Het bericht dat Nederland drones boven vliegvelden niet kon spotten omdat de radars in Oekraïne zijn. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland kon «drones» boven vliegvelden niet spotten omdat de radars in Oekraïne zijn»?1
Ja.
Hoeveel Robin Radars zijn exact naar Oekraïne gestuurd?
Over aantallen doet Defensie om operationele en veiligheidsredenen geen uitspraken. Uw Kamer wordt middels de periodieke leveringsbrieven vertrouwelijk geïnformeerd over de geleverde militaire steun aan Oekraïne.
Zijn de bestelde nieuwe radars volledig bestemd voor de bescherming van Nederlands grondgebied? Zo nee, kunt u aangeven voor welke andere bestemmingen deze zijn bedoeld en hoe de verdeling is in percentages?
De bestelde nieuwe radars zijn volledig bestemd voor de bescherming van Nederlands grondgebied. De radars zijn bedoeld voor de bescherming van het nationale grondgebied en kritieke infrastructuur in het bijzonder, en zijn een essentiële aanvulling voor de tijdige detectie van kleine drones. Deze capaciteit is essentieel om snel een beeld op te bouwen van een mogelijke specifieke dreiging, zodat op zorgvuldige wijze een passende inzet van middelen kan worden bepaald. Naast beveiligingseenheden worden de IRIS-radars gebruikt in operationele drone interventieteams. Over de inzet van IRIS-radars en interventieteams doet Defensie om operationele en veiligheidsredenen geen verdere uitspraken.
Zijn er in de komende jaren scenario’s denkbaar waarin het gebrek aan afdoende dronedetectie op ons grondgebied mensenlevens kan kosten? Zo ja, hoe reëel schat u de kans daarop in?
Zoals de situatie in de Oekraïne laat zien zorgen zeer snelle technologische ontwikkelingen ervoor dat veel scenario’s waar ook slachtoffers bij zouden kunnen vallen, voorstelbaar zijn. Hoe deze scenario’s zich ontwikkelen laat zich moeilijk voorspellen. Defensie geeft met haar investeringen in drone-detectie een antwoord op de huidige en in de toekomst meest waarschijnlijke dreigingen op het gebied van drones (UAS). Maar de ontwikkelingen op het gebied van (couter)drones technieken volgen elkaar, mede door de oorlog in Oekraïne, snel op. Defensie heeft binnen het Actieplan Productiezekerheid Onbemenste Systemen (APOS) afgelopen najaar een nieuwe wijze van werken binnen het ecosysteem onbemenste systemen gelanceerd. Defensie heeft de markt benaderd om oplossingen te bieden voor een gewenst operationeel effect. Defensie, kennisinstellingen en industrie gaan in partnerschappen deze oplossingen samen ontwikkelen, produceren en opschalen. Defensie blijft waakzaam om ook op nieuwe dreigingen een antwoord te hebben en werkt daarbij nauw samen met industrie en kennisinstellingen. Daarbij is Nederland samen met Letland en Kroatië lead-nation op de Priority Capability Area (PCA) drones en counterdrones, voortkomend uit de White Paper for European Defence – Readiness 2030, en kan daarmee snel aanhaken op nieuwe ontwikkelingen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse objecten zoals vliegvelden tot aan de levering van de nieuwe radars in 2028 afdoende weerbaar zijn tegen drones?
Zoals ook beschreven in het interview in Trouw waar u naar verwijst, bestaat er geen volledig waterdicht verdedigingssysteem voor vliegvelden, nu niet en waarschijnlijk in 2028 ook niet. Detectie vindt plaats door verschillende systemen, dus de te leveren radarsystemen zijn niet de enige systemen die daar aan bijdragen. Om operationele en veiligheidsredenen kan over het verdedigingssysteem voor vliegvelden op dit moment geen verdere informatie worden gegeven. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat er door defensie, kennisinstellingen en industriepartners voortdurend wordt gezocht naar aanvullende middelen en manieren om detectie van drones te verbeteren zoals ook beschreven in het antwoord op vraag 4.
Het NOS-bericht 'Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg»1 en het bericht van Bits of Freedom «Meta sluit accounts af uit genderrechten- en abortusbeweging»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u het recente blokkeren en verwijderen door Meta van tientallen accounts op haar sociale mediaplatform?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en transparant zijn. Daarbij geldt dat wat offline illegaal is, online ook illegaal is. Discriminatie en uitsluiting is niet toegestaan. Ook niet door internetplatforms. Als blijkt dat een online dienst stelselmatig inbreuk maak op de grondrechten, verdient dat een stevige veroordeling. Een beoordeling of er tevens sprake is van overtreding van wet- of regelgeving, zoals de Digital Services Act, is aan de bevoegde toezichthouder(s).
Wanneer een platform besluit een account te schorsen of te beëindigen, moet dat gebeuren binnen de kaders van de DSA. Zo moeten platforms de gebruiker een duidelijke en specifieke motivering verstrekken. Ook dienen online platforms adequate mogelijkheden aan te bieden om bezwaar te maken tegen het verwijderen of schorsen van accounts. In het geval van zeer grote online platformen (VLOP’s) als Meta is de Europese Commissie de aangewezen toezichthouder op de naleving van de DSA.
Hoeveel accounts van personen en groepen die zich bezighouden met genderrechten, queerrechten en abortusbewegingen zijn door Meta geblokkeerd?
In dergelijk detail heb ik daar geen zicht op. De Europese Commissie houdt een database bij waarin onder meer zeer grote online platforms inzicht geven in de moderatie die zij verrichten. Wanneer een online platform besluit om accounts te schorsen of content te verwijderen, moet het platform het besluit en de specifieke motivering hiervoor indienen voor opname in de database.3
Ziet u een groeiende trend in het aantal gebruikers die zich inzetten voor politieke doelen dat beperkingen opgelegd krijgt door Meta?
Daar heb ik op dit moment geen zicht op. Het onderzoek van Repro Uncensored stelt dat sprake is van een toename aan dergelijke beperkingen in 2025 ten opzichte van 2024. De DSA verplicht online platforms tot transparantie over hun moderatiepraktijken en de toezichthouders controleren hierop.
Hoe reageert u op de bewering van Meta dat hier sprake is van een technische fout? Op welke manier kunt u vaststellen dat er daadwerkelijk sprake is van een fout in de (geautomatiseerde) contentmoderatie van Meta?
In het kader van zorgvuldigheid uit ik nog geen oordeel. Het namelijk niet aan mij om vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van fouten in de moderatiepraktijken van online platforms, maar aan de toezichthouder. Wel worden signalen als deze benoemd tijdens het structurele contact dat ik heb met de toezichthouder.
Deelt u de analyse van burgerrechtenorganisatie Repro Uncensored dat Meta het specifiek gericht heeft op queer en LHBTI-accounts en accounts beheerd door sekswerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen bent u bereid om te nemen op basis van de bevindingen?
Het is niet passend als ik me daarover uitlaat, dat is aan de toezichthouder. In algemene zin vind ik het belangrijk dat de online publieke ruimte inclusief moet zijn en dat het niet zo kan zijn dat accounts op basis van specifieke gronden onevenredig worden geblokkeerd of gecensureerd.
Online platforms mogen hun eigen algemene voorwaarden vormgeven, maar moeten die zorgvuldig, evenredig en objectief handhaven (artikel 14, DSA). Er is in Nederland en de EU geen ruimte voor ongelijke behandeling in gelijke gevallen en het overtreden van nationale en Europese wetgeving door een platform en het is aan de Europese Commissie om te handhaven. Daarbij vertrouw ik de Europese Commissie in het uitoefenen van haar toezichthoudende taak op de naleving van de DSA en diens kaders ter beperking van systeemrisico’s als online haat en discriminatie. Als er sprake blijkt van systeemrisico’s op een online platform als online haat tegen gemarginaliseerde groepen, biedt de DSA ook middelen om dit te sanctioneren.
Zoals afgelopen zomer werd aangekondigd in het Plan van aanpak tegen online discriminatie, treft het kabinet zelf ook maatregelen om de prevalentie van online discriminatie zichtbaar te maken en voor Nederlandse burgers om hun digitale rechten te gebruiken. Ook maatregelen gericht op zogeheten awful but lawful content, dat schadelijk is maar niet-evident onrechtmatig.
Is de manier waarop deze accounts verwijderd zijn, zonder uitleg en bezwaarmogelijkheden, in strijd met artikel 17 van de Europese Digital Services Act, dat stelt dat «opgelegde beperkingen» voorzien moeten zijn van «een duidelijke en specifieke motivering»?
Als er inderdaad sprake is van opgelegde beperkingen zonder een duidelijke en specifieke motivering, dan kan er sprake zijn van een overtreding van de DSA. Indien dit geen geïsoleerd incident is maar onderdeel van een patroon, kan de bevoegde toezichthouder dit nader onderzoeken en desnoods handhavend optreden.
De DSA verplicht ook tot het bieden van een bezwaarmogelijkheid voor gebruikers. De getroffen gebruikers kunnen dit geschil daarnaast voorleggen aan één van de buitengerechtelijke geschilbeslechtingscommissies voor een onafhankelijke beoordeling.4 Indien zij in het gelijk worden gesteld dan kan dat leiden tot een besluit dat Meta hun account(s) moet herstellen. Tot slot kunnen de getroffen gebruikers een civielrechtelijke zaak tegen Meta starten. Er is inmiddels al een aantal voorbeelden waarbij Nederlandse organisaties en personen platforms voor de rechter hebben gedaagd wegens overtreding van de DSA, en dat hebben gewonnen.
Welke gevolgen heeft het voor Meta als blijkt dat zij zich niet aan de Digital Services Act heeft gehouden? Hoe ziet u erop toe dat dit wordt gehandhaafd?
De Europese Commissie kan als toezichthouder dwangsommen van de gemiddelde dagomzet en geldboetes opleggen ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet van een VLOP. Daarnaast kunnen personen en organisaties via de civiele rechter online platforms dagen voor overtredingen van de DSA, of gebruik maken van de mogelijkheden om de zaak voor te leggen aan een onafhankelijke geschilbeslechtingscommissie. Zoals hiervoor toegelicht zijn daar reeds succesvolle voorbeelden van bekend.
Deelt u de mening van de indieners dat onafhankelijk onderzocht moet worden of hier sprake is van discriminatoir handelen?
Dat is niet aan mij. Het is zaak dat de bevoegde toezichthouders onafhankelijk kunnen opereren. Ik vind het niet passend dat ik me uitlaat over de noodzaak om de ene of een andere zaak al dan niet te onderzoeken.
In algemene zin ben ik voorstander van een transparante online publieke ruimte en vind ik het belangrijk dat de mogelijkheid bestaat om onafhankelijk onderzoek te doen met gebruik van openbare data van online platformen. Artikel 40 van de DSA biedt mogelijkheden daartoe. Wanneer een online platform deze toegang verhindert, kan de Europese Commissie daar een procedure tegen starten.
Deelt u de mening dat het blokkeren van accounts op sociale media platforms op grond van ideologische of politieke voorkeuren indruist tegen Europese wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Platforms mogen volgens de DSA hun eigen algemene voorwaarden bepalen, maar moeten bij het opstellen en toepassen daarvan gepaste aandacht hebben voor de rechten en legitieme belangen van alle betrokkenen. Waaronder de grondrechten van de afnemers van de dienst, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid en de pluriformiteit van de media en andere fundamentele rechten en vrijheden zoals in het Handvest verankerd. Een oordeel of er in dit geval sprake is van een eventuele overtreding hiervan is aan de bevoegde toezichthouder, en uiteindelijk aan de (bestuurs)rechter, of in een privaatrechtelijke procedure aan de civiele rechter.
Bent u van mening dat het uw verantwoordelijkheid is om burgers te beschermen tegen online discriminatie of onrechtmatig handelen van grote mediaplatformen zoals Meta? Bent u bereid om met Meta hierover in gesprek te gaan?
Ja. Samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zet ik stappen om alle vormen van discriminatie en onrechtmatige behandeling door grote mediaplatformen aan te pakken. De maatregelen hiertoe liggen besloten in het Plan van aanpak tegen online discriminatie. Het contact tussen ons ministerie en de internetsector is structureel van aard, thema’s als non-discriminatie, veiligheid en inclusiviteit vormen (naast andere publieke waarden) de kern van dit contact.
Bent u bereid om op basis van Europese en Nederlandse wetgeving op te treden en sancties op te leggen aan Meta als onderzoek uitwijst dat er tegen de wet wordt gehandeld?
De Europese Commissie is in eerste instantie de aangewezen partij om handhavend op te treden tegen overtredingen van de DSA door VLOP’s zoals Meta. Ik ondersteun de Europese Commissie waar mogelijk in diens rol als toezichthouder op de naleving van de DSA.
Bent u bereid om bij de Europese Commissie aan te dringen op een onderzoek naar deze gevallen? Zo nee, waarom niet?
Het contact tussen de Europese Commissie en mijn ministerie (en andere relevante ministeries) is structureel van aard. Ik zie het als mijn taak om de Europese Commissie waar mogelijk te ondersteunen bij haar taakuitoefening als toezichthouder op de naleving van de DSA. Daar hoort ook het doorgeven van signalen zoals in deze berichtgeving bij. Daarbij vertrouw ik de Europese Commissie bij het uitoefenen van haar rol, dus voor aandringen zie ik geen noodzaak. Dat zou ook niet passend zijn omdat het de onafhankelijkheid van de Europese Commissie in het geding brengt.
Wel begrijp ik uw verlangen naar ad hoc en daadkrachtig ingrijpen bij waargenomen incidenten. De DSA is ontworpen om de grondrechten van mensen in de online wereld te bestendigen en ik vind het belangrijk binnen de kaders van de wet te blijven handelen. De DSA is een relatief nieuwe wet en het vereist tijd om inzicht te krijgen of de geboden kaders en maatregelen werken zoals bedoeld. In 2027 evalueert de Europese Commissie de wet en wordt deze evaluatie voorgelegd aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité. Tijdens deze evaluatie is er ook de mogelijkheid om namens Nederland input te geven.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
De situatie in Gaza en de Westelijke Jordaanoever |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «In Gaza, another winter of despair»?1 Waarom wordt beschreven dat de winteromstandigheden in de Gazastrook opnieuw hebben geleid tot zeer moeilijke leefomstandigheden, inclusief overstromingen en sterfgevallen als gevolg van onderkoeling? Wat is uw beoordeling van deze situatie?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het bericht. Sinds het staakt-het-vuren is de invoer van basale voedselhulp verbeterd, maar de humanitaire noden blijven hoog.
Bent u bereid de Nederlandse bijdrage aan humanitaire hulp in Gaza op te voeren in het licht van deze berichtgeving?
De Nederlandse financiële inzet voor humanitaire hulp in 2026 is op 12 januari jl. aan de Kamer bekendgemaakt.2 Middels aanzienlijke, flexibel inzetbare bijdragen aan de VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en Dutch Relief Alliance helpt Nederland deze organisaties ook in 2026 om te reageren op humanitaire crises wereldwijd. Dat geldt ook voor hun werk in de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever en de regio. Nederland maakt in 2026 tevens EUR 16 miljoen beschikbaar voor het humanitaire landenfonds van de VN voor de Palestijnse gebieden. In 2025 werd dit fonds ondersteund met een bedrag van EUR 14,7 miljoen. Daarnaast zal, net als in voorgaande jaren, gedurende 2026 worden gekeken waar ter wereld eventuele additionele humanitaire bijdragen het hardst nodig zijn.
Bent u het eens dat de regering-Netanyahu bijdraagt aan deze omstandigheden door nog steeds humanitaire hulpgoederen zoals winterbescherming en noodzakelijke spullen voor medische zorg tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Hulporganisaties hebben te maken met aanhoudende belemmeringen, waaronder de beperkte opening van grensovergangen, de Israëlische herregistratieplicht voor internationale ngo’s, en de restricties voor de invoer van goederen die Israël als dual use ziet, zoals onderdakmaterialen en bepaalde medische apparatuur. Israël voert hiervoor veiligheidsoverwegingen aan. Israël heeft de verplichting om, conform het humanitair oorlogsrecht, de bevolking in de gehele Gazastrook te voorzien van essentiële goederen. Als bezettende macht is Israël verplicht om hulpacties van derde staten of onpartijdige humanitaire organisaties toe te staan en deze met alle haar ten dienste staande middelen te faciliteren. Dit volgt ook uit het IGH advies van 22 oktober 2025 over Israëls verplichtingen ten aanzien van VN-hulpverlening in de bezette Palestijnse Gebieden. Nederland blijft onderstrepen dat volledige, veilige en ongehinderde humanitaire toegang cruciaal is, en spreekt Israël hier consequent in bilateraal en multilateraal verband op aan.
Welke maatregelen heeft Nederland, zelf of in EU-verband, genomen om te bevorderen dat humanitaire hulp wél in voldoende mate de Gazastrook bereikt? Welk resultaat heeft dat geleverd?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3. Nederland blijft zich ervoor inspannen dat professionele hulporganisaties, waaronder de VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s volledige, veilige en ongehinderde humanitaire toegang hebben om hun werk uit te kunnen voeren. Dit alles doet Nederland zowel bilateraal in contacten met de Israëlische autoriteiten, als in EU verband. Dit heeft het kabinet recent gedaan naar aanleiding van de herregistratieplicht. De Minister van Buitenlandse Zaken nam na het besluit van Israël op 31 december jl. telefonisch contact op met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken, en heeft zijn zorgen ook in november benadrukt tijdens zijn bezoek aan Israël. Eerder was Nederland medeondertekenaar van het Foreign Ministers» Statement van augustus 2025, en onderstreepte het zorgen over de wetgeving tijdens de Europese Raad.3 In eerdere Kamerbrieven bent u geïnformeerd over de wijzen waarop Nederland ten tijde van de humanitaire blokkade de druk heeft opgevoerd.4
Hoe beoordeelt u de recente Israëlische goedkeuring van 19 nieuwe nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever? Deelt u de mening dat de regering-Netanyahu hiermee een tweestatenoplossing ondermijnt?
Het kabinet acht de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig en veroordeelt het Israëlisch nederzettingenbeleid, waarvan de goedkeuring van 19 nieuwe nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever deel uitmaakt. Het kabinet roept Israël op dit besluit terug te draaien en geen verdere stappen te zetten die een tweestatenoplossing onder druk zetten. Deze boodschap heeft Nederland ook onderstreept in een gezamenlijke verklaring met gelijkgezinden.5 Daarnaast gaat het kabinet door met het voorbereiden van nationale maatregelen om producten uit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden te weren.
Welke stappen heeft u naar aanleiding van dit besluit gezet, zelf of in EU-verband? Bent u van plan verdere actie te ondernemen, bijvoorbeeld binnen de VN?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bekend met het bericht «Israëlische checkpoints verstikken Palestijnen op bezette Westoever» waarin wordt beschreven dat Palestijnen door checkpoints gehinderd worden in het bereiken van bijvoorbeeld school, werk of medische behandelingen?2 Bent u het eens dat het Israëlische leger hiermee onrechtmatig en disproportioneel handelt en bent u bereid dit te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is bekend met dit bericht. Het kabinet roept Israël consequent op het internationaal recht te eerbiedigen, waaronder in de Palestijnse Gebieden. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen over vermeende schendingen van het internationaal recht. Het kabinet spant zich daarvoor in.
Bent u bekend met het bericht «Israël foltert en verkracht Palestijnse gevangenen – en bijna niemand mag hen bezoeken»?3 Wat is uw reactie op dit bericht?
Het kabinet is bekend met dit bericht. Het kabinet maakt zich al geruime tijd zorgen over de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Deze zorgen betreffen de detentieomstandigheden zelf, het aantal arbitraire detenties, en de toegang tot detentiefaciliteiten voor hiervoor gemandateerde organisaties, specifiek het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). Het kabinet brengt deze zorgen op in bilaterale contacten met de Israëlische autoriteiten, waaronder tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november. Ook multilateraal spreekt Nederland zich hierover uit, waaronder in de gemeenschappelijke positie van de EU-Israël Associatieraad en in (EU-) verklaringen bij de Mensenrechtenraad.
Deelt u de opvatting dat deze praktijken een schending van mensenrechten betekenen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de zorgen die door het VN-Comité tegen foltering zijn gepresenteerd in hun concluding observations on the sixth periodic report of Israel van 22 december jl. en waar het NRC-artikel naar refereert. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen over vermeende schendingen van het internationaal recht, bovenstaand rapport is hiervoor van belang. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid om in internationale fora te pleiten voor onafhankelijke, transparante onderzoeken naar alle meldingen van marteling en mishandeling van Palestijnse gevangenen? Zo nee, waarom niet?
Nederland hecht groot belang aan het tegengaan van straffeloosheid. Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen over vermeende schendingen van het internationaal recht. Het kabinet spant zich daarvoor in en brengt dit ook op in internationale fora zoals de VN-Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering van de VN. Tijdens het Open Debat over het Midden-Oosten van de VN-Veiligheidsraad van 27 oktober jl. riep Nederland op tot onafhankelijk onderzoek naar mogelijke schendingen van het internationaal recht in de Palestijnse Gebieden. Daarnaast loopt er bij het Internationaal Strafhof (ISH) al een actief onderzoek naar de situatie in de Palestijnse Gebieden. Het is aan het ISH om dat onderzoek nader vorm te geven binnen de grenzen van het Statuut van Rome. Het kabinet respecteert de onafhankelijkheid van de aanklagers van het ISH en mengt zich derhalve niet in hun onderzoeks- en vervolgingsbeleid.
Nederland draagt ook in 2026 bij aan de onderzoekscapaciteit van het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten in de Palestijnse Gebieden (OHCHR), middels iets meer dan EUR 2,1 miljoen. De OHCHR in de Palestijnse Gebieden monitort de mensenrechtensituatie en rapporteert daar publiekelijk over.
Bent u bekend met het artikel «Ronald Plasterk: dat een ngo dit durft te doen, tekent de enorme macht van deze organisaties in Brussel» van 18 december 2025?1
Ja.
Bent u ook bekend met het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van 11/2025, getiteld «Transparantie van aan ngo’s toegekende EU-financiering – Ondanks vooruitgang nog steeds geen betrouwbaar overzicht»?2
Ja.
Bent u voorts bekend met de website ngotransparency.eu waarop een van de Europese Commissie verkregen database is geopenbaard over financiering van ngo’s in de Europese Unie, waaronder ook in Nederland?
Ja.
Klopt het dat deze subsidies worden verstrekt op basis van contracten en werkprogramma’s waarin concrete activiteiten zijn vastgelegd, waaronder lobby richting Europese instellingen, politieke fracties en nationale politieke partijen. En klopt het dat deze contracten en werkprogramma’s niet openbaar zijn?
Organisaties die subsidiegelden benutten stellen bij aanvraag van subsidie zelfstandig hun werkprogramma’s op aan de hand van gestelde toetsingscriteria. Er is dus geen sprake van dat de Europese Commissie bepaalt (op welke wijze) belangenbehartiging plaatsvindt bij bepaalde partijen.
Op grond van EU-wetgeving worden programma’s vastgesteld voor de duur van ieder meerjarig financieel kader. Deze programma’s zijn openbaar. Informatie daarover is te vinden op het EU Funding & Tenders Portal. Deze programma’s worden uitgevoerd door middel van werkprogramma’s. Deze worden door de Europese Commissie vastgesteld via comitologie en zijn ook openbaar. De contracten die met ngo’s worden gesloten zijn niet openbaar, dat is ook niet verplicht. Wel moeten belangenvertegenwoordigers die geen commerciële belangen vertegenwoordigen, waaronder doorgaans ngo’s, hun lobbyactiviteiten melden in het EU-transparantieregister. Hiernaast is de Europese Commissie volgens het Financieel Reglement van de Unie verplicht om het Europees parlement en de Raad op hun verzoek een verslag te sturen met informatie over subsidies, waaronder het aantal aanvragers van subsidies, het aantal subsidies en de betrokken bedragen van het voorgaande begrotingsjaar.3
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat belastinggeld wordt gebruikt om organisaties te financieren die tot doel hebben politieke besluitvorming te beïnvloeden?
De Europese Commissie gebruikt subsidieverstrekking om bepaalde EU-beleidsdoelstellingen te verwezenlijken. Ook maatschappelijke organisaties kunnen zich aanmelden voor deze subsidies. Afhankelijk van de beleidsdoelen en de daarvoor opgezette instrumenten kan beleidsbeïnvloeding een subsidiabele activiteit zijn. Wanneer dit soort activiteiten niet subsidiabel is, kunnen organisaties uiteraard wel uit eigen middelen aan beleidsbeïnvloeding doen. Het kabinet acht het onwenselijk dat overheidsgeld dat is bedoeld voor ontwikkelingshulp wordt gebruikt voor de financiering van beleidsbeïnvloeding in Nederland.
Bent u bereid te onderzoeken welke EU-financiering aan in Nederland gevestigde en/of werkzame ngo’s is verstrekt en wat er voor die bedragen concreet is gedaan, welke activiteiten daarmee zijn gefinancierd en in hoeverre deze activiteiten gericht waren op politieke beïnvloeding? Zo nee, waarom niet?
In het financiële transparantieregister van de EU staan de ontvangers per fonds en per land opgenomen. Het kabinet houdt zelf geen overzicht bij van in Nederland gevestigde en/of werkzame ngo’s die subsidies van de Europese Commissie ontvangen en is ook niet voornemens dat te doen. De Europese Commissie heeft een eigenstandige verantwoordelijkheid om subsidieovereenkomsten aan te gaan met maatschappelijke organisaties. De Europese Commissie dient daarbij, naast de afspraken over transparantie, de voorwaarden en doelstellingen van het betreffende fonds en van het Financieel Reglement van de Unie in acht te nemen.
Bent u bereid bij de Europese Commissie volledige transparantie over EU-financiering van NGO’s te eisen, inclusief alle contracten, werkprogramma’s, lobbyactiviteiten en daarbij ook de rol van de Nederlandse Eurocommissaris te onderzoeken, zo nodig via een extern onafhankelijk bureau? Zo nee, waarom niet?
Transparantie en verantwoording over subsidies en belangenbehartiging zijn essentieel om het vertrouwen van burgers in de Unie te behouden. Het Europees parlement en de Europese Commissie hebben in 2011 het EU-transparantieregister ingesteld door middel van een interinstitutioneel akkoord. De Raad is in 2021 toegetreden tot dit akkoord. Het kabinet is hier voorstander van en heeft zich hiervoor ingezet. Het akkoord biedt een kader voor een transparante en integere interactie tussen de EU-instellingen en belangenvertegenwoordigers. De EU-instellingen hebben zich gecommitteerd alleen bepaalde interacties met belangenvertegenwoordigers aan te gaan wanneer deze zijn ingeschreven in het register. Het kabinet heeft op het moment geen signalen dat geldende transparantie- en lobbyregels zijn overtreden en ziet dan ook geen noodzaak om nadere informatie op te vragen.
Deelt het kabinet de mening dat dit deze praktijken haaks staan op artikel 11 VEU, aangezien het (lid 1) niet de vertegenwoordigers zijn die hún mening geven maar de Europese Commissie is die háár mening geeft, en dit voorts (lid 2) niet open en transparant gebeurt?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe verhouden deze door de Europese Commissie gesubsidieerde lobby-praktijken ter beïnvloeding van het politieke (beleidsvórmings-)proces zich tot artikel 317 VWEU?
Zie het antwoord op vraag 6.
Wat vindt u ervan dat de Europese Commissie telkens anderen (EU-lidstaten maar ook derde-landen) de maat neemt over transparantie, democratie en «rule of law», terwijl zij zelf alle regels aan haar laars lapt, mede gezien alle recent bekend geworden corruptieschandalen? Wat gaat u doen om de Europese Commissie tot de orde te roepen en een toontje lager te laten zingen?
Het kabinet hecht waarde aan het waarborgen van integriteit van de instellingen om het vertrouwen van burgers in de EU te behouden. Het is belangrijk om daarover afspraken te maken tussen EU-instellingen. Nederland maakt zich daarom hard voor het snel voltooien van het interinstitutioneel orgaan voor ethiek (Ethics Body). Het kabinet zet zich in om het orgaan zo effectief mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door te onderzoeken hoe het orgaan ook instellingen kan aansporen om anti-corruptietrainingen aan te bieden. Zoals in bovenstaande antwoorden aangegeven, is Nederland ook voorstander van initiatieven zoals het in 2011 ingestelde EU-transparantieregister, op basis van een interinstitutioneel akkoord tussen Europees parlement en de Europese Commissie, en sinds 2021 de Raad. Ook zet Nederland zich in voor opvolging van de aanbevelingen van de Europese Ombudsman uit 2024 over het verbeteren van de werking van dit EU-transparantieregister.
De stemming in het Europees Parlement over het burgerinitiatief My Voice, My Choice |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft het kabinet kennisgenomen van de resolutie van het Europees parlement die het burgerinitiatief My Voice, My Choice verwelkomt, waarin opgeroepen wordt om abortus te vergoeden die ondergaan wordt in een EU-lidstaat met ruimere abortuswetgeving?1
Ja, ik ben bekend met de resolutie van het Europees Parlement en met het burgerinitiatief My Voice, My Choice.
Kunt u bevestigen dat beleid en wetgeving over abortus geen Europese, maar een nationale bevoegdheid is?
De verdeling van bevoegdheden binnen de Europese Unie is vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).2 Dit verdrag bepaalt dat het aan de lidstaten is om hun beleid voor gezondheidszorg in te richten.3 De EU kan het optreden van de lidstaten wel ondersteunen, coördineren en aanvullen.4 De EU mag op dit terrein geen maatregelen vaststellen die de lidstaten verplichten hun wet- en regelgeving te harmoniseren.5 EU-lidstaten zijn hiermee, in beginsel, zelf bevoegd besluiten te nemen met betrekking tot hun nationale abortuswetgeving.
In specifieke situaties kan abortus binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen. Zo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie abortus aangemerkt als een dienst6 en kunnen de lidstaten dus gebonden zijn aan de Unierechtelijke vrij-verkeersregels.
Erkent u dat met dit burgerinitiatief de nationale soevereiniteit van EU-lidstaten in de praktijk wordt geschonden?
Nee. Het initiatief roept op om lidstaten financieel te steunen bij abortuszorg voor vrouwen die hier in hun eigen land geen veilige of legale toegang tot hebben. Het is aan de Europese Commissie (hierna: de Commissie) om hier een besluit over te nemen. Mocht de Commissie gehoor geven aan dit initiatief, dan kunnen lidstaten nog steeds zelf hun wet- en regelgeving over abortus bepalen.
De Commissie heeft het burgerinitiatief geregistreerd.7 Registratie van een burgerinitiatief vindt enkel plaats wanneer de Commissie tot de conclusie komt dat is voldaan aan de relevante criteria voor registratie uit Verordening 2019/788 inzake het Europees burgerinitiatief. Eén van de criteria is dat het initiatief een onderwerp moet betreffen waarvoor de Commissie bevoegd is een voorstel in te dienen. Daarnaast mag het initiatief niet indruisen tegen de waarden van de Unie.8 Als het burgerinitiatief de nationale soevereiniteit zoals vastgelegd in het VWEU zou schenden, zou de Commissie het initiatief dus niet hebben geregistreerd.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat andere lidstaten of Europese gremia zich gaan bemoeien met op democratische wijze tot stand gekomen beleid en wetgeving ten aanzien van abortus in lidstaten?
Het zou onwenselijk zijn als de EU of haar lidstaten zouden handelen in strijd met de bevoegdheden die zijn vastgelegd in het VWEU. Bijvoorbeeld als de EU aan Nederland zou opleggen om de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) aan te passen. Als het om (seksuele en reproductieve) gezondheid gaat, is de EU bevoegd om lidstaten in hun beleid te ondersteunen, te coördineren en aan te vullen, zoals ook is toegelicht in het antwoord op vraag 1. Bovendien is het binnen internationale en Europese samenwerking gebruikelijk dat landen het gesprek met elkaar aangaan over verschillende onderwerpen, óók over kwesties die tot de nationale bevoegdheden behoren. Zolang dit gesprek plaatsvindt binnen de kaders van het VWEU en met respect voor nationale democratische besluitvorming, is dit niet onwenselijk maar juist een belangrijk onderdeel van internationale samenwerking.
Hoe wenselijk zou u het vinden als Europese instanties of andere EU-lidstaten zich actief zouden gaan bemoeien met het Nederlandse beleid ten aanzien van abortus?
Zie antwoord vraag 4.
Is het kabinet het eens dat de wens van het burgerinitiatief en het Europees parlement in strijd is met artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat stelt dat eenieder recht heeft op bescherming – en dus ook het ongeboren leven?
Nee, dit burgerinitiatief (en toegang tot abortus in algemene zin) is niet in strijd met Europese grondrechten. In artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie staat dat eenieder recht heeft op leven, maar ongeborenen worden niet expliciet genoemd. Hoewel er geen overeenstemming bestaat over de vraag of mensenrechten van toepassing zijn op ongeborenen, zijn de verdragen waarin mensenrechten zijn vastgelegd over het algemeen pas na de geboorte van toepassing. Dat volgt onder andere uit artikel 1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). Dit artikel stelt dat «alle mensen worden geboren in vrijheid en gelijkheid in waardigheid en rechten». Als het burgerinitiatief in strijd zou zijn met EU-grondrechten had de Commissie het initiatief niet geregistreerd. De Commissie registreert een burgerinitiatief immers alleen als deze voldoet aan de relevante criteria voor registratie in de Verordening 2019/788 inzake het Europees burgerinitiatief.
Deelt het kabinet de opvatting dat «grensverkeer» voor abortus – vanuit onder meer Polen, Malta, maar ook Duitsland en België – in de meeste gevallen geen betrekking heeft op medische noodsituaties waarin het leven van de moeder direct gevaar loopt?
In Nederland wordt niet geregistreerd waarom vrouwen kiezen voor een abortus. Dat geldt ook voor buitenlandse vrouwen die voor een zwangerschapsafbreking naar Nederland zijn afgereisd. Het is dus niet bekend hoeveel van deze vrouwen hun zwangerschap om medische redenen wil afbreken. De reden van hun keuze doet er ook niet toe. Een belangrijk uitgangspunt in de Wafz is immers dat de vrouw zélf bepaalt wat voor haar een noodsituatie is. Het maakt in die zin dus niet uit of haar noodsituatie van (ernstige) medische of van andere aard is.
Kunt u aangeven hoe het beleid en de wetgeving in Nederland zich verhoudt tot dit burgerinitiatief? Vergoedt Nederland op dit moment al abortussen van buitenlandse vrouwen?
In het burgerinitiatief wordt de Commissie opgeroepen om een financieringsmechanisme te ontwikkelen dat lidstaten kan ondersteunen bij toegang tot abortuszorg voor vrouwen die hier in hun eigen land geen veilige of legale toegang tot hebben.De subsidieregelingen voor abortus zijn van toepassing op behandelingen aan vrouwen die verzekerd zijn volgens de Wet langdurige zorg (Wlz). In principe is dit iedereen die vast in Nederland woont of werkt. Voor vrouwen die voor abortuszorg vanuit het buitenland naar Nederland reizen is geen vergoeding.
Wat is de positie van Nederland ten aanzien van de inhoud van het burgerinitiatief?
Het is aan de Commissie om een besluit te nemen over het burgerinitiatief. Binnen zes maanden na de bekendmaking van het initiatief maakt de Commissie haar juridische en politieke conclusies over het initiatief bekend in een mededeling. Daarbij vermeldt de Commissie eveneens waarom zij al dan niet maatregelen neemt, en zo ja, welke maatregelen zij van plan is te nemen.9 Naar aanleiding van de mededeling van de Commissie zal het kabinet het Nederlandse standpunt interdepartementaal afstemmen via het gebruikelijke afstemmingsproces. Uw Kamer ontvang daarover dan een BNC-fiche.10
Welke wegen ziet u om te bevorderen dat de Commissie niet meegaat in dit burgerinitiatief?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe geeft het kabinet invulling aan de aangenomen motie-Stoffer c.s. over zich actief verzetten tegen pogingen om abortus als mensenrecht op te nemen in Europese verdragen (Kamerstuk 36 247, nr. 9)?
De motie-Stoffer c.s. verzoekt ons om ons actief te verzetten tegen pogingen om abortus als mensenrecht op te nemen in Europese Verdragen. Op dit moment zijn er geen concrete pogingen om abortus als mensenrecht op te nemen in de Europese Verdragen en is opvolging nu niet aan de orde.
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse militairen treffen in oorlogstijd nieuwe vijand; dodelijke infectie met resistente bacteriën»?1
Ja.
Bent u het eens met kapitein-ter-zee en internist Barth dat Nederland te weinig antibiotica op voorraad heeft in geval van tijden van militair conflict? Zo nee, waarom niet?
Er zijn in Nederland verschillende voorraden van geneesmiddelen (en dus ook van antibiotica). Zo bestaat er voor de reguliere zorg een verplichte veiligheidsvoorraad van geneesmiddelen van in totaal 8 weken. Aanvullend daarop heb ik voor de reguliere zorg in 2024 een subsidie verleend aan de volgesorteerde groothandels om een extra voorraad van 4 weken aan te leggen van essentiële antibiotica en salbutamol aerosol. Deze voorraad is dus bovenop de al verplichte veiligheidsvoorraad van in totaal 8 weken2.
Afgelopen jaar heb ik besloten om deze extra voorraad uit te breiden. De volgesorteerde groothandels gaan daarom 4 weken extra voorraad aanleggen van geneesmiddelen uit de rode categorie van de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen, en 3 weken extra voorraad van geneesmiddelen uit de oranje categorie. Voor beide categorieën geldt dat de extra voorraad zich beperkt tot geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs (AIP) onder € 15. Ik verwacht dat het gewenste peil voor de extra voorraad in de loop van 2026 bereikt wordt. Al deze veiligheidsvoorraden zijn bedoeld als buffer om leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen te kunnen overbruggen en effecten voor patiënten te voorkomen.
Deze voorraden zijn bedoeld om een periode van verhoogde vraag of beperkte levering te overbruggen. Deze voorraden zijn niet ingericht voor het opvangen van het verbruik tijdens een (militaire) crisis. Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. De continuïteit en beschikbaarheid van zorg is ook voorwaardelijk voor militaire slagkracht om forse klappen op te kunnen vangen. Om dit te realiseren moet de zorg kunnen terugvallen op voldoende voorraad medische producten (geneesmiddelen en medische hulpmiddelen). Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten, waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.3
Daarnaast beschikt de Nederlandse krijgsmacht over een strategische voorraad antibiotica om gewonde en zieke Nederlandse militairen te behandelen.
De oorlog in Oekraïne laat zien dat nieuwe behandelingen nodig zijn tegen micro-organismen die (multi)resistent zijn tegen bestaande antibiotica. Het is daarom hard nodig dat nieuwe en innovatieve antibiotica worden ontwikkeld. Dit proces kan jaren tot decennia duren. Om het onderzoek naar nieuwe en innovatieve antimicrobiële middelen aan te jagen, heb ik meerdere (nog lopende) onderzoeksprogramma’s naar nieuwe antibiotica gefinancierd.4 Ook is het van belang om via diagnostiek de meest effectieve behandeling voor te kunnen schrijven. De behoefte aan nieuwe antibiotica en diagnostiek speelt niet alleen in de reguliere zorg, maar ook expliciet bij de krijgsmacht. Daarom onderzoek ik, samen met de Staatssecretaris van Defensie, hoe wij in de toekomst hier samen op kunnen trekken om Nederland weerbaarder te maken.
Bent u van plan een afdoende strategische voorraad antibiotica aan te leggen en/of deze zelf te produceren ten behoeve van onze Nederlandse militairen in geval van militair conflict? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven en wat is het tijdspad? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse krijgsmacht beschikt al over een strategische voorraad antibiotica om gewonde en zieke Nederlandse militairen te behandelen.
Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. De continuïteit en beschikbaarheid van zorg is ook voorwaardelijk voor militaire slagkracht om forse klappen op te kunnen vangen. Om dit te realiseren moet de zorg kunnen terugvallen op voldoende voorraad medische producten (geneesmiddelen en medische producten). Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten, waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.5
Om te voorkomen dat voorraden van medische producten opraken, is het belangrijk dat producenten hun productie kunnen opschalen tijdens een crisis. Samen met de Staatssecretaris van Defensie verken ik daarom of we afspraken kunnen maken met producenten om hiervoor capaciteit vrij te houden.
Bent u van plan een afdoende voorraad antibiotica aan te leggen en/of deze zelf te produceren voor de structurele behoefte van de Nederlandse burger? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven en wat is het tijdspad? Zo nee, waarom niet?
Voor de reguliere zorg heb ik al in 2024 een subsidie verleend aan de volgesorteerde groothandels om een extra voorraad van 4 weken aan te leggen van essentiële antibiotica en salbutamol aerosolen. Deze extra voorraad is bovenop de al verplichte veiligheidsvoorraad van in totaal 8 weken.
De veiligheidsvoorraden zijn bedoeld als buffer om leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen te kunnen overbruggen. Deze extra voorraad ligt er al, en zorgt voor minder en minder lange geneesmiddelentekorten.6
Afgelopen jaar heb ik besloten om deze extra voorraad uit te breiden. De volgesorteerde groothandels gaan daarom 4 weken extra voorraad aanleggen van geneesmiddelen uit de rode categorie van de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen, en 3 weken extra voorraad van geneesmiddelen uit de oranje categorie. Voor beide geldt dat de extra voorraad zich beperkt tot geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs (AIP) onder € 15. Ik verwacht dat het gewenste peil voor de extra voorraad in de loop van 2026 bereikt wordt.
Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten (geneesmiddelen en medische hulpmiddelen), waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.7
Ik acht het niet wenselijk dat de overheid zelf geneesmiddelen produceert om te voorzien in de structurele behoefte van de Nederlandse burger. In Nederland vindt al commerciële productie plaats van geneesmiddelen, waaronder antibiotica. Wel hecht ik er groot belang aan dat Nederland en Europa minder afhankelijk worden van landen buiten Europa voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen, waaronder antibiotica. Daarvoor trek ik in Europees verband op. In dat kader is de Europese Verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines Act (CMA)) in ontwikkeling. Deze beoogt onder meer productie van kritieke geneesmiddelen, zoals antibiotica, in Europa te stimuleren.8 Verder neemt de overheid een proactieve rol aan in het faciliteren van onderzoek, het laten verhogen van voorraadhoogtes en onderzoekt de o de mogelijkheden om productie op te schalen.
Is er in geval van een grootschalig militair conflict gegarandeerd voldoende capaciteit voor Nederlandse gewonde militairen in Nederlandse én in Oost-Europese ziekenhuizen? Zo nee, wat gaat u concreet ondernemen om dit op orde te brengen en wat is het tijdspad?
In het geval van een grootschalig militair conflict richt het Ministerie van Defensie samen met NAVO-bondgenoten een militair geneeskundige behandel- en vervoerketen in voor de opvang van Nederlandse gewonden. Het primaire doel is het zo snel mogelijk herstellen van de militair, zodat deze weer ingezet kan worden. Als herstel van een Nederlandse gewonde in het inzetgebied niet mogelijk is, wordt de gewonde voor behandeling vervoerd naar Nederland. Uiteindelijk zal de gewonde behandeld worden in de reguliere zorg in Nederland.
Oost-Europese ziekenhuizen maken planmatig geen deel uit van de militaire keten. De zorginstanties van de zogenoemde Oost-Europese frontnations kunnen mogelijk ingezet worden in de zorg van de Nederlandse militairen maar zijn in een grootschalig conflict vooral belast met het opvangen van hun eigen gewonde militairen en burgerslachtoffers.
Ten algemene zijn de staatsecretaris van Defensie en ik met het zorgveld in gesprek over wat nodig is voor het vergroten van de weerbaarheid van de zorg. Dit gaat ook over de inzet op opschaalbare noodzorg, waarmee het kunnen absorberen van een langdurige toestroom van patiënten wordt nagestreefd. Over deze inzet is uw Kamer op 12 december 2025 geïnformeerd.6
Extra geld voor Oekraïne |
|
Kati Piri (PvdA), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de demissionair Minister-President dat extra geld voor Oekraïne buiten het uitgavenkader zit en dus in het saldo loopt (in het plenair debat van 27 november 2025)?
Ja, zoals opgenomen in het hoofdlijnenakkoord valt steun aan Oekraïne niet onder het uitgavenkader. Deze uitgaven zijn wel saldo- en schuldrelevant. In het hoofdlijnenakkoord is opgenomen dat het (demissionaire) kabinet de Europese begrotingsnormen respecteert.
Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de kabinetsappreciatie (van 18 december 2025) van het amendement voor aanvullende middelen voor Oekraïne (Kamerstuk 36 850 X, nr. 7), waarbij de demissionair Minister van Financiën aangeeft dat het amendement geen deugdelijke dekking heeft?
Steun aan Oekraïne valt niet onder het uitgavenkader, maar is wel relevant voor het EMU-saldo en de EMU-schuld. Het kabinet hecht aan de Europese referentiewaarden voor het tekort (3% bbp) en de schuld (60% bbp). Het was niet realistisch om de gehele 2 miljard euro waar de motie om verzocht nog in 2025 uit te geven. Dit betekent dat de door uw Kamer gevraagde resterende 1,3 miljard euro uit het amendement van het lid Stultiens in 2025 niet tot besteding zou komen, waardoor het in 2026 het saldo en de schuld zou belasten. Gegeven de financiële realiteit dat we in 2026 tegen de grenzen aanlopen1, is het vanuit het EMU-saldo bezien daarom wenselijk dat een dergelijke intensivering van dekking wordt voorzien.
Kunt u aangeven of het demissionaire kabinet vasthoudt aan de lijn-Schoof (buiten het uitgavenkader) of aan de lijn-Heinen (binnen het uitgavenkader) inzake extra geld voor Oekraïne?
Deze vraag berust op een verkeerde veronderstelling (zie het antwoord op vraag 1 en 2).
Klopt het dat deze extra 1,3 miljard euro voor Oekraïne dit jaar al is uitgegeven met geleend geld uit 2026 en dat bovengenoemd amendement er slechts voor zorgt dat deze uitgaven worden betaald met extra geld in 2025, waardoor er in 2026 geen budgettair gat voor Oekraïne ontstaat?
Het kabinet heeft in het voorjaar van 2025 3,1 miljard euro beschikbaar gesteld voor militaire steun aan Oekraïne in 2026. Hiervan is 2 miljard euro versneld tot besteding gekomen in 2025 middels een kasschuif van 2026 naar 2025.
Hiernaast is het kabinet middels de motie van het lid Klaver c.s. verzocht het budget voor militaire steun aan Oekraïne aan te vullen met 2 miljard euro, zodat het budget in het eerste kwartaal van 2026 beschikbaar gesteld kan worden ten behoeve van de defensie-industrie in Oekraïne. Het kabinet heeft als eerste stap in de opvolging van de motie 700 miljoen euro aangewend ten behoeve van steun aan Oekraïne. Door het versneld vrijmaken van middelen voor steun aan Oekraïne zorgt het kabinet dat in het eerste kwartaal van 2026 militaire leveringen aan Oekraïne gecontinueerd kunnen worden. In het begin van 2026 zal het kabinet bezien hoe verdere opvolging aan de motie wordt gegeven.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Hoe de nikkelhandel via Rotterdam Poetins oorlogskas vult en China aan kritieke metalen helpt’ |
|
Derk Boswijk (CDA), Felix Klos (D66) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Hoe de nikkelhandel via Rotterdam Poetins oorlogskas vult en China aan kritieke metalen helpt», waarin wordt beschreven dat de blijvende betrokkenheid van Nederlandse bedrijven bij de import en doorvoer van Russische nikkel en koper direct bijdraagt aan de Russische staatsinkomsten en oorlogseconomie?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie, door Russische nikkel- en koperimport niet te sanctioneren, Rusland jaarlijks met miljarden euro’s aan exportinkomsten blijven voorzien, terwijl Rusland een agressieoorlog voert tegen Oekraïne?
In reactie op de Russische agressie tegen Oekraïne heeft de Europese Unie tot op heden negentien omvangrijke sanctiepakketten aangenomen, waarbij Nederland steeds een voortrekkersrol gespeeld heeft. Als gevolg van deze sancties is in het derde kwartaal van 2025 de totale import van de EU uit Rusland met 89% afgenomen ten opzichte van het vierde kwartaal van 2021. Hiermee loopt Rusland reeds zeer veel inkomsten mis. Op bepaalde producten, zoals nikkel en koper, gelden inderdaad nog geen EU-sancties. Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheid van sanctie-uitbreiding waarbij in principe alle opties op tafel liggen. Hiervoor is wel steeds voldoende draagvlak binnen de EU vereist.
Deelt u de mening dat dit het imago van Nederland en de Europese Unie, evenals de geloofwaardigheid van onze inzet ter ondersteuning van Oekraïne, ondermijnt?
Het kabinet twijfelt niet aan de geloofwaardigheid van de zeer substantiële inzet van Nederland en de Europese Unie ter ondersteuning van Oekraïne.
Ziet u mogelijkheden om, in navolging van de Verenigde Staten (VS) en het Verenigd Koninkrijk (VK), in EU-verband de import van Russisch nikkel en koper alsnog aan banden te leggen, bijvoorbeeld door Russische producenten zoals Norilsk Nickel op EU-sanctielijsten te plaatsen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? En waarom kunnen de VS en het VK dit wél?
Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheden om de sancties tegen Rusland te verzwaren en spant zich hier in EU-verband actief voor in. Harmonisatie van sancties met G7-partners als VS en VK hebben hierbij bijzondere aandacht van het kabinet. Randvoorwaarde hierbij is dat voor EU-sancties unanimiteit vereist is. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingspositie om in meer detail in te gaan op de besprekingen die hierover binnen de EU gevoerd worden.
Hoe beoordeelt u het feit dat voor het vervoer van Russisch nikkel naar Nederland gebruik wordt gemaakt van schimmige constructies met ondoorzichtige eigendomsstructuren en recent opgerichte rederijen, terwijl de daaropvolgende opslag, doorvoer en herexport vanuit Nederland volledig legaal plaatsvinden?
Het kabinet acht het onwenselijk wanneer handel plaatsvindt via ondoorzichtige eigendomsstructuren, mede omdat dit risico’s op sanctie-ontwijking, witwassen en fraude kan vergroten. Waar er signalen zijn van mogelijke overtredingen is het aan de bevoegde autoriteiten om onderzoek te doen en zo nodig handhavend op te treden.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat Nederlandse bedrijven direct en indirect bijdragen aan het in stand houden van mondiale waardeketens die deze lucratieve export mogelijk maken, en daarbij zelf financieel profiteren van handel die bijdraagt aan de voortzetting van de Russische agressie tegen Oekraïne?
Het kabinet deelt de mening dat het onwenselijk is dat Nederlandse bedrijven bijdragen aan waardeketens die inkomsten genereren voor Rusland. Daarom spant het kabinet zich voortdurend in voor het verzwaren van de EU-sancties tegen Rusland, opdat dergelijke activiteiten verboden worden. Voor wat betreft ongesanctioneerde handel met Rusland geldt dat deze weliswaar legaal is, maar dat het kabinet deze niet stimuleert doordat het alle handelsbevordering met Rusland gestaakt heeft. Daarnaast roept het kabinet bedrijven op zich waar mogelijk terug te trekken uit Rusland.
Heeft u deze bedrijven daarop aangesproken?
Het kabinet doet geen uitspraken over contacten met individuele bedrijven. Wel wordt in brede zin met sectoren en relevante partijen gesproken over sanctienaleving, risico’s op ontwijking en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen.
Ziet u mogelijkheden om werk te maken van het verbieden of beperken van de herexport van Russische metalen vanuit Nederland of de Europese Unie naar landen buiten de EU? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheden om de sancties tegen Rusland te verzwaren en spant zich hier in EU-verband actief voor in. Randvoorwaarde hierbij is dat voor EU-sancties unanimiteit vereist is. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingspositie om in meer detail in te gaan op de besprekingen die hierover binnen de EU gevoerd worden.
Wilt u deze vragen één voor één, op zo kort mogelijke termijn beantwoorden?
Ja.
De aangekondigde tegenreactie van de Verenigde Staten gericht op Europese techbedrijven |
|
Tom van der Lee (GL), Laurens Dassen (Volt), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VS dreigen met wraak om EU-acties tegen Amerikaanse techbedrijven»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de aankondiging dat de Verenigde Staten tegenmaatregelen wil nemen tegen de zogenaamde «discriminatie» van Amerikaanse techbedrijven in de Europese Unie?
Europese digitale wetgeving geldt voor alle bedrijven die actief zijn in de EU, ongeacht hun vestigingsplaats. Van ongelijke behandeling van Amerikaanse bedrijven is dus geen sprake. Mogelijke tegenmaatregelen vanwege vermeende ongelijke behandeling, inclusief mogelijke maatregelen gericht op Europese techbedrijven, ziet dit kabinet als onterecht.
Is deze aankondiging, naast in een publieke tweet op X, ook formeel overgebracht aan de Europese Commissie of aan afzonderlijke lidstaten? Zo ja, wanneer werd u hiervan op de hoogte gesteld?
Voor zover bekend is de aankondiging om tegenmaatregelen te nemen tegen Europese techbedrijven, naast het bericht van de United States Trade Representative (USTR) op X, niet formeel overgebracht aan de Europese Commissie of aan afzonderlijke lidstaten.
Heeft u contact gehad met de bedrijven die in de tweet van de vertegenwoordiger van de Verenigde Staten worden genoemd? Wat is uw boodschap richting deze Nederlandse en Europese bedrijven?
In zijn algemeenheid heeft het kabinet geregeld contact met Nederlandse en Europese bedrijven. Onze boodschap is dat het kabinet blijft staan achter de Europese digitale regels die zorgen voor een veilige, eerlijke en gelijkwaardige concurrentie tussen bedrijven en de handhaving daarvan. De EU stelt zelf de regels op voor diensten die in de Unie worden aangeboden en handhaaft deze regels ook. Eventuele tegenacties tegen Nederlandse en Europese bedrijven zal het kabinet volgen en uiteraard zal het kabinet daarbij in gezamenlijkheid met de Europese Commissie en lidstaten opkomen voor hun belangen.
Deelt u de opvatting van de indieners dat de waarschuwing van de Verenigde Staten past in een bredere strategie om de Europese Unie onder druk te zetten om digitale wet- en regelgeving af te zwakken?
De positie van de VS ten aanzien van Europese digitale wet- en regelgeving is bij ons bekend. Het is daarom van belang om actief in gesprek te blijven met de VS en Amerikaanse techbedrijven over het belang (van naleving) van digitale wet- en regelgeving voor zover het de diensten betreft die in Unie worden geleverd, en om te proberen om zorgen over vermeende ongelijke behandeling van Amerikaanse techbedrijven weg te nemen.
Hoe geeft u, in het licht van de druk uit de Verenigde Staten, uitvoering aan de motie-Kathmann die verzoekt om ondubbelzinnig aan te dringen op de maximale naleving, handhaving en versteviging van regelgeving van grote onlineplatforms?2
Het kabinet zet zich binnen de EU actief in om de Commissie te ondersteunen in het daadkrachtig optreden in haar rol als toezichthouder voor zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Tevens heeft Nederland begin vorig jaar met tien andere lidstaten een brief gestuurd aan de Commissie waarin wordt gevraagd volledig gebruik te maken van de handhavingscapaciteiten van de Digital Services Act (DSA). Er is ook gesproken met Eurocommissaris Virkkunen, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de DSA en de Digital Markets Act (DMA). Tijdens dit gesprek is, in lijn met de motie Kathmann, aandacht gevraagd voor het belang van naleving van, en handhaving op de zeer grote onlineplatforms en de zeer grote onlinezoekmachines, ongeacht waar ze vandaan komen. Inmiddels heeft de Commissie ook daadwerkelijk handhavingsbesluiten genomen wegens overtredingen van de DMA respectievelijk de DSA. Op nationaal niveau geldt dat dat de bevoegde toezichthouders, de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), hun taken onafhankelijk uitvoeren. Wel blijft het kabinet in gesprek met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders, volgt het kabinet hun werkzaamheden, en biedt het kabinet waar mogelijk en nodig ondersteuning.
Hoe geeft u tevens uitvoering aan de motie-Kathmann/Dassen die verzoekt om aanvullende Nederlandse voorwaarden te stellen in de onderhandelingen over de Digitale Omnibus?3 Hoe voorkomt u dat de druk van de Verenigde Staten leidt tot aanvullende afzwakkingen van wet- en regelgeving in de Digitale Omnibus?
De EU gaat over haar eigen wet- en regelgeving. In het kader van de simplificatie-agenda werkt de EU aan het verminderen van onnodige regelgeving. Dit doet het kabinet waar mogelijk en nodig om de Europese concurrentiepositie te versterken, niet om concessies te doen aan derde landen. De Kamer is middels een BNC-fiche geïnformeerd over de positie van het kabinet ten aanzien van de digitale omnibus.4
Bent u bereid om, samen met andere EU-lidstaten, erop aan te dringen dat digitale wet- en regelgeving onder geen enkele voorwaarde wordt afgezwakt of vertraagd naar aanleiding van druk uit de Verenigde Staten?
Zie antwoord op vraag 7. Daarbij vindt het kabinet dat aanpassing van regelgeving onder druk van derde landen niet moet gebeuren. Aanpassing van regelgeving is gerechtvaardigd wanneer regelgeving ook bedrijven onnodig of disproportioneel in de weg kan zitten, wat zeer noodzakelijke investeringen in de EU en daarmee samenhangende economische groei kan belemmeren.
Komt er een officiële en eenduidige Europese reactie op dit dreigement van de Verenigde Staten? Zo ja, wanneer wordt deze geformuleerd?
Een officiële gezamenlijke Europese reactie op de aankondiging op X om tegenmaatregelen te nemen gericht op Europese techbedrijven is (vooralsnog) niet voorzien. Wel heeft de Europese Commissie op 24 december 2025 een publiek statement gepubliceerd, waarin zij de visa-restricties afkeurt die de VS heeft opgelegd aan een vijftal Europeanen vanwege beschuldigingen van censuur, waaronder voormalig Eurocommissaris Thierry Breton.5 Ook dit kabinet en andere individuele Europese leiders, hebben hun zorgen uitgesproken en de actie veroordeeld.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Pakistaanse voorganger doodgeschoten’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Pakistaanse voorganger doodgeschoten»?1 Kunt u het bericht op basis van uw informatie bevestigen?
Betrouwbare contacten van de ambassade in Islamabad bevestigen het bericht. Geweld tegen Christenen en mensen in het algemeen vanwege hun levensovertuiging en religie keurt het kabinet te allen tijde af. Vrijheid van religie en vrijheid van meningsuiting zijn fundamentele mensenrechten die voor iedereen gelden, ongeacht achtergrond of overtuiging.
Begrijpt u dat de Pakistaanse christelijke gemeenschap zeker ook weer de komende kerstdagen vreest voor mogelijk geweld en dat zij zelf onvoldoende veiligheidsmaatregelen kan treffen? Bent u van oordeel dat Pakistaanse christenen voldoende worden beschermd en zo nodig beveiligd? Zo nee, welke stappen onderneemt u, zowel bilateraal als in EU-verband, om te pleiten voor betere bescherming?
Het kabinet deelt de zorgen dat de veiligheid van Christenen en andere religieuze minderheden in Pakistan onder druk staat. Nederland spreekt daarom regelmatig met de Pakistaanse autoriteiten over de vrijheid van religie en levensovertuiging en het belang van de bescherming van Christenen en andere religieuze minderheden. Dit gebeurt zowel bilateraal, in Den Haag alsook via de Nederlandse ambassade in Islamabad, als via diverse multilaterale fora. Ook de EU ambassadeur in Islamabad brengt het onderwerp regelmatig op in gesprekken met de Pakistaanse autoriteiten. Ook ondersteunt de Nederlandse ambassade in Islamabad diverse maatschappelijke organisaties die zich sterk maken voor vrijheid van religie en levensovertuiging in Pakistan.
Herkent u de conclusies van mensenrechtenorganisaties en christelijke leiders dat aanvallen op religieuze minderheden in Pakistan vaak ongestraft blijven en autoriteiten vaak niet voor hen opkomen, bijvoorbeeld in het geval van de ontvoering en gedwongen bekering van christelijke meisjes? Zo ja, welke stappen onderneemt u, zowel bilateraal als in EU-verband om ervoor te zorgen dat de Pakistaanse rechtsstaat óók geldt voor religieuze minderheden?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat de blasfemiewetten in Pakistan worden misbruikt, door christenen valselijk aan te klagen vanwege godslastering? Wat is uw huidige inzet op dit punt? Bent u bereid om zich harder in te zetten tegen misbruik, danwel afschaffing van deze wetten?
Blasfemiewetten zijn diepgeworteld in de Pakistaanse samenleving en politiek. Het beschermen van moslims en de islam in Zuid-Azië is een kernreden voor de oprichting van het land. Pakistan is weinig ontvankelijk voor pogingen van andere landen of organisaties om deze wetten aan te passen. Nederland zet zich zowel bilateraal als via diverse multilaterale kanalen in om landen, waaronder Pakistan, aan te sporen tot het afschalen en afschaffen van blasfemiewetgeving. Tijdens de Universal Periodic Review (UPR) in de Mensenrechtenraad in 2023 – het peer reviewmechanisme over mensenrechten waar alle VN-landen aan kunnen deelnemen – heeft Nederland Pakistan aanbevolen juridische en praktische maatregelen te nemen om misbruik van blasfemiewetten te voorkomen en religieuze intolerantie aan te pakken. Daarnaast pleit Nederland ook in andere internationale fora, zoals de International Religious Freedom or Belief Alliance (IRFBA), voor het afschaffen van de doodstraf voor blasfemie en afvalligheid.
Hoe rijmt u de onveiligheid van christenen in Pakistan met de GSP+ (Generalized Scheme of Preferences)-status die Pakistan heeft, waardoor het land profiteert van preferentiële toegang tot de markt van de EU? Wanneer zou er reden zijn voor het intrekken van deze status, als mensenrechten van religieuze minderheden structureel worden geschonden?
Pakistan is sinds 2014 een begunstigd land onder het GSP+ schema van het Generalized Scheme of Preferences (GSP). Als voorwaarde voor het verkrijgen van GSP+ status, heeft Pakistan 27 internationale verdragen op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten, milieu en goed bestuur geratificeerd.2 De effectieve implementatie van die verdragen door GSP+ begunstigde landen wordt door de Europese Commissie (EC) gemonitord. Er is in december 2025 een monitoringsmissie van de EC geweest, de rapportage wordt in februari 2026 verwacht. Tijdens de monitoringsmissie zijn ook de rechten van (religieuze) minderheden en (valse) beschuldigingen van blasfemie onder de loep genomen. Het monitoringsregime biedt de Europese Commissie en EU-lidstaten een instrument om onvoldoende naleving van die verdragen aan de orde te stellen in dialoog met begunstigde landen.
Indien sprake is van ernstige en systematische mensenrechtenschendingen, is de Europese Commissie bevoegd een voorstel te doen om tariefpreferenties tijdelijk op te schorten. Op dit moment acht de Commissie dat voor Pakistan niet aan de orde. Het kabinet zal in lijn met motie-Ceder (Kamerstuk 32 735, nr. 391) in Europees verband het belang benadrukken van het meewegen van de situatie aangaande vrijheid van religie en levensovertuiging en rechten van minderheden in de afwegingen hieromtrent.
Bent u bereid om de Kamer periodiek op de hoogte te houden van uw inzet op de vrijheid en veiligheid van religieuze minderheden, zoals christenen in Pakistan? Zo nee, waarom niet?
De vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de prioriteiten van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Aandacht voor de positie van christelijke gemeenschappen maakt deel uit van de bredere Nederlandse inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen, zeker in landen waar christelijke gemeenschappen onder druk staan, zoals Pakistan. De Kamer wordt periodiek over de Nederlandse mensenrechteninzet en resultaten inclusief voor de vrijheid van religie en levensovertuiging in de jaarlijkse mensenrechtenrapportage geïnformeerd.3
De overstromingen in Marokko |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dodental door zware overstromingen in Marokko opgelopen naar 37»?1
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van het nieuwsartikel waar u op doelt.
Wat is de laatste stand van zaken van de humanitaire situatie in Marokko als gevolg van de overstromingen?
Volgens lokale media zijn 37 doden gevallen en tientallen gewonden na uitzonderlijk hevige regenval die met name medio december leidde tot verwoestende overstromingen in Marokko. De weersomstandigheden zijn sindsdien wat gematigder. Desalniettemin wordt de bevolking door de lokale autoriteiten geadviseerd waakzaam te blijven en wordt ondersteuning geboden door bijvoorbeeld noodopvang.
Staat de Nederlandse regering in contact met de Marokkaanse regering over de humanitaire situatie en de hulpverlening? Zo neen, waarom niet?
Het kabinet heeft zijn medeleven getoond voor de impact van de extreme weersomstandigheden. Een aanbod voor hulp wordt overwogen als hiervoor een formeel verzoek wordt gedaan door de Marokkaanse autoriteiten. Dit verzoek om hulpverlening werd niet ontvangen.
Heeft de Nederlandse regering reeds hulp aangeboden aan de Marokkaanse regering, in het bijzonder hulp om de vermisten te zoeken? Zo ja, wat is hiervan het resultaat? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
Is de Nederlandse regering bereid om, indien daar vanuit Marokko behoefte aan is, vanuit het noodhulpbudget een bijdrage te doen om de mensen in Marokko die slachtoffer zijn van de overstromingen te helpen? Zo neen, waarom niet?
Het Nederlandse noodhulpbudget is gestoeld op het verlenen van meerjarige, flexibele financiering aan gespecialiseerde humanitaire organisaties en noodhulpfondsen. Op deze manier kunnen deze organisaties, zodra zich een ramp voordoet, snel en efficiënt hulp verlenen. Zo is Nederland onder andere een grote donor van het Disaster Response Emergency Fund van de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen (IFRC). Dit noodhulpfonds heeft, mede dankzij deze Nederlandse flexibele financiering, een allocatie gedaan ten behoeve van noodhulpverlening aan slachtoffers van de zware overstromingen in Marokko.2, 3
Het Meerjarig Financieel Kader (MFK) |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de Tweede Kamer laten weten waar, voor Nederland, wat de toename van de EU-afdrachten betreft, in het volgend Meerjarig Financieel Kader (MFK) de grens ligt?
Het kabinet heeft als doel de voorziene stijging van de Nederlandse afdrachten te beperken. Hierover heeft het kabinet in het Hoofdlijnenakkoord afspraken gemaakt die zijn bekrachtigd in de kabinetsinzet ten aanzien van het MFK van 12 september 2025.1
Is het kabinet bereid een veto over het nieuwe MFK uit te spreken indien er straks een positie wordt bereikt die voor Nederland onacceptabel is?
Zoals aangegeven in beantwoording op 10 november jl. van vragen van uw Kamer over de kabinetsappreciatie van de Commissievoorstellen voor het volgend MFK en het eigenmiddelenbesluit (EMB) is het voorstel van de Commissie het startschot voor de onderhandelingen die naar verwachting tot in 2027 zullen duren. In de kabinetsappreciatie van 12 september jl. heeft het kabinet zijn positie met betrekking tot het voorstel van de Europese Commissie uiteengezet. Deze vormt de basis voor de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen. Voorafgaand aan de laatste besprekingen in de Europese Raad en de uiteindelijke stemming in de Raad over het MFK en het EMB, zal het kabinet zijn finale positie bepalen op basis van het onderhandelingsresultaat.
Heeft Nederland ooit eerder, tijdens de onderhandelingen over het MFK, gedreigd met een veto?
Het kabinet doet geen uitspraken over de wijze waarop het zich opstelt tijdens vertrouwelijke onderhandelingen.
Het structureel voorrang verlenen aan militaire transporten op het spoor ten koste van regulier reizigers- en goederenvervoer. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Leger krijgt in 2026 voorrang: «Treinen rijden de komende twee uur niet, want er is een militair transport»?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Bent u bekend met de Kamerbrief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 13 oktober 2025 over weerbaarheid en militaire mobiliteit per spoor (Kamerstuk 30 821, nr. 321)?
Ja, daarmee ben ik bekend.
Klopt het dat het kabinet voornemens is om militaire transporten op het spoor vanaf eind 2026 structureel voorrang te geven boven het reguliere personen- en goederenvervoer, ook indien dit leidt tot het urenlang stilleggen van treinverbindingen voor reizigers?
Nee, dat klopt niet. Er is alleen sprake van voorrang voor militaire transporten in specifieke situaties. In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is.
Kunt u bevestigen dat deze prioritering geen tijdelijke noodmaatregel betreft, maar een structurele beleidswijziging die wordt verankerd via een wijziging van het Besluit Capaciteitsverdeling, zoals aangekondigd in de voornoemde Kamerbrief?
In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Hiervoor wordt het Besluit capaciteitsverdeling aangepast.
Hoe verhoudt deze maatregel zich tot de wettelijke zorgplicht van de overheid om te voorzien in betrouwbare, toegankelijke en voorspelbare mobiliteit voor burgers, studenten en forenzen?
Het belang van betrouwbaar en toegankelijk openbaar vervoer blijft een uitgangspunt van mijn beleid. Daar doet dit wijzigingsbesluit niets aan af. In het wijzigingsbesluit is aangegeven in welke specifieke situaties militaire transporten voorrang kunnen krijgen. In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Het valt niet uit te sluiten dat reizigers dit merken, al zal het om uitzonderlijke situaties gaan.
Acht u het aanvaardbaar dat reizigers zonder reëel alternatief geconfronteerd kunnen worden met de mededeling dat «treinen de komende twee uur niet rijden» vanwege een militair transport?
Als er sprake is van een urgent militair transport zoekt ProRail naar de minst ingrijpende maatregel om dit transport te laten rijden. Er wordt dus geprobeerd de overlast voor reizigers en vervoerders2 zo beperkt mogelijk te houden. Daarnaast zullen de militaire transporten plaatsvinden op een beperkt aantal corridors. Treinen op andere routes zullen daardoor grotendeels kunnen blijven rijden. Daardoor hebben reizigers in een aantal gevallen de mogelijkheid te reizen via een alternatieve route. Gezien de huidige geopolitieke situatie vind ik daarmee de nu voorgestelde wijziging zeer aanvaardbaar.
Op basis van welke concrete dreigingsanalyse acht het kabinet deze maatregel noodzakelijk en kan deze analyse openbaar met de Kamer worden gedeeld?
Deze maatregel wordt noodzakelijk geacht gezien de ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan met militaire transporten via het spoor door de ministeries van Defensie en IenW en de oplopende geopolitieke spanningen die mogelijk leiden tot meer militaire transporten. Uit die ervaringen is gebleken dat het spoorstelsel in Nederland niet voldoende is voorbereid op een mogelijke toename van militaire transporten en dat in de huidige regels geen mogelijkheid bestaat om voldoende capaciteit voor militaire transporten te verzekeren.
Klopt het dat deze beleidswijziging mede voortvloeit uit NAVO-verplichtingen, waaronder Host Nation Support, en uit internationale afspraken over militaire corridors richting Oost-Europa, zoals de North Sea-Baltic Corridor?
Ik acht deze maatregel noodzakelijk gezien de ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan met militaire transporten via het spoor door de ministeries van Defensie en IenW. Uit die ervaringen is gebleken dat het spoorstelsel in Nederland niet voldoende is voorbereid op een mogelijke toename van militaire transporten. Oplopende geopolitieke spanningen in Europa leiden mogelijk tot meer militaire transporten. Nederland is daarbij een belangrijk doorvoerland voor Host Nation Support en ligt aan het begin van de North Sea-Baltic Corridor.
In hoeverre betekent het streven naar een zogenoemd «militair Schengen» dat nationale besluitvorming over het gebruik van vitale civiele infrastructuur, zoals het spoor, wordt verschoven naar het internationale niveau?
Er wordt op dit moment in Europees verband gewerkt aan diverse afspraken in het kader van militaire paraatheid. Binnen deze afspraken staat de harmonisatie van procedures en wet- en regelgeving centraal. Hoe deze afspraken vorm krijgen, wordt nu besproken. De Kamer wordt via BNC-fiches steeds nauw betrokken bij de Nederlandse inzet in de gesprekken over deze afspraken.
In hoeverre wordt het Nederlandse civiele spoor hiermee feitelijk ingezet als logistieke schakel in internationale militaire operaties, waaronder vervoer van materieel richting Oekraïne, zoals ook in de Kamerbrief wordt benoemd?
Het Nederlandse spoor wordt al jaren gebruikt voor het vervoer van reizigers en voor het vervoer van een heel scala aan goederen, zowel nationaal als internationaal, en zowel civiel als militair.
Daar verandert de nu voorliggende wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling ten principale niets aan.
Acht u het wenselijk dat vitale civiele infrastructuur structureel ondergeschikt wordt gemaakt aan internationale militaire agenda’s?
Het Nederlandse spoor wordt al jaren gebruikt voor het vervoer van reizigers en voor het vervoer van een heel scala aan goederen, zowel nationaal als internationaal, en zowel civiel als militair.
Daar verandert de nu voorliggende wijziging van het Besluit Capaciteitsverdeling niets aan. Er is derhalve geen sprake van structureel ondergeschikt maken. In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is.
Waarom wordt er niet primair ingezet op alternatieven die de maatschappelijke hinder beperken, in plaats van het stilleggen van regulier reizigersvervoer?
In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Het valt niet uit te sluiten dat reizigers dit merken, al zal het om uitzonderlijke situaties gaan en zal worden geprobeerd om de hinder voor reizigers en vervoerders zo minimaal mogelijk te laten zijn. Als onderdeel van de militaire mobiliteitsopgave wordt overigens ingezet op dual-use investeringen die, naast de militaire doeleinden, ook bijdragen aan het reguliere personen- en goederenvervoer. Zo dragen deze investeringen niet alleen bij aan onze veiligheid, maar ook aan onze economie. Voorbeelden zijn investeringen in voldoende spoorcapaciteit in de havens, zoals de recente investeringen in de verplaatsing van het emplacement IJsselmonde en in Kijfhoek. Ook het investeren in het kunnen rijden met 740 meter lange goederentreinen is zowel voor Defensie als voor het commerciële spoorgoederenvervoer belangrijk.
Klopt het dat een voorganger van de huidige Staatssecretaris eerder nog stelde dat voorrang voor militaire transporten «op gespannen voet» staat met andere maatschappelijke belangen en kunt u delen wat er inhoudelijk is veranderd waardoor deze bezwaren nu worden losgelaten?
Het klopt dat in de consultatieversie van een vorige wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling werd voorgenomen om in de jaardienstregeling capaciteit te reserveren t.b.v. militaire transporten over het spoor. Op dat voorstel zijn veel reacties binnengekomen en daarom heeft mijn voorganger besloten op zoek te gaan naar een andere manier om te voorzien in de benodigde capaciteit voor militaire transporten. Dat voorstel zorgde niet voor de zekerheid die Defensie nodig heeft en kon potentieel wel veel beslag leggen op capaciteit voor andere typen vervoer. In de nu voorgestelde wijziging is gezocht naar een balans tussen het beschermen van het belang van de reiziger en de vervoerder en het belang van het faciliteren van militaire transporten.
Wie bepaalt in de praktijk of een militair transport als «urgent» wordt aangemerkt, welke objectieve criteria worden daarbij gehanteerd en welke democratische controle bestaat hierop?
In de nu voorliggende wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling worden in de Nota van Toelichting objectieve criteria genoemd die bepalen of een transport als urgent kan worden aangemerkt. Dat is aan de orde als sprake is van bijzondere eisen voor een transport, zoals constante bewaking bij een munitietransport. Ook het dreigingsbeeld kan aanleiding zijn om een transport aan te merken als urgent. Ook zijn er treinen die echt op een bepaald moment op een bepaalde plek moeten aankomen. Om voor ProRail inzichtelijk te maken dat dit het geval is geven de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat en Defensie samen daartoe een verklaring af. De Kamer controleert dit handelen van beide Ministers.
Hoe wordt voorkomen dat het begrip «urgent» in de praktijk steeds ruimer wordt geïnterpreteerd, waardoor structurele prioritering van militair vervoer de norm wordt in plaats van de uitzondering?
In het nu voorliggende wijzigingsbesluit en de bijbehorende Nota van Toelichting wordt aangegeven wanneer sprake is van een urgent militair transport.
Kan worden uitgesloten dat de kosten en gevolgen van deze prioritering – waaronder verstoringen, infrastructurele aanpassingen en capaciteitsverlies – uiteindelijk worden afgewenteld op reizigers via hogere tarieven of een verslechterde dienstverlening?
In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Het valt niet uit te sluiten dat reizigers dit merken, al zal het om uitzonderlijke situaties gaan. De nu voorliggende wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling leidt niet tot infrastructurele aanpassingen.
Acht u het wenselijk dat Ministers via uitvoeringsbesluiten, zonder voorafgaande instemming van de Kamer, kunnen besluiten tot maatregelen met zulke ingrijpende gevolgen voor het dagelijks leven van burgers?
Het kabinet volgt bij dit wijzigingsbesluit de gebruikelijke stappen voor het wijzigen van wet- en regelgeving. Er is dan ook geen sprake van een besluit dat wordt genomen zonder dat de Kamer hiervan in kennis wordt gesteld.
Op dit moment ligt de wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur voor ter internetconsultatie. Daarnaast is, zoals gebruikelijk bij dit soort besluiten, aan de Autoriteit Consument en Markt gevraagd een handhaafbaarheidstoets uit te voeren en aan ProRail gevraagd om een uitvoerbaarheidstoets te doen.
Dit wijzigingsbesluit wordt na verwerking van de reacties uit de consultatie en de uitkomsten van de uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoetsen voorgehangen bij beide Kamers der Staten-Generaal. Daarna volgt advisering door de Raad van State. Na inwerkingtreding van het Besluit kunnen de Ministers van Defensie en Infrastructuur en Waterstaat een verklaring afgeven als een militair transport voldoet aan de voorwaarden.
Oekraïne en het Ottawa verdrag tegen personeelslandmijnen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Is het kabinet op de hoogte van de verklaring van maatschappelijke organisaties over de door Oekraïne aangekondigde opschorting van het landmijnverdrag?1
Ja, het kabinet is hiervan op de hoogte.
Beschikt u over inhoudelijke bezwaren tegen deze verklaring? Zo ja, welke?
Nee. Het staat deze organisaties vrij een dergelijke verklaring te publiceren.
Deelt u de opvatting dat het landmijnverdrag geen mogelijkheid tot opschorting kent, zoals Oekraïne nu beoogt? Zo nee, op basis waarvan niet?
Ja.
Kunt u toelichten wat de Nederlandse inzet was tijdens de bijeenkomst van de staten die partij zijn bij het landmijnverdrag? Heeft Nederland daar expliciet aangegeven dat opschorting niet is toegestaan en verzocht dit in een publieke verklaring op te nemen? Is formeel bezwaar gemaakt, zoals Zwitserland heeft gedaan? Zo nee, waarom niet?2
Het kabinet betreurt het feit dat Oekraïne zich genoodzaakt ziet het Verdrag van Ottawa te willen opschorten, maar heeft begrip voor de situatie gezien de voortdurende Russische agressieoorlog tegen Oekraïne. Tijdens de bijeenkomst van de staten die partij zijn bij het Verdrag van Ottawa, heeft Nederland in de nationale verklaring expliciet aandacht gevraagd voor de context waarin Oekraïne dit besluit heeft genomen. Nederland heeft de Russische Federatie opgeroepen haar agressie te staken en zich bij het Verdrag van Ottawa aan te sluiten. Nederland heeft tevens aangegeven dat het Verdrag van Ottawa geen bepaling bevat die opschorting van verplichtingen onder het Verdrag toestaat. Nederland heeft in context zoals aangegeven geen formeel bezwaar gemaakt tegen het Oekraïense besluit.
In overeenstemming met motie Dobbe (Kamerstuk 21 501–02, nr. 3195), heeft Nederland bilateraal de zorgen over opschorting onder de aandacht gebracht van de Oekraïense autoriteiten, waarbij aandacht is gevraagd voor de juridische grondslag van de opschorting. Ook is Oekraïne opgeroepen de verdragsverplichtingen te blijven nakomen. Hierbij werd benadrukt dat Nederland oog heeft voor de veranderende veiligheidssituatie in Oekraïne en Europa.
In het unaniem aangenomen eindrapport van de bijeenkomst wordt bevestigd dat het Verdrag geen opschorting van zijn werking – en daarmee ook niet van de daaruit voortvloeiende verplichtingen – toestaat. Ook vermeldt het rapport dat de Vergadering Oekraïne, als Verdragspartij, heeft opgeroepen zich onverminderd te blijven inzetten voor de naleving van het Verdrag.
Berichtgeving rondom de ratificatie van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA) en de ontwikkeling van een Nederlandse strategie voor kritieke grondstoffen met Chili. |
|
Derk Boswijk (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u in staat te reflecteren op de bevindingen uit dit artikel over de ratificatie van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA)?1
Ja. Het artikel stelt dat het gewenst is om de Advanced Framework Agreement (AFA) tussen de EU en Chili te ratificeren vanwege het nakomen van partnerschapsbeloftes, ondersteuning van inzet op de diversificatie van grondstoffenwaardeketens en versterking van bescherming van investeringen. Er is een kabinetsappreciatie2 van zowel het AFA als het interim handelsverdrag (iTA) opgesteld. Het kabinet onderschrijft het belang van tijdige ratificatie welke in voorbereiding is. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de handelsonderdelen van het AFA vallend onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie geheel zijn gerepliceerd in het iTA en daarmee reeds sinds 1 februari 2025 in werking zijn. Ratificatie van het AFA biedt geen aanvullende handelsvoordelen, aangezien de delen die buiten het iTA vallen zien op politieke samenwerking en investeringsbescherming.
Kan u aangeven wat de huidige stand van zaken is met betrekking tot de Nederlandse ratificatieprocedure van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA)?
De geavanceerde kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds is op 13 december 2023 ondertekend en wordt deels voorlopig toegepast. Daarnaast zijn de handelsafspraken zoals opgenomen in het iTA sinds 1 februari 2025 in werking. Voordat de overeenkomst in werking kan treden, dienen alle EU-lidstaten hun interne procedures te hebben afgerond. De stukken die nodig zijn voor de Nederlandse parlementaire goedkeuringsprocedure zijn in voorbereiding.
Op welke termijn verwacht u het ratificatiewetsvoorstel aan de Kamer voor te kunnen leggen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 zijn de goedkeuringsstukken in voorbereiding. De goedkeuringsstukken betreffen het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst en een memorie van toelichting. Na instemming van de ministerraad wordt het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst met de memorie van toelichting aan de Raad van State voor advies voorgelegd. Na de verwerking van het advies in een nader rapport, wordt het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst, met de memorie van toelichting en het nader rapport, aan de Tweede Kamer en de Eerste Kamer voor goedkeuring voorgelegd. Zodra beide Kamers hun goedkeuring aan het wetsvoorstel hebben verleend kan over worden gegaan tot ratificatie van de overeenkomst door Nederland. Het kabinet zet in op ratificatie door Nederland op afzienbare termijn.
Zou u kunnen aangeven of er bepaalde bezwaren denkbaar zijn tegen ratificatie?
Zoals aangegeven in antwoord op de vragen 2 en 3 zijn de parlementaire goedkeuringsstukken in voorbereiding. Het kabinet is een groot voorstander van het verdiepen van de samenwerking tussen de EU en Chili en is positief over de uitkomst van de onderhandelingen over het AFA.3
Dit handelsverdrag beoogt meerdere doelen gelijktijdig te realiseren: meer onderlinge handel en investeringen, gezamenlijke aanpak van wereldwijde uitdagingen en verdieping van politieke samenwerking. Bent u het ermee eens dat dit handelsverdrag als model kan dienen voor EU-handelsverdragen met andere landen?
Ja.
Chili herbergt een van de grootste lithiumreserves van de wereld. Onderschrijft u het belang van stabiele toeleveringsketens van kritieke grondstoffen voor de Nederlandse en Europese markt?
Ja.
Hoe kijkt u naar het opzetten van een Nederlandse of Europese strategie rondom het structureel vergaren van kritieke grondstoffen in het kader van de agressievere benadering van de markt door onder andere China en de Verenigde Staten?
Het kabinet onderschrijft de noodzaak tot deze strategieën en wijst op de Nationale Grondstoffenstrategie4, het BNC-fiche over de EU Critical Raw Materials act5 en de recent gepubliceerde mededeling ReSourceEU, waarover uw Kamer binnen de gestelde termijn een BNC-fiche ontvangt.
Bent u het eens dat de AFA een belangrijke bijdrage kan leveren aan de Europese en Nederlandse toegang tot lithium, koper en ook andere zeldzame metalen?
Op dit moment is het interim handelsverdrag (iTA) tussen de EU en Chili in werking. Hierin is het handelsdeel van de AFA dat valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie gerepliceerd. In het iTA staan afspraken over de toegang tot grondstoffen, zoals over het beperken van exportrestricties (zoals heffingen en quota’s), een verbod op monopolies met exclusieve rechten voor import en export van ruwe kritieke grondstoffen, en het inkaderen van het beleid van lagere grondstofprijzen voor binnenlandse producenten. Dit zijn afspraken die de voorspelbaarheid van de grondstofhandel bevorderen. Daarnaast zijn in het politieke deel van de AFA enkele intenties op het gebied van grondstoffenhandel overeengekomen, zoals het bevorderen van de samenwerking op transparantie van de mondiale grondstoffenmarkt.
Bent u het in dat kader eens dat de AFA zo spoedig mogelijk in werking moet treden?
Ja, waarbij opgemerkt wordt dat voor de Nederlandse ratificatie van de overeenkomst een goedkeuringsprocedure dient te worden doorlopen. De goedkeuringsstukken zijn in voorbereiding en de overeenkomst dient, na adviesvoorziening door de Raad van State, door beide Kamers te worden goedgekeurd.
Bent u bereid er bij de lidstaten die de AFA nog niet hebben geratificeerd in hun nationale parlement erop aan te dringen dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen?
Het kabinet zet in op ratificatie door Nederland op afzienbare termijn. Op dat moment ligt het voor de hand ook andere lidstaten hiertoe op te roepen.
China heeft in 2025 exportbeperkingen ingevoerd op gallium, germanium en andere kritieke grondstoffen; bent u van mening dat dit de urgentie versterkt voor Nederland om de samenwerking met Chili op het gebied van zeldzame aardmetalen te intensiveren?
Het kabinet erkent de urgentie van het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen, en werkt hieraan via de nationale grondstoffenstrategie en de EU Critical Raw Materials Act. Het diversifiëren van de waardeketens is hier een belangrijk onderdeel van. Nederland (en de EU) kijken hierbij naar diverse landen, waaronder Chili.
De Chinese exportcontrolemaatregelen op gallium en germanium uit 2023 en op onder meer een aantal zeldzame aardemetalen uit april 2025 onderstrepen het belang hiervan. Het zij opgemerkt dat zeldzame aardmetalen een aparte groep grondstoffen is, die momenteel niet in Chili gewonnen of verwerkt wordt maar die wel deels aanwezig zijn in Chili. Winning en verwerking hiervan wordt momenteel verkend.6 Gallium en germanium worden ook niet in Chili gewonnen of verwerkt.
Desalniettemin is Chili is een belangrijke producent van grondstoffen, met name koper, lithium en boor (aangewezen als kritieke grondstoffen door de Europese Commissie). Daarom steunt het kabinet het Memorandum of Understanding (MoU) dat de Europese Unie in 2023 heeft afgesloten met Chili op kritieke grondstoffen. Hierin is afgesproken dat partijen onder andere samen werken aan het bevorderen van projecten, open en eerlijke markten, en environmental, social, governance(ESG) standaarden.
Nederland geeft invulling aan dit MoU middels diverse activiteiten. Zo hebben het Nederlands Materialen Observatorium en Nederlandse universiteiten een samenwerking met Chileense universiteiten en steunt Nederland een Europa-brede studie op basis van aanbevelingen van CEPAL over hoe de regio zijn lithium- en koperwaardeketens duurzaam kan ontwikkelen. Ook heeft TNO een samenwerking met het Nationaal Lithiuminstituut (INLiSa).
Bent u bereid om een integrale beleidsnotitie op te stellen over de kansen en uitdagingen voor Nederland op het gebied van zeldzame aardmetalen in Chili, waarin de hierboven genoemde aspecten in samenhang worden bezien?
In de Nationale Grondstoffenstrategie is diversificatie één van de pijlers om de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen te versterken7. Samenwerking met derde landen, waaronder Chili, valt onder deze pijler. Voor de beleidsinzet verwijs ik u daarom naar deze strategie. Het kabinet zal geen integrale beleidsnotitie opstellen over de kansen en uitdagingen voor Nederland op het gebied van zeldzame aardmetalen in Chili.
Daarnaast heeft voor internationale grondstoffensamenwerking een Europese aanpak die zich richt op de hele waardeketen de voorkeur, omdat de Nederlandse industrie deze grondstoffen niet of nauwelijks direct importeert of gebruikt8. Nederland importeert vooral producten waar kritieke grondstoffen in verwerkt zitten. Naast de reeds bestaande kaders voor internationale samenwerking op kritieke grondstoffen wordt uw Kamer binnenkort ook geïnformeerd over de kabinetspositie t.a.v. het ResourceEU actieplan, dat onder andere ingaat op de Europese aanpak van partnerschappen met grondstofrijke landen.
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 11 is Chili een belangrijke producent van kritieke grondstoffen. Daarom steunt het kabinet grondstoffensamenwerking in EU-verband, via het Memorandum of Understanding (MoU) tussen de EU en Chili.
Kan u toezeggen de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van zowel de ratificatie van de EU-Chili AFA als de Nederlandse inzet op het gebied van kritieke grondstoffen met Chili?
De Kamer wordt regulier geïnformeerd over de voortgang van onderhandelingen en ratificaties van handels- en investeringsakkoorden via de voortgangsrapportage handelsakkoorden9, die vier maal per jaar als bijlage bij de geannoteerde agenda’s voor de Raden Buitenlandse Zaken Handel aan uw Kamer worden gezonden.
In de voortgangsrapportage Nationale Grondstoffenstrategie10 is een update gegeven over de samenwerking met derde landen. Zoals hierboven genoemd wordt uw Kamer binnenkort geïnformeerd over de kabinetspositie t.a.v. het Commissievoorstel voor ResourceEU, dat ook ingaat op de Europese aanpak van partnerschappen met grondstofrijke landen.
Het bericht 'Deense spermadonor gaf kankergen door aan minstens 197 nakomelingen in heel Europa' |
|
Harry Bevers (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Deense spermadonor gaf kankergen door aan minstens 197 nakomelingen in heel Europa»?1
Ja.
Wat vindt u van de weigering van de European Sperm Bank (ESB) om nakomelingen op te sporen die mogelijk drager zijn van de genetische afwijking, aangezien dit bedrijf in Nederland gevestigd en actief is?
De European Sperm Bank (ESB) beschikt zelf niet over informatie over de identiteit, verblijfplaats, en/of contactgegevens van nakomelingen. De ESB is verantwoordelijk voor het informeren van de fertiliteitsklinieken die het betreffende donorzaad gebruiken of hebben gebruikt. Dit is vastgelegd in de Europese richtlijn Weefsels en Cellen2, waarin staat dat in het geval van een ernstig ongewenst voorval, dit altijd gemeld moet worden in het kader van traceerbaarheid van betrokkenen en het voorkomen van verdere schade. Nederland heeft deze richtlijn geïmplementeerd in de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal (Wvkl). Op grond van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), rust vervolgens op fertiliteitsklinieken de verplichting hun patiënten te informeren indien er een genetische afwijking bij de donor is geconstateerd. De fertiliteitsklinieken zijn immers verantwoordelijk voor de behandelingen, het bijhouden van de medische dossiers en het onderhouden van contact met hun patiënten. Deze informatieverstrekking moet actief en aansluitend bij de richtlijn «Informeren van familieleden bij erfelijke aandoeningen» van de Vereniging Klinische Genetica Nederland (VKGN) plaatsvinden, zoals vastgelegd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb).
Aanvullend op bovengenoemde verplichtingen, heeft de ESB op zijn website informatie gepubliceerd over de recente casus van de Deense donor met de TP53-mutatie, waarbij ouders de mogelijkheid wordt geboden rechtstreeks contact met ESB op te nemen voor nadere informatie.3 De Deense donor met de TP53-mutatie is overigens niet gebruikt bij behandelingen in Nederlandse fertiliteitsklinieken.
Kunt u aangeven of juridische stappen mogelijk zijn om een dergelijk bedrijf genoemde informatie te laten verstrekken en zo ja, welke? Zo nee, welke opties ziet u om deze alsnog mogelijk te maken?
De ESB heeft geen informatie over nakomelingen omdat vrouwen niet behandeld worden door de ESB, maar door fertiliteitsklinieken, die een behandelrelatie hebben met de vrouw. Daarom zijn juridische stappen in dit kader niet van toepassing. In mijn antwoord op vraag 2 heb ik toegelicht dat de ESB verplicht is de fertiliteitsklinieken te informeren bij een genetische afwijking bij een donor en dat de fertiliteitsklinieken de betreffende patiënten op de hoogte moeten stellen. Daarnaast wordt bij een ernstige genetische afwijking bij een buitenlandse donor van wie het sperma in een Nederlandse fertiliteitskliniek is gebruikt, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) geïnformeerd. Dat gebeurt met een zogenoemde Rapid Alert Tissue and Cells-melding (RATC).4 Vervolgens vraagt de IGJ bij de nationale autoriteit in kwestie5 op aan welke klinieken het sperma is gedistribueerd, zodat de IGJ steekproefsgewijs kan controleren of klinieken zijn gestopt met gebruik van deze donor en betrokkenen hebben geïnformeerd.
Het gebruik van anonieme donoren is in Nederland verboden, maar in hoeverre is het nog steeds mogelijk dat sperma van Nederlandse donoren door ESB wordt geëxporteerd naar het buitenland en wel ingezet wordt voor (anonieme) donatie?
Een donor kan in Nederland niet anoniem doneren. Juridisch is het mogelijk dat het materiaal van donoren die in Nederland doneren, wordt geëxporteerd naar landen waar anonieme donatie mogelijk is. Echter, in de praktijk geeft de ESB altijd de identiteit van de donor vrij als de bank in Nederland gedoneerd sperma naar het buitenland exporteert. De niet-anonimiteit van de donor wordt vastgelegd in het donorcontract dat de ESB afsluit met de donor. Deze informatie staat op het donorprofiel op de website zodat dit ook bekend is voor wensouders als zij een donor uitkiezen. Het type donorprofiel (anoniem of niet-anoniem) is vastgelegd en kan niet worden gewijzigd. In reactie op de motie Bikker (CU)6, is eerder aangegeven dat optimaal uitvoering kan worden gegeven aan de geest van de motie met een nadere regeling op grond van het wetsvoorstel zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl).7 De Wzl biedt de mogelijkheid om in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) bepaalde gebruiksdoelen (bijvoorbeeld fertiliteitsbehandelingen met anoniem gedoneerde eicellen of sperma) te verbieden. De Wzl is momenteel in behandeling bij de Tweede Kamer.
Hoe verhoudt dit zich tot de met algemene stemmen aangenomen motie die oproept tot ontmoediging van massadonatie?2
Ik vind net als de Kamer, anonieme donatie onwenselijk, en dat geldt ook voor het veelvuldig gebruik van sperma van één donor om grote aantallen nakomelingen te verwekken. Met de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb) is geborgd dat donoren niet meer anoniem kunnen donoren en bij niet meer dan 12 vrouwen gebruikt mogen worden in Nederlandse klinieken. Daarmee zijn anonieme donatie en «massadonatie» binnen Nederland niet mogelijk. Helaas geldt dit niet altijd voor het gebruik van donorsperma in internationaal verband. Zo is anonieme donatie nog altijd mogelijk in een aantal landen. En hoewel bijna alle landen een limiet hanteren voor het aantal nakomelingen van een donor binnen dat land, kan het totaal aantal nakomelingen flink oplopen als dat sperma van diezelfde donor in meerdere landen wordt gebruikt.
Ik breng daarom – in lijn met de genoemde motie van Van Dijk (SGP)9 – in kaart hoe massadonatie actief kan worden ontmoedigd. Zoals eerder is toegezegd zal ik de Tweede Kamer in het eerste kwartaal van dit jaar informeren over mogelijke maatregelen.10
Kunt u aangeven in hoeverre er in Europees verband ruimte ontstaat voor maatregelen en meer specifiek een maximering van het aantal nakomelingen per donor?
In Europa ontstaat in toenemende mate aandacht voor de noodzaak van maatregelen rondom het maximeren van het aantal nakomelingen per donor. Nederland pleit in diverse Europese gremia voor een Europees maximum per donor en de inrichting van een EU-breed donorregister waarmee zowel massadonatie als anonieme donatie kan worden tegengegaan.
Tegelijkertijd moet worden erkend dat Europese afspraken of regelgeving op dit terrein op korte termijn niet waarschijnlijk zijn. De opvattingen over donorconceptie in het algemeen en anonimiteit van donoren lopen binnen de verschillende lidstaten sterk uiteen en behoren tot de nationale bevoegdheden. Dit maakt regelgeving op EU-niveau niet vanzelfsprekend.
Desondanks neemt de gevoelde urgentie toe. Recente gebeurtenissen, zoals de «Kjeld-casus», de brede media-aandacht hiervoor en internationale initiatieven zoals het pleidooi van verschillende Noord-Europese ethiekraden11 versterken de noodzaak voor het debat over een internationaal maximum van het aantal nakomelingen per donor. Ook de European Society of Human Reproduction and Embryology (ESHRE) benadrukt het belang van het vaststellen van een maximumaantal in Europa en ziet meerwaarde in de ontwikkeling van een Europees donorregister. Hoewel deze ontwikkelingen wijzen op een groeiend draagvlak voor Europese samenwerking op dit onderwerp, geldt dat een concrete uitwerking en invoering van een Europees maximum (en donorregister) een lastig proces zal zijn dat naar verwachting jaren in beslag zal nemen.
Deelt u de mening dat, naast de wet- en regelgeving, bedrijven zich ook zeer bewust moeten zijn van de grote mate van zorgvuldigheid die in Nederland verwacht wordt als het gaat om een gevoelig onderwerp als massadonatie bij spermadonoren? Bent u bereid om ervoor te zorgen dat bedrijven zich hier meer bewust van zijn?3
Ja, ik deel die mening. Onze wet- en regelgeving is als het ware de uitkomst van maatschappelijke discussies over spermadonatie en donorconceptie in onze samenleving. Met wet- en regelgeving kan echter niet alles opgelost worden. Met onze nationale wet- en regelgeving op dit terrein hebben we geen invloed buiten onze landsgrenzen. Ook kunnen wensouders in zee gaan met een donor in de privésfeer of naar het buitenland reizen voor een behandeling met donorgameten. Donoren kunnen bovendien ook in het buitenland doneren. Ik vind het daarom van belang dat fertiliteitsklinieken, spermabanken, wensouders en donoren zelf ook verantwoordelijkheid nemen voor de (maatschappelijke) gevolgen van hun handelen. Daarom heb ik in gesprek met deze partijen aandacht voor het belang van een zorgvuldige praktijk van donorconceptie en de verantwoordelijkheid die zij hiervoor hebben.
De brief over invulling van de motie militaire steun aan Oekraïne |
|
Vicky Maeijer (PVV), Raymond de Roon (PVV), Teun van Dijck (PVV) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u alsnog expliciet en uitgebreid ingaan op de niet in de brief gedeelde informatie met betrekking tot artikel 3.1 CW 2016, inzake a) de doelstellingen, de doeltreffendheid en de doelmatigheid die worden nagestreefd; b) de beleidsinstrumenten die worden ingezet; c) de financiële gevolgen voor het Rijk en, waar mogelijk, de financiële gevolgen voor maatschappelijke sectoren? Zo nee, waarom niet?1
De maatregelen betreffen een voortzetting van het huidige Oekraïne steunbeleid en wijken daarmee niet af van de artikel 3.1 CW overwegingen die eerder met uw Kamer zijn gedeeld, als bijlage van de periodieke leveringenbrief (kenmerk 22 054-463, dd. 11 september 2025). In deze bijlage komt naar voren dat het ingezette beleidsinstrument de levering van militair materieel betreft, de nota van wijziging zet dit beleid voort.
Waaruit bestaat de 500 miljoen euro aan verwachte onderuitputting in 2025? In hoeverre is deze onderuitputting een zekerheid?
De verwachte onderbesteding van € 500 miljoen heeft betrekking op hoofdstuk K, het defensiematerieelfonds. Deze verwachting is gebaseerd op lagere valutakoersen dan waarop gepland is (ca. € 250 miljoen.) en vertraging op meerdere reguliere defensieprojecten a.g.v. externe factoren. Beide categorieën van onderbesteding kenden een hoge mate van zekerheid. Voor dit fonds geldt een onbeperkte eindejaarsmarge. Dit betekent dat de middelen naar volgend jaar kunnen worden geschoven waardoor de onderrealisatie beschikbaar. Hierdoor zal er geen vertraging of afstel van behoeften en/of projecten uit het DMF ontstaan in 2026 of latere jaren. Genoemde bedragen zijn afgerond op hele miljoenen. Uw Kamer wordt bij Slotwet geïnformeerd over de werkelijke realisatie en onderbesteding
Welke reguliere defensieprojecten hebben als gevolg van externe factoren vertraging opgelopen en waarom? Wat zijn de concrete gevolgen hiervan?
De voortgang van individuele projecten, eventuele vertragingen en andere wijzigingen op de lopende projecten zullen door Defensie zoals gebruikelijk worden gerapporteerd in het Defensie Projecten Overzicht (DPO) van mei 2026.
Hoe groot is de kans op toekomstige tegenvallers? Zijn er al tegenvallers met een zekere mate van waarschijnlijkheid te voorzien? Zo ja, waarop en hoeveel?
Het aanwenden van onderuitputting ten behoeve van steun aan Oekraïne betekent dat deze onderuitputting niet beschikbaar is voor het invullen van de in=uittaakstelling2, waardoor in de toekomst eerder tegenvallers kunnen ontstaan. Het kabinet heeft nog geen exacte inschatting van toekomstige tegenvallers. Bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk zal dit duidelijk worden.
In de nota van wijziging schrijft u dat er wordt gekeken naar het Nederlandse en Oekraïense bedrijfsleven voor respectievelijk 300 miljoen en 400 miljoen; hoe is deze verdeling tot stand gekomen?2
De invulling en verdeling is tot stand gekomen op basis van een inventarisatie welk materieel op zeer korte termijn beschikbaar was, voor zowel contractering als levering. Daarbij is nadrukkelijk gekeken naar de betrokkenheid en de opbouw van de Nederlandse defensie-productieketen en het Oekraïense bedrijfsleven conform de moties 36 045, nr. 243 en de motie 21 501-20, nr. 2286.
Waar zal de 700 miljoen exact aan worden uitgegeven? Welke contracten worden met welke bedrijven voor welke orders getekend?
Omwille van commerciële vertrouwelijkheid doet Defensie geen uitspraken over de precieze besteding van deze middelen. Uw Kamer wordt geïnformeerd over het aan Oekraïne geleverd materieel middels periodieke leveringenbrieven.
Op welke manier exact garandeert u dat de 400 miljoen voor het Oekraïense bedrijfsleven doelmatig besteed wordt en bovendien niet ten prooi valt aan corruptie?
Directe aanschaf in Oekraïne gebeurt op basis van het Nederlandse model. De Nederlandse procedure omvat een gegronde controle van elk Oekraïens bedrijf door de Audit Dienst Rijk (ADR). Deze regels en procedures nemen tijd in beslag en vereisen toegang tot informatie over bijvoorbeeld de prijsopbouw en winstmarges van de voorgenomen verwerving. Dit Government to Business-model zorgt ervoor dat er geen tussenkomst is van overheidsfunctionarissen bij de totstandkoming van contracten. Bij het Nederlandse model van directe samenwerking met de Oekraïense industrie, is Nederland zelf verantwoordelijk voor het uitonderhandelen en overeenkomen van een contract met een Oekraïense leverancier. Er zijn ook samenwerkingsovereenkomsten met NATO-trusted partners waarbij het partnerland de verwerving doet; Nederland vertrouwt in dat geval op de procedures van bondgenoten.
In de brief wordt gesproken over het spoedeisende karakter als reden om een beroep te doen op artikel 2.27, tweede lid CW 2016; waaruit blijkt dit spoedeisende karakter? Waarom kon deze uitgave niet een week later, na stemming over de najaarsnota, plaatsvinden?
Uw Kamer heeft het kabinet verzocht om aanvullende militaire Oekraïnesteun beschikbaar te stellen. Het kabinet heeft ervoor gekozen om invulling te geven aan deze motie door in 2025 versneld 700 miljoen euro beschikbaar te stellen om te waarborgen dat de steun aan Oekraïne voorgezet wordt.
De stemming over de 2e suppletoire begroting 2025 van de Defensiebegroting, waarin de 700 miljoen euro is verwerkt, in de Tweede Kamer stond echter pas gepland op 18 december. Zonder het toepassen van artikel CW 2.27 tweede lid zouden de overeenkomsten pas na autorisatie van zowel de Tweede als de Eerste Kamer rechtmatig kunnen worden aangegaan. Daarmee zou het niet mogelijk zijn om nog in 2025 invulling te geven aan de oproep van uw Kamer. Door een beroep te doen op artikel CW 2.27 tweede lid heeft het kabinet getracht uw Kamer juist en tijdig te informeren over de wijze waarop het kabinet een eerste stap zet in de invulling aan de door uw Kamer aangenomen motie4. Op 9 december heeft uw Kamer aangegeven dat zij zich deugdelijk geïnformeerd acht.
De Kamer mag de onderuitputting niet gebruiken voor extra uitgaven, maar waarom mag u dit wel? Hoeveel van de resterende onderuitputting kan nog worden gebruikt?
In aanvulling op het antwoord op vraag 4 is ervoor gekozen om de onderuitputting anders aan te wenden dan het invullen van de in=uittaakstelling. Hiermee kiest het kabinet ervoor om opvolging te geven aan de motie van de Kamer. Bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk zal de definitieve onderuitputting over 2025 duidelijk worden.
Het bericht dat de Chinese overheid de namen van enkele medewerkers van inlichtingendiensten AIVD en MIVD heeft gepubliceerd |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe escalatie in Nexperia-vete: China publiceert namen Nederlandse spionnen» van 9 december jl. in de Volkskrant?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er namen van AIVD- en MIVD-medewerkers bekend zijn gemaakt op een Chinese nieuwswebsite in Hongarije?
De conclusies die in het Volkskrant artikel getrokken worden over een verband met het Nexperia-dossier zijn voor rekening van de betreffende journalist. In algemene zin doen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gezien de aard van hun werk in het openbaar nooit uitspraken over personen die al dan niet bij de diensten werken of over internationale samenwerkingen die de diensten al dan niet zouden hebben. Om die reden kan het kabinet ook niet speculeren over hypothetische maatregelen en reacties die het kabinet al dan niet heeft genomen of zal nemen.
Onderschrijft u het feit dat deze actie vanuit China het gevolg is van uw handelen op het Nexperia-dossier?
Zie antwoord vraag 2.
Onderschrijft u het feit dat het opschorten van de maatregelen jegens Nexperia als «blijk van goede wil» tegenover China dus mogelijk niet genoeg is geweest om de situatie te de-escaleren?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u, diplomatiek of anderszins, gereageerd op deze Chinese provocatie?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u al zicht op een reis naar China om de diplomatieke banden te herstellen? Zo ja, wanneer gaat deze reis plaatsvinden en wat zal uw inzet zijn? Zo niet, waarom niet?
Op dit moment zijn er doorlopend en op verschillende niveaus gesprekken, met China over Nexperia.
Zoals toegezegd in het debat van 4 december zal ik de Kamer op de hoogte houden over een bezoek aan China.
Hoe wapent u zich tegen mogelijke verdere vijandige acties vanuit China?
Zoals eerder aangegeven kan de inhoud van de berichtgeving bevestigd noch ontkend worden.
Als het kabinet de vragen kan beschouwen in de bredere zin van dreigingen van statelijke actoren, kan het kabinet het volgende antwoorden.
Veiligheid behoort tot de kerntaken van de overheid. Het is daarom van groot belang dat het kabinet structureel en zorgvuldig reflecteert op de weerbaarheid en veiligheid van Nederland, zeker in de huidige geopolitieke context. Diverse statelijke actoren bedreigen de Nederlandse veiligheidsbelangen via een breed palet aan methodes. In het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren en de jaarverslagen van de AIVD en de MIVD komt dit ook duidelijk naar voren.
Het is cruciaal dat Nederland, in nauwe samenwerking met EU-partners, bondgenoten en gelijkgezinde landen, in staat is om vijandige acties, hybride en statelijke dreigingen nu en in de toekomst het hoofd te bieden. Hiervoor moeten we beschikken over een effectief en samenhangend instrumentarium om dreigingen te voorkomen, te mitigeren en hierop te reageren. De Rijksbrede Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden legt hiervoor de basis. De strategie is een integraal beleidskader om Nederland en het hele Koninkrijk te beschermen tegen een breed scala aan dreigingen, door de weerbaarheid te versterken, verschillende vormen van dreiging te adresseren en samenwerking tussen publieke en private partijen te versterken.
Ook de Rijksbrede aanpak statelijke dreigingen vormt een belangrijk onderdeel van ons instrumentarium. Onder coördinatie van de NCTV wordt de inzet van overheidspartijen, het bedrijfsleven en kennisinstellingen verbonden en wordt ingezet op het versterken van het vermogen om dreigingen te detecteren, het voorkomen van kwetsbaarheden en het waar nodig voorzien in een reactie, in nationaal en internationaal verband.
De dreiging verandert continu. Daarom hecht het kabinet eraan te blijven bezien of de aanpak voldoende aansluit op de veranderende dreiging. De aanpak wordt daarom momenteel doorontwikkeld.2 Uw Kamer wordt op een later moment dit jaar geïnformeerd over deze doorontwikkeling. Indien daar aanleiding toe is, zullen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten uw Kamer via de geëigende kanalen informeren.
Wat doet u om hybride dreigingen zoals deze tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u het idee dat het kabinet voldoende is geëquipeerd om te reageren op dit soort dreigingen waarbij diplomatieke, economische en militaire acties in elkaar overlopen? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo niet, wat is er aanvullend nodig?
Zie antwoord vraag 7.
Het NGO Monitor-rapport |
|
Gidi Markuszower (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het NGO Monitor-rapport (hierna: rapport)1, waaruit blijkt dat de internationaal en nationaal geïndiceerde Palestijns-Islamitische terreurgroep Hamas vóór 7 oktober een uitgebreid systeem heeft opgebouwd om humanitaire organisaties te controleren, te infiltreren en te manipuleren, inhoudende dat vertrouwelingen bij met EU-geld gefinancierde ngo’s in Gaza op sleutelposities (bijvoorbeeld bestuursvoorzitter, directeur, onderdirecteur, etc.) werden gestationeerd?2
Ik ben bekend met het rapport.
Hoeveel geld heeft Nederland vanaf 2015 via de BHO-begroting of via ODA-gelden op andere begrotingen overgemaakt naar de in het rapport bij naam genoemde organisaties? Graag een gedetailleerde specificatie, uitgesplitst naar jaar en organisatie.
Zowel de resultaten als de bedragen per gesteunde organisatie zijn te vinden in het webportaal nlontwikkelingshulp.nl. Het webportaal voor ontwikkelingshulp is zo transparant mogelijk over Nederlandse ontwikkelingsprojecten en bevat ook verantwoordingsinformatie van onze partners. Besluiten om organisaties te financieren worden altijd zorgvuldig genomen (bijvoorbeeld via zogeheten Organizational Risk and Integrity Assessments).
Van de organisaties die worden genoemd in het rapport zijn er vanuit de gehele BZ- en BHO-begrotingen alleen directe ODA-contracten geweest in de genoemde periode met International Medical Corps, Norwegian Refugee Council, Handicap International, Mercy Corps en Oxfam. De activiteiten met deze organisaties kwamen ten goede aan meerdere landen, waaronder Afghanistan, Irak, Jordanië, Kenia, Laos, Libanon, Nigeria, de Palestijnse Gebieden, Senegal en Syrië.
2015
423.434
2016
1.757.500
2.729.391
25.066.678
2017
489.877
504.000
4.106.468
16.447.989
2018
88.434
900.000
488.400
2.856.647
15.568.000
2019
461.011
620.500
2.310.261
13.946.333
2020
912.931
63.989
458.350
2.133.993
25.546.144
2021
6.191.607
733.562
445.312
6.117.483
2022
2.970.395
202.819
274.546
164.666
34.692.391
2023
2.676.117
39.621
831.250
26.542.085
2024
763.425
489.967
421.788
24.854.128
Hoeveel geld heeft Nederland vanaf 2015 via de BHO-begroting of via ODA-gelden op andere begrotingen overgemaakt naar de Palestijns-Arabische bevolking, de Palestijnse Gebieden, de Palestijnse autoriteit, de Westoever en/of Gaza en NGO’s actief in de Palestijnse Gebieden? Graag een gedetailleerde specificatie, uitgesplitst naar jaar en organisatie.
Vanaf 2015 tot en met 2025 is er van de BZ- en BHO-begrotingen in totaal 348 miljoen euro in ODA-gelden direct ten goede gekomen aan activiteiten voor de Palestijnse Gebieden.
2015
20.299.408
2016
20.607.310
2017
23.185.882
2018
20.956.949
2019
24.935.692
2020
22.568.401
2021
29.348.275
2022
23.724.577
2023
21.634.549
2024
53.861.486
2025
63.381.514
Hoeveel geld heeft Nederland, na wijziging van de begrotingsstaat samenhangende met de najaarsnota, in totaal begroot aan uitgaven en verplichtingen, zowel voor wat betreft de BHO-begroting alsmede de ODA-gelden op andere begrotingen, voor de Palestijns-Arabische bevolking, de Palestijnse gebieden, de Palestijnse autoriteit, de Westoever en/of Gaza? Graag een totaal, gespecificeerd en gedetailleerd overzicht.
In de onderstaande tabel staan de begrote bedragen voor uitgaven via de Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah (gedelegeerde middelen). Afgezien van de voorgenomen bijdrage van 16 miljoen euro aan het humanitaire landenfonds van de VN voor de Palestijnse gebieden in 20263 programmeert het ministerie centrale middelen per thema, niet per land.
Handel en economie
4.000.000
4.000.000
0
0
Water
15.000.000
15.000.000
15.000.000
15.000.000
Veiligheid en stabiliteit
5.400.000
5.000.000
150.000
0
Wat is het Nederlandse aandeel, via de BHO-begroting of via ODA-gelden op andere begrotingen, in deze mede door de EU-gefinancierde en door Hamas geïnfiltreerde NGO’s?
Het kabinet onderstreept nogmaals altijd zeer serieus om te gaan met signalen over misbruik van ontwikkelingshulpgelden of aantijgingen die wijzen op banden tussen hulporganisaties en terroristische organisaties, zo ook rapporten van NGO Monitor. Er is geen informatie voorhanden die de aantijgingen van NGO Monitor steunt. Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties, op orde zijn. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor.4 Ook wijs ik u op de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO monitor5 6.
In hoeverre zijn er signalen bij u bekend dat de betrokken NGO’s op de hoogte waren van het feit dat zij werden gecontroleerd en/of geïnfiltreerd dan wel op andere wijze dienstig waren aan de terreuractiviteiten van Hamas?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om een strafrechtelijke onderzoek naar de betrokken NGO’s te entameren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6. Het is daarnaast aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of een strafrechtelijk onderzoek wordt gestart en vervolgens of, op basis van dit onderzoek, overgegaan wordt tot strafrechtelijke vervolging. Het is niet aan het kabinet om daar in te treden.
Bent u bereid om de betrokken NGO’s, nu zij in Gaza dusdanig onder controle blijken te staan van Hamas, als terroristische organisatie aan te merken en op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6. Het is aan het Openbaar Ministerie de (civielrechtelijke) bevoegdheid toe om op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (BW) aan de rechter een verzoek tot verbodenverklaring van een rechtspersoon, waarvan de werkzaamheid of het doel in strijd is met de openbare orde, te doen. Strijdig met de openbare orde is in ieder geval een doel dat, of werkzaamheid die leidt (of klaarblijkelijk dreigt te leiden) tot een bedreiging van de nationale veiligheid of de internationale rechtsorde of tot de ontwrichting van de democratische rechtsstaat of het openbaar gezag. Daarnaast kán als strijdig met de openbare orde worden gezien de aantasting van de menselijke waardigheid, het leiden tot geweld of het aanzetten tot haat of discriminatie. Of en wanneer een rechtspersoon voor een verbodenverklaring op grond van artikel 2:20 BW in aanmerking komt, is derhalve aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de rechter om te bepalen.
Het Openbaar Ministerie heeft eveneens de bevoegdheid om strafrechtelijk op te treden tegen organisaties die strafbare feiten plegen of bevorderen. Voor een strafrechtelijk onderzoek is een verdenking vereist; er dient een redelijk vermoeden te bestaan dat de organisatie en/of haar leden zich schuldig maken aan een of meerdere strafbare feiten. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of in een concreet geval sprake is van een verdenking van een strafbaar feit en of er in een bepaald geval strafrechtelijke vervolging dient te worden ingesteld. Het uiteindelijke oordeel, ook over de vraag of er in strafrechtelijke zin sprake is van een terroristische organisatie, is aan de (straf)rechter.
De Minister van Buitenlandse Zaken kan bij voldoende aanwijzingen van betrokkenheid bij terroristische activiteiten, in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Justitie en Veiligheid, een persoon of organisatie op de nationale sanctielijst terrorisme plaatsen. Voldoende aanwijzingen zijn onder meer de instelling van een onderzoek of vervolging door een bevoegde instantie wegens een terroristische activiteit of poging daartoe, een veroordeling door de rechter voor voornoemde feiten of een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst dat geloofwaardige indicaties bevat van betrokkenheid van een persoon of organisatie bij een terroristische activiteit of poging daartoe.
Het plaatsen van personen of organisaties op de nationale sanctielijst terrorisme is een vergaande en ingrijpende maatregel die een zorgvuldig proces vereist. Alleen wanneer wordt voldaan aan de juridische vereisten voor een dergelijke plaatsing, zal een persoon of organisatie op de nationale sanctielijst terrorisme worden geplaatst.
Welke maatregelen heeft dit kabinet inmiddels genomen om te voorkomen dat met Nederlands belastinggeld een terreurorganisatie als Hamas via de EU wordt gesteund? Welke maatregelen heeft dit kabinet genomen om er voor zorg te dragen dat de EU hiermee stopt?
Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt aan terroristische organisaties, op orde zijn. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Zie ook het antwoord op vraag 5 en 6.
Is dit kabinet voornemens om de aan de betrokken NGO’s overgemaakte gelden terug te vorderen en deze organisaties uit te sluiten voor toekomstige subsidies? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6.
Het bericht dat de NAVO een Israëlisch defensiebedrijf in de ban doet vanwege een smeergeldzaak |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NAVO doet Israëlisch defensiebedrijf in de ban vanwege smeergeldzaak»?1
Ja.
Klopt het dat het Israëlische defensiebedrijf Elbit Systems sinds 31 juli niet meer mee mag doen met aanbestedingsprocedures van de NAVO vanwege mogelijke corruptie?
Het NATO Support and Procurement Agency (NSPA) is een NAVO-instantie die voor bondgenoten contracten sluit met leveranciers voor de aanschaf en/of onderhoud van uiteenlopende soorten materieel en munitie. Daarbij richt het NSPA zich vooral op logistieke ondersteuning. Het NSPA heeft bondgenoten in juli 2025 formeel geïnformeerd dat enkele bedrijven, afkomstig uit landen zowel binnen als buiten de NAVO, voorlopig zijn uitgesloten van aanbestedingsprocedures van het NSPA vanwege de verdenking van onregelmatigheden bij het verlenen van contracten. Defensie is ervan op de hoogte welke bedrijven dit zijn, maar doet in beginsel geen openbare uitspraken over individuele leveranciers.
Voor Nederland heeft deze maatregel vooralsnog geen rechtstreekse gevolgen omdat ons land niet betrokken is bij deze specifieke aanbestedingen van het NSPA. Zowel het NSPA als de autoriteiten van België, waar het NAVO-hoofdkwartier is gevestigd, hebben deze zaak in onderzoek.
Zowel de NAVO als Defensie hecht groot belang aan integriteit. SG NAVO Rutte heeft benadrukt dat de NAVO een zero tolerance beleid voert als het gaat om fraude en corruptie. Defensie voldoet aan de wet- en regelgeving en het beleid van Defensie op het gebied van zakelijke integriteit richt zich onder meer op transparantie, het voorkomen van belangenverstrengeling, fraude en corruptie, het samenwerken met betrouwbare (zakelijke) partners en het zorgvuldig omgaan met belastinggeld. Daarnaast heeft Defensie eigen inkoop- en aanbestedingsbeleid waarin is uitgewerkt op welke wijze belangenverstrengeling, fraude en corruptie worden voorkomen en hoe grote en/of risicovolle projecten worden beoordeeld.
Klopt het ook dat de lopende samenwerkingen tussen de NAVO en het Israëlische bedrijf zijn stilgelegd?
Nederland beschikt alleen over informatie dat het NSPA enkele bedrijven voorlopig heeft uitgesloten van aanbestedingsprocedures.
Klopt het dat het gaat om ernstige beschuldigingen waaruit blijkt dat Elbit zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan strafbare praktijken, waaronder onregelmatigheden bij de toekenning van contracten?
Zie antwoord vraag 2.
Op welk precies moment was de Nederlandse overheid op de hoogte van beschuldigingen dan wel vraagtekens aan het adres van Elbit inzake mogelijke corruptie?
Medio juni 2025 heeft Defensie informatie ontvangen dat een onderzoek van het NSPA gaande was. Het NSPA heeft bondgenoten in juli 2025 formeel geïnformeerd over de voorlopige uitsluiting van enkele bedrijven van aanbestedingsprocedures van het NSPA.
Wat heeft de Nederlandse overheid gedaan met deze informatie?
Defensie kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van nog lopend onderzoek naar fraude en corruptie. Het is onwenselijk om te speculeren over de vraag welke maatregelen daaruit zouden kunnen voortvloeien.
Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen in beginsel behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, onherroepelijk zijn veroordeeld. Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk veroordeeld zijn voor bijvoorbeeld fraude of omkoping.
Zoals eerder opgemerkt kan Defensie niet ingaan op individuele bedrijven die volgens mediaberichten onderwerp zijn van onderzoek. Aangezien deze schriftelijke vragen specifiek Elbit betreffen, merk ik op dat bij Elbit op dit moment geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling.
Heeft u deze informatie onderzocht en meegewogen in het inkoopbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de strekking en de uitkomsten van het onderzoek delen en aangeven hoe u dit meeweegt?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe beoordeelt u deze informatie in relatie tot uw beleid en uw inkoopkader?
Zie antwoord vraag 6.
Op welk moment was de Nederlandse overheid op de hoogte van de opschorting van onderdelen van de relatie met Elbit door de NAVO?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de Nederlandse overheid deze opschorting laten meewegen in het beleid en in het bijzonder in het inkoopbeleid? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Zijn er aankopen gedaan door Nederland bij Elbit nadat de Nederlandse overheid informatie had over mogelijke verdenkingen omtrent corruptie? Zo ja, welke en hoe kunt u dit verantwoorden?
Zie antwoord vraag 6.
Acht u het inkopen bij een defensiebedrijf dat verwikkeld is in een corruptieschandaal verantwoord?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat door het inkopen bij Elbit Nederlands belastinggeld terecht kan komen in de zakken van corruptieplegers?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat de beschuldigingen over corruptie bovenop het feit komen dat Elbit, samen met andere Israëlische defensiebedrijven, hun wapentuig in de praktijk test op Palestijnen en hiermee schuldig zijn aan oorlogsmisdaden?
Bij de aanschaf van materieel laat Defensie, naast de kwaliteit, de prijs en de levertijd ook de herkomst van het materieel meewegen. Bij voorkeur kiest Defensie voor Nederlandse of Europese leveranciers. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders. Dat kunnen ook Israëlische leveranciers zijn zoals Elbit. Het parlement is daarover eerder geïnformeerd.2
Sommige Israëlische bedrijven leveren uiteenlopende militaire systemen, of componenten voor militaire systemen, die voor Defensie essentieel zijn. Het nu beëindigen van de relatie met deze bedrijven heeft grote gevolgen voor de operationele slagkracht en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht, alsmede voor de veiligheid van onze militairen. In de huidige geopolitieke omstandigheden laat ik zwaar meewegen dat onze mensen op tijd beschikken over het beste materieel. Zij moeten voorbereid zijn om af te schrikken en eventueel te vechten en te winnen voor onze vrijheid.
Bent u bereid om alle samenwerking met en inkopen bij Elbit te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.