De uitbreiding van Amerikaanse sancties tegen het Internationaal Strafhof |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat de Amerikaanse regering een nieuwe campagne is gestart tegen het Internationaal Strafhof (ICC), waarbij onder meer aanvullende sancties, visumbeperkingen en diplomatieke druk worden overwogen tegen personen die betrokken zijn bij het werk van het Hof?1
Ja. Zo heeft de Amerikaanse regering op 18 augustus jl. een ambtsdrager en een medewerker van het Internationaal Strafhof op de Amerikaanse sanctielijst geplaatst.
Welke gevolgen hebben deze aangekondigde Amerikaanse maatregelen volgens u voor lopende onderzoeken van het Internationaal Strafhof, waaronder onderzoeken naar de oorlogen in Oekraïne, Sudan en de Palestijnse gebieden?
De onderzoeken die het Internationaal Strafhof uitvoert, vormen een essentieel onderdeel van de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven. Nederland respecteert de onafhankelijkheid van het Internationaal Strafhof en mengt zich derhalve niet in het onderzoeks- en vervolgingsbeleid van het Hof. Het is van belang dat de organen van het Strafhof hun mandaat onafhankelijk – en zonder bedreigingen en intimidaties – kunnen uitvoeren. Momenteel gaat het Hof gestaag door met zijn belangrijke werkzaamheden. Wel bestaat een risico dat partijen, zoals non-gouvernementele organisaties, minder bereid zijn informatie te delen met het Hof uit angst voor de gevolgen.
Welke concrete maatregelen neemt Nederland als gastland om het Hof en zijn medewerkers te beschermen tegen de aangekondigde Amerikaanse maatregelen, aangezien Nederland als gastland heeft verklaard achter het Internationaal Strafhof en zijn medewerkers te staan?
Het is zaak dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren. Als gastland heeft Nederland daarbij een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland. Nederland staat dan ook in zeer nauw contact met het Hof en heeft zich de afgelopen jaren op verschillende terreinen ingezet voor de mitigatie van de gevolgen van de Amerikaanse sancties. Deze inzet zal de komende tijd onverminderd worden voortgezet.
Daarnaast bekijkt Nederland ook naar aanleiding van de laatste ontwikkelingen samen met het Hof en gelijkgezinde partners welke stappen genomen kunnen worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig.
Welke concrete diplomatieke stappen heeft Nederland sinds de aankondiging van deze campagne richting de Verenigde Staten ondernomen? Acht u de tot nu toe genomen stappen afdoende? Zo ja, waarom?
De positie van de VS over het Internationaal Strafhof is niet nieuw, wel is de toon zorgelijk, evenals de directe druk op alle verdragspartijen. We voeren hierover al geruime tijd gesprekken met de VS, en spreken ons uit over acties die het Hof ondermijnen. Die gesprekken gaan onverminderd door. Onze zorgen over deze VS campagne tegen het Internationaal Strafhof worden sinds de aankondiging in deze gesprekken overgebracht. We blijven ons tegelijkertijd inzetten voor de dialoog met de VS ter voorkoming van verdere escalatie.
Nederland heeft daarnaast publiekelijk verklaard dat het als gastland en verdragspartij achter het Hof en zijn medewerkers staat. Nederland geeft daarbij aan dat internationale hoven en tribunalen hun mandaat zonder inmenging moeten kunnen uitvoeren. Deze boodschap heeft Nederland ook uitgedragen richting Europese lidstaten, Europese instellingen en verdragspartijen bij het Statuut van Rome. Nederland staat in voortdurend contact met gelijkgezinde partners om te bespreken welke stappen genomen kunnen worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig, inclusief door gezamenlijke outreach. Tijdens de komende UN High Level Week in New York zal in overleggen met gelijkgezinde partners de toegenomen druk op en campagne tegen het Hof aan bod komen.
Hoe beoordeelt u de aankondiging van de Amerikaanse regering andere landen te willen bewegen hun steun aan het Internationaal Strafhof in te trekken en landen die afhankelijk zijn van Amerikaanse veiligheids- of ontwikkelingssteun onder druk te willen zetten om zich tegen het Hof uit te spreken? Welke gevolgen verwacht u hiervan voor de internationale steun voor het Internationaal Strafhof en de internationale rechtsorde en welke concrete inzet pleegt Nederland om die steun te behouden en te versterken?
Het kabinet heeft kennis genomen van de VS-boodschappen. De VS-positie is niet nieuw, maar de toon is wel zorgelijk evenals de directe druk op alle verdragspartijen. Nederland is in nauw overleg met andere verdragspartijen bij het Statuut van Rome om te kijken of, en zo ja, welke concrete maatregelen er na de aankondiging volgen en welke stappen ondernomen moeten worden om het Hof te blijven beschermen waar nodig. Het is belangrijk om samen met gelijkgezinde partners achter het Hof te blijven staan. Ondanks uitdagingen, zoals de diplomatieke inzet van de VS om het Hof te ondermijnen, is het belangrijk een constructieve relatie met de VS te onderhouden en in te zetten op een diplomatieke oplossing.
Hoe beoordeelt u de bredere gevolgen van deze Amerikaanse sancties voor de geloofwaardigheid van het internationaal recht en in het bijzonder voor de bescherming van slachtoffers van internationale misdrijven?
Het Internationaal Strafhof belichaamt het idee dat de vervolging van de meest ernstige misdrijven een gedeelde verantwoordelijkheid is van de internationale gemeenschap. Ernstige en grootschalige mensenrechtenschendingen en internationale misdrijven zoals agressie, oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide, mogen niet onbestraft blijven. Juist voor slachtoffers is het van groot belang dat daders ter verantwoording worden geroepen. Mede daarom staat Nederland pal achter het Hof en keurt het acties die het Hof ondermijnen ten zeerste af. Ondanks reeds opgelegde VS sancties, gaat het Hof gestaag door met zijn belangrijke werkzaamheden.
Bent u bereid binnen de Europese Unie te pleiten voor concrete gezamenlijke maatregelen om de gevolgen van de Amerikaanse sancties voor het Internationaal Strafhof te beperken en het onafhankelijke functioneren van het Hof te beschermen? Zo nee, waarom niet?2
Zoals meermaals met de Kamer is gedeeld, pleit het kabinet al geruime tijd in Europees verband voor maatregelen ter bescherming van het onafhankelijk functioneren van het Hof en ter mitigatie van sancties, en blijft het kabinet dit doen. In EU-verband worden hierop belangrijke stappen gezet. Dit werk is echter gebaat bij een zekere mate van vertrouwelijkheid. Wel zichtbaar is de publieke steun die vanuit de EU duidelijk is, bijvoorbeeld in de conclusies van de Europese Raad (juni 2026) en de verklaringen van de Europese Commissie en Hoge Vertegenwoordiger Kallas (op International Justice Day 2026). Nederland heeft deze initiatieven sterk aangemoedigd en gesteund.
Bent u bereid aanvullende financiële, diplomatieke of praktische ondersteuning aan het Internationaal Strafhof te bieden als de aangekondigde Amerikaanse maatregelen het functioneren van het Hof verder belemmeren? Zo nee, waarom niet?
Indien de Verenigde Staten overgaan tot aanvullende maatregelen die het functioneren van het Hof verder belemmeren, zal het kabinet, in nauwe samenwerking met het Hof en andere verdragspartijen, bezien welke stappen kunnen worden genomen om het Hof diplomatiek en praktisch te blijven beschermen en ondersteunen waar nodig en mogelijk.
Daar waar de Europese Commissie de bedreigingen aan het adres van functionarissen van het Internationaal Strafhof heeft geduid als «We willen straffeloosheid bestrijden. Bedreigingen aan het adres van functionarissen van het hof zijn onaanvaardbaar»3, acht u de huidige Nederlandse inzet voldoende om het Hof daadwerkelijk te beschermen? Zo ja, welke concrete resultaten heeft deze inzet tot dusver opgeleverd?
Nederland deelt het door de Europese Commissie geuite standpunt dat bedreigingen aan het adres van functionarissen van het Hof onaanvaardbaar zijn. Het kabinet acht de huidige Nederlandse inzet in lijn met de verantwoordelijkheid van Nederland als gastland en verdragspartij en blijft deze inzet voortdurend evalueren en bijstellen waar nodig.
Het voornaamste concrete resultaat is dat de Nederlandse inzet er aan heeft bijgedragen dat het Hof ondanks de opgelegde sancties tegen functionarissen van het Internationaal Strafhof, tot dusverre in staat is geweest verreweg de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten.
Concreet heeft Nederland zich bijvoorbeeld ingezet voor de mogelijkheid tot inzet en de verhoging van het Contingency Fund bij het Internationaal Strafhof en EU maatregelen voor bescherming (incl. de voorbereiding van snelle activering van het Blocking Statute in EU-verband wanneer de Commissie daartoe een voorstel doet). Ook was Nederland aanjager en organisator van expertbijeenkomsten met EU-lidstaten, verdragspartijen en dienstverleners over mitigatie om tot praktische oplossingen te komen om het Hof te ondersteunen en mitigatiemaatregelen af te stemmen.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien de Verenigde Staten daadwerkelijk overgaan tot verdere sancties, visumbeperkingen of andere maatregelen tegen het Internationaal Strafhof of personen die werkzaam zijn voor of betrokken zijn bij het Hof?
Nederland heeft ook naar aanleiding van de Amerikaanse sancties van 18 augustus jl. publiekelijk verklaard de sancties af te keuren en als gastland en verdragspartij achter het Hof en zijn medewerkers te staan. Ook heeft Nederland benadrukt dat internationale hoven en tribunalen hun mandaat zonder inmenging moeten kunnen uitvoeren. We voeren al geruime tijd gesprekken met de VS en spreken ons uit over acties die het Hof ondermijnen. Die gesprekken zetten we onverminderd voort. Het is belangrijk een constructieve relatie met de VS te onderhouden en te blijven inzetten op een diplomatieke oplossing.
Bij verdere sancties of andere maatregelen tegen het Hof zal Nederland, afhankelijk van de aard en omvang daarvan, in nauwe samenwerking met het Hof en de overige verdragspartijen inzetten op passende maatregelen om de effecten zo veel mogelijk te mitigeren. Hier kan nu nog niet op vooruit worden gelopen. Indien dit aan de orde komt, wordt de Kamer hierover zoals gebruikelijk geïnformeerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Nieuwe EU-belastingen en de voorgenomen verhoging van de EU-meerjarenbegroting 2028-2034 |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eelco Heinen (VVD), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europese belastingen op komst»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel Nederland in 2024 bruto heeft afgedragen aan de EU-begroting en hoeveel Nederland aan Europese Unie (EU)-gelden heeft terugontvangen, en kunt u dit omrekenen naar een bedrag per Nederlands huishouden?2 3 Kunt u daarbij bevestigen dat dit neerkomt op circa € 7,5 miljard bruto afdracht en € 3,15 miljard aan ontvangsten (netto circa € 4,35 miljard), oftewel omgerekend over de ruim 8,4 miljoen Nederlandse huishoudens ongeveer € 890 bruto en € 520 netto per huishouden per jaar?4 5
De totale omvang van de drie nationale afdrachten (bni-, btw- en plastic-afdracht) van Nederland in 2024, zoals verantwoord op de begroting van Buitenlandse Zaken6, bedroeg in 2024 5,3 mld. euro. De perceptiekostenvergoeding bedroeg 1,1 mld. euro. De netto afdracht komt daarmee op 4,2 mld. euro. De invoerrechten (minus perceptiekostenvergoeding) worden niet meegerekend als nationale afdracht. De reden hiervoor is dat de invoerrechten niet relevant zijn voor het uitgavenkader (met uitzondering van de perceptiekostenvergoeding), in navolging van het advies van de 16e Studiegroep Begrotingsruimte.
De ontvangsten uit de Europese begroting zijn weergegeven in de «EU Spending and Revenue» tabellen van de Europese Commissie.7 Voor Nederland bedroegen de ontvangsten 3,2 miljard euro in 2024. Het verschil tussen de netto nationale afdrachten (nationale afdrachten minus perceptiekostenvergoeding) en de ontvangsten bedraagt daarmee 1 miljard euro in 2024. Het ligt niet in de rede om, zoals gevraagd, alleen de bruto afdracht te verminderen met de ontvangsten, omdat op die manier de perceptiekostenvergoeding buiten beschouwing gelaten zou worden.
Het Ministerie van Financiën houdt geen cijfers bij over de EU-afdrachten afgezet tegen het aantal huishoudens, maar uitgaande van een aantal van ca. 8,4 miljoen Nederlandse particuliere huishoudens (CBS8) zou dit in 2024 een netto bedrag van 119 euro per huishouden zijn.
Kunt u een inschatting geven van wat de Nederlandse afdracht aan de EU per huishouden zou worden als het voorstel van de Europese Commissie (EC) voor het Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2028–2034 wordt aangenomen? Kunt u daarbij ingaan op de eigen schatting van het kabinet dat alleen al de Bruto Nationaal Inkomen (BNI)-afdracht voor 2028 kan oplopen tot circa € 9 miljard per jaar – zo’n € 4,5 miljard hoger dan in 2024 – wat, nog exclusief douanerechten, btw-afdracht en de nieuwe EU-belastingen, neerkomt op ruim € 1.070 per huishouden per jaar alleen al voor het BNI-deel?6 7 Kunt u bevestigen dat de grove inschatting, waarbij de overige afdrachtscomponenten (douanerechten, btw-afdracht, plasticheffing) op het huidige niveau van circa € 3 miljard per jaar worden verondersteld, uitkomt op een totale afdracht van ruim € 12 à 13 miljard per jaar, oftewel circa € 1.450 tot € 1.550 per huishouden per jaar? Kunt u een volledige, officiële raming geven van de totale afdracht per huishouden inclusief alle afdrachtscomponenten en de nieuwe eigen middelen en aangeven of mijn hierboven genoemde inschatting in de juiste orde van grootte zit?
De raming van de Nederlandse bni-afdracht bedraagt circa 9,7 miljard euro in 2028, op basis van de aannames die zijn gedaan voor het nieuwe MFK. De raming van de Nederlandse bni-afdracht is inderdaad hoger dan in 2024. Dit komt omdat in 2024 door vertraging in de uitvoering van de cohesie- en landbouwfondsen de betalingen in de EU-begroting sterk achterbleven. De onderuitputting zorgde voor een lagere bni-afdracht in 2024. Daarnaast is een deel van de stijging in 2028 ook de prijsontwikkeling, die voor de EU-afdrachten op het beleidsartikel is geraamd. De overige afdrachten – de btw-afdracht en plastic-afdracht – bedragen in totaal 1,9 miljard euro in 2028, op basis van de aannames die zijn gedaan voor het nieuwe MFK. Zoals toegelicht bij vraag 2 worden de invoerrechten niet meegerekend als nationale afdracht en staan er ook ontvangsten tegenover de afdrachten.
Indien de Commissievoorstellen voor het nieuwe MFK en EMB zonder wijzigingen zouden worden doorgevoerd zou dit leiden tot een geschatte budgettaire opgave van gemiddeld 2,7–3,7 miljard euro per jaar in lopende prijzen bovenop de huidige raming van de Nederlandse afdrachten op de BZ-begroting (stand Voorjaarsnota 2026).11 Dit betreft een inschatting van de gemiddelde budgettaire opgave over de jaren van het volgend MFK (2028–2034) en is toegelicht in de Kamerbrief van 22 mei jl.12 Zoals aangegeven in deze en eerdere Kamerbrieven verzet het kabinet zich hier tegen. Het kabinet wil een lagere omvang van het voorgestelde MFK, voorzetting van de Nederlandse correctie op de bni-afdracht en behoud van de perceptiekostenvergoeding op 25%. Het kabinet is tegen het onverkort invoeren van het Commissievoorstel. Het Ministerie van Financiën beschikt niet over inschattingen van de afdracht per huishouden voor de verschillende componenten van de afdrachten. Aangezien de onderhandelingen nog gaande zijn en ook gezien de onzekerheid over de toekomstige ontvangsten uit de EU-begroting is het niet mogelijk met voldoende zekerheid een inschatting te geven van de gevraagde cijfers.
Bent u bekend met de berichtgeving over de plannen van de EC en het Europees Parlement (EP) voor het MFK 2028–2034, waarin de begroting bijna wordt verdubbeld naar circa € 2.000 miljard en het EP zelfs inzet op € 2.200 miljard, een verhoging van 10 procent ten opzichte van het Commissievoorstel?8 9
Ja.
Deelt u de opvatting dat een verdubbeling van de EU-begroting, in een tijd waarin Nederlandse huishoudens de broekriem moeten aanhalen, onaanvaardbaar is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is deelt de opvatting dat de voorgestelde EU-begroting te hoog is.
Kunt u bevestigen dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven in te zetten op «een verlaging van het voorgestelde MFK», omdat de voorziene stijging van de EU-afdrachten niet past bij de budgettaire kaders uit het Hoofdlijnenakkoord?10 Deelt u de opvatting dat het huidige niveau van de EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar al belachelijk hoog en volstrekt onnodig is?11 Bent u bereid deze kabinetsinzet radicaal aan te scherpen, niet tot een verlaging ten opzichte van het Commissievoorstel, maar tot een forse verlaging van de EU-begroting tot ruim onder het huidige niveau van € 1.200 miljard en tot een structureel veel kleinere EU-begroting dan nu het geval is? Zo nee, waarom niet? Kunt u dan puntsgewijs onderbouwen waarom een EU-begroting van bijna € 1.200 miljard over zeven jaar wél gerechtvaardigd zou zijn?
Ja, het kabinet kan bevestigen dat het inzet op een verlaging van de omvang die de Commissie heeft voorgesteld, zoals uiteengezet in de Kamerbrief van 22 mei jl.
Bent u bekend met het feit dat de EC ter dekking van deze begroting vijf nieuwe «eigen middelen» (EU-belastingen) heeft voorgesteld: een vennootschapsheffing voor bedrijven met een jaaromzet boven € 100 miljoen, een tabaksaccijnsafdracht (TEDOR), een heffing op elektronisch afval en aanpassingen in de inkomsten uit het Emission Trading System (ETS) en het CO2-grenscorrectiemechanisme (CBAM), die samen circa € 58,5 miljard per jaar zouden moeten opleveren?12
Ja.
Onderschrijft u de positie dat het heffen van belastingen een kernbevoegdheid van soevereine lidstaten is en moet blijven en dat de EU nooit de bevoegdheid mag krijgen om eigenstandig belasting te heffen bij Nederlandse burgers of bedrijven? Zo nee, waarom niet?
De EU heeft geen bevoegdheid om zelf belastingen te heffen. Het kabinet onderschrijft dat deze bevoegdheid bij de lidstaten moet blijven.
Klopt het dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 heeft aangegeven nieuwe eigen middelen niet bij voorbaat af te wijzen maar «op eigen merites» te beoordelen en daarbij al in beginsel opening heeft gegeven voor een nieuw eigen middel op basis van ETS-1-inkomsten en een nieuw eigen middel op basis van CBAM?13 Bent u bereid deze opening alsnog in te trekken en categorisch af te wijzen dat de EU eigenstandig belasting heft, in welke vorm dan ook? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet kan nieuwe eigen middelen niet bij voorbaat omarmen en beoordeelt voorstellen voor nieuwe eigen middelen op eigen merites. In de Kamerbrief «Update Nederlandse inzet volgend MFK/EMB» van 22 mei jl. is een appreciatie gegeven van de voorgestelde nieuwe eigen middelen.19 Hierin is aangegeven dat het kabinet in beginsel open staat voor het voorstel voor een nieuw eigen middel op basis van de inkomsten uit ETS-1 en CBAM. Het gaat hierbij niet om een voorstel waarbij de EU eigenstandig belasting heft – er is dus geen sprake van een EU-belasting – aangezien de EU daarvoor geen bevoegdheid heeft. In het geval van CBAM wordt voorgesteld om 75% van de opbrengsten uit het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens aan de EU af te dragen en bij ETS-1 om 30% van de veilinginkomsten van het EU-emissiehandelssysteem naar de EU-begroting te laten vloeien. Door de introductie van deze nieuwe eigen middelen zijn ceteris paribus minder bni-afdrachten vanuit de lidstaten benodigd, aangezien de bni-afdracht de sluitpost is van de EU-begroting. De nieuwe eigen middelen zorgen daarmee niet voor extra uitgaven door de EU, maar zorgen voor een andere verdeling van de financiering van de EU-begroting. Het kabinet merkt daarnaast op dat de voorgestelde eigen middelen, zoals u kunt lezen in de eerder genoemde Kamerbrief, naar verwachting budgettair voordelig zullen uitpakken voor Nederland, in vergelijking met de bni-sleutel. Nederland zou na invoering van de voorgestelde eigen middelen dus minder afdragen aan de EU dan zonder deze nieuwe eigen middelen, omdat anders via de bni-verdeelsleutel betaald zou moeten worden.
Bent u bereid toe te zeggen dat Nederland in de Raad zijn veto zal gebruiken tegen ieder onderdeel van het Eigenmiddelenbesluit dat voorziet in nieuwe EU-belastingen én tegen een MFK 2028–2034 dat een verhoging van het totale EU-budget en/of een verhoging van de Nederlandse afdracht inhoudt ten opzichte van het huidige MFK, aangezien zowel het MFK als het Eigenmiddelenbesluit unanimiteit in de Raad vereisen?14 Kunt u daarbij bevestigen dat het Eigenmiddelenbesluit bovendien pas in werking treedt nadat alle lidstaten het hebben goedgekeurd overeenkomstig hun eigen grondwettelijke bepalingen en dat dit voor Nederland op grond van Artikel 91 van de Grondwet parlementaire goedkeuring door beide Kamers vereist, via een goedkeuringswet conform de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen? Zo nee, waarom niet? (Kamerstuk 22 112, nr. 3760) (Kamerstuk 35 711, nr. 3)
De positie uit de Kamerbrief van 22 mei jl. vormt de basis voor de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen. Voorafgaand aan de laatste besprekingen in de Europese Raad en de uiteindelijke stemming in de Raad over het MFK en het EMB, zal het kabinet haar positie bepalen op basis van het voorstel wat op dat moment voorligt.
Het huidige EMB heeft geen einddatum, het blijft van kracht totdat het wordt vervangen door een nieuw besluit. In het huidige EMB is opgenomen dat het correctiemechanisme op de Nederlandse bni-afdracht afloopt aan het einde van het huidige MFK, dat wil zeggen in 2027. Daarom is het van belang dat er een nieuw EMB wordt overeengekomen waarin een nieuw correctiemechanisme voor de Nederlandse bni-afdracht wordt opgenomen.
Een nieuw EMB treedt pas in werking na goedkeuring door alle lidstaten overeenkomstig hun nationale grondwettelijke procedures. In Nederland betekent dit parlementaire behandeling van een wet ter goedkeuring van het EMB. Het EMB zal wel met terugwerkende kracht van toepassing zijn.
Kunt u bevestigen dat het bestaande Eigenmiddelenbesluit de Commissie nu al de mogelijkheid geeft om lidstaten te verzoeken om aanvullende, op het BNI gebaseerde bijdragen als de opbrengst van de nieuwe EU-belastingen achterblijft bij de verwachtingen, zodat Nederland via een omweg alsnog voor de rekening kan opdraaien? Wat is uw inzet om dit vangnetmechanisme voor Nederland uit te sluiten?
De Unie kan niet meer geld uitgeven dan is afgesproken in het MFK. Er is geen sprake van voorstellen waarbij de EU eigenstandig belasting heft, aangezien de EU daarvoor geen bevoegdheid heeft. Met de introductie van eventuele nieuwe eigen middelen hoeven de lidstaten, bij een gelijkblijvend uitgavenniveau, minder bni-afdrachten te betalen, aangezien de bni-afdracht de sluitpost is van de EU-begroting. Nieuwe eigen middelen zorgen daarmee niet voor extra uitgaven, maar zorgen voor een andere verdeling van de financiering van de EU-begroting.
Klopt het dat Nederland zich tijdens de Raad Algemene Zaken van 17 november 2025 al heeft uitgesproken tegen gemeenschappelijke schuld voor het verstrekken van NRPP-leningen aan lidstaten, en dat het kabinet in de Kamerbrief van 15 september 2025 al heeft aangegeven geen voorstander te zijn van gemeenschappelijke leningen voor een nieuw crisisinstrument?15 16 Bent u bereid deze lijn te verbreden en categorisch af te wijzen dat de EU nieuwe schulden aangaat of nieuwe EU-gedekte leningen verstrekt – zoals het door de Commissie voorgestelde «Catalyst Europe»-instrument – en dat Nederland daar in de Raad ook op zal inzetten? Zo nee, waarom niet?
Ja, de positie van het kabinet met betrekking tot de voorgestelde leeninstrumenten in het volgende MFK is toegelicht in de update van de Nederlandse inzet van 22 mei jl.23 en is sindsdien niet gewijzigd. Het kabinet is tegen de voorstellen van de Commissie voor nieuwe leeninstrumenten voor het ophogen van de nationale enveloppes van het NRPP (Catalyst Europe) en het crisismechanisme. Het kabinet staat onder voorwaarden wel constructief tegenover het gebruik van reeds bestaande instrumenten voor gemeenschappelijke investeringen, zoals dat plaatsvindt via de Europese Investeringsbank (EIB), macro-financiële bijstand (MFA) en de Oekraïne-faciliteit waarbij landen alleen garant staan voor hun eigen kapitaalaandeel (BNI-sleutel).
Bent u bekend met het bericht dat Spanje bij de Eurogroep van 9 juli 2026 een voorstel heeft gepresenteerd voor een «European Sovereign Facility», waarbij de EC tot wel € 850 miljard per jaar aan gemeenschappelijke schuld zou kunnen uitgeven namens de lidstaten en dat dit voorstel – zoals verwacht – op weerstand stuit van met name Duitsland en Nederland, de twee landen die zich het meest consistent hebben verzet tegen verdere gemeenschappelijke schuld?17 18 19
Ja.
Bent u bereid dit Spaanse voorstel en iedere vergelijkbare poging om een permanent EU-mechanisme voor gemeenschappelijke schuld (een «Europees veilig actief») te creëren, resoluut en publiekelijk af te wijzen en dit standpunt uit te dragen bij zowel de onderhandelingen over het MFK 2028–2034 als bij de Eurogroep? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet wijst het door Spanje geopperde idee van een «European Sovereign Facility» af. Zoals is benoemd in de update van de kabinetspositie over het volgende MFK27 vindt het kabinet, in lijn met het coalitieakkoord, dat lidstaten zelf primair verantwoordelijk zijn voor hun begroting. Nederland staat daarom niet garant voor de nationale schulden van andere landen (Eurobonds). Deze faciliteit zou gemeenschappelijke schuld uitgeven, en daarmee leningen verstrekken aan lidstaten ter financiering van aflopende schulden en nieuwe begrotingstekorten.
Kunt u bevestigen dat er nog altijd geen besluit is genomen over de wijze waarop de circa € 750 miljard aan gemeenschappelijke schuld uit het coronaherstelfonds NextGenerationEU wordt terugbetaald en dat landen als Frankrijk en Griekenland pleiten voor het doorrollen van deze schuld in plaats van aflossing, terwijl de Franse president Macron oproept tot vervroegde terugbetaling «idioot» noemde? Deelt u de opvatting dat Nederland zich niet door dergelijke uitspraken uit andere lidstaten moet laten weerhouden van een strikt aflossingsschema? Zo nee, waarom niet?
Het besluit over de precieze wijze van terugbetaling van de NGEU-leningen is onderdeel van de nu lopende MFK-onderhandelingen. Een besluit daarover zal genomen worden bij de afronding van die onderhandelingen. De Nederlandse inzet in de onderhandelingen op dit punt blijft een terugbetaling die in lijn is met de Europese afspraken die hierover bij aanvang van het NGEU-programma in 2020 zijn gemaakt en die onder meer zijn vastgelegd in het eigenmiddelenbesluit (art. 5). Daarbij gaat het met name erom dat het aflossingsschema waarborgt dat de verplichtingen gestaag en voorspelbaar verminderen en dat alle verplichtingen als gevolg van de NGEU-leningen uiterlijk op 31 december 2058 volledig terugbetaald zijn. Het voorstel zoals dat in juli 2025 door de Europese Commissie is gedaan voldoet aan deze afspraken.
Bent u bereid om, ook voor wat betreft de resterende aflossing en rentebetaling van de bestaande NextGenerationEU-schuld, aan te sturen op versnelde afbouw in plaats van het doorschuiven van deze lasten binnen de MFK-plafonds tot 2058? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het belangrijk dat gemaakte afspraken worden nagekomen, dat wil zeggen dat gestaag en voorspelbaar en uiterlijk tot 2058 wordt terugbetaald. Het kabinet ziet inhoudelijk geen reden om nu te pleiten voor snellere aflossing.
Bent u bereid in de onderhandelingen in te zetten op een Nederland dat per saldo geen netto-betaler meer is aan de EU-begroting, maar netto-ontvanger wordt? Zo nee, kunt u toelichten waarom Nederland structureel meer aan de EU zou moeten blijven afdragen dan het terugkrijgt?
Het kabinet zet in op beperking van de stijging van de afdrachten, zoals uiteengezet in de Kamerbrief van 22 mei jl. De nettobetalingspositie van lidstaten hangt samen met het relatieve welvaartsniveau. Daarom ligt het voor de hand dat Nederland, met een relatief hoog welvaartsniveau, nettobetaler is.
Hoe beoordeelt u het feit dat verschillende ingewijden in Brussel de onderhandelingen willen afronden vóór de Franse presidentsverkiezingen van april 2027, uit vrees dat een eurosceptische regering het akkoord zou kunnen blokkeren? Deelt u de opvatting dat dit geen reden mag zijn voor Nederland om onder tijdsdruk in te stemmen met een voor Nederland ongunstig akkoord?
Het kabinet is van mening dat een goede deal belangrijker is dan een snelle deal.
Bent u bereid om een fundamenteel andere onderhandelingsinzet naar de Kamer te sturen waarin wordt uitgegaan van een substantieel lagere EU-begroting, een substantieel lagere Nederlandse afdracht, categorische afwijzing van alle nieuwe EU-belastingen, en categorische afwijzing van nieuwe EU-schulden of EU-gedekte leningen – inclusief het Spaanse voorstel voor een European Sovereign Facility? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet staat voor de inzet zoals deze met uw Kamer is gedeeld. Het kabinet zet in op een gemoderniseerde EU-begroting, een verlaging van het Commissievoorstel, beperking van de stijging van de afdrachten en het kabinet is tegen de voorgestelde met leningen gefinancierde instrumenten Catalyst Europe en het crisismechanisme. Zoals afgesproken in het coalitieakkoord vindt het kabinet dat lidstaten primair zelf verantwoordelijk zijn voor hun begroting. Nederland staat daarom niet garant voor de nationale schulden van andere landen (Eurobonds). Nederland staat onder voorwaarde wel constructief tegenover het gebruik van reeds bestaande instrumenten voor gemeenschappelijke investeringen, zoals dat plaatsvindt via de Europese Investeringsbank (EIB), macro-financiële bijstand (MFA) en de Oekraïne-faciliteit waarbij landen alleen garant staan voor hun eigen kapitaalaandeel (BNI-sleutel). Het kabinet wijst het door Spanje geopperde idee van een European Sovereign Facility dan ook af. Dit voorstel ligt niet formeel op tafel in de MFK-onderhandelingen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De inclusie van mensen met een beperking en van kinderen bij ontwikkelingssamenwerking |
|
Don Ceder (CU) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie-Ceder/Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen?1
Inclusiviteit ligt ten grondslag aan de ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s die het ministerie financiert. Deze programma’s zijn daarom zo veel mogelijk toegankelijk voor diverse groepen in een samenleving, waaronder mensen met een beperking. Conform de motie Ceder en Bamenga (Kamerstuk 36 180, nr. 149) blijf ik op reguliere basis in gesprek met relevante organisaties, zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD).
Kunt u per sector specificeren hoe u de toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies onder respectievelijk de sectoren water, voedsel en gezondheid aantoonbaar garandeert, zoals de motie vraagt (en er dus niet enkel aandacht voor heeft)? Welke eventuele aanpassingen heeft u daarvoor doorgevoerd sinds het aannemen van de motie?
Binnen de sectoren water, voedsel en gezondheid wordt inclusie als uitgangspunt gehanteerd bij de ontwikkeling en de uitvoering van programma’s. Hieronder valt ook het waarborgen van toegang tot interventies voor mensen met een beperking, naast andere kwetsbare groepen.
Een voorbeeld binnen de watersector is het door Nederland medegefinancierde Global Water Security and Sanitation Partnership met de Wereldbank. Dit programma stimuleert toegang voor mensen met een beperking tot werk en diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen en bevordert dat zij een rol spelen in besluitvorming.
Binnen de programmering op voedselzekerheid is het landrechtenprogramma in Benin (Projet de Préparation de la Mise à l'Échelle du Cadastre national) een voorbeeld van een project gericht op het bevorderen van toegang tot land voor vrouwen, jongeren en kwetsbare groepen, zoals mensen met een beperking.
Binnen de programmering op gezondheid werken partners in Mozambique bijvoorbeeld met afbeeldingen voor betere communicatie met mensen met een auditieve beperking. Ook start dit jaar in Burkina Faso een programma op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) dat rekening houdt met de informatiebehoeften van mensen met een beperking.
Kunt u toezeggen ook in deze kabinetsperiode doorlopend in gesprek te zijn met relevante organisaties over de aantoonbare en gegarandeerde toegang van mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie voert regulier overleg met organisaties zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD), waarin onder meer wordt gesproken over de inclusie van mensen met een beperking in ontwikkelingsbeleid en -programma’s.
Ook in de SRHR NEXT-alliantie van Nederlandse organisaties wordt specifiek aandacht besteed aan de behoeften en toegang van mensen met een beperking.
Bent u bereid om periodiek de Kamer te informeren over (de verbetering van) toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie voert geen doelgroepenbeleid in ontwikkelingssamenwerking. Dat betekent dat de betrokkenheid van kwetsbare groepen, waaronder mensen met een beperking, niet systematisch gemonitord wordt. Het is dan ook niet uitvoerbaar uw Kamer periodiek te informeren over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies. Uiteraard blijft inclusie van mensen met een beperking een belangrijk aandachtspunt binnen onze beleidsontwikkeling en programmatische inzet. In onze reguliere rapportages, zoals het BHOS-Jaarverslag, zal ik, waar mogelijk, blijven aangeven hoe dit in de praktijk wordt ingevuld.
Bent u bereid om de inclusie van mensen met een beperking expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die deze mensen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Bij het uitwerken van de nieuwe visie op ontwikkelingssamenwerking wordt gekeken naar advisering door de AIV. Bij de totstandkoming van haar advies, heeft de AIV een openbare oproep gedaan om bij te dragen met schriftelijke input. Daarop hebben diverse organisaties kunnen reageren, waaronder hopelijk organisaties die mensen met een beperking vertegenwoordigen of programma’s voor en met mensen met een beperking uitvoeren. Bij de verdere uitwerking van de visie zal ik, waar passend, het gesprek voeren met relevante organisaties.
Op welke manier geeft u uitvoering aan de aangenomen motie van het lid Ceder c.s. over inzichtelijk maken in hoeverre de sectorale beleidsprioriteiten het welzijn van kinderen ten goede komen?2
Zie het antwoord op vraag 7.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel van de investeringen in ontwikkelingssamenwerking de komende jaren ten goede komen aan kinderen en onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie voert geen doelgroepenbeleid in ontwikkelingssamenwerking. Hierdoor wordt niet bijgehouden hoeveel van de investeringen ten goede komen aan het welzijn van kinderen. Wel is er in specifieke programma’s bijzondere aandacht voor kinderen. In lijn met de motie van de leden Ceder cs. (motie 36 800 XVII, nr. 51) zal ik voortaan jaarlijks in het BHOS-jaarverslag inzicht geven in een aantal specifieke programma’s waar welzijn en belangen van kinderen nadrukkelijk meewegen.
Voorbeelden zijn programma’s van UNICEF en Max Foundation, die direct bijdragen aan gezondheid van kinderen via voedselzekerheid en toegang tot water, sanitaire voorzieningen en hygiëne; het ACCEL-programma van de International Labour Organization, dat kinderarbeid tegengaat in internationale waardeketens voor cacao, katoen, thee en goud, in Ivoorkust, Mali, Nigeria, Ghana, Kenia en Uganda; en het PROSPECTS partnerschap, waarin inclusie van vluchtelingenkinderen in onderwijssystemen en nationale kinderbescherming wordt meegenomen als onderdeel van sociale bescherming van vluchtelingen in landen van opvang. Tevens ondersteunt PROSPECTS kinderen uit gastgemeenschappen en uit de populatie van intern ontheemden in toegang tot onderwijs. In het Future4Binti-programma (2026–2030, EUR 50 mln.) is er specifiek aandacht voor meisjes om schadelijke praktijken zoals vrouwelijke genitale verminking en kindhuwelijken in Oost-Afrika tegen te gaan. Ook het Global Programme to End Child Marriage van UNICEF (2024–2027, EUR 18 mln.) zet in op bescherming van kinderen en specifiek meisjes tegen kindhuwelijken. Daarnaast zijn er andere door Nederland gefinancierde programma’s gericht op levensreddende hulp en bescherming voor alle mensen in nood met extra aandacht voor de meest kwetsbaren, waaronder kinderen.
Klopt het dat het mandaat van de jongerenambassadeur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken afloopt en diverse programma’s rond jongeren en onderwijs niet worden voortgezet? Hoe verhoudt dat zich tot de passage in het coalitieakkoord «We vergroten perspectief door te investeren in jongeren, onderwijs (…)»?
Het vorige kabinet heeft besloten de jongerenagenda geen prioriteit meer te geven. Gegeven capaciteitsbeperkingen en vele noden moeten keuzes worden gemaakt. Na een effectieve fase van bewustwording en internationaal aanjagen van het jongerenthema (Youth at Heart) is het nu tijd voor verankering van deze aanpak in het OS-beleid via de reguliere werkprocessen. Het is dan ook niet logisch om de aanjaagfunctie van de (onder het vorige kabinet opgeheven functie) Ambassadeur Jongeren, Onderwijs en Werk opnieuw in het leven te roepen.
Jongeren blijven primair benaderd worden als partners met een stem die gehoord moet worden; jongerenparticipatie wordt vormgegeven door reeds bestaande structuren zoals de VN-Jongerenvertegenwoordigerprogramma, SRGR- jongerenambassadeur, de WestWing en lokale jongerenadviescommissies bij posten. Ook worden programma’s gericht op jongeren, zoals Orange Corners, PROSPECTS en KEY, (door)ontwikkeld en uitgevoerd.
Bent u bereid om het mandaat van de jongerenambassadeur te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om aandacht voor het welzijn en de belangen van kinderen expliciet op te nemen in uw aangekondigde visie op ontwikkelingssamenwerking en daartoe te spreken met organisaties die kinderen vertegenwoordigen? Zo nee, waarom niet?
Aandacht voor het welzijn en belangen van kwetsbare groepen, waaronder kinderen liggen aan de basis van mijn ontwikkelingsbeleid.
De berichten over de situatie in de straat van Hormuz |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u een duidelijk beeld van de gevolgen van de crisis in de straat van Hormuz voor de kosten en beschikbaarheid van inputs voor de Nederlandse landbouw (zoals diervoeding en kunstmest)?
Het kabinet heeft Wageningen Social & Economic Research gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de gevolgen van een afsluiting van de Straat van Hormuz voor de Nederlandse voedselvoorziening, waaronder de beschikbaarheid en kosten van landbouwinputs zoals diervoeder en kunstmest. De resultaten van deze analyse zijn begin juli met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Tegelijkertijd monitort het kabinet de ontwikkelingen in en rond de Straat van Hormuz nauwlettend en onderhoudt het ministerie hierover nauw contact met sectorpartijen.
Heeft u ook breder de afhankelijkheden van de Nederlandse landbouw in beeld van inputs van buiten de EU en de gevolgen voor de landbouw en de Nederlandse strategische autonomie en economie wanneer dit soort inputs tijdelijk of langdurig zouden wegvallen?
Het kabinet heeft de belangrijkste strategische afhankelijkheden van de Nederlandse landbouw van inputs uit derde landen in beeld en monitort deze. Het verminderen van deze strategische afhankelijkheden vormt de tweede pijler van de aangekondigde Strategische Agenda Voedselzekerheid (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Tegelijkertijd kunnen, afhankelijk van de aard en duur van een verstoring, ook bij andere producten en grondstoffen knelpunten ontstaan. Een onderbreking van de aanvoer kan leiden tot schaarste en prijsstijgingen van strategische inputs zoals energie en kunstmeststoffen, met mogelijke gevolgen voor de kosten en continuïteit van de landbouwproductie. De uiteindelijke impact is afhankelijk van de duur van de verstoring en de beschikbaarheid van alternatieve leveranciers of producten.
Op welke wijze bereidt u zich voor op dit soort scenario’s?
Het kabinet bereidt zich op dergelijke scenario's voor door analyses uit te voeren, strategische afhankelijkheden in kaart te brengen, ontwikkelingen in internationale toeleveringsketens nauwlettend te volgen en contact te onderhouden met sectorpartijen. Op basis daarvan kan het kabinet, indien nodig, tijdig maatregelen treffen om de gevolgen voor de voedselvoorziening en de landbouwproductie zoveel mogelijk te beperken.
Bovendien werkt het kabinet in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven en relevante (publieke) stakeholders aan een Landelijk Crisisplan Voedselzekerheid, dat naar verwachting begin 2027 aan u zal worden aangeboden. Dit is het overkoepelende kader voor het handelen in crisissituaties rondom voedselzekerheid en beschrijft de rol, taken en verantwoordelijkheden.
Hoe voorziet u dat Nederland de komende tijd meer onafhankelijk kan worden van dit soort inputs en hoe past dit binnen de verdere stappen die op het terrein van LVVN worden gezet, zoals de stikstofplannen, het nieuwe achtste Actieprogramma Nitraatrichtlijn en de eiwitstrategie?
Begin juli heeft de Staatssecretaris van LVVN uw Kamer geïnformeerd over de contouren van zijn Strategische Agenda Voedselzekerheid (Kamerstuk 31 532, nr. 310). Het structureel verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden vormt één van de drie pijlers waarop deze agenda is gebaseerd. De agenda zal integraal worden bezien in relatie tot de genoemde LVVN-terreinen, waarbij aandacht is voor de samenhang tussen de verschillende beleidsopgaven.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Voedselzekerheid op 23 september 2026?
Ja.
Het bezoek van Minister Sjoerdsma aan China |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek aan China het thema mensenrechten heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten? Bij wie heeft u dit opgebracht en wat heeft u precies opgebracht?
In het verslag Raad Buitenlandse Zaken van 22 juli jl.1 is een verslag opgenomen over mijn bezoek aan China. Tijdens mijn bezoek aan China vond voorafgaand aan de Joint Economic Committee een bilateraal gesprek plaats met de Chinese Minister van Handel, Wang Wentao. In dit gesprek heb ik in de context van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO), de EU Anti-dwangarbeidverordening en het belang van transparante waardeketens benadrukt. Ik heb aangegeven dat dit een cruciaal onderdeel is van EU-wetgeving en een belangrijk onderwerp in het publieke debat. In dat verband heb ik de zorgen die het kabinet heeft over Oeigoerse dwangarbeid overgebracht conform motie Van Baarle.2
Kunt u verslag doen van de wijze waarop u tijdens uw bezoek de behandeling van minderheden door China, zoals de Oeigoeren, de Tibetanen en christenen, heeft opgebracht bij de Chinese autoriteiten?
In het bilaterale gesprek met de Chinese Minister van Handel, Wang Wentao, heb ik de zorgen over Oeigoerse dwangarbeid overgebracht en gesproken over toegang tot Xinjiang. Het kabinet blijft zich inzetten voor de verbetering van o.a. de culturele en religieuze rechten van deze groepen en brengt deze zorgen zowel in bilateraal als multilateraal verband over, samen met gelijkgezinde landen en partners uit het maatschappelijk middenveld. Daarbij kijkt het kabinet naar de meest effectieve manier.
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Van Baarle, onder Kamerstuk 21 501-02 nr. 3409, waarin aan u gevraagd is om tijdens het bezoek expliciet aandacht te vragen voor de mensenrechten van de Oeigoeren en het opleggen van dwangarbeid aan het Oeigoerse volk?
Antwoord op vragen 3 t/m 5: zie de antwoorden op vragen 1 en 2.
Op welke wijze heeft u de culturele en religieuze onderdrukking, het opsluiten in kampen en de politieke onderdrukking van de Oeigoeren bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke wijze heeft u de dwangarbeid die aan het Oeigoerse volk wordt opgelegd bij de Chinese autoriteiten opgebracht?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u de behandeling van de Oeigoeren door de Chinese overheid tijdens het bezoek expliciet veroordeeld en geclassificeerd als mensenrechtenschendingen? Zo neen, waarom niet?
Tijdens het bilaterale gesprek met de Chinese Minister van Handel, Wang Wentao, heb ik de Oeigoerse dwangarbeid als mensenrechtenschending gekwalificeerd door de term «dwangarbeid» te gebruiken.
Heeft u al een leidende bevoegde autoriteit aangesteld in het kader van de Europese Anti- dwangarbeidverordening? Wanneer is deze aangesteld en waarom is hiervoor gekozen?
Nee, in Nederland is op dit moment nog geen leidende bevoegde autoriteit aangewezen voor de uitvoering van de Europese Anti-dwangarbeidverordening.
Wanneer het vermoeden van dwangarbeid betrekking heeft op producten van buiten de EU, treedt de Europese Commissie op als leidende bevoegde autoriteit. De Commissie is dan verantwoordelijk voor het onderzoek en de besluitvorming over de vraag of het verbod uit de verordening is geschonden.
De gesprekken over de invulling van de rol van de leidende bevoegde autoriteit in Nederland en welke partij daarvoor het meest geschikt is, lopen nog. Deze gesprekken zijn geïntensiveerd. Net als uw Kamer, ziet het kabinet de urgentie om voortgang te maken, zodat Nederland klaar is voor het van toepassing worden van de Anti-dwangarbeidverordening per 14 december 2027. Uw Kamer wordt op de hoogte gehouden over de vorderingen.
Kunt aangeven op welke wijze u de concrete inzet van deze verordening tegen Oeigoerse dwangarbeid in Europees verband bepleit, ook ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3408)? Brengt u dit onderwerp consequent op bij andere lidstaten en bij de Europese Commissie?
Ja. In het najaar van 2025 organiseerde Nederland een bijeenkomst voor EU-lidstaten en de Europese Commissie over de implementatie van de Anti-dwangarbeidverordening. Nederland heeft daarbij het belang onderstreept van het effectief tegengaan van staatsgeleide dwangarbeid, waaronder jegens Oeigoeren in China.3 In gesprek met de Commissie en tijdens een bijeenkomst van het Unienetwerk tegen met dwangarbeid vervaardigde producten4 is deze thematiek dit jaar wederom onder de aandacht gebracht, daartoe mede aangespoord door uw motie.5
Daarnaast heeft Nederland eind mei bij de Europese Commissie, o.b.v. relevante informatiebronnen en conform motie Van Baarle,6 gepleit voor het opnemen van Xinjiang in de nieuwe Anti-dwangarbeidverordening database met risicoregio’s en risicoproducten. Zodra de database gepubliceerd wordt, is deze terug te vinden op het Centraal Portaal Dwangarbeid.7
Welke stappen heeft u reeds gezet ter uitvoering van de motie Van Baarle (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3410), die u vraagt de Anti- dwangarbeidverordening nationaal zo streng en doelgericht mogelijk te implementeren om dwangarbeid door Oeigoeren tegen te gaan?
Europese verordeningen zijn rechtstreeks van toepassing in alle lidstaten. De bepalingen gelden na inwerkingtreding van de verordening automatisch in de Nederlandse rechtsorde; Nederland mag de inhoud niet aanpassen of aanscherpen. Wel is er in het kader van de Anti-dwangarbeidverordening nationale uitvoeringswetgeving nodig om bevoegde autoriteiten aan te wijzen, deze autoriteiten van toezicht- en handhavingsbevoegdheden te voorzien en gegevensdeling- en verwerking mogelijk te maken. In het antwoord op vraag 7 vindt u de stappen die reeds gezet zijn op het gebied van de invulling van de rol van de leidende bevoegde autoriteit. Daarnaast heeft Nederland reeds vier markttoezichthouders genotificeerd voor de handhaving van het verbod, nadat eenmaal is vastgesteld dat producten met dwangarbeid zijn vervaardigd.8 Op deze manier wordt gewerkt aan een effectieve uitvoering van de verordening. Uw motie is daarnaast betrokken bij ambtelijke gesprekken met de Europese Commissie over dit onderwerp.
Illegale houtkap in de Amazone via Nederlandse bedrijven |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), van Essen |
|
|
|
|
Klopt het dat hout met een illegale herkomst via Nederlandse importeurs, handelaren of afnemers in de keten is beland en is verkocht met een duurzaam label? Zo ja, welke partijen zijn daarbij betrokken?1
Wanneer er signalen zijn dat er illegaal gekapt hout op de Nederlandse markt terecht komt, wordt hier handhavend tegen opgetreden. Dat mogelijk illegaal gekapt hout op de Nederlandse markt terecht komt, is helaas nooit helemaal uit te sluiten. Over individuele gevallen doen de ministeries geen uitspraak.
Welke Nederlandse bedrijven, importeurs, handelaren of afnemers zijn door de regering of toezichthouders in beeld gebracht in verband met deze handel?
Namen van bedrijven kunnen niet openbaar gemaakt worden. Over eventuele lopende strafrechtelijke onderzoeken maken opsporingsdiensten geen informatie bekend vanwege de bescherming van privacy en onschuldspresumptie, evenals de integriteit van het onderzoek.
Welke boetes, sancties of importverboden zijn inmiddels opgelegd aan betrokken partijen? Als die sancties er niet zijn, waarom niet?
Op basis van het rapport van Earthsight zijn nog geen boetes, sancties of importverboden opgelegd. In dit soort zaken onderzoekt de NVWA eerst of de informatie in het rapport inderdaad voldoende aanknopingspunten heeft om controles bij bedrijven uit te voeren. Ook wordt gekeken of genoemde bedrijven zijn geïnspecteerd op meer recente partijen en wat de uitkomst van die inspecties was. Bij de houtverordening gaat het uiteindelijk niet om een controle op een specifieke partij hout, maar om de mate van robuustheid van een stelsel van zorgvuldigheidseisen dat een bedrijf heeft en om welke maatregelen bedrijven nemen als er toch onregelmatigheden in hun toeleveringsketens optreden.
Hoe vaak heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in de afgelopen vijf jaar controles uitgevoerd op tropisch hardhout uit de Amazone en hoeveel overtredingen zijn daarbij vastgesteld?
In de afgelopen vijf jaar zijn er 32 inspecties uitgevoerd op bedrijven waarbij de focus van de inspectie lag op zendingen uit het Amazonegebied. Bij elf bedrijven betrof het gezaagd hout en bij 21 bedrijven papierproducten. Zeven waren akkoord, vier kregen een Proces-Verbaal, 20 een Last onder dwangsom en één een nadere bestuursrechtelijke maatregel. Met de invoering van de EUDR zal de inspectie-intensiteit toenemen. Dit betekent onder andere dat zendingen van hout en houtproducten, waaronder hout uit het Amazonegebied, nog nadrukkelijker onderwerp van toezicht zullen zijn.
Vindt het kabinet het acceptabel dat bedrijven winst maken op tropisch hout, terwijl de Amazone ondertussen steeds verder verdwijnt?
Het kabinet zet zich ervoor in om illegaal geproduceerd hout van de Nederlandse en Europese markt te weren en om wereldwijd ontbossing en bosdegradatie per 2030 te stoppen en om te keren, onder meer door internationale samenwerking en regelgeving. Voor houtproducten gelden Europese regels om ontbossing en illegale houtkap tegen te gaan. De Europese houtverordening (EUTR) verplicht bedrijven om gepaste zorgvuldigheid toe te passen om het risico op het op de markt brengen van illegaal gekapt hout te beperken. Deze regelgeving wordt vervangen door de Europese ontbossingsverordening (EUDR), die bedrijven verplicht aan te tonen dat hout en andere relevante grondstoffen legaal geproduceerd zijn en niet afkomstig zijn van gronden waarop ontbossing of bosdegradatie heeft plaatsgevonden.
Daarnaast verwacht het kabinet van alle Nederlandse bedrijven dat zij handelen conform internationale standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO): de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights. Deze standaarden schrijven voor dat bedrijven risico’s voor mens en milieu in de waardeketen, zoals het risico op ontbossing, identificeren en waar nodig aanpakken. Het kabinet ondersteunt het Nederlandse bedrijfsleven hierbij, o.a. via het MVO-steunpunt, sectorale samenwerking en het postennetwerk.
Bent u bereid de handhaving op import van tropisch hout aan te scherpen, onder meer door intensievere ketencontroles en zwaardere sancties bij misleiding?
Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de ontbossingsverordening (EUDR), de opvolger van de houtverordening, is de handhavingscapaciteit bij de NVWA uitgebreid. Vanaf 30 december 2026, het moment van inwerkingtreding van de EUDR, zal het aantal inspecties toenemen. Vanaf dat moment gelden verplichte controlepercentages. Uit landen met een gemiddeld risico op ontbossing, waar veel landen in de Amazone-regio onder vallen, zal 3% van de marktdeelnemers die hout importeren, jaarlijks moeten worden geïnspecteerd.
Is het kabinet bereid om misstanden in de toeleveringsketen van hout en het effect hiervan op de Amazone serieus te onderzoeken, om te zien of aanvullende nationale regels nodig zijn naast de EUDR om frauduleuze import van tropisch hout tegen te gaan?
Het kabinet vindt het van belang dat misstanden in de houtketen worden voorkomen en aangepakt. De Europese ontbossingsverordening (EUDR) is hiervoor een belangrijk instrument dat bedrijven verplicht inzicht te geven in hun toeleveringsketens en ervoor te zorgen dat relevante producten niet bijdragen aan ontbossing en bosdegradatie. Het kabinet zet zich in voor een effectieve uitvoering en handhaving van de EUDR. Op basis van de ervaringen met de uitvoering en eventuele signalen over misstanden zal worden bezien of aanvullende maatregelen nodig zijn.
Kunt u aangeven welke diplomatieke stappen Nederland zet richting Brazilië om structurele controle op herkomst, kapvergunningen en exportdocumenten te verbeteren?
Bij inspecties controleert de NVWA de documentatie van importerende bedrijven op hun verplichtingen onder de houtverordening. Incidenteel en waar nodig werkt de NVWA daarvoor samen met Braziliaanse instanties en overheden.
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor hardere aanpak van misstanden in toeleveringsketens, inclusief een passage hierover in het politiek deel van het Mercosur-verdrag?
Het kabinet onderschrijft het belang van een stevige Europese aanpak van misstanden in toeleveringsketens. In EU-kader wordt al gewerkt aan de uitvoering van verschillende IMVO-gerelateerde wetgeving zoals de EUDR en de Richtlijn inzake gepaste zorgvuldigheid voor duurzaamheid van ondernemingen (CSDDD). Nederland brengt daarnaast het belang van gepaste zorgvuldigheid, naleving van internationale normen en een gelijk speelveld voor bedrijven actief onder de aandacht in de EU. Aangezien de onderhandelingen over het EU-Mercosur-akkoord reeds zijn afgerond, is een aanpassing hiervan op dit moment niet aan de orde. Binnen het akkoord zijn concrete duurzaamheidsafspraken gemaakt met als doel grondstofwaardeketens veiliger en toekomstbestendig te maken, en zijn er bepalingen overeengekomen over hoe gezamenlijk wordt ingezet op duurzaam bosbeheer. Daarnaast is er een reguliere dialoog tussen de EU en de Mercosur-landen voor de implementatie van de gemaakte afspraken.
Bent u bereid de Kamer binnen drie maanden te informeren over de stand van zaken rond toezicht, handhaving en vervolging in deze zaak?
Zoals toegelicht doen de ministeries geen uitspraken over individuele zaken.
Het bericht: ‘Trump administration probes UNRWA over alleged employment of 1,500 terrorists’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat de regering-Trump een onderzoek is gestart naar de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees (UNRWA) vanwege beschuldigingen dat duizenden medewerkers banden zouden hebben met terroristische organisaties, zoals Hamas?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze nieuwe beschuldigingen tegen UNRWA?
Op het moment van schrijven is het onderzoek van de VS nog gaande en is er nog geen rapport gepubliceerd. Ik wil dan ook niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek. Navraag bij UNRWA levert op dat vooralsnog geen informatie is gedeeld over dit lopende onderzoek jegens de UNRWA-medewerkers. UNRWA heeft daartoe wel verschillende verzoeken gedaan, zodat waar nodig reactie kan worden gegeven en/of actie ondernomen kan worden.
Deelt u de opvatting dat ook de schijn dat Nederlands belastinggeld direct of indirect terechtkomt bij personen met banden met terroristische organisaties volstrekt onacceptabel is?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 30 maart jl.1 benadrukt het kabinet de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen.
Welke garanties kunt u geven dat geen enkele euro Nederlands belastinggeld via UNRWA terechtkomt bij personen of organisaties die betrokken zijn bij terrorisme of terrorisme ondersteunen?
Het kabinet wil onder geen enkel beding dat publieke middelen aangewend worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen zoals Hamas. Berichtgevingen over potentiële banden van UNRWA met Hamas en mogelijke betrokkenheid van enkele individuele UNRWA-medewerkers bij de aanslagen van 7 oktober worden derhalve steeds serieus bekeken. Internationale, onafhankelijke onderzoeken tonen aan dat er tot op heden onvoldoende bewijs is geleverd ten aanzien van banden tussen UNRWA en Hamas. Uit het onafhankelijk onderzoek van Office of Internal Oversight Services (OIOS) naar mogelijke betrokkenheid van individuele UNRWA-medewerkers blijkt eveneens dat er onvoldoende bewijs was en het beschikbare bewijs niet kon worden geverifieerd. UNRWA heeft robuuste systemen ontwikkeld om eventuele misstanden te signaleren en gepaste actie te ondernemen, zoals de organisatie in het verleden ook heeft laten zien. Verder heeft UNRWA aangegeven alle aanbevelingen op te volgen uit het Colonna-rapport2 over de neutraliteit van de organisatie. Tot dusverre heeft UNRWA meer dan de helft van deze aanbevelingen geïmplementeerd en wordt voortgang geboekt op de overige aanbevelingen. Daarnaast neemt Nederland deel aan de werkgroep over neutraliteit en integriteit. Deze groep ziet nauw toe op de implementatie van de aanbevelingen.
Bent u bereid alle Nederlandse financiële bijdragen aan UNRWA onmiddellijk op te schorten? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft het door de Algemene Vergadering van de VN verleende mandaat van UNRWA steunen. De organisatie biedt belangrijke basisdiensten conform dit mandaat, zoals gezondheidszorg en onderwijs, aan Palestijnse vluchtelingen in de regio, inclusief Libanon, Jordanië en Syrië. Op deze manier draagt UNRWA bij aan de stabiliteit in een onrustige regio. Verder is UNRWA essentieel in het bieden van humanitaire hulp in zowel Gaza als Libanon.
Hoeveel Nederlands belastinggeld is sinds 7 oktober 2023 aan UNRWA verstrekt of toegezegd?
In totaal heeft Nederland in de periode sinds 7 oktober 2023 tot nu 63 miljoen euro bijgedragen aan UNRWA. Na 7 oktober heeft Nederland in 2023 een extra 18 miljoen euro bijgedragen gezien de hoge noden in de regio. In 2024, 2025 en 2026 heeft Nederland de jaarlijkse bijdrage aan UNRWA overgemaakt, waarvan 2025 en 2026 conform amendement Stoffer/Eerdmans3.
Welke concrete controles voert Nederland uit om te voorkomen dat Nederlands belastinggeld indirect ten goede komt aan terroristische organisaties?
Nederland werkt samen met professionele en betrouwbare maatschappelijke organisaties, die beleid en gedegen procedures hebben om risico’s van malversaties te verkleinen, en die adequaat optreden in geval van zowel aantijgingen als bewezen malversaties.
Besluiten om bepaalde organisaties te financieren worden altijd zorgvuldig genomen, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Deze assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Organisaties met wie Nederland samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van o.a. de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties. Daarnaast worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluatie en audits van activiteiten met Nederlandse steun. Indien uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andere malversaties, zal het ministerie daartegen optreden.
Ook is Nederland lid van de verschillende bestuursorganen van VN-organisaties, waarbij wordt toegezien op het effectief functioneren van de organisaties.
Eveneens bestaat het Multilateral Organisation Performance Assessment Network (MOPAN), waar Nederland ook lid van is en in 2025 voorzitter van was. Dit netwerk ziet toe op de effectiviteit, transparantie en resultaten van multilaterale organisaties, zoals de VN en de Wereldbank, middels onafhankelijke doorlichtingen.
Bent u bereid toekomstige Nederlandse bijdragen aan UNRWA definitief af te schaffen indien de ernstige beschuldigingen (gedeeltelijk) worden bevestigd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 30 maart jl.4 benadrukt het kabinet de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen. Indien hier sprake van zou zijn dan wordt steun heroverwogen. Het kabinet neemt de risico's op onbedoelde financiering altijd serieus en Nederland zal, samen met andere donoren, scherp blijven toezien op de integriteit van de hulpverlening, ook in de toekomst.
Bent u bereid zich er in Europees- en internationaal verband voor in te zetten dat geen belastinggeld meer terechtkomt bij organisaties waarvan de neutraliteit ernstig ter discussie staat? Zo nee, waarom niet?
Nederland is voortdurend in contact met partners en andere lidstaten om te blijven toezien op de integriteit en neutraliteit van de hulpverlening.
Beschikt u of het kabinet over aanwijzingen dat sinds 7 oktober 2023 Nederlands overheidsgeld, direct of indirect, terecht is gekomen bij Hamas of aan Hamas gelieerde personen of organisaties, dan wel dat door Nederland gefinancierde humanitaire- of ontwikkelingshulp door Hamas is verduisterd, omgeleid of in beslag genomen? Zo ja, om welke bedragen, gevallen en maatregelen gaat het? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert het kabinet dat hiervan geen sprake is?
Na de gebeurtenissen op 7 oktober 2023 zijn de due diligence-processen die ervoor moeten waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties tegen het licht gehouden. Daaruit bleek dat er geen signalen zijn dat geld voor Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse gebieden terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen en dat de processen op orde zijn, zoals gesteld in de brief die met de kamer op 11 oktober 2023 gedeeld is.5
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Defensie wil gouden aandeel in fabrikant van dronesoftware’ |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Defensie wil gouden aandeel in fabrikant van dronesoftware?»1
Ja, het Ministerie van Defensie is op de hoogte van het genoemde artikel.
Welk formeel afwegingskader heeft u gevolgd leidende tot uw besluit om met Intelic een optie tot een gouden aandeel in de samenwerkingsovereenkomst op te nemen? Kunt u het gehanteerde afwegingskader en uw antwoorden op bijhorende kernvragen delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie en Intelic zijn overeengekomen een langdurige strategische samenwerking aan te gaan. Gedurende dit proces heeft het Ministerie van Defensie in kaart gebracht welke publieke belangen een rol spelen bij de werkzaamheden die Intelic voor het Ministerie van Defensie zal verrichten. Vervolgens is geanalyseerd of de geïdentificeerde publieke belangen voldoende geborgd zijn.
De conclusie is dat, naast de reguliere contractuele afspraken, extra maatregelen nodig zijn om die publieke belangen voldoende te borgen. Daarom heeft Defensie met Intelic afspraken gemaakt, waaronder de optie tot een eenzijdige mogelijkheid voor de Staat tot het verwerven van een prioriteitsaandeel.
De analyse over de noodzaak en de besluitvorming of de Staat dit instrument ook daadwerkelijk zal gebruiken, zal plaatsvinden aan de hand van de Nota deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022 en het «Handboek aangaan deelnemingen». Bij de besluitvorming zal ook aan alle wettelijk voorgeschreven kaders, zoals de Comptabiliteitswet 2016, worden voldaan. De besluitvorming hierover zal plaatsvinden in overeenstemming met de Minister van Financiën. Uw Kamer zal worden geïnformeerd als hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden.
In hoeverre zijn de Comptabiliteitswet, de «Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022» en het «Handboek aangaan deelnemingen» zoals gepubliceerd door het Ministerie van Financiën2, gevolgd bij uw besluit om zorgvuldigheid te waarborgen? Op welke onderdelen is hiervan afgeweken en waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt er gewerkt aan een gedeeld formeel afwegingskader door de Ministeries van Defensie, Financiën en Economische Zaken voor toekomstige besluiten over strategische deelnemingen in de Nederlandse Defensie en Technologische Industriële Basis (NLDTIB)? Zo nee, waarom niet, en kunt u hier opdracht toe geven? Zo ja, wanneer wordt dit afwegingskader naar met de Kamer gedeeld?
Voor besluiten over eventuele strategische deelnemingen in de defensie-industrie is de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022 en het daarin opgenomen afwegingskader van toepassing. Het afwegingskader is sector-overstijgend en ook toepasbaar op de defensie-industrie.
In 2027 zal de reguliere en periodieke rapportage ter evaluatie van de Nota 2022 plaatsvinden. In algemene zin wordt hierin onderzocht of het beleid versterkt dient te worden om publieke belangen op verschillende beleidsterreinen doeltreffender en doelmatiger te kunnen borgen. Defensie wordt hierin meegenomen als beleidsterrein. Zo werken we aan een gedeeld formeel afwegingskader met het Ministerie van Financiën en Economische Zaken en Klimaat voor toekomstige besluiten over strategische deelnemingen in de Nederlandse Defensie en Technologische Industriële basis.
Daarnaast wordt momenteel een interdepartementale economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie uitgevoerd. Uw Kamer is hierover op 3 oktober 2025 geïnformeerd.3 Deze beleidsanalyse heeft tot doel, breed gedragen beleidsopties te formuleren, zodat de defensie-uitgaven effectief en doelmatig kunnen bijdragen aan versterking van de (Europese) militaire capaciteit. Het beleid inzake het aangaan van strategische samenwerking met de defensie-industrie is onderdeel van de analyse.
De inhoudelijke beoordeling per individuele casus wordt aan de hand van de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022en het «Handboek aangaan deelnemingen» opgesteld. Over de uitkomsten van de EBA wordt uw Kamer in september geïnformeerd. De uitkomsten worden vervolgens verwerkt in het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie, waarover uw Kamer later dit jaar wordt geïnformeerd.
Kunt u uw uitspraak in het artikel dat een daadwerkelijk gouden aandeel «een hele procedure» is, waarbij het Ministerie van Financiën betrokken is en goedkeuring van het parlement nodig is nader duiden? Is de Minister van Financiën betrokken geweest in deze besluitvorming tot een optie op een gouden aandeel bij Intelic?
Met deze tekst doel ik op de van toepassing zijnde wettelijke kaders en beleidskaders zoals ook beschreven in het antwoord op vragen 2 en 3. Uw Kamer zal worden geïnformeerd als hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden.
Heeft u vooraf juridisch advies verkregen over de effectiviteit en rechtmatigheid van deze optie op een gouden aandeel in Intelic, en/of op een daadwerkelijk gouden aandeel in de toekomst? Zo ja, kunt u de inhoud van dit advies delen met de Kamer?
Ja, de Landsadvocaat is betrokken bij dit proces.
Adviezen van de Landsadvocaat kan ik gelet op de kabinetsbeleidslijn voor openbaarmaking van adviezen van de Landsadvocaat (Kamerstuk 35 510, nr. 4) niet met u delen.
Heeft u vooraf overleg gevoerd met de Europese Commissie en wat is het standpunt van de Commissie, aangezien in het verleden de gouden aandelen bij KPN en TPG zijn verboden?
Nee, er is voor deze specifieke casus geen overleg gevoerd met de Europese Commissie.
Kunt u de ambtelijke beslisnota naar de Kamer sturen die gevolgd is ten behoeve van dit besluit om een optie op een gouden aandeel af te spreken met Intelic dan wel een daadwerkelijk gouden aandeel te gaan nemen?
De beslisnota zal vertrouwelijk met uw Kamer worden gedeeld.4
Kunt u de definitie van een gouden aandeel specificeren? Wat valt er onder «strategische besluiten» door Intelic, waarvoor het Ministerie van Defensie voortaan eerst toestemming moet verlenen en behelst dit ook een vetorecht? Kunt u nader uiteenzetten hoe dit zal verschillen van de huidige situatie?
Heeft u kennisgenomen van het artikel van het online luchtvaartplatform Up in the Sky van 9 mei 2026 (hierna: het artikel) «Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor blijft knokken»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de aan u gerichte brief van de vaste commissie voor Defensie van 21 mei 2026 met de aanhef «Betreft: Aanbieding artikel «Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor blijft knokken»» en het verzoek daarin dat stelt: «In de procedurevergadering van 21 mei 2026 heeft de commissie besloten graag een reactie van u op dit artikel te ontvangen»?2
Ja. Op 11 juni jl. heb ik op de brief van de vaste commissie voor Defensie mijn reactie gegeven (Kamerstukken II 2025/26, 31 936, nr. 1297; kenmerk 2026D28894).
Waarom heeft u in de kabinetsreactie van 11 juni 2026 gesteld «Bij brief van 21 mei 2026 (2026Z09727/2026D23983) te reageren op een brief van een burger van 11 mei 2026»3, terwijl uit het hierboven onder vraag 2 geciteerde schriftelijke verzoek van de vaste commissie voor Defensie glashelder blijkt dat er door de Kamer niet is gevraagd om een reactie op «een brief» en wel om een kabinetsreactie op het artikel?
In de brief van de vaste commissie voor Defensie werd gerefereerd aan een burgerbrief met daarin hoofdzakelijk een verwijzing naar het genoemde artikel. In mijn eerdergenoemde brief van 11 juni jl. heb ik daarop mijn reactie gegeven.
Hoe verhoudt het niet honoreren van het verzoek van de Kamer, zoals hierboven onder vraag 2 geciteerd, zich tot de informatieplicht van het kabinet jegens de Kamer en tot Artikel 68 van de Grondwet?
De vaste commissie voor Defensie heeft verzocht om een reactie op het genoemde artikel. In mijn brief van 11 juni jl. heb ik hierop gereageerd. Daarnaast is hierover ook gesproken tijdens het notaoverleg Veteranen met de vaste commissie voor Defensie op 22 juni jl. Ik herken dan ook niet het beeld dat het verzoek van de Kamer om inlichtingen niet zou zijn gehonoreerd. De door de Kamer gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.
Welke wet of regeling staat het kabinet toe om dit verzoek om informatie van de Kamer opzettelijk naast zich neer te leggen? Indien daarvoor geen legitieme grond bestaat, welke gevolgtrekkingen verbindt u hieraan?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, zijn de door de Kamer gevraagde inlichtingen verstrekt.
Hoe verhoudt het door de Minister van Defensie en vicepremier tijdens het debat over de veteranennota van 22 juni 2026 niet beantwoorden van mijn gestelde vragen zich tot de informatieplicht van het kabinet richting de Kamer en tot Artikel 68 van de Grondwet?
Tijdens het notaoverleg Veteranen zijn aan de Minister van Defensie vragen gesteld die betrekking hebben op een voormalig medewerker van Defensie.
In algemene zin dient het kabinet bij het verstrekken van inlichtingen aan de Staten-Generaal die betrekking hebben op een individuele burger, rekening houden met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals bepaald in artikel 10 van de Grondwet.
Voor zover de vragen geen betrekking hadden op privacygevoelige gegevens, heeft de Minister deze – mede in relatie tot een motie over hetzelfde onderwerp – achteraf schriftelijk beantwoord. Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
In welke wet of regeling is vastgelegd dat het feit dat Defensie c.q. de Staat is gedagvaard een uitzonderingsgrond zou zijn voor de informatieplicht van het kabinet richting de Kamer die volgt uit Artikel 68 van de Grondwet? Indien die uitzonderingsgrond niet bestaat, waarom beroept het kabinet zich er dan op?
In aanvulling op mijn antwoord op vraag 6 merk ik op dat de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg Veteranen van 22 juni jl. heeft toegelicht dat zij het in eerste instantie niet opportuun achtte om in het parlement in te gaan op een individuele casus waarbij Defensie door betrokkene is gedagvaard, aangezien dit het proces bij de rechter zou kunnen beïnvloeden.
Zijn er door Defensie inmiddels excuses aangeboden en aansprakelijkheid erkend voor de onherroepelijke tuchtrechtelijke veroordelingen van 4 (vier) verschillende Defensieartsen, waarvan 2 (twee) verschillende artsen in 2 (twee) verschillende rechtsplegingen voor het vervalsen van het medische dossier van betrokkene? Zo nee, waarom niet en zo nee, gaat de Minister van Defensie en zorgaanbieder van Defensie dat nog doen en zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van het vermeend vervalsen van het medisch dossier heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in het hoger beroep de defensiearts een maatregel van waarschuwing opgelegd. Daarbij geeft het Centraal Tuchtcollege aan: «Het Centraal Tuchtcollege ziet overigens geen enkel aanknopingspunt voor de suggestie van klager dat er sprake is van een moedwillige vervalsing of kwaad opzet van [de defensiearts]».
De tuchtklachten ten aanzien van een andere defensiearts over een verwijderingsverzoek zijn gedeeltelijk gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel. Daarbij is aangegeven door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: «het is het college duidelijk geworden dat [de defensiearts] zeer prudent en zorgvuldig te werk heeft willen gaan bij de afhandeling van het verwijderingsverzoek in de gegeven situatie. Zij was op de hoogte van de relevante wet- en regelgeving en heeft zorgvuldig willen zijn, maar is daarbij niet uitgegaan van de juiste maatstaf.»
Defensie heeft als bestuursorgaan over deze tuchtrechtelijke procedures tegen het handelen van de twee defensie-artsen niet afzonderlijk excuses aangeboden en ziet na de uitkomst van deze tuchtrechtelijke procedures hier ook geen verdere aanleiding toe. Met betrokkene zijn twee vaststellingsovereenkomsten gesloten, waarbij finale kwijting is overeengekomen.
Waarom is de Kamer voorgehouden dat er sprake zou zijn van «opschoning» van het medisch dossier van betrokkene, terwijl inmiddels in rechte vaststaat dat er sprake was van vervalsing?4
Zie het antwoord op vraag 8.
Waarom worden de tuchtrechtelijk veroordeelde artsen bijgestaan door de landsadvocaat, terwijl Defensie in reactie op Kamervragen herhaaldelijk heeft gesteld dat Defensie in deze kwestie geen partij zou zijn?
Defensie en, vervolgens drie (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder twee (voormalig) defensieartsen, zijn in 2025 gezamenlijk aansprakelijk gesteld voor een vermeende gemiste carrière in de burgerluchtvaart. Daarom is besloten gezamenlijk verweer te voeren. Gebruikelijk is dat de Staat in dit soort procedures vertegenwoordigd wordt door de Landsadvocaat. Defensie en de (voormalig) defensiemedewerkers hebben deze aansprakelijkheid van de hand gewezen. Defensie heeft onlangs schriftelijk verweer ingediend bij de rechtbank Den Haag.
Hoe verhoudt de stellingname van de Minister dat Defensie geen partij zou zijn zich tot de verantwoordelijkheid van de Minister als zorgaanbieder van Defensie?
De tuchtklachten waren gericht tegen het handelen van defensieartsen. In die tuchtrechtprocedures stond het individuele handelen van de defensieartsen centraal, en was Defensie geen partij.
Houdt het kabinet vol dat Defensie geen partij zou zijn? Zo ja, kunt u dat toelichten en zo nee, wanneer is die opstelling veranderd en welke gevolgen heeft dit in relatie tot de eerdere herhaaldelijke beweringen dat Defensie geen partij zou zijn?
Defensie is op dit moment, samen met drie (voormalig) defensiemedewerkers gedaagde – en dus partij – in de gestarte dagvaardingsprocedure. Bij de tuchtrechtzaken gericht tegen de artsen was Defensie geen partij.
Waarom is de Kamer verkeerd geïnformeerd dat Defensie geen zwijgcontracten zou aanwenden om medewerkers de mond te snoeren?5
Op basis van deze vraag is mij niet duidelijk waarop de veronderstelling is gebaseerd dat Defensie «zwijgcontracten» zou aanwenden. Mijn ambtsvoorganger heeft in reactie op de aangehaalde (en vervallen) motie uit 2019 het volgende aangegeven (Handelingen II 2018/19, nr. 51, item 4):
Deze uitspraak is gedaan in de context van het rapport van de Commissie-Giebels uit 2018. Deze commissie deed onderzoek naar de sociaal veilige werkomgeving bij Defensie. Een van de aanbevelingen van de Commissie-Giebels was om meer duidelijkheid te geven over de «zwijgplicht» tijdens een intern onderzoek. In dit kader heeft de Kamer via de motie-Kerstens verzocht om «voor eens en altijd duidelijk te maken dat het bij het melden van misstanden en calamiteiten onder druk laten ondertekenen van geheimhoudingsverklaringen niet aan de orde is» (Kamerstukken II 2018/19, 35 000 X, nr. 118).
In navolging hierop is de Aanwijzing SG 989 «Interne onderzoeken» aangepast, waarover de Kamer op 10 februari 2020 per brief is geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35 300 X, nr. 54). De aanwijzing geeft aan dat betrokkenen bij het onderzoek vertrouwelijk moeten omgaan met verkregen informatie. Als betrokkenen gedurende het interne onderzoek met elkaar spreken over het onderzoek, kan dit namelijk de authenticiteit van de verklaringen beïnvloeden, hetgeen de kwaliteit van het onderzoek niet ten goede komt. Echter, dit mag er niet toe leiden dat een betrokkene ervan wordt weerhouden om aangifte te doen, informatie te delen met zijn raadsman en/of vertrouwenspersoon of contact te zoeken met andere officiële instanties, zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid, het Huis voor Klokkenluiders, de Nationale ombudsman of andere externe toezichthouders.
Hoe vaak en tegen hoeveel (voormalig) Defensiemedewerkers heeft Defensie zwijgcontracten aangewend, door de medewerker ondertekend of niet? Indien dit nooit vaker is gebeurd, waarom dan wel tegen betrokkene?
Ik herken mij niet in het geschetste beeld dat Defensie zwijgcontracten zou hebben aangewend tegen (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder betrokkene.
Wie was de Defensiemedewerker die het zwijgcontract tegen betrokkene aanwendde en welke functie bekleedde de Defensiemedewerker die het zwijgcontract aanwendde op dat moment?
Zie het antwoord op vraag 14.
Welke functie(s) bij Defensie heeft de medewerker, die het zwijgcontract tegen betrokkene aanwendde, nadat het zwijgcontract is aangewend, nog bekleed bij Defensie?
Zie het antwoord op vraag 14.
Is de medewerker die het zwijgcontract inzette tegen betrokkene vandaag de dag nog werkzaam bij Defensie en zo ja, op welke functie?
Zie het antwoord op vraag 14.
Hoe verhoudt het voor betrokkene achtergehouden dossier van tenminste 1700 e-mails van de toenmalige commandant van de vliegbasis Eindhoven zich tot goed werkgeverschap, de AVG, de wet- en regelgeving met betrekking tot de bescherming van klokkenluiders en de sociale veiligheid binnen Defensie?
Ik herken mij niet in het beeld dat er e-mails zouden zijn achtergehouden.
Beheert Defensie over meer (voormalig) Defensiemedewerkers dergelijke dossiers en zo ja van hoeveel (voormalig) werknemers en zo nee, waarom dan wel over betrokkene?
Defensiemedewerkers hebben een personeelsdossier, en zorgverleners houden conform de daarvoor geldende wettelijke verplichting een medisch dossier bij. Bij uitzondering kan daarnaast sprake zijn van een aanvullend dossier, zoals een onderzoeksdossier in het geval van een intern onderzoek.
Indien Defensie dergelijke dossiers beheert van meer (voormalige) Defensiemedewerkers, om hoeveel medewerkers gaat het, waaruit bestaan die dossiers, wat is de omvang van die dossiers en zijn de betreffende medewerkers daarover geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat Defensie deze dossiers delen met de betreffende medewerkers en zo nee waarom niet?
Defensiemedewerkers zijn ermee bekend dat Defensie, met inachtneming van de AVG, persoonsgegevens bijhoudt, zoals dat gebruikelijk is bij het bijhouden van personeelsdossiers. Daarnaast is Defensie wettelijk verplicht medische dossiers van (oud-)medewerkers bij te houden. Medewerkers en oud-medewerkers van Defensie kunnen hun personeelsdossier en medisch dossier desgewenst opvragen.
Onderzoekdossiers, zoals beschreven bij vraag 19, zijn uitsluitend toegankelijk voor het bevoegd gezag of geautoriseerde functionarissen. Betrokkenen kunnen verzoeken om afschriften van die delen van een onderzoeksdossier die rechtstreeks op hen betrekking hebben.
Waarom heeft Defensie het dossier van tenminste 1700 e-mails over betrokkene ook achtergehouden voor de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO)6?
Defensie heeft volledige medewerking verleend aan het onderzoek van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid. Defensie heeft de informatie aangeleverd waar door de Onderzoeksraad Integriteit Overheid om is verzocht.
Waarom heeft betrokkene het dossier, waaronder maar zich niet beperkend tot de 1700 e-mails over hem van de voormalig commandant van vliegbasis Eindhoven en de documenten die zijn achtergehouden met het zwijgcontract, ook bij navraag7 en ook met een beroep op de AVG8, nooit ontvangen?
Defensie heeft per brief van 29 januari 2021 hierover met betrokkene gecorrespondeerd en deze vragen geadresseerd. Het recht van inzage op grond van de AVG is van toepassing. Indien een verzoek wordt ingediend vindt beoordeling plaats conform de vigerende wet- en regelgeving waaronder de beperkingen in artikel 13 AVG zoals de rechten en vrijheden van anderen.
Heeft het Ministerie van Defensie in deze kwestie informatie, waaronder in ieder geval de documenten zoals door betrokkene genoemd in de brieven van 4 maart 2019 en 12 januari 2021 die beiden in afschrift zijn verstuurd aan de Kamer9, achtergehouden voor de rechter? Zo ja, welke informatie en kunt u daar een opsomming van geven? Zo ja, op grond van welke wet of regeling bent u daartoe bevoegd? Bent u van mening dat alleen een verzoek van een rechtbank reden kan zijn voor overdracht van een dossier en zo ja, kunt u dat toelichten?
Defensie is niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie over betrokkene.
Is de Minister bereid om het volledige dossier alsnog aan betrokkene te verstrekken en zo nee, waarom niet en op welke grond?
Zie het antwoord op vraag 22.
Gaat het Ministerie van Defensie het dossier in lopende en toekomstige gerechtelijke procedures buiten de rechtspleging houden en zo ja, waarom en zo ja op welke grond of regeling bent u daartoe bevoegd? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de noodzaak van transparantie en waarheidsvinding en waarom belemmert u die in dat geval opzettelijk?
Zoals aangegeven bij vraag 23, is Defensie niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie over betrokkene. Ieder verzoek van een rechtbank zal worden beoordeeld op grond van geldende wet- en regelgeving.
Waarom is, gelet op het antwoord van uw ambtsvoorganger op eerdere schriftelijke Kamervragen10, een vaststellingsovereenkomst met afspraken over rehabilitatie niet bekend bij betrokkene11? Bestaat er überhaupt een vaststellingsovereenkomst waarin het woord «rehabilitatie» wel voorkomt? Heeft de Minister van Defensie, met de reactie van uw ambtsvoorganger, de Kamer verkeerd geïnformeerd en zo nee, waarom niet en zo ja, welke gevolgtrekkingen verbindt u daar aan?
Zoals mijn ambtsvoorganger in reactie op Kamervragen van 8 november 2019 (Aanhangsel van de Handelingen II 2019/20, nr. 926) voor de volledigheid heeft opgemerkt, zijn met betrokkene naar aanleiding van het rapport van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) afspraken gemaakt om hem te rehabiliteren. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. In 2017 is met betrokkene een tweede vaststellingsovereenkomst gesloten. Over de inhoud van deze overeenkomsten doe ik verder geen mededelingen. Daarmee is de Tweede Kamer niet onjuist geïnformeerd.
Waarom is het kabinet, ook na ontvangst van een brief daarover van betrokkene die in afschrift aan de Kamer is gestuurd12, niet teruggekomen op de bewering dat er sprake zou zijn geweest van mediation en dat er een vaststellingsovereenkomst zou bestaan waarin afspraken zouden staan over rehabilitatie?13 Waarom is de Kamer daarover verkeerd geïnformeerd?
Zoals wordt toegelicht in het antwoord op vraag 26, zijn met betrokkene twee vaststellingsovereenkomsten gesloten. De Tweede Kamer is daarover niet onjuist geïnformeerd.
Indien het kabinet volhoudt dat er wel sprake zou zijn geweest van mediation (wat een formeel traject is onder leiding van gespecialiseerde instanties), kunt u dan aangeven wie de mediator was, wanneer de beweerde mediation zou hebben plaatsgevonden en waaruit de beweerde mediation exact bestond, wat de uitkomst was van de beweerde mediation en wie er bij Defensie de leidinggevende was (de zogenoemde «tot straffen bevoegde meerdere») die iets met de uitkomst van de beweerde mediation heeft moeten doen? Indien nee, waarom kunt u dit niet?
Ik kan hier niet op ingaan. In zijn algemeenheid vindt mediation plaats onder afgesproken geheimhouding van alle partijen die bij die mediation betrokken zijn.
Hoe heeft u vastgesteld dat het verlies van loggingsgegevens «van de gehele zorgpopulatie» geen gevolgen heeft gehad voor de informatie in de medische dossiers van (voormalig) werknemers, terwijl juist dàt niet meer te achterhalen is?
Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (2026D33530, Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn (ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt geen medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie heeft opgesteld.
Naast deze loggingen in het medisch dossier wordt ook een loggingsbestand aangelegd van alle gebruikers die inzage hebben gehad in het dossier. Dit bestand is in 2010 wel volledig bijgehouden maar bij de systeemmigratie in het weekend van 4 maart 2011 is het deel van 16 april 2010 tot 26 november 2010 achtergebleven in de brondatabase. Voorafgaand en achteraf is een back-up gemaakt van alle bestanden. Deze bestanden worden over het algemeen slechts 28 dagen bewaard. In die periode is, ondanks gebruikers- en acceptatietesten, het verlies aan informatie niet aan het licht gekomen.
Hoe heeft u vastgesteld dat het verlies van loggingsgegevens «van de gehele zorgpopulatie» geen gevolgen heeft gehad voor de informatie in de medische dossiers van (voormalig) werknemers terwijl u dat alleen zou kunnen vaststellen na inzage van alle getroffen medische dossiers, hetgeen alleen mogelijk is met de expliciete, vastgelegde toestemming daartoe van de (voormalig) Defensiemedewerkers wiens medische dossiers het betreft? Als er geen sprake is geweest van deze inzagen, hoe kunt u dan tot de conclusie komen dat er geen gevolgen zouden zijn?
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn (ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt er geen medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie opstelt. Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen.
Welk standpunt zal Defensie innemen wanneer een (voormalig) Defensiemedewerker stelt dat er in de periode dat er medische loggingsgegevens uit het medische dossier zijn verdwenen, ook medische informatie (waaronder maar zich niet bij voorbaat beperkend tot artsencontact, consulten, medische gegevens, ziektebeelden, diagnoses en medische prognoses, medicijngebruik, etc.) uit het dossier is verdwenen? Welke (juridische) onderbouwing ligt er ten grondslag aan die reactie? Welke bewijsvoering zou Defensie daartoe kunnen aanwenden?
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over deze hypothetische situatie.
Zijn er vaker dan in de genoemde periode14 medische gegevens, waaronder maar zich niet bij voorbaat beperkend tot loggingsgegevens, verwijderd of verdwenen uit, toegevoegd aan of gewijzigd in medische dossiers van (voormalig) Defensiemedewerkers en zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren, om welke gegevens en in welke periode in de tijd gaat het en om hoeveel (voormalig) Defensiemedewerkers gaat het daarbij? Zijn de getroffen medewerkers daarover geïnformeerd en zo nee, waarom niet? Indien onbekend, hoe kunt u als zorgaanbieder van Defensie dan de integriteit van de medische dossiers van (voormalig) Defensiemedewerkers garanderen en indien u dit niet kunt, welke gevolgen heeft dit?
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over deze hypothetische situatie.
Kunt aan alle (voormalig) Defensiemedewerkers uit wiens medisch dossiers loggingsgegevens zijn verdwenen15 garanderen dat er geen: aan hun medische dossiers zijn toegevoegd, of uit hun medische dossiers zijn verwijderd, of zijn gewijzigd, in de wetenschap dat in het geval van het gelijktijdig ook het verwijderen van de daarmee corresponderende loggingsgegevens, zulke mutaties nooit maar aan te tonen zijn?
Zie het antwoord op vraag 29.
Kunt u de melding zoals door het Ministerie van Defensie op 20 augustus 2020 gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens over de verdwenen loggingsgegevens delen met de Kamer? Indien u dit niet kunt, waarom niet?
Ja, zie bijlage.
Is het binnen Defensie nog altijd een zoals beweerd «gebruikelijke werkwijze» om zogenaamde «aantekeningen» in een medisch dossier van een Defensiemedewerker op te slaan als een consult met diagnoses dan wel met diagnosecodes en een primaire diagnose?16 Zo ja, wat is de reden om die praktijk voort te zetten? Zo nee, waarom is Defensie daarmee gestopt en wanneer is Defensie daarmee gestopt?
Nee. Sinds 25 juni 2021 maakt Defensie gebruik van een nieuw digitaal patiëntendossier. Hierin heeft de arts de mogelijkheid om een privéaantekening te maken die alleen inzichtelijk is voor de arts die deze aantekening maakt. Deze aantekening maakt geen onderdeel uit van het medisch dossier en mag niet worden gebruikt voor informatie die van belang is voor het verlenen van goede zorg. Het systeem biedt daarnaast de opties: openbare aantekening en aantekening voor specialisme (bijvoorbeeld alleen voor cardiologen). Deze beide aantekeningen maken wel onderdeel uit van het patiëntendossier. Door deze mogelijkheden is het gebruiken van de aantekening van «consult» voor een dergelijke aantekening niet meer nodig.
Heeft Defensie in het verleden voldaan aan de norm NEN 7513 en zo nee, over welke periode in tijd voldeed Defensie daar niet aan en waarom niet? Welke gevolgen verbindt Defensie daaraan? Zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld en kunt u uw bevindingen daarover met de Kamer delen?
De Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg (Wabvpz) regelt in artikel 15e logging en specifiek welke loggingsinformatie moet worden opgenomen in een afschrift. De bepalingen rondom elektronische afschrift/inzage en logging zijn op 1 juli 2020 in werking getreden.17 Het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders bepaalt in artikel 5 dat de logging van het systeem voldoet aan het bepaalde in NEN 7513 en regelt de bewaartermijn. In juli 201918 is bepaald dat de logging als bedoeld in het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders, ten minste 5 jaar moet worden bewaard vanaf het moment dat de logregel wordt geschreven.
NEN 7513 is niet apart certificeerbaar, NEN 7510 wel. NEN 7513 specificeert een gemeenschappelijk kader voor de logging van persoonlijke gezondheidsinformatie aan de hand van toegangs- en zoekgebeurtenissen. De NEN 7510 betreft eisen voor informatiebeveiliging van zorginformatiesystemen.
In het Defensie beveiligingsbeleid zijn de normen van de NEN 7513 en NEN 7510 opgenomen. Het eerstelijns zorgbedrijf van Defensie alsmede de beheerorganisatie zijn NEN 7510 gecertificeerd. Het huidige digitale patiëntendossier is geaccrediteerd door de Beveiligingsautoriteit van Defensie en voldoet daarmee aan het Defensie beveiligingsbeleid vanaf ingebruikname.
Er worden periodieke controles uitgevoerd. Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met medische persoonsgegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA). Jaarlijks worden de jaarverslagen van de interne toezichthouders naar de Kamer gestuurd.
Voldoet Defensie vandaag de dag aan de norm NEN 7513 en zo nee waarom niet? Zo ja, wie is de bevoegde autoriteit om dat vast te stellen en op welke manier heeft de bevoegde autoriteit dat vastgesteld? Voert de bevoegde autoriteit hier periodieke controles op uit, waaronder met bijvoorbeeld steekproeven en audits? Kunt u de uitkomst van deze controles met de Kamer delen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 36.
Heeft Defensie in het verleden voldaan aan de KNMG norm «Omgaan met medische gegevens»17 en zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld? Zo nee, waarom niet en welke gevolgen zijn hieraan verbonden?
De richtlijn «Omgaan met medische gegevens» is opgesteld door de artsenfederatie KNMG en beschrijft op welke wijze artsen, met inachtneming van hun beroepsgeheim, medische gegevens mogen verzamelen, opslaan, uitwisselen of anderszins mogen gebruiken.
De KNMG-richtlijn is juridisch gezien een vorm van zelfregulering binnen de beroepsgroep en geldt ook voor defensieartsen. De gedragsnormen uit deze richtlijn zijn daarmee gericht op individuele artsen. Het professionele handelen van een individuele arts wordt door de medische tuchtrechter beoordeeld, waarbij de normen uit de beroepsgroep vaak gebruikt worden.
Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met (medische) gegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA).
Voldoet Defensie vandaag de dag aan de KNMG norm «Omgang met medische gegevens» en zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld en zo nee, waarom niet en welke gevolgen verbindt u daar aan?
Zie het antwoord op vraag 38.
Hoe verhouden de conclusies in het rapport van het Huis voor Klokkenluiders zich tot de informatie die door het kabinet eerder aan de Kamer is verstrekt en die door de Minister in het debat over de veteranennota op 22 juni 2026 in reactie op mijn vragen nadrukkelijk is genoemd18? Heeft het Ministerie van Defensie met het aan de Kamer toezenden van deze informatie Kamer volledig geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Indien ja, kunt u in uw antwoord de conclusies van het Huis voor Klokkenluiders daarin betrekken? Wilt u zich in uw antwoord beperken tot de feiten van de misstanden zoals vastgesteld door het Huis voor Klokkenluiders en niet verwijzen naar maatregelen die met het oog op het voorkomen van herhaling pas zijn genomen nádat de misstanden zijn gepleegd?
Tijdens het notaoverleg Veteranen op 22 juni jl. werd gerefereerd aan «het rapport van het Huis voor Klokkenluiders over financiële fraude bij 336-suadron en joyriding met Defensievliegtuigen».
Voor zover de vraag betrekking heeft op het interne onderzoek over vermeende misstanden op vliegbasis Eindhoven met betrekking tot declaraties en privégebruik van defensiemiddelen, heeft de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg gereageerd dat de rapporten in 2016 naar de Kamer zijn verstuurd. Hierbij gaat het om beide delen van het interne onderzoeksrapport van Defensie die op 29 november 2016 naar de Kamer zijn verstuurd (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52).
Waarom is het rapport van het Huis voor Klokkenluiders nooit aan de Kamer gestuurd terwijl het wel direct betrekking heeft op de gang van zaken op vliegbasis Eindhoven?
Zie het antwoord op vraag 40. Eerder heeft de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) – de voorganger van het Huis voor Klokkenluiders – onderzoek gedaan naar meldingen van een vermoeden van een misstand op vliegbasis Eindhoven. Over de conclusies en adviezen van de OIO en de reacties van Defensie, is de Kamer geïnformeerd (zie o.a. Kamerstukken II 2014/15, 34 000 X, nrs. 88 en 94; Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nrs. 8 en 51; Aanhangsel van de Handelingen II 2016/17, nr. 1001).
Wilt u het rapport van het Huis voor Klokkenluiders alsnog aan de Kamer sturen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 40 en 41.
Is er over het rapport van het Huis voor Klokkenluiders door Defensie een zogenoemde «appreciatie» geschreven? Zo nee, waarom niet en zo ja, wanneer en door wie en kunt u die met de Kamer delen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 40 t/m 42.
Hoe beoordeelt u het feit dat de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven op 5 juli 2016 aangifte deed bij de Koninklijke Marechaussee19? Waarvan deed de commandant op die dag aangifte?
Artikel 78 van de Wet militair tuchtrecht bepaalt dat de commandant die kennisneemt van een gedraging van een militair die naar zijn oordeel een strafbaar feit betreft, verplicht is daarvan aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee (KMar). In de praktijk is het gebruikelijk dat de commandant bij een (vermoeden van een) strafbaar feit daarover advies inwint bij bijvoorbeeld een juridisch adviseur van de eenheid, voordat contact wordt opgenomen met de KMar en/of het Openbaar Ministerie (OM). Indien twijfel bestaat of sprake is van een (vermoeden van een) strafbaar feit wordt dit ter beoordeling voorgelegd aan de KMar en/of het OM en beslist het OM welke stappen genomen worden. Dit bespreken en melden van een (vermoeden van een) strafbaar feit wordt in spreektaal «aangifte doen» genoemd.
Niet altijd is voor de KMar en/of het OM meteen duidelijk dat een geconstateerde gedraging een strafbaar feit betreft en niet altijd wordt direct aangifte gedaan. Soms wordt Defensie gevraagd om zaken zelf nader (administratief) uit te zoeken en deze informatie ter beoordeling voor te leggen.
In het onderhavige geval heeft de commandant vliegbasis Eindhoven op de genoemde datum overleg gehad met de KMar. Dit had betrekking op een op die dag door haar ontvangen melding van een vermoeden van misstanden, mogelijke declaratiefraude. In dit geval is naar aanleiding van deze melding niet overgegaan tot het opnemen van een aangifte. In overleg met de KMar is de commandant vliegbasis Eindhoven overgegaan tot een intern Defensieonderzoek. Wel is geregistreerd dat de commandant hierover een gesprek heeft gevoerd bij de KMar.
Dit is vermeld bij de datum 5 juli 2016 in de tijdlijn die is opgenomen in het rapport dat naar aanleiding van het interne onderzoek is opgesteld. Dit rapport is aan uw Kamer aangeboden op 29 november 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52)
Kunt u het proces-verbaal van aangifte van 5 juli 2016 aan de Kamer sturen en zo nee, waarom niet en zo nee, kunt u wel aangeven wat het proces-verbaalnummer is en zo nee waarom niet?
Nee, er is geen proces-verbaal, want er is geen aangifte opgenomen.
Hoe beoordeelt u dat de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven, onder ede op 30 augustus 2018, de aangifte van 5 juli 2016 ontkende20?
Nu er geen aangifte is opgenomen, is deze ontkenning een verklaring naar waarheid.
Is er aangifte gedaan naar aanleiding van de beweringen onder ede bij de rechtbank Gelderland op 30 augustus 2018 door de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven en huidig Minister van VRO en zo nee waarom niet en zo nee, gaat u dat nog doen en zo nee waarom niet?
Nee. Er was en is geen aanleiding om aangifte te doen.
Hoeveel meldingen over sociale onveiligheid en andere vormen van ongewenst gedrag, gericht tegen persoonlijke gedragingen van de toenmalige commandant van vliegbasis Eindhoven (de huidig Minister van VRO), zijn er de afgelopen 15 jaren gedaan bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID), hoeveel van die bij het MID binnengekomen meldingen zijn doorgezet naar de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) en wat is er door zowel het MID als het COID met die meldingen gedaan? Kan de Minister al deze meldingen en de uitkomst van de behandeling daarvan delen met de Kamer en zo nee, waarom niet?
Meldingen worden in vertrouwen bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID) en de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) gemaakt. Inhoudelijke informatie over individuele meldingen of informatie die herleidbaar is naar een melder of beschuldigde wordt alleen gedeeld met functionarissen die een directe rol hebben in de behandeling van de betreffende melding. Algemene informatie over aantallen meldingen zijn terug te vinden in de gepubliceerde jaarverslagen integriteit van Defensie.
Wilt u deze vragen ieder afzonderlijk, op nummer en zonder verwijzing naar eerdere vragen beantwoorden en wel binnen de daartoe gestelde termijn van 3 weken en in ieder geval voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit Defensie?
U ontvangt de antwoorden op de vragen voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit.
Het artikel Israël doet officieel weer mee met Songfestival: 'AVROTROS in de knel |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u bekend met het bericht dat Israël ook in 2027 zal deelnemen aan het Eurovisie Songfestival en dat AVROTROS eind augustus of begin september een besluit zal nemen over Nederlandse deelname?1
Ja.
Bent u van mening dat Nederland moet mee doen aan het EurovisieSongfestival?
De Nederlandse Publieke Omroep gaat over de eigen programmatische keuzes. Vanwege de redactionele onafhankelijkheid die is vastgelegd in de Mediawet 2008 en de persvrijheid die volgt uit de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting, heb ik als Minister geen rol in dit soort keuzes.
Deelt u de opvatting dat voorkomen moet worden dat Nederland door interne discussies bij een omroep afwezig is op een van de grootste culturele evenementen van Europa? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Welke afspraken bestaan er momenteel tussen de Europese radiounie (EBU), de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en AVROTROS over de Nederlandse deelname aan het Eurovisie Songfestival?
De NPO is officieel de lid-organisatie van de EBU maar is niet verantwoordelijk voor de inhoud van de programma's. Waar het gaat om het Songfestival wordt direct geschakeld tussen de AVROTROS en de EBU. AVROTROS is de omroep die inhoudelijk invulling geeft aan het Eurovisie Songfestival: de AVROTROS selecteert de Nederlandse inzending, draagt zorg voor de Nederlandse delegatie en verzorgt de registratie en uitzending(en) rond het Songfestival.
Indien AVROTROS besluit af te zien van deelname in 2027, welke mogelijkheden bestaan er om de organisatie van de Nederlandse deelname onder te brengen bij een andere publieke omroep, zoals Omroep MAX of de NOS? Bent u bereid daarover in gesprek te gaan?
Of er wordt deelgenomen aan het Eurovisie Songfestival en welke omroep die deelname verzorgt is aan de NPO en omroepen zelf. Wettelijk gezien zijn er geen beperkingen om het verzorgen van deelname aan het Eurovisie Songfestival bij een andere omroep dan AVROTROS onder te brengen. Het is niet aan mij daarover het gesprek aan te gaan; zie mijn antwoord op vraag 2. Ik kan u wel melden dat de NPO mij desgevraagd heeft laten weten dat er tijdig gesprekken gevoerd zullen worden over deelname en welke omroep die in 2027 zou kunnen verzorgen, mocht AVROTROS besluiten niet te willen deelnemen.
Welke termijnen gelden voor het aanwijzen van een deelnemende omroep, de selectie van een Nederlandse artiest en van de inzending, en andere noodzakelijke voorbereidingen voor deelname aan het Eurovisie Songfestival 2027?
Ik heb geen inzicht in de voorbereidingen van deelname aan het Eurovisie Songfestival en welke tijdpaden daarmee gepaard gaan; ik ga daar ook niet over. De EBU is een samenwerkingsverband van publieke omroepen. Deelname door commerciële omroepen is daarmee uitgesloten. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 heb aangegeven, heeft de NPO mij laten weten tijdig in gesprek te gaan over deelname door een andere omroep wanneer AVROTROS besluit niet deel te nemen.
Wat is de deadline voor zo’n besluit om een andere omroep of commerciële tv-zender daar toe uit te nodigen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid, indien AVROTROS niet deelneemt en een alternatief binnen het publieke bestel niet tijdig beschikbaar blijkt, te onderzoeken welke mogelijkheden er bestaan om de Nederlandse deelname op andere wijze, via bijvoorbeeld de commerciële media, te waarborgen zodat Nederland niet door onnodige discussies bij een omroep afwezig is bij het Eurovisie Songfestival 2027?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen afzonderlijk binnen drie weken beantwoorden?
In verband met het zomerreces is beantwoording binnen drie weken helaas niet gelukt.
Het rapport van Amnesty International over etnische zuivering op de Westelijke Jordaanoever |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Erkent u dat Israël etnische zuivering, door u gedefinieerd als «het met geweld of dwang overbrengen of verwijderen van de burgerbevolking», pleegt op de Westelijke Jordaanoever? Zo nee, waarom niet?
Etnische zuivering als zodanig heeft geen eenduidige juridische definitie. Dit geldt wel voor de handelingen die onder deze omschrijving kunnen vallen, waaronder bijvoorbeeld gedwongen verplaatsing. Het Internationaal Gerechtshof (IGH) stelde reeds in zijn advies van 19 juli 2024 dat het beleid van Israël ten aanzien van de Palestijnse Gebieden, waaronder gedwongen uithuiszettingen, grootschalige sloop van huizen en beperkingen in bewegingsvrijheid, de lokale bevolking geen andere keus laat dan te vertrekken. Daarmee druist dat beleid in tegen het verbod op gedwongen verplaatsing zoals vastgelegd in het humanitair oorlogsrecht. Nederland respecteert deze conclusie van het IGH.
Erkent u dat het kolonistengeweld en het faciliteren daarvan onderdeel zijn van het Israëlische staatsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie die nodig zou zijn om met zekerheid vast te stellen dat het kolonistengeweld onderdeel is van het Israëlische staatsbeleid.
Erkent u dat Israël de oorlogsmisdaad van onwettige overbrenging begaat? Zo nee, waarom niet?
Naast de vaststelling genoemd in het antwoord op vraag 1 concludeert het IGH in zijn advies van 19 juli 2024 dat Israëlisch beleid en maatregelen indruisen tegen het verbod op gedwongen overbrenging van delen van de eigen burgerbevolking naar het bezette gebied zoals vastgelegd in het humanitair oorlogsrecht. Dit beleid omvat alle maatregelen die door Israël worden genomen om overbrenging van de delen van de eigen bevolking naar het bezette gebied te organiseren of aan te moedigen, waaronder het bieden van (economische) prikkels voor de vestiging van Israëlische personen en bedrijven op de Westelijke Jordaanoever.
Erkent u dat Israël de misdaad tegen de menselijkheid van gedwongen verplaatsing of deportatie begaat? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
Bent u voorstander van het uitbreiden van persoonsgerichte sancties tegen Benjamin Netanyahu, Israel Katz en Orit Stock vanwege hun nauwe betrokkenheid bij de etnische zuivering van Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet zich actief in voor aanvullende maatregelen tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties. Nederland is daarnaast voorstander van het Europees sanctioneren van Israëlische veiligheidsminister Ben-Gvir en Israëlische Minister van Defensie Smotrich. Vooralsnog is voor het sanctioneren van deze personen onvoldoende draagvlak binnen de EU, waarmee dat ook zal gelden voor aanvullende persoonsgerichte sancties tegen Israëlische bewindspersonen.
Bent u voorstander van een verbod op handel, diensten, investeringen en andere vormen van samenwerking die bijdragen aan de onrechtmatige bezetting, de apartheid en de etnische zuivering van Palestijnen? Zo nee, waarom niet?
Op 22 september 2026 worden de nationale maatregelen van kracht die ervoor zorgen dat goederen afkomstig uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden worden geweerd van de Nederlandse markt.1 Het kabinet verwacht uw Kamer op korte termijn te kunnen informeren over de verkenning ten aanzien van diensten en investeringen.
Bent u voorstander van een verbod op de export van militaire goederen naar Israël die gebruikt kunnen worden ten behoeve van de mensenrechtenschendingen? Zo ja, worden de goederen uitgevoerd onder vergunningen NL0074CDIU0192355 (Delen, gereedschappen en technologie voor F-16 gevechtsvliegtuigen), NL0074CDIU0193354 (Zichtsysteem voor een voertuig), NL0074CDIU0189830 (Delen en technologie voor onderzeeboten) en NL0074CDIU0193376 (Elektronica voor helmen voor gebruik in militaire vliegtuigen) niet gebruikt in de bezette gebieden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet toetst alle individuele vergunningaanvragen voor de uit- en doorvoer van militaire en dual-use goederen per geval zorgvuldig aan de relevante Europese exportcontrolekaders. Daar waar duidelijke risico’s bestaan dat militaire goederen of dual-use goederen kunnen worden gebruikt voor ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht wordt een vergunningaanvraag afgewezen.
In de praktijk betekent dit dat het kabinet alleen vergunningen toewijst voor de uitvoer van militaire goederen die enkel defensief kunnen worden ingezet, zoals onderdelen voor het Iron Dome-luchtafweersysteem, en voor uitvoer van goederen ten behoeve van productie of onderhoud waarbij het eindgebruik niet in Israël ligt. Dat geldt eveneens voor de genoemde vergunningen.
Bent u voorstander van het opschorten van visumvrij reizen voor kolonisten? Zo nee, waarom niet?
Israëliërs reizen visumvrij naar de EU, dat gaat op basis van nationaliteit.
Zijn Nederlandse diplomaten sinds uw aantreden op bezoek gegaan bij Palestijnse gemeenschappen die getroffen worden door kolonistengeweld en onwettige overbrenging en/of gedwongen verplaatsing of deportatie door de Israëlische autoriteiten? Zo nee, waarom niet? Bent u voornemens om hen daartoe te instrueren? Zo nee, waarom niet?
Ja, de Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah brengt geregeld bezoeken aan gemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever die onder druk staan door nederzettinguitbreidingen en die geraakt worden door kolonistengeweld. Nederland steunt sinds 2023 het West Bank Protection Consortium, een samenwerkingsverband van maatschappelijke organisaties dat is opgericht om de gedwongen verplaatsing van Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever te voorkomen. Het consortium biedt deze gemeenschappen materiële en juridische bijstand.
Het opnieuw weggeven van Nederlands belastinggeld aan Gaza terwijl Hamas eerdere hulpgelden liet verdwijnen |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Hoeveel van de door de Europese Unie (EU) bijeengebrachte circa 883,6 miljoen euro voor Gaza wordt door Nederland opgehoest1 2? Kunt u dit bedrag exact noemen en aangeven op welke begrotingspost dit wordt gedekt?
De EUR 883,6 miljoen van het Team Gaza Initiative van de Europese Unie, is een bundeling van bilaterale bijdragen van individuele lidstaten en de Europese Unie (EU). Deze bijdragen betreffen financiële toezeggingen die ten minste doorlopen tot juli 2026, en geplande bijdragen vanuit ontwikkelingsbegrotingen die gericht zijn op vroegtijdig herstel. De steun moet te scharen zijn onder drie gestelde prioriteiten: 1. herstel van de toegang tot basisvoorzieningen op sociaal en economisch gebied, 2. rehabilitatie van de basisinfrastructuur voor sociale en economische dienstverlening, en 3. ondersteuning van door Palestijnen geleide bestuursinstellingen en -functies. Nederland heeft EUR 71 miljoen bijgedragen vanuit bestaande toezeggingen en reeds lopende programma’s die voldoen aan deze criteria. Dit behelst vanuit de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking: 3 miljoen euro onder artikel 1.2, EUR 4.5 miljoen onder artikel 1.3,EUR 33 miljoen onder artikel 2.2, EUR 5 miljoen onder artikel 4.1 en EUR 24,5 miljoen voor artikel 4.3.
Bent u bekend met de publieke erkenning van Mahmoud al-Habbash, adviseur van de president van de Palestijnse Autoriteit, Abbas, dat eerdere hulpgelden voor Gaza via Hamas zijn ingezameld en vervolgens gewoon zijn «verdwenen»3?
Ja.
Erkent u het risico dat het geen hypothetisch scenario is dat ook dit nieuwe pakket van 900 miljoen euro4 in de zakken van Hamas verdwijnt, maar een patroon dat door de eigen topadviseur van Abbas zelf is bevestigd5? Zo nee, op basis van welke harde garantie meent u dat het dit keer wel goed gaat?
Binnen het Team Gaza Initiative zijn individuele lidstaten en de Europese Commissie verantwoordelijk voor due diligencevoor hun eigen projecten en financiering. Alle EU-lidstaten onderschrijven de Europese Consensus over Humanitaire Hulp6, alsook de Good Humanitarian Donorship (GHD) Principles7, waar het belang van deze processen onderschreven wordt.
Na de gebeurtenissen op 7 oktober 2023 zijn de due diligence-processen die ervoor moeten waken dat Nederlands geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties tegen het licht gehouden. Daaruit bleek dat er geen signalen zijn dat geld voor Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen en dat de processen op orde zijn, zoals gesteld in de brief die op 11 oktober 2023 met de Kamer is gedeeld, alsook in de beantwoording op de reeds gestelde Kamervragen door Groep Markuszower.8, 9
Het kabinet besluit altijd zorgvuldig om bepaalde organisaties te financieren, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Dit assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Organisaties waarmee Nederland samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van onder meer de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties. Nederlandse hulpgelden kunnen niet zomaar verdwijnen. Er worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluatie en audits van activiteiten met Nederlandse steun.
De context in Gaza is bijzonder complex en gevaarlijk voor noodhulporganisaties. De door Israël opgelegde beperkingen bemoeilijken de invoer en distributie van hulp, en de aanwezigheid van Hamas en andere gewapende groepen en criminele bendes vormt een extra complicatie voor de veilige, ordentelijke distributie van hulp. Het kabinet staat in nauw contact met de professionele humanitaire partners over de distributie van hulp en de uitdagingen hierbij. Het kabinet is bekend met signalen dat Hamas een kwalijke rol speelt wat betreft de catastrofale humanitaire situatie in Gaza en dat de organisatie de voedseldistributie verstoort. Zo spreekt de plaatsvervangend VN-coördinator voor het Midden-Oosten Vredesproces, Ramiz Alakbarov, in een statement van intimidatie, geweld en belemmering, waaronder smokkelpogingen en het doelbewust aanvallen en misbruiken van humanitaire operaties.
Robuuste due dilligence procedures moeten ervoor waken dat Nederlands geld niet ten goede komt aan terroristische organisaties. Hoewel deze geen volledige garanties bieden helpen ze wel om risico’s te minimaliseren. Het kabinet heeft daarnaast vertrouwen in het werk van partnerorganisaties waar Nederland mee werkt. Dit zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke omstandigheden, zoals die als Gaza, waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Het kabinet hanteert een zero-tolerance for inaction beleid ten aanzien van misbruik van financiële middelen. Als uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andersoortige malversaties, dan treedt het kabinet daartegen op. Het kabinet informeert de Kamer altijd via de geëigende procedures over malversaties en ontvreemding van hulp.
Kunt u concreet, met naam en toenaam, aangeven welke «vertrouwde partners» dit geld gaan beheren en welk sluitend controlemechanisme uitsluit dat ook maar één euro bij Hamas of aan Hamas gelieerde structuren terechtkomt6? Zo u dat niet kunt, erkent u dan dat dit pakket in de praktijk een blanco cheque is aan een terreurorganisatie?
Zoals gesteld in vraag 3, neemt het kabinet de beslissing om bepaalde organisaties te financieren altijd zorgvuldig, waarbij de verschillende due diligence-processen gevolgd worden. De bestaande financiering die Nederland heeft aangedragen voor het Team Gaza Initiative, wordt ingezet door vertrouwde partners waarmee Nederland veelvuldig en in verschillende contexten samenwerkt. Het gaat hier o.a. over verscheidene VN-organisaties. Voornaamste lopende bijdragen zijn aan UNICEF, UNDP, Wereldbank en Mercy Corps voor projecten gericht op watervoorziening, landbouw en voedsel en rechtstaatsopbouw.
Waarom blijft u, ondanks jarenlange en nu ook door de Palestijnse Autoriteit zelf bevestigde verduistering van hulpgelden door Hamas7, keer op keer Nederlands belastinggeld toezeggen aan dit soort ondoorzichtige constructies?
Het kabinet verwerpt de aantijging dat het belastinggeld toezegt aan ondoorzichtige constructies.
Bent u bereid de Nederlandse bijdrage aan dit pakket per direct stop te zetten nu vaststaat dat eerdere hulpgelden voor Gaza structureel in handen van Hamas zijn verdwenen? Erkent u dat ontwikkelingshulp aan het buitenland direct zou moeten worden afgeschaft en dat Nederlands belastinggeld uitsluitend aan de eigen bevolking moet worden besteed, bijvoorbeeld aan zorg, veiligheid en koopkracht, in plaats van aan buitenlandse bandieten en corrupte regimes? Zo nee, waarom vindt u het financieren van buitenlandse bandieten belangrijker dan het besteden van belastinggeld aan Nederlanders?
Zie bovenstaande beantwoording. Hulp aan mensen in nood is sinds jaar en dag een bepalend onderdeel van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Deze heeft breed draagvlak in de samenleving, uit solidariteit en verlicht eigenbelang.
Gaza verkeert nog steeds in een uiterst ernstige humanitaire crisis, waarbij voedselonzekerheid, gebrekkige toegang tot schoon water, massale ontheemding, de verwoesting van de gezondheidszorg en voortdurende veiligheidsrisico's elkaar versterken. Bijna alle Palestijnen in Gaza zijn afhankelijk van humanitaire hulp. Zonder humanitaire hulp zouden 1,9 miljoen mensen in Gaza te maken krijgen met ernstige voedselnood. Het kabinet gaat deze hulp niet stopzetten.
Het bericht dat Defensie scherfvesten wil afnemen van Chinees-Israëlische makelij |
|
Judith Buhler (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Herbert , Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat Defensie binnen een bestaande raamovereenkomst met een Israëlisch bedrijf beschermende scherfvesten wil afnemen waarin Chinese vezels zijn verwerkt?1
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het voornemen uit de actieagenda «productie- en leveringszekerheid munitie en Defensiematerieel» van juni 2024, dat het mantra beste product, voor de beste prijs losgelaten wordt en dat de factor tijd en herkomst van het product – bij voorkeur Europees of Nederlands – zwaarder gaan meewegen?2
Hoe beoordeelt u de keuze voor Chinese sterke vezels in het licht van het rapport «Chemie en materialen voor Defensie», dat u onlangs met de Kamer heeft gedeeld?3
Wat is de totale looptijd van de genoemde raamovereenkomst met de Israëlische leverancier, op welke datum is deze ingegaan en wanneer loopt deze af? Welke verlengingsopties bevat de raamovereenkomst en onder welke voorwaarden kan Defensie daarvan gebruikmaken?
Welke juridische mogelijkheden heeft u om deze raamovereenkomst tussentijds te beëindigen, op te schorten of aan te passen wanneer sprake is van nieuwe strategische risico’s, zoals afhankelijkheid van Chinese materialen of onderdelen?
Bevat de raamovereenkomst bepalingen over de herkomst van kritieke materialen, ketentransparantie, leveringszekerheid en uitsluiting van leveranciers of grondstoffen uit risicolanden zoals China? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Is het gebruik van Chinese vezels door de leverancier vooraf aan u gemeld en door u goedgekeurd? Op welk moment bent u hiervan op de hoogte gesteld?
Herkent u de uitspraak van de Stichting Nederlandse industrie voor defensie en veiligheid (NIDV) dat Nederland juist op dit soort materialen over topbedrijven beschikt?
Zijn de Nederlandse en Europese partijen die de vesten, platen en daarvoor benodigde sterke vezels kunnen leveren benaderd door Defensie om ook mee te dingen naar deze opdracht? Zo nee, waarom niet?
Als deze Nederlandse en Europese partijen niet benaderd zijn, hoe weet u dan dat zij voor de beste oplossing hebben gekozen?
Is het binnen dit project mogelijk om alsnog te kiezen voor vesten en platen van Nederlandse of Europese makelij, met sterke vezels uit Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de afname van deze beschermende scherfvesten op te schorten totdat duidelijk is welke Nederlandse of Europese alternatieven beschikbaar zijn en welke risico’s kleven aan het gebruik van Chinese vezels?
Hoe voorkomt het kabinet in het algemeen dat Nederland voor essentiële defensiematerialen afhankelijk wordt van productielocaties buiten Europa?
Hoe wordt bij grote defensieorders geborgd dat Nederlandse bedrijven kunnen deelnemen aan de toeleveringsketen en dat kennis, innovatie en werkgelegenheid in Nederland behouden blijven?
Is het kabinet van mening dat de huidige aanbestedingsregels voldoende ruimte bieden om bij defensie-inkopen de strategische autonomie van Nederland en Europa mee te wegen?
Welke mogelijkheden benut u nu al om bij aanbestedingen leveringszekerheid, strategische autonomie en behoud van kritieke productiecapaciteit als gunningscriterium mee te wegen?
Is het kabinet bereid te onderzoeken hoe bij defensie-aanbestedingen meer gewicht kan worden toegekend aan productie, onderhoud en innovatie in Nederland of Europa, binnen de geldende Europese regelgeving?
Is het kabinet bereid zich in Europees verband in te zetten voor aanpassing van de aanbestedingsregels, zodat lidstaten bij defensie-inkopen meer ruimte krijgen om strategische economische belangen en leveringszekerheid mee te wegen?
In hoeverre biedt de Industrial Accelerator Act ruimte voor bescherming en versterking van de binnenlandse defensie-industrie?
Kunt u aangeven welke kansen u ziet om defensie-investeringen sterker te benutten voor de versterking van de Nederlandse maakindustrie en technologische kennisbasis?
Klopt het dat u van plan bent scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij te kopen? Zo ja, kunt u schetsen hoe u tot deze keuze bent gekomen en hoeveel geld hiermee gemoeid is?
Deelt u de opvatting dat de Nederlandse krijgsmacht in een tijd van toenemende geopolitieke spanningen zo min mogelijk afhankelijk moet zijn van landen waarmee Nederland strategische belangenconflicten kan hebben? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt de keuze voor scherfwerende platen met Chinese componenten zich tot de ambitie van het kabinet om strategische afhankelijkheden in vitale sectoren, waaronder defensie, terug te dringen?
Waarom is in deze aanbesteding of contractuele afspraak niet uitgesloten dat onderdelen of grondstoffen afkomstig zijn uit China, gezien de toenemende aandacht voor economische veiligheid en strategische afhankelijkheden? Kan de Minister aangeven welke risicoanalyse is gemaakt ten aanzien van de afhankelijkheid van Chinese grondstoffen en productieketens voor deze essentiële beschermingsmiddelen?
Kan de Minister toelichten in hoeverre bij de inkoop van defensiematerieel niet alleen wordt gekeken naar het eindproduct, maar ook naar de herkomst van kritieke halffabricaten en grondstoffen binnen de toeleveringsketen? Welke maatregelen neemt de Minister om te voorkomen dat strategische afhankelijkheden van landen als China via de achterdeur in NAVO-toeleveringsketens terechtkomen?
Hoe wordt er in het algemeen toezicht gehouden op afhankelijkheden binnen de toeleveringsketens van landen als China bij de inkoop van defensiematerieel? Heeft de Minister overzicht van de afhankelijkheden in de toeleveringsketens van Defensiematerieel? Zo nee, is de Minister voornemens dit overzicht te maken, zodat ook een afbouwpad kan worden gedefinieerd?
Is de Minister bereid om bij toekomstige defensieaankopen een expliciete toets uit te voeren op strategische afhankelijkheden, waaronder de herkomst van kritieke grondstoffen en onderdelen? Zo nee, waarom niet?
Welke Nederlandse en Europese alternatieven voor deze scherfvesten zijn onderzocht voordat Defensie besloot gebruik te maken van deze leverancier? En waarom is er uiteindelijk niet gekozen voor een leverancier uit Nederland of Europa, terwijl volgens de Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV) Nederlandse bedrijven beschikken over vergelijkbare capaciteiten?
Kan de Minister aangeven welke criteria bij deze aanschaf de doorslag hebben gegeven? In welke mate waren daarbij prijs, leveringszekerheid, strategische autonomie, Europese samenwerking en de positie van de Nederlandse defensie-industrie meegewogen? Deelt de Minister de mening dat bij defensieaankopen niet uitsluitend naar de aanschafprijs moet worden gekeken, maar ook naar de bredere economische en strategische effecten, zoals behoud van kennis, productiecapaciteit en werkgelegenheid in Nederland en Europa?
Hoe beoordeelt de Minister de kritiek van de NIDV dat het kabinet enerzijds inzet op meer productie in Nederland en Europa, maar anderzijds bij eigen inkoop onvoldoende rekening houdt met de positie van de Nederlandse defensie-industrie?
Erkent de Minister dat strategische autonomie niet alleen gaat over militaire capaciteit, maar ook over het beschikken over eigen industriële en technologische kennis? En erkent zij dat aankopen als aangehaald in deze set vragen niet in lijn zijn met de ambities uit de Defensienota 2026 en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie?
Kan de Minister aangeven welk aandeel van de Nederlandse defensie-uitgaven momenteel terechtkomt bij Nederlandse en Europese bedrijven en welk aandeel bij leveranciers van buiten de Europese Unie?
Hoe voorkomt de Minister dat Nederland door afzonderlijke nationale aankopen juist de Europese defensiesamenwerking en de ontwikkeling van een sterke Europese defensie-industrie belemmert?
Is de Minister bereid deze specifieke aanschaf opnieuw te beoordelen vanuit het uitgangspunt van strategische autonomie en Europese samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Is er bij deze aankoop rekening gehouden met het feit dat scherfvesten goed moeten aansluiten op het vrouwenlichaam? Zo nee, ziet de Minister ook de kans om met regionale samenwerking meer maatwerk toe te passen?
Overwegende dat Defensie gaat werken met Chinese 3D-printers, kan de Minister toelichten welke cybersecurity- en contra-inlichtingenrisico’s zijn onderzocht voordat is besloten om 3D-printers van een Chinese fabrikant in gebruik te nemen voor het produceren van onderdelen voor de Nederlandse krijgsmacht?
Hoe waarborgt de Minister dat digitale ontwerpen, technische tekeningen en andere gevoelige informatie over defensiematerieel niet toegankelijk kunnen worden voor buitenlandse partijen, waaronder partijen die onder invloed van de Chinese overheid kunnen staan?
Zijn er Europese alternatieven overwogen? Zo ja, welke en waarom zijn deze afgevallen? Zo nee, waarom niet?
Deelt de Minister de opvatting dat strategische technologieën zoals industriële 3D-printcapaciteiten voor defensietoepassingen onderdeel zouden moeten zijn van een Nederlandse of Europese technologische basis? Zo ja, welke stappen zet het kabinet om de ontwikkeling en inzet van Europese alternatieven te stimuleren?
Overwegende dat de Verenigde Staten het gebruik van 3D-printers van strategische concurrenten zoals China voor militaire toepassingen aan banden hebben gelegd vanwege mogelijke veiligheidsrisico’s, kan de Minister toelichten waarom Nederland tot een andere risico-inschatting komt en welke afwegingen maken dat deze technologie hier wel wordt toegelaten binnen de krijgsmacht?
Het bericht ‘Defensie zet zinnen op scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij, en dat schiet Nederlandse industrie in verkeerde keelgat’ |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Defensie zet zinnen op scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij, en dat schiet Nederlandse industrie in verkeerde keelgat»?1
Kunt u aangeven welke Nederlandse leveranciers vergelijkbare vesten kunnen leveren en wat de eventuele verschillen daartussen zijn? Kunt u daarbij een vergelijking maken in levertijd, kosten, gewicht van de scherfvesten en de functionaliteit tussen de scherfvesten van Nederlandse makelaardij en die van de aangekochte Chinees-Israëlische materialen?
Kunt u aangeven welke verplichting de raamovereenkomst oplegt aan Defensie om nieuwe ballistische beschermingsmiddelen alleen bij deze leverancier af te nemen? Bevat de raamovereenkomst de harde verplichting dit te allen tijde bij deze leverancier te doen?
Bent u het ermee eens dat, gelet op de term «kan afnemen», uit de eigen verklaring van Defensie blijkt dat er geen verplichting bestaat om deze materialen bij deze leverancier aan te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven op welke gebieden Defensie nog meer raamovereenkomsten heeft waaruit dergelijke besluiten voort kunnen vloeien, terwijl er Nederlandse alternatieven beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat bij enige juridische mogelijkheid deze opdracht alsnog aan een Nederlands bedrijf gegund moet worden en zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Welke gevolgen heeft deze deal met China voor de Nederlandse bedrijven die in het kader van het Verbeterd Operationeel Soldaten Systeem (VOSS) ballistische beschermingsmaterialen produceren? Welke gevolgen heeft dit op het VOSS-project zelf?
Hoe rijmt u de voor Nederlanders nieuwe belastingregels die per 1 juli 2026 van kracht zijn op Chinese aankopen, onder andere om de binnenlandse economie te ondersteunen, met het blijven aankopen van scherfwerende producten uit China, terwijl de Nederlandse industrie hier ook in kan voorzien?
Heeft u kennisgenomen van de berichten «As reports of anti-Christian incidents in Israel increase, advocates press police to act»1 en «Jerusalem Patriarchate: Silwan Land Grab Violates Church Rights and Jerusalem’s Historic Christian Presence»?2
Ja.
Hoe luidt uw reactie op deze berichten?
Het kabinet vindt de signalen over toenemende druk op christenen in Oost-Jeruzalem en christelijke gemeenschappen in Israël zorgelijk.
Bent u het eens met het Orthodoxe Patriarchaat van Jeruzalem over de classificatie van het incident gericht op kerkelijk eigendom in Silwan op 15 juni jongstleden als «een onrechtmatige en illegitieme inbeslagname van gevestigd kerkelijk eigendom in het hart van Jeruzalem»?
Het Orthodoxe Patriarchaat van Jeruzalem heeft een rechtszaak aangespannen tegen de gemeente Jeruzalem om de werkzaamheden van de gemeente Jeruzalem te stoppen. In navolging daarop zijn het Patriarchaat en de gemeente in juni reeds tot een overeenkomst gekomen waarbij het land het kerkelijk eigendom blijft.
Herkent u de trend van een toename van antichristelijke intimidatie in Israël, zoals te zien is in de toename van het aantal gerapporteerde incidenten door het Religious Freedom Data Center? Welke oorzaken liggen hier volgens u aan ten grondslag?
De afgelopen jaren neemt de druk op christelijke gemeenschappen in Israël toe. Zo ondervinden religieuze minderheden, waaronder christenen, beperkingen bij het betreden van de Oude Stad van Jeruzalem, vooral tijdens religieuze feestdagen. In maart dit jaar werd het Latijns Patriarchaat van Jeruzalem de toegang tot de Heilige Grafkerk ontzegd door de Israelische politie. Dit zijn zorgelijke ontwikkelingen, die in het licht kunnen worden gezien van verdere uitbreiding van Israëlische controle in Oost-Jeruzalem.
Herinnert u zich uw eerdere antwoorden op Kamervragen over de positie van (christelijke) minderheden in Jeruzalem, evenals de antwoorden van uw ambtsvoorganger?3 4 Welke extra stappen gaat u, eventueel in EU-verband, zetten gezien de trend en de toename van het aantal incidenten?
Nederland zet zich wereldwijd actief in voor de bescherming van de vrijheid van religie en levensovertuiging als een fundamenteel mensenrecht. Dit doet Nederland onder andere via het Mensenrechtenfonds, het werk van de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging en de Mensenrechtenambassadeur, bilaterale diplomatie en in multilaterale gremia. Daarbij komt Nederland op voor de rechten van alle religieuze groepen, met speciale aandacht voor kleine en of kwetsbare geloofsgemeenschappen.
Nederland en de EU spreken Israël consequent aan op zijn verantwoordelijkheden onder internationaal recht en de mensenrechtenverdragen, waaronder op het gebied van godsdienstvrijheid. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden in november 2025 is expliciet aandacht besteed aan de krimpende ruimte voor christenen, met name in de Oude Stad van Jeruzalem. In dat kader is onder meer gesproken met de Grieks-Orthodoxe Kerk. Ook staat de Nederlandse vertegenwoordiging in de Palestijnse Gebieden regulier in contact met de verschillende religieuze instellingen in Jeruzalem.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met kerkelijke autoriteiten in Jeruzalem over de extra inzet die Nederland kan doen, eventueel in EU-verband, ter bescherming van de positie van religieuze minderheden en kerkelijk erfgoed in Jeruzalem? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De internationale inzet voor het VN-verdrag Handicap |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel 32 van de United Nations Convention on the Rights of People with Disabilities (UNCRPD),dat deze maand 10 jaar door Nederland geratificeerd is?
Ja.
Op welke manier geeft u momenteel uitvoering aan dit artikel, waarin Nederland zich committeert aan de internationale bevordering van de rechten van mensen met een handicap?
Inclusiviteit ligt ten grondslag aan de ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s die het ministerie financiert. Deze programma’s zijn daarom zoveel mogelijk toegankelijk voor diverse groepen in een samenleving, waaronder mensen met een beperking. Een voorbeeld hiervan is het door Nederland medegefinancierde «Global Water Security and Sanitation Partnership» met de Wereldbank. Dit programma stimuleert toegang voor mensen met een beperking tot werk en diensten op het gebied van water en sanitaire voorzieningen en bevordert dat zij een rol spelen in besluitvorming. Conform de motie Ceder en Bamenga (Kamerstuk 36 180, nr. 149) blijft het ministerie op reguliere basis in gesprek over inclusief programmeren met relevante organisaties, zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD).
Op welke manier vindt de samenwerking met VWS als coördinerend ministerie van de UNCRPD plaats met betrekking tot de uitvoering van dit verdrag?
De samenwerking met het Ministerie van Volkshuisvesting, Welzijn en Sport op de uitvoering van dit verdrag is incidenteel van aard, zoals bijvoorbeeld rondom aanbevelingen van het VN-Comité over de uitvoering van het VN-verdrag Handicap en de campagne «Heb je iets nodig?»1
Bent u bekend met de observaties die het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap in 2024 heeft gepubliceerd ten aanzien van de uitvoering van het verdrag?1
Ja.
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland een «systematische en gecoördineerde strategie» mist om artikel 32 van het verdrag uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beschikt niet over een afzonderlijke, systematische en gecoördineerde strategie specifiek voor de uitvoering van artikel 32 van het verdrag. De uitgangspunten van artikel 32 zijn geïntegreerd in het bredere beleid voor ontwikkelingssamenwerking. Bij de ontwikkeling en uitvoering van programma’s geldt inclusiviteit als leidend principe, zodat niemand wordt uitgesloten. Dit omvat vanzelfsprekend ook de toegankelijkheid van programma’s voor mensen met een beperking.
Het ministerie voert ook geen doelgroepenbeleid in ontwikkelingssamenwerking. Wel is er aandacht voor kwetsbare groepen, waaronder mensen met een beperkingin de beleidsvoorbereiding, programmering, monitoring en evaluatie.
Deelt u de conclusie van het VN-comité dat Nederland mensen met een handicap onvoldoende «systematisch en actief» betrokken worden in de internationale samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Mensen met een beperking en de organisaties die hen vertegenwoordigen worden niet in alle fasen van de beleidscyclus systematisch betrokken bij ontwikkelings-samenwerking. Wel vindt regulier overleg plaats met organisaties zoals de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD), waarin onder meer wordt gesproken over de inclusie van mensen met een beperking in ontwikkelingsbeleid en -programma’s. Daarnaast kunnen organisaties van en voor mensen met een beperking deelnemen aan subsidietenders en zo een rol spelen in de uitvoering van programma’s.
Op welke manier geeft Nederland gevolg aan de aanbevelingen die in dit rapport geformuleerd zijn om een systematische en gecoördineerde strategie te ontwikkelen en om personen met een handicap systematisch en actief te betrekken?
Zie het antwoord op vraag 2, 5 en 6.
Klopt het dat Nederland in 2030 opnieuw moet rapporteren over de uitvoering van dit verdrag? Zo ja, welke stappen worden verder ondernomen om artikel 32 van het VN-verdrag handicap beter uit te voeren?
Ja, dat klopt. De eerstvolgende deadline voor een vervolg op de rapportages op grond van het VN-verdrag Handicap is vastgesteld op 14 juli 2030. Daarnaast zie ik erop toe dat vertegenwoordigende organisaties van mensen met een beperking actief worden betrokken bij de opvolging van het overleg dat ik had op 8 april jl. met 60 organisaties uit het maatschappelijk middenveld.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van de leden Ceder en Bamenga over toegang voor mensen met een beperking tot door Nederland gefinancierde interventies garanderen (Kamerstuk 36 180, nr. 149)?
Zie antwoord op vraag 2.
De levensbedreigende gezondheidstoestand van de Palestijnse arts dr. Hussam Abu Safiya in Israëlische detentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat dr. Hussam Abu Safiya, directeur van het Kamal Adwan-ziekenhuis te Gaza, na achttien maanden Israëlische detentie in kritieke, levensbedreigende toestand verkeert, en volgens zijn advocaat vrijwel onherkenbaar, ernstig verzwakt en zichtbaar gewond is?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat dr. Abu Safiya sinds zijn arrestatie op 27 december 2024 zonder aanklacht of proces wordt vastgehouden, op grond van de Israëlische wet op Unlawful Combatants, de detentie voor onbepaalde tijd zonder juridische toetsing mogelijk maakt?
De situatie van dr. Abu Safiya past binnen het beeld en de zorgen die het kabinet heeft ten aanzien van de toepassing van arbitraire detentie. Het kabinet acht het gebruik van administratieve detentie door Israël, alsook de duur en schaal hiervan, zorgwekkend en onderstreept in gesprekken met de Israëlische autoriteiten het belang van een eerlijke rechtsgang. Op basis van het humanitair oorlogsrecht is detentie om dwingende veiligheidsredenen, zonder dat dit samenhangt met een strafrechtelijk proces, geoorloofd als een uitzonderlijke maatregel. Een dergelijke detentie dient conform internationaalrechtelijke waarborgen en zonder willekeur te worden uitgevoerd. Ook gelden er internationale waarborgen die stellen dat de reden voor arrestatie gecommuniceerd moet worden. Dit draagt Nederland actief uit richting Israël.
Bent u op de hoogte van de bevindingen van de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie dat de gevangenhouding van dr. Abu Safiya in strijd is met internationale mensenrechtenverdragen zoals het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, alsmede hun oproep hem onmiddellijk vrij te laten? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?2
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het langdurig vasthouden van een persoon zonder aanklacht, zonder regulier strafproces en op grond van geheim bewijs dat niet door de verdediging kan worden betwist, fundamenteel in strijd is met het recht op vrijheid en een eerlijk proces? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de oproep van VN-experts en Amnesty International dat dr. Abu Safiya onmiddellijk moet worden vrijgelaten? Zo nee, welke concrete feiten rechtvaardigen volgens u zijn voortdurende detentie zonder aanklacht of proces?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de verklaring van zijn advocaat Nasser Odeh dat dr. Abu Safiya nauwelijks herkenbaar is als gevolg van ernstige verwondingen en ernstig gewichtsverlies, dat hij zich nu sinds een maand in eenzame opsluiting bevindt en dat hij tegen zijn advocaat heeft verklaard dat hij naar de Rakefet ondergrondse gevangenis is overgebracht om te worden vermoord?
Dit zijn zorgelijke berichten en beelden. Het kabinet onderstreept dat het menslievend behandelen van gevangenen een van de basisregels van het humanitair oorlogsrecht is, en dat daarnaast ook op basis van de mensenrechten, onder andere op basis van artikel 7 IVBPR, niemand mag worden onderworpen aan folteringen, of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
Hoe verhoudt de behandeling van dr. Abu Safiya zich tot de verplichtingen van Israël onder de Vierde Conventie van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd en het absolute verbod op foltering?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de arrestatie van medisch personeel tijdens de uitoefening van hun taken een ernstige schending vormt van het internationaal humanitair recht? Zo nee, waarom niet?
Volgens het humanitair oorlogsrecht moet geneeskundig personeel onder alle omstandigheden worden ontzien en beschermd, tenzij deze buiten hun humanitaire taak voor de vijand schadelijke handelingen verricht.
Heeft de Nederlandse regering sinds de arrestatie van dr. Abu Safiya op 27 december 2024 bij de Israëlische autoriteiten geïnformeerd naar zijn verblijfplaats, gezondheidstoestand, detentieomstandigheden en juridische status? Zo ja, wanneer, op welk niveau en met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet brengt zorgen op het gebied arbitraire detentie, de detentieomstandigheden zelf, en het gebrek aan toegang tot gevangenen, met regelmaat op bij de Israëlische autoriteiten. De Nederlandse Mensenrechtenambassadeur heeft o.a. deze zorgen bij Israël opgebracht tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november. Daarnaast heeft de Europese Unie Israël recentelijk aangesproken op de zaak van dr. Abu Safiya. Middels een lokale verklaring met gelijkgestemde landen heeft Nederland eveneens aandacht voor zijn casus gevraagd en Israël opgeroepen alle gedetineerden te behandelen in lijn met diens verplichtingen onder het internationaal recht.
Bent u bereid de Israëlische ambassadeur met spoed te ontbieden en te eisen dat dr. Abu Safiya onmiddellijk toegang krijgt tot onafhankelijke artsen, zijn advocaten, zijn familie en het Internationale Comité van het Rode Kruis?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid van Israël te verlangen dat een onafhankelijk medisch onderzoek plaatsvindt, waarvan de bevindingen aan zijn familie en juridische vertegenwoordigers worden verstrekt, en dat hij onmiddellijk wordt overgebracht naar een geschikte medische instelling wanneer zijn gezondheidstoestand dat vereist?
Het kabinet verlangt dat eenieder de juiste medische hulp ontvangt, zie ook het antwoord op vragen 6 en 7. In de lokale verklaring met gelijkgestemden roept Nederland Israël ook op alle gedetineerden te behandelen in lijn met diens verplichtingen onder het internationaal recht.
Bent u bereid om bij de Israëlische regering, bilateraal dan wel in EU-verband, aan te dringen op de onmiddellijke vrijlating van dr. Abu Safiya, op toegang tot adequate medische zorg en juridische bijstand voor alle Palestijnse gedetineerden, en op onafhankelijk onderzoek naar de omstandigheden van zijn detentie?
Zie het antwoord op vraag 9.
Deelt u de zorg dat de arrestatie en behandeling van dr. Abu Safiya onderdeel vormen van een breder patroon van aanvallen op de Palestijnse gezondheidszorg en de detentie van Palestijnse artsen en andere zorgverleners? Hoe beoordeelt u in dit verband de berichtgeving dat minstens veertien artsen uit Gaza al langer dan een jaar zonder aanklacht door Israël worden vastgehouden?
Het kabinet ziet inderdaad dat er herhaaldelijk sprake is van beperking van handelen van medisch en humanitair personeel, in Gaza en wereldwijd. Het kabinet maakt zich hier ernstig zorgen over. Zie ook de antwoorden op vragen 2 t/m 8.
Bent u bereid bij Israël een volledige lijst op te vragen van alle uit Gaza gevangengenomen Palestijnse zorgverleners, met vermelding van hun verblijfplaats, juridische status, gezondheidstoestand, toegang tot advocaten en medische zorg en eventuele tegen hen ingediende aanklachten?
Het monitoren en documenteren van behandeling en detentieomstandigheden van gedetineerden valt binnen het mandaat van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). Nederland zet zich daarom consequent in voor de toegang van het ICRC tot Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten.
Welke consequenties verbindt u eraan wanneer Israël geloofwaardige beschuldigingen van foltering en mishandeling niet onafhankelijk laat onderzoeken en de verantwoordelijken niet vervolgt? Bent u bereid in dat geval te pleiten voor gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische functionarissen en leidinggevenden binnen het gevangeniswezen?
Zoals u stelt is het aan het land zelf onderzoek te doen naar vermeende schendingen van het internationaal recht. Het kabinet constateert eveneens dat Israël tekort schiet in het doen van onderzoek hiernaar. Dit onderstreept het belang van de lopende onderzoeken en processen via bestaande internationale organisaties en onderzoeksmechanismen naar de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden, waaronder het onderzoek van het Internationaal Strafhof en het werk van de Commission of Inquiry. Zie ook het antwoord op vraag 19.
Deelt u de opvatting dat Nederland geen militaire, veiligheids- of andere samenwerking mag onderhouden met Israëlische diensten of instellingen die betrokken zijn bij willekeurige detentie, foltering of andere ernstige mensenrechtenschendingen? Bent u bereid de bestaande samenwerking hierop met spoed door te lichten?
Bilaterale samenwerking die Nederland aangaat met Israëlische partijen vindt plaats binnen het kader van het (inter)nationaal recht. Het kabinet beoordeelt de samenwerking op verschillende terreinen ook binnen dit kader.
Bent u bekend met het antwoord van uw voorganger Van Weel dat het kabinet zich al geruime tijd zorgen over de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten en dat het kabinet de zorgen deelt die door het VN-Comité tegen foltering zijn gepresenteerd in hun concluding observations on the sixth periodic report of Israel van 22 december 20253. Welke stappen heeft het kabinet nadien richting Israël ondernomen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Nederland heeft samen met Canada Syrië voor het Internationaal Gerechtshof gedaagd wegens schending van het VN-Verdrag tegen Foltering. Welke juridische of feitelijke reden bestaat er om ernstige en structurele meldingen van foltering van Palestijnse gevangenen door Israël niet met een vergelijkbare mate van urgentie, consequentie en bereidheid tot internationale aansprakelijkstelling te behandelen? Welke uitvoering hebben jullie aan de aangenomen motie Teunissen over «ondeonderzoeken welke juridische stappen Nederland kan zetten opdat Israël het Verdrag tegen foltering van de Verenigde Naties naleeft»?4
Zoals uw Kamer onder meer is medegedeeld in het verslag van de Europese Raad van 18 december 2025, kan geen van de verdragspartijen stappen zetten die leiden tot een bindende uitspraak van een internationaal hof of tribunaal over de naleving door Israël van het Antifolteringverdrag. Het verschil tussen Syrië en Israël is in dit geval dat Israël een voorbehoud heeft gemaakt bij de geschillenbeslechtingsclausule van artikel 30 van het Antifolterverdrag. Als gevolg daarvan bestaat geen mogelijkheid tot bindende geschillenbeslechting met Israël over de naleving van dit verdrag.
Dit neemt niet weg dat het kabinet bij Israël consequent wijst op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag.
Welke mogelijkheden ziet u om onafhankelijk internationaal onderzoek naar de arrestatie, detentie en behandeling van dr. Abu Safiya te ondersteunen, onder meer door VN-mechanismen, het Internationaal Strafhof en Palestijnse en Israëlische mensenrechtenorganisaties?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen en schendingen van internationaal recht vast te kunnen stellen. Onder andere middels Nederlandse financiering aan het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), in het bijzonder de Human rights Inquires Branch, ontvangen onafhankelijke onderzoeksmechanismen van de VN zoals de Commission of Inquiry ondersteuning bij de uitvoering van hun onderzoek. Nederland steunt daarnaast in 2026 het landenkantoor van het OHCHR in de Palestijnse Gebieden met iets meer dan EUR 2 miljoen. De afgelopen paar jaren heeft Nederland een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van in totaal EUR 6 miljoen, voor de versterking van de algehele onderzoekscapaciteit van het Hof. In verband met de onafhankelijkheid van het Strafhof is het niet mogelijk vrijwillige bijdragen te oormerken voor specifieke onderzoeken. Ten slotte steunt Nederland verschillende Israëlische en Palestijnse organisaties die bijdragen aan het verzamelen van feiten ten aanzien van vermeende schendingen van het internationaal recht.
Bent u bereid Israël te verzoeken al het bewijsmateriaal veilig te stellen dat betrekking heeft op de detentie en behandeling van dr. Abu Safiya, waaronder medische dossiers, camerabeelden, registraties van overplaatsingen en namen van betrokken functionarissen en bewakers?
Het kabinet roept Israël consequent op onderzoek te doen naar vermeende schendingen van het internationaal recht. Het veiligstellen van bewijsmateriaal is relevant voor het doen van onderzoek. Zie ook het antwoord op vraag 19.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Vragen en antwoorden met eenzelfde strekking zijn gecombineerd.
Het VN-rapport inzake mogelijke genocide en doelbewust geweld tegen Palestijnse kinderen in Gaza |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente rapport van de onafhankelijke VN-onderzoekscommissie, waarin wordt geconcludeerd dat Israël zich schuldig maakt aan genocidale handelingen in Gaza en dat Palestijnse kinderen doelbewust zijn gedood en verwond door militair geweld?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van de VN-commissie dat sprake is van een patroon waarbij Palestijnse kinderen worden gedood, verwond en beroofd van hun toekomst door aanvallen op kinderen, scholen, weeshuizen en medische voorzieningen?
Het rapport geeft een hartverscheurend beeld van de situatie van kinderen in de bezette Palestijnse Gebieden. Het kabinet vindt de bevindingen van de VN-onderzoekscommissie zorgwekkend en neemt de daarin genoemde incidenten en patronen – waaronder meldingen van gerichte verwondingen en dodelijke schoten bij kinderen – zeer serieus. Het kabinet beschikt zelf niet over informatie die nodig zou zijn om met zekerheid vast te stellen dat sprake is van stelselmatig, doelbewust beleid van Israël om Palestijnse kinderen in de bezette Palestijnse Gebieden aan te vallen. Wel voedt onafhankelijk onderzoek, zoals dit onderzoek door de Commission of Inquiry (CoI), de afwegingen van het kabinet voor het bepalen van de Nederlandse inzet.
Herkent het kabinet zich in de conclusie van de VN-onderzoekscommissie dat Israëlische strijdkrachten Palestijnse kinderen in Gaza doelbewust doden en verwonden, wat onder meer blijkt uit terugkerende gevallen van enkelvoudige schotwonden aan hoofd of borst? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke juridische gevolgen verbindt het kabinet aan deze bevindingen, in het bijzonder in het licht van de Nederlandse verplichting om genocide te voorkomen en het internationaal humanitair recht te doen eerbiedigen?
Het kabinet is zich bewust van de inspanningsverplichtingen van Nederland als derde staat op basis van het Genocideverdrag en het humanitair oorlogsrecht, en neemt deze verplichtingen serieus. De reikwijdte van deze verplichtingen hangt af van de mogelijkheden om invloed uit te oefenen. Het kabinet weegt continu af op welke wijze het beste invloed kan worden uitgeoefend.
Welke consequenties verbindt het kabinet aan de ernstige bevindingen van de VN-commissie voor de Nederlandse relatie met de Israëlische regering?
Zie beantwoording vraag 4. Het kabinet hanteert een combinatie van druk en dialoog om Israël van gedrag te laten veranderen en om naleving van internationaal recht te bevorderen.
Welke stappen zet Nederland om te voorkomen dat Nederlandse goederen, technologie, dual-usegoederen, militaire onderdelen of doorvoer via Nederland bijdragen aan mogelijke oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid of genocidale handelingen?
Het kabinet toetst alle individuele vergunningaanvragen voor de uit- en doorvoer van militaire en dual-use goederen per geval zorgvuldig aan de relevante Europese exportcontrolekaders. Daar waar duidelijke risico’s bestaan dat militaire goederen of dual-use goederen worden gebruikt voor ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht wordt een vergunningaanvraag afgewezen.
In de praktijk betekent dit dat het kabinet alleen vergunningen toewijst voor de uitvoer van militaire goederen die enkel defensief kunnen worden ingezet, zoals onderdelen voor het Iron Dome-luchtafweerysteem, en voor uitvoer van goederen ten behoeve van productie of onderhoud waarbij het eindgebruik niet in Israël ligt. Dat geldt eveneens voor de genoemde vergunningen.
Is het kabinet bereid in EU-verband te pleiten voor aanvullende maatregelen, waaronder gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische bewindspersonen en militairen en herziening van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich, in lijn met relevante moties en toezeggingen aan de Kamer, inzetten voor het realiseren van draagvlak voor de door de Europese Commissie voorgestelde EU-maatregelen, waaronder voor het voorstel om het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord gedeeltelijk op te schorten. Momenteel ontbreekt het draagvlak onder EU-lidstaten hiervoor. Daarnaast blijft Nederland een voortrekkersrol spelen in het sanctioneren van gewelddadige kolonisten en hun organisaties, alsook tegen Hamas en Palestinian Islamic Jihad (PIJ), en steunt het kabinet sancties tegen de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich.
Welke inzet pleegt Nederland binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties om onafhankelijke onderzoeken naar oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en mogelijke genocide in Gaza te ondersteunen?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen en schendingen van internationaal recht vast te kunnen stellen. Onder andere middels Nederlandse financiering aan het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), in het bijzonder de Human Rights Inquiries Branch (HRIB), ontvangen onafhankelijke onderzoeksmechanismen van de VN zoals de Commission of Inquiry ondersteuning bij de uitvoering van hun onderzoek. Nederland steunt daarnaast ook in 2026 het landenkantoor van de OHCHR in de Palestijnse Gebieden, middels iets meer dan EUR 2,1 miljoen. In VN-verband roept Nederland op tot onafhankelijk onderzoek naar eventuele schendingen van internationaal recht, zoals meerdere malen gedaan tijdens open debatten over het Midden-Oosten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Dit gebeurt tevens in Europees verband, zoals tijdens de Raad Buitenlandse Zaken. Nederland blijft zich inzetten voor de bevordering van accountability en het tegengaan van straffeloosheid.
Op welke wijze garandeert Nederland het onafhankelijk en onbelemmerd functioneren van het Internationaal Strafhof, het Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen om verantwoordelijken voor ernstige internationale misdrijven ter verantwoording te roepen?
Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Internationaal Strafhof, Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen, hun ambtsdragers en hun personeel en als zodanig door hen aangewezen getuigen. Het is van belang dat de organen hun mandaat onafhankelijk en onbelemmerd kunnen uitvoeren. Er moet wereldwijd gedegen en onafhankelijk onderzoek worden gedaan als er sprake is van mogelijke ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht. Nederland zet zich daar voor in en roept de partijen consequent op tot naleving van het internationaal recht. Nederland onderhoudt als gastland doorlopend contact met het Internationaal Strafhof en het Internationaal Gerechtshof, waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen.
Wat gaat het kabinet doen met de aanbevelingen van deze VN-commissie?
Het rapport van de VN-commissie bevat enkele duidelijke aanbevelingen, waartoe Nederland ook al langere tijd oproept en die het uitvoert. Dit heeft onder andere betrekking op de herhaalde oproep van het kabinet tot het verlenen van vrije toegang aan humanitaire actoren, accountability, en de Nederlandse inzet voor sancties in EU-verband ten aanzien van extremistische kolonisten en de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich. Tegelijkertijd mag de terreurorganisatie Hamas op geen enkele manier een rol spelen in het bestuur van de Palestijnse Gebieden. Het kabinet zet zich in voor een tweestatenoplossing: een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israël. Nederland zal deze inzet blijven voortzetten en hiertoe blijven oproepen in bilateraal en multilateraal verband.
Nederlandse staatsburgers in dienst van het Israëlische leger en mogelijke betrokkenheid bij internationale misdrijven |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Investico waaruit blijkt dat ten minste 645 Nederlandse paspoorthouders in het Israëlische leger (IDF) dienen, en dat meer dan twintig Nederlanders sinds oktober 2023 naar Israël zijn afgereisd om dienst te nemen?1
Ja.
Deelt u de zorg dat, gegeven het optreden van het IDF in Gaza – dat uw ministerie meermaals heeft gekwalificeerd als in strijd met het internationaal humanitair oorlogsrecht – én de aanwezigheid van honderden Nederlandse staatsburgers in het IDF, Nederlanders mogelijk betrokken zijn geweest bij het plegen van oorlogsmisdrijven? Zo nee, waarom niet?
De mogelijkheid dat Nederlanders, waar dan ook ter wereld, bijdragen aan internationale misdrijven is altijd een punt van aandacht. Daarom heeft Nederland ook rechtsmacht over internationale misdrijven die door Nederlanders in het buitenland worden gepleegd.
Deelt u de juridische opvatting dat voor de kwalificatie en de ernst van eventueel door Nederlanders gepleegde oorlogsmisdrijven geen relevant onderscheid bestaat op basis van het verband waarin deze zijn gepleegd, en dat de aard van de relatie die Nederland onderhoudt met het land of de organisatie in kwestie derhalve niet relevant is? Zo nee, op welke rechtsgrond maakt u dat onderscheid?
Ja. Het internationaal recht maakt alleen een relevant juridisch onderscheid tussen oorlogsmisdrijven begaan in een internationaal gewapend conflict en die begaan in een niet-internationaal gewapend conflict. Voor de ernst of strafbaarheid maakt het niet uit tot welke strijdende partij de verdachte behoort; de Wet internationale misdrijven maakt in de strafbaarstellingen geen onderscheid naar zijde van het conflict en ook de aard van de relatie die Nederland onderhoudt met het land of de partij in kwestie is juridisch niet relevant.
Deelt u de opvatting dat áls Nederlandse staatsburgers betrokken zijn bij het plegen van oorlogsmisdrijven – in het IDF of in enig ander verband – het onwenselijk is dat dit straffeloos passeert, en dat daarbij geen onderscheid gemaakt mag worden op grond van de politieke relatie die Nederland met het betreffende land onderhoudt? Zo nee, waarom niet?
Ja. Voorop gesteld moet worden dat het kabinet vindt dat het internationaal recht door eenieder moet worden nageleefd en dat straffeloosheid voor internationale misdrijven onaanvaardbaar is, ongeacht het verband waarin deze worden gepleegd en ongeacht de politieke relatie die Nederland met het betreffende land onderhoudt. De bestrijding van straffeloosheid voor internationale misdrijven middels het strafrecht is al jaren een speerpunt van het kabinet. Dit omvat nadrukkelijk ook gevallen waarbij Nederlanders als (mogelijke) verdachten in beeld komen. Het is daarbij telkens aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of sprake is van voldoende bewijs van mogelijke individuele strafbare betrokkenheid bij internationale misdrijven en of opsporing en (vervolgens) vervolging opportuun is.
Erkent u dat Nederland op grond van de Wet Internationale Misdrijven verplicht is mogelijke oorlogsmisdrijven door Nederlandse staatsburgers te onderzoeken en zo nodig te vervolgen, ongeacht waar en in wiens dienst deze zijn gepleegd? Zo nee, waarom niet?
De Wet internationale misdrijven verklaart de Nederlandse strafwet van toepassing op Nederlanders die buiten Nederland internationale misdrijven plegen. Daarmee kunnen mogelijke oorlogsmisdrijven gepleegd door Nederlanders worden opgespoord en vervolgd, ongeacht de locatie of in wiens dienst zij zijn gepleegd. Daarnaast vloeien uit verschillende internationale verdragen bepaalde verplichtingen voort waar het gaat om onderzoek naar personen die zich schuldig hebben gemaakt aan internationale misdrijven. Dit schept echter geen onvoorwaardelijke plicht om in elk individueel geval tot opsporing en vervolging over te gaan. Het is aan het Openbaar Ministerie om per geval te beoordelen of sprake is van mogelijk individueel strafbaar handelen, of er voldoende aanknopingspunten zijn voor strafrechtelijk onderzoek en, zo ja, of opsporing en vervolging opportuun zijn. Hierbij handelt het Openbaar Ministerie binnen de geldende wettelijke en verdragsrechtelijke kaders en met inachtneming van het opportuniteitsbeginsel.
Kunt u, nu het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft bevestigd dat mediaberichtgeving kan gelden als aanleiding voor onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij internationale misdrijven,2 uitleggen op welke grond de uitgebreide nationale en internationale berichtgeving over het optreden van het IDF in Gaza én de gerapporteerde aanwezigheid van enkele honderden Nederlandse staatsburgers in het IDF nog niet heeft geleid tot een proactief onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van Nederlandse staatsburgers bij oorlogsmisdaden?
Hier kan het kabinet geen uitspraken over doen. Zie het antwoord op vraag 5.
In zijn algemeenheid kan daarnaast het volgende worden opgemerkt. Zoals ook is opgenomen in de meest recente Rapportage internationale misdrijven3, is het niet ongebruikelijk dat in het belang van het onderzoek aan het instellen van strafrechtelijk onderzoek in geval van internationale misdrijven geen ruchtbaarheid wordt gegeven. De opsporing van internationale misdrijven is complex en kan tijdrovend zijn, en vaak kan pas brede bekendheid worden gegeven aan een strafrechtelijk onderzoek als er voldoende bewijs voorhanden is om over te gaan tot aanhouding en strafvervolging.
Bent u bereid om, ook in afstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid, een extra inspanning te leveren om mogelijke betrokkenheid van individuele Nederlanders bij ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht in Gaza, op de Westelijke Jordaanoever en in Zuid-Libanon beter in beeld te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid, nu de Israëlische krijgsmacht heeft geweigerd informatie te verstrekken over Nederlandse staatsburgers die in het IDF dienen of hebben gediend,3 deze weigering aan de orde te stellen in bilateraal diplomatiek overleg met Israël en aan te dringen op alsnog verstrekking van die informatie? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet merkt op dat dienstneming in de IDF door Nederlanders op zichzelf geen strafbaar feit is.