Een gefilterd boekenpakket voor schoolbibliotheken |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het opiniestuk «Lezen is verplaatsingskunde, en dat verdwijnt nu langzaam van school» van Janneke Schotveld en met het bericht van NBD Biblion over een apart boekenpakket voor protestants-christelijke scholen?1 2
Ja.
Klopt het dat scholen vanaf komend schooljaar via een standing order een collectie kunnen afnemen waaruit boeken met onder meer magie, mythische wezens en de evolutietheorie zijn gefilterd?
Op 18 juni maakte NBD Biblion bekend christelijke scholen vanaf de zomer van 2026 een speciaal boekenpakket aan te bieden, zonder elementen als magie, horror of mythische wezens of thema’s zoals de evolutietheorie. Naar aanleiding van maatschappelijke discussie heeft de organisatie op 26 juli jl. een bericht gepubliceerd met de mededeling dat het aanbieden van het boekenpakket voorlopig gepauzeerd is en dat NBD Biblion het gesprek over het pakket wil aangaan met haar partners.3
Hoe beoordeelt u dat deze titels als «niet-passend» worden aangemerkt en aanvankelijk met een rood kruis werden gemarkeerd?
Uit de onderwijsvrijheid vloeit voort dat scholen inrichtingsvrijheid hebben. De school kiest voor de leermethode en leermiddelen. In zoverre hebben zij de ruimte om de eigen collectie van de schoolbibliotheken te bepalen. De vrijheid van richting kan met zich meebrengen dat bijzondere scholen daarbij keuzes baseren op de eigen religieuze of levensbeschouwelijke visie. Tegenover die vrijheid staat dat scholen de wettelijke plicht hebben om aan de landelijke kerndoelen te voldoen. Hieronder valt ook een breed en rijk aanbod van kinder- en jeugdliteratuur (kerndoel 1A) en de evolutietheorie (kerndoel 32B). Ook zijn scholen gehouden aan de wettelijke burgerschapsopdracht, die onder meer van scholen vraagt dat ze leerlingen kennis bijbrengen over verschillen in bijvoorbeeld godsdienst, levensovertuiging of seksuele gerichtheid. Scholen moeten deze thema's dus verplicht behandelen, ongeacht welke boeken er in de schoolbibliotheek staan.
Welke rol speelt NBD Biblion binnen het programma de Bibliotheek op school en welke publieke middelen zijn hiermee gemoeid?
NBD Biblion heeft geen formele rol binnen het programma de Bibliotheek op school. NBD Biblion fungeert als dienstverlener, voor bibliotheken en scholen, die centraal boeken inkoopt, uitleenklaar maakt en van metadata voorziet. NBD Biblion ontvangt hiervoor geen directe overheidssubsidies. Voor het programma de Bibliotheek op school subsidieert het Ministerie van OCW de stichting Lezen. Scholen en bibliotheken betalen NBD Biblion uit hun eigen budgetten.
Vindt u het wenselijk dat een organisatie met een publieke functie in het bibliotheekstelsel meewerkt aan het vooraf wegfilteren van boeken op ideologische gronden?
NBD Biblion heeft geen formele publieke functie. De stichting is opgericht door bibliotheken, boekverkopers en uitgevers om bibliotheken te ondersteunen.
De Koninklijke Bibliotheek (KB), de Samenwerkende provinciale ondersteuningsinstellingen Nederland (SPN) en de Vereniging Openbare Bibliotheken (VOB) hebben recent het Gezamenlijke Collectieplan 2026–2030 gepubliceerd. Het vaststellen van dit plan is een wettelijke taak van de KB. In dit plan staat: «Als bibliotheken erkennen we het recht van ieder individu of groep om bibliotheekmateriaal voor persoonlijk gebruik te weigeren, maar kennen we geen enkel individu of groep het recht toe om de vrijheid van anderen om van datzelfde materiaal gebruik te maken te beperken.» Daarnaast zijn er handreikingen van onder meer Stichting Lezen voor de Bibliotheek op school en provinciale ondersteuningsinstelling Pro Biblio over de vorming van en het gesprek over collecties. Daarmee stimuleren de bibliotheken juist een rijk en divers leesaanbod.
Hoe verhoudt dit pakket zich tot de doelen van het Masterplan basisvaardigheden, waarin een rijke, gevarieerde schoolbibliotheek centraal staat?
In het Masterplan basisvaardigheden staat het structureel verbeteren van de onderwijsprestaties van leerlingen op het gebied van taal, rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid centraal. Om dit doel te bereiken ontvangen scholen extra financiële middelen, krijgen zij ondersteuning van onderwijscoördinatoren in begeleide leernetwerken en worden zij gestimuleerd om evidence informed te werken. Een schoolbibliotheek past binnen de aanpak van het Masterplan basisvaardigheden, maar behoort niet tot de centrale doelstelling. De collectie van een schoolbibliotheek moet volgens het programma de Bibliotheek op school actueel en gevarieerd zijn; het aanbod komt in samenwerking tussen scholen en bibliotheken tot stand.
Deelt u de opvatting dat lezen kinderen juist in aanraking moet brengen met perspectieven die zij van huis uit niet meekrijgen?
Ja, dit hangt samen met de kerndoelen en de burgerschapsopdracht. In kerndoel 1A van de kerndoelen Nederlands staat: «De school zorgt voor een rijke taal- en leesomgeving». Het gaat hierbij om het «aanbieden van een veelzijdig en actueel aanbod van jeugdliteratuur, binnen een vaste leesroutine». Kerndoel 32B van de kerndoelen voor het voortgezet onderwijs Mens en Natuur luidt: «de leerling toont inzicht in het voortbestaan van leven op aarde», het gaat hierbij om het «verklaren van het ontstaan van biodiversiteit door evolutie: mutaties, natuurlijke selectie en soortvorming». De wettelijke burgerschapsopdracht schrijft voor dat scholen zich herkenbaar richten op het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid en de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.4
Hoe weegt u het belang van het kind op brede ontwikkeling en informatievrijheid, zoals vastgelegd in het Kinderrechtenverdrag, tegenover de wens van schoolbesturen om aanbod te filteren?
Het Kinderrechtenverdrag en de wens van schoolbesturen voor een aangepast boekenaanbod hoeven elkaar niet uit te sluiten, zolang de school zich aan het wettelijk curriculum houdt. De kerndoelen en examenprogramma’s garanderen dat leerlingen een brede ontwikkeling krijgen. Daarbij betekent een gefilterd boekenaanbod in de schoolbibliotheek niet dat leerlingen verder geen toegang hebben tot informatie via bijvoorbeeld openbare bibliotheken, de boekhandel of internet.
Hoe verhoudt het wegfilteren van de evolutietheorie uit het boekenaanbod zich tot de wettelijke kerndoelen voor het primair onderwijs, waarin natuur en techniek inclusief evolutie zijn opgenomen, en tot de burgerschapsopdracht die scholen verplicht leerlingen kennis te laten maken met verschillende achtergronden en opvattingen?
Alle scholen moeten de kerndoelen volgen en zich aan de wettelijke burgerschapsopdracht houden. Als scholen hun leerlingen niet via literatuur in aanraking brengen met de evolutietheorie of met verschillende opvattingen, bijvoorbeeld ten aanzien van seksuele gerichtheid, dan moeten deze onderwerpen op een andere manier aan de orde komen in het lesprogramma. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Welke gevolgen verwacht u voor de leesmotivatie en woordenschat van leerlingen op scholen die dit pakket afnemen?
Deze scholen dienen zich te houden aan de kerndoelen en burgerschapsopdracht en zullen op een andere manier in de les aandacht besteden aan wetenschappelijke theorieën en verschillende seksuele gerichtheden. Het is mijn verwachting dat de leerlingen zich vergelijkbaar zullen ontwikkelen als op openbare scholen.
Bent u bereid met NBD Biblion in gesprek te gaan over de wenselijkheid van dit pakket en de Kamer over de uitkomst te informeren?
Zoals gezegd is NBD Biblion geen publieke organisatie. Daarom is er voor mij geen aanleiding om het gesprek hierover met de stichting aan te gaan. NBD Biblion moet dit gesprek met haar partners voeren en heeft aangekondigd dit ook te zullen doen (zie het antwoord op vraag 2).
Kunt u in kaart brengen hoeveel scholen zich hebben aangemeld en of vergelijkbare gefilterde pakketten voor andere denominaties in voorbereiding zijn?
Nee, dat breng ik niet in kaart. NBD Biblion heeft geen formele publieke functie. Bij een eventuele aanschaf van een speciaal boekenpakket voor christelijke scholen gaat het om een privaatrechtelijke overeenkomst tussen NBD Biblion en scholen of bibliotheken.
Welke instrumenten heeft u om te waarborgen dat elke leerling, ongeacht de school, toegang houdt tot een breed en pluriform boekenaanbod?
Zie het antwoord op vraag 3 en 5.
De uitzending van Argos "Kleuter zonder klas" |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Argos «Kleuter zonder klas»?1 Zo ja, hoe beoordeelt u de daarin geschetste problematiek?
Ja, ik herken de daarin geschetste problematiek en laat hier daarom extra
onderzoek naar doen.
Klopt het dat het aantal kinderen dat aangewezen is op het speciaal onderwijs en dat thuiszit, de afgelopen jaren is toegenomen? Zo ja, welke oorzaken liggen hieraan ten grondslag?
Het aantal kinderen dat aangewezen is op het (voortgezet) speciaal onderwijs2 en (langdurig) niet naar school gaat3 is de afgelopen jaren toegenomen. In schooljaar 2017–2018 waren er 414 leerlingen met absoluut verzuim waarbij het laatst genoten onderwijs het (voortgezet) speciaal onderwijs was, in schooljaar 2024–2025 waren dit 790 leerlingen. Daarnaast waren in schooljaar 2017–2018 244 leerlingen langdurig ongeoorloofd afwezig en is dit aantal in schooljaar 2024–2025 gestegen naar 417 leerlingen. De stijging van het aantal kinderen die langdurig geen onderwijs volgen kent vaak complexe en uiteenlopende oorzaken. In de praktijk spelen vaak meerdere oorzaken een rol en is er sprake van een wisselwerking tussen factoren en multiproblematiek. In onderzoek worden de volgende factoren genoemd: i. individuele (kindgebonden) factoren, zoals faalangst of chronische vermoeidheid, ii. factoren in de directe omgeving van het kind, zoals een conflictueuze echtscheiding of financiële problemen, iii. factoren in het schoolsysteem, zoals pesten, uitsluiting en een onveilig schoolklimaat of iv. externe factoren, zoals nieuwkomers of administratieve ruis4.
Kunt u voor de jaren 2024 en 2025 aangeven hoeveel kinderen onderwijs volgden in het speciaal onderwijs en hoeveel kinderen gedurende die jaren thuiszaten?
Aantal ingeschreven leerlingen
2024
2025
SO
30.228
30.517
VSO
38.553
38.728
(V)SO
17–18
18–19
19–20
20–21
21–22
22–23
23–24
24–25
Aantal absoluut verzuim1
414
524
574
552
454
673
690
790
Aantal langdurig relatief verzuim2
244
503
253
293
272
311
375
417
Van absoluut verzuim is sprake als kinderen en jongeren die leer- of kwalificatieplichtig zijn geen schoolinschrijving hebben.
Van langdurig relatief verzuim is sprake als ingeschreven leerlingen meer dan vier weken ongeoorloofd afwezig zijn.
Hoeveel kleuters staan momenteel op een wachtlijst voor plaatsing in het speciaal onderwijs?
We hebben geen cijfers van het aantal kleuters dat op een wachtlijst staat om (direct) geplaatst te worden in het speciaal onderwijs (so).
Klopt het dat een toenemend aantal kleuters niet start in het regulier basisonderwijs, omdat zij worden geweigerd of direct worden doorverwezen naar het speciaal onderwijs?
Hier zijn geen duidelijke cijfers van. Eind 2026 wordt u geïnformeerd over de onderzoeksresultaten van het onderzoek dat nu wordt gedaan naar de directe instroom van kleuters in het speciaal onderwijs. Verder vind ik het belangrijk om te noemen dat het bij voorbaat weigeren van kleuters in het regulier onderwijs ongewenst is.
Is het basisscholen toegestaan om uitsluitingsgronden te hanteren voordat zij hebben onderzocht of een passende onderwijsplek kan worden geboden? Zo nee, welke mogelijkheden hebben ouders wanneer hiervan toch sprake is?
Een basisschool kan een kind weigeren wanneer de school vol is, de ouders aangeven niet achter de godsdienst of levensbeschouwing van de school staan, het kind nog niet zindelijk is of als er in de gemeente afspraken zijn over de verdeling van kinderen over scholen. Een basisschool mag een kind niet weigeren wanneer het kind extra ondersteuning of hulp nodig heeft. Als de school de ondersteuning zelf niet kan bieden moet de school het kind een zo passend mogelijke plek op een andere school aanbieden. Wanneer ouders het niet eens zijn met de beslissing van een school om een kind te weigeren kunnen zij binnen 6 weken nadat de school schriftelijk heeft laten weten dat er geen plek is voor het kind via brief of e-mail bezwaar maken. De school moet dan binnen vier weken op het bezwaar reageren. Als school en ouders het oneens blijven kunnen zij naar de rechter5.
Is bekend hoe groot de groep kinderen is die zich aanmeldt bij een basisschool, maar al vóór aanvang van het onderzoek naar een passende plaatsing wordt afgewezen?
Nee, het is niet bekend hoe groot deze groep kinderen is.
Kunt u toelichten hoe de zorgplicht, mede in het licht van de in de uitzending geschetste situaties, dient te worden ingevuld?
Met de zorgplicht passend onderwijs zijn schoolbesturen verplicht om kinderen en jongeren een passende plek in het onderwijs te bieden. Bij aanmelding van een leerling moet de school onderzoeken of zij de leerling de benodigde ondersteuning kan bieden. Als dit niet het geval is, dan is de school verplicht om een passende plek op een andere school te zoeken voor de leerling. Dit kan met hulp van het samenwerkingsverband passend onderwijs, dat een dekkend netwerk van ondersteuningsvoorzieningen moet realiseren. In de tussentijd moet de school zo passend mogelijk onderwijs bieden aan de leerling.
Bent u van oordeel dat de zorgplicht in het door Argos aangehaalde voorbeeld op juiste wijze is nageleefd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Helaas komt het in de praktijk voor dat scholen de zorgplicht niet goed naleven, bijvoorbeeld door niet goed te onderzoeken of de school de benodigde ondersteuning aan de leerling kan bieden of door de aanmelding van een leerling niet in behandeling te nemen en leerlingen direct weg te sturen. Dergelijke voorbeelden zijn te zien in de uitzending van Argos. Dit is zeer onwenselijk. De zorgplicht is er niet voor niets, maar om bij te dragen aan goed onderwijs voor ieder kind moeten scholen de zorgplicht wel naleven. Daarom neem ik maatregelen om de zorgplicht aan te scherpen, zoals toegelicht in mijn brief van 20 mei 20266.
Wordt in het onderzoek naar de groei van het gespecialiseerd onderwijs ook gekeken naar het bestaan van een mogelijke onderliggende ontwikkeling of zogenoemde «onderstroom» en de oorzaken daarvan?
Ja, in het onderzoek wordt ook gekeken naar de directe instroom van kleuters in het speciaal onderwijs (so).
Wanneer verwacht u de resultaten van dit onderzoek met de Kamer te kunnen delen?
Ik verwacht deze resultaten in eind 2026 met uw Kamer te delen. zonder-school
Meer aandacht in het onderwijs voor (het voorkomen van) geweld tegen vrouwen en meisjes |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petitie «Van achter de voordeur naar het klaslokaal» van de Federatie Nabestaanden Geweldsslachtoffers, Valente en de Blijf Groep?
Ja.
Wat vindt u van de oproep om aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie expliciet aandacht te besteden in de klas als onderdeel van het burgerschapsonderwijs en/of seksuele vorming en ziet u mogelijkheden om deze elementen expliciet op te nemen in de SLO-documenten of in de wijze waarop de Inspectie toeziet op de naleving ervan? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Ik onderschrijf ten zeerste het belang van maatschappelijke aandacht voor thema’s zoals gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie. De cijfers over de afgelopen tien jaar geven aanleiding tot grote zorg. In Nederland maken veel vrouwen geweld mee in hun leven en iedere vrouw die sterft aan femicide is er één te veel. Alle onderzoeken hieromtrent onderstrepen de noodzaak van blijvende aandacht voor dit onderwerp.
Het vernieuwde curriculum maakt dat de nieuwe generatie meer leert over deze thema’s en daarin kennis en vaardigheden opdoet die bijdragen aan meer weerbaarheid tegen grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. In de nieuwe kerndoelen burgerschap voor zowel het primair als voortgezet onderwijs is aandacht voor de gevaren van stereotypering en voor het belang van de gelijkwaardige behandeling van mensen, ondanks verschillen in bijvoorbeeld geslacht of seksuele gerichtheid.1 Dit thema vormt ook een centraal onderdeel van de wettelijke burgerschapsopdracht, die al langer eisen stelt aan onder meer de inhoud van het onderwijs.2 Daarnaast besteden de vernieuwde kerndoelen aandacht aan de handelingsmogelijkheden bij grensoverschrijding, geweld en misbruik.3 Ook in het mbo bestaan kwalificatie-eisen voor het burgerschapsonderwijs die aanknopingspunten bieden om deze thema’s in het onderwijs te integreren, afgestemd op de studentenpopulatie.
De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet in den brede op de naleving van het (vernieuwde) curriculum én op de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie houdt toezicht op het onderwijsaanbod en of dat voldoet aan de wettelijke vereisten.
Hierbij kijkt de inspectie onder anderen of de school leerdoelen heeft gesteld om respect voor gelijkwaardigheid onder leerlingen te bevorderen, deze leerdoelen in een samenhangende leerlijn aanbiedt en herkenbaar in de praktijk wordt gebracht. Wanneer de inspectie concrete risico’s ziet op één of meer onderdelen van deze gelijkwaardigheid, kan worden getoetst of het onderwijsaanbod op dit specifieke onderdeel volstaat.
Wat vindt u ervan dat professionals en organisaties in het veld belangrijke hiaten zien in de wijze waarop scholen binnen de kerndoelen en eindtermen aandacht besteden aan gendergerelateerd geweld en het voorkomen daarvan en bent u het met de indieners van de petitie eens dat dit nog onvoldoende gebeurt?
Deze belangrijke thema’s hebben een stevigere plek gekregen binnen de vernieuwde kerndoelen, waarmee er bovenop de al langer geldende wettelijke burgerschapsopdracht een brede basis wordt gelegd. Scholen worden daarnaast ook door organisaties ondersteund om onderwerpen zoals gendergerelateerd geweld in te bedden in hun curriculum. Dit biedt leraren meer handvatten om aan deze onderwerpen structureel aandacht te geven.
De vernieuwde kerndoelen treden naar verwachting per 1 augustus 2027 in werking. De inspectie zal vanaf 2031 handhavend toezien op het vernieuwde curriculum.
Heeft u cijfers van de mate waarin op scholen expliciet aandacht wordt besteed aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie? Zo nee, bent u bereid de Inspectie hiernaar te vragen?
Op dit moment zijn scholen in het funderend onderwijs verplicht om uitvoering te geven aan de wettelijke burgerschapsopdracht en de kerndoelen. De inspectie houdt hier toezicht op. Met de invoering van de vernieuwde kerndoelen moeten alle scholen meer aandacht besteden aan deze thema’s. Er wordt niet bijgehouden hoeveel uren scholen aandacht besteden aan deze thema’s.
Op welke manier is het herkennen van signalen en het veilig en zorgvuldig handelen wanneer een kind mogelijk met geweld (zelf of in het gezin) te maken heeft, op dit moment onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
De huidige kennisbases voor de hbo-lerarenopleidingen (vastgesteld in 2017) hebben met name aandacht voor diversiteit en veiligheid in het onderwijs en de klas. In de nieuwe Generieke kennisbasis deel I is expliciet toegevoegd aan de eisen dat startende leraren kennis moeten hebben over de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en hieraan moeten kunnen voldoen. Deze meldcode omvat zowel het herkennen als het zorgvuldig handelen. Deze nieuwe generieke kennisbasis deel I wordt de komende jaren bij alle lerarenopleidingen van de hogescholen geïmplementeerd.
In het mbo is voor de opleiding onderwijsassistent in de kwalificatie vastgesteld dat de beginnend beroepsoefenaar kennis moet hebben van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Verder moet iedere mbo-, hbo- en wo-instelling een actuele meldcode en een wettelijke verplicht afwegingskader hebben. Hiermee wordt de aandacht zowel in het mbo, hbo als wo bij opleidingen voor dit thema structureel geborgd via een landelijk norm. Ik zie op dit moment daarom geen aanleiding voor het nemen van aanvullende stappen.
Op welke wijze is het lesgeven over gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie momenteel onderdeel van de opleidingen in het onderwijs en bent u bereid te werken aan een verbetering voor meer structurele aandacht hiervoor en zo ja, op welke wijze?
Deze thema’s komen op verschillende plekken terug in de landelijke eisen aan startbekwame leraren die de opleidingen gezamenlijk hebben vastgelegd in de kennisbases in het hbo. Aansluitend op de invoering van de vernieuwde kerndoelen worden ook de kennisbases van de lerarenopleidingen vernieuwd en geïmplementeerd. In het concept-leergebied burgerschap voor de pabo’s is opgenomen dat de startbekwame leraar betekenis moet kunnen geven aan het onderwijs over samenleven in een democratische rechtstaat vanuit basiswaarden. Het gaat hierbij onder andere om het verkennen van aspecten van diversiteit zoals gender en seksuele voorkeur. Relationele veiligheid krijgt meer invulling in de kennisbasis biologie voor het vo en mbo. Startbekwame tweedegraads leraren biologie moeten les kunnen geven in thema’s als relaties en seksualiteit, lichamelijke ontwikkeling en zelfbeeld, seksuele diversiteit en wensen en grenzen stellen (fysiek en online).
In het mbo is voor de opleiding onderwijsassistent in de kwalificatie vastgesteld dat de beginnend beroepsoefenaar snel en effectief moet kunnen handelen in geval van (signalen) van onveiligheid van de kinderen.
Ook wordt met het wetsvoorstel Vereisten mbo-docenten basisvaardigheden geregeld dat mbo-docenten burgerschap die niet over een passende lerarenopleiding beschikken, een aanvullend opleidingstraject op het gebied van de vakinhoud en vakdidactiek van burgerschap moeten volgen.4 Het wetsvoorstel wordt komend najaar naar de Kamer gestuurd. De beoogde inwerkingtreding is 1 augustus 2027.
De vernieuwde kerndoelen en aangescherpte kennisbases geven voldoende richting aan de inhoud van de opleidingen. Ik zie daarom geen reden om op dit moment aanvullende stappen te zetten. Mocht in de toekomst blijken dat er toch aanvullende aandacht nodig is, dan kan ik binnen het Opleidingsberaad Leraren onderzoeken of aanvullende stappen nodig zijn.
Zijn er op dit moment voldoende lesmethodes waar scholen gebruik van kunnen maken als zij aandacht willen besteden aan gendergelijkwaardigheid, relationele veiligheid en geweldpreventie en zo ja, waar kunnen scholen deze vinden? Zo nee, wat kunt u vanuit uw rol doen om meer laagdrempelige lesmethodes hiervoor beschikbaar te krijgen?
Er zijn geen signalen dat er onvoldoende lesmateriaal beschikbaar zou zijn dat scholen bij deze thema’s kan ondersteunen. Scholen die aan deze thema’s nadere aandacht willen besteden kunnen kiezen uit verschillende leermiddelen en lesmaterialen die passen bij hun specifieke onderwijscontext en leerlingen.
Bent u bereid het gesprek aan te gaan met de indieners van de petitie om gezamenlijk tot een aanpak te komen waarmee het onderwijs beter in staat wordt gesteld een rol te spelen in het voorkomen en het herkennen van gendergerelateerd geweld en relationele onveiligheid?
Leerkrachten hebben met het vernieuwde curriculum goede handvatten om thema’s zoals gendergelijkheid en het tegengaan van geweld steviger te verankeren in het onderwijs. Mocht blijken dat er aanscherping of aanvullende maatregelen nodig zijn zal ik op dat moment kijken wat passende vervolgstappen zijn.
In hoeverre acht u, vanuit uw zicht op de praktijk van scholen, de huidige mogelijkheden voor het tijdig delen van informatie over signalen en meldingen over gendergerelateerd geweld tussen scholen, politie en Veilig Thuis voldoende en bent u bereid hier navraag over te doen bij scholen?
Met de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zijn scholen verplicht om te beschikken over een meldcode en hun medewerkers in staat te stellen deze toe te passen. Hiermee bestaat er een helder kader voor het delen van informatie en signalen wanneer mogelijk sprake is van kindermishandeling, waaronder gendergerelateerd geweld. De Landelijke Vereniging Aandachtsfunctionarissen Kindermishandeling (LVAK) heeft de afgelopen periode trainingen gegeven aan onderwijsprofessionals over goed gebruik van de meldcode en de rol van Veilig Thuis.
Bent u bereid in overleg te treden met de Minister van J&V en de Minister van VWS om het onderwijs op te nemen als één van de pijlers in het Actieplan Stop geweld tegen vrouwen?
Ik onderschrijf nogmaals het belang van maatschappelijke aandacht voor bovengenoemde thema’s. Het toevoegen van het onderwijs als één van de pijlers acht ik op dit moment niet gepast. Het vernieuwde curriculum maakt meer en gerichtere aandacht mogelijk voor bovengenoemde thema’s. Dit zie ik als een solide basis en een stap in de goede richting.
De financiële onzekerheid van Iraanse studenten |
|
Don Ceder (CU) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat het voor Iraanse studenten die afhankelijk zijn van sponsorgelden uit het land van herkomst op dit moment lastig is om aan het middelenvereiste te blijven voldoen, zoals blijkt uit signalen die bij de IND bekend zijn?1
Ik vind dat buitengewoon vervelend voor de desbetreffende Iraanse studenten.
Ik heb instellingen dan ook gevraagd om aandacht te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van de student en waar mogelijk maatwerk te bieden.
Klopt het dat Iraanse studenten door sommige onderwijsinstellingen wordt aangeraden om asiel aan te vragen? Bent u het eens dat dat niet de juiste oplossing is als een financiële regeling het probleem ook zou oplossen?
Ik heb dit nagevraagd bij de koepels van de onderwijsinstellingen (de Vereniging Hogescholen (VH) en Universiteiten van Nederland (UNL)); bij hen zijn geen onderwijsinstellingen bekend die Iraanse studenten aanraden om asiel aan te vragen. Onderwijsinstellingen wijzen bijna-afgestudeerde studenten op de mogelijkheden van een zoekjaar (of verlenging van studie in geval van studievertraging). In een bijeenkomst van het Landelijk Overleg Afdelingshoofden Studentzaken van de onderwijsinstellingen is ondersteuning van Iraanse studenten besproken maar ook daar is zover mij bekend dit advies niet gegeven.
Ik deel de mening dat een asielaanvraag niet de juiste oplossing is voor een financieel probleem.
Vindt u het wenselijk als onderwijsinstellingen besluiten níet gebruik te maken van de ruimte die ze onder de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) hebben om maatwerk te verzorgen, als dat tot gevolg heeft dat Iraanse studenten worden gedwongen hun studie te stoppen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat betekent dit voor uw inzet?
Hogescholen en universiteiten spannen zich waar mogelijk in om te voorkomen dat betalingsproblemen van Iraanse studenten leiden tot uitschrijving. Zij maken hierbij gebruik van de ruimte die de Wet Hoger Onderwijs en Wetenschap (WHW) biedt om voorzieningen te treffen voor de (financiële) ondersteuning van een individuele student. Zij gaan echter zelf over de invulling die zij hieraan geven om zo goed mogelijk aan te kunnen sluiten bij de specifieke situatie van een student. De omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven kunnen per student verschillen. Maatwerk betekent ook dat een instelling kan besluiten dat in individuele gevallen ondersteuning niet passend is.
Bent u bereid om de financiële regelingen die onderwijsinstellingen hanteren voor Iraanse studenten te inventariseren en de Kamer hierover in september te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord 3 betrachten instellingen zorgvuldigheid en maatwerk in het bieden van ondersteuning aan studenten om zo goed mogelijk aan te sluiten bij hun specifieke situatie. Hierdoor lopen de financiële regelingen zodanig uiteen dat een centraal overzicht van welke onderwijsinstellingen financiële ondersteuning bieden en waaruit die getroffen regelingen precies bestaan, lastig in kaart te brengen is. De koepelorganisaties VH en UNL beschikken hier ook niet over. Maatwerk kan bovendien directe financiële ondersteuning betreffen, zoals een betalingsregeling of het openstellen van een noodfonds, maar ook non-financiële ondersteuning, bijvoorbeeld het tijdelijk opheffen van herinschrijfblokkades, (mentale) begeleiding via studentpsychologen, studentendecanen en social workers voor internationale studenten en het organiseren van steunbijeenkomsten voor studenten en medewerkers. Het is dan ook ondoenlijk om uw Kamer te informeren over de ondersteuningsvoorzieningen die specifiek geboden worden aan de betreffende studenten, inclusief de gehanteerde financiële regelingen.
Bent u bereid om bij Iraanse studenten de vinger aan de pols te houden of de regelingen van de onderwijsinstellingen toereikend zijn en de Kamer over de uitkomsten van deze gesprekken te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ik heb momenteel geen apart overleg met Iraanse studenten. Wel spreek ik regelmatig met de formele studentvertegenwoordigende organisaties LSVb en ISO. Zij kunnen de situatie van Iraanse studenten agenderen voor overleg en doen dat ook. Iraanse studenten weten hen te vinden. Verder ben ik met onderwijsinstellingen in gesprek over de situatie van Iraanse studenten in Nederland en de problemen die een deel van de Iraanse studenten in Nederland ervaren gaan ons aan het hart. Ik vraag instellingen om aandacht te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van de student en waar mogelijk maatwerk te bieden. Ik zie dat instellingen dit ook doen.
Welke wettelijke ruimte is er om af te wijken van de regel dat niet-EER-studenten met een studievisum maximaal 16 uur per week mogen werken als de situatie, zoals die van Iraanse studenten, zich daartoe noodzaakt?
Artikel 8.3.c.7 van de Regeling tot uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen biedt internationale studenten de mogelijkheid om 16 uur per week of in de maanden juni, juli en augustus voltijds te werken zonder dat de daarvoor benodigde tewerkstellingsvergunning wordt getoetst op prioriteitgenietend arbeidsaanbod. Er is geen wettelijke ruimte om van deze regel af te wijken.
Wilt u zich zodanig inzetten dat geen enkele Iraanse student gedwongen wordt zijn of haar studie in Nederland te stoppen en terug te keren naar Iran doordat de student in de praktijk geen toegang meer heeft tot eigen geld of geld van de familie? Zo ja, wat betekent dat voor uw inzet? Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord 3 aangegeven bepalen instellingen zelf de invulling die zij geven aan de ruimte die de WHW biedt om voorzieningen te treffen voor de (financiële) ondersteuning van een individuele student. Daarnaast geldt dat als een internationale student niet meer voldoet aan de voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning is afgegeven, dat in beginsel reden is om de verblijfsvergunning in te trekken. Wel dient Nederland in elk besluit tot intrekking of niet-verlenging van de verblijfsvergunning rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval en wordt het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd (artikel 21, zevende lid). Voordat de verblijfsvergunning wordt ingetrokken of niet wordt verlengd, beoordeelt de IND per geval of er individuele redenen zijn om van intrekking c.q. niet-verlenging af te zien. Vanwege deze mogelijkheid tot maatwerk zie ik geen reden om het beleid te wijzigen.
Wanneer bent u wél bereid om aanvullende maatregelen te nemen om Iraanse studenten in Nederland financieel te ondersteunen, bijvoorbeeld door hen te laten studeren tegen het wettelijke collegegeld?
Ik overweeg op dit moment geen aanvullende algemene maatregelen voor studenten en onderwijsinstellingen. Zoals eerder gezegd, het verschilt per student waar behoefte aan is en er zijn op instellingen al mogelijkheden voor maatwerk en financiële voorzieningen. Instellingen kunnen het instellingscollegegeldtarief voor bepaalde groepen studenten verlagen tot minimaal het wettelijk collegegeldtarief. Het is aan de instelling zelf om te bepalen of zij van deze mogelijkheid gebruik maken en in te schatten wat per student nodig en mogelijk is.
Het nieuwsbericht “Onderwijsinspectie ziet wanbeheer op Cornelis Haga Lyceum in Amsterdam” |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het vernietigende oordeel van de Inspectie van het Onderwijs die stelt dat op het Cornelius Haga Lyceum opnieuw sprake is van wanbeheer en dat het bestuur, ondanks jarenlange waarschuwingen, nauwelijks iets heeft gedaan om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het rapport van 18 juni 2026 van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) naar het bestuurlijk handelen van de Stichting Islamitisch Onderwijs.
Hoeveel waarschuwingen moet een school nog krijgen voordat de overheid eindelijk ingrijpt?
Ik begrijp de zorgen die in uw vraag doorklinken. De inspectie heeft de afgelopen jaren tekortkomingen geconstateerd, die vastgelegd in rapporten, op basis daarvan herstelopdrachten geformuleerd voor school en bestuur en toegezien op de uitvoering daarvan. In dat proces heeft de inspectie herhaaldelijk het instrumentarium ingezet dat haar ter beschikking staat om het beoogde herstel af te dwingen.
Vanwege de ernst van de bevindingen heeft de inspectie de regie over deze toezichtscasus overgedragen aan mijn ministerie. Wanneer een toezichtscasus onder regie van het ministerie wordt gebracht, kan het aanvullende instrumentarium van het ministerie ingezet worden. Het ministerie beschikt over interventiemogelijkheden die verder reiken dan het afdwingen van herstel van de onderwijskwaliteit.
Op basis van het meest recente inspectierapport bereid ik vervolgstappen voor. Mijn doel is dat de leerlingen van het Cornelius Haga Lyceum zo snel mogelijk weer kunnen rekenen op onderwijs van goede kwaliteit. De inspectie en het ministerie houden de ontwikkelingen op basis van genoemd inspectierapport en de opvolging van de eerder opgelegde herstelopdrachten nauwlettend in de gaten. Zodra ik een definitief besluit heb genomen over de vervolgstappen informeer ik uw Kamer.
Hoe is het mogelijk dat een schoolbestuur dat al sinds 2019 bekendstaat om wanbeheer en nu opnieuw door de Inspectie wordt neergesabeld, nog altijd volledig door de Nederlandse overheid wordt bekostigd met belastinggeld? Deelt u de mening dat dit pure beloning is voor falend islamitisch bestuur in plaats van keiharde afstraffing? Zo nee, waarom niet?
Scholen en besturen moeten de bekostiging aanwenden voor kwalitatief goed onderwijs. De inspectie constateert dat het bevoegd gezag van het Cornelius Haga Lyceum er herhaaldelijk niet in slaagt de onderwijskwaliteit te waarborgen. Dit is zorgelijk voor de leerlingen van de school. Het is van groot belang dat zij op korte termijn goed onderwijs krijgen. Vanuit dat belang bereid ik vervolgstappen voor.
Hoe beoordeelt u het feit dat het bestuur essentiële documenten niet kon overleggen, tegenstrijdige informatie verstrekte, geen deugdelijk kwaliteitszorgsysteem heeft ingericht, wettelijke verplichtingen aan zijn laars lapt én leerlingen opzadelt met dramatische onderwijsresultaten, waarbij op de mavo slechts 35 procent van de leerlingen slaagt tegenover ruim 91 procent landelijk? Vindt u dat deze leerlingen ernstig tekort zijn gedaan door deze islamitische school? Zo nee waarom niet?
De recente rapporten van de inspectie laten zien dat het bestuur langdurig en in ernstige mate heeft nagelaten om de noodzakelijke (herstel)maatregelen te treffen die nodig zijn voor de kwaliteit van het onderwijs. Dat is een ernstige zaak, want daardoor zijn de leerlingen tekortgedaan in hun onderwijsloopbaan. Het is mijn prioriteit dat de leerlingen van het Cornelius Haga Lyceum op korte termijn weer onderwijs van goede kwaliteit krijgen. Hiertoe bereid ik vervolgstappen voor.
Waarom zou de overheid nog langer belastinggeld blijven overmaken naar een school waarvan zelfs de toezichthouder zegt dat verbetering niet meer geloofwaardig is en de school in fase E plaatst? Welke boodschap geeft u daarmee af aan alle scholen die wel normaal functioneren en zich aan de regels houden?
Het voldoen aan wettelijke vereisten (zoals de deugdelijkheidseisen die zien op de onderwijskwaliteit) is een voorwaarde voor een schoolbestuur om bekostiging te ontvangen voor haar school of scholen. De inspectie ziet toe op de naleving van deze wettelijke vereisten. Wanneer een school of bestuur op dat vlak in gebreke blijft, kunnen vanuit de inspectie onderzoeken, herstelopdrachten en sancties volgen. De afgelopen jaren zijn deze instrumenten meermaals door de inspectie ingezet.
Welke harde maatregelen gaat u onmiddellijk nemen? Bent u bereid de bekostiging per direct stop te zetten, het bestuur uit zijn functie te ontheffen en alle beschikbare wettelijke instrumenten in te zetten om een definitief einde te maken aan dit jarenlange wanbeheer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2. Ik bereid vervolgstappen voor op basis van het genoemde inspectierapport. Daarbij staat voorop dat de betreffende leerlingen op korte termijn weer goed onderwijs krijgen. Zodra ik een definitief besluit heb genomen, informeer ik uw Kamer.
Deelt u de mening dat het Cornelius Haga Lyceum na jaren van wanbeheer, complete chaos, dramatisch slechte onderwijsresultaten en een plaatsing door de Inspectie in fase E, waarbij de Inspectie concludeert dat het bestuur sinds 2022 structureel faalt en ieder vertrouwen in verbetering heeft verloren, voorgoed van het toneel moet verdwijnen? Zo nee waarom niet?
Op grond van artikel 2.95 WVO 2020 kan de Minister besluiten een schoolsoort of leerweg op te heffen (bij openbare scholen) of de bekostiging daarvan te beëindigen (bij bijzondere scholen). Dit is een uiterste maatregel, die enkel ingezet kan worden als aan strikte wettelijke voorwaarden wordt voldaan: de inspectie moet een herhaald eindoordeel Zeer zwak hebben vastgesteld, gebaseerd op onvoldoende leerresultaten; de inspectie moet geconstateerd hebben dat het bevoegd gezag niet bereid is afspraken te maken over verbeteringen dan wel onvoldoende verbeteringen heeft doorgevoerd; en het bevoegd gezag moet de mogelijkheid hebben gehad om hierop zijn zienswijze in te dienen. Aan deze wettelijke voorwaarden is in deze casus niet voldaan. Op dit moment zijn de in dit antwoord beschreven mogelijkheden wettelijk nog niet aan de orde. Ik bereid vervolgstappen voor op basis van het genoemde inspectierapport.
Bent u bereid deze islamitische school per direct te sluiten, alle bekostiging onmiddellijk stop te zetten en wettelijk onmogelijk te maken dat de Stichting Islamitisch Onderwijs (SIO) en alle betrokken bestuurders die verantwoordelijk zijn voor deze puinhoop nooit meer, onder welke naam, vlag of constructie dan ook, een school mogen oprichten, besturen of ook maar één euro overheidsgeld mogen ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 7.
De Kamerbrief ‘Uitkomsten onderzoek bestuurlijk handelen Stichting Islamitisch Onderwijs (SIO)’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Onderwijsinspectie opnieuw wanbeheer heeft geconstateerd bij Stichting Islamitisch Onderwijs (SIO), het bevoegd gezag van het Cornelius Haga Lyceum?
Ja. De inspectie heeft geconstateerd dat het bevoegd gezag langdurig en in ernstige mate het heeft nagelaten om maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs. De inspectie heeft in 2019 eveneens wanbeheer geconstateerd. De Raad van State heeft in 2022 de uitspraak gedaan dat er in 2019 weliswaar sprake was van onrechtmatige handelingen, maar niet van wanbeheer.
Kunt u aangeven op welke punten dit wanbeheer precies ziet?
Er is sprake van wanbeheer als bedoeld in Artikel 3.38, tweede lid onderdeel b van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO 2020). De inspectie constateert dat het bestuur langdurig en in ernstige mate nagelaten heeft om de noodzakelijke maatregelen te treffen die nodig zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs. De geconstateerde tekortkomingen zien op structurele tekortkomingen. Op hoofdlijnen betreft het de bestuurlijke aansturing, kwaliteitszorg, governance en medezeggenschap. In het rapport van de inspectie naar het bestuurlijk handelen van 18 juni 2026 staan de details.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat leerlingen jarenlang onderwijs krijgen dat tekortschiet, terwijl het bevoegd gezag er niet in slaagt de noodzakelijke verbeteringen door te voeren?
Ja. Leerlingen en hun ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat de school van hun keuze kwalitatief goed onderwijs biedt. Alle kinderen hebben recht op goed onderwijs.
Kunt u duiden hoe een school waarbij al jarenlang ernstige zorgen bestaan over bestuurs- en onderwijskwaliteit en naleving van wettelijke eisen nog steeds door hetzelfde gezag wordt bestuurd?
De wet biedt de Minister geen eigenstandige bevoegdheid om zelfstandig bestuurders te ontslaan of een nieuw bestuur te benoemen. Het is aan het bevoegd gezag om de samenstelling van het bestuur te wijzigen.
Scholen en besturen moeten de bekostiging aanwenden voor kwalitatief goed onderwijs. De inspectie constateert dat het bevoegd gezag van het Cornelius Haga Lyceum er herhaaldelijk niet in slaagt de onderwijskwaliteit te waarborgen. Dit is zorgelijk voor de leerlingen van de school. Het is van groot belang dat zij op korte termijn goed onderwijs krijgen.
Wanneer sprake is van wanbeheer, beschikt de Minister over verschillende mogelijkheden om in te grijpen. Op grond van de sectorwetten kan aan een bestuur een aanwijzing worden opgelegd. Dat is een bestuurlijk instrument waarmee besturen gedwongen kunnen worden maatregelen te nemen om het wanbeheer te beëindigen. Deze maatregelen kunnen ook gericht zijn op de samenstelling van het bestuur.
Bent u bereid om zo snel mogelijk gebruik te maken van uw bevoegdheden om in te grijpen bij dit wanbeheer? Zo ja, hoe?
Ik vind het van het grootste belang dat de leerlingen van het Cornelius Haga Lyceum zo spoedig mogelijk kwalitatief goed onderwijs kunnen volgen. Ik bereid gepaste vervolgstappen voor binnen mijn bevoegdheid. Zodra ik een definitief besluit heb genomen over de vervolgstappen informeer ik uw Kamer.
Welke mogelijkheden bestaan er om het huidige bestuur geheel of gedeeltelijk te vervangen wanneer sprake is van langdurig wanbeheer?
Zie het antwoord op vraag 4.
Is sluiting van de school mogelijk wanneer de kwaliteit en continuïteit van het onderwijs onvoldoende gewaarborgd is? Zo ja, onder welke voorwaarden?
Ja. Op grond van Artikel 2.95 WVO 2020 kan de Minister besluiten een schoolsoort of leerweg op te heffen (bij openbare scholen) of de bekostiging daarvan te beëindigen (bij bijzondere scholen). Dit is een uiterste maatregel, die enkel ingezet kan worden als aan strikte wettelijke voorwaarden wordt voldaan: de inspectie moet een herhaald eindoordeel Zeer zwak hebben vastgesteld, gebaseerd op onvoldoende leerresultaten; de inspectie moet geconstateerd hebben dat het bevoegd gezag niet bereid is afspraken te maken over verbeteringen dan wel onvoldoende verbeteringen heeft doorgevoerd; en het bevoegd gezag moet de mogelijkheid hebben gehad om hierop zijn zienswijze in te dienen. Aan deze wettelijke voorwaarden is in deze casus niet voldaan. Op dit moment zijn de in dit antwoord beschreven mogelijkheden wettelijk niet aan de orde. Ik bereid vervolgstappen voor op basis van het genoemde inspectierapport.
Hoe wordt op dit moment gewaarborgd dat de leerlingen goed onderwijs krijgen en geen verdere leerachterstanden oplopen?
De onderwijskwaliteit en de ontwikkeling van leerlingen zijn en blijven de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag van de school. De inspectie heeft geconcludeerd dat het bestuur nalaat om voldoende zorg te dragen voor verbetering van de onderwijskwaliteit. Op basis van de geconstateerde tekortkomingen zijn herstelopdrachten opgelegd. De inspectie ziet nu toe op de voortgang van deze herstelopdrachten. Ik bereid verdere maatregelen voor om te bewerkstelligen dat de leerlingen van het Cornelius Haga Lyceum op korte termijn weer onderwijs van goede kwaliteit krijgen.
Welke lessen vallen er volgens u uit deze casus te trekken voor het toezicht op nieuwe scholen en kleine schoolbesturen, in het bijzonder wanneer sprake is van gebrekkig intern toezicht?
De kwaliteit van nieuw opgerichte scholen moet goed gemonitord worden. Dat doet de inspectie: nieuwe scholen krijgen standaard een kwaliteitsonderzoek binnen een jaar na oprichting, en afhankelijk van de opbrengsten daarvan vindt vervolgtoezicht plaats. Op deze manier is ook het Cornelius Haga Lyceum vanaf het begin bij de inspectie in beeld geweest.
Een zorgwekkende situatie zoals die bij SIO is uitzonderlijk. Er zijn veel kleine schoolbesturen waar de bestuurlijke kwaliteit en de onderwijskwaliteit op orde zijn. Het intern toezicht is een belangrijk gremium in de waarborging van onderwijskwaliteit. Wanneer de bestuurlijke kwaliteit wordt onderzocht, is het intern toezicht hier altijd onderdeel van. Deze casus bevestigt het belang hiervan. Dit laat ook het belang zien van toezicht van de inspectie op besturen.
Bent u van mening dat het huidige instrumentarium van de Inspectie voldoende is om in te grijpen bij scholen waar langdurig sprake is van zeer zwak onderwijs of wanbeheer?
De interventiemogelijkheden van de inspectie zijn gericht op herstel van de onderwijskwaliteit. Gezien het zeer kleine aantal scholen of afdelingen in het funderend onderwijs waar sprake is van langdurig zeer zwak onderwijs, is het inspectie-instrumentarium effectief.
Welke gevolgen heeft deze conclusie van de Inspectie voor de aanvragen die zijn gedaan voor het stichten van nieuwe scholen in bijvoorbeeld Almere en Tilburg?
De stichtingsaanvragen die recent zijn gedaan in Almere en Tilburg zijn door de inspectie beoordeeld op kwaliteit van het ingediende plan voor de betreffende scholen. Daarbij wordt onder andere beoordeeld of de bestuursstructuur voldoet aan de wettelijke eisen, met de waarborg van een onafhankelijke rol van intern toezicht.
Tevens is gekeken of bestuurders in de afgelopen vijf jaar een school hebben moeten sluiten vanwege zeer zwakke onderwijskwaliteit. De inspectie gaat bij alle nieuwe scholen in het eerste jaar langs en beoordeelt de scholen en besturen dan op hun functioneren. Dat zal ook in Almere en Tilburg gebeuren.
Leerlingenvervoer als randvoorwaarde voor toegang tot onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat leerlingenvervoer niet primair een logistiek vraagstuk is, maar in essentie een randvoorwaarde is voor toegang tot onderwijs? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de regie over het leerlingenvervoer naar u toe te trekken?
Leerlingenvervoer zorgt ervoor dat kinderen die niet zelfstandig naar school kunnen reizen, toch naar school kunnen. Iedere gemeente beslist welke leerlingen recht hebben op een vervoersvoorziening en hoe dat kan worden georganiseerd. Dat kan zijn (begeleid) reizen via het openbaar vervoer, per fiets, een voorziening in de kosten die ouders zelf maken of aangepast vervoer. We zijn van mening dat het passend is dat deze beslissingen op lokaal niveau genomen worden. Gemeenten zijn immers vertrouwd met de lokale situatie en hebben al contacten met plaatselijke samenwerkingsverbanden en scholen.
Het Ministerie van OCW ontvangt verschillende signalen over knelpunten in de uitvoering van het leerlingenvervoer – vanuit het werkveld – en heeft daarom regie genomen om, samen met onder andere Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Ouders en Onderwijs, LBVSO en sectorraad Gespecialiseerd Onderwijs (GO), tot een werkagenda leerlingenvervoer te komen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. OCW werkt daarnaast samen met VWS aan het verbeteren van het doelgroepenvervoer, waar leerlingenvervoer onder valt. Zo nam OCW deel aan de verbeteragenda doelgroepenvervoer en wordt er met VWS en I&W samengewerkt op het gebied van publieke mobiliteit.
Kunt u schetsen wat er de afgelopen jaren is gedaan om de aanhoudende problemen in het leerlingenvervoer aan te pakken? Is het aanpassen van de normbedragen voldoende om de problemen te lijf te gaan, zeker in relatie tot de stijgende kosten voor brandstof?
Op 19 november 2025 is overleg gevoerd met Ouders & Onderwijs, LBVSO, VGN en Sectorraad GO over het leerlingenvervoer. Het doel van dit gesprek was om samen te bezien wat er in het onderwijsdomein gedaan kan worden om de uitvoering van het leerlingenvervoer te verbeteren, in aanvulling op de verbeteraanpakken doelgroepenvervoer (onder regie van het Ministerie van VWS) en Publieke Mobiliteit (onder regie van I&W). In de komende maanden wordt de werkagenda verder uitgewerkt. Elk van de betrokken partijen zal een deel van de acties op zich nemen. Conform toezegging zal ik de Kamer voor het herfstreces informeren over de voortgang van de werkagenda en de thema’s waar deze zich op richt.1
Is uw verwachting dat bij de start van schooljaar 2026–2027 grote problemen zullen uitblijven? Zo nee, bent u hierover met gemeenten en scholen in gesprek?
Aan het begin van een nieuw schooljaar verandert er vaak veel voor leerlingen, de scholen en de vervoerders. Voor leerlingen en ouders kunnen de school, het vervoer en ook de route nieuw zijn. Ook vervoerders kunnen te maken krijgen met nieuwe contracten en/of nieuwe routes. Dat geeft soms opstartproblemen en dat willen we allemaal zo veel mogelijk voorkomen. Het is aan gemeenten, vervoerders en het onderwijs om daar samen goede afspraken over te maken.
Het Ministerie van OCW heeft korte lijnen met gemeenten – ook via de VNG – en vervoerders. Op dit moment zijn de gesprekken die we met hen voeren voornamelijk in het kader van de werkagenda. Met de werkagenda hopen we samen stappen te zetten in het duurzaam verbeteren van het leerlingenvervoer. Over de concrete invulling van de werkagenda wordt u voor het herfstreces geïnformeerd in de hierboven genoemde Kamerbrief.
Wat is er gedaan met de opmerkingen van uw ambtsvoorganger die in 2022 het «onacceptabel» noemde dat veel gemeenten de reistijd niet bijhouden? Gebeurt dat inmiddels wel? Zo ja, is de reistijd inmiddels gehalveerd zoals uw ambtsvoorganger wilde bewerkstelligen?
Het is zorgelijk dat er momenteel geen goed inzicht is in de staat van het leerlingenvervoer. Daarom willen we met de werkagenda ook de monitoring van het leerlingenvervoer verbeteren. Een van de doelstellingen van de werkagenda leerlingenvervoer is om meer inzicht te krijgen in de gemiddelde reistijd van leerlingen. We bereiken dit onder andere door een inventarisatie van de beschikbare cijfers rondom het leerlingenvervoer. Daarnaast heeft OCW Oberon verzocht om in Q3 2026 bij gemeenten een landelijke monitor leerlingenvervoer uit te vragen – deze meting is in 2022 en 2024 ook uitgevoerd. Uit de monitor van 2024 kwam naar voren dat 49% van de 210 gemeenten weet hoelang leerlingen gemiddeld onderweg zijn. Dit is gemiddeld 50 minuten.2
Klopt het dat voor leerlingenvervoer niet dezelfde regels gelden als voor bijvoorbeeld lijnbussen en taxi’s, waardoor leerlingen die naar school moeten in de file terecht kunnen komen terwijl een taxi wél door kan rijden?
Reizigers die gebruik maken van gemotoriseerd vervoer kunnen door files langer onderweg zijn naar werk, afspraken of dagbesteding. Leerlingen die met het aangepaste vervoer naar school reizen kunnen, net als andere reizigers, ook in deze files terecht komen.
Rijkswaterstaat geeft aan dat zowel taxi’s als vervoerders binnen het doelgroepenvervoer geen aparte wettelijke status voor de te gebruiken plek op de weg en te gebruiken wegdelen hebben. Wel hebben wegbeheerders mogelijkheden om breder gebruik van busbanen en busstroken toe te staan indien zij dat nodig en verantwoord achten in de specifieke situatie ter plekke, zie ook het antwoord op vraag 6.
Is het technisch en juridisch mogelijk om een vrijstelling te krijgen voor leerlingenvervoer, waardoor deze wel gebruik mogen maken van een lijnbusbaan, zodat zij zo kort mogelijk in het vervoersmiddel zitten? Zo ja, ligt de verantwoordelijkheid hiervoor dan bij de rijksoverheid, provincie of gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Het is juridisch en technisch mogelijk om een vrijstelling te krijgen voor leerlingenvervoer, maar het is onwenselijk om een situatie te creëren waarin te veel doelgroepen een voorrangspositie krijgen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. Wel geeft Rijkswaterstaat aan dat wegbeheerders bepaalde ge- of verbodsborden specifiek wel of niet kunnen laten gelden voor bepaalde soorten weggebruikers (door middel van een onderbord). Ook kunnen wegbeheerders op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) ontheffing verlenen aan bepaalde soorten weggebruikers voor bepaalde verkeerstekens en verkeersregels, waaronder die met betrekking tot gebruik van busbanen en busstroken (RVV 1990, artikel 81). Hierdoor kunnen wegbeheerders maatwerk leveren, rekening houdend met de situatie ter plekke. De wegbeheerders kunnen hierbij verschillende belangen afwegen, zoals de verkeersveiligheid en doorstroming van zowel het leerlingenvoer als het overige verkeer.
Wat heeft de campagne «Sleur? Word chauffeur!» destijds opgeleverd? Zijn er momenteel campagnes of acties ingezet om meer chauffeurs te werven voor doelgroepenvervoer?
De campagne «Sleur? Word chauffeur!» is een initiatief dat in september 2022 gestart is door het Sociaal Fonds Mobiliteit. Vanwege het succes van de campagne in het bereiken van potentiële sollicitanten loopt deze nog door tot in ieder geval september 2027, onder de naam: «Stuur met je hart». Vanaf het begin van de campagne tot en met mei 2026 waren er ruim 11.000 contactmomenten.3
Het doel voor afgelopen schooljaar was 3000 sollicitanten. Dit werd ruim behaald. Voor dit nieuwe schooljaar (september 2026-september 2027) is het doel 3300 sollicitanten. Zover bij ons bekend lopen er daarnaast geen andere campagnes om meer chauffeurs te werven.
Het bericht: "Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen" |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de zorgen van onder meer de technieksector dat juist kostbare technische opleidingen onder druk komen te staan door de voorgestelde bekostigingssystematiek?
Er is bewust voor gekozen om de herziening geen negatief effect te laten hebben op het totale budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen.
De herziening stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.
Deelt u de mening dat Nederland zich geen verdere verschraling van het technische mbo-aanbod kan veroorloven gezien de enorme tekorten aan technisch personeel en de maatschappelijke opgaven op het gebied van o.a. woningbouw, defensie, energie, infrastructuur en tech? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik. Het kabinet treft daarom verschillende maatregelen om techniekopleidingen verder te stimuleren, bijvoorbeeld met de Talentstrategie die op 10 juli naar de Kamer is verstuurd. Hiermee wordt meer talent opgeleid en begeleid naar de cruciale opgaven waar Nederland voor staat. Binnen de Talentstrategie kiest het kabinet ervoor om specifiek te investeren in vier domeinen: Digitalisering & AI, Veiligheid & weerbaarheid, Energie- & klimaattechnologie en Life sciences & biotechnologie. Techniek speelt hier een belangrijke rol in. In het mbo wordt dit verder vormgegeven via het nog af te sluiten Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst». Met het pact wil het kabinet de instroom in opleidingen voor de cruciale opgaven verhogen.
Ook met de herziene bekostiging wordt hier verder op ingezet. Met het samenwerkingsbudget wordt namelijk € 200 miljoen beschikbaar gesteld om verder invulling te geven aan de Talentstrategie en het pact. Mbo-instellingen kunnen aanspraak maken op dit budget via gezamenlijke regionale plannen met werkgevers, waarmee de doelstellingen uit de Talentstrategie en het mbo-pact worden omgezet in concrete afspraken. In de plannen zal in ieder geval aandacht zijn voor een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst.
Kunt u uitsluiten dat de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek ertoe leidt dat techniekopleidingen worden afgeschaald of verdwijnen in regio's waar de vraag naar technisch personeel juist groot is?
De voorgestelde hervorming heeft geen negatief effect op het budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen en stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.
Daarnaast biedt de stabiliteit van een vaste voet instellingen meer zekerheid om noodzakelijke investeringen in het opleidingsaanbod te doen. Dit komt de toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs ten goede, waaronder ook het techniekonderwijs. Voor de regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen wordt daarnaast een toegankelijkheidsopslag geïntroduceerd. Hierdoor blijft mbo-onderwijs, waaronder in de techniek, beschikbaar voor studenten in alle delen van Nederland. Ten slotte wordt met de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek het aanbod in onder andere de techniek ook verder gestimuleerd met behulp van het samenwerkingsbudget (zie antwoord op vraag2.
Heeft u voorafgaand aan het onderliggende voorstel een impactanalyse laten uitvoeren naar de gevolgen van deze nieuwe bekostiging voor technische opleidingen en andere opleidingen in tekortsectoren? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, bent u voornemens dit nog te doen?
De mbo-bekostiging is een verdeelmodel over instellingen en kent geen vaste prijs voor een (type) opleiding. De kosten van opleidingen worden in deze verdeling tot uiting gebracht via de prijsfactoren. Een opleiding met hogere kosten kent een hogere prijsfactor dan een opleiding met lagere kosten. Het verschilt per technische opleiding welke prijsfactor is toegekend.
Met de voorgestelde vereenvoudiging van de prijsfactoren zullen de opleidingen die nu de hoogste prijsfactor ontvangen, dat in de toekomst nog steeds krijgen. De vereenvoudiging zorgt ervoor dat er, op basis van het huidige opleidingsaanbod, een lichte stijging zit in het budget dat naar instellingen gaat met techniekopleidingen. Daarnaast worden de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod gecompenseerd.
Hoeveel een instelling voor een student op een specifieke opleiding ontvangt, wordt niet alleen bepaald door de prijsfactor van deze opleiding, maar is afhankelijk van de totale verdeling van studenten over alle mbo-opleidingen in Nederland.
De budgettaire gevolgen van de voorgenomen wijzigingen zijn daarom per instelling onderzocht en niet per specifieke opleiding. Dit uit zich in een herverdeeleffect. Deze effecten per instelling voor het bekostigingsjaar 2026 zijn openbaar gemaakt via de beslisnota’s bij de Kamerbrief Stabiele financiering voor goed en toegankelijk mbo.
Op welke wijze wordt in de door u voorgestelde nieuwe bekostigingssystematiek rekening gehouden met het feit dat technische opleidingen aantoonbaar hogere kosten kennen dan veel andere opleidingen, bijvoorbeeld vanwege praktijklokalen, machines en materialen?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat er € 200 miljoen beschikbaar komt voor regionale plannen die gericht zijn op het opleiden voor maatschappelijk cruciale sectoren? Kunt u dat nader duiden?
Ja, dit betreft het samenwerkingsbudget. Met deze € 200 miljoen worden in regionale plannen afspraken gemaakt met werkgevers over een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst. Ook dienen in het plan maatregelen te staan die ervoor zorgen dat de instroom en uitstroom van studenten past bij het opleidingsportfolio en de arbeidsmarkt van de toekomst. Daarnaast is er aandacht voor de beschikbaarheid en kwaliteit van stages, met goede begeleiding en inzet op loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) en flexibilisering.
De Talentstrategie en het nog af te sluiten Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst» vormen de kaders waaraan de regioplannen moeten voldoen. Zowel het Pact, als de specifieke regeling van het samenwerkingsbudget worden nog verder vormgegeven.
Waarom kiest u ervoor deze middelen afhankelijk te maken van bovengenoemde regionale plannen terwijl instellingen en bedrijven aangeven behoefte te hebben aan structurele zekerheid voor technische opleidingen?
Om de structurele zekerheid voor alle instellingen te vergroten introduceer ik de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag. Dit zijn vaste bedragen, die alleen worden bijgesteld met de eventuele loon- en prijsbijstelling.
Voor een goede aansluiting tussen het mbo-onderwijs op de arbeidsmarkt is naast deze zekerheid, regionale samenwerking cruciaal. Dit gaat om samenwerking tussen instellingen onderling, maar ook bijvoorbeeld met werkgevers. Deze samenwerking komt niet overal voldoende tot stand. Daarom kies ik ervoor om de instellingen, in afstemming met werkgevers, regioplannen te laten maken.
Mijn ministerie stelt criteria op voor de regioplannen en beoordeelt de plannen op onder meer de inhoudelijke doelen en ambitie. Een strak beoordelingskader zorgt ervoor dat ik kan sturen op de gewenste uitkomsten. Dergelijke sturing is niet mogelijk via de lumpsum, vandaar dat ik kies voor de systematiek van het samenwerkingsbudget.
Voor de Regeling Aanvullende middelen studentendaling mbo 2025–2027 hebben mbo-instellingen in regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen ook regioplannen moeten maken om de toegankelijkheid in hun regio te borgen.
De ervaringen met deze systematiek van regioplannen zijn positief.
Klopt het dat instellingen die relatief veel studenten opleiden voor de techniek maar niet onder de toegankelijkheidstoeslag vallen per saldo nadeel kunnen ondervinden van de voorgestelde herverdeling? Zo ja, kunt u dat nader duiden?
Ja, dit kan het geval zijn. De negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod worden gecompenseerd. Instellingen ondervinden hier dus geen nadeel van. Het kan wel zo zijn dat instellingen als gevolg van de introductie van de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag een negatief herverdeeleffect hebben. Dit heeft onder andere te maken met de ontwikkeling van de studentenaantallen van instellingen ten opzichte van de ontwikkeling bij andere instellingen.
Hoe gaat u bij de verdere uitwerking van de bekostigingssystematiek voorkomen dat opleidingen in tekortsectoren, waaronder de techniek, geen nadelen ondervinden van de herverdeling van middelen?
Om dit te voorkomen heb ik besloten om met extra geld de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod te compenseren. Daarnaast geldt, zoals uiteengezet bij het antwoord op vraag 5 en 6, dat het bedrag dat een instelling aan bekostiging ontvangt afhankelijk is van het volledige mbo-aanbod dat gevolgd wordt in heel Nederland.
Deelt u de mening dat het mbo meer moet opleiden voor tekortsectoren? Waarom kiest u er niet voor om een deel van de bekostiging afhankelijk te maken van de bijdrage van opleidingen aan maatschappelijke tekorten, en klopt het dat dit eerder een nadrukkelijke bouwsteen van de hervorming van de bekostiging was?
Een factor voor een hogere bekostiging voor opleidingen met grote maatschappelijke relevantie is inderdaad een bouwsteen die eerder op tafel heeft gelegen. De Kamer is hierover geïnformeerd.3 Er is onderzocht of een factor in de bekostiging kon worden ingebouwd, waardoor er meer geld zou gaan naar opleidingen met een grote maatschappelijke relevantie. Dit bleek echter niet effectief.
De factor zou namelijk worden toegepast op de lumpsum, die binnen de wettelijke kaders vrij te besteden is. Het is dus geen garantie dat het hogere budget ten goede komt van de arbeidsmarktrelevante opleidingen. Instellingen mogen besluiten om het budget anders in te zetten. Daarnaast kent de lumpsum een verdeelmodel: dit betekent dat de hogere factor bij de ene opleiding, ten kostte gaat van het budget bij andere opleidingen. Dit kan de kwaliteit van andere opleidingen aantasten.
Bovenstaande argumenten zijn uiteengezet door de Reviewcommissie herziening bekostiging mbo. Deze commissie heeft gedurende het proces van de herziening meerdere malen advies gegeven over de gemaakte keuzes en het doorlopen proces. Hierbij is door mijn ambtsvoorganger expliciet advies gevraagd over de arbeidsmarktfactor. De commissie benadrukte dat het legitiem is om te sturen op maatschappelijke relevantie, maar zette fundamentele vraagtekens bij de effectiviteit van sturing hierop via de bekostiging en benadrukte daarbij bovenstaande punten. De commissie adviseerde daarom om met andere instrumenten te sturen op de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld via het samenwerkingsbudget.
Met het samenwerkingsbudget wordt het budget geoormerkt. Daarmee is (in tegenstelling tot een hogere factor in de lumpsum) verzekerd dat middelen aan de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt wordt uitgegeven. De keuze voor het samenwerkingsbudget stelt mij in de gelegenheid criteria te stellen en de regioplannen te beoordelen. Nauwe afstemming met werkgevers kan bijvoorbeeld worden geëist, evenals het sturen op de kaders uit de Talentstrategie en het Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst».
Bent u bereid om voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel met vertegenwoordigers van de technieksector, mbo-instellingen en werkgevers aanvullende afspraken te maken om te voorkomen dat technische opleidingen verdwijnen?
Ik heb veelvuldig contact gehad met mbo-instellingen en werkgevers over de totstandkoming van het voorstel voor de herziene bekostiging. Ook ben ik in gesprek met vertegenwoordigers van de technieksector. Daarnaast ben ik met de mbo-instellingen en werkgevers in gesprek over het Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst», waarmee in invulling zal geven aan de Talentstrategie voor het mbo. In dit pact maken overheid, mbo en werkgevers landelijke afspraken om samen studenten op te leiden voor de cruciale sectoren voor onze welvaart en samenleving. U wordt hier dit najaar verder over geïnformeerd.
De opening van de Renaissanceschool in Almere |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Renaissanceschool in Almere rijksbekostiging ontvangt? Per welke datum is deze bekostiging toegekend en kan het advies van de Inspectie van het Onderwijs (onderwijsinspectie) als bijlage worden meegestuurd?
Ja, de Renaissanceschool in Almere ontvangt vanaf augustus 2026 bekostiging. Het besluit hierover is genomen op 3 juni 2025 en ook gepubliceerd in de Staatscourant.1 Het inspectieadvies is opgevraagd via een WOO-verzoek en zal op korte termijn openbaar worden gemaakt.
Welke rechtspersoon is het bevoegd gezag van de Renaissanceschool? Wie zijn de bestuurders en toezichthouders, en welke andere organisaties zijn formeel of feitelijk bij deze school betrokken?
Het bevoegd gezag is de Tocqueville stichting. De namen van de bestuurders van de stichting zijn geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De stichting heeft een one-tier model waar het toezicht onderdeel uitmaakt van het bestuur. In het uittreksel van de KvK worden geen andere organisaties genoemd die formeel of feitelijk betrokken zijn bij deze stichting.
Het bestuur is verantwoordelijk voor wat er op de school gebeurt.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat een school aparte leertrajecten aanbiedt voor jongens en meisjes op basis van «de biologische verschillen tussen de seksen» en daarbij stelt dat individuele verschillen in aanleg en geslacht «fundamenteel en onveranderlijk» zijn?
In beginsel mag een school bij het aanbieden van onderwijs geen onderscheid maken op grond van geslacht.2 De Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) staat voor bijzondere scholen een beperkte uitzondering toe op deze hoofdregel.3 Hiervoor gelden strikte voorwaarden. Een school mag alleen onderscheid naar geslacht maken voor zover dat onderscheid een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd vereiste vormt, gelet op de religieuze of levensbeschouwelijke
grondslag van de school. Onderscheid naar geslacht is alleen toegestaan indien er sprake is van gelijkwaardige voorzieningen en het gemaakte onderscheid mag niet verder gaan dan passend is op basis van genoemde grondslag.
In alle gevallen moet de school aan de wettelijke burgerschapsopdracht blijven voldoen, die onder andere is vastgelegd in artikel 8, lid 3a, van de Wet op het Primair Onderwijs. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt van scholen dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en dat ze zorgdragen voor een schoolcultuur die daar van uitgaat. Daarop ziet de inspectie toe. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt ook nadrukkelijk van scholen dat ze haar leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in geslacht, alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Voor een school die onderscheid maakt op grond van geslacht, brengt dat een bijzondere verantwoordelijkheid met zich mee.
Hoe verhoudt het aanbieden van aparte leertrajecten zich tot de Algemene wet gelijke behandeling en sociale veiligheidsverplichting uit artikel 8, lid 3a, Wet op het primair onderwijs?
Zie antwoord vraag 3.
Is het huidige toezichtkader voldoende toegerust om in te grijpen wanneer scholen leerlingen op basis van geslacht structureel verschillend behandelen of verschillende leertrajecten aanbieden?
In het antwoord op vraag 3 is beschreven wat wel en niet mag bij onderscheid naar geslacht; dat volgt uit de Awgb en uit de wettelijke burgerschapsopdracht. Wanneer een school zich niet aan de wettelijke burgerschapsopdracht houdt, kan de inspectie een herstelopdracht geven en, bij uitblijven van herstel, een financiële sanctie opleggen. Leven er bij leerlingen, ouders of onderwijspersoneel twijfels over of de Awgb wordt nageleefd, dan kunnen ze daarover een oordeel vragen bij het College voor de Rechten van de Mens.
Deelt u de opvatting dat een school leerlingen moet leren kritisch te denken op basis van feiten en wetenschap, en dat het wegzetten van wetenschappelijke consensus als «falsifieerbare hypothesen» in de levensovertuiging van de school hiermee op gespannen voet staat?
Met de kerndoelen wordt gereguleerd welke kennis, inzicht en vaardigheden leerlingen moeten verwerven en welke ervaringen zij binnen het onderwijs moeten opdoen. Een school moet waarborgen dat haar onderwijsprogramma gericht is op het realiseren van de kerndoelen. Onderdeel daarvan is ook het leren gebruiken van natuurwetenschappelijke werkwijzen, daarbij behoort het toepassen van onderzoekstappen.4 Daarnaast staat het een bijzondere school vrij om ook een eigen mens- en maatschappijvisie over te brengen in het onderwijs. Dat mag echter slechts voor zover de kerndoelen en de vereisten van de burgerschapsopdracht in acht worden genomen.
Hoe verhoudt de publieke bekostiging van een school die door een politieke partij expliciet als «onze eigen school» en als onderdeel van de eigen «zuil» wordt gepresenteerd, zich tot de vereiste van algemeen maatschappelijk nut die ten grondslag ligt aan de bekostigingssystematiek?
Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe publiek bekostigde school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria (zoals de belangstellingsmeting of de kwaliteitstoets). De lat voor nieuwe scholen is democratisch bepaald en voor iedereen gelijk. Ook in de praktijk moet elke school voldoen aan dezelfde wettelijke voorschriften, daar ziet de inspectie op toe.
Hoe wenselijk acht u het dat een politieke partij of politieke beweging een eigen school opricht?
Alle scholen hebben zich met hun onderwijs te houden aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Uit artikel 23 van de Grondwet volgt het recht om scholen te stichten die aansluiten op de wensen van ouders en leerlingen. De ruimte voor scholen om hun onderwijs in te richten op grond van een specifieke levensbeschouwelijke of religieuze grondslag en de toetsing of er wel voldoende belangstelling is voor scholen, sluit daarbij aan.
Deze vrijheid is echter niet onbegrensd. Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht rust op scholen ook de verantwoordelijkheid om leerlingen kennis en respect bij te brengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en om hen voor te bereiden op deelname aan onze pluriforme samenleving. Dat vraagt onder meer van scholen dat ze ruimte bieden voor uitwisseling van ideeën, ook als die ideeën schuren met de eigen grondslag, zodat leerlingen zelfstandig leren denken en eigen keuzes kunnen maken.
Deelt u de mening dat het gebruik van rijksbekostiging voor het opbouwen van de politieke infrastructuur van een partij een ongeoorloofd doel is dat haaks staat op de publieke functie van onderwijs?
De bekostiging die nieuwe scholen ontvangen mag enkel worden uitgegeven aan de kosten voor personeel en exploitatie van de school. De inspectie controleert hierop. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
Hoe waarborgt u dat leerlingen leren omgaan met verschillende opvattingen en niet worden opgevoed binnen de ideologische wereld van één politieke partij?
Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben scholen de plicht om leerlingen kennis en respect bij te brengen van en voor verschillen in bijvoorbeeld levensovertuiging en politieke gezindheid. De inspectie beoordeelt of scholen voldoen aan deze plicht, en kan hier tevens op handhaven als dat nodig is.
Welke wettelijke waarborgen bestaan er op dit moment om te voorkomen dat een bekostigde school feitelijk functioneert als verlengstuk van een politieke partij of politieke beweging?
De wettelijke burgerschapsopdracht borgt op alle scholen, ook scholen die uitgaan van een specifieke richting, dat het onderwijs zich herkenbaar richt op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet. Daarnaast dienen scholen leerlingen kennis over en respect voor verschillen bij te brengen, onder ander op het gebied van godsdienst, levensovertuiging en politieke gezindheid. Dit volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht en heeft ook een plaats in de nieuwe kerndoelen burgerschap, die in 2027 worden opgenomen in de wet.
Deelt u de opvatting dat artikel 23 van de Grondwet ruimte biedt voor scholen met een eigen richting, maar geen vrijbrief is voor discriminatie, uitsluiting, antidemocratische vorming of partijpolitieke indoctrinatie?
Ja, die mening deel ik. Niet voor niets is in het coalitieakkoord opgenomen dat de vrijheid van onderwijs niet mag worden misbruikt om de kernwaarden van onze democratische rechtsstaat te ondermijnen. De vrijheid van onderwijs stopt daar waar discriminatie, uitsluiting of de vorming van antidemocratisch gedachtegoed begint. Voor scholen geldt nadrukkelijk de plicht om de basiswaarden van de democratische rechtsstaat te bevorderen en om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in lijn is met deze basiswaarden.
Hoe beoordeelt u de opening van de school in het kader van de burgerschapsopdracht? Acht u de het huidige toetsingskader van de onderwijsinspectie voldoende toereikend?
Het toetsingskader van de onderwijsinspectie sluit voldoende aan bij de huidige burgerschapsopdracht en wetgeving. Op basis van de inhoud van de bekostigingsaanvraag bestaat nu geen aanleiding om aan te nemen dat de school niet aan de burgerschapsopdracht zal voldoen. De inspectie toets hier nog eens op in het eerste jaar.
Bent u bereid, indien blijkt dat deze praktijk binnen het huidige toezichtkader onvoldoende kan worden aangepakt, te onderzoeken of het toezichtkader of de wet ten aanzien van de oprichting van nieuwe scholen moet worden aangescherpt?
Het inspectietoezicht en de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zijn bedoeld om ongewenste praktijken tegen te gaan. De inspectie controleert in het eerste jaar na de start van iedere school of de school voldoet aan de wettelijke eisen ten aanzien van onder andere de kwaliteit en veiligheid, waaronder de eisen rondom burgerschap.
Klopt het dat dit de eerste school is die via een marktonderzoek is opgericht en welk bureau heeft dit onderzoek uitgevoerd? Kan het marktonderzoek meegestuurd worden?
Het klopt dat dit de eerste nieuwe school is die de belangstelling heeft aangetoond via een marktonderzoek. Het betreffende marktonderzoek is ook opgevraagd via een WOO-verzoek en wordt parallel aan de beantwoording van deze schriftelijke vragen openbaar gemaakt.
Hoe beoordeelt u dat via een marktonderzoek de oprichting van de school wordt mogelijk gemaakt, terwijl het eerder niet gelukt is ondanks flinke campagnes de benodigde verklaringen te verzamelen en gezien het geringe aantal aanmeldingen?
Het is binnen de stichtingsprocedure mogelijk om voldoende belangstelling aan te tonen via ouderverklaringen of (in uitzonderingssituaties5) een marktonderzoek. Beide methoden zijn bedoeld om een goede voorspelling te geven van de daadwerkelijke belangstelling voor een school. Het marktonderzoek moet zijn afgenomen op een wetenschappelijk verantwoorde manier door een onafhankelijk onderzoeksbureau dat aantoonbaar werkt volgens een door een brancheorganisatie opgestelde gedragscode met betrekking tot de uitvoering van marktonderzoek.
In 2022 heeft de Tocqueville stichting ook een belangstellingsmeting gedaan, maar vervolgens geen bekostigingsaanvraag ingediend. Daarna heeft dit bestuur besloten een particuliere school op te richten en deze later weer te sluiten. De praktijk zal moeten uitwijzen in hoeverre het marktonderzoek een goede voorspeller is van de daadwerkelijke belangstelling voor de nieuwe school. Omdat de cijfers uit het marktonderzoek en de huidige leerlingenpopulatie verschillen, nemen we deze vorm van belangstellingsmeting mee bij de evaluatie van de wet. Elke nieuwe school moet aan het begin van het vierde jaar minimaal de helft van de stichtingsnorm behalen. In het geval van de Renaissanceschool bedraagt dit aantal 139. Zo niet, dan stopt de bekostiging aan het einde van dat schooljaar.
Het bericht 'Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol' |
|
Martin de Beer (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Berendsen , Letschert , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol»?1
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Gaza naar Jordanië te reizen?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 waarin de Minister slechts verplicht wordt om een geringe inspanning te verrichten?
Waarom is er niet gewacht met het bieden van ondersteuning aan de rest van de groep van 42 Gazanen totdat er een uitspraak in de bodemprocedure ligt?
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Jordanië naar Nederland te reizen?
Hoe verklaart u dat er naast 21 Gazaanse studenten ook 18 meereizende gezinsleden naar Nederland zijn gekomen? Op grond van welke rechterlijke uitspraak heeft Nederland de plicht om deze meereizende gezinsleden ondersteuning te bieden?
Hoe verklaart u dat de verhouding studenten versus meereizende gezinsleden bijna 1 op 1 is? Hoe verhoudt zich dit tot het gemiddelde aantal gezinsleden dat meereist met migranten met een studievisum?
Klopt het dat Gazaanse studenten tijdens het verblijf de meereizende gezinsleden financieel moeten onderhouden? In hoeverre is dit mogelijk gezien de levensstandaard in Gaza en het feit dat deze Gazanen naar Nederland komen om te studeren?
Klopt het dat deze meereizende gezinsleden geen zelfstandig verblijfsrecht hebben en Nederland dus moeten verlaten zodra de gezinsband wordt verbroken?
Hoe groot schat u de kans in dat deze meereizende gezinsleden daadwerkelijk Nederland zullen verlaten en zullen terugkeren naar Gaza indien de gezinsband wordt verbroken?
Op basis waarvan bepalen universiteiten welke buitenlandse studenten zij toelaten tot hun universiteit?
Welke ondersteuning hebben universiteiten geboden om deze studenten van Jordanië naar Nederland te laten reizen? Hebben zij bijvoorbeeld één of meerdere overnachtingen in Jordanië en de vliegtickets betaald?
Hoe komen de Nederlandse universiteiten aan het geld om deze Gazaanse studenten te ondersteunen?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan deze studenten tijdens hun verblijf in Nederland? Valt onder deze ondersteuning ook huisvesting?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de ondersteuning die Nederlandse studenten krijgen van universiteiten in hun zoektocht naar een studentenkamer, indien universiteiten inderdaad huisvesting aan deze groep bieden?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich tot het kabinetsvoornemen om het aantrekken van internationale studenten zo veel als kan te beperken tot internationaal toptalent? Is daar hier sprake van?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich voorts tot de ambitie uit het regeerakkoord om te zorgen voor genoeg vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het grootst zijn? Is daar hier sprake van?
Hoe past het toelaten van deze Gazaanse studenten in de huidige bestuurlijke afspraken met onderwijsinstellingen over de capaciteit van anderstalige opleidingen dan wel de regionale draagkracht?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan de meereizende gezinsleden?
Wat zijn de totale kosten voor de universiteiten om deze Gazaanse studenten in Nederland te laten studeren?
Deelt u de mening dat het volstrekt onwenselijk is dat universiteiten actief ondersteuning bieden bij het naar Nederland halen van studenten en hun gezinsleden uit oorlogsgebieden?
Het met hulp van de Nederlandse overheid overbrengen van Palestijnen uit Gaza naar Nederland |
|
Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat 42 Palestijnen uit Gaza met actieve hulp van de Nederlandse overheid naar Nederland zijn overgebracht1?
Waarom acht u het uw taak om Palestijnen uit Gaza naar Nederland te halen, terwijl Nederland al kampt met een ongekende asiel- en migratiecrisis?
Wie heeft aangedrongen op het overbrengen van Palestijnen uit Gaza naar Nederland? Welke non-gouvernementele organisaties (ngo), universiteiten, actiegroepen, ambtenaren, internationale organisaties en andere belanghebbenden hebben hierbij een rol gespeeld en welke kosten zijn er gemaakt?
Waarom staat u het toe dat complete gezinnen meekomen terwijl de verleende visa bedoeld zijn voor studie of werk van individuele personen?
Binnen welke termijn moeten de eerste Palestijnen Nederland weer verlaten? Welke concrete maatregelen worden genomen als zij weigeren terug te keren?
Welke harde garanties bestaan er dat alle 42 Palestijnen Nederland daadwerkelijk verlaten zodra hun visum eindigt?
Kunt u garanderen dat geen van deze Palestijnen na afloop van hun visum een asielaanvraag zal indienen om alsnog permanent verblijf in Nederland af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het binnenhalen van personen uit een door Hamas bestuurd gebied enorme veiligheidsrisico’s met zich kan brengen? Zo ja, waarom brengt u Nederlanders bewust in gevaar door onze grens open te zetten voor personen uit Gaza?
Zijn alle Palestijnen individueel en uitgebreid gescreend op veiligheidsrisico’s, radicalisering, banden met terroristische organisaties, extremistische activiteiten en identiteitsfraude? Hoeveel van deze personen beschikken niet over volledige of verifieerbare identiteitsdocumenten?
Bent u bereid per direct te stoppen met het actief faciliteren van de komst van Palestijnen naar Nederland en ook geen nieuwe visa meer te verstrekken aan personen uit Gaza? Zo nee, waarom niet?
Wilt u al deze Palestijnen samen met alle andere Palestijnen die in Nederland verblijven direct naar Jordanië sturen, de enige echte legitieme Palestijnse Staat en het verzet vanuit het Hashemitische Koninkrijk de prullenbak in gooien? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Renaissanceschool van Forum voor Democratie gaat weer open in Almere»?1
Ja
Hoe verhoudt de oprichting van scholen die zich nadrukkelijk richten op een specifieke levensbeschouwelijke of politieke gemeenschap zich volgens u tot de ambitie uit uw beleidsbrief om onderwijs te laten bijdragen aan verbinding in de samenleving, het tegengaan van segregatie en een sterke democratische rechtsstaat?
Alle scholen hebben hun onderwijs in te richten in overeenstemming met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, waaronder vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht. Binnen, onder meer, die kaders creëert de vrijheid van onderwijs (Artikel 23 van de Grondwet) het recht om scholen te stichten, met (onder voorwaarden) volledige overheidsbekostiging, en om hun onderwijs verder vorm te geven. Dat kunnen scholen op openbare of bijzondere grondslag zijn. De vrijheid van onderwijs zorgt voor meer keuzevrijheid voor ouders en leerlingen om een school te kiezen die bij hen past. Dat leidt tot een zekere mate van onderwijssegregatie. De overheid formuleert, vanuit doelmatigheidsoverwegingen, de lat waaraan elke nieuwe school moet voldoen.
Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria. Een belangrijk onderdeel hiervan is het advies van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) over de te verwachten onderwijskwaliteit. Initiatieven voor nieuwe scholen moeten bijvoorbeeld aannemelijk maken dat zij het burgerschapsonderwijs op deugdelijke wijze gaan inrichten. Zo moet het onderwijs zich onder andere herkenbaar richten op de bevordering van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Alleen als aan de in de wet genoemde criteria om in aanmerking te komen voor bekostiging wordt voldaan, kan de nieuwe school haar deuren openen.
Deelt u de mening dat scholen niet alleen een onderwijsfunctie hebben, maar ook een belangrijke maatschappelijke functie vervullen doordat kinderen met verschillende achtergronden elkaar daar ontmoeten?
Ja, die mening deel ik. Mede daarom geldt voor scholen de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze leerlingen in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving en dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen in bijvoorbeeld levensovertuiging en politieke gezindheid.
Hoe beoordeelt u in dat licht de ontwikkeling dat steeds meer nieuwe scholen zich richten op specifieke levensbeschouwelijke, religieuze en zelfs ideologische doelgroepen?
Alle scholen hebben zich met hun onderwijs te houden aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Uit Artikel 23 van de Grondwet volgt het recht om scholen te stichten die aansluiten op de wensen van ouders en leerlingen. De ruimte voor scholen om hun onderwijs in te richten op grond van een specifieke levensbeschouwelijke of religieuze grondslag en de toetsing of er wel voldoende belangstelling is voor scholen, sluit daarbij aan. Maar die ruimte is niet onbegrensd, en hoeft daardoor niet in de weg te staan van de maatschappelijke functie die scholen hebben: ongeacht hun grondslag hebben scholen zich te houden aan de wettelijke burgerschapsopdracht. In de stichtingsaanvraag moeten scholen al aantoonbaar maken dat ze zich hieraan gaan houden.
Klopt het dat uit de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen blijkt dat nieuwe scholen gemiddeld een homogenere leerlingenpopulatie hebben dan scholen in hun omgeving en dat effecten op onderwijssegregatie zichtbaar zijn op lokaal niveau?
Omdat de zogenoemde segregatie-analyses slechts zijn gebaseerd op de periode augustus 2023 tot oktober 2024, geven de onderzoekers aan dat ze alleen rapporteren over eerste indicaties van effecten. Voor het basisonderwijs wijzen die in sommige gevallen op een homogenere leerlingpopulatie op scholen die onder de wet MRvNS zijn gesticht. De onderzoekers geven tegelijkertijd aan dat de stijging van onderwijssegregatie in het basisonderwijs, die samenhangt met de komst van nieuwe scholen, zeer beperkt is en enkel op een lokaal schaalniveau zichtbaar is. De volgende evaluatie (2026–2030) zal meer informatie opleveren over het effect van nieuwe scholen op onderwijssegregatie. De resultaten van de evaluatie zullen begin 2031 openbaar worden gemaakt en met uw Kamer worden gedeeld.
Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de ambitie van het kabinet om burgerschap en integratie te versterken?
In het licht van de ambitie van het kabinet om burgerschap en integratie te versterken hoeft een homogene leerlingenpopulatie niet automatisch een probleem te zijn, mits scholen ervoor zorgen dat leerlingen ondanks de homogene populatie in aanraking komen met verschillende achtergronden en denkbeelden. Dit is een plicht die alle scholen op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben.
Klopt het dat uit dezelfde evaluatie blijkt dat het aantal nieuwe basisscholen sinds de invoering van de wet aanzienlijk is gestegen en dat islamitische scholen inmiddels de grootste categorie nieuw gestichte basisscholen vormen?
Het klopt dat er jaarlijks meer scholen worden gesticht dan voor invoering van de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen. Gemiddeld tussen de 30 en 35 per jaar (op een totaal van circa 7.500 scholen in Nederland), inclusief verzelfstandigingen en splitsingen van bestaande dislocaties, tegenover gemiddeld 18 per jaar onder de oude procedure. Het aantal nieuwe scholen per jaar blijft daarmee binnen de verwachte bandbreedte van 20 tot 50 per jaar. Islamitische scholen vormen met circa 30 tot 35% de grootste categorie binnen de nieuw gestichte basisscholen.
Uit belangstellingsmetingen blijkt behoefte aan islamitisch onderwijs, zeker in de grote steden. Onder de oude stichtingsprocedure was het moeilijker een islamitische school te stichten, omdat de wensen van ouders toen geen directe rol speelden.
Welke lessen heeft u uit deze ontwikkeling getrokken voor de verdere uitvoering van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen?
De belangstellingsmeting stelt ouders in staat zich uit te spreken over hun onderwijswensen. Voor alle scholen geldt dat kwaliteit van groot belang is. In hoeverre nieuwe scholen daaraan bijdragen, is nog niet duidelijk. Nieuwe scholen drukken daarnaast extra op tekorten in onderwijshuisvesting en personeel, met name in (grote) steden. Meer grip op het aantal nieuwe scholen binnen bepaalde regio’s is daarom steeds meer van belang. Ik verken welke mogelijkheden daartoe zijn.
Op welke wijze wordt bij aanvragen voor nieuwe scholen momenteel beoordeeld wat de gevolgen zijn voor segregatie en de ontmoeting tussen verschillende groepen leerlingen?
Het eventuele segregerende effect van een nieuwe school is geen onderdeel waar in de stichtingsprocedure op wordt getoetst. Wel is burgerschap een toetsingscriterium. Er is aanvullend inzicht nodig op het effect. Zie verder het antwoord op vraag 5.
Acht u het wenselijk dat publiek bekostigd onderwijs zich steeds verder organiseert langs ideologische of zelfs politieke scheidslijnen?
Voor mij staat voorop dat elk kind goed onderwijs krijgt, ongeacht de grondslag van de school. Daarbij is naast taal en rekenen ook burgerschap van groot belang, dat leerlingen kennis en respect bijbrengt van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en hen de sociale en maatschappelijke competenties bijbrengt die hen in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, Nederlandse samenleving.
Klopt het dat in het regeerakkoord is aangekondigd dat het kabinet de uitkomsten van de evaluatie van de Wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zal betrekken bij een herziening van de wet? Wat is de actuele stand van zaken van deze herziening?
Ja, dat klopt. In mijn brief van 2 juli 2026 is uw Kamer geïnformeerd over actuele stand van zaken van de herziening van de stichtingsprocedure. Ik wil in eerste instantie inzetten op het Wetsvoorstel praktische verbeteringen stichtingsprocedure en het beter positioneren van het gesprek in de regio met gemeenten en schoolbesturen. Aan uw Kamer is toegezegd dat het wetsvoorstel voor het einde van dit kalenderjaar naar de Raad van State wordt gestuurd.
Deelt u de opvatting dat de huidige wet sterk uitgaat van aangetoonde ouderbelangstelling maar onvoldoende rekening houdt met bredere belangen zoals huisvesting, arbeidsmarkt, segregatie en een evenwichtig onderwijsaanbod?
Het oprichten van nieuwe scholen met overheidsbekostiging een grondrecht. Zie ook het antwoord op vraag 2. Dit grondrecht kan door de overheid alleen met uniforme bekostigingscriteria (zoals een belangstellingsmeting of stichtingsnormen) op rijksniveau (niet decentraal) worden begrensd. Dat kan betekenen dat een nieuwe school een meer gesegregeerde populatie aantrekt en dat sommigen zullen vinden dat het onderwijsaanbod minder evenwichtig wordt. Daarnaast zien we dat de stichtingsvrijheid in sommige gevallen schuurt met de beschikbare huisvesting en het beschikbare onderwijspersoneel binnen een gemeente. Meer grip op het aantal nieuwe scholen binnen bepaalde regio’s is daarom steeds meer van belang. Ik ga breed verkennen welke mogelijkheden daartoe zijn.
Welke mogelijkheden ziet u om in de wet een explicietere afweging op te nemen tussen oudervoorkeuren enerzijds en deze belangen, zoals segregatie, anderzijds?
Zie antwoord vraag 12.
Deelt u de mening dat gemeenten momenteel onvoldoende instrumenten hebben om ongewenste versnippering van het onderwijsaanbod tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid te verkennen of gemeenten een zwaardere rol moeten krijgen bij nieuwe schoolstichtingen, bijvoorbeeld door hun oordeel over segregatie-effecten of de gevolgen voor het lokale onderwijsaanbod zwaarder te laten meewegen?
In mijn brief van 2 juli 2026 ben ik ingegaan op het toekennen van een (mede)beslissende rol aan gemeenten en op uw motie hierover. De hoofdlijn is dat een (mede)beslissende rol toekennen aan gemeenten in strijd lijkt te zijn met Artikel 23 van de Grondwet.
Het bericht 'Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: ‘Jullie moeten allemaal sterven, vuile fascisten’' |
|
Marjolein Faber (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: «Jullie moeten allemaal sterven vuile fascisten»» en wat is uw reactie op de in het artikel beschreven gebeurtenissen?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het artikel. In de verdere beantwoording ga ik voor zover mogelijk nader op de gebeurtenissen in, maar wat in algemene zin in ieder geval geldt is dat het nooit de bedoeling kan zijn dat mensen zich geïntimideerd voelen bij de uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging.
Klopt het dat leden van de Groot-Nederlandse Studentenvereniging (GNSV) in Leiden zijn omsingeld, gevolgd, geïntimideerd en bedreigd door personen die zich met Antifa identificeren, waarbij onder meer uitspraken zouden zijn gedaan als «Ik geef je een nekschot» en «jullie moeten allemaal sterven»?
De politie heeft laten weten dat zij bekend zijn met het incident. Op basis van de bevindingen ter plaatse herkent de politie het beeld dat wordt geschetst echter niet als zodanig. Wel zijn er uitlatingen gedaan die de agenten ter plaatse noopten de desbetreffende personen daarop aan te spreken.
Zowel de politie als het Openbaar Ministerie (OM) hebben laten weten dat er tot op heden geen aangiftes zijn gedaan naar aanleiding van de gebeurtenissen. Er loopt op dit moment geen strafrechtelijk onderzoek. Mocht dat op enig moment toch aan de orde zijn, dan is de beoordeling van specifieke gedragingen op mogelijke strafbaarheid in eerste instantie aan het OM en uiteindelijk aan de rechter. Ik zal dan ook niet verder in dit specifieke geval treden.
Wel geldt in algemene zin, zoals ik in het antwoord op vraag 1 al aangaf, dat het absoluut niet de bedoeling kan zijn dat mensen zich geïntimideerd voelen bij het uitoefenen van hun vrijheid van meningsuiting of hun vrijheid van vereniging. Natuurlijk hoort bij onze democratische rechtsstaat ook dat er ruimte moet zijn voor het laten horen van tegengeluid, maar dat mag nooit gepaard gaan met intimidatie, laat staan strafbare handelingen.
Welke informatie is hierover bekend bij politie en justitie en deelt u de mening dat dergelijke uitlatingen als ernstige bedreigingen strafrechtelijk onderzocht dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er naar aanleiding van dit incident aangiftes opgenomen, verdachten geïdentificeerd of onderzoeken gestart? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u tevens aangeven hoe u beoordeelt dat de betrokkenen volgens berichtgeving niet alleen bij het station werden benaderd, maar ook werden gevolgd naar de locatie van hun bijeenkomst?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat studenten, ongeacht hun politieke overtuiging, veilig moeten kunnen deelnemen aan verenigingsactiviteiten en gebruik moeten kunnen maken van hun recht op vrije meningsuiting en vereniging zonder angst voor intimidatie, geweld of doodsbedreigingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u aan dit incident?
Het is binnen onze democratische rechtsorde van belang dat eenieder zijn vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging kan uitoefenen, ongeacht politieke of ideologische inhoud – zolang dat uiteraard de grenzen van het strafbare niet overschrijdt. Dat politieke of ideologische meningen tegenreacties kunnen en mogen oproepen is evenzeer onderdeel van onze democratische rechtsorde: voor het uiten van die tegenreactie en een andere mening moet ook ruimte zijn. Ook hiervoor geldt echter dat de grenzen van het strafbare niet overschreden mogen worden: voor intimidatie of geweld is geen plek. Dat dit kan schuren of botsen is bekend; incidenten uitsluiten is onmogelijk. Wanneer daarbij verstoring van de openbare orde ontstaat is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. Als er sprake is van strafbare feiten, kan door de politie onder gezag van de officier van justitie worden opgetreden.
Worden extreemlinkse groeperingen die zich schuldig maken aan intimidatie, bedreiging, geweld of het verstoren van bijeenkomsten voldoende in beeld gebracht door politie, gemeenten en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en kunt u daarbij aangeven hoeveel incidenten waarbij extreemlinkse activisten betrokken waren bij bedreigingen, vernielingen, geweld of verstoringen van bijeenkomsten zich in de afgelopen vijf jaar hebben voorgedaan?
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) heeft geen (wettelijke) grondslag om onderzoek te doen naar organisaties of personen en zal derhalve groeperingen of individuen niet in kaart brengen. De NCTV stelt wel het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) op, waarin het actuele dreigingsniveau, trends, achtergronden en de aard van de dreiging worden beschreven. Zoals beschreven in het DTN van juni 2026 is over het algemeen de geweldsdreiging die uitgaat van de links-extremistische beweging in Nederland beperkt en deze lijkt ook niet toe te nemen.2
Bij wetsovertredingen, zoals bedreigingen of geweld, kan de politie onder bevoegd gezag van het OM optreden. Op het moment dat gedragingen de lat van extremisme of terrorisme halen, dan kunnen personen worden opgenomen in de lokale persoonsgerichte aanpak radicalisering, waar gemeenten regievoerder zijn. Personen worden opgenomen in deze aanpak aan de hand van objectieve criteria die omschreven staan in de wet. Deze criteria zijn ideologieneutraal en gaan over radicalisering en extremisme, niet over activisme. Het bespreken van personen in deze aanpak vindt plaats op lokaal niveau. Het kabinet heeft dus geen inzicht in hoeveel personen er besproken worden in de persoonsgerichte aanpak of welk gedachtegoed zij aanhangen.
Het gevraagde overzicht van incidenten in de afgelopen vijf jaar is door de politie en het OM niet te genereren, omdat er in de systemen van beide organisaties geen specifieke classificering is met betrekking tot linksextremisme.
Kunt u uitsluiten dat binnen universiteitssteden een klimaat ontstaat waarin rechtse of conservatieve studenten zich niet langer veilig voelen om hun politieke overtuiging uit te dragen? Zo nee, bent u bereid in overleg te treden met universiteiten en studentenorganisaties om politieke intimidatie en geweld keihard aan te pakken en de Kamer vóór het einde van het zomerreces te informeren over de uitkomsten van eventuele onderzoeken en aanvullende maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het artikel ‘Kabinet trekt enkele tonnen uit voor Joodse studenten’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u bekend met bovenstaand artikel?1
Ja.
Welke «centrale Joodse studentenorganisatie» heeft formeel om financiële middelen gevraagd bij het Ministerie van OCW en welke persoon/personen heeft/hebben dit verzoek namens deze centrale Joodse studentenorganisatie gedaan?
Wanneer is dit verzoek precies gedaan?
Welke specifieke Joodse studentenorganisaties, stichtingen en/of verenigingen zijn aangesloten bij deze centrale Joodse studentenorganisatie?
Welk schriftelijk plan, activiteitenvoorstel of projectvoorstel lag aan de financiering ten grondslag?
Welke concrete activiteiten, doelstellingen en beoogde resultaten waren in dit plan opgenomen en/of welke concrete problemen moesten volgens het plan worden aangepakt?
Welk bedrag is uiteindelijk beschikbaar gesteld, aan welke rechtspersoon of persoon zijn deze middelen toegekend en op grond van welke subsidieregeling, wettelijke bevoegdheid of andere financieringsconstructie is dit gebeurd?
Op basis van welke criteria heeft het ministerie vastgesteld dat de indiener(s) van het voorstel voldoende representatief waren voor de doelgroep waarvoor de middelen bedoeld zijn?
In hoeverre valt deze subsidieverstrekking onder de aanbestedingsplicht?
Subsidies vallen onder het bestuursrecht en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet onder het inkooprecht. Wanneer de Rijksoverheid een subsidie verleent, zijn de reguliere Europese en nationale aanbestedingsregels in beginsel niet van toepassing op het verleningsproces. Om te beoordelen of de besteding van overheidsmiddelen op de juiste wijze geschiedt en geen staatssteun oplevert wordt – zoals gebruikelijk – bij elke ingediende aanvraag een staatssteuncheck uitgevoerd.
Bent u het ermee eens dat de Kamer voor een goede controle van de besteding van publieke middelen volledig moet kunnen vaststellen wie het initiatief heeft genomen, wie het plan heeft opgesteld, wie als gesprekspartner van het ministerie heeft opgetreden en aan wie de middelen uiteindelijk zijn toegekend?
Transparantie is van belang zodat de Kamer in staat is haar controlerende taak uit te oefenen. Zoals bij de beantwoording van vragen 2 t/m 8 genoemd, wordt na de formele besluitvorming voldoende informatie openbaar. Bij individuele subsidieverstrekkingen kent de Kamer geen directe operationele controle, dat betekent o.a. dat zij aan de voorkant van processen niet gaat over de verdeling van middelen. Die exclusieve bestuursbevoegdheid ligt bij de Minister als bestuursorgaan.
Indien dat niet zo is, waarom niet? Indien dat wel zo is, waarom is dat niet gedaan?
In dit specifieke geval is van een subsidiebesluit (nog) geen sprake, slechts van een reservering ten behoeve van verstrekking van middelen ten behoeve van Joodse studenten en medewerkers. In algemene zin controleert de Tweede Kamer via de Grondwet en de Comptabiliteitswet de Minister, die op haar beurt via het bestuursrecht (Awb) toezicht houdt op de individuele subsidierelaties. De Tweede Kamer treedt dus niet op als de bezwaarschriftcommissie of directe controleur van één of meerdere specifieke subsidieontvanger(s).
Bent u zodoende bereid de volledige subsidieaanvraag, het projectplan, de begroting, de beoordelingsstukken, de subsidiebeschikking, de verantwoordingsvoorwaarden en een chronologisch overzicht van alle relevante contacten en besluiten te doen toekomen aan de Kamer?
Zie mijn antwoord op vragen 2 t/m 8.
Ben u ervan op de hoogte dat er in Nederland meerdere Joodse studentenorganisaties zijn en bent u het met mij eens dat deze organisaties evengoed aanspraak zouden moeten kunnen maken op publieke middelen?
Ja, ik ben daarvan op de hoogte. Voor wat betreft hun aanspraak verwijs ik u naar mijn antwoord op vragen 2 t/m 8 en 10–11.
Op welke wijze dienen deze organisaties hun plan/initiatief bij u onder de aandacht te brengen?
Nee, zie mijn antwoord op vragen 10 en 11.
Bent u bereid alsnog een tender uit te schrijven of een gangbare en transparante subsidieprocedure in te richten waarop alle Joodse studentenorganisaties, die dat wensen, kunnen reageren?
Zie antwoord vraag 14.
Waarom kiest u ervoor zich publiekelijk via Instagram te profileren met de Moslim Studenten Associatie, terwijl joodse studenten al maanden worden weggepest, bedreigd en de campus moeten mijden uit doodsangst door islamitische haat en begrijpt u dat dit de indruk wekt dat joodse zorgen totaal niet serieus worden genomen? Zo nee, waarom niet?1
Ik vind het van groot belang dat iedereen zich thuis voelt binnen het onderwijs. Daarom spreek ik met een brede groep studenten met verschillende achtergronden.
Ik neem de zorgen van Joodse studenten zeer serieus en zet me via de uitwerking van de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 in om de situatie voor hen te verbeteren.2
Hoeveel gesprekken heeft u sinds 7 oktober 2023 eigenlijk gevoerd met joodse studentenorganisaties over de explosie aan islamitisch antisemitisme of zijn die gesprekken op één hand te tellen omdat u de islamitische agenda prioriteit geeft boven de joodse slachtoffers?
Sinds de aanvang van mijn ambtsperiode voer ik regelmatig gesprekken met een variëteit aan vertegenwoordigers uit de Joodse gemeenschap over hun veiligheid, omdat ik dit belangrijk vind.
Waarom kiest u ervoor om de islamitische agenda voor te trekken door moslimstudenten publiekelijk in de schijnwerpers te zetten, terwijl joodse studenten de dupe worden van deze eenzijdige aanpak en dagelijks te maken hebben met antisemitisme en onveiligheid en is dit niet precies de capitulatie voor de islam die joodse studenten opoffert?
Ik zet geen enkele groep studenten boven de andere. Het is geen competitie. Elke groep studenten is belangrijk voor mij.
Deelt u de mening dat uw Instagram-bericht met de Moslim Studenten Associatie, terwijl joodse studenten dagelijks worden geconfronteerd met islamitische Jodenhaat, antisemitisme en intimidatie, getuigt van verraad aan joodse studenten en capitulatie voor de islamisering van ons onderwijs? Zo nee waarom niet?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 1.
Het opheffen van de afdeling ArtScience door de Hogeschool der Kunsten Den Haag |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de afdeling ArtScience die gezamenlijk vormgegeven wordt door de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten en het Koninklijk Conservatorium per september opgeheven wordt?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat met het opdelen en elders onderbrengen van de opleidingen van ArtScience de structuur verdwijnt die deze opleidingen met elkaar verbindt en waarvoor studenten zich expliciet hadden ingeschreven?
De Hogeschool der Kunsten Den Haag (hierna: de hogeschool) heeft mij geïnformeerd dat besloten is tot een organisatorische wijziging van het onderwijs. De variant ArtScience binnen de bachelor Fine Arts wordt organisatorisch ondergebracht in de faculteit Koninklijke Academie voor Beeldende Kunst (KABK) en de variant ArtScience binnen de Master of Music wordt organisatorisch ondergebracht in de faculteit Koninklijk Conservatorium (KC) van de hogeschool. De interfaculteit ArtScience wordt daarmee opgeheven.
Als Minister ben ik verantwoordelijk voor het stelsel van het hoger onderwijs. De instelling is zelf verantwoordelijk voor de inrichting en kwaliteit van het onderwijs, waarbij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) periodiek de kwaliteit van de opleidingen in het hoger onderwijs toetst. Het is vanuit mijn stelselrol niet passend dat ik als Minister uitspraken doe over de wenselijkheid van organisatorische wijzigingen in het onderwijs binnen een instelling.
Wat vindt u ervan dat het besluit tot opheffing er plotseling toe geleid heeft dat studenten van het ArtScience-programma sommige cursussen niet meer kunnen volgen, geen toegang meer hebben tot faciliteiten en geen duidelijke informatie ontvangen over de toekomst van hun studie?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht, wordt de interfaculteit ArtScience opgeheven en het onderwijs in respectievelijk de KABK en het KC ondergebracht. Door deze organisatiewijziging kunnen volgens de instelling zowel de bachelorvariant ArtScience als de mastervariant ArtScience duurzamer worden ingericht met behoud van de interdisciplinariteit, experimentele cultuur en identiteit van het onderwijs. Wat met name wijzigt is de plaats van het onderwijs binnen de organisatie.
De hogeschool heeft mij tevens laten weten dat de kwaliteit en continuïteit van de twee varianten de hoogste prioriteit heeft en het belangrijk te vinden met de studenten in gesprek te zijn en blijven over de veranderingen in het onderwijs. De hogeschool heeft aangegeven dat de studenten toegang blijven houden tot alle faciliteiten.
Bent u bereid stappen te ondernemen om het gesprek tussen studenten, medewerkers en het bestuur op gang te brengen om tenminste te kijken wat er gedaan kan worden voor de studenten wiens studievoortgang door dit besluit bedreigd wordt?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. De hogeschool heeft mij laten weten dat kwaliteit en continuïteit van de twee varianten de hoogste prioriteit heeft en met de zittende bachelor- en masterstudenten hierover reeds in gesprek te zijn. Dit is ook de verantwoordelijkheid van de instelling en ik constateer dat de instelling die ook neemt.
Vindt u het een wenselijke gang van zaken dat het besluit tot opheffing van een 35 jaar oude afdeling in één vergadering tot stand lijkt te zijn gekomen en door het hoofd Marketing aan studenten is gecommuniceerd via een bericht op hun online portal?
De instelling gaat over de organisatorische inrichting van het onderwijs en doorloopt hiervoor de gebruikelijke interne besluitvormings- en communicatieprocessen. Zo ook in dit geval. De hogeschool heeft mij geïnformeerd dat zorgvuldig de tijd is genomen om tot het besluit te komen. Het docententeam en de studenten zijn gedurende het proces meegenomen in de voorgenomen veranderingen. Het uiteindelijke besluit is genomen na positief advies van de medezeggenschapsraad.
Kunt u een overzicht geven van of nagaan welke opleidingen in 2026 en 2027 vanwege de bezuinigingen van het kabinet Schoof – inclusief de nog voor 2026 staande bezuinigingen – worden ingekrompen, samengevoegd of geheel verdwijnen?
Het ministerie beschikt niet over een dergelijk overzicht. Hogescholen en universiteiten bepalen zelf hoe zij de middelen voor onderwijs en onderzoek inzetten; ze hebben hierin bestedingsvrijheid.
In de vraag wordt gerefereerd aan de nog voor 2026 staande bezuinigingen. Ik neem aan dat dan gedoeld wordt op de bezuiniging gekoppeld aan internationale studenten. Deze is grotendeels ingevuld met de afname van het aantal niet-Nederlandse EER-studenten die volgde uit de referentieraming. In het hbo resteert in 2026 daardoor een opgave van € 2 miljoen in totaal.2 Dit heeft gevolgen voor de hoogte van de rijksbijdrage van instellingen, deze zal daardoor op instellingsniveau beperkt afnemen.
Het betekent natuurlijk ook dat er minder internationale studenten ingeschreven staan bij de instellingen en als gevolg van demografische ontwikkelingen tevens het totaal aantal studenten daalt. Dit kan ervoor zorgen dat instellingen genoodzaakt zijn keuzes te maken en bezuinigingen door te voeren om de organisatie daarmee financieel gezond te houden.
Ik heb echter van de hogeschool begrepen dat het besluit omtrent ArtScience geen bezuinigingsoperatie is, maar juist is bedoeld om het onderwijs een duurzame borging te geven.
Begrijpt het kabinet dat het wrang voelt dat er alsnog drastische bezuinigingen worden doorgevoerd op hogescholen en universiteiten terwijl bij de presentatie van het coalitieakkoord bij studenten en medewerkers de hoop werd gewekt dat de bezuinigingen en de gevolgen daarvan zouden worden teruggedraaid?
Dit kabinet investeert in het hoger onderwijs en draait een aantal bezuinigingen van het vorige kabinet terug. Naast de hierboven genoemde € 2 mln. in het hbo kunnen instellingen te maken hebben met dalende studentenaantallen als gevolg van demografische ontwikkelingen waardoor ze minder studentgebonden financiering ontvangen, en kunnen instellingsspecifieke factoren en gestegen kosten een rol spelen bij dergelijke keuzes om hun instelling financieel gezond te houden.
In het geval van het opheffen van de interfaculteit ArtScience benadrukt de hogeschool dat dit niet door bezuinigingen is ingegeven maar juist een investering is in een duurzaam toekomstperspectief voor zowel het bachelor- als het masteronderwijs ArtScience.
Waarom is ervoor gekozen een jaar te wachten met het terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen van het kabinet Schoof?
Het resultaat van de onderhandelingen van de coalitiepartijen is dat dit kabinet vanaf 2027 extra investeert in onderwijs. Deze investering loopt op van € 1 miljard tot € 1,5 miljard structureel.
Erkent u dat nieuwe investeringen daarmee voor sommige opleidingen en studenten te laat zullen komen?
In zijn algemeenheid kan ik hier geen antwoord op geven. Wijzigingen in het opleidingsaanbod, zoals het stoppen of samenvoegen van opleidingen, kunnen het gevolg zijn van bezuinigingen, maar voor het hbo resteert enkel een bezuiniging van € 2 miljoen in 2026. Er kunnen daarom ook andere redenen zijn zoals teruglopende studentenaantallen, een veranderende behoefte van de arbeidsmarkt of instellingsspecifieke redenen en algemeen gestegen kosten. Het is daardoor niet uit te sluiten dat er ergens opleidingen stoppen, ook na eventuele investeringen.
Zoals hiervoor reeds aangegeven is dat voor wat betreft ArtScience niet het geval. Bovendien stopt de opleiding niet, maar betreft het een organisatorische wijziging met als doel het onderwijs duurzaam in te richten.
Bent u van plan om maatregelen te treffen om opleidingen die geheel of als opzichzelfstaande opleiding verdwijnen vanwege de staande bezuinigingen financieel te ondersteunen om zo de periode tot het daadwerkelijk terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen te overbruggen?
Dit kabinet investeert in 2027 € 1 miljard in onderwijs en dit loopt op tot structureel € 1,5 miljard vanaf 2031. Zoals ik in het antwoord op vraag 6 en 7 heb aangegeven resteert in het hbo in 2026 een bezuiniging van € 2 miljoen in totaal, wat neerkomt op een minimale daling van de rijksbijdrage per instelling. Hier komen geen extra middelen voor beschikbaar. Dalende studentenaantallen of instellingsspecifieke factoren kunnen ook leiden tot keuzes van instellingen om opleidingen stop te zetten.
Vanuit mijn stelselrol ben ik verantwoordelijk voor een landelijk dekkend, doelmatig opleidingsaanbod. Dit opleidingsaanbod is altijd in beweging, er komen opleidingen bij, er worden opleidingen stopgezet en opleidingen worden gewijzigd. Om te borgen dat er een toegankelijk, divers opleidingsaanbod blijft dat aansluit op de behoeften van maatschappij en arbeidsmarkt, zijn hogescholen en universiteiten in toenemende mate met elkaar in gesprek over wijzigingen in het aanbod. Ik stimuleer deze afstemming omdat er dan gehandeld wordt vanuit een collectief belang in plaats van een instellingsbelang en de afstemming voorkomt dat er gaten vallen in het landelijk dekkende opleidingsaanbod.
In hoeverre wordt bij de in uw Beleidsbrief 2026–2030 genoemde «lastige keuzes» voor een nieuwe verdeling van middelen specifiek rekening gehouden met het voortbestaan van kleine of niche studies of studies die anderszins grote gevolgen hebben ondervonden aan de onderwijsbezuinigingen?
Ervan uitgaande dat de vragensteller doelt op de passage in de Beleidsbrief
2026–2030 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die gaat over de verdeling van de middelen van onderzoek en wetenschapsbeleid:3 Het kabinet investeert in bestaande instrumenten van het onderzoek en wetenschapsbeleid. Deze bestaande instrumenten zijn praktijkgericht onderzoek, sectorplannen, infrastructuur en Europese samenwerking. Kleine of niche opleidingen zijn geen primair beleidsdoel van deze instrumenten.
Om te borgen dat er een toegankelijk, divers opleidingsaanbod blijft dat aansluit op de behoeften van maatschappij en arbeidsmarkt, zijn hogescholen en universiteiten in toenemende mate met elkaar in gesprek over wijzigingen in het aanbod. Hierbij is specifiek aandacht voor kleine of niche studies. Ik stimuleer deze afstemming omdat er dan gehandeld wordt vanuit een collectief belang in plaats van een instellingsbelang en de afstemming voorkomt dat er gaten vallen in het landelijk dekkende opleidingsaanbod.
Wanneer gaat u duidelijkheid geven over deze nieuwe verdeling en bent u het ermee eens dat als dit niet voor de zomer gebeurt studenten geen goed geïnformeerde keuzes kunnen maken over hun studie en onderwijsinstellingen in onzekerheid blijven over het onderwijs dat ze komende jaren kunnen bieden?
De verdeling van het geld over de instrumenten is opgenomen in de Beleidsbrief 2026–2030 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.4
Het is de verantwoordelijkheid van de instellingen om studenten goed te informeren over de opleidingen en het onderwijs dat zij aanbieden. Ik heb er alle vertrouwen in dat dit ook gebeurt.
Indien u de hierboven genoemde maatregelen zoals het alsnog terugdraaien van de bezuinigingen voor 2026, het financieel ondersteunen van instellingen ter overbrugging, of het bij de herverdeling van middelen rekening houden met studies die geraakt zijn door de bezuinigingen niet gaat nemen, welke maatregelen bent u dan bereid te nemen om studenten die hierdoor geraakt zijn te helpen?
Zoals bij het antwoord op vraag 10 is aangegeven resteert in het hbo een bezuiniging van € 2 miljoen in totaal, wat neerkomt op een minimale daling van de rijksbijdrage per instelling. Hier komen geen extra middelen voor beschikbaar.
In het geval een instelling heeft besloten een opleiding – om welke reden ook – stop te zetten, dan is de instelling verplicht de in de opleiding ingeschreven studenten de mogelijkheid te bieden de opleiding binnen een redelijke termijn af te ronden.
Het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’ |
|
Don Ceder (CU), Chris Stoffer (SGP) |
|
van Bruggen , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?
De Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw) kent drie vrijstellingen voor de plicht van ouders2 hun kind als leerling in te schrijven op een school. Deze vrijstellingen volgen uit artikel 5 Lpw, en houden kort samengevat in dat een kind wordt vrijgesteld, wanneer a) deze om lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is voor het onderwijs, b) de ouders overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen, en c) het kind al staat ingeschreven op een school in het buitenland en hier ook regelmatig heengaat. Ouders met een 5(a)- of 5(b)-vrijstelling kunnen ervoor kiezen om thuisonderwijs te geven, maar er bestaat geen «vrijstelling voor thuisonderwijs».
In het schooljaar 2024–2025 waren er 2860 5(b)-vrijstellingen. Deze cijfers berusten op de leerplichttelling.3 Het is niet bekend of er bij al deze vrijstellingen ook vervangend (thuis)onderwijs wordt geboden.
Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd en wat betekent dit in de praktijk voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?2
Dit klopt niet. De Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) belet niet dat deze gegevens worden geregistreerd. Artikel 6 Lpw schrijft voor dat ouders aan de gemeente waarin zij wonen kennisgeven op welke grond zij menen een beroep te mogen doen op een vrijstelling. Indien zij een beroep doen op de 5(b)-vrijstelling moet die kennisgeving de verklaring bevatten dat er overwegende bedenkingen bestaan tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden.
In het kader van hun toezichthoudende taak moeten de leerplichtambtenaren van de gemeente, als een kind niet is ingeschreven op een school, kunnen vaststellen of er beroep op vrijstelling is gedaan en zo ja, of is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het doen van beroep op vrijstelling. Hiervoor is het bewaren van genoemde kennisgevingen en verklaringen noodzakelijk. In dit verband verwijs ik naar een recente uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, waarin de rechtbank het standpunt dat de gemeente voor het bewaren van de verklaring over de richtingbezwaren geen beroep kon doen op de wettelijke plicht tot verwerking als bedoeld in de AVG, verwierp.5 De rechtbank achtte het bewaren van de verklaring noodzakelijk, evenredig, proportioneel en evenwichtig.
DUO registreert dat een leerling een vrijstelling heeft op grond van artikel 5 Lpw, maar niet of dit is op grond van onderdeel a, b of c. DUO maakt dus niet de koppeling op persoonsniveau tussen de leerling en de reden van vrijstelling. Voor de leerplichttelling baseert DUO zich op informatie van de leerplichtambtenaren die per gemeente het totaal aantal vrijstellingen doorgeven. Hierbij wordt wel een uitsplitsing gemaakt per onderdeel a, b, of c, maar omdat dit om totalen gaat, is er geen sprake van gegevensverwerking.
Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?
Dat klopt. In het derde kwartaal van dit jaar wordt deze evaluatie gestart en de uitkomsten worden in de eerste helft van 2027 verwacht. Op dit moment is nog niet precies vastgelegd op welke elementen deze evaluatie precies ziet. Uw suggestie wordt meegenomen in de besluitvorming hierover.
Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en 8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit het door het Ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt van dit oorspronkelijke uitgangspunt?
Het modelformulier waarnaar wordt verwezen in de vraagstelling is een hulpmiddel voor gemeenten en heeft geen juridische status. In dat formulier uit 1995 werd ouders verzocht een feitelijke verklaring te geven dat zij overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning.
In de Nederlandse rechtsstaat is de rechter bevoegd tot interpretatie van wetten en regels en langs die weg wordt het positieve recht mede vormgegeven. Die interpretatie kan door de jaren heen veranderen, omdat juridische of maatschappelijke ontwikkelingen daartoe nopen. Mede daarom bevat de wet (bewust) abstracte termen, die in de rechtspraktijk nader vorm krijgen. Zo kan het recht meebewegen met de tijd. Het arrest van de HR van 21 april 2026 is daar een goed voorbeeld van. Het arrest geeft duidelijkheid over de wijze waarop de Lpw moet worden uitgelegd en toegepast.
Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke beslissing te nemen?3
Ik ben bekend met deze jurisprudentie over het van rechtswege ontstaan van de vrijstelling. Deze jurisprudentie betreft slechts de afbakening van de bevoegdheid van de bestuursrechter ten opzichte van die van de strafrechter. Er is dus geen sprake van verschillende inhoudelijke lijnen in de rechtspraak over de voorwaarden waaronder een vrijstelling ontstaat.
Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet en vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?
De redenering van de Hoge Raad is gebaseerd op een uitvoerige analyse van de reeds ingezette perspectiefwisseling ten aanzien van de rechten van het kind. De Hoge Raad baseert zich daarbij vooral op internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke bepalingen. De Hoge Raad is bevoegd om een eerder standpunt aan te scherpen. In de praktijk waren er veel vragen over het bestaande toetsingskader en de manier waarop die zou moeten worden toegepast, die leidden tot verschillende procedures bij verschillende gemeenten. De Hoge Raad heeft met het recente arrest het toetsingskader willen verduidelijken en aanscherpen.
Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs en welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?4
Ik ben bekend met de jurisprudentie waarin het EHRM heeft geoordeeld dat staten beoordelingsruimte hebben bij het bepalen of zij thuisonderwijs toestaan.8 Het EHRM heeft in diezelfde jurisprudentie benadrukt dat het niet in strijd is met het EVRM om thuisonderwijs te verbieden of om dit niet actief mogelijk te maken. Nederland kan hierin een eigen afweging maken.
Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen, zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat Nederland die lijn zou moeten volgen?5
De Hoge Raad is bevoegd om de Lpw te interpreteren. Die interpretatie vindt plaats met inachtneming van de voor de rechtsvraag relevante juridische context. Het is aan de rechter om te bepalen op welke wijze die interpretatie plaatsvindt, wat het resultaat daarvan is en hoe die wordt gemotiveerd. Het recht op onderwijs van het kind is als zodanig niet expliciet in het nationale recht neergelegd. In artikel 2 EP EVRM is het recht op onderwijs én het ouderlijk opvoedingsrecht wel neergelegd. De kern van de zaak werd uiteindelijk gevormd door de verhouding tussen die twee rechten en daar sluit de HR bij aan. Daarover is ook jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voorhanden, waarnaar de Hoge Raad verwijst. De Hoge Raad betrekt overigens ook het nationale recht, voor zover hij verwijst naar de mogelijkheid om particuliere scholen te stichten waar de leerplicht kan worden vervuld.
Ik volg de stelling dat het thuisonderwijs en de vrijstelling onder de Grondwet een status hebben die niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen niet. Bij de invoering van de Lpw in 1969 is thuisonderwijs als onderwijsvorm juist afgeschaft. Van een vanzelfsprekende status van het thuisonderwijs was dus allerminst sprake. Dat geldt ook voor de vrijstelling. Hoewel het geven van thuisonderwijs in het wetsontwerp van de Lpw 1969 nog was opgenomen als vrijstellingsgrond, is deze mogelijkheid in de definitieve wet vervallen. Hierbij was geen overweging dat het thuisonderwijs een zo vanzelfsprekende status had dat het niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen in de wet.
Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de Grondwet en hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?6
Ik deel niet dat de Hoge Raad relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing heeft gelaten. Daarbij heeft de Hoge Raad in zijn arrest rekenschap gegeven van de vrijheid van onderwijs uit artikel 23 Grondwet door te wijzen op de mogelijkheden voor ouders om geschikt onderwijs te kiezen voor hun kind en de mogelijkheid om particuliere scholen te stichten.11
Wanneer de veroordeelde meent dat de Hoge Raad een oordeel heeft gegeven dat in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, kan diegene hierover een klacht indienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de vorm van een verzoekschrift. Indien deze klacht slaagt, kan een verzoek tot herziening bij de Hoge Raad worden gedaan op grond van artikel 457, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.
Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing worden gelaten en welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct voor grote moeilijkheden komt te staan?
Alleen wanneer er een 5(b)-vrijstelling is ontstaan, is er geen sprake van een strafbaar feit en kan niet worden toegekomen aan de vraag of er van een strafuitsluitingsgrond (rechtvaardigingsgrond dan wel schulduitsluitingsgrond) van toepassing zou kunnen zijn. Er is dan namelijk geen verplichting om te handelen in lijn met artikel 2 Lpw, zodat een overtreding daarvan ook niet mogelijk is.
Ik deel dat zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie.
Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders en kinderen?
De rechtsgelijkheid en rechtszekerheid worden gewaarborgd omdat het arrest voor alle gemeenten geldt, ook in lopende zaken. Ook hebben de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Ingrado naar aanleiding van het arrest een handreiking opgesteld.12 De handreiking biedt duidelijkheid aan gemeenten en leerplichtambtenaren.
Wat betekent het recente arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment reeds aanhangig waren en hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers gewaarborgd?
Uit de Grondwet volgt dat onderwijs een voorwerp van aanhoudende zorg van de regering is en dat het geven van onderwijs vrij is. Hieruit vloeit concreet voort dat de overheid zorg draagt voor een toegankelijk stelsel met voldoende openbaar onderwijs en dat het stichten van een school naar de eigen richting mogelijk is en een dergelijk initiatief vanuit de overheid gefinancierd kan worden. Het onderwijs op openbare scholen is levensbeschouwelijk neutraal. Van deze uitgangspunten wordt in het arrest van de Hoge Raad rekenschap gegeven. Overigens is in Nederland 31% van de basisscholen openbaar, 30% van de scholen is katholiek, 30% protestants-christelijk en 9% heeft een andere denominatie.13 Voor 98% van de leerlingen (po en vo) geldt dat er een openbare school op redelijke afstand beschikbaar is.
Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel 23 van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat niet in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?
Het is niet aan het kabinet om rechterlijke uitspraken te becommentariëren. De door de Hoge Raad gehanteerde criteria volgen uit Europese jurisprudentie.14
De brede vorming die we van elke school verwachten in het kader van burgerschapsonderwijs (en dus ook openbare) komt terug in de wettelijke vereisten om onder andere kennis over en respect bij te brengen voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap en seksuele gerichtheid.
Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht en op welke wijze komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs juist van alle scholen verwacht wordt?
Ik zie geen noodzaak tot een dergelijke verkenning. Het uitgangspunt is dat openbare scholen hieraan voldoen. In de wet is immers bepaald dat openbare scholen toegankelijk zijn voor leerlingen van alle achtergronden en dat het onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.15 Scholen worden hierop gecontroleerd door de Inspectie van het Onderwijs.
Zoals aangekondigd stuur ik u spoedig een kamerbrief over artikel 5(b) Lpw, waarbij ook het arrest van de Hoge Raad wordt meegenomen. Een aanvullende verkenning acht ik niet noodzakelijk.
In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt en bent u bereid om, in lijn met het arrest, te verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving toereikend zijn?
Ja, ik kan deze vragen afzonderlijk beantwoorden en de antwoorden met u delen voor ik de brief stuur.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en voordat de aangekondigde brief over dit onderwerp naar de Kamer wordt verstuurd?
Het artikel 'Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8»?1
Ja
Hoe beoordeelt u de signalen van vmbo- en praktijkscholen dat het beleid van zogenoemd kansrijk adviseren leidt tot grote aantallen afstromende leerlingen, extra werkdruk, stijgend ziekteverzuim en organisatorische problemen binnen scholen?
Deze signalen neem ik serieus en daarom houd ik op verschillende manieren vinger aan de pols wat betreft de in-, op-, af- en doorstroom van leerlingen en de effecten van de maatregel bijstellen schooladvies (zie hiervoor ook de toelichting bij de beantwoording van vraag 4).
Deelt u de opvatting dat een beleid dat bedoeld is om kansen te vergroten, maar in de praktijk leidt tot teleurstelling, faalervaringen en gedwongen schoolwisselingen voor duizenden kinderen, zijn doel voorbijschiet? Zo nee, waarom niet?
Dit schooljaar hebben we voor het eerst de cijfers (van het éérste cohort leerlingen dat de doorstroomtoets gemaakt heeft) waarmee het goed mogelijk is om het effect van de wet doorstroomtoetsen po en de maatregel bijstellen schooladvies te onderzoeken. Deze leerlingen zitten nu in leerjaar 3.
Op basis van voorspellend onderzoek is het te verwachten dat het aantal leerlingen dat «afstroomt» iets zal toenemen.2 Bij een sterke toename van de afstroom of bij een grotere afstroom bij bepaalde groepen moet gekeken worden waar dat aan ligt. Afgelopen jaar liet DUO zien dat leerlingen met een lage sociaaleconomische status (SES) vaker «afstromen» dan leerlingen met een hoge SES. Een eerste onderzoek van de VO-raad liet zien dat er sinds de introductie van de doorstroomtoets in 2023 geen grote wijzigingen zijn in de doorstroom van leerjaar 1 naar leerjaar 2. Het aandeel leerlingen dat afstroomt na het eerste leerjaar is iets gestegen, maar veel minder hard dan het aandeel dat een bijgesteld advies kreeg.3 Voor veruit de meeste leerlingen lijkt de maatregel «bijstellen schooladvies» vooralsnog dus goed uit te pakken.
Onderzoeken zoals hierboven beschreven en de jaarlijkse monitoring door DUO helpen bij de evaluatie van het beleid, de conclusies met betrekking tot effectiviteit en om waar nodig aanpassingen te maken.
Hoeveel leerlingen zijn sinds de invoering van het beleid rond kansrijk adviseren alsnog afgestroomd naar een lager onderwijsniveau en bent u bereid inzichtelijk te maken welke gevolgen dit heeft gehad voor de personele inzet, de ondersteuningsbehoefte en de kosten binnen het vmbo en praktijkonderwijs?
Het beleid omtrent bijstelling van het schooladvies is gestart met invoering van de Wet doorstroomtoets po in schooljaar 2023–2024. Komend schooljaar zit de eerste lichting van de leerlingen die de doorstroomtoets hebben gemaakt in leerjaar drie van het vo. Leerjaar 3 is een goed leerjaar om wijzigingen in schooladvisering te onderzoeken.4 Komend jaar zijn dus voor dit eerste cohort de cijfers te zien van de in-, op-, af- en doorstroom en de effecten van de maatregel bijstellen schooladvies. Deze cijfers worden gebruikt in verschillende onderzoeken, zoals genoemd in het antwoord op vraag 5.
Als deze onderzoeken daar aanleiding toe geven, kan opdracht gegeven worden tot vervolgonderzoek waarbij ook ingegaan kan worden op de gevolgen voor bijvoorbeeld personele inzet en kosten binnen bepaalde onderwijstypes.
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt hoeveel leerlingen die op basis van een kansrijk advies instromen uiteindelijk binnen één, twee of drie jaar alsnog afstromen naar een lager onderwijsniveau? Zo ja, kunt u deze gegevens, uitgesplitst naar schoolsoort en schooljaar sinds de invoering van dit beleid, met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt de effectiviteit van dit beleid niet systematisch gemonitord?
Komend schooljaar komen de data beschikbaar over waar de eerste lichting leerlingen die de doorstroomtoets gemaakt heeft in leerjaar 3 terecht is gekomen. OCW is betrokken bij verschillende onderzoeken in dit kader:
Erkent u dat het streven naar kansengelijkheid nooit ten koste mag gaan van realistische schooladviezen, onderwijskwaliteit en het welzijn van leerlingen? Zo ja, bent u bereid het beleid rond kansrijk adviseren te heroverwegen en te onderzoeken hoe het professionele oordeel van leraren weer zwaarder kan gaan wegen?
Het beleid rondom de doorstroomtoets en de maatregel «bijstellen schooladvies» is erop gericht dat leerlingen een passend schooladvies krijgen.5 Een passend schooladvies dient realistisch te zijn, want alleen zo kunnen leerlingen optimaal leren en hun talenten optimaal ontwikkelen. De maatregel «bijstellen schooladvies» roept daarom op leerlingen een advies te geven dat past bij de vaardigheden die zij hebben laten zien. Het is erop gericht dat leerlingen die gelijke vaardigheden laten zien, in principe gelijke schooladviezen krijgen. Tenzij dat niet in het belang is van de leerling.
De doorstroomtoets is een hulpmiddel: het oordeel van de school weegt uiteindelijk zwaarder. Ik zie voldoende vrijheid voor scholen om, in het belang van de leerling, van de maatregel af te wijken. Bij één op vier leerlingen die op de toets laten zien meer uitdaging aan te kunnen, besluit de school het advies niet bij te stellen.6
Zoals aangegeven in mijn Kamerbrief van 2 juli vind ik het onverstandig om de maatregel «bijstellen schooladvies» op dit moment af te schaffen.7 Dit zou er toe leiden dat jaarlijks duizenden leerlingen een schooladvies krijgen dat niet passend is bij de vaardigheden die zij op de toets lieten zien, bijvoorbeeld meiden die te maken krijgen met een (onbewuste) onderschatting van hun vaardigheden.8
Dit wordt ondersteund door jaarlijks monitoringsonderzoek en advies van de Onderwijsraad.9
De motie over het gewicht van de doorstroomtoets in schooladvisering neem ik mee in de verkenning naar een breder schooladvies.10
De financiële onzekerheid van Iraanse studenten in Nederland |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Iraanse studenten in Nederland op dit moment in betalingsproblemen komen en mogelijk moeten terugkeren naar Iran als zij, bijvoorbeeld, hun collegegeld niet kunnen betalen? Zo ja, klopt dit bericht?1
Ja, ik ken het bericht. Ik heb signalen ontvangen dat een deel van de Iraanse studenten in Nederland moeite heeft om zich op hun studie te kunnen concentreren door de heftige thuissituatie. In bepaalde gevallen komen daar ook nog eens financiële problemen bij, zoals geen toegang hebben tot je bankrekening.
Wat is precies bekend over de omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven? Zijn u coulanceregelingen bekend voor het treffen van een betalingsregeling als Iraanse studenten in financiële problemen geraken? Zo ja, welke onderwijsinstellingen bieden financiële ondersteuning en waaruit bestaan deze regelingen precies voor wat betreft ondersteuning bij de kosten voor levensonderhoud, studiekosten en dergelijke?
De omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven kunnen per student verschillen. In het algemeen geldt dat Iraanse studenten in Nederland verblijven op basis van een studievisum voor studenten en dat ze zijn ingeschreven bij een hogeschool of universiteit. Net als andere internationale studenten van buiten de Europese Economische Ruimte komen studenten uit Iran niet in aanmerking voor het wettelijke collegegeld of studiefinanciering. Op basis van hun studievisum mogen Iraanse studenten het hele jaar door tot maximaal 16 uur per week werken in loondienst of in plaats daarvan voltijdswerken in de maanden juni, juli en augustus. Hun werkgever moet dan een tewerkstellingsvergunning aanvragen. Internationale studenten kunnen ook werken als zzp’er.
De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) biedt ruimte voor hogescholen en universiteiten om maatwerk te verzorgen om zo goed mogelijk aan te kunnen sluiten bij de specifieke situatie van een student. Ik zie dat instellingen hier ook gebruik van maken. Zo ondersteunen instellingen deze studenten bijvoorbeeld via het treffen van betalingsregelingen, het opstellen van een noodfonds, het tijdelijk opheffen van herinschrijfblokkades, (mentale) begeleiding via studentpsychologen, studentendecanen en social workers voor internationale studenten en het organiseren van bijeenkomsten voor studenten en medewerkers om samen te komen en elkaar te ondersteunen.
Ik heb geen centraal overzicht van welke onderwijsinstellingen financiële ondersteuning bieden en waaruit die getroffen regelingen precies bestaan. De koepelorganisaties VH en UNL beschikken hier ook niet over. De wijze van ondersteuning kan per student verschillen. Instellingen kunnen samen met de student nagaan welke beschikbare oplossing het best past bij de specifieke situatie van de student.
Klopt het dat bij het niet voldoen van het collegegeld automatische uitschrijving bij de onderwijsinstelling volgt en dat dan ook het verblijfsrecht in Nederland vervalt? Zijn u gevallen bekend waarin Iraanse studenten door financiële problematiek hun verblijfsrecht in Nederland dreigen te verliezen? Zo ja, om hoeveel studenten gaat het hier?
Volgens de WHW is betaling van het collegegeld een voorwaarde voor een geldige inschrijving als student. Bij de inschrijving van een student aan een hogeschool of universiteit wordt gevraagd om aan te tonen dat het collegegeld betaald is of zal worden (artikel 7.37 WHW). De afspraken over betaaldata, termijnen en eventuele mogelijkheden voor uitstel van betaling zijn niet wettelijk vastgelegd. Hier kan een instelling zelf afspraken over maken. Instellingen spannen zich waar mogelijk in, zodat studenten ingeschreven blijven staan. Er is geen sprake van een automatische uitschrijving als een student het collegegeld niet heeft voldaan. Wel regelt de WHW dat een instellingsbestuur de inschrijving mag beëindigen indien een student het collegegeld na aanmaning niet heeft voldaan (artikel 7.42 tweede lid WHW).
Wanneer een onderwijsinstelling een student van buiten de EER uitschrijft, voldoet de student niet meer aan het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning voor studie is afgegeven en wordt deze verblijfsvergunning ingetrokken. De EU-richtlijn 2016/801 inzake voorwaarden voor de toelating en het verblijf van onder meer studenten van buiten de EU schrijft dit ook voor (artikel 21, eerste lid, onder a). Wel dient een lidstaat in elk besluit tot intrekking of niet-verlenging van de verblijfsvergunning rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval en wordt het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd (artikel 21, zevende lid). Voordat de verblijfsvergunning wordt ingetrokken of niet wordt verlengd, beoordeelt de IND per geval of er individuele redenen zijn om van intrekking c.q. niet-verlenging af te zien.
Naast een geldige inschrijving bij een onderwijsinstelling dienen studenten gedurende hun verblijf over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Bij de IND zijn signalen bekend dat het voor Iraanse studenten die afhankelijk zijn van sponsorgelden uit het land van herkomst op dit moment lastig is om aan dit middelenvereiste te blijven voldoen. Om hoeveel studenten het gaat is niet bekend.
Intrekking van de verblijfsvergunning voor studie betekent het verval van het verblijfsrecht, tenzij de desbetreffende voormalige student op grond van een andere toelatingsgrond dan studie in aanmerking komt voor verblijf in Nederland.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe Iraanse studenten in Nederland financieel kunnen worden ondersteund bij de studiekosten en kosten van het levensonderhoud? Zo nee, waarom niet?
Vooralsnog worden er geen aanvullende algemene maatregelen voor studenten en onderwijsinstellingen overwogen. Wel ben ik met instellingen in gesprek over de signalen die zij binnenkrijgen en zal ik ook het gesprek voeren over grenzen waar zij tegenaan lopen.
Binnen de WHW is ruimte opgenomen voor onderwijsinstellingen om maatwerk te bieden en studenten financieel te ondersteunen, zodat rekening gehouden kan worden met de specifieke omstandigheden van een getroffen student.
Er zijn bijvoorbeeld instellingen die een noodfonds hebben ingesteld, betalingsregelingen hebben getroffen met studenten wanneer zij het collegegeld niet kunnen betalen en herinschrijfblokkades tijdelijk hebben opgeheven. Ook kunnen instellingen het instellingscollegegeldtarief voor bepaalde groepen studenten verlagen tot minimaal het wettelijk collegegeldtarief. Het is aan de instelling zelf om te bepalen of zij van deze mogelijkheid gebruik maken.
Bent u bereid om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om te voorkomen dat betalingsproblemen leiden tot uitschrijving bij de betreffende onderwijsinstelling? Zo nee, waarom niet?
Hogescholen en universiteiten spannen zich waar mogelijk in om te voorkomen dat betalingsproblemen van Iraanse studenten leiden tot uitschrijving en zij hun verblijfsvergunning verliezen. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Ik ben met onderwijsinstellingen in gesprek over de situatie van Iraanse studenten in Nederland en de problemen die een deel van de Iraanse studenten in Nederland ervaren gaan ons aan het hart. Ik vraag instellingen om aandacht te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van de student en waar mogelijk maatwerk te bieden. Ik zie dat instellingen dit ook doen.
Bent u bereid om bij deze groep Iraanse studenten in Nederland af te zien van het intrekken van studievisa? Zo nee, waarom niet?
Indien een vreemdeling niet meer voldoet aan het verblijfsdoel waarvoor zijn verblijfsvergunning is afgegeven, wordt deze vergunning in beginsel ingetrokken. Op grond van de in antwoord 3 genoemde EU-richtlijn is een categorale regeling voor Iraanse studenten, zoals voorgesteld in de vraag, niet mogelijk.
Bent u bereid om samen met onderwijsinstellingen te bezien hoe onder de huidige omstandigheden materiële en mentale steun aan de groep Iraanse studenten in Nederland geboden kan worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 en 4 biedt de WHW ruimte voor hogescholen en universiteiten om maatwerk te verzorgen om studenten zo goed mogelijk te ondersteunen. Veel instellingen maken daar ook gebruik van.
Zo zijn er instellingen die bijeenkomsten organiseren om Iraanse studenten een hart onder de riem te steken, zoals ook aangehaald wordt in het bericht uit
vraag 1, of die extra inzetten op begeleiding. Daarnaast zijn hogescholen en universiteiten verplicht om bij het hanteren van een bindend studieadvies rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de student. En kunnen studenten zich wenden tot een examencommissie, studieadviseur of de Commissie Persoonlijke Omstandigheden (CPO), die bekijkt of en in welke mate er sprake is van studievertraging en hoe hiermee om te gaan.
Ik ben met instellingen in gesprek over de signalen die zij binnenkrijgen en zal ook het gesprek voeren over grenzen waar zij tegenaan lopen.
Bent u bereid om, met het oog op de naderende deadline voor de inschrijving aan onderwijsinstellingen, deze schriftelijke vragen zo snel als mogelijk te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat op middelbare scholen commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat op middelbare scholen, zoals bij het Mondial College in Nijmegen, commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school?1
Ja.
Klopt het dat commerciële partijen via schermen en posters in scholen op deze manier onder de aandacht worden gebracht bij leerlingen tijdens schooltijd?
Ja.
Deelt u de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving horen te zijn en geen plek waar kinderen worden verleid met commerciële advertenties? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving moeten bieden waarin de ontwikkeling, het belang en het welzijn van leerlingen centraal staan. Binnen de wettelijke kaders hebben scholen de ruimte om hun eigen afwegingen te maken omtrent sponsoring en reclame-uitingen op school, maar deze ruimte is niet vrijblijvend. In het Sponsorconvenant2 zijn heldere normen en criteria afgesproken om leerlingen te beschermen tegen schadelijke reclame-uitingen. Met het sponsorconvenant helpen we scholen bij zorgvuldige en transparante besluitvorming over het aangaan van sponsorovereenkomsten. Zo mag sponsoring de ontwikkeling van leerlingen niet schaden en moet dit passen bij de pedagogische en onderwijskundige taak van de school. Daarnaast mag de onderwijsinhoud niet worden beïnvloed en de kernactiviteiten van de school dienen niet afhankelijk te worden van sponsorinkomsten. Ik verwacht van scholen dat zij hun verantwoordelijkheid nemen en dialoog voeren met hun medezeggenschapsraad bij het overwegen van een sponsorovereenkomst.
Mocht een school in de praktijk toch de grenzen van het convenant of de wet overschrijden, dan is het de verantwoordelijkheid van het bestuur om hierop aanspreekbaar te zijn. Belanghebbenden kunnen eventuele misstanden formeel aanhangig maken via de interne klachtenprocedure van de school. Daarnaast biedt de Reclame Code Commissie een laagdrempelige route om de inhoud van specifieke sponsor- of reclame-uitingen te laten toetsen aan de Nederlandse Reclamecode.
Kunt u inzichtelijk maken hoe vaak het voorkomt dat scholen commerciële advertenties via schermen of posters tonen? Kun u aangeven over wat voor soort producten dit gaat en waar in de scholen deze worden tentoongesteld?
Dit wordt niet door het Ministerie van OCW bijgehouden.
Deelt u de opvatting dat wanneer een externe partij geld verdient aan de aandacht van leerlingen, dit niet op thuishoort?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de opvatting dat scholen minderjarigen horen te beschermen tegen ongewenste commerciële reclames, juist ook vanwege het groeiende aantal jongeren met schuldenproblematiek, de impulsaankoopgevoeligheid en de grote mentale druk onder jongeren om erbij te horen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe voorkomt u dat commerciële partijen via scholen ongewenst invloed krijgen op het consumptiegedrag van kinderen, waarbij kinderen een extra kwetsbare doelgroep zijn, zowel vanwege hun leeftijd als het feit dat zij de plek van adverteren (de school) niet kunnen mijden?
Het uitgangspunt is dat de school een veilige, neutrale omgeving moet zijn waar leerlingen op een goede manier onderwijs kunnen volgen. De overheid voorkomt schadelijke beïnvloeding door wettelijke randvoorwaarden te stellen aan de besluitvorming omtrent reclame-uitingen en via sectorafspraken zoals opgenomen in het Sponsorconvenant.
Scholen zijn wettelijk verplicht om hun sponsorbeleid vooraf helder op te nemen in het schoolplan en de schoolgids. Hierdoor zijn de keuzes transparant voor inspectie, ouders en leerlingen. Ook is in de wet vastgelegd dat de school de medezeggenschapsraad moet betrekken bij besluiten over sponsoring. Een school kan dus niet zomaar besluiten over sponsoring of reclame. Mocht een school de wettelijke voorschriften niet naleven, dan voorziet de wet in een formele klachtenregeling.
Bestaan er op dit wetgeving of afspraken over commerciële reclames binnen schoolgebouwen in onderwijs? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u inzicht geven in de afspraken die scholen hebben met deze commerciële partijen en hierbij ook inzicht geven in wat er gebeurt met de opbrengsten van het beschikbaar stellen van reclameplekken door scholen?
Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor het opstellen en ondertekenen van een sponsorovereenkomst. In het Sponsorconvenant is opgenomen dat scholen sponsorinkomsten apart zichtbaar moeten maken in de jaarrekening van de school. Over de periode van 2020–2024 ging het om 0,006%3 van de totale baten van de scholen in het primair- en voortgezet onderwijs. Wat een school vervolgens doet met de opbrengsten, wordt niet bijgehouden.
Is het mogelijk om reclameuitingen op scholen te verbieden? Waarom wel of niet en welke subsidiaire mogelijkheden zijn er?
Op dit moment bieden de huidige wetgeving en het Sponsorconvenant scholen al voldoende handvatten om bewuste, autonome keuzes te maken. De regie ligt hiermee bij de school en de medezeggenschapsraad.
Om de naleving scherp te houden, is met de convenantpartijen afgesproken om het Sponsorconvenant ieder schooljaar onder de aandacht te brengen van het onderwijsveld. Het Sponsorconvenant wordt daarnaast elke vijf jaar geëvalueerd, de eerstvolgende evaluatie wordt in 2029 gedaan. Op dit moment zie ik dan ook geen aanleiding voor aanvullende wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor de behandeling van de Slotwet OCW 2025?2