Het bericht dat de grootschalige stadsvernieuwing in Amsterdam Nieuw West wordt gestaakt |
|
Sadet Karabulut |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het samenwerkingsverband Far West wordt opgeheven en dat de sloop 1700 woningen en de nieuwbouw van 3600 woningen niet doorgaat?1
Ja.
Onderschrijft u de opvatting dat vele van deze voorheen voor sloop genomineerde woningen in slechte staat van onderhoud verkeren en dat dit het gevolg is van jarenlange verwaarlozing?
De staat van onderhoud is primair een verantwoordelijkheid van de eigenaar.
Bij uitblijven van grote vernieuwingsvoornemens zullen het beheer en onderhoud, en de leefbaarheid in deze wijken voorrang moeten krijgen bij de corporaties. Beheer en onderhoud mogen als kerntaak van corporaties worden beschouwd. Ook moeten zij waar mogelijk kijken naar oplossingen om de kwaliteit van het wonen te verhogen.
Volgens de corporatie is het merendeel van de woningen, waarvoor Far West sloopvoornemens had, bouwkundig in redelijke staat. Met het reguliere onderhoudsprogramma kunnen deze woningen nog minimaal tien jaar mee, en met een eventueel renovatieprogramma 15 tot 25 jaar.
Een kleine vijfhonderd woningen zijn bouwkundig in slechte staat. Met aanvullend onderhoud en beheer zal de komende vijf jaar de woonkwaliteit hier op peil moeten worden gebracht. Binnen nu en vijf jaar zullen beslissingen moeten worden genomen over grootschalige verbeteringen, hetzij via renovatie, hetzij via (alsnog) sloop-nieuwbouw.
Deelt u de mening dat, indien deze woningen langer – lees meerdere jaren tot zeker tien jaar – verhuurd zullen worden, de kwaliteit van deze woningen verbeterd moet worden en het achterstallig onderhoud moet worden weggewerkt, zodat het woongenot, de eisen met betrekking tot de volksgezondheid en de leefbaarheid van de openbare ruimte gegarandeerd kunnen worden? Zo ja, bent u bereid met de gemeente, stadsdeel en/of betreffende verhuurders hierover in gesprek te gaan, en de Kamer over deze resultaten te informeren?
Zie antwoord vraag 2.
Verwacht u dat de gemeente, het stadsdeel en/of de verhuurders financieel in staat zullen zijn om het onderhoud en het verbeteren van de betreffende woningvoorraad en openbare ruimte te kunnen financieren? Zo niet, bent u bereid de gemeente, het stadsdeel en/of de verhuurders hierin financieel tegemoet te komen?
De lokale partijen moeten in gezamenlijk overleg bepalen welk kwaliteitsniveau van woningen en woonomgeving zij willen nastreven. Ter stimulering van het kwaliteitsniveau is aan de gemeente Amsterdam onlangs nog een bijdrage uit het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing voor de periode 2010–2015 beschikbaar gesteld. Een additionele financiële tegemoetkoming ligt niet in de rede.
Bent u bereid verscherpt toe te zien op de omstandigheden en kwaliteit van het wonen op basis van de daarvoor geldende wetten en normen, nu er in Amsterdam Nieuw West woningen langer verhuurd gaan worden waaraan jaren lang geen onderhoud is gepleegd onder het motto «ze worden binnenkort toch gesloopt»?
Ik acht de omstandigheden en kwaliteit van het wonen primair een zaak van de lokale partijen met diens verstande, dat te allen tijde aan de bouwregelgeving moet zijn voldaan. Landelijk zijn in de bouwregelgeving ondergrenzen aan kwaliteitniveaus van gebouwen gesteld. Het toezicht op de naleving van de eisen van het Bouwbesluit is in eerste instantie een zaak van de gemeente.
Het bericht van de Raad van State over het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Terschelling |
|
Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving, waarin staat vermeld dat de gemeente Terschelling tot juli volgend jaar geen bouwvergunningen mag verstrekken door het besluit van de Raad van State van 7 juli 2010 inzake het bestemmingsplan Buitengebied?1
Ja, hiermee ben ik bekend.
Is het waar dat de Raad van State het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Terschelling heeft afgekeurd, omdat er geen «passende beoordeling» heeft plaatsgevonden in het kader van de Natuurbeschermingswet?
Ja, dit is waar. De Raad van State heeft om die reden het goedkeuringsbesluit van Gedeputeerde Staten vernietigd en goedkeuring aan het bestemmingsplan onthouden.
Is dit voor het eerst dat een bestemmingsplan wordt afgekeurd, omdat voor het hele plan (en niet slechts voor concrete plannen uit het bestemmingsplan) een passende beoordeling nodig blijkt?
Nee, dit is niet voor het eerst dat aan een bestemmingsplan goedkeuring wordt onthouden omdat voor het hele plan een passende beoordeling had moeten worden gemaakt. Het is echter wel de eerste keer dat dit een bestemmingsplan betreft dat betrekking heeft op het gehele buitengebied van een gemeente.
Bent u van mening dat zowel de nieuwe Wet ruimtelijke ordening als de Natuurbeschermingswet voldoende helderheid verschaffen aan provincies en gemeenten om te weten wélke toetsing van wélke plannen noodzakelijk is, aangezien het College van Burgemeesters en Wethouders van Terschelling in een reactie op de uitspraak van de Raad van State heeft aangegeven dat de (natuur)regelgeving inmiddels zo complex is, dat het opstellen van bestemmingsplannen bijna onmogelijk is geworden door strijdigheid tussen regelgeving en overlap van regels? Zo ja, kunt u dat onderbouwen door aan te geven op basis van welke artikelen in de wetten de gemeente had moeten weten dat een volledige passende beoordeling noodzakelijk was? Zo nee, welke actie gaat u ondernemen om de (natuur)regelgeving aan te passen?
Ik ben van mening dat de wetgeving voldoende helderheid biedt.
Bij de voorbereiding van besluiten zoals een bestemmingsplan dient de nodige kennis omtrent de feiten en de belangen te worden vergaard. De uitkomsten van de hiertoe verrichte onderzoeken dienen in de toelichting bij het bestemmingsplan te worden neergelegd (thans geregeld in art. 3.1.6, eerste lid, onder d, van het Besluit ruimtelijke ordening, in samenhang met art. 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht). Het spreekt voor zich dat de belangen welke beschermd worden via specifiek daartoe strekkende wetgeving, zoals de Natuurbeschermingswet 1998, bij deze onderzoekingen worden betrokken.
Ook de tekst van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) is voldoende duidelijk. Uit artikel 19j, tweede lid, Nbw 1998 volgt dat als het bestemmingsplan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor de Habitatrichtlijngebieden Noordzeekustzone en Duinen Terschelling, het bestuursorgaan alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling maakt van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling. Ingevolge artikel 19g, eerste lid, Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 19j, derde lid, Nbw 1998 kan het bestemmingsplan, indien op grond van objectieve gegevens op voorhand niet kan worden uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft voor het betrokken gebied, slechts worden vastgesteld indien de raad zich aan de hand van de passende beoordeling, bedoeld in artikel 19f, eerste lid, Nbw 1998 ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van Habitatrichtlijngebieden Noordzeekustzone en Duinen Terschelling niet zullen worden aangetast.
De wettelijke kaders verschaffen aldus voldoende helderheid aan provincies en gemeenten om te weten welke toetsing en onderzoekingen bij welke plannen precies noodzakelijk zijn. Wel voeg ik hier het volgende aan toe.
Het feit dat de verschillende onderzoeksverplichtingen bij ruimtelijke plannen verspreid zijn over vele wetten met ieder hun eigen systematiek heeft in de praktijk tot gevolg dat de toepassers van deze wetten wel eens het overzicht verliezen. Dit punt wordt meegenomen in de in het regeerakkoord aangekondigde acties met betrekking tot het omgevingsrecht. U ontvangt op korte termijn een kabinetsbrief over de koers die het kabinet in dezen voor ogen heeft.
Deelt u de mening dat deze gedwongen bouwstop onnodig economische schade veroorzaakt omdat de het besluit van de Raad van State grote economische gevolgen heeft voor Terschelling, aangezien bouwvergunningen een jaar moeten worden aangehouden en er dus een jaar nauwelijks bouwactiviteiten zullen zijn op het eiland?
Op het bestemmingsplan Buitengebied, dat voor de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening ter inzage is gelegd, is op grond van het in artikel 9.1.4 van de Invoeringwet Wet ruimtelijke ordening vervatte overgangsrecht het voor die datum geldende recht van toepassing. In artikel 50, derde lid, Woningwet in samenhang met artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening was geregeld dat indien door gedeputeerde staten goedkeuring aan een vastgesteld bestemmingsplan is onthouden, de gemeenteraad binnen een jaar een nieuw bestemmingsplan dient vast te stellen en gedurende die termijn de aanhoudingsplicht voortduurt. De Raad van State sluit, nu zij goedkeuring aan het bestemmingsplan heeft onthouden, met de getroffen voorlopige voorziening aan bij deze regeling. Deze aanhoudingsplicht maakt echter niet alle bouwactiviteiten onmogelijk. Op grond van artikel 50, vierde lid, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders bouwvergunning verlenen indien een bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met het provinciaal en nationaal ruimtelijk beleid. Dat betekent dat bouwaanvragen die betrekking hebben op kleinschalige bouwactiviteiten waarbij absoluut uitgesloten is dat die significante gevolgen hebben voor het betrokken gebied kunnen worden gehonoreerd. De door de Raad van State getroffen voorlopige voorziening om de aanhoudingsplicht te doen herleven veroorzaakt daarmee naar mijn mening geen onnodige schade.
Wat gaat u doen om dit probleem aan te pakken? Welke acties kunnen wij van u verwachten?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Het overgangsrecht voor het separate projectbesluit |
|
Ger Koopmans (CDA) |
|
Tineke Huizinga (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bereid de reikwijdte van het bericht in de nieuwsbrief Wro juni 2010 met betrekking tot het projectbesluit en overgangsrecht nader uit te leggen?1 Is de gepubliceerde tekst een rechtstreekse vertaling van de wetstekst of een interpretatie daarvan?
Uiteraard ben ik tot een nadere uitleg bereid. Het bericht in de nieuwsbrief Wro is opgenomen nadat is geconstateerd dat er in de Invoeringswet Wabo een hiaat in het overgangsrecht bestaat voor de zo wel genoemde separate projectbesluiten. Projectbesluiten uit de Wet ruimtelijke ordening waren besluiten waarmee afwijkingen van een bestemmingsplan konden worden toegestaan. Separate projectbesluiten waren een specifieke categorie van projectbesluiten die niet procedureel werden gecombineerd met een eveneens benodigde bouwvergunning. Het was gebruikelijk dat over een projectbesluit en een bouwvergunning gelijktijdig werd besloten. In uitzonderingssituaties werd er echter wel eens voor gekozen om eerst het projectbesluit te vragen en pas later de bouwvergunning. Zo kon er eerst planologische besluitvorming plaatsvinden, terwijl pas later het bouwplan werd ontwikkeld. De eerste resultaten van de evaluatie van de Wet ruimtelijke ordening laten zien dat het projectbesluit in het onderzochte tijdvak (van 1 juli 2008 tot 31 december 2009), ten opzichte van de praktijk met het vergelijkbare oude artikel 19 van de voormalige Wet op de Ruimtelijke Ordening, maar weinig werd toegepast (in 2008 werden er nog circa 3 000 artikel 19 lid 1-vrijstellingen verleend, tegen circa 200 projectbesluiten in 2009. Van dat aantal is naar inschatting slechts een uiterst beperkt deel als separaat projectbesluit aan te merken). Gezien dit beperkte gebruik van het separate projectbesluit, is er aanvankelijk voor gekozen om met een bericht in de nieuwsbrief Wro te volstaan. In het bericht is erop gewezen dat het hiaat in het overgangsrecht niet speelt als voor 1 oktober een met zo’n separaat projectbesluit samenhangende (eerste fase) bouwvergunning zou worden aangevraagd. Het bericht is gebaseerd op een rechtstreekse vertaling van de wetstekst.
Deelt u de mening dat de overheid ervoor moet zorgen dat projecten niet langer in juridische procedures zitten dan strikt noodzakelijk is en dat we niet nieuwe drempels moeten inbouwen door het invoeren van de omgevingsvergunning? Is dat niet onwenselijk gezien de huidige problemen in de bouwsector?
Ja, die mening deel ik.
Kunt u aangeven welke vertraging er kan ontstaan als er geen bouwvergunning (eerste fase) is verleend? En kunt u daarbij aangeven welke procedures er vervolgens (opnieuw) moeten worden doorlopen?
In procedureel opzicht behoeft het ontbreken van overgangsrecht niet tot vertraging te leiden. Voor gevallen waarin voor de datum van 1 oktober geen aanvraag om bouwvergunning werd gedaan, zal voor het bouwen thans een omgevingsvergunning aangevraagd moeten worden. Omdat het eerder afgegeven
projectbesluit daarbij geen rol meer kan spelen, zal die omgevingsvergunning automatisch ook betrekking hebben op planologisch strijdig gebruik. Het zal niet meer dan een formaliteit zijn om de inhoud van het gegeven projectbesluit om te zetten in de vorm van een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik. Ten aanzien van de procedure treedt geen noemenswaardig verschil in tijd op. Zowel de bouwvergunning die volgt op een reeds eerder gegeven separaat projectbesluit, als de omgevingvergunning voor de combinatie van het bouwen en het planologisch strijdige gebruik, wordt voorbereid met dezelfde uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure.
Is het niet vreemd dat er juridische procedures alsnog moeten worden doorlopen, terwijl er vanuit de overheid een positieve grondhouding is om een en ander binnen het bestemmingsplan toe te staan? Zo ja, wat gaan we hier als overheid aan doen om ruimte en vertrouwen te geven richting burgers en bedrijven? Zo nee, kunt u uitleggen waarom het dan wel logisch is?
Het geven van een goede samenloopregeling tussen de bouwvergunning en de planologische afwijkingsbesluiten heeft eerder voor de nodige hoofdbrekens gezorgd. De regeling is uitermate complex en een overgangsregeling roept al snel juridische complicaties op. Het is een evident gevolg van het procedureel in twee afzonderlijke wetten reguleren van toestemmingsprocedures voor activiteiten die vrijwel altijd samenlopen. De Wabo maakt op dit punt schoon schip. Ik ben het met u eens dat de overgang naar de Wabo niet moeilijker moet verlopen dan nodig is. Inmiddels is er een regeling ontworpen waarmee toch een adequate regeling wordt getroffen om het overgangsrecht alsnog te repareren. Mijn bedoeling is om dit als onderdeel van een meeromvattend wetsvoorstel zo snel mogelijk in procedure te brengen.
Biedt de overheid (lokaal, regionaal en nationaal) niet juist een afdoende mate van rechtszekerheid aan de vergunningaanvragers en samenleving, door het overgangsrecht zo toe te passen op de situatie dat er wel een artikel 19-procedure onder de oude WRO is doorlopen, terwijl er nog geen concrete bouwvergunning is afgegeven?
Het hiaat in het overgangsrecht geldt ook voor separate besluiten ingevolge artikel 19, eerste, tweede of derde lid, van de oude WRO. Ook voor deze besluiten zal het ontwikkelde voorstel alsnog in overgangsrecht voorzien. Een soepele toepassing van het geldende overgangsrecht, waardoor eerdere separate projectbesluiten en artikel 19 WRO-besluiten alsnog bruikbaar blijven, is in strijd met de wet.
Bent u bereid deze vragen op korte termijn te beantwoorden, zodat er nog een mogelijkheid is om voor inwerkingtreding per 1 oktober een en ander aan te passen?
Het vinden van een oplossing voor het hiaat in het overgangsrecht bleek complex en heeft de nodige tijd gekost. De beantwoording van deze vragen heeft daarop gewacht. Ook in het geval waarbij al eerder een oplossing zou zijn gevonden, zouden mij de mogelijkheden hebben ontbroken om de wet voor de datum van 1 oktober te wijzigen.
Plan Zuidoord |
|
Ger Koopmans (CDA), Ad Koppejan (CDA) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met de 2 200 indieners van zienswijzen van plan Zuidoord welke op de hoorzitting van 8 september 2010 hun visie op de plannen komen uitleggen?1 Deelt u de mening dat hiermee het draagvlak voor de voorgestelde plannen als twijfelachtig kan worden beschouwd?
Is het waar dat, hoewel strikt formeel voor Zuidoord niet alleen voor natuur wordt ontpolderd, er wel degelijk sprake is van een polder onder water zetten en goede landbouwgrond opofferen voor nieuwe natuur? Geldt een soortgelijke situatie voor de polder Beningerwaard, Zuiderdieppolder op Flakkee en Leenherenpolder in de Hoeksche Waard?
Is ontpoldering in al deze gevallen nodig ten behoeve van recreatie en/of waterveiligheid? Zo neen, voor welke doelen dan?
Is bij de genoemde polders onder vraag 2 ook gekeken naar alternatieve vormen van natuuraanleg, natuurherstel of -compensatie?
Is het waar dat wanneer provincies zelf van mening zijn dat ze voldoende inspanningen hebben verricht om alternatieven te zoeken voor ontpoldering, maar (terecht of onterecht) tot de conclusie komen dat deze er niet zijn, diezelfde provincies dan in principe ongestoord kunnen doorgaan met het omzetten van landbouwgronden in nieuwe natuur? Zo ja, acht u dat in overeenstemming met uw eerdere oproep gedaan tijdens Wetgevingsoverleg Natuur van 16 november 20092, waarin u het verzoek deed aan provincies om hun plannen te heroverwegen als er sprake is van ontpoldering of het onder water zetten van land alleen voor natuurdoelen en te zoeken naar alternatieven om dezelfde natuurdoelen te realiseren? Zo neen, wat gaat u daar aan doen?
Bent u ook van mening dat een onderzoek naar alternatieven door een gegarandeerd onafhankelijk onderzoeksinstituut moet worden uitgevoerd, waarbij geen enkele kans bestaat op belangenverstrengeling met de provincie?
Wat is de stand van zaken, zowel als het gaat om het zoeken van alternatieven voor ontpoldering en onder water zetten als om heroverweging van plannen, met betrekking tot de door u gestelde vragen aan de provincies tijdens het Wetgevingsoverleg Natuur van 16 november 2009?
Deelt u de mening dat het bij de inventarisatie door de provincies niet alleen gaat om gronden met de functie landbouw waarvoor plannen zijn ontwikkeld om deze onder water te zetten, uitsluitend met het doel op die grond natuur te ontwikkelen ten behoeve van de natuurdoelstelling «nieuwe natuur», maar ook om de gronden waarbij verschillende opgaves worden gecombineerd zoals natuur en recreatie of natuur en woningbouw? Zo neen, waarom niet?
Wanneer de hoofddoelstelling natuurontwikkeling is ten behoeve van de natuurdoelstelling «nieuwe natuur» met daarbij nog een andere (ondergeschikte) functie, zoals extensieve recreatie, valt deze dan onder uw definitie van ontpoldering: «gronden ... natuur»? Zo neen, waarom niet?
Wanneer in een polder de hoofddoelstelling natuurontwikkeling is ten behoeve van de natuurdoelstelling «nieuwe natuur», waarbij wel dijken worden doorgestoken maar niet continu het gehele gebied onder water staat en er mogelijkheden worden geboden voor extensieve recreatie langs de randen en/of door een klein gedeelte van een dergelijk gebied, valt zo’n polder dan onder uw definitie van ontpoldering? Zo neen, waarom niet?
Wanneer een polder voor de ecologische hoofdstructuur is bestemd en/of wanneer een polder voor «nieuwe natuur» is bestemd en/of onder de habitatrichtlijn en/of onder de Vogelrichtlijn en/of onder Natura 2000 valt, wordt deze polder dan geschaard onder uw definitie van ontpoldering? Zo neen, waarom niet?
Is het waar dat polder Zuidoord onder uw definitie van ontpoldering valt? Zo neen, waarom niet? Zo ja, waarom wel?
Het voornemen om elf gebieden in Nederland te gaan inrichten als grootschalige windmolenparken |
|
Jhim van Bemmel (PVV) |
|
Tineke Huizinga (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van uw ministerie dat adviseert om elf gebieden in Nederland aan te wijzen als grootschalige windmolenparken?1
Ja.
Deelt u de mening dat, gezien het enorme verzet van diverse gedeputeerden, die onder andere spreken over een enorme landschapsvervuiling van dit heilloze plan dient te worden afgezien? Zo nee, waarom niet?
Het rapport waarop in de vorige vraag werd gedoeld, betreft een studie over de toekomstige ontwikkeling van windenergie op land in Nederland vanaf het huidige kabinetsdoel (doorgroei naar 4000MW) tot minimaal 6000 MW in het jaar 2020. Er is dus geen sprake van een concreet plan. In mijn brief van 30 juni 2010 aan uw Kamer heb ik de status van het rapport toegelicht, alsook het stadium waarin het verkeert.
Deelt u de mening dat er, gezien het feit dat windmolens enorm veel meer kosten dan dat ze kunnen opbrengen, er in het huidige economische klimaat al helemaal van af moet worden gezien? Zo nee, waarom niet?
Ik deel niet de opvatting in deze vraag dat vanwege economische omstandigheden moet worden afgezien van de verdere ontwikkeling van windenergie. De doelen van het huidige kabinet en de Europese Unie ten aanzien van vermindering van CO2-emissie en vergroting van het aandeel duurzaam in onze energievoorziening zijn niet conjunctuurafhankelijk. De Europese Unie verplicht Nederland tot het halen van minstens 14% aandeel duurzame energie in 2020 (17% volgens de vertaling in Nederlands beleid). Volgens recente ramingen zal dit doel niet worden gehaald met het bestaande beleid.
Windenergie is van de duurzame bronnen van elektriciteit de goedkoopste en het potentieel ervan is in Nederland groot.
Deelt u de mening dat er hier wel erg gemakkelijk wordt omgesprongen met bestemmingsplanwijzigingen door de overheid? Vindt u het ook treurig dat door deze zogenaamde «wegstreepexercitie» een aantal aantrekkelijke natuurgebieden in één klap wordt «vernietigd»? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord op vraag 2 heb ik toegelicht dat er gesprekken worden gevoerd over een ontwerp-visie. Bestemmingsplanwijzigingen door de (rijks-)overheid zijn daarmee nu niet aan de orde. De verwachting in de vraag, dat bij eventuele realisering van concentratiegebieden voor windturbines «aantrekkelijke natuurgebieden in één klap worden vernietigd» kan ik niet plaatsen, maar deel ik geenszins.
Deelt u de mening dat, teneinde deze, vaak unieke, gebieden te behouden en de toekomstige (betaalbare) energievoorziening veilig te stellen, er veel beter onderzoek gedaan kan worden naar de bouw van een kerncentrale in plaats van windmolenparken aan te leggen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het komende kabinet om te besluiten over de bouw van een nieuwe kerncentrale. Bezien vanuit de doelstelling voor de verhoging van het aandeel duurzaam in de energievoorziening is volgens de door de Europese Commissie gehanteerde definities een kerncentrale geen oplossing.
De Centrale As |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Tineke Huizinga (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Minister steunt Centrale As»?1
Ja.
Heeft u een idee op basis van welke actie uwerzijds gedeputeerde Piet Adema zijn tweet baseert dat u tevreden zou zijn met de inpassing van de Centrale As in het landschap?
In juni 2010 heb ik de provincie Fryslân schriftelijk laten weten dat, na de gevoerde overleggen en de recent uitgevoerde aanvullende onderzoeken, ik geen aanleiding meer zie om in het vervolgtraject verdere juridische stappen te ondernemen.
Op 22 februari 2010 is door de VROM-Inspectie een zienswijze ingediend op het provinciaal ontwerp inpassingsplan De Centrale As. Daarin is aangegeven dat er nog enkele onduidelijkheden zijn met betrekking tot de inpassing van de Centrale As in het landschap. Hierover hebben in maart en april 2010 overleggen plaatsgevonden met mijn ministerie, het College van Rijksadviseurs (CRA) en met het projectbureau De Centrale As. Op basis daarvan is de conclusie getrokken dat er voldoende garanties zijn aangedragen voor een maximale inpassing van de Centrale As in het landschap.
Is het waar dat u uw bezwaar tegen het provinciaal inpassingsplan Centrale As heeft ingetrokken? Zo ja, op basis van welke onderzoeken, adviezen of nieuwe gegevens bent u tot dit inzicht gekomen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u overtuigd van nut en noodzaak van deze vierbaanssnelweg van Dokkum naar Drachten, gelegen in een gebied waar de bevolking nota bene krimpt? Klopt het dat een gepland bedrijventerrein voorlopig geschrapt is omdat er geen behoefte aan bleek?
In een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 22 april 2008 (31 200 A, nr. 79) heeft mijn ambtsvoorganger, aangegeven de besluitvorming van de provincie Fryslân met betrekking tot de Centrale As te respecteren:
«Daarbij heb ik nadrukkelijk laten meewegen dat mijn voorgangers, alsook de minister van LNV, zowel de specifieke inzet van Fryslân op het punt van het Nationaal Landschap als de keuze voor de Centrale As in het streekplan hebben geaccepteerd. In deze fase van het proces acht ik een andere opstelling van het rijk bestuurlijk ongepast.
Het geplande bedrijventerrein waar u op doelt is het bedrijventerrein Quatrebras. Dit maakt geen onderdeel uit van het provinciaal inpassingsplan de Centrale As. Voor heel Noord Oost Fryslân loopt momenteel een SER-ladderonderzoek naar de behoefte aan bedrijventerreinen. Dit onderzoek is ook van toepassing op een eventuele behoefte aan een bedrijventerrein bij Quatrebras. De uitkomsten van dit onderzoek vormen een onderdeel van het sociaal-economisch masterplan dat wordt opgesteld door de provincie en de vijf betrokken gemeenten Achtkarspelen, Dantumadiel, Dongeradeel, Kollumerland en Tytsjerksteradiel. Dit plan zal naar verwachting binnenkort worden vastgesteld door de raden en staten.
Hoe beoordeelt u het feit dat 2.300 bewoners van de regio kenbaar hebben gemaakt wél grote bezwaren te blijven hebben tegen de verwoesting van het eeuwenoude en unieke Friese coulissenlandschap?
Zie de antwoorden op de vragen 2, 3 en 4.
De plannen voor de vestiging van een Landal-Greenpark bij Fort Benoorden Spaarndam |
|
Roos Vermeij (PvdA), Patricia Linhard (PvdA) |
|
Tineke Huizinga (minister volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bouw Landal-park doorzetten»1 waarin de gedeputeerde, tevens voorzitter van het recreatieschap, uw antwoorden in de wind slaat?2
Ja, begin juni is daarom overleg gevoerd met de verantwoordelijke gedeputeerde, tevens voorzitter van het Recreatieschap. Daarbij is nogmaals gewezen op de randvoorwaarden die het rijksbeleid oplegt aan lokale gebiedsontwikkelingen in dergelijke gebieden. De gedeputeerde gaf aan dat geen sprake is van «in de wind slaan».
Is het mogelijk om in het schootsveld van het fort, dat zoals u in uw antwoord op eerdere vragen uiteenzet valt onder het door UNESCO aangewezen werelderfgoed de Stelling van Amsterdam, vakantiehuisjes te bouwen zonder de cultuurhistorische waarde aan te tasten, daar de bouw aan alle geldende wet- en regelgeving moet voldoen?
Ja, mits voldaan wordt aan de bepalingen van de Werelderfgoedstatus. Het voorlopige plan zoals voorgesteld door de initiatiefnemer leidt echter tot een intensivering van bebouwing en andere bijkomende voorzieningen (onder andere parkeren, toename verkeer, aanleg pitch & puttbaan).
Dit heeft een ingrijpende verandering van het karakter van het schootsveld van het fort tot gevolg. De open schootsvelden rondom de forten van de Stelling van Amsterdam zijn een essentieel onderdeel van de Outstanding Universal Value (OUV). Nederland is bij de opname van de Stelling van Amsterdam op de Werelderfgoedlijst een internationale verplichting uit het Werelderfgoedverdrag aangegaan de OUV van dit erfgoed te behouden.
In de totaalbeoordeling van de plannen zal de provincie Noord-Holland als siteholder ook de positieve ontwikkelingen als het gedeeltelijk herstel van het schootsveld en restauratie van het fort, voor beleving en instandhouding van de Stelling dienen te betrekken. Echter het behoud (door ontwikkeling) van het ene onderdeel van de Stelling mag niet tot gevolg hebben dat een ander, wezenlijk onderdeel van het werelderfgoed, blijvend wordt aangetast.
Is het mogelijk om in een rijksbufferzone 80 vakantiehuizen te bouwen zonder de natuurlijke waarde hiervan aan te tasten?
Het uitgangspunt is dat de rijksbufferzone geen ruimte biedt voor verdere verstedelijking. Een uitzondering is dat er wel enige ruimte voor de ontwikkeling van dagrecreatieve voorzieningen en groen is, om de leefkwaliteit van de nabijgelegen grote steden te verbeteren. In rijksbufferzones mag de ontwikkeling van dagrecreatief groen ook worden gefinancierd op basis van te bouwen (recreatie-)woningen. Indien er substantieel groen voor dagrecreatie wordt gerealiseerd, kan op basis van «rood voor groen» een beperkt aantal vakantiewoningen gebouwd worden in de rijksbufferzone. Provincie Noord-Holland werkt nu aan een intergemeentelijke visie voor de rijksbufferzone. In deze visie zal de provincie antwoord moeten geven op de vraag of 80 vakantiehuizen op deze plek tot een verbetering van de leefkwaliteit kunnen leiden zonder aantasting van de natuurlijke waarden.
Bent u bereid het recreatieschap Spaarnwoude aan te schrijven opdat zij de cultuurhistorische en natuurwaarde van nationaal en zelfs internationaal belang respecteert? Zo nee, waarom niet?
Nee, het standpunt over de cultuurhistorische waarden mag als bekend worden verondersteld bij het Recreatieschap en de provincie Noord-Holland. Zie ook de beantwoording van 17 mei 2010 op vraag 2 en 3 van de eerder gestelde Kamervragen over dit onderwerp. Het is aan de provincie, als siteholder van het werelderfgoed en als mede-initiatiefnemer, om aan te tonen dat met het plan het behoud van de Outstanding Universal Value van het gebied voldoende wordt gewaarborgd, in elk geval niet wordt aangetast. Ook bij het beschermen van de natuurwaarden speelt de provincie een belangrijke rol. Het respecteren van de natuurwaarden zal tot uiting moeten komen in de onder vraag 4 genoemde intergemeentelijke structuurvisie voor de rijksbufferzone. Deze visie biedt een kader voor ondermeer het Recreatieschap.
Bent u bereid de rijksadviseur voor het landschap de plannen voor het Fort benoorden Spaarndam zoals die door de verschillende partijen zijn ingediend allemaal te laten beoordelen?
De provincie Noord-Holland kan gebruik maken van de expertise van de rijksadviseur. Er is op dit moment echter nog geen aanleiding voor een betrokkenheid door de rijksadviseur. Een verzoek van provincie Noord-Holland zal ik positief benaderen.
Kunt u de Kamer informeren over de beoordeling van de plannen van het recreatieschap Spaarnwoude alvorens hierover te besluiten?
In het kader van de Algemene Overleggen die ik met Uw Kamer heb over de uitvoering van de Nota Ruimte, zal ik U op de hoogte houden bij nieuwe ontwikkelingen in dit dossier. De besluitvorming over de (her)bestemming van het gebied, gevolgd door het bouwen als zodanig, ligt primair bij de gemeente. De provincie heeft hierbij een afwegende en toetsende taak. Het Rijk volgt de ontwikkelingen in dit waardevolle gebied en zal deze toetsen aan het rijksbeleid.
De perceptiekosten en administratieve lasten van de integrale vennootschapsbelasting en wijkenheffing |
|
Paulus Jansen |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
Is de Belastingdienst nagegaan wat op basis van nacalculatie de effecten zijn – incidenteel en structureel – van de invoering van de integrale vennootschapsplicht voor woningcorporaties per 1-1-2008 op de omvang van haar formatie? Zo nee, is de minister van Financiën bereid om dit na te gaan en de Kamer daarover te informeren?
Er is niet op basis van nacalculatie nagegaan wat de effecten zijn van de invoering van de integrale belastingplicht voor de vennootschapsbelasting (VPB) bij woningcorporaties op de formatie en de administratieve last.
De belastingplicht voor de VPB voor woningcorporaties is reeds enkele jaren geleden ingevoerd: vanaf 2006 (partieel) en 2008 (integraal). Het effect op de formatie en de extra administratieve last ligt naar verwachting voornamelijk in de jaren 2008 en 2009, vanwege de benodigde aanpassingen die in de bedrijfs- en administratieve processen van de woningcorporaties, en in mindere mate voor de jaren daarna. De administratieve lasten zullen per woningcorporatie ook verschillen. De mate waarin woningcorporaties aanpassingen hebben moeten doen, is afhankelijk van zowel de aard van de corporatie, als van de omvang. Bij een beherende corporatie zal dit minder zijn dan die bij een corporatie met bijvoorbeeld veel projectontwikkelingsactiviteiten. Ten slotte zal ook de schaalgrootte van de corporatie meespelen. Ervaringen bij één corporatie zijn dan ook niet per definitie representatief voor alle corporaties.
In de uitvoering van de (integrale) VPB plicht streeft de Belastingdienst er naar de administratieve lastendruk voor woningcorporaties zoveel mogelijk te beperken. Daartoe zijn bij de invoering van de belastingplicht vaktechnische afspraken met de corporaties gemaakt over de toepassing daarvan (vaststellingsovereenkomst 1 en 2). Bovendien is voor het toezicht onder meer een zogenaamde «Nadere Afspraak» met advieskantoren gesloten. Met deze afspraak wordt beoogd zoveel mogelijk afstemming over de fiscale positie van woningcorporaties te krijgen door overleg met en toezicht bij deze adviseurs. Woningcorporaties hebben de mogelijkheid zich voor 1 september 2010 bij deze afspraak aan te sluiten. Door zich aan te sluiten, wordt de administratieve druk bij corporaties sterk verminderd.
Bij de Belastingdienst worden de werkzaamheden efficiënt en effectief opgepakt, onder andere door landelijke coördinatie vanuit een adoptieregio en landelijke vaktechnische afspraken. Werkzaamheden voor de afzonderlijke regio’s worden hierdoor zoveel mogelijk voorkomen. Ook de hiervoor genoemde afspraken met advieskantoren zorgen voor centrale afspraken en beperkt benodigd toezicht vanuit de verschillende regio’s.
Vanwege hiervoor genoemde punten zie ik op dit moment dan ook geen reden om alsnog een onderzoek naar de gevolgen op de formatie en de extra administratieve lasten te doen als gevolg van de invoering van de (integrale) belastingplicht.
Is de minister van Financiën na de invoering van de integrale vennootschapsbelasting nagegaan wat de werkelijke administratieve effecten zijn voor de woningcorporaties?1 Zo nee, is hij hiertoe bereid? Zou de minister een extra administratieve last van € 40 miljoen op jaarbasis voor de woningcorporaties acceptabel vinden in relatie tot de omvang van de opgehaalde belasting, alsmede in relatie tot de doelstellingen van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit?
Zie antwoord vraag 1.
Is de minister voor WWI na de invoering van de wijkenheffing per 1-1-2008 nagegaan hoe hoog de werkelijke administratieve lasten van deze heffing zijn bij de woningcorporaties?2 Zo nee, is hij hiertoe bereid? Zou de minister een extra administratieve last van €8 miljoen op jaarbasis voor de woningcorporaties acceptabel vinden in relatie tot de omvang van de heffing, alsmede in relatie tot de doelstellingen van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit?
Er is niet op basis van nacalculatie nagegaan hoe hoog de werkelijke administratieve lasten zijn bij de heffing voor de bijzondere projectsteun voor de wijkenaanpak. Bij de heffing voor de bijzondere projectsteun is echter een tweedeling te maken. In 2009 hebben 379 corporaties een aanslag voor de heffing ontvangen. De hiermee samenhangende administratieve last is verwaarloosbaar aangezien het Fonds de hoogte van de heffing vaststelt op basis van de jaarlijkse verantwoordingsgegevens. In 2009 is aan 51 corporaties geen heffing opgelegd omdat zij voldeden aan de voorwaarden voor vrijstelling. De mate waarin het opstellen van een aanvraag om bijzondere projectsteun te ontvangen bij deze corporaties tot hogere administratieve lasten heeft geleid, is inherent aan het aanvragen van een subsidie. Voor het Fonds is niet inzichtelijk hoe groot de administratieve belasting van de subsidieaanvraag is. De vele juridische procedures die corporaties hebben aangespannen tegen de heffing en de uitbetalingen hebben ongetwijfeld wel geleid tot hogere lasten bij corporaties, de omvang hiervan is niet bekend.
In welke mate is de bovenmodale stijging van de personeelskosten van het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV)3 over 2008 veroorzaakt door het toezicht op de juiste uitvoering van de wijkenheffing? Heeft deze stijging doorgezet over 2009?
De toename van de personeelskosten wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door stijging van het gemiddelde bruto salaris ten gevolge van CAO en het hieraan gekoppelde vakantiegeld en eindejaarsuitkering, verhoging van de WAO premie en verhoging van de werkgeversbijdrage aan de zorgverzekering. Door hogere pensioenpremies en stijging van het pensioengevend salaris zijn ook de pensioenlasten gestegen. Door de verhoging van het premiepercentage is de gemiddelde arbeidsongeschiktheidspremie gestegen.
Deze toename heeft dus geen relatie met het toezicht op de juiste uitvoering van de wijkenheffing. In 2008 is de heffing opgelegd, maar is nog geen subsidie uitgekeerd of afgerekend. Voor de werkzaamheden daarvoor is in begroting 2009 en begroting 2010 een bedrag aan personeelskosten opgenomen.