Het bericht ‘Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers»1?
Dit zijn berichten die helaas tekenend zijn voor de toenemende druk waaronder (christelijke) Palestijnen staan. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november is hieraan expliciet aandacht besteed, de situatie in de Oude Stad van Jeruzalem in het bijzonder.
Klopt het dat de Israëlische autoriteiten voor het schooljaar 2026–2027 geen werkvergunningen meer willen verstrekken aan Palestijnse leraren uit de Westelijke Jordaanoever die werkzaam zijn op christelijke scholen in Jeruzalem?
Naar verluidt staat inderdaad in de brief van het Israëlische Ministerie van Onderwijs van 10 maart jl. aan schooldirecties in Jeruzalem dat voor het schooljaar 2026–2027 alleen leraren mogen worden aangenomen die in Jeruzalem wonen en beschikken over Israëlische onderwijsbevoegdheden.
Deelt u de zorg dat deze maatregel gevolgen heeft voor meer dan tweehonderd leraren en daarmee de continuïteit van de ongeveer vijftien christelijke onderwijsinstellingen in Jeruzalem onder druk zet?
Ja. De meeste docenten op deze scholen zijn christelijke Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever. Als zij niet meer kunnen werken in Jeruzalem zullen de scholen gedwongen op zoek moeten gaan naar nieuwe docenten.
Hoe beoordeelt u de mogelijke impact van deze maatregel op de positie van christelijke minderheden in Jeruzalem en het behoud van religieuze en culturele diversiteit in de stad?
De maatregel zorgt ervoor dat minder christenen toegang hebben tot Jeruzalem. Dit heeft een verder negatieve impact op de pluriformiteit van de stad.
Op welke wijze en hoe hard raakt deze maatregel de financiële situatie van deze leraren en hun gezinnen? Op welke wijze raakt deze maatregel de Palestijnse economie?
Het gaat om tientallen families die potentieel een bron van inkomen kwijt raken, maar niet om een dusdanig grote groep dat het een significante invloed heeft op de al zwakke Palestijnse economie. Wel zal het in het bijzonder impact hebben op een groep mensen die voornamelijk uit de regio van Bethlehem komt, waar het al slecht gaat met de economie door de afhankelijkheid en afwezigheid van toerisme. In die zin heeft het een relatief grote impact op een specifieke gemeenschap op de Westelijke Jordaanoever. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Klopt het dat als reden wordt aangevoerd dat de diploma’s niet zouden voldoen aan de academische standaarden die nodig zouden zijn? Hoe beoordeelt u dit argument? Mocht dit argument valide zijn, welke rol kan Nederland spelen om eventueel aan deze eis tegemoet te komen?
Op 21 januari jl. heeft de Knesset een wet aangenomen die het tewerkstellen van leraren met diploma’s uit de Palestijnse Gebieden beperkt. De wet zorgt ervoor dat deze groep leraren niet kan worden aangesteld als leraar, schooldirecteur of inspecteur in Jeruzalem. De wet beschouwt deze groep als personen zonder de vereiste academische graad voor dergelijke functies. In de toelichting van het wetsvoorstel staat: «de academische opleiding in de Palestijnse Autoriteit vindt plaats in een omgeving waarin sprake is van ophitsing tegen de staat Israël, en die niet overeenkomt met de principes en waarden waarop het onderwijs in de staat Israël is gebaseerd.»
Er zijn enkele uitzonderingen en overgangsregelingen binnen de wet, namelijk: i) personen die al voor inwerkingtreding van de wet als leraar werkten en in hun bestaande functie blijven; ii) personen die al een diploma hadden van de Palestijnse Autoriteit of een volledig academisch jaar hebben afgerond, voor hen geldt dat zij in sommige gevallen alsnog, onder strengere voorwaarden, kunnen worden aangesteld; en iii) de directeur-generaal van het Israëlische Ministerie van Onderwijs kan toch iemand toelaten als een persoon ook beschikt over een Israëlisch diploma. Personen die worden afgewezen hebben recht om in beroep te gaan tegen de beslissing.
Het kabinet erkent niet dat Israël soevereiniteit kan uitoefenen over Oost-Jeruzalem. Het bezettingsrecht is van toepassing en kent strenge voorwaarden voor het aanpassen van lokale wetgeving. Bovendien dient de bezetter het bezette gebied te besturen ten behoeve van de lokale bevolking. Deze maatregel staat hier haaks op.
Bent u bereid deze kwestie zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen bij de Israëlische autoriteiten en te pleiten voor het behoud van het werk voor deze leraren?
Nederland blijft zich inzetten zowel bilateraal als multilateraal voor de vrijheid van minderheden. Waar opportuun zal het kabinet deze specifieke casus onder de aandacht brengen.
Bent u bereid om, samen met internationale partners en kerkelijke organisaties, te bezien hoe deze scholen ondersteund kunnen worden indien deze maatregel wordt doorgezet?
De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah onderhoudt contact met lokale kerkgemeenschappen, volgt de situatie nauwgezet en beziet steeds in overleg hoe de verschillende zorgen die leven kunnen worden geadresseerd.
Ziet u een ontwikkeling dat minderheden in Jeruzalem, inclusief (Palestijnse) christenen, steeds verder onder druk komen te staan, door situaties zoals deze en zoals in eerdere schriftelijke benoemd?2 Welke stappen onderneemt u en gaat u ondernemen om deze ontwikkelingen tegen te gaan?
Ja, minderheden in Jeruzalem staan onder toenemende druk. Nederland dringt aan op handhaving van de status quo rond heilige plaatsen. Hierbij steunt Nederland de rol van Jordanië als beschermer van de Christelijke en Islamitische Heilige plaatsen in Jeruzalem, zoals ook erkend door Israël in het Vredesverdrag. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november is expliciet aandacht besteed aan de krimpende ruimte voor (Palestijnse) christenen, met name in de Oude Stad van Jeruzalem.
Het bericht ‘Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar’ |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de opvatting dat voorzieningen zoals basisscholen niet alleen een functionele rol vervullen, maar ook van essentieel belang zijn voor gemeenschapsvorming, sociale samenhang en de leefbaarheid van nieuwe wijken?
Ik deel dat voorzieningen een functionele en soms ook een essentiële rol vervullen voor gemeenschapsvorming, sociale samenhang en leefbaarheid van nieuwe wijken.
Hoe borgt u dat bij grootschalige woningbouwontwikkelingen, zoals in de Binckhorst, vanaf het begin wordt ingezet op de opbouw van hechte gemeenschappen, waarbij onderwijsvoorzieningen, verenigingen en zorg een centrale plaats innemen?
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk en aan zet voor het borgen en inplannen van voldoende voorzieningen in grootschalige woningbouwontwikkelingen. Het Rijk neemt vanuit haar regierol actief deel aan de ontwikkeling van nationaal grootschalige woningbouwlocaties. Conform het coalitieakkoord werk ik momenteel aan de uitwerking van een totaalaanpak waardoor meer geborgd wordt dat d.m.v. koppelkansen functies als wonen, werken, bereikbaarheid, groen en maatschappelijke voorzieningen samen worden ontwikkeld. Het is overigens niet zo dat deze voorzieningen allemaal vanaf dag één in de wijk zelf aanwezig moeten zijn. In de Taskforce Versnellen Woningbouw zie ik toe op het actief benutten van deze koppelkansen binnen grootschalige woningbouw-ontwikkelingen.
Deelt u de zorg dat het ontbreken of verdwijnen van een basisschool in een wijk in ontwikkeling het risico vergroot dat bewoners zich minder verbonden voelen met hun leefomgeving en met elkaar?
Die zorg deel ik. Scholen kunnen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk. Tegelijkertijd moet ook de afweging worden gemaakt waar kleine scholen hun rol het beste kunnen vervullen. Het huidige scholenlandschap is erg divers en fijnmazig. Dit is waardevol, maar het grote aantal (te kleine) scholen drukt sterk op de oplopende tekorten in het onderwijsveld. Uw Kamer is geïnformeerd over de stelselwijziging scholenlandschap.2 Mijn ministerie zet verder in op de uitwerking van een totaalaanpak in de Taskforce Versnellen Woningbouw die toeziet op het actief benutten van eerder genoemde koppelkansen zodat we bouwen aan sterke gemeenschappen met voldoende voorzieningen.
Hoe beoordeelt u in dat licht het feit dat de enige basisschool in de Binckhorst moet sluiten, terwijl het aantal inwoners in de komende jaren juist sterk zal toenemen?
Deze basisschool had in haar vierde jaar niet voldoende leerlingen om de tussentijdse toets te halen (62 leerlingen, terwijl 167 leerlingen nodig zijn). Het schoolbestuur had tegelijkertijd gecommuniceerd dat de school zou worden gesloten en bij DUO een beroep gedaan op een uitzonderingsgrond om bekostiging te blijven ontvangen. Het is uiteindelijk aan het schoolbestuur om te besluiten of een school wordt gesloten. Het schoolbestuur heeft ondertussen laten weten hun besluit terug te draaien. De basisschool op de Binckhorst hoeft dus niet te sluiten.
Kunt u in kaart brengen in hoeveel andere grootschalige gebiedsontwikkelingen de voorzieningen op soortgelijke wijze onder druk staan, terwijl wordt voorzien dat er binnen een paar jaar juist méér behoefte is aan dergelijke voorzieningen?
Het is bekend dat voorzieningen in grootschalige gebiedsontwikkelingen soms op soortgelijke wijze onder druk staan. Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit mijn aandacht.
Kunt u toelichten in hoeverre bij de planning van dergelijke gebiedsontwikkelingen rekening is gehouden met het belang van continuïteit van voorzieningen als dragers van gemeenschap en ontmoeting?
Binnen nationaal grootschalige gebiedsontwikkelingen wordt middels financieel instrumentarium (het gebiedsbudget) de ontwikkeling van openbare ruimte (denk aan parken en pleinen) nu al mogelijk gemaakt. Daarnaast ziet het Rijk vanuit haar regierol toe op de ontwikkeling van voldoende (maatschappelijke) voorzieningen in de breedte conform totaalaanpak.
Hoe kijkt u naar het spanningsveld tussen enerzijds de huidige bekostigingssystematiek, die sterk is gebaseerd op leerlingaantallen, en anderzijds de noodzaak om in nieuwe wijken voorzieningen in stand te houden juist in de aanloopfase, ten behoeve van gemeenschapsvorming?
Het klopt dat de ontwikkeling van een nieuwe wijk niet altijd lineair verloopt. Op de site van DUO staat dat schoolbesturen en gemeenten rekening moeten houden met vertraging in de oplevering en dat schoolbesturen hun stichtingsaanvraag dus goed moeten plannen.3 De start van een school kan met één jaar worden uitgesteld. Uit evaluatie blijkt dat gemeenten en schoolbesturen in sommige gevallen, zoals een nieuwe school in een nieuwbouwwijk, behoefte hebben aan meer flexibiliteit. De Minister van OCW verkend daarom of de mogelijkheid voor een tweede jaar uitstel gecreëerd kan worden.
Een nieuwe school wordt in het vierde jaar en in het achtste jaar getoetst op de groei van het aantal leerlingen. De groei van een school kan, om verschillende redenen, achterblijven. Een schoolbestuur kan de Minister van OCW verzoeken om de bekostiging niet te stoppen door een beroep te doen op een uitzonderingsgrond. Doormiddel van een uitzonderingsgrond kan bekostiging worden behouden.
Ziet u mogelijkheden om in groeigebieden meer ruimte te bieden voor maatwerk, bijvoorbeeld door het tijdelijk ondersteunen van voorzieningen die nog niet aan de norm voldoen, maar wel cruciaal zijn voor de sociale infrastructuur van een wijk?
Zoals in antwoord op vraag 8 staat beschreven verkent de Minister van OCW de mogelijkheid voor een extra jaar uitstel voor de start van een school, naast de huidige mogelijkheid van één jaar uitstel. Ook kan een schoolbestuur een beroep doen op een uitzonderingsgrond als een van hun scholen niet snel genoeg groeit. In uitzonderlijke gevallen kan de Minister van OCW de discretionaire bevoegdheid inzetten om de bekostiging voort te zetten.
In hoeverre wordt vanuit het Rijk in de huidige gebiedsontwikkelingen integraal gestuurd op het gelijktijdig realiseren van woningen én sociale infrastructuur, waaronder onderwijs, sport en ontmoeting?
Zie antwoord op vraag 3.
Acht u de huidige instrumenten toereikend om te waarborgen dat nieuwe woonwijken zich ontwikkelen tot leefbare gemeenschappen met voldoende voorzieningen vanaf de start?
Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit mijn aandacht.
Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u om dit beter te borgen?
In de uitwerking van de totaalaanpak onderzoek ik de noodzaak en mogelijkheden voor aanvullende maatregelen.
Het bericht 'Ouders in verzet tegen sluiting van enige school in nieuwbouwwijk: ‘Waar moeten onze kinderen heen?’' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u dit bericht? Zo ja, wat vindt u hiervan?1
Ja, ik ken dit bericht. Het is jammer dat onrust is ontstaan over de school. In de beantwoording op de vragen van de leden Van Asten en Rooderkerk (beiden D66) over hetzelfde onderwerp is aangegeven dat het schoolbestuur het besluit om de school te sluiten heeft teruggedraaid.
Klopt het dat er momenteel 65 kinderen op deze school zijn ingeschreven en dat er eigenlijk nu 160 kinderen op deze school moeten zijn ingeschreven om structurele financiering te ontvangen?
Volgens de laatste cijfers van DUO staan op deze school 62 leerlingen ingeschreven. Er hadden 167 leerlingen ingeschreven moeten staan om te voldoen aan de vereiste leerlingenaantallen van de stichtingsnorm voor scholen. Deze norm verschilt per gemeente en wordt vastgesteld op basis van de leerlingdichtheid in de gemeente.
In hoeverre wordt er bij de beslissing om een school wel of niet te financieren rekening gehouden met de verwachte groei van het aantal leerlingen in de komende jaren doordat er huizen gebouwd gaan worden? Waarom wel of waarom niet?
Bij de stichtingsaanvraag moet een schoolbestuur aantonen, met een belangstellingsmeting, dat de nieuwe school in het 11e jaar na de aanvraag op voldoende leerlingen kan rekenen. Deze belangstellingsmeting gebeurt 1) aan de hand van verklaringen van ouders in het voedingsgebied met kinderen in de juiste leeftijdscategorie en 2) het aantal leerlingen op het moment van de stichtingsaanvraag en 3) het geprognostiseerde aantal leerlingen in het 11e jaar na de stichtingsaanvraag. De verwachte groei van het aantal leerlingen in een gebied is dus onderdeel van de aanvraagprocedure voor een nieuwe school.
Wat zijn de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de kleine schooltoeslag of dunbevolktheidstoeslag?
Basisscholen die op de teldatum van het aantal leerlingen minder dan 150 leerlingen hebben, ontvangen momenteel kleinescholentoeslag. De school De Binck ontvangt daarom kleinescholentoeslag. Op dit moment wordt gewerkt aan het omvormen van de kleinescholentoeslag naar dunbevolktheidstoeslag. Uw Kamer is door mijn voorganger geïnformeerd over deze wijziging.2
Komt deze school in aanmerking voor deze toeslag? Waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat kleine scholen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk en of iemand wel of niet wil gaan wonen in deze wijk?
Ja, scholen kunnen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk. Tegelijkertijd moet ook de afweging worden gemaakt waar kleine scholen hun rol het beste kunnen vervullen. Het huidige scholenlandschap is erg divers en fijnmazig. Dit is waardevol, maar het grote aantal (te kleine) scholen drukt sterk op de oplopende tekorten in het onderwijsveld. Dat is zeker het geval in stedelijke gebieden. De aangekondigde stelselwijziging zal op dit vraagstuk ingaan. Uw Kamer ontvang voor het zomerreces nog een brief met een update over de beoogde stelselwijziging.
In hoeverre wordt er bij de beslissing om een school wel of niet te financieren rekening gehouden met het aantal beschikbare plaatsen bij basisscholen in de directe omgeving?
Het aantal beschikbare plaatsen bij basisscholen in de directe omgeving is geen criterium bij het al dan niet bekostigen van een nieuwe school.
Zijn er alternatieven overwogen, zoals vergaande samenwerking met andere basisscholen, om sluiting te voorkomen?
Vergaande samenwerking met andere basisscholen, bijvoorbeeld in de vorm van een fusie, kan een mooie manier zijn om het onderwijs en de identiteit van een te kleine school te behouden. Met het oog op de stelselwijziging moedig ik schoolbesturen van te kleine scholen aan om mogelijkheden voor samenwerking of fusies in hun omgeving te onderzoeken. Het zoeken naar samenwerking blijft immers een verantwoordelijkheid van een schoolbestuur.
De keuze om leerlingen op een basisschool in te schrijven is verder aan de ouders, die vrij zijn om daar zelf een afweging in te maken.
Zou dit ertoe kunnen leiden dat leerlingen naar een andere gemeente moeten om onderwijs te krijgen?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht ‘Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar’ |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Robert van Asten (D66) |
|
Judith Tielen (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar»1?
Ja.
Deelt u de opvatting dat bij grootschalige woningbouwlocaties voorzieningen zoals onderwijs en zorg vanaf de start onderdeel moeten zijn van de gebiedsontwikkeling, juist met het oog op de verwachte groei van het aantal inwoners?
Ja. Het is aan gemeenten en schoolbesturen om te zorgen dat basisvoorzieningen zoals onderwijs vanaf de start onderdeel zijn van gebiedsontwikkelingen.
Binnen nationaal grootschalige gebiedsontwikkelingen wordt middels financieel instrumentarium (het gebiedsbudget) de ontwikkeling van de openbare ruimte (denk aan parken en pleinen) nu al mogelijk gemaakt. Daarnaast ziet het Rijk vanuit zijn regierol toe op de ontwikkeling van voldoende (maatschappelijke) voorzieningen in de breedte conform totaalaanpak.
Kunt u in kaart brengen in hoeveel grootschalige woningbouwgebieden voorzieningen zoals basisscholen onder druk staan of dreigen te verdwijnen, doordat zij in de opstartfase nog niet voldoen aan geldende normen voor leerlingaantallen?
Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel basisscholen zijn opgeheven omdat ze te klein waren en specifiek in grootschalige woningbouwgebieden stonden. De reden voor een schoolsluiting kan verschillen. Soms heeft dit te maken met het stoppen van bekostiging door de rijksoverheid vanwege een te laag leerlingenaantal, maar een schoolbestuur kan ook zelf besluiten een school te sluiten. Dit kan ook als de school niet onder de opheffingsnorm zit. Schoolsluitingen worden, vanaf 1997, door DUO in een openbaar toegankelijk bestand geregistreerd.2
Hoe beoordeelt u het feit dat gebiedsontwikkeling niet (altijd) een lineair bouwproces kent en dat de verwachte groei van inwoners waaronder kinderen dus ook met sprongen gaat en dat dit dus nadelig kan uitwerken voor de bezettingsgraad van een school?
Het klopt dat de ontwikkeling van een nieuwe wijk niet altijd lineair verloopt. Op de site van DUO staat dat schoolbesturen en gemeenten rekening moeten houden met vertraging in de oplevering en dat schoolbesturen hun stichtingsaanvraag dus goed moeten plannen.3 De start van een school kan met één jaar worden uitgesteld. Uit de evaluatie blijkt dat gemeenten en schoolbesturen in sommige gevallen, zoals een nieuwe school in een nieuwbouwwijk, behoefte hebben aan meer flexibiliteit. Daarom verkent de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie of de mogelijkheid voor een tweede jaar uitstel kan worden gecreëerd.
Een nieuwe school wordt in het vierde jaar en in het achtste jaar getoetst op de groei van het aantal leerlingen. De groei van een school kan, om verschillende redenen, achterblijven. Een schoolbestuur kan de Minister verzoeken om de bekostiging niet te stoppen door een beroep te doen op een uitzonderingsgrond. Door middel van een uitzonderingsgrond kan bekostiging worden behouden.
Hoe beoordeelt u het spanningsveld dat ontstaat wanneer enerzijds wordt ingezet op versnelde woningbouw en gebiedsontwikkeling, terwijl anderzijds de bekostigingssystematiek voor voorzieningen zoals scholen onvoldoende ruimte biedt om de aanloopfase van zulke gebieden te overbruggen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten waarom in de Binckhorst de bestaande basisschool moet sluiten vanwege leerlingenaantallen, terwijl op basis van verwachte inwonersgroei binnen enkele jaren juist weer een nieuwe school nodig is?
Deze bassischool had in haar vierde jaar niet voldoende leerlingen om de tussentijdse toets te halen (62 leerlingen, terwijl 167 leerlingen nodig zijn). Het schoolbestuur had tegelijkertijd gecommuniceerd dat de school zou worden gesloten en bij DUO een beroep gedaan op een uitzonderingsgrond om bekostiging te blijven ontvangen. Het is uiteindelijk aan het schoolbestuur om te besluiten of een school wordt gesloten. Het schoolbestuur heeft ondertussen laten weten hun besluit terug te draaien.4 De basisschool op de Binckhorst hoeft dus niet te sluiten.
Ziet u mogelijkheden om binnen de huidige regelgeving meer ruimte te bieden voor maatwerk in groeigebieden, bijvoorbeeld via tijdelijke ontheffingen, aangepaste leerlingennormen of andere vormen van overbruggingsbekostiging?
Zoals in antwoord op vraag 4 en 5 is beschreven wordt de mogelijkheid verkend voor een extra jaar uitstel voor de start van een school, naast de huidige mogelijkheid van één jaar uitstel. Ook kan een schoolbestuur een beroep doen op een uitzonderingsgrond als een van hun scholen niet snel genoeg groeit. In uitzonderlijke gevallen kan de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie de discretionaire bevoegdheid inzetten om de bekostiging voort te zetten.
Welke instrumenten heeft het Rijk verder om, samen met gemeenten en andere betrokken partijen, te borgen dat voorzieningen zoals onderwijs en zorg gelijktijdig met woningbouw worden gerealiseerd?
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk en aan zet voor het borgen en inplannen van voldoende voorzieningen in grootschalige woningbouwontwikkelingen. Het Rijk neemt vanuit zijn regierol actief deel aan de ontwikkeling van nationaal grootschalige woningbouw. Conform coalitieakkoord werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening momenteel aan de uitwerking van een totaalaanpak waardoor meer geborgd wordt dat door middel van koppelkansen functies als wonen, werken, bereikbaarheid, groen en maatschappelijke voorzieningen samen worden ontwikkeld. In de Taskforce Versnellen Woningbouw ziet de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening toe op het actief benutten van deze koppelkansen binnen grootschalige woningbouwontwikkelingen.
Acht u de huidige instrumenten toereikend om te voorkomen dat nieuwe woonwijken in de eerste jaren onvoldoende toegang hebben tot essentiële voorzieningen?
Nee. Het ministerie financiert middels de huidige stimuleringsregelingen geen voorzieningen, m.u.v. de eerder genoemde regeling gebiedsbudget. Middels deze regeling wordt openbare ruimte (parken en pleinen) binnen nationaal grootschalige woningbouwlocaties gesubsidieerd. Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit verder mijn aandacht.
In de uitwerking van de totaalaanpak onderzoek ik de noodzaak en mogelijkheden voor aanvullende maatregelen.
Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u?
Zie antwoord vraag 9.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de afdeling sociale wetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) een vacature heeft geplaatst die uitsluitend is bedoeld voor wetenschappers van kleur?1
Uit navraag bij de Erasmus Universiteit Rotterdam heb ik begrepen dat de vacature niet uitsluitend bedoeld was voor wetenschappers van kleur. En dat de Erasmus Universiteit Rotterdam de vacature heeft aangepast om te verduidelijken dat ze geen sollicitanten uitsluit.
Wat vindt u ervan dat de EUR een methode van personeelswerving gebruikt die is gebaseerd op huidskleur, die ertoe leidt dat een groot aantal kandidaten bij voorbaat wordt uitgesloten omdat zij de «niet de goede huidskleur» hebben?
Het is niet aan mij als Minister om in te gaan op de inhoud van vacatures van een universiteit. Instellingen geven zelf hun werving- en selectiebeleid vorm. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders.
Wie kunnen er precies solliciteren op vacatures voor «scholars of color» en wie niet en deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is om mensen in te delen in twee categorieën, zoals hier lijkt te gebeuren, namelijk wel of niet «of color»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een dergelijk wervingsbeleid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat is vastgelegd in Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet en dat discriminatie «op welke grond dan ook» verbiedt? Zo nee, waarom niet?
Artikel 1 van de Grondwet is voor wat betreft de verhouding tussen werkgever en werknemer nader geconcretiseerd in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Op basis van artikel 2 lid 3 Awgb mag er in sommige gevallen en onder bepaalde voorwaarden sprake zijn van een voorkeursbeleid om feitelijke achterstanden van groepen tegen te gaan. Het moet dan gaan om het wegnemen of verminderen van feitelijke nadelen die verband houden met de grond ras of geslacht en het onderscheid moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel.
Deelt u de mening dat het vreemd en zorgelijk is dat een faculteit voor sociale wetenschappen die commitment claimt tot «antiracisme» juist raciale eisen stelt?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Wat vindt u van de aan deze vacature kennelijk onderliggende opvatting van de faculteit voor sociale wetenschappen van de EUR dat wetenschappers van kleur bijzondere expertise hebben voor de studie van ongelijkheid die andere wetenschappers ontberen?
Zoals in antwoord 1 aangegeven, heb ik begrepen dat de vacature openstaat voor alle wetenschappers.
Hoe beoordeelt u het feit dat de twee vacatures geen eisen stellen aan specialisaties of methodologische vaardigheden?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Bent u van mening dat een vacaturetekst als «Commitment to integrating progressive, antiracist and social justice resources and pedagogy in the classroom is an essential component of both positions» academici met conservatieve opvattingen lijkt uit te sluiten? Graag een toelichting.
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Is u bekend of er buiten de ESSB van de EUR nog meer faculteiten zijn die vacatures plaatsen die uitsluitend zijn bedoeld voor «scholars of color»?
Ik heb van de Erasmus Universiteit Rotterdam begrepen dat die er niet zijn.
Bent u bereid met de universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat procedures om personeel te werven gevrijwaard blijven van discriminatoire criteria?
Ik heb als Minister geen bemoeienis met het wervingsbeleid op universiteiten. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders. Ik zie geen noodzaak om additionele afspraken te maken met de universiteiten.
Deelt u het oordeel van dit voorval als een voorbeeld van positieve discriminatie?
Het aanmoedigen van kandidaten van kleur om te solliciteren is geen voorkeursbeleid, oftewel positieve discriminatie, ook anderen zijn welkom om te solliciteren. Bovendien betekent voorkeursbeleid voor mensen van kleur niet per definitie dat er sprake is van verboden onderscheid. Een werkgever mag voorkeursbeleid voeren als een bepaalde groep mensen onvoldoende vertegenwoordigd is en er is voldaan aan een aantal andere vereisten. Het is niet aan mij om te oordelen over individuele gevallen.
Zo ja, acht u dit soort discriminatie onwenselijk en gaat u daar actief actie tegen nemen in uw nieuwe nationale programma tegen racisme en discriminatie?
Uw Kamer heeft het kabinet gevraagd een overkoepelend programma tegen discriminatie en racisme te maken. Daarin zal het kabinet actie ondernemen tegen alle vormen van verboden onderscheid. Verder wijs ik graag naar mijn antwoorden op vragen 4 en 11.
Het bericht ‘UvA sloeg onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten over tijdens campusprotesten’ |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Universiteit van Amsterdam (UvA) tijdens de campusbezettingen van 2024 een jaarlijkse peiling naar de sociale veiligheid van studenten over heeft geslagen?1
Ja
Klopt het bericht dat de UvA in 2024 heeft besloten de jaarlijkse monitor naar sociale veiligheid onder studenten niet uit te voeren met als argument dat de gegevens dan niet vergelijkbaar zouden zijn? Hoe beoordeelt u het besluit en de onderbouwing ervan?
Uit navraag bij de UvA heb ik begrepen dat dit klopt. In het voorjaar van 2024, wanneer bovengenoemde jaarlijkse monitor doorgaans wordt uitgevraagd, vonden grootschalige protesten plaats aan de UvA. De UvA geeft aan dat zij de monitor gebruikt om de effecten van beleid onder reguliere omstandigheden in kaart te brengen. Door de waarschijnlijke invloed van de protesten op de uitkomsten zouden de resultaten van dit meetmoment niet goed vergelijkbaar zijn met eerdere en latere metingen. Dit zou voor de UvA de interpretatie van beleidseffecten bemoeilijken.
De UvA laat weten dat in 2024 de jaarverslagen van de ombudsfunctionaris, vertrouwenspersonen, de vertrouwenspersoon individuele rechtspositie en de klachtencommissie volgens de reguliere werkwijze zijn opgesteld. Deze bieden jaarlijks inzicht in aard, omvang en duiding van signalen rond sociale veiligheid. De inzichten uit deze verschillende bronnen worden door de UvA in samenhang beschouwd en gebruikt voor de verdere ontwikkeling van beleid en aanpak. De UvA heeft de monitor sociale veiligheid in 2025 weer afgenomen.
Ik heb als Minister geen bemoeienis met interne monitors van een universiteit.
Deelt u de opvatting dat juist in een periode van soms intimiderende protesten het belangrijk is om de veiligheid systematisch te meten? Zo nee, waarom niet?
Het is van belang dat de ervaren sociale veiligheid van studenten en medewerkers van hogescholen en universiteiten structureel wordt gemonitord. Ik ga als Minister niet over de frequentie en wijze waarop een instelling haar metingen verricht. Wel spreek ik met de koepelorganisaties Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH) regelmatig over de ervaren sociale veiligheid op sectorniveau. Zo hebben wij afgesproken dat zij voor de zomer een sectorbeeld van de ervaren sociale veiligheid in het hoger onderwijs met mij zullen delen.
Hoe verhoudt het overslaan van deze monitor zich tot het Convenant Sociale Veiligheid in het hoger onderwijs (2024–2027)?
Het convenant sociale veiligheid is een landelijke afspraak met verschillende partijen uit de sector (OCW, UNL, VH, de Landelijke Studentenvakbond, het Interstedelijk Studenten Overleg, Promovendi Netwerk Nederland (mede namens PostdocNL), Federatie Nederlandse Vakbeweging en Algemene Onderwijsbond) over het bevorderen van de sociale veiligheid in de sector met behoud van de autonomie van de instellingen. Doel van het convenant is richting geven aan een gezamenlijke aanpak om de sociale veiligheid binnen de sector te bevorderen. De convenantpartners geven deze gezamenlijke aanpak vorm door het inrichten van een regiegroep sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap. De regiegroep is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van een vierjarig programmaplan om de sociale veiligheid in de sector te bevorderen. De regiegroep is ingesteld door mijn ambtsvoorganger en is onafhankelijk.
Over monitoring is in het convenant niets afgesproken. In het bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap (2022) zijn al afspraken gemaakt over de monitoring van sociale veiligheid. Instellingen gaan zelf zorgdragen voor een eenduidige en structurele monitor van ervaren sociale veiligheid. Daarnaast maken zij inclusie onder studenten en personeel zichtbaar. Hiervoor zullen bestaande instrumenten worden aangepast. De monitoringsvragen worden door de instellingen onderling uniform bepaald. Periodiek, en in 2024 voor de eerste maal, stellen UNL (in samenspraak met de NFU) en VH de resultaten geaggregeerd op sectorniveau (nooit op instellingsniveau) beschikbaar aan OCW.
Welke afspraken bestaan er momenteel met universiteiten over de frequentie en continuïteit van onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten?
Er bestaat geen afspraak met de individuele instellingen. Een van de beleidsmaatregelen is dat de instellingen zullen zorgen voor een monitor van de ervaren sociale veiligheid onder studenten en medewerkers. Ik spreek daarom regelmatig met UNL en VH over het inrichten van zo’n structurele monitor. UNL en VH zullen in ieder geval, net als vorig jaar met mijn ambtsvoorganger, voor de zomer een sectorbeeld van de ervaren sociale veiligheid in het hoger onderwijs met mij delen.
Welke onderzoeken zijn er op die universiteit wel gedaan naar de sociale veiligheid onder studenten?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven of andere universiteiten in Nederland in recente jaren vergelijkbare onderzoeken hebben overgeslagen? Zo ja, welke en waarom?
Universiteiten hoeven mij niet te rapporteren over welke onderzoeken ze wanneer uitvoeren. Ik heb noch informatie noch signalen ontvangen over andere universiteiten die vergelijkbare onderzoeken hebben overgeslagen.
Bent u bereid met universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat metingen naar sociale veiligheid niet worden overgeslagen juist in perioden van verhoogde spanning?
Ik verwijs voor de bestaande afspraken graag naar mijn antwoord op vraag 5. Aanvullende afspraken acht ik niet nodig.
Bent u bekend met het bericht «Gescheiden ingang jongens en meisjes bij middelbare school Heemstede in verband met iftar, leerlingen verzocht schouders en knieën te bedekken»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeeld u de situatie als geschetst in het nieuwsbicht?
Dit bericht doet verslag over een iftar die op initiatief van een aantal leerlingen georganiseerd zou worden op het HBM, een christelijke school voor voortgezet onderwijs. De school heeft ruimte willen bieden aan dit initiatief. Dat kan passen bij de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze kennis en respect bevorderen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in godsdienst en levensovertuiging. Zo’n initiatief moet dan echter niet ten koste gaan van de plicht die scholen op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben om zorg te dragen voor een veilige schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Scholen kunnen er ook voor kiezen om op andere manieren invulling te geven aan de wettelijke burgerschapsopdracht.
Kunt u bevestigen wat er feitelijk is gebeurd en zijn er u andere voorbeelden bekend, bijvoorbeeld op openbare scholen, waar dit op deze manier gebeurd is?
Naar aanleiding van de berichtgeving heeft de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) contact opgenomen met het HBM. Het schoolbestuur van het HBM geeft aan niet op de hoogte te zijn geweest van de inhoud van de uitnodiging en niet achter de inhoud van de uitnodiging te staan. Hierover is ook door verschillende media gerapporteerd. Voor dit jaar is de iftarviering komen te vervallen, volgend jaar wil de school de iftarviering wel weer organiseren. De school wil de iftarviering dan laten plaatsvinden zonder gescheiden ingangen of kledingvoorschriften.
De inspectie geeft aan dat iftarvieringen geregeld voorkomen in het voortgezet onderwijs, zowel bij openbare scholen als bij christelijke scholen. Het is voor de inspectie onbekend of daarbij scholen vragen om bepaalde voorschriften te respecteren.
Deelt u de mening dat juist het onderwijs en daarmee scholen verschillen tussen kinderen moeten verkleinen en segregatie niet moeten faciliteren?
Ja die mening deel ik. Daarom hecht ik ook veel waarde aan de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze aan leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, waaronder in ieder geval vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt specifiek van scholen dat ze onder leerlingen kennis en respect bijbrengen voor verschillen, alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Daarbij past het sowieso dat kinderen leren om elkaars opvattingen te respecteren, ook als deze afwijken van de eigen opvatting of van die van de ouders. Zo wordt ingezet op het bevorderen van sociale cohesie.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze school er voor kiest jongens en meisjes niet gelijkwaardig te behandelen, maar via aparte ingangen het gebouw binnen te laten komen?
Zoals in antwoord 3 aangegeven, heeft deze school aangegeven niet achter de inhoud van de uitnodiging te staan en heeft de school zelf niet de keuze gemaakt om jongens en meisjes gescheiden het gebouw binnen te laten komen. Voor dit jaar is de iftarviering komen te vervallen. De school wil de iftarviering volgend jaar laten plaatsvinden zonder gescheiden ingangen of kledingvoorschriften
Hoe verhoudt het gescheiden binnen laten komen van jongens en meisjes zich tot de wettelijke zorgplicht voor een veilig en inclusief leerklimaat?
De school mag bij het aanbieden van het onderwijs geen onderscheid maken op grond van geslacht. Een uitzondering geldt, op grond van artikel 7, lid 2, van de Algemene wet gelijke behandeling, voor bijzondere scholen die jongens en meisjes scheiden als onderdeel van consistent en consequent gevoerd beleid dat, vanwege de aard van het onderwijs, wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd is gegeven de grondslag van de school.
In dit geval ging het om een christelijke school die de iftar heeft willen faciliteren. Daar ziet de uitzondering in de Algemene wet gelijke behandeling niet op. Tegelijkertijd maakt het enkele feit dat de school deze activiteit – op initiatief van leerlingen – faciliteert, niet dat de school daarmee in strijd handelt met de wettelijke zorgplicht en de verantwoordelijkheden van de school ten aanzien van gelijke behandeling. Daarbij hecht ik er wel aan nogmaals te benadrukken dat op de school altijd de verplichting rust om te zorgen voor een veilige schoolcultuur.
Hoe verhoudt het organiseren van gescheiden activiteiten zich tot de wettelijke verplichte burgerschapsvorming in het onderwijs en ziet u het risico dat dit leidt tot segregatie op school?
Gescheiden activiteiten mogen niet ten koste gaan van de plicht die scholen op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten. Dat betekent dat gescheiden activiteiten ook niet mogen leiden tot segregatie in de school, noch tot ongelijkwaardigheid.
Dit risico zie ik wel, zelfs als de activiteiten buiten schooltijd plaatsvinden en dus optioneel zijn. Dat betekent dat scholen heel bewust moeten nadenken over welke en hoe dergelijke activiteiten aansluiten op de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en burgerschapsvorming vanuit de verantwoordelijkheid als school. De inspectie ziet erop toe dat de cultuur op de school in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
Het bericht 'Hogescholen bundelen krachten: nieuwe generatie economie-studenten moeten leren over ‘brede welvaart’ te vergroten' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over tien hogescholen, waaronder Avans en Hogeschool Rotterdam, die samen met de Goldschmeding Foundation € 1,8 miljoen investeren om bijna 40 procent van alle hbo-economiestudenten te leren dat economie niet over geld verdienen gaat maar over «brede welvaart», sociale gelijkheid, leefbaarheid en arbeidsparticipatie?1
Ja, ik ben bekend met het bericht waarin wordt gemeld dat tien hogescholen een samenwerking aangaan gericht op het actief bevorderen van brede welvaart in de samenleving. In het bericht wordt vermeld dat 40% van de hbo-studenten een opleiding in het economisch domein volgt.
Hoe verklaart u dat dit soort linkse ideologie met belastinggeld op onze hogescholen wordt doorgedrukt?
Het aanpassen van de inhoud van opleidingen is onderdeel van een continu kwaliteitsproces in nauwe samenwerking met het beroepenveld. De instelling is hierbij verantwoordelijk voor de inhoud en kwaliteit van de opleiding die zij aanbiedt.
De Vereniging Hogescholen heeft mij geïnformeerd dat, als onderdeel van de kwaliteitscyclus van het hoger onderwijs, een sectorale verkenning van het economisch domein is uitgevoerd door een onafhankelijke verkenningscommissie in samenspraak met het werkveld. Naar aanleiding van de verkenning is een sectorplan hoger economisch onderwijs opgesteld en zijn alle landelijke opleidingsprofielen vernieuwd. Logischerwijs komen nieuwe maatschappelijke inzichten terug in de programma's. Hierbij is ideologie geen maatstaf. Het uitgangspunt is dat een hbo-professional zelf een kritische houding ontwikkelt en afwegingen maakt voor toekomstige inzet van opgedane kennis.
Beoordeling van de inhoud en kwaliteit van opleidingen vindt plaats in het accreditatieproces van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Hierin wordt door panels van docenten en wetenschappers (die niet verbonden zijn aan de betreffende opleiding) onder andere bekeken of de beoogde leerresultaten van een opleiding aansluiten bij de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen.
Waarom laat u toe dat hogescholen met € 1,8 miljoen aan subsidie hun economische opleidingen aanpassen en vakken inrichten rond begrippen als «regeneratief leiderschap» en «maatschappelijke waarde», terwijl onze economie juist behoefte heeft aan studenten die bedrijven opbouwen, banen creëren en economische groei realiseren?
De veronderstelde tegenstelling tussen het opleiden van studenten die bedrijven opbouwen, banen creëren en economische groei realiseren en het opnemen van begrippen als regeneratief leiderschap en maatschappelijke waarde in de curricula van economische opleidingen, zie ik niet. Verder hebben hogescholen en universiteiten bestedingsvrijheid ten aanzien van hun bekostiging, die zij inzetten om hun wettelijke taken van het verzorgen van onderwijs, het verrichten van onderzoek en het verzorgen van kennisoverdracht aan de maatschappij uit te voeren. Uit het artikel maak ik op dat het genoemde bedrag een combinatie van middelen van de hogescholen en van de Goldschmeding Foundation betreft. Er is in elk geval geen subsidie van € 1,8 miljoen verstrekt door het Ministerie van OCW voor dit doel.
Hoeveel publiek geld is de afgelopen jaren besteed aan projecten en onderwijsprogramma’s waarin economische opleidingen worden omgebouwd rond begrippen als «brede welvaart», duurzaamheid en sociale gelijkheid? Kunt u daarvan een overzicht geven? Zo nee, waarom niet?
Hogescholen en universiteiten ontvangen een rijksbijdrage om hun wettelijke taken, waaronder het verzorgen van onderwijs, uit te kunnen voeren. De rijksbijdrage wordt als lumpsum uitgekeerd. Dat betekent dat hogescholen en universiteiten binnen de kaders van de wet bepalen hoe zij de middelen inzetten en zij verantwoorden zich hierover via het jaarverslag. Ik kan daarom geen overzicht geven hoeveel publiek geld aan welke projecten en onderwijsprogramma’s is besteed.
Vindt u het wenselijk dat economische opleidingen steeds vaker worden beoordeeld op niet-financiële indicatoren zoals «brede welvaart» en zo ja, waarom acht u dat belangrijker dan het opleiden van studenten die daadwerkelijk bijdragen aan economische groei en ondernemerschap?
In het algemeen acht ik het van belang dat opleidingen in het hoger onderwijs goed aansluiten bij de arbeidsmarkt, in verbinding staan met de maatschappij en maatschappelijke vraagstukken, en dat studenten geleerd wordt afwegingen te maken vanuit verschillende perspectieven.
Zoals aangegeven in reactie op uw tweede vraag, vindt toetsing van de inhoud en kwaliteit van opleidingen plaats in het accreditatieproces van de NVAO. Hierin wordt door panels van docenten en wetenschappers (die niet verbonden zijn aan de betreffende opleiding) onder andere bekeken of de beoogde leerresultaten van een opleiding aansluiten bij de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen. Als Minister heb ik geen oordeel over de inhoud van specifieke opleidingen in het hoger onderwijs.
Wat vindt u ervan dat docenten binnen deze programma’s worden getraind om studenten te leren dat economische keuzes vooral langs maatschappelijke en ideologische maatstaven moeten worden beoordeeld en acht u dit een neutrale benadering van economisch onderwijs?
Uit het artikel leid ik niet af dat docenten op deze manier getraind worden.
Deelt u de mening dat economische opleidingen in de eerste plaats studenten moeten opleiden in de economische vakken, in plaats van hen te belasten met linkse ideologische theorieën over zogenaamde «brede welvaart» en zo ja, wat gaat u doen om te voorkomen dat economische opleidingen verder afglijden richting linkse indoctrinatie?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat inmiddels een aanzienlijk deel van de economische opleidingen binnen het hbo betrokken is bij dit soort programma’s en zo ja, hoe voorkomt u dat studenten nog maar één ideologische visie op economie krijgen voorgeschoteld?
Nee, dat kan ik niet bevestigen.
Zoals ik eerder heb aangegeven vind ik het van belang dat opleidingen in het hoger onderwijs goed aansluiten bij de arbeidsmarkt, in verbinding staan met de maatschappij en maatschappelijke vraagstukken, en dat studenten geleerd wordt afwegingen te maken vanuit verschillende perspectieven.
De berichten 'Scholen Bonaire vol: tientallen kinderen de dupe' en 'Basisscholen zitten vol' |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Heera Dijk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Scholen Bonaire vol: tientallen kinderen de dupe» en «Basisscholen zitten vol» van Dossier Koninkrijksrelaties en het Antilliaans Dagblad?1, 2
Ja, zowel het ministerie als het Openbaar Lichaam Bonaire (hierna: OLB), zijn bekend met deze berichtgeving.
Klopt het dat er op dit moment in Bonaire onvoldoende plekken zijn in het basisonderwijs voor alle leerplichtige kinderen?
Ja, er is op dit moment sprake van druk op de beschikbare capaciteit in het basisonderwijs op Bonaire. In de praktijk betekent dit helaas dat niet ieder leerplichtig kind direct geplaatst kan worden op het moment dat een aanmelding plaatsvindt. In de beantwoording van vragen 6, 7 en 8 wordt toegelicht hoe we samen met het OLB en de andere betrokken verantwoordelijke partijen zo snel mogelijk extra plekken proberen te realiseren.
Hoe groot is op dit moment het tekort aan plaatsen in Bonaire in het basisonderwijs en hoeveel kinderen wachten momenteel op plaatsing?
Er zijn momenteel tenminste 30 kinderen voor wie geen capaciteit is op basisscholen. Dit aantal fluctueert steeds omdat het soms lukt een leerling te plaatsen, maar er tegelijkertijd ook nieuwe kinderen bij komen die wachten op een plek. Het OLB en de schoolbesturen houden samen een continu en actueel overzicht bij.
Hoe beoordeelt u de situatie dat leerplichtige kinderen mogelijk langere tijd geen toegang hebben tot onderwijs omdat er geen beschikbare plekken zijn?
Ik beoordeel deze situatie natuurlijk als zeer zorgelijk. Wanneer kinderen buiten het onderwijsproces raken, brengt dat risico’s mee voor hun ontwikkeling, basisvaardigheden, taalverwerving, sociale participatie en verdere schoolloopbaan.
Wat is volgens u de oorzaak van het gebrek aan voldoende plaatsen in het basisonderwijs op Bonaire?
De zeer sterke bevolkingsgroei op Bonaire, grotendeels veroorzaakt door immigratie vanuit zowel de regio als Europees Nederland, legt druk op allerlei voorzieningen, waaronder het onderwijs. Ten eerste kan de aanleg van nieuwe scholen en noodvoorzieningen deze groei niet in voldoende mate bijbenen. Daarnaast zorgen de stijgende bouwprijzen dat de geplande bouw van locaties ook moeilijker gerealiseerd kan worden. Het vinden van extra onderwijspersoneel is bovendien complex en kost tijd.
De groei van het aantal leerlingen betreft niet alleen de vierjarigen, maar bestaat uit leerlingen van alle leeftijden. Met name scholen voor primair onderwijs hebben geen plek voor nieuwe leerlingen, zelfs na de reeds uitgebreide groepsgrootte. Een complicerende factor daarbij is dat een deel van de thuiszittende leerlingen Spaanstalig is en in sommige gevallen ook een zorgbehoefte heeft. Daardoor is gespecialiseerd personeel nodig dat in staat is om onderwijs te geven aan anderstaligen en/of leerlingen met een zorgbehoefte.
Kunt u uiteenzetten welke verantwoordelijkheden het Openbaar Lichaam Bonaire (OLB) en het Rijk ieder hebben bij het realiseren van voldoende onderwijsplekken op Bonaire, en tegen welke belemmeringen zij daarbij aanlopen?
Het Ministerie van OCW en het OLB zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de voorziening in de huisvesting van scholen op Bonaire. In het kader van het tekort aan onderwijsplekken kijken zij samen naar korte – en langetermijnoplossingen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld over het huren van nieuwe huisvesting, het aanleggen van noodvoorzieningen en het gereed krijgen van klaslokalen met voldoende en passend schoolmeubilair. Zo wordt onder andere het schoolterrein bij een basisschool veilig gemaakt waardoor op die school twee nieuwe lokalen in gebruik kunnen worden genomen.
Werving naar personeel is de verantwoordelijkheid van de school. Het OLB houdt daarnaast conform de Leerplichtwet BES toezicht op naleving van de leerplicht en heeft een coördinerende rol wanneer leerlingen langdurig geen toegang hebben tot onderwijs. In dit geval coördineert het OLB, in samenwerking met de betrokken partijen, het vinden van een oplossing. Het Rijk is verantwoordelijk voor de bekostiging van de scholen en is stelselverantwoordelijk. Indien voor het realiseren van lesplaatsen en onderwijs voor de thuiszittende leerlingen aanvullende bekostiging nodig is, kunnen schoolbesturen dit aanvragen bij het Ministerie van OCW. Er zijn nog geen aanvragen ingediend, omdat de aanvraag afhankelijk is van de daadwerkelijke hoeveelheid leerlingen die de school of scholen gaan opvangen. Een dergelijke aanvraag behandelt het Ministerie van OCW met spoed.
Heeft het kabinet contact gehad met het OLB over het tekort aan onderwijsplekken? Zo ja, welke afspraken zijn met het OLB gemaakt om ervoor te zorgen dat alle leerplichtige kinderen op Bonaire zo snel mogelijk onderwijs kunnen volgen?
Ja, het Ministerie van OCW, het OLB en de schoolbesturen hebben doorlopend contact over het tekort aan onderwijsplekken en eventuele oplossingen. Een belangrijk onderdeel van de kortetermijnoplossing is het gereedmaken van lokalen in een gehuurd pand met zes tot tien leslokalen. Na een gesprek tussen het OLB en de schoolbesturen, heeft een schoolbestuur aangeboden het onderwijs in dit pand op zich te nemen. Het OLB en OCW ondersteunen deze school met de benodigde aanvullende bekostiging.
Welke mogelijkheden ziet u om te zorgen er ook voldoende leraren beschikbaar zijn wanneer nieuwe klaslokalen op Bonaire worden gerealiseerd?
Zoals hierboven toegelicht, werken het OLB en OCW samen met schoolbesturen, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de werving en inzet van personeel. Hierbij wordt gewerkt aan bredere en snellere werving, het beter benutten van kandidaten die al op het eiland of in de regio beschikbaar zijn, en het verminderen van praktische belemmeringen voor de inzet van leerkrachten van buiten het Koninkrijk.
Verouderde schoolgebouwen en het binnenklimaat op scholen |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat meer dan de helft van de Nederlandse schoolgebouwen ouder is dan 45 jaar en dat veel gemeenten moeite hebben om nieuwbouw en renovatie van schoolgebouwen te financieren?
De meeste schoolgebouwen binnen het funderend onderwijs zijn gebouwd in de wederopbouwperiode 1946 tot 1978 (32,2%). Daarnaast zijn 12,8% van de schoolgebouwen gebouwd voor 1946. Nog 20,4% is gebouwd tussen 1978 tot 1992.1 Er zijn geen concrete aanwijzingen dat gemeenten moeite hebben met het aantrekken van financiering voor nieuwbouw en renovatie van schoolgebouwen. Wel is, zoals eerder met uw Kamer gedeeld, in het IBO onderwijshuisvesting geconcludeerd dat er tot 2050 een grote opgave ligt om aan de klimaatdoelen te voldoen, waarvoor aanvullende middelen nodig zijn.2
Hoeveel scholen voldoen momenteel niet aan de geldende ventilatie- en binnenklimaatnormen, mede in het licht van steeds warmere zomers en de gevolgen van klimaatverandering?
Verschillende onderdelen samen vormen het binnenklimaat van een gebouw, zoals bijvoorbeeld ventilatie en CO2-waarden, temperatuur en luchtvochtigheid. Er zijn meerdere onderzoeken gedaan naar onderdelen van het binnenklimaat op scholen. Het beeld (2021) is dat in het primair onderwijs gebouwen uit de wederopbouwvoorraad het slechtst presteren. Bij 34% voldoet de ventilatie niet aan de door het RIVM gehanteerde eisen. In het voortgezet onderwijs presteren gebouwen gebouwd in de periode 1978–1992 het slechtst. Bij 42% voldoet de ventilatie niet aan de door het RIVM gehanteerde eisen.3
Om het binnenklimaat in scholen te verbeteren, zijn meerdere acties ondernomen vanuit de rijksoverheid. Het kabinet heeft sinds Covid in totaal € 360,– miljoen beschikbaar gesteld voor verbetering van het binnenklimaat. Onder andere via Specifieke Uitkering Ventilatie in Scholen (2021), Maatwerkregeling Ventilatie op Scholen (2022–2023) en het beschikbaar stellen van middelen voor de aanschaf van CO2-meters voor ieder klaslokaal (2022). Sinds 1 juli 2025 zijn alle scholen in het hele funderend onderwijs verplicht om een CO2-meter te hebben in iedere ruimte met een onderwijsfunctie.
Deelt u de zorg dat een slecht binnenklimaat en gebrekkige ventilatie kunnen leiden tot concentratieproblemen en verminderde leerprestaties bij leerlingen en een ongezonde werkomgeving voor leraren en onderwijspersoneel?
Het kabinet onderschrijft het belang van een gezond binnenklimaat voor leerlingen en onderwijspersoneel. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de fysieke kwaliteit van schoolgebouwen bepalend is voor concentratie, gezondheid, en leerresultaten.4 Ook de Inspectie van het Onderwijs bevestigt de relatie tussen temperatuur en schoolprestaties.5
Deelt u de zorg dat de huidige verdeling van verantwoordelijkheden tussen Rijk en gemeenten ertoe kan leiden dat noodzakelijke renovatie of vervanging van schoolgebouwen wordt uitgesteld?
Het huidige systeem voor onderwijshuisvesting gaat uit van een gedeelde verantwoordelijkheid van gemeenten en schoolbesturen. Het wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting verduidelijkt de verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeente en schoolbestuur op het gebied van renovatie. De verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk en gemeenten staat niet in de weg van renovatie of vervanging. Gemeenten ontvangen middelen via de algemene uitkering uit het gemeentefonds en geven deze uit op basis van hun eigen prioritering.
Bent u bekend met de aanpak in Vlaanderen waarbij via publiek-private samenwerking schoolgebouwen worden gerealiseerd met investeringen van institutionele beleggers en investeringsfondsen?
Ja, hiermee ben ik bekend.
Ziet u mogelijkheden om ook in Nederland te onderzoeken of investeringen van institutionele beleggers, pensioenfondsen en investeringsfondsen kunnen bijdragen aan de versnelling van de bouw en renovatie van schoolgebouwen?
Eerder heeft de Taskforce Financiering Onderwijshuisvesting de institutionele financiering van onderwijshuisvesting onderzocht.6 De taskforce concludeerde dat dit een keuze kan zijn om een investeringspiek of kapitaalbehoefte mee te overbruggen, maar dat de aflossing uiteindelijk uit de bekostiging komt. Het is alleen een oplossing als er een probleem is met het aantrekken van financiering. Anders dan in Vlaanderen zijn er in Nederland al voldoende mogelijkheden voor gemeenten om financiering aan te trekken. Gemeenten kunnen goedkoop geld lenen bij de Bank Nederlandse Gemeenten. Geld lenen bij institutionele beleggers, pensioenfondsen en investeringsfondsen is duurder. Vanwege het feit dat er momenteel al goedkoper geld geleend kan worden, is het niet de verwachting dat er extra middelen vrij zullen komen door samenwerking met beleggers en fondsen.
Bent u bereid om samen met gemeenten, onderwijsorganisaties en mogelijke investeerders te verkennen hoe dergelijke publiek-private investeringsconstructies kunnen bijdragen aan de vernieuwing van schoolgebouwen en de Kamer hierover te informeren?
Zoals in het Coalitieakkoord aangekondigd, zal ik de mogelijkheden van publiek-private samenwerking naar Vlaams voorbeeld nader verkennen. Zoals hun aanpak in standaardisatie van met name bouw- en onderhoudscontracten. Na de zomer informeer ik uw Kamer hierover nader.
Ziet u daarnaast mogelijkheden voor meer standaardisatie van schoolontwerpen en vermindering van regels om de bouw en renovatie van scholen te versnellen en goedkoper te maken?
Ja, die zie ik. Het programma onderwijshuisvesting (POHV) en het innovatieprogramma onderwijshuisvesting (IPOHV) richten zich op standaardisatie en innovatie op bouwprocessen en procedures. Beide programma’s hebben een eigen aanpak en versterken elkaar daarin. Binnen het POHV wordt een integrale aanpak voor scholenbouw ontwikkeld. Het is gericht op standaardisatie, professionalisering en kennisdeling. Binnen het IPOHV, gefinancierd door het Nationaal Groeifonds, wordt innovatie onderzocht binnen scholenbouwprojecten. Deze innovaties worden vervolgens vanuit het POHV landelijk beschikbaar gesteld. Beide programma’s hebben de doelstelling om renovatie en nieuwbouw te versnellen, kostenefficiënter en toekomstbestendiger te maken.
Bent u bereid om, aangezien op 19 maart in gemeenten de collegeonderhandelingen starten waarin ook besluiten worden voorbereid over investeringen in onder meer onderwijshuisvesting, op korte termijn een brief en concreet actieplan naar gemeenten te sturen over de uitvoering van de afspraken uit het coalitieakkoord met betrekking tot schoolgebouwen, zodat zij dit kunnen betrekken bij hun lokale plannen en investeringsbesluiten?
In het coalitieakkoord wordt gewezen op de aanpak van het programma onderwijshuisvesting en het innovatieprogramma onderwijshuisvesting, die samen met de Vereniging Nederlandse Gemeenten en de PO- en VO-Raad worden uitgevoerd. Gemeenten en scholen worden hierover regelmatig geïnformeerd. Een separate brief aan gemeenten is daarom niet nodig. Het verkennen van de publiek-private mogelijkheden wordt ook in gezamenlijkheid met de VNG opgepakt.
Het bericht ‘Basisscholen onder vuur wegens beschuldiging discriminatie: 'Willen witte scholen wit houden'’ |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Judith Tielen (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Basisscholen onder vuur wegens beschuldiging discriminatie: «Willen witte scholen wit houden»»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Hoe duidt u de onacceptabele situatie die geschetst wordt in het bericht, waarin kinderen mogelijk wegens hun migratieachtergrond worden geweigerd of ontmoedigd bij toelating tot basisscholen?
Naar aanleiding van uw vragen is vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) contact opgenomen met het verantwoordelijke bestuur, stichting Prohles. Het bestuur geeft aan dat het, na het besluit over de voorgenomen sluiting van de Sjaloomschool, samen met de directeuren van de andere Prohles-scholen een plek heeft gezocht voor de leerlingen die een nieuwe plaatsing nodig hebben. Daarbij is afgesproken dat niemand op voorhand zou worden geweigerd. Ouders kregen een advies over welke school (of scholen) voor hun kind(eren) plek heeft volgend schooljaar en de ouders zijn uitgenodigd om daar te gaan kijken. Ouders zijn soms bij een andere school langsgegaan dan de school die hen was aangeraden en kregen daar te horen dat er geen plek was voor hun kind(eren).
In het eerdergenoemde contact met Prohles, heeft Prohles aangegeven dat dit enkel te maken had met de capaciteit van de betreffende klas of klassen. Toch hebben sommige ouders dat anders gehoord of ervaren. Prohles heeft de scholen daarop aangesproken dat geen enkele leerling op voorhand zou worden geweigerd. Daarna heeft Prohles een ouderavond georganiseerd. Prohles garandeert dat alle kinderen een plek krijgen, rekening houdend met de voorkeur van de ouders.
Naar aanleiding van de voorgenomen sluiting van de Sjaloomschool en het signaal uit de media is er veelvuldig contact geweest vanuit de Inspectie van het Onderwijs met de school en het bestuur. De Inspectie is tevreden over de stappen die het bestuur sindsdien richting de school en ouders heeft gezet en ziet geen reden om handhavend op te treden.
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme geen rol mogen spelen in het toelatingsproces van basisscholen?
Ja. Discriminatie op basis van afkomst is in Nederland verboden. Afkomst mag nooit reden zijn om een kind de toegang tot een school te weigeren. Wat de intenties of afspraken ook waren in de geschetste situatie, het is hoe dan ook pijnlijk dat deze Katwijkse ouders en kinderen het zo hebben beleefd.
Een school mag alleen bij uitzondering om bepaalde redenen toelating weigeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om gebrek aan capaciteit.
Bijzondere scholen mogen onder strikte voorwaarden bij toelating tot of deelname aan het onderwijs onderscheid maken op basis van religie of levensovertuiging, voor zover een dergelijk onderscheid een relatie heeft met de grondslag van de school. Deze voorwaarden zijn neergelegd in met name artikel 7, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling.2
Worden signalen van discriminatie wegens een migratieachtergrond bij toelating tot het onderwijs actief gemonitord?
Meldingen van discriminatie en racisme worden door verschillende bevoegde instanties bijgehouden. Het College voor de Rechten van de Mens (CvdRM) en de antidiscriminatievoorzieningen, zoals bedoeld in de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen, maken in rapportages van ontvangen meldingen een uitsplitsing naar discriminatiegrond en het domein waarop dit zich afspeelt. Het College voor de Rechten van de Mens laat weten dat deze cijfers vanwege het zeer geringe aantal verzoeken om een oordeel over discriminatie in het onderwijs niet verder worden uitsplitst naar subcategorieën, zoals de toelating tot het onderwijs. De antidiscriminatievoorzieningen ontvingen in 2025 in totaal negen meldingen over discriminatie bij toelating tot onderwijs wegens een migratieachtergrond. De Inspectie van het Onderwijs blijkt vorig jaar 55 meldingen te hebben ontvangen over toelatingen in het primair onderwijs. Signalen over discriminatie ontvangt zij zelden.
Zo ja, heeft u concrete cijfers van meldingen van (vermoedens van) discriminatie bij toelatingen tot onderwijs, bijvoorbeeld via de inspectie, de ouders, het onderwijs of het College van de Rechten van de Mens?
Zie antwoord vraag 4.
Zo niet, bent u van plan om meldingen van discriminatie bij toelatingen tot onderwijs actief te monitoren?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u voornemens maatregelen te treffen om discriminatie van leerlingen bij toelating tot het onderwijs tegen te gaan? Zo ja, welke?
Er is voorzien in verschillende instrumenten om discriminatie, ook bij de toelating tot scholen, tegen te gaan. De betreffende wetgeving hierover is duidelijk. Daarnaast blijken de huidige instrumenten toereikend om vermoedens van discriminatie bij toelating tot het onderwijs aan te pakken.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om scholen te verplichten om in een openbaar register of op hun website actueel inzicht te geven in de beschikbare capaciteit per school of leerjaar, zodat voor ouders transparant is wanneer een school daadwerkelijk vol is en wordt voorkomen dat het argument van «geen beschikbare plaatsen» selectief wordt gebruikt?
Naar aanleiding van de motie Krul3 verkent het Ministerie van OCW of scholen verplicht kunnen worden het aantal beschikbare plaatsen openbaar te maken. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in de jaarlijkse Kamerbrief over passend en inclusief onderwijs.
Hoe weegt u de leerplicht en het recht op onderwijs tegenover het weigeren van leerlingen op basis van hun afkomst?
Het weigeren van leerlingen op grond van afkomst is discriminatie en niet toegestaan op grond van de Algemene wet gelijke behandeling.
Welke mogelijkheden hebben ouders wanneer zij vermoeden dat hun kind ongelijk wordt behandeld bij toelating tot een school?
Ouders hebben bij een dergelijk vermoeden veel mogelijkheden.
Met het wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs, dat momenteel aanhangig is bij uw Kamer, doet de regering voorstellen om de klachtenprocedure te herzien.
Hoe wordt toezicht gehouden op toelatingsbeleid van scholen, en welke rol speelt de Inspectie van het Onderwijs hierbij?
De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de naleving van de onderwijswetten. Het toezicht van de Inspectie op het toelatingsbeleid is signaalgericht. Als de Inspectie een melding krijgt van mogelijke discriminatie bij toelating, neemt zij contact op met het bestuur. Doorgaans merkt de Inspectie dat besturen de wettelijke vereisten respecteren bij het vormgeven van hun toelatingsbeleid. De Inspectie kan de melding nader onderzoeken en indien het bestuur de onderwijswetgeving niet heeft nageleefd ook handhaven. De inspectie stelt hierbij een wettelijke tekortkoming vast en geeft het bestuur de opdracht om dit te herstellen.
Samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs met o.a. de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS) |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Welke Nederlandse universiteiten en hogescholen hebben in het kader van het Europese Erasmus+ programma samengewerkt met de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS)?
Op basis van de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ op het openbare Erasmus+ Project Result Platform maak ik op dat de Universiteit Maastricht de enige instelling is die in het kader van het Erasmus+ programma heeft samengewerkt met de Iraanse instelling Tehran University of Medical Sciences (TUMS).
Hoe lang en in welke periode hebben deze samenwerkingen plaatsgevonden en zijn er Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs die op dit moment nog in enige vorm samenwerken met TUMS?
Uit de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ volgt dat de samenwerking van de Universiteit Maastricht en TUMS in het kader van het Erasmus+ programma drie jaar duurde: van halverwege januari 2020 tot halverwege januari 2023.
Of er Nederlandse instellingen zijn die buiten het kader van Erasmus+ op dit moment nog samenwerken met TUMS weet ik niet. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het maken van afwegingen over institutionele samenwerkingen. Ik verwacht dat instellingen daar op zorgvuldige wijze uitvoering aan geven.
Waren de samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse universiteiten in lijn met het sanctierecht van de Europese Unie gezien het feit dat de paramilitaire vrijwilligersorganisatie Student Basij Organisation (SBO) op Iraanse universiteiten als de «ogen en oren van het regime» fungeert en sinds 22 mei 2023 op een sanctielijst van de Europese Unie staat?
Het kabinet gaat niet in op individuele gevallen.
Kennisinstellingen zijn rechtstreeks gebonden aan de naleving van geldende sancties. In verschillende sanctieverordeningen zijn verboden opgenomen op samenwerking met gesanctioneerde personen en entiteiten. Ook wordt bij verschillende sanctiemaatregelen specifiek verwezen naar het verbod op het verlenen van technische bijstand voor specifieke goederen en technologie. Wanneer iets geldt als technische bijstand is door de Europese Commissie nader geduid in een formele opinie. Deze opinie bevat onder andere de toelichting dat ook het aanbieden van hoger onderwijs kan vallen onder de definitie van technische bijstand.
Sanctienaleving is voor kennisinstellingen niet eenvoudig. Daarom is er vanuit de rijksoverheid een aantal handvatten die zij kunnen gebruiken bij het vormgeven van hun interne processen. Zo bevat de nationale leidraad kennisveiligheid toelichting op het belang en de grondbeginselen van sanctienaleving en kunnen instellingen bij het loket kennisveiligheid terecht met vragen. Ook zijn er vanuit de Europese Commissie specifiek voor onderzoeksorganisaties richtsnoeren (Aanbeveling 2021/1700) ontwikkeld om hen te helpen om de risico’s in verband met deze producten en technologie in kaart te brengen, te beheren en te beperken en daarmee de naleving te bevorderen.
Welke Nederlandse universiteiten hebben een «ethische commissie» die samenwerkingsbanden van advies voorziet en bij welke universiteiten is de samenwerking met Tehran University behandeld of onderzocht en beoordeeld door een ethische commissie?
UNL heeft bij een eerdere uitvraag aangegeven dat elke universiteit beschikt over één of meerdere structuren die adviseren over ethische aspecten van het aangaan van onderzoekssamenwerkingen, zoals een ethische commissie. Ik heb geen inzicht in welke samenwerkingen zijn behandeld of beoordeeld want dit betreft een verantwoordelijkheid van de instellingen zelf.
Ik verwacht als Minister uiteraard wel dat kennisinstellingen dit zorgvuldig uitvoeren. Daarom verwacht ik van instellingen dat zij een aantal belangrijke uitgangspunten betrekken bij het inrichten van deze processen. Hierover heb ik uw kamer eerder geïnformeerd (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
In hoeverre hebben Nederlandse universiteiten de aanwezigheid van de Basij meegewogen in hun stappenplan voor «due dilligence» in het kader van het sluiten van hun overeenkomsten met TUMS?
Daar heb ik geen inzicht in, zie ook het antwoord op vraag 4.
Bij het maken van een eigen afweging kunnen instellingen uiteraard wel terecht bij het Loket Kennisveiligheid voor advies en informatie. In het geval van samenwerking met Iran wijst het loket uiteraard op het risico op ongewenste kennisoverdracht en het risico dat kennis en technologie voor onethische doeleinden kunnen worden gebruikt. Het is vervolgens aan de instelling zelf om te beoordelen of en onder welke voorwaarden zij een samenwerking aan kunnen gaan.
Klopt het dat de Universiteit Maastricht (UM) in 2022 n.a.v. de zogenoemde «Woman. Life. Freedom»-protesten de banden met TUMS niet beëindigde om de onderzoekers en studenten van deze instelling niet in de steek te laten? Graag een toelichting.
Ook hiervoor geldt dat het aan de instelling zelf is om dergelijke afwegingen te maken.
Is bij u bekend waarom het argument dat je «onderzoekers en studenten niet in de steek moet laten» blijkbaar geen rol speelde toen de Universiteit Maastricht in oktober 2025 besloot de samenwerking met de Hebrew University of Jerusalem op te schorten en hoe beoordeelt u dit verschil in benadering?
Instellingen hebben de vrijheid om hun samenwerkingen tegen het licht te houden, bijvoorbeeld naar aanleiding van geopolitieke verschuivingen. Dat geldt ook voor de Universiteit Maastricht. Ik heb de Universiteit Maastricht gevraagd om een toelichting.
De Universiteit Maastricht geeft aan dat het Toetsingskader Internationale Samenwerkingen en Kennisveiligheid medio 2023 is geïmplementeerd, en dat sinds april 2025 een Human Rights Advisory Committtee (HRAC) actief is. Het eerdergenoemde Erasmus+ programma werd afgerond voordat het kader of de commissie actief waren.
Het College van Bestuur neemt op basis van de adviezen van HRAC alleen besluiten over institutionele samenwerkingen. De instelling heeft nadrukkelijk geen zeggenschap over de samenwerking en uitwisseling van kennis tussen individuele wetenschappers en hun internationale collega’s, mits er geen beperkingen in het kader van kennisveiligheid van toepassing zijn. Dat geldt ook ten aanzien van individuele samenwerkingen met de wetenschappers van de Hebrew University of Jerusalem. Continuering van samenwerking tussen wetenschappers onderling, ook met wetenschappers afkomstig van een partnerinstelling waarmee het College van Bestuur de institutionele banden verbreekt, kan van cruciale waarde zijn. De Universiteit Maastricht noemt deze academische vrijheid onontbeerlijk.
Deze afwegingen sluiten aan bij de uitgangspunten voor beoordeling van internationale samenwerkingsverbanden die de Minister van OCW eerder met de kamer en de sector heeft gedeeld (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
Is bij u bekend of de zeker zeven Nederlandse universiteiten die in 2024–2025 hun samenwerking met Israëlische universiteiten of instellingen opgeschort of beëindigd hebben – vaak na advies van ethische commissies – in de afgelopen jaren ook de samenwerking met partners in andere landen dan Israël hebben opgeschort of beëindigd? Zo ja, om welke Nederlandse universiteiten en welke landen gaat het dan?
Nee. Zie voor toelichting het antwoord op vraag 2.
Deelt u de vrees dat als samenwerkingsbanden met Israëlische instellingen worden bevroren of stopgezet met verwijzing naar mogelijke mensenrechtenschendingen, maar mensenrechtenschendingen door regimes in andere landen niet leiden tot vergelijkbare maatregelen, dit een onrechtvaardig en/of discriminerend onderscheid maakt? Graag een toelichting.
Ik deel het belang van rechtvaardigheid en non-discriminatie in de totstandkoming van de afwegingen van instellingen. Tegelijkertijd hecht ik ook aan het belang van institutionele autonomie. Dit vormt ook onderdeel van de uitgangspunten voor het beoordelen van internationale samenwerkingsverbanden. Ik vertrouw erop dat kennisinstellingen hier zorgvuldig mee omgaan.
Bestaan er op dit moment uniforme sanctie- en compliancerichtlijnen voor het hoger onderwijs?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Kunt u aangeven waarom de naam van de Universiteit Maastricht en de naam van prof. dr. Anja Krumeich van de afdeling Health, Ethics and Society van de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences van de UM op dit moment nog steeds prominent vermeld staan als partner op de website van TUMS?
Zie ook het antwoord op vraag 6. De Universiteit Maastricht geeft aan dat deze vermelding niet in overleg met of met toestemming van de Universiteit Maastricht of van Prof. Dr. Krumeich op de website gekomen is. De samenwerking was ten einde in 2023, conform de afronding van het project.
De blokkade van middelbare scholen door Extinction Rebellion |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in Het Parool van 5 maart 2026, dat klimaatactivisten van Extinction Rebellion meerdere middelbare scholen in Amsterdam hebben geblokkeerd door schoolhekken met kettingen af te sluiten en sloten dicht te lijmen, waardoor leerlingen en personeel tijdelijk geen toegang hadden tot hun school?1
Ja.
Deelt u de mening dat het blokkeren van de toegang tot scholen en het verhinderen van onderwijs aan leerlingen een ernstige aantasting is van het recht op onderwijs en niets te maken heeft met demonstratierecht? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het onacceptabel wanneer leerlingen, leraren en andere schoolmedewerkers niet naar school kunnen vanwege een (poging tot) blokkade. Onderwijs is een grondrecht. Het onderwijs bereidt leerlingen voor op de toekomst, en juist daarom zou dat altijd ongehinderd mogelijk moeten zijn. Het is aan de scholen zelf om waar nodig aangifte te doen tegen de organisatoren van de demonstratie. Bij vermoedens van strafbare feiten adviseert het kabinet altijd om aangifte te doen.
Klopt het, dat door deze acties lesuren zijn uitgevallen en leerlingen geen onderwijs konden volgen? Hoeveel scholen en leerlingen zijn hierdoor geraakt?
Het is helaas zo dat niet alle scholen hun volledige lesdag hebben kunnen draaien. Bij de Inspectie van het Onderwijs zijn geen signalen ontvangen. Mede daardoor is niet goed te duiden hoeveel leerlingen door de actie zijn geraakt.
Is onderzocht of door het afsluiten en dichtlijmen van schoolhekken ook nooduitgangen of vluchtroutes zijn geblokkeerd en daarmee mogelijk levensgevaarlijke situaties voor leerlingen en personeel zijn ontstaan? Zo nee, waarom niet?
Scholen hebben een zorgplicht voor de fysieke veiligheid van leerlingen en medewerkers. Daartoe zijn er regels als het gaat over bijvoorbeeld brandveiligheid en vluchtgevaar. Ik kan niet beoordelen in hoeverre er gevaarlijke situaties zijn ontstaan.
Is de Minister bereid maatregelen te nemen, om te voorkomen dat scholen en leerlingen opnieuw doelwit worden van activistische blokkades? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven hoe de materiele schade aan de scholen wordt verhaald?
Daar waar scholen zorgen hebben over de veiligheid is het aan de scholen om, samen met politie en gemeente, passende maatregelen te nemen. Het is tevens aan de scholen om te besluiten om eventuele materiële schade te verhalen op de vermeende daders.
Kunt u aangeven welke maatregelen u tegen de directrice van kunstschool IVKO neemt, die de actie van Extition Rebellion om kinderen van onderwijs te onthouden juist toejuicht?
Het staat de directrice van de school vrij om een mening te geven. In de beantwoording van deze vragen klinkt mijn standpunt helder door. Het belangrijkste is dat onderwijs altijd doorgang kan vinden. Verder is het aan de inspectie om toezicht te houden op de wijze waarop de school wet- en regelgeving toepast.
Scholen voor voortgezet onderwijs die donderdag 5 maart zijn geblokkeerd door activisten van Extinction Rebellion |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat activisten van Extinction Rebellion donderdag 5 maart meer dan dertig Amsterdamse middelbare scholen hebben afgesloten door kettingen aan hekken te hangen en/of sloten onklaar te maken?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat in veel gevallen de politie moest komen om de deuren open te krijgen, dat meerdere scholen lessen dus moesten laten vervallen, en kinderen dus geen onderwijs konden krijgen?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen. Inderdaad konden niet alle scholen hun volledige lesdag draaien.
Deelt u de mening dat dit onacceptabel, abject en verwerpelijk is en moet worden ontmoedigd, (moreel) veroordeeld, vervolgd en bestraft? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onderwijs is een grondrecht. Het onderwijs bereidt leerlingen voor op de toekomst, en juist daarom zou dat altijd ongehinderd mogelijk moeten zijn. Ik vind het dan ook onacceptabel wanneer leerlingen en medewerkers niet naar school kunnen vanwege een gepoogde blokkade. Het is aan de scholen zelf om waar nodig aangifte te doen tegen de organisatoren van de demonstratie. Bij vermoedens van strafbare feiten adviseert het kabinet altijd om aangifte te doen. Het is vervolgens aan het Openbaar Ministerie (OM) en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Deelt u de mening dat de schade moet worden verhaald op de daders, zodat scholen en de overheid niet opdraaien voor deze kosten, en om ervoor te zorgen dat dergelijke praktijken niet worden aangemoedigd?
Het is aan de scholen zelf om te besluiten om over te gaan tot aangifte, evenals het verhalen van eventuele materiële schade op de vermeende daders. Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Om schade te kunnen verhalen moet wel duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat meerdere scholen aangifte hebben gedaan?
Ja, ik heb de berichtgeving gelezen.
Kunt u aangeven welke wetten bij deze actie zijn overtreden? In hoeverre is het strafbaar om kinderen te verhinderen om naar school te kunnen gaan?
Het recht op onderwijs is in Nederland verankerd in artikel 23 van de Grondwet. Of en zo ja welke wetten worden overtreden wanneer iemand dit recht inperkt is afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden van het individuele geval; die beoordeling is aan het OM.
Het Wetboek van Strafrecht kent geen zelfstandige bepaling die het verhinderen van kinderen om naar school te kunnen gaan als zodanig strafbaar stelt. In hoeverre dit onder een andere strafbepaling zou kunnen vallen is eveneens afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden en in de eerste plaats ter beoordeling van het OM.
In hoeverre kan de organisatie Extinction Rebellion uit wier naam deze acties worden gevoerd verantwoordelijk worden gesteld voor de schade en/of vervolgd voor dergelijke acties?
Opgemerkt zij dat Extinction Rebellion geen rechtspersoon is. De bepalingen die een rechtspersoon rechten en verplichtingen toekennen (artikel 2:5 Burgerlijk Wetboek) en die het aanmerken van een rechtspersoon en als zodanig strafrechtelijk vervolgen van die rechtspersoon (artikel 51 Wetboek van Strafrecht) mogelijk maken, zijn dan ook niet van toepassing. In het geval van Extinction Rebellion zullen voor het verhalen van schade en eventuele strafrechtelijke vervolging dus steeds de verantwoordelijke natuurlijke personen moeten worden geïdentificeerd.
Op welk moment kan een organisatie die structureel ertoe aanzet om wetten te overtreden, worden aangemerkt als een criminele organisatie en als zodanig worden vervolgd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Artikel 140 Wetboek van Strafrecht stelt de deelname aan een criminele organisatie strafbaar. Deze wetgeving is gericht op de bescherming van onze samenleving tegen het gevaar dat uitgaat van criminele organisaties. Om te kunnen worden aangemerkt als een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht moet het oogmerk van de organisatie gericht zijn op het plegen van misdrijven. De afweging of hier sprake van is, is uiteindelijk aan de rechter.
Deelt u de opvatting dat klimaatactivisten voor ontwrichtende acties niet anders behandeld zouden mogen worden dan anderen op grond van hun activistisch oogpunt?
Ja. Demonstranten dienen zich aan de wet te houden. Tegen demonstranten die de wet overtreden door het plegen van geweld of vernielingen kan strafrechtelijk opgetreden worden.
Het bericht ‘Bijna helft van docenten heeft te maken met fysiek geweld door leerlingen en ouders: Tijdens zwangerschap in mijn buik getrapt’ |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Erkent u dat uit het onderzoek van EenVandaag en CNV blijkt dat bijna de helft van de docenten te maken heeft gehad met fysiek geweld en dat dit dus geen uitzondering meer is maar een structureel probleem?1
Ik heb kennis genomen van het onderzoek en betreur dat bijna de helft van de docenten die hebben gereageerd, aangeven dat ze te maken hebben gehad met fysiek geweld. Ik vind elke vorm van geweld tegen docenten onacceptabel.
Hoe verklaart u dat leraren in Nederland, één van de rijkste en best georganiseerde landen ter wereld, niet eens veilig hun werk kunnen doen?
Verreweg de meeste scholen slagen er in om een veilig schoolklimaat te creëren, ondanks dat verruwing in de samenleving en in de wijken ook de school binnenkomt. Uit de laatste Landelijke Veiligheidsmonitor po/vo blijkt dat in schooljaar 2021/2022 3 procent van het po-personeel eenmaal per maand of vaker fysiek geweld heeft meegemaakt (een lichte stijging ten opzichte van het jaar ervoor). Voor vo-personeel is dat 1 procent, wat geen significante stijging is ten opzichte van het jaar ervoor.2 Maar laat er geen twijfel over bestaan: elk geval van geweld tegen onderwijspersoneel is er één te veel. Leraren en overig onderwijspersoneel moeten het werk altijd op een veilige manier kunnen uitvoeren.
Deelt u de mening dat geweld tegen docenten automatisch moet leiden tot aangifte en stevige sancties, in plaats van interne afhandeling of het bagatelliseren van incidenten? Zo nee, waarom niet?
De school moet een veilige plek zijn om te leren én te werken. Daarom roept het kabinet schoolbesturen ook op om altijd aangifte te doen bij een vermoeden van een strafbaar feit. Dat kan een schoolbestuur ook doen namens een slachtoffer. Het bagatelliseren of in de doofpot stoppen van incidenten is uiteraard geen goede werkwijze; een schoolbestuur verzaakt dan zijn zorgplicht voor een veilige werkomgeving. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wet- en regelgeving en kan besturen sanctioneren indien zij hun zorgplicht onvoldoende invullen.
Het zorgdragen voor een veilige omgeving voor personeel, leerlingen en studenten is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van scholen en schoolbesturen. Stichting School & Veiligheid biedt scholen en besturen hierbij ondersteuning, niet alleen met handreikingen, maar ook met een adviespunt en een 24/7 calamiteitenteam.
Het kabinet zet in op de goede randvoorwaarden voor veilig onderwijs. Zo ligt op dit moment het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs in de Tweede Kamer. Met dit wetsvoorstel krijgen scholen beter zicht op veiligheid, worden slachtoffers beter ondersteund als zich een incident voordoet en zorgen we dat scholen hun veiligheidsbeleid beter coördineren en evalueren, bijvoorbeeld door een vertrouwenspersoon en veiligheidscoördinator aan te stellen. De beoogde inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is 1 augustus 2027.
Wat gaat u concreet en aantoonbaar doen tegen schoolbesturen die geweldsincidenten in de doofpot stoppen of hun docenten na bedreiging en mishandeling in de steek laten en welke sancties volgen als zij hun wettelijke zorgplicht niet nakomen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe kan het dat docenten die aangifte willen doen, soms worden afgeremd door hun eigen schoolbestuur uit angst voor imagoschade of minder aanmeldingen en vindt u dat acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Als onderwijspersoneel zich niet veilig voelt om aangifte te doen dan is dat onacceptabel. De angst voor imagoschade mag daarbij geen rol spelen. Het aanstellen van een vertrouwenspersoon kan bijdragen aan de meldingsbereidheid, want een vertrouwenspersoon is er voor om slachtoffers van incidenten bij te staan. Met het al genoemde Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt het aanstellen van een interne én een externe vertrouwenspersoon verplicht. Ik roep besturen op om meldingen altijd serieus op te pakken en om altijd aangifte te doen bij vermoedens van strafbare feiten. Dat mag ook namens een medewerker.
Bent u bereid om te onderzoeken of definitieve verwijdering van gewelddadige leerlingen sneller en consequenter moet worden toegepast, zodat de veiligheid van personeel voorop komt te staan? Zo nee, waarom niet?
Er is geen plek voor agressie in het onderwijs. Elke vorm van geweld, intimidatie of ander ongewenst gedrag is wat mij betreft onacceptabel. Het is nu ook al mogelijk om leerlingen te schorsen of in het zwaarste geval te verwijderen van school. Ook kan ouders de toegang tot de school worden ontzegd. Bij vermoedens van strafbare feiten is aangifte doen ontzettend belangrijk. Een besluit tot schorsing of verwijdering is aan de school. Stichting School & Veiligheid heeft expertise op dit vlak en ondersteunt scholen hierbij. Ik acht het dan ook niet nodig om hier onderzoek naar te doen, en vind het veel belangrijker dat scholen de weg naar goede ondersteuning weten te vinden
Bent u zich ervan bewust dat in een tijd van historisch lerarentekort bijna een kwart van de docenten overweegt het onderwijs te verlaten, mede door geweld en bedreigingen en begrijpt u dat het huidige, halfzachte optreden direct bijdraagt aan het verder leeglopen van onze scholen? Zo nee, hoe kunt u dit falen nog langer ontkennen? Zo ja, welke harde, concrete maatregelen worden op zeer korte termijn genomen om leraren daadwerkelijk te beschermen en wanneer zien we daar resultaat van?
Ik vind het buitengewoon ernstig dat docenten en ander onderwijspersoneel enige vorm van fysiek geweld ervaren en daarbovenop, dit niet altijd kunnen melden. Ieder incident is er één te veel. Het is belangrijk dat schoolbesturen achter hun personeel staan, incidenten serieus nemen en waar nodig aangifte doen. Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs komt het kabinet met een stevig en omvattend pakket maatregelen om de veiligheid op scholen verder te vergroten. Dat wetsvoorstel bespreek ik binnenkort met uw Kamer. En hoewel het wetsvoorstel nog niet in werking is getreden, roep ik schoolbesturen op om nu al aan de slag te gaan met de maatregelen uit het wetsvoorstel. Zo kunnen scholen alvast beginnen met het registreren van alle veiligheidsincidenten en het melden van ernstige feiten bij de inspectie. Ook kunnen ze alvast aan de slag met het aanstellen van vertrouwenspersonen.
De financiële envelop voor onderwijs |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Mikal Tseggai (PvdA), Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Erkent u dat de verdeling van de envelop voor onderwijs al klaar is, zoals valt te lezen in de beslisnota horende bij de beantwoording van de feitelijke vragen over het coalitieakkoord «Aan de slag», maar dat deze van de Minister van Financiën niet mag worden gedeeld met de Kamer? Zo ja, waarom mag deze informatie niet met de Kamer worden gedeeld? Kunt u deze verdeling alsnog aan de Kamer doen toekomen?1
Bureau Kabinetsformatie heeft op 30 januari 2026 de verdeling van de investeringen op het terrein van OCW gedeeld met de Ministeries van OCW en Financiën. In de beantwoording van de feitelijke vragen over het coalitieakkoord is toegezegd dat wij uw Kamer nog verder informeren over deze verdeling, omdat de precieze invulling van deze envelop nog extra uitwerking vereist. Er wordt onder andere nog gekeken naar de uitvoerbaarheid, de randvoorwaarden, de kosten van de uitvoering van de maatregelen die niet in de budgettaire tabel staan, de doelmatigheid, de verdeling tussen sectoren en instrumenten en de financiële doorrekening. Daarmee kan het uiteindelijke voorstel zoals wij dat aan uw Kamer zullen sturen met onze beleidsbrief afwijken van de tabel zoals die door Bureau Kabinetsformatie is verstrekt. Deze beleidsbrief bevat informatie van het kabinet over de uitwerking van de plannen uit het coalitieakkoord, de brief ontvangt uw Kamer in april.
De tabel zoals deze is opgesteld door Bureau Kabinetsformatie is hieronder toegevoegd. Deze tabel is in lijn met de ambities van het coalitieakkoord. Het gaat hier deels om het een-op-een volledig terugdraaien van de bezuinigingen van kabinet Schoof. Daarbij is het mogelijk dat sommige teruggedraaide bezuinigingen terugkeren in een nieuwe vorm met een ander instrument. Daarnaast gaat het om nieuwe investeringen op de OCW-begroting voor het onderwijs, wetenschap en media.
Terugdraaien bezuiniging beperken school en omgeving
120.615
120.615
120.615
120.615
120.615
Herstellen en hervormen brede brugklassubsidie
57.686
57.686
57.686
57.686
57.686
Terugdraaien SPUK-korting (oa GOAB en VSV/RMC)
85.296
85.296
85.296
85.296
85.296
Doorzetten regionaal investeringsfonds mbo
14.600
34.609
33.667
28.526
28.526
Meer tijd voor schoolontwikkeling op teamniveau
350.000
350.000
350.000
350.000
350.000
Verhogen uitwonende basisbeurs met 110 mln.
5.000
25.000
45.000
110.000
Maximeren rente studiefinanciering op 2,5%
40.000
Bevordering zij-instroom
79.324
88.074
88.074
88.074
88.074
Beter en regelmatig inspectietoezicht
5.000
11.000
21.000
30.000
Intensivering Fonds onderzoek en wetenschap via bestaand instrumentarium (sectorplannen, praktijkgericht onderzoek, onderzoeksinfrastructuur en Europese samenwerking)
224.479
332.720
370.662
447.803
433.803
Taakstellende intensivering lumpsum internationalisering (verhoging bedrag per student)
68.000
121.000
158.000
156.000
156.000
Terugdraaien verlaging rijksmediabijdrage landelijke publieke omroep
45
45
45
45
45
Versterking van persveiligheid en -vrijheid
5
5
5
5
5
Klopt het dat het geld dat naar Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) gaat in de jaren 2027, 2028, 2029 en 2030 de bezuinigingen van kabinet Schoof niet dekken? Klopt het dat er de facto dan alsnog bezuinigd wordt op de begroting van OCW gezien er sprake is van een netto-krimp? Klopt het dat de uitspraak «we gaan investeren in onderwijs» van het lid Paternotte dan feitelijk onjuist is?2, 3, 4
Een deel van de bezuinigingen van kabinet Schoof is eerder teruggedraaid met de amendementen Bontenbal c.s.5 en Eerdmans c.s.6 Zoals in de tabel met de verdeling van de envelop bij vraag 1 te lezen is, heeft kabinet Jetten ervoor gekozen om naast het terugdraaien van een deel van de bezuinigingen ook nieuwe investeringen te doen. In totaal wordt structureel € 1,55 miljard geïnvesteerd door kabinet Jetten op de OCW-begroting. In onderstaande tabel is te zien dat het positieve saldo van intensiveringen en extensiveringen van kabinet Jetten groter is dan het negatieve saldo op de OCW-begroting van kabinet Schoof. Dat geldt voor de jaren 2027 t/m 2030 en structureel. De reeksen van kabinet Schoof zijn de nettoreeksen na de verwerking van de eerdergenoemde amendementen Bontenbal c.s. en Eerdmans c.s.
Bij de hoogte van de prijsbijstelling in 2025 zij aangetekend dat de prijsbijstelling bij Voorjaarsnota 2025 met de helft is gekort vóórdat deze werd toegevoegd aan de departementale begrotingen. Deze korting is niet verwerkt in onderstaande tabel. Ook met deze korting is het positieve saldo van intensiveringen en extensiveringen van kabinet Jetten groter dan het negatieve saldo op de OCW-begroting van kabinet Schoof.
– 1.126.000
– 1.265.000
– 1.357.000
– 1.373.000
– 1.278.000
1.437.000
187.500
168.000
156.000
141.000
– 25.000
– 30.000
– 64.000
– 112.000
– 112.000
1.050.000
1.250.000
1.350.000
1.450.000
1.550.000
Bedragen x € 1.000
De totale hoogte van de OCW-begroting wordt ook bepaald door andere factoren. Zo zijn er jaarlijks mee- en tegenvallers, waaronder de jaarlijkse autonome raming van leerling- en studentenaantallen. Ook is er sprake van structurele krimp van de leerling- en studentenaantallen en wordt er soms ook binnen de OCW-begroting omgebogen ten behoeve van tegenvallers binnen de OCW-begroting of rijksbrede tegenvallers. Daarnaast wordt er in principe ook jaarlijks loon- en prijsbijstelling toegevoegd aan de OCW-begroting, deze was bij Voorjaarsnota 2025 structureel € 2,1 miljard. Voor de vergelijking van intensiveringen en bezuinigingen door twee kabinetten zijn deze factoren niet meegenomen in bovenstaande vergelijking tussen de kabinetten Schoof en Jetten.
Gezien er te weinig geld gaat naar de begroting van OCW om alle bezuinigingen van het kabinet Schoof terug te draaien, kunt u puntsgewijs per bezuiniging aangeven of deze helemaal, gedeeltelijk of niet wordt teruggedraaid:
Zoals af te lezen is uit de tabel bij vraag 1 draait het kabinet een aantal bezuinigingen terug (zowel uit het Hoofdlijnenakkoord als de verwerking van de ingediende amendementen Bontenbal c.s. en Eerdmans c.s.). Daarnaast is ervoor gekozen om ook nieuwe investeringen te doen. Over de invulling en verdeling wordt u geïnformeerd bij de beleidsbrief.
Wanneer er bij de vorige vraag sprake is van gedeeltelijk of niet terugdraaien van de voorgenomen bezuiniging, kunt u motiveren waarom u hiervoor kiest?
Het wel of niet (geheel) terugdraaien van bezuinigingen en de keuze voor nieuwe investeringen, zoals weergegeven in de tabel bij vraag 1, zijn de uitkomst van keuzes tijdens de formatie. Uw Kamer wordt geïnformeerd over de specifiekere uitwerking van de investeringsenvelop met de beleidsbrief.
Welk deel van de middelen in de envelop onderwijs is gereserveerd voor het verhogen van de uitwonende basisbeurs? Met welk bedrag gaat de uitwonende beurs per maand omhoog en per wanneer?
Zoals in de tabel bij vraag 1 te zien is wordt er structureel een bedrag van € 110 miljoen gereserveerd voor het verhogen van de uitwonendenbeurs. Momenteel wordt de precieze invulling nog uitgewerkt.
Welk deel van de middelen in de envelop onderwijs is gereserveerd voor nieuwe beleidsposten op de OCW-begroting? Welke nieuwe beleidsposten zullen dit zijn?
De volgende posten uit de tabel bij vraag 1 bevatten (deels) nieuwe beleidsposten:
Kunt u deze vragen met spoed maar in ieder geval binnen drie weken beantwoorden zodat de Kamer goed geïnformeerd het debat kan voeren?
Ja.
De reorganisaties aan de Nederlandse universiteiten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de reorganisaties aan de Nederlandse universiteiten de afgelopen (vijf) jaren?
Ja, ik ben ermee bekend dat diverse Nederlandse universiteiten reorganisaties hebben aangekondigd in recente jaren.
Weet u wellicht ongeveer hoeveel academici daarbij hun baan hebben verloren en kunt u daarvan een overzicht verschaffen per vakgebied?
Nee, deze informatie is bij mij niet bekend. Ik beschik niet over een overzicht van reorganisaties en ontslagen aan kennisinstellingen. UNL geeft aan dat het uiteindelijke aantal gedwongen ontslagen als gevolg van recente reorganisaties beperkt lijkt te blijven vanwege natuurlijk verloop, mobiliteit en individuele afspraken. Wel wijst UNL op een verlies aan fte’s voor ondersteunende en wetenschappelijke taken. UNL kan niet aangeven om hoeveel fte’s het gaat. Op verschillende plekken is er sprake van een vacaturestop.
Beseft u dat met het ontslag van deze academici veel kennis voor de Nederlandse universiteiten en wetenschap verloren dreigt te gaan en beseft u ook hoeveel manjaren en miljoenen euro’s aan investeringen met het ontslag van deze academici verloren gaan?
Ik besef dat er door ontslag van academici bij een reorganisatie kennis en kunde verloren kan gaan. Tegelijkertijd kunnen vertrekkende academici hun opgedane kennis en kunde elders in de samenleving inzetten. Daarnaast kunnen universiteiten borgingsmaatregelen nemen om de negatieve gevolgen zoveel mogelijk te beperken.
Beseft u dat daarmee ook de positie van Nederland in internationale netwerken wordt verzwakt?
Zoals eerder benoemd, geeft UNL aan dat het aantal gedwongen ontslagen beperkt lijkt te blijven. Los daarvan kunnen de bezuinigingen op onderzoek en wetenschap van het vorige kabinet een rol spelen in de internationale positie van Nederland. Met de investeringen van het nieuwe kabinet in onderzoek en wetenschap hoop ik hierin het tij te keren.
Bent u bekend met het Tulp Fonds van De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) dat (onder andere) als doel heeft wetenschappers die in het buitenland zijn ontslagen naar Nederland te halen?
Ja. Mijn ambtsvoorganger heeft NWO vorig jaar gevraagd om het Tulp Fonds op te richten vanwege geopolitieke ontwikkelingen in relatie tot de wereldwijde strijd om talent. Het doel van het fonds is het aantrekken van internationale topwetenschappers op terreinen die van evident belang zijn voor Nederland en Europa. Hiermee draagt het instrument bij aan de strategische autonomie, het concurrentievermogen en de weerbaarheid van Nederland en Europa. Uw Kamer is op 20 maart 2025, 10 juli 2025, 30 oktober 2025 en 9 december 2025 over het Tulp Fonds geïnformeerd.1 Niet alleen Nederland zet nu extra in op het aantrekken van internationaal wetenschappelijk talent, ook de Europese Unie en een aantal landen om ons heen zoals Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland doen dit.
Bent u het ermee eens dat voordat een dergelijk fonds wordt ingezet om bedreigde buitenlandse wetenschappers naar Nederland te halen, beter eerst kan worden ingezet om ontslagen Nederlandse wetenschappers voor de wetenschap in ons land te behouden? Ze nee, waarom niet?
Ons land kent wetenschap van topniveau en is rijk aan excellente onderzoekers. Om dat zo te houden, moeten we wetenschappelijk talent aantrekken, behouden en ontwikkelen, van eigen bodem én van over de grens. Talent uit eigen land draagt bij aan het behoud van gespecialiseerde kennis, continuïteit in wetenschappelijk onderzoek en aandacht voor lokale vraagstukken. Buitenlands talent zorgt voor nieuwe perspectieven en toegang tot internationale netwerken en in het buitenland ontwikkelde kennis. De hoge kwaliteit van de Nederlandse wetenschap wordt in verband gebracht met een goede inbedding in de internationale onderzoeksgemeenschap en toegang tot internationale infrastructuren.2 Met het Tulp Fonds wordt ingespeeld op een kans die zich vanwege geopolitieke ontwikkelingen voordoet. Juist omdat de kennisinstellingen niet het vermogen hadden om hier zelf op in te spelen, lag er een rol voor mijn ministerie. Op dit moment is de uitwerking van het Tulp Fonds nog niet bekend. Kennisinstellingen kunnen tot 31 maart 2026 voordrachten indienen. Ik ben blij dat het huidige kabinet ervoor kiest om te investeren in onderzoek en wetenschap, waardoor de kennisinstellingen weer meer ruimte krijgen voor het aantrekken, ontwikkelen en behouden van talent. De verantwoordelijkheid om deze ruimte in te vullen ligt primair bij de kennisinstellingen in hun rol als werkgever.
Hoe rechtvaardigt u dan het ontslaan van Nederlandse wetenschappers terwijl tegelijkertijd met Nederlands belastinggeld wetenschappers die in het buitenland zijn ontslagen naar Nederland worden gehaald?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Meerdere talen in de schoolklas |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Meerdere talen in de klas is goed voor de leerling. Maar gaat dat niet ten koste van het Nederlands»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Hoe verzoent u dit beleid met het fundamentele belang dat alle leerlingen het Nederlands volledig leren beheersen?
Voor mij staat voorop dat alle leerlingen goed leren lezen, schrijven en rekenen in het Nederlands. Dit is de basis die nodig is om mee te kunnen doen in de samenleving. Tegelijkertijd hebben alle leraren één of meer leerlingen in de klas die thuis een andere taal dan het Nederlands spreken. Dit stelt leraren voor een extra uitdaging. Om die reden heeft de voormalig Minister van OCW de Onderwijsraad gevraagd te adviseren over hoe leraren kunnen omgaan met talige diversiteit in de klas. De Onderwijsraad adviseert op basis van wetenschappelijk onderzoek om kennis en vaardigheden in een eerder geleerde taal te benutten om de Nederlandse taalvaardigheid van leerlingen te versterken.2 Dit sluit aan bij de nieuwe kerndoelen en eindtermen Nederlands, waarin is opgenomen dat er ruimte moet zijn voor thuistalen, waaronder ook streektalen en dialecten.3 Onderzoekers en experts op het gebied van meertaligheid onderschrijven dat dit een effectieve interventie kan zijn.4 Een voorwaarde is wel dat de school dit evidence-informed doet.5 De Onderwijsraad adviseert om scholen hierbij te ondersteunen met professionalisering, expertise en handreikingen. In de beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad staat beschreven hoe het Masterplan basisvaardigheden en het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) hierin voorzien.6
«Ruimte bieden aan thuistalen» betekent voor leraren dat ze gewoon onderwijs in de Nederlandse taal geven. Het gaat erom dat leraren een thuistaal niet als een belemmering zien, maar als een mogelijk hulpmiddel voor het leren van en in het Nederlands. Onderzoek laat zien dat dit een positieve invloed heeft op de leerresultaten en het welbevinden van leerlingen.7 Uiteraard is het aan schoolleiders en leraren zelf om hiervoor een evidence-informed aanpak te kiezen. Er is geen wetenschappelijk bewijs dat het benutten van een eerder geleerde taal in het onderwijs het risico op onderwijsachterstanden vergroot.8
Bent u bereid toe te geven dat het stimuleren van thuistalen het risico op onderwijsachterstanden kan vergroten? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe voorkomt u dat uw beleid het gedrag van ouders, die stelselmatig thuis Nederlands weigeren te spreken, beloont en dat kinderen op school niet voldoende Nederlands leren?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe waarborgt u dat dit beleid de werkdruk van leraren niet onacceptabel verhoogt en de kwaliteit van het onderwijs niet schaadt?
Op bijna alle scholen zitten kinderen die van huis uit (ook) een andere taal dan het Nederlands spreken. Leraren zijn op zoek naar manieren om deze leerlingen zo goed mogelijk te begeleiden in hun ontwikkeling. Het is effectief gebleken om de thuistaal van leerlingen als hulpmiddel in te zetten om een leerling op weg te helpen. Uit nationaal en internationaal onderzoek blijkt dat hiervoor geen ingewikkelde interventies nodig zijn.9 Er zijn laagdrempelige manieren die al een positief effect hebben. Voorbeelden hiervan zijn om vertaalapps te gebruiken of om een meertalige bibliotheek in te richten, zodat leerlingen het boek dat op school wordt voorgelezen, in de thuistaal mee naar huis kunnen nemen. Leerlingen doen op die manier thuis voorkennis op van het verhaal. Op school kunnen ze zich dan focussen op de Nederlandse taal. Dit helpt de leerling bij het leren van en in het Nederlands.
Hoe voorkomt u dat dit beleid bijdraagt aan een gefragmenteerde multiculturele samenleving?
Het kan juist positief bijdragen aan integratie als leerlingen hun thuistaal als hulpmiddel mogen gebruiken om nieuwe lesstof te leren in de Nederlandse taal. De Onderwijsraad geeft hier twee redenen voor. Ten eerste leren leerlingen de Nederlandse taal sneller als zij hun thuistaal als opstapje mogen gebruiken. Dit is belangrijk om segregatie tegen te gaan. Ten tweede voelen leerlingen zich meer verbonden met de school als hun thuistaal wordt gewaardeerd. Dit zorgt ervoor dat leerlingen zich eerder openstellen voor hun klasgenoten in plaats van dat zij zich terugtrekken in groepjes.10
Is het, volgens u, verantwoord dat leerlingen minder tijd besteden aan kernvakken zoals Nederlands en rekenen, omdat scholen verplicht worden aandacht te geven aan meerdere thuistalen? Zo nee, welke alternatieve richtlijnen gaat u geven aan scholen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat het Nederlands de hoofdtaal blijft en dat alle kinderen voldoende taalvaardigheid ontwikkelen, ongeacht hun thuistaal?
Het is wettelijk bepaald dat Nederlands de hoofdtaal van het onderwijs is. Scholen moeten de Nederlandse taalvaardigheid van leerlingen optimaal bevorderen. Het Masterplan basisvaardigheden heeft als doel zowel de Nederlandse taal, als rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid van alle leerlingen te verbeteren. Scholen ontvangen structurele bekostiging en krijgen inhoudelijke begeleiding van onderwijscoördinatoren. Het programma ondersteunt scholen daarnaast om evidence-informed te werken, zodat zij een onderbouwde aanpak kiezen waarmee zij resultaten kunnen boeken. In lijn hiermee geef ik prioriteit aan de implementatie van het nieuwe curriculum voor het funderend onderwijs, waarin de basisvaardigheden een centrale plek hebben. Leerlingen lezen, schrijven en rekenen niet meer alleen tijdens de les begrijpend lezen of wiskunde, maar bij alle vakken.
Politieke beïnvloeding en eenzijdige ideologische sturing in het voortgezet onderwijs |
|
René Claassen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de via LinkedIn verspreide oproep «Docenten: Vertel Palestijnse Verhalen!», waarin wordt gesteld dat sprake zou zijn van een «koloniale politiek van vernietiging en plundering» door Israël en waarin docenten in het voortgezet onderwijs worden opgeroepen hun curriculum aan te passen op basis van het boek «Teaching Palestine: Lessons, Stories, Voices»(2025)?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de opvatting dat het gebruik van expliciet normatieve en politiek geladen kwalificaties in onderwijsbijeenkomsten, georganiseerd voor docenten in het voortgezet onderwijs, spanning kan opleveren met eisen aan pluriformiteit, academische zorgvuldigheid en politieke neutraliteit in het funderend onderwijs?
Ik deel deze opvatting niet. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt van scholen dat ze kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in levensovertuiging en politieke gezindheid. Daarbij past het om leerlingen over verschillende perspectieven te onderwijzen.
Dat soort perspectieven kunnen een zekere normatieve of politieke geladenheid met zich meebrengen. Dat brengt voor scholen de extra verantwoordelijkheid met zich mee om evenwicht aan te brengen in de verschillende en soms tegengestelde perspectieven. Bovendien is het ook een verantwoordelijkheid van het onderwijs om scholieren en studenten te stimuleren om zelf kritisch na te denken over de eigen perspectieven. Ik vertrouw erop dat scholen deze verantwoordelijkheid serieus nemen en op een professionele manier omgaan met de ruimte die ze daarbij hebben.
Kunt u aangeven in hoeverre dergelijke bijeenkomsten, georganiseerd aan de Universiteit Leiden, passen binnen de wettelijke kaders voor burgerschapsonderwijs?
De wettelijke burgerschapsopdracht ziet toe op het onderwijs dat op scholen in het primair en voortgezet onderwijs gegeven wordt. Universiteitsbijeenkomsten vallen buiten de reikwijdte van de wettelijke burgerschapsopdracht.
Hoe beoordeelt u het feit dat een betrokkene bij deze activiteiten tevens functies vervult binnen de lerarenopleiding (ICLON/Universiteit Leiden), binnen ProDemos en binnen de sectie maatschappijkunde en maatschappijwetenschappen bij SLO?
In algemene zin vind ik het getuigen van actieve participatie als een betrokken docent meerdere rollen binnen en flankerend aan het onderwijs vervult.
Acht u het wenselijk dat één persoon vanuit meerdere institutionele posities invloed kan uitoefenen op curriculumontwikkeling, docentprofessionalisering en burgerschapsvorming, in het bijzonder rond een gevoelig thema, dat forse invloed heeft op de lespraktijk?
Zo lang personen blijven binnen de relevante wettelijke kaders, bijvoorbeeld ten aanzien van het burgerschapsonderwijs, zie ik geen bezwaren tegen betrokkenheid bij zowel curriculumontwikkeling, als docentprofessionalisering en burgerschapsonderwijs. Het proces bij zowel curriculumontwikkeling, docentprofessionalisering als burgerschapsonderwijs is gedegen ingericht en kent voldoende waarborgen om te voorkomen dat een enkel dominant is.
Welke waarborgen bestaan er om belangenverstrengeling, netwerkcorruptie of eenzijdige ideologische beïnvloeding bij curriculumontwikkeling en docentprofessionalisering te voorkomen, met name wanneer het gaat om gevoelige internationale conflicten?
Bij de actualisatie van het curriculum wordt altijd een zorgvuldig proces doorlopen waarbij veel leraren, vakexperts, scholen en schoolleiders betrokken zijn. De recent ontwikkelde conceptkerndoelen zijn door leraren en lerarenteams door heel Nederland van feedback voorzien. Het ontwikkelteam heeft de feedback gewogen en verwerkt in de opgeleverde kerndoelen. Dat maakt dat er nu een gebalanceerd en weloverwogen curriculum ligt dat op breed draagvlak kan rekenen en dat niet eenzijdig ideologisch beïnvloed is.
Lerarenopleidingen bepalen de inhoud van hun onderwijsaanbod op basis van de landelijke kennisbases die hogescholen gezamenlijk met elkaar hebben geformuleerd. Bij de formulering van deze kennisbases worden ook diverse experts en onderwijsprofessionals geraadpleegd.
In hoeverre worden binnen door OCW gefinancierde of erkende instellingen richtlijnen gehanteerd om te voorkomen dat eenzijdige politieke framing van internationale conflicten structureel wordt geïntegreerd in lesmateriaal en/of docententrainingen? Bent u bereid richtlijnen waar nodig te ontwikkelen of te verscherpen?
Scholen zijn vrij om (internationale) conflicten in het onderwijs te benaderen op een manier die zij passend achten, mits binnen de kaders van bijvoorbeeld de wettelijke burgerschapsopdracht. Zo mag het onderwijs niet in strijd zijn met de basiswaarden van de democratische rechtstaat en moet scholen kennis over en respect voor verschillen in politieke gezindheid bijbrengen onder leerlingen. Deze vrijheid brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Ik vertrouw erop dat scholen hier op een professionele mee omgaan en dat zie ik ook in de praktijk. Er is geen noodzaak om hiervoor nadere richtlijnen te ontwikkelen.
Acht u het risico reëel dat door systematische inbedding van één conflictframe met betrekking tot «Palestina» en Israël in curricula en nascholingstrajecten een klimaat ontstaat waarin antisemitisme of vijanddenken jegens Joden (indirect) wordt genormaliseerd en op welke wijze monitort u dit risico?
De wettelijke burgerschapsopdracht draagt scholen op om zorg te dragen voor een schoolcultuur waarin alle leerlingen zich veilig voelen. Dit geldt voor alle scholen en leerlingen, ook Joodse. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet hierop toe.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre binnen lerarenopleidingen, curriculumcommissies en gesubsidieerde instellingen sprake is van eenzijdige ideologische sturing rond het Israëlisch-Palestijns conflict en de Kamer hierover te informeren?
Zowel lerarenopleidingen als curriculumcommissies staan bij de ontwikkeling van nieuw curriculum in nauw contact met diverse experts en onderwijsprofessionals. Daarbovenop houdt de inspectie toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en op de naleving van wettelijke kaders, in het geval van lerarenopleiding in samenwerking met de aangewezen accreditatieorganisatie. Zo zijn er voldoende checks and balances ingebouwd om eenzijdige ideologische sturing te voorkomen. Er is op dit moment geen noodzaak om daar aanvullend onderzoek naar te doen.
Kunt u toezeggen dat bij de ontwikkeling van burgerschaps- en maatschappijleerprogramma’s expliciet wordt gewaarborgd dat geopolitieke thema’s feitelijk en historisch worden onderbouwd én binnen het kader van de democratische rechtsstaat worden behandeld?
Burgerschaps- en maatschappijleerprogramma’s worden ontwikkeld op basis van de kerndoelen en examenprogramma’s. Deze kerndoelen en examenprogramma’s worden door de overheid vastgesteld. Daarin staat wat leerlingen moeten weten, kunnen of hebben ervaren. De manier waarop een school de inhoud van de kerndoelen en examenprogramma’s aanleert aan de leerlingen en welke leermiddelen of lesmethodes zij daarbij gebruiken, is aan de school. OCW ondersteunt hen bij het maken van goed onderbouwde keuzes met een kwaliteitskader voor leermiddelen. Scholen kunnen naar verwachting vanaf volgend schooljaar gebruik gaan maken van dit kader. Scholen en leermiddelenmakers werken kennisgedreven aan geopolitieke thema’s en houden rekening met de kaders die de democratische rechtsstaat stelt.
De geldigheid van het studentenreisproduct bij vraaggestuurd publiek vervoer en open toegang ritten op het spoor |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Bertram , Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de financiële knelpunten bij de financiering van vraaggestuurd publiek vervoer en open toegang ritten op het spoor, omdat het studentenreisproduct bij deze vormen van publiek vervoer niet geldig is en door overheden geld bijgelegd moet worden om studenten alsnog gratis te laten reizen met een ov-studentenkaart?1, 2
Ja.
Hoe waardeert u het feit dat het studentenreisproduct niet geldig is bij de genoemde vormen van publiek vervoer?
Voor het studentenreisproduct heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) een privaatrechtelijke overeenkomst met ov-bedrijven. Of binnenlands open toegang-treinvervoer en de personenauto’s/taxibusjes van de Flex3 in Zeeland binnen de afgesproken reikwijdte van het gecontracteerde vervoer valt, is onderwerp van gesprek in de contractrelatie tussen het ministerie en de ov-bedrijven. Ik informeer uw Kamer na de zomer over de voortgang van dit gesprek.
Hoe waardeert u het feit dat de provincie Zeeland nu de financiering van het studentenreisproduct in het daar geldende vraaggestuurd publiek vervoer verzorgt, terwijl de uitrol van vraaggestuurd vervoer in Zeeland als nationale pilot publiek vervoer is benoemd?
Ik snap dat de wijze waarop binnen de provincie Zeeland het publieke vervoer is georganiseerd de vraag oproept hoe zich dit verhoudt tot de geldigheid van het studentenreisproduct. Dit wordt dan ook zoals aangegeven meegenomen bij de gesprekken zoals bedoeld in het antwoord op vraag 2.
Wat is het beoogde tijdpad voor opvolging van de Verkenning publieke mobiliteit?
Momenteel werkt de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) samen met de Ministeries van Financiën, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en OCW, aan de verbredingsfase, welke als basis zal dienen voor een op te stellen Kabinetsstandpunt Publieke Mobiliteit. De Staatssecretaris van IenW zal de Kamer eind 2026 informeren over de resultaten van de verbredingsfase en nader inzicht geven in de voortgang van het Kabinetsstandpunt dat de Staatssecretaris van IenW in 2027 naar de Kamer zal sturen.
Deelt u de mening dat aanpassing van de geldigheid van het studentenreisproduct bij de genoemde vormen van publiek vervoer noodzakelijk en urgent is, omdat het een bepalende factor is voor de rendabiliteit van deze vormen van publiek vervoer en vraaggestuurd vervoer noodzakelijk is om verschraling van het openbaar vervoer in het landelijk gebied tegen te gaan?
Het Ministerie van OCW is verantwoordelijk voor de financiële toegankelijkheid van het vervolgonderwijs voor studenten en daaraan levert het studentenreisproduct een belangrijke bijdrage. Het Ministerie van OCW heeft hiertoe een privaatrechtelijke overeenkomst met ov-bedrijven afgesloten. Ik ben en wil in mijn rol niet verantwoordelijk zijn voor de rendabiliteit van publiek gefinancierd vervoer. Het budget van de onderwijsbegroting dient zo doelmatig mogelijk te worden besteed aan de beleidsdoelen van OCW.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg over het studentenreisproduct in open toegang ritten op het spoor?3
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u voornemens op korte termijn ruimte te geven voor toepassing van het studentenreisproduct bij genoemde vormen van publiek vervoer, zo nodig in de vorm van experimenteerruimte?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid met regionale opdrachtverleners en vervoerders om tafel te gaan om uit te werken hoe ervoor gezorgd kan worden dat conform het kabinetsstandpunt Bereikbaarheid op Peil de bereikbaarheid van voorzieningen centraal staat, in dit geval voor studenten, en niet via welk contract het vervoer is vastgelegd?4
Via de privaatrechtelijke overeenkomst die ik heb met de ov-bedrijven, zorgen we ervoor dat studenten hun onderwijsinstelling of stageadres kunnen bereiken door ov-bedrijven te vergoeden voor de reizen die studenten met het studentenreisproduct maken.6 Het contract is voor mij een middel waarmee we de bereikbaarheid van voorzieningen voor studenten mogelijk maken.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat vraaggestuurd publiek vervoer wettelijk gedefinieerd wordt als vorm van openbaar vervoer, met bepalingen ten aanzien van onder meer CAO, geldende vervoerbewijzen en de toepassing van het studentenreisproduct?
In de huidige verbredingsfase besteedt de Staatssecretaris van IenW in samenspraak met betrokken departementen ook aandacht aan de vraag of er een wettelijke definitie voor publieke mobiliteit dient te komen. De Staatssecretaris van IenW is geen partij in eventuele discussies ten aanzien van CAO’s. De Staatssecretaris van IenW realiseert zich echter dat het voor het vaststellen van de toe te passen CAO van belang is om over een heldere definitie van het begrip publieke mobiliteit te beschikken.
Verder is het goed om te melden dat de eerder genoemde privaatrechtelijke overeenkomst regelt voor welk type vervoer de ov-bedrijven een vergoeding van OCW kunnen krijgen voor reizen van studenten met het studentenreisproduct.