De maaltijdvoorziening op de marinierskazerne Savaneta op Aruba |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat de Arbodienst van Defensie ernstige tekortkomingen heeft vastgesteld in de tijdelijke maaltijdvoorziening op de marinierskazerne Savaneta op Aruba, waaronder schimmel, ongedierte en ernstige risico's voor de voedselveiligheid? Klopt deze berichtgeving? Zo ja, sinds wanneer was u hiervan op de hoogte en waarom hebben mariniers desondanks jarenlang onder deze omstandigheden moeten werken en eten?1
De berichtgeving is bekend en de problematiek heeft de volle aandacht. De voortgang van de renovatie heeft op het moment een hoge prioriteit binnen Defensie. Het bedrijfsrestaurant is in 2022 gesloten ten behoeve van renovatie. Hierbij zou het onderofficiersverblijf fungeren als tijdelijke locatie. De voorbereiding is echter uitgelopen door de complexiteit van de renovatie, alsook capaciteitsproblematiek in de vastgoedketen. Hierdoor is in februari 2025 een tijdelijke voorziening, de zogenoemde Dining Facility, opgeleverd. Na oplevering zijn er echter diverse gebreken geconstateerd waardoor de Dining Facility meermaals gesloten is geweest om deze op te lossen. Gedurende de momenten dat de Dining Facility gesloten was, is wederom in het onderofficiersverblijf gekookt en gegeten. Inmiddels zijn de laatste werkzaamheden aan de Dining Facilty uitgevoerd, waardoor het aanwezige personeel hier weer gebruik van maakt. Op korte termijn zal er ook gebruikt kunnen worden gemaakt van een lokale cateraar om bij nieuwe problemen in de toekomst te allen tijde een passende maaltijdvoorziening te kunnen garanderen.
Hoe kan het dat Defensie en het Rijksvastgoedbedrijf pas in juni 2026 budget hebben vrijgemaakt voor een nieuw bedrijfsrestaurant, terwijl de problemen volgens de berichtgeving al jarenlang bekend waren? Welke bestuurlijke en organisatorische oorzaken hebben tot deze vertraging geleid?
De renovatie van het bedrijfsrestaurant op de kazerne moet nog worden gerealiseerd. Defensie heeft het door het Rijksvastgoedbedrijf benodigd aanvullend budget hiervoor recent (in juni) beschikbaar gesteld. Het budget dat eerst beschikbaar was gesteld, bleek namelijk ontoereikend. De aanbesteding voor de werkzaamheden is gestart en kent een verkorte procedure, met als planning gunning in Q4 van dit jaar. De oplevering staat gepland op januari 2028.
Welke maatregelen zijn inmiddels genomen om de veiligheid, hygiëne en voedselveiligheid van de tijdelijke maaltijdvoorziening op de marinierskazerne Savaneta te waarborgen en wanneer zal het nieuwe bedrijfsrestaurant daadwerkelijk in gebruik worden genomen?
Er zijn naar aanleiding van een voedselveiligheidsrapport uit 2025 verschillende maatregelen genomen om de voedselveiligheid en de werkomstandigheden binnen de Dining Facility te borgen. Hierbij is gekozen voor maatregelen die op korte termijn effect hadden op de geconstateerde aandachtspunten.
De genomen maatregelen omvatten onder meer:
Op 5 maart 2026 heeft daarnaast een zelfcontrole op voedselveiligheid plaatsgevonden conform de Instructie Voedselveiligheid Defensie (IVD). Hieruit bleek dat het personeel op de juiste wijze werkt, waarmee wordt voldaan aan de IVD voor wat betreft voedselveilig werken. De kritische aandachtspunten op het gebied van voedselveiligheid en hygiëne worden structureel gemonitord en beheerst door organisatorische maatregelen. Dat neemt niet weg dat de noodzaak tot structurele oplossingen – de verbouwing van de vaste keukenfaciliteit – hoog blijft. Ook loopt momenteel een aanbesteding zodat bij nieuwe problemen gebruik kan worden gemaakt van een lokale cateraar om in de toekomst te allen tijde een passende maaltijdvoorziening te kunnen garanderen. De oplevering voor het nieuwe bedrijfsrestaurant staat gepland voor januari 2028.
Zijn er meer Defensielocaties waar de maaltijdvoorziening of andere essentiële voorzieningen niet voldoen aan de geldende eisen op het gebied van veiligheid, hygiëne of arbeidsomstandigheden? Zo ja, welke locaties betreft dit en welke maatregelen worden daar genomen?
De Interne Arbodienst van Defensie heeft geconstateerd dat meerdere locaties niet geheel voldoen aan de vereisten van voedselveiligheid. Bij deze locaties wordt ingegrepen om deze problematiek zo snel mogelijk op te lossen. Voeding is een essentieel onderdeel van de gereedstelling van Defensie zowel nu als in de toekomst en hierbij is voedselveiligheid cruciaal. De aanpak is locatieafhankelijk en betreft zowel vastgoed gerelateerde als organisatorische maatregelen. Maatregelen die nu al bij specifieke locaties worden genomen zijn: een grootschalige renovatie bij het Meeuwennest in de Nieuwe Haven in Den helder, het vernieuwen van koel- en vriescellen op de KMA in Breda en het Air Operations Control Station in Nieuw Milligen en de uitfasering van het koudemiddel, dat dient voor koeling, op alle luchtmacht locaties. Bovendien loopt er een meerjarig programma voor alle locaties met een maaltijdvoorziening om te voldoen aan (toekomstige) wet- en regelgeving en de eisen die worden gesteld aan hygiëne en voedselveiligheid.
Deelt u de opvatting dat militairen die bereid zijn hun leven te riskeren voor Nederland beter verdienen dan schimmel, ongedierte en een onveilige maaltijdvoorziening?
Het is essentieel dat alle collega’s onder goede omstandigheden hun werk kunnen doen en hierbij een passende maaltijdvoorziening hebben. De problematiek heeft de volle aandacht. Daarom wordt hard gewerkt aan het realiseren van een structurele oplossing op alle locaties.
Kunt u toezeggen dat Defensie haar mensen voortaan de waardering én de voorzieningen geeft die zij verdienen, zodat onze militairen niet langer als oud vuil worden behandeld?
Zie antwoord op vraag 5.
Het bericht "Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s" |
|
Tamara ten Hove (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Derk Boswijk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat in de praktijk individuele ambtenaren vanuit hun eigen overtuiging een zodanig grote invloed op beleid kunnen uitoefenen dat effectief leidinggeven vanaf hogerhand onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik herken dit beeld niet.
Hebben de secretaris-generaal en/of de commandant der strijdkrachten u geïnformeerd over deze zaak en de genomen keuzes? Zo ja, wanneer en in welke vorm? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op hoofdlijnen geïnformeerd over deze zaak. Over de precieze wijze en het moment van informeren doe ik geen nadere mededelingen om redenen van privacy bij individuele casuïstiek.
Gaat u de illegaal handelende ambtenaren van de zogenaamde «werkgroep» per direct op non-actief zetten en/of ontslaan, of blijft de enige werknemer van Defensie die consequenties ervaart de legaal handelende schietinstructeur? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie, noch in de geschetste situatie.
Acht u het wenselijk dat melding maken van disfunctioneren van het apparaat bij hogere rangen door Defensie geduid wordt als een vorm van «werkweigering»? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u eraan doen die cultuur te veranderen?
Het melden van ongewenst gedrag, het doen van een integriteitsmelding of het melden van disfunctioneren is geen werkweigering. Van werkweigering is bijvoorbeeld sprake wanneer iemand zich zonder toestemming niet meldt voor de toegewezen functie, waarbij de afwezigheid evenmin achteraf gerechtvaardigd is. Er is dus ook geen reden om de cultuur hierop te veranderen.
Hoe voorkomt u dat correctiemechanismen binnen Defensie (en andere overheidsinstanties) zich bij hun beoordeling louter baseren op interne rapportages van diezelfde organisatie waartegen de klachten zijn ingediend?
Daarvan is geen sprake. Bij het beoordelen van klachten wordt niet alleen gekeken naar het standpunt van de organisatie waarover wordt geklaagd maar nadrukkelijk ook naar het standpunt van de klager en andere relevante informatie.
Hoeveel vaststellingsovereenkomsten en andere vormen van beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn in de afgelopen vijf jaar binnen Defensie gesloten?
De bevoegdheid tot het sluiten van vaststellingsovereenkomsten is op verschillende commandantenniveaus in de organisatie belegd. Defensie houdt hiervan geen centrale registratie bij. Daarom kan ik niet aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten.
In hoeveel van de onder vraag zeven genoemde beëindigingen was sprake van omstandigheden die ook maar enigszins van vergelijkbare aard zijn met de onderhavige zaak, waaronder beëindiging van het dienstverband naar aanleiding van een arbeidsconflict, een integriteitskwestie, een melding, een klacht of een vergelijkbare aanleiding? Kan de Kamer een geanonimiseerde uitsplitsing naar categorie van aanleiding ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 7; omdat ik niet kan aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten, kan ik ook geen uitsplitsing maken per categorie.
Deelt u de mening dat het onbegrijpelijk is dat Defensie meent «geen partij» te zijn in deze zaak, ondanks dat de complete besluitvorming gebaseerd is op interne rapportages van Defensie, het een (opgezegde) arbeidsovereenkomst bij Defensie betreft, de secretaris-generaal als ook de commandant der strijdkrachten zijn geïnformeerd en de complete zaak is gebaseerd op handelen in zijn functie als militair? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. Defensie is geen partij bij het verstrekken of intrekken van privéwapenverloven.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om deze en vergelijkbare samenspanningen van ambtenaren te doorbreken en serieuze consequenties daaraan te verbinden?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie. Van samenspanningen is geen sprake.
De uitspraken van minister van staat Timmermans |
|
Mona Keijzer |
|
Rob Jetten (D66) |
|
Bent u bekend met het interview waarin de heer Timmermans uitspraken doet over het conflict tussen Israël en de Palestijnen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de heer Timmermans dat in het Midden-Oosten sprake zou zijn van de «uitroeiing van een volk» en dat Palestijnen «letterlijk in zee worden gedreven»?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Er geldt geen ministeriële verantwoordelijkheid voor uitspraken die Ministers van staat doen en waarover zij zichzelf kunnen verantwoorden.
Kan het kabinet reageren op de rapporten en onderzoeken waarnaar onder meer Andrew Fox verwijst en die volgens hem belangrijke onderdelen van de genocidebeschuldigingen tegen Israël weerspreken?2 3 4 5 6
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat deze bevindingen op gespannen voet staan met de uitspraken van de heer Timmermans dat Palestijnen worden «uitgeroeid»? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Acht u deze uitspraken verenigbaar met de bijzondere positie en voorbeeldfunctie die verbonden zijn aan de titel Minister van staat? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is voorafgaand aan de benoeming van de heer Timmermans tot Minister van staat meegewogen dat hij zich regelmatig publiekelijk uitlaat over actuele en politiek gevoelige thema’s? Zo ja, op welke wijze?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Het leidt geen twijfel dat de heer Timmermans hieraan voldoet.
Kunt u toelichten in hoeverre van Ministers van staat wordt verwacht dat zij boven de dagelijkse partijpolitieke strijd staan?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bekend met dit bericht?1
Ja.
Klopt het, zoals gemeld door het Duitse persbureau Deutsche Presse-Agentur (DPA) en overgenomen door NOS, dat de verdachte, Abdul B., in mei van dit jaar is vrijgelaten uit jeugddetentie? Zo nee, wat zijn dan volgens u de juiste feiten?2
Het is aan de Duitse autoriteiten om hier uitspraken over te doen.
Bent u bekend met de berichtgeving dat er naast de aanrijding ook meerdere personen zouden zijn neergestoken en dat de politie onderzoekt of er sprake was van één dader of van meerdere betrokkenen? Zo nee, bent u bereid zich hierover te laten informeren door uw Duitse ambtsgenoot?3
Ja.
Deelt u de opvatting dat een aanslag als deze, gericht tegen een LGBTQ+-viering, een directe aanval is op de westerse vrijheden en de vooruitgang die wij als samenleving hebben opgebouwd? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het kabinet veroordeelt iedere vorm van geweld, intimidatie en discriminatie. Een aanslag op personen vanwege hun seksuele geaardheid, genderidentiteit of genderexpressie is onacceptabel en raakt aan de fundamentele waarden van onze democratische rechtsstaat. Het recht om jezelf te zijn, vrij te leven en veilig deel te nemen aan de samenleving behoort tot de kern van de vrijheden die wij in Nederland beschermen.
Deelt u de opvatting dat wij ons in het Westen dringend moeten afvragen hoe lang wij nog bereid zijn onze vrijheden en onze vooruitgang in te ruilen voor open grenzen en dat dit moet leiden tot concrete beleidswijzigingen? Zo nee, waarom niet?
De aanleiding voor deze vraag biedt geen direct aanknopingspunt voor een beoordeling van het migratiebeleid. Uit de feiten die aan deze Kamervragen ten grondslag liggen, volgt niet dat de aanslag verband hield met het asiel- of migratiebeleid.
Is er bij de Nederlandse politie of inlichtingendiensten (AIVD, NCTV) zicht op personen in Nederland die, net als de verdachte in Berlijn, bekendstaan bij de autoriteiten als onderdeel van de islamistische scene, maar tegen wie nog geen strafrechtelijke maatregelen zijn genomen? Zo ja, hoeveel van dergelijke personen zijn momenteel in beeld? Zo nee, waarom wordt dit niet bijgehouden?
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) heeft de taak, op basis van de Wet op Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) 2017, onderzoek te doen naar personen of organisaties die (aanleiding geven tot een ernstig vermoeden dat zij) een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. Daarnaast geldt dat, volgens de Wiv 2017, er in het openbaar geen uitspraken kunnen worden gedaan over al dan niet lopende onderzoeken van de AIVD. Binnen de politie worden signalen van radicalisering en extremisme, in afstemming met het OM, verzameld en geduid. Over het aantal personen dat bij de politie in beeld is, worden vanwege operationele belangen geen mededelingen gedaan. Zoals bepaald in de Wet Coördinatie Terrorismebestrijding en Nationale Veiligheid is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) niet bevoegd onderzoek te doen naar organisaties en/of personen.
Kunt u uitsluiten dat personen met een vergelijkbaar extremistisch of islamistisch gedachtegoed als de verdachte in Berlijn, via de asielinstroom Nederland binnenkomen of reeds zijn binnengekomen? Zo nee, welke screening vindt op dit moment plaats om dit te voorkomen en acht u die afdoende?
De onderhavige aanslag biedt geen aanknopingspunt voor de conclusie dat de bestaande screeningsinstrumenten in relatie tot de asielinstroom tekortschieten.
Het kabinet neemt iedere dreigingsvorm tegen de nationale veiligheid uiterst serieus en zet zich onverminderd in om terrorisme en extremisme in Nederland te voorkomen en te bestrijden. De bescherming van de nationale veiligheid vergt constante ketenbrede inspanning, nauwe samenwerking en gerichte implementatie van maatregelen. Tijdens de asiel- en nareisprocedure besteden organisaties binnen de vreemdelingenketen doorlopend aandacht aan signalen die de nationale veiligheid kunnen raken, waaronder mogelijke betrokkenheid bij terrorisme of extremistisch gedachtegoed. Het onderkennen van dergelijke signalen in de asielprocedure is echter een doorlopend proces dat continue ketenbrede alertheid vereist.
Daarbij is voortdurende versterking van procedures, informatie-uitwisseling en screening altijd noodzakelijk om tijdig signalen die de nationale veiligheid raken te onderkennen en daarom heeft dit ook standaard de aandacht van het kabinet.
Ondanks de zorgvuldige procedure en inspanningen kan er geen absolute garantie worden gegeven dat er geen personen Nederland binnenkomen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen.
In elke stap van de procedure (identificatie, registratie, beoordeling aanvraag en opvang) is aandacht voor het onderkennen van dergelijke signalen en kunnen deze binnen de geldende kaders worden voorgelegd aan opsporings-, inlichtingen-en veiligheidsdiensten zoals de AIVD. Daarbij geldt tevens dat extremistische opvattingen of radicalisering zich ook ná toelating kunnen ontwikkelen of manifesteren. Screening is erop gericht bekende risico's bij toelating te identificeren en kan naar haar aard geen garantie bieden tegen radicalisering of extremistische gedragingen die zich pas na toelating ontwikkelen of later pas aan het licht komen. Het onderkennen van signalen vindt plaats op basis van de informatie die beschikbaar is binnen de asielprocedure, zoals gehoren, informatie in (inter)nationale politie/justitiële systemen en informatie uit open bronnen.
Kunt u, eventueel in overleg met AIVD en NCTV, een overzicht geven van de doelwitten die naast Pride-vieringen door islamistische terreurgroepen of geradicaliseerde eenlingen in Nederland en Europa als bijzonder risicovol worden aangemerkt, zodat de beveiliging daarop gericht kan worden versterkt? Zo nee, waarom kan een dergelijk overzicht niet gegeven worden?
In Nederland wordt op basis van actuele dreigingsinschattingen bezien welke evenementen en doelwitten als risicovol worden aangemerkt. Hiervoor worden zichtbare en onzichtbare maatregelen getroffen. Daarover wordt door de betrokken gezagen in het openbaar nooit inzicht gegeven. Daarnaast ga ik als Minister van Justitie en Veiligheid vanwege veiligheidsredenen in het openbaar niet in op vermeende doelwitten van terroristische groeperingen of geradicaliseerde eenlingen in Nederland en Europa.
Welke concrete maatregelen zijn er op dit moment van kracht om te voorkomen dat voertuigen worden ingezet als wapen bij grote publieksevenementen in Nederland, zoals Pride-vieringen, herdenkingen of marktevenementen?
Vanwege veiligheidsoverwegingen worden in het openbaar nooit uitspraken gedaan over maatregelen die worden getroffen ten behoeve van de veiligheid. Wel kunnen wij u verzekeren dat de benodigde maatregelen, zowel zichtbaar als onzichtbaar, worden getroffen waar dat nodig wordt geacht en op basis van actuele dreigingsinformatie. Het is primair aan het betreffende lokale gezag waar het evenement plaatsvindt om te bepalen welke maatregelen nodig zijn.
Bent u bereid om, naar aanleiding van deze aanslag, de beveiliging van Pride-evenementen en vergelijkbare LGBTQ+-vieringen in Nederland dit jaar en volgend jaar opnieuw te laten beoordelen door de politie en NCTV, specifiek gericht op de dreiging van voertuigaanslagen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment staat het dreigingsniveau in Nederland op substantieel (niveau 4 van 5). Dat betekent dat een aanslag in Nederland reëel is. Bij een verhoogde dreiging of risico op een specifiek doelwit, worden de maatregelen genomen die passen bij een verhoogde dreiging. Bij ieder evenement van een dergelijke omvang wordt voorafgaand een analyse van dreiging en risico’s gemaakt op basis van de op dat moment beschikbare informatie.
De veiligheidspartners op zowel lokaal als nationaal niveau volgen daarbij de ontwikkelingen in het buitenland nauwlettend en staan in nauw contact met elkaar, mede met het oog op de mogelijke impact die deze kunnen hebben in Nederland.
Deelt u de opvatting dat extremisten die een gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid en die geen Nederlandse nationaliteit bezitten, versneld ons land uitgezet moeten kunnen worden wanneer zij in verband worden gebracht met extremistische netwerken? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin geldt dat het bestaande vreemdelingenrecht en terugkeerbeleid voorzien in een aanpak van vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid. Indien een vreemdeling een dergelijk gevaar vormt, wordt in beginsel geen vertrektermijn gegund en dient hij Nederland onmiddellijk te verlaten.
Daarnaast heeft het kabinet de aanpak van personen die een (hoog) risico vormen voor de nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf (meer) hebben verder geïntensiveerd. Hierover is uw Kamer op 22 april jl. geïnformeerd.4
Onder coördinatie van de NCTV werken alle betrokken partners, ieder vanuit de eigen processen en verantwoordelijkheden, intensief samen om de risico’s die van deze casuïstiek uitgaan te mitigeren en zicht te houden op vrijgekomen terrorismeveroordeelden totdat vertrek gerealiseerd is. Het realiseren van vertrek van dergelijke personen valt onder de portefeuille van de Minister van Asiel en Migratie. Er wordt met de hoogste prioriteit gewerkt aan het bewerkstelligen van het vertrek van personen die geen recht hebben op verblijf in Nederland en bovendien een mogelijk risico vormen voor de nationale veiligheid. Daarbij wordt ingezet op een vroegtijdige en gerichte start van het terugkeerproces, maatwerk bij vertrek en versterkte samenwerking tussen de betrokken organisaties.
Indien vertrek niet onmiddellijk kan worden gerealiseerd, kunnen – indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan – verschillende maatregelen worden ingezet. Daarbij kan worden gedacht aan vreemdelingenrechtelijke maatregelen, zoals een meldplicht, een gebiedsgebod en, indien daadwerkelijk zicht bestaat op vertrek, vreemdelingendetentie.
Daarnaast kunnen op grond van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt) bestuurlijke maatregelen worden opgelegd indien de betrokkene door zijn of haar gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Deze bestuurlijke maatregelen kunnen bestaan uit een meldplicht, contactverbod of een gebiedsverbod, waarbij ter handhaving van het gebiedsverbod tevens elektronische monitoring kan worden opgelegd. Om een goed en compleet beeld te kunnen hebben van terrorismeveroordeelden zonder rechtmatig verblijf waarvan een hoog risico uitgaat voor de nationale veiligheid werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan aanvullende maatregelen, waaronder het vormgeven van een manier waarop betrokken partners door een integrale benadering, uniforme risicotaxaties kunnen opstellen om gerichte en effectieve maatregelen te treffen.
Verder versterkt de recent overeengekomen Europese Terugkeerverordening het terugkeerinstrumentarium voor vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid.
Kunt u aangeven hoeveel personen die bekendstaan bij de politie of AIVD vanwege banden met islamistisch extremisme, op dit moment een verblijfsvergunning of asielstatus in Nederland hebben? Zo nee, waarom wordt dit niet geregistreerd en bent u bereid dit alsnog in kaart te brengen?
Zoals eerder aangegeven in vraag 6, geldt dat, volgens de Wiv 2017, er in het openbaar geen uitspraken kunnen worden gedaan over al dan niet lopende onderzoeken van de AIVD. Ook kan geen inzicht worden gegeven over of personen in beeld zijn bij de politie, en of dergelijke personen al dan niet over een verblijfsvergunning beschikken.
Bent u bereid, gelet op deze aanslag en soortgelijke incidenten in Europa, een totale asielstop in te voeren, of op zijn minst te onderzoeken welke instroombeperkende maatregelen op zeer korte termijn haalbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals uw Kamer bekend is er juridisch geen ruimte voor een asielstop. De aanleiding voor deze vraag biedt evenmin een aanknopingspunt voor de conclusie dat een algemene asielstop een passend of effectief antwoord zou zijn. Uit de thans bekende feiten die aan deze Kamervragen ten grondslag liggen, volgt niet dat de aanslag verband hield met de asielinstroom. De inzet van het huidige kabinet is erop gericht om het migratievraagstuk duurzaam het hoofd te bieden. Daarom wordt er onverminderd hard aan gewerkt om maatregelen te nemen om grip op migratie te bevorderen. Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten voor de bescherming van de nationale veiligheid door middel van gerichte maatregelen binnen het bestaande wettelijke kader.
Deelt u de opvatting dat het beschermen van onze vrijheid en onze vooruitgang niet langer kan wachten en dat hiervoor nu concrete stappen nodig zijn? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is er alles aan gelegen om terrorisme tegen te gaan. Conform het coalitieakkoord investeert het kabinet in inlichtingen- en veiligheidsdiensten en een NCTV die snel en doortastend kunnen handelen en wordt de aanpak tegen terrorisme versterkt.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden, gelet op het grote gevaar dat van dit soort aanslagen uitgaat voor de openbare orde en veiligheid in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘What 1.4 million women stand to lose in a Belgian warehouse’, The European Correspondent |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «What 1.4 million women stand to lose in a Belgian warehouse» gepubliceerd door The European Correspondent?1
Ja.
Hoe reflecteert u erop dat er voor 1,5 miljoen euro aan hulpgoederen in de vorm van anticonceptiemiddelen, waarmee meer dan een miljoen vrouwen in Afrika geholpen kunnen worden, verloren dreigt te gaan door de naderende houdbaarheidsdatum?
Het is zeer betreurenswaardig dat goederen bestemd voor de gezondheid van een groot aantal vrouwen en meisjes ongebruikt verloren dreigen te gaan.
Bent u van mening dat reproductieve rechten, waar toegang tot anticonceptiemiddelen onder valt, een belangrijk onderdeel is binnen ontwikkelingssamenwerking, met als doel dat mensen overal ter wereld toegang hebben tot anticonceptiemiddelen?
Ja. Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) zijn een van de prioriteiten binnen het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid.
Welke stappen zou u ondernemen als deze goederen in Nederland opgeslagen zouden zijn?
Er liggen voor zover bekend geen goederen opgeslagen in Nederland.
Bent u bereid diplomatieke kanalen te benutten om bij de Verenigde Staten te markeren dat u hecht aan wereldwijde toegang tot anticonceptiemiddelen en te benadrukken dat deze een essentiële bijdrage leveren aan de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van miljoenen vrouwen en meisjes wereldwijd?
Nederland is continu in gesprek met de VS, zoals via de Nederlandse ambassade in Washington. De Amerikaanse regering is goed op de hoogte van het Nederlandse standpunt ten aanzien van SRGR en vrouwenrechten. Nederland zet zich actief in voor SRGR, inclusief toegang tot anticonceptiemiddelen, onder meer binnen multilaterale fora, in EU-verband en via SRGR-programmering.
Bent u bereid deze kanalen te benutten om opties te verkennen om de anticonceptiemiddelen alsnog beschikbaar te maken?
Zie vraag 7. Indien België om aanvullende ondersteuning vraagt, zal Nederland zich hiervoor inzetten.
Bent u bereid om België te vragen of en hoe zij ondersteund willen worden, bijvoorbeeld in EU-verband, in de diplomatieke inspanningen richting de VS met als doel de anticonceptiemiddelen alsnog in te kunnen zetten voor ontwikkelingssamenwerking?
Nederland heeft in de zomer van 2025 aangeboden de Belgische inspanningen richting de VS te ondersteunen. België heeft aangegeven Nederland te zullen benaderen indien dergelijke ondersteuning opportuun zou worden geacht.
Zo ja, bent u bereid om in EU-verband het gesprek aan te gaan naar aanleiding van de door België gevraagde ondersteuning, waarna opties hieromtrent uitgewerkt kunnen worden?
Zie vraag 7. Dit is niet van toepassing.
Bent u op de hoogte van eventuele hulpgoederen die aangeschaft zijn door de Verenigde Staten in het USAID-programma die door het stopzetten ervan momenteel zijn opgeslagen in Nederland, gezien de belangrijke rol die Nederland heeft binnen de wereldwijde logistiek?
Ik ben hier niet van op de hoogte. Uit een uitvraag bij partners lijkt dit niet het geval te zijn.
Zo ja, kunt u een overzicht geven van wat u reeds heeft gedaan met als doel het vrijwaren van deze hulpgoederen, of wat u nog voornemens bent te doen?
Dit is niet van toepassing, zie vraag 9.
Kunt u toezeggen dat u zich zal inzetten om mogelijke hulpgoederen die opgeslagen zijn en vastzitten in Nederland door het stopzetten van het USAID-programma in kaart te brengen en hier adequaat naar te handelen, en de Kamer hierover te informeren?
Dit is voor zover bekend, niet aan de orde.
De bosbranden in Frankrijk, Spanje en Italië de vraag om hulp |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Frankrijk de Europese Unie om hulp heeft gevraagd bij de bestrijding van de natuurbranden en dat ook Spanje en delen van Italië te maken hebben met ernstige natuurbranden?
Ja.
Hebben Frankrijk, Spanje of Italië inmiddels een verzoek om internationale of Europese bijstand gedaan? Zo ja, welke verzoeken zijn gedaan en welke rol speelt Nederland daarin?
Frankrijk en Spanje hebben een beroep gedaan op het Uniemechanisme voor Civiele Bescherming (Union Civil Protection Mechanism; UCPM). Frankrijk activeerde het mechanisme op 23 juli 2026 en verzocht om ondersteuning vanuit de lucht bij de bestrijding van natuurbranden. Spanje activeerde het mechanisme op 24 juli 2026 en verzocht om ondersteuning op de grond en vanuit de lucht. Italië had ten tijde van de berichtgeving nog geen beroep gedaan op UCPM.
Het Nationaal Crisiscentrum (NCC), onderdeel van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, fungeert als Single-Point-of-Contactvoor het Europese Emergency Response Coordination Centre (ERCC). Via het ERCC ontvangt het NCC alle bijstandsaanvragen die voortkomen uit het UCPM en coördineert de beoordeling daarvan met de betrokken Nederlandse partners. Naar aanleiding van de verzoeken van Frankrijk en Spanje heeft Nederland geen aanvullende capaciteit aangeboden. Vanwege het verhoogde natuurbrandrisico in Nederland moest voldoende specialistische capaciteit beschikbaar blijven voor de nationale paraatheid.
Is Nederland bereid om, indien daarom wordt verzocht, bij te dragen aan de bestrijding van de natuurbranden in Frankrijk, Spanje of Italië? Zo ja, welke inzet kan Nederland daarbij leveren?
Ja, Nederland is bereid vanuit Europese solidariteit via het UCPM, bij te dragen aan de bestrijding van natuurbranden in het buitenland, wanneer de omstandigheden dat toelaten. Ieder verzoek wordt beoordeeld naar welke capaciteit wordt gevraagd, of het beschikbare personeel en materieel geschikt en veilig inzetbaar zijn, wat de gevolgen zijn voor de Nederlandse paraatheid en hoelang de inzet naar verwachting zal duren.
Verder zijn Italië, Frankrijk of Spanje betrokken als host-country bij het Europese pre-positioning programme. Tijdens dit programma hebben brandweerdiensten uit andere Europese lidstaten de mogelijkheid hun personeel ervaring op te laten doen in respectievelijk Italië, Frankrijk of Spanje ten behoeve van de natuurbrandbestrijding.
Los van het eerdergenoemde Spaanse bijstandsverzoek zijn er dit jaar in totaal veertig Nederlandse brandweermensen ingezet in Catalonië in verband met het pre-positioning programme. Tijdens deze internationale trainingsmissie draaide Nederlandse brandweermensen mee met hun Spaanse collega’s. Daarbij ondersteunde zij de lokale natuurbrandbestrijding en deden tegelijkertijd kennis en ervaring op die ook in Nederland kan worden benut.
Heeft het kabinet hierover inmiddels contact met de betrokken landen of met de Europese Unie? Zo ja, wat is de stand van zaken?
Nederland staat voortdurend via het NCC in nauw contact met het ERCC over de ontwikkeling van natuurbranden, bijstandsverzoeken en de door lidstaten aangeboden capaciteit. Via deze Europese structuur vindt ook de afstemming met de betrokken landen plaats.
Deze verzoeken van Frankrijk en Spanje zijn met de relevante Nederlandse partners beoordeeld. Als bovengenoemd kon Nederland ten aanzien van deze bijstandsverzoeken geen aanvullende capaciteit aanbieden, omdat vanwege het verhoogde natuurbrandrisico voldoende specialistisch personeel en materieel beschikbaar moest blijven voor de nationale paraatheid.
Beschikt Nederland op dit moment over voldoende capaciteit om, indien nodig, bijstand te verlenen aan andere Europese landen zonder dat dit ten koste gaat van de nationale paraatheid?
Nee, Nederland beschikt niet het hele jaar door over voldoende specialistische capaciteit voor natuurbrandbestrijding om andere Europese landen bijstand te kunnen verlenen. Dit was ook het geval ten tijde van de bijstandsaanvragen uit Spanje en Frankrijk. Vanwege het verhoogde natuurbrandrisico moest voldoende personeel en materieel beschikbaar blijven voor de bestrijding van mogelijke natuurbranden in Nederland. Dit betekent niet dat Nederland in algemene zin over onvoldoende brandweercapaciteit beschikte ten tijde van de bijstandsaanvragen. De beperking betreft specifiek de specialistische capaciteit die nodig was voor de bestrijding van binnenlandse natuurbranden.
Daarnaast zijn de Nederlandse specialistische natuurbrandteams niet volledig ingericht volgens de richtlijnen die gelden voor bestrijdingsmodules binnen het UCPM. Hierdoor sluiten de samenstelling, werkwijze en uitrusting van deze teams nog niet optimaal aan op die van andere Europese landen. Dit beperkt de snelheid en effectiviteit waarmee Nederland dergelijke teams internationaal kan aanbieden en inzetten. De landelijk en internationaal inzetbare specialistische capaciteit en het verbeteren van de aansluiting op de Europese richtlijnen zijn daarom belangrijke aandachtspunten.
In hoeverre is Nederland, mede gelet op de steeds grotere risico's op natuurbranden in Europa, beter voorbereid op een periode van aanhoudende droogte en natuurbranden dan enkele jaren geleden? Welke maatregelen zijn daarvoor genomen?
Het risico op natuurbranden neemt in Europa toe, ook in Nederland. Door hogere temperaturen en langdurige droogte kunnen natuurbranden vaker ontstaan, zich sneller verspreiden en moeilijker te bestrijden zijn. De recente natuurbranden in onder meer Spanje, Frankrijk en Griekenland onderstrepen deze ontwikkeling, evenals de natuurbranden die dit voorjaar in Nederland hebben plaatsgevonden en recent in Limburg. Het kabinet neemt deze risico’s zeer serieus en zet zich in om de weerbaarheid van Nederland tegen natuurbranden te vergroten. In dit verband verwijs ik naar de brief die de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) afgelopen mei mede namens mij aan de Tweede Kamer heeft gestuurd (Kamerstuk 30 821, nr. 336). Zo wordt er geïnvesteerd in risicobeperkende maatregelen, wordt gewerkt aan de verankering van risicobeheersing in de Omgevingswet en het oprichten van een nationaal centrum voor natuurbrandbeheersing.
Afgelopen jaar is het Landelijk Crisisplan Natuurbranden vastgesteld (Kamerstuk 30 821, nr. 277). Dit plan verduidelijkt de verantwoordelijkheden, samenwerking en opschalingsstructuren bij grootschalige natuurbranden. Er wordt ook gekeken naar de operationele voorbereiding op de bestrijding van grootschalige natuurbranden. Het scenario van meerdere gelijktijdige natuurbranden maakt deel uit van het landelijk risicoprofiel en het landelijk dekkingsplan voor de brandweerzorg waaraan wordt gewerkt. De bestuurlijke besluitvorming over het landelijke dekkingsplan vindt later dit jaar plaats. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de bovenregionale samenwerking, de beschikbaarheid en inzetbaarheid van specialistische teams en het gezamenlijk opleiden, trainen en oefenen.
Zoals uit het antwoord op de vorige vraag blijkt, kent de specialistische capaciteit nog beperkingen wanneer gelijktijdig een verhoogd natuurbrandrisico in Nederland en in het buitenland bestaat. Deze aspecten worden betrokken bij de verdere ontwikkeling van de Nederlandse natuurbrandbestrijding. De inzet is erop gericht Nederland beter in staat te stellen meerdere grootschalige natuurbranden effectief te bestrijden en, wanneer de omstandigheden dat toelaten, bijstand aan andere Europese landen te verlenen.
Hamas dat zich als een parasiet voedt aan en misbruik maakt van internationale hulpverlening |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Hamas in toenemende mate burgers terroriseert, voedseldistributieplaatsen aanvalt en smokkelwaar verstopt tussen hulpgoederen?1
Het kabinet is bekend met het bericht dat humanitaire operaties in Jabalia in Noord-Gaza recentelijk gewelddadig zijn verstoord. De plaatsvervangend VN-coördinator voor het Midden-Oosten Vredesproces, Ramiz Alakbarov, veroordeelde deze acties die volgens Alakbarov door Hamas zouden zijn uitgevoerd.
Wat zegt het u dat nu zelfs de Verenigde Naties (VN) niet meer spreekt van geïsoleerde incidenten, maar van een steeds gevaarlijker patroon van intimidatie, geweld en obstructie?2
Hulporganisaties werken in Gaza al geruime tijd in een buitengewoon complexe en gevaarlijke context. De aanwezigheid van Hamas en andere gewapende groepen en criminele bendes vormt hierin een van de vele uitdagingen in het bieden van veilige, ordentelijke distributie van hulp. Het kabinet vindt dit zorgwekkend. Om de grote humanitaire noden in Gaza te lenigen, roept het kabinet op tot veilige, ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang voor alle professionele humanitaire organisaties tot en binnen Gaza. Hulp mag niet worden gebruikt als drukmiddel noch worden aangewend voor ondersteuning van terroristische groeperingen. Zie ook het antwoord op vragen 3,4,5 en 6.
Erkent u dat deze onacceptabele en illegale handelwijze de terroristen van Hamas een enorme hoeveelheid geld en goederen oplevert, zoals wordt gesteld?
Het kabinet koestert geen illusies over de intenties en het optreden van Hamas. De terroristische organisatie mag geen rol spelen in de toekomst van de Gazastrook, en moet de wapens neerleggen. Daarnaast blijft het kabinet inzetten op sancties tegen Hamas en de Palestinian Islamic Jihad.
De context in Gaza is bijzonder complex voor noodhulporganisaties. Het kabinet staat in nauw contact met de professionele humanitaire partners over de distributie van hulp en de uitdagingen hierbij. Het kabinet is bekend met signalen dat Hamas een kwalijke rol speelt wat betreft de catastrofale humanitaire situatie in Gaza en dat de organisatie de voedseldistributie verstoort. Zo spreekt Alakbarov in zijn statement van intimidatie, geweld en belemmering, waaronder smokkelpogingen en het doelbewust aanvallen en misbruiken van humanitaire operaties.
Robuuste due dilligence procedures moeten ervoor waken dat Nederlands geld niet ten goede komt aan terroristische organisaties. Hoewel deze geen volledige garanties bieden helpen ze wel om risico’s te minimaliseren. Het kabinet heeft daarnaast vertrouwen in het werk van partnerorganisaties waar Nederland mee werkt. Dit zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke omstandigheden, zoals die als Gaza, waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Het kabinet hanteert een zero-tolerance for inaction beleid ten aanzien van misbruik van financiële middelen. Als uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andersoortige malversaties, dan treedt het kabinet daartegen op. Het kabinet informeert de Kamer altijd via de geëigende procedures over malversaties en ontvreemding van hulp.
Bijna alle Palestijnen in Gaza zijn afhankelijk van humanitaire hulp. Zonder humanitaire hulp zouden 1,9 miljoen mensen in Gaza te maken krijgen met ernstige voedselnood. Het kabinet gaat deze hulp niet stopzetten.
Deelt u de conclusie dat Hamas zich als een parasiet voedt aan internationale hulp, de macht van Hamas daardoor weer toeneemt en deze situatie zeer onwenselijk is?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om de Nederlandse hulp aan de Palestijnse gebieden direct te stoppen, omdat Hamas en ander tuig er enorm – en in toenemende mate – van profiteert?
Zie antwoord vraag 3.
Indien u daartoe niet bereid bent, kunt u dan in ieder geval uitleggen waarom u het acceptabel vindt dat Hamas parasiteert op internationale hulp en op onze belastingcenten?
Zie antwoord vraag 3.
Hamas-terreurinfrastructuur en aanslagplannen in Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Investigation: Hamas planned massive October 7th attacks across Europe» en het onderliggende onderzoek van de Neue Zürcher Zeitung «Die Hamas nimmt den Westen ins Visier – und plante wohl einen zweiten 7. Oktober in Europa»?1 2
Ja.
Kunt u bevestigen of ontkennen dat, zoals gesteld door de Duitse Generalbundesanwalt Jens Rommel, Hamas sinds 2019 een Europa-breed netwerk heeft opgebouwd van verborgen wapenopslagplaatsen, smokkelroutes en slapende terreurcellen, met als doel een aanslagengolf rond 7 oktober 2025, de tweede jaardag van het bloedbad van 7 oktober 2023? Beschikken de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten over eigenstandige informatie hierover, en is de Kamer hierover ooit geïnformeerd?
In het openbaar kunnen geen uitspraken worden gedaan over de inlichtingenpositie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In het jaarverslag van 2025 heeft de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) aangegeven dat het onderzoek doet naar de mogelijke dreiging vanuit de terroristische organisatie Hamas tegen de nationale veiligheid.3 De AIVD heeft twee handelingsvormen onderkend van Hamas in Europa. Ten eerste is in Europa al jaren een «politiek» netwerk actief dat financiële steun voor Hamas verwerft en zich in Europa bezighoudt met activisme, lobby- en andere beïnvloedingswerkzaamheden. De tweede handelingsvorm is aan het licht gekomen via een aantal aanhoudingen in Europa: aan Hamas te relateren personen waren – op aansturing van Hamas-leden in Libanon – betrokken bij het (ver)bergen en (ver)plaatsen van vuurwapens en munitie. De AIVD schrijft in het jaarverslag over 2025 dat het erop lijkt dat Hamas bezig was met het opbouwen van gewelddadige capaciteiten in Europa.4 Enkelen van deze aangehouden personen worden, naast het lidmaatschap van Hamas, ook verdacht van het voorbereiden van aanslagen op Joodse en/of Israëlische doelen. Deze strafrechtelijke onderzoeken lopen nog. Over eventuele aanhoudingen in het buitenland en de aldaar lopende strafrechtelijke onderzoeken kan ik geen uitspraken doen.
Kunt u bevestigen dat er in de afgelopen periode arrestaties zijn verricht in Duitsland, Oostenrijk, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland en Cyprus, waarbij onder meer wapens (waaronder een AK-47, dertien pistolen en meer dan negenhonderd kogels), explosieven en een claimvideo voor een aanslag zijn aangetroffen, gericht tegen Joodse, Israëlische en bredere westerse instellingen, en dat Wenen daarbij als logistiek knooppunt fungeerde? Deelt u de conclusie van de Duitse autoriteiten dat dit een zelfstandige, operationele Hamas-infrastructuur op Europese bodem betreft, los van het conflict in Gaza en Israël?
Zie antwoord vraag 2.
Is bij u bekend of vergelijkbare voorbereidingshandelingen, trainingsroutes (bijvoorbeeld via Maleisië, zoals in het onderzoek beschreven) of financieringsstromen richting Hamas zich hebben voorgedaan met een raakvlak met Nederland, Nederlandse ingezetenen of in Nederland gevestigde organisaties? Kunt u dit, voor zover de veiligheid dit toelaat, toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat een deel van de aangehouden en veroordeelde personen de nationaliteit van een Europese lidstaat bezit of over een Schengen-verblijfsvergunning beschikt, waardoor zij zich ongehinderd binnen het Schengengebied konden verplaatsen? Deelt u de opvatting dat dit een fundamenteel veiligheidslek in het vrije verkeer binnen Schengen blootlegt, en dat dit gevolgen moet hebben voor het verblijfsrecht en de bewegingsvrijheid van personen met een vastgesteld Hamas-profiel?
Het kabinet kan niet ingaan op de individuele omstandigheden omtrent strafrechtelijke onderzoeken of toelatings- en verblijfsprocedures. Het al dan niet delen van informatie over deze zaken is aan de bevoegde autoriteiten van de in het artikel genoemde landen.
Nederland en de Europese Unie (EU) werken nauw samen om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. Een onderdeel van deze samenwerking is de intensieve informatie-uitwisseling tussen de verschillende veiligheidspartners. Alle betrokken veiligheidspartners blijven zowel nationaal als internationaal alert op mogelijke dreigingen en zetten zich onverminderd in om risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren, en daarmee ook belangen, zoals het vrije verkeer van personen, te waarborgen.
Wanneer er sprake is (van verdenking) van strafbare feiten, is het aan de politie en het Openbaar Ministerie om deze te onderzoeken en, waar mogelijk, te vervolgen. In zijn algemeenheid beziet de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij een (onherroepelijke) veroordeling voor een misdrijf of dit gevolgen heeft voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Dit is ook het geval indien de IND vaststelt dat er sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid of artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen. Als de vreemdeling niet (meer) in het bezit is van verblijfsrecht moet de betrokkene Nederland verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op (al dan niet gedwongen) terugkeer.
Deelt u de opvatting dat deze onthullingen aantonen dat de dreiging van Hamas nooit beperkt is geweest tot Israël, maar zich, zoals de onderzoeken stellen, ook richt op Joodse, Israëlische en bredere westerse instellingen in Europa, en dat eerdere geruststellingen daarover, ook vanuit Nederland en de EU, achterhaald zijn gebleken?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 2,3 en 4 geeft de AIVD in het jaarverslag van 2025 aan dat het erop lijkt dat Hamas bezig was met het opbouwen van gewelddadige capaciteiten in Europa.5 Enkelen van deze aangehouden personen worden, naast het lidmaatschap van Hamas, ook verdacht van het voorbereiden van aanslagen op Joodse en/of Israëlische doelen. De veiligheidsdiensten blijven de ontwikkelingen nauwgezet volgen en betrekken nieuwe informatie voortdurend bij hun dreigingsanalyses.
In het recent Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) van de NCTV is aangegeven dat het dreigingsniveau op niveau 4 van de 5 blijft staan.6 Dat betekent dat er een reële kans is dat er in Nederland een aanslag zal plaatsvinden. Bij het vaststellen van het dreigingsniveau wordt niet alleen gekeken naar de activiteiten van Hamas maar ook naar de brede jihadistische geweldsdreiging, de terroristische dreiging vanuit rechts-extremisten, anti-institutioneel extremisten en (online) radicaliseringsprocessen in Nederland. In het meest recente DTN is aangegeven dat een daadwerkelijke koerswijziging van (facties binnen) Hamas de dreiging tegen vooral Joodse en Israëlische doelwitten in Europa zal verhogen. Joodse en Israëlische instellingen blijven, waar nodig, onderwerp van specifieke aandacht en beveiligingsmaatregelen.7 Er is op dit moment geen aanleiding tot een afzonderlijke aanpassing van het dreigingsniveau.
Is naar aanleiding van deze onthullingen een aanpassing van het nationale dreigingsbeeld (dreigingsniveau van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV)) overwogen of doorgevoerd, specifiek voor Joodse, Israëlische en bredere westerse instellingen in Nederland, zoals in het onderzoek wordt gesteld? Zo nee, waarom niet, gelet op het feit dat vergelijkbare cellen zijn aangetroffen in meerdere ons omringende landen?
Zie antwoord vraag 6.
Welke concrete maatregelen zijn op dit moment van kracht om synagogen, Joodse scholen, gemeenschapscentra, Israëlische diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen én bredere westerse instellingen en publieke voorzieningen in Nederland te beschermen tegen een vergelijkbaar scenario als in Griekenland, Oostenrijk en Duitsland is blootgelegd? Acht u deze maatregelen, in het licht van dit onderzoek, nog toereikend?
Vanwege veiligheidsoverwegingen doe ik in het openbaar nooit uitspraken over beveiligingsmaatregelen die worden getroffen. Wel kan ik uw Kamer verzekeren dat de benodigde maatregelen, zowel zichtbaar als onzichtbaar, worden getroffen waar dat nodig wordt geacht en op basis van actuele dreigingsinformatie. De betrokken veiligheidsdiensten en bevoegde gezagen beoordelen voortdurend of de getroffen maatregelen toereikend zijn en passen deze waar nodig aan.
Bent u bereid op korte termijn een aanvullende, specifieke dreigingsanalyse te laten uitvoeren door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de NCTV naar Hamas-gerelateerde netwerken, slapercellen en wapenopslag in Nederland, en de Kamer hierover te informeren
De AIVD onderzoekt, zoals in het jaarverslag van 2025 gemeld, de dreiging van Hamas tegen onze nationale veiligheid. Vanzelfsprekend kunnen in de openbaarheid geen uitspraken worden gedaan over al dan niet lopende onderzoeken van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Zoals bepaald in de Wet Coördinatie Terrorismebestrijding en Nationale Veiligheid is de NCTV niet bevoegd onderzoek te doen naar organisaties en/of personen.
Is bekend, of bent u bereid te laten onderzoeken, via welke immigratie- of asielroute de in het onderzoek genoemde en vergelijkbare Hamas-gelieerde personen in Nederland en Europa voet aan de grond hebben gekregen, bijvoorbeeld via asielprocedures, gezinshereniging, arbeids- of studievergunningen? Kunt u de Kamer hierover informeren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, kan het kabinet niet ingaan op de individuele omstandigheden omtrent strafrechtelijke onderzoeken of toelatings- en verblijfsprocedures.
Binnen de verschillende verblijfsprocedures bestaan maatregelen om eventuele risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren. Onderdeel van deze beoordeling is nadrukkelijke aandacht voor mogelijke risico’s voor de openbare orde, inclusief internationale misdrijven en nationale veiligheid. Hier worden besluiten over toelating en verblijf per casus zorgvuldig afgewogen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is, binnen de nationale en Europese wettelijke kaders en met inachtneming van internationale verdragsverplichtingen.
Het kabinet onderstreept tevens het belang van de inzet aan de Europese buitengrens, in samenwerking met het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), om mogelijke irreguliere grenspassages tegen te gaan en de integriteit van de Europese buitengrens te beschermen. Alle lidstaten zijn verplicht om iedere persoon die zich aan de buitengrens van de Europese Unie meldt, aan een grenscontrole te onderwerpen. Het recent in werking getreden EU-migratiepact is daarbij een belangrijke stap om meer grip te krijgen over wie er naar Europa komt. Met de nieuwe screeningverordening, die onderdeel is van het pact, moet de identiteit van onderdanen van niet-EU-landen die aan screening worden onderworpen snel worden vastgesteld, net als eventuele veiligheidsrisico's.
In een wereld waarin de ontwikkelingen op zowel het gebied van dreigingen voor de nationale veiligheid als migratie elkaar in hoog tempo opvolgen is het noodzakelijk om voortdurend te monitoren of de procedures en bevoegdheden van dit systeem nog aansluiten op actuele ontwikkelingen en waar nodig verbeteringen door te voeren. Onder de coördinatie van de NCTV is in 2023 een systeemcheck uitgevoerd over het tijdig onderkennen van signalen die de nationale veiligheid kunnen raken binnen de migratie- en veiligheidsketen. Uw Kamer is over de bevindingen en maatregelen geïnformeerd door middel van de Kamerbrief Stand van zaken bestrijding misbruik asiel- en migratiestromen door terroristen.8 Het kabinet verwijst daarnaast naar de aanbiedingsbrief bij het rapport Migration-related Terrorism: Trends, Challenges and Policy Implication waarin nader wordt ingegaan op de het onderkennen van signalen van radicalisering of mogelijke betrokkenheid bij terrorisme in de asiel- en nareisprocedure.9
Is bekend via welke route, met welke documenten en via welke buitengrens de betrokken personen het Schengengebied zijn binnengekomen, en welke controles daarbij gefaald hebben? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse en Europese buitengrensbewaking?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid maatregelen te treffen om personen met een vastgesteld Hamas-profiel die zich in Nederland bevinden, het land en waar mogelijk het Schengengebied te laten verlaten, via intrekking van verblijfsrecht, uitzetting en een inreisverbod? Zo ja, op welke termijn?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, kunnen een veroordeling voor een misdrijf of het vormen van een gevaar voor de nationale veiligheid gevolgen hebben voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Wanneer een dergelijke vreemdeling niet (meer) in het bezit is van een verblijfsrecht wordt in beginsel een terugkeerbesluit opgelegd en wordt – met inachtneming van internationale verplichtingen – ingezet op (al dan niet gedwongen) terugkeer. Daarbij wordt in de regel ook een inreisverbod opgelegd.
Bent u bereid, samen met de Europese partners, te bevorderen dat nieuwe Hamas-gelieerde personen niet langer via asiel-, migratie- of andere routes toegang krijgen tot Nederland en het Schengengebied, bijvoorbeeld door verscherpte screening, gedeelde risicoprofielen en strengere buitengrenscontroles? Welke concrete stappen onderneemt u hierin?
Het kabinet zet zich onverminderd in om iedere dreigingsvorm tegen de nationale veiligheid, waaronder terrorisme en extremisme, tegen te gaan. Onze democratische rechtsorde en nationale veiligheid is een groot goed, en bescherming daarvan vergt constante inspanning, nauwe samenwerking en gerichte implementatie van maatregelen. Ondanks de strenge procedure en inspanningen van de ketenpartners kan nooit een absolute garantie worden gegeven dat er geen personen Nederland binnenkomen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen, omdat personen zich mogelijk kunnen onttrekken aan het zicht van de autoriteiten en omdat eventuele risico’s die van een persoon uitgaan niet altijd op voorhand bekend zijn. Zoals toegelicht bij de vragen 5, 10 en 11 zijn de nodige samenwerking en maatregelen reeds aanwezig. Daarnaast wordt voortdurend gemonitord of de procedures en bevoegdheden binnen het systeem nog aansluiten bij de actuele ontwikkelingen. Waar nodig worden deze aangepast en verbeterd.
Bent u bereid de garantie te geven dat onder de huidige en toekomstige grote asielinstroom naar Nederland geen personen binnenkomen die gelieerd zijn aan Hamas of andere terroristische organisaties? Zo nee, kunt u toelichten waarom een dergelijke garantie niet te geven is, en welke aanvullende screening, achtergrondcontroles en informatie-uitwisseling met buitenlandse diensten u bereid bent in te voeren om dit risico zo dicht mogelijk bij nul te brengen? Indien blijkt dat dit – het risico drastisch reduceren – niet mogelijk is, bent u dan niet Russisch roulette met Nederlandse mensenlevens aan het spelen? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid een concreet plan van aanpak naar de Kamer te sturen waarin wordt uiteengezet hoe (a) de fysieke beveiliging van Joodse, Israëlische en andere westerse instellingen in Nederland wordt versterkt, (b) grensoverschrijdende smokkel van wapens en explosieven richting Nederland wordt tegengegaan, (c) de monitoring van Hamas-gelieerde netwerken, werving en financieringsstromen in Nederland wordt geïntensiveerd, en (d) personen met een vastgesteld Hamas-profiel sneller kunnen worden aangehouden, hun verblijfsrecht kunnen verliezen of de toegang tot Nederland kan worden ontzegd? Zo ja, binnen welke termijn kan de Kamer dit plan verwachten?
Het kabinet werkt reeds langs meerdere sporen aan de bestrijding van extremisme en terrorisme. Uw Kamer wordt over deze aanpak met verschillende producten geïnformeerd, zoals onder andere de Contraterrorismestrategie 2022–2026. Ten aanzien van de monitoring van dreigingen publiceert de NCTV halfjaarlijks het DTN en de AIVD jaarlijks het Jaarverslag. Ten aanzien van de beveiliging van instellingen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 8. Daarnaast verwijs ik naar de beantwoording onder vraag 5 en 12 waarin de consequenties voor verblijf en het weigeren van toegang uiteen zijn gezet.
Bent u bereid te onderzoeken of het Nederlanderschap van personen met een vastgesteld Hamas-profiel kan worden ingetrokken op grond van bestaande terrorismewetgeving, en zo nodig met aanvullende wetgeving te komen om dit te vergemakkelijken?
Voor personen met de Nederlandse nationaliteit geldt dat het Nederlanderschap reeds in specifieke, wettelijk geregelde gevallen kan worden ingetrokken. Zo kan op grond van artikel 14, tweede lid Rijkswet op het Nederlanderschap bij personen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf met een terroristisch oogmerk intrekking van het Nederlanderschap plaatsvinden als er – naast de Nederlandse – sprake is van een tweede nationaliteit. Per casus wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van alle relevante omstandigheden.
De beschikbare instrumenten binnen het vreemdelingen- en nationaliteitsrecht worden consequent toegepast binnen de geldende wettelijke kaders en met inachtneming van de vereiste individuele beoordeling. De intrekking van het Nederlanderschap gaat in de meeste gevallen gepaard met het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod door de IND. Hierna dient de persoon Nederland te verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op (al dan niet gedwongen) terugkeer.
Deelt u de opvatting dat werving en financiering voor Hamas in Nederland, via stichtingen, verenigingen of onlineplatforms, met voorrang strafrechtelijk moet worden onderzocht en aangepakt? Welke concrete stappen onderneemt u op dit vlak, en bent u bereid de Kamer hierover periodiek te informeren?
Nederland zal altijd optreden tegen organisaties die als doel hebben om geweld te plegen tegen onschuldige burgers. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) heeft als doel witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Het verplicht meldingsplichtige instellingen (financiële instellingen/banken, makelaars, notarissen, advocaten etc.) om cliëntenonderzoek te verrichten en ongebruikelijke transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit-Nederland. Terrorismefinanciering is strafbaar gesteld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht. In geval er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit kan een opsporingsonderzoek worden gestart en kan het OM besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Daarnaast is een aantal personen en terroristische organisaties op de Nationale sanctielijst geplaatst. Ook zijn terroristische organisaties in EU-verband gesanctioneerd. Bij aanwijzingen van overtreding van de Sanctiewet kan het OM een strafrechtelijk onderzoek starten en besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Ook het lokaal bestuur (onder andere in het kader van de Wet Bibob) en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen onderzoek doen. Binnen het Financieel Expertisecentrum (FEC)10, wordt in de TF-Taskforce samengewerkt tussen publieke en private organisaties en wordt in het Programma FEC TF tussen publieke organisaties informatie gedeeld, om zo inzicht te verkrijgen in de financiële netwerken.
Financiering via stichtingen met weinig transparantie over financiën en geen zelfregulering wordt in de 3e National Risk Assessment (NRA) Terrorismefinanciering benoemd als één van de risico’s. De onderzoekers constateren dat in Nederland hiertegen waarborgen bestaan. Zo zijn er stichtingen met de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Een stichting kan een ANBI-status krijgen als minimaal 90% van haar activiteiten het algemeen belang dient, indien er geen sprake is van een winstoogmerk en wanneer zij beschikt over een beperkt eigen vermogen. Een stichting met ANBI-status is verplicht om specifieke gegevens, waaronder een financiële verantwoording, openlijk op de eigen website te publiceren. Ook zijn er stichtingen met een Erkenning van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), een onafhankelijke stichting die toezicht houdt op de inzameling van geld voor goede doelen. Een CBF-erkenning geldt als keurmerk voor goede doelen in Nederland die moeten voldoen aan enkele kwaliteitseisen en zich vrijwillig laten toetsen. Stichtingen die hier niet aan voldoen kunnen deze status kwijtraken. Indien een stichting geen ANBI-status of CBF-erkenning heeft en niet aan een vorm van zelfregulering doet, zouden Wwft-poortwachters bij zo’n stichting nader cliëntonderzoek kunnen verrichten om een goed beeld te verkrijgen van het daadwerkelijke risiconiveau ten aanzien van terrorismefinanciering.
Los van het beleid omtrent stichtingen zijn er verschillende sancties van kracht tegen Hamas en gelieerde organisaties die terrorisme financieren, zowel op nationaal als op Europees niveau. Om inzicht te krijgen in de internationale geldstromen rondom Hamas en financiering tegen te gaan is een specialistische taskforce opgericht bestaande uit Financial Intelligence Units uit verschillende landen, waaronder Nederland. Ook is er sinds januari 2024 een aanvullend Europees sanctieregime van kracht, gericht op het bestrijden van de sponsoren en financiers van Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad en daaraan geaffilieerde organisaties. Deze nieuwe regeling vormt een aanvulling op de beperkende maatregelen die eerder in het kader van de EU-sanctielijst terrorisme zijn aangenomen. Wanneer in Nederland stichtingen in verband kunnen worden gebracht met het financieren van Hamas, kunnen deze op de nationale sanctielijst terrorisme worden geplaatst. Zo staat de aan Hamas gelieerde Stichting Al Aqsa sinds 2003 op deze lijst.
Daarnaast bezie ik momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen.
Bent u bereid om, samen met de Duitse Generalbundesanwalt en andere betrokken Europese partners, te komen tot een gezamenlijke, structurele aanpak van Hamas-infrastructuur in Europa, inclusief gedeelde inlichtingen, gezamenlijke opsporingsteams en een gedeelde lijst van geïdentificeerde slapercellen en risicopersonen? Zo ja, op welke termijn en langs welke kanalen (Europol, Eurojust, bilateraal) wilt u dit vormgeven?
Hamas is een terroristische organisatie waar hard tegen moet worden opgetreden, zowel nationaal als internationaal. Zo staat Hamas op de EU sanctielijst terrorisme. Daarnaast is binnen deze sanctielijst sinds 19 januari 2024 een specifiek kader voor beperkende maatregelen opgezet, zodat EU-personen of entiteiten die gewelddadige acties door Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad (PIJ) ondersteunen, faciliteren of mogelijk maken, ter verantwoording kunnen worden geroepen.
Internationale samenwerking en informatie-uitwisseling tussen betrokken ketenpartners is van belang. Op operationeel niveau vindt nauwe samenwerking plaats tussen veiligheidspartners.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ten behoeve van de kwaliteit van de beantwoording zijn de antwoorden op een aantal vragen geclusterd.
Herinnert u zich uw Kamerbrief van 13 juli jl. waarin u aangeeft niets de doen met de Kameruitspraak om te onderzoeken of slachtoffers van Hawija individueel kunnen worden gecompenseerd?
Ja.
Erkent u dat de Kamerbrief geen nieuwe informatie of argumenten bevat die de leden niet al tot zich hadden genomen voor de stemming over de motie?
Het is aan de leden zelf om te bepalen welke argumenten zij meenemen in hun overwegingen voor een stemming.
Erkent u dat er in de motie niet wordt gesproken over de aansprakelijkheid van de gevolgen van de wapeninzet door de Nederlandse staat, en deze motie dus ook los staat van de rechtszaak die wordt gevoerd door slachtoffers?
Ja.
Klopt het dat andere partnerlanden en Nederland zelf in het verleden vrijwillige (ex gratia) betalingen hebben uitgekeerd aan burgerslachtoffers zonder dat er sprake was van aansprakelijkheid? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het argument dat het uitkeren van individuele vrijwillige betalingen in de zaak Hawija «de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen»?
Als uitgangspunt geldt dat Defensie bij een legitieme krijgshandeling onder het humanitair oorlogsrecht niet verplicht is tot compensatie voor burgerslachtoffers. Dat kan anders liggen in geval van onrechtmatig geweldgebruik of een rechterlijke uitspraak. Het beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie (zogenoemde ex-gratia betalingen) is gericht op maatwerk.1 Nederland heeft in het verleden, bijvoorbeeld in Afghanistan in de periode 2002–2021, net als meerdere partnerlanden vrijwillige vergoedingen op individueel niveau uitgekeerd.2 De aard van de inzet in Afghanistan verschilde wezenlijk van die in Irak tegen ISIS: in Afghanistan was sprake van een wederopbouwmissie, terwijl de inzet in Irak gericht was op het bestrijden van ISIS. Dergelijke variabelen, zoals de aard van de wapeninzet en de context van een conflict, zorgen voor verschillende afwegingen bij het al dan niet toekennen van vrijwillige individuele financiële vergoedingen.
Voorkomen moet worden dat de verwachting ontstaat dat bij toekomstig, rechtmatig geweldgebruik op een legitiem doel tijdens een gewapend conflict3, een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen terwijl er geen reden is om van het hiervoor beschreven uitgangspunt af te wijken.
Kunt u bevestigen dat de afgelopen jaren telkens tevens praktische bezwaren zijn geuit tegen individuele vergoedingen – zoals dat het onmogelijk is om te achterhalen wie er schade hebben geleden –, zonder dat hier serieus onderzoek naar is gedaan? Zo nee, op welke wijze is deze optie onderzocht?
De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen, is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Het kabinet heeft de opties in kaart gebracht voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of gemeenschap, zoals eerder aan uw Kamer gemeld.4 Over de overwegingen om niet over te gaan tot individuele vergoeding is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.5 Alhoewel niet doorslaggevend, klopt het dat er verschillende praktische bezwaren zijn geuit als onderdeel van deze overwegingen, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele vergoeding te realiseren.
Kunt u bevestigen dat reeds in 2020, toen er werd gekozen door het toenmalige kabinet om niet over te gaan tot individuele compensatie, hierover verschil van mening was tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie? Zo ja, kunt u die stukken met de Kamer delen?
Binnen zowel het Ministerie van Defensie als Buitenlandse Zaken is zorgvuldig nagedacht over de opties voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers en/of de gemeenschap.6 Er is meermaals ambtelijk overleg geweest over de wenselijkheid en haalbaarheid van deze opties. Het uiteindelijke besluit ligt echter bij het kabinet dat destijds op basis van verschillende overwegingen heeft besloten niet over te gaan tot het uitkeren vrijwillige tegemoetkomingen op individueel niveau, zoals ook benoemd in de Kamerbrief «Reactie BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.7 De daaropvolgende kabinetten hebben dit onderschreven. Allereerst stelt het kabinet dat de aanval op de ISIS-autobommenfabriek in de nacht van 2 op 3 juni 2015 rechtmatig was, omdat deze in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht werd uitgevoerd, en de Staat dus niet aansprakelijk is voor de geleden schade. Om deze reden heeft het kabinet in beginsel destijds besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige vergoedingen op individueel niveau. Daarnaast is meegenomen in het besluit dat het vrijwillig aanbieden van vergoedingen op individueel niveau de verwachting zou wekken dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen. Dit terwijl er in dit geval geen sprake is van aansprakelijkheid en er daarom geen reden is om van het uitgangspunt af te wijken, om zo geen onterechte verwachtingen voor de toekomst te scheppen. Hoewel niet doorslaggevend gelden in deze casus ten overvloede verschillende praktische bezwaren, waardoor het kabinet het nog altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele tegemoetkoming te realiseren. Zo is het jaren na de aanval haast onmogelijk om te achterhalen wie in Hawija welke schade heeft ondervonden door de secundaire explosie en om, conform de motie Fritsma8, (voormalige) ISIS-sympathisanten hiervan uit te sluiten. Stukken hieromtrent zijn openbaar gemaakt op basis van de Wet open overheid.9
Denkt u dat het moeilijk is om conform de motie-Fritsma vast te stellen dat de vijf omgekomen kinderen van Abdullah Rashid Saleh geen ISIS-sympathisanten waren? Zo ja, waarom?
De motie-Fritsma verzoekt de regering «op actieve wijze zeker te stellen dat geen cent van de door Nederland betaalde schadevergoedingen aan de gemeenschap van Hawija terechtkomt bij (oud-)IS’ers».10 Gelet op het besluit van het kabinet om over te gaan tot vrijwillige vergoeding van de gemeenschap, zijn er geen stappen ondernomen om tot vormgeving of uitvoering van een individueel tegemoetkomingstraject te komen.11 Defensie heeft dan ook geen onderzoek gedaan naar persoonsdossiers van individuele slachtoffers en spreekt zich niet uit over individuele casuïstiek.
Hoe kan het tot rechtsongelijkheid leiden als mensen niet voldoende kunnen bewijzen dat zij slachtoffer zijn van de Nederlandse wapeninzet in Hawija? Is er bij eerdere vrijwillige betalingen ook uitgekeerd aan slachtoffers die daar geen enkel bewijs voor hebben aangeleverd?
Een individuele tegemoetkoming zou, indien daartoe zou worden besloten, betrekking moeten hebben op de volledige groep die daarvoor op basis van gehanteerde criteria in aanmerking zou komen, en niet op slechts een deel van deze groep. Dit vraagstuk is echter niet aan de orde, aangezien reeds is besloten om niet over te gaan tot individuele tegemoetkomingen.12
Bent u bereid om conform de aangenomen Kamermotie alsnog te onderzoeken of individuele compensatie mogelijk zou kunnen zijn en de Kamer hierover binnen zes maanden te informeren? Zo nee, waarom niet?
Nee. De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen is een belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Ten aanzien van de overwegingen om niet over te gaan tot individuele tegemoetkoming is uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief «Reactie motie Lid Piri (PRO), juni 2026» en «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.13 Defensie zet zich onverminderd in voor de invulling van de circa 10 miljoen voor aanvullende projecten om de getroffen gemeenschap tegemoet te komen in Hawija, waarbij de behoeften van de gemeenschap zorgvuldig worden meegenomen.
Kunt u de bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de conclusie van het Duitse Openbaar Ministerie dat de sabotage van de Nord Stream-pijpleidingen volgens de Duitse aanklagers plaatsvond op bevel van Oekraïense staatsautoriteiten en deelt u de opvatting dat, indien deze conclusie juist blijkt te zijn, sprake is van een ongekende aanval op vitale Europese infrastructuur door een land dat Nederland al jaren politiek, financieel en militair steunt? Zo nee, waarom niet?1
Het kabinet volgt de berichten over het onderzoek van het Duitse Openbaar Ministerie nauwgezet. Sabotage van energie-infrastructuur is onaanvaardbaar en dreigingen ten aanzien hiervan worden serieus genomen. Juist daarom is zorgvuldigheid geboden. Het kabinet wacht de uitkomsten van de Duitse rechtsgang af.
Deelt u de mening dat voormalig Minister-President Rutte de Nederlandse bevolking en de Tweede Kamer op het verkeerde been heeft gezet door de suggestie dat Oekraïne of de Verenigde Staten betrokken konden zijn bij het opblazen van de Nord Stream-pijpleidingen als «echt onzin» af te doen, terwijl de Duitse federale aanklagers nu tot de conclusie zijn gekomen dat de sabotage volgens hun onderzoek plaatsvond op bevel van Oekraïense staatsautoriteiten? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat Oekraïne, indien de conclusie van de Duitse federale aanklagers standhoudt dat Oekraïense staatsautoriteiten opdracht hebben gegeven tot de sabotage van de Nord Stream-pijpleidingen, niet zonder politieke gevolgen aanspraak kan blijven maken op Nederlandse politieke, financiële en militaire steun? Zo nee, waarom niet? Welke concrete politieke gevolgen verbindt het kabinet hieraan?
De Russische agressie tegen Oekraïne raakt de veiligheid van heel Europa. Oekraïne verdedigt zich tegen een illegale invasie en strijdt ook voor onze veiligheid en normen en waarden. De Nederlandse politieke, financiële en militaire steun aan Oekraïne is onderdeel van het bredere beleid om de Oekraïense soevereiniteit en territoriale integriteit te ondersteunen. Deze steun sluit aan bij de gezamenlijke inzet van een groot aantal landen om de illegale Russische agressie tegen te gaan.
Deze steun staat niet ter discussie en wordt breed gedragen in kabinet en parlement. Het kabinet acht het niet passend om vooruit te lopen op mogelijke uitkomsten van een lopende juridische procedure.
Bent u bereid, indien komt vast te staan dat Oekraïense staatsautoriteiten verantwoordelijk zijn voor de sabotage van de Nord Stream-pijpleidingen, Oekraïne aansprakelijk te stellen voor alle directe en indirecte schade die Nederland en de Nederlandse samenleving hierdoor hebben geleden en deze schade volledig op Oekraïne te verhalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met de berichtgeving1 dat Defensie na uitgebreid overleg heeft geoordeeld dat vijf windturbines van circa 250 meter hoog bij Windpark Buitenpolders geen belemmering vormen voor de militaire vliegveiligheid, terwijl vier van de vijf turbines binnen het beperkingengebied van 15 kilometer rond Vliegbasis Gilze-Rijen liggen? Klopt deze berichtgeving? Zo ja, wanneer is dit oordeel afgegeven, betreft dit een voorlopig of definitief oordeel, welke concrete onderzoeken, risicoanalyses en militaire adviezen liggen hieraan ten grondslag en bent u bereid deze met de Kamer te delen?
Ja, Defensie is bekend met de berichtgeving. De veronderstelling dat Defensie heeft ingestemd met een uitgewerkt windparkproject is niet terecht.
Defensie is, daarbij ondersteund door het Rijksvastgoedbedrijf, de afgelopen jaren als belanghebbende uitgebreid betrokken geweest bij de studies voor het vaststellen van het zoekgebied voor het plaatsen van windmolens in de gemeente Waalwijk. Defensie heeft in dit gebied haar relevante belangen nadrukkelijk ingebracht. De gemeente heeft de belangen van Defensie betrokken in de besluitvorming.
Defensie blijft ook in de volgende fasen van de ruimtelijke procedure als belanghebbende betrokken om te beoordelen of het defensiebelang niet wordt geschaad. Deze beoordeling is mogelijk zodra vanuit de gemeente en/ of de zonneparkbeheerder met Defensie wordt gedeeld waar welke turbines worden gepland.
Welke veiligheidsrisico's brengen de vijf windturbines van circa 250 meter hoog volgens Defensie met zich mee voor militairen, militaire luchtvaartuigen en de operationele inzet vanaf Vliegbasis Gilze-Rijen, gelet op het feit dat deze windturbines ongeveer 100 meter hoger zijn dan de hoogte waarbij binnen het beperkingengebied een afzonderlijke vliegveiligheidsbeoordeling door Defensie is vereist? Welke gevolgen heeft dit oordeel voor de huidige en toekomstige militaire inzet, waaronder laagvliegoefeningen, helikopteroperaties en toekomstige uitbreidingsmogelijkheden, en zijn aan dit oordeel voorwaarden verbonden, bijvoorbeeld ten aanzien van de maximale hoogte, exacte locatie of operationele beperkingen? Zo ja, welke?
Defensie beoordeelt ruimtelijke projecten, zoals een windpark, zowel op veiligheidsaspecten, als op de mate waarin operationele- en oefenmogelijkheden daardoor worden beïnvloed.
In relatie tot deze ontwikkeling is voor Defensie vooral de vliegroute van en naar het helikopter laagvlieggebied «Maas/Waal» voor de helikopters van Gilze-Rijen van belang. In dit gebied heeft de gemeente Waalwijk geen windturbines gepland.
De aanwezigheid van het genoemde 15 km beperkingengebied (de zgn. «Outer Horizontal Surface») betekent niet op voorhand dat er geen windprojecten mogelijk zijn. Nadere beoordeling van het definitieve plan zal dit moeten uitwijzen. Tevens moet standaard elk windproject worden beoordeeld op de mate waarin radarbeelden worden verstoord.
Is Defensie bij de beoordeling van Windpark Buitenpolders volledig zelfstandig en uitsluitend op basis van militaire en vliegveiligheidskundige overwegingen tot haar oordeel gekomen, of hebben andere ministeries, provinciale of gemeentelijke overheden of initiatiefnemers invloed uitgeoefend op de totstandkoming van dit oordeel? Zo ja, op welke wijze?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Door medeoverheden of andere partijen is geen invloed uitgeoefend op de totstandkoming van dit oordeel.
Deelt u de opvatting dat de veiligheid van onze militairen altijd zwaarder moet wegen dan klimaat- en duurzaamheidsbeleid? Kunt u bevestigen dat Defensie nooit concessies zal doen aan de veiligheid van militairen of de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht om de realisatie van windturbines of andere duurzame energieprojecten mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Voor Defensie hebben operationele inzetbaarheid en veiligheid van personeel, zowel militair als burger, prioriteit. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt daarom beoordeeld of deze de operationele gereedstelling raken van de krijgsmacht of een risico vormen voor de veiligheid van het defensiepersoneel. Waar mogelijk werkt Defensie zoveel mogelijk mee aan het vinden van duurzame oplossingen.
De berichten over de situatie in de straat van Hormuz |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u een duidelijk beeld van de gevolgen van de crisis in de straat van Hormuz voor de kosten en beschikbaarheid van inputs voor de Nederlandse landbouw (zoals diervoeding en kunstmest)?
Het kabinet heeft Wageningen Social & Economic Research gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de gevolgen van een afsluiting van de Straat van Hormuz voor de Nederlandse voedselvoorziening, waaronder de beschikbaarheid en kosten van landbouwinputs zoals diervoeder en kunstmest. De resultaten van deze analyse zijn begin juli met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Tegelijkertijd monitort het kabinet de ontwikkelingen in en rond de Straat van Hormuz nauwlettend en onderhoudt het ministerie hierover nauw contact met sectorpartijen.
Heeft u ook breder de afhankelijkheden van de Nederlandse landbouw in beeld van inputs van buiten de EU en de gevolgen voor de landbouw en de Nederlandse strategische autonomie en economie wanneer dit soort inputs tijdelijk of langdurig zouden wegvallen?
Het kabinet heeft de belangrijkste strategische afhankelijkheden van de Nederlandse landbouw van inputs uit derde landen in beeld en monitort deze. Het verminderen van deze strategische afhankelijkheden vormt de tweede pijler van de aangekondigde Strategische Agenda Voedselzekerheid (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Tegelijkertijd kunnen, afhankelijk van de aard en duur van een verstoring, ook bij andere producten en grondstoffen knelpunten ontstaan. Een onderbreking van de aanvoer kan leiden tot schaarste en prijsstijgingen van strategische inputs zoals energie en kunstmeststoffen, met mogelijke gevolgen voor de kosten en continuïteit van de landbouwproductie. De uiteindelijke impact is afhankelijk van de duur van de verstoring en de beschikbaarheid van alternatieve leveranciers of producten.
Op welke wijze bereidt u zich voor op dit soort scenario’s?
Het kabinet bereidt zich op dergelijke scenario's voor door analyses uit te voeren, strategische afhankelijkheden in kaart te brengen, ontwikkelingen in internationale toeleveringsketens nauwlettend te volgen en contact te onderhouden met sectorpartijen. Op basis daarvan kan het kabinet, indien nodig, tijdig maatregelen treffen om de gevolgen voor de voedselvoorziening en de landbouwproductie zoveel mogelijk te beperken.
Bovendien werkt het kabinet in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven en relevante (publieke) stakeholders aan een Landelijk Crisisplan Voedselzekerheid, dat naar verwachting begin 2027 aan u zal worden aangeboden. Dit is het overkoepelende kader voor het handelen in crisissituaties rondom voedselzekerheid en beschrijft de rol, taken en verantwoordelijkheden.
Hoe voorziet u dat Nederland de komende tijd meer onafhankelijk kan worden van dit soort inputs en hoe past dit binnen de verdere stappen die op het terrein van LVVN worden gezet, zoals de stikstofplannen, het nieuwe achtste Actieprogramma Nitraatrichtlijn en de eiwitstrategie?
Begin juli heeft de Staatssecretaris van LVVN uw Kamer geïnformeerd over de contouren van zijn Strategische Agenda Voedselzekerheid (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Het structureel verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden vormt één van de drie pijlers waarop deze agenda is gebaseerd. De agenda zal integraal worden bezien in relatie tot de genoemde LVVN-terreinen, waarbij aandacht is voor de samenhang tussen de verschillende beleidsopgaven.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Voedselzekerheid op 23 september 2026?
Ja.
De inclusie van mensen met een beperking en van kinderen bij ontwikkelingssamenwerking |
|
Don Ceder (CU) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie-Ceder/Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen?1
Inclusiviteit ligt ten grondslag aan de ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s die het ministerie financiert. Deze programma’s zijn daarom zo veel mogelijk toegankelijk voor diverse groepen in een samenleving, waaronder mensen met een beperking. Conform de motie Ceder en Bamenga (Kamerstuk 36 180, nr. 149) blijf ik op reguliere basis in gesprek met relevante organisaties, zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD).
Kunt u per sector specificeren hoe u de toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies onder respectievelijk de sectoren water, voedsel en gezondheid aantoonbaar garandeert, zoals de motie vraagt (en er dus niet enkel aandacht voor heeft)? Welke eventuele aanpassingen heeft u daarvoor doorgevoerd sinds het aannemen van de motie?
Binnen de sectoren water, voedsel en gezondheid wordt inclusie als uitgangspunt gehanteerd bij de ontwikkeling en de uitvoering van programma’s. Hieronder valt ook het waarborgen van toegang tot interventies voor mensen met een beperking, naast andere kwetsbare groepen.
Een voorbeeld binnen de watersector is het door Nederland medegefinancierde Global Water Security and Sanitation Partnership met de Wereldbank. Dit programma stimuleert toegang voor mensen met een beperking tot werk en diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen en bevordert dat zij een rol spelen in besluitvorming.
Binnen de programmering op voedselzekerheid is het landrechtenprogramma in Benin (Projet de Préparation de la Mise à l'Échelle du Cadastre national) een voorbeeld van een project gericht op het bevorderen van toegang tot land voor vrouwen, jongeren en kwetsbare groepen, zoals mensen met een beperking.
Binnen de programmering op gezondheid werken partners in Mozambique bijvoorbeeld met afbeeldingen voor betere communicatie met mensen met een auditieve beperking. Ook start dit jaar in Burkina Faso een programma op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) dat rekening houdt met de informatiebehoeften van mensen met een beperking.
Kunt u toezeggen ook in deze kabinetsperiode doorlopend in gesprek te zijn met relevante organisaties over de aantoonbare en gegarandeerde toegang van mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie voert regulier overleg met organisaties zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD), waarin onder meer wordt gesproken over de inclusie van mensen met een beperking in ontwikkelingsbeleid en -programma’s.
Ook in de SRHR NEXT-alliantie van Nederlandse organisaties wordt specifiek aandacht besteed aan de behoeften en toegang van mensen met een beperking.
Bent u bereid om periodiek de Kamer te informeren over (de verbetering van) toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie voert geen doelgroepenbeleid in ontwikkelingssamenwerking. Dat betekent dat de betrokkenheid van kwetsbare groepen, waaronder mensen met een beperking, niet systematisch gemonitord wordt. Het is dan ook niet uitvoerbaar uw Kamer periodiek te informeren over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies. Uiteraard blijft inclusie van mensen met een beperking een belangrijk aandachtspunt binnen onze beleidsontwikkeling en programmatische inzet. In onze reguliere rapportages, zoals het BHOS-Jaarverslag, zal ik, waar mogelijk, blijven aangeven hoe dit in de praktijk wordt ingevuld.
Bent u bereid om de inclusie van mensen met een beperking expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die deze mensen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Bij het uitwerken van de nieuwe visie op ontwikkelingssamenwerking wordt gekeken naar advisering door de AIV. Bij de totstandkoming van haar advies, heeft de AIV een openbare oproep gedaan om bij te dragen met schriftelijke input. Daarop hebben diverse organisaties kunnen reageren, waaronder hopelijk organisaties die mensen met een beperking vertegenwoordigen of programma’s voor en met mensen met een beperking uitvoeren. Bij de verdere uitwerking van de visie zal ik, waar passend, het gesprek voeren met relevante organisaties.
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie van het lid Ceder c.s. over inzichtelijk maken in hoeverre de sectorale beleidsprioriteiten het welzijn van kinderen ten goede komen?2
Zie het antwoord op vraag 7.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel van de investeringen in ontwikkelingssamenwerking de komende jaren ten goede komen aan kinderen en onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie voert geen doelgroepenbeleid in ontwikkelingssamenwerking. Hierdoor wordt niet bijgehouden hoeveel van de investeringen ten goede komen aan het welzijn van kinderen. Wel is er in specifieke programma’s bijzondere aandacht voor kinderen. In lijn met de motie van de leden Ceder cs. (motie 36 800 XVII, nr. 51) zal ik voortaan jaarlijks in het BHOS-jaarverslag inzicht geven in een aantal specifieke programma’s waar welzijn en belangen van kinderen nadrukkelijk meewegen.
Voorbeelden zijn programma’s van UNICEF en Max Foundation, die direct bijdragen aan gezondheid van kinderen via voedselzekerheid en toegang tot water, sanitaire voorzieningen en hygiëne; het ACCEL-programma van de International Labour Organization, dat kinderarbeid tegengaat in internationale waardeketens voor cacao, katoen, thee en goud, in Ivoorkust, Mali, Nigeria, Ghana, Kenia en Uganda; en het PROSPECTS partnerschap, waarin inclusie van vluchtelingenkinderen in onderwijssystemen en nationale kinderbescherming wordt meegenomen als onderdeel van sociale bescherming van vluchtelingen in landen van opvang. Tevens ondersteunt PROSPECTS kinderen uit gastgemeenschappen en uit de populatie van intern ontheemden in toegang tot onderwijs. In het Future4Binti-programma (2026–2030, EUR 50 mln.) is er specifiek aandacht voor meisjes om schadelijke praktijken zoals vrouwelijke genitale verminking en kindhuwelijken in Oost-Afrika tegen te gaan. Ook het Global Programme to End Child Marriage van UNICEF (2024–2027, EUR 18 mln.) zet in op bescherming van kinderen en specifiek meisjes tegen kindhuwelijken. Daarnaast zijn er andere door Nederland gefinancierde programma’s gericht op levensreddende hulp en bescherming voor alle mensen in nood met extra aandacht voor de meest kwetsbaren, waaronder kinderen.
Klopt het dat het mandaat van de jongerenambassadeur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken afloopt en diverse programma’s rond jongeren en onderwijs niet worden voortgezet? Hoe verhoudt dat zich tot de passage in het coalitieakkoord «We vergroten perspectief door te investeren in jongeren, onderwijs (…)»?
Het vorige kabinet heeft besloten de jongerenagenda geen prioriteit meer te geven. Gegeven capaciteitsbeperkingen en vele noden moeten keuzes worden gemaakt. Na een effectieve fase van bewustwording en internationaal aanjagen van het jongerenthema (Youth at Heart) is het nu tijd voor verankering van deze aanpak in het OS-beleid via de reguliere werkprocessen. Het is dan ook niet logisch om de aanjaagfunctie van de (onder het vorige kabinet opgeheven functie) Ambassadeur Jongeren, Onderwijs en Werk opnieuw in het leven te roepen.
Jongeren blijven primair benaderd worden als partners met een stem die gehoord moet worden; jongerenparticipatie wordt vormgegeven door reeds bestaande structuren zoals de VN-Jongerenvertegenwoordigerprogramma, SRGR- jongerenambassadeur, de WestWing en lokale jongerenadviescommissies bij posten. Ook worden programma’s gericht op jongeren, zoals Orange Corners, PROSPECTS en KEY, (door)ontwikkeld en uitgevoerd.
Bent u bereid om het mandaat van de jongerenambassadeur te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om aandacht voor het welzijn en de belangen van kinderen expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die kinderen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Aandacht voor het welzijn en belangen van kwetsbare groepen, waaronder kinderen liggen aan de basis van mijn ontwikkelingsbeleid.
De uitbreiding van Amerikaanse sancties tegen het Internationaal Strafhof |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat de Amerikaanse regering een nieuwe campagne is gestart tegen het Internationaal Strafhof (ICC), waarbij onder meer aanvullende sancties, visumbeperkingen en diplomatieke druk worden overwogen tegen personen die betrokken zijn bij het werk van het Hof?1
Ja. Zo heeft de Amerikaanse regering op 18 augustus jl. een ambtsdrager en een medewerker van het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst geplaatst.
Welke gevolgen hebben deze aangekondigde Amerikaanse maatregelen volgens u voor lopende onderzoeken van het Internationaal Strafhof, waaronder onderzoeken naar de oorlogen in Oekraïne, Sudan en de Palestijnse gebieden?
De onderzoeken die het Internationaal Strafhof uitvoert, vormen een essentieel onderdeel van de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven. Nederland respecteert de onafhankelijkheid van het Internationaal Strafhof en mengt zich derhalve niet in het onderzoeks- en vervolgingsbeleid van het Hof. Het is van belang dat de organen van het Strafhof hun mandaat onafhankelijk – en zonder bedreigingen en intimidaties – kunnen uitvoeren. Momenteel gaat het Hof gestaag door met zijn belangrijke werkzaamheden. Wel bestaat een risico dat partijen, zoals non-gouvernementele organisaties, minder bereid zijn informatie te delen met het Hof uit angst voor de gevolgen.
Welke concrete maatregelen neemt Nederland als gastland om het Hof en zijn medewerkers te beschermen tegen de aangekondigde Amerikaanse maatregelen, aangezien Nederland als gastland heeft verklaard achter het Internationaal Strafhof en zijn medewerkers te staan?
Het is zaak dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren. Als gastland heeft Nederland daarbij een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland. Nederland staat dan ook in zeer nauw contact met het Hof en heeft zich de afgelopen jaren op verschillende terreinen ingezet voor de mitigatie van de gevolgen van de Amerikaanse sancties. Deze inzet zal de komende tijd onverminderd worden voortgezet.
Daarnaast bekijkt Nederland ook naar aanleiding van de laatste ontwikkelingen samen met het Hof en gelijkgezinde partners welke stappen genomen kunnen worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig.
Welke concrete diplomatieke stappen heeft Nederland sinds de aankondiging van deze campagne richting de Verenigde Staten ondernomen? Acht u de tot nu toe genomen stappen afdoende? Zo ja, waarom?
De positie van de VS over het Internationaal Strafhof is niet nieuw, wel is de toon zorgelijk, evenals de directe druk op alle verdragspartijen. We voeren hierover al geruime tijd gesprekken met de VS, en spreken ons uit over acties die het Hof ondermijnen. Die gesprekken gaan onverminderd door. Onze zorgen over deze VS campagne tegen het Internationaal Strafhof worden sinds de aankondiging in deze gesprekken overgebracht. We blijven ons tegelijkertijd inzetten voor de dialoog met de VS ter voorkoming van verdere escalatie.
Nederland heeft daarnaast publiekelijk verklaard dat het als gastland en verdragspartij achter het Hof en zijn medewerkers staat. Nederland geeft daarbij aan dat internationale hoven en tribunalen hun mandaat zonder inmenging moeten kunnen uitvoeren. Deze boodschap heeft Nederland ook uitgedragen richting Europese lidstaten, Europese instellingen en verdragspartijen bij het Statuut van Rome. Nederland staat in voortdurend contact met gelijkgezinde partners om te bespreken welke stappen genomen kunnen worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig, inclusief door gezamenlijke outreach. Tijdens de komende UN High Level Week in New York zal in overleggen met gelijkgezinde partners de toegenomen druk op en campagne tegen het Hof aan bod komen.
Hoe beoordeelt u de aankondiging van de Amerikaanse regering andere landen te willen bewegen hun steun aan het Internationaal Strafhof in te trekken en landen die afhankelijk zijn van Amerikaanse veiligheids- of ontwikkelingssteun onder druk te willen zetten om zich tegen het Hof uit te spreken? Welke gevolgen verwacht u hiervan voor de internationale steun voor het Internationaal Strafhof en de internationale rechtsorde en welke concrete inzet pleegt Nederland om die steun te behouden en te versterken?
Het kabinet heeft kennis genomen van de VS-boodschappen. De VS-positie is niet nieuw, maar de toon is wel zorgelijk evenals de directe druk op alle verdragspartijen. Nederland is in nauw overleg met andere verdragspartijen bij het Statuut van Rome om te kijken of, en zo ja, welke concrete maatregelen er na de aankondiging volgen en welke stappen ondernomen moeten worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig. Het is belangrijk om samen met gelijkgezinde partners achter het Hof te blijven staan. Ondanks uitdagingen, zoals de diplomatieke inzet van de VS om het Hof te ondermijnen, is het belangrijk een constructieve relatie met de VS te onderhouden en in te zetten op een diplomatieke oplossing.
Hoe beoordeelt u de bredere gevolgen van deze Amerikaanse sancties voor de geloofwaardigheid van het internationaal recht en in het bijzonder voor de bescherming van slachtoffers van internationale misdrijven?
Het Internationaal Strafhof belichaamt het idee dat de vervolging van de meest ernstige misdrijven een gedeelde verantwoordelijkheid is van de internationale gemeenschap. Ernstige en grootschalige mensenrechtenschendingen en internationale misdrijven zoals agressie, oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide, mogen niet onbestraft blijven. Juist voor slachtoffers is het van groot belang dat daders ter verantwoording worden geroepen. Mede daarom staat Nederland pal achter het Hof en keurt het acties die het Hof ondermijnen ten zeerste af. Ondanks reeds opgelegde VS sancties, gaat het Hof gestaag door met zijn belangrijke werkzaamheden.
Bent u bereid binnen de Europese Unie te pleiten voor concrete gezamenlijke maatregelen om de gevolgen van de Amerikaanse sancties voor het Internationaal Strafhof te beperken en het onafhankelijke functioneren van het Hof te beschermen? Zo nee, waarom niet?2
Zoals meermaals met de Kamer is gedeeld, pleit het kabinet al geruime tijd in Europees verband voor maatregelen ter bescherming van het onafhankelijk functioneren van het Hof en ter mitigatie van sancties, en blijft het kabinet dit doen. In EU-verband worden hierop belangrijke stappen gezet. Dit werk is echter gebaat bij een zekere mate van vertrouwelijkheid. Wel zichtbaar is de publieke steun die vanuit de EU duidelijk is, bijvoorbeeld in de conclusies van de Europese Raad (juni 2026) en de verklaringen van de Europese Commissie en Hoge Vertegenwoordiger Kallas (op International Justice Day 2026). Nederland heeft deze initiatieven sterk aangemoedigd en gesteund.
Bent u bereid aanvullende financiële, diplomatieke of praktische ondersteuning aan het Internationaal Strafhof te bieden als de aangekondigde Amerikaanse maatregelen het functioneren van het Hof verder belemmeren? Zo nee, waarom niet?
Indien de Verenigde Staten overgaan tot aanvullende maatregelen die het functioneren van het Hof verder belemmeren, zal het kabinet, in nauwe samenwerking met het Hof en andere verdragspartijen, bezien welke stappen kunnen worden genomen om het Hof diplomatiek en praktisch te blijven beschermen en ondersteunen waar nodig en mogelijk.
Daar waar de Europese Commissie de bedreigingen aan het adres van functionarissen van het Internationaal Strafhof heeft geduid als «We willen straffeloosheid bestrijden. Bedreigingen aan het adres van functionarissen van het hof zijn onaanvaardbaar»3, acht u de huidige Nederlandse inzet voldoende om het Hof daadwerkelijk te beschermen? Zo ja, welke concrete resultaten heeft deze inzet tot dusver opgeleverd?
Nederland deelt het door de Europese Commissie geuite standpunt dat bedreigingen aan het adres van functionarissen van het Hof onaanvaardbaar zijn. Het kabinet acht de huidige Nederlandse inzet in lijn met de verantwoordelijkheid van Nederland als gastland en verdragspartij en blijft deze inzet voortdurend evalueren en bijstellen waar nodig.
Het voornaamste concrete resultaat is dat de Nederlandse inzet er aan heeft bijgedragen dat het Hof ondanks de opgelegde sancties tegen functionarissen van het Internationaal Strafhof, tot dusverre in staat is geweest verreweg de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten.
Concreet heeft Nederland zich bijvoorbeeld ingezet voor de mogelijkheid tot inzet en de verhoging van het Contingency Fund bij het Internationaal Strafhof en EU maatregelen voor bescherming (incl. de voorbereiding van snelle activering van het Blocking Statute in EU-verband wanneer de Commissie daartoe een voorstel doet). Ook was Nederland aanjager en organisator van expertbijeenkomsten met EU-lidstaten, verdragspartijen en dienstverleners over mitigatie om tot praktische oplossingen te komen om het Hof te ondersteunen en mitigatiemaatregelen af te stemmen.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien de Verenigde Staten daadwerkelijk overgaan tot verdere sancties, visumbeperkingen of andere maatregelen tegen het Internationaal Strafhof of personen die werkzaam zijn voor of betrokken zijn bij het Hof?
Nederland heeft ook naar aanleiding van de Amerikaanse sancties van 18 augustus jl. publiekelijk verklaard de sancties af te keuren en als gastland en verdragspartij achter het Hof en zijn medewerkers te staan. Ook heeft Nederland benadrukt dat internationale hoven en tribunalen hun mandaat zonder inmenging moeten kunnen uitvoeren. We voeren al geruime tijd gesprekken met de VS en spreken ons uit over acties die het Hof ondermijnen. Die gesprekken zetten we onverminderd voort. Het is belangrijk een constructieve relatie met de VS te onderhouden en te blijven inzetten op een diplomatieke oplossing.
Bij verdere sancties of andere maatregelen tegen het Hof zal Nederland, afhankelijk van de aard en omvang daarvan, in nauwe samenwerking met het Hof en de overige verdragspartijen inzetten op passende maatregelen om de effecten zo veel mogelijk te mitigeren. Hier kan nu nog niet op vooruit worden gelopen. Indien dit aan de orde komt, wordt de Kamer hierover zoals gebruikelijk geïnformeerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Nieuwe EU-belastingen en de voorgenomen verhoging van de EU-meerjarenbegroting 2028-2034 |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eelco Heinen (VVD), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europese belastingen op komst»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel Nederland in 2024 bruto heeft afgedragen aan de EU-begroting en hoeveel Nederland aan Europese Unie (EU)-gelden heeft terugontvangen, en kunt u dit omrekenen naar een bedrag per Nederlands huishouden?2 3 Kunt u daarbij bevestigen dat dit neerkomt op circa € 7,5 miljard bruto afdracht en € 3,15 miljard aan ontvangsten (netto circa € 4,35 miljard), oftewel omgerekend over de ruim 8,4 miljoen Nederlandse huishoudens ongeveer € 890 bruto en € 520 netto per huishouden per jaar?4 5
De totale omvang van de drie nationale afdrachten (bni-, btw- en plastic-afdracht) van Nederland in 2024, zoals verantwoord op de begroting van Buitenlandse Zaken6, bedroeg in 2024 5,3 mld. euro. De perceptiekostenvergoeding bedroeg 1,1 mld. euro. De netto afdracht komt daarmee op 4,2 mld. euro. De invoerrechten (minus perceptiekostenvergoeding) worden niet meegerekend als nationale afdracht. De reden hiervoor is dat de invoerrechten niet relevant zijn voor het uitgavenkader (met uitzondering van de perceptiekostenvergoeding), in navolging van het advies van de 16e Studiegroep Begrotingsruimte.
De ontvangsten uit de Europese begroting zijn weergegeven in de «EU Spending and Revenue» tabellen van de Europese Commissie.7 Voor Nederland bedroegen de ontvangsten 3,2 miljard euro in 2024. Het verschil tussen de netto nationale afdrachten (nationale afdrachten minus perceptiekostenvergoeding) en de ontvangsten bedraagt daarmee 1 miljard euro in 2024. Het ligt niet in de rede om, zoals gevraagd, alleen de bruto afdracht te verminderen met de ontvangsten, omdat op die manier de perceptiekostenvergoeding buiten beschouwing gelaten zou worden.
Het Ministerie van Financiën houdt geen cijfers bij over de EU-afdrachten afgezet tegen het aantal huishoudens, maar uitgaande van een aantal van ca. 8,4 miljoen Nederlandse particuliere huishoudens (CBS8) zou dit in 2024 een netto bedrag van 119 euro per huishouden zijn.
Kunt u een inschatting geven van wat de Nederlandse afdracht aan de EU per huishouden zou worden als het voorstel van de Europese Commissie (EC) voor het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034 wordt aangenomen? Kunt u daarbij ingaan op de eigen schatting van het kabinet dat alleen al de Bruto Nationaal Inkomen (BNI)-afdracht voor 2028 kan oplopen tot circa € 9 miljard per jaar – zo’n € 4,5 miljard hoger dan in 2024 – wat, nog exclusief douanerechten, btw-afdracht en de nieuwe EU-belastingen, neerkomt op ruim € 1.070 per huishouden per jaar alleen al voor het BNI-deel?6 7 Kunt u bevestigen dat de grove inschatting, waarbij de overige afdrachtscomponenten (douanerechten, btw-afdracht, plasticheffing) op het huidige niveau van circa € 3 miljard per jaar worden verondersteld, uitkomt op een totale afdracht van ruim € 12 à 13 miljard per jaar, oftewel circa € 1.450 tot € 1.550 per huishouden per jaar? Kunt u een volledige, officiële raming geven van de totale afdracht per huishouden inclusief alle afdrachtscomponenten en de nieuwe eigen middelen en aangeven of mijn hierboven genoemde inschatting in de juiste orde van grootte zit?
De raming van de Nederlandse bni-afdracht bedraagt circa 9,7 miljard euro in 2028, op basis van de aannames die zijn gedaan voor het nieuwe MFK. De raming van de Nederlandse bni-afdracht is inderdaad hoger dan in 2024. Dit komt omdat in 2024 door vertraging in de uitvoering van de cohesie- en landbouwfondsen de betalingen in de EU-begroting sterk achterbleven. De onderuitputting zorgde voor een lagere bni-afdracht in 2024. Daarnaast is een deel van de stijging in 2028 ook de prijsontwikkeling, die voor de EU-afdrachten op het beleidsartikel is geraamd. De overige afdrachten – de btw-afdracht en plastic-afdracht – bedragen in totaal 1,9 miljard euro in 2028, op basis van de aannames die zijn gedaan voor het nieuwe MFK. Zoals toegelicht bij vraag 2 worden de invoerrechten niet meegerekend als nationale afdracht en staan er ook ontvangsten tegenover de afdrachten.
Indien de Commissievoorstellen voor het nieuwe MFK en EMB zonder wijzigingen zouden worden doorgevoerd zou dit leiden tot een geschatte budgettaire opgave van gemiddeld 2,7–3,7 miljard euro per jaar in lopende prijzen bovenop de huidige raming van de Nederlandse afdrachten op de BZ-begroting (stand Voorjaarsnota 2026).11 Dit betreft een inschatting van de gemiddelde budgettaire opgave over de jaren van het volgend MFK (2028–2034) en is toegelicht in de Kamerbrief van 22 mei jl.12 Zoals aangegeven in deze en eerdere Kamerbrieven verzet het kabinet zich hier tegen. Het kabinet wil een lagere omvang van het voorgestelde MFK, voorzetting van de Nederlandse correctie op de bni-afdracht en behoud van de perceptiekostenvergoeding op 25%. Het kabinet is tegen het onverkort invoeren van het Commissievoorstel. Het Ministerie van Financiën beschikt niet over inschattingen van de afdracht per huishouden voor de verschillende componenten van de afdrachten. Aangezien de onderhandelingen nog gaande zijn en ook gezien de onzekerheid over de toekomstige ontvangsten uit de EU-begroting is het niet mogelijk met voldoende zekerheid een inschatting te geven van de gevraagde cijfers.
Bent u bekend met de berichtgeving over de plannen van de EC en het Europees Parlement (EP) voor het MFK 2028–2034, waarin de begroting bijna wordt verdubbeld naar circa € 2.000 miljard en het EP zelfs inzet op € 2.200 miljard, een verhoging van 10 procent ten opzichte van het Commissievoorstel?8 9
Ja.
Deelt u de opvatting dat een verdubbeling van de EU-begroting, in een tijd waarin Nederlandse huishoudens de broekriem moeten aanhalen, onaanvaardbaar is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is deelt de opvatting dat de voorgestelde EU-begroting te hoog is.
Kunt u bevestigen dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven in te zetten op «een verlaging van het voorgestelde MFK», omdat de voorziene stijging van de EU-afdrachten niet past bij de budgettaire kaders uit het Hoofdlijnenakkoord?10 Deelt u de opvatting dat het huidige niveau van de EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar al belachelijk hoog en volstrekt onnodig is?11 Bent u bereid deze kabinetsinzet radicaal aan te scherpen, niet tot een verlaging ten opzichte van het Commissievoorstel, maar tot een forse verlaging van de EU-begroting tot ruim onder het huidige niveau van € 1.200 miljard en tot een structureel veel kleinere EU-begroting dan nu het geval is? Zo nee, waarom niet? Kunt u dan puntsgewijs onderbouwen waarom een EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar wél gerechtvaardigd zou zijn?
Ja, het kabinet kan bevestigen dat het inzet op een verlaging van de omvang die de Commissie heeft voorgesteld, zoals uiteengezet in de Kamerbrief van 22 mei jl.
Bent u bekend met het feit dat de EC ter dekking van deze begroting vijf nieuwe «eigen middelen» (EU-belastingen) heeft voorgesteld: een vennootschapsheffing voor bedrijven met een jaaromzet boven € 100 miljoen, een tabaksaccijnsafdracht (TEDOR), een heffing op elektronisch afval en aanpassingen in de inkomsten uit het Emission Trading System (ETS) en het CO2-grenscorrectiemechanisme (CBAM), die samen circa € 58,5 miljard per jaar zouden moeten opleveren?12
Ja.
Onderschrijft u de positie dat het heffen van belastingen een kernbevoegdheid van soevereine lidstaten is en moet blijven en dat de EU nooit de bevoegdheid mag krijgen om eigenstandig belasting te heffen bij Nederlandse burgers of bedrijven? Zo nee, waarom niet?
De EU heeft geen bevoegdheid om zelf belastingen te heffen. Het kabinet onderschrijft dat deze bevoegdheid bij de lidstaten moet blijven.
Klopt het dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven nieuwe eigen middelen niet bij voorbaat af te wijzen maar «op eigen merites» te beoordelen en daarbij al in beginsel opening heeft gegeven voor een nieuw eigen middel op basis van ETS-1-inkomsten en een nieuw eigen middel op basis van CBAM?13 Bent u bereid deze opening alsnog in te trekken en categorisch af te wijzen dat de EU eigenstandig belasting heft, in welke vorm dan ook? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet kan nieuwe eigen middelen niet bij voorbaat omarmen en beoordeelt voorstellen voor nieuwe eigen middelen op eigen merites. In de Kamerbrief «Update Nederlandse inzet volgend MFK/EMB» van 22 mei jl. is een appreciatie gegeven van de voorgestelde nieuwe eigen middelen.19 Hierin is aangegeven dat het kabinet in beginsel open staat voor het voorstel voor een nieuw eigen middel op basis van de inkomsten uit ETS-1 en CBAM. Het gaat hierbij niet om een voorstel waarbij de EU eigenstandig belasting heft – er is dus geen sprake van een EU-belasting – aangezien de EU daarvoor geen bevoegdheid heeft. In het geval van CBAM wordt voorgesteld om 75% van de opbrengsten uit het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens aan de EU af te dragen en bij ETS-1 om 30% van de veilinginkomsten van het EU-emissiehandelssysteem naar de EU-begroting te laten vloeien. Door de introductie van deze nieuwe eigen middelen zijn ceteris paribus minder bni-afdrachten vanuit de lidstaten benodigd, aangezien de bni-afdracht de sluitpost is van de EU-begroting. De nieuwe eigen middelen zorgen daarmee niet voor extra uitgaven door de EU, maar zorgen voor een andere verdeling van de financiering van de EU-begroting. Het kabinet merkt daarnaast op dat de voorgestelde eigen middelen, zoals u kunt lezen in de eerder genoemde Kamerbrief, naar verwachting budgettair voordelig zullen uitpakken voor Nederland, in vergelijking met de bni-sleutel. Nederland zou na invoering van de voorgestelde eigen middelen dus minder afdragen aan de EU dan zonder deze nieuwe eigen middelen, omdat anders via de bni-verdeelsleutel betaald zou moeten worden.
Bent u bereid toe te zeggen dat Nederland in de Raad zijn veto zal gebruiken tegen ieder onderdeel van het Eigenmiddelenbesluit dat voorziet in nieuwe EU-belastingen én tegen een MFK 2028–2034 dat een verhoging van het totale EU-budget en/of een verhoging van de Nederlandse afdracht inhoudt ten opzichte van het huidige MFK, aangezien zowel het MFK als het Eigenmiddelenbesluit unanimiteit in de Raad vereisen?14 Kunt u daarbij bevestigen dat het Eigenmiddelenbesluit bovendien pas in werking treedt nadat alle lidstaten het hebben goedgekeurd overeenkomstig hun eigen grondwettelijke bepalingen en dat dit voor Nederland op grond van Artikel 91 van de Grondwet parlementaire goedkeuring door beide Kamers vereist, via een goedkeuringswet conform de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen? Zo nee, waarom niet? (Kamerstuk 22 112, nr. 3760) (Kamerstuk 35 711, nr. 3)
De positie uit de Kamerbrief van 22 mei jl. vormt de basis voor de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen. Voorafgaand aan de laatste besprekingen in de Europese Raad en de uiteindelijke stemming in de Raad over het MFK en het EMB, zal het kabinet haar positie bepalen op basis van het voorstel wat op dat moment voorligt.
Het huidige EMB heeft geen einddatum, het blijft van kracht totdat het wordt vervangen door een nieuw besluit. In het huidige EMB is opgenomen dat het correctiemechanisme op de Nederlandse bni-afdracht afloopt aan het einde van het huidige MFK, dat wil zeggen in 2027. Daarom is het van belang dat er een nieuw EMB wordt overeengekomen waarin een nieuw correctiemechanisme voor de Nederlandse bni-afdracht wordt opgenomen.
Een nieuw EMB treedt pas in werking na goedkeuring door alle lidstaten overeenkomstig hun nationale grondwettelijke procedures. In Nederland betekent dit parlementaire behandeling van een wet ter goedkeuring van het EMB. Het EMB zal wel met terugwerkende kracht van toepassing zijn.
Kunt u bevestigen dat het bestaande Eigenmiddelenbesluit de Commissie nu al de mogelijkheid geeft om lidstaten te verzoeken om aanvullende, op het BNI gebaseerde bijdragen als de opbrengst van de nieuwe EU-belastingen achterblijft bij de verwachtingen, zodat Nederland via een omweg alsnog voor de rekening kan opdraaien? Wat is uw inzet om dit vangnetmechanisme voor Nederland uit te sluiten?
De Unie kan niet meer geld uitgeven dan is afgesproken in het MFK. Er is geen sprake van voorstellen waarbij de EU eigenstandig belasting heft, aangezien de EU daarvoor geen bevoegdheid heeft. Met de introductie van eventuele nieuwe eigen middelen hoeven de lidstaten, bij een gelijkblijvend uitgavenniveau, minder bni-afdrachten te betalen, aangezien de bni-afdracht de sluitpost is van de EU-begroting. Nieuwe eigen middelen zorgen daarmee niet voor extra uitgaven, maar zorgen voor een andere verdeling van de financiering van de EU-begroting.
Klopt het dat Nederland zich tijdens de Raad Algemene Zaken van 17 november 2025 al heeft uitgesproken tegen gemeenschappelijke schuld voor het verstrekken van NRPP-leningen aan lidstaten, en dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 al heeft aangegeven geen voorstander te zijn van gemeenschappelijke leningen voor een nieuw crisisinstrument?15 16 Bent u bereid deze lijn te verbreden en categorisch af te wijzen dat de EU nieuwe schulden aangaat of nieuwe EU-gedekte leningen verstrekt – zoals het door de Commissie voorgestelde «Catalyst Europe»-instrument – en dat Nederland daar in de Raad ook op zal inzetten? Zo nee, waarom niet?
Ja, de positie van het kabinet met betrekking tot de voorgestelde leeninstrumenten in het volgende MFK is toegelicht in de update van de Nederlandse inzet van 22 mei jl.23 en is sindsdien niet gewijzigd. Het kabinet is tegen de voorstellen van de Commissie voor nieuwe leeninstrumenten voor het ophogen van de nationale enveloppes van het NRPP (Catalyst Europe) en het crisismechanisme. Het kabinet staat onder voorwaarden wel constructief tegenover het gebruik van reeds bestaande instrumenten voor gemeenschappelijke investeringen, zoals dat plaatsvindt via de Europese Investeringsbank (EIB), macro-financiële bijstand (MFA) en de Oekraïne-faciliteit waarbij landen alleen garant staan voor hun eigen kapitaalaandeel (BNI-sleutel).
Bent u bekend met het bericht dat Spanje bij de Eurogroep van 9 juli 2026 een voorstel heeft gepresenteerd voor een «European Sovereign Facility», waarbij de EC tot wel € 850 miljard per jaar aan gemeenschappelijke schuld zou kunnen uitgeven namens de lidstaten en dat dit voorstel – zoals verwacht – op weerstand stuit van met name Duitsland en Nederland, de twee landen die zich het meest consistent hebben verzet tegen verdere gemeenschappelijke schuld?17 18 19
Ja.
Bent u bereid dit Spaanse voorstel en iedere vergelijkbare poging om een permanent EU-mechanisme voor gemeenschappelijke schuld (een «Europees veilig actief») te creëren, resoluut en publiekelijk af te wijzen en dit standpunt uit te dragen bij zowel de onderhandelingen over het MFK 2028–2034 als bij de Eurogroep? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet wijst het door Spanje geopperde idee van een «European Sovereign Facility» af. Zoals is benoemd in de update van de kabinetspositie over het volgende MFK27 vindt het kabinet, in lijn met het coalitieakkoord, dat lidstaten zelf primair verantwoordelijk zijn voor hun begroting. Nederland staat daarom niet garant voor de nationale schulden van andere landen (Eurobonds). Deze faciliteit zou gemeenschappelijke schuld uitgeven, en daarmee leningen verstrekken aan lidstaten ter financiering van aflopende schulden en nieuwe begrotingstekorten.
Kunt u bevestigen dat er nog altijd geen besluit is genomen over de wijze waarop de circa € 750 miljard aan gemeenschappelijke schuld uit het coronaherstelfonds NextGenerationEU wordt terugbetaald en dat landen als Frankrijk en Griekenland pleiten voor het doorrollen van deze schuld in plaats van aflossing, terwijl de Franse president Macron oproept tot vervroegde terugbetaling «idioot» noemde? Deelt u de opvatting dat Nederland zich niet door dergelijke uitspraken uit andere lidstaten moet laten weerhouden van een strikt aflossingsschema? Zo nee, waarom niet?
Het besluit over de precieze wijze van terugbetaling van de NGEU-leningen is onderdeel van de nu lopende MFK-onderhandelingen. Een besluit daarover zal genomen worden bij de afronding van die onderhandelingen. De Nederlandse inzet in de onderhandelingen op dit punt blijft een terugbetaling die in lijn is met de Europese afspraken die hierover bij aanvang van het NGEU-programma in 2020 zijn gemaakt en die onder meer zijn vastgelegd in het eigenmiddelenbesluit (art. 5). Daarbij gaat het met name erom dat het aflossingsschema waarborgt dat de verplichtingen gestaag en voorspelbaar verminderen en dat alle verplichtingen als gevolg van de NGEU-leningen uiterlijk op 31 december 2058 volledig terugbetaald zijn. Het voorstel zoals dat in juli 2025 door de Europese Commissie is gedaan voldoet aan deze afspraken.
Bent u bereid om, ook voor wat betreft de resterende aflossing en rentebetaling van de bestaande NextGenerationEU-schuld, aan te sturen op versnelde afbouw in plaats van het doorschuiven van deze lasten binnen de MFK-plafonds tot 2058? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het belangrijk dat gemaakte afspraken worden nagekomen, dat wil zeggen dat gestaag en voorspelbaar en uiterlijk tot 2058 wordt terugbetaald. Het kabinet ziet inhoudelijk geen reden om nu te pleiten voor snellere aflossing.
Bent u bereid in de onderhandelingen in te zetten op een Nederland dat per saldo geen netto-betaler meer is aan de EU-begroting, maar netto-ontvanger wordt? Zo nee, kunt u toelichten waarom Nederland structureel meer aan de EU zou moeten blijven afdragen dan het terugkrijgt?
Het kabinet zet in op beperking van de stijging van de afdrachten, zoals uiteengezet in de Kamerbrief van 22 mei jl. De nettobetalingspositie van lidstaten hangt samen met het relatieve welvaartsniveau. Daarom ligt het voor de hand dat Nederland, met een relatief hoog welvaartsniveau, nettobetaler is.
Hoe beoordeelt u het feit dat verschillende ingewijden in Brussel de onderhandelingen willen afronden vóór de Franse presidentsverkiezingen van april 2027, uit vrees dat een eurosceptische regering het akkoord zou kunnen blokkeren? Deelt u de opvatting dat dit geen reden mag zijn voor Nederland om onder tijdsdruk in te stemmen met een voor Nederland ongunstig akkoord?
Het kabinet is van mening dat een goede deal belangrijker is dan een snelle deal.
Bent u bereid om een fundamenteel andere onderhandelingsinzet naar de Kamer te sturen waarin wordt uitgegaan van een substantieel lagere EU-begroting, een substantieel lagere Nederlandse afdracht, categorische afwijzing van alle nieuwe EU-belastingen, en categorische afwijzing van nieuwe EU-schulden of EU-gedekte leningen – inclusief het Spaanse voorstel voor een European Sovereign Facility? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet staat voor de inzet zoals deze met uw Kamer is gedeeld. Het kabinet zet in op een gemoderniseerde EU-begroting, een verlaging van het Commissievoorstel, beperking van de stijging van de afdrachten en het kabinet is tegen de voorgestelde met leningen gefinancierde instrumenten Catalyst Europe en het crisismechanisme. Zoals afgesproken in het coalitieakkoord vindt het kabinet dat lidstaten primair zelf verantwoordelijk zijn voor hun begroting. Nederland staat daarom niet garant voor de nationale schulden van andere landen (Eurobonds). Nederland staat onder voorwaarde wel constructief tegenover het gebruik van reeds bestaande instrumenten voor gemeenschappelijke investeringen, zoals dat plaatsvindt via de Europese Investeringsbank (EIB), macro-financiële bijstand (MFA) en de Oekraïne-faciliteit waarbij landen alleen garant staan voor hun eigen kapitaalaandeel (BNI-sleutel). Het kabinet wijst het door Spanje geopperde idee van een European Sovereign Facility dan ook af. Dit voorstel ligt niet formeel op tafel in de MFK-onderhandelingen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Illegale houtkap in de Amazone via Nederlandse bedrijven |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat hout met een illegale herkomst via Nederlandse importeurs, handelaren of afnemers in de keten is beland en is verkocht met een duurzaam label? Zo ja, welke partijen zijn daarbij betrokken?1
Wanneer er signalen zijn dat er illegaal gekapt hout op de Nederlandse markt terecht komt, wordt hier handhavend tegen opgetreden. Dat mogelijk illegaal gekapt hout op de Nederlandse markt terecht komt, is helaas nooit helemaal uit te sluiten. Over individuele gevallen doen de ministeries geen uitspraak.
Welke Nederlandse bedrijven, importeurs, handelaren of afnemers zijn door de regering of toezichthouders in beeld gebracht in verband met deze handel?
Namen van bedrijven kunnen niet openbaar gemaakt worden. Over eventuele lopende strafrechtelijke onderzoeken maken opsporingsdiensten geen informatie bekend vanwege de bescherming van privacy en onschuldspresumptie, evenals de integriteit van het onderzoek.
Welke boetes, sancties of importverboden zijn inmiddels opgelegd aan betrokken partijen? Als die sancties er niet zijn, waarom niet?
Op basis van het rapport van Earthsight zijn nog geen boetes, sancties of importverboden opgelegd. In dit soort zaken onderzoekt de NVWA eerst of de informatie in het rapport inderdaad voldoende aanknopingspunten heeft om controles bij bedrijven uit te voeren. Ook wordt gekeken of genoemde bedrijven zijn geïnspecteerd op meer recente partijen en wat de uitkomst van die inspecties was. Bij de houtverordening gaat het uiteindelijk niet om een controle op een specifieke partij hout, maar om de mate van robuustheid van een stelsel van zorgvuldigheidseisen dat een bedrijf heeft en om welke maatregelen bedrijven nemen als er toch onregelmatigheden in hun toeleveringsketens optreden.
Hoe vaak heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in de afgelopen vijf jaar controles uitgevoerd op tropisch hardhout uit de Amazone en hoeveel overtredingen zijn daarbij vastgesteld?
In de afgelopen vijf jaar zijn er 32 inspecties uitgevoerd op bedrijven waarbij de focus van de inspectie lag op zendingen uit het Amazonegebied. Bij elf bedrijven betrof het gezaagd hout en bij 21 bedrijven papierproducten. Zeven waren akkoord, vier kregen een Proces-Verbaal, 20 een Last onder dwangsom en één een nadere bestuursrechtelijke maatregel. Met de invoering van de EUDR zal de inspectie-intensiteit toenemen. Dit betekent onder andere dat zendingen van hout en houtproducten, waaronder hout uit het Amazonegebied, nog nadrukkelijker onderwerp van toezicht zullen zijn.
Vindt het kabinet het acceptabel dat bedrijven winst maken op tropisch hout, terwijl de Amazone ondertussen steeds verder verdwijnt?
Het kabinet zet zich ervoor in om illegaal geproduceerd hout van de Nederlandse en Europese markt te weren en om wereldwijd ontbossing en bosdegradatie per 2030 te stoppen en om te keren, onder meer door internationale samenwerking en regelgeving. Voor houtproducten gelden Europese regels om ontbossing en illegale houtkap tegen te gaan. De Europese houtverordening (EUTR) verplicht bedrijven om gepaste zorgvuldigheid toe te passen om het risico op het op de markt brengen van illegaal gekapt hout te beperken. Deze regelgeving wordt vervangen door de Europese ontbossingsverordening (EUDR), die bedrijven verplicht aan te tonen dat hout en andere relevante grondstoffen legaal geproduceerd zijn en niet afkomstig zijn van gronden waarop ontbossing of bosdegradatie heeft plaatsgevonden.
Daarnaast verwacht het kabinet van alle Nederlandse bedrijven dat zij handelen conform internationale standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO): de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights. Deze standaarden schrijven voor dat bedrijven risico’s voor mens en milieu in de waardeketen, zoals het risico op ontbossing, identificeren en waar nodig aanpakken. Het kabinet ondersteunt het Nederlandse bedrijfsleven hierbij, o.a. via het MVO-steunpunt, sectorale samenwerking en het postennetwerk.
Bent u bereid de handhaving op import van tropisch hout aan te scherpen, onder meer door intensievere ketencontroles en zwaardere sancties bij misleiding?
Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de ontbossingsverordening (EUDR), de opvolger van de houtverordening, is de handhavingscapaciteit bij de NVWA uitgebreid. Vanaf 30 december 2026, het moment van inwerkingtreding van de EUDR, zal het aantal inspecties toenemen. Vanaf dat moment gelden verplichte controlepercentages. Uit landen met een gemiddeld risico op ontbossing, waar veel landen in de Amazone-regio onder vallen, zal 3% van de marktdeelnemers die hout importeren, jaarlijks moeten worden geïnspecteerd.
Is het kabinet bereid om misstanden in de toeleveringsketen van hout en het effect hiervan op de Amazone serieus te onderzoeken, om te zien of aanvullende nationale regels nodig zijn naast de EUDR om frauduleuze import van tropisch hout tegen te gaan?
Het kabinet vindt het van belang dat misstanden in de houtketen worden voorkomen en aangepakt. De Europese ontbossingsverordening (EUDR) is hiervoor een belangrijk instrument dat bedrijven verplicht inzicht te geven in hun toeleveringsketens en ervoor te zorgen dat relevante producten niet bijdragen aan ontbossing en bosdegradatie. Het kabinet zet zich in voor een effectieve uitvoering en handhaving van de EUDR. Op basis van de ervaringen met de uitvoering en eventuele signalen over misstanden zal worden bezien of aanvullende maatregelen nodig zijn.
Kunt u aangeven welke diplomatieke stappen Nederland zet richting Brazilië om structurele controle op herkomst, kapvergunningen en exportdocumenten te verbeteren?
Bij inspecties controleert de NVWA de documentatie van importerende bedrijven op hun verplichtingen onder de houtverordening. Incidenteel en waar nodig werkt de NVWA daarvoor samen met Braziliaanse instanties en overheden.
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor hardere aanpak van misstanden in toeleveringsketens, inclusief een passage hierover in het politiek deel van het Mercosur-verdrag?
Het kabinet onderschrijft het belang van een stevige Europese aanpak van misstanden in toeleveringsketens. In EU-kader wordt al gewerkt aan de uitvoering van verschillende IMVO-gerelateerde wetgeving zoals de EUDR en de Richtlijn inzake gepaste zorgvuldigheid voor duurzaamheid van ondernemingen (CSDDD). Nederland brengt daarnaast het belang van gepaste zorgvuldigheid, naleving van internationale normen en een gelijk speelveld voor bedrijven actief onder de aandacht in de EU. Aangezien de onderhandelingen over het EU-Mercosur-akkoord reeds zijn afgerond, is een aanpassing hiervan op dit moment niet aan de orde. Binnen het akkoord zijn concrete duurzaamheidsafspraken gemaakt met als doel grondstofwaardeketens veiliger en toekomstbestendig te maken, en zijn er bepalingen overeengekomen over hoe gezamenlijk wordt ingezet op duurzaam bosbeheer. Daarnaast is er een reguliere dialoog tussen de EU en de Mercosur-landen voor de implementatie van de gemaakte afspraken.
Bent u bereid de Kamer binnen drie maanden te informeren over de stand van zaken rond toezicht, handhaving en vervolging in deze zaak?
Zoals toegelicht doen de ministeries geen uitspraken over individuele zaken.
Heeft u kennisgenomen van het artikel van het online luchtvaartplatform Up in the Sky van 9 mei 2026 (hierna: het artikel) «Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor blijft knokken»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de aan u gerichte brief van de vaste commissie voor Defensie van 21 mei 2026 met de aanhef «Betreft: Aanbieding artikel «Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor blijft knokken»» en het verzoek daarin dat stelt: «In de procedurevergadering van 21 mei 2026 heeft de commissie besloten graag een reactie van u op dit artikel te ontvangen»?2
Ja. Op 11 juni jl. heb ik op de brief van de vaste commissie voor Defensie mijn reactie gegeven (Kamerstukken II 2025/26, 31 936, nr. 1297; kenmerk 2026D28894).
Waarom heeft u in de kabinetsreactie van 11 juni 2026 gesteld «Bij brief van 21 mei 2026 (2026Z09727/2026D23983) te reageren op een brief van een burger van 11 mei 2026»3, terwijl uit het hierboven onder vraag 2 geciteerde schriftelijke verzoek van de vaste commissie voor Defensie glashelder blijkt dat er door de Kamer niet is gevraagd om een reactie op «een brief» en wel om een kabinetsreactie op het artikel?
In de brief van de vaste commissie voor Defensie werd gerefereerd aan een burgerbrief met daarin hoofdzakelijk een verwijzing naar het genoemde artikel. In mijn eerdergenoemde brief van 11 juni jl. heb ik daarop mijn reactie gegeven.
Hoe verhoudt het niet honoreren van het verzoek van de Kamer, zoals hierboven onder vraag 2 geciteerd, zich tot de informatieplicht van het kabinet jegens de Kamer en tot Artikel 68 van de Grondwet?
De vaste commissie voor Defensie heeft verzocht om een reactie op het genoemde artikel. In mijn brief van 11 juni jl. heb ik hierop gereageerd. Daarnaast is hierover ook gesproken tijdens het notaoverleg Veteranen met de vaste commissie voor Defensie op 22 juni jl. Ik herken dan ook niet het beeld dat het verzoek van de Kamer om inlichtingen niet zou zijn gehonoreerd. De door de Kamer gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.
Welke wet of regeling staat het kabinet toe om dit verzoek om informatie van de Kamer opzettelijk naast zich neer te leggen? Indien daarvoor geen legitieme grond bestaat, welke gevolgtrekkingen verbindt u hieraan?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, zijn de door de Kamer gevraagde inlichtingen verstrekt.
Hoe verhoudt het door de Minister van Defensie en vicepremier tijdens het debat over de veteranennota van 22 juni 2026 niet beantwoorden van mijn gestelde vragen zich tot de informatieplicht van het kabinet richting de Kamer en tot Artikel 68 van de Grondwet?
Tijdens het notaoverleg Veteranen zijn aan de Minister van Defensie vragen gesteld die betrekking hebben op een voormalig medewerker van Defensie.
In algemene zin dient het kabinet bij het verstrekken van inlichtingen aan de Staten-Generaal die betrekking hebben op een individuele burger, rekening houden met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals bepaald in artikel 10 van de Grondwet.
Voor zover de vragen geen betrekking hadden op privacygevoelige gegevens, heeft de Minister deze – mede in relatie tot een motie over hetzelfde onderwerp – achteraf schriftelijk beantwoord. Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
In welke wet of regeling is vastgelegd dat het feit dat Defensie c.q. de Staat is gedagvaard een uitzonderingsgrond zou zijn voor de informatieplicht van het kabinet richting de Kamer die volgt uit Artikel 68 van de Grondwet? Indien die uitzonderingsgrond niet bestaat, waarom beroept het kabinet zich er dan op?
In aanvulling op mijn antwoord op vraag 6 merk ik op dat de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg Veteranen van 22 juni jl. heeft toegelicht dat zij het in eerste instantie niet opportuun achtte om in het parlement in te gaan op een individuele casus waarbij Defensie door betrokkene is gedagvaard, aangezien dit het proces bij de rechter zou kunnen beïnvloeden.
Zijn er door Defensie inmiddels excuses aangeboden en aansprakelijkheid erkend voor de onherroepelijke tuchtrechtelijke veroordelingen van 4 (vier) verschillende Defensieartsen, waarvan 2 (twee) verschillende artsen in 2 (twee) verschillende rechtsplegingen voor het vervalsen van het medische dossier van betrokkene? Zo nee, waarom niet en zo nee, gaat de Minister van Defensie en zorgaanbieder van Defensie dat nog doen en zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van het vermeend vervalsen van het medisch dossier heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in het hoger beroep de defensiearts een maatregel van waarschuwing opgelegd. Daarbij geeft het Centraal Tuchtcollege aan: «Het Centraal Tuchtcollege ziet overigens geen enkel aanknopingspunt voor de suggestie van klager dat er sprake is van een moedwillige vervalsing of kwaad opzet van [de defensiearts]».
De tuchtklachten ten aanzien van een andere defensiearts over een verwijderingsverzoek zijn gedeeltelijk gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel. Daarbij is aangegeven door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: «het is het college duidelijk geworden dat [de defensiearts] zeer prudent en zorgvuldig te werk heeft willen gaan bij de afhandeling van het verwijderingsverzoek in de gegeven situatie. Zij was op de hoogte van de relevante wet- en regelgeving en heeft zorgvuldig willen zijn, maar is daarbij niet uitgegaan van de juiste maatstaf.»
Defensie heeft als bestuursorgaan over deze tuchtrechtelijke procedures tegen het handelen van de twee defensie-artsen niet afzonderlijk excuses aangeboden en ziet na de uitkomst van deze tuchtrechtelijke procedures hier ook geen verdere aanleiding toe. Met betrokkene zijn twee vaststellingsovereenkomsten gesloten, waarbij finale kwijting is overeengekomen.
Waarom is de Kamer voorgehouden dat er sprake zou zijn van «opschoning» van het medisch dossier van betrokkene, terwijl inmiddels in rechte vaststaat dat er sprake was van vervalsing?4
Zie het antwoord op vraag 8.
Waarom worden de tuchtrechtelijk veroordeelde artsen bijgestaan door de landsadvocaat, terwijl Defensie in reactie op Kamervragen herhaaldelijk heeft gesteld dat Defensie in deze kwestie geen partij zou zijn?
Defensie en, vervolgens drie (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder twee (voormalig) defensieartsen, zijn in 2025 gezamenlijk aansprakelijk gesteld voor een vermeende gemiste carrière in de burgerluchtvaart. Daarom is besloten gezamenlijk verweer te voeren. Gebruikelijk is dat de Staat in dit soort procedures vertegenwoordigd wordt door de Landsadvocaat. Defensie en de (voormalig) defensiemedewerkers hebben deze aansprakelijkheid van de hand gewezen. Defensie heeft onlangs schriftelijk verweer ingediend bij de rechtbank Den Haag.
Hoe verhoudt de stellingname van de Minister dat Defensie geen partij zou zijn zich tot de verantwoordelijkheid van de Minister als zorgaanbieder van Defensie?
De tuchtklachten waren gericht tegen het handelen van defensieartsen. In die tuchtrechtprocedures stond het individuele handelen van de defensieartsen centraal, en was Defensie geen partij.
Houdt het kabinet vol dat Defensie geen partij zou zijn? Zo ja, kunt u dat toelichten en zo nee, wanneer is die opstelling veranderd en welke gevolgen heeft dit in relatie tot de eerdere herhaaldelijke beweringen dat Defensie geen partij zou zijn?
Defensie is op dit moment, samen met drie (voormalig) defensiemedewerkers gedaagde – en dus partij – in de gestarte dagvaardingsprocedure. Bij de tuchtrechtzaken gericht tegen de artsen was Defensie geen partij.
Waarom is de Kamer verkeerd geïnformeerd dat Defensie geen zwijgcontracten zou aanwenden om medewerkers de mond te snoeren?5
Op basis van deze vraag is mij niet duidelijk waarop de veronderstelling is gebaseerd dat Defensie «zwijgcontracten» zou aanwenden. Mijn ambtsvoorganger heeft in reactie op de aangehaalde (en vervallen) motie uit 2019 het volgende aangegeven (Handelingen II 2018/19, nr. 51, item 4):
Deze uitspraak is gedaan in de context van het rapport van de Commissie-Giebels uit 2018. Deze commissie deed onderzoek naar de sociaal veilige werkomgeving bij Defensie. Een van de aanbevelingen van de Commissie-Giebels was om meer duidelijkheid te geven over de «zwijgplicht» tijdens een intern onderzoek. In dit kader heeft de Kamer via de motie-Kerstens verzocht om «voor eens en altijd duidelijk te maken dat het bij het melden van misstanden en calamiteiten onder druk laten ondertekenen van geheimhoudingsverklaringen niet aan de orde is» (Kamerstukken II 2018/19, 35 000 X, nr. 118).
In navolging hierop is de Aanwijzing SG 989 «Interne onderzoeken» aangepast, waarover de Kamer op 10 februari 2020 per brief is geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35 300 X, nr. 54). De aanwijzing geeft aan dat betrokkenen bij het onderzoek vertrouwelijk moeten omgaan met verkregen informatie. Als betrokkenen gedurende het interne onderzoek met elkaar spreken over het onderzoek, kan dit namelijk de authenticiteit van de verklaringen beïnvloeden, hetgeen de kwaliteit van het onderzoek niet ten goede komt. Echter, dit mag er niet toe leiden dat een betrokkene ervan wordt weerhouden om aangifte te doen, informatie te delen met zijn raadsman en/of vertrouwenspersoon of contact te zoeken met andere officiële instanties, zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid, het Huis voor Klokkenluiders, de Nationale ombudsman of andere externe toezichthouders.
Hoe vaak en tegen hoeveel (voormalig) Defensiemedewerkers heeft Defensie zwijgcontracten aangewend, door de medewerker ondertekend of niet? Indien dit nooit vaker is gebeurd, waarom dan wel tegen betrokkene?
Ik herken mij niet in het geschetste beeld dat Defensie zwijgcontracten zou hebben aangewend tegen (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder betrokkene.
Wie was de Defensiemedewerker die het zwijgcontract tegen betrokkene aanwendde en welke functie bekleedde de Defensiemedewerker die het zwijgcontract aanwendde op dat moment?
Zie het antwoord op vraag 14.
Welke functie(s) bij Defensie heeft de medewerker, die het zwijgcontract tegen betrokkene aanwendde, nadat het zwijgcontract is aangewend, nog bekleed bij Defensie?
Zie het antwoord op vraag 14.
Is de medewerker die het zwijgcontract inzette tegen betrokkene vandaag de dag nog werkzaam bij Defensie en zo ja, op welke functie?
Zie het antwoord op vraag 14.
Hoe verhoudt het voor betrokkene achtergehouden dossier van tenminste 1700 e-mails van de toenmalige commandant van de vliegbasis Eindhoven zich tot goed werkgeverschap, de AVG, de wet- en regelgeving met betrekking tot de bescherming van klokkenluiders en de sociale veiligheid binnen Defensie?
Ik herken mij niet in het beeld dat er e-mails zouden zijn achtergehouden.
Beheert Defensie over meer (voormalig) Defensiemedewerkers dergelijke dossiers en zo ja van hoeveel (voormalig) werknemers en zo nee, waarom dan wel over betrokkene?
Defensiemedewerkers hebben een personeelsdossier, en zorgverleners houden conform de daarvoor geldende wettelijke verplichting een medisch dossier bij. Bij uitzondering kan daarnaast sprake zijn van een aanvullend dossier, zoals een onderzoeksdossier in het geval van een intern onderzoek.
Indien Defensie dergelijke dossiers beheert van meer (voormalige) Defensiemedewerkers, om hoeveel medewerkers gaat het, waaruit bestaan die dossiers, wat is de omvang van die dossiers en zijn de betreffende medewerkers daarover geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat Defensie deze dossiers delen met de betreffende medewerkers en zo nee waarom niet?
Defensiemedewerkers zijn ermee bekend dat Defensie, met inachtneming van de AVG, persoonsgegevens bijhoudt, zoals dat gebruikelijk is bij het bijhouden van personeelsdossiers. Daarnaast is Defensie wettelijk verplicht medische dossiers van (oud-)medewerkers bij te houden. Medewerkers en oud-medewerkers van Defensie kunnen hun personeelsdossier en medisch dossier desgewenst opvragen.
Onderzoekdossiers, zoals beschreven bij vraag 19, zijn uitsluitend toegankelijk voor het bevoegd gezag of geautoriseerde functionarissen. Betrokkenen kunnen verzoeken om afschriften van die delen van een onderzoeksdossier die rechtstreeks op hen betrekking hebben.
Waarom heeft Defensie het dossier van tenminste 1700 e-mails over betrokkene ook achtergehouden voor de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO)6?
Defensie heeft volledige medewerking verleend aan het onderzoek van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid. Defensie heeft de informatie aangeleverd waar door de Onderzoeksraad Integriteit Overheid om is verzocht.
Waarom heeft betrokkene het dossier, waaronder maar zich niet beperkend tot de 1700 e-mails over hem van de voormalig commandant van vliegbasis Eindhoven en de documenten die zijn achtergehouden met het zwijgcontract, ook bij navraag7 en ook met een beroep op de AVG8, nooit ontvangen?
Defensie heeft per brief van 29 januari 2021 hierover met betrokkene gecorrespondeerd en deze vragen geadresseerd. Het recht van inzage op grond van de AVG is van toepassing. Indien een verzoek wordt ingediend vindt beoordeling plaats conform de vigerende wet- en regelgeving waaronder de beperkingen in artikel 13 AVG zoals de rechten en vrijheden van anderen.
Heeft het Ministerie van Defensie in deze kwestie informatie, waaronder in ieder geval de documenten zoals door betrokkene genoemd in de brieven van 4 maart 2019 en 12 januari 2021 die beiden in afschrift zijn verstuurd aan de Kamer9, achtergehouden voor de rechter? Zo ja, welke informatie en kunt u daar een opsomming van geven? Zo ja, op grond van welke wet of regeling bent u daartoe bevoegd? Bent u van mening dat alleen een verzoek van een rechtbank reden kan zijn voor overdracht van een dossier en zo ja, kunt u dat toelichten?
Defensie is niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie over betrokkene.
Is de Minister bereid om het volledige dossier alsnog aan betrokkene te verstrekken en zo nee, waarom niet en op welke grond?
Zie het antwoord op vraag 22.
Gaat het Ministerie van Defensie het dossier in lopende en toekomstige gerechtelijke procedures buiten de rechtspleging houden en zo ja, waarom en zo ja op welke grond of regeling bent u daartoe bevoegd? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de noodzaak van transparantie en waarheidsvinding en waarom belemmert u die in dat geval opzettelijk?
Zoals aangegeven bij vraag 23, is Defensie niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie over betrokkene. Ieder verzoek van een rechtbank zal worden beoordeeld op grond van geldende wet- en regelgeving.
Waarom is, gelet op het antwoord van uw ambtsvoorganger op eerdere schriftelijke Kamervragen10, een vaststellingsovereenkomst met afspraken over rehabilitatie niet bekend bij betrokkene11? Bestaat er überhaupt een vaststellingsovereenkomst waarin het woord «rehabilitatie» wel voorkomt? Heeft de Minister van Defensie, met de reactie van uw ambtsvoorganger, de Kamer verkeerd geïnformeerd en zo nee, waarom niet en zo ja, welke gevolgtrekkingen verbindt u daar aan?
Zoals mijn ambtsvoorganger in reactie op Kamervragen van 8 november 2019 (Aanhangsel van de Handelingen II 2019/20, nr. 926) voor de volledigheid heeft opgemerkt, zijn met betrokkene naar aanleiding van het rapport van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) afspraken gemaakt om hem te rehabiliteren. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. In 2017 is met betrokkene een tweede vaststellingsovereenkomst gesloten. Over de inhoud van deze overeenkomsten doe ik verder geen mededelingen. Daarmee is de Tweede Kamer niet onjuist geïnformeerd.
Waarom is het kabinet, ook na ontvangst van een brief daarover van betrokkene die in afschrift aan de Kamer is gestuurd12, niet teruggekomen op de bewering dat er sprake zou zijn geweest van mediation en dat er een vaststellingsovereenkomst zou bestaan waarin afspraken zouden staan over rehabilitatie?13 Waarom is de Kamer daarover verkeerd geïnformeerd?
Zoals wordt toegelicht in het antwoord op vraag 26, zijn met betrokkene twee vaststellingsovereenkomsten gesloten. De Tweede Kamer is daarover niet onjuist geïnformeerd.
Indien het kabinet volhoudt dat er wel sprake zou zijn geweest van mediation (wat een formeel traject is onder leiding van gespecialiseerde instanties), kunt u dan aangeven wie de mediator was, wanneer de beweerde mediation zou hebben plaatsgevonden en waaruit de beweerde mediation exact bestond, wat de uitkomst was van de beweerde mediation en wie er bij Defensie de leidinggevende was (de zogenoemde «tot straffen bevoegde meerdere») die iets met de uitkomst van de beweerde mediation heeft moeten doen? Indien nee, waarom kunt u dit niet?
Ik kan hier niet op ingaan. In zijn algemeenheid vindt mediation plaats onder afgesproken geheimhouding van alle partijen die bij die mediation betrokken zijn.
Hoe heeft u vastgesteld dat het verlies van loggingsgegevens «van de gehele zorgpopulatie» geen gevolgen heeft gehad voor de informatie in de medische dossiers van (voormalig) werknemers, terwijl juist dàt niet meer te achterhalen is?
Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (2026D33530, Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn (ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt geen medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie heeft opgesteld.
Naast deze loggingen in het medisch dossier wordt ook een loggingsbestand aangelegd van alle gebruikers die inzage hebben gehad in het dossier. Dit bestand is in 2010 wel volledig bijgehouden maar bij de systeemmigratie in het weekend van 4 maart 2011 is het deel van 16 april 2010 tot 26 november 2010 achtergebleven in de brondatabase. Voorafgaand en achteraf is een back-up gemaakt van alle bestanden. Deze bestanden worden over het algemeen slechts 28 dagen bewaard. In die periode is, ondanks gebruikers- en acceptatietesten, het verlies aan informatie niet aan het licht gekomen.
Hoe heeft u vastgesteld dat het verlies van loggingsgegevens «van de gehele zorgpopulatie» geen gevolgen heeft gehad voor de informatie in de medische dossiers van (voormalig) werknemers terwijl u dat alleen zou kunnen vaststellen na inzage van alle getroffen medische dossiers, hetgeen alleen mogelijk is met de expliciete, vastgelegde toestemming daartoe van de (voormalig) Defensiemedewerkers wiens medische dossiers het betreft? Als er geen sprake is geweest van deze inzagen, hoe kunt u dan tot de conclusie komen dat er geen gevolgen zouden zijn?
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn (ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt er geen medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie opstelt. Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen.
Welk standpunt zal Defensie innemen wanneer een (voormalig) Defensiemedewerker stelt dat er in de periode dat er medische loggingsgegevens uit het medische dossier zijn verdwenen, ook medische informatie (waaronder maar zich niet bij voorbaat beperkend tot artsencontact, consulten, medische gegevens, ziektebeelden, diagnoses en medische prognoses, medicijngebruik, etc.) uit het dossier is verdwenen? Welke (juridische) onderbouwing ligt er ten grondslag aan die reactie? Welke bewijsvoering zou Defensie daartoe kunnen aanwenden?
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over deze hypothetische situatie.
Zijn er vaker dan in de genoemde periode14 medische gegevens, waaronder maar zich niet bij voorbaat beperkend tot loggingsgegevens, verwijderd of verdwenen uit, toegevoegd aan of gewijzigd in medische dossiers van (voormalig) Defensiemedewerkers en zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren, om welke gegevens en in welke periode in de tijd gaat het en om hoeveel (voormalig) Defensiemedewerkers gaat het daarbij? Zijn de getroffen medewerkers daarover geïnformeerd en zo nee, waarom niet? Indien onbekend, hoe kunt u als zorgaanbieder van Defensie dan de integriteit van de medische dossiers van (voormalig) Defensiemedewerkers garanderen en indien u dit niet kunt, welke gevolgen heeft dit?
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over deze hypothetische situatie.
Kunt aan alle (voormalig) Defensiemedewerkers uit wiens medisch dossiers loggingsgegevens zijn verdwenen15 garanderen dat er geen: aan hun medische dossiers zijn toegevoegd, of uit hun medische dossiers zijn verwijderd, of zijn gewijzigd, in de wetenschap dat in het geval van het gelijktijdig ook het verwijderen van de daarmee corresponderende loggingsgegevens, zulke mutaties nooit maar aan te tonen zijn?
Zie het antwoord op vraag 29.
Kunt u de melding zoals door het Ministerie van Defensie op 20 augustus 2020 gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens over de verdwenen loggingsgegevens delen met de Kamer? Indien u dit niet kunt, waarom niet?
Ja, zie bijlage.
Is het binnen Defensie nog altijd een zoals beweerd «gebruikelijke werkwijze» om zogenaamde «aantekeningen» in een medisch dossier van een Defensiemedewerker op te slaan als een consult met diagnoses dan wel met diagnosecodes en een primaire diagnose?16 Zo ja, wat is de reden om die praktijk voort te zetten? Zo nee, waarom is Defensie daarmee gestopt en wanneer is Defensie daarmee gestopt?
Nee. Sinds 25 juni 2021 maakt Defensie gebruik van een nieuw digitaal patiëntendossier. Hierin heeft de arts de mogelijkheid om een privéaantekening te maken die alleen inzichtelijk is voor de arts die deze aantekening maakt. Deze aantekening maakt geen onderdeel uit van het medisch dossier en mag niet worden gebruikt voor informatie die van belang is voor het verlenen van goede zorg. Het systeem biedt daarnaast de opties: openbare aantekening en aantekening voor specialisme (bijvoorbeeld alleen voor cardiologen). Deze beide aantekeningen maken wel onderdeel uit van het patiëntendossier. Door deze mogelijkheden is het gebruiken van de aantekening van «consult» voor een dergelijke aantekening niet meer nodig.
Heeft Defensie in het verleden voldaan aan de norm NEN 7513 en zo nee, over welke periode in tijd voldeed Defensie daar niet aan en waarom niet? Welke gevolgen verbindt Defensie daaraan? Zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld en kunt u uw bevindingen daarover met de Kamer delen?
De Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg (Wabvpz) regelt in artikel 15e logging en specifiek welke loggingsinformatie moet worden opgenomen in een afschrift. De bepalingen rondom elektronische afschrift/inzage en logging zijn op 1 juli 2020 in werking getreden.17 Het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders bepaalt in artikel 5 dat de logging van het systeem voldoet aan het bepaalde in NEN 7513 en regelt de bewaartermijn. In juli 201918 is bepaald dat de logging als bedoeld in het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders, ten minste 5 jaar moet worden bewaard vanaf het moment dat de logregel wordt geschreven.
NEN 7513 is niet apart certificeerbaar, NEN 7510 wel. NEN 7513 specificeert een gemeenschappelijk kader voor de logging van persoonlijke gezondheidsinformatie aan de hand van toegangs- en zoekgebeurtenissen. De NEN 7510 betreft eisen voor informatiebeveiliging van zorginformatiesystemen.
In het Defensie beveiligingsbeleid zijn de normen van de NEN 7513 en NEN 7510 opgenomen. Het eerstelijns zorgbedrijf van Defensie alsmede de beheerorganisatie zijn NEN 7510 gecertificeerd. Het huidige digitale patiëntendossier is geaccrediteerd door de Beveiligingsautoriteit van Defensie en voldoet daarmee aan het Defensie beveiligingsbeleid vanaf ingebruikname.
Er worden periodieke controles uitgevoerd. Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met medische persoonsgegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA). Jaarlijks worden de jaarverslagen van de interne toezichthouders naar de Kamer gestuurd.
Voldoet Defensie vandaag de dag aan de norm NEN 7513 en zo nee waarom niet? Zo ja, wie is de bevoegde autoriteit om dat vast te stellen en op welke manier heeft de bevoegde autoriteit dat vastgesteld? Voert de bevoegde autoriteit hier periodieke controles op uit, waaronder met bijvoorbeeld steekproeven en audits? Kunt u de uitkomst van deze controles met de Kamer delen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 36.
Heeft Defensie in het verleden voldaan aan de KNMG norm «Omgaan met medische gegevens»17 en zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld? Zo nee, waarom niet en welke gevolgen zijn hieraan verbonden?
De richtlijn «Omgaan met medische gegevens» is opgesteld door de artsenfederatie KNMG en beschrijft op welke wijze artsen, met inachtneming van hun beroepsgeheim, medische gegevens mogen verzamelen, opslaan, uitwisselen of anderszins mogen gebruiken.
De KNMG-richtlijn is juridisch gezien een vorm van zelfregulering binnen de beroepsgroep en geldt ook voor defensieartsen. De gedragsnormen uit deze richtlijn zijn daarmee gericht op individuele artsen. Het professionele handelen van een individuele arts wordt door de medische tuchtrechter beoordeeld, waarbij de normen uit de beroepsgroep vaak gebruikt worden.
Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met (medische) gegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA).
Voldoet Defensie vandaag de dag aan de KNMG norm «Omgang met medische gegevens» en zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld en zo nee, waarom niet en welke gevolgen verbindt u daar aan?
Zie het antwoord op vraag 38.
Hoe verhouden de conclusies in het rapport van het Huis voor Klokkenluiders zich tot de informatie die door het kabinet eerder aan de Kamer is verstrekt en die door de Minister in het debat over de veteranennota op 22 juni 2026 in reactie op mijn vragen nadrukkelijk is genoemd18? Heeft het Ministerie van Defensie met het aan de Kamer toezenden van deze informatie Kamer volledig geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Indien ja, kunt u in uw antwoord de conclusies van het Huis voor Klokkenluiders daarin betrekken? Wilt u zich in uw antwoord beperken tot de feiten van de misstanden zoals vastgesteld door het Huis voor Klokkenluiders en niet verwijzen naar maatregelen die met het oog op het voorkomen van herhaling pas zijn genomen nádat de misstanden zijn gepleegd?
Tijdens het notaoverleg Veteranen op 22 juni jl. werd gerefereerd aan «het rapport van het Huis voor Klokkenluiders over financiële fraude bij 336-suadron en joyriding met Defensievliegtuigen».
Voor zover de vraag betrekking heeft op het interne onderzoek over vermeende misstanden op vliegbasis Eindhoven met betrekking tot declaraties en privégebruik van defensiemiddelen, heeft de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg gereageerd dat de rapporten in 2016 naar de Kamer zijn verstuurd. Hierbij gaat het om beide delen van het interne onderzoeksrapport van Defensie die op 29 november 2016 naar de Kamer zijn verstuurd (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52).
Waarom is het rapport van het Huis voor Klokkenluiders nooit aan de Kamer gestuurd terwijl het wel direct betrekking heeft op de gang van zaken op vliegbasis Eindhoven?
Zie het antwoord op vraag 40. Eerder heeft de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) – de voorganger van het Huis voor Klokkenluiders – onderzoek gedaan naar meldingen van een vermoeden van een misstand op vliegbasis Eindhoven. Over de conclusies en adviezen van de OIO en de reacties van Defensie, is de Kamer geïnformeerd (zie o.a. Kamerstukken II 2014/15, 34 000 X, nrs. 88 en 94; Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nrs. 8 en 51; Aanhangsel van de Handelingen II 2016/17, nr. 1001).
Wilt u het rapport van het Huis voor Klokkenluiders alsnog aan de Kamer sturen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 40 en 41.
Is er over het rapport van het Huis voor Klokkenluiders door Defensie een zogenoemde «appreciatie» geschreven? Zo nee, waarom niet en zo ja, wanneer en door wie en kunt u die met de Kamer delen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 40 t/m 42.
Hoe beoordeelt u het feit dat de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven op 5 juli 2016 aangifte deed bij de Koninklijke Marechaussee19? Waarvan deed de commandant op die dag aangifte?
Artikel 78 van de Wet militair tuchtrecht bepaalt dat de commandant die kennisneemt van een gedraging van een militair die naar zijn oordeel een strafbaar feit betreft, verplicht is daarvan aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee (KMar). In de praktijk is het gebruikelijk dat de commandant bij een (vermoeden van een) strafbaar feit daarover advies inwint bij bijvoorbeeld een juridisch adviseur van de eenheid, voordat contact wordt opgenomen met de KMar en/of het Openbaar Ministerie (OM). Indien twijfel bestaat of sprake is van een (vermoeden van een) strafbaar feit wordt dit ter beoordeling voorgelegd aan de KMar en/of het OM en beslist het OM welke stappen genomen worden. Dit bespreken en melden van een (vermoeden van een) strafbaar feit wordt in spreektaal «aangifte doen» genoemd.
Niet altijd is voor de KMar en/of het OM meteen duidelijk dat een geconstateerde gedraging een strafbaar feit betreft en niet altijd wordt direct aangifte gedaan. Soms wordt Defensie gevraagd om zaken zelf nader (administratief) uit te zoeken en deze informatie ter beoordeling voor te leggen.
In het onderhavige geval heeft de commandant vliegbasis Eindhoven op de genoemde datum overleg gehad met de KMar. Dit had betrekking op een op die dag door haar ontvangen melding van een vermoeden van misstanden, mogelijke declaratiefraude. In dit geval is naar aanleiding van deze melding niet overgegaan tot het opnemen van een aangifte. In overleg met de KMar is de commandant vliegbasis Eindhoven overgegaan tot een intern Defensieonderzoek. Wel is geregistreerd dat de commandant hierover een gesprek heeft gevoerd bij de KMar.
Dit is vermeld bij de datum 5 juli 2016 in de tijdlijn die is opgenomen in het rapport dat naar aanleiding van het interne onderzoek is opgesteld. Dit rapport is aan uw Kamer aangeboden op 29 november 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52)
Kunt u het proces-verbaal van aangifte van 5 juli 2016 aan de Kamer sturen en zo nee, waarom niet en zo nee, kunt u wel aangeven wat het proces-verbaalnummer is en zo nee waarom niet?
Nee, er is geen proces-verbaal, want er is geen aangifte opgenomen.
Hoe beoordeelt u dat de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven, onder ede op 30 augustus 2018, de aangifte van 5 juli 2016 ontkende20?
Nu er geen aangifte is opgenomen, is deze ontkenning een verklaring naar waarheid.
Is er aangifte gedaan naar aanleiding van de beweringen onder ede bij de rechtbank Gelderland op 30 augustus 2018 door de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven en huidig Minister van VRO en zo nee waarom niet en zo nee, gaat u dat nog doen en zo nee waarom niet?
Nee. Er was en is geen aanleiding om aangifte te doen.
Hoeveel meldingen over sociale onveiligheid en andere vormen van ongewenst gedrag, gericht tegen persoonlijke gedragingen van de toenmalige commandant van vliegbasis Eindhoven (de huidig Minister van VRO), zijn er de afgelopen 15 jaren gedaan bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID), hoeveel van die bij het MID binnengekomen meldingen zijn doorgezet naar de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) en wat is er door zowel het MID als het COID met die meldingen gedaan? Kan de Minister al deze meldingen en de uitkomst van de behandeling daarvan delen met de Kamer en zo nee, waarom niet?
Meldingen worden in vertrouwen bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID) en de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) gemaakt. Inhoudelijke informatie over individuele meldingen of informatie die herleidbaar is naar een melder of beschuldigde wordt alleen gedeeld met functionarissen die een directe rol hebben in de behandeling van de betreffende melding. Algemene informatie over aantallen meldingen zijn terug te vinden in de gepubliceerde jaarverslagen integriteit van Defensie.
Wilt u deze vragen ieder afzonderlijk, op nummer en zonder verwijzing naar eerdere vragen beantwoorden en wel binnen de daartoe gestelde termijn van 3 weken en in ieder geval voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit Defensie?
U ontvangt de antwoorden op de vragen voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit.
Het bericht: ‘Trump administration probes UNRWA over alleged employment of 1,500 terrorists’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat de regering-Trump een onderzoek is gestart naar de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees (UNRWA) vanwege beschuldigingen dat duizenden medewerkers banden zouden hebben met terroristische organisaties, zoals Hamas?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze nieuwe beschuldigingen tegen UNRWA?
Op het moment van schrijven is het onderzoek van de VS nog gaande en is er nog geen rapport gepubliceerd. Ik wil dan ook niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek. Navraag bij UNRWA levert op dat vooralsnog geen informatie is gedeeld over dit lopende onderzoek jegens de UNRWA-medewerkers. UNRWA heeft daartoe wel verschillende verzoeken gedaan, zodat waar nodig reactie kan worden gegeven en/of actie ondernomen kan worden.
Deelt u de opvatting dat ook de schijn dat Nederlands belastinggeld direct of indirect terechtkomt bij personen met banden met terroristische organisaties volstrekt onacceptabel is?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 30 maart jl.1 benadrukt het kabinet de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen.
Welke garanties kunt u geven dat geen enkele euro Nederlands belastinggeld via UNRWA terechtkomt bij personen of organisaties die betrokken zijn bij terrorisme of terrorisme ondersteunen?
Het kabinet wil onder geen enkel beding dat publieke middelen aangewend worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen zoals Hamas. Berichtgevingen over potentiële banden van UNRWA met Hamas en mogelijke betrokkenheid van enkele individuele UNRWA-medewerkers bij de aanslagen van 7 oktober worden derhalve steeds serieus bekeken. Internationale, onafhankelijke onderzoeken tonen aan dat er tot op heden onvoldoende bewijs is geleverd ten aanzien van banden tussen UNRWA en Hamas. Uit het onafhankelijk onderzoek van Office of Internal Oversight Services (OIOS) naar mogelijke betrokkenheid van individuele UNRWA-medewerkers blijkt eveneens dat er onvoldoende bewijs was en het beschikbare bewijs niet kon worden geverifieerd. UNRWA heeft robuuste systemen ontwikkeld om eventuele misstanden te signaleren en gepaste actie te ondernemen, zoals de organisatie in het verleden ook heeft laten zien. Verder heeft UNRWA aangegeven alle aanbevelingen op te volgen uit het Colonna-rapport2 over de neutraliteit van de organisatie. Tot dusverre heeft UNRWA meer dan de helft van deze aanbevelingen geïmplementeerd en wordt voortgang geboekt op de overige aanbevelingen. Daarnaast neemt Nederland deel aan de werkgroep over neutraliteit en integriteit. Deze groep ziet nauw toe op de implementatie van de aanbevelingen.
Bent u bereid alle Nederlandse financiële bijdragen aan UNRWA onmiddellijk op te schorten? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft het door de Algemene Vergadering van de VN verleende mandaat van UNRWA steunen. De organisatie biedt belangrijke basisdiensten conform dit mandaat, zoals gezondheidszorg en onderwijs, aan Palestijnse vluchtelingen in de regio, inclusief Libanon, Jordanië en Syrië. Op deze manier draagt UNRWA bij aan de stabiliteit in een onrustige regio. Verder is UNRWA essentieel in het bieden van humanitaire hulp in zowel Gaza als Libanon.
Hoeveel Nederlands belastinggeld is sinds 7 oktober 2023 aan UNRWA verstrekt of toegezegd?
In totaal heeft Nederland in de periode sinds 7 oktober 2023 tot nu 63 miljoen euro bijgedragen aan UNRWA. Na 7 oktober heeft Nederland in 2023 een extra 18 miljoen euro bijgedragen gezien de hoge noden in de regio. In 2024, 2025 en 2026 heeft Nederland de jaarlijkse bijdrage aan UNRWA overgemaakt, waarvan 2025 en 2026 conform amendement Stoffer/Eerdmans3.
Welke concrete controles voert Nederland uit om te voorkomen dat Nederlands belastinggeld indirect ten goede komt aan terroristische organisaties?
Nederland werkt samen met professionele en betrouwbare maatschappelijke organisaties, die beleid en gedegen procedures hebben om risico’s van malversaties te verkleinen, en die adequaat optreden in geval van zowel aantijgingen als bewezen malversaties.
Besluiten om bepaalde organisaties te financieren worden altijd zorgvuldig genomen, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Deze assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Organisaties met wie Nederland samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van o.a. de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties. Daarnaast worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluatie en audits van activiteiten met Nederlandse steun. Indien uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andere malversaties, zal het ministerie daartegen optreden.
Ook is Nederland lid van de verschillende bestuursorganen van VN-organisaties, waarbij wordt toegezien op het effectief functioneren van de organisaties.
Eveneens bestaat het Multilateral Organisation Performance Assessment Network (MOPAN), waar Nederland ook lid van is en in 2025 voorzitter van was. Dit netwerk ziet toe op de effectiviteit, transparantie en resultaten van multilaterale organisaties, zoals de VN en de Wereldbank, middels onafhankelijke doorlichtingen.
Bent u bereid toekomstige Nederlandse bijdragen aan UNRWA definitief af te schaffen indien de ernstige beschuldigingen (gedeeltelijk) worden bevestigd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 30 maart jl.4 benadrukt het kabinet de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen. Indien hier sprake van zou zijn dan wordt steun heroverwogen. Het kabinet neemt de risico's op onbedoelde financiering altijd serieus en Nederland zal, samen met andere donoren, scherp blijven toezien op de integriteit van de hulpverlening, ook in de toekomst.
Bent u bereid zich er in Europees- en internationaal verband voor in te zetten dat geen belastinggeld meer terechtkomt bij organisaties waarvan de neutraliteit ernstig ter discussie staat? Zo nee, waarom niet?
Nederland is voortdurend in contact met partners en andere lidstaten om te blijven toezien op de integriteit en neutraliteit van de hulpverlening.
Beschikt u of het kabinet over aanwijzingen dat sinds 7 oktober 2023 Nederlands overheidsgeld, direct of indirect, terecht is gekomen bij Hamas of aan Hamas gelieerde personen of organisaties, dan wel dat door Nederland gefinancierde humanitaire- of ontwikkelingshulp door Hamas is verduisterd, omgeleid of in beslag genomen? Zo ja, om welke bedragen, gevallen en maatregelen gaat het? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert het kabinet dat hiervan geen sprake is?
Na de gebeurtenissen op 7 oktober 2023 zijn de due diligence-processen die ervoor moeten waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties tegen het licht gehouden. Daaruit bleek dat er geen signalen zijn dat geld voor Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse gebieden terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen en dat de processen op orde zijn, zoals gesteld in de brief die met de kamer op 11 oktober 2023 gedeeld is.5
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Defensie wil gouden aandeel in fabrikant van dronesoftware’ |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Defensie wil gouden aandeel in fabrikant van dronesoftware?»1
Ja, het Ministerie van Defensie is op de hoogte van het genoemde artikel.
Welk formeel afwegingskader heeft u gevolgd leidende tot uw besluit om met Intelic een optie tot een gouden aandeel in de samenwerkingsovereenkomst op te nemen? Kunt u het gehanteerde afwegingskader en uw antwoorden op bijhorende kernvragen delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie en Intelic zijn overeengekomen een langdurige strategische samenwerking aan te gaan. Gedurende dit proces heeft het Ministerie van Defensie in kaart gebracht welke publieke belangen een rol spelen bij de werkzaamheden die Intelic voor het Ministerie van Defensie zal verrichten. Vervolgens is geanalyseerd of de geïdentificeerde publieke belangen voldoende geborgd zijn.
De conclusie is dat, naast de reguliere contractuele afspraken, extra maatregelen nodig zijn om die publieke belangen voldoende te borgen. Daarom heeft Defensie met Intelic afspraken gemaakt, waaronder de optie tot een eenzijdige mogelijkheid voor de Staat tot het verwerven van een prioriteitsaandeel.
De analyse over de noodzaak en de besluitvorming of de Staat dit instrument ook daadwerkelijk zal gebruiken, zal plaatsvinden aan de hand van de Nota deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022 en het «Handboek aangaan deelnemingen». Bij de besluitvorming zal ook aan alle wettelijk voorgeschreven kaders, zoals de Comptabiliteitswet 2016, worden voldaan. De besluitvorming hierover zal plaatsvinden in overeenstemming met de Minister van Financiën. Uw Kamer zal worden geïnformeerd als hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden.
In hoeverre zijn de Comptabiliteitswet, de «Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022» en het «Handboek aangaan deelnemingen» zoals gepubliceerd door het Ministerie van Financiën2, gevolgd bij uw besluit om zorgvuldigheid te waarborgen? Op welke onderdelen is hiervan afgeweken en waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt er gewerkt aan een gedeeld formeel afwegingskader door de Ministeries van Defensie, Financiën en Economische Zaken voor toekomstige besluiten over strategische deelnemingen in de Nederlandse Defensie en Technologische Industriële Basis (NLDTIB)? Zo nee, waarom niet, en kunt u hier opdracht toe geven? Zo ja, wanneer wordt dit afwegingskader naar met de Kamer gedeeld?
Voor besluiten over eventuele strategische deelnemingen in de defensie-industrie is de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022 en het daarin opgenomen afwegingskader van toepassing. Het afwegingskader is sector-overstijgend en ook toepasbaar op de defensie-industrie.
In 2027 zal de reguliere en periodieke rapportage ter evaluatie van de Nota 2022 plaatsvinden. In algemene zin wordt hierin onderzocht of het beleid versterkt dient te worden om publieke belangen op verschillende beleidsterreinen doeltreffender en doelmatiger te kunnen borgen. Defensie wordt hierin meegenomen als beleidsterrein. Zo werken we aan een gedeeld formeel afwegingskader met het Ministerie van Financiën en Economische Zaken en Klimaat voor toekomstige besluiten over strategische deelnemingen in de Nederlandse Defensie en Technologische Industriële basis.
Daarnaast wordt momenteel een interdepartementale economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie uitgevoerd. Uw Kamer is hierover op 3 oktober 2025 geïnformeerd.3 Deze beleidsanalyse heeft tot doel, breed gedragen beleidsopties te formuleren, zodat de defensie-uitgaven effectief en doelmatig kunnen bijdragen aan versterking van de (Europese) militaire capaciteit. Het beleid inzake het aangaan van strategische samenwerking met de defensie-industrie is onderdeel van de analyse.
De inhoudelijke beoordeling per individuele casus wordt aan de hand van de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022en het «Handboek aangaan deelnemingen» opgesteld. Over de uitkomsten van de EBA wordt uw Kamer in september geïnformeerd. De uitkomsten worden vervolgens verwerkt in het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie, waarover uw Kamer later dit jaar wordt geïnformeerd.
Kunt u uw uitspraak in het artikel dat een daadwerkelijk gouden aandeel «een hele procedure» is, waarbij het Ministerie van Financiën betrokken is en goedkeuring van het parlement nodig is nader duiden? Is de Minister van Financiën betrokken geweest in deze besluitvorming tot een optie op een gouden aandeel bij Intelic?
Met deze tekst doel ik op de van toepassing zijnde wettelijke kaders en beleidskaders zoals ook beschreven in het antwoord op vragen 2 en 3. Uw Kamer zal worden geïnformeerd als hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden.
Heeft u vooraf juridisch advies verkregen over de effectiviteit en rechtmatigheid van deze optie op een gouden aandeel in Intelic, en/of op een daadwerkelijk gouden aandeel in de toekomst? Zo ja, kunt u de inhoud van dit advies delen met de Kamer?
Ja, de Landsadvocaat is betrokken bij dit proces.
Adviezen van de Landsadvocaat kan ik gelet op de kabinetsbeleidslijn voor openbaarmaking van adviezen van de Landsadvocaat (Kamerstuk 35 510, nr. 4) niet met u delen.
Heeft u vooraf overleg gevoerd met de Europese Commissie en wat is het standpunt van de Commissie, aangezien in het verleden de gouden aandelen bij KPN en TPG zijn verboden?
Nee, er is voor deze specifieke casus geen overleg gevoerd met de Europese Commissie.
Kunt u de ambtelijke beslisnota naar de Kamer sturen die gevolgd is ten behoeve van dit besluit om een optie op een gouden aandeel af te spreken met Intelic dan wel een daadwerkelijk gouden aandeel te gaan nemen?
De beslisnota zal vertrouwelijk met uw Kamer worden gedeeld.4
Kunt u de definitie van een gouden aandeel specificeren? Wat valt er onder «strategische besluiten» door Intelic, waarvoor het Ministerie van Defensie voortaan eerst toestemming moet verlenen en behelst dit ook een vetorecht? Kunt u nader uiteenzetten hoe dit zal verschillen van de huidige situatie?
Het bezoek van Minister Sjoerdsma aan China |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek aan China het thema mensenrechten heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten? Bij wie heeft u dit opgebracht en wat heeft u precies opgebracht?
In het verslag Raad Buitenlandse Zaken van 22 juli jl.1 is een verslag opgenomen over mijn bezoek aan China. Tijdens mijn bezoek aan China vond voorafgaand aan de Joint Economic Committee een bilateraal gesprek plaats met de Chinese Minister van Handel, Wang Wentao. In dit gesprek heb ik in de context van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO), de EU Anti-dwangarbeidverordening en het belang van transparante waardeketens benadrukt. Ik heb aangegeven dat dit een cruciaal onderdeel is van EU-wetgeving en een belangrijk onderwerp in het publieke debat. In dat verband heb ik de zorgen die het kabinet heeft over Oeigoerse dwangarbeid overgebracht conform motie Van Baarle.2
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek de behandeling van minderheden door China, zoals de Oeigoeren, de Tibetanen en christenen, heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten?
In het bilaterale gesprek met de Chinese Minister van Handel, Wang Wentao, heb ik de zorgen over Oeigoerse dwangarbeid overgebracht en gesproken over toegang tot Xinjiang. Het kabinet blijft zich inzetten voor de verbetering van o.a. de culturele en religieuze rechten van deze groepen en brengt deze zorgen zowel in bilateraal als multilateraal verband over, samen met gelijkgezinde landen en partners uit het maatschappelijk middenveld. Daarbij kijkt het kabinet naar de meest effectieve manier.
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Van Baarle, onder Kamerstuk 21 501-02 nr. 3409, waarin aan u gevraagd is om tijdens het bezoek expliciet aandacht te vragen voor de mensenrechten van de Oeigoeren en het opleggen van dwangarbeid aan het Oeigoerse volk?
Antwoord op vragen 3 t/m 5: zie de antwoorden op vragen 1 en 2.
Op welke wijze heeft u de culturele en religieuze onderdrukking, het opsluiten in kampen en de politieke onderdrukking van de Oeigoeren bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke wijze heeft u de dwangarbeid die aan het Oeigoerse volk wordt opgelegd bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u de behandeling van de Oeigoeren door de Chinese overheid tijdens het bezoek expliciet veroordeeld en geclassificeerd als mensenrechtenschendingen? Zo neen, waarom niet?
Tijdens het bilaterale gesprek met de Chinese Minister van Handel, Wang Wentao, heb ik de Oeigoerse dwangarbeid als mensenrechtenschending gekwalificeerd door de term «dwangarbeid» te gebruiken.
Heeft u al een leidende bevoegde autoriteit aangesteld in het kader van de Europese Anti- dwangarbeidverordening? Wanneer is deze aangesteld en waarom is hiervoor gekozen?
Nee, in Nederland is op dit moment nog geen leidende bevoegde autoriteit aangewezen voor de uitvoering van de Europese Anti-dwangarbeidverordening.
Wanneer het vermoeden van dwangarbeid betrekking heeft op producten van buiten de EU, treedt de Europese Commissie op als leidende bevoegde autoriteit. De Commissie is dan verantwoordelijk voor het onderzoek en de besluitvorming over de vraag of het verbod uit de verordening is geschonden.
De gesprekken over de invulling van de rol van de leidende bevoegde autoriteit in Nederland en welke partij daarvoor het meest geschikt is, lopen nog. Deze gesprekken zijn geïntensiveerd. Net als uw Kamer, ziet het kabinet de urgentie om voortgang te maken, zodat Nederland klaar is voor het van toepassing worden van de Anti-dwangarbeidverordening per 14 december 2027. Uw Kamer wordt op de hoogte gehouden over de vorderingen.
Kunt aangeven op welke wijze u de concrete inzet van deze verordening tegen Oeigoerse dwangarbeid in Europees verband bepleit, ook ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3408)? Brengt u dit onderwerp consequent op bij andere lidstaten en bij de Europese Commissie?
Ja. In het najaar van 2025 organiseerde Nederland een bijeenkomst voor EU-lidstaten en de Europese Commissie over de implementatie van de Anti-dwangarbeidverordening. Nederland heeft daarbij het belang onderstreept van het effectief tegengaan van staatsgeleide dwangarbeid, waaronder jegens Oeigoeren in China.3 In gesprek met de Commissie en tijdens een bijeenkomst van het Unienetwerk tegen met dwangarbeid vervaardigde producten4 is deze thematiek dit jaar wederom onder de aandacht gebracht, daartoe mede aangespoord door uw motie.5
Daarnaast heeft Nederland eind mei bij de Europese Commissie, o.b.v. relevante informatiebronnen en conform motie Van Baarle,6 gepleit voor het opnemen van Xinjiang in de nieuwe Anti-dwangarbeidverordening database met risicoregio’s en risicoproducten. Zodra de database gepubliceerd wordt, is deze terug te vinden op het Centraal Portaal Dwangarbeid.7
Welke stappen heeft u reeds gezet ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3410), die u vraagt de Anti- dwangarbeidverordening nationaal zo streng en doelgericht mogelijk te implementeren om dwangarbeid door Oeigoeren tegen te gaan?
Europese verordeningen zijn rechtstreeks van toepassing in alle lidstaten. De bepalingen gelden na inwerkingtreding van de verordening automatisch in de Nederlandse rechtsorde; Nederland mag de inhoud niet aanpassen of aanscherpen. Wel is er in het kader van de Anti-dwangarbeidverordening nationale uitvoeringswetgeving nodig om bevoegde autoriteiten aan te wijzen, deze autoriteiten van toezicht- en handhavingsbevoegdheden te voorzien en gegevensdeling- en verwerking mogelijk te maken. In het antwoord op vraag 7 vindt u de stappen die reeds gezet zijn op het gebied van de invulling van de rol van de leidende bevoegde autoriteit. Daarnaast heeft Nederland reeds vier markttoezichthouders genotificeerd voor de handhaving van het verbod, nadat eenmaal is vastgesteld dat producten met dwangarbeid zijn vervaardigd.8 Op deze manier wordt gewerkt aan een effectieve uitvoering van de verordening. Uw motie is daarnaast betrokken bij ambtelijke gesprekken met de Europese Commissie over dit onderwerp.