Het Smash-systeem van Smart Shooter |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Defensie meldt aanschaf Israëlische wapens tegen drones niet»?1
Ja.
Klopt het dat de Smash 3000 (of andere versies daarvan) onderdeel zijn van de Extended AAAD Toolbox? Zo ja, waarom is dit nooit als zodanig richting de Kamer geëxpliceerd?
Op 19 december 2024 is uw Kamer geïnformeerd over de start en behoeftestelling voor het project «Verwerving extended All Arms Air Defence (eAAAD) Toolbox» (Kamerstuk 27 830, nr. 456). Op dat moment was nog geen definitieve keuze gemaakt voor het uiteindelijke product en de leverancier. In deze A-brief is een functionele beschrijving van de capaciteit opgenomen die Defensie wilde verwerven. Door deze behoeftestelling functioneel te formuleren, gericht op het gewenste effect en niet op het gewenste product, bleven zoveel mogelijk opties voor de vervulling van de behoefte open. Defensie heeft tijdens het verwervingsproces begin 2025 een keuze gemaakt voor het uiteindelijke product. Dit product was uiteindelijk het enige product wat voldeed aan de door Nederland gestelde eisen.
Defensie heeft op 25 november 2025 uw Kamer geïnformeerd met de Kamerbrief «Update investeringen in additionele C-UAS capaciteit» (Kamerstuk 27 830, nr. 474). Hierin is aangegeven dat Defensie de krijgsmachtbrede eAAAD toolbox versterkt en uitbreidt. Sinds de start van de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne en de drone-incidenten in de rest van Europa wordt specifieke militaire informatie steeds gevoeliger om openbaar te delen. Om operationele en veiligheidsredenen verstrekt Defensie daarom in principe geen openbare informatie meer over specifieke tijdslijnen, operationele effecten, aantallen en kosten. Defensie is transparant waar het kan en vertrouwelijk waar dat moet. Daarom is uw Kamer aanvullend geïnformeerd met de vertrouwelijke bijlage over de aanvullende investeringen in C-UAS capaciteit. In deze bijlage staan de verschillende investeringen in C-UAS capaciteit toegelicht, waaronder de ophoging van het gemandateerde project «Verwerving extended All Arms Air Defence (eAAAD) Toolbox». Deze Toolbox bestaat uit verschillende elementen waaronder, naast het Smash-systeem, ook Manpads2.
Klopt het dat het Smash-systeem al sinds 2020 op enige manier wordt gebruikt door Defensie? Zo ja, waarom wordt de Kamer dan pas op 19 december 2024 indirect geïnformeerd over de aanschaf via de Kamerbrief over de eAAAD Toolbox?
Het Smash-systeem was aangeschaft als Counter-Unmanned Aerial System (C-UAS) middel om onder andere te beproeven (concept development and experimentation) op welke wijze de specifieke dreiging van kleine UAS effectief is te beantwoorden, en welke manier van militair optreden met een dergelijk systeem het meest effectief is. Deze aanschaf betrof een gering aantal systemen en bleef ruim onder de financiële bandbreedtes van het Defensie Materieel Proces (DMP) met een bedrag onder de € 2 miljoen, zodat conform de afspraken over de informatie over het DMP uw Kamer hierover niet is geïnformeerd.
Is het bedrag dat met de verwerving van het Smash-systeem is gemoeid lager dan de ondergrens van projecten waarover de Tweede Kamer apart wordt geïnformeerd, te weten 50 miljoen euro? (Kamerstuk 27 830, nr. 463)
Uw Kamer is geïnformeerd met de vertrouwelijke bijlage over de aanvullende investeringen in C-UAS capaciteit. In deze bijlage staan de verschillende investeringen in C-UAS capaciteit toegelicht, waaronder de ophoging van het gemandateerde project «Verwerving extended All Arms Air Defence (eAAAD) Toolbox».
Stijgt de bandbreedte van het budget voor de verwerving van de eAAAD Toolbox door de additionele investeringen boven de mandateringsgrens van 250 miljoen euro uit? (Kamerstuk 27 830, nr. 463)
Uw Kamer is, zoals gezegd, geïnformeerd met de vertrouwelijke bijlage over de aanvullende investeringen in C-UAS capaciteit. Met de additionele investeringen in C-UAS capaciteit, stijgt de bandbreedte van het budget voor de verwerving van het gehele project «Verwerving eAAAD Toolbox» boven de mandateringsgrens van € 250 miljoen. In het Defensie Projectenoverzicht (DPO) van mei 2026 zal Defensie zoals gebruikelijk rapporteren over de voortgang van individuele projecten zoals het project «Verwerving eAAAD Toolbox».
Deelt u de mening dat een beroep op commerciële vertrouwelijkheid of operationele veiligheid door het ministerie niet geloofwaardig is, aangezien zowel de CEO van Smart Shooter als krijgsmachtonderdelen zelf al uitvoerig publiekelijk gecommuniceerd hebben over de ingebruikname van het Smash-systeem door Defensie?
Ik deel deze mening niet. Om tegemoet te komen aan de informatiebehoefte van uw Kamer en in afstemming met aanpassingen in het defensiebeleid, heeft Defensie over de jaren steeds meer en gedetailleerde informatie openbaar verstrekt. In het huidige tijdsgewricht is het echter nodig om kritisch te kijken naar de vertrouwelijkheid van deze informatie. Defensie geeft in principe geen openbare informatie meer over specifieke tijdslijnen (leveringen), operationele effecten, aantallen en kosten (projectbudgetten). Aanvullend geldt dat enkel openbaar wordt gecommuniceerd over de beoogde leverancier en daarmee het land van herkomst als het bedrijf daarmee instemt. Zo zijn bijvoorbeeld niet de landen van herkomst bekend gemaakt in de DMP-brieven bij de projecten «Precision Guided Rockets» (Kamerstuk 27 830, nr. 436), «Future Littoral All-Terrain Mobility Patrouillevoertuigen (FLATM PV)» (Kamerstuk 27 830, nr. 314) en «Network Enabled Capabilities Helikopters» (Kamerstuk 27 830, nr. 457), en «Ground based Area Accesss Denial (GAAD)» (Kamerstuk 33 763, nr. 144).
Is het gebruikelijk om bij communicatie richting de Kamer over wapenaankopen niet het land van herkomst te noemen, zoals in dit geval? Zo ja, kunt u voorbeelden geven waar dit ook niet is gebeurd?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de verwerving van Israëlische wapensystemen politiek gevoelig ligt en de Kamer hierover dus apart geïnformeerd had moeten worden ongeacht de omvang van het budget?
Het kabinet erkent deze politieke gevoeligheid en heeft aandacht voor de verwerving van defensiematerieel bij Israëlische bedrijven (zie tevens de beantwoording vraag 20). Zoals hierboven gemeld, was bij de informatievoorziening aan uw Kamer over de behoeftestelling voor het project (Kamerstuk 27 830, nr. 456) nog geen definitieve keuze gemaakt voor het uiteindelijke product en de leverancier.
Deelt u de mening dat de Kamerbrief van 25 november jl. over aanvullende investeringen in C-UAS, en dus ook de eAAAD Toolbox, onderdeel was van de beraadslaging over de incidentele suppletoire begroting inzake bestrijding van drones, aangezien de ISB in die desbetreffende brief benoemd werd, de uitbreiding van de eAAAD Toolbox blijkens de Kamerbrief van 19 december 2024 gerelateerd is aan het project Initiële Counter-Unmanned Aircraft Systems capaciteit, Kamerleden ernaar vroegen en de Staatssecretaris zelf de aanschaf van extra Smash-systemen in het debat heeft aangekondigd? Zo ja, waarom heeft u dit niet in acht genomen toen u toezegde dat de beoogde leveranciers niet uit Israël afkomstig zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening niet. Zoals aangegeven in de Incidentele Suppletoire Begroting (ISB) van het Defensiematerieelbegrotingsfonds (K) voor het jaar 2025 (Kamerstuk 36 858, nr. 7) van 19 november 2025, betreft de ISB een aantal financiële herschikkingen tussen de artikelen van het DMF om over te kunnen gaan tot de directe aanschaf van IRIS-radars en gerelateerde voertuigen en verbindingen en het kanonsysteem Skyranger als Combat C-UAS capaciteit. De uitbreiding van de «eAAAD Toolbox» was hier geen onderdeel van.
Tijdens het Wetgevingsoverleg (WGO) met uw Kamer van 26 november 2025 heb ik het project eAAAD Toolbox alleen genoemd als voorbeeld van de versterking van de vierkante meter van de militair.3 Ik heb tevens aangegeven dat dit een project in uitvoering is waarvoor de contracten al waren getekend. Ik heb tijdens het WGO de aanschaf van extra Smash-systemen niet genoemd of aangekondigd. Ik heb tijdens het WGO over de ISB gezegd dat de betrokken radars, gerelateerde voertuigen, verbindingen en kanonsystemen niet uit Israël komen.
Waarom heeft u bij uw aankondiging dat er extra Smash-systemen afgeroepen worden tijdens het wetgevingsoverleg niet aangegeven dat het om een Israëlische leverancier ging terwijl het al langer bekend is dat sommige fracties daar kritisch op zijn en in het debat ook ter sprake kwam dat geen wapens uit Israël een harde voorwaarde was voor de steun van de fractie van GroenLinks-PvdA?
Ik heb tijdens het WGO de aanschaf van extra Smash-systemen niet genoemd of aangekondigd. De ISB betrof alleen de directe aanschaf van IRIS-radars en gerelateerde voertuigen en verbindingen en het kanonsysteem Skyranger als Combat C-UAS capaciteit.
Is bij Defensie bekend of, en in welke hoedanigheid, Smash of andere producten van Smart Shooter worden gebruikt door het Israëlische leger, in het bijzonder tijdens inzet in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Klopt het dat Smart Shooter Smash ook aanbiedt voor inzet tegen personen? Zo ja, is er bij Defensie enige informatie bekend over het gebruik van Smash of andere producten van Smart Shooter tegen personen in Gaza of de Westelijke Jordaanoever?
Is er bij Defensie enige informatie bekend over de mogelijke betrokkenheid van Smash of andere producten van Smart Shooter bij ernstige mensenrechtenschendingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Kan Defensie uitsluiten dat Smash of andere producten van Smart Shooter mogelijk gebruikt zijn bij ernstige mensenrechtenschendingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Hoe heeft u het gebruik van Smash of andere producten van Smart Shooter tijdens de Gaza-oorlog meegenomen in uw afweging om tot aanschaf van het Smash-systeem over te gaan?
Hanteert Defensie inderdaad het uitgangspunt dat dit wapen alleen tegen drones ingezet kan worden en niet tegen mensen? Zo ja, waarop is dit uitgangspunt gebaseerd? Zo nee, waarom niet?
Alle nieuwe wapens en munitie voor de krijgsmacht worden getoetst aan de verplichtingen van Nederland onder het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht. Het toenmalige Smart Shooter systeem is in 2021 getoetst en het (bindend) advies van de Adviescommissie Internationaal Recht en Conventioneel Wapengebruik is online te raadplegen op https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-defensie/organisatie/commissies/adviescommissie-internationaal-recht-en-conventioneel-wapengebruik (advies 18). In het advies staan de redenen voor begrenzing van het gebruik. Het systeem betreft een richtmiddel en geen zelfstandig wapen. Nieuwe versies van het systeem zullen opnieuw worden beoordeeld wat betreft voorwaarden voor het gebruik ervan door de Nederlandse krijgsmacht.
Welke plannen zijn er voor verdere investeringen in het Smash-systeem?
Defensie heeft momenteel geen concrete plannen voor verdere investeringen in het Smash-systeem. Het is echter niet uit te sluiten dat bij verdere uitbreiding van de krijgsmacht een aanvullende behoefte ontstaat aan dergelijke capaciteit.
Op welke wijze heeft de proef van de Landmacht met de Smash 2000 bijgedragen aan de verdere (door)ontwikkeling van het Smash-systeem door Smart Shooter?
Defensie heeft de proef met de Smash 2000 uitgevoerd om te experimenteren op welke wijze de specifieke dreiging van kleine UAS effectief te beantwoorden is en welke manier van militair optreden met een dergelijk systeem het meest effectief is. Tevens is op basis van deze proef een verdere behoeftestelling met aantallen en benodigde functionaliteiten opgesteld.
Er zijn rapporten opgesteld om de werking van het systeem tegen Class I drones in kaart te brengen en de effectiviteit van het optreden te verbeteren. Deze rapporten zijn gebruikt om de exacte behoefte vorm te geven, de krijgsmacht breder kennis te laten maken met het systeem, alternatieven te onderzoeken en ervaringen met partnerlanden uit te wisselen bij het gezamenlijk tegengaan van de UAS-dreigingen. Er zijn geen resultaten en/of rapporten gedeeld met Israëlische counterparts of leveranciers.
Op welke wijze draagt het gebruik van de Smash 3000 door de krijgsmacht bij aan de verdere (door)ontwikkeling van het Smash-systeem door Smart Shooter?
De aanschaf van de Smash 3000 draagt bij aan de versterking van Defensie om sneller de operationele eenheden aan de oostflank en de krijgsmacht voor de eerste hoofdtaak gereed te stellen. Daarnaast draagt het bij aan de beveiliging van het eigen grondgebied en kritieke locaties tegen deze actuele dreiging. Defensie deelt geen informatie waarmee Smartshooter het proces of product kan verbeteren. Het belangrijkste deel van het onderhoud zal intern Defensie worden uitgevoerd. Alleen zaken die Defensie niet kan uitvoeren zullen door de tussenleverancier en/of Smartshooter worden georganiseerd. Defensie heeft maatregelen getroffen om te voorkomen dat het systeem data kan verzamelen die later kunnen worden uitgelezen.
Bent u bereid een plan op te stellen om afhankelijkheden van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Defensie werkt met de «Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 (D-SII)» aan een toekomstbestendige krijgsmacht en aan het vergroten van de strategische autonomie van Nederland en Europa op het gebied van veiligheid en defensie (Kamerstuk 31 125, nr. 134). Dit gebeurt onder meer door industrieversterkend aanschafbeleid in Nederland en Europa en het verminderen van strategische afhankelijkheden van niet-Europese leveranciers.
Met het huidige voorkeursbeleid van Defensie ten aanzien van leveranciers uit Nederland of Europa, is de inzet om de afhankelijkheid van niet-Europese leveranciers, waaronder die uit Israël, zoveel mogelijk te beperken. Tegelijkertijd heeft Defensie vanwege de toegenomen internationale dreiging en de veroudering van het bestaand materieel op zeer korte termijn behoefte aan nieuw materieel om de taken van de krijgsmacht te kunnen blijven uitvoeren. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders. Daarbij komen ook Israëlisch geregistreerde bedrijven in beeld. Eventuele aankopen van nieuw materieel uit Israël wordt per geval zorgvuldig gewogen, waarbij Defensie onderzoekt of het materieel essentieel is voor de gereedstelling van de krijgsmacht, of er geschikte alternatieven zijn en of deze alternatieven tijdig leverbaar zijn. Hiermee geeft Defensie invulling aan de motie van het lid Teunissen (Kamerstuk 22 054, nr. 478) om de afhankelijkheid van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen.
Welke alternatieven zijn er, of worden ontwikkeld, voor het Smash-systeem, onder andere in Europa? Waarom is niet voor een alternatief gekozen?
Er is op dit moment nog geen volwaardig alternatief op korte termijn leverbaar. Defensie beschouwt bij iedere behoeftestelling de herkomst van het materieel en, in lijn met de D-SII, de mogelijkheden voor Nederlandse en Europese alternatieven.
Kunt u deze vragen één voor één en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Vanwege de samenhang zijn de vragen 6 en 7 en de vragen 11 tot en met 15 gezamenlijk beantwoord.
Het bericht dat een Nederlandse opiniemaker de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd vanwege haar mening |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse opiniemaker Eva Vlaardingerbroek de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd omdat «haar aanwezigheid niet bevorderlijk wordt geacht voor het algemeen belang» – een paar dagen nadat ze een kritische tweet over de Britse premier Starmer plaatste?1
Ja, het kabinet is bekend met dit bericht.
Bent u het eens dat de vrijheid van meningsuiting een zeer groot goed is, en dat we ook van onze buurlanden en bondgenoten – zoals het Verenigd Koninkrijk – verwachten dat ze deze verworvenheid uitdragen en beschermen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, erkent u dat het een flagrante schending van de vrijheid van meningsuiting is om een persoon de toegang tot het land te ontzeggen vanwege een geuite mening – al dan niet over de premier van het betreffende land?
Het kabinet beschouwt de vrijheid van meningsuiting als een fundamenteel mensenrecht en een kernwaarde van de democratische rechtsstaat. Het is een prioriteit in ons mensenrechtenbeleid.
Op basis van de berichtgeving kan niet worden vastgesteld dat het uiten van een mening aan de vermeende annulering van de ETA ten grondslag ligt. Daarnaast staat het annuleren van een ETA niet gelijk aan het ontzeggen van de toegang tot het VK.
Vindt u het feit dat de geweigerde persoon, in dit geval Vlaardingerbroek, geen bezwaar kan aantekenen tegen het genomen besluit verenigbaar met de principes van een rechtsstaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
De procedures met betrekking tot grenscontrole en toelating verschillen per land. Het is niet aan het kabinet om te oordelen over of zich te mengen in de inrichting van rechtsmiddelen binnen de nationale wetgeving van het Verenigd Koninkrijk.
Heeft u de Britse regering en/of ambassadeur al om uitleg gevraagd over waarom Vlaardingerbroek de toegang tot het Verenigd Koninkrijk is ontzegd? Zo ja, wat was daarop de reactie?
Nee.
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom heeft u dit nog niet gedaan en bent u bereid om de Britse regering en/of ambassadeur hierover alsnog ter verantwoording te roepen?
De Nederlandse overheid is geen partij in deze kwestie en treedt niet in contact met het Verenigd Koninkrijk over individuele gevallen.
Verwacht u dat deze inreisbeperking consequenties heeft voor andere Nederlanders die zich op sociale media kritisch of niet positief hebben uitgelaten over de regering van het Verenigd Koninkrijk? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Tot op heden heeft het kabinet geen informatie of signalen ontvangen dat er inreisbeperkingen worden opgelegd op basis van sociale media berichten.
Bent u bekend met recente berichtgeving dat de Britse politie vele duizenden mensen per jaar – zo’n dertig per dag – arresteert wegens het geven van hun mening in vermeende beledigende uitingen op sociale media en andere platforms?2
Het kabinet is bekend met deze berichtgeving.
Wat betekent het genoemde in vraag 7 volgens u voor (de vrijheid van meningsuiting van) Nederlanders die in het Verenigd Koninkrijk verblijven, op vakantie zijn, of daar wonen in verband met bijvoorbeeld werk?
Voor Nederlanders die in het Verenigd Koninkrijk verblijven of reizen gelden de Britse wetten en regels.
Bent u van mening dat het reisadvies naar het Verenigd Koninkrijk dient te worden aangepast, nu we zien dat de vrijheid van meningsuiting steeds verder wordt ingeperkt en mensen zelfs gevangenisstraffen moeten vrezen of zelfs daadwerkelijk opgelegd krijgen na het uiten van hun mening? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Een reisadvies wordt aangepast als er sprake is van een verandering in de veiligheidsrisico’s zoals het Ministerie van Buitenlandse Zaken die inschat voor Nederlandse reizigers in het betreffende land. Tot op heden heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken geen informatie of signalen ontvangen dat er sprake is van veranderingen in de veiligheidsrisico’s in het Verenigd Koninkrijk.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse Kustwacht door personeelstekorten beperkt handelingsperspectief heeft bij het signaleren en tegengaan van spionage- en sabotageactiviteiten op de Noordzee, mede in het licht van toenemende (digitale) dreigingen?1
Ja.
Heeft u inzicht in hoe groot het huidige capaciteitstekort is bij de Nederlandse Kustwacht, uitgesplitst naar personeel, vaartuigen en middelen, en wat dit concreet betekent voor het toezicht op de Noordzee? Zo ja, kunt u dit specificeren? Zo niet, wat bent u van plan doen om dit in kaart te brengen?
In 2023 is er een disbalans vastgesteld tussen het takenpakket van de Kustwacht en haar capaciteit. Door de opdrachtgevende departementen binnen het kustwachtsamenwerkingsverband is besloten om de capaciteit bij de Kustwacht op orde te brengen (toename van 43 FTE). Met deze additionele capaciteit is de Kustwacht in staat om haar huidige taken dienstverlening, handhaving en maritime security naar behoren uit te voeren. Voor een uitbreiding van taken in het kader van maritime security zullen nieuwe middelen beschikbaar gesteld moeten worden. Daarnaast ligt er een opdracht vanuit het Kustwachtsamenwerkingsverband om de organisatie en aansturing van de Kustwacht te onderzoeken. Het onderzoek moet antwoord geven op de vraag of het huidige model van de Kustwacht toekomstbestendig is. Ook wordt onderzocht hoe de huidige taken van de Kustwacht (dienstverlening, handhaving en maritime security) zich verhouden tot toekomstige ontwikkelingen, waaronder het op te bouwen National Maritime Security Centre (NMSC) dat onder regie van het Interdepartementaal Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) wordt uitgewerkt.2
In hoeverre acht u de bescherming van vitale infrastructuur op de Noordzee, zoals onderzeese kabels, pijpleidingen en windparken, op dit moment voldoende geborgd?
Het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) is opgericht in 2023. Het programma heeft als doel om de bescherming van de Noordzee infrastructuur te versterken. In 2024 en 2025 is door het programma ca. 44 mln. geïnvesteerd in het verbeteren van de beeldopbouw op de Noordzee, in het verhogen van de weerbaarheid van zowel de fysieke als digitale weerbaarheid van de Noordzee infrastructuur, het versterken van de crisisbeheersing, en het verbeteren van de nationale en internationale samenwerking (zowel publiek als privaat). Ook zijn er onderzoeken gedaan naar de meest kritieke infrastructuurpunten op de Noordzee, waar sensoren strategisch kunnen worden geplaatst en naar de governance van maritime security op de Noordzee.
Het onderzoek van ABDTOPConsult heeft aanbevolen om een Nationaal Maritiem Security Centrum (NMSC) op te richten, waarin het bijeenbrengen en analyseren van verschillende datastromen moet samenkomen en uitvoerende organisaties sneller kunnen worden ingezet. Voor de zomer van 2025 is een kwartiermaker aangesteld om te kijken hoe het NMSC moet worden ingericht. Er zijn veel initiatieven ontplooid om de bescherming van de Noordzee infrastructuur te versterken. Om het gewenste niveau te bereiken en het Actieplan Strategie ter Bescherming Noordzee Infrastructuur volledig uit te voeren is structurele financiering nodig. Dit besluit wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet. Om deze periode te overbruggen is door het huidige kabinet geld beschikbaar gesteld.
Acht u de huidige taakverdeling en samenwerking tussen Kustwacht, Koninklijke Marine en andere betrokken diensten passend bij de huidige dreiging van spionage en sabotage op zee? Zo niet, waar zit ruimte voor verbetering?
Alle betrokken uitvoeringsorganisaties werken hard om de dreiging van sabotage en spionage op de Noordzee aan te pakken. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 is één van de aanbevelingen van ABDTOPConsult om de samenwerking ter verbeteren op de Noordzee door o.a. de oprichting van een Nationaal Maritiem Security Centrum (NMSC).
Het NMSC is nodig voor het bijeenbrengen en analyseren van alle informatie van (zowel publieke als private) partijen die actief zijn op de Noordzee. Door gestructureerde samenwerking tussen de Kustwacht, Nationale Politie, Defensie, private partijen, buurlanden, inlichtingen- en veiligheidsdiensten moet een completer en actueler beeld van de situatie op de Noordzee ontstaan. Een ander belangrijk onderdeel van het NMSC is om uitvoerende organisaties, zoals de Kustwacht, Maritieme Politie en de Marine sneller te kunnen inzetten bij incidenten. Het beschermen van vitale infrastructuur op de Noordzee in vredestijd is echter een civiele verantwoordelijkheid die Defensie middels een bijstandsverlening aan het civiele gezag ondersteunt. Andere aanbevelingen gaan over het creëren van een goede wettelijke basis onder de informatiewisseling tussen overheid en private partijen en het zorgen voor voldoende capaciteit bij met name de Kustwacht, Defensie en Politie.
Bent u bereid de Koninklijke Marine een structureel grotere rol te geven bij de bescherming van de cruciale infrastructuur in de Noordzee? Zo niet, waarom niet?
Defensie heeft sinds juli 2023 een permanente taak op de Noordzee bij de bescherming van infrastructuur op de Noordzee. Zo bouwt Defensie beeld en begrip op van dreigingsactoren en factoren op de Noordzee. Daarnaast escorteert Defensie niet-NAVO eenheden door de Nederlandse EEZ. Dit gebeurt in afstemming met bondgenoten en wanneer daar aanleiding voor is.3 Het beschermen van de vitale infrastructuur op de Noordzee in vredestijd is een civiele verantwoordelijkheid. Defensie en in het bijzonder de Koninklijke Marine kan middels bijstandsverlening het civiele gezag daarin ondersteunen. Deze bijstand wordt op verzoek van het civiele gezag geleverd die de behoefte hiertoe formuleert. De Koninklijke Marine zet de komende jaren stappen om verder te ontwikkelen en vernieuwen. Capaciteiten ter versterking van de bescherming en maritime security op de Noordzee maken hier deel van uit.
Welke rol ziet u voor innovatie en technologische middelen, zoals onderwaterdrones, sensoren, autonome vaartuigen of satellietmonitoring, bij het verkleinen van het capaciteitstekort?
Vanuit Defensie speelt innovatie voor inzet op de Noordzee een centrale rol. Hierbij wordt een ambitie nagestreefd voor het interoperabel optreden van sensoren en effectoren van space naar zeebodem. Daar valt de integratie van de boven genoemde capaciteiten ook onder. Zo is in 2023 het Seabed Security Experimentation Centre (SeaSEC) in Scheveningen geopend, waar Nederland samen met Denemarken, Duitsland, Finland, Noorwegen en Zweden experimenteel onderzoek uitvoert om onderzeese infrastructuur te beschermen.
Hoe is de samenwerking met andere Noordzeelanden en internationale partners ingericht bij het detecteren en tegengaan van spionage en sabotage, en waar ziet u mogelijkheden tot intensivering?
Veiligheid staat hoog op de agenda van verschillende internationale organisaties en wordt actief vanuit de NAVO en de EU gestimuleerd. Vanuit de NAVO is de Critical Undersea Infrastructure Coordination Cell opgericht, waarin Nederland actief participeert. Daarnaast is er een samenwerkingsverband tussen het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Nederland. Door deze landen is een Joint Declaration of Intent (JDI) getekend om samen de bescherming van de infrastructuur te verbeteren. Dit wordt onder andere gedaan door het delen van informatie over incidenten, dreigingsbeelden en best practices, regelgeving op elkaar aan te sluiten en door het ontwikkelen van een gezamenlijke crisisrespons. De komende tijd wordt ook actiever de samenwerking opgezocht met de samenwerkende landen in de Baltische Zee.
Welke concrete maatregelen op korte en middellange termijn bent u voornemens te nemen om te voorkomen dat toezicht, handhaving en beveiliging op de Noordzee structureel tekortschieten?
De Kustwacht voert in opdracht van de samenwerkende departementen haar toezicht en handhavingsfunctie uit op de Noordzee, hiervoor worden de Kustwachtschepen en het Kustwachtvliegtuig ingezet. Dit najaar wordt een nieuw 24/7 schip operationeel wat de mogelijkheid geeft om langer op zee te zijn. Dit handhavingsvaartuig gaat reguliere toezicht en handhavingstaken uitvoeren. De verkenning naar de vervanging van de huidige handhavingsvaartuigen wordt deze maand opgestart.
Complementair aan deze civiele capaciteiten investeert Defensie, als onderdeel van de Defensienota 2022, in Intelligence, Surveillance and Reconnaissance (ISR-)capaciteit op de Noordzee. Met deze waarnemingscapaciteit kan Defensie dreigingen tegen vitale infrastructuur tijdig onderkennen, lokaliseren en volgen. Daarmee draagt deze capaciteit bij aan de afschrikking van mogelijke plegers van sabotage en spionage. Daarnaast bereidt Defensie de verwerving voor van twee licht-bemande schepen die een taak krijgen op de Noordzee. Met de vaartuigen kan Defensie proactief potentiële dreigingen opsporen en verdachte situaties monitoren. Hiervoor worden de schepen uitgerust met onderwaterapparatuur en sensoren. De schepen worden tevens ingezet om onderzoek te doen bij acute dreigingen en verstoringen. Defensie kan met deze investeringen invulling geven aan de taken die Defensie heeft op de Noordzee en, indien nodig, bijstand verlenen aan de Kustwacht.
Financiële en personele tekorten voor bescherming tegen spionage en sabotage in de Noordzee |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving waarin wordt gesteld dat financiële en personele tekorten bij de Nederlandse Kustwacht leiden tot verhoogde risico’s op sabotage en spionage? Hoe reflecteert u op deze verontrustende berichten?1
Ik ben bekend met de recente berichtgeving. De dreiging op de Noordzee is actueel, complex en vindt doelbewust plaats in het grijze gebied tussen oorlog en vrede. Nationale en internationale wetgeving dragen eraan bij, de aanpak complex is. In 2023 is door de opdrachtgevende departementen binnen het kustwachtsamenwerkingsverband besloten om de capaciteit bij de Kustwacht te vergroten met 43 FTE, waardoor de Kustwacht met deze additionele capaciteit in staat is om haar huidige taken dienstverlening, handhaving en maritime security naar behoren uit te voeren.
Klopt het dat het tekort aan geld en personeel bij de Kustwacht zo nijpend is dat de dienst tot zeker 2027 niet kan worden ingezet om internet- en elektriciteitskabels, pijpleidingen en andere infrastructuur op de Noordzee te beschermen tegen sabotage en spionage?
In 2018 heeft de Raad voor de Kustwacht besloten dat maritime security een aparte hoofdtaak voor de Kustwacht vormt. Deze nieuwe hoofdtaak bevat deeltaken zoals bijvoorbeeld crisiscommunicatie en informatievoorziening, security berichtgeving en pre-arrival analyses. Daarnaast is de Kustwacht sinds juli 2025 het meldpunt voor maritime security; mensen kunnen verdachte situaties melden bij de Kustwacht. Hierdoor kan de Kustwacht eerder adequaat reageren op mogelijke dreigingen. De meldkamer is 24/7 bezet voor het verwerken en uitlopen van deze meldingen. Voor een uitbreiding van taken in het kader van Maritime Security zullen aanvullende structurele middelen beschikbaar gesteld moeten worden. Het is aan een volgend kabinet om daar een besluit over te nemen.
Kunt u aangeven of er een causale relatie bestaat tussen het capaciteitstekort bij de Kustwacht en concrete incidenten, zoals het Russische spionageschip Eagle S dat twee uur lang ongestoord boven onderzeese kabels bij Terschelling kon varen op 24 november 2023?
De Kustwacht monitort de scheepvaart en verzamelt informatie om te weten wat er op de Noordzee gebeurt om de taken te kunnen uitvoeren. Over de inlichtingenpositie, werkwijze en activiteiten worden in het openbaar geen uitspraken gedaan, om te voorkomen dat tegenstanders en kwaadwillende inzage wordt gegeven in de modus operandi van de Kustwacht of de Koninklijke Marine.
Welke acties onderneemt het kabinet om heel snel een einde te maken aan het gesteggel over geld tussen de departementen die betrokken zijn bij het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI)?
Onder coördinatie van IenW is in 2023 het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee infrastructuur (PBNI) in het leven geroepen. Op dat moment is PBNI met IenW, DEF, JenV, EZ, KGG en BZ aan de slag gegaan met het maken van een Actieplan, analyses van dreigingen en het in kaart brengen van de meest kritieke infrastructuur in en op de Noordzee. PBNI heeft de afgelopen jaren diverse resultaten geboekt. Zo is er onder andere geïnvesteerd in versterkte beeldopbouw met onder meer een extra patrouilleschip, een verbetering van de communicatie op zee voor de Kustwacht, extra satellietcapaciteit, versterking van de publiek-private en de internationale samenwerking en is er een proeftuin gestart voor datafusie.
In deze proeftuin komt data van verschillende organisaties bij elkaar en wordt deze vervolgens gezamenlijk geanalyseerd om zo een betere beeldopbouw (Maritime Situational Awareness en Maritime Situational Understandig) te krijgen op en in de Noordzee. Daarnaast wordt nu intensief gewerkt aan meer handelingsopties om bijvoorbeeld de schaduwvloot aan te pakken. Ook wordt onderzocht hoe een mogelijk NMSC kan worden ingericht en welke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen betrokken departementen (Defensie, JenV en IenW) het meest effectief is. Met deze informatie kan een nieuw kabinet een besluit nemen over het vervolg van PBNI vanaf 2026 en verder, inclusief bijbehorende financiering.
Ziet het kabinet mogelijkheden om een deel van de financiële tekorten via Europese middelen te dekken, gelet op het feit dat Nederland een belangrijke Europese toegangspoort vormt voor trans-Atlantische datakabels?
Momenteel wordt door PBNI onderzocht welke financiële mogelijkheden vanuit de Europese Unie mogelijk zijn, bijvoorbeeld via het EU Action Plan on Cable Security. Echter, dit is geen structurele oplossing voor de financiële middelen die de uitvoering van het Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee infrastructuur nodig heeft. De Europese middelen kunnen als aanvulling worden gebruikt voor specifieke projecten, zoals de integratie van data of het gebruik van AI bij de analyse van scheepvaartbewegingen.
Ziet het kabinet daarnaast een rol voor de NAVO bij het versterken van de bescherming van onderzeese datakabels en andere kritieke maritieme infrastructuur?
Het kabinet heeft een goede en intensieve samenwerking met de NAVO voor de versterking van de bescherming van kritieke maritieme infrastructuur. Zo is op het NAVO-hoofdkwartier in Brussel een coördinatiecel ingericht om NAVO-initiatieven op dit gebied te versnellen en is een Critical Undersea Infrastructure Network opgericht om samenwerking en afstemming tussen bondgenoten, NAVO-partners en private partijen te bevorderen. Tevens is er een NATO Maritime Centre for the Security of Critical Undersea Infrastructure (NMCSCUI) bij het NATO Allied Maritime Command ingericht, dat in mei 2024 initial operational capable is verklaard. Wanneer het NMCSCUI gereed is, moet het in staat zijn om te voorzien in situationeel bewustzijn over het maritieme dreigingslandschap met betrekking tot kritieke maritieme infrastructuur. Tot slot patrouilleren beide noordelijke vlootverbanden van de NAVO geregeld in de Noordzee en Oostzee.
Het repatriëren van het Nederlandse goud dat in New York is opgeslagen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het, onder andere gezien de recente dreigende taal vanuit Washington richting Groenland en het feit dat de Verenigde Staten een militaire aanval op Groenland en daarmee NAVO-bondgenoot Denemarken niet langer wil uitsluiten, inmiddels niet verstandig om uit voorzorg het Nederlandse goud dat in New York is opgeslagen zo snel mogelijk te repatriëren? Zo nee, waarom niet?
Het beheer van de Nederlandse goudvoorraad is belegd bij De Nederlandsche Bank (DNB) en maakt onderdeel uit van haar onafhankelijke taken als nationale centrale bank binnen het Europees Stelsel van Centrale Banken. Die onafhankelijkheid houdt in dat DNB, binnen het wettelijk kader en los van politieke besluitvorming, verantwoordelijk is voor beslissingen over de spreiding van de reserves, gericht op het borgen van financiële stabiliteit en het functioneren van het monetaire stelsel. Met de VS, Canada en het VK heeft DNB goede afspraken over het opslaan en de beveiliging van het goud. DNB houdt de ontwikkelingen rond de goudvoorraad voortdurend in de gaten en maakt daarbij doorlopend risicoanalyses.
De implementatie van de anti-dwangarbeidverordening |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
De Europese anti-dwangarbeidsverordening van december 2024 treedt eind 2027 in werking, kunt u aangeven wat de definitie is van dwangarbeid in deze verordening en welke maatregelen er genomen kunnen worden als de verordening overtreden wordt?
In de Anti-dwangarbeidverordening wordt de definitie van de Internationale Arbeidsorganisatie van «dwangarbeid» gehanteerd. Deze definitie luidt «alle arbeid of diensten die worden verricht door een persoon onder dreiging van een straf en waarvoor de betrokkene zich niet vrijwillig heeft aangeboden».1 Verder bepaalt de verordening dat bij de definitie van dwangarbeid ook gedwongen kinderarbeid moet worden inbegrepen.
De Anti-dwangarbeidverordening bevat een verbod voor het op de EU-markt aanbieden of daarvandaan uitvoeren van producten gemaakt met dwangarbeid. Als uit onderzoek van de zogenaamde leidende bevoegde autoriteit blijkt dat een bedrijf het verbod schendt, wordt het bedrijf geacht de desbetreffende producten van de markt te halen. De leidende bevoegde autoriteit zal het bedrijf een bevel geven dit te doen. Wanneer het betreffende bedrijf niet in actie komt nadat het bevel is gegeven, zullen bevoegde autoriteiten (in Nederland naar verwachting markttoezichthouders) het besluit handhaven en waar nodig producten van de markt halen en sancties opleggen. Op grond van de verordening krijgt ook de Douane een rol bij de handhaving van het verbod. De Douane wordt verantwoordelijk voor het aan de grens tegenhouden van producten waarvan is vastgesteld dat ze gemaakt zijn met dwangarbeid.
De Europese Commissie zal optreden als leidende bevoegde autoriteit bij vermoedens van producten gemaakt met dwangarbeid buiten de EU. Lidstaten, in het bijzonder de leidende bevoegde autoriteiten, zijn verantwoordelijk voor onderzoek en besluitvorming in gevallen van dwangarbeid binnen de eigen grenzen.
Kunt u aangeven hoe u deze verordening gaat implementeren om te voorkomen dat er in Nederlandse ketens sprake is van dwangarbeid?
De Anti-dwangarbeidverordening is landenneutraal en kan dus ook in Nederland eventuele misstanden tegengaan. Europese verordeningen zijn na inwerkingtreding als wet van toepassing in EU-lidstaten. Deze behoeven dan ook op zich zelf geen implementatie in Nederlandse wet- en regelgeving, en van aanvullende nationale beleidskeuzes is geen sprake. Wel moet er een uitvoeringswet komen. Vanaf 14 december 2027 is de Anti-dwangarbeidverordening in zijn geheel van toepassing en gaan de regels gelden voor bedrijven. Het kabinet werkt momenteel aan het inregelen van de uitvoering van de verordening door middel van een uitvoeringswet en bijbehorende memorie van toelichting. De uitvoeringswet ziet enkel toe op het aanwijzen van de bevoegde autoriteiten, het vastleggen van hun toezichts- en handhavingsbevoegdheden en het regelen van mogelijkheden voor samenwerking tussen bevoegde autoriteiten.
Het kabinet vindt het belangrijk om de Anti-dwangarbeidverordening uit te voeren op een manier die een zinvolle aanvulling is op het bestaande kader voor de bestrijding van dwangarbeid en arbeidsuitbuiting.
Daarnaast biedt het kabinet informatie en ondersteuning voor het bedrijfsleven. In oktober 2025 organiseerden het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een bijeenkomst voor het bedrijfsleven over de Anti-dwangarbeidverordening. Ook kunnen bedrijven terecht bij het MVO-steunpunt (belegd bij RVO) en zijn er een factsheet en flowchart beschikbaar die de inhoud van de verordening verder inzichtelijk maken.2
Het kabinet is voornemens in het voorjaar van 2026 de conceptuitvoeringswet en memorie van toelichting in consultatie te geven. Tijdens de consultatieperiode zullen de bevoegde autoriteiten ook verzocht worden om een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets te doen.
Op 14 december 2025 had duidelijk moeten zijn welke autoriteiten aangewezen worden om de wet te handhaven, kunt u aangeven welke autoriteit(en) door het kabinet zijn aangewezen voor deze toezichthoudende taken?
Lidstaten hadden tot uiterlijk 14 december 2025 om de beoogde bevoegde autoriteiten kenbaar te maken bij de Europese Commissie. Voor de handhaving van het verbod – nadat is vastgesteld dat producten gemaakt zijn met dwangarbeid – heeft het kabinet reeds vier markttoezichtouders genotificeerd bij de Europese Commissie onder voorbehoud van de door hen uit te voeren uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoetsen: de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Zij worden verantwoordelijk voor de handhaving voor producten waarvoor zij op grond van bestaande wetgeving al een taak hebben. Het gesprek over de rol van de leidende bevoegde autoriteit en welke partij daarvoor het meest geschikt is, loopt nog. De beoogde bevoegde autoriteiten worden formeel pas aangewezen in de uitvoeringswet.
Uit contacten met andere lidstaten blijkt dat ook zij in de meeste gevallen, net als Nederland, nog geen leidende bevoegde autoriteit hebben genotificeerd. Uiteraard wordt getracht hierover zo spoedig mogelijk helderheid te geven aan de Europese Commissie. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de gesprekken met potentiële partijen geïntensiveerd.
Kunt u daarbij uiteenzetten welke taken bij welke instantie of instanties worden belegd?
De leidende bevoegde autoriteit heeft de verantwoordelijkheid te onderzoeken of het verbod uit de Anti-dwangarbeidverordening is geschonden. Dit onderzoek bestaat uit het beoordelen van signalen over dwangarbeid (bijvoorbeeld ingediende informatie), het uitvoeren van het onderzoek naar dwangarbeid en waar nodig het nemen van een besluit. Dit besluit bevat een bevel om producten uit de handel te nemen of te verwijderen. Wanneer de vermoedelijke dwangarbeid buiten de EU plaatsvindt, is de Europese Commissie de leidende bevoegde autoriteit. Binnen de EU wordt per lidstaat een leidende bevoegde autoriteit aangewezen.
Als bedrijven zich niet op tijd aan het besluit van de verantwoordelijke leidende bevoegde autoriteit houden, zullen bevoegde autoriteiten het besluit handhaven. Zij zorgen ervoor dat de producten niet langer verhandeld worden en nemen waar nodig producten uit de handel of zorgen dat ze worden verwijderd. Vooralsnog zijn voor deze rol vier markttoezichthouders genotificeerd, zoals ook beschreven bij de beantwoording van vraag 3. De Douane wordt verantwoordelijk voor het aan de grens tegenhouden van producten waarvan is vastgesteld dat ze gemaakt zijn met dwangarbeid.
Klopt het dat de Nederlandse Arbeidsinspectie hierbij de voor de hand liggende autoriteit is om vast te stellen of er sprake is van dwangarbeid op de werkplek? Zo nee, waarom niet en welke autoriteit is in dat geval wel de partij die dwangarbeid op de werkplek vast kan stellen?
Het ligt inderdaad voor de hand dat de Arbeidsinspectie vast stelt of sprake is van dwangarbeid. De Arbeidsinspectie heeft aangeboden die taak op zich te nemen, onder het voorbehoud van een positieve uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets. De rol van de leidende bevoegde autoriteit is echter breder. De leidende bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor het beoordelen van ingediende informatie, het uitvoeren van onderzoeken en het nemen van besluiten of het verbod uit de Anti-dwangarbeidverordening is geschonden. Het gesprek over de rol van de leidende bevoegde autoriteit en welke partij daarvoor het meest geschikt is, loopt nog.
Uw Kamer wordt via de geannoteerde agenda’s voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel op de hoogte gehouden over de inrichting van het toezicht op de Anti-dwangarbeidverordening.
Kunt u de vragen separaat beantwoorden?
Ja.
Het EU-sanctieregime |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU verklaart critici vogelvrij»?1
Ja.
Bent u bekend met Council Decision (CFSP) 2024/2643 van 8 oktober 2024 betreffende «restrictive measures in view of Russia’s destabilising activities»? Kunt u bevestigen dat dit besluit voorziet in sancties tegen natuurlijke personen, waaronder ook EU-burgers en ingezetenen, en niet uitsluitend tegen staten of buitenlandse entiteiten? Hoe verhoudt zich dit tot de reikwijdte van artikel 29 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), dat de grondslag vormt voor het besluit en blijkens de opname van dit artikel in Titel V van het VEU ziet op extern optreden van de unie en het buitenlands en veiligheidsbeleid?
Ja, ik ben bekend met Raadsbesluit 2024/2643. Dit betreft het sanctieregime naar aanleiding van Russische destabiliserende activiteiten. Op de sanctielijst bij dit Raadsbesluit staan personen die hierbij betrokken zijn, ongeacht hun nationaliteit. De reikwijdte van artikel 29 EU is niet beperkt tot maatregelen die alleen personen in derde landen raken. Bepalend is of de maatregelen nodig zijn om doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU te bereiken, zoals neergelegd in artikel 21 VEU. De Unie kan, met inachtneming van de daarvoor geldende juridische kaders en waarborgen, ook sancties opleggen aan EU-burgers en -ingezetenen.
Hoe beoordeelt u dat in overweging 8 van dit besluit Foreign Information Manipulation and Interference (FIMI) wordt omschreven als een «mostly non-illegal pattern of behaviour», en dat voor plaatsing op de sanctielijst dus geen strafbaar feit of anderszins illegaal gedrag is vereist? Kunt u bevestigen dat EU-ingezetenen die niets doen dat illegaal is, op grond van dit besluit kunnen worden onderworpen aan vergaande sancties als reisbeperkingen (art. 1 van het besluit) en bevriezing van tegoeden en economische middelen (art. 2 van het besluit)?
De overwegingen bij het besluit vormen een toelichting en zijn niet juridisch bindend. Het besluit ziet op acties of beleidsmaatregelen van Rusland die de democratie, de rechtsstaat, de stabiliteit of de veiligheid in de Unie of in een of meer van haar lidstaten, in een internationale organisatie of in een derde land ondermijnen of bedreigen, of die de soevereiniteit of de onafhankelijkheid van een of meer van haar lidstaten of van een derde land ondermijnen of bedreigen. Het kabinet is van mening dat deze activiteiten de fundamentele waarden en de veiligheid, onafhankelijkheid en integriteit van de Unie ondermijnen of bedreigen.
Het gedrag van personen die hierbij betrokken zijn hoeft niet per se strafbaar te zijn. Sancties worden opgelegd om een verandering in het beleid of van de activiteiten van externe actoren teweeg te brengen, niet om personen verantwoordelijk te houden voor het plegen van strafbare feiten.
Hoe beoordeelt u dat het besluit niet voorziet in rechtsstatelijke waarborgen, zoals onschuldpresumptie, hoor- en wederhoor vooraf en inhoudelijke toetsing door een onafhankelijke rechter?
EU-sanctiemaatregelen, zoals besluit 2024/2643, voldoen wel degelijk aan verschillende juridische eisen en rechtsstatelijke waarborgen. Hierover bestaat bestendige rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU.
Als een persoon op de EU-sanctielijst wordt geplaatst, moet de Raad deze persoon de elementen meedelen waarover hij tegen die persoon beschikt om zijn besluit op te baseren. Vervolgens moet de Raad die persoon de mogelijkheid bieden zijn standpunt over de tegen hem in aanmerking genomen redenen naar behoren kenbaar te maken.2 De plaatsing op de lijst wordt regelmatig geëvalueerd (zie artikel 10 van het besluit). Als de Raad nieuwe gegevens in aanmerking neemt om de persoon te handhaven op de lijst, dan dient de persoon voorafgaand te worden gehoord.3 Telkens als de Raad een besluit jegens de betrokken persoon vaststelt, dus zowel bij het initiële besluit als bij besluiten tot handhaving op de lijst, heeft de persoon het recht om hiertegen beroep in te stellen bij het Gerecht van de Europese Unie (artikel 263 van het EU-werkingsverdrag). Tegen de uitspraken van het Gerecht staat hoger beroep open bij het Hof van Justitie.
Het vermoeden van onschuld verzet zich voor alle duidelijkheid niet tegen de aanname van beperkende maatregelen. Deze maatregelen zijn preventief van aard en betreffen geen strafrechtelijke vervolging.4
Gelet op deze waarborgen ben ik van mening dat adequate rechtsbescherming wordt geboden aan personen die op EU-sanctielijsten worden geplaatst.
Erkent u dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ), indien een natuurlijk persoon o.g.v. art. 263 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) beroep instelt tegen een sanctiebesluit, zich doorgaans beperkt tot een beoordeling van de procedurele voorschriften en inhoudelijk slechts marginaal toetst? Hoe beoordeelt u dit gebrek aan deugdelijke rechtsbescherming voor de getroffenen?
Het Gerecht kan de rechtmatigheid van het besluit tot plaatsing op de lijst toetsen, het gaat niet om een marginale toets. De rechterlijke toets houdt onder andere in of het besluit berust op een voldoende solide feitelijke grondslag, met andere woorden of er voldoende bewijs aanwezig is in het dossier om de redenen die de Raad opvoert te onderbouwen. Hierbij geldt dat ten minste één van de redenen toereikend onderbouwd moet zijn om als grondslag van het besluit te dienen.5 Het Gerecht kan ook nagaan of fundamentele rechten zijn geschonden, zoals de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechtsbescherming. In rechtspraak is erkend dat de Raad in het kader van het evenredigheidsbeginsel een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft op gebieden waar politieke keuzen met ingewikkelde beoordelingen moeten worden gemaakt. Alleen wanneer het besluit in het licht van het beoogde doel kennelijk ongeschikt is, tast dit de wettigheid van de beperkende maatregel aan.6
Bent u bekend met Council Decision (CFSP) 2025/2572 van 15 december 2025, waarbij op grond van het eerder genoemde besluit twaalf natuurlijke personen en twee entiteiten aan de sanctielijst zijn toegevoegd?
Ja.
Hoe beoordeelt u dat onder de in dit uitvoeringsbesluit gesanctioneerde personen journalisten, wetenschappers, academici, analisten en commentatoren vallen, zoals Jacques Baud, Xavier Moreau, Fyodor Lukyanov en Ivan Timofeev?
Voor ieder individu geldt dat er voorafgaand aan sanctionering een bewijspakket wordt samengesteld waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de in het sanctieregime geformuleerde criteria. De betrekking van de betreffende persoon is hierbij geen uitsluitend criterium.
Hoe beoordeelt u dat de «Statement of Reasons» bij deze personen in hoofdzaak bestaat uit kwalificaties als «acts as a mouthpiece for pro-Russian propaganda», «promotes Kremlin narratives» en «justifies Russian actions», zonder dat sprake is van aantoonbare strafbare feiten of überhaupt enige (financiële) banden met het Kremlin? Erkent u dat hiermee natuurlijke personen puur en alleen vanwege het uiten van een onwelgevallige mening, niet zijnde een strafbare mening, kunnen worden onderworpen aan vergaande sancties? Deelt u de opvatting dat hiermee de reikwijdte van het sanctieregime feitelijk verschuift van het bestrijden van externe dreiging naar het disciplineren van uitingen en standpunten? Hoe beoordeelt u dat in het licht van de vrijheid van meningsuiting?
Over de motiveringsplicht die op de Raad rust bestaat vaste rechtspraak van het Hof van Justitie. De Raad moet specifieke en concrete redenen te geven waarom hij van mening is dat de maatregel moet worden vastgesteld. Het is echter niet noodzakelijk dat alle relevante feiten en omstandigheden worden gespecificeerd. Het is voldoende dat de betrokkene de strekking van de maatregel kan begrijpen.7 Het Gerecht kan nagaan of de motiveringsplicht is nagekomen.
Het opleggen van een sanctie heeft tot doel om verandering teweeg te brengen in het beleid of activiteiten van externe actoren en niet om personen of entiteiten verantwoordelijk te houden voor het plegen van strafbare feiten. Opgelegde sancties zijn daarnaast niet gericht tegen het enkel uiten van een mening door individuen, maar tegen de destabiliserende acties of beleidsmaatregelen van Rusland zoals beschreven in het antwoord op vraag 3.
Het kabinet erkent dat het instellen van beperkende maatregelen de vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de EU, kan inperken. Deze bij wet gestelde inperkingen kunnen op grond van artikel 51, lid 1, van het Handvest echter worden gerechtvaardigd met het oog op de door de EU erkende doelstelling van algemeen belang om vrede en veiligheid van haar volkeren te bevorderen (zie artikel 3, lid 5, VEU).
Bent u bereid om binnen de Raad te pleiten voor beperking van de toepassing van dit sanctieregime tot personen die zich schuldig maken aan strafbare of aantoonbaar gewelddadige handelingen? Bent u bereid om er tevens voor te pleiten dat sancties die zijn opgelegd aan journalisten, wetenschappers, academici, analisten en commentatoren – in het bijzonder EU-ingezetenen – die geen strafbare uitingen doen, worden ontzien? Zo nee, waarom niet?
Nee, daartoe ben ik niet bereid. Sancties zijn bestuursrechtelijke maatregelen gericht op gedragsverandering en worden niet opgelegd ter vervolging van strafbare feiten. Het is daarom voor het opleggen van sancties niet doorslaggevend of de activiteiten strafbaar zijn of niet. Voor dit sanctieregime is doorslaggevend of personen verantwoordelijk zijn voor, uitvoering geven aan, steun verlenen aan of voordeel behalen uit destabiliserende acties of beleidsmaatregelen van Rusland.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
De protesten in Iran |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op de protesten tegen het regime van Iran, waar onder meer Euronews over bericht?1
Het kabinet staat pal achter het Iraanse volk en diens recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzaam protest. De situatie in Iran is ernstig: vreedzame demonstranten worden met harde hand onderdrukt en er zijn al vele dodelijke slachtoffers gevallen. Het kabinet roept het Iraanse regime dan ook dringend op het geweld te staken, alle onterecht gevangengenomen personen vrij te laten en de toegang tot het internet volledig te herstellen.
Deelt u de mening dat deze protesten steun verdienen van de Nederlandse regering? Is de premier bereid om per direct steun uit te spreken voor het Iraanse volk en alle pogingen om de vreedzame protesten te onderdrukken te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de protesten steun verdienen van de Europese Unie (EU)? Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een gezamenlijk statement? Zo nee, waarom niet?
Op 9 januari jl. is een verklaring uitgegaan waarin de EU haar solidariteit uitspreekt met het Iraanse volk in hun legitieme streven naar een beter leven, vrijheid en waardigheid. In de verklaring veroordeelt de EU het gebruik van geweld, willekeurige arrestaties en intimidatie door veiligheidstroepen tegen demonstranten, en roept op tot de onmiddellijke vrijlating van allen die onterecht zijn vastgehouden. Daarnaast dringt de EU er bij de Iraanse autoriteiten op aan hun internationale verplichtingen na te komen, fundamentele vrijheden te respecteren en de toegang tot informatie, inclusief internettoegang, te herstellen.
Daarenboven zet het kabinet zich in voor verdere mensenrechtensancties tegen Iran en voor de terrorisme-listing van de Islamitische Revolutionaire Garde.
Op welke manier zet u zich er voor in, ook in EU-verband, dat Iraniërs hun grondrechten, zoals het recht op vrije meningsuiting en vergadering, kunnen uitoefenen? Bent u bereid om uw inzet hierop te vergroten? Zo nee, waarom niet?
De mensenrechtensituatie in Iran is al lange tijd zorgwekkend. Nederland zet zich actief en structureel in voor de mensenrechten in Iran, zowel vóór als achter de schermen. Nederland is bovendien al langer van mening dat de Islamitische Revolutionaire Garde op de EU-terreurlijst thuishoort en dat er sancties moeten worden opgelegd aan personen en organisaties die mensenrechten schenden en de bevolking onderdrukken, onder meer door communicatiekanalen af te sluiten.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat op 13 januari 2026 van de Raad Buitenlandse Zaken van 29 januari 2026?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het artikel 'Ursula von der Leyen soll EU-kritischen Journalisten auf ‘Feindesliste’ gesetz haben' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel getiteld «Ursula von der Leyen soll EU-kritischen Journalisten auf «Feindesliste» gesetz haben» in «Die Weltwoche»?1
Ja.
Bent u bereid namens Nederland bij de Europese Commissie na te vragen of een dergelijke (informele) lijst met namen van EU-kritische journalisten inderdaad bestaat en zo ja, welke journalisten op deze lijst vermeld staan, en hierover aan de Kamer te rapporteren?
Ja. Navraag bij de Europese Commissie leert dat een dergelijke lijst met EU-kritische journalisten, zoals in het artikel in Die Weltwoche wordt genoemd, niet bestaat. Hierover zijn in het Europees Parlement ook vragen gesteld die spoedig door de Europese Commissie zullen worden beantwoord.
Indien u daartoe niet bereid bent, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht 'Wereldwijde druk op X groeit om bikini-deepfakes en AI-beelden minderjarigen' |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wereldwijde druk op X groeit om bikini-deepfakes en AI-beelden minderjarigen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel en aanstotelijk is dat X op grote schaal seksuele deepfakes van vrouwen en minderjarigen genereert met AI-chatbot Grok?
Ja, wij vinden het onacceptabel dat met behulp van de AI-chatbot Grok op grote schaal deepnudes (seksueel getinte nepafbeeldingen of -video’s) zijn gegenereerd. Het bericht dat zoveel mensen, slachtoffer zijn geworden vinden wij zeer zorgwekkend. De slachtoffers zijn met name vrouwen en minderjarigen, maar deepnudes kunnen in potentie van iedereen gemaakt worden. De impact en de gevolgen van deepnudes voor slachtoffers en hun omgeving zijn enorm, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden. Daarnaast zijn deze beelden ook schadelijk voor de samenleving, omdat iedereen, specifiek jongeren, ze online tegen kunnen komen. Het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van minderjarigen of van personen zonder toestemming, is strafbaar, ook als het materiaal met AI is gegenereerd.
Bent u bereid om aan te sluiten bij landen zoals Frankrijk en Australië die een onderzoek zijn begonnen tegen X en eisen dat X in actie komt tegen de stroom aan deepfakes van vrouwen? Welke concrete stappen gaat u hiervoor zetten?
In de aanpak van dit soort platforms vinden wij de Europese benadering van belang, waarbij wij als Europese lidstaten één lijn trekken. GROK AI wordt – omdat het onderdeel van X is – via de Europese Digitale Dienstenverordening (DSA) gereguleerd. X is een zeer groot online platform (meer dan 45 miljoen maandelijkse gebruikers) waarop de Europese Commissie (EC) toezicht houdt. De EC is inmiddels een onderzoek gestart in het kader van de DSA.2 Onder de DSA zijn platforms verplicht om illegale content zo snel mogelijk te verwijderen.
In het Verenigd Koninkrijk (VK) is toezichthouder Ofcom een onderzoek gestart. Het toezicht in het VK is anders geregeld, omdat het VK geen lid is van de EU en de DSA daarom niet van toepassing is.
Vindt u het wenselijk dat X veel verder gaat dan concurrenten als het gaat om het toestaan van bikini-deepfakes, terwijl voor andere AI-chatbots strengere beperkingen gelden voor wat met kunstmatige intelligentie mag worden gemaakt?
Nee, wij vinden het handelen van X op dit punt hoe dan ook niet wenselijk.
Voor al dit soort praktijken bestaat hetzelfde juridische kader dat deze praktijken tegen moet gaan. Hierbij is het relevant onderscheid te maken tussen illegale content en niet-illegale content. Alle beelden die illegaal zijn – zoals afbeeldingen van seksueel misbruik van kinderen3 – zijn ook illegaal als deze door AI gegeneerd zijn. Op grond van de DSA moet deze illegale content zo snel mogelijk verwijderd worden, zodra het platform kennis heeft van illegale content (als het bijvoorbeeld is gemeld). Voor wat betreft mogelijk schadelijke, niet-illegale content, geldt dat de DSA voorschrijft dat platforms zoals X systeemrisico’s in kaart moeten brengen en moeten mitigeren (artikel 34 DSA). Zoals hierboven aangegeven, is de EC, die hierop toezicht houdt, inmiddels een onderzoek gestart in het kader van de DSA.
Relevant is verder artikel 14 van de DSA dat regelt dat online platforms in hun gebruiksvoorwaarden informatie moeten opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie omvat gegevens over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie, met inbegrip van algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem.
Gaat u zich inzetten om gemanipuleerde seksuele afbeeldingen van vrouwen en minderjarigen zo snel mogelijk van het platform te laten verwijderen? Zo ja, op welke manier gaat u dat doen?
Jazeker en wij zien in het geval van Grok AI al een aantal ontwikkelingen in de goede richting. Zo heeft X naar aanleiding van de toenemende druk laten weten de regels voor AI-chatbot Grok aan te scherpen, waardoor het niet meer mogelijk moet zijn om mensen ermee «uit te kleden» of afbeeldingen te creëren van echte mensen in weinig verhullende kleding. Indien er onverhoopt toch nog gemanipuleerde illegale beelden van vrouwen en minderjarigen op het platform staan, kan een ieder op grond van artikel 16 van de DSA een verwijderverzoek indienen. Het platform dient een dergelijk verwijderverzoek op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze te verwerken.
Als het verwijderen van de illegale content niet lukt door middel van een melding aan het platform, kan een gespecialiseerde hulporganisatie worden ingeschakeld. Op basis van de DSA is Offlimits door de Autoriteit Consument en Markt (ACM), de coördinerende toezichthouder op de DSA in Nederland, aangewezen als betrouwbare flagger. Dit houdt in dat zij verwijderverzoeken van illegale content kan indienen bij online platforms zoals X. X dient vervolgens onverwijld en prioritair dit verwijderverzoek te behandelen, en indien sprake is van illegale content dient het platform deze te verwijderen.
Indien een platform nalaat om adequaat op een melding te reageren, biedt de DSA mogelijkheden tot handhaving waarbij in het geval van X de Europese Commissie in kan grijpen. De EC kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet. Zoals hierboven vermeld, is de EC een onderzoek gestart naar X, waarbij specifiek wordt gekeken naar AI-chatbot Grok, vanwege mogelijke overtredingen van de DSA. Daarnaast hebben gebruikers de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, een gerechtelijke procedure te starten.
Is het mogelijk om op basis van de Digital Services Act (DSA) een verwijderverzoek in te dienen als het gaat om dergelijke deepfake afbeeldingen?
Ja, een ieder kan op grond van artikel 16 van de DSA een verwijderverzoek indienen wanneer er gemanipuleerde illegale beelden van vrouwen en minderjarigen op een platform staan.
Daarnaast rust op grond van de DSA op zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines de verantwoordelijkheid om illegale inhoud op hun diensten tegen te gaan en systeemrisico’s te mitigeren. Tevens dienen zij hun gebruikers in staat te stellen om illegale inhoud of inhoud die in strijd is met de gebruiksvoorwaarden van een zeer groot onlineplatform op eenvoudige wijze te melden. Het platform X is door de EC aangewezen als zeer groot online platform, waardoor al het bovenstaande van toepassing is.4
Deze zorgvuldigheidsplicht geldt ook ten aanzien van deepnudes, zodra deze illegaal zijn.5 Zo is op grond van artikel 252 Wetboek van Strafrecht (Sr) (ziet specifiek op seksueel beeldmateriaal van minderjarigen) en artikel 254ba Sr het zonder instemming maken, voorhanden hebben of verspreiden van seksueel beeldmateriaal strafbaar, ongeacht of dit door een persoon of AI is vervaardigd. Ook andere strafrechtelijke bepalingen, zoals doxing (art. 285d Sr) en smaad/laster (respectievelijk art. 261 en 262 Sr), zijn in voorkomend geval mogelijk van toepassing, bijvoorbeeld als de AI-chatbot gegenereerde beelden/ bewerkingen van personen bevatten met het oogmerk die persoon vrees aan te (laten) jagen (doxing) of opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt (smaad/laster), en er aan de andere voorwaarden van die specifieke wetsartikelen wordt voldaan.
Zoals ook aangegeven bij het antwoord op vraag 5, is X op grond van artikel 16 van de DSA verplicht een toegankelijk en gebruiksvriendelijk digitaal meldsysteem in te richten waarmee iedereen illegale online inhoud, zoals materiaal van illegale deepnudes, kan melden. Het derde lid van artikel 16 DSA verduidelijkt dat een melding van illegale inhoud, conform de vereisten van dat artikel, leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moet zij prompt handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doet een platform dat niet dan kan zij geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de DSA en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud. Voor het indienen van een verwijderverzoek kan de hulp van Offlimits, een betrouwbare flagger, worden ingeschakeld.
Zijn er voor zover bekend ook Nederlands slachtoffers van deze AI-beelden en zo ja, is voor deze slachtoffers voldoende bekend waar zij terecht kunnen voor hulp?
Slachtoffers kunnen bij verschillende organisaties, zoals Slachtofferhulp Nederland (SHN), Centrum Seksueel Geweld (CSG) en Offlimits, terecht voor hulp. Deze organisaties werken voortdurend aan het onder de aandacht brengen van hun meldpunten en/of hulplijnen, bijvoorbeeld door middel van campagnes. Als het slachtoffer overweegt een melding te maken of aangifte te doen, kan deze terecht bij de politie. Genoemde hulporganisaties kunnen slachtoffers hierover informeren of hierbij ondersteunen.
Bij bovengenoemde hulporganisaties is niet bekend of er ook Nederlanders zijn, die slachtoffer zijn geworden van de AI-naaktbeelden, die specifiek met de AI-Chatbot Grok zijn gegenereerd. Dit komt omdat bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij SHN en CSG, in de registratie geen onderscheid wordt gemaakt naar misbruik van echt dan wel AI-gegenereerd beeldmateriaal. Bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij Offlimits, wordt in de registratie wel onderscheid gemaakt tussen echt en AI-gegenereerd beeldmateriaal, maar wordt niet geregistreerd met welke specifieke AI-applicatie, zoals bijvoorbeeld de AI-chatbot Grok, de afbeeldingen zijn gegenereerd.
De politie heeft in de afgelopen twee maanden wel een toename gezien in de hoeveelheid meldingen die vanuit platforms wordt gedaan over uploads naar AI-chatbot Grok. Mogelijk zijn er slachtoffers die zelf melding hebben gedaan bij de politie, maar dit is niet goed uit de registratie te halen, omdat de melding onder verschillende delictsoorten kan worden geregistreerd.
In hoeverre biedt Nederlandse wetgeving bescherming tegen het genereren en verspreiden van AI-deepfakes van vrouwen en minderjarigen en is dit volgens u voldoende?
De Nederlandse wetgeving biedt via de artikelen 252 en 254ba Sr voldoende mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden tegen personen die met AI applicaties (zonder toestemming) deepnudes van personen, waaronder vrouwen en minderjarigen, genereren, voorhanden hebben en verspreiden.
De strafbaarstelling van artikel 254ba Sr omvat onder meer het, zonder toestemming van de afgebeelde, vervaardigen van (nep) seksueel beeldmateriaal. Ook het openbaar maken en het voorhanden hebben van dergelijke (nep) naaktbeelden valt onder het bereik van dit artikel. Wanneer het materiaal van minderjarigen betreft is het seksueel beeldmateriaal van kinderen en is het strafbaar op grond van artikel 252 Sr.
Naast de strafrechtelijke handhaving door het Openbaar Ministerie (OM) op bovenstaande strafrechtelijke bepalingen zijn er bestuursrechtelijke handhavers die werken aan de bestrijding van online illegale content. Een van de belangrijkste is de ACM, die als digitaledienstencoördinator voor Nederland handhaaft op de verplichtingen uit de DSA.
De Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) geeft uitvoering aan maatregelen die Nederland op grond van EU- en nationale regelgeving moet nemen om online terroristisch en seksueel beeldmateriaal van kinderen te signaleren en snelle verwijdering ervan door aanbieders van hostingdiensten te garanderen.
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is een onafhankelijke toezichthouder die per geval – uit eigen beweging of op verzoek – beoordeelt of wordt voldaan aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het is aan de AP om te beoordelen of een AI deepfake een schending is van de AVG. Wanneer de AP een overtreding constateert, kan de AP een boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzeten van gegevensverwerkingen.6
Daarnaast kunnen slachtoffers van AI deepfakes mogelijk bescherming vinden in het civielrecht. Artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek biedt het kader voor wat onrechtmatig is in civielrechtelijke zin – al dan niet in combinatie met specifieke civielrechtelijke bepalingen. Hierbij gaat het in de kern om een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
Op welke manier wordt in Nederland gecontroleerd of platforms voldoen aan verplichtingen rondom schadelijke AI-inhoud?
In Nederland controleren de bevoegde toezichthouders of platforms voldoen aan wettelijke verplichtingen. De DSA bevat verplichtingen op grond waarvan de ACM kan handhaven wanneer online platforms of hostingproviders onvoldoende optreden tegen illegale inhoud en hun processen met betrekking tot meldingen niet op orde hebben. Dit kan het geval zijn als blijkt dat de onlinedienst niet of onvoldoende gemotiveerd of traag reageert op meldingen over illegale inhoud van bijvoorbeeld gebruikers of trusted flaggers.
Het kan zijn dat niet de ACM maar een toezichthouder in een andere lidstaat bevoegd is ten aanzien van de online dienst in kwestie. In het geval van X/Grok is bijvoorbeeld de EC primair bevoegd. Zij kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en boetes opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet. Daarnaast hebben gebruikers de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, ook een gerechtelijke procedure te starten.
De ACM roept slachtoffers van dergelijke beelden op om melding te doen bij het platform/de hosting provider, bij de politie of bij een trusted flagger zoals Offlimits. Deze meldingen zijn waardevol om aan te tonen dat materiaal zonder toestemming is verspreid. Ook kan naar aanleiding van de meldingen blijken dat het platform/de hosting provider onvoldoende optreedt tegen illegale inhoud, waarna de ACM daarop kan handelen.
Daarnaast is de AP op grond van de DSA en de AVG een bevoegd toezichthouder op het gebied van illegale deepnudes. Als deepnudes zonder toestemming worden verspreid, kan er sprake zijn van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. De AP kan een onderzoek instellen naar personen of organisaties die verantwoordelijk zijn voor het (mogelijk) maken en verspreiden van dit soort materiaal. Dit kunnen in bepaalde gevallen online platforms zijn, maar ook hostingproviders die de content hosten. Voor de AP is het wel van belang dat de partij die verantwoordelijk is voor de content (afhankelijk van de omstandigheden van het geval; het individu en/of het platform) te achterhalen is, wat, anders dan bij X, niet altijd het geval is. Het kan zijn dat niet de AP, maar een gegevensbeschermingsautoriteit in een andere lidstaat bevoegd is wat betreft de onlinedienst in kwestie. Als uit het onderzoek blijkt dat er overtredingen zijn, kan de AP of andere autoriteit aanbieders van onlinediensten bijvoorbeeld een verwerkingsverbod opleggen wat betreft het onrechtmatige materiaal. Het proces van onderzoek en bestuursrechtelijk handhaven zal in de regel niet leiden tot het snel offline zijn van de beelden.
Vindt u dat de mogelijkheid om elk persoon of object door een AI-bot af te laten beelden in bikini geschrapt moet worden om te voorkomen dat vrouwen en minderjarigen slachtoffer worden van seksuele deepfakes? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen?
Binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt gekeken naar de mogelijkheden om het gebruik van nudify applicaties verder tegen te gaan. Ondanks de mogelijkheid om gebruikers van de applicaties strafrechtelijk te vervolgen (via de artikelen 252 en 254ba Sr) en de mogelijkheid om elk illegaal beeld steeds te laten verwijderen, blijft het maatschappelijke probleem rondom deepnudes zich in grote mate voordoen. Om die reden wordt bezien of het wenselijk en haalbaar is het aanbieden van de applicaties zelf te verbieden, nationaal dan wel Europees. Inmiddels hebben met verschillende stakeholders en experts gesprekken plaatsgevonden. Voordat een inhoudelijke positie bepaald wordt, is verdere studie nodig.
Denkt u dat een algeheel verbod op het generen van seksuele content door AI-bots kan helpen om te voorkomen dat vrouwen en minderjarigen hiervan slachtoffer worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 8 beantwoord, kan tegen het (zonder toestemming) genereren, voorhanden hebben en verspreiden van deepnudes nu al strafrechtelijk worden opgetreden via de artikelen 252 en 254ba Sr. Ondanks deze strafrechtelijke mogelijkheden en de mogelijkheid om elk illegaal beeld te laten verwijderen, blijft het maatschappelijke probleem rondom deepnudes zich in grote mate voordoen.
In hoeverre kan de in consultatie gebrachte Wet naburig recht deepfakes van personen bij vergelijkbare gevallen behulpzaam zijn? En wanneer kan de Tweede Kamer dit wetsvoorstel verwachten?
Het wetsvoorstel naburig recht deepfakes van personen, een initiatiefvoorstel dat in voorbereiding was bij het voormalig Kamerlid Dral (VVD), is (nog) niet ingediend bij de Tweede Kamer. Er heeft van 30 oktober tot en met 31 december 2025 een internetconsultatie plaatsgevonden over een voorontwerp van de wet van haar hand. Dit voorontwerp is voor advies voorgelegd bij de Commissie Auteursrecht. Het is aan de opvolger van het lid Dral om te besluiten of en hoe het traject wordt voortgezet. Gelet op de voorbereidende fase waarin het wetsvoorstel zich op dit moment bevindt, kan niet worden beoordeeld in hoeverre het Wetsvoorstel een meerwaarde zal hebben voor de aanpak. Zoals bij de vragen 8 en 11 beantwoord, kan tegen het (zonder toestemming) vervaardigen, voorhanden hebben en verspreiden van deepnudes al strafrechtelijk worden opgetreden via de artikelen 252 en 254ba van het Wetboek van Strafrecht.
Bent u bereid in gesprek te gaan met Europese lidstaten over het misbruik van AI-chatbots als het gaat om seksuele content op X en andere platforms?
Ja, daartoe zijn wij bereid. Zoals is geantwoord bij vraag 10, vindt bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid een verkenning plaats waarbij wordt gekeken naar de mogelijkheden om het gebruik van nudify-applicaties verder tegen te gaan. Binnen dit onderzoek vinden ook gesprekken plaats met andere Europese lidstaten, om te bezien hoe de aanpak daar is vormgegeven en of gezamenlijk kan worden opgetreden.
Het bericht ‘Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis»1?
Ja.
Klopt het dat het OECD Pillar 2 Side-by-Side Package niet alleen administratieve vereenvoudigingen bevat, maar ook materiële safe harbours introduceert die de werking van de Global Minimum Tax wezenlijk beperken?
Het Side-by-side pakket bestaat uit de volgende onderdelen:
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het Side-by-Side-pakket, in het bijzonder het Side-by-Side-systeem, wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels.
Deelt u de analyse dat met name Amerikaans-geleide multinationale ondernemingen door de Side-by-Side Safe Harbour en de UPE Safe Harbour feitelijk worden afgeschermd van bijheffing onder de IIR en/of UTPR, terwijl EU-geleide groepen volledig onder het regime blijven vallen?
De inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel zijn op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel niet van toepassing op entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een uiteindelijkemoederentiteit (hoofdkantoor) in de VS. Omdat de VS al als een kwalificerende Side-by-Side-jurisdictie zijn aangemerkt, is de UPE veiligehavenregel niet aan de orde. Daarbij merkt het kabinet op dat het van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is in ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het is positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffingsmaatregel. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veiligehaven-jurisdicties.
Acht u dit verschil in behandeling verenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling en het streven naar een level playing field binnen de interne markt?
Binnen de Europese Unie is Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie van toepassing. Ingevolge de richtlijn hebben 22 EU-lidstaten de minimumbelasting ingevoerd met inbegrip van de binnenlandse bijheffing. Vijf lidstaten met minder dan twaalf hoofdkantoren hebben gebruik gemaakt van de uitstelmogelijkheid van artikel 50 van de richtlijn.2 Multinationale groepen zijn binnen de EU in het overgrote deel van de gevallen onderworpen aan een binnenlandse bijheffing over laagbelaste winsten ongeacht de locatie van het hoofdkantoor.
Kan het SbS Package erin resulteren dat (Nederlandse) bedrijven hun hoofdkantoor verplaatsen naar een Side-by-Side land teneinde te kunnen profiteren van de regeling?
Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn om een hoofdkantoor in een bepaalde jurisdictie te vestigen. De fiscaliteit is een van die factoren. Het tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 25,8%, hetgeen boven het EU-gemiddelde is. Pijler 2 behoort ook tot de fiscale regelingen die in de overweging kunnen worden betrokken, maar er zijn ook andere factoren die voor een jurisdictie van belang kunnen zijn. Wat betreft de invloed van het Side-by-Side pakket, is het volgende van belang. Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is vooralsnog alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel zullen de landen die Pijler 2 hebben ingevoerd niet bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelaste winstmaatregel over de laagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Niettemin kan op grond van de binnenlandse bijheffingsmaatregel worden bijgeheven tot het effectieve minimumbelastingtarief van 15%. Deze binnenlandse bijheffingsmaatregel blijft onverkort gehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten aanzien van laagbelaste entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Veel jurisdicties hebben de binnenlandse bijheffing ingevoerd of zijn daarmee bezig. Op dit moment kennen zo’n zestig jurisdicties een binnenlandse bijheffing. Daarnaast is voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives ertoe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde omstandigheden kunnen blijven opereren als Amerikaanse ondernemingen. Vanwege de binnenlandse bijheffing in buitenlandse jurisdicties en de gunstige behandeling van Substance-Based Tax Incentives wordt het risico op verplaatsing van hoofdkantoren naar de VS louter als gevolg van het Side-by-Side-pakket beperkt. Ten slotte, eventuele wijzigingen in de vennootschapsstructuur om bijheffing te ontgaan, kan het IF meenemen in de toekomstige evaluatie.
Bent u voornemens het SbS Package in de Europese Unie te implementeren via artikel 32 van de Pillar Two-richtlijn? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze bepaling daarmee wordt gebruikt voor inhoudelijke beleidswijzigingen in plaats van louter administratieve vereenvoudiging?
De OESO-regels over de minimumbelasting, in de vorm van de OESO-modelregels, commentaar of de nadere regelgeving in de vorm van administratieve richtsnoeren, werken niet direct door in de Nederlandse rechtsorde. Het IF noch de OESO kunnen bindende wetgeving vaststellen. Het kabinet zal de nadere regelgeving vanuit de OESO daarom telkens beoordelen en aan de hand daarvan – van geval tot geval – bepalen of de wettekst en de toelichting van de Wet minimumbelasting 2024 aanpassing behoeven.3 Dit geldt ook voor het thans afgesproken Side-by-Side pakket. Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd.4 Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen beperking opgenomen tot louter administratieve vereenvoudiging.
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side Safe Harbour en de Qualified UPE Safe Harbour? Zo nee, waarom niet?
Nee. In Nederland zijn de Pijler 2-regels van toepassing in de vorm van de Wet minimumbelasting 2024. Daarom is er voor Nederland geen reden om een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side veiligehavenregel en de UPE veiligehavenregel.
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van deze dynamische verwijzing naar OECD-soft law met de Meroni-jurisprudentie van het Hof van Justitie, die delegatie van discretionaire bevoegdheden van politieke aard verbiedt?
De vraag wordt zo geïnterpreteerd dat met «deze dynamische verwijzing» artikel 32 van Richtlijn (EU) 2022/2523 wordt bedoeld. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen.
Kunt u toelichten hoe rechtszekerheid voor belastingplichtigen wordt gewaarborgd, nu de kwalificatie van een «Qualified SbS Regime» berust op open en subjectieve criteria zoals een «materieel risico» en een «pragmatische, holistische beoordeling over tijd»?
Het IF bepaalt of een regime als een Qualified Side-by-Side-regime kan worden aangemerkt. Welke regimes daarvoor in aanmerking komen, zal centraal worden bijgehouden. Belastingplichtigen kunnen zich hierdoor op de hoogte stellen welke regimes als een Qualified Side-by-Side-regime kunnen worden aangemerkt.
Deelt u de zorg dat de vaststelling van een «Qualified SbS Regime» plaatsvindt buiten de EU-rechtsorde, zonder effectieve rechterlijke toetsing, terwijl deze vaststelling directe gevolgen heeft voor de toepassing van EU-belastingregels?
De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Het Hof van Justitie van de EU is in hoogste instantie bevoegd om het EU-recht uit te leggen. Dat geldt ook voor de uitleg van Richtlijn 2022/2523.
Heeft u laten toetsen of de SbS- en UPE-safe harbours kunnen kwalificeren als selectieve staatssteun? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
In het Werkingsverdrag betreffende de Europese Unie (VWEU) is vastgelegd aan welke voorwaarden voorstellen tot EU regelgeving moeten voldoen, zo ook aan de staatssteunregels (artikelen 107 e.v. VWEU). Lidstaten mogen er vanuit gaan dat de Europese Commissie regelgeving conform het VWEU voorstelt en daarbij geen strijd met de regelgeving met betrekking tot staatssteun ontstaat. In dit verband verwijs ik naar de mededeling van 12 januari 2026, van de Europese Commissie (zie antwoord bij vraag 8).
Onderschrijft u dat, indien deze safe harbours als ongeoorloofde staatssteun zouden worden aangemerkt, lidstaten gehouden kunnen zijn tot terugvordering van belastingvoordelen, met mogelijk aanzienlijke retroactieve belastingclaims tot gevolg?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de juridische risico’s van implementatie van het SbS Package en toe te zeggen dat Nederland zich in EU-verband zal verzetten tegen elke implementatie die verder gaat dan zuivere administratieve vereenvoudiging?
Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting vóór de zomer van 2026 worden ingediend bij uw Kamer. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen beperking opgenomen tot zuivere administratieve vereenvoudiging.
Klopt het dat door het SbS Package Nederland 120 miljoen euro aan belastinginkomsten misloopt? Zo ja, waren deze inkomsten reeds ingeboekt in het inkomstenkader? Kunt u het verloop van de ramingen en de bijstellingen vanaf moment van opvoeren van de inkomsten uit de Wet minimumbelasting 2024 met de Kamer delen?
Bij de invoering in 2024 is geraamd dat Pijler 2 voor een structurele opbrengst van € 466 miljoen voor Nederland zou zorgen.5 Deze inkomsten zijn met aanname van de Wet minimumbelasting 2024 definitief ingeboekt in het inkomstenkader. Sinds 2024 maken de inkomsten uit pijler 2 daarmee deel uit van het basispad. De sindsdien aangebrachte wijzigingen in de Wet minimumbelasting 2024 hadden geen budgettaire gevolgen.
Met dit IF-akkoord is de situatie veranderd. De afgesproken aanpassingen leiden tot een budgettaire derving ten opzichte van het basispad. De derving van dit akkoord is voorlopig geraamd op circa € 120 miljoen per jaar. Bij de indiening van het wetsvoorstel ter uitvoering van dit akkoord zal, zoals gebruikelijk, een herijking plaatsvinden van deze budgettaire raming.
Ondanks deze budgettaire derving ten opzichte van het basispad, blijft de geraamde opbrengst van Pijler 2 voor Nederland ruimschoots positief. De verwachting blijft dat Nederland dankzij Pijler 2 uiteindelijk beter af is doordat fiscaal gedreven investeringen en fiscaal gedreven winstverschuiving zullen afnemen. Zonder dit akkoord zou de toekomst van Pijler 2 onzeker zijn, waarbij de gehele Pijler 2-opbrengst op de tocht zou staan. Een recent rapport van de OESO laat zien dat het wereldwijde gemiddelde vennootschapsbelastingtarief sinds de afspraken over Pijler 2 nu drie jaren op rij licht is gestegen, na tientallen jaren van daling.6 In een scenario zonder Pijler 2 zou een nieuwe race naar de bodem kunnen ontstaan, met grote druk om de tarieven in de Nederlandse vennootschapsbelasting te verlagen. Gegeven de huidige opbrengsten uit de vennootschapsbelasting van bijna € 50 miljard per jaar, zou een dergelijk scenario aanzienlijke consequenties voor de schatkist hebben.
Het artikel ‘Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben»1, waarin wordt beschreven dat Oekraïne gebaat zou zijn bij het direct overnemen van Nederlandse gasinstallaties die door de sluiting van de Groningse gaskraan in ons land zijn afgedankt en ongebruikt staan te wachten op ontmanteling?
Ja.
Erkent het kabinet het essentiële belang van een snelle reparatie van de Oekraïense gas-infrastructuur voor het moreel van de Oekraïense bevolking en dus ook voor veiligheid van Europa?
Ja. Sinds het begin van de grootschalige invasie in Oekraïne heeft Rusland de energie-infrastructuur in Oekraïne met continue en doelgerichte aanvallen verwoest. Op 14 januari jl. heeft president Zelensky de noodtoestand betreft de energiesituatie uitgeroepen. Meer dan 60% van de energiecapaciteit, onder meer gasproductiefaciliteiten, is verwoest en zitten dagelijks zo’n 6 miljoen Oekraïners zonder stroom en verwarming. Nederland steunt Oekraïne onverminderd via militaire en niet-militaire steun. Zo heb ik onlangs een bezoek aan Oekraïne gebracht, vergezeld door een handelsmissie van 17 bedrijven uit de energie- en gezondheidssector. Met de recent aangekondigde extra 23 miljoen energiesteun draagt Nederland in 2.026 EUR 133 miljoen bij aan energiesteun aan Oekraïne.2 Deze steun is gericht op het financieren van gasaankopen, het uitvoeren van urgente reparaties, het herstellen van onder meer energiecentrales en het leveren van energiemateriaal zoals generatoren en transformatoren. Sinds de start van de oorlog zijn ruim 250 vrachtwagens met energiemateriaal naar Oekraïne gereden.
Op welke termijn kunnen ongebruikte Groningse pompen en kranen naar Oekraïne worden gebracht?
In verband met de veiligheidssituatie in Oekraïne kunnen we geen uitspraken doen over concrete leveringen.
Kan het kabinet zeggen of er genoeg ongebruikte installaties in Groningen beschikbaar zijn om de schade van de Russische aanvallen in Oekraïne in zijn geheel te compenseren?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 is de schade aan het Oekraïense energiesysteem enorm. Het beschikbare materiaal van de NAM op zich zelf is helaas niet voldoende om alle beschadigde infrastructuur te repareren of vervangen. Daarom zet het kabinet in op diverse steunkanalen, zowel bilateraal als multilateraal. Het kabinet blijft kijken naar mogelijkheden voor steun aan Oekraïne.
Is het kabinet bereid ondersteuning te bieden bij het transport van (onderdelen van) oude gasinstallaties?
Het kabinet financiert ook de transportkosten van energiematerieel als onderdeel van onze in-kind (het leveren van materiele steun) bijdragen. Een deel van het beveiligde transport wordt daarnaast gefinancierd door de Europese Commissie.
Is de NAM bereid het materiaal kosteloos beschikbaar te stellen? Zo nee, is het kabinet bereid financiële ondersteuning te bieden en deze te beschouwen als onderdeel van de steun aan Oekraïne, zodat Oekraïne in geen geval zelf voor de installaties hoeft te betalen?
Het kabinet biedt financiële ondersteuning voor het inkopen en leveren van in-kind materiaal aan Oekraïne. Tot nog toe zijn ruim 250 vrachtwagens met materiaal aan Oekraïne geleverd, afkomstig van verschillende bedrijven. In 2026 is 25 miljoen beschikbaar voor in-kind steun aan Oekraïne waaronder gasmateriaal via de NAM. Het kabinet kan geen uitspraken doen over de bereidheid van de NAM om al dan niet goederen te doneren.
Kan het kabinet het Europese fonds voor de Oekraïense energiesector (UESF) aanspreken voor de kosten van aanschaf en transport van de benodigde materialen?
Het kabinet financiert het Europese fonds voor de Oekraïense energiesector (UESF) met een totale bijdrage van EUR 100 miljoen sinds de start van de oorlog. Deze bijdrage richt zich op het financieren van de hoogste urgente energienoden zoals geprioriteerd door Oekraïne en levert energiegoederen aan Oekraïne, zoals transformatoren, gasturbines en generatoren voor urgent herstel van beschadigde energie-infrastructuur. Die Nederlandse bijdrage wordt onder meer gebruikt voor herstel van beschadigde energiecentrales en netverbindingen in de regio’s Kharkiv, Donetsk en Vinnytsja. Daarnaast financiert het fonds, ook met een Nederlands bijdrage, de plaatsing van zonnepanelen op ziekenhuizen zodat deze operationeel blijven in het geval van stroomuitval. Het UESF maakt voor de inkoop van goederen gebruik van Europese aanbestedingen op basis van steunverzoeken die door het Oekraïense energieministerie ingediend worden.
Welke maatregelen treft het kabinet om waar nodig exportvergunningen versneld gereed te brengen?
Gezien het energiegoederen en energie-gerelateerd materiaal voor civiele doelen betreft zijn exportvergunningen niet aan de orde.
Onderschrijft het kabinet de gedachte dat een snelle levering van gasinstallaties hoge kosten voor Oekraïne en zijn partners in Europa kan voorkomen, gegeven het feit dat Oekraïne alleen al om de winter door te komen voor bijna twee miljard euro aan gasimport moet uitgeven?
Gezien de omvang van de schade aan de Oekraïense infrastructuur is het helaas niet mogelijk te voorkomen dat Oekraïne gas moet inkopen om de winter door te komen. In samenwerking met de Europese Commissie en diverse landen zoals Duitsland en Italië heeft de European Bank for Reconstuction and Development daarom extra financiering ter beschikking gesteld voor gasaankopen. Nederland draagt hier tevens aan bij. Dit is aanvullend aan de noodsteun gericht op het operationeel houden van het Oekraïense gas- en elektriciteitsnetwerk via UESF en de in-kind regeling.
Wilt u deze vragen één voor één uiterlijk voor 10 uur 's ochtends op woensdag 14 januari 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden betrokken kunnen worden bij het eerstvolgende commissiedebat over gas?
Tijdens het Commissiedebat Gasmarkt van 14 januari jl. is de inzet betreft het leveren van onderdelen van de Groningse gaswinning voor de wederopbouw van de Oekraïense gasinfrastructuur ter sprake gekomen. Deze inzet past binnen de bredere Nederlandse steun aan Oekraïne.
Gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in Koerdische wijken in Aleppo |
|
Diederik van Dijk (SGP), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op berichten, onder meer van Reuters, over gevechten tussen het Syrische leger en de Syrian Democratic Forces (SDF)?1
In dit stadium is onduidelijk wie verantwoordelijk is voor welk geweld, en hoe de situatie tussen de Syrische overgangsregering en de SDF zich verder zal ontwikkelen. Wel is helder dat sprake is van meerdere dodelijke burgerslachtoffers en tientallen gewonden en dat duizenden burgers hun huis door het geweld hebben moeten ontvluchten. Het kabinet is bezorgd over het geweld in Aleppo en monitort de situatie, die inmiddels gestabiliseerd lijkt, nauwgezet.
Voor de stabiliteit van Syrië en de veiligheid en het welzijn van alle Syrische burgers is het cruciaal dat de betrokken partijen met elkaar in gesprek blijven en niet over gaan tot geweld. In rechtstreeks contact, en ook via de EU, roepen wij hiertoe expliciet op. De EU riep via een verklaring op 10 januari jl. op tot een eind aan de vijandelijkheden, bescherming van burgers en toegang van humanitaire hulp.3
In de Kamerbrief van 19 september 20254 heeft het kabinet de inzet ten behoeve van een veilig en stabiel Syrië nader uiteen gezet.
Meent u dat een militaire operatie tegen de SDF in deze wijken gerechtvaardigd is? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is, in EU-verband, uw inzet om het vechten zo snel mogelijk te stoppen?
Zie antwoord vraag 1.
Meent u dat deze gevechten de veiligheid en gelijke rechten van de Koerden in gevaar brengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan, mede in het licht van de aangenomen motie-Ceder c.s.?2
Zie antwoord vraag 1.
Hoe groot acht u de kans op verdere escalatie? Wat is uw inzet voor een vrij en democratisch Syrië waarin alle minderheden, inclusief de Koerden, veilig zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad op vrijdag 9 januari een bezoek brengen aan Syrië en de interim president ontmoeten? Acht u dit bezoek wenselijk in het licht van deze berichten? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid dit in EU-verband aan de orde te stellen?
Ja, de voorzitter van de Europese Commissie, mevrouw Von der Leyen, en de voorzitter van de Europese Raad, de heer Costa, bezochten de Syrische overgangsregering op 9 januari in Damascus. Bij dit bezoek is het belang van een vreedzame en inclusieve politieke transitie expliciet benoemd.
Syrië bevindt zich in een uitzonderlijke en fragiele situatie. Juist in deze overgangsfase is het van belang dat sprake is van directe contacten met de overgangsautoriteiten. Deze contacten stellen ons immers in staat om onze verwachtingen, waaronder ten aanzien van inclusiviteit, bescherming van burgers en mensenrechten, consequent onder de aandacht te brengen van de Syrische overgangsregering.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden, in ieder geval voor het commissiedebat van 13 januari aanstaande over de Raad Buitenlandse Zaken 29 januari 2026?
De Kamervragen zijn zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het artikel 'Ook bij het tegengaan van belastingontwijking zwicht de rest van de wereld voor Trump' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Heijnen , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Ook bij het tegengaan van belastingontwijking zwicht de rest van de wereld voor Trump» van 6 januari 2026?
Ja.
Deelt u de opvatting dat de OESO-minimumwinstbelasting van 15% onder andere bedoeld is om voor alle grote multinationals een gelijk minimum te creëren zodat er geen «race to the bottom» plaatsvindt en belastingontwijking wordt tegengegaan? Zo ja, kunt u reflecteren wat het effect is van de gemaakte uitzondering voor Amerikaanse multinationals hierop? Zo nee, waarom niet?
De OESO-minimumwinstbelasting, ook wel Pijler 2 genoemd, beoogt ervoor te zorgen dat multinationale groepen met een omzet van ten minste € 750 miljoen ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen. Pijler 2 voorziet in een bijheffing als in een jurisdictie effectief te weinig winstbelasting is betaald. Het doel van Pijler 2 is tweeledig. Ten eerste beoogt Pijler 2 de prikkel voor bedrijven te verminderen om winsten te verschuiven naar laagbelastende jurisdicties. Ten tweede beoogt Pijler 2 een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties. Hiermee wordt een race naar de bodem in de winstbelasting tegengegaan en een gelijker speelveld gecreëerd voor internationaal opererende ondernemingen. Pijler 2 zorgt daarmee voor een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationale groepen.
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het Side-by-Side-pakket wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels. Zo wordt de status van een kwalificerende Side-by-Side veilige haven niet willekeurig verleend. In het IF-akkoord zijn robuuste en strikte criteria afgesproken om te kwalificeren als een belastingstelsel dat gelijkwaardig is aan Pijler 2.
Erkent u dat het niet toepassen van het OESO-minimumtarief op Amerikaanse multinationals, terwijl deze wel van toepassing wordt op Europese en Nederlandse multinationals, het beoogde gelijke speelveld onder druk zet?
Het kabinet vindt het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veiligehavenjurisdicties. Het is daarom van belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Het is positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen.
Welke signalen heeft u ontvangen van Nederlandse en/of Europese bedrijven over het belang van een wereldwijde minimumwinstbelasting die zonder uitzonderingen wordt toegepast met het oog op een gelijk speelveld?
Het internationale bedrijfsleven dat bij de OESO wordt vertegenwoordigd in de Business Advisory Group is positief over het Side-by-Side-pakket.1 Op ambtelijk niveau is veelvuldig in verschillende gremia gesproken met het Nederlandse bedrijfsleven over Pijler 2. Daarbij is ook gesproken over de positie van jurisdicties die Pijler 2 niet hebben ingevoerd en het belang van een gelijk speelveld. Ook heeft het Nederlandse bedrijfsleven aandacht gevraagd voor administratieve lasten en de stabiliteit van het internationale belastingsysteem. Het Nederlandse bedrijfsleven zal sommige elementen van het Side-by-Side-pakket positief waarderen, zoals de verlenging van de tijdelijke veiligehavenregel op basis van een kwalificerend landenrapport en de gunstige behandeling van kwalificerende belastingprikkels. Anderzijds wijst het bedrijfsleven er op dat Amerikaanse multinationals in voorkomende gevallen minder belasting over hun buitenlandse winsten kunnen betalen dan onder Pijler 2 het geval zou zijn. Het kabinet erkent het belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ook ingezet op het behoud van een gelijk speelveld en het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is uiteindelijk dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het is daarom positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veilige haven-jurisdicties.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de uitzondering voor Amerikaanse multinationals ertoe leidt dat grote, zeer winstgevende Amerikaanse multinationals die actief zijn op de Nederlandse en Europese markt niet in alle gevallen een vergelijkbare minimumwinstbelasting betalen als Europese bedrijven?
De dochterondernemingen van Amerikaanse multinationals in Nederland en in de meeste andere EU-lidstaten zijn onderworpen aan de binnenlandse bijheffing voor zover hun effectieve belastingdruk minder dan 15% bedraagt. In deze gevallen betalen zij over de winsten in Nederland en andere EU-lidstaten een vergelijkbare minimumwinstbelasting als Europese multinationals zouden betalen.
Deelt u de analyse dat het internationale belastingstelsel, dat nog grotendeels is gebaseerd op fysieke aanwezigheid, fundamenteel tekortschiet in een economie waarin waardecreatie steeds vaker digitaal plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
De nationale wetten en bilaterale belastingverdragen binnen het huidige internationale belastingstelsel sluiten voor de verdeling van heffingsrechten over winsten inderdaad grotendeels aan bij de fysieke aanwezigheid van een bedrijf in een land. Ook het huidige Nederlandse verdragsbeleid sluit grotendeels aan bij dit uitgangspunt.2 In mijn brief over digitale diensten belastingen geef ik aan dat in internationale fora en in het publieke debat inderdaad de vraag speelt of de eis van fysieke aanwezigheid nog wel passend is in de huidige tijd van digitalisering.3 Bedrijven hebben namelijk door digitale mogelijkheden steeds minder een fysieke aanwezigheid nodig om in een land actief te zijn en omzet te genereren. Dat geldt bij uitstek voor digitale bedrijven, maar is ook bij andere bedrijven aan de orde.
Zijn er concrete alternatieven om alsnog een gelijk speelveld te creëren tussen Europese multinationals en Amerikaanse multinationals? Bijvoorbeeld door in te zetten op een Europese Digitale Dienstenbelasting?
De discussies over de digitaliserende economie lopen al langere tijd. In mijn brief over digitale dienstenbelastingen loop ik een aantal belangrijke initiatieven langs die de afgelopen jaren de revue zijn gepasseerd, waaronder Pijler 1 van het IF en eerdere richtlijnvoorstellen in de Europese Unie. Op dit moment is een akkoord op Pijler 1 op korte termijn niet realistisch en zijn de voorstellen in de Europese Unie niet aangenomen. Mede daarom wordt de discussie over een digitale dienstenbelasting in meerdere landen weer gevoerd. De invoering van een (Europese) digitaledienstenbelasting is echter complex en kent verschillende risico’s en onzekerheden. Het is onduidelijk of de mogelijke voordelen van een digitaledienstenbelasting opwegen tegen de risico’s en onzekerheden. Voor een overzicht en verdere uitwerking van deze aspecten daarvan verwijs ik naar de eerdergenoemde brief. Uiteraard neem ik nota van de aangenomen motie van het lid Dassen om te verkennen hoe een Europese digitaledienstenbelasting kan worden ingevoerd.4 Gelet op de demissionaire status van het kabinet is die verkenning aan een volgend kabinet.
Bent u bereid om samen met gelijkgezinde EU-lidstaten op te trekken om te komen tot een gecoördineerde Europese digitale dienstenbelasting? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de demissionaire status van het kabinet zijn beleidskeuzes omtrent een digitale dienstenbelasting op dit moment niet aan de orde.
Acht u het een reëel risico dat bedrijven hun hoofdkantoor verplaatsen naar de Verenigde Staten om onder het mondiale minimumtarief uit te komen? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om dit tegen te gaan?
Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn om een hoofdkantoor in een bepaalde jurisdictie te vestigen. De fiscaliteit is een van die factoren. Het tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 25,8%, hetgeen boven het EU-gemiddelde is. Pijler 2 behoort ook tot de fiscale regelingen die in de overweging kunnen worden betrokken, maar er zijn ook andere factoren die voor een jurisdictie van belang kunnen zijn. Wat betreft de invloed van het Side-by-Side pakket, is het volgende van belang. Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is vooralsnog alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel zullen de landen die Pijler 2 hebben ingevoerd niet bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelaste winstmaatregel over de laagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Niettemin kan op grond van de binnenlandse bijheffingmaatregel worden bijgeheven tot het effectieve minimumbelastingtarief van 15%. Deze binnenlandse bijheffingsmaatregel blijft onverkort gehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten aanzien van laagbelaste entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Veel jurisdicties hebben de binnenlandse bijheffing ingevoerd of zijn daarmee bezig. Op dit moment kennen zo’n zestig jurisdicties een binnenlandse bijheffing. Daarnaast is voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives ertoe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde omstandigheden kunnen blijven opereren als Amerikaanse ondernemingen. Vanwege de binnenlandse bijheffing in buitenlandse jurisdicties en de gunstige behandeling van Substance-Based Tax Incentives wordt het risico op verplaatsing van hoofdkantoren naar de VS louter als gevolg van van het Side-by-Side-pakket beperkt. Ten slotte, eventuele wijzigingen in de vennootschapsstructuur om bijheffing te ontgaan, kan het IF meenemen in de toekomstige evaluatie.
Deelt u de opvatting dat dreigementen zoals de «revenge tax» geen reden mag zijn om af te zien van eerlijke belastingheffing en nationale fiscale soevereiniteit? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt altijd het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband als uitgangspunt.
Bedreigingen van kardinaal Sako in Irak |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Cardinal Sako Targeted After Christmas Homily Misinterpreted as Political «Normalization»»1 en op de oproep van de Aramese Beweging voor Mensenrechten?2
Ik deel de zorgen over de bedreigingen, net als de zorgen over de positie van verschillende etnische en religieuze gemeenschappen, waaronder christenen, in Irak. In reactie op de oproep van de Aramese Beweging voor Mensenrechten heeft de Speciaal Gezant voor Vrijheid en Religie en Levensbeschouwing de Beweging uitgenodigd om over de oproep in gesprek te gaan.
Bent u bereid deze bedreigingen publiekelijk te veroordelen en de Iraakse regering te vragen hetzelfde te doen?
Voorop staat dat kardinaal Sako zijn werk moet kunnen blijven doen. Onze ambassade in Bagdad staat in contact met hem. Na publiekelijke toelichting van de kardinaal op de uitspraken in zijn Kersttoespraak is de aandacht in de media en de maatschappij significant afgenomen. Het kabinet zal de situatie blijven monitoren. Het kabinet vraagt ook in de doorlopende contacten met de Iraakse autoriteiten aandacht voor religieuze gemeenschappen en benadrukt hierbij het belang van behoud van religieuze pluriformiteit en interreligieuze dialoog.
Bent u bereid om, eventueel in EU-verband, de Iraakse regering te vragen om alles te doen om de veiligheid van kardinaal Sako en zijn omgeving te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de zorgen over de onveiligheid en kwetsbare positie van Aramese christenen en andere christelijke bevolkingsgroepen in Irak? Op welke manieren stelt u hun veiligheid en positie aan de orde in bilateraal en multilateraal verband? Wat kan daarnaast de Speciaal Gezant voor Vrijheid en Religie en Levensbeschouwing hierin betekenen?
Vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de vijf Nederlandse prioriteiten binnen het mensenrechtenbeleid. Het kabinet deelt de zorgen over de kwetsbare positie van minderheden, waaronder christenen, in Irak en agendeert deze zorgen in bilaterale contacten en in VN- en EU-verband, onder meer tijdens de EU-Iraq Cooperation Council. De bescherming van kwetsbare gemeenschappen en het bevorderen van sociale cohesie maken integraal onderdeel uit van de Nederlandse inzet, waarbij in contacten met de Iraakse autoriteiten het belang van religieuze pluriformiteit en interreligieuze dialoog wordt benadrukt.
Ook via projecten zet Nederland zich in voor vrijheid van religie en levensovertuiging. In de afgelopen vijf jaar is Nederland in Irak actief geweest via het Joint Initiative for Strategic Religious Action (JISRA), dat zich richtte op interreligieuze dialoog, sociale cohesie en de positie van religieuze minderheden, onder wie christenen. Daarnaast financiert Nederland wereldwijd projecten uit het Mensenrechtenfonds. Voor de periode 2026–2031 wordt via het FOCUS-instrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» EUR 35 miljoen gealloceerd voor vrijheid van religie en levensovertuiging. Aangezien de voorstellen voor de aanbesteding nog niet zijn ontvangen, kan op dit moment nog niet worden aangegeven in welke landen deze programmering actief zal zijn.
De Speciaal Gezant voor Vrijheid van Religie en Levensovertuiging ondersteunt de inzet in Irak door het thema internationaal te agenderen, met specifieke aandacht voor de positie van religieuze minderheden. Daarnaast onderhoudt de Speciaal Gezant contact met relevante maatschappelijke en religieuze actoren en draagt hij bij aan de diplomatieke inzet van Nederland binnen EU- en VN-verband.
Wanneer wordt er eindelijk een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid aangesteld? Bent u bereid om opnieuw hiertoe aan te dringen, samen met gelijkgezinde landen? Zo nee, waarom niet?
De benoeming van een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid ligt bij de Europese Commissie. De Commissie heeft aangegeven dat de selectieprocedure loopt, maar op dit moment is nog geen concrete datum bekend voor afronding en aanstelling.
Nederland blijft zich, samen met gelijkgezinde EU-lidstaten, actief inzetten voor een spoedige benoeming. Dit gebeurt via diplomatieke contacten in Brussel en door het belang van deze functie consequent te benadrukken in EU-verband. Het kabinet acht een nieuwe EU-gezant noodzakelijk voor een consistente en zichtbare inzet van de EU op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging.
De Chinese militaire oefeningen en simulatie van een blokkade rond Taiwan. |
|
Tom van der Lee (GL), Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Eric van der Burg (VVD), Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Taiwan: China’s massive military drills stir invasion fears» van Deutsche Welle1?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze grootste militaire oefeningen rondom Taiwan ooit?
De Chinese autoriteiten treden in toenemende mate assertief op in de eigen regio en in het multilaterale systeem en verhogen structureel de druk op Taiwan en landen die met Taiwan samenwerken. Sinds 2022 omvat dit onder andere reguliere, grootschalige militaire oefeningen en (des)informatiecampagnes. Deze zijn onderdeel van de Chinese strategie om onder andere met hybride activiteiten de inlijving van Taiwan in de Volksrepubliek China te bewerkstelligen. De recente militaire oefening past binnen deze inzet maar was omvangrijker dan recente voorgaande oefeningen. De boodschap van de Chinese autoriteiten was daarbij expliciet ook gericht aan externe partijen die zich, volgens China, inmengen in Taiwan. De inzet van het kabinet en de EU is gericht op behoud van de status quo.
Deelt u de mening van de Europese Commissie, die middels een verklaring van EDEO heeft aangegeven dat deze oefeningen een nieuwe bedreiging zijn voor internationale vrede en stabiliteit, en oproept af te zien van zulke acties die voor escalatie kunnen zorgen?
Ik deel de zorgen zoals uitgedragen door de woordvoerder van EDEO over de recente Chinese militaire oefening rond Taiwan; dat heb ik via sociale media ook duidelijk gemaakt. Conform diverse moties spreekt Nederland zich binnen de kaders van het één-Chinabeleid samen met de EU en gelijkgezinde landen uit vóór de-escalatie en tégen destabiliserende unilaterale acties die de status quo bedreigen. Het Taiwan-vraagstuk dient op vreedzame wijze te worden opgelost, waarbij rekening gehouden moet worden met de wensen van de Taiwanese bevolking. Alle betrokken partijen dienen zich te onthouden van unilaterale acties, dreiging of geweld gericht op het wijzigen van de status quo.
Deelt u de mening dat Nederland een extra groot belang heeft bij het handhaven van de status quo in China en Taiwan, mede gezien onze positie in wereldwijde logistiek en de halfgeleiderindustrie?
Het kabinet en de EU zijn zich bewust van de mogelijke repercussies van een crisis rond Taiwan, niet alleen voor de Taiwanese bevolking maar ook voor de hele regio en de wereldeconomie. Een eventueel conflict zou rampzalig zijn voor alle betrokkenen, maar ook grote mondiale repercussies hebben, inclusief voor Nederland. Dat betekent dat dit meer is dan een lokale kwestie en de internationale gemeenschap zich in dient te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen.
Dat vergt overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn. Dit is evenwel geen exercitie die in het openbaar kan worden gedaan.
Heeft u zicht op de exacte impact voor de Nederlandse economie van een langdurige blokkade van Taiwanese havens?
Ik kan niet speculeren over de exacte impact voor de Nederlandse economie in het hypothetische geval van een langdurige blokkade van Taiwanese havens. Zoals gezegd dient de internationale gemeenschap zich in te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen en vergt dat overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn, maar kan ik daar niet verder op ingaan in het openbaar.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden voor het commissiedebat van 13 januari over de Raad Buitenlandse Zaken?
Ja.
Het Israëlische besluit om humanitaire organisaties te weren uit Gaza en de Westelijke Jordaanoever. |
|
Sarah Dobbe |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het besluit van Israël om enkele tientallen hulporganisaties de toegang te ontzeggen in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever?1
Het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren is zorgwekkend en zal negatieve consequenties hebben voor de hulpverlening in de bezette Palestijnse gebieden. Het Israëlische besluit raakt onder meer Nederlandse partners van de Dutch Relief Alliance. Nederland onderhoudt nauw contact met deze organisaties om de consequenties voor de humanitaire hulpverlening zo goed mogelijk in kaart te brengen. Naast de Dutch Relief Alliance, ondersteunt Nederland met flexibel inzetbare bijdragen de VN en de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging om te reageren op humanitaire crises wereldwijd, waaronder ook in de Palestijnse Gebieden. Deze organisaties werken nauw samen met professionele ngo’s, waardoor de impact van de herregistratieplicht ook deze vorm van hulpverlening raakt.
Waarom heeft u niet meegedaan aan de gezamenlijke verklaring van de Ministers van Buitenlandse Zaken van Canada, Denemarken, Finland, Frankrijk, IJsland, Japan, Noorwegen, Zweden, Zwitserland en Groot-Brittannië, die het besluit onaanvaardbaar noemen? Bent u bereid deze verklaring openlijk en integraal mede te ondersteunen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet spant zich in om hulporganisaties zo goed mogelijk te ondersteunen. Dat doet het zowel voor als achter de schermen. Of en wanneer bij bredere internationale initiatieven wordt aangesloten, wordt per keer gewogen. Het kabinet zoekt naar de meest effectieve wijze om boodschappen over te brengen. Eerder was Nederland medeondertekenaar van het Foreign Ministers» statement van augustus 2025, en onderstreepte het zorgen over de wetgeving tijdens de Europese Raad. Op 31 december 2025 sprak ook de Staatssecretaris voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp publiekelijk haar zorgen uit.
Heeft u contact gehad met de humanitaire organisaties die geraakt worden door dit besluit en die ook vanuit Nederland werken, over de gevolgen die dit heeft en welke actie nodig is vanuit Nederland om ervoor te zorgen dat zij ongehinderd hun werk kunnen blijven doen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit met spoed te doen en de Kamer over de uitkomsten te informeren? Zo ja, wat was de uitkomst van deze gesprekken?
Nederland heeft uitvoerig en geregeld contact met hulporganisaties. Zo heeft de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp op 8 januari jl. gesproken met Nederlandse hulporganisaties over de ontwikkelingen omtrent de herregistratieplicht en de impact op de humanitaire respons. Afgesproken is om deze contacten voort te zetten en elkaar goed op de hoogte te houden van verdere ontwikkelingen en effecten van het besluit. Ook heeft Nederland contact met de Israëlische autoriteiten via diplomatieke wegen over dit besluit, zie daarvoor antwoord op vraag 7.
Hebt u kennisgenomen van cijfers van de Verenigde Naties dat Gaza door dit besluit van Israël de helft van de gezondheidsposten zal verliezen, een derde van de medische hulpgoederen van internationale hulporganisaties, en dat 90 procent van de mobiele medische teams zullen wegvallen? Wat is uw reactie?
Ja. Hulporganisaties hebben te maken met aanhoudende belemmeringen, naast de Israëlische herregistratieplicht, waaronder de beperkte opening van grensovergangen, en de restricties voor de invoer van goederen die Israël als dual use ziet, zoals onderdakmaterialen en bepaalde medische apparatuur. Nederland deelt de zorgen die hierover bestaan. Israël heeft de verplichting om, conform het humanitair oorlogsrecht, de bevolking in de gehele Gazastrook te voorzien van essentiële goederen en de levering van deze goederen door derden niet te belemmeren.
Bent u het ermee eens dat het een oorlogsmisdaad is om een bevolking toegang tot medische hulp en humanitaire hulp te ontzeggen?
De burgerbevolking heeft recht op toegang tot medische voorzieningen en voldoende humanitaire hulp. Een bezettende macht heeft volgens de Verdragen van Genève de verplichting om de lokale bevolking te voorzien van essentiële levensbehoeften, waaronder voedsel, medische benodigdheden en diensten. Wanneer de lokale bevolking van een bezet gebied onvoldoende bevoorraad is, dan is een bezettende macht tevens verplicht om in te stemmen met hulpacties van derde staten of onpartijdige humanitaire organisaties en deze met alle haar ten dienste staande middelen te faciliteren. Zoals gesteld in eerdere beantwoording van Kamervragen met kenmerk 2025Z15153, druist het weigeren van de levering van humanitaire hulp door dergelijke organisaties op basis van willekeurige gronden evident in tegen het humanitair oorlogsrecht. De verplichting om onpartijdige humanitaire organisaties toe te staan ontslaat een bezettende macht niet van de verplichtingen om de lokale bevolking zelf te voorzien van levensmiddelen, medische en andere noodzakelijke goederen.
Bent u het ermee eens dat de humanitaire gevolgen van dit besluit absoluut onacceptabel zijn en dat alles gedaan moet worden om te zorgen voor vrije toegang van humanitaire hulp in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever?
Het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren is zorgwekkend en zal negatieve consequenties hebben voor de hulpverlening in de bezette Palestijnse gebieden. Gezien de hoge humanitaire noden zijn alle professionele hulporganisaties op dit moment hard nodig. Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus en heeft meermaals verzocht of de Israëlische autoriteiten in gesprek kunnen gaan met de ngo’s hierover. Het besluit om de registratie van deze internationale ngo’s niet te verlenen, zonder hierover met hen in gesprek te gaan, ziet het kabinet niet als de juiste weg voorwaarts.
Heeft u contact gehad met de Israëlische regering over dit besluit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer was dit, met wie was dit en wat waren daar de uitkomsten van?
Nederland heeft de zorgen over de herregistratieplicht in afgelopen maanden regelmatig bij de Israëlische autoriteiten aangekaart. De Minister van Buitenlandse Zaken nam na het besluit van Israël op 31 december jl. telefonisch contact op met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken. Ook benadrukte de Minister van Buitenlandse Zaken de Nederlandse zorgen andermaal in gesprek met zijn Israëlische ambtsgenoot tijdens het bezoek van november 2025 aan Israël en de bezette Palestijnse Gebieden.
Aangezien de Israëlische regering niet is teruggekomen op dit besluit, welke aanvullende acties gaat u ondernemen om de druk op te voeren, zodat dit wel gebeurt? Kunt u toelichten welke actie en maatregelen u neemt en wanneer u de Kamer over de uitkomsten hiervan zult informeren?
Het kabinet zal er in de aankomende periode bij Israël op blijven aandringen om de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s, waaronder de vertrouwde humanitaire partners van Nederland, ongehinderde toegang te verschaffen tot de bezette Palestijnse gebieden. Hiertoe verzoekt het kabinet de Israëlische autoriteiten om het gesprek met onze humanitaire partners aan te gaan. Nederland onderhoudt nauw contact met onze partnerorganisaties en met gelijkgestemde landen over mogelijke handelingsopties. Ook in bredere zin blijft Nederland zich inzetten voor vrije, veilige humanitaire toegang in de Palestijnse gebieden. Dat doen we in bilateraal, EU-, en multilateraal verband. Het kabinet zal de Kamer blijven informeren over de Nederlandse inzet.
Wat heeft u gedaan om dit besluit van de Israëlische regering te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet heeft zich naar vermogen en gezamenlijk met partners in zowel bilateraal, EU-, en multilateraal verband ingezet om dit besluit te voorkomen. Zie antwoord op vragen 2, 7 en 8.
Hoe effectief acht u de inspanningen die u verricht heeft en wat heeft u ondernomen toen duidelijk werd dat deze inspanning onvoldoende was om dit besluit te voorkomen?
Het kabinet heeft zich naar vermogen en gezamenlijk met partners in zowel bilateraal, EU-, en multilateraal verband ingezet om dit besluit te voorkomen. Zie daarnaast antwoord op vragen 2, 7 en 8.
Vindt u dat u alles heeft gedaan wat kon om dit besluit van de Israëlische regering te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet heeft zich naar vermogen en gezamenlijk met partners in zowel bilateraal, EU-, en multilateraal verband ingezet om dit besluit te voorkomen. Zie daarnaast antwoord op vragen 2, 7 en 8.
Bent u bereid deze vragen een voor een en met spoed te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig en zorgvuldig mogelijk behandeld.
Het verbieden van hulporganisaties in Gaza en de Westelijke Jordaanoever. |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving, waarin wordt gemeld dat Israël tientallen internationale hulporganisaties, waaronder Artsen zonder Grenzen, Save the Children, CARE en Oxfam Novib, per 1 januari de toegang tot Gaza en de Westelijke Jordaanoever ontzegt? Wat is uw beoordeling van deze ontwikkeling?
Ja. Het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren is zorgwekkend en zal negatieve consequenties hebben voor de hulpverlening in de bezette Palestijnse gebieden. Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus en heeft meermaals verzocht of de Israëlische autoriteiten in gesprek kunnen gaan met de ngo’s hierover. Het besluit om de registratie van deze internationale ngo’s niet te verlenen, zonder hierover met hen in gesprek te gaan, ziet het kabinet niet als de juiste weg voorwaarts. Het Israëlische besluit raakt onder meer Nederlandse partners van de Dutch Relief Alliance. Nederland onderhoudt nauw contact met deze organisaties om de consequenties voor de humanitaire hulpverlening zo goed mogelijk in kaart te brengen.
Deelt u de kwalificatie van landen als het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Canada, Noorwegen en Japan dat de humanitaire situatie in Gaza opnieuw is verslechterd en inmiddels als catastrofaal moet worden aangemerkt? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan? Zo nee, waarom niet?
Sinds het staakt-het-vuren is de invoer van voedselhulp verbeterd waardoor een hongersnood kon worden afgewend. Tegelijkertijd blijft de situatie fragiel, ook qua voedselzekerheid, en zien we nog steeds tekorten op gebieden als gezondheidszorg, water en sanitaire voorzieningen. Er is een tekort aan onderdak en mensen zijn onvoldoende beschermd tegen voorkomende hevige regenval en dalende temperaturen. Nederland blijft Israël, zowel op bilateraal als multilateraal vlak, oproepen tot volledige, ongehinderde en veilige humanitaire toegang voor professionele en gemandateerde organisaties, waaronder de VN, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en internationale ngo’s.
Bent u bekend met de open brief van de Ministers van Buitenlandse Zaken van onder meer Frankrijk, Canada, het Verenigd Koninkrijk, Japan en Noorwegen, waarin Israël wordt opgeroepen het besluit terug te draaien om humanitaire hulporganisaties te weren uit Gaza? Waarom heeft Nederland zich tot op heden niet bij deze verklaring aangesloten en bent u bereid dit alsnog te doen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
De Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp sprak publiekelijk haar zorgen uit over dit specifieke Israëlische besluit. Het kabinet spant zich in om hulporganisaties zo goed mogelijk te ondersteunen. Dat doet het zowel voor als achter de schermen. Hierbij weegt het kabinet voortdurend wat de meest effectieve wijze is om boodschappen over te brengen. Deze afweging is dan ook gemaakt met betrekking tot het wel of niet ondertekenen van de open brief.
Zoals tevens toegelicht in de Kamerbrief van 30 januari jl. over de stand van zaken omtrent de medische capaciteit in de Gazastrook en de regio, nam de Minister van Buitenlandse Zaken na het besluit van Israël op 31 december jl. telefonisch contact op met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken, en heeft zijn zorgen ook in november benadrukt tijdens zijn bezoek aan Israël.1 Eerder was Nederland medeondertekenaar van het Foreign Ministers’statement van augustus 2025, en onderstreepte het zorgen over de wetgeving tijdens de Europese Raad.2
Het kabinet zal er bij Israël op blijven aandringen om de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s, waaronder de vertrouwde humanitaire partners van Nederland, ongehinderde toegang te verschaffen tot de bezette Palestijnse gebieden.
Acht u het aanvaardbaar dat hulporganisaties die levensreddende medische zorg, voedselhulp en onderdak bieden, hun werkzaamheden moeten staken terwijl miljoenen Palestijnen, met name in de winterperiode, afhankelijk zijn van deze hulp? Welke risico’s ziet u hierbij voor ondervoeding, ziekte, hongersnood en onderkoeling, gezien het feit dat veel mensen in provisorische tentenkampen leven die al meerdere overstromingen en noodweer hebben moeten doorstaan?
Het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren is zorgwekkend. Hierover onderhoudt Nederland contact met de betreffende hulporganisaties. Gezien de hoge humanitaire noden zijn alle professionele hulporganisaties op dit moment hard nodig. Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus maar ziet het besluit om de registratie van deze internationale ngo’s niet te verlenen niet als de juiste weg voorwaarts, en roept Israël op het besluit terug te draaien om professionele en gemandateerde hulporganisaties, waaronder vertrouwde Nederlandse humanitaire partnerorganisaties, te weigeren. Daarbij blijft Nederland oproepen tot naleving van het humanitair oorlogsrecht.
Deelt u de zorg dat deze Israëlische maatregelen tot gevolg kunnen hebben dat naar schatting één op de drie zorginstellingen in Gaza moet sluiten en dat de humanitaire hulpverlening grotendeels kan instorten? Zo ja, welke stappen acht u noodzakelijk om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke concrete stappen zet u op dit moment, bilateraal of in EU-verband, om te voorkomen dat de toegang van hulporganisaties per 1 januari daadwerkelijk wordt stopgezet en om ervoor te zorgen dat levensreddende humanitaire hulp doorgang kan blijven vinden?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe beoordeelt u het nieuwe Israëlische registratieproces voor humanitaire ngo’s, waarbij organisaties uitgebreide personeels- en familiegegevens moeten aanleveren en kunnen worden afgewezen op basis van politieke uitingen van individuele medewerkers?
Het verzoek van Israël aan de internationale ngo’s om ook persoonsgegevens van stafleden en hun families te delen strookt volgens de Nederlandse Autoriteit Persoonsgegevens hoogstwaarschijnlijk niet met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus maar ziet het besluit om de registratie van deze internationale ngo’s niet te verlenen niet als de juiste weg voorwaarts.
Deelt u de opvatting dat deze registratie-eisen de humanitaire hulp politiseren en daarmee strijdig zijn met de humanitaire beginselen van neutraliteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid? Zo nee, waarom niet?
De gevolgen van de herregistratieplicht voor de humanitaire hulpverlening baart het kabinet zorgen. Nationale wetgeving ontheft staten niet van hun verplichtingen onder het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht, zoals de verantwoordelijkheid om de burgerbevolking in bezet gebied toegang te bieden tot essentiële goederen en de levering daarvan door derden niet onnodig te belemmeren.
Hoe beoordeelt u de nieuwe Israëlische wetgeving tegen de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) in het licht van de bindende uitspraken van het Internationaal Gerechtshof, waarin expliciet is vastgesteld dat Israël verplicht is de werkzaamheden van UNRWA te faciliteren en niet te belemmeren? Acht u deze wetgeving verenigbaar met het internationaal recht?
Adviezen van het IGH zijn niet juridisch bindend, maar wel gezaghebbend omdat het voornaamste gerechtelijke orgaan van de VN daarin een uiteenzetting geeft van het geldend internationaal recht. Nederland volgt het advies van het IGH, en hiermee de conclusie van het Hof dat de twee door Israël aangenomen wetten in oktober 2024 niet verenigbaar zijn met de verplichtingen van Israël ten aanzien van de bezette Palestijnse gebieden, waaronder zijn verplichtingen onder het VN-Handvest. Ook de recent aangenomen wetgeving (2025) in het verlengde hiervan strookt niet met het advies van het IGH.
Deelt u de opvatting dat het uitsluiten van UNRWA van de VN-Conventie inzake Privileges en Immuniteiten, het afsluiten van water, elektriciteit en communicatie en het dreigen met onteigening van VN-eigendom een ernstige schending vormt van de verplichtingen van Israël als VN-lidstaat en een gevaarlijk precedent schept voor de bescherming van VN-organisaties wereldwijd?
In het kader van een bezetting oefent een bezettende macht rechtsmacht en controle uit over het bezette gebied. Het International Gerechtshof benoemt in zijn advies van 22 oktober 2025 in dit kader ook de verplichting om de privileges en immuniteiten van de VN in bezet gebied te respecteren (art. 105 VN Handvest). Dit ziet ook op UNRWA. Op grond van deze verplichtingen is het Israël niet toegestaan om dergelijke beperkende maatregelen te nemen tegen VN eigendom, inclusief de gebouwen in de bezette Palestijnse Gebieden. Zie de kabinetsreactie van 21 januari jl. op de sloop van het UNRWA-hoofdkantoor in Oost-Jeruzalem door Israël.3
Bent u bereid deze kwestie met urgentie te agenderen binnen Europa en in VN-verband om gezamenlijk druk uit te oefenen, opdat humanitaire hulp niet verder wordt belemmerd? Welke concrete stappen heeft u hiertoe reeds ondernomen?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6.
Welke gevolgen heeft het weren van een aanzienlijk deel van de hulporganisaties volgens u voor de naleving door Israël van zijn verplichtingen onder het internationaal humanitair recht, waaronder de plicht van een bezettende macht om humanitaire hulp toe te laten?
In het IGH-advies van 22 oktober 2025 over de verplichtingen van Israël ten aanzien van de aanwezigheid en activiteiten van de Verenigde Naties en andere internationale organisaties in de bezette Palestijnse Gebieden oordeelt het Hof dat Israël, als bezettende macht, zijn verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht moet naleven. Indien het gevolg is dat de burgerbevolking in de bezette Palestijnse gebieden onvoldoende voorzien is van essentiële levensbehoeften, dan schendt Israël verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht.
Kunt u toezeggen de Kamer op zeer korte termijn te informeren over de inzet van Nederland in de komende dagen en weken, gezien de acute deadline van 1 januari en de directe gevolgen voor honderdduizenden mensen die afhankelijk zijn van humanitaire hulp?
De keuze over het verder informeren van de Kamer wordt overgelaten aan het inkomende kabinet.
Het bericht dat Nederland drones boven vliegvelden niet kon spotten omdat de radars in Oekraïne zijn. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland kon «drones» boven vliegvelden niet spotten omdat de radars in Oekraïne zijn»?1
Ja.
Hoeveel Robin Radars zijn exact naar Oekraïne gestuurd?
Over aantallen doet Defensie om operationele en veiligheidsredenen geen uitspraken. Uw Kamer wordt middels de periodieke leveringsbrieven vertrouwelijk geïnformeerd over de geleverde militaire steun aan Oekraïne.
Zijn de bestelde nieuwe radars volledig bestemd voor de bescherming van Nederlands grondgebied? Zo nee, kunt u aangeven voor welke andere bestemmingen deze zijn bedoeld en hoe de verdeling is in percentages?
De bestelde nieuwe radars zijn volledig bestemd voor de bescherming van Nederlands grondgebied. De radars zijn bedoeld voor de bescherming van het nationale grondgebied en kritieke infrastructuur in het bijzonder, en zijn een essentiële aanvulling voor de tijdige detectie van kleine drones. Deze capaciteit is essentieel om snel een beeld op te bouwen van een mogelijke specifieke dreiging, zodat op zorgvuldige wijze een passende inzet van middelen kan worden bepaald. Naast beveiligingseenheden worden de IRIS-radars gebruikt in operationele drone interventieteams. Over de inzet van IRIS-radars en interventieteams doet Defensie om operationele en veiligheidsredenen geen verdere uitspraken.
Zijn er in de komende jaren scenario’s denkbaar waarin het gebrek aan afdoende dronedetectie op ons grondgebied mensenlevens kan kosten? Zo ja, hoe reëel schat u de kans daarop in?
Zoals de situatie in de Oekraïne laat zien zorgen zeer snelle technologische ontwikkelingen ervoor dat veel scenario’s waar ook slachtoffers bij zouden kunnen vallen, voorstelbaar zijn. Hoe deze scenario’s zich ontwikkelen laat zich moeilijk voorspellen. Defensie geeft met haar investeringen in drone-detectie een antwoord op de huidige en in de toekomst meest waarschijnlijke dreigingen op het gebied van drones (UAS). Maar de ontwikkelingen op het gebied van (couter)drones technieken volgen elkaar, mede door de oorlog in Oekraïne, snel op. Defensie heeft binnen het Actieplan Productiezekerheid Onbemenste Systemen (APOS) afgelopen najaar een nieuwe wijze van werken binnen het ecosysteem onbemenste systemen gelanceerd. Defensie heeft de markt benaderd om oplossingen te bieden voor een gewenst operationeel effect. Defensie, kennisinstellingen en industrie gaan in partnerschappen deze oplossingen samen ontwikkelen, produceren en opschalen. Defensie blijft waakzaam om ook op nieuwe dreigingen een antwoord te hebben en werkt daarbij nauw samen met industrie en kennisinstellingen. Daarbij is Nederland samen met Letland en Kroatië lead-nation op de Priority Capability Area (PCA) drones en counterdrones, voortkomend uit de White Paper for European Defence – Readiness 2030, en kan daarmee snel aanhaken op nieuwe ontwikkelingen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse objecten zoals vliegvelden tot aan de levering van de nieuwe radars in 2028 afdoende weerbaar zijn tegen drones?
Zoals ook beschreven in het interview in Trouw waar u naar verwijst, bestaat er geen volledig waterdicht verdedigingssysteem voor vliegvelden, nu niet en waarschijnlijk in 2028 ook niet. Detectie vindt plaats door verschillende systemen, dus de te leveren radarsystemen zijn niet de enige systemen die daar aan bijdragen. Om operationele en veiligheidsredenen kan over het verdedigingssysteem voor vliegvelden op dit moment geen verdere informatie worden gegeven. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat er door defensie, kennisinstellingen en industriepartners voortdurend wordt gezocht naar aanvullende middelen en manieren om detectie van drones te verbeteren zoals ook beschreven in het antwoord op vraag 4.
Het NOS-bericht 'Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg»1 en het bericht van Bits of Freedom «Meta sluit accounts af uit genderrechten- en abortusbeweging»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u het recente blokkeren en verwijderen door Meta van tientallen accounts op haar sociale mediaplatform?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en transparant zijn. Daarbij geldt dat wat offline illegaal is, online ook illegaal is. Discriminatie en uitsluiting is niet toegestaan. Ook niet door internetplatforms. Als blijkt dat een online dienst stelselmatig inbreuk maak op de grondrechten, verdient dat een stevige veroordeling. Een beoordeling of er tevens sprake is van overtreding van wet- of regelgeving, zoals de Digital Services Act, is aan de bevoegde toezichthouder(s).
Wanneer een platform besluit een account te schorsen of te beëindigen, moet dat gebeuren binnen de kaders van de DSA. Zo moeten platforms de gebruiker een duidelijke en specifieke motivering verstrekken. Ook dienen online platforms adequate mogelijkheden aan te bieden om bezwaar te maken tegen het verwijderen of schorsen van accounts. In het geval van zeer grote online platformen (VLOP’s) als Meta is de Europese Commissie de aangewezen toezichthouder op de naleving van de DSA.
Hoeveel accounts van personen en groepen die zich bezighouden met genderrechten, queerrechten en abortusbewegingen zijn door Meta geblokkeerd?
In dergelijk detail heb ik daar geen zicht op. De Europese Commissie houdt een database bij waarin onder meer zeer grote online platforms inzicht geven in de moderatie die zij verrichten. Wanneer een online platform besluit om accounts te schorsen of content te verwijderen, moet het platform het besluit en de specifieke motivering hiervoor indienen voor opname in de database.3
Ziet u een groeiende trend in het aantal gebruikers die zich inzetten voor politieke doelen dat beperkingen opgelegd krijgt door Meta?
Daar heb ik op dit moment geen zicht op. Het onderzoek van Repro Uncensored stelt dat sprake is van een toename aan dergelijke beperkingen in 2025 ten opzichte van 2024. De DSA verplicht online platforms tot transparantie over hun moderatiepraktijken en de toezichthouders controleren hierop.
Hoe reageert u op de bewering van Meta dat hier sprake is van een technische fout? Op welke manier kunt u vaststellen dat er daadwerkelijk sprake is van een fout in de (geautomatiseerde) contentmoderatie van Meta?
In het kader van zorgvuldigheid uit ik nog geen oordeel. Het namelijk niet aan mij om vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van fouten in de moderatiepraktijken van online platforms, maar aan de toezichthouder. Wel worden signalen als deze benoemd tijdens het structurele contact dat ik heb met de toezichthouder.
Deelt u de analyse van burgerrechtenorganisatie Repro Uncensored dat Meta het specifiek gericht heeft op queer en LHBTI-accounts en accounts beheerd door sekswerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen bent u bereid om te nemen op basis van de bevindingen?
Het is niet passend als ik me daarover uitlaat, dat is aan de toezichthouder. In algemene zin vind ik het belangrijk dat de online publieke ruimte inclusief moet zijn en dat het niet zo kan zijn dat accounts op basis van specifieke gronden onevenredig worden geblokkeerd of gecensureerd.
Online platforms mogen hun eigen algemene voorwaarden vormgeven, maar moeten die zorgvuldig, evenredig en objectief handhaven (artikel 14, DSA). Er is in Nederland en de EU geen ruimte voor ongelijke behandeling in gelijke gevallen en het overtreden van nationale en Europese wetgeving door een platform en het is aan de Europese Commissie om te handhaven. Daarbij vertrouw ik de Europese Commissie in het uitoefenen van haar toezichthoudende taak op de naleving van de DSA en diens kaders ter beperking van systeemrisico’s als online haat en discriminatie. Als er sprake blijkt van systeemrisico’s op een online platform als online haat tegen gemarginaliseerde groepen, biedt de DSA ook middelen om dit te sanctioneren.
Zoals afgelopen zomer werd aangekondigd in het Plan van aanpak tegen online discriminatie, treft het kabinet zelf ook maatregelen om de prevalentie van online discriminatie zichtbaar te maken en voor Nederlandse burgers om hun digitale rechten te gebruiken. Ook maatregelen gericht op zogeheten awful but lawful content, dat schadelijk is maar niet-evident onrechtmatig.
Is de manier waarop deze accounts verwijderd zijn, zonder uitleg en bezwaarmogelijkheden, in strijd met artikel 17 van de Europese Digital Services Act, dat stelt dat «opgelegde beperkingen» voorzien moeten zijn van «een duidelijke en specifieke motivering»?
Als er inderdaad sprake is van opgelegde beperkingen zonder een duidelijke en specifieke motivering, dan kan er sprake zijn van een overtreding van de DSA. Indien dit geen geïsoleerd incident is maar onderdeel van een patroon, kan de bevoegde toezichthouder dit nader onderzoeken en desnoods handhavend optreden.
De DSA verplicht ook tot het bieden van een bezwaarmogelijkheid voor gebruikers. De getroffen gebruikers kunnen dit geschil daarnaast voorleggen aan één van de buitengerechtelijke geschilbeslechtingscommissies voor een onafhankelijke beoordeling.4 Indien zij in het gelijk worden gesteld dan kan dat leiden tot een besluit dat Meta hun account(s) moet herstellen. Tot slot kunnen de getroffen gebruikers een civielrechtelijke zaak tegen Meta starten. Er is inmiddels al een aantal voorbeelden waarbij Nederlandse organisaties en personen platforms voor de rechter hebben gedaagd wegens overtreding van de DSA, en dat hebben gewonnen.
Welke gevolgen heeft het voor Meta als blijkt dat zij zich niet aan de Digital Services Act heeft gehouden? Hoe ziet u erop toe dat dit wordt gehandhaafd?
De Europese Commissie kan als toezichthouder dwangsommen van de gemiddelde dagomzet en geldboetes opleggen ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet van een VLOP. Daarnaast kunnen personen en organisaties via de civiele rechter online platforms dagen voor overtredingen van de DSA, of gebruik maken van de mogelijkheden om de zaak voor te leggen aan een onafhankelijke geschilbeslechtingscommissie. Zoals hiervoor toegelicht zijn daar reeds succesvolle voorbeelden van bekend.
Deelt u de mening van de indieners dat onafhankelijk onderzocht moet worden of hier sprake is van discriminatoir handelen?
Dat is niet aan mij. Het is zaak dat de bevoegde toezichthouders onafhankelijk kunnen opereren. Ik vind het niet passend dat ik me uitlaat over de noodzaak om de ene of een andere zaak al dan niet te onderzoeken.
In algemene zin ben ik voorstander van een transparante online publieke ruimte en vind ik het belangrijk dat de mogelijkheid bestaat om onafhankelijk onderzoek te doen met gebruik van openbare data van online platformen. Artikel 40 van de DSA biedt mogelijkheden daartoe. Wanneer een online platform deze toegang verhindert, kan de Europese Commissie daar een procedure tegen starten.
Deelt u de mening dat het blokkeren van accounts op sociale media platforms op grond van ideologische of politieke voorkeuren indruist tegen Europese wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Platforms mogen volgens de DSA hun eigen algemene voorwaarden bepalen, maar moeten bij het opstellen en toepassen daarvan gepaste aandacht hebben voor de rechten en legitieme belangen van alle betrokkenen. Waaronder de grondrechten van de afnemers van de dienst, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid en de pluriformiteit van de media en andere fundamentele rechten en vrijheden zoals in het Handvest verankerd. Een oordeel of er in dit geval sprake is van een eventuele overtreding hiervan is aan de bevoegde toezichthouder, en uiteindelijk aan de (bestuurs)rechter, of in een privaatrechtelijke procedure aan de civiele rechter.
Bent u van mening dat het uw verantwoordelijkheid is om burgers te beschermen tegen online discriminatie of onrechtmatig handelen van grote mediaplatformen zoals Meta? Bent u bereid om met Meta hierover in gesprek te gaan?
Ja. Samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zet ik stappen om alle vormen van discriminatie en onrechtmatige behandeling door grote mediaplatformen aan te pakken. De maatregelen hiertoe liggen besloten in het Plan van aanpak tegen online discriminatie. Het contact tussen ons ministerie en de internetsector is structureel van aard, thema’s als non-discriminatie, veiligheid en inclusiviteit vormen (naast andere publieke waarden) de kern van dit contact.
Bent u bereid om op basis van Europese en Nederlandse wetgeving op te treden en sancties op te leggen aan Meta als onderzoek uitwijst dat er tegen de wet wordt gehandeld?
De Europese Commissie is in eerste instantie de aangewezen partij om handhavend op te treden tegen overtredingen van de DSA door VLOP’s zoals Meta. Ik ondersteun de Europese Commissie waar mogelijk in diens rol als toezichthouder op de naleving van de DSA.
Bent u bereid om bij de Europese Commissie aan te dringen op een onderzoek naar deze gevallen? Zo nee, waarom niet?
Het contact tussen de Europese Commissie en mijn ministerie (en andere relevante ministeries) is structureel van aard. Ik zie het als mijn taak om de Europese Commissie waar mogelijk te ondersteunen bij haar taakuitoefening als toezichthouder op de naleving van de DSA. Daar hoort ook het doorgeven van signalen zoals in deze berichtgeving bij. Daarbij vertrouw ik de Europese Commissie bij het uitoefenen van haar rol, dus voor aandringen zie ik geen noodzaak. Dat zou ook niet passend zijn omdat het de onafhankelijkheid van de Europese Commissie in het geding brengt.
Wel begrijp ik uw verlangen naar ad hoc en daadkrachtig ingrijpen bij waargenomen incidenten. De DSA is ontworpen om de grondrechten van mensen in de online wereld te bestendigen en ik vind het belangrijk binnen de kaders van de wet te blijven handelen. De DSA is een relatief nieuwe wet en het vereist tijd om inzicht te krijgen of de geboden kaders en maatregelen werken zoals bedoeld. In 2027 evalueert de Europese Commissie de wet en wordt deze evaluatie voorgelegd aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité. Tijdens deze evaluatie is er ook de mogelijkheid om namens Nederland input te geven.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.