, op basis van het begrote bedrag, circa 10–15% aanvullende middelen nodig zijn. Deze aanvullende claim wordt op dit moment beoordeeld door beide verantwoordelijke ministeries en zal meelopen in de reguliere begrotingscyclus.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel middelen er zijn gereserveerd voor de uitvoering van de uitkomsten van het Nationaal Burgerberaad Klimaat?
Het kabinet besluit per advies of het wel of niet wordt overgenomen, waarbij een zorgvuldige motivatie van de afweging wordt gegeven. Daarbij wordt ook geïnventariseerd welke middelen nodig zijn voor uitvoering van de adviezen.
Kunt u inzicht geven op welke manier de uitkomsten van het Burgerberaad geborgd zijn en wat de waarde is van de uitkomsten en adviezen?
Het kabinet committeert zich om recht te doen aan de tijd, moeite en expertise die in het advies van het burgerberaad zit. Zoals vastgelegd in het Instellingsbesluit9 stuurt het kabinet uiterlijk zes maanden na ontvangst van de adviezen een kabinetsreactie naar de Kamer. Hierbij wordt op ieder advies afzonderlijk ingegaan (motiveringsplicht). Het kabinet heeft tevens het voornemen om bij elk overgenomen advies een tijdspad m.b.t. de opvolging te schetsen en de kabinetsreactie in begrijpelijke taal te publiceren. De Kamer heeft toegezegd het advies en de kabinetsreactie te bespreken (besprekingsplicht).10 In een slotbijeenkomst bespreekt het kabinet samen met de deelnemers op welke wijze opvolging is gegeven aan het advies. Deze bijeenkomst vindt twaalf maanden na de overhandiging van de adviezen plaats.
Bent u bekend met het bericht «De druppel die de emmer doet overlopen, naar een toekomstbestendige WETS-procedure voor overname van strafexecutie in Nederland, de wetgever aan zet»1?
Ja.
Wat is uw oordeel over de kwaliteit van rechtsbescherming van veroordeelden in de WETS erkenningsprocedure, waarbij de veroordeelde niet wordt gehoord en geen andere wettelijke mogelijkheid heeft om inbreng te leveren, terwijl de procedure wel effect kan hebben op de kwalificatie van het delict en de strafduur?
Bij de totstandkoming van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) is de rechtsbescherming van de veroordeelde een belangrijk punt van aandacht geweest. Daarover is ook uitvoerig met uw Kamer van gedachten gewisseld. Bij de implementatie van het kaderbesluit 2008/909/JBZ (kaderbesluit) is – gelet op het belang van rechtsbescherming – besloten om een aantal vanuit het perspectief van de veroordeelde meest wezenlijke onderdelen van de erkenningsbeslissing voor te leggen aan de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het gerechtshof). Dit betreft de kwalificatie van het gepleegde strafbare feit naar Nederlands recht, de verenigbaarheid van de straf met het Nederlands recht en een eventuele aanpassing van de straf. De afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen (IOS) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) besluit vervolgens namens mij over de erkenning en neemt daarbij het oordeel van het gerechtshof in acht.2 De wetgever was van oordeel dat daarmee bij de implementatie is voorzien in een adequate en met voldoende waarborgen omklede procedure die aansluit bij de nationale verhoudingen.3 Of er aanleiding bestaat om de erkenningsprocedure, wat betreft de rechtsbescherming van de veroordeelde, te herzien, is onderwerp van het reeds aangekondigde onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC).
Ik licht de reikwijdte van dat onderzoek verder toe in de beantwoording van de vragen 8 tot en met 10.
Erkent u dat het feit dat veroordeelden zich alleen kunnen verdedigen via de civiele rechter, die een beperkte toetsingsmaatstaf heeft omdat zij uitsluitend bevoegd is zover sprake is van een vordering uit onrechtmatige daad, in de praktijk leidt tot een problematische situatie voor veroordeelden?
Nee, dat erken ik niet. Wanneer een veroordeelde meent dat de Staat door de erkenning van een vonnis onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW, kan hij zich tot de civiele rechter wenden. Hij kan dan bij de civiele rechter vorderen dit vast te stellen en de erkenningsbeslissing te doen heroverwegen of aan te passen. De civiele rechter is bevoegd hierover te oordelen. Of een veroordeelde ontvankelijk is in zijn vordering en hoever de mate van toetsing reikt, is ter beoordeling van de civiele rechter.
Is de civiele rechter op dit moment bevoegd om zich uit te laten over de beslissing van de Minister en/of het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden als de beslissing middels een civielrechtelijke procedure aan bod komt?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er afspraken (op papier of in een andere vorm) in de praktijk waarin veroordeelden ruimte wordt geboden inbreng te leveren voor de procedure? Zo ja, welke afspraken zijn dit?
In de praktijk is de ongeschreven werkwijze ontstaan dat een veroordeelde een schriftelijke zienswijze kan indienen bij de afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen (IOS) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), die namens mij besluit over de erkenning van vrijheidsbenemende vonnissen. De zienswijze wordt door hen doorgezonden naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het gerechtshof betrekt de zienswijze bij zijn beoordeling. Ook IOS betrekt de inbreng bij de beslissing omtrent de erkenning van het vonnis, binnen de reikwijdte van het kaderbesluit. Het komt ook voor dat IOS een veroordeelde de gelegenheid biedt nadere stukken aan te leveren omtrent diens binding met Nederland, wanneer IOS het verzoek om die reden heeft afgewezen of voornemens is af te wijzen.
Selecteert u de gevallen waarin tegemoet wordt gekomen aan een verzoek tot herbeoordeling van de veroordeelde? Zo ja, op welke criteria berust deze selectie?
IOS bekijkt of zij de redenen op grond waarvan om een herbeoordeling wordt gevraagd zelf kunnen beoordelen of dat die betrekking hebben op de aspecten die het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beoordeelt. Ook gaat IOS na of er in de zienswijze iets wordt aangevoerd dat de veroordeelde niet eerder naar voren heeft gebracht dat relevant kan zijn voor diens beoordeling. In de praktijk stuurt IOS bij zo’n «nieuw» element de zienswijze door aan het gerechtshof. Het gerechtshof toetst dan of de zienswijze tot een aanpassing van zijn oorspronkelijk oordeel moet leiden. De herbeoordeling is dus beperkt tot elementen die niet eerder door de veroordeelde naar voren zijn gebracht en behelst geen volledig nieuwe beoordeling. Voor een veroordeelde staat altijd de weg naar de civiele rechter open als hij meent dat de geleverde inbreng niet tot het gewenste resultaat heeft geleid en de Staat door de erkenning van het vonnis onrechtmatig heeft gehandeld.
Heeft u berichten ontvangen van de betrokken instanties (waaronder de rechtspraak en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden) waarin zij uiten dat het wenselijk voor veroordeelden om inbreng te hebben in de erkenningsprocedure? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Het is mij bekend dat het hof aanpassing van wetgeving, met het oog op de rechtsbescherming van veroordeelden, noodzakelijk acht. In dit kader verwijs ik in het bijzonder naar het eindoordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met kenmerk ECLI:NL:GHARL:2024:5819. Zoals ik hiervoor al aangaf, zal het reeds aangekondigde WODC-onderzoek zich ook op dit aspect van de erkenningsprocedure richten.
Ziet u, in het licht van het niet-ontvankelijk verklaren van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof, reden om de erkenningsprocedure aan te passen? Zo ja, welke aanpassingen vindt u wenselijk?
Besluiten over de erkenning van vrijheidsbenemende vonnissen worden namens mij door DJI (IOS) genomen. Mijn bevoegdheid in dezen ligt in lijn met de Nederlandse rechtsorde, waarin ik verantwoordelijk ben voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen.
Gelet op de evaluatie die in opdracht van de Raad van de Europese Unie is uitgevoerd naar de toepassing van (onder meer) het kaderbesluit in de verschillende landen in de Europese Unie, waaronder Nederland, bestaat evenwel aanleiding om wetenschappelijk onderzoek te laten verrichten naar de erkenningsprocedure. De aanbevelingen in het rapport ten aanzien van Nederland vormen, zoals mijn ambtsvoorganger reeds heeft aangekondigd in de beleidsreactie op de EU-evaluatie4, de primaire aanleiding om dit onderzoek te laten verrichten. Het onderzoek zal zowel betrekking hebben op de rol- en bevoegdheidsverdeling in de erkenningsprocedure, als ook op de rechtsbescherming van de veroordeelde in die procedure. Ook ontwikkelingen in de jurisprudentie sinds de totstandkoming en implementatie van het kaderbesluit, waaronder onder meer jurisprudentie over het niet bevoegd zijn van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tot het stellen van prejudiciële vragen, zullen in het onderzoek worden betrokken.
Het WODC is ook gevraagd om, voor zover aanpassingen met betrekking tot de erkenningsprocedure in de optiek van de onderzoekers nodig worden geacht, daartoe oplossingsrichtingen in kaart te brengen, waarbij ook de vraag voorligt of er andere landen, zoals bijvoorbeeld Frankijk, hierbij als voorbeeld kunnen dienen.
Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van dit onderzoek, dat zich op dit moment in de opstartende fase bevindt. Op grond van de onderzoeksresultaten zal ik een geïnformeerde beslissing nemen of, en in hoeverre, wijziging van de huidige WETS-procedure, voor wat betreft de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke uitspraken tot oplegging van een vrijheidsbenemende sanctie in Nederland, aangewezen is.
Hoe kijkt u naar uw eigen rol in de erkenningsprocedure van de WETS nu het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet ontvankelijk is verklaard om prejudiciële vragen te stellen? Bent u bereid uw eigen rol te wijzigen, zodat de beslissingsbevoegdheid kan worden neergelegd bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid de Nederlandse erkenningsprocedure aan te passen naar voorbeeld van de procedures in België, Frankrijk en Duitsland, waar wel beroeps- en cassatiemogelijkheden openstaan tegen de erkenningsprocedure?
Zie antwoord vraag 8.
Ziet u, gezien het eerdere standpunt van het ministerie dat er geen aanleiding was om het functioneren van de WETS-procedure te onderzoeken, het niet ontvankelijk verklaren van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om prejudiciële vragen te stellen aanleiding voor u om een dergelijk onderzoek alsnog op te starten?2
Zoals ik in de beantwoording van de vragen 8, 9 en 10 heb aangegeven, zal door het WODC onderzoek worden verricht naar (onderdelen van) de erkenningsprocedure van de WETS. De beleidsreactie op dit onderzoek zal met uw Kamer worden gedeeld.