Bent u bekend met de berichtgeving van NOS, Trouw en Stichting School & Veiligheid over de toenemende invloed van de zogenoemde manosphere op jongens en jonge mannen, waaronder jongens en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag, en over signalen van dit gedrag in het onderwijs?1, 2, 3
Deelt u de zorgen dat content, waarin vrouwen en meisjes als ondergeschikt en minderwaardig worden neergezet, kan bijdragen aan een klimaat waarin grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen en meisjes worden genormaliseerd?
In hoeverre is bij politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken professionals bekend of de manosphere een rol speelt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld of ander geweld tegen vrouwen en meisjes?
Wordt binnen de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, seksueel geweld en femicide op dit moment expliciet gekeken naar online vrouwenhaat, manosphere-content en digitale beïnvloeding van vrouwonvriendelijke denkbeelden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ziet u aanleiding om, naar aanleiding van deze berichtgeving, te onderzoeken of en hoe manosphere-content een rol speelt in de aanloop naar geweld tegen vrouwen, intieme terreur, controlerend gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, waarom niet?
Beschikken professionals die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag volgens u over voldoende kennis en handvatten om beïnvloeding door de manosphere te herkennen, bespreekbaar te maken en mee te wegen in de risicotaxatie en begeleiding?
Bent u van plan maatregelen te nemen naar aanleiding van het signaal dat beïnvloeding vanuit de manosphere soms leidt tot wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners?
Welke conclusies trekt u uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat laat zien dat 78% van de onderwijsprofessionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door content over mannelijkheid en omgang met vrouwen?
Wat vindt u ervan dat bijna driekwart van de professionals in het voortgezet onderwijs de afgelopen vier jaar een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosphere? Wat is volgens u daarvoor een verklaring?
Erkent u dat deze signalen raken aan de sociale veiligheid van meisjes, lhbtiq+-leerlingen en vrouwelijke onderwijsprofessionals op school?
Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor scholen, overheid en ouders, gezien het feit dat onderwijsprofessionals volgens Stichting School & Veiligheid zorgen hebben over de invloed van deze denkbeelden op het schoolklimaat, waaronder agressie, pestgedrag, spanningen tussen jongens en meisjes en de kwaliteit van gesprekken in de klas?
Wat betekent het volgens u dat vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker vrouwonvriendelijke, homofobe of seksistische opmerkingen signaleren en relatief vaak ervaren dat hun autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd?
Welke rol ziet u voor ouders bij het herkennen en bespreken van manosphere-content en bredere online beïnvloeding, en hoe kunnen scholen en ouders hierin beter samenwerken zonder dat de volledige verantwoordelijkheid bij leraren komt te liggen?
Welke ondersteuning is er op dit moment beschikbaar voor scholen en leraren om adequaat te reageren op vrouwonvriendelijke, seksistische of intimiderende uitspraken?
Vindt u deze ondersteuning voldoende, nu onderwijsprofessionals aangeven behoefte te hebben aan meer kennis, praktische tools en vaardigheden om met deze thematiek om te gaan in de klas? Zo nee, bent u bereid tegemoet te komen aan deze behoefte?
Het bericht ‘Oud-studenten verdwijnen in buitenland en betalen studieschuld niet terug: staat loopt 170 miljoen mis’ |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oud-studenten verdwijnen in buitenland en betalen studieschuld niet terug: staat loopt 170 miljoen mis»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat Nederlands belastinggeld, bedoeld voor het volgen van hoger onderwijs, verloren gaat doordat oud-studenten zich aan terugbetaling van hun studieschuld onttrekken?
Ja, wanneer personen met een studieschuld (hierna: debiteur) bewust geen contactgegevens doorgeven bij vertrek naar het buitenland, en daarmee het terugbetalen van hun studieschuld proberen te vermijden, vind ik dat onacceptabel. Tegelijkertijd komt het in de praktijk niet vaak voor dat studieschulden verjaren doordat debiteuren in het buitenland onbereikbaar zijn. Dit licht ik nader toe bij het antwoord op vraag 3. DUO slaagt er bovendien al in om met de meeste debiteuren van wie de contactgegevens ontbreken weer in contact te komen. Ik erken wel dat de invordering van studieschulden in het buitenland verder verbeterd kan worden. Daarom neem ik in het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering een aantal maatregelen hiertoe.
Klopt het dat studieschulden momenteel in bepaalde gevallen na vijf jaar verjaren wanneer oud-studenten in het buitenland niet traceerbaar zijn en is u bekend hoeveel schulden hierdoor de afgelopen vijf jaar zijn verjaard?
Indien een debiteur het maandelijkse aflosbedrag aan studieschuld niet terugbetaalt, is er sprake van een achterstallige schuld voor dat gedeelte van de studieschuld. Een achterstallige schuld is direct opeisbaar, waardoor DUO op elk gewenst moment het recht heeft om die te innen bij de debiteur. Een vordering op een achterstallige schuld kan alleen verjaren na vijf jaar als DUO geen actie onderneemt. DUO verricht handelingen om de verjaring van de achterstallige schuld te voorkomen, door de vordering van de debiteur te stuiten. Dit doet DUO door zowel tijdige berichten als betaalverzoeken richting de debiteur in de MijnDUO-omgeving aan te maken en door adresonderzoek uit te voeren. Hierdoor gaat een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar lopen en blijft het niet-betaalde gedeelte van de studieschuld opeisbaar.
De inschatting is dat het niet vaak voorkomt dat achterstallige gedeelten van studieschulden verjaren doordat debiteuren in het buitenland niet-traceerbaar zijn. Het gaat naar verwachting om incidentele gevallen.2 Het exacte aantal gevallen is niet bekend, omdat DUO geen overzicht bijhoudt van het totaal aan verjaarde studieschulden in de afgelopen vijf jaar.
Welke landen werken op dit moment mee aan gegevensuitwisseling ten behoeve van het innen van studieschulden en lopen er op dit moment gesprekken met andere landen om dit mogelijk te maken?
Een aantal buitenlandse overheidsorganisaties verleent medewerking wanneer DUO vraagt om gegevens van debiteuren, zodat contact met hen kan worden gelegd. Daarnaast heeft DUO in het afgelopen jaar contact gelegd en gesprekken gevoerd met een aantal nieuwe buitenlandse overheidsinstanties ten behoeve van het uitbreiden van gegevensuitwisseling. Om berekenend gedrag van debiteuren zoveel mogelijk te voorkomen, kies ik ervoor om geen opsommende lijst van individuele buitenlandse overheidsinstanties in deze beantwoording op te nemen. Overigens geven de meeste debiteuren met wie DUO het toch gelukt is om contact te leggen aan dat het niet actueel houden van een adres een kwestie van slordigheid en onoplettendheid was. Zij treffen dan ook in veel gevallen regelingen met DUO om de achterstanden in te lopen.
Naast gegevens opvragen bij buitenlandse overheidsinstanties is gegevensopvraging ook in enkele landen een mogelijkheid via een contractpartner3. De gecontracteerde partij kan via lokale advocaten of deurwaarders toegang krijgen tot adresregisters die DUO niet zelfstandig kan raadplegen.
DUO zet ook in op samenwerking met andere rijksdiensten voor het innen van studieschulden. Zo heeft een pilot plaatsgevonden met de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in Turkije die DUO hielp om studieschulden te innen.
Kunt u toelichten hoe de beperkte mogelijkheden in internationale gegevensuitwisseling voor DUO zich verhouden tot de forse toename in internationalisering in het hoger onderwijs?
Het gaat bij onbereikbare debiteuren voornamelijk om Nederlandse debiteuren die nu in het buitenland wonen. Van de onbereikbare debiteuren heeft namelijk 78,7% de Nederlandse nationaliteit. Veel van hen woonden op het moment dat zij studiefinanciering ontvingen in de grensregio’s met Duitsland en België.
Het vermoeden van OCW en DUO is verder dat het voor een deel gaat om personen met de Nederlandse nationaliteit die na hun studietijd in Nederland naar het buitenland zijn verhuisd. Daarnaast bestaat waarschijnlijk een deel van de onvindbare debiteuren uit personen die in het buitenland hebben gestudeerd met behoud van studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 en die nu nog steeds in het buitenland wonen.
Het aantal (on)vindbare debiteuren in het buitenland is daardoor dus niet direct te relateren aan het aantal internationale studenten in het hbo en wo. Wel is het aannemelijk dat de toename van het aantal internationale studenten ertoe leidt dat in de toekomst een groter aandeel van de debiteuren vanuit het buitenland hun studieschuld zal aflossen. Met het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering, dat nu in internetconsultatie is, wil ik DUO extra instrumenten geven om studieschulden in het buitenland effectiever te kunnen innen. Hier ga ik bij het antwoord op vraag 9 nader op in.
Kunt u aangeven hoeveel van deze onbereikbare debiteuren de Nederlandse nationaliteit hebben of studiefinanciering hebben ontvangen op basis van een verblijfsvergunning type II, III, IV of V?
In onderstaande tabel is het aantal onbereikbare debiteuren opgenomen uitgesplitst naar nationaliteit.
Nationaliteit
Aantal
Aandeel
Nederlands
18.076
78,7%
EER
1.444
6,3%
Overig*
3.460
15,0%
totaal
22.980
100%
Studenten die studiefinanciering ontvangen op grond van een verblijfsvergunning type II, III, IV of V maken onderdeel uit van de categorie overig. Het is niet mogelijk om deze apart inzichtelijk te maken.4
Heeft u inzicht in hoeveel internationale studenten op dit moment Nederlandse studiefinanciering ontvangen dan wel lenen via DUO? Hoeveel van hen keren na hun studie terug naar of verblijven in het buitenland?
In 2025 ontvingen circa 76.000 niet-Nederlandse studenten5 een vorm van studiefinanciering. Van hen maakten circa 19.500 gebruik van een rentedragende leningen en/of collegegeldkrediet. Het gaat hierbij om mbo-, hbo- en wo-studenten die in 2025 minimaal één maand studiefinanciering van DUO ontvingen.
Het overgrote deel van de niet-Nederlandse studenten dat studiefinanciering ontvangt, komt uit landen binnen de EER. Uit onderzoek van Nuffic naar de stayrates van internationale afgestudeerden studenten6 blijkt dat van de groep die in studiejaar 2018–2019 is afgestudeerd, na vijf jaar 24,3% nog in Nederland woont en werkt.
Naast niet-Nederlandse studenten met Nederlandse studiefinanciering is het ook belangrijk te benadrukken dat Nederlandse studenten óók internationale studenten kunnen zijn die in het buitenland studeren met behoud van studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 (meeneembare studiefinanciering). In 2025 ging het om totaal 14.692 studenten waarvan ruim 91% de Nederlandse nationaliteit had.
Welke mogelijkheden heeft DUO op dit moment om oud-studenten die in het buitenland verblijven op te sporen en hun studieschuld te innen?
Het in contact komen met debiteuren in het buitenland is arbeidsintensiever voor DUO in het buitenland dan in Nederland, omdat DUO niet geautomatiseerd beschikt over actuele adresgegevens van debiteuren die buiten Nederland wonen. DUO is hiervoor grotendeels afhankelijk van informatie die door de debiteur zelf wordt verstrekt. Naast het versturen van berichten via de Mijn DUO-omgeving zijn er verschillende andere mogelijkheden om (te proberen) in contact te komen met de debiteur.
Wanneer een studieschuld niet wordt terugbetaald en het adres van de debiteur niet bekend is bij DUO, worden deze intern DUO overgedragen voor adresonderzoek (traceren) en proactieve benadering. Het doel hiervan is om betalingsachterstanden zo veel als mogelijk te voorkomen en op te lossen, met oog voor de situatie van de debiteur. Zo kan DUO via een eigen account op sociale media de debiteuren benaderen of op basis van sociale media proberen om meer informatie te verkrijgen over de verblijfplaats van de debiteur. Indien sprake is van een land waar succesvol gegevens aan de buitenlandse overheidsinstantie kunnen worden gevraagd, kan vervolgens een adresbevraging worden gedaan bij een buitenlandse overheidsinstantie.
In het buitenland kan DUO niet zelfstandig een dwangbevel uitvaardigen om zonder tussenkomst van de rechter executiemaatregelen op te kunnen leggen, zoals beslaglegging. DUO moet daar gebruik maken van buitenlandse incassobureaus voor de inning van studieschulden, voor zover bekend is waar de oud-student verblijft.
Indien een oud-student niet vrijwillig betaalt of meewerkt via het incassobureau, kan DUO ook rechtszaken tegen debiteuren voeren in het buitenland. Deze gerechtelijke procedures vinden plaats volgens de toepasselijke internationale privaatrechtelijke regels. Deze procedures verschillen per land en zijn doorgaans tijdrovender, duurder en complexer dan in Nederland. Bovendien is gerechtelijke inning niet in alle landen mogelijk, bijvoorbeeld doordat er geen toepasselijk verdrag bestaat of de lokale regelgeving onvoldoende mogelijkheden biedt voor het effectief uitvoeren van een rechterlijke uitspraak of beslissing.
Wanneer een studieschuld niet wordt betaald, de betalingsachterstand hoger is dan € 5.000,– en er geen bekend buitenlands adres is kan DUO gebruik maken van paspoortsignalering bij Nederlandse debiteuren. De student krijgt dan pas een nieuw paspoort als de achterstand is betaald of een betalingsregeling is overeengekomen met DUO. Bij een zeer hoge achterstand (vanaf € 45.000) kan DUO gegevens van een debiteur laten opnemen in het systeem Executie en Signalering, waarbij het paspoort wordt ingenomen wanneer de debiteur Nederland binnenkomt.
Zijn deze huidige instrumenten volgens u voldoende effectief? Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u om het innen van dit soort studieschulden te verbeteren?
DUO slaagt erin het merendeel van alle maandelijkse aflosbedragen van studieschulden binnen twaalf maanden na opeisbaarheid te innen. Dit laat zien dat het inningsbeleid over het algemeen effectief is. Tegelijkertijd blijkt dat de inning van studieschulden bij debiteuren in het buitenland uitdagender is dan bij debiteuren in Nederland. Hoewel DUO met veel debiteuren van wie de contactgegevens ontbreken uiteindelijk in contact komt, erken ik dat de invordering van studieschulden in het buitenland verder verbeterd kan worden. Daarom stel ik, met het wetsvoorstel Variawet studiefinanciering dat nu in internetconsultatie is, een aantal maatregelen voor om het innen van studieschulden in het buitenland te verbeteren:
Het bericht ‘Ministerie houdt dagelijks bewegen op school' |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie houdt dagelijks bewegen op school tegen» en wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ben bekend met het genoemde artikel.
In het artikel staat dat twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen een streep is gezet door het potentiële kerndoel over dagelijks bewegen. Dit is onjuist. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 2.
Kunt u nader toelichten waarom de verplichting om dagelijks bewegen in het curriculum op te nemen van tafel is?
De verantwoordelijkheid voor het wettelijk verplicht curriculum ligt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Wat wettelijk verplicht is, ligt vast in kerndoelen. In opdracht van OCW heeft Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) in samenwerking met leraren, vakexperts en curriculumexperts de kerndoelen geactualiseerd.
In een vroege fase van de ontwikkeling van de kerndoelen voor Bewegen en Sport heeft SLO nagedacht over een aanboddoel2. Dit doel had als opdracht voor de school als geheel om leerlingen te stimuleren te bewegen met het oog op hun welbevinden en gezondheid. Na overleg met de advieskring, de klankbordgroep specifieke onderwijsbehoeften, het monitorteam en de expertpoule, is geconstateerd dat dit doel van Bewegen en Sport buiten de juridische kaders van de werkopdracht en de wet viel. Dit doel ging namelijk niet over wat kinderen moesten leren, maar om een verplichting voor de school als geheel om bewegen te stimuleren. Dat kan scholen niet via de kerndoelen worden verplicht. Dit is besproken met het kerndoelenteam en heeft ertoe geleid dat dit doel uiteindelijk niet is opgenomen in de conceptkerndoelen.
De opdracht aan het onderwijs is groot: kwalificatie, ontwikkeling, socialisatie en persoonsvorming. Primair verwacht de samenleving van scholen dat leerlingen leren lezen, schrijven, rekenen, digitale vaardigheden opdoen en leren over burgerschap. In de vernieuwde kerndoelen Bewegen en Sport komt terug dat leerlingen zich ontwikkelen in het bewegen, samen met andere leren bewegen en betekenis kunnen geven aan bewegen.
Het is aan scholen zelf om een onderwijsprogramma in te vullen waarin ze aan de kerndoelen werken. Dat kan bijvoorbeeld door beweegmomenten in te plannen gedurende de dag, maar dat is geen verplichting.
Wat was de doorslaggevende factor om dit niet op te nemen in het curriculum en waarom is het op het laatste moment geschrapt?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot de berekeningen van het RIVM dat de doelen met betrekking tot het aantal kinderen met overgewicht in 2040 niet worden gehaald en maar liefst op 14 procent blijft steken?2
Overgewicht en obesitas ontstaan door een mix van verschillende persoonsgebonden- en omgevingsfactoren. Onder andere gezonde voeding, voldoende bewegen en mentaal welzijn dragen bij aan een gezond gewicht en een gezonde leefstijl. Daarnaast zijn ook bredere sociaalmaatschappelijk aspecten van belang zoals een gezonde leefomgeving, bestaanszekerheid en kansengelijkheid in het onderwijs. We zetten hier op in via onder andere de Gezonde School-aanpak en het programma Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG). Ook werkt het kabinet momenteel de ambitie uit om kinderen in het primair- en voortgezet onderwijs schoolfruit aan te bieden. Het kabinet werkt bovendien aan een omzetting van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken naar een gedifferentieerde verbruiksbelasting op suikergehalte als aan een suikerbelasting op eetwaren. Het doel is om de suikerconsumptie via dranken en eetwaren terug te dringen. Voor beide fiscale maatregelen werkt het kabinet toe naar een wetgevingspakket dat naar verwachting in 2027 naar de Tweede Kamer zal worden.4
Het stimuleren tot bewegen is en blijft onderdeel van het pakket aan maatregelen in de aanpak van overgewicht en obesitas. Zo kunnen scholen bijvoorbeeld via het programma Gezonde School er zelf voor kiezen om naast de bestaande aandacht voor sport en bewegen in het lesprogramma extra aan de slag te gaan met de thema’s bewegen en voeding.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het gegeven dat voldoende bewegen leerlingen helpt om beter te kunnen leren?
Voldoende bewegen draagt eraan bij om beter te leren. Wij delen dan ook het belang van bewegen. De kerndoelen zijn echter niet de plek om scholen te verplichten meer beweegmomenten door de dag heen aan te bieden. Scholen hebben zelf de vrijheid om te bepalen hoe en met welke roosters ze het onderwijsprogramma vormgeven.
Scholen richten hun onderwijs in met kennis, uit wetenschap en praktijk, en goed afgestemd op hun leerlingen. Veel scholen zijn hier ook al mee aan de slag. Bijvoorbeeld met bewegen door de dag heen, om kinderen beter te laten leren. Ze doen dit in de vorm van de dynamische schooldag, maar ook via het programma Gezonde school of een initiatief als de Koningsspelen.
Hoe verwacht uw het preventiedoel dat maximaal 5 procent van de kinderen overgewicht heeft in 2040 te gaan halen?
Het kabinet zet in op de gezondste generatie ooit. Met de Samenhangende preventiestrategie zetten we met gerichte, samenhangende maatregelen in op het gezonder maken van leefomgevingen van kinderen en jongeren zoals thuis, op school en in de wijk, zodat de gezonde keuze vanzelfsprekender wordt. Bij vraag 4 benoemde ik al de voorgenomen plannen voor een suikerbelasting op eten en drinken en het aanbieden van schoolfruit. Maar we doen meer. Zo wordt bijvoorbeeld ingezet op de Gezonde Kinderopvang en Gezonde School om een groot bereik van deze programma’s te realiseren en kinderopvangcentra en scholen te ondersteunen bij de implementatie. Ook kunnen scholen in het voorgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs met de toolbox voor een gezonde leeromgeving van het Voedingscentrum aan de slag om eten en drinken in kantines gezonder en duurzamer te maken. De Samenhangende preventiestrategie staat niet op zichzelf. Wij werken met diverse programma’s en akkoorden, zoals het Sportakkoord II, Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) en het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) om tot de gezondste generatie ooit te komen in 2040.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal kinderen met overgewicht te laten doen afnemen?
Het kabinet zet in op een mix van universele en geïndiceerde preventie om overgewicht en obesitas bij kinderen te voorkomen en terug te dringen. Hierbij gebruiken wij diverse instrumenten van informatievoorziening en voorlichting, tot het financieren van preventieprogramma’s (denk aan de Gezonde School en Gezonde Kinderopvang), beleidsmonitoring en -evaluatie en waar nodig wetgeving.
Ook in het coalitieakkoord zijn afspraken opgenomen om overgewicht bij kinderen aan te pakken. Zo krijgen kinderen in het primair en voortgezet onderwijs gratis schoolfruit en voeren we een wet in die kindermarketing reguleert. Het kabinet wil afspraken maken over de introductie van een suikerbelasting en werkt aan wetgeving om gemeenten aanvullende bevoegdheden te geven om op grond van gezondheid maatregelen te nemen om met name voor kinderen en jongeren de gezonde voedselkeuze makkelijker te maken. Met supermarkten worden aanvullend afspraken gemaakt over het vergroten van het verkoopaandeel gezonde producten.
Bent u van mening dat kinderen voldoende bewegen, zowel buiten school als binnen school? Hoe beziet u in dit licht de bevinding dat bijna de helft van de kinderen niet op een actieve manier naar school gaat (te voet of te fiets)?3
Het kabinet zet zich ervoor in dat bewegen in het dagelijks leven en sport voor mensen met en zonder beperking gestimuleerd wordt. Buitenspelen is voor alle kinderen, met en zonder beperking, de belangrijkste vorm van bewegen. Helaas speelt maar 44 procent van de kinderen 4–11 jaar (bijna) elke dag buiten. Daarom stimuleert het kabinet de inzet op meer buitenspelen, (inclusief) buitenspeelbeleid, en de realisatie van inclusieve speeltuinen en groenblauwe schoolpleinen. Dit gebeurt via gemeenten, scholen en maatschappelijke organisaties. Zie ook antwoorden 6 en 7. Eigenlijk zou ieder kind buiten moeten kunnen spelen, ongeacht de omstandigheden waarin een kind opgroeit.
Het grootste deel van het leven van een kind speelt zich af buiten de school. Kinderen gaan ongeveer 25 uur per week naar school. Het aantal uur dat kinderen wakker zijn per week ligt rond de 95 uur. Dit betekent dat zij ongeveer 75 procent van de tijd niet op school zijn. Daarom is er een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd om kinderen gezond te laten opgroeien en voldoende te laten bewegen. Hieronder valt ook op actieve wijze naar school te gaan. Met de City deal Fietsen voor iedereen en de City deal Ruimte voor lopen heeft het kabinet onder andere als doel om meer kinderen op een actieve manier naar school te laten gaan.
Het is belangrijk dat kinderen sporten. We zien uiteraard dat niet elk gezin de financiële middelen hiervoor heeft of de tijd en ruimte om hier verantwoordelijkheid voor te dragen. Daarom bestaan er verschillende regelingen om kinderen en ouders financieel en praktisch te ondersteunen om bewegen te stimuleren. Bijvoorbeeld de financiering van de pilots met de Sportpas vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarnaast zijn er veel gemeentelijke initiatieven om kinderen en gezinnen financieel te ondersteunen zoals het Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld. Gemeenten bieden vaak ook eigen regelingen aan. Binnen de eerdergenoemde Brede Regeling Combinatiefuncties zijn in 99 procent van de gemeenten combinatiefunctionarissen actief in het onderwijs om het sport- en beweegaanbod te vergroten en te versterken.
Bent u van mening dat de Nederlandse Staat voldoende doet om de gezondheid van kinderen te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zet zich in voor de gezondste generatie ooit en dat is een verantwoordelijkheid die bij ons allemaal ligt: ouders en andere verzorgers, scholen, sportverenigingen, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Ieder kind verdient het om op te groeien in een liefdevolle, veilige en stimulerende omgeving waarin gezond opgroeien vanzelfsprekend is. Bewegen speelt daarbij een belangrijke rol.
Voldoende beweging draagt niet alleen bij aan een gezonde fysieke ontwikkeling, maar helpt kinderen en jongeren ook om sociale vaardigheden te ontwikkelen, zelfvertrouwen op te bouwen en beter om te gaan met uitdagingen en tegenslagen. Daarmee levert sport en bewegen een belangrijke bijdrage aan hun weerbaarheid en mentale gezondheid. Ook leefstijlpreventie is hierbij essentieel, zoals beschreven in antwoord 6 en 7.
Investeren in een actieve leefstijl op jonge leeftijd betekent daarom investeren in de gezondheid en het welzijn van toekomstige generaties. In het coalitieakkoord zet het kabinet nadrukkelijk in op preventie en welzijn, met als doel te komen tot de gezondste generatie ooit. Dit probeert zij te realiseren door in verschillende akkoorden van de Samenhangende preventiestrategie tot het AZWA hierover afspraken te maken, maar ook via de verschillende regelingen en initiatieven gericht op bewegen en sporten op scholen en in de leefomgeving zoals hiervoor beschreven in antwoord 8.
Dit kabinet doet er alles aan om de gezondheid van kinderen te stimuleren, maar er is ook een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd. Indien nodig met steun van hun naaste omgeving en beschikbare hulp en ondersteuning.
Hoe kijkt u tegen de eventuele rechtszaak aan van Erik Scherder en Defence for Children?
We hechten waarde aan een constructieve dialoog. Een juridische procedure is niet altijd de geëigende route daartoe, maar het staat in Nederland iedereen vrij om naar de rechter te stappen.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 2 en 3 zijn in samenhang beantwoord.
Bent u bekend met het bericht «Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de klas in: «Zien ze op TikTok»»?1.
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de zorgen van docenten en onderzoekers over de toename van desinformatie over de Holocaust onder leerlingen, mede als gevolg van AI gegenereerde beelden op sociale media?
Ja, deze zorgen deel ik. Desinformatie over de Holocaust kan zich via sociale media snel verspreiden en het onderwijs hierover bemoeilijken. Daarom zet het Ministerie van OCW in op het versterken van mediawijsheid en digitale geletterdheid, zodat leerlingen beter leren omgaan met (des)informatie en de betrouwbaarheid van bronnen kunnen beoordelen.
Meer dan de helft van de leerlingen kon in een experiment een AI-gegenereerde foto van Auschwitz niet van een echte foto onderscheiden, deelt u de zorg dat een gebrek aan historische basiskennis leerlingen kwetsbaarder maakt voor desinformatie?
Het niet kunnen onderscheiden van een AI-gegenereerde afbeelding van een echte afbeelding hoeft niet direct samen te hangen met een gebrek aan historische basiskennis. Historische basiskennis is wel degelijk zeer belangrijk. Dezedie helpt leerlingen in weerbaarheid tegen desinformatie over de Holocaust. Daarom wordt vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie ingezet op het versterken van kennis over de Holocaust en het ondersteunen van docenten hierbij.
Herkent u het beeld dat vier op de tien docenten aangeeft dat sommige leerlingen de ernst van de Holocaust bagatelliseren? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Dit beeld herken ik voor een deel. Het Ministerie van OCW heeft in 2025 een docentenpeiling laten uitvoeren naar bevorderende en belemmerende factoren bij het geven van holocausteducatie.2 Een deel van de docenten (14%) geeft wel aan dat zij te maken hebben gehad met Holocaustontkenning; voor Holocaustbagatellisering of -verdraaiing is dit 38 procent van de docenten (waarbinnen de helft aangeeft dat dit «heel soms» gebeurt). Ook komt het geregeld voor dat docenten merken dat een leerling des- of misinformatie tot zich heeft genomen: een kwart van de docenten geeft aan dat dit «soms» of vaker gebeurde.
Ons oordeel op basis van deze cijfers is dat des- en misinformatie over de Holocaust een reëel en zorgelijk probleem is, ook al manifesteert het zich niet in alle klassen even sterk en speelt het breder dan alleen op dit onderwerp. De meeste docenten geven aan dat ze dit in hun lessen gebruiken en geen behoefte hebben aan extra ondersteuning.
Dertien procent van de docenten heeft wel behoefte aan ondersteuning bij het omgaan met Holocaustontkenning of -verstoring en 12% bij het omgaan met heftige discussies in de klas. Daarom zet het kabinet via het Nationaal Plan Holocausteducatie in op versterking van holocausteducatie. In september 2025 is vanuit amendement Ceder c.s. II3 een project van start gegaan dat zich richt op gastlessen over antisemitisme, racisme en discriminatie, waarbij persoonlijke verhalen centraal staan. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan antisemitische stereotypen en aan complottheorieën. Ik ben zelf met leraren in gesprek over wat nodig is om dergelijke thema’s en schurende onderwerpen goed te kunnen bespreken in de klas. Ook dragen de kerndoelen burgerschap en digitale geletterdheid bij aan de toerusting van leerlingen om om des- en misinformatie te herkennen en kritisch te beoordelen. Daarbij worden docenten onder meer ondersteund via de subsidie Schurende Gesprekken van het Expertisepunt Burgerschap, die scholingsaanbod biedt in het voeren van gesprekken over gevoelige en maatschappelijk beladen onderwerpen in de klas.
Hoe beoordeelt u de huidige staat van mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen en acht u de huidige inspanningen voldoende?
Uit de Monitor Digitalisering Onderwijs 2025 blijkt dat de helft van de docenten bekend is met de conceptkerndoelen digitale geletterdheid en een kwart hier al mee werkt. De huidige curriculumherziening en -implementatie brengt dit nieuwe leergebied alleen maar nog meer onder de aandacht onder docenten.
Om docenten te ondersteunen is het Expertisepunt Digitale Geletterdheid opgericht. Dit expertisepunt verzamelt en ontsluit bestaande materialen en kan helpen om thema’s zoals online des- en misinformatie beter onder de aandacht te brengen. Daarnaast wordt er via het Expertisepunt Burgerschap scholingsaanbod ontsloten voor docenten voor het voeren van moeilijke gesprekken in de klas, dit kan gaan over polarisatie, maatschappelijke spanningen, maar ook over (online) desinformatie: Scholingsaanbod - Scholingsaanbod Schurende gesprekken. Dit onderwerp vraagt echter blijvende aandacht gezien de snelheid waarmee digitale ontwikkelingen en vormen van des- en misinformatie zich ontwikkelen.
Bent u bereid om additionele maatregelen te nemen om de mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen te verbeteren?
Met de ontwikkeling van nieuwe kerndoelen voor digitale geletterdheid wordt gewerkt aan een stevigere verankering van digitale geletterdheid binnen het onderwijs. Deze kerndoelen bieden scholen en docenten meer handvatten om structureel aandacht te besteden aan mediawijsheid, online informatievaardigheden en het herkennen van des- en misinformatie. Scholen worden daarnaast ondersteund bij de implementatie van de kerndoelen, zodat scholen het leergebied digitale geletterdheid op een passende manier in hun onderwijs kunnen integreren. Op dit moment vind ik nog meer additionele maatregelen daarom niet nodig. Het kabinet blijft de voortgang op dit gebied monitoren en blijft, zoals genoemd bij het antwoord op vraag 5, in gesprek met leraren over de implementatie van de kerndoelen.
Hoe beoordeelt u het feit dat het momenteel voor eenieder mogelijk is om met AI-platforms als ChatGPT nepbeelden te genereren van de Holocaust, met als gevolg het ernstige risico op bagatellisering van dit verleden? Zo nee, bent u bereid maatregelen te treffen?
De mogelijkheid om met AI-toepassingen realistisch ogende beelden te genereren brengt risico’s met zich mee, zeker wanneer het gaat om gevoelige historische gebeurtenissen zoals de Holocaust. AI-gegenereerde beelden kunnen bijdragen aan verwarring, misleiding en bagatellisering van historische feiten. Dat is zorgelijk. Tegelijkertijd raakt dit aan een bredere maatschappelijke ontwikkeling rondom generatieve AI en online desinformatie. Daarom zet het kabinet in op meerdere sporen: het versterken van digitale burgerschap en mediawijsheid via het onderwijs (o.a. met het Regieplan Digitalisering onderwijs), het stimuleren van verantwoord gebruik van AI en effectieve regulering van platforms via de DSA en nieuwe Europese regels rondom AI, en het toewerken naar een digitale publieke ruimte waarin publieke waarden, gebruikersbelangen, keuzevrijheid en democratische weerbaarheid centraal staan.
Tegelijkertijd geldt dat generatieve AI op zichzelf een technologie is met zowel positieve als negatieve toepassingen. Het kabinet acht het daarom van belang om gericht op te treden tegen onrechtmatig gebruik en verspreiding van dergelijke beelden, zonder afbreuk te doen aan fundamentele rechten zoals de vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid.
Indien sprake is van uitingen die kwalificeren als groepsbelediging, aanzetten tot haat of discriminatie, of het opzettelijk bagatelliseren, ontkennen of goedkeuren van de Holocaust op een wijze die strafbaar is onder het Wetboek van Strafrecht, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Daarnaast wordt op Europees niveau gewerkt aan verdere normering van verantwoord AI-gebruik via onder meer de AI-verordening, die onder meer transparantieverplichtingen bevat voor aanbieders van AI-systemen die synthetische audio-, beeld-, video- of tekstinhoud genereren. Zij moeten er op grond van de verordening voor zorgen dat de outputs van het AI-systeem worden gemarkeerd als kunstmatig gegenereerd of gemanipuleerd. Met andere woorden: AI-gegenereerde nepbeelden moeten als zodanig herkenbaar zijn.
Over welke instrumenten beschikt u om op te treden tegen het genereren en verspreiden van AI-gegenereerde nepbeelden van de Holocaust op sociale media, mede gezien het feit dat het bagatelliseren van de Holocaust in Nederland strafbaar is?
Indien AI-gegenereerde Holocaustbeelden worden gebruikt op een wijze die strafbaar is, bestaan verschillende instrumenten om daartegen op te treden. Afhankelijk van de concrete inhoud en context kan sprake zijn van strafbare feiten zoals groepsbelediging (artikel 137c, tweede lid Sr), het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld (artikel 137d Sr) of andere strafbare vormen van Holocaustontkenning of -bagatellisering.
Het Openbaar Ministerie kan strafrechtelijk onderzoek verrichten en vervolging instellen. Het OM en de politie kunnen bij aangiften of meldingen van strafbare online content een vrijwillig verwijderverzoek richten aan de betreffende hostingdienst of het online platform om content offline te krijgen. Als dat niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken voor zover een aanbieder in Nederland gevestigd is. Geeft een aanbieder geen gehoor aan zo’n bevel, dan vervalt de bescherming tegen strafrechtelijke vervolging uit artikel 54a Wetboek van Strafrecht. Werkt een aanbieder wél mee, dan biedt artikel 54a Sr bescherming tegen strafrechtelijke vervolging. In die gevallen waarin de content niet in Nederland staat, maar in het buitenland, dan is het Openbaar Ministerie afhankelijkheid van samenwerking en medewerking van de daartoe bevoegde buitenlandse autoriteiten via een internationaal rechtshulpverzoek.
Op grond van de DSA gelden zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten, onder meer gericht op het tegengaan van de verspreiding van illegale content. Hostingdiensten, waaronder online platforms en sociale mediadiensten, moeten onder meer voorzien in mechanismen om personen of entiteiten de mogelijkheid te bieden illegale inhoud bij hen te melden en zij moeten deze meldingen tijdig en adequaat beoordelen en daarover beslissen. Meldingen van zogeheten betrouwbare flaggers dienen met voorrang te worden behandeld. Zo is Meld Online Discriminatie (MOD) onder de DSA als betrouwbare flagger aangewezen. Daarnaast moeten aangewezen zeer grote online platforms (VLOP’s) de zogeheten systeemrisico’s van hun dienst in kaart brengen en mitigeren, waaronder het risico op de verspreiding van desinformatie.
Indien sprake is van niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van de aangewezen zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines geldt dat de Europese Commissie de primaire bevoegde toezichthouder is op de naleving van de DSA. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De toezichthouders beoordelen niet of specifieke content illegaal is en leggen geen verwijderverzoeken of bevelen op aan platforms, maar controleren of tussenhandeldiensten voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden tegen sociale media-accounts en -platformen die AI-gegenereerde Holocaustbeelden verspreiden waardoor grote groepen gebruikers met deze desinformatie in aanraking komen?
Wanneer sociale media-platforms strafbare content verspreiden, kunnen opsporingsinstanties en het OM optreden binnen de bestaande wettelijke kaders. Dat kan in specifieke gevallen leiden tot strafrechtelijke vervolging of verzoeken tot verwijdering van content. Daarnaast zet het kabinet in op een goede toepassing en de effectieve handhaving van de DSA, als belangrijk Europees wettelijk kader voor een veiligere online omgeving, waaronder de daaruit voortvloeiende zorgvuldigheidsverplichtingen om illegale content en misbruik tegen te gaan en, voor zeer grote onlineplatforms, het beheersen van systeemrisico’s. De verspreiding van desinformatie of AI-gegenereerde nepbeelden, kan zo’n systeemrisico vormen.
Het kabinet blijft in gesprek met platforms over hun verantwoordelijkheid bij de bestrijding van illegale content en desinformatie. Ook heeft het kabinet samen met het onderwijs richtlijnen over het gebruik van sociale media op verschillende leeftijden en in relatie tot school gepubliceerd.
Bent u bereid in gesprek te gaan met sociale mediaplatforms zoals TikTok over het actief verwijderen van desinformatie en AI-gegenereerde nepbeelden over de Holocaust, en bent u bereid dit ook Europees te agenderen in het kader van de Digital Services Act?
Het kabinet zoekt op het terrein van online content moderatie de dialoog met online platforms. In dit verband is relevant dat in 2023 een publiek-private samenwerking (PPS) is ingericht, onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP), die het gesprek tussen overheid en internetsector faciliteert over onder meer trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. Mijn ministerie verkent, samen met andere departementen, hoe de aanpak van online desinformatie, online discriminatie en antisemitisme hierin kan worden betrokken. Voor wat betreft de DSA, is het aan de bevoegde toezichthouders om toe te zien op de naleving daarvan. Het onderwerp desinformatie staat daarbij, ook op Europees niveau, op de agenda. Signalen over desinformatie en AI-geregenereerde nepbeelden over de Holocaust zijn doorgeven aan de ACM en de Europese Commissie.
Kunt alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Dagelijks bewegen als kerndoel in het basisonderwijs |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Renilde Huizenga (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderen dupe van besluit Ministerie Onderwijs? Scherder wil rechtszaak om dagelijks bewegen te verplichten»?1
Ja, ik ben bekend met het genoemde artikel.
Is het juist dat het Landelijk Expertisecentrum voor het curriculum (SLO) dagelijks bewegen had opgenomen in de kerndoelen voor het basisonderwijs maar dat het Ministerie van OCW daar twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen, na anderhalf jaar vergaderen, plotseling een streep doorheen heeft gezet?2 Zo ja, wat was de exacte reden voor dit besluit en wie heeft dit besluit genomen?
Nee, dit is onjuist. Het Ministerie van OCW en SLO herkennen deze beschrijving van het proces niet. In een vroege fase van de ontwikkeling van de kerndoelen heeft het kerndoelenteam een aanboddoel bedacht met als opdracht voor de school als geheel om leerlingen te stimuleren te bewegen met het oog op hun welbevinden en gezondheid. SLO heeft na overleg met de advieskring, de klankbordgroep specifieke onderwijsbehoeften, het monitorteam en de expertpoule geconstateerd dat dit achtste conceptkerndoel van Bewegen en Sport buiten de juridische kaders van de werkopdracht en de wet viel3. Dit kerndoel ging namelijk niet over wat kinderen moesten leren, maar om een verplichting voor de school als geheel om bewegen te stimuleren. Dat kan scholen niet via de kerndoelen worden verplicht. Dit is besproken met het kerndoelenteam en heeft ertoe geleid dat dit doel uiteindelijk niet is opgenomen in de conceptkerndoelen. Dit steun ik op basis van de genoemde argumenten.
Wat is de onderbouwing van om dagelijks bewegen niet als verplicht kerndoel op te nemen terwijl er in Nederland 400.000 kinderen met overgewicht zijn en dat aantal de laatste jaren sterk is toegenomen?
Kerndoelen gaan over onderwijsinhoud en dus over wát leerlingen moeten leren. Zij gaan niet over hoe, wanneer of hoe vaak scholen iets moeten organiseren. Deze kerndoelen zijn opgesteld door SLO, samen met experts en leraren. Hierbij is uiteraard ook gekeken naar wat je wettelijk van scholen kunt en mag eisen.
De opdracht aan het onderwijs is groot: kwalificatie, ontwikkeling, socialisatie en persoonsvorming. Primair verwacht de samenleving van scholen dat leerlingen leren lezen, schrijven, rekenen, digitale vaardigheden opdoen en leren over burgerschap. In de vernieuwde kerndoelen Bewegen en Sport komt terug dat kinderen leren waarom bewegen belangrijk is voor de mentale en fysieke gezondheid. Om ervoor te zorgen dat leerlingen voldoende tijd krijgen om te leren bewegen heeft lichamelijke opvoeding als énige vak een wettelijke urennorm.
In het primair onderwijs zijn scholen verplicht om minimaal twee lesuren per week aan lichamelijke opvoeding in te roosteren. In het voortgezet onderwijs is voor iedere schoolsoort een minimale totale urennorm opgenomen in de Wet voortgezet onderwijs 2020. Verder is het aan scholen zelf om een onderwijsprogramma in te vullen waarin ze aan de kerndoelen werken. Dat kan bijvoorbeeld door beweegmomenten in te plannen gedurende de dag, maar dat is geen verplichting.
Het grootste deel van het leven van een kind speelt zich af buiten de school. Kinderen gaan ongeveer 25 uur per week naar school. Het aantal uur dat kinderen wakker zijn per week ligt rond de 95 uur. Dit betekent dat zij ongeveer 75% van de tijd niet op school zijn. De verantwoordelijkheid voor gezond opgroeien ligt dan ook primair bij de opvoeders.
De Nederlandse Sportraad, de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving en de Onderwijsraad riepen in 2018 gezamenlijk al op om het lange zitten te onderbreken door middel van beweegbreaks, maar geen van de aanbevelingen uit dat advies zijn overgenomen door de afgelopen twee kabinetten.3 Bent u wel van plan gehoor te geven aan deze herhaaldelijke adviezen, en zo ja, op welke manier?
Bewegen past uiteraard bij een gezonde en actieve leefstijl. Leren hoe je beweegt gebeurt voor een deel op school, via de lessen lichamelijke opvoeding. Om ervoor te zorgen dat leerlingen voldoende tijd krijgen om te leren bewegen heeft lichamelijke opvoeding als enige vak een wettelijke urennorm. In het primair onderwijs zijn scholen verplicht om minimaal twee lesuren per week aan lichamelijke opvoeding in te roosteren. In het voortgezet onderwijs is voor iedere schoolsoort een minimale totale urennorm opgenomen in de Wet voortgezet onderwijs 2020. Het verplichten van extra beweging gedurende de dag of tijdens andere lessen dan lichamelijke opvoeding past niet binnen de kaders van de kerndoelen.
Ik juich het toe als scholen, naast de gymles, bewegen tijdens de rest van de schooldag stimuleren. Bijvoorbeeld door begeleid buitenspelen, het stimuleren van fietsen of lopen van en naar school, naschoolse activiteiten of bewegend leren. Het Ministerie van OCW ondersteunt scholen hierbij, samen met andere ministeries, onder andere via het programma Gezonde School. Ook gebruiken sommige scholen de School & Omgeving middelen om leerlingen te laten sporten en bewegen. Veel scholen zijn al aan de slag met dagelijkse beweegmomenten. In 2024/2025 boden vier op de tien scholen (40%) dit aan.6 Zo werken in de gemeente Westland inmiddels 17 basisscholen aan een meer beweeglijke schooldag en zijn «Gezonde School» geworden. Het gaat daarbij bijv. om beweegtussendoortjes en bewegen tijdens en om te leren, een dynamische schooldag en schoolpleinen die uitnodigen tot bewegen.7
De Gezondheidsraad adviseert dat kinderen en jongeren tot 18 jaar dagelijks minstens 60 minuten matig intensief bewegen.4 Hoe verhoudt het besluit om dagelijks bewegen niet te verplichten zich tot dit advies?
Zie antwoord vraag 4.
Neuropsycholoog Erik Scherder en belangenorganisatie Defence for Children verkennen juridische stappen tegen de staat, omdat zij vinden dat de gezondheid van kinderen onvoldoende wordt beschermd. Bent u bereid in gesprek te gaan met Scherder en Defence for Children over hun zorgen?
Ik ben altijd bereid om in gesprek te gaan. Het ministerie hecht waarde aan een constructieve dialoog en wil in gesprek blijven met deskundigen en maatschappelijke organisaties over hoe kinderen meer kunnen bewegen binnen de schoolcontext, rekening houdend met praktische uitvoerbaarheid, wetgeving en het bestaande curriculum. Hierover heeft overigens al eerder een gesprek plaatsgevonden met o.a. Prof. dr. Scherder.
Recente studies tonen een relatie aan tussen fitheid van kinderen en hun prestaties op rekenen en taal.5 Deelt u de opvatting dat bewegen en cognitieve ontwikkeling onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, en zo ja, hoe weegt u dit mee in het curriculumbeleid?
Ja, er komt steeds meer bewijs dat lichamelijke activiteit en cognitieve ontwikkeling met elkaar verbonden zijn. Daarom deel ik ook het belang van bewegen. Zoals eerder genoemd zijn de kerndoelen niet de plek om scholen te verplichten meer beweegmomenten door de dag heen aan te bieden. Scholen hebben zelf de vrijheid om te bepalen hoe ze het onderwijsprogramma vormgeven.
Het is van belang dat scholen hun onderwijs inrichten met kennis uit wetenschap en praktijk en goed afgestemd op hun leerlingen. Het actief onderbreken van zitgedrag om kinderen beter te laten leren is één van de zaken waar scholen kennis van kunnen nemen. Veel scholen zijn hier ook al mee aan de slag, in de vorm van de dynamische schooldag, maar zeker ook anderszins.
Bent u bereid het besluit te herzien en dagelijks bewegen alsnog als kerndoel op te nemen in het curriculum voor het basisonderwijs? Zo nee, welke alternatieve maatregelen neemt u om de beweegachterstand van kinderen structureel aan te pakken?
Het verplichten van scholen om bewegen als geheel te stimuleren past niet binnen de wettelijke kaders van de kerndoelen. Ik deel met uw Kamer de mening dat leraren al een flinke verantwoordelijkheid hebben in hun dagelijkse onderwijspraktijk. Dagelijks bewegen vraagt om een gezamenlijke inzet van verschillende partijen. In de eerste plaats zijn ouders/ verzorgers verantwoordelijk voor het gezond opgroeien van hun kinderen. De gemeenten, maatschappelijke organisaties en verenigingen komen met verschillende initiatieven om daaraan bij te dragen.
Scholen kunnen een rol spelen in meer bewegen gedurende de dag. Als zij dat willen worden, zijn er handvatten om hiermee aan de slag te gaan.
Het Ministerie van OCW helpt scholen met méér bewegen naast de gymles (ook in samenwerking met andere departementen) onder andere via de Koningsspelen en het programma de Gezonde School. Ook gebruiken sommige scholen de School & Omgeving-middelen om leerlingen te laten sporten en bewegen. Daarnaast draagt het Ministerie van OCW bij aan een regeling van VWS (Brede Regeling Combinatiefuncties) waarbij gemeenten buurtsportcoaches met cofinanciering van het Rijk kunnen inzetten op hun scholen voor bijvoorbeeld het organiseren van sportaanbod op school of het faciliteren van een actieve pauze.
(Dagelijks) bewegen vraagt om inbedding in de schooldag, maar leraren staan al onder grote werkdruk. Hoe voorkomt u dat de verantwoordelijkheid voor het beweegbeleid volledig op het bord van de individuele leraar terechtkomt en welke structurele ondersteuning, zoals gymdocenten, beweegcoaches of schoolbrede programma’s, stelt u hiervoor beschikbaar?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat het actief verwijderen of weren van boeken uit bibliotheken en schoolbibliotheken een bedreiging vormt voor de vrijheid van meningsuiting?1, 2
Deelt u de opvatting dat juist voor jongeren die thuis of in hun omgeving weinig toegang hebben tot informatie of herkenning rondom bijvoorbeeld seksuele diversiteit of genderidentiteit, een laagdrempelige en diverse bibliotheekcollectie van groot belang is?
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling die wordt geschetst door de Schrijverscentrale en bibliotheken, waarbij bepaalde titels op sommige scholen niet meer welkom zijn, en ouders actief collecties «opschonen»?
Heeft u zicht op hoe vaak en welke typen titels in Nederland ter discussie worden gesteld of verwijderd uit (school)bibliotheken?
Herkent u het beeld uit de Verenigde Staten dat met name boeken over seksualiteit, seksuele diversiteit, LHBTI-personen, vrouwen en minderhedenrechten relatief vaak onderwerp zijn van verwijdering of discussie? In hoeverre speelt dit in Nederland?
Heeft u zicht op in hoeverre georganiseerde belangengroepen druk uitoefenen op bibliotheken en scholen om bepaalde titels te weren of te verwijderen?
Welke waarborgen bestaan er in Nederland om te voorkomen dat politieke of maatschappelijke druk leidt tot beperking van het aanbod in bibliotheken en het onderwijs?
Welke mogelijkheden ziet u om scholen en bibliotheken beter toe te rusten omstreden boeken te behouden, ook bij bezwaren van ouders of belangengroepen?
Bent u bereid om, samen met relevante belangenorganisaties op het gebied van onder andere LHBTI-emancipatie, gendergelijkheid en seksuele educatie, te verkennen hoe bibliotheekcollecties op deze thema’s beschermd kunnen worden?
Het bericht 'Minister Letschert trekt 154 miljoen uit voor het aantrekken van buitenlands talent' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Waarom geeft u 154 miljoen euro uit aan buitenlands talent, terwijl Nederlandse studenten worden verdrongen en nauwelijks nog aan een studie of kamer komen?1
In mijn brief van 24 april jl.2 heb ik aangegeven dat ik 154 miljoen euro reserveer voor hbo- en wo-instellingen in het kader van de talentstrategie en de taakstellende intensivering in het hbo en wo. Met de talentstrategie wil het kabinet ervoor zorgen dat we het juiste talent selecteren, opleiden en voor Nederland behouden. Zo zorgen we voor genoeg vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het grootst zijn. Ook internationaal talent kan hier een bijdrage aan leveren. Het aantrekken ervan moet echter gericht gebeuren, en niet doorslaan in ongerichte groei. Daarover maak ik afspraken met de sector. Ruimte voor meer internationaal talent in specifieke sectoren betekent dat in andere sectoren het aantal anderstalige opleidingsplaatsen moet worden begrensd.
Het beeld dat Nederlandse studenten op grote schaal worden verdrongen door internationale studenten klopt niet. Nederland kent in algemene zin een zeer toegankelijk hogeronderwijsstelsel. Op basis van cijfers van DUO heeft circa 5% van de bacheloropleidingen een numerus fixus. Daarnaast leert de ervaring dat een groot deel van de kandidaten alsnog wordt toegelaten, doordat niet alle geselecteerde studenten hun plaats accepteren. In totaal wordt tussen de 75% en 85% van de aspirant-studenten geplaatst3 en kan slechts circa 5% niet starten met een opleiding van eerste voorkeur.4 Studenten die niet direct worden toegelaten, kunnen bovendien altijd terecht bij een passende tweede keuze.
De krapte op de woningmarkt is een breder maatschappelijk vraagstuk dat niet uitsluitend of primair wordt veroorzaakt door internationale studenten.
Begrijpt u dat dit beleid neerkomt op het subsidiëren van buitenlandse studenten met Nederlands belastinggeld, ten koste van onze eigen jongeren? Zo ja, waarom drukt u dit beleid er alsnog doorheen?
De middelen waarnaar wordt verwezen zijn bedoeld voor de instellingen om hen in staat te stellen maatregelen te nemen waarmee ze een bijdrage leveren aan de Nationale Talentstrategie – zie ook onder vraag 1. De wijze waarop dit vorm krijgt wordt momenteel uitgewerkt. Van belang is en blijft daarbij dat instellingen hun zelfregie op het gebied van internationale studenten doorzetten. Ook internationale studenten kunnen, mits gericht geworven, een bijdrage leveren aan de Nationale Talentstrategie. Het uitgangspunt van het kabinet is daarbij altijd dat de internationale instroom aanvullend is op de Nederlandse instroom.
Waarom houdt u vast aan het bestaande Engelstalige onderwijsaanbod, terwijl dit de positie van het Nederlands als voertaal verder onder druk zet?
Het kabinet blijft inzetten op het behoud van het Nederlandse taal als onderwijs- en wetenschapstaal. Zo worden instellingen in het wetsvoorstel internationalisering in balans (WIB) verplicht tot het maken van bewuste keuzes in hun taalbeleid en worden zij ook verplicht tot het bevorderen van de Nederlandse taalvaardigheid voor alle studenten.
In het coalitieakkoord is vastgelegd dat het bestaande anderstalige onderwijsaanbod in stand blijft en dat de toets anderstalig onderwijs wordt geschrapt. Ik werk nu aan de nota van wijziging waarin dit gestalte krijgt. Het kabinet kiest ervoor om grip behouden op de instroom van internationale studenten in overleg en afstemming met de onderwijssectoren. De universiteiten en hogescholen zetten onverminderd de afspraken door die zij onderling in het kader van de zelfregie hebben gemaakt. Deze afspraken zien onder meer op het terrein van capaciteit, maar ook op Nederlandse taalvaardigheid, verbeteren van de blijfkans en huisvesting.
Vindt u het acceptabel dat instellingen zoals de Universiteit Maastricht inmiddels draaien op buitenlandse studenten en wanneer is voor u de grens bereikt?
Internationalisering brengt zowel voordelen als uitdagingen met zich mee. Het kan bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs, het versterken van de internationale positie van Nederland en een sterke economie. Tegelijkertijd is het van belang dat de instroom van internationale studenten in balans is met de capaciteit van instellingen en de draagkracht van regio’s en steden.
In dat kader wordt gesproken over «gebalanceerde internationalisering». Dat betekent dat het voor elke instelling, regio en opleiding verschillend kan zijn wat een passende omvang van internationale instroom is. Voor instellingen zoals de Universiteit Maastricht, die in een grensregio liggen, is het navolgbaar dat het aandeel internationale studenten hoger ligt dan elders in Nederland. Wel moet oog blijven voor de draagkracht van de stad en de bijdrage die het anderstalige onderwijs en de internationale studenten leveren aan de regio.
Het kabinet blijft hierover in gesprek met instellingen en werkt toe naar bestuurlijke afspraken om deze balans te borgen, zodat de voordelen van internationalisering behouden blijven zonder dat dit leidt tot ongewenste effecten voor toegankelijkheid of capaciteit. Ook in het kader van de Nationale Talentstrategie, zetten we in op het gericht en selectief aantrekken van internationaal talent, juist daar waar de uitdagingen het grootst zijn.
Hoe denkt u grip te houden op internationale instroom, als u tegelijkertijd miljoenen uittrekt om die instroom juist verder aan te jagen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om harde grenzen te stellen aan het aantal buitenlandse studenten en het Nederlands weer de norm te maken in het hoger onderwijs, of blijft u kiezen voor internationalisering boven de Nederlandse belangen?
Er is geen tegenstelling tussen internationalisering en Nederlandse belangen. Het kabinet zet in op een vorm van internationalisering die bijdraagt aan de Nederlandse samenleving en economie, en wil tegelijkertijd de toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs voor Nederlandse studenten borgen.
Grip op internationale instroom betekent dat instellingen beter in staat worden gesteld om per opleiding en per regio af te wegen waar internationale studenten een meerwaarde hebben en waar begrenzing nodig is. Instrumenten zoals numerus fixusmaatregelen maken dit mogelijk.
Het Nederlands blijft daarbij een belangrijke taal binnen het hoger onderwijs. Tegelijkertijd kan anderstalig onderwijs in bepaalde gevallen noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld omdat het werkveld of wetenschappelijk veld hoofdzakelijk anderstalig, of omdat op deze manier extra internationaal talent voor tekortsectoren opgeleid kan worden of voor regio’s waar het onderwijsaanbod onder druk staat.
Het kabinet blijft hierover in gesprek met instellingen en zet in op een gebalanceerde aanpak waarin zowel nationale belangen als de voordelen van internationalisering worden meegenomen. De intentie is om daarover op korte termijn bestuurlijke afspraken te maken met hogescholen en universiteiten. Daarnaast werken we aan de Nationale Talentstrategie, vanuit dezelfde gebalanceerde aanpak.
Het artikel 'UvA student sails with flotilla to Gaza: 'We are preparing for the worst'' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «UvA student sails with flotilla to Gaza: «We are preparing for the worst»»?1
Ja.
Kunt u aangeven of u het wenselijk vindt dat docenten studenten aanmoedigen om dergelijke gevaarlijke reizen naar onder andere Gaza te ondernemen? Zo nee, welke maatregelen gaat u hierop ondernemen?
Het kabinet doet geen uitspraken over individuele casuïstiek.
In algemene zin is het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de Gazastrook rood. Dat betekent dat het advies is aan Nederlanders: wat uw situatie ook is, reis hier niet heen, het is er te gevaarlijk. Ook waarschuwt het ministerie in het reisadvies dat de Nederlandse vertegenwoordiging niet kan helpen als Nederlanders in de Gazastrook in de problemen komen. Het reisadvies is helder, het is onverstandig dit te negeren.
Kunt u bevestigen dat studenten alleen recht hebben op studiefinanciering wanneer zij hun studie daadwerkelijk volgen en niet door eigen toedoen of vrijwillige uitstapjes bewust studievertraging veroorzaken? Zo nee, waarom niet?
Nee, voor een aanspraak op studiefinanciering is het niet vereist dat iemand daadwerkelijk de studie volgt. Ook vervalt hun aanspraak niet op het moment dat zij door eigen toedoen bewust studievertraging veroorzaken. De aanspraak op studiefinanciering is verbonden aan de inschrijving bij een opleiding die aanspraak geeft op studiefinanciering, en daarnaast aan het voldoen aan de overige leeftijds- en nationaliteitseisen. Daarbij is wel het aantal maanden prestatiebeurs dat een student kan ontvangen gemaximeerd. Bij studievertraging kan een student gedurende de opleiding dus in de leenfase terecht komen en geen recht meer hebben op een prestatiebeurs. Wanneer de student niet binnen de diplomatermijn een diploma haalt, wordt de prestatiebeurs bovendien niet omgezet in een gift. Het is aan de student zelf om tegen deze achtergrond keuzes te maken om ingeschreven te blijven staan of de studie (tijdelijk) te stoppen.
Kunt u bewerkstelligen dat studenten die deelnemen aan extremistische activiteiten hun recht op studiefinanciering verliezen en bovendien worden geschorst of van hun onderwijsinstelling worden verwijderd? Zo nee, waarom niet?
Waar het gaat om studiefinanciering vervalt de aanspraak alleen als is vastgesteld dat de student een uitreiziger is.2 Daarvan is sprake als uit een melding van bevoegde opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten blijkt dat er een gegronde reden bestaat dat de student zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie.3 Op basis daarvan kan ik als Minister van OCW besluiten de aanspraak op studiefinanciering te laten vervallen.
Waar het gaat om schorsing of verwijdering van een student van de onderwijsinstelling, heb ik als Minister van OCW daartoe geen mogelijkheden. Die bevoegdheid ligt bij het bestuur van de onderwijsinstellingen op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW). Wanneer een student de huisregels overtreedt en een veilige leer- en/of werkomgeving voor studenten en/of medewerkers schaadt, kan het instellingsbestuur die student voor maximaal een jaar de toegang tot de gebouwen en terreinen ontzeggen of de inschrijving voor eenzelfde periode beëindigen. Wanneer een student de huisregels overtreedt, ernstige overlast heeft veroorzaakt en ook na waarschuwingen daarmee niet is gestopt, kan het instellingsbestuur die student de toegang tot de instelling definitief ontzeggen of zijn inschrijving beëindigen.4 Een instellingsbestuur neemt een dergelijk besluit niet lichtvaardig en de impact is groot, mede ook tegen het licht van het recht op onderwijs. Daarom wordt tegen dit soort besluiten vaak in beroep gegaan bij een rechter. Uit de rechtspraak blijkt het belang van een gedegen belangenweging en proces, voordat tot zo’n beslissing kan worden overgegaan. Een schorsing moet evenredig zijn aan de mate waarin de huisregels zijn overtreden. Daarbij moet waar mogelijk de onderwijsvoortgang niet onevenredig worden belemmerd als gevolg van een maatregel. Ook moet eerst gekeken worden of op andere manieren het gedrag kan worden gewijzigd. Als dit na aanhoudende pogingen niet lukt, kan een student definitief worden uitgeschreven.
Welke maatregelen wil u nemen om vroegtijdige radicalisering in het onderwijs, vooral de breed geaccepteerde linkse radicalisatie, aan te pakken om deze situaties in de toekomst te voorkomen?
Ik heb geen signalen dat er sprake is van breed geaccepteerde linkse radicalisatie in het onderwijs.
Het afzeggen van een interview met Tom van Grieken aan de Universiteit van Amsterdam |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een interview met de Vlaamse politicus Tom van Grieken aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) is afgezegd na overleg met de universiteit, omdat de benodigde inzet en impact op de campus te groot zouden zijn geweest?1
Ja.
Klopt het dat volgens de betrokken organisaties veiligheid en noodzakelijke beveiliging een belangrijke rol speelden bij deze afzegging?
De UvA heeft mij laten weten dat het studentenplatform Room for Discussion heeft besloten het interview te annuleren. Dit hebben zij gedaan na consultatie bij de UvA en op basis van een brede afweging. Daarbij is gekeken naar de veiligheid en de benodigde veiligheidsmaatregelen, maar ook naar de gevolgen voor onderwijs en onderzoek, logistieke overwegingen, eventuele protocollaire eisen en de wensen van de gast.
Hoe beoordeelt u het dat een gesprek met een democratisch actieve politicus op een universiteitscampus geen doorgang vindt vanwege verwachte veiligheids- en beheerslasten?
Het is de verantwoordelijkheid van de instellingen om ervoor te zorgen dat de randvoorwaarden voor bijeenkomsten en de veiligheid van de aanwezigen voldoende geborgd zijn. Indien de risico’s voor de veiligheid te groot zijn, kan het zo zijn dat bijeenkomsten geen doorgang kunnen vinden. Ik betreur het dat er situaties zijn waarbij de veiligheid van studenten en genodigden onvoldoende kan worden gegarandeerd en een bijeenkomst daarom geannuleerd moet worden.
Onderschrijft u dat universiteiten bij uitstek plaatsen behoren te zijn waar vrijheid van meningsuiting, academische vrijheid en confrontatie met uiteenlopende maatschappelijke en politieke opvattingen actief worden beschermd?
Ik onderschrijf dat de academische vrijheid op universiteiten actief beschermd moet worden. De vrijheid van meningsuiting dient overal actief beschermd te worden. Universiteiten zijn bij uitstek de plekken in de samenleving voor een open debat en dialoog, waarin ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven, zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van academische kernwaarden, zoals o.a. kritisch denken, onafhankelijkheid, respect en transparantie. Instellingen zijn hier primair verantwoordelijk voor en zetten zich hier ook voor in.
Deelt u de opvatting dat diversiteit van opvattingen op de universiteit óók betekent dat studenten en medewerkers in aanraking moeten kunnen komen met standpunten die als ongemakkelijk, omstreden of impopulair worden ervaren?
Ja, ik deel deze opvatting. Ik acht het van belang dat er op universiteiten ruimte is voor debat over maatschappelijke thema’s met een diversiteit aan perspectieven, zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van academische kernwaarden.
Hoe voorkomt de overheid volgens u dat op universiteiten in de praktijk een situatie ontstaat waarin de verwachte onrust rond een spreker zwaarder gaat wegen dan het belang van open debat?
De instellingsbesturen hebben de ingewikkelde taak om zowel het open debat, alsook de veiligheid op de campus te waarborgen. Bij het faciliteren of organiseren van bijeenkomsten wordt per casus, in overleg met betrokken partijen, een afweging gemaakt of iemand kan komen spreken. Het beoordelen van de risico's van bijeenkomsten, het nemen van veiligheidsmaatregelen en het daarbij waar nodig inschakelen van daartoe bevoegde partijen, is de verantwoordelijkheid van de instelling in samenspraak met de lokale driehoek. Ik vertrouw erop dat zij deze afwegingen weloverwogen maken. Het is niet aan mij als Minister om mij in die afweging te mengen.
Deelt u de zorg dat het afzeggen van bijeenkomsten wegens verwachte protesten, veiligheidsrisico’s of organisatorische druk ertoe kan leiden dat niet de formele regels, maar de dreiging van verstoring bepaalt welke opvattingen nog gehoord mogen worden?
Zoals aangegeven bij vraag 3 betreur ik het als een bijeenkomst vanwege veiligheidsredenen niet door kan gaan. Ik verwacht van instellingen dat zij zich maximaal inspannen om de randvoorwaarde van veiligheid te borgen en hierover op lokaal niveau met de veiligheidsdriehoek overleg te plegen. In mijn gesprekken met bestuurders merk ik dat zij zich hier ten volle van bewust zijn en voor inzetten. Ik herken dan ook niet het beeld dat instellingen relatief snel afschalen of afgelasten. Als hierover zorgen leven binnen de academische gemeenschap op de instellingen, dan kunnen zij hierover met het College van Bestuur in gesprek.
Acht u het wenselijk dat universiteiten een positieve inspanningsverplichting hebben om legale bijeenkomsten en interviews juist wel mogelijk te maken, inclusief passende beveiliging, in plaats van dergelijke activiteiten relatief snel af te schalen of af te gelasten?
Zie antwoord vraag 7.
Welke landelijke kaders, richtlijnen of handreikingen bestaan er momenteel voor universiteiten om de balans te bewaken tussen veiligheid enerzijds en vrijheid van meningsuiting en academische pluriformiteit anderzijds?
Over de wijze waarop instellingen deze balans bewaken hebben mijn ambtsvoorgangers uw Kamer op 3 juli en 18 december 2025 geïnformeerd met de brieven over veiligheid op universiteiten en hogescholen.2 In de bijlage bij de brief van 3 juli gaan de koepelorganisaties VH en UNL specifiek in op de kaders, richtlijnen en handreikingen die zij hiervoor gebruiken en hoe de sectorale coördinatie van hun veiligheidsbeleid is ingericht.
Wordt binnen die kaders voldoende expliciet gemaakt dat universiteiten niet alleen sociaal-demografische diversiteit, maar ook intellectuele en ideologische diversiteit behoren te bevorderen?
Ik vind het belangrijk dat universiteiten zich blijvend inzetten voor diversiteit en inclusie zodat er een leer- en werkomgeving wordt gecreëerd waar iedereen zich kan ontplooien. Onder deze diversiteit valt niet alleen de genoemde sociaal-demografische diversiteit maar ook intellectuele en ideologische diversiteit. Het bevorderen van intellectuele en ideologische diversiteit is een kernwaarde van het hoger onderwijs en niet alleen uitgangspunt in deze kaders, maar ook in de uitvoering van de brede maatschappelijke opdracht van de instellingen.
In hoeverre ziet u signalen dat bepaalde politieke of maatschappelijke opvattingen op campussen structureel moeilijker aan bod komen vanwege bestuurlijke terughoudendheid, veiligheidsbezwaren of druk vanuit actiegroepen?
Hoger onderwijsinstellingen staan in het midden van de samenleving en vervullen een essentiële rol in het maatschappelijk debat over de meest uiteenlopende onderwerpen. Dat doen zij door binnen hun instellingen het academische debat te stimuleren. Ik acht het van belang dat hierbij ruimte is voor diversiteit aan perspectieven, ook binnen politiek-maatschappelijke thema’s. Hierbij is het belangrijk dat academische kernwaarden. Daarnaast hebben zij de taak om met een veelvoud aan opvattingen om te gaan in hun onderwijs- en onderzoeksactiviteiten en hiervoor een veilige leer- en werkomgeving te bieden. Het is de verantwoordelijkheid van de academische gemeenschap om te zorgen dat alle perspectieven aan bod komen, en om gevrijwaard te blijven van een bias op basis van politieke of maatschappelijke voorkeuren. Ik onderken de zorgen die leven dat bepaalde politieke of maatschappelijke opvattingen onder druk staan. Naar aanleiding van de motie Heite laat ik een onafhankelijk onderzoek uitvoeren waarbij de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap worden geïnventariseerd en geanalyseerd.3
Het artikel noemt eerdere incidenten aan de UvA rond gesprekken met onder anderen Ruben Brekelmans, Rob Bauer, Kajsa Ollongren, Femke Halsema en Jordan Peterson; ziet u hierin een incidenteel patroon van losse gebeurtenissen of een structureler probleem rond het organiseren van debat op universiteiten?
Universiteiten zijn de plekken in de samenleving waar een cultuur moet heersen van een open debat, waarin ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven. Hoe invulling wordt gegeven aan die cultuur en wat hiervoor wordt georganiseerd is aan de universiteiten. De universiteiten zijn onlangs gestart met het versterken van het academisch debat door in iedere universiteit een dialoogmaker aan te stellen. Zij organiseren binnen de instellingen verschillende debatten over schurende onderwerpen die juist als doel hebben het academische debat binnen de academische gemeenschap op goede wijze te voeren.
Ik heb geen zicht op wat er allemaal georganiseerd wordt op universiteiten en hoe vaak situaties zoals genoemd in het artikel voorkomen. Voor de situaties waar het artikel naar verwijst, heeft het instellingsbestuur een complexe afweging gemaakt, zoals in de voorgaande antwoorden toegelicht. Ik vertrouw erop dat de instelling hier per casus weloverwogen beslissingen in maakt.
Wordt bij afwegingen over omstreden sprekers systematisch vastgelegd welke concrete risico’s zijn geïdentificeerd, welke minder vergaande alternatieven zijn onderzocht en waarom uiteindelijk voor afgelasting is gekozen?
Instellingen hebben gezamenlijk via hun Platform Integrale Veiligheid de handreiking «Controversiële sprekers» ontwikkeld, een handelingskader voor de omgang met controversiële sprekers en ongewenste beïnvloeding. Het richt zich op een zorgvuldig intern proces voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur. In de bij vraag 9 genoemde brief van de koepelorganisaties UNL en de VH geven de instellingen aan dat zij deze handreiking hebben verwerkt in het instellingsbeleid.
Zou het volgens u wenselijk zijn dat universiteiten achteraf transparanter verantwoording afleggen wanneer bijeenkomsten of gesprekken worden afgezegd die raken aan het vrije publieke debat?
Ik vind het wenselijk dat universiteiten, voor zover mogelijk, transparant zijn over dit soort besluiten. Vanwege veiligheid zal er niet altijd volledige transparantie mogelijk zijn. Zoals aangegeven onder vraag 13, hebben de instellingen een zorgvuldig intern proces ingericht voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur.
Bent u bereid met universiteiten in gesprek te gaan over aanvullende waarborgen voor vrijheid van meningsuiting en diversiteit van opvattingen op de campus, en de Kamer hierover te informeren?
Momenteel werkt de KNAW aan een advies over vrijheid van meningsuiting binnen de wetenschappelijke sector. Daarnaast start ik, naar aanleiding van de motie Heite, een onafhankelijk onderzoek waarbij de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap worden geïnventariseerd en geanalyseerd.4 Tot slot heeft uw Kamer met de motie Claassen verzocht om concrete afspraken te maken met de universiteiten ter versterking van de praktische borging van academische vrijheid en uw Kamer periodiek te informeren over voortgang en resultaten.5 Hierover ben ik met Universiteiten van Nederland (UNL) in gesprek. Ik wil de uitkomsten van deze trajecten afwachten voordat ik andere acties onderneem. Dit najaar wil ik uw Kamer informeren over de uitkomsten van het advies van de KNAW, het onderzoek naar de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap en de stand van zaken wat betreft de uitvoering van de voorgenoemde motie Claassen. Hierbij wil ik uw Kamer ook informeren over het advies van de KNAW inzake de juridische borging van academische vrijheid die ik dit jaar verwacht te ontvangen. De voorgenoemde uitkomsten wil ik in samenhang voorzien van mijn beleidsreactie en uw Kamer hierover informeren.
Bent u bereid te onderzoeken of een landelijke handreiking of gedragscode nodig is waarin expliciet wordt vastgelegd dat universiteiten terughoudend moeten zijn met het afzeggen van legale debatbijeenkomsten enkel vanwege verwachte maatschappelijke controverse?
Nee, ik ben hier niet toe bereid. Bij iedere casus moeten de instellingsbesturen een eigen, complexe afweging maken of iemand kan komen spreken. Zoals toegelicht onder vraag 13 hanteren de onderwijsinstellingen een zorgvuldig intern proces voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur.
Kunt u uiteenzetten hoe volgens u moet worden voorkomen dat studenten op universiteiten juist minder in aanraking komen met afwijkende of schurende perspectieven, terwijl academische vorming vraagt om blootstelling aan fundamenteel verschillende ideeën?
Universiteiten zijn bij uitstek de plekken in de samenleving waar een cultuur moet heersen van een open debat en waar ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven ook als deze afwijkend of schurend zijn. Hoe invulling wordt gegeven aan die cultuur en wat hiervoor wordt georganiseerd is aan de universiteiten. Het is niet aan mij als Minister om mij hierin te mengen. Dat is namelijk de essentie van academische vrijheid.
Deelt u de opvatting dat het vermogen om afwijkende, impopulaire of zelfs provocerende standpunten in een vreedzame en ordelijke setting te bespreken, een kernonderdeel is van wetenschappelijke en democratische vorming?
Ik acht het openstaan voor perspectieven en ervaringen van anderen en het kunnen uitwisselen van standpunten, compromissen sluiten en omgaan met meerderheids- en minderheidsstandpunten zeker van belang voor de democratische vorming. Daarnaast is het leren voeren van het academisch debat onderdeel van het academisch onderwijs.
Het bericht 'UvA's Room for Discussion trekt uitnodiging Vlaams Belang politicus in om veiligheid en andere redenen' |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht van GeenStijl «UvA’s Room for Discussion trekt uitnodiging Vlaams Belang politicus in om veiligheid en andere redenen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de Universiteit van Amsterdam (UVA) opnieuw zwicht voor activistische druk door de uitnodiging aan Tom van Grieken van Vlaams Belang in te trekken en dat universiteiten geen politieke filterbubbel mogen zijn waar alleen welgevallige meningen welkom zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik wil voorop stellen dat universiteiten bij uitstek de plekken in de samenleving zijn voor open debat en dialoog, waarin ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven, zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van de academische kernwaarden. Het is aan de instellingsbesturen om, bij het faciliteren of organiseren van bijeenkomsten, in iedere casus een nieuwe afweging te maken of iemand kan komen spreken. Daarbij moeten zij zowel de academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting, alsook de veiligheid op de campus waarborgen. Ik vertrouw erop dat zij die afwegingen weloverwogen maken en dat dat ook in dit geval is gebeurd. Zo heeft de UvA mij laten weten dat het studentenplatform Room for Discussion heeft besloten het interview te annuleren. Dit hebben zij gedaan na consultatie bij de UvA en op basis van een brede afweging. Daarbij is gekeken naar de veiligheid en de benodigde veiligheidsmaatregelen, maar ook naar de gevolgen voor onderwijs en onderzoek, logistieke overwegingen, eventuele protocollaire eisen en de wensen van de gast.
Kan u aangeven of er nog sprake is van academische vrijheid of dat deze is ingeruild voor ideologische censuur?
Ik deel niet uw opvatting dat de academische vrijheid is ingeruild voor ideologische censuur. Wel is en blijft het van groot belang dat de academische vrijheid gewaarborgd en actief beschermd wordt. Vanwege de signalen dat de academische vrijheid onder druk staat, lopen er verschillende trajecten die bijdragen aan het inzicht in de academische vrijheid in Nederland en het handelingsperspectief om deze beter te borgen en beschermen. De KNAW werkt bijvoorbeeld aan twee adviezen; juridische borging van academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting in de wetenschappelijke sector. Het is van belang dat deze twee vrijheden van elkaar worden onderscheiden. Daarnaast start ik, naar aanleiding van motie Heite, een onafhankelijk onderzoek naar de zorgen over het gebrek aan pluriformiteit in de wetenschap waarvan ik de resultaten dit najaar verwacht.2
Kan u aangeven of universiteiten gebruik mogen maken van veiligheid als een smoes of veiligheid mogen misbruiken als excuus om politiek onwelgevallige sprekers te weren? Zo nee, welke maatregelen gaat u hiertegen nemen?
Ik neem afstand van de suggestie dat universiteiten veiligheid als smoes inzetten of als argument misbruiken om onwelgevallige sprekers te weren. Zoals toegelicht onder vraag 2 vertrouw ik erop dat universiteiten in elke casus een weloverwogen afweging maken, waarbij zij veel waarde hechten aan de academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting.
Bent u bereid om universiteiten die structureel de vrijheid van meningsuiting ondermijnen, financieel te korten? Zo nee, waarom niet?
Ik ben daar niet toe bereid en ik heb ook geen indicaties dat hier sprake van zou zijn.
Herkent u dat dit soort incidenten bijdragen aan een angstcultuur op universiteiten waar afwijkende meningen worden weggezet en linkse groepsdruk de norm is? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik herken niet dat dergelijke incidenten bijdragen aan een angstcultuur. Het is te betreuren dat evenementen soms vanwege veiligheidsredenen moeten worden afgezegd. Iedereen moet zich veilig voelen om mee te doen aan het open debat, waar de ruimte is voor verschillende perspectieven en waar het ook mag schuren. Zoals eerder aangegeven in vraag 2 zetten bestuurders zich elke dag weer in voor academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting, maar hebben ze daarbij ook de ingewikkelde taak om de veiligheid te waarborgen.
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
Nicole Moinat (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Ja.
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Ja, woningnood kan directe en ernstige gevolgen hebben voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen. Ieder kind verdient (passend) onderwijs. Het moet vanzelfsprekend zijn dat alle kinderen deel kunnen nemen aan het onderwijs, zich optimaal kunnen ontwikkelen en zich kunnen voorbereiden op vervolgonderwijs en deelname aan de maatschappij. De schrijnende situaties die worden beschreven in het artikel, waarbij kinderen geen stabiele en veilige thuisbasis hebben, belemmeren de mogelijkheden voor de kinderen. Ik deel de zorgen rondom deze signalen.
Door de schaarste op de woningmarkt is het voor veel gezinnen moeilijk om een passende woning te vinden. Soms lukt het helemaal niet om een eigen woonplek te vinden en komen zij noodgedwongen terecht bij vrienden of familie, in vakantieparken of in de maatschappelijke opvang. Geen enkel kind zou een verwoestende en vaak traumatische periode van dakloosheid in hun leven mee moeten maken. Juist in gevallen van dakloosheid waar kinderen bij betrokken zijn, moet een gemeente er alles aan doen om het gezin te helpen.
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
Er zijn geen landelijke cijfers bekend hoeveel minderjarige kinderen verkeren in een situatie van dakloosheid. De regionale Ethos-tellingen waarnaar verwezen wordt in het bericht, geven voor een aantal regio’s een duidelijk beeld. De aantallen uit het bericht zijn een weergave van het aantal dakloze kinderen (totaal 4.062) dat op 8 april 2025 in 9 regio’s (totaal 57 gemeenten) geteld is. Deze Ethos-telingen zijn de afgelopen jaren in 124 gemeenten uitgevoerd en in 2026 volgen nog eens 96 gemeenten. Zodoende hebben deze regio’s goed zicht op het aantal dakloze, minderjarige kinderen en hun verblijfsituatie. Het is onbekend welk type onderwijs deze kinderen volgen.
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Zie ook het antwoord op vraag 3. De Ethos-tellingen zijn gebaseerd op een brede definitie, waar verborgen dakloosheid (verblijven bij vrienden/familie, verblijf op een vakantiepark, etc.) onderdeel van is. Met een telling krijgt een regio goed zicht op het aantal dakloze kinderen én de wijze van hun verblijf. Op basis van deze informatie kan een regio zorgen dat beleid en uitvoering beter aansluit op de behoefte van dakloze mensen. VWS wil de aankomende jaren faciliteren dat in alle regio’s periodiek tellingen worden uitgevoerd. Zodoende krijgen gemeenten en regio’s goed zicht op verborgen dakloosheid én dakloosheid onder minderjarigen.
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Scholen zijn er in de eerste plaats om goed onderwijs te verzorgen voor alle leerlingen, ook voor kwetsbare leerlingen. School moet daarvoor een veilige omgeving zijn waarin alle kinderen zich kunnen ontwikkelen. Zo’n schoolklimaat leidt behalve tot betere leerprestaties en een hogere motivatie, ook tot een sterker welbevinden van kinderen. Scholen met veel kwetsbare leerlingen ontvangen extra bekostiging om hierin te voorzien. School speelt verder een centrale rol in de pedagogische basis als plek voor ontwikkeling en ontmoeting. School kan samen met partners bijdragen aan het versterken van sociale netwerken, de zelfredzaamheid en de veerkracht van gezinnen, bijvoorbeeld door ouders met elkaar in contact te brengen of door hen te betrekken bij schoolactiviteiten. Waar nodig kan de school ondersteuning bieden om te kunnen leren, zoals een gevulde maag met een schoolmaaltijd, een plek om huiswerk te maken of naschoolse activiteiten. Het kabinet werkt aan het verstevigen van het schoolklimaat en de pedagogische basis op iedere school. Ook verbeteren we de samenwerking tussen de school en de partners rondom de school zoals kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, welzijn en jeugdhulp. Vanaf 2027 investeert het Ministerie van OCW 650 miljoen euro per jaar in de verduurzaming van programma’s School & Omgeving, Brugfunctionaris en Schoolmaaltijden.
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
De problemen die gepaard gaan bij een situatie van dakloosheid, worden door veel partijen gevoeld, maar iedere partij heeft een andere verantwoordelijkheid. De gemeente heeft een regierol als het gaat om het voorkomen van dakloosheid. Ik deel de opvatting dat het niet de kerntaak is van het onderwijs om het probleem van dakloosheid op te vangen. Het onderwijs is immers bedoeld om kinderen te ontwikkelen, zodat ze kunnen meedoen in de maatschappij. School is wel een plaats waar zorgelijke situaties aan het licht kunnen komen, zoals ook in het artikel wordt geïllustreerd. Vanuit school kan daarna contact gelegd worden met de bredere ondersteuningsstructuur rondom de school. Hierbij kan gedacht worden aan jeugdgezondheidszorg, maatschappelijk werk of lokale teams.
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Gemeenten zijn op basis van de Jeugdwet en de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning en zorg aan volwassenen en kinderen die kampen met sociale en/of psychische problematiek. Zij kopen verschillende vormen van ondersteuning en (maatschappelijke) opvang in waar inwoners gebruik van kunnen maken. Slechts een deel van de dakloze gezinnen heeft te maken met sociale of psychische problemen. Vaak is het gezin in de eerste plaats geholpen met het vinden van passende woonplek. Hoe langer de periode van dakloosheid duurt, hoe groter de kans dat sociale en/of psychische problemenontstaan of verergeren. Daarom werkt het kabinet samen met provincies, gemeenten, corporaties en ontwikkelaars aan het tegengaan van de wooncrisis door het versnellen van de woningbouw en het beter benutten van bestaande woonruimte. Gemeenten doen er alles aan om dakloze gezinnen zo goed mogelijk te helpen. De schaarste op de woningmarkt en in de opvang, maakt dat er niet altijd op korte termijn een passende plek beschikbaar is.
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
De basis om goed onderwijs te kunnen volgen, is een veilige leeromgeving waar een leerling zich gezien weet. Toch is het niet volledig te voorkomen dat leerlingen met stress, door bijvoorbeeld dakloosheid, het risico op achterstanden lopen. Door programma’s als Schoolmaaltijden, Brugfunctionaris en School en Omgeving en het onderwijsachterstandenbeleid wordt ingezet op het verminderen van de effecten van stress en het vergroten van de leer- en ontwikkelmogelijkheden van de meest kwetsbare leerlingen. Scholen met een hoge populatie kwetsbare leerlingen kunnen aanvullende middelen ontvangen om het negatieve effect dat omgevingsfactoren kunnen hebben op de leerkansen te verminderen. Dit stelt scholen in staat om aanvullende ondersteuning te bieden die het risico op achterstanden verkleinen in de vorm van bijvoorbeeld een schoolmaaltijd of ontwikkelactiviteiten, zodat ook deze leerlingen beter kunnen deelnemen aan het onderwijs. Brugfunctionarissen kunnen daarbij een voor de leerkrachten ontlastende rol vervullen.
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Het is niet bekend hoeveel dakloze gezinnen met minderjarige kinderen buiten de opvang of hulpverlening vallen. Om te bepalen of een gezin überhaupt in aanmerking komt voor gemeentelijke jeugdhulp of Wmo-ondersteuning (waaronder maatschappelijke opvang), voert de gemeente een onderzoek uit. Het niet beschikken over passende woonruimte is op zichzelf geen reden om in aanmerking te komen voor opvang. Op het moment dat het gezin zelfredzaam wordt bevonden, is een gemeente niet verplicht een voorziening te verstrekken. De gemeente mag een zelfredzaam gezin wel toegang geven tot de opvang, al zijn de gezinnen vooral gebaat bij passende huisvesting. Ik begrijp de complexiteit daarvan vanwege de schaarse woningmarkt, maar ik roep lokale partijen wel op om passende oplossingen te vinden.
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
Sinds de start van de ETHOS-tellingen zijn dakloze vrouwen en kinderen beter in beeld, waarbij opvalt dat de groep groter is dan eerder werd gedacht. Steeds meer regio’s nemen deze groepen daardoor beter mee in besluiten rondom woningbouw, tijdelijke huisvesting / flexwonen en het organiseren van kleinschalige opvang. Daarnaast werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aan het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting. Met het aangenomen amendement Grinwis2 worden (dreigend) dakloze mensen met minderjarige kinderen aangemerkt als een urgentiecategorie. Dit betekent dat deze gezinnen onder bepaalde voorwaarden met voorrang recht krijgen op een woning. Aanvullend hierop zetten we in op de uitvoering van de «Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar)»3, waarmee we het aantal dakloze jongeren willen reduceren en een verdere toename willen voorkomen.
Het bericht dat veel Nederlandse studenten die zich aanmelden voor numerus fixus studies waar veel behoefte aan is buiten de boot vallen |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van een hoogleraar Process analytics aan de TU/e, in Cursor, het journalistieke medium van de TU/e, over de numerus fixus op de studie bouw- en werktuigkunde en het gevolg dat veel Nederlandse aanmelders worden afgewezen, hoewel die ten opzichte van buitenlandse kandidaten een kleine minderheid vormen?1
Ja
Hoeveel Nederlandse kandidaten zijn uiteindelijk tot elk van de studies bouw- en werktuigkunde en informatica toegelaten? (Bij werktuigbouwkunde hebben volgens Cursor slechts 279 van de 1.445 aanmelders de Nederlandse nationaliteit, bij bouwkunde is dat 236 van de 509 aanmelders en bij informatica slechts 95 van de 820)
Het proces van plaatsing en inschrijving voor studiejaar 2026–2027 loopt op dit moment nog. Daarom zijn cijfers over de resultaten van de selectieprocedure waarover in het artikel wordt geschreven nog niet te geven. Om die reden zijn hieronder de cijfers voor studiejaar 2025–2026 weergegeven.
Aanmeldingen en instroom bij bacheloropleidingen TU/e met een numerus fixus naar herkomst voor studiejaar 2025–20262
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
382
(30,0%)
340
(36,2%)
217
(23,1%)
939
(100%)
Deelgenomen aan selectie
274
(50,3%)
198
(36,3%)
73
(13,4%)
545
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
244
(47,7%)
194
(38,0%)
70
(13,7%)
511
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
194
(58,7%)
110
(33,2%)
27
(8,2%)
331
(100%)
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
336
(16,3%)
841
(40,9%)
881
(42,8%)
2058
(100%)
Deelgenomen aan selectie
242
(19,4%)
591
(47,3%)
416
(33,3%)
1249
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
122
(17,1%)
382
(53,7%)
208
(29,2%)
712
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
88
(24,8%)
165
(46,5%)
102
(28,7%)
355
(100%)
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen
454
(23,8%)
841
(44,2%)
609
(40,0%)
1904
(100%)
Deelgenomen aan selectie
336
(27,2%)
599
(48,5%)
301
(24,4%)
1236
(100%)
Toegelaten/plaats aangeboden
232
(26,7%)
446
(51,4%)
190
(21,9%)
868
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 2025
192
(40,9%)
204
(43,5%)
73
(15,6%)
469
(100%)
Zoals is te zien, valt er een hoop studenten af tussen de vooraanmeldingen en de uiteindelijke deelname aan selectie, en wordt aan veel meer studenten een plaats aangeboden dan uiteindelijk ook daadwerkelijk worden ingeschreven. Dit heeft verschillende redenen. Veel studenten melden zich bij meerdere opleidingen aan en kiezen pas later waar ze ook daadwerkelijk meedoen aan de selectie of waar ze een aangeboden plaats accepteren. Ook vallen studenten af die niet aan de vooropleidingseisen voldoen. Ter vergelijking: ook bij niet-selecterende opleidingen valt een groot deel van de studenten die zich aanmelden nog af, voordat de opleiding is gestart. De TU/e laat weten dat van de 7570 vooraanmeldingen bij niet-selecterende opleidingen uiteindelijk slechts 1870 studenten zijn gestart.
Voor de context, en omdat de opleiding Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek van de TU Delft in deze vragen expliciet genoemd wordt, geef ik hierbij ook de instroomcijfers voor de opleiding Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek.
NL (%)
EER (%)
niet-EER (%)
Totaal
Vooraanmeldingen1
668 (19,7%)
1560
(45,9%)
1168 (34,4%)
3396
(100%)
Ingeschreven per 1 oktober 20252
101
(23,1%)
261
(59,7%)
75
(17,2%)
437
(100%)
Bron: TU Delft.
Bron: DUO.
Hoe beoordeelt u dat niet één klasgenoot van de zoon van de auteur – allen uit de regio Eindhoven – is toegelaten tot de studie werktuigbouwkunde of bouwkunde, terwijl de regio Eindhoven een grote behoefte heeft aan werktuigbouwkundigen en informatici, de TU/e studenten afwijst die al in Eindhoven wonen en die studies willen volgen en bent u het ermee eens dat dit onwenselijk is?
Voor de genoemde klasgenoten is het natuurlijk jammer dat zij niet direct kunnen worden toegelaten. Het is heel fijn als studenten kunnen starten op de opleiding van hun eerste keus. Tegelijkertijd is dit vanwege capaciteitsgebrek en onvoldoende beschikbaarheid van docenten niet altijd overal mogelijk. Nederland kent een zeer toegankelijk onderwijsstelsel, waarbij in principe iedereen die een havo- of vwo-diploma heeft behaald met het juiste vakkenpakket, meteen toelaatbaar is voor een bacheloropleiding. Er zijn slechts zeer beperkt uitzonderingen hierop. Een numerus fixus is hier een voorbeeld van. Instellingen mogen enkel een numerus fixus instellen als een opleiding onvoldoende capaciteit heeft om alle studenten die zich aanmelden ook daadwerkelijk toe te laten, bijvoorbeeld omdat er onvoldoende docenten beschikbaar zijn om kwalitatief goed onderwijs te kunnen geven.
Van alle Nederlandse bacheloropleidingen heeft, op basis van cijfers van DUO, slechts 5% zo’n numerus fixus. De ervaring leert dat uiteindelijk veel kandidaten hun plaats niet accepteren, bijvoorbeeld omdat ze zich bij meerdere opleidingen hebben aangemeld voor selectie en pas nadat zij de uitslag daarvan hebben gehoord een keuze maken. Vaak maken ook studenten die lager op de ranglijst staan nog een reële kans om een plaats aangeboden te krijgen. Uiteindelijk kan slechts ± 5% van de aspirant-studenten niet starten op de eerste keus opleiding. Zij kunnen wel altijd terecht bij een tweede keus opleiding.3
Ik ben in dit kader overigens verheugd om te zien dat Nederlandse studenten het op basis van de cijfers van de TU/e bij antwoord 2 goed lijken te doen in de selectie. In alle gevallen is, afgezet tegen het aandeel internationale studenten, het percentage Nederlandse studenten dat start aan de opleiding groter dan het percentage Nederlandse studenten dat zich voor de opleiding had aangemeld en meedeed aan de selectie.
Hoe beoordeelt u het feit dat driekwart van de vooraanmeldingen bestaat uit buitenlandse studenten, waarmee de kansen voor Nederlanders aanzienlijk kleiner zijn geworden? (Aan de TU Delft heeft de Engelstalige bachelor Lucht- en ruimtevaarttechniek (LR) plek voor zo’n 440 eerstejaars, waarvoor ongeveer 3.000 studenten zich hebben aangemeld)
Het Nederlandse vervolgonderwijs leidt primair op voor de Nederlandse gemeenschap en arbeidsmarkt.4 Ik ben er trots op dat in Nederland onderwijs van zulke hoogwaardige kwaliteit wordt aangeboden, dat dit studenten trekt van over de hele wereld. De opleiding Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek is hier een voorbeeld van. We kunnen dit internationale talent heel goed gebruiken, zeker ook in de technieksector. Die internationalisering moet wel in balans zijn, zodat kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs geborgd blijven.
De instroom bij een opleiding zoals Luchtvaart- en ruimtevaart beoordeel ik vanuit het breder perspectief op het onderwijsstelsel, dat ook voor Nederlandse aspirant-studenten goed toegankelijk is. Gezien het feit dat op dit moment slechts een beperkt aantal bacheloropleidingen in de technieksector een numerus fixus heeft,5 maak ik mij nog geen zorgen over de toegankelijkheid van het stelsel – en hierbinnen de techniekopleidingen – voor Nederlandse studenten. Hoe vervelend het ook is dat een aspirant-student niet (meteen) kan worden toegelaten tot de opleiding van de eerste keuze, is er binnen Nederland altijd een hoogwaardig alternatief beschikbaar in de technieksector dat wel vrij toegankelijk is, regelmatig ook (gedeeltelijk) in het Nederlands.6 Het kan wel zijn dat daarvoor verder gereisd moet worden.
Tegelijkertijd zien we dat het aantal aanmeldingen bij deze zeer populaire studies nog altijd sterk stijgt. Het aantal aanmeldingen voor Luchtvaart- en ruimtevaarttechniek is vanaf 2022 bijvoorbeeld bijna verdubbeld van ruim 2200 naar bijna 4400 aanmeldingen in 2026. Die stijging komt met name van internationale studenten. Het aandeel niet-EER-studenten steeg van 30% naar 42%. Het is ook zeer moeilijk om te sturen op aanmeldingen. Wel kan er binnen bepaalde grenzen ingegrepen worden op wie wordt toegelaten. De reeds aangekondigde mogelijkheid voor een fixus op niet-EER-studenten zou de toegankelijkheid voor Nederlandse studenten en andere EU-studenten op deze opleidingen dus ten goede komen (zie ook antwoord 9). Instellingen vragen ook al jaren om deze mogelijkheid. Voor het overige kan alleen worden geselecteerd op basis van (ten minste twee) kwalitatieve selectiecriteria. Daarbinnen gaan instellingen zelf over de invulling van hun selectieprocedure. Selecteren op basis van nationaliteit is niet mogelijk.
Ervan uitgaande dat de Nederlandse kandidaten voor Lucht- en ruimtevaart even goed scoren op de toelatingstoetsen als hun buitenlandse concurrenten, zou dat betekenen dat zij uiteindelijk 100 van de 440 plaatsen innemen; hoe beoordeelt u deze uitkomst?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het de primaire taak van de Nederlandse regering is om het mogelijk te maken voor Nederlandse studenten om deze studies te kunnen volgen, bij voorkeur en indien zij dat wensen, in hun eigen regio? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het een onwenselijk gevolg is van het hanteren van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding dat Nederlandse studenten uit de eigen regio een hoge kans hebben om buiten de boot te vallen? Graag een toelichting.
Op dit moment zijn er geen indicaties dat grote groepen studenten buiten de boot vallen als gevolg van een numerus fixus bij een Engelstalige opleiding. Mocht dat in de toekomst wel dreigen te gebeuren, dan kunnen de in het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans voorgestelde aanvullende fixusinstrumenten mogelijk een oplossing bieden (zie ook antwoord 9), naast de reeds bestaande mogelijkheid om bij bacheloropleidingen een aparte fixus in te stellen voor een Nederlandstalig en Engelstalig traject binnen dezelfde opleiding.
De universiteiten hebben eerder in hun zelfregieplannen rondom internationalisering ook voorgesteld om vaker een Nederlandstalig traject naast een Engelstalig traject te starten. Ik juich het van harte toe als instellingen dit vaker doen. Daarbij is wel voorwaardelijk dat er voldoende Nederlandstalig personeel beschikbaar is. Ik zal dit meenemen in mijn gesprekken met de instellingen over internationalisering en de zelfregie.
Zou een oplossing zijn om bij Engelstalige opleidingen waarvoor een numerus fixus bestaat, in ieder geval ook een traject aan te bieden met een belangrijk deel aan Nederlandstalige lessen en hoe ziet u de wenselijkheid van dergelijke stappen?
Zie antwoord vraag 7.
Is het (juridisch) mogelijk om opleidingen te verplichten om een minimum aantal plaatsen te reserveren voor Nederlandse studenten?
Het stelsel van toelating en selectie bij numerus fixusopleidingen is gestoeld op de gedachte dat de meest geschikte student een van de beperkte plaatsen krijgt toegewezen. Er is binnen het EU-recht geen ruimte om daarbij onderscheid te maken naar nationaliteit en dus Nederlanders voorrang te geven. Wel kan het onder voorwaarden mogelijk gemaakt worden om onderscheid te maken tussen EER- en niet-EER-studenten. Het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans bevat een wijziging van de WHW om dit mogelijk te maken. De voorgestelde niet-EER-fixus zou echter altijd een instrument zijn voor instellingen zelf om in te zetten. Het is niet mogelijk om instellingen te verplichten hier gebruik van te maken.
Mede naar aanleiding van de afspraken in het coalitieakkoord wordt nu gewerkt aan een nota van wijziging voor dit wetsvoorstel, waardoor de behandeling van de wet vertraging oploopt. Ik heb uw Kamer eerder toegezegd u rond de zomer te informeren over het vervolg van dit wetsvoorstel.
Welke mogelijke oplossingen ziet u om ervoor te zorgen dat Nederlandse studenten ook terecht kunnen bij de studies en op die onderwijsinstellingen waar ze willen studeren, met name bij studies die opleiden voor tekorten in de arbeidsmarkt?
Vooropgesteld wil ik nogmaals benadrukken dat veruit de meeste Nederlandse studenten (95%) terecht kunnen bij de studie en onderwijsinstelling waar ze bij voorkeur willen studeren. Slechts 5% moet, als gevolg van een negatieve uitkomst van selectie, uitwijken naar een tweede keus opleiding.7 Ook in de technische sectoren waar het hier om gaat, heeft slechts 4,2% van de opleidingen een capaciteitsbeperking.8 In sommige gevallen van techniek-opleidingen met een numerus fixus, is er zelfs aan een andere Nederlandse universiteit een vrij toegankelijk alternatief beschikbaar.9 Er is in Nederland dus altijd voldoende ruimte om studenten op te leiden in de technieksector; in een enkel geval zal een aspirant-student echter moeten gaan voor een alternatieve techniekopleiding.
Het kabinet investeert daarnaast binnen het project Beethoven ook in het vergroten van de capaciteit van opleidingen binnen de technieksector. Voor 2025 en 2026 is incidenteel ruim € 80 miljoen beschikbaar gesteld voor het initiële onderwijs in de vier regio’s (Brainport, Twente, Zuid-Holland, Noorden). In totaal is incidenteel € 450 miljoen beschikbaar gesteld tot en met 2030 voor het initiële onderwijs en voor leven lang leren. Structureel is vanaf 2031 een bedrag van € 80 miljoen beschikbaar.
Bij welke opleidingen in Nederland met een numerus fixus, die opleiden voor sectoren waar tekorten in bestaan, worden Nederlandse studenten vaak afgewezen mede door de grote belangstelling van buitenlandse studenten?
Het ministerie noch DUO beschikken over aanmeldcijfers bij numerus fixusopleidingen. Bij DUO worden alleen daadwerkelijke inschrijvingen geregistreerd. Op basis van de beschikbare informatie is het niet mogelijk om een vergelijking te maken tussen aanmeldingen en toelatingen. Als die informatie er wel was geweest, was het overigens ook moeilijk geweest om een causaal verband vast te stellen tussen de grote belangstelling van buitenlandse studenten voor bepaalde studies, en de kans om toegelaten te worden voor Nederlandse studenten. Zoals eerder aangegeven is niet alleen de selectieprocedure bepalend voor de vraag of een student die zich heeft aangemeld voor een opleiding, ook daadwerkelijk (kan) start(en) met die opleiding. Studenten maken in veel gevallen ook zelf vrijwillig de keus om toch aan een andere opleiding te beginnen.
Ik wil hier nogmaals benadrukken dat slechts 5% van de Nederlandse aspirant-studenten uiteindelijk niet aan de opleiding van de eerste keus kan beginnen, en er in Nederland altijd een alternatief beschikbaar is, ook in de technieksector, dat zonder selectie toegankelijk is.
Welke ondersteuning is er voor Nederlandse studenten die zich willen inschrijven in studie met numerus fixus met selectie op academische kwaliteit om meer kans te maken om een hoog inschrijfnummer te krijgen?
Sommige instellingen bieden ondersteuning ter voorbereiding op de selectieprocedure, maar daarbij kan geen onderscheid worden gemaakt tussen Nederlandse aspirant-studenten en aspirant-studenten van buiten Nederland, vanwege het verbod op discriminatie op basis van nationaliteit binnen de EER. Ook zijn er commerciële bureaus die aspirant-studenten tegen betaling kunnen voorbereiden op selectie, hetgeen ik met het oog op kansengelijkheid een onwenselijke situatie vindt, maar wat helaas niet verboden kan worden binnen de vrije markt.
Klopt het dat u tijdens het tweeminutendebat Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid d.d. 16 april 2026 instemmend heeft gereageerd op een opmerking van het lid Rooderkerk waarin werd gesteld dat in de uitwerking 1.1 van de gedragscode staat dat de wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk gericht is op waarheidsvinding?1
Ja.
Heeft u daarbij gedoeld op de passage «De wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk is gericht op waarheidsvinding en dat hij daarom bij de presentatie van de aard en reikwijdte van zijn resultaten zo precies mogelijk dient te zijn. Hij zal dus niet liegen over zijn bevindingen of over daaraan verbonden onzekerheden. Zorgvuldigheid strekt zich ook uit tot het presenteren van twijfels en contra indicaties»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat deze passage niet voorkomt in de geldende Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit, maar afkomstig is uit de oude Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) van de VSNU?2
Ja.
Klopt het dat in de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit (2018) expliciet is opgenomen dat de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) wordt ingetrokken?
Ja. Met de start van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 (NGWI2018) is de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2014 (NGW2014) ingetrokken omdat duidelijk moet zijn welke code van toepassing is bij een eventuele klachtenprocedure. Om die reden is de NGW2014 van toepassing gebleven op voltooide onderzoeken voor de inwerkingtreding van de NGWI2018 en voor gestarte onderzoeksactiviteiten die bij de inwerkingtreding van de NGWI2018 nog niet waren voltooid.
Klopt het dat in de geldende versie van 2018 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» niet worden benoemd als normatief uitgangspunt en evenmin als zelfstandig kernbegrip worden gehanteerd?3
Ja. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 is opgebouwd langs vijf fundamentele principes: eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid en spreekt niet over normatieve uitgangspunten of kernbegrippen. Deze principes komen voor een groot deel overeen met de principes uit de NGW2014. In beide codes worden de principes verder uitgelegd, waarbij in de NGW2014 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» gebruikt zijn. In de NGWI2018 is gekozen voor andere woorden om de principes uit te werken.
Hoe reflecteert u op het feit dat de Kamer is geïnformeerd op basis van een passage die niet voorkomt in de geldende gedragscode wetenschappelijke integriteit?
Mijn reactie ging in de snelheid van het debat, het ging inderdaad ten onrechte over de vorige versie.
Indien door deze Kamervragen vast komt te staan dat de woorden objectiviteit en waarheidsvinding niet voor komen in de vigerende gedragscode van 2018, bent u dan bereid de motie alsnog «Oordeel Kamer» te geven?
Ik ben niet bereid om de motie Oordeel Kamer te geven. In de motie wordt gevraagd om invloed uit te oefenen op de inhoud van de NGWI, vanwege de onafhankelijkheid van deze code heb ik daar als Minister geen invloed op. De NGWI is een code die door instellingen uit het veld zelf wordt opgesteld. Zij zijn verantwoordelijk voor het creëren van een werkomgeving waarin wetenschappelijke integriteit is geborgd.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 11 mei 2026 te beantwoorden?
Ja.
Het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u aangeven hoeveel situaties bij u bekend zijn van kleine scholen die per schooljaar 2026–2027 gaan sluiten?
Voor kleine scholen die drie aaneengesloten jaren een leerlingenaantal hebben dat onder de gemeentelijke opheffingsnorm zit en die geen beroep kunnen doen op een van de uitzonderingsgronden, stopt de bekostiging. De meeste van deze scholen moeten dan fuseren of sluiten. Er zijn ook schoolbesturen die kleine scholen uit eigen beweging fuseren of sluiten. Bijvoorbeeld omdat de kwaliteit van het onderwijs op deze scholen onder druk staat, of omdat de scholen kampen met personeelstekorten.
Het totaal aantal scholen dat per schooljaar 2026–2027 gaat sluiten, is pas na het einde van het schooljaar 2025–2026 bekend. Ieder jaar peilt DUO op 1 oktober hoeveel scholen er het afgelopen schooljaar gesloten zijn. In december wordt het overzicht openbaar gemaakt. In de overzichten is te zien dat in de afgelopen vijf jaar telkens tussen de 45 en 65 basisscholen per schooljaar gesloten zijn.2
Deelt u de constatering dat de aanwezigheid van de school van groot belang is voor de vitaliteit van de lokale gemeenschap en dat met het al dan niet voortbestaan vaak ook andere kernfuncties in de gemeenschap gemoeid zijn?
Zie antwoord op vraag 4.
Welke inspanning levert u in het kader van de inzet voor vitale regio’s en de leefbaarheid van het platteland om zoveel mogelijk te voorkomen dat scholen sluiten? Bent u bereid om met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de PO-Raad te overleggen hoe het voortbestaan van kleine scholen door beleid en wetgeving extra ondersteund kan worden?
Ik deel de constatering dat de aanwezigheid van een school in de omgeving van belang is voor de leefbaarheid van de lokale gemeenschap. Het sturen op een bereikbaar scholenaanbod is dan ook een van de uitgangspunten van de voorgenomen stelselherziening in het primair onderwijs. Hierover is uw Kamer vorig jaar zomer voor het laatst per brief geïnformeerd en hierover zal ik uw Kamer deze zomer nader over informeren.
Dit kabinet wil het stelsel herzien omdat het grote aantal te kleine scholen extra druk legt op de tekorten in onderwijspersoneel en onderwijshuisvesting, zeker in de stedelijke context. Één doel van de stelselherziening is om het zogenoemde scholenlandschap toekomstbestendig te maken. Met het oog op het belang van leefbaarheid en bereikbaarheid, stelt dit kabinet een uitzonderingsgrond voor waarmee de laatste school in de omgeving kan worden behouden. Onderdeel van de voorgenomen stelselwijziging is het omvormen van de huidige kleinescholentoeslag naar een dunbevolktheidstoeslag, waarmee kleine scholen in de regio extra ondersteund worden.
Bij het uitwerken van de genoemde voornemens betrekt mijn ministerie alle relevante partners, waaronder ook de VNG en de PO-raad.
Vindt u het acceptabel dat besturen een voornemen tot sluiting slechts enkele maanden voor de zomervakantie bekendmaken? Welke wettelijke waarborgen zijn er om te waarborgen dat sprake is van een redelijke termijn en in hoeverre zijn extra waarborgen nodig, bijvoorbeeld in de regeling van termijnen voor de medezeggenschap?
Ieder schoolbestuur heeft de plicht om de kwaliteit van het onderwijs aan haar leerlingen te waarborgen. Dit geeft een schoolbestuur bepaalde verantwoordelijkheden in geval van een schoolsluiting. Het schoolbestuur moet ervoor zorgen dat leerlingen hun onderwijs zonder onderbreking kunnen voortzetten en dat de overgang naar een nieuwe school dus goed moet worden begeleid. Dat vraagt van het bevoegd gezag dat ze het voornemen tot sluiting tijdig bekend maken. In de wet bestaat hiervoor geen vaste termijn. De acute noodzaak en reden kan immers ook van geval tot geval verschillen.
Behalve de zorgplicht die schoolbesturen hebben ten aanzien van hun leerlingen, staan in de Wet medezeggenschap op scholen (hierna: WMS) de rechten van de medezeggenschapsraad (hierna: MR) bij een voorgenomen sluiting. Zo heeft een MR adviesbevoegdheid bij een (voorgenomen) sluiting van een school (artikel 11 lid 1 WMS). Het bevoegd gezag moet de MR tijdig voorzien van informatie over de voorgenomen sluiting zodat de MR voldoende tijd heeft advies uit te brengen.
Wat vindt u ervan dat de berekening van de verwachte leerlingengroei zodanig ingewikkeld is dat deze zelfs voor de rechter moeilijk vast te stellen valt?2 Welke mogelijkheden tot verduidelijking ziet u ten dienste van de praktijk in gemeenten?
De berekening van de verwachte leerlingengroei is van veel verschillende factoren afhankelijk. Alleen bij het stichten van een school speelt de verwachte leerlingengroei een formele rol. Bij de stichtingsaanvraag moet een schoolbestuur namelijk aantonen dat de nieuwe school in het 11e jaar na aanvraag op voldoende leerlingen kan rekenen. Hiervoor wordt door het schoolbestuur een belangstellingsmeting uitgevoerd waar ook de prognose van het aantal leerlingen in het voedingsgebied in het 11e jaar na aanvraag mee wordt genomen.
Op de website van DUO staat meer informatie over deze belangstellingsmeting. Voor de prognose wordt gekeken naar data die in de eerste plaats door de betrokken gemeente zelf zijn aangeleverd bij het CBS. Mij is niet bekend dat gemeenten bij het verzamelen van deze data tegen onduidelijkheden aanlopen, daarom zie ik onvoldoende reden om gemeenten nader te ondersteunen.
In de artikelen waarnaar de vraagstellers verwijzen, staat een voorgenomen schoolsluiting centraal. Schoolbesturen kunnen er in zo’n geval voor kiezen om de verwachte leerlingengroei in kaart te brengen om op basis daarvan te bepalen of zij hun school voldoende toekomstbestendig vinden.
Onderkent u dat de bouw van nieuwe woningen een wezenlijke factor kan zijn die het voortbestaan van een school mogelijk zou kunnen maken indien een of enkele jaren extra respijt zou bestaan in de berekening? Bent u bereid te verkennen hoe hiermee, mogelijk op vergelijkbare wijze als bij de discretionaire bevoegdheid voor scholen onder de 23 leerlingen, beter rekening gehouden kan worden gelet op de woningbouwopgave die op veel plaatsen in het land aan de orde is?
Voor een school stopt de bekostiging pas als het leerlingenaantal zich drie jaar op rij onder de gemeentelijke opheffingsnorm bevindt. Dit belangrijke uitgangspunt wil ik graag behouden, ook in een toekomstig stelsel. Deze drie jaar zijn namelijk bedoeld om schommeling van leerlingenaantal op te vangen en te voorkomen dat scholen onnodig moeten sluiten. Het is niet ondenkbaar dat zo’n school na nog een aantal extra jaren toch weer boven de gemeentelijke opheffingsnorm zou kunnen komen, bijvoorbeeld door de bouw van nieuwe woningen. Dit is echter te onzeker. Zowel het sturen op een bereikbaar scholenaanbod als het sturen op kwalitatief goed onderwijs in relatie tot een doelmatige verdeling van mensen en middelen zijn belangrijke uitgangspunten bij het vormen van beleid.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe beleid en wetgeving nieuwe rechtspersonen die een kleine school willen overnemen beter kunnen ondersteunen indien dat initiatief voldoende kansrijk is? Op welke wijze kan hierbij gebruik gemaakt worden van eerdere ervaringen, zoals de overname van de basisschool in Griendtsveen?
De rechtspersoon waaronder een school valt, mag de school overdragen naar een nieuwe rechtspersoon. Deze zal vanaf dat moment het bevoegd gezag zijn over de school. De meest voor de hand liggende route is een bestuursoverdracht. Er is een aantal wettelijke eisen waaraan rechtspersonen in het geval van een bestuursoverdracht moeten voldoen, die als doel hebben om de kwaliteit en wenselijkheid van de overdracht te waarborgen. Ik heb op dit moment onvoldoende reden om aan te nemen dat deze wettelijke eisen een kansrijke overdracht in de weg staan. Wel ben ik bereid om in de vorm van een handreiking lokale initiatieven die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen. Hiermee geef ik uitvoering aan de motie Oostenbrink naar aanleiding van de heropening van de Driessenschool in Grootschermer4. Deze handreiking zal ik in de loop van dit kalenderjaar met uw Kamer delen. Ook onderzoek ik hoe de samenwerking tussen schoolbesturen in algemene zin kan worden ondersteund.
De onbevredigende antwoorden op de mondelinge vragen over de taalgids op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen hoe het bedrag van 40.000 euro voor het maken van de taalgids is opgebouwd?1
Het bedrag van € 40.000 voor de ontwikkeling van de taalgids bestaat uit de samenwerking met een expert inclusieve communicatie (€ 30.281) en een vormgever uit één van de raamcontracten van de Rijksoverheid (€ 8.161) en drukkosten (ongeveer € 1.000). Bij de vormgeving is rekening gehouden met de digitale toegankelijkheid van het document.
In aanvulling hierop is de gids meegelezen door externe adviseurs met expertise op deze thema’s (€ 3.388). Er werd rekening gehouden met een jaarlijkse herziening van de gids (€ 11.265; initieel voor de jaren 2025, 2026 en 2027). Deze factuur is reeds vooruit betaald. Het resterende bedrag voor de jaren 2026 en 2027 dat niet langer voor de herziening wordt ingezet, wordt aangewend voor andere projecten.
Wat zijn de totale kosten die gemaakt zijn voor de productie en verspreiding van de taalgids, inclusief personeelskosten?
Zie het antwoord op vraag 1. Personeelskosten kunnen niet gespecificeerd worden, omdat medewerkers geen uren per dossier of project bijhouden.
Hoeveel ambtenaren waren betrokken bij het produceren en verspreiden van de taalgids?
Eén medewerker van het ministerie heeft de ontwikkeling van de taalgids in de periode tussen de zomer van 2023 en de zomer van 2025 begeleid, naast andere werkzaamheden. Daarnaast waren zo’n 30 tot 35 medewerkers voor enkele uren in die periode betrokken, door mee te denken of mee te lezen.
Wie heeft de opdracht gegeven tot het vervaardigen van de taalgids?
Naar aanleiding van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de Black Lives Matter demonstraties en het Toeslagenschandaal, hebben zowel de toenmalig Minister-President als de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besloten tot een rijksbrede inzet tegen discriminatie en racisme. Binnen OCW heeft dit geleid tot een tijdelijke programmatische aanpak, met de OCW Agenda tegen Discriminatie en Racisme die door mijn voorgangers met uw Kamer is gedeeld in 2022.2 In deze Agenda is het belang van «inclusief taalgebruik» benoemd. De taalgids is daarna ambtelijk tot stand gekomen als beoogd hulpmiddel, slechts voor medewerkers van het ministerie.
Is het maken van de taalgids onderwerp geweest van besluitvorming binnen het ministerie?
Nee. Zie het antwoord op vraag 4.
Is de taalgids reeds verspreid op het Ministerie van OCW of op andere ministeries?
De taalgids was enkel voor medewerkers van het ministerie te vinden, als naslag, via het OCW-Rijksportaal, het interne netwerk van (OCW-)ambtenaren. In het licht van de ontwikkeling van het rijksbrede Taalkompas (een praktische schrijfhulp voor alle rijksambtenaren, met kennis over transparant, begrijpelijk en toegankelijk communiceren vanuit de Rijksoverheid) is de inhoud van de gids gedeeld met de collega’s van het Ministerie van Algemene Zaken. De gids is daarnaast op een enkel specifiek verzoek gedeeld met collega’s van andere ministeries.
Is de taalgids door een externe partij geschreven? Zo ja, welke?
Nee. De taalgids is geschreven door medewerkers van het ministerie, in samenwerking (via een opdracht) met een expert op het gebied van communicatie. Zie het antwoord bij vraag 1.
Welke mensen of organisaties zijn geraadpleegd bij het schrijven van de taalgids?
De taalgids is ambtelijk ontwikkeld op basis van wat het ministerie al had samengebracht binnen het OCW-domein aan maatschappelijke en sectorale bronnen op het gebied van inclusieve taal. Uit het bestaande netwerk van externe adviseurs is nadere expertise gebruikt, waaronder van ECHO Expertisecentrum Diversiteitsbeleid en IZI Solutions.
Bestaat er een relatie tussen de taalgids en de Amerikaanse WOKE-ideologie?
Nee.
Is de wens om zwart met een hoofdletter Z te schrijven ingegeven door het Amerikaanse WOKE-verlangen black met een hoofdletter B te schrijven?
Nee.
Wat is de huidige status van de taalgids? Is de taalgids inmiddels ingetrokken of wordt het nog steeds gebruikt op het ministerie?
Zoals ik heb aangegeven is de taalgids niet langer in gebruik op het ministerie. De digitale versie van de gids is niet meer te raadplegen via het OCW-Rijksportaal voor (OCW-)ambtenaren en fysieke exemplaren zijn voor zover mogelijk teruggenomen. De motie Van Houwelingen c.s.3 beschouw ik met deze acties als uitgevoerd. Uiteraard blijft het ministerie vanuit ambtelijk vakmanschap streven naar zorgvuldige, gelijkwaardige, duidelijke en begrijpelijke communicatie in woord en geschrift.
Welke initiatieven worden er op het gebied van discriminatie en racisme de komende periode nog meer uitgerold?
De programmatische aanpak ziet onder meer op: de OCW-brede coördinatie op de uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme, de samenwerking met de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme, de OCW-brede coördinatie op het «proces na de komma» met beleidsintensiveringen op het koloniaal- en slavernijverleden en de samenwerking met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding.
De overgang van de tijdelijk programmatische aanpak van discriminatie en racisme naar structurele inbedding is in uitvoering, omdat dit structureel onderdeel is van het werk van de overheid (conform artikel 1 van de Grondwet).
Zijn de portretten van de blanke Ministers op het ministerie nu inderdaad verwijderd?
Nee, zie de beantwoording van de Kamervragen over de verwijdering van portretten van oud-ministers uit het Ministerie van OCW, door de voormalig Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.4
Het artikel ‘Raad van State: ministerie moet schoolbesturen 250 miljoen aan achterstallige personeelskosten betalen’ |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Raad van State: ministerie moet schoolbesturen 250 miljoen aan achterstallige personeelskosten betalen»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel en met de uitspraak zelf.
Kunt u nader toelichten welke overwegingen ten grondslag lagen aan het besluit van de toenmalige Staatssecretaris om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland in 2024, die toen al oordeelde dat het ministerie schoolbesturen te weinig had betaald?
Er is in 2024 hoger beroep ingesteld omdat het beeld was dat er in de overgangsperiode wel voldoende bekostiging was uitbetaald aan de schoolbesturen.2
Kunt u bevestigen of de gevolgen van deze uitspraak onverkort zullen worden toegepast op alle schoolbesturen die door de systematiek zijn benadeeld, of blijft dit beperkt tot de 222 schoolbesturen die de rechtszaak hebben aangespannen?
We bestuderen de uitspraak en bekijken hoe we hier uitvoering aan gaan geven. Uw Kamer wordt hier uiterlijk in juni van dit jaar verder over geïnformeerd.
Wanneer kunt u uitsluitsel geven over de concrete uitvoering van de uitspraak van de Raad van State? Op welk moment gaat u hiervoor dekking zoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toezeggen dat de dekking voor deze kosten (250 oplopend tot 600 miljoen euro) buiten de OCW-begroting zal worden gevonden, zodat dit niet ten koste gaat van andere onderwijsprioriteiten?
Zie antwoord vraag 3.
Krijgen scholen een schadevergoeding voor het feit dat zij genoodzaakt waren personeel te ontslaan of investeringen uit te stellen? Bent u bereid om in gesprek te gaan met (vertegenwoordiging van) schoolbesturen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen hoe deze fout in bekostigingssystematiek heeft kunnen ontstaan? In hoeverre is er interne reflectie of evaluatie geweest om vergelijkbare rekenfouten in de toekomst te voorkomen?
Het gaat niet om een rekenfout in de bekostigingssystematiek. In 2006 is de bekostigingssystematiek gewijzigd van een declaratiesysteem naar lumpsumbekostiging. De overlopende kosten hadden toegekend moeten worden aan de periode van de declaratiesystematiek (de oude systematiek) volgens de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State. Volgens deze redenering was eind 2006 een tekort ontstaan voor de schoolbesturen. In 2023 is overgegaan van schooljaar- naar kalenderjaarbekostiging. Er is sprake van een andere beoordeling door de Afdeling ten opzichte van het ministerie als het gaat om de al dan niet ontstane tekorten door deze aanpassingen. Het ministerie was van mening dat er geen ontstane tekorten waren, omdat schoolbesturen altijd 100% van de bekostiging hebben ontvangen.
De bevinding dat ruim 40 procent van de middelbare scholieren lhbtiq+’ers niet als gelijkwaardig beschouwt |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van OCW waaruit blijkt dat ruim 40 procent van de middelbare scholieren lhbtiq+’ers niet als gelijkwaardig aan heteroseksuelen beschouwt?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze cijfers zorgelijk zijn en op gespannen voet staan met fundamentele waarden van gelijkwaardigheid, vrijheid en non-discriminatie, verankerd in onze Grondwet?
Ja.
Welke conclusies verbindt u aan de constatering van de onderzoekers dat grote groepen jongeren deze basisvrijheden niet onderschrijven?
In Nederland mag je zijn wie je bent, houden van wie je wilt en uiting geven aan je seksuele gerichtheid. Een gelijkwaardig Nederland, daar staat dit kabinet voor. Ik vind het zorgwekkend dat een groot deel van de jongeren zegt te vinden dat heteroseksuele en homoseksuele personen niet gelijkwaardig zijn. Ik stuur uw Kamer voor de zomer een kabinetsreactie met mijn reactie op het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren en de beleidsmaatregelen die ik wil nemen.
Deelt u de mening dat het onderzoek het belang onderstreept van het Regenboog Stembusakkoord, dat ondertekend is door alle coalitiepartijen? Kunt u per afspraak uit het Regenboog Stembusakkoord aangeven op welke manier u hier invulling aangeeft? Kunt u bij de maatregelen waar u geen invulling aan geeft aangeven waarom u dit niet doet?
In het coalitieakkoord 2026–2030 «Aan de slag» heeft het kabinet afgesproken dat het Regenboog Stembusakkoord (RSA) de basis is om te blijven werken aan acceptatie, veiligheid en emancipatie van de lhbtiq+ gemeenschap. Het kabinet is voornemens dit akkoord zorgvuldig uit te voeren met (initiatief)wetgeving en beleid. In de Emancipatienota, die ik na de zomer van 2026 aan uw Kamer stuur, geeft het kabinet nadere invulling aan de uitwerking van het RSA.
Op dit moment zijn we al aan de slag via de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid om de veiligheid van lhbtiq+ personen in verschillende leefdomeinen te verbeteren met interventies op het gebied van preventie, herstel en erkenning. Daarnaast steunt het kabinet initiatieven in het onderwijs die bijdragen aan een veilige leeromgeving voor alle leerlingen, waaronder Paarse Vrijdag en Gender and Sexuality alliances (GSA’s). In het onderwijs worden de kerndoelen, waaronder burgerschap, wettelijk verankerd met daarin aandacht voor onder andere gelijkwaardigheid, non-discriminatie en autonomie. De inspectie gaat hierop toezien.
In het Regenboog Stembusakkoord is specifiek afgesproken dat het kabinet ervoor gaat zorgen dat de Onderwijsinspectie scherper gaat toezien op de uitvoering van wetten en regels die bepalen dat scholen veiligheid, respect en acceptatie van lhbtiq+’ers dienen te bevorderen en dat er een einde komt aan afwijzing van lhbtiq+’ers door scholen; op welke wijze gaat de regering deze afspraak uitvoeren?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u reflecteren op de in het onderzoek genoemde mogelijkheden ter bevordering van acceptatie van lhbtiq+’ers en per betrokken actor uiteenzetten welke rol u voor de overheid en de betreffende partijen ziet bij het realiseren van deze oplossingen?
Ik stuur uw Kamer voor de zomer de kabinetsreactie met daarin de opvolging van de mogelijkheden ter bevordering van de acceptatie van lhbtiq+ personen die in het onderzoek genoemd worden en de rol die ik hierbij zie voor de overheid. In de Emancipatienota zal ik waar mogelijk aanvullende maatregelen opnemen die bijdragen aan het bevorderen van gelijkwaardigheid.
Welke concrete maatregelen neemt u op dit moment om de acceptatie van lhbtiq+’ers binnen het basis- en voortgezet onderwijs te vergroten?
Scholen in het funderend onderwijs zijn wettelijk verplicht zorg te dragen voor een veilig schoolklimaat voor alle leerlingen. Met het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs2, dat reeds bij uw Kamer is ingediend, versterken we de zorgplicht voor de veiligheid op school middels beter zicht op de veiligheid, goede ondersteuning en begeleiding bij onveiligheid en een jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid. Daarnaast vereist de wettelijke burgerschapsopdracht dat scholen leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en voor verschillen tussen mensen, bijvoorbeeld in seksuele gerichtheid. De nieuwe kerndoelen voor de leergebieden burgerschap en mens en maatschappij verplichten scholen diversiteit bespreekbaar te maken.
Ook verleen ik een instellingssubsidie aan Stichting School & Veiligheid (SSV), de landelijke expertiseorganisatie met informatie en advies voor sociale veiligheid op school. SSV heeft aanbod voor docenten voor het veilig bespreekbaar maken van «gevoelige» thema’s in de klas, waaronder gender en seksuele diversiteit. Voorbeelden zijn de website www.gendi.nl en de leidraad die in samenwerking met het Landelijke Aktie Komitee Scholieren (LAKS) is ontwikkeld. Ook ondersteun ik initiatieven van COC Nederland die scholen helpen bij het bespreekbaar maken van diversiteit. Voorbeelden hiervan zijn Paarse Vrijdag, GSA’s en een docentennetwerk.
In hoeverre ziet u regionale verschillen in de acceptatie van lhbtiq+’ers onder scholieren, en bent u bereid in regio’s waar de acceptatie aantoonbaar lager ligt extra ondersteuning voor scholen en docenten te geven?
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren laat geen regionale verschillen zien in de acceptatie van lhbtiq+ personen onder scholieren. In de Gezondheidsmonitor Jeugd 2026 wordt het onderwerp lhbtiq+-acceptatie in alle regio’s uitgevraagd. De publicatie van deze cijfers wordt verwacht in het voorjaar van 2027.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de onderzoekers dat acceptatie met name laag is onder leerlingen die religieus en conservatief zijn? Hoe beoordeelt u de conclusie dat dit onderzoek het idee weerlegt dat vooral jongeren met een migratieachtergrond conservatieve opvattingen zouden hebben over lhbtiq+’ers? Welke stappen zet u concreet om te voorkomen dat specifieke groepen jongeren onterecht worden gestigmatiseerd in het publieke en politieke debat?
De resultaten van het onderzoek laten zien dat de verschillen in lhbtiq+-opvattingen van jongeren vooral samenhangen met gender en de mate van conservatisme, en ook religie en leerweg spelen een rol. Ik stuur uw Kamer voor de zomer een uitgebreidere kabinetsreactie op het onderzoek.
Het onderwijs moet voor alle jongeren een fijne en veilige plek zijn waarin zij zichzelf kunnen ontwikkelen en ontplooien. In de kabinetsreactie ga ik dieper in op de rollen in het publieke en politieke debat.
Bent u bereid, mede op basis van de bevindingen uit zowel het UvA-onderzoek als eerder onderzoek van het COC en Columbia University te kijken naar hoe Paarse Vrijdag en GSA’s en inclusieve lesprogramma’s landelijk structureel kunnen worden versterkt en gefinancierd, aangezien deze als effectieve interventies uit het onderzoek komen?2 Hoe geeft u in dat kader vorm aan de volgende afspraak uit het Regenboog Stembusakkoord dat volgens het coalitieakkoord wordt uitgevoerd: «Het kabinet blijft initiatieven voor respect en acceptatie op de basis en middelbare school, zoals de GSA’s en Paarse Vrijdag, financieel ondersteunen»?
Het kabinet steunt initiatieven in het onderwijs die bijdragen aan een veilige leeromgeving voor alle leerlingen, waaronder Paarse Vrijdag en GSA’s. De alliantie Kleurrijk en Vrij draagt financieel meerjarig bij aan de initiatieven GSA’s en Paarse Vrijdag in het voortgezet onderwijs en mbo. Aangezien Paarse Vrijdag later is gestart in het primair onderwijs, wordt dit momenteel financieel ondersteund middels een projectsubsidie tot 31 juli 2026. In de Emancipatienota, die ik na de zomer van 2026 aan uw Kamer zal sturen, informeer ik uw Kamer over een vervolg in het primair onderwijs.
Is het juist dat bevorderen van een veilig klimaat voor lhbtiq+’ers en respect voor seksuele diversiteit nog niet op alle docenten- en leerkrachtenopleidingen een verplicht onderdeel is van het curriculum, terwijl dit onderwerp wel onderdeel uitmaakt van de kerndoelen voor het basis- en voortgezet onderwijs en de wettelijke burgerschapsopdracht van scholen? Bent u bereid om in gesprek te gaan met docenten- en leerkrachtenopleidingen om te bevorderen dat dit wel een onderdeel wordt van hun curriculum?
Het bevorderen van een veilig klimaat voor lhbtiq+ personen en respect voor seksuele diversiteit is op dit moment geen verplicht onderdeel van het curriculum van lerarenopleidingen. De aandacht voor diversiteit, gelijkwaardigheid en respect verschilt per lerarenopleiding en hangt samen met de kerndoelen en examenprogramma’s van het vakgebied.
De landelijke kennisbases van de hbo-lerarenopleidingen worden op dit moment herijkt en opnieuw geformuleerd, waarbij de hogescholen nauw aansluiten bij de nieuwe kerndoelen en bekwaamheidseisen. Om de aansluiting op die kerndoelen te borgen is Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) betrokken bij dat proces. Ik vertrouw erop dat de inhoud van de nieuwe kerndoelen daarmee ook voldoende terug zal komen in de kennisbases en de daarop gebaseerde individuele curricula van opleidingen. Ik zie op dit moment geen reden om hierover in gesprek te gaan met de opleidingen in het Opleidingsberaad Leraren.
De gedane toezegging bij het plenair debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne |
|
Chris Stoffer (SGP), Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging uit het plenair debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne van 24 maart 2026, om de Kamer te informeren over het langetermijnbeleid richting de Oekraïense studenten die zich vóór 1 mei a.s. moeten inschrijven bij een studie en geen recht hebben om alleen het wettelijk collegegeld te betalen?
Bij het debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne heeft de Minister-President toegezegd voor het komend collegejaar nog één keer te kijken naar de mogelijkheden om Oekraïense studenten tegen het wettelijk collegegeld toegang te geven tot het hoger onderwijs, in lijn met het verzoek van het lid Stoffer mede namens het lid Abdi.
Ik wil allereerst benadrukken dat ik goed begrijp dat Oekraïense ontheemden graag duidelijkheid willen hebben. De omstandigheden die hen naar Nederland hebben gebracht zijn vreselijk, en ik begrijp dat zij zorgen hebben over hun toekomst.
We zijn op dit moment bezig om de mogelijkheden te bekijken voor Oekraïense studenten die willen studeren in het collegejaar 2026–2027. Daarbij zijn wij ervan bewust dat de inschrijvingsdatum van 1 mei a.s. nadert. Tegelijkertijd willen wij ook geen onjuiste verwachtingen wekken bij een kwetsbare doelgroep.
Om hoeveel studenten gaat het hierbij en welk bedrag zou voor dit studiejaar gemoeid zijn om voor dit aantal Oekraïense studenten het lagere wettelijk collegegeld te berekenen? En hoe staat het met de regeling voor de studiejaren hierna?
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief Appreciaties van amendementen op de OCW-begroting (VIII) van 20 maart jl. (kenmerk: Kamerstukken II 2025/2026, 36 800 VII, nr. 136) gaat het om een geraamd aantal van 9.908 ontheemden uit Oekraïne die mogelijk in aanmerking zouden komen voor hbo- en wo-onderwijs in collegejaar 2026–2027. De verwachting is dat deze groep, als het wettelijk verlaagd collegegeld gaat gelden, de komende jaren gaat studeren – al is niet op voorhand te zeggen welk deel van de groep dat komend jaar al zou doen. Voor die gehele groep zou € 100.253.100 exclusief uitvoeringskosten nodig zijn.
Ik begrijp de wens van uw Kamer om iets te willen betekenen voor deze doelgroep en zie ook zeker de urgentie daarvan. Tegelijkertijd is het ook zo dat het inperken van deze doelgroep, bijvoorbeeld via het door u gevraagde maatwerk voor scholieren die komend jaar hun diploma halen en verder willen in een hbo- of wo-opleiding, kan leiden tot een juridisch onhoudbare ongelijke behandeling ten opzichte van andere Oekraïense ontheemden die ook zouden kunnen en willen studeren. Binnen deze kaders span ik mij in om een oplossing te vinden.
Kunt u, met het oog op de beperkte periode waarbinnen Oekraïense studenten moeten beslissen om zich al dan niet in te schrijven aan een Nederlandse onderwijsinstelling, de Kamer voorafgaand aan het commissiedebat Hoger onderwijs, studiefinanciering en DUO van woensdag 8 april a.s. informeren over het bedoelde langetermijnbeleid? Zo nee, waarom niet?
Wat het langetermijnbeleid betreft waar in de vraag aan gerefereerd wordt, is het kabinet voornemens om u bij Miljoenennota nader te informeren over de rechten, plichten en voorzieningen voor ontheemden uit Oekraïne vanaf maart 2027 en daarmee dus ook over de mogelijke introductie van het wettelijke collegegeld vanaf 1 september 2027. Dit onderwerp staat hoog op de agenda van de ministeriële Taskforce Asiel en Migratie. Hier wordt nader richting gegeven voor de verdere uitwerking van het ingezette beleid.
Het bericht ‘Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers»1?
Dit zijn berichten die helaas tekenend zijn voor de toenemende druk waaronder (christelijke) Palestijnen staan. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november is hieraan expliciet aandacht besteed, de situatie in de Oude Stad van Jeruzalem in het bijzonder.
Klopt het dat de Israëlische autoriteiten voor het schooljaar 2026–2027 geen werkvergunningen meer willen verstrekken aan Palestijnse leraren uit de Westelijke Jordaanoever die werkzaam zijn op christelijke scholen in Jeruzalem?
Naar verluidt staat inderdaad in de brief van het Israëlische Ministerie van Onderwijs van 10 maart jl. aan schooldirecties in Jeruzalem dat voor het schooljaar 2026–2027 alleen leraren mogen worden aangenomen die in Jeruzalem wonen en beschikken over Israëlische onderwijsbevoegdheden.
Deelt u de zorg dat deze maatregel gevolgen heeft voor meer dan tweehonderd leraren en daarmee de continuïteit van de ongeveer vijftien christelijke onderwijsinstellingen in Jeruzalem onder druk zet?
Ja. De meeste docenten op deze scholen zijn christelijke Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever. Als zij niet meer kunnen werken in Jeruzalem zullen de scholen gedwongen op zoek moeten gaan naar nieuwe docenten.
Hoe beoordeelt u de mogelijke impact van deze maatregel op de positie van christelijke minderheden in Jeruzalem en het behoud van religieuze en culturele diversiteit in de stad?
De maatregel zorgt ervoor dat minder christenen toegang hebben tot Jeruzalem. Dit heeft een verder negatieve impact op de pluriformiteit van de stad.
Op welke wijze en hoe hard raakt deze maatregel de financiële situatie van deze leraren en hun gezinnen? Op welke wijze raakt deze maatregel de Palestijnse economie?
Het gaat om tientallen families die potentieel een bron van inkomen kwijt raken, maar niet om een dusdanig grote groep dat het een significante invloed heeft op de al zwakke Palestijnse economie. Wel zal het in het bijzonder impact hebben op een groep mensen die voornamelijk uit de regio van Bethlehem komt, waar het al slecht gaat met de economie door de afhankelijkheid en afwezigheid van toerisme. In die zin heeft het een relatief grote impact op een specifieke gemeenschap op de Westelijke Jordaanoever. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Klopt het dat als reden wordt aangevoerd dat de diploma’s niet zouden voldoen aan de academische standaarden die nodig zouden zijn? Hoe beoordeelt u dit argument? Mocht dit argument valide zijn, welke rol kan Nederland spelen om eventueel aan deze eis tegemoet te komen?
Op 21 januari jl. heeft de Knesset een wet aangenomen die het tewerkstellen van leraren met diploma’s uit de Palestijnse Gebieden beperkt. De wet zorgt ervoor dat deze groep leraren niet kan worden aangesteld als leraar, schooldirecteur of inspecteur in Jeruzalem. De wet beschouwt deze groep als personen zonder de vereiste academische graad voor dergelijke functies. In de toelichting van het wetsvoorstel staat: «de academische opleiding in de Palestijnse Autoriteit vindt plaats in een omgeving waarin sprake is van ophitsing tegen de staat Israël, en die niet overeenkomt met de principes en waarden waarop het onderwijs in de staat Israël is gebaseerd.»
Er zijn enkele uitzonderingen en overgangsregelingen binnen de wet, namelijk: i) personen die al voor inwerkingtreding van de wet als leraar werkten en in hun bestaande functie blijven; ii) personen die al een diploma hadden van de Palestijnse Autoriteit of een volledig academisch jaar hebben afgerond, voor hen geldt dat zij in sommige gevallen alsnog, onder strengere voorwaarden, kunnen worden aangesteld; en iii) de directeur-generaal van het Israëlische Ministerie van Onderwijs kan toch iemand toelaten als een persoon ook beschikt over een Israëlisch diploma. Personen die worden afgewezen hebben recht om in beroep te gaan tegen de beslissing.
Het kabinet erkent niet dat Israël soevereiniteit kan uitoefenen over Oost-Jeruzalem. Het bezettingsrecht is van toepassing en kent strenge voorwaarden voor het aanpassen van lokale wetgeving. Bovendien dient de bezetter het bezette gebied te besturen ten behoeve van de lokale bevolking. Deze maatregel staat hier haaks op.
Bent u bereid deze kwestie zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen bij de Israëlische autoriteiten en te pleiten voor het behoud van het werk voor deze leraren?
Nederland blijft zich inzetten zowel bilateraal als multilateraal voor de vrijheid van minderheden. Waar opportuun zal het kabinet deze specifieke casus onder de aandacht brengen.
Bent u bereid om, samen met internationale partners en kerkelijke organisaties, te bezien hoe deze scholen ondersteund kunnen worden indien deze maatregel wordt doorgezet?
De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah onderhoudt contact met lokale kerkgemeenschappen, volgt de situatie nauwgezet en beziet steeds in overleg hoe de verschillende zorgen die leven kunnen worden geadresseerd.
Ziet u een ontwikkeling dat minderheden in Jeruzalem, inclusief (Palestijnse) christenen, steeds verder onder druk komen te staan, door situaties zoals deze en zoals in eerdere schriftelijke benoemd?2 Welke stappen onderneemt u en gaat u ondernemen om deze ontwikkelingen tegen te gaan?
Ja, minderheden in Jeruzalem staan onder toenemende druk. Nederland dringt aan op handhaving van de status quo rond heilige plaatsen. Hierbij steunt Nederland de rol van Jordanië als beschermer van de Christelijke en Islamitische Heilige plaatsen in Jeruzalem, zoals ook erkend door Israël in het Vredesverdrag. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november is expliciet aandacht besteed aan de krimpende ruimte voor (Palestijnse) christenen, met name in de Oude Stad van Jeruzalem.
Het bericht ‘Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar’ |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de opvatting dat voorzieningen zoals basisscholen niet alleen een functionele rol vervullen, maar ook van essentieel belang zijn voor gemeenschapsvorming, sociale samenhang en de leefbaarheid van nieuwe wijken?
Ik deel dat voorzieningen een functionele en soms ook een essentiële rol vervullen voor gemeenschapsvorming, sociale samenhang en leefbaarheid van nieuwe wijken.
Hoe borgt u dat bij grootschalige woningbouwontwikkelingen, zoals in de Binckhorst, vanaf het begin wordt ingezet op de opbouw van hechte gemeenschappen, waarbij onderwijsvoorzieningen, verenigingen en zorg een centrale plaats innemen?
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk en aan zet voor het borgen en inplannen van voldoende voorzieningen in grootschalige woningbouwontwikkelingen. Het Rijk neemt vanuit haar regierol actief deel aan de ontwikkeling van nationaal grootschalige woningbouwlocaties. Conform het coalitieakkoord werk ik momenteel aan de uitwerking van een totaalaanpak waardoor meer geborgd wordt dat d.m.v. koppelkansen functies als wonen, werken, bereikbaarheid, groen en maatschappelijke voorzieningen samen worden ontwikkeld. Het is overigens niet zo dat deze voorzieningen allemaal vanaf dag één in de wijk zelf aanwezig moeten zijn. In de Taskforce Versnellen Woningbouw zie ik toe op het actief benutten van deze koppelkansen binnen grootschalige woningbouw-ontwikkelingen.
Deelt u de zorg dat het ontbreken of verdwijnen van een basisschool in een wijk in ontwikkeling het risico vergroot dat bewoners zich minder verbonden voelen met hun leefomgeving en met elkaar?
Die zorg deel ik. Scholen kunnen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk. Tegelijkertijd moet ook de afweging worden gemaakt waar kleine scholen hun rol het beste kunnen vervullen. Het huidige scholenlandschap is erg divers en fijnmazig. Dit is waardevol, maar het grote aantal (te kleine) scholen drukt sterk op de oplopende tekorten in het onderwijsveld. Uw Kamer is geïnformeerd over de stelselwijziging scholenlandschap.2 Mijn ministerie zet verder in op de uitwerking van een totaalaanpak in de Taskforce Versnellen Woningbouw die toeziet op het actief benutten van eerder genoemde koppelkansen zodat we bouwen aan sterke gemeenschappen met voldoende voorzieningen.
Hoe beoordeelt u in dat licht het feit dat de enige basisschool in de Binckhorst moet sluiten, terwijl het aantal inwoners in de komende jaren juist sterk zal toenemen?
Deze basisschool had in haar vierde jaar niet voldoende leerlingen om de tussentijdse toets te halen (62 leerlingen, terwijl 167 leerlingen nodig zijn). Het schoolbestuur had tegelijkertijd gecommuniceerd dat de school zou worden gesloten en bij DUO een beroep gedaan op een uitzonderingsgrond om bekostiging te blijven ontvangen. Het is uiteindelijk aan het schoolbestuur om te besluiten of een school wordt gesloten. Het schoolbestuur heeft ondertussen laten weten hun besluit terug te draaien. De basisschool op de Binckhorst hoeft dus niet te sluiten.
Kunt u in kaart brengen in hoeveel andere grootschalige gebiedsontwikkelingen de voorzieningen op soortgelijke wijze onder druk staan, terwijl wordt voorzien dat er binnen een paar jaar juist méér behoefte is aan dergelijke voorzieningen?
Het is bekend dat voorzieningen in grootschalige gebiedsontwikkelingen soms op soortgelijke wijze onder druk staan. Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit mijn aandacht.
Kunt u toelichten in hoeverre bij de planning van dergelijke gebiedsontwikkelingen rekening is gehouden met het belang van continuïteit van voorzieningen als dragers van gemeenschap en ontmoeting?
Binnen nationaal grootschalige gebiedsontwikkelingen wordt middels financieel instrumentarium (het gebiedsbudget) de ontwikkeling van openbare ruimte (denk aan parken en pleinen) nu al mogelijk gemaakt. Daarnaast ziet het Rijk vanuit haar regierol toe op de ontwikkeling van voldoende (maatschappelijke) voorzieningen in de breedte conform totaalaanpak.
Hoe kijkt u naar het spanningsveld tussen enerzijds de huidige bekostigingssystematiek, die sterk is gebaseerd op leerlingaantallen, en anderzijds de noodzaak om in nieuwe wijken voorzieningen in stand te houden juist in de aanloopfase, ten behoeve van gemeenschapsvorming?
Het klopt dat de ontwikkeling van een nieuwe wijk niet altijd lineair verloopt. Op de site van DUO staat dat schoolbesturen en gemeenten rekening moeten houden met vertraging in de oplevering en dat schoolbesturen hun stichtingsaanvraag dus goed moeten plannen.3 De start van een school kan met één jaar worden uitgesteld. Uit evaluatie blijkt dat gemeenten en schoolbesturen in sommige gevallen, zoals een nieuwe school in een nieuwbouwwijk, behoefte hebben aan meer flexibiliteit. De Minister van OCW verkend daarom of de mogelijkheid voor een tweede jaar uitstel gecreëerd kan worden.
Een nieuwe school wordt in het vierde jaar en in het achtste jaar getoetst op de groei van het aantal leerlingen. De groei van een school kan, om verschillende redenen, achterblijven. Een schoolbestuur kan de Minister van OCW verzoeken om de bekostiging niet te stoppen door een beroep te doen op een uitzonderingsgrond. Doormiddel van een uitzonderingsgrond kan bekostiging worden behouden.
Ziet u mogelijkheden om in groeigebieden meer ruimte te bieden voor maatwerk, bijvoorbeeld door het tijdelijk ondersteunen van voorzieningen die nog niet aan de norm voldoen, maar wel cruciaal zijn voor de sociale infrastructuur van een wijk?
Zoals in antwoord op vraag 8 staat beschreven verkent de Minister van OCW de mogelijkheid voor een extra jaar uitstel voor de start van een school, naast de huidige mogelijkheid van één jaar uitstel. Ook kan een schoolbestuur een beroep doen op een uitzonderingsgrond als een van hun scholen niet snel genoeg groeit. In uitzonderlijke gevallen kan de Minister van OCW de discretionaire bevoegdheid inzetten om de bekostiging voort te zetten.
In hoeverre wordt vanuit het Rijk in de huidige gebiedsontwikkelingen integraal gestuurd op het gelijktijdig realiseren van woningen én sociale infrastructuur, waaronder onderwijs, sport en ontmoeting?
Zie antwoord op vraag 3.
Acht u de huidige instrumenten toereikend om te waarborgen dat nieuwe woonwijken zich ontwikkelen tot leefbare gemeenschappen met voldoende voorzieningen vanaf de start?
Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit mijn aandacht.
Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u om dit beter te borgen?
In de uitwerking van de totaalaanpak onderzoek ik de noodzaak en mogelijkheden voor aanvullende maatregelen.