De berichten dat Taiwan een initiatief heeft gelanceerd ter verdediging van onderzeese kabels. |
|
Derk Boswijk (CDA), Henk Jumelet (CDA) |
|
Tieman , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over het Taiwanese initiatief ter verdediging van onderzeese kabels genaamd RISK?1
Ja.
Ziet u ook de risico’s van deze onderzeese kabels in het kader van ongelukken met scheepsvaart en/of sabotage in het kader van hybride oorlogsvoering?
Ja, het kabinet erkent de risico’s van het beschadigen van onderzeese kabels. Ongelukken met scheepvaart vormen een belangrijke oorzaak voor dergelijke beschadigingen. Tegelijkertijd is er sprake van een aanhoudende sabotagedreiging, onder andere gericht op maritieme kritieke infrastructuur zoals onderzeese kabels.
Deelt u de mening dat de vrijheden van de internationale wateren niet in het geding mogen komen en dat het doelbewust beschadigen van internationale onderzeese kabels mogelijk hierop een inbreuk maakt? Zo niet, waarom niet?
Ja, Nederland hecht groot belang aan de vrijheden van de volle zee, waaronder de vrijheid van navigatie en de vrijheid om kabels en pijpleidingen te leggen, gecodificeerd in het VN-Zeerechtverdrag. Deze vrijheden gelden onder de voorwaarden die het zeerecht daaraan stelt ook in de exclusieve economische zone. In overeenstemming met het zeerecht, dienen deze vrijheden te worden uitgeoefend en beschermd op een wijze die terdege rekening houdt met rechten en plichten van de kuststaat in de EEZ en de belangen van andere staten op volle zee.
Zijn er overeenkomsten te vinden tussen de Chinese dreiging aan het adres van Taiwan en de Russische dreiging richting Europa wat betreft hybride oorlogsvoering, in het bijzonder als het onderwaterinfrastructuur betreft?
In algemene zin is er zowel in Europa als in de Indo-Pacific sprake van hybride dreigingen en werken landen aan het verbeteren van hun weerbaarheid hiertegen. Sabotage vormt een onderdeel van de dreiging in beide regio’s. Sabotage heeft verschillende verschijningsvormen en kan zich onder meer richten op vitale maritieme infrastructuur zoals data- en elektriciteitskabels.
Deelt u de mening dat in het kader van het beschermen van internationale onderzeese kabels, het zowel in het belang van Nederland is als dat van Taiwan als er meer wordt gewerkt aan het delen van informatie en het samen opbouwen van kennis om zo de kans op beschadigingen of sabotage aan onderzeese kabels in de Noordzee en de wateren rondom Taiwan te verkleinen?
Het beschermen van internationale onderzeese kabels is een gedeeld wereldwijd belang. Internationale samenwerking is dan ook belangrijk en noodzakelijk. Dit doen we binnen de EU en de NAVO en daarbuiten waar nodig en mogelijk.
Bent u bereid zich aan te sluiten bij de vier initiatieven zoals deze worden beschreven in het Taiwanese RISK-initiatief? Zo niet, zou u kunnen uitweiden waarom niet?
Gezien het belang van het beschermen van onderzeese kabels neemt Nederland deel aan verschillende internationale gremia waarin deze thematiek wordt geadresseerd. Nederland is bijvoorbeeld lid van de International Telecommunication Union (ITU) en via het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangesloten bij het International Cable Protection Committee (ICPC). Hierbinnen wordt al in breed internationaal verband gewerkt aan versterking van de weerbaarheid van de onderzeese kritieke infrastructuur door het delen van best practices tussen overheden, de industrie en bedrijven. Nederland ziet derhalve op dit moment geen noodzaak om zich aan te sluiten bij het Taiwanese initiatief, maar zal het belang van internationale samenwerking op dit thema, waar in mondiaal belang ook met Taiwan, blijven voorstaan en de noodzaak van deelname aan verscheidene initiatieven doorlopend blijven wegen.
Zijn er andere staten waarmee u de banden zou willen verstevigen in het kader van het beschermen van onze cruciale infrastructuur en dus onder andere internationale onderzeese kabels?
Ter bescherming van de kritieke onderzeese infrastructuur en maritieme veiligheid in brede zin richt Nederland zich primair op de nabije regio, en werkt daarom actief met de Noordzeelanden, de Scandinavische en Baltische staten.
Daarnaast is in het kader van het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) ook met andere landen kennis uitgewisseld op het gebied van kritieke onderzeese infrastructuur, zoals met Singapore en ASEAN (Association of Southeast Asian Nations). Verder heeft Nederland in het kader van het Indo-Pacific Ministerial Forum op 21 november jl. met diverse andere Europese lidstaten een samenwerking van de EU met de regio op dit terrein voorgesteld, waarbij de EU inzet op samenwerking met partners in de Indo-Pacific regio gericht op uitwisseling van kennis en expertise op het gebied van beschermen van kritieke infrastructuur op zee.
Op welke manieren bent u bereid zich in te zetten voor een betere bescherming, internationaal, van de onderzeese kabelinfrastructuur?
Van belang is een goede informatie-uitwisseling en het delen van best practices. Niet alleen tussen landen onderling maar ook in samenwerking met de industrie die over veel kennis en ervaring beschikt. Zo is samenwerking, nationaal en internationaal, publiek en privaat, een belangrijke actielijn binnen het PBNI. In dit kader is in 2024 een Joint Declaration of Intent ondertekend door de verschillende Noordzeelanden (België, Duitsland, Denemarken, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Nederland) om samen te werken aan verbeterde informatie-uitwisseling en het nemen van coherente en gecoördineerde weerbaarheidsmaatregelen.
De situatie in en rondom Venezuela en de rol daarin van de overzeese gebieden van het Nederlandse koninkrijk |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Rijkaart , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het escalerende conflict tussen de Verenigde Staten en Venezuela?
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoe het kabinet deze situatie op dit moment beoordeelt en welke risico’s het ziet voor de rijksdelen in de regio?
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in en rond Venezuela nauwgezet. Op dit moment is er geen sprake van een acute militaire dreiging voor het Koninkrijk der Nederlanden.
Venezuela verkeert al geruime tijd in een situatie van aanhoudende politieke, sociaaleconomische en humanitaire instabiliteit. Gezien de geografische nabijheid is er bijzondere aandacht voor mogelijke indirecte gevolgen voor de Benedenwindse eilanden. Deze kunnen samenhangen met oplopende regionale en geopolitieke spanningen, waaronder een (gedeeltelijke) sluiting van zee- en luchtruim, verstoringen in logistieke verbindingen en risico’s voor kritieke infrastructuur, zoals energie- en brandstofvoorziening. Daarnaast blijven migratie- en veiligheidsvraagstukken in de regio een belangrijk aandachtspunt.
Aruba, Curaçao en Bonaire bereiden zich daarom voor op verschillende scenario’s die uit dergelijke spanningen kunnen voortvloeien. Nederland treft eveneens voorbereidingen om, waar nodig, bijstand en ondersteuning te kunnen verlenen. Daarbij wordt rekening gehouden met mogelijke veranderingen in migratiestromen en met bredere implicaties voor de veiligheid en stabiliteit in de regio.
De genoemde risico’s worden continu gemonitord en betrokken bij de actualisering van scenario’s, evenals in de reguliere en intensieve samenwerking binnen het Koninkrijk op het terrein van crisisbeheersing.
Is er op dit moment contact met de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten over de veiligheidssituatie in de regio? Hoe beoordeelt het kabinet de huidige risico’s voor deze rijksdelen (en de bijzondere gemeenten, indien van toepassing)?
Het kabinet houdt de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. Ik sta in nauw contact met de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en houdt hen op de hoogte van de ontwikkelingen.
Er is geen sprake van een acute militaire dreiging voor de eilanden. Desondanks werken Aruba, Bonaire en Curaçao aan verschillende scenario’s ter voorbereiding op mogelijke indirecte effecten, zoals genoemd in het antwoord op vraag 2, waaronder logistieke vraagstukken. De eilanden kunnen daarbij rekenen op ondersteuning van de Nederlandse departementen. Ook Nederland treft voorbereidingen om, waar nodig, hulp en bijstand te kunnen verlenen. Dit alles maakt onderdeel uit van de reguliere samenwerking binnen het Koninkrijk op het gebied van crisisbeheersing.
Heeft het kabinet aanwijzingen dat de spanningen kunnen leiden tot migratiestromen richting de Caribische delen van het Koninkrijk? Zo ja, welke voorbereidingen worden getroffen?
Op dit moment is er geen verhoogde instroom vanuit Venezuela. De landen in het Koninkrijk houden de migratiestromen richting Aruba, Curaçao en Bonaire goed in de gaten. De vier landen van het Koninkrijk werken op grond van het protocol versterking grenstoezicht in de Caribische landen van het Koninkrijk en de onderlinge regeling vreemdelingenketen al nauw samen op het gebied van grenstoezicht. Het Ministerie van Asiel en Migratie verricht in samenwerking met de betrokken ketenpartners zoals de Koninklijke Marechaussee, Korps Politie Caribisch Nederland, IND en de openbare lichamen de nodige activiteiten om het huidige (nood)scenario in het geval van een bovenmatige instroom van migranten, te actualiseren.
Welke belangen spelen er voor (de overzeese gebieden van) Nederland in dit conflict?
Allereerst is het van belang dat lucht- en zeeverbindingen veilig en betrouwbaar blijven. Dit is essentieel voor zowel de lokale voedselvoorziening als de economische continuïteit, waarbij het toerisme een belangrijke pijler vormt van de economieën van de eilanden.
Voor een nadere duiding van mogelijke indirecte effecten verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Hoe waarborgt het kabinet dat Nederland niet ongewild partij wordt in een conflict tussen de Verenigde Staten en Venezuela, terwijl tegelijkertijd de veiligheid van het Koninkrijk moet worden gegarandeerd?
Het Koninkrijk is niet betrokken bij de huidige militaire operatie van de Verenigde Staten. Het betreft een nationaal aangestuurde operatie van de VS. Op dit moment is er geen acute militaire dreiging voor het Koninkrijk: de acties vinden plaats buiten de territoriale grenzen van het Koninkrijk en er is geen indicatie dat Aruba, Curaçao of Bonaire betrokken raakt in een eventueel conflict. Wat betreft de veiligheid van het luchtruim van Curaçao en Aruba is op verschillende niveaus met de Verenigde Staten gesproken om herhaling te voorkomen.
Het kabinet benadrukt dat alle partijen zich moeten inspannen om verdere escalatie te voorkomen en zich dienen te houden aan het internationaal recht. Het kabinet roept, samen met andere EU-lidstaten, hiertoe op. Dit werd op 9 november 2025 ook onderschreven in de gezamenlijke verklaring van de CELAC-EU-top met Latijns-Amerikaanse – en Caribische landen.
Kunt u de Kamer een actuele risicoanalyse toezenden over de impact van dit conflict op het Koninkrijk, inclusief mogelijke gevolgen voor veiligheid, migratie, economie en diplomatieke relaties?
De actuele risicoanalyse gaat over (mogelijke) impact als gevolg van de spanningen in en rond Venezuela, zoals ook hierboven beschreven. Deze analyses bevatten vertrouwelijke informatie over dreigingsinschattingen. Om die reden zijn de onderliggende stukken niet geschikt voor openbare toezending aan de Kamer.
Kunt u deze vragen zo volledig en spoedig mogelijk beantwoorden, gezien de snelle ontwikkelingen?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Nederland levert militair materieel aan Indonesische marine, die mensenrechten schendt in West-Papoea' |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland levert militair materieel aan Indonesische marine, die mensenrechten schendt in West-Papoea»?1 Wat is uw reactie op dit artikel?
Ja. Zie onderstaande beantwoording op vragen over dit artikel.
Kunt u specifiek reageren op de bevindingen van Pointer waaruit blijkt dat de Indonesische marine wel degelijk een rol speelt bij mensenrechtenschendingen, zoals illegale uithuiszettingen en martelingen?
Het ministerie toetst elke vergunningaanvraag individueel aan de hand van de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole2 waarbij per ingediende aanvraag wordt gekeken naar de aard van de goederen, het eindgebruik en (de situatie in) het land van eindbestemming. De toetsing wordt gedaan op grond van de actuele situatie waarbij alle relevante ontwikkelingen, waaronder de mensenrechtensituatie in het land van eindbestemming, worden meegenomen.
Daaruit volgt dat om te komen tot een negatieve toetsing van het EUGS (waaronder het criterium dat ziet op het bestaan van een duidelijk risico dat de goederen gebruikt worden voor het begaan van ernstige schendingen van mensenrechten en/of het humanitair oorlogsrecht) er een duidelijk (potentieel) verband moet bestaan tussen de uit te voeren goederen en de geconstateerde zorgen. Algemene zorgen over bepaalde ontwikkelingen in een land van eindbestemming leiden niet direct tot een afwijzing van een vergunningaanvraag. Dat geldt eveneens voor de betrokkenheid van een dienstonderdeel van een krijgsmacht bij dergelijke punten van zorg. Om te komen tot een negatieve toetsing moet sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijk duidelijk risico is in de voor uitvoer naar Indonesië goedgekeurde vergunningaanvragen met als eindgebruiker de Indonesische marine niet vastgesteld; dat geldt ook voor de in het artikel van Pointer genoemde vergunningaanvragen.
Is dit nieuwe informatie voor u of was u al op de hoogte van de in het artikel genoemde aanwijzingen voor betrokkenheid van de marine bij mensenrechtenschendingen?
Voor de beoordeling van vergunningaanvragen werken diverse directies binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken nauw samen, in afstemming met de betrokken ambassade(s) en waar relevant ook met andere departementen. Ook openbare bronnen en informatie die voortvloeit uit het lokale netwerk van de ambassade(s) worden in de toetsing meegenomen.
Het ministerie is op de hoogte van de genoemde punten van zorg in de door Pointer aangehaalde bronnen. Om te komen tot een negatieve toetsing moet echter sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. In dat licht en gelet op de specifieke aard van de goederen en het eindgebruik is in de toetsingen voor eerdere afgegeven vergunningen een dergelijk risico niet vastgesteld.
Kunt u toelichten hoe u in het verleden bent gekomen tot de conclusie, zoals verwoord in brieven aan de Tweede Kamer, dat de Indonesische marine, «voor zover bekend» niet betrokken is bij mensenrechtenschendingen? Welke bronnen zijn geraadpleegd en leidden tot deze conclusie? Is de publiekelijk beschikbare informatie geraadpleegd door Pointer hierbij meegewogen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u zich ervan bewust dat het zeer moeilijk is om informatie over de situatie in West-Papoea te krijgen, omdat internationale journalisten West-Papoea niet binnen komen, lokale journalisten worden geïntimideerd, en ook de VN-mensenrechtencommissaris niet welkom is? Is het u bekend dat West-Papoea om deze reden door experts een «black box» wordt genoemd, vergelijkbaar met Tsjetsjenië, Xinjiang en Tibet?
Het is bekend dat het voor internationale journalisten lastig kan zijn om een vergunning te krijgen om naar de Papoea provincies van Indonesië te reizen. Er zijn echter verschillende organisaties die rapporteren over de mensenrechtensituatie in Indonesië, bijvoorbeeld de organisaties die worden aangehaald in het betreffende artikel van Pointer. Daarnaast heeft de ambassade een uitgebreid netwerk in de verschillende regio’s van Indonesië, inclusief de Papoea provincies, waarmee Nederland de mensenrechtensituatie in Papoea nauwlettend kan en blijft volgen.
Als er zo weinig informatie over de situatie in West-Papoea beschikbaar is, vindt u het dan van gepaste zorgvuldigheid getuigen om export toe te staan omdat de Indonesische marine «voor zover bekend» niet betrokken is bij mensenrechtenschendingen?
Wapenexportcontrole bestaat uit een zorgvuldige risicoanalyse van alle beschikbare informatie die op het moment van toetsing beschikbaar is. Om te komen tot een negatieve toetsing moet sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijk duidelijk risico is in de voor uitvoer naar Indonesië goedgekeurde vergunningaanvragen niet vastgesteld; dat geldt ook voor de in deze vraag genoemde vergunningaanvragen met betrekking tot de uitvoer van schepen en scheepsonderdelen. Ter illustratie: in het geval van de uitvoer van scheepsonderdelen is na zorgvuldige analyse geconcludeerd dat het niet in de rede lag dat het betreffende type goed gezien de aard en specificaties zal worden gebruikt voor ongewenste inzet waarover wordt bericht.
Bent u het eens dat Europese regelgeving vraagt om uitvoer niet toe te staan bij alleen al het risico op mensenrechtenschendingen? Hoe is uw ministerie in tegenstelling tot mensenrechtenexperts tot de conclusie gekomen dat dit risico niet bestaat?
Nee. Het EU Gemeenschappelijk Standpunt vraagt van lidstaten onder meer te onderzoeken of er een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen of technologie kunnen worden gebruikt voor het toepassen of faciliteren van binnenlandse onderdrukking, ernstige daden van op gender gebaseerd geweld of ernstige daden van geweld tegen vrouwen en kinderen of andere ernstige schendingen van de mensenrechten. Het kabinet erkent in algemene zin dat naleving van de, ook in de Indonesische Grondwet vastgelegde, mensenrechten op verschillende terreinen een punt van zorg is, bijvoorbeeld in de Papoea provincies van Indonesië. Ten aanzien van de voor uitvoer naar Indonesië afgegeven vergunningen geldt echter dat vanwege de aard van de uit te voeren goederen er bij de toetsingen op grond van toepasselijke juridische kaders geen duidelijk risico op ongewenst eindgebruik is vastgesteld dat deze goederen gebruikt zullen worden voor het begaan van de schendingen waarover wordt gerapporteerd.
Wapenexportbeleid is geen sanctiebeleid, waarmee eventuele afkeuring van het beleid van een ander land kenbaar wordt gemaakt. Om een dergelijk gesprek vorm te geven gebruikt het kabinet andere kanalen.
Is het onderzoek van Pointer aanleiding voor u om de uitvoer van materiaal naar de Indonesische marine te heroverwegen? Zo ja, hoe gaat u de kamer over het herbeoordelingsproces informeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat het staande wapenexportbeleid, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 1 en 2, volstaat voor een zorgvuldige controle. Met inachtneming van de algemene punten van zorg ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Indonesië is het kabinet, gelet op de aard van de onder lopende vergunningen uit te voeren goederen, niet voornemens om lopende vergunningen voor uitvoer naar Indonesië opnieuw te beoordelen.
Wordt het onderzoek van Pointer bij toekomstige beoordeling van uitvoer naar Indonesië meegewogen? Zo nee, waarom niet?
Voor de beoordeling van vergunningaanvragen maakt het kabinet gebruik van diverse informatiebronnen. Op het moment dat nieuwe informatie zich aandient, wordt ook deze informatie meegewogen; dat geldt ook voor het onderzoek van Pointer.
Bent u van plan uw Indonesische ambtsgenoot te spreken over de bevindingen uit het onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De bilaterale relatie met Indonesië is breed en hecht, wat het bespreken van de mensenrechtensituatie vergemakkelijkt. Op verschillende niveaus wordt de mensenrechtensituatie besproken, zowel in bilateraal, EU- als multilateraal verband. Daarbij kijkt het kabinet nadrukkelijk naar wat de meest effectieve wijze is om zorgen over mensenrechten over te brengen, dat geldt ook voor de bevindingen uit het onderzoek.
Deelt u de zorgen van de inzet van drones voor mensenrechtenschendingen in West-Papoea, bijvoorbeeld doordat burgers ermee worden aangevallen?2
In algemene zin deelt het kabinet de zorgen over de inzet van drones door de Indonesische strijdkrachten daar waar deze inzet door onafhankelijke berichtgeving in verband wordt gebracht met mensenrechtenschendingen. In het geval van de eerder verleende exportvergunning voor de uitvoer van drones is na zorgvuldige analyse echter geconcludeerd dat het niet in de rede lag dat het betreffende type drone, gezien de aard en specificaties, zal worden gebruikt voor ongewenste inzet waarover is bericht. Op grond van de wapenexporttoets heeft het ministerie geen gronden voor afwijzing gevonden. Ook hier geldt dat het feit dat drone-inzet heeft plaatsgevonden niet een op een wordt vertaald naar een exportverbod op alle typen drones. Die weging wordt per geval gedaan.
Kunt u uitsluiten dat door Nederland geleverde drones in Indonesië worden ingezet bij mensenrechtenschendingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u het ermee eens dat ook dual use exportvergunningen voor drones heroverwogen dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
De uitvoer van dual-use goederen voor militair eindgebruik wordt langs dezelfde lijnen beoordeeld als de uitvoer van militaire goederen. Daarmee geldt dat het kabinet van mening is dat het staande exportbeleid, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 1 en 2, volstaat voor een zorgvuldige controle. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de termijn van drie weken beantwoorden?
De vragen zijn binnen een termijn van drie weken beantwoord. Daar waar dit passend werd geacht zijn enkele vragen gebundeld.
Het artikel 'Tweede Kamer zaait twijfel over abortuszorg met twee aangenomen moties' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Becking , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er op dit moment onderhandeld wordt tussen de Raad en het Europees Parlement over de Richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten?1
Ja, dat klopt.
Kunt u de Nederlandse positie in de Raad ten aanzien van die richtlijn toelichten? Kunt u specifieke toelichting geven op het Nederlandse standpunt ten aanzien van artikel 9(3) die betrekking heeft op de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg voor slachtoffers?
De Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel voor herziening van de richtlijn is neergelegd in het BNC-fiche van 6 oktober 20232.
Met betrekking tot het Nederlandse standpunt ten aanzien van artikel 9 (3) is Nederland groot voorstander van het beschermen en ondersteunen van slachtoffers van seksueel geweld. Daaronder valt de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg en tevens toegang tot abortuszorg. Wij steunen het expliciet benoemen van toegang tot abortuszorg in de overweging bij artikel 9 (3) met een verwijzing naar het nationale recht. Het genoemde artikel en de bijbehorende overweging leiden niet tot harmonisering van wetgeving op EU-niveau.
Klopt het dat Nederland zich op ambtelijk niveau heeft uitgesproken tegen het opnemen van toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg voor slachtoffers in deze richtlijn en het expliciet benoemen van abortus in de overweging die correspondeert met dit artikel? Zo ja, waarom?
Nee, dat is niet correct. In het kader van de onderhandelingen en het meest recente voorstel van het Europese Parlement (hierna: EP) om abortus expliciet te noemen in de overweging bij artikel 9 (3), heeft Nederland aangegeven het voorstel van het EP te kunnen steunen mits wordt aangegeven dat dit een onderwerp is van nationaal recht. De juridische basis van deze richtlijn3 biedt geen grondslag om toegang tot gezondheidszorg, waaronder seksuele en reproductieve gezondheidszorg, te harmoniseren binnen de Europese Unie. Het expliciet benoemen van abortuszorg ligt echter gevoelig bij een aantal lidstaten. Nederland wil ook deze lidstaten aan boord houden om zo tot een onderhandelingsakkoord met betrekking tot een herziene richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten te komen. Daarom is de suggestie gedaan om aan te sluiten bij artikel 26 lid 2 van de reeds vastgestelde richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.4
Deelt u de mening dat Nederland als voorvechter van progressieve waarden juist voorop zou moeten lopen met het beschermen van slachtoffers van seksueel geweld, en dat toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, en specifiek abortuszorg daar een onlosmakelijk onderdeel van is?
Ja, deze mening deel ik.
Bent u bereid om dan wel op ambtelijk niveau, dan wel op ministerieel niveau van standpunt te veranderen ten aanzien van artikel 9(3) en de corresponderende overweging, in de richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en het Deens voorzitterschap daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Nee, dat is niet nodig in het licht van bovenstaande beantwoording.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk, het liefst voor 10 december 2025 te beantwoorden?
Ik heb uw vragen conform uw verzoek voor 10 december 2025 beantwoord.
Het Young Global Leader programma van het World Economic Forum |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u dit jaar toegetreden tot het zogenaamde «Young Global Leader» programma van het World Economic Forum?1
Ja.
Door wie en wanneer bent u uitgenodigd toe te treden tot de 2025 «Young Global Leaders» klas van het World Economic Forum? Was dit een schriftelijke uitnodiging? Zo ja, kan de Tweede Kamer deze uitnodiging ontvangen?
De uitnodiging is in januari 2025 per e-mail ontvangen vanuit The Forum of Young Global Leaders Foundation (YGL Foundation).
Is het correct dat u bent uitgenodigd in uw hoedanigheid van Minister? Zo nee, waarom staat dit dan letterlijk zo aangegeven op de «Young Global Leader» website? Is het kabinet op de hoogte van deze nevenfunctie?2
Nee, de nominatie voor en deelname aan het Young Global Leaders programma is op persoonlijke titel. Dat de huidige functie van deelnemers wordt vermeld op de website van het programma doet daar niets aan af. Deelname aan het programma betreft geen nevenfunctie.
Wat waren uw beweegredenen om (op deze uitnodiging in te gaan en) lid te worden van de 2025 klas met «Young Global Leaders» van het World Economic Forum?
Ik heb positief gereageerd op de uitnodiging, omdat ik het eervol vind hiervoor te zijn genomineerd en het een kans biedt om internationaal van gedachten te wisselen met getalenteerde leiders.
Kan de Tweede Kamer dit driejarige «ontwikkelingsprogramma» van de 2025 «Young Global Leader» klas waar u (namens het kabinet) onderdeel van uitmaakt ontvangen? Bij welke «thematische bijeenkomsten» bent u aanwezig geweest? Welke «academische modules» van het World Economic Forum heeft u gevolgd?
Er is geen formeel ontwikkelingsprogramma, op de website van het Young Global Leaders programma kunt u meer lezen over de bijeenkomsten en modules waar men optioneel aan kan deelnemen. Ik ben (nog) niet bij een thematische bijeenkomst van het programma aanwezig geweest en heb geen academische module gevolgd.
Het «Young Global Leader» programma verschaft daarnaast, «opportunities to contribute to strategic initiatives aligned with the World Economic Forum’s mission», op welke manier heeft u, als WEF «Young Global Leader» bijgedragen aan welke specifieke doelstellingen van het World Economic Forum? Kan de Tweede Kamer hiervan een overzicht ontvangen?
Ik heb niet bijgedragen aan specifieke doelstellingen van het World Economic Forum. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe zou het kabinet de «doelstellingen van het World Economic Forum» omschrijven?
De WEF biedt een nuttig platform voor de uitwisseling van ideeën, onderzoeksresultaten en inzichten over actuele thema’s tussen politici, wetenschappers, journalisten en vertegenwoordigers van internationale organisaties, het bedrijfsleven en ngo’s. Het biedt ook een goede gelegenheid om in bilaterale gesprekken met internationale leiders en het bedrijfsleven specifieke onderwerpen te bespreken die van belang zijn voor Nederland.
Het doel van het WEF is het bijeenbrengen van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties om gezamenlijk bij te dragen aan een betere wereld.
Kan uit het feit dat u, als Minister van Defensie, bent toegetreden tot het «Young Global Leader» programma van het World Economic Forum logischerwijs worden geconcludeerd dat het kabinet de doelstellingen van het World Economic Forum steunt? Zo nee, waarom niet?
Nee, deelname aan dit programma geschiedt op persoonlijke titel. Zie ook het antwoord op vraag 3 en 7.
Is het correct dat Klaus Schwab, de inmiddels omstreden oprichter van het World Economic Forum, op 20 september 2017 op de Harvard Kennedy School, in het openbaar te kennen heeft gegeven trots te zijn dat het World Economic Forum het Young Global Leader programma wereldwijd gebruikt om, in zijn woorden, «kabinetten te penetreren»?3
Het is niet aan mij om de woorden van dhr. Schwab te recenseren.
Vindt het kabinet het wenselijk als leden van het kabinet deelnemen aan een programma waarvan de bedenker zélf aangeeft dat het bedoeld is om wereldwijd «kabinetten te penetreren»?
Zie antwoord op vraag 9.
Is het correct dat de Koning ook een WEF «Young Global Leader» is (geweest)? Ja of nee?4
Nee.
Kunt u de bovenstaande simpele en feitelijke ja-nee-vraag met alleen «ja» of «nee» beantwoorden? Zo nee, waarom bent u daartoe maar niet in staat?
Ja.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten: «Blauwdruk voor terreur»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme bevatten en geweld tegen Joden verheerlijken?
Nederland veroordeelt alle vormen van antisemitisme en acht
antisemitische teksten in lesmateriaal onacceptabel. Dit draagt Nederland bilateraal en in EU-verband uit.
Bent u bekend met het eerder ingenomen standpunt van het Europees Parlement dat de EU alleen financiële steun op het gebied van onderwijs aan de Palestijnse Autoriteit mag verlenen als de inhoud van schoolboeken wordt afgestemd op de Unesco-normen, alle antisemitische uitingen worden geschrapt en voorbeelden die aanzetten tot haat en geweld worden verwijderd?2 Deelt Nederland deze positie ook?
Het kabinet is bekend met dit standpunt. Europese steun aan de Palestijnse Autoriteit is afhankelijk van voortgang op noodzakelijke hervormingen, waar lesmateriaal onderdeel van is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland onderschrijft dat lesmateriaal in lijn moet zijn met UNESCO-normen, zoals ook is overeengekomen tussen de Commissie en de Palestijnse Autoriteit (PA). Tijdens mijn recente bezoek aan de PA heb ik dat ook ter sprake gebracht.
Welke consequenties verbindt Nederland aan het feit dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme blijken te bevatten?
Zie antwoord op vraag 3.
Hoe verhouden antisemitische schoolboeken zich tot de zogenaamde Letter of Intent die in de zomer van 2024 is ondertekend door de Europese Commissie en de Palestijnse Autoriteit, waarin ook hervorming van het schoolcurriculum is opgenomen?
De Europese financiële steun voor de PA is afhankelijk van voortgang op de hervormingsagenda waarvan onderwijs een belangrijk aandachtspunt is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland blijft in dit kader consequent aandacht vragen voor het belang van het tegengaan van antisemitisme in schoolboeken.
Zoals in het verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken van 7 en 8 mei 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3132), is de intentieverklaring getekend door de Europese Commissie en de PA op 19 juli 2024. De verklaring bevat een strategie gericht op het stabiliseren van de PA en de economie op de Westelijke Jordaanoever, waaraan een noodsteunprogramma was verbonden van EUR 400 miljoen. De Commissie handelt bij onvoldoende voortgang. Illustratief hiervoor was het Europese besluit om in een eerder stadium nog geen geld over te maken voor de tweede tranche van het noodsteunprogramma (EUR 17.5 miljoen) vanwege onvoldoende voortgang op het implementeren van de in de intentieverklaring afgesproken «prioritaire acties» op het gebied van hervorming van het sociaalzekerheidsstelsel, waaronder betalingen aan families van gevangenen.
Er wordt consequent aandacht gevraagd voor het belang van hervormingen op het gebied van onderwijs waaronder lesmateriaal. Op 20 november jl. kwam de Europese «Palestine Donor Group» bijeen waar de Europese steun aan de PA centraal stond, inclusief gemaakte voortgang op het gebied van hervormingen. Ook hier onderstreepte zowel de Europese Commissie als Nederland het belang van voortzetten van de Palestijnse hervormingsagenda, ook op het gebied van schoolboeken. De Palestijnse Autoriteit bevestigde gecommitteerd te zijn om met de EU afgesproken hervormingen door te voeren, en UNESCO-normen te hanteren voor het schoolcurriculum. Hierover staat de PA in nauw contact met UNESCO.
Hoe wordt gecontroleerd of deze hervorming van het curriculum daadwerkelijk en effectief plaatsvindt? Wat zijn de benchmarks op basis waarvan verdere financiering aan de Palestijnse Autoriteit wordt verstrekt? Wat gebeurt er nu blijkt dat de Palestijnse Autoriteit zich niet aan de Letter of Intent houdt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat, nu er blijkbaar niks veranderd is aan de inhoud van de schoolboeken, dit direct gevolgen moet hebben voor het verstrekken van EU-(onderwijs)subsidies aan de Palestijnse Autoriteit? Bent u bereid om dit standpunt ook in Europese gremia in te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of Nederland ook zelfstandig (los van de EU-subsidies) geld steekt in onderwijs of lesmateriaal van de Palestijnse Autoriteit? Zo ja, gaat u deze subsidies direct stopzetten?
Nederland verstrekt geen subsidies op het gebied van onderwijs of lesmateriaal aan de PA.
Het bericht ‘Vader van vermoorde Ryan loopt vrij rond in Syrië, wat kan Nederland doen?’ |
|
Ulysse Ellian (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend het bericht «Vader van vermoorde Ryan loopt vrij rond in Syrië, wat kan Nederland doen»1?
Ja.
Bent u bereid concreet toe te lichten wat u kunt doen om straffeloosheid in zaken zoals deze te voorkomen? Zo ja/nee, waarom?
Over lopende strafrechtelijke procedures kan ik geen uitspraken doen. In algemene zin merk ik op dat straffeloosheid zoveel als mogelijk moet worden voorkomen, in het bijzonder waar het gaat om zeer ernstige misdrijven. Ook in zaken met een internationale context zetten alle betrokken Nederlandse autoriteiten, waaronder mijn departement, zich daartoe in. Samen met het Openbaar Ministerie wordt in zaken zoals deze gekeken naar verschillende mogelijkheden om tot gerechtigheid te komen. Een goede samenwerking met de justitiële autoriteiten in het buitenland is hierbij een aspect dat een rol speelt. Over het aangaan en versterken van deze samenwerkingsrelaties voert mijn departement waar nodig overleg met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Bent u bereid te kijken naar de mogelijkheid tot het indienen van een rechtshulpverzoek, en zo ja, acht u dit kansrijk en welke criteria hanteert u bij het indienen van rechtshulpverzoeken als er geen adequaat verdrag is met een land als Syrië? Zo nee, wat gaat u dan doen?
Over individuele strafzaken, het contact daarover met een buitenlandse autoriteit en de wijze waarop door een buitenlandse autoriteit wordt gehandeld, kan ik geen mededelingen doen.
In zijn algemeenheid kan ik toelichten dat rechtshulpverzoeken worden ingediend op verzoek van de officier van justitie of de rechter. Inzending naar het buitenland vindt plaats door tussenkomst van mijn departement als centrale autoriteit, dat in dit kader adviseert over de (on)mogelijkheden en de afweging om een verzoek al dan niet te verzenden. Daarbij wordt waar nodig het Ministerie van Buitenlandse Zaken betrokken.
Met Syrië bestaat momenteel geen justitiële rechtshulprelatie. Voor het aangaan van een dergelijke wederzijdse rechtshulprelatie is het essentieel dat er een bestendige, algemene diplomatieke relatie met een land is. Ook van belang is of een land partij is bij relevante internationale verdragen, die bijvoorbeeld zien op de naleving van fundamentele mensenrechten of op justitiële samenwerking in strafzaken. Om een verzoek tot rechtshulp in te dienen is een bepaalde mate van vertrouwen in elkaars rechtssysteem nodig. Daarnaast komen er verschillende praktische aspecten bij kijken en dient een verzoek uitvoerbaar te zijn voor het bevraagde land. Al deze aspecten gelden des te meer voor het sluiten van bilaterale rechtshulp- en uitleveringsverdragen, waar een sterke mate van wederkerigheid bij komt kijken.
Het rechtssysteem in Syrië is sinds de val van het regime van president Assad, in december 2024, nog in opbouw. Het kabinet blijft de ontwikkelingen nauwlettend volgen in het licht van een mogelijke toekomstige samenwerkingsrelatie.
Onder welke omstandigheden acht u het denkbaar dat u in overleg treedt over een rechtshulp- en/of uitleveringsverdrag met Syrië?
Zie antwoord vraag 3.
Welke andere Europese landen hebben inmiddels rechtshulpverzoeken aan Syrië gedaan en kunt u in overleg treden met deze landen om te bespreken hoe zij deze rechtshulpverzoeken hebben voorbereid en welke voorwaarden daarbij zijn gesteld?
Ik ben niet bekend met rechtshulpverzoeken die andere (Europese) landen aan Syrië hebben gedaan. Wellicht ten overvloede merk ik op dat ik geen uitspraken kan doen over de justitiële rechtshulprelaties die andere landen aangaan met Syrië.
In Europa bestaan diverse overleggremia en samenwerkingsverbanden, zowel binnen de Raad van Europa als de Europese Unie. Hierin delen landen best practices met elkaar en kunnen ervaringen over justitiële samenwerking met specifieke landen worden uitgewisseld. Nederland is vertegenwoordigd in deze overlegstructuren en neemt actief deel aan deze vormen van informatie-uitwisseling.
Bent u bereid de zaak van de vermoorde Ryan bij elk diplomatiek (ambtelijk en politiek) overleg met vertegenwoordigers van de Syrische regering blijvend onder de aandacht te brengen om straffeloosheid te voorkomen? Zo ja, kunt u de Kamer hierover periodiek informeren? Zo nee, waarom niet?
Dit is een uiterst tragische zaak. Zowel het Ministerie van Buitenlandse Zaken als mijn departement bezien of – met inachtneming van hetgeen hiervoor uiteen is gezet – en op welke gepast moment, niveau en wijze de zaak onder de aandacht gebracht kan worden bij vertegenwoordigers van de Syrische overgangsregering. Ik kan de Kamer hierover niet periodiek informeren, aangezien ik niet in kan gaan op individuele strafzaken en de al dan niet diplomatieke stappen die daarin worden gezet. Dit zou ook niet in het belang zijn van de zaak, aangezien juist vertrouwelijkheid van diplomatiek verkeer een relatie ten goede komt.
Peperdure wervingscampagnes die nauwelijks nieuwe militairen opleveren |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Follow the Money waaruit blijkt dat Defensie de afgelopen jaren miljoenen euro’s heeft uitgegeven aan wervingscampagnes, terwijl het aantal daadwerkelijk ingestroomde militairen nauwelijks stijgt?1
Ja. Ik heb het artikel gelezen, maar het geschetste beeld komt niet overeen met de werkelijkheid.
Hoeveel geld heeft Defensie sinds 2020 jaarlijks besteed aan wervingscampagnes en via welke kanalen zijn deze middelen ingezet (tv, online, social media, evenementen, etc.)?
Defensie zet sinds 2020 jaarlijks meerdere employer-branding campagnes en meer dan honderd online wervingscampagnes in. Deze campagnes vergroten de zichtbaarheid van Defensie als werkgever en richten zich op het aantrekken van sollicitanten voor een breed scala aan functies en instroomsporen, waaronder recent toegevoegde trajecten zoals het Dienjaar. De media-inzet volgt een planmatige, continu zichtbare campagnevoering en omvat onder meer tv (lineair, on-demand en streaming), radio, buitenreclame, bioscoop, dagbladen, online video, zoekadvertenties en sociale media. Daarnaast neemt Defensie deel aan arbeidsmarkt- en onderwijsbeurzen en organiseert Defensie eigen wervingsevents. Deze gecombineerde inzet leidt jaarlijks tot groei in websitebezoeken, eventinschrijvingen, unieke sollicitaties en uiteindelijk ook in het aantal aanstelbare kandidaten. De campagne is in 2025 opgeschaald om de groeiambities uit de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst; meer, beter en sneller» (Kamerstuk 33 763, nr. 161, 24 maart 2025) te ondersteunen.
2020
€ 15.030.000
2021
€ 15.065.000
2022
€ 13.505.000
2023
€ 19.808.000
2024
€ 21.864.000
2025
€ 26.352.000
Kunt u per jaar sinds 2020 inzicht geven in: a) het aantal sollicitaties, en b) het aantal daadwerkelijke aanstellingen dat volgde?
Aantal sollicitaties
16.293
14.491
18.590
20.391
24.474
22.271
Instroom
3.645
3.941
3.404
3.800
4.326
4.896
In het antwoord beperken we ons tot beroepsmilitairen. De aantallen sollicitaties (bovenste rij) hebben betrekking op kandidaten die via de reguliere weg (via het dienstencentrum personeelslogistiek) hebben gesolliciteerd. De instroomcijfers (onderste rij) omvatten daarnaast ook kandidaten die direct vanuit de civiele arbeidsmarkt bij Defensie worden aangesteld zonder voorafgaande initiële militaire opleiding (zogeheten «horizontale instroom»).
NB: Tot en met 2024 is het aantal sollicitaties weergegeven, waarbij één persoon meerdere sollicitaties kan hebben ingediend. In 2025 betreft dit het aantal «unieke sollicitanten».
Hoe verklaart u het grote verschil tussen het aantal sollicitaties dat campagnes opleveren en het beperkte aantal nieuwe aanstellingen?
Er is geen een-op-een verband te leggen tussen de campagnes en het aantal aanstellingen. Tussen een sollicitatie en een aanstelling vindt een zorgvuldig selectie- en keuringsproces plaats waarin wordt vastgesteld of kandidaten psychisch en fysiek geschikt zijn.
Het grootste deel van de uitval vindt plaats in een vroege fase van het selectieproces. Kandidaten ontvangen voorafgaand aan een uitnodiging voor psychologisch onderzoek uitgebreide vragenlijsten. Wanneer hieruit blijkt dat antwoorden strijdig zijn met de militaire basiseisen, worden kandidaten niet uitgenodigd voor het verdere keuringsproces.
Van de kandidaten die door deze voorselectie komen en worden uitgenodigd voor het basispsychologisch onderzoek, wordt de een groot deel geschikt bevonden. Het percentage kandidaten dat na deze fase aanstelbaar wordt verklaard, bedraagt circa 66% voor beroepsmilitairen, 69% voor reservisten en 65% voor dienjaarmilitairen.
Een aanstelbaarverklaring leidt echter niet automatisch tot een aanstelling. De daadwerkelijke aanstelling is mede afhankelijk van beschikbare opleidingscapaciteit, startmomenten van opleidingen, veiligheidsonderzoeken en het aantal beschikbare startfuncties. Daarnaast besluit een deel van de kandidaten gedurende het proces alsnog ervan af te zien om bij Defensie in dienst te treden, bijvoorbeeld omdat zij kiezen voor een andere loopbaan of persoonlijke omstandigheden wijzigen. Deze kandidaten komen daardoor niet op en worden niet aangesteld.
Door het vergroten van de capaciteit en productiviteit van selectie- en keuring, het differentiëren in functie-eisen waar dat verantwoord kan, en het structureel versterken van opleidings- en instructiecapaciteit in combinatie met het moderniseren van het onderwijs, neemt Defensie maatregelen die ertoe moeten leiden dat meer mensen sneller kunnen worden aangesteld.
In hoeverre zijn er binnen Defensie harde prestatie-indicatoren geformuleerd voor het meten van de effectiviteit van wervingscampagnes?
Defensie hanteert verschillende prestatie-indicatoren om de effectiviteit van wervingscampagnes te meten. Wij volgen onder andere het bereik en de waardering van de campagne in de doelgroep, reclameherinnering, boodschap-overdracht, mediaperformance, het aantal bezoeken op www.werkenbijdefensie.nl, het aantal sollicitaties per instroomspoor, de conversie naar keuring en aanstelling en de ontwikkeling van de totale personele sterkte.
Voor deze indicatoren zijn geen harde streefcijfers vastgesteld. De realisatie van de aanstellingsopdracht geldt als harde KPI voor alle wervingsinspanningen; de ontwikkelingen van de overige indicatoren monitoren we en op basis daarvan sturen we continu bij om de wervingsinzet te optimaliseren.
Erkent u dat Defensie er niet in slaagt haar personeelsdoelen te halen, ondanks een groeiend budget en intensieve marketing? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit fundamentele probleem aan te pakken?
Defensie groeit aantoonbaar; tussen 1 januari en 1 december 2025 – dit zijn 11 maanden – is de personeelsomvang toegenomen met 5.567 voltijdsequivalenten (VTE’n) naar 79.913 VTE’n, terwijl tegelijkertijd de vrijwillige uitstroom laag blijft.
Tegelijkertijd is voor de schaalbare krijgsmacht in 2030 meer menskracht nodig dan nu beschikbaar is. Daarom neemt Defensie aanvullende maatregelen, zoals aangekondigd in de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst; meer, beter en sneller». Dat doen we onder meer door het opschalen van instroomsporen (Dienjaar, VeVa, Nationale Weerbaarheidstraining, reservisten), het vergroten van de capaciteit en productiviteit van selectie- en keuring, het differentiëren in functie-eisen waar dat verantwoord kan, en het structureel versterken van opleidings- en instructiecapaciteit in combinatie met het moderniseren van het onderwijs. Op 17 november 2025 heeft Defensie een intentieverklaring gesloten met civiele opleiders om de instructie- en opleidingscapaciteit structureel uit te breiden. Deze samenwerking zorgt ervoor dat Defensie sneller kan opschalen, innovatief kan opleiden en dat operationele eenheden inzetbaar blijven.
Is er bij de recente stijging van het defensiebudget ook geïnvesteerd in versnelde opleidingstrajecten, aangepaste instroomprofielen of bredere toelatingseisen? Zo ja, met welk resultaat?
Ja. Defensie investeert gericht in de hele keten van werving, selectie en opleiding. Dit gebeurt onder meer door uitbreiding van de keuringscapaciteit en psychologische selectie, het inrichten van extra selectie- en keuringslocaties, het aantrekken van externe opleidingscapaciteit en het moderniseren van opleidingen. Daarnaast differentieert Defensie in functie-eisen en verruimt Defensie leeftijdsgrenzen waar dat verantwoord is, bijvoorbeeld voor vlootpersoneel van de Marine en grondpersoneel van de Luchtmacht. Deze maatregelen dragen bij aan de groei van opgeleid en inzetbaar personeel. We zijn niet van plan meer opleidingstrajecten of instroom instrumenten te ontwikkelen, maar juist de bestaande optimaal te benutten en te schalen.
Wat is uw reactie op de analyse uit het artikel van Follow the Money dat het merendeel van de reservistenprogramma’s zich richt op «hoger opgeleiden», dat er veel minder geld gaat naar de VeVa-opleidingen en dat de VeVa in de praktijk geen vooropleiding is en geen voorrang geeft bij Defensie?
Ik herken het geschetste beeld niet. Defensie richt zich in haar personeelsbeleid op verschillende doelgroepen, met instroomsporen voor zowel mbo-, hbo- als wo-opgeleiden. VeVa vormt een heel belangrijk mbo-spoor: van de VeVa-studenten die tussen 2010 en 2020 zijn gestart, is 43 procent doorgestroomd naar een initiële opleiding bij Defensie. Circa 19 procent van alle beroepsmilitairen heeft een VeVa-achtergrond; bij manschappen en onderofficieren jonger dan 35 jaar is dit ongeveer 38 procent. VeVa is geen vooropleiding met formele voorrangsposities, maar biedt een doorlopende leerlijn die het beroepsbeeld en de basisvaardigheden versterkt en daarmee de keuze voor Defensie vergroot.
Voor VeVa is geen afzonderlijk programmabudget inzichtelijk, omdat de uitvoering is verweven met de reguliere bedrijfsvoering van Defensie. Er is wel afzonderlijk budget beschikbaar voor de stagevergoedingen aan VeVa-leerlingen tijdens de beroepspraktijkvorming (BPV) bij de operationele commando’s. Deze uitgaven aan uitvoering van de beroepspraktijkvorming bedragen circa 7 miljoen euro per jaar. Een significant aantal medewerkers van Defensie wordt direct en specifiek ingezet voor de begeleiding, coördinatie en regievoering van VeVa. Dit betreft de militair instructeurs op de ROC’a, alle BPV-commandanten en hun medewerkers voor de BPV-begeleiding, en alle stage- en onderwijscoördinatoren vanuit de operationele commando’s en defensieonderdelen.
De analyse dat reservistenprogramma’s zich uitsluitend of voornamelijk op hoger opgeleiden zouden richten, is niet juist. Zo zet Defensie met Defensity College (hbo/wo), het Dienjaar (mbo, hbo, wo) en de Nationale Weerbaarheidstraining (hbo/wo-minor en mbo-keuzendeel) in op jongeren en studenten die anders niet snel voor een loopbaan bij Defensie zouden kiezen. Defensie ontwikkelt en benut reservistenschillen juist in de volle breedte van de krijgsmacht, met functies voor zowel mbo-profielen als hbo- en wo-opgeleiden. De groei van de reservistenschil tot 20.000 in 2030 vraagt om een divers aanbod van reservistenfuncties, variërend van operationele ondersteuning en technische inzetbaarheid tot specialistische rollen op het gebied van ICT, cyber, geneeskundige zorg en beleidsmatige ondersteuning. Daarnaast zien we ook veel jongeren met een hbo- of wo-profiel die er juist voor kiezen om als reservist praktisch in gezet te worden bij de Natres of infanterie bewaken en beveiligen. De totale reservistenschil bestaat daarmee uit een breed samengesteld personeelsbestand dat aansluit bij de behoefte van de krijgsmacht.
Welke belemmeringen in de keten (zoals capaciteit opleidingen, veiligheidsscreenings, keuringseisen) spelen volgens u voornamelijk een rol bij het feit dat vacatures bij Defensie onvoldoende ingevuld worden?
De belangrijkste belemmeringen in de keten zijn de capaciteit en doorlooptijden van selectie en keuring, de duur van veiligheidsonderzoeken, de beschikbare opleidings- en instructiecapaciteit en randvoorwaarden als huisvesting, kleding en uitrusting. Een deel hiervan volgt uit wettelijke kaders, zoals de Wet op de medische keuringen en procedures voor veiligheidsonderzoeken. Daarnaast wil Defensie in korte tijd substantieel opschalen, terwijl uitbreiding van infrastructuur, instructiecapaciteit en ondersteunende voorzieningen tijd vergt.
Deelt u de mening dat meer geïnvesteerd moet worden in het wegnemen van de belemmeringen in de keten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen onderneemt u daarvoor?
Ik deel de mening dat het wegnemen van belemmeringen in de keten essentieel is om de personeelsdoelen te halen. Hiertoe zijn diverse maatregelen genomen. Defensie investeert nadrukkelijk in het vergroten van selectie- en keuringscapaciteit, in het uitbreiden van opleidingscapaciteit en het moderniseren van het onderwijs, in samenwerking met civiele opleidingspartners, in het wegnemen van onnodige regels voor externe opleiders en in het verbeteren van materiële randvoorwaarden. Daarnaast werkt Defensie via de beoogde Wet op de Defensiegereedheid aan meer flexibiliteit in het keuringsproces, onder meer door keuringen eerder in het proces te kunnen uitvoeren en keuringsgegevens langer te mogen gebruiken.
Klopt het dat de uitstroom van militairen ongeveer 25 procent hoger ligt dan ingecalculeerd?
Nee, dat beeld klopt niet. In 2025 stroomden er tot en met november minder beroepsmilitairen uit dan verwacht. Daarnaast bedraagt het percentage van het personeelsbestand dat Defensie in 2025 op eigen verzoek verlaat 3,1 procent van de totale bezetting, exclusief leerlingen in initiële opleidingen. Dit percentage ligt aanzienlijk lager dan het percentage van circa 5 procent irregulier verloop waarmee de sector Rijk rekent en lager dan in het bedrijfsleven. Uiteraard kan de uitstroom per doelgroep per jaar fluctueren, maar er is geen sprake van een structurele overschrijding van de ramingen met 25 procent.
Is er bij de recente stijging van het defensiebudget ook geïnvesteerd in het beter faciliteren van zittend personeel om die te kunnen behouden? Zo ja, met welk resultaat?
Ja. Met de stijging van het defensiebudget investeert Defensie niet alleen in werving, maar juist ook in behoud van alle medewerkers. Dit gebeurt onder meer via modernisering van arbeidsvoorwaarden, leer- en ontwikkelmogelijkheden, de invoering van de continue dialoog en strategische personeelsplanning, verbeterde loopbaanbegeleiding via het Dienstencentrum Employability, investeringen in veilige en passende uitrusting (zoals scherfwerende vesten voor vrouwelijke militairen) en het verbeteren van leiderschap en organisatiecultuur. Het resultaat is onder meer een lage vrijwillige uitstroom van 3,1 procent en het feit dat ongeveer 70 procent van de dienstverlaters aangeeft (heel) tevreden te zijn over het werk bij Defensie.
Deelt u ten slotte de mening dat voor het behalen van de doelstellingen voor 2030 (en daarna) een meer verplichtend karakter in het kader van opkomstplicht noodzakelijk zal zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke plannen heeft u hiertoe in voorbereiding?
Ik deel die mening niet. In mijn Kamerbrief «Start Defensie-enquête» (Kamerstuk 36 592, nr. 45, 22 september 2025) heb ik u daarover geïnformeerd. De belangstelling om bij Defensie te dienen neemt toe en de vrijwillige uitstroom is laag. Dat geeft ons het vertrouwen dat we de krijgsmacht met een vrijwillig dienmodel kunnen blijven vullen. In de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst» heb ik uw Kamer geïnformeerd over de aanvullende maatregelen die Defensie neemt om versneld te veranderen en te groeien naar een voortdurend inzetgerede en schaalbare krijgsmacht.
We moeten ons echter op verschillende scenario’s voorbereiden. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat de verwachte groei achterblijft bij de prognoses, of dat de veiligheidssituatie verder verslechtert en Defensie sneller moet groeien dan nu voorzien. Om die reden ontwikkelt Defensie een dienmodel dat kan meebewegen met de dreiging. Dat betekent: in staat zijn om (snel) op te schalen in aanloop naar een conflictsituatie, en weer kunnen afschalen in een periode na een conflict.
De Defensie-enquête is een instrument om sneller zicht te krijgen op potentiële instroom en, waar nodig, gefaseerd naar een meer verplichtend karakter toe te werken. De eerste stap, de vrijwillige enquête, is in september gestart. De herinvoering van de opkomstplicht is in uiterste instantie een juridisch beschikbare optie, maar ik ben ervan overtuigd dat er effectievere en meer gerichte manieren zijn om de personele gereedheid te verhogen. Een krijgsmacht waarin mensen bewust en vrijwillig voor dienst kiezen, blijft moreel en operationeel sterker.
Het bericht dat de Franse rechter van het Internationaal Strafhof, Nicolas Guillou, op de Amerikaanse sanctielijst staat |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nicolas Guillou, French ICC judge sanctioned by the US: «You are effectively blacklisted by much of the world’s banking system»»?1
Ja.
Was u al bekend dat, naast de hoofdaanklager, ook rechters van het internationaal strafhof op de Amerikaanse sanctielijst staan?
Ja. Als gastland van het Internationaal Strafhof (ISH) staat Nederland in nauw contact met het Hof en er vinden zeer regelmatig gesprekken plaats met de meest relevante functionarissen over de (mogelijke) gevolgen van de sancties. Nederland heeft in die hoedanigheid ook alle rechters die in het afgelopen jaar zijn gesanctioneerd uitgenodigd voor een gesprek.
Bent u bekend met de totale schaal en aard van Amerikaanse sancties jegens het internationaal strafhof? Zo ja, wilt u deze met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Sinds februari 2025 zijn er door de Verenigde Staten sancties opgelegd tegen de hoofdaanklager van het ISH. In de loop van het jaar zijn vervolgens ook sancties opgelegd tegen de beide plaatsvervangend aanklagers, acht rechters, een aantal non-gouvernementele organisaties en een Speciaal Rapporteur van de Verenigde Naties. Er zijn geen sancties opgelegd tegen het ISH zelf.
Deelt u de mening dat Nederland, als gastland van het strafhof, een speciale verantwoordelijkheid heeft om de goede werking van het strafhof te garanderen? Zo ja, hoe draagt u hier momenteel aan bij? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven2, heeft Nederland als gastland van het ISH een aantal bijzondere verplichtingen om ervoor te zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan functioneren. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.3 Daarnaast is het Koninkrijk der Nederlanden één van de momenteel 125 partijen bij het Statuut van Rome. In het afgelopen jaar is het kabinet in beide hoedanigheden op verschillende terreinen betrokken geweest bij de mitigatie van de gevolgen van de sancties en de inzet op de preventie van verdere sancties. Voor een nadere toelichting op deze inzet verwijst het kabinet graag naar de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025 inzake de inzet tijdens de jaarlijkse Vergadering van verdragspartijen.4
Staat u nog steeds achter het antwoord dat Minister Brekelmans namens u gaf op mondelinge vragen op 20 mei 2025, namelijk: «Er wordt een beeld geschetst alsof het Strafhof volledig stil zou liggen en niet meer zou functioneren. Dat is niet het beeld dat wij krijgen in ons contact met het Strafhof. Er worden wel degelijk activiteiten voortgezet.»? Zo ja, welke activiteiten vinden nu nog volledig doorgang? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de sancties de gesanctioneerde ambtsdragers van het ISH in hun persoonlijke leven treffen, is het Hof vooralsnog in staat geweest om de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten, zowel in Nederland als in de verschillende landen waar het Hof actief is. Zo is in maart jl. de voormalige Filipijnse president Duterte door het ISH in hechtenis genomen en voorgeleid aan de rechters.5 In juli jl. is de strafzaak in eerste aanleg tegen twee verdachten uit de Centraal-Afrikaanse Republiek afgerond.6 In september jl. heeft het Hof voor het eerst bij verstek een hoorzitting inzake de bevestiging van de tenlastelegging gevoerd tegen de oprichter van de Oegandese Lord's Resistance Army, Joseph Kony.7 In oktober jl. is de strafzaak in eerste aanleg tegen een verdachte uit Soedan afgerond.8 Begin december heeft het ISH de Libische verdachte El Hishri in hechtenis genomen en voorgeleid aan de rechters.9 Voor een meer volledig overzicht verwijst het kabinet graag naar het jaarverslag van het ISH en het jaarverslag van het Parket van de Aanklager.10
Bent u bereid slachtoffers van Amerikaanse sancties, werkzaam bij het Internationaal strafhof, die momenteel grote moeite hebben met financiële diensten, te ondersteunen om alternatieve financiële faciliteiten te vinden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zowel het kabinet als het Hof houden de gevolgen van de sancties nauwlettend in de gaten. Met de doorlopende steun van de verdragspartijen bij het Statuut van Rome, waaronder gastland Nederland, worden de gevolgen hiervan door het Hof zo goed als mogelijk gemitigeerd. Zo staat Nederland bijvoorbeeld in contact met het Nederlandse bedrijfsleven, onder meer om zogenaamde overcompliance te voorkomen. Wegens de vertrouwelijkheid kan er niet in detail worden getreden over de inhoud van deze gesprekken.
Bent u bereid om het strafhof, door sancties gehinderd in haar ICT-mogelijkheden, alternatieve ICT-faciliteiten aan te bieden, eventueel binnen de systemen van de Nederlandse rijksoverheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de reactie op de moties Dobbe en Paternotte in de Kamerbrief van 1 december 2025, ligt er momenteel geen verzoek van het Hof aan Nederland om alternatieve ICT-diensten aan te bieden.11 Voor een nadere toelichting verwijst het kabinet graag naar deze Kamerbrief.
Welke diplomatieke contacten zijn er, Europees en bilateraal, met de Amerikanen geweest sinds de instelling van de sancties en wat hebben deze opgeleverd?
Sinds de instelling van de sancties hebben Nederland en andere verdragspartijen doorlopend contact gehad met de Verenigde Staten. Zo zijn de Nederlandse zorgen over de sancties onder de aandacht gebracht bij Amerikaanse gesprekspartners, waaronder de Amerikaanse Secretary of State Rubio. Ook op hoogambtelijk niveau is Nederland terzake in gesprek met de Verenigde Staten en ook andere EU-lidstaten brengen het belang van het ISH op in de bilaterale contacten met de Verenigde Staten. Aangezien het van groot belang is dat de 125 verdragspartijen er samen voor zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan blijven functioneren, verwelkomt het kabinet het feit dat de Vergadering van verdragspartijen begin december jl. alle verdragspartijen heeft aangemoedigd om de dialoog met de VS voort te zetten.
Zijn er op dit moment nog diplomatieke inspanningen om sanctieverlichting te bereiken?
Zie het antwoord op vraag 8. Vanwege het vertrouwelijke karakter van deze gesprekken kan het kabinet hier verder niet op ingaan.
Deelt u de mening dat de VS zich momenteel positioneert als vijand van de internationale rechtsorde? Zo ja, welke consequenties heeft dit voor het bondgenootschap met de VS? Zo nee, hoe duidt u dit dan?
De trans-Atlantische relatie is cruciaal voor de Europese veiligheid en welvaart. Ondanks uitdagingen, zoals de sancties die zijn opgelegd tegen ambtsdragers van het ISH, is het belangrijk een positieve relatie met de VS te onderhouden en in te zetten op een diplomatieke oplossing.
De Eurobarometer |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het volgende artikel: «De Eurobarometer tekent systematisch een te positief beeld van de EU»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de bewering, gedaan in dit artikel, dat, vanwege een sterke oververtegenwoordiging van hoger opgeleiden in de (Nederlandse) steekproef van de Eurobarometer en een sterke non-reponse bias de Eurobarometer structureel en systematisch een (veel) te positief beeld van de Europese Unie geeft? Deelt u deze conclusie? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt kwalitatief hoogwaardig opinieonderzoek belangrijk. Het is daarbij van belang dat bij opiniepeilingen verantwoording wordt afgelegd over de methodologie en steekproefselectie. Het Eurobarometer-onderzoek waar het nieuwsbericht naar verwijst (EP Winter 2025 survey), bevat uitleg over de methodologie en technische specificaties over hoe de streekproefselectie tot stand is gekomen.2 Het is verder niet aan het kabinet om zich uit te spreken over de uitvoering van dit opinieonderzoek.
Bent u ermee bekend dat zowel de opdrachtgever van de Eurobarometer als het onderzoeksbureau dat het onderzoek in Nederland uitvoert (Verian) door de auteurs van het bovengenoemde stuk zijn benaderd en daarmee dus weliswaar van dit probleem op de hoogte zijn gesteld, maar desalniettemin te kennen gaven dat «continuïteit» voor hen belangrijker was (dan accuraatheid) en daarom weigeren het onderzoek aan te passen? Wat vindt u van deze opstelling? Is, wat opinieonderzoek betreft, voor u continuïteit ook belangrijker dan accuraatheid?
De Eurobarometer is een opinie-instrument dat regelmatig wordt gebruikt in alle EU-lidstaten in opdracht van de Europese Commissie, het Europees Parlement en andere EU-instellingen en agentschappen om inzicht te krijgen in de publieke opinie in de EU-lidstaten. Het is verder niet aan het kabinet om zich uit te spreken over de uitvoering van opinieonderzoek.
Bent u bekend met dit artikel van het Max Planck Instituut getiteld «How the Eurobarometer blurs the line between research and propaganda»?2
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de conclusie van dit artikel, namelijk dat in de Eurobarometer door middel van selectie en framing van vragen, ongebalanceerde antwoordopties, insinuerende vragen, alsmede het strategisch verwijderen van vragen, systematisch een te rooskleurig beeld wordt gegeven van de publieke opinie met betrekking tot de Europese Unie in het algemeen en het doel van een «ever closer union» in het bijzonder? Deelt u de conclusie van dit (wetenschappelijk) artikel? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Maakt u zich zorgen over de kwaliteit van de Eurobarometer? Zo nee, waarom niet? Indien dit wel het geval is, wat gaat u met deze zorgen doen? Bent u bijvoorbeeld bereid de Europese Unie te bevragen over de betrouwbaarheid van de Eurobarometer? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Wordt de Eurobarometer door de rijksoverheid, bijvoorbeeld in beleidsstukken, Kamerbrieven of door instellingen zoals het CBS en SCP, als bron gebruikt? Zou het niet beter zijn hiermee te stoppen, niet alleen omdat de Eurobarometer inmiddels zo omstreden is, maar ook omdat het er sterk op lijkt dat de Eurobarometer niet een neutraal opinieonderzoek maar een propaganda-instrument van de Europese Unie is (geworden)?
In algemene zin gebruikt de Rijksoverheid voor beleidsstukken, Kamerbrieven en andere stukken informatie vanuit verschillende perspectieven en die herleidbaar is naar de bron. Informatie dient zoveel mogelijk onafhankelijk geverifieerd te kunnen worden. Op basis van deze informatie worden ambtelijke adviezen opgesteld waarbij het vervolgens aan de Minister is om een politieke afweging te maken.
Kunt u de bovenstaande zeven vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het CPB-rapport 'Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven' |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Vincent Karremans (VVD), Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat op een termijn van 1–4 jaar «de hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten en geen extra toename van het bbp bewerkstelligen.»?1
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Het kabinet onderschrijft niet de stelling dat hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten. Tegelijkertijd erkent het kabinet wel de door het CPB geschetste beperkingen voor extra economische groei op de korte termijn (1–4 jaar) in de Nederlandse context. Deze beperkingen hangen samen met structurele knelpunten, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, ruimtelijke beperkingen en het risico op verdringing van bestaande economische activiteiten. Het CPB wijst er bovendien op dat de macro-economische effecten mede afhangen van de wijze van financiering (schulden, ombuigingen of belastingen), waarover besluitvorming aan een volgend kabinet is.
Defensie zet momenteel stappen op verschillende punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–20292 wordt ingezet op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en op de gerichte opschaling van deze industrieën. Daarnaast kunnen defensie-investeringen bijdragen aan regionale economische activiteit, bijvoorbeeld rond defensielocaties en innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dergelijke investeringen kunnen leiden tot positieve economische spill-overeffecten, onder meer voor lokale ondernemers. Tegen deze achtergrond is de Nederlandse defensie-industrie tussen 2022 en 2023 gegroeid van circa € 5,7 mld. naar € 7,7 mld.
Daarbij merkt het kabinet op dat een belangrijk deel van de economische effecten van defensie-investeringen zich vooral op de middellange en lange termijn zal voordoen. Positieve economische effecten ontstaan vooral wanneer deze inzet gepaard gaat met gerichte investeringen in R&D, het realiseren van schaalvoordelen en het benutten van Nederlandse comparatieve voordelen, zoals uitgewerkt in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waar u verschillen ziet? Bijvoorbeeld ten aanzien van de onderliggende methodologie (literatuuronderzoek), de gebruikte data of de daaruit volgende conclusie.
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat we een «once in a generation» kans hebben om toe te groeien naar de afgesproken NAVO-norm van 3,5% én tegelijkertijd onze Nederlandse en Europese (defensie-)industrie te versterken?
Wij delen de opvatting dat de huidige situatie een bijzondere gelegenheid biedt om zowel de NAVO-norm van 3,5% defensie-uitgaven te realiseren als de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken. Het is een kans om op een strategische manier te investeren in nationale veiligheid, noodzakelijke capaciteiten en technologische vernieuwing. Defensie en EZ werken samen met de Nederlandse industrie en onze NAVO-bondgenoten aan het benutten van de kansen voor de industrie.
Kunt u een overzicht geven van de knoppen waaraan uw ministeries op de korte (1–4 jaar) en langere termijn (5–15 jaar) kunnen draaien om de «defensie-multiplier» te verhogen?
Er zijn verschillende knoppen die benut (kunnen) worden om de economische effecten van Defensie-uitgaven op de (midden)lange termijn zo gunstig mogelijk te maken:
Tot slot geldt dat het oplossen van algemene knelpunten in de Nederlandse economie eraan bijdragen dat de bovenstaande knoppen tot minder verdringing van andere economische activiteiten plaatsvindt wanneer uitgaven aan defensie worden verhoogd.
Kunt u aangeven welke van deze knoppen u als meest kansrijk ziet? Kunt u een inschatting geven op hoofdlijnen aan de hand van de variabelen moeite (inclusief kosten) en impact?
Met de D-SII 2025–2029 heeft het kabinet reeds een belangrijke stap gezet om zowel de nationale en internationale veiligheid te garanderen als de economische baten te verhogen. Dit wordt gedaan door gecombineerde inzet op de beschreven knoppen. Dit draagt bij aan een sterke Nederlandse Krijgsmacht die een technologische voorsprong heeft op potentiële tegenstanders en toegang behoudt tot hoogwaardig, betaalbaar materieel waarbij leveringszekerheid noodzakelijk is. Ook zal de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie in de tweede helft van 2026 een advies uitbrengen dat hier rekenschap van zal geven.
Kunt u aangeven welke initiatieven er vanuit uw ministeries ten aanzien van deze knoppen lopen?
Zie beantwoording vraag 4.
Het artikel 'William uit Aadorp werd ziek door werk bij Defensie, toch wordt zijn claim afgewezen' |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «William uit Aadorp werd ziek door werk bij Defensie, toch wordt zijn claim afgewezen»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u aangeven of in soortgelijke gevallen als William het mogelijk is om met alleen een schriftelijk bewijs van een diagnose door een bevoegd arts te voldoen aan de bewijslast voor een claim?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 19 december 20242 wordt een diagnose van een arts in principe geaccepteerd binnen de TSB. De inhoud van onderliggend onderzoek is niet nodig. De diagnose wordt niet overgedaan. Wel moet de diagnose zijn van één van de ziekten op de Lijst beroepsziekten van de TSB.3 Wat de situatie bij allergisch beroepsastma lastig maakt, is dat artsen zelden die complete diagnose stellen. Een arts stelt dan bijvoorbeeld wel de diagnose astma, maar niet allergisch astma. Of wel een allergisch astma, maar zonder te benoemen door welk allergeen. In Nederland hebben meer dan 500.000 volwassenen de diagnose astma.4 Om te waarborgen dat de middelen van de TSB terechtkomen bij de doelgroep, is het noodzakelijk om bepaalde kaders te stellen.
Klopt het dat de zogenoemde sensibilisatietest niet langer vereist is voor het toekennen van een claim? Deelt u de mening dat het onwenselijk is wanneer aanvragen toch stranden op deze test, terwijl deze volgens de nieuwe regeling niet meer toegepast zou moeten worden?
Als een aanvrager allergisch astma heeft, maar niet duidelijk is welk allergeen de astma veroorzaakt, is voor de TSB nodig dat dit wordt onderzocht. Om een toekenning te krijgen, moet het allergeen op het werk aanwezig zijn. De aanvrager laat hiervoor een sensibilisatietest doen. Zonder deze test is niet vast te stellen of het allergeen voorkomt op de werkvloer of in de privésfeer. Dit soort onderzoek wordt niet volledig gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet. Om te voorkomen dat deze kosten terechtkomen bij aanvragers, is er financiering vanuit een tijdelijke pilot. Hierover heb ik uw Kamer eerder geïnformeerd.5
Hoeveel aanvragen voor compensatie zijn er sinds de start van de regeling ingediend en hoeveel daarvan zijn afgewezen? Kunt u daarnaast aangeven in hoeveel gevallen de afwijzing (mede) gebaseerd was op het niet (voldoende) kunnen aanleveren van onderliggend onderzoek zoals de sensibilisatietest?
Sinds de start van de regeling zijn circa 900 aanvragen voor een tegemoetkoming ingediend. Van de ingediende aanvragen zijn ongeveer 600 aanvragen beoordeeld. Van de beoordeelde aanvragen is 34% toegekend. Onderliggend onderzoek ontbreekt met name voor de beroepsziekten allergisch beroepsastma en voor CSE. Voor allergisch beroepsastma geldt dat in 70–75% van de aanvragen onderliggend onderzoek niet is aangeleverd. Voor CSE geldt dat in 20–25% van de aanvragen informatie ontbreekt.
Bij beroepsziekten zoals allergisch beroepsastma en CSE zijn bepaalde onderzoeken onmisbaar om de beroepsziekte vast te stellen. Die onderzoeken moeten gedaan zijn voor het ontvangen van een toekenning uit de TSB. Het is niet de bedoeling de diagnose opnieuw te stellen, maar in de diagnosebrief moeten de conclusies of resultaten van de uitgevoerde onderzoeken zijn beschreven. Anders kan het Deskundigenpanel niet bevestigen dat sprake is van de beroepsziekte.
In een brief van 26 maart schrijft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid: «Ik heb besloten om de eerder afgewezen aanvragers actief te informeren over de wijziging van de regeling. Zij kunnen een nieuwe aanvraag indienen na ingang van de wijziging, 1 juli 2025.» (Kamerstuk 25 883, nr. 523) Kunt u toelichten op welke wijze deze actieve informatievoorziening wordt ingericht en hoe wordt gewaarborgd dat alle betrokkenen daadwerkelijk bereikt worden?
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft alle eerder afgewezen aanvragers6 tussen de start van de regeling en 1 juli 2025 schriftelijk benaderd. In die brief staat uitgelegd dat de aanvrager opnieuw een aanvraag kan indienen. Ook staat in de brief dat de aanvrager voor meer informatie kan bellen met het Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke stoffen (ISBG).
Bent u bereid om alle eerder afgewezen aanvragers actief te benaderen en hen expliciet te wijzen op de mogelijkheid om na 1 juli 2025 opnieuw een aanvraag in te dienen?
De Sociale Verzekeringsbank heeft alle eerder afgewezen aanvragers7 al actief benaderd, en daarbij expliciet gewezen op de mogelijkheid opnieuw een aanvraag in te dienen.
De economische impact van extra defensie-uitgaven volgens het Centraal Planbureau (CPB). |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel – op basis van onderzoek van het CPB – over de beperkte economische impact van extra defensie-uitgaven?1
Ja, Defensie is bekend met het artikel en de studie van het CPB waarover deze rapporteert.
Hoe beoordeelt u het CPB-onderzoek dat de meeste defensie-investeringen geen economische groei in Nederland zullen opleveren?
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Als gevolg van de toenemende dreigingen in Nederland en Europa, groeide de Nederlandse Defensie-industrie tussen 2022 en 2023 fors van 5,7 naar 7,7 miljard. Defensie zet momenteel stappen op veel van de punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–2029 zet Defensie in op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en daarmee ook op de opschaling van deze industrieën. Ook draagt Defensie positief bij aan lokale economieën rond defensielocaties en regio’s met innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dit tot meer positieve economische spill-over effecten zal leiden, bijvoorbeeld voor lokale ondernemers.
Defensie vindt het van groot belang dat er vanuit verschillende invalshoeken wordt nagedacht over de optimale koers van het beleid en volgt publicaties zoals deze daarom nauwlettend. In de tweede helft van 2026 wordt de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-Industrie gepresenteerd. Dit betreft een advies over de opgave omtrent de opschaling van de defensie-industrie. Daarin wordt ook gekeken naar economische effecten van uitgaven aan Defensie, de resultaten van o.a. dit CPB-rapport worden daarin meegenomen.2
Wat is uw plan om te voorkomen dat extra investeringen slechts zullen leiden tot een budget-stapeling zonder operationele verbetering?
De Defensienota 2024 geeft inzicht in de investeringen die nodig zijn om de krijgsmacht de komende jaren te versterken.3 Defensie versterkt zowel de gevechtskracht die nodig is om een groot conflict te voorkomen en zo nodig te kunnen voeren en winnen, als ondersteunende capaciteiten om inzet lang vol te houden. Hierbij is het van belang dat Defensie beschikt over het juiste personeel. Daarom richten investeringen zich ook op mensen en goed werkgeverschap om de organisatie te laten groeien en schaalbaar te maken.
De Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) benadrukt het belang van het opschalen van de defensie-industrie in Nederland en Europa. Dit stelt Defensie beter in staat om de bestaande behoeften in te vullen. Dit betekent meer investeren in het vergroten van de productie- en leveringszekerheid, waarbij meer uitgaven aan Defensie ook moeten bijdragen aan het versterken van de eigen economie. Defensie gaat extra investeren in de 5 NLD gebieden (kwantum, slimme materialen, intelligente systemen, ruimtevaarttechnologie, sensoren) en in de maritieme maakindustrie. Deze technologische gebieden zijn gebaseerd op de behoeften van de krijgsmacht en de (potentiële) sterktes van de Nederlandse economie. Deze technologische focusgebieden zijn niet alleen voor Defensie van belang, maar brengen ook zogeheten spill-over effecten naar de bredere economie met zich mee en dragen bij aan de Nederlandse kenniseconomie.
Waarom kiest het kabinet ervoor om Nederlandse investeringsuitgaven grootschalig te besteden in het buitenland?
Zoals hierboven genoemd, zet Defensie met de D-SII in op industrieversterkend inkopen in Nederland, en daarmee ook op de opschaling van Nederlandse industrieën. Dit draagt bij aan het verlagen van de importafhankelijkheid. Het CPB geeft aan dat dit tot meer positieve economische effecten kan leiden. Defensie schat hierbij in dat Nederland een significante bijdrage kan leveren aan de Europese veiligheid door te investeren in technologieën met een sterk dual-use karakter, zoals drones of slimme materialen. Defensie speelt in op economische sterktes van Nederland, creëert daarmee kansen voor aangrenzende industrieën en jaagt daarmee innovatie en groei in bestaande ecosystemen aan. Daarnaast werkt Defensie hard aan vraagbundeling binnen Europa om schaalvoordelen te realiseren en de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken.
Wanneer Defensie materieel importeert wordt ingezet op Industriële Participatie, wat inhoudt dat Defensie met buitenlandse leveranciers afspreekt dat de Nederlandse industrie of kennispartners bij orders wordt betrokken. Het Ministerie van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het Industrieel Participatiebeleid. Zij maakt afspraken met buitenlandse leveranciers om de Nederlandse industrie en kennisinstellingen onder andere bij orders te betrekken. Zo zijn in het kader van de aanschaf van onderzeeboten afspraken met de leverancier gemaakt die er mede voor zorgen dat tijdens de productiefase ruim € 1 miljard aan opdrachten bij de Nederlandse industrie terechtkomt.4 Ook bij andere aanschaftrajecten wordt participatie van de Nederlandse industrie verzekerd, zo verkrijgt de Nederlandse industrie op jaarbasis opdrachten met een waarde van ruim € 200 miljoen in samenhang met de verwerving van de F-35.5
Defensie zet bij de inkoop meer in op single-source inkoop, door toepassing van WVEU 346, wat het mogelijk maakt gericht te sturen op de herkomst van producten. Daardoor kan snel en gericht in Nederland worden ingekocht. Met een Government-to-Government office en actieve business development werkt Defensie ook actief aan het aansporen van export door de Nederlandse industrie.
Bent u bereid een plan te ontwikkelen om de Nederlandse defensie-industrie te versterken zodat er minder Nederlands belastinggeld naar het buitenland lekt?
De D-SII geeft richting aan het versterken en opschalen van de Nederlandse Defensie en Technologische Industriële Basis (NLDTIB). Defensie zet sterk in op het opschalen van de Nederlandse defensie-industrie om de productie- en leveringszekerheid te vergroten. Defensie zal herkomst en tijdigheid van levering zwaarder meewegen bij de aanschaf van materieel. Dit zal de Nederlandse industrie in staat stellen een groter aandeel van de uitgaven aan Defensie te absorberen. Zoals hierboven genoemd, zal de D-SII bijdragen aan het verlagen van de importafhankelijkheid. Defensie is echter primair verantwoordelijk voor het garanderen van de veiligheid van Nederland en in Europa. Dat betekent dat er ook materieel in het buitenland wordt aangeschaft.
Met het inzetten van de productielocatie van VDL, eerder een leegstaande hal, vindt nu economische activiteit plaats. Ook investeert Defensie onder andere middels het SecFund in nieuwe start- en scale ups waardoor ecosystemen worden opgebouwd en de Nederlandse industrie een grotere rol speelt bij de opschaling van de krijgsmacht. Met de C-UAS challenge daagt Defensie bedrijven uit om met innovatieve oplossingen te komen waarmee Defensie in haar behoeften kan voorzien. Zie ook vraag 8 hieronder over de inzet van Defensie op technologie.
Hoe voorkomt u een verdere krapte op de arbeidsmarkt doordat defensie extra personeelsleden probeert te werven?
Defensie herkent de arbeidsmarktkrapte uitdagingen die in Nederland spelen en heeft hier aandacht voor bij de groeiopgave. De huidige geopolitieke situatie vraagt om een groei van het aantal militairen om als Defensie in NAVO-verband geloofwaardig te kunnen afschrikken. Daarom bouwt Defensie aan een schaalbare krijgsmacht die in 2030 bestaat uit 100.000 mensen en wanneer nodig schaalbaar is naar maximaal 200.000 mensen. Die schaalbare capaciteit wordt vooral ingevuld door reservisten. Door in te zetten op het vergroten van het aantal reservisten kan Defensie het personeelsbestand uitbreiden terwijl de gevolgen voor de arbeidsmarkt beperkt blijven. Reservisten blijven werkzaam bij hun dagelijkse werkgever en zetten zich daarnaast deeltijd in voor Defensie. Reservisten werken bij allerlei verschillende bedrijven en nemen hun kennis niet alleen mee naar Defensie en nemen ook vaardigheden mee terug naar hun civiele werk. Zoals ook wordt toegelicht in de Stand van Defensie is een versnelling nodig om de doelstellingen op het gebied van de personele opschaling te behalen.
Kunt u uitsluiten dat de extra defensie-uitgaven worden gefinancierd middels lastenverzwaringen die een negatief effect zullen hebben op de Nederlandse economie, zoals het CPB waarschuwt?
Besluitvorming over de financiering van de extra defensie-uitgaven is aan een volgend Kabinet. Het budgetrecht ligt bij het parlement en daar zal dan ook het definitieve besluit over de defensie-uitgaven worden genomen.
Waarom investeert defensie relatief weinig in zogeheten «dual-use» technologie, die dus ook de civiele innovatie versterkt?
In lijn met de D-SII investeert Defensie veel in dual-use. Dat betreft enerzijds investeringen in dual-use technologieën en fundamenteel onderzoek op basis van de 10 basisgebieden. Anderzijds betreft dit investeringen in de 5 NLD-gebieden waar Defensie de rol vervult van smart developer en launching customer. Defensie heeft recent geïnvesteerd in diverse instrumenten6 die erop gericht zijn om kennis, technologie en innovaties op het gebied van dual-use bij start-ups, MKB en kennisinstituten (TO2, universiteiten, hogescholen). Nederland besteedt 1,3% van haar Defensiebegroting aan Research & Technology (R&T) en houdt dit vast als minimum. R&T bestedingen kunnen bredere economische spill-over effecten hebben. Ook als onderdeel van materieelprojecten worden investeringen in innovatie gedaan.
Hoe verklaart u dat het kabinet defensie-uitgaven presenteert alsof ze economische groei zouden genereren, terwijl het CPB nu duidelijk laat zien dat dit niet tot nauwelijks het geval is?
Het CPB laat zien dat de Nederlandse economie krapte ervaart die het effect op de economie van Defensie-uitgaven beperken. De bijdrage kan echter hoger uitvallen als de juiste omstandigheden worden gecreëerd. Zoals aangegeven werkt Defensie aan beleid waarvan aannemelijk is dat het de multiplier zal verhogen, bijvoorbeeld door in te zetten op opschaling van de defensie-industrie in Nederland, meer middelen beschikbaar te maken voor innovatie, o.a. gericht op fundamenteel onderzoek en dual-use. Uitgaven gericht op innovatieve sectoren zoals space kunnen positieve economische effecten hebben voor de bredere maatschappij. Ook wordt het «weglek-effect» verkleind doordat wordt ingezet op het opschalen van de defensie-industrie binnen Nederland en Europa. Tot slot geldt ook dat uitgaven aan Defensie van belang zijn om economische schade door geopolitieke instabiliteit te verminderen door middel van geloofwaardige afschrikking. Het CPB-onderzoek benadrukt dit ook.
Bent u bereid transparanter te zijn over de beperkte impact die extra defensie-investeringen zullen hebben op de Nederlandse economie?
Ja, Defensie is hier zeker toe bereid. Defensie heeft recentelijk een onderzoek in opdracht gegeven om beter inzicht te krijgen in de brede economische effecten van de opschaling zodat deze effecten, zonder concessies aan de veiligheid, zo hoog mogelijk te houden. Ook de EBA Defensie-industrie, die voor de zomer 2026 wordt gepubliceerd, zal ingaan op de economische effecten van defensie-uitgaven.
Deelt u de opvatting dat defensie-investeringen – waar mogelijk – zo veel mogelijk ten goede zouden moeten komen aan de Nederlandse economie en de Nederlandse defensie-industrie?
Zie Kamerstuk 31 125 134 en de beantwoording vraag 5.
Kunt u inzichtelijk maken wat de gevolgen zijn voor de arbeidsmarkt wanneer defensie inzet op uitbreiding van het personeelsbestand?
Zie beantwoording vraag 6.
Bent u bereid om de focus veelal te leggen op Nederlandse productie en industrie in plaats van het buitenland?
Zie beantwoording vraag 5.
Kunt u een transparante kosten-effectiviteitsanalyse opstellen waarin duidelijk wordt in hoeverre extra uitgaven zorgen voor daadwerkelijke weerbaarheid en veiligheid van Nederland?
De doelstelling van de NAVO om 3,5% van het bbp aan Defensie uit te geven berust op een uitgebreide analyse van de capabilities die de NAVO nodig heeft om de veiligheid en afschrikking binnen het verdragsgebied te garanderen. Defensie vult deze opgave in via uitgaven aan zaken als personeel, materieel en onderhoud. Defensie houdt in de aanschaf rekening met een aantal zaken, waaronder de kosteneffectiviteit van de uitgaven. Uw Kamer is eerder dit jaar geïnformeerd over het NAVO-planningsproces waarin tevens aandacht werd besteed aan de financiële consequenties van deze doelstellingen.7 In de Stand van Defensie rapporteert Defensie over het totaalbeeld van de voortgang van de doelstellingen.8
Hoe verhouden de investeringen in materieel, zoals wapensystemen en voertuigen, zich tot de met name digitale bedreiging zou vormen?
Defensie werkt aan het versterken van haar capaciteiten in alle domeinen: land, lucht, zee, ruimte en cyber. Het digitale domein is randvoorwaardelijk en ondersteunend aan al deze domeinen. Op al deze gebieden worden investeringen gedaan die Defensie in staat stellen haar missie effectiever te vervullen. De Defensienota 2024 en de Digitale Transformatie Strategie9 beschrijven de investeringen die worden gedaan om de huidige doelstellingen te vervullen. Defensie stelt zich met deze investeringen in staat om samen met onze bondgenoten alle relevante dreigingen het hoofd te bieden. Met het Defensieprojectenoverzicht 2025 is uw kamer geïnformeerd over de aanschaf van materieel.10
Hoe verantwoord u dat Nederlandse belastingmiddelen vooral buitenlandse defensie-industrieën – en daarmee hun weerbaarheid – versterken?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, zet Defensie sterk in op het opschalen van de Nederlandse defensie-industrie om de productie- en leveringszekerheid te vergroten. Dit zal de Nederlandse industrie in staat stellen een groter deel van de uitgaven aan Defensie te absorberen. Defensie is echter primair verantwoordelijk voor het garanderen van de veiligheid van Nederland en van onze bondgenoten. Dat betekent dat er ook materieel in het buitenland kan worden aangeschaft. We kopen vaker dezelfde producten als onze bondgenoten. Wat goed is voor hen, is ook goed voor ons (en andersom). Nederland schaft daarbij hoofdzakelijk materieel aan bij nauwe bondgenoten, met voorkeur in Europa en anders bij NAVO-partners. Partners van Nederland schaffen ook in Nederland zaken aan. Bovendien positioneren we Nederlandse industrie in het buitenland door toepassing van Industriële Participatie.
Ziet u mogelijkheden om Nederlandse belastingmiddelen meer in te zetten voor de Nederlandse defensie-industrie en de Nederlandse weerbaarheid?
Ja, zie beantwoording vraag 4 en 5.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat defensie-uitgaven maximaal rendabel zijn?
Defensie zorgt er allereerst voor dat haar uitgaven maximaal rendabel zijn in relatie tot de capabilities die nodig zijn om onze veiligheid te garanderen. Dit zijn capabilities waarover binnen het NATO Defence Planning Process (NDPP) afspraken worden gemaakt om ervoor te zorgen dat bondgenoten samen het NAVO-grondgebied kunnen verdedigen. Daarmee wordt voorzien in een cruciale voorwaarde voor een gezonde economie. Tegelijkertijd zal Defensie oog hebben voor kansen om door middel van verhoogde aanschaf in Nederland en inzet op innovatie positieve economische effecten te garanderen. Onderzoeken zoals het CPB-rapport bieden inzichten die Defensie helpen economische kansen te benutten. Echter blijft de missie van Defensie om de veiligheid te garanderen daarbij leidend. Het versterken van de defensie-industrie draagt daaraan bij; minder strategische afhankelijkheid en leveringszekerheid dragen ook bij aan afschrikking.
De Nederlandse klimaatfinanciering aan ontwikkelingslanden |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving waaruit blijkt dat Nederland in de rapportage over internationale klimaatfinanciering projecten meerekent die niet primair gericht zijn op klimaatmitigatie of -adaptatie, zoals programma’s op het gebied van gezondheid, cultuur of voedselzekerheid?1
Ja.
Kunt u toelichten welke criteria het kabinet hanteert bij het bepalen of een project of programma meetelt als klimaatfinanciering, en hoe wordt vastgesteld welk deel van een projectbudget wordt toegerekend aan klimaatdoelen?
De klimaatrelevantie van internationale projecten wordt op drie manieren bepaald:
Erkent u dat het toerekenen van delen van bredere ontwikkelingsprojecten aan klimaatfinanciering het risico met zich meebrengt dat de werkelijke omvang van de Nederlandse bijdrage aan klimaatmaatregelen in kwetsbare landen wordt overschat?
Nederland zet zich er voor in een realistische inschatting te maken van klimaatrelevantie van bredere ontwikkelingsprojecten. De Rio-marker systematiek is een internationaal erkende en op dit moment de meest efficiënte methode om deze inschatting te maken. Het kabinet erkent dat het meten van klimaatfinanciering op basis van de Rio-markers op activiteitniveau soms kan leiden tot een wat hogere of lagere schatting van de gerealiseerde klimaatimpact. De gedachte is dat de over- en onderschatting binnen het gehele portfolio elkaar in balans houden en de markers zo op portfolioniveau de best mogelijke weergave geven van de klimaatrelevantie.
Hoeveel publieke middelen heeft Nederland in het meest recente verslagjaar aangemerkt als internationale klimaatfinanciering, uitgesplitst naar mitigatie, adaptatie en gemengde projecten?
Van de publieke klimaatfinanciering in 2024 kwam EUR 659 miljoen (62%) ten goede aan klimaatadaptatie en EUR 352 miljoen (33%) ten goede aan klimaatmitigatie. Van EUR 59 miljoen (5%) is niet gespecificeerd of dit ten goede kwam aan mitigatie of adaptatie (cross-cutting).3
In hoeverre bestaan de Nederlandse bijdragen aan klimaatfinanciering uit schenkingen (giften) dan wel uit leningen of andere financiële instrumenten die moeten worden terugbetaald?
De Nederlandse publieke klimaatfinanciering bestaat bijna volledig uit schenkingen (giften). Een deel van de bijdragen aan de multilaterale ontwikkelingsbanken of bijvoorbeeld de staatsfondsen bij de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO heeft de vorm van een kapitaalaanvulling of een revolverende schenking.
Bij de privaat gemobiliseerde klimaatfinanciering is sprake van meer diversiteit in de financieringsvorm. Van de privaat gemobiliseerde klimaatfinanciering in 2024 (exclusief de financiering vanuit de multilaterale ontwikkelingsbanken) betreft 40% een lening, 25% een garantie, 17% een schenking en 18% is een restcategorie. De gedetailleerde uitsplitsing kunt u vinden op pagina 61 van de Nederlandse private mobilisatie rapportage in 2024.4
Hoe verklaart het kabinet dat Nederland achterblijft bij andere ontwikkelde landen in het leveren van klimaatfinanciering aan armere landen, terwijl juist de rijkste landen hiervoor verantwoordelijk zijn?2
Het klopt niet dat Nederland achterblijft bij andere ontwikkelde landen in het leveren van klimaatfinanciering. Binnen de EU is Nederland, na Duitsland, Frankrijk en Spanje, in absolute cijfers de vierde donor als het gaat om het verstrekken van publieke klimaatfinanciering.6 Ook het Overseas Development Institute (ODI) constateerde in 2025 dat Nederland zijn bijdrage aan internationale klimaatfinanciering levert en plaatst Nederland als 7e op een ranglijst van in totaal 23 landen.7
Welke stappen onderneemt Nederland om ervoor te zorgen dat klimaatfinanciering daadwerkelijk ten goede komt aan de landen en gemeenschappen die het meest kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering?
Nederland zet zich actief in om de kwetsbaarheid van landen en gemeenschappen voor de gevolgen van klimaatverandering te verminderen. In 2024 kwam dan ook 62% van de publieke Nederlandse klimaatfinanciering ten goede aan adaptatie. Naar verwachting zal zowel het aandeel als het bedrag voor klimaatadaptatie binnen de Nederlandse publieke klimaatfinanciering verder groeien door groeiende klimaatrelevantie van de inzet op vooral water en voedselzekerheid. Nederland sluit hiermee goed aan op de uitkomst van de 30e Conferentie van Partijen (COP30) bij het Klimaatverdrag, in Belém, Brazilië, waarin wordt opgeroepen tot versterkte inzet op adaptatiefinanciering. Dit past ook bij de bredere aanmoediging van deze COP om gezamenlijk toe te werken naar een verdriedubbeling van de totale financiering voor adaptatie in 2035 binnen de kaders van het afgesproken klimaatfinancieringsdoel.
Uit een onderzoek van de Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) in de deelstudie «Financiële toezeggingen in transitie» (Nederlandse klimaatfinanciering voor ontwikkeling 2016–2019, Kamerstuk 32 813, nr. 811) blijkt dat 60% van de publieke klimaatfinanciering ten goede komt aan lage inkomenslanden en, met een gedeeltelijke overlap, 25% aan fragiele landen. Het kabinet heeft geen reden om aan te nemen dat deze percentages sindsdien sterk zijn gewijzigd.
In hoeverre is de door Nederland gerapporteerde klimaatfinanciering additioneel ten opzichte van de reguliere middelen voor ontwikkelingssamenwerking, en hoe wordt deze additionaliteit gecontroleerd en verantwoord?
De discussie over de betekenis van nieuw en additioneel heeft nooit geleid tot een internationaal geaccepteerde definitie. Ontwikkeling die geen rekening houdt met het klimaat is geen bestendige ontwikkeling; en zonder klimaatbeleid wordt ontwikkeling tenietgedaan. De rapportage van de Nederlandse klimaatfinanciering is transparant en volgt zoveel mogelijk de internationaal (in OESO-verband) afgesproken methodes. Doordat de Nederlandse publieke klimaatfinanciering bijna volledig uit giften bestaat en zich voor een groot deel op adaptatie richt, wordt deze over het algemeen positief beoordeeld. De review van het eerste Biennial Transparency Report (BTR) van Nederland onder het Akkoord van Parijs is tijdens COP30 in Bélem succesvol afgesloten. De transparantie van de rapportage laat de ruimte aan ontvangende landen om de Nederlandse bijdrage kritisch te beoordelen.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering dat Nederland in vergelijking met andere Europese landen relatief weinig publieke klimaatfinanciering bijdraagt aan ontwikkelingslanden, gemeten naar nationale welvaart en historische uitstoot?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6, is deze constatering onjuist. In vergelijking met andere Europese landen levert Nederland relatief veel publieke klimaatfinanciering.
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van alle door Nederland als klimaatfinanciering opgevoerde projecten over de afgelopen drie jaar, inclusief de onderliggende motivering voor hun klimaatdoelstelling en de gehanteerde verdeelsleutel per project?
Ik verwijs u graag naar het online klimaatdashboard.8 Deze openbare database geeft inzicht in de Nederlandse publieke klimaatfinanciering en alle onderliggende programma’s in 2024 en de voorgaande jaren (vanaf 2020). Daarbij is zichtbaar gemaakt welke klimaatrelevantie is meegegeven aan de programma’s (inclusief verdeling adaptatie en mitigatie) en kan worden doorgeklikt naar onderliggende documentatie, zoals de beoordeling die aan de goedkeuring van de activiteit ten grondslag heeft gelegen.
De walvis- en dolfijnenjacht op de Faeröer-eilanden |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de walvisjacht van Fuglafjørður, zoals gedocumenteerd door Sea Shepherd, waarbij 285 grienden van 300–400 dieren werden gedood, wat leidt tot een totaal van 992 gedode walvisachtigen op de Faeröer-eilanden in 2025?1 Wat vindt u hiervan?
Ja, ik heb hier kennis van genomen. Ik betreur de jacht die in september heeft plaatsgevonden ten zeerste en ben van mening dat deze jaarlijkse jacht niet acceptabel is.
Kunt u bevestigen dat walvis- en dolfijnenslachtingen in strijd zijn met de Europese dierenwelzijnsregels en met de internationale overeenkomst on the Conservation of Small Cetaceans of the Baltic and North Seas (ASCOBANS), waarin de Faeröer eilanden geen partij zijn, maar Denemarken wel? Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van Denemarken bij de dolfijnenslachtingen in het licht van deze verdragen?
Het ASCOBANS beschermings- en beheerplan dat als annex is toegevoegd aan de tekst van de Overeenkomst zegt: «de Partijen zullen streven naar het instellen van (a) het verbod onder nationale wetgeving om het opzettelijk nemen en doden van kleine walvisachtigen waar dit niet al in werking is, en (b) de verplichting tot directe vrijlating van elk dier dat levend en in goede gezondheid gevangen is. Maatregelen om deze regels te handhaven zullen op nationaal niveau worden uitgewerkt.»
De Faeröer-eilanden zijn Deense overzeese gebiedsdelen met een eigen beleid op dit gebied. Lidstaten hebben een eigen verantwoordelijkheid om bij traditionele evenementen op een juiste wijze om te gaan met dieren. Als autonoom onderdeel van het Koninkrijk Denemarken zijn de Faeröer-eilanden zelf verantwoordelijk voor het beheer van hun natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van de jacht op walvisachtigen.
De Faeröer-eilanden liggen weliswaar buiten het ASCOBANS gebied, het betreft echter wel dezelfde populaties als uit het ASCOBANS-gebied. Daarom zijn er, op verzoek van de ASCOBANS Adviescommissie, waar Nederland vicevoorzitter van is, meerdere brieven gestuurd aan de Faeröerse overheid om met de oproep om te stoppen met deze jacht. In reactie op de meest recente brief van 16 november 2023, stuurde de Faeröerse overheid 26 augustus 2024 een brief met een informatief memo waarin zij aangeven dat de jacht op grienden en witflankdolfijnen onderhevig is aan een wetenschappelijke beoordeling over de toestand van de populaties en dat quota worden bepaald aan de hand van die beoordelingen. Deze beoordelingen worden uitgevoerd en periodiek herzien in het kader van de Noordoost-Atlantische Zeezoogdieren Commissie (NAMMCO). In 2025 zou een nieuwe beoordeling worden gedaan, die tellingen uit 2015 en 2024 meeneemt. Dit proces wordt nauwkeurig gevolgd door zowel de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) als ASCOBANS.
Bent u bereid Denemarken er op aan te spreken dat deze jachten strijdig zijn met internationale afspraken over de bescherming van walvisachtigen, en te verzoeken dat Denemarken maatregelen neemt om een einde te maken aan de Grindadráp? Zo nee, waarom niet?
In 2021 heeft de Nederlandse ambassadeur in Denemarken hier meerdere gesprekken over gevoerd met de Faeröerse vertegenwoordigers. Tijdens deze gesprekken is de boodschap overgebracht dat Nederland deze jacht niet acceptabel vindt. Als reactie hierop is door de Faeröerse vertegenwoordigers duidelijk gemaakt dat zij zich zeer bewust zijn van de internationale kritiek, maar hebben zij ook aangegeven dat zij handelen binnen de kaders van internationale afspraken en dat de meerderheid van de Faeröerse bevolking op dit moment geen voorstander is van een verbod. Dit zou op termijn kunnen veranderen, omdat de jongere generatie minder waarde hecht aan de traditionele jacht. Nederland zal waar opportuun blijven pleiten voor een totaalverbod op de jacht.
Bent u bereid om Denemarken aan te spreken op het steunen van de dolfijnen- en walvisslachtingen en de Europese Commissie op te roepen eveneens in actie te komen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 ook aangegeven, zijn de Faeröer-eilanden Deense overzeese gebiedsdelen met een eigen beleid op dit gebied. De Faeröer eilanden vallen niet onder de reikwijdte van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Nederland heeft in 2021 wel, samen met een aantal andere lidstaten en de Europese Commissie, het initiatief genomen om vanuit de Europese Raadswerkgroep voor de walvisjacht een statement te sturen naar de Faeröerse overheid. Dit statement was een reactie op de uitzonderlijk grote slachting van witflankdolfijnen in september 2021. In navolging hierop is dit statement aan alle IWC Verdragspartijen gestuurd en op de IWC website gepubliceerd2. Dit statement veroordeelt de jacht, roept op om deze te stoppen en vraagt om een grondig onderzoek naar deze casus en vraagt daarbij ook om een bredere evaluatie van alle jacht op walvisachtigen. In reactie op onder andere dit statement, heeft de wetenschappelijke commissie van de IWC hun aanbeveling herhaald dat er geen levende vangsten of oogst van kleine walvisachtigen mogen worden goedgekeurd totdat een volledige beoordeling van de status van de soort is gemaakt. Ook sprak de wetenschappelijk commissie van de IWC haar zorg uit over de hoge aantallen gedode witflankdolfijnen. Juist voor deze soort werken de IWC en ASCOBANS samen om de bedreigingen voor de populatie beter in beeld te brengen.
Hoe ziet u de rol van Nederland in het internationaal bevorderen van de bescherming van walvisachtigen, bijvoorbeeld via de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) en binnen de Verenigde Naties, in het licht van deze recente gebeurtenissen?
Zie ook mijn antwoord op vragen 2 en 4. Nederland is actief lid binnen de International Whaling Commission (IWC) en de Overeenkomst ter bescherming van kleine walvisachtigen in de Noordzee, Oostzee en Noordoost-Atlantische Oceaan (ASCOBANS). Nederland is groot voorstander van de bescherming van alle walvisachtigen en zal zich daar voor blijven inzetten.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het volgende overleg met Denemarken en/of binnen de EU over dit onderwerp? Zo nee, waarom niet?
Nederland zal dit punt blijven agenderen in de bilaterale gesprekken met Faeröerse overheid en in internationale fora. Aangezien dit in lijn zal zijn met voorgenoemde standpunten, zie ik geen noodzaak om de Kamer nogmaals te informeren.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een gezamenlijk optreden tegen de walvis- en dolfijnenjacht op de Faeröer-eilanden, bijvoorbeeld door de kwestie te agenderen bij de Raad Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook in mijn antwoord op vraag 4 aangegeven, heeft mijn voorganger dit actief bepleit in de Raadswerkgroep voor de walvisjacht. Dit zal ik blijven doen in die Raadswerkgroep, die daar het meest geëigende forum voor is.
De opname van scope 3 uitstoot in Nederlandse milieueffectbeoordelingen naar aanleiding van de recente Noorse rechtszaak hieromtrent |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de rechtszaak tegen de Noorse staat die Greenpeace en Natur og Ungdom op vrijdag 14 november 2025 hebben gewonnen waarin het gerechtshof Borgarting mede op grond van een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) d.d. 28 oktober 2025 heeft bevestigd dat de vergunningen voor drie olievelden door de rechtbank ongeldig zijn omdat de scope 3-uitstoot niet in de milieueffectbeoordeling beoordeeld was?1, 2
Ja, deze rechtszaak is bekend.
Bent u op de hoogte van het advies van het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) van 21 mei 2025, waarin het Hof stelt dat in het kader van richtlijn 2011/92/EU de milieueffectbeoordeling voor een project om gas of olie te winnen, ook de uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van de verbranding van de gewonnen olie en gas die vervolgens aan een derde partij zijn doorverkocht (scope 3 uitstoot) als effect mee in beschouwing moet nemen?3
Ja, het advies van het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) is bekend.
Wat vindt u van de conclusie van de Noorse rechter d.d. 17 november 2025, het advies van het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie d.d. 21 mei 2025 en het EHRM dat scope 3 meegenomen moet worden in de milieueffectbeoordeling?
Het kabinet kan de redenatie van het EHRM en het EVA-hof volgen en begrijpt uit de uitspraak van het EHRM, waarin ook de eerdere uitspraak van het EVA-hof is betrokken, dat bij de beoordeling van het wel of niet toestaan van de winning eveneens de scope 3 emissies moeten worden betrokken. Op dit moment wordt de uitspraak van het EHRM nader bestudeerd om precies in kaart te kunnen brengen wat dit betekent voor bijvoorbeeld de vergunningverlening. Om die reden kunnen niet alle vragen die het lid van Oosterhout stelt nu al worden beantwoord. Uiterlijk einde eerste kwartaal 2026 zullen de uitkomsten van de nadere analyse met de Kamer worden gedeeld.
Onderschrijft u de conclusie van de gerechtshoven in deze verschillende rechtszaken dat in het licht van richtlijn 2011/92/EU de opname van scope 3 juist voor het informeren van burgers van belang is?
Op dit moment wordt de uitspraak bestudeerd. U wordt hierover uiterlijk eind eerste kwartaal van 2026 nader over geïnformeerd.
Bent u zich ervan bewust dat dergelijke rechtszaken internationaal steeds vaker voorkomen en leiden tot de conclusie dat scope 3 meegenomen moet worden in een milieueffectbeoordeling voor nieuwe olie- of gaswinningsprojecten, zoals bijvoorbeeld in 20 juni 2024 in het Verenigd Koninkrijk4 en recent op 13 november 2025 in Denemarken?5
Ja, daar is het kabinet zich van bewust.
Welke risico’s ziet u voor de vergunningsverlening door de overheden in Nederland, gegeven dat voornoemde uitspraken gebaseerd zijn op een ook in Nederland geldende richtlijn en in het licht van eerdere veroordelingen van de Nederlandse staat omwille van falend klimaatbeleid?
Op dit moment worden de uitspraken nog nader bestudeerd om de gevolgen voor de vergunningverlening in kaart te brengen. Daarom is het nog niet mogelijk om conclusies te trekken over de risico’s voor de vergunningverlening.
Klopt het dat scope 3 op dit moment nog niet systematisch meegenomen wordt in milieueffectbeoordelingen bij vergunningverleningen voor nieuwe olie en gas velden?
Ja, dat klopt. Op dit moment worden de scope 3-emissies niet meegenomen bij het verlenen van vergunningen voor nieuwe olie- of gaswinning.
Welk gewicht geeft u momenteel aan scope 3-uitstoot in beslissingen voor vergunningen?
Op dit moment worden scope 3 emissies niet betrokken bij de beoordeling van aanvragen voor het winnen van aardgas of aardolie.
In welke mate is de Staat kwetsbaar in reeds lopende en mogelijke toekomstige rechtszaken tegen bestaande en toekomstige door de Staat verleende vergunningen, waarbij scope 3 niet is meegenomen in de milieueffectbeoordeling, bijvoorbeeld in de aanvraag van de NAM om onder de Waddenzee aardgas te winnen vanuit Ternaard?
Op dit moment worden de uitspraken nog nader bestudeerd om de gevolgen voor de vergunningverlening in kaart te brengen. Daarbij wordt ook gekeken naar reeds lopende en mogelijke toekomstige rechtszaken tegen bestaande en toekomstige door de Staat verleende vergunningen. Het verzoek tot instemming met het winningsplan voor Ternaard wordt ingetrokken. Hierover is de Kamer op 28 november jl. geïnformeerd.6
Onderschrijft u dat het risico op dergelijke rechtszaken meegenomen zou moeten worden in de afweging om nieuwe vergunningen te verlenen voor nieuwe gasboringen in Nederland en dat scope 3 meegenomen moet worden in de milieueffectbeoordeling? Zo ja, hoe neemt u dit mee in uw afweging? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij het antwoord op vraag 9 aangegeven vindt op dit moment nadere bestudering plaats van de gevolgen van de uitspraak van het EVRM voor de vergunningverlening waarbij ook wordt gekeken naar reeds lopende en mogelijke toekomstige rechtszaken tegen bestaande en toekomstige door de Staat verleende vergunningen.
Gaat u naar aanleiding van deze rechtszaken aanvullende eisen stellen aan de vergunningverlening voor fossiele winning als het gaat om scope 3-uitstoot? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wat zijn de gevolgen van deze uitspraken voor mogelijke vergunningverlening specifiek voor gaswinning in het Waddengebied?
Op basis van de Mijnbouwwet kan geen nieuwe gaswinning meer worden toegestaan in het Natura 2000-gebied Waddenzee. De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft dan ook geen gevolgen specifiek voor gaswinning in het Waddengebied.
Gezien deze zoveelste klap voor fossiele energiebronnen die de noodzaak voor een versnelde transitie naar hernieuwbare energie nog maar eens onderschrijft, welk bijkomend beleid stelt u voor om die transitie verder te versnellen?
Dit kabinet heeft stevige klimaatambities die in lijn zijn met de afspraken zoals vastgelegd in het Parijsakkoord. Daarom is in het coalitieakkoord afgesproken om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn. Een streefdoel van 55% reductie in 2030 is ook verankerd in de nationale Klimaatwet. Het belang van aardgas zal in lijn met de klimaatambities structureel en zo snel als mogelijk moeten afnemen maar ook dan zal er nog geruime tijd een zekere behoefte aan gas in de energievoorziening blijven bestaan. De energietransitie is namelijk niet van de ene op de andere dag geregeld. Om ervoor te zorgen dat Nederland haar klimaatdoelstelling bereikt, stuurt het kabinet reeds op het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen. Hierbij wordt ingezet op energiebesparing en de opwek van hernieuwbare energie via onder meer zon en wind. Ook wordt er volop ingezet op de ontwikkeling van kernenergie. Zolang Nederland nog aardgas nodig heeft, gaat de voorkeur uit naar gas gewonnen uit eigen bodem, in plaats van import van aardgas in de vorm van LNG. Eigen geproduceerd gas heeft een lagere CO2-voetafdruk en het maakt Nederland minder afhankelijk van andere landen.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voorafgaand aan het commissiedebat Gasmarkt en leveringszekerheid op 10 december 2025?
Ja.
Een gat in de steun aan Oekraïne |
|
Eric van der Burg (VVD), Fatimazhra Belhirch (D66), Kati Piri (PvdA), Maes van Lanschot (CDA), Laurens Dassen (Volt), Don Ceder (CU), Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangenomen motie van het lid Boswijk c.s. waarin de regering verzocht werd zich ervoor in te blijven spannen dat er geen ongewenste gaten vallen in de militaire steun aan Oekraïne?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat een deel van het budget voor militaire steun aan Oekraïne van 2026 naar het jaar 2025 vooruit is geschoven?
Ja, het kabinet heeft tijdens voorjaarsbesluitvorming van 2025 besloten om de militaire steun te continueren met € 3,1 miljard op de defensiebegroting voor 2026 (binnen het totaal van € 3,5 miljard steun voor Oekraïne). De militaire en geopolitieke ontwikkelingen rondom Oekraïne hebben er toe geleid dat het kabinet heeft besloten een deel hiervan versneld in 2025 te realiseren.
Klopt het dat daarmee vaststaat dat de militaire steun aan Oekraïne in 2026 flink lager zal zijn dan in dit jaar? Zo ja, wat is het verschil?
De totale militaire steun aan Oekraïne blijft hetzelfde als bij de voorjaarsbesluitvorming is besloten. Een deel van deze steun is versneld in 2025 tot kasuitgaven gekomen. Als direct gevolg van het besluit is een gedeelte van de middelen die oorspronkelijk voor 2026 bestemd waren, reeds dit kalenderjaar uitgegeven. Het totale begrote bedrag aan kasuitgaven zal daardoor ca. € 4,3 miljard voor 2025 bedragen op de defensiebegroting. De momenteel begrote militaire steun op de defensiebegroting aan kasuitgaven voor 2026 bedraagt vooralsnog € 2,1 miljard. Voor 2027 zijn reeds kasuitgaven voor een totaal van € 750 miljoen gereserveerd op de defensiebegroting, mede omdat dit Nederland in staat stelt meerjarige uitgavenverplichtingen aan te gaan (bijvoorbeeld mbt de productie van drones en F16-gerelateerde verplichtingen).
Daarnaast is er in 2025, 2026 en 2027 nog respectievelijk ca. € 0,7 miljard, ca. € 0,5 miljard en ca. € 0,4 miljard beschikbaar op het defensiematerieelfonds voor de eigen krijgsmacht ter vervanging van eerder geleverd materieel.
Voorziet u dat in 2026 de voortzetting van de Oekraïense defensie-industrie in het geding komt? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet onderstreept het belang van het investeren in de Oekraïense defensie-industrie en heeft daartoe reeds meer dan € 1 miljard direct bij bedrijven in Oekraïne verworven. Een deel van deze investeringen zal in 2026 tot daadwerkelijke leveringen aan Oekraïne leiden. Ook in 2026 zal Nederland blijven investeren in de Oekraïense defensie-industrie.
Nederland investeert relatief veel in de Oekraïense defensie-industrie, onder andere via het Drone Line Initiative. Om voortzetting van de productie van de Oekraïense defensie-industrie in 2026 te waarborgen roept dit kabinet ook andere landen op om meer te investeren in de Oekraïense defensie-industrie. Hierbij biedt Nederland ook aan om gebruik te maken van onze contracten, ervaringen en opgedane lessen.
Bent u het ermee eens dat de Oekraïense strijdkrachten onverminderde steun verdienen? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland blijft Oekraïne politiek, militair, financieel en moreel onverminderd steunen in tijden van oorlog, herstel en wederopbouw, zo lang als nodig is. Daarom is de lijn van het kabinet dat de internationale steun opgevoerd moet worden om Oekraïne in de sterkst mogelijke positie te brengen, waardoor Oekraïne ruimte krijgt bij mogelijke onderhandelingen en Oekraïne zich ook tegen toekomstige Russische agressie kan blijven verdedigen. Het onverminderd ondersteunen van de Oekraïense strijdkrachten met militaire steun is daar uiteraard onderdeel van.
Hoe bent u van plan om te voorkomen dat er ongewenste gaten vallen in de militaire steun aan Oekraïne?
Defensie richt zich op het waarborgen van een doorlopende en betrouwbare militaire steun aan Oekraïne. Tegelijkertijd is ook enige ruimte voor flexibiliteit nodig om te kunnen reageren op veranderende omstandigheden, zowel in Oekraïne als in de internationale steunverlening. Nederland zorgt ervoor dat de samenstelling van de militaire steun nauw aansluit op de behoeften van het Oekraïense Ministerie van Defensie en dat toezeggingen aan Oekraïne ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Naast de eigen inspanningen spoort Nederland ook andere bondgenoten aan om meer steun aan Oekraïne te leveren. Daarmee zet het kabinet in op meerburden sharing. Daarbij wordt ook gekeken naar de inzet van Russische bevroren tegoeden.
Het bericht ‘'Nederland moet zich uitspreken' tegen grote militaire actie VS in Cariben’ |
|
Don Ceder (CU), Heera Dijk (D66) |
|
van Marum , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht ««Nederland moet zich uitspreken» tegen grote militaire actie VS in Cariben» en de aankondiging van operatie «Southern Spear» van Secretary of War Pete Hegseth?1 2
Het Koninkrijk der Nederlanden zet zich onverminderd in voor stabiliteit en veiligheid in het Caribisch gebied. Het kabinet benadrukt dat alle partijen zich moeten inspannen om verdere escalatie te voorkomen en zich dienen te houden aan het internationaal recht. Het kabinet roept, samen met andere EU-lidstaten, hiertoe op. Dit werd op 9 november jl. ook onderschreven in de gezamenlijke verklaring van de CELAC-EU-top met Latijns-Amerikaanse – en Caribische landen.
In contacten met de Verenigde Staten benadrukt de regering het belang van het meewegen van de gevolgen voor de regio, waaronder het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Heeft u al contact gehad met de Amerikaanse regering over de aanvallen in het Caribisch gebied en de operatie? Welke boodschap heeft u daarbij overgebracht?
Zie antwoord vraag 1.
Meent u dat de aanvallen een ondermijning zijn van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Welk juridisch regime is volgens u dan van toepassing?
Het Koninkrijk is niet betrokken bij de huidige militaire operatie van de Verenigde Staten. Het betreft een nationaal aangestuurde operatie van de VS, die in internationale wateren plaatsvindt, waarbij de regering van de VS zich beroept op zelfverdediging. Volgens de VS vormen transnationale drugskartels, vanwege hun gewelddadige en paramilitaire activiteiten, een ernstige dreiging voor de nationale veiligheid van de VS.
Het kabinet heeft kennisgenomen van deze rechtvaardiging voor het gebruik van geweld. Zoals bekend is het standpunt van het kabinet dat voor het recht op zelfverdediging sprake moet zijn van een gewapende aanval of een onmiddellijke dreiging daarvan. Het kabinet beschikt op dit moment niet over informatie om eigenstandig te kunnen beoordelen of hiervan sprake is.
Wat is op dit moment de veiligheidsanalyse ten aanzien van de veiligheid van de landen in het Caribisch deel van het Koninkrijk? Welke stappen moeten naar aanleiding van de meest recente nieuwsberichten verder ondernomen worden om de veiligheid van de inwoners op de eilanden te garanderen?
De veiligheidssituatie in het Caribisch deel van het Koninkrijk staat onder verhoogde aandacht vanwege de recente spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela, in combinatie met de aanhoudende politieke, sociaaleconomische en humanitaire instabiliteit in Venezuela. Mogelijke neveneffecten van deze ontwikkelingen zouden met name gevolgen kunnen hebben voor de Benedenwindse eilanden – Aruba, Curaçao en Bonaire – gezien hun geografische nabijheid. De risico’s betreffen zowel mogelijke neveneffecten van geopolitieke spanningen als de impact van regionale migratie- en veiligheidsvraagstukken.
De Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Defensie houden de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. De Minister van Buitenlandse Zaken staat in contact met en houdt de regeringen van Aruba en Curaçao en de gezaghebber van Bonaire op de hoogte van de ontwikkelingen. Ondanks de afwezigheid van een acute dreiging, werken Aruba, Bonaire en Curaçao momenteel aan diverse scenario’s die helpen bij de voorbereiding op bijvoorbeeld logistieke vraagstukken. Dit geldt eveneens voor Nederland, door voorbereidingen te treffen voor bijstand en ondersteuning. Dat hoort bij de reguliere samenwerking op het gebied van crisisbeheersing. De eilanden kunnen daarbij waar gewenst rekenen op de ondersteuning van de Nederlandse departementen.
Hoe is de motie Ceder c.s. over het versterken van defensiecapaciteit van het Caribisch deel van het Koninkrijk uitgevoerd? Kunt u in detail ingaan op welke versterkingen er inmiddels zijn gedaan? Hoe luidden de reacties van de verantwoordelijke bestuurders op de eilanden omtrent deze stappen?3
Het Ministerie van Defensie is verantwoordelijk voor de handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk. Defensie heeft daarom een permanente presentie in de regio bestaande uit personeel en materieel van meerdere Defensieonderdelen, verspreid over diverse bases en kazernes.
Doorlopend weegt Defensie zorgvuldig af of aanvullende versterkingen nodig zijn in het licht van de huidige ontwikkelingen. Op dit moment wordt er geen aanvullend materieel vanuit Europees Nederland gestuurd. Defensie kijkt periodiek of dit passend is als voorzorgsmaatregel.
Daarnaast wordt de Nederlandse Krijgsmacht in het licht van de ernstig verslechterde veiligheidssituatie in de wereld verder versterkt. Een deel van de investeringen komt ook de activiteiten van Defensie in het Caribisch deel van het Koninkrijk ten goede, bijvoorbeeld de vernieuwing van de marinevloot. Investeringen voor de aankomende jaren die specifiek toezien op het Caribisch deel van het Koninkrijk zijn onder andere een luchtwaarschuwingsradar, counter-UAS (Unmanned Aerial Systems) middelen, draagbare luchtverdedigingsmiddelen, en het gebruik maken van aanvullende vlieguren voor Defensie voor de DASH-8, het verkenningsvliegtuig van de Kustwacht Caribisch Gebied. Tot slot worden de beveiligings- en bewakingstaken van de Caribische milities (CARMIL) overgedragen aan het Defensie Bewakings- en Beveiligingsorganisatie (DBBO), waardoor de CARMIL meer paraat kan staan voor inzet en bijstand.
Nu het Verenigd Koninkrijk is gestopt met het delen van inlichtingen over vermeende drugssmokkel in het Caribisch gebied met de VS, overweegt u dit ook te doen? Zo nee, waarom niet?4
Het Koninkrijk der Nederlanden is niet betrokken bij de Amerikaanse operatie. Door de VS is toegezegd dat de informatie die gezamenlijk voor de Joint Interagency Taskforce South (JIATF-S) wordt vergaard, niet wordt ingezet voor de nationale operatie van de VS.
Defensie doet geen publieke uitspraken over de concrete activiteiten op het gebied van samenwerking en gegevensuitwisseling met andere inlichtingendiensten en communiceert daarover met de Kamer via de geëigende kanalen.
Heeft de Amerikaanse aanwezigheid binnen het Koninkrijk (zoals op Curaçao en Aruba) een rol gespeeld bij de Amerikaanse aanvallen op boten, doordat er bijvoorbeeld Amerikaanse vliegtuigen zijn opgestegen vanaf Curaçao die betrokken waren bij de aanvallen? Zo ja, wat was die rol concreet en hoe beoordeelt u deze rol?
Er vinden geen vluchten plaats vanaf Hato Airport t.b.v. de nationale operatie van de VS.
Voor het gebruik van de Cooperative Security Location (CSL) op het vliegveld van Curaçao hebben het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten in het een verdrag5 afspraken vastgelegd. Dit verdrag geeft toestemming voor het uitvoeren van vluchten vanaf de luchthaven van Curaçao ten behoeve van surveillance, monitoring en het opsporen van drugstransporten. Deze instemming ziet alleen op onbewapende vluchten. Het uitvoeren van onbewapende verkenningsvluchten vanaf de CSL naar de internationale wateren en het internationale luchtruim past binnen de verdragsafspraken. Deze reikwijdte beperkt zich echter tot gezamenlijke inzet, niet tot nationale inzet. Het Koninkrijk is niet betrokken bij de nationale inzet vanuit de VS in de internationale wateren en het internationale luchtruim.
Bent u bereid om, zo nodig met gelijkgestemde landen of in EU-verband, aan te dringen op een onafhankelijk onderzoek naar de aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Het is in eerste instantie aan de Verenigde Staten om (onafhankelijk) onderzoek uit te voeren. We spreken partners en bondgenoten aan wanneer de situatie daartoe aanleiding geeft, ook in EU-verband. Vaak is het effectiever om dat via diplomatieke kanalen te doen. Daarnaast verwijst het kabinet naar de gezamenlijke verklaring van de EU en de Latijns-Amerikaanse en Caribische landen van 9 november 2025.
Bent u voornemens om zich uit te spreken tegen deze aanvallen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre is er contact en overleg met de verantwoordelijke bestuurders binnen het Koninkrijk. Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de stand van zaken?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft regelmatig en nauwgezet contact met de verantwoordelijke bestuurders over de geopolitieke actualiteit.
De Kamer is in de laatste periode op verschillende manieren geïnformeerd over de stand van zaken, waaronder het Kamerdebat op 9 december jl. Desgevraagd kunnen de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties altijd om aanvullende informatie worden gevraagd.
Het bericht ‘Nederland is een ontbossingsland’ |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nederland is een ontbossingsland»?1
Ja.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat Nederland via de financiële sector, zeehavens en consumptiepatronen in aanzienlijke mate bijdraagt aan wereldwijde ontbossing?
Het artikel wijst op de rol die de financiële sector, zeehavens en consumptiepatronen kunnen hebben in activiteiten met een verhoogd risico op ontbossing. Daar waar het gaat om de financiële sector wordt er geen directe causale relatie gelegd tussen investeringen en ontbossing zelf, maar bevestigt het artikel dat er een mogelijkheid is dat financiële instellingen betrokken zijn bij projecten waarin ontbossingsrisico’s aanwezig zijn.
Kunt u aangeven in welke mate Nederlandse financiële instellingen, waaronder banken en pensioenfondsen, nog steeds investeren in bedrijven of projecten met een aantoonbaar ontbossingsrisico?
Ontbossing is een internationaal vraagstuk dat ook Nederland raakt via handel, financiële instellingen en onze havens. Het is van belang dat Nederlandse bedrijven voldoen aan Europese regelgeving en internationale afspraken.
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven, waaronder financiële instellingen, dat zij handelen conform internationale standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen: de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Deze standaarden schrijven voor dat risico’s voor mens en milieu in de waardeketen, zoals het risico op ontbossing, worden onderkend en aangepakt. Afhankelijk van de mate van betrokkenheid bij eventuele schade moet een financiële instelling bijdragen aan herstel of haar invloed aanwenden om nadelige gevolgen te beperken.
Hoe een financiële instelling invulling geeft aan de naleving van deze internationale richtlijnen, en welke keuzes zij maakt ten aanzien van investeringen of het aangaan van gesprekken met bedrijven, is de verantwoordelijkheid van de instellingen zelf. Dit geldt ook voor een eventuele beslissing om bedrijven uit te sluiten.
Bent u bekend met het rapport Banking on Biodiversity Collapse 2025, waarin de Rabobank op de achtste plaats wereldwijd wordt genoemd onder financiële instellingen met de hoogste ontbossingsrisico’s? Kunt u toelichten wat uw oordeel is over de bevindingen van dit rapport?
Het rapport geeft een beeld van de internationale positie van financiële instellingen, waaronder de Rabobank, in relatie tot ontbossingsrisico’s en biodiversiteitsverlies. Ik heb kennis genomen van de bevindingen. Voor mij staat voorop dat financiële instellingen zich houden aan de geldende Europese en internationale kaders. Het is aan de instellingen zelf om hun beleid en risicobeheersing hierop in te richten.
Acht u de huidige beleidsinstrumenten en wettelijke verplichtingen voor Nederlandse financiële instellingen om investeringen met ontbossings- of biodiversiteitsrisico’s te vermijden toereikend?
Er is reeds een aanzienlijk aantal EU-vereisten voor financiële instellingen ten aanzien van het beheersen van ontbossings- of andere biodiversiteitsrisico’s.
Voorbeelden zijn de richtlijn met betrekking tot duurzaamheidsrapportering door ondernemingen (Corporate Sustainability Reporting Directive, afgekort CSRD) en bijbehorende European Sustainable Reporting Standards (ESRS). De onder deze regelgeving vallende ondernemingen, waaronder financiële instellingen, rapporteren over de impact (inclusief afhankelijkheden, risico’s en kansen) van hun bedrijfsstrategie en het gevoerde beleid op biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Ook vereist de ESRS transparantie over biodiversiteitsdoelen en inzicht in de eenheden die gebruikt worden om voortgang ten aanzien van de gestelde doelen te meten.
Daarnaast zijn er verschillende andere instrumenten, zoals de EU-taxonomie voor duurzame investeringen, waarmee financiële instellingen inzicht geven in wanneer een investering in een bepaalde economische activiteit als duurzaam kan worden aangemerkt, en die van financiële instellingen verlangen om te rapporteren in hoeverre hun financiële portefeuille daarmee in lijn is.
De CSDDD, CSRD en Taxonomie worden op dit moment vereenvoudigd. Het doel hiervan is om de administratieve lasten te verlagen en het ondernemingsklimaat te versterken, zonder de kern van transparantie en betrouwbaarheid te verliezen. Het kabinet steunt de inzet om de rapportagelasten te versimpelen en verminderen.
Tot slot houden de ECB en DNB vanuit prudentieel oogpunt toezicht op de beheersing van financiële duurzaamheidsrisico’s van financiële instellingen, zoals de financiële risico’s die kunnen voortvloeien uit biodiversiteitsverlies en ontbossing. Dit omvat ook reputatierisico’s die zouden kunnen ontstaan als een instelling eigen doelstellingen of beloftes ten aanzien van biodiversiteit niet na blijkt te komen. In 2020 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) toezichtverwachtingen geformuleerd ten aanzien van het beheersen van aan klimaat en biodiversiteit gerelateerde financiële risico’s, waar Europese banken aan moeten voldoen. Voor de toezichtprioriteiten 2025–2027 blijft het volledig naleven van de toezichtverwachtingen ten aanzien van de beheersing van duurzaamheidsrisico’s door financiële instellingen een prioriteit.2
Acht u het in het artikel vermelde bedrag van 5 miljoen euro dat Nederland zal bijdragen aan de Tropical Forest Forever Facility in verhouding tot de omvang van de Nederlandse betrokkenheid bij internationale handelsstromen van producten die gerelateerd zijn aan ontbossing, zoals palmolie, soja en cacao? Overweegt u deze financiële bijdrage te verhogen?
Het bedrag van 5 miljoen euro dat Nederland zal bijdragen aan de Tropical Forest Forever Facility dient te worden gezien als een bijdrage aan de opstartkosten van dit fonds, dat momenteel nog niet operationeel is. Een mogelijke investering in het fonds zelf is aan het volgende kabinet. Tegelijkertijd wordt samen met de private sector onderzocht hoe aanvullende middelen kunnen worden aangetrokken om doelstellingen van het fonds te versterken.
Hoe beoordeelt u de stand van zaken rondom de Europese Ontbossingsverordening en de rol die Nederland vervult bij de implementatie daarvan binnen de Europese Unie?
Het kabinet zal het aankomende jaar gebruiken om in nauwe samenwerking met de Europese Commissie en de lidstaten toe te werken naar een zorgvuldige implementatie en daadwerkelijke administratieve lastenverlichting, die non discriminatoir en WTO-conform zijn. Nederland kan deze rol goed vervullen omdat de bevoegde autoriteiten (NVWA en Douane) alsook voor de meeste bedrijven in Nederland klaar zijn om de EUDR toe te passen.
Op welke wijze zal toezicht worden gehouden op de naleving van de Ontbossingsverordening in Nederland, in het bijzonder bij importerende bedrijven die grondstoffen of producten verhandelen uit gebieden met een risico op ontbossing?
Hoewel de NVWA is voorbereid op handhaving van de EUDR per 30 december 2025, wordt op dit moment nog onderhandeld over aanpassingen aan de EUDR en daarmee hoe de werking van de EUDR in de nabije toekomst exact vorm krijgt. Dit wordt pas definitief als na de triloog de aangepaste EUDR wordt gepubliceerd in The Official Journal of the European Union. Hierdoor is er op het moment nog onduidelijkheid voor toezicht en over de verplichtingen voor ondernemingen. Deze onduidelijkheid zal door middel van voorlichting moeten worden weggenomen. Ook in de toelichting bij het inwerkingtredingsbesluit van de implementatieregelgeving zal hieraan aandacht moeten worden besteed.
Kunt u toelichten hoe de uitvoering van deze Europese verordening wordt ingebed in het nationale klimaat- en natuurbeleid?
De uitvoering van deze verordening vanuit de overheid bestaat hoofdzakelijk uit toezicht en handhaving door de NVWA en via de reguliere controle van de Douane. Dit wordt ingebed in het bredere werkpakket van de NVWA op het publiek belang van natuur en milieu.
Hoe ondersteunt Nederland via internationaal beleid en ontwikkelingssamenwerking de bescherming van landrechten van inheemse gemeenschappen in tropische bosgebieden?
Het versterken van de rechten en positie van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen (IPLCs) is een voorwaarde voor effectief en duurzaam beheer van tropische bosgebieden en behoud van biodiversiteit. Tijdens de recente VN-Klimaattop (COP30) heeft Nederland daarom de hernieuwde «Forest and Land Tenure Pledge» onderschreven, een internationale verklaring uit 2021 gericht op de ondersteuning van landrechten van IPLCs, evenals de aanverwante «Intergovernmental Land Tenure Commitment» waarmee verschillende tropische bossenlanden zelf hier hun steun aan hebben verbonden.
Via steun aan multilaterale fondsen, zoals de Climate Investment Funds, en programma’s op het gebied van voedselzekerheid, water en klimaat, draagt Nederland bij aan de versterking van de rechten en weerbaarheid van IPLCs voor het duurzaam beheer van hun leefgebieden en ecosystemen. Zoals hierboven reeds vermeld kondigde Nederland tijdens COP30 een bijdrage van 5 miljoen dollar aan de opstartkosten van de Tropical Forest Forever Facility, een nieuw investeringsfonds gericht op het behoud van bossen. 20% van de betalingen uit dit fonds dienen rechtstreeks ten goede te komen aan IPLCs.
Op welke wijze stimuleert u bewustwording bij Nederlandse consumenten over de relatie tussen hun koopgedrag en mondiale ontbossing, en welke instrumenten zet u in om duurzaam consumptiegedrag te bevorderen?
Consumenten die duurzame keuzes willen maken, moeten de gelegenheid hebben om dat te doen. Bedrijven, maatschappelijke organisaties en de overheid kunnen burgers daarbij helpen, door duurzame keuzes haalbaar, aantrekkelijk en acceptabel te maken.
Het slopen van de privacybescherming in de nieuwe Europese Omnibus-wetgeving |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Arno Rutte (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU Commission internal draft would wreck core principles of the GDPR» en de brandbrief van 127 organisaties over de Digitale Omnibus?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bovenstaande bericht en de brandbrief? Kunt u ingaan op de inhoudelijke bezwaren en zorgen die hierin worden geuit?
Wij hebben kennisgenomen van de bezwaren en zorgen en nemen deze opmerkingen serieus. De bezwaren en zorgen waren evenwel gericht op een nog niet gepubliceerde versie van de zevende omnibus verordening. Alhoewel het kabinet bij de gepubliceerde voorstellen veel aanpassingen binnen de Omnibus AI en Omnibus Digitaal kan steunen omdat deze in lijn zijn met de Nederlandse inzet, heeft het kabinet vooral bij een aantal fundamentele wijzigingen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) serieuze zorgen, omdat deze wijzigingen het niveau van gegevensbescherming wezenlijk verminderen, zonder dat er sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk. Via een versnelde Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC)-route is uw Kamer op 12 december met een BNC-fiche geïnformeerd over de positie van het kabinet op de Omnibus Digitaal. In het antwoord op vraag 3 wordt hierop nader ingegaan.
Wat is uw zienswijze op de Digitale Omnibus, die ook aanpassingen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de voorgestelde e-Privacyverordening bevat?
In navolging van een vierde Omnibuspakket, waarin ook sprake was van een aantal gerichte vereenvoudigingen voor de AVG heeft de Europese Commissie (EC) op 19 november 2025 het zevende Omnibuspakket (ook wel het «Digitale Pakket») gepubliceerd. Zoals aangegeven in het BNC-fiche, verwelkomt het kabinet dat de Commissie met de omnibussen erop inzet digitale wetgeving te vereenvoudigen en stroomlijnen. Dit past binnen de bredere doelstelling van het kabinet om de regeldruk terug te dringen. Het kabinet ziet dat het pakket mogelijk ook kansen biedt voor de ontlasting van de uitvoeringsorganisaties en de vereenvoudiging van de uitvoering van beleid. Het kabinet zet erop in dat deze omnibussen zich focussen op versimpeling, verduidelijking en stroomlijning van wetgeving en dat de doelen van de wetgeving daarbij overeind blijven.
De voorgestelde wijzigingen aan de AVG geven wel aanleiding tot zorgen, omdat deze kunnen leiden tot een wezenlijke vermindering van het niveau van gegevensbescherming, zonder dat er sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk.
Zal de Digitale Omnibus de privacybescherming van burgers verzwakken? Kunt u antwoorden met een heldere ja of nee, en dit vervolgens onderbouwen?
Het kabinet is het voorstel nog aan het bestuderen en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal. Het ontbreken van een impact assessment maakt het moeilijk om deze vraag met een helder ja of nee te beantwoorden. Het kabinet zal opheldering vragen bij de Commissie en de gevolgen voor regeldruk, uitvoerbaarheid en bescherming van grondrechten verder in kaart brengen, voordat het tot een definitief oordeel komt op deze onderdelen. Het kabinet hecht er dan ook aan dat er in het bijzonder voor wijzigingen met impact op gegevensbescherming en grondrechten gelegenheid is om de voorstellen en de gevolgen daarvan gedegen te analyseren en deze inhoudelijk te bespreken. Het kabinet vindt daarnaast dat het nog te verschijnen advies van de Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) al dan niet in samenspraak met Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) moet worden betrokken bij de bespreking van dit voorstel.
Deel u de mening dat «simplificatie» van wetgeving nooit mag leiden tot deregulering en een feitelijke verzwakking van de privacybescherming?
Met betrekking tot de Omnibus Digitaal en Omnibus AI zet het kabinet erop in dat de omnibussen digitale wetgeving versimpelen, verduidelijken en stroomlijnen en dat de doelen van de wetgeving daarbij overeind blijven.
Het kabinet steunt het doel van simplificatie van digitale wetgeving en zal zich hier proactief voor inzetten in het kader van de omnibus, maar in het bijzonder voor wijzigingen met impact op gegevensbescherming hecht het kabinet er als gezegd aan dat er gelegenheid is om de voorstellen en de gevolgen daarvan gedegen te analyseren en deze inhoudelijk te bespreken.
Deelt u de opvatting dat het beschermen van privacy een kernwaarde is van de Europese Unie, een uitvloeisel is van een gezamenlijk wereldbeeld én de lessen getrokken uit de Tweede Wereldoorlog, en dat dit onder geen enkele voorwaarde geweld mag worden aangedaan?
Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (het «recht op privacy»), daaronder begrepen het recht op gegevensbescherming, is een grondrecht dat onder meer is neergelegd in artikel 10 Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, is het recht op gegevensbescherming in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een op zichzelf staand grondrecht, expliciet ontkoppeld van het recht op privacy. In artikel 7 Handvest Grondrechten EU staat het recht op eerbiediging van het privéleven, in artikel 8 het recht op bescherming van persoonsgegevens. De Unierechtelijke uitwerking is gedaan in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding (overweging 4 AVG). Zo kan het recht bij wet worden ingeperkt, mits voldaan is aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit en de inperkingen voldoende voorspelbaar en voorzienbaar zijn voor de betrokkenen. Dat onder geen enkele voorwaarde inbreuk mag worden gemaakt op dit grondrecht, onderschrijven wij derhalve niet.
Op welke manieren en op welke momenten heeft Nederland haar zienswijze over de Digitale Omnibus gedeeld met de Europese Commissie? Kunt u deze contactmomenten uiteenzetten?
Het versimpelen van (onderdelen van de) digitale wetgeving is onderwerp geweest van diverse Raadsbesprekingen waar de Europese Commissie aan deelnam en besprekingen in EU-verband. Potentiële wijzigingen aan de AVG waren daarbij niet altijd onderwerp van gesprek. Versimpeling van de AI-verordening is besproken tijdens meetings van de AI-Board en versimpeling van de Dataverordening, Datagovernanceverordening en de Free Flow of Dataverordening is onderwerp geweest van de Raadswerkgroep Telecom. Het kabinet heeft het non-paper regeldruk en digitale wetgeving onder de aandacht gebracht bij de informele Telecomraad van 9 en 10 oktober en in hoogambtelijke besprekingen met de Commissie.
Kunt u alle relevante documenten, die betrokken zijn bij het bepalen van de Nederlandse inzet delen met de Kamer? Heeft u ook adviezen van burgerrechtenorganisaties hierbij betrokken?
Het kabinet heeft u via een versnelde BNC-route geïnformeerd over de inzet ten aanzien van de Omnibuswetgeving. Vanwege de snelle doorlooptijd van het omnibusvoorstel en brede betrokkenheid van meerdere departementen is er geen overzicht van alle input die is ontvangen en betrokken. Het kabinet krijgt soms van stakeholders, zoals belangenorganisaties, proactief input toegestuurd. Daarnaast neemt het kabinet ook input in beschouwing die hem via de media bereikt, zoals de brandbrief waar u in vraag 1 naar verwijst. Het kabinet betrekt ook adviezen van burgerrechtenorganisaties hierbij.
Acht u het verantwoord en acceptabel dat AI-bedrijven, waaronder Amerikaanse techgiganten als Google en Meta, meer mogelijkheden krijgen om gegevens van Europese burgers te gebruiken om AI-modellen te trainen?
In het voorstel van de Commissie wordt een artikel 88c aan de AVG toegevoegd, waarin het expliciet de grondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel 6 lid 1 onder f) wordt aangewezen als de grondslag voor – kort gezegd – het ontwikkelen en toepassen van AI-modellen. Om de gevolgen van deze voorgestelde wijziging goed te overzien, is meer duidelijkheid daarover nodig en Nederland heeft op dat punt vragen gesteld aan de Commissie. De mogelijkheid om persoonsgegevens te gebruiken voor het trainen van AI-modellen bestaat overigens ook nu al. De EDPB, waarin de Europese toezichthouders samenwerken, heeft hierover op 18 december 2024 een advies aangenomen.2 Uit dat advies volgt dat de AVG ruimte biedt om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel 6, eerste lid, onder f AVG) persoonsgegevens voor dit doel te verwerken. Of van deze grondslag gebruik kan worden gemaakt, wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Zo moet worden vastgesteld dat de beoogde verwerking noodzakelijk is ter behartiging van het gerechtvaardigde belang én dat de belangen of fundamentele rechten en vrijheden van betrokkenen die door de verwerking van persoonsgegevens worden geraakt, niet zwaarder wegen dan het gerechtvaardigde belang dat met de verwerking wordt gediend. Ook moet elke verwerkingsverantwoordelijke aantoonbaar maatregelen nemen om de impact van de verwerking op de belangen van betrokkenen te verkleinen. Daarbij speelt de toegang tot rechten van betrokkenen onder de AVG een rol, zoals het recht op inzage en het recht op bezwaar. De toezichthouder beoordeelt uiteindelijk of een dergelijke vorm van verwerking rechtmatig is. Of deze mogelijkheden verder moeten worden verruimd, vergt nadere beoordeling. Dit zou alleen aan de orde kunnen zijn als de gevolgen voor fundamentele rechten voldoende gewaarborgd zijn.
Deelt u de mening dat bescherming van gevoelige gegevens, zoals politieke voorkeur, seksuele oriëntatie, en gezondheidsdata, geen geweld mag worden aangedaan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 hanteert het kabinet in het kader van de omnibus het uitgangspunt dat de omnibus moet focussen op verduidelijking, versimpeling en het vergroten van consistentie van digitale wetgeving. De inzet is dat daarbij de doelen van de wetgeving niet worden afgezwakt. Onder de AVG is de verwerking van deze bijzondere categorieën van persoonsgegevens verboden, vanwege de impact die dit kan hebben. Verwerking kan alleen plaatsvinden, als er een wettelijke uitzonderingsgrond bestaat. Met het voorstel worden twee nieuwe uitzonderingsgronden opgenomen in de AVG. Deze worden op dit moment nog beoordeeld. Uw Kamer is hierover geïnformeerd met het BNC-fiche.
Welk signaal geeft het verzwakken van de AVG en de e-Privacyverordening af aan het Nederlandse en Europese midden- en kleinbedrijf dat volop inzet op het ontwikkelen van verantwoorde en privacyvriendelijke AI conform deze regelgeving?
De voorgestelde wijzigingen aan de AVG en de e-Privacyverordening zijn nog onderwerp van onderhandeling. Deze wetten zijn dus nog niet gewijzigd. Het kabinet heeft het streven om de regeldruk terug te dringen. Regeldruk zet een rem op de productiviteitsgroei van bedrijven en dus ook op het concurrentievermogen van onze economie. Dit kan op den duur ook de financiering van publieke taken onder druk zetten. Het kabinet zet zich daarom constructief in voor het versimpelen van digitale wetgeving, waarbij één van de uitgangspunten is dat de bescherming van grondrechten gewaarborgd blijft. Dit betekent dat het kabinet kritisch beziet of de voorstellen het doel van verlaagde regeldruk daadwerkelijk dienen en welke gevolgen dit heeft voor het niveau van gegevensbescherming. Het kabinet hecht waarde aan duidelijkheid en rechtszekerheid voor het bedrijfsleven. Bij fundamentele wijzigingen aan wetgeving, zeker als die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, hecht het kabinet aan een impact assessment zodat het kabinet kan beoordelen of voorgestelde wijzigingen noodzakelijk, proportioneel en subsidiair zijn en de gevolgen voorspelbaar en voorzienbaar.
Deelt u de mening dat het verduidelijken van wet- en regelgeving voor het midden- en kleinbedrijf niet ten koste hoeft te gaan van privacybescherming? Is dit ook uw uitgangspunt?
Ja. Het is al langere tijd een doel van het kabinet om regeldruk terug te dringen en daartoe zijn ook al oplossingsrichtingen in kaart gebracht. Hierbij kan worden gedacht aan praktische hulpmiddelen, zoals sjablonen en praktische richtsnoeren van de toezichthouder, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), om naleving van de wet- en regelgeving voor kleinere organisaties te vereenvoudigen. Ook kunnen lijsten van verwerkingsactiviteiten met een laag risico die door toezichthoudende autoriteiten worden verstrekt, meer duidelijkheid verschaffen en kan de ontwikkeling en het gebruik van gedragscodes en certificering worden gestimuleerd. Ten aanzien van het gebruik van gedragscodes en certificering, overweeg ik om hier nader onderzoek naar te laten doen. Het uitgangspunt van het kabinet bij de Omnibus Digitaal is dat bij het versimpelen van de wetgeving de doelen, inclusief de bescherming van grondrechten, van de wetgeving niet worden afgezwakt.
Bent u bereid om in gesprek te treden met onafhankelijke experts, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en burgerrechtenorganisaties op het gebied van privacy, om de Digitale Omnibus te beoordelen en in kaart te brengen of deze in de praktijk zal leiden tot een verzwakking van de privacybescherming?
Het is vanzelfsprekend dat het kabinet goede contacten onderhoudt met het veld, met inbegrip van burgerrechtenorganisaties, maar ook met partijen zoals VNO-NCW. Ten aanzien van de omnibus betrekken wij in elk geval de informatie van deze organisaties die zij publiceren bij de zelfstandige oordeelsvorming, en is er contact met de AP. Waar het om gegevensbescherming gaat kijken wij uit naar het gezamenlijke advies van de EDPB/EDPS.
Bent u bereid om een voorbehoud te maken op het steunen van de Digitale Omnibus, zolang niet is uitgesloten dat deze de privacybescherming verzwakt?
Het kabinet is het voorstel nog aan het bestuderen en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal. In beginsel steunt Nederland voorstellen om digitale wetgeving te vereenvoudigen en de regeldruk ervan te verlagen. Daarbij is het wel belangrijk dat de doelen, met inbegrip van het niveau van gegevensbescherming, van de wetgeving overeind blijven en er gelegenheid is om de voorstellen, en de gevolgen daarvan voor onder andere de bescherming van grondrechten, gedegen te analyseren, de impact ervan te kunnen doorgronden, en goed inhoudelijk te bespreken. Het kabinet vindt het in het algemeen van belang dat bij fundamentele wijzigingen aan wetgeving, zeker als die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, een impact assessment wordt gedaan. Ook is het van belang om bij wijzigingen die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, het advies van Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) al dan niet in samenspraak met het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) te betrekken bij de verdere analyse en bespreking, om te voorkomen dat de bescherming van grondrechten, waaronder gegevensbescherming, wordt verlaagd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden, en toezeggen om geen definitief standpunt in te nemen over de Digitale Omnibus zolang de Kamer zich hierover niet heeft uitgesproken?
De vragen zijn zo snel als mogelijk en separaat beantwoord. Het kabinet bestudeert momenteel het gepubliceerde voorstel van de EC en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal.