De vergoeding van hulpmiddelen aan kinderen |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Vicky Maeijer (PVV), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat bij organisaties als Nationaal Fonds Kinderhulp en het Jeugdeducatiefonds regelmatig aanvragen worden gedaan voor eerste levensbehoeften en hulpmiddelen voor kinderen en specifiek ook voor kinderen met een beperking? Heeft u zelf in beeld van het probleem?
Ja, daarmee is het Kabinet bekend. Bij het Nationaal Fonds Kinderhulp kunnen aanvragen gedaan worden voor kinderen en jongvolwassenen van 0 tot 21 jaar oud voor bijvoorbeeld een fiets, bed of een dagje uit. Er worden ook financiële aanvragen gedaan voor hulpmiddelen, zoals orthopedische hulpmiddelen, een bril of beugel. Dit zijn vaak middelen die niet (volledig) vergoed worden door de (aanvullende) zorgverzekering. Op de dag van kinderarmoede, 17 april, is het Nationaal Fonds Kinderhulp uitgekomen met een rapport over de actuele trends1. Daaruit is gebleken dat er een stijging is in de hulp voor basisvoorzieningen. Ook het Jeugdeducatiefonds ontvangt aanvragen voor hulpmiddelen bij ziekte, zoals orthopedische schoenen.
Hoeveel gezinnen moeten een beroep doen op stichtingen omdat hun eigen financiële middelen ontoereikend zijn, en onvoldoende hulp krijgen van sociale regelingen en andere voorzieningen? Om hoeveel kinderen gaat dit?
Een derde van de mensen in Nederland leeft met geldzorgen. Er zijn 540 duizend inwoners die onder de armoedegrens leven, waarvan 115 duizend kinderen. 1,2 miljoen mensen leven net boven de armoedegrens. Zij hebben weinig of geen spaargeld. Een kleine tegenslag, zoals een kapotte wasmachine of een ziekenhuisrekening die niet volledig wordt vergoed, leidt dan snel tot financiële problemen.
Bij het Nationaal Fonds Kinderhulp zijn in 2024 ruim 118.000 kinderen geholpen. Bij het Jeugdfonds Sport en Cultuur zijn in 2024 ruim 86.000 kinderen lid geworden van een sport- of cultuurclub. Stichting Jarige Job heeft in 2023 85.000 verjaardagsboxen verstrekt aan kinderen. Stichting Leergeld Nederland heeft in 2023 ruim 181.000 kinderen geholpen. Het Jeugdeducatiefonds heeft samen met het Rode Kruis ruim 323.000 kinderen bereikt met het Programma Schoolmaaltijden (schooljaar 2023–2024).
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat in een welvarend land als het onze gezinnen een beroep moeten doen op maatschappelijke organisaties of stichtingen voor eerste levensbehoeften? Deelt u de mening dat eerste levensbehoeften en hulpmiddelen voor kinderen altijd ergens collectief belegd moet zijn als ouders dit zelf niet kunnen regelen?
Het Kabinet wil dat kinderen nooit in hun levensbehoeften en meedoen beperkt worden door de financiële positie van het gezin. De werkelijkheid is dat dit wel voorkomt en er gezinnen zijn die in armoede leven in Nederland. Het Kabinet probeert dat zo goed mogelijk te ondervangen. Vanuit het Rijk worden de landelijke werkende armoedefondsen ondersteund om te zorgen dat zoveel mogelijk kinderen worden bereikt die dergelijke ondersteuning nodig hebben. Zo ontvangen verschillende landelijk werkende armoedefondsen en maatschappelijke organisaties (de partijen verenigd binnen het samenwerkingsverband «Sam& voor alle kinderen» (hierna: Sam&)) middelen ter ondersteuning van kinderen en jongeren, bijvoorbeeld op gebied van school, sport, cultuur en vrije tijd. Tevens worden de schoolmaaltijden voortgezet voor een aantal scholen. Ook gemeenten zijn verantwoordelijk voor armoedebeleid voor hun inwoners en worden daarbij ondersteund vanuit het Rijk.
Bent u ervan op de hoogte dat in groepen op sociale media, ouders oproepen doen voor noodzakelijke hulpmiddelen die de verzekeraar niet wil vergoeden? Wat vindt u ervan dat bij eerder genoemde organisaties aanvragen binnenkomen voor luiers, medische hulpmiddelen en orthopedische schoenen? Hoe kan het dat de zorgverzekeraar deze niet in alle gevallen vergoed of hier extra eisen aan stelt?
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. Het is aan de zorgverlener om in overleg met de ouders of verzorgers van het kind of, afhankelijk van de leeftijd, met het kind zelf de medische noodzaak voor de genoemde hulpmiddelen aan te geven. Hierbij dient de zorgverlener rekening te houden met de indicatie van het kind voor het betreffende hulpmiddel. Het is vervolgens aan de zorgverzekeraar om te beoordelen of de aanvraag aan de voorwaarden voor het basispakket voldoet. Welke indicaties in aanmerking komen voor vergoede hulpmiddelen uit het basispakket staat beschreven op de website van Zorginstituut Nederland (hierna: het Zorginstituut)2. Zorgverzekeraars houden zich aan deze indicaties.
Deelt u de mening dat dit haaks staat op het internationale Kinderrechtenverdrag en het VN-Verdrag Handicap?
Nee, deze mening deelt het Kabinet niet. Want, volgens artikel 24 van het Kinderrechtenverdrag en artikel 25 van het VN-verdrag Handicap heeft elk kind recht op de grootst mogelijke mate van gezondheid en medisch noodzakelijke basiszorg. Als de medische noodzaak is vastgesteld, zoals in vraag 4 beschreven, moet de verschaffing van de te vergoeden hulpmiddelen voldoende zijn om tegemoet te komen aan de zorgbehoefte van kinderen met een beperking.
Klopt het dat sommige verzekeraars eisen stellen waardoor een kind met een medische indicatie of beperking gebonden kan zijn aan een maximum aantal luiers of incontinentiemateriaal per dag? Zo ja, bent u bereid hen hierop aan te spreken en afspraken te maken zodat de vergoeding hier op maat is en voldoet aan de behoefte?
Voor de vergoeding van incontinentiematerialen werken de meeste zorgverzekeraars met profielen, variërend van zeer lichte incontinentie tot zeer zware incontinentie. In afstemming met de ouders of verzorgers van het kind bepaalt de continentieverpleegkundige van de leverancier in welk profiel het kind moet worden ingedeeld, welk soort incontinentiemateriaal daarbij passend is en hoeveel incontinentiemateriaal per dag nodig is.
Dit betekent niet dat als een kind meer materiaal verbruikt dan verwacht, dit materiaal niet vergoed wordt. Dat komt omdat zorgverzekeraars over het algemeen met een dagvergoeding werken. Het te vergoeden bedrag per dag verschilt per profiel. Als het kind over langere tijd meer materiaal per dag nodig heeft dan past binnen het profiel, dan kan de continentieverpleegkundige het kind in een ander profiel indelen. Er is geen maximumaantal opgenomen in de wet- en regelgeving waarin de aanspraak op incontinentiemateriaal is beschreven.
Ik vind het belangrijk dat kinderen toegang hebben tot voldoende incontinentiemateriaal als ze die vanwege een medische indicatie of beperking nodig hebben. En ik zal hierover met verzekeraars in gesprek gaan.
Bent u bereid om in navolging van het amendement-Bushoff/Dijk een structurele oplossing te vinden voor de vergoeding van brillen voor kinderen zoals het onderbrengen van brillen in het basispakket? Zo nee, hoe legt u dit uit in het kader van het Kinderrechtenverdrag en het VN-Verdrag Handicap waarin duidelijk staat opgenomen dat de overheid verantwoordelijk is voor het aanbieden van hulpmiddelen tegen een betaalbare prijs (artikel 20)?
Momenteel ben ik bezig met de uitvoering van het genoemde amendement voor de verstrekking van kinderbrillen aan kinderen waarvan de ouders of verzorgers dit financieel niet kunnen dragen. Parallel daaraan ben ik in gesprek met de veldpartijen en het Zorginstituut over het vinden van een structurele oplossing voor deze groep kinderen. Hierbij wordt ook bekeken of de huidige aanspraak op kinderbrillen herzien moet worden.
Ziet u ook dat een aanvullende verzekering voor minder draagkrachtige gezinnen vaak een probleem is en dit een belemmering is voor kosten die gemoeid gaan met orthodontie? Klopt het dat de aanvragen bij eerder genoemde fondsen voor beugels voor kinderen stijgen? Vindt u dit een probleem? Zo ja, werkt u aan een oplossing? Zo nee, waarom niet?
Aan de vergoeding van orthodontie vanuit het basispakket zitten voorwaarden verbonden. Bij specifieke indicaties kan orthodontie wel voor vergoeding vanuit het basispakket in aanmerking komen3. Ook kan orthodontie vanuit de aanvullende verzekering vergoed worden.
Daarnaast kunnen minima in veel gemeenten een gemeentepolis afsluiten met daarin altijd een vergoeding voor mondzorg, waaronder ook orthodontie voor kinderen. De gemeentepolis is een collectieve zorgverzekering voor minima. In Nederland hebben 635.000 mensen een Gemeentepolis. Het voordeel van een gemeentepolis is dat de gemeente en de zorgverzekeraar een bijdrage of premiekorting kunnen geven op het aanvullende deel van de polis. Daardoor is de polis goedkoper dan een «reguliere» verzekering.
Uit de recente armoedecijfers blijkt dat het aantal kinderen dat in armoede opgroeit al jaren daalt4. Ondanks de daling ziet het Jeugdeducatiefonds een stijging in aanvragen rondom zorg in de breedste zin, zoals brillen en kosten voor beugels. Om die reden hebben de fondsen van Sam& in 2024 extra middelen ontvangen van het Ministerie van SZW om meer kinderen te bereiken en te kunnen helpen.
Deelt u de mening dat aangepaste leermiddelen voor bijvoorbeeld kinderen met een beperking, taalontwikkelingsachterstand (TOS) of dyslexie altijd beschikbaar moet worden gesteld aan kinderen die dit nodig hebben? Zo ja, hoe kan het dat ook hiervoor beroep wordt gedaan op organisaties als het Jeugdeducatiefonds en het Nationaal Fonds Kinderhulp?
Het Kabinet vindt het belangrijk dat alle kinderen goed mee kunnen doen in het onderwijs. Voor leerlingen die daarvoor aangepaste leermiddelen nodig hebben, is het belangrijk dat die beschikbaar zijn. Daarom verstrekt het Ministerie van OCW subsidies aan organisaties zoals Dedicon en Stichting Toegankelijke Informatie om leermiddelen toegankelijk te maken. Daarnaast wordt in het Nationaal Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal gewerkt aan het verbeteren van de toegankelijkheid van onder andere digitale leermiddelen. Samen met scholen, leraren en experts wordt leermateriaal ontwikkeld die vrij toegankelijk, aanpasbaar en direct inzetbaar is. Dit omvat ook het gespecialiseerd onderwijs.
Naast aangepaste leermiddelen zijn voor kinderen met een beperking soms ook andere hulpmiddelen nodig om deel te kunnen nemen aan onderwijs. Hiervoor zijn drie routes:
Indien de kosten voor een voorziening onder het drempelbedrag liggen en ouders of verzorgers deze niet zelf kunnen betalen, is het mogelijk dat zij een beroep doen op een sociaal fonds, zoals het Jeugdeducatiefonds en het Nationaal Fonds Kinderhulp. Het is ook voorstelbaar dat ouders of verzorgers niet altijd de juiste weg kunnen vinden om hulpmiddelen beschikbaar gesteld te krijgen voor hun kind. In het kader van de Nationale Strategie voor de implementatie van het VN-verdrag Handicap inventariseert het Kabinet knelpunten die leerlingen en/of studenten ervaren bij de inzet van hulpmiddelen in het onderwijs, onder andere in relatie tot hulpmiddelen die vanuit het zorg- en werkdomein worden verkregen. Daarbij wordt ook kritisch gekeken naar de informatievoorziening over beschikbaarheid van hulpmiddelen in het onderwijs en hoe dat kan worden verduidelijkt voor leerlingen, studenten, ouders en verzorgers.
Deelt u de mening dat reiskosten nooit een belemmering zouden mogen zijn voor ouders om hun kind die (tijdelijk) in een zorginstelling verblijft op te zoeken?
Ik vind dat ouders of verzorgers hun kind moeten kunnen opzoeken als het kind (tijdelijk) in een zorginstelling verblijft. Maar, reiskosten zijn voor ouders of verzorgers vaak voor eigen rekening. Als de reiskosten een belemmering zijn, kunnen ouders of verzorgers contact opnemen met hun gemeente voor eventuele financiële ondersteuning, bijvoorbeeld via de bijzondere bijstand of andere lokale regelingen.
herkent u dat het leerlingenvervoer bij spoeduithuisplaatsing van moeder en/of kind vaak niet goed is geregeld en dat ook hierover aanvragen worden gedaan bij genoemde organisaties? Deelt u de mening dat dit beter georganiseerd moet worden omdat het van groot belang is dat het kind op dezelfde school blijft (tenzij er goede redenen zijn dan niet te doen)? Zo ja, wat gaat u doen?
Bij (spoed)uithuisplaatsingen is het vanzelfsprekend van belang dat leerlingenvervoer goed geregeld is, zodat – waar dat mogelijk is – leerlingen naar de eigen school kunnen gaan. Gemeenten zijn ervoor verantwoordelijk dat het leerlingenvervoer ook in dit geval goed geregeld is. Hier zijn geen landelijke kaders of richtlijnen voor, maar er zijn wel goede voorbeelden bij gemeenten. Zo zijn in de regio Noordoost-Brabant regionale afspraken gemaakt over bij welke gemeente de verantwoordelijkheid ligt bij (spoed)uithuisplaatsing over gemeentegrenzen heen. In de gesprekken met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten zal het Kabinet wijzen op het belang van zulke regionale afspraken.
Deelt u de mening dat het onthouden van medische hulpmiddelen en leermiddelen aan kinderen, kan leiden tot gezondheidsproblemen en ontwikkelingsachterstanden en dit uiteindelijk ook meer kosten voor de samenleving met zich meebrengt?
Het Kabinet kan zich voorstellen dat het ontbreken van medische hulpmiddelen en leermiddelen gezondheidsproblemen of ontwikkelingsachterstanden bij kinderen teweeg kan brengen. En dat dit zich daardoor vertaalt in meer kosten voor de samenleving. Het Kabinet vindt het belangrijk dat kinderen toegang hebben tot deze middelen en zorgt er daarom voor dat deze toegang er is. Dit is geregeld op verschillende manieren, zoals via scholen, gemeenten of het basispakket.
Klopt het ook dat kinderen die geen wettelijke verblijfsstatus hebben, soms geen aanspraak kunnen maken op hulp en zorg omdat het burgerservicenummer nog niet geregeld is, waardoor ook er ook geen verzekering geregeld kan worden? Deelt u de mening dat dit haaks staan op het Kinderrechtenverdrag waarin staat dat kinderen áltijd recht op zorg hebben?
In Nederland krijgt ieder kind medische zorg als dat nodig is, ongeacht de verblijfsstatus. Dit is in lijn met het Kinderrechtenverdrag. De zorgkosten van deze kinderen komen, als de ouders of verzorgers dit zelf niet kunnen betalen, ten laste van de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden of de Regeling onverzekerbare vreemdelingen. Deze financiële regelingen worden uitgevoerd door het CAK. Voor kinderen uit Oekraïne, en als zij onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vallen, is de vergoeding van zorg geregeld via de Regeling Medische zorg Oekraïners. De kosten voor kinderen van asielzoekers vallen onder de Regeling Medische zorg Asielzoeker. De dekking van zorg van al deze regelingen is gelijk of vergelijkbaar aan de basisverzekering.
Wat kunt u nog meer doen om te zorgen kinderen die vanwege medische redenen, een beperking, of de sociaaleconomische positie van ouders hetzelfde recht hebben op medische hulpmiddelen en leermiddelen, zoals ook volgt uit het Kinderrechtenverdrag?
Gemeentes krijgen middelen om kinderen in een slechtere sociaaleconomische positie te ondersteunen, ze staan hierin vrij eigen afwegingen te maken. Daarnaast ontvangen de Sam&-partijen subsidie voor het bieden van ondersteuning aan kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen.
Het Kabinet vindt het belangrijk dat ouders en verzorgers deze mogelijkheden kennen. Daarvoor is Het Juiste Loket5 voor hen bereikbaar. Dit is een onafhankelijk informatie- en adviespunt voor vragen over de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Zvw, en de Wet langdurige zorg. De hulp van Het Juiste Loket is gratis.
De uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen en falen van gecertificeerde instellingen |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Struycken |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beschikkingen van de Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2025:10431 en ECLI:NL:RBNNE:2025:10312) waarin ernstige tekortkomingen in de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen worden geconstateerd door de kinderrechter Bart Tromp? Zo nee, kunt u dan alsnog deze twee uitspraken lezen?
Ja.
Kunt u deze twee uitspraken duiden voor ons?
In de beschikking ECLI:NL:RBNNE:2025:1043 heeft de kinderrechter het verzoek van de gecertificeerde instelling (hierna GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige nog steeds in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, maar niet is komen vast te staan dat ouders de zorg niet of niet voldoende accepteren of kunnen benutten. Daarnaast heeft de kinderrechter geoordeeld dat de ondertoezichtstelling inhouds- en doelloos is als er geen jeugdbeschermer is gekoppeld aan het kind en haar ouders.
In de beschikking ECLI:NL:RBNNE:2025:1031 heeft de kinderrechter de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verleend voor de duur van zes weken. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna RvdK) en GI hebben bij herhaling niet adequaat gereageerd op verzoeken van de kinderrechter om nadere informatie, waardoor de wettelijke grondslag voor de kinderbeschermingsmaatregelen niet goed kan worden onderzocht en de noodzaak hiervan niet kan worden vastgesteld. De GI wordt op verzoek van de RvdK vervangen door een andere GI wegens het onvoldoende uitvoering geven aan haar taken, waaronder aanstelling van een vaste jeugdbeschermer.
In beide zaken heeft de kinderrechter geoordeeld dat de GI en de RvdK in onvoldoende mate uitvoering hebben gegeven aan hun taken.
Hoeveel kinderen met een ondertoezichtstelling (OTS) hebben momenteel geen vaste jeugdbeschermer toegewezen gekregen? Kunt u garanderen dat in alle gevallen een jeugdbeschermer beschikbaar is? Zo nee, wat gaat u er aan doen dat alle kinderen met een kinderbeschermingsmaatregelen wel een vaste jeugdbeschermer krijgen?
Op peildatum 1 oktober 2024 wachtten 1.496 kinderen op een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder. Dit kunnen kinderen zijn die wachten in het kader van een OTS, een voogdij of jeugdreclassering. Dit zijn zowel kinderen die wachten bij de start van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (589), als kinderen die door personeelsverloop en ziekteverzuim nog geen nieuwe vaste jeugdbeschermer hebben (907). In dat laatste geval is de noodzakelijke (jeugd)hulp veelal al ingezet.
Op 14 september 2022 is uw Kamer geïnformeerd over het pakket aan maatregelen dat samen met GI en gemeenten is opgesteld om de problematiek in de jeugdbescherming aan te pakken.3 Eén van de belangrijkste problemen was de hoge werkdruk in de jeugdbescherming, een belangrijke oorzaak voor het ontstaan van wachtlijsten. Op 24 oktober 2023 is uw Kamer geïnformeerd over de bestuurlijke afspraken die met gemeenten gemaakt zijn over landelijke tarieven die het mogelijk maakte om de werkdruk aanzienlijk te verlagen.4 De gemiddelde workload van alle GI’s is gedaald van 17,1 kinderen (1 december 2022) naar 12,6 kinderen per medewerker (1 oktober 2024) en is daarmee op het beoogde niveau van werkdrukverlaging5. Deze daling van de workload moet nu verder bestendigd worden binnen de verschillende GI’s. Dit blijft gegeven de tekorten op de arbeidsmarkt een grote opgave voor de GI’s. Bij enkele GI’s is na de daling van het aantal cliënten in de afgelopen jaren weer sprake van een stijging van het aantal cliënten. Dit legt additionele druk op het werven van personeel in deze krappe arbeidsmarkt.
De GI’s hebben aangegeven dat nu de beoogde werkdrukverlaging over het geheel genomen gerealiseerd is, ze hun aandacht meer kunnen richten op het omlaag brengen van de wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer. Dat zal in de komende periode gestalte moeten krijgen. Wij blijven dat met de GI’s nauwgezet volgen. In de brief ten behoeve van het commissiedebat over de jeugdbescherming in juni informeren we u over het aantal jeugdigen die wachten op een vaste jeugdbeschermer per peildatum 1 april 2025.
Voor alle kinderen die wachten op een vaste jeugdbeschermer, geldt dat de GI zicht houdt op de veiligheid van het kind. Hiertoe voeren de GI’s risico- en veiligheidstaxaties uit, handelen direct wanneer dat nodig is en maken zij afspraken met het lokale veld en zorgaanbieders over het inzetten en het continueren van jeugdhulp.
Hoeveel van de 3.300 kinderen bij de William Schrikker Stichting (WSS), waar u naar verwijst in de beantwoording van de Kamervragen3 van het lid Bruyning van 24 februari 2025 (vraag 3 en 4), hebben geen vaste jeugdbeschermer?
WSS heeft destijds naar aanleiding van de casus van het meisje in Vlaardingen een toets uitgevoerd op de 3.300 kind-dossiers binnen de WSS waarin sprake is van plaatsing in een pleeggezin of gezinshuis.
Het is mij niet bekend hoeveel van deze kinderen geen vaste jeugdbeschermer hebben. Wij informeren de Kamer periodiek over de stand van zaken bij de Gecertificeerde Instellingen op basis van de «monitor GI’s». In deze monitor wordt gerapporteerd over alle kinderen die wachten op een vaste jeugdbeschermer zonder onderscheid naar welke hulp (zoals b.v. pleegzorg of gezinshuis) de kinderen ontvangen.
Deelt u de mening dat, indachtig art. 4.2.2 besluit jeugdwet – die stelt datBinnen vijf werkdagen nadat de gecertificeerde instelling is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en zij hiervan in kennis is gesteld, wijst de gecertificeerde instelling een gezinsvoogdijwerker aan, en wie hem vervangt, en vindt het eerste contact plaats tussen de gezinsvoogdijwerker en de minderjarige en de met het gezag belaste ouder of voogd – een OTS niet kan worden uitgevoerd als er geen vaste medewerker en vervanger zijn aangewezen? Zo nee, waarom niet?
Helaas zijn er nog altijd kinderen die moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer. Dat moet beter. Het gegeven dat er (nog) geen vaste jeugdbeschermer is voor het kind, betekent echter niet dat de veiligheid van het kind niet in de gaten wordt gehouden, dan wel dat er niet wordt gehandeld als daar aanleiding toe is. In 2022 stelden GI’s gezamenlijk het «Handelingsperspectief en veldnorm bij onderbezetting Gecertificeerde Instellingen» op. Het is een werkwijze voor wachtlijstbeheer in geval van onvoldoende personele capaciteit. De GI’s werken met het handelingsperspectief als een «minimumvariant» – een basisrichtlijn – in situaties van personele onderbezetting. In de praktijk doen de meeste GI’s meer dan deze basisrichtlijn of hoeven ze de werkwijze niet (meer) in te zetten.
Bent u het met de kinderrechter eens dat een OTS zonder vaste jeugdbeschermer dan ook inhoudsloos en doelloos is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Artikel 8 EVRM bevat het recht op bescherming van het familie- en gezinsleven. De staat moet zich onthouden van ingrijpen in het gezinsleven, tenzij dit ingrijpen voorzienbaar is bij wet, een legitiem doel dient en noodzakelijk is in een democratische rechtsorde. Het doel van het overheidsingrijpen bij kinderbeschermingsmaatregelen is het bieden van bescherming aan minderjarigen.
Daarmee is niet meteen voldaan aan het vereiste van doelmatigheid, er zal bij iedere maatregel moeten worden afgewogen of de maatregel wel het doel dient waarvoor het wordt ingezet. De noodzakelijkheidstoets houdt in dat de maatregel proportioneel moet zijn, en dat minder ingrijpende maatregelen moeten zijn uitgeput. Het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer kan een schending van artikel 8 EVRM opleveren, als de GI haar taak niet voldoende uitvoert.
Als de GI de minderjarige niet adequaat kan beschermen, dient de kinderbeschermingsmaatregel geen doel (meer) en ontbreekt daardoor de grond voor overheidsingrijpen en daarmee voor een kinderbeschermingsmaatregel.
Vindt u dat bij het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer een schending van artikel 8 lid 2 EVRM kan opleveren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven in hoeveel gevallen kinderrechters op verzoek van de gecertificeerde instellingen(GI’s) een OTS verlengen zonder dat er daadwerkelijk hulp is of kan worden geboden? Indien u niet kan aangeven hoeveel gevallen dit zijn kunt u dan ook uitleggen waarom u dit niet kan aangeven?
Nee, dit kan ik niet aangeven. Dit wordt niet geregistreerd.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat rechters een OTS verlengen en de GI’s een verzoek verlenging OTS verzoeken zonder dat er daadwerkelijk hulp ingezet wordt zoals beschreven in de twee uitspraken in vraag 1 en 2 van de kinderrechter Bart Tromp?
Het is aan de kinderrechter om zorgvuldig te toetsen of een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk en proportioneel is. Het is niet passend om als bewindspersoon te treden in afwegingen die rechters maken in jeugdbeschermingscasuïstiek. Verder verwijzen we u naar het antwoord op vraag 3 voor de maatregelen die zijn genomen om te zorgen dat kinderen wel direct een vaste jeugdbeschermer krijgen.
Hoe vaak komt het voor dat een kinderrechter de GI, in dit geval Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis, ontslaat wegens disfunctioneren en vervangt door een andere instelling?
Dat weet ik niet. Dit wordt niet geregistreerd.
Wat zegt dit ontslag over de kwaliteit van toezicht op GI’s? Is er een vast toezicht protocol bij de Inspecties op dit punt? Overweegt u het toezicht uit te breiden naar aanleiding van deze uitspraak? Overweegt u verscherpt toezicht op te leggen aan slecht functionerende instellingen?
De Inspecties hanteren bij het toezicht een toetsingskader. Het toetsingskader bestaat uit een aantal normen en daarbij behorende toetsingscriteria. Deze zijn gebaseerd op wet- en regelgeving, veldnormen en richtlijnen die beroepsorganisaties van zorgverleners hebben opgesteld.
De inspecties voeren in 2025 een breed toezicht uit op de kwaliteit en de werkwijze bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering. Het toezicht is gericht op de kwaliteit van de taakuitvoering, ook in situaties dat er geen vaste jeugdbeschermer aan de jeugdige is gekoppeld. Bij vijf GI’s wordt verdiepend toezicht uitgevoerd, waaronder Jeugdbescherming Noord. Over elk van deze GI’s zal een afzonderlijk rapport verschijnen. Als verdiepend toezicht of andere signalen daartoe aanleiding geven kunnen de inspecties verscherpt toezicht opleggen.
Bent u bereid om een evaluatie te laten uitvoeren naar de prestaties van GI’s en te onderzoeken of structurele tekorten aan personeel leiden tot onrechtmatige OTS-besluiten?
Ik zie geen aanleiding om de voorgestelde evaluatie naar de prestaties van de GI te laten uitvoeren. Zoals in antwoord op vraag 3 beschreven hebben we samen met GI’s en gemeenten maatregelen genomen om de problematiek in de jeugdbescherming aan te pakken, waaronder de verlaging van de werkdruk, extra middelen en de regeling voor zij-instromers. Met ingang van 1 december 2022 informeren we uw Kamer – mede n.a.v. de motie Hijink7 – periodiek over de voortgang van de verbetermaatregelen, zoals de werkdruk/workload, de wachtlijsten, aantal jeugdbeschermers, ziekteverzuim en personeelsverloop. In de jeugdbeschermingsbrief van 2 december 20248 hebben we uw Kamer voor het laatst geïnformeerd over de stand van zaken en de vorderingen die sinds 1 december 2022 gemaakt zijn. Er is een aanzienlijke daling van de workload/werkdruk. In deze periode zijn ook de wachtlijsten voor een vaste jeugdbeschermer gedaald en is ook het personeelsverloop gedaald. Het kan en moet op onderdelen nog beter, maar de ontwikkeling is positief. We zullen u in de brief ten behoeve van het commissiedebat over de jeugdbescherming in juni informeren over de stand van zaken per 1 april 2025.
In de afgelopen periode is door de inspecties onafhankelijk toezicht uitgevoerd bij de GI’s en zijn diverse signalementen door de inspecties uitgebracht. De inspecties voeren – op basis van de uitvraag van de stand van zaken bij de GI’s op peildatum 1 oktober 2024 – op dit moment verdiepend toezicht uit bij vijf gecertificeerde instellingen. Over elke GI verschijnt een afzonderlijk rapport. Daarnaast verschijnt een overkoepelende publicatie met rode draden uit het toezicht bij de onderzochte GI’s.
Komt het vaker voor dat kinderrechters constateren, zoals hier in de twee genoemde uitspraken van de kinderrechter Bart Tromp, dat de Raad voor de Kinderbescherming en de GI cruciale informatie hebben achtergehouden en rechterlijke bevelen niet hebben opgevolgd? Heeft de kinderrechter gelijk als hij stelt dat hierdoor geen eerlijke rechtsgang mogelijk is?
Ja, het komt vaker voor dat kinderrechters oordelen dat de RvdK of GI’s in onvoldoende mate uitvoering geven aan hun taken.
Het achterhouden van cruciale informatie is in strijd met artikel 3.3 van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de RvdK en de GI verplicht zijn om in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Een eerlijke rechtsgang voor de burger kan worden belemmerd als het achterhouden van cruciale informatie ertoe leidt dat de rechter een beslissing neemt op basis van onvolledige informatie met verstrekkende (nadelige) gevolgen voor de burger, en de burger door het ontbreken van informatie bovendien niet effectief kon deelnemen aan het proces.
Daarnaast belemmert het niet opvolgen van rechterlijke bevelen door organisaties die onderdeel zijn van de overheid of wettelijke taken uitvoeren, een eerlijke rechtsgang in die zin dat het de rechtspraak ondermijnt en afbreuk doet aan het vertrouwen in en de legitimiteit van het handelen door de overheid.
Deelt u de mening van de kinderrechter dat het onacceptabel is dat overheidsinstanties rechterlijke bevelen negeren? Welke sancties staan er op het niet naleven van rechterlijke uitspraken door de Raad en GI’s?
Rechterlijke bevelen in kinderbeschermingsprocedures dienen te worden opgevolgd. Wanneer een GI niet adequaat reageert op een verzoek van de kinderrechter, in dit geval om nadere informatie, kan de rechter, op verzoek van de RvdK, ouder of minderjarige van twaalf jaar en ouder, de GI vervangen voor een andere GI. Daarnaast kan de kinderrechter de Raad en GI’s op grond van artikel 611 Rv een dwangsom opleggen.
Bent u bereid te onderzoeken of de rechtsbescherming van ouders en kinderen in jeugdzorgzaken voldoende is gewaarborgd, gelet op deze problematiek van het niet naleven van rechterlijke uitspraken?
Diverse rapporten en adviezen hebben de afgelopen jaren reeds uitgewezen dat de rechtsbescherming in de jeugdbescherming tekortschiet. Met het wetsvoorstel «Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming» wil ik de rechtsbescherming daarom verbeteren.
Wat is uw visie op het feit dat een maatregel als een OTS geld kost maar de maatregel niet wordt uitgevoerd door een gezinsbeschermer? Wat gebeurt er met de financiering van deze maatregel wanneer de OTS niet uitgevoerd wordt? Krijgt de GI alsnog een bedrag voor de niet uitgevoerde maatregel? En als blijkt dat de GI onterecht geld heeft ontvangen wordt dit dan teruggevorderd? Kunt u duidelijkheid verschaffen wat de kosten zijn van het opleggen van een beschermingsmaatregel meer specifiek in dit geval een OTS, alsmede een OTS met een uithuisplaatsing en wat de consequenties zijn als deze maatregelen niet worden uitgevoerd? Kunt u uw antwoord motiveren?
Het gegeven dat een maatregel niet volledig conform alle wettelijke vereisten uitgevoerd kan worden, betekent niet dat een GI géén kosten maakt om zo snel mogelijk een vaste jeugdbeschermer voor het kind te realiseren. Nieuwe jeugdbeschermers moeten geworven en ook nog door de GI opgeleid worden om alle taken die een jeugdbeschermer moet uitvoeren goed onder de knie te krijgen. Een nieuwe jeugdbeschermer is voorts niet vanaf de eerste dag volledig productief en kan dus niet meteen een volledige workload van kinderen begeleiden. Daarnaast worden door de GI ook kosten gemaakt om de kinderen die nog wachten op een vaste jeugdbeschermer minimaal conform het door de GI’s opgesteld handelingskader te begeleiden.
Als de maatregel niet wordt bekostigd door de gemeente, betekent dat dat de GI niet de financiële middelen heeft die er juist voor moeten zorgdragen dat er wel zo snel als mogelijk een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is en om de veiligheid te borgen in situaties dat er geen vaste jeugdbeschermer is. Dat is uiteraard niet wenselijk.
Het gemiddelde tarief dat een GI ontvangt voor de uitvoering van een OTS conform de «Handreiking Landelijk Tarief en bekostiging JBJR» bedraagt in 2025 € 14.189,22 per jaar. Dit is een gemiddeld tarief voor de uitvoering van een OTS waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen wel of niet uithuisgeplaatste kinderen. Een OTS duurt gemiddeld 2,6 jaar.
Bent u bekend met het amendement-Van der Burg/Bergkamp (Kamerstuk 33 684, nr. 32) van 8 oktober 2013 en die op 17 oktober 2013 is aangenomen door de Tweede Kamer?
Ja. Ik wijs u in dit verband op artikel 3.3 van de Jeugdwet waarin is neergelegd dat de RvdK en de GI verplicht zijn in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.
Bent u bekend met het feit dat sinds het aannemen van het amendement er meerdere pogingen zijn gedaan om het feitenonderzoek te borgen binnen de jeugdbescherming en de raad voor de kinderbescherming? En dat er sinds september 2024 weer een nieuw onderzoek loopt, nu bij BMC, onder de titel Vervolg verbetering feitenonderzoek jeugdbescherming? Kunt u ons informeren over de stand van dit onderzoek?
Ja, ik ben hiermee bekend. Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik verder naar mijn brief van 2 december 20249 waarin ik ben ingegaan op het project Vervolg verbetering feitenonderzoek jeugdbescherming. In volgende jeugd(beschermings)brieven wordt uw Kamer periodiek over de voortgang geïnformeerd.
Hoe kan het dat bijna 12 jaar nadat het amendement-Van der Burg/Bergkamp is aangenomen professionele organisaties binnen de veiligheidsketen nog altijd niet in staat zijn om heldere richtlijnen en protocollen vast te stellen om uitvoering te geven art. 21rv en art. 3.3 JW? Bent u het met ons eens dat dit zorgen moet baren? Bent u het ook met ons eens dat een niet deugdelijk feitenonderzoek kan leiden tot onjuiste besluitvorming met zeer ernstige gevolgen?
Uiteraard onderschrijf ik het belang van goede dossiervoering. Het is uitermate belangrijk dat ingrijpende besluiten worden genomen op basis van een zorgvuldige voorbereiding.
Naast de wettelijke verplichting voor de Raad voor de Kinderbescherming en de Gecertificeerde Instellingen om van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, zijn er voor professionals van Veilig Thuis, GI’s en RvdK richtlijnen, privacyprotocollen en kwaliteitskaders met een nadere toelichting hoe hiermee moet worden omgegaan.
De praktijk is echter weerbarstig en complex. Zoals ik in mijn brief van 2 december 2024 heb aangegeven, gaat het niet alleen om het scheiden van feiten en meningen, wat door verschillen van inzicht tussen cliënten en organisaties of tussen cliënten onderling al ingewikkeld kan zijn. Het gaat er ook om dat professionals kinderen en ouders goed betrekken bij het besluitvormingsproces, dat zij hoor en wederhoor toepassen en dat een dossier en besluitvorming op transparante en navolgbare wijze tot stand komt. Het onderwerp vergt en krijgt daarom structureel aandacht van de betrokken organisaties in de jeugdbescherming. In de genoemde brief heb ik bovendien aangegeven dat in het kader van het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming een handelingskader wordt ontwikkeld, dat een uniform richtinggevend kader voor professionals wordt, waarin nadrukkelijk aandacht is voor de kwaliteit van de besluitvorming.
Wordt het in uw ogen niet tijd dat, nu de sector het al 12 jaar niet voor elkaar krijgt, ook niet met commerciële consultancy organisaties, dat het ministerie met rechters, wetenschappers en deskundigen zelf gaat vaststellen hoe het feitenonderzoek vorm gegeven moet gaan worden en de veiligheidssector verplicht zich hieraan te conformeren? Zo nee, waarom niet? En zo ja, hoe gaat u dit vorm geven?
Zie antwoord vraag 19.
In een van de zaken (ECLI:NL:RBNNE:2025:1031) wordt een kind mogelijk onterecht als minderjarige behandeld. Hoeveel zaken zijn er waarbij twijfel bestaat over de leeftijd van een kind in jeugdbeschermingsprocedures?
Dat weet ik niet. Dit wordt niet geregistreerd.
Bent u bekend met wat de kinderrechter beschrijft dat de mogelijkheid aanwezig is dat jeugdbeschermingsmaatregelen worden ingezet bij vreemdelingenzaken om verblijf te verkrijgen? Hoe wordt voorkomen dat kinderbeschermingsmaatregelen misbruikt worden voor vreemdelingenrechtelijke doeleinden?
Het toelatingsbeleid kent sedert 2019 een verblijfskader waarin de mogelijkheid is opgenomen om een tijdelijke verblijfsvergunning te verlenen aan een kind met een ondertoezichtstelling, dat niet in aanmerking komt voor enig ander verblijfsrecht. Een voorwaarde voor de vergunning is dat de maatregel niet overgedragen kan worden aan het land van herkomst.
Dit verblijfrecht heeft dus als doel de opgelegde maatregel in Nederland te kunnen uitvoeren. Dit beleidskader is in 2022 geëvalueerd.
In deze evaluatie zijn geen signalen van misbruik gebleken. Er werden in de periode van de evaluatie ongeveer 50 vergunningen verleend per jaar. Sedertdien loopt het aantal terug.
Bent u bereid om per direct maatregelen te nemen om te waarborgen dat geen enkele OTS wordt uitgesproken of verlengd zonder dat er een beschikbare jeugdbeschermer is?
Zoals bij vraag 3 uiteen is gezet, zijn diverse maatregelen genomen om zorg te dragen dat er snel een jeugdbeschermer beschikbaar is en dat zonder wachtlijsten kan worden gewerkt. De GI’s werken er hard aan om dit te realiseren. De GI’s hebben aangegeven dat nu de noodzakelijke werkdrukverlaging gerealiseerd is, ze hun aandacht kunnen richten op het wegwerken van de wachtlijst. Dat zal in de komende periode gestalte moeten krijgen. Als er niet direct een vaste jeugdbeschermer is, betekent dat niet dat er niets in de uitvoering gebeurt. De GI’s dragen – als er nog geen vaste jeugdbeschermer is – in ieder geval zorg voor de veiligheid van het kind, zorgen voor (continuïteit) van hulp en grijpen direct in als dat noodzakelijk is.
Welke stappen gaat u zetten om de informatievoorziening vanuit de Raad voor de Kinderbescherming en GI’s naar de rechter te verbeteren?
Ik verwijs u hiervoor Kamerbrief jeugdbescherming van 2 december 2024 waarin ik onder meer ben ingegaan op het verbeteren van het feitenonderzoek.
Kunt u toezeggen dat de Kamer binnen drie maanden een plan van aanpak ontvangt over hoe u de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen en het functioneren van GI’s gaat verbeteren zodat kinderen en gezinnen, maar ook kinderrechters niet meer geconfronteerd worden met onjuiste en onvolledige dossiers maar ook dat kinderrechters niet meer tegengewerkt worden waardoor rechters niet meer kunnen instaan voor juiste toepassing van de wet?
Er wordt op verschillende manieren reeds gewerkt aan verbetering van de (rechtsbescherming in de) jeugdbescherming. Ik verwijs u hiervoor onder andere naar de Kamerbrief jeugdbescherming van 2 december 2024, de brief van 18 november 202410 over het verbeteren van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming en de voortgangsbrief Jeugd van 5 november 202411 die onder meer inging op het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming en de Hervormingsagenda Jeugd. Ik zie daarom geen meerwaarde in een nieuw en separaat plan van aanpak.
Bent u het met kinderrechter eens dat, als gevolg van het onvoldoende onderbouwen en niet volledig informeren, ergo informatie achterhouden, door de raad en de GI van de kans op – in dit geval eer gerelateerd geweld – het risico volledig voor rekening van de GI legt? Zo nee waarom niet?
Op grond van artikel 21 RV heeft de kinderrechter in een tussenbeschikking gelast dat de beschikbare informatie met hem wordt gedeeld. De kinderrechter stelt in zijn beschikking dat de betrokken autoriteiten (RvdK en GI) weigerachtig zijn deze informatie te verstrekken. Op grond van deze informatie kan ik de redenering van de kinderrechter volgen dat wanneer de gevraagde informatie niet wordt aangeleverd, de GI het risico draagt dat de kinderrechter genoodzaakt is het verzoek tot het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel af te wijzen, omdat de concrete onderbouwing voor het veiligheidsrisico ontbreekt.
Bent u bekend met procedure rondom het beëindigingscertificaat wat is afgegeven aan de voormalige GI Briedis? Klopt het dat het beëindigingscertificaat voor Briedis mede is afgegeven omdat Briedis niet voldeed aan de wettelijke eisen voor jeugdbescherming?
Ja, daar ben ik mee bekend. Het certificaat van Briedis is beëindigd omdat de certificerende instelling constateerde dat Briedis op acht kritische punten niet kon voldoen aan de eisen die in het zogenaamde «normenkader» zijn gesteld. Deze eisen – die in een ministeriële regeling zijn vastgelegd – zijn noodzakelijk om een certificaat te kunnen krijgen. Het normenkader beschrijft de kwaliteitseisen waaraan een gecertificeerde instelling moet voldoen en is gebaseerd op de in diverse wetten opgenomen kwaliteitseisen en op de normen – branchecodes, methodes en programma’s – die voorgaande aan de invoering van de jeugdwet werden toegepast bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en die hun waarde bewezen hebben of veelbelovend zijn.
Deelt u de mening dat de Rechtbank Noord-Nederland in de beschikking van 18 maart 2025 heeft vastgesteld dat Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis structureel tekortschiet en zelfs rechterlijke bevelen negeert en daarmee niet voldoet aan de wettelijk eisen die aan GI’s gesteld mogen worden?
De kinderrechter heeft in ECLI:NL:RBNNE:2025:1043 en ECLI:NL:RBNNE:2025:1031 geoordeeld dat de GI in deze gevallen onvoldoende uitvoering geeft aan haar taken.
Ziet u parallellen tussen de situatie bij Briedis en bij Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis? Zo nee, waarom niet?
Het grote verschil tussen de situatie bij Briedis en de situatie bij Jeugdbescherming Noord is dat de certificerende instelling bij Briedis een beëindigingscertificaat en bij jeugdbescherming Noord een overbruggingscertificaat heeft opgelegd. Een overbruggingscertificaat wordt alleen opgelegd als de certificerende instelling het voldoende aannemelijk vindt dat de gecertificeerde instelling binnen de daarvoor geldende periode (na verstrekking van het overbruggingscertificaat) alsnog kan voldoen aan de vereisten voor een nieuw certificaat. Briedis voldeed volgens de certificerende instellingen niet aan de eisen voor het verstrekken van een overbruggingscertificaat. Er is bij jeugdbescherming Noord dan ook sprake van een andere situatie dan bij Briedis.
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) een onderzoek te laten instellen naar Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis en, indien dezelfde structurele tekortkomingen als bij Briedis worden geconstateerd, over te gaan tot een aanwijzing om over te gaan tot intrekking van de certificering? Zo nee, waarom niet?
Het Keurmerkinstituut (hierna KMI) is de aangewezen certificerende instelling die de certificaten inzake jeugdbescherming en jeugdreclassering afgeeft. Indien het KMI constateert dat gecertificeerde instellingen (GI’s) niet op alle onderdelen voldoen aan het normenkader Jeugdbescherming- en Jeugdreclassering kan geen regulier certificaat worden verleend. Er kan dan een overbruggingscertificaat voor de duur van negen maanden worden afgegeven, mits voor het KMI voldoende aannemelijk is dat de veiligheid van jeugdigen niet in het geding is en er geen sprake is van fundamentele tekortkomingen bij de GI. Het KMI houdt actief toezicht door middel van tussentijdse toetsingen, die aanvullend plaatsvinden op de reguliere audits om de voortgang van verbetermaatregelen te volgen.
In december heeft het KMI het certificaat van Jeugdbescherming Noord geschorst en is een tijdelijk overbruggingscertificaat afgegeven. Zoals ook bij vraag 29 is aangegeven is de situatie bij Jeugdbescherming Noord niet vergelijkbaar met de situatie bij Briedis. Bij Briedis werd door de certificerende instelling een beëindigingscertificaat afgegeven. Dat is bij Jeugdbescherming Noord niet het geval.
De Inspecties zijn over de situatie bij Jeugdbescherming Noord door het KMI geïnformeerd. De Inspecties houden vanuit hun eigen rol en taken toezicht op de kwaliteit van de uitvoering en kunnen ingrijpen indien zij dit nodig achten. De Inspecties gaan verdiepend onderzoek uitvoeren naar de kwaliteit van de taakuitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering bij Jeugdbescherming Noord. De Inspecties hebben geen bevoegdheid tot intrekken van het certificaat, dat is voorbehouden aan de certificerende instelling.
Bezuinigingen op de jeugdzorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u het artikel in Tubantia over de bezuinigingen van gemeenten op jeugdzorg gelezen? Herkent u het beeld dat gemeenten bezuinigen op jeugdzorg?1
Ja
In hoeveel andere regio’s speelt dit probleem? Herkent u de worsteling van gemeenten die nu bezig zijn met hun financiële plannen voor komende jaren en voor wie onduidelijk is of er fors bezuinigd moet worden?
Ik herken de worsteling van gemeenten. De financiering van de Jeugdzorg is onderdeel van het Gemeentefonds. De middelen uit de algemene uitkering van het gemeentefonds zijn beleids- en bestedingsvrij voor gemeenten. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de financiële positie en adequate uitvoering van de taken en verantwoordelijkheden die op hen rusten. De gemeenteraad stelt jaarlijks een begroting vast en de gemeente dient ervoor te zorgen dat deze structureel en reëel in evenwicht is. Binnen de kaders van de wet- en regelgeving is het aan de individuele gemeenten hoe ze hun ontvangsten uit het gemeentefonds inzetten.
De afgesproken bezuiniging op de jeugdzorg van structureel 511 mln. is door dit kabinet geschrapt. Wel ligt er nog de besparingsopgave vanuit de Hervormingsagenda die opbouwt tot 1 mrd structureel. In de Hervormingsagenda Jeugd zijn afspraken gemaakt om de jeugdzorg kwalitatief te verbeteren en ook het stelsel (financieel) houdbaar te maken. De commissie- Van Ark heeft zwaarwegend advies gegeven over de uitvoering van de agenda in relatie tot de uitgavenontwikkeling. Uw Kamer is per brief (Kamerstukken II 2024–2025, 33 047, nr. 30) geïnformeerd over het overhedenoverleg van 17 maart jl waarin de afspraak uit het overhedenoverleg van 21 november om recht te doen aan de uitkomsten van het advies van de commissie- Van Ark opnieuw is bekrachtigd. Tegelijkertijd is geconstateerd dat het kabinet nog middenin het proces van besluitvorming in het kader van de voorjaarsnota zit en nog een aantal punten in het kader van de jeugdzorg echt uitwerking behoeft. Ik ben op dit moment dan ook met partijen in gesprek over hoe we het advies van de Deskundigencommissie gaan opvolgen. Over de uitkomsten informeer ik uw Kamer zo spoedig mogelijk, uiterlijk voorafgaand aan het debat over het jeugdbeleid op 18 juni a.s.
Wat vindt u van het concrete voorbeeld in het artikel waarbij een hulpverlener werkt aan een onderzoek naar de mogelijke terugplaatsing bij de biologische ouders en dit plotseling moet stopzetten? Deelt u de mening dat het beoordelen van het hulptraject primair aan de professional is die de gezinnen kent?
Bij een kinderbeschermingsmaatregel voert de jeugdbeschermer de regie en zet in overleg met het gezin, de gemeenten en eventueel betrokken hulpverleners de nodige hulp en ondersteuning voor het gezin in. De gemeente is verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van een passend jeugdhulpaanbod.
Deelt u de mening dat het plotseling stopzetten van hulpverlening, beschadigend kan zijn voor kinderen en hun familie, maar ook ingaat tegen het Kinderrechtenverdrag? In hoeverre voelt u zich verantwoordelijk om te voorkomen dat hulp ineens wordt stopgezet vanwege financiële problemen?
Als hulp nodig is, moet de overheid de toegang tot voorzieningen waarborgen. Het is aan gemeenten of de verwijzer om hierin een zorgvuldige afweging te maken. Soms is een andere vorm meer passend of is hulp niet meer nodig, dan is het belangrijk goede afspraken te maken met het gezin over de wijze waarop de zorg wordt gewijzigd of afgebouwd. Zodat er geen onverwachte veranderingen ontstaan.
Deelt u de mening dat dit soort besluiten ook jeugdhulpverleners en jeugdbeschermers in een lastige positie brengt en als gevolg kan hebben dat zij teleurgesteld de sector verlaten, terwijl er juist personeelstekorten zijn?
Jeugdhulpverleners, jeugdbeschermers, aanbieders en gemeenten zetten in op passende zorg aan jeugdigen. In de praktijk kan het voorkomen dat er sprake is van veranderingen in de hulpverlening, indien er redenen zijn dat andere zorg beter aansluit. Dit kan impact hebben op gezinnen en ook op professionals. Ik herken het beeld niet dat jeugdprofessionals om die reden de sector verlaten.
Hoe reflecteert u op de opmerkingen van de FNV dat ook de bezuinigingen op onderwijs een reden kunnen zijn voor de toename van jeugdhulp? Wat vindt u van de opmerkingen van de FNV dat gemeenten niet zouden moeten vooruitlopen? Bent u bereid om snel duidelijkheid te geven?
Ik deel de achterliggende gedachte van de FNV dat onderwijs van groot belang is voor een gezonde ontwikkeling van kinderen. Kinderen die thuis komen te zitten omdat ze uitvallen op school doen vaker een beroep op jeugdhulp. De commissie van Van Ark heeft in haar advies ook erkend dat jeugdzorgproblematiek zijn oorsprong vaak vindt in andere domeinen. Mij zijn geen onderzoeken bekend waaruit volgt dat de toegenomen vraag naar jeugdhulp deels te herleiden is tot de bezuinigingen op onderwijs.
Rijk en gemeenten delen de wens om de jeugdzorg voor de toekomst houdbaar en beheersbaar te maken. De afgesproken bezuiniging op de jeugdzorg van structureel 511 mln. is door dit kabinet geschrapt. Wel ligt er nog de besparingsopgave vanuit de Hervormingsagenda die opbouwt tot 1 mrd structureel. In de Hervormingsagenda Jeugd zijn afspraken gemaakt om de jeugdzorg kwalitatief te verbeteren en ook het stelsel (financieel) houdbaar te maken. De commissie- Van Ark heeft zwaarwegend advies gegeven over de uitvoering van de agenda in relatie tot de uitgavenontwikkeling. Uw Kamer is per brief (Kamerstukken II 2024–2025, 33 047, nr. 30) geïnformeerd over het overhedenoverleg van 17 maart jl. waarin de afspraak uit het overhedenoverleg van 21 november om recht te doen aan de uitkomsten van het advies van de commissie- Van Ark opnieuw is bekrachtigd. Tegelijkertijd is geconstateerd dat het kabinet middenin het proces van besluitvorming in het kader van de voorjaarsnota zit en nog een aantal punten in het kader van de jeugdzorg echt uitwerking behoeft. Ik ben op dit moment dan ook met partijen in gesprek over hoe we het advies van de Deskundigencommissie gaan opvolgen. Over de uitkomsten informeer ik uw Kamer zo spoedig mogelijk, uiterlijk voorafgaand aan het debat over het jeugdbeleid op 18 juni a.s.
Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de en adequate uitvoering van de taken en verantwoordelijkheden die op hen rusten. De gemeenteraad stelt jaarlijks een begroting vast en de gemeente dient ervoor te zorgen dat deze structureel en reëel in evenwicht is. Binnen de kaders van de wet- en regelgeving is het aan de individuele gemeenten hoe ze hun ontvangsten uit het gemeentefonds inzetten. De middelen uit de algemene uitkering van het gemeentefonds zijn beleids- en bestedingsvrij voor gemeenten.
Hoeveel aanbieders zijn afgelopen jaar gecontacteerd door de Jeugdautoriteit omdat ze continuïteitsrisico’s voorzien? Kunt u ons een overzicht geven van de ontwikkeling in de afgelopen jaren? In hoeverre wordt u actief op de hoogte gebracht wanneer de financiële problemen van jeugdhulpaanbieders dusdanig groot zijn dat de Jeugdautoriteit in actie komt?
De Jeugdautoriteit monitort in het kader van vroegsignalering continu jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen op financiële gezondheid door middel van haar Early Warning System. Daarnaast acteert zij op signalen en voert zij toetsgesprekken om mogelijke continuïteitsrisico’s te identificeren. Wanneer sprake is van ernstige continuïteitsrisico’s, wordt, indien sprake is van cruciale jeugdhulp, samen met gemeenten/regio’s en de aanbieder aan de hand van het Draaiboek Bevordering Continuïteit Jeugdzorg gewerkt aan een duurzaam herstel. In 2024 ging dit om 17 jeugdhulpaanbieders. Dit aantal is stabiel de afgelopen jaren. VWS en de Jeugdautoriteit hebben regulier overleg waarin de Jeugdautoriteit VWS bijpraat over lopende casuïstiek en continuïteitsrisico’s.
Is aan de hand daarvan ook een beeld te maken van het aantal hulpverleners met onzekerheid over hun baan en het aantal kinderen en gezinnen van wie hulp dreigt te verdwijnen?
Gemeenten en aanbieders hebben als opdrachtgevende en contracterende partijen inzicht per casus. Een totaalbeeld is niet beschikbaar.
De schijnveiligheid van jongeren op sociale media |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Zsolt Szabó (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de Consumentenbond «Tieneraccounts maken Instagram niet direct «veilig»»1?
Ja, hier zijn wij mee bekend.
Deelt u de conclusies van het onderzoek? Kunt u afzonderlijk in gaan op de conclusies van de Consumentenbond?
Het kabinet vindt het belangrijk dat sociale mediaplatforms maatregelen nemen om minderjarigen op hun platforms te beschermen. Tieneraccounts kunnen een stap in de goede richting zijn, maar ook Tieneraccounts nemen niet alle risico’s weg. Zo moet er rekening mee worden gehouden dat kinderen vaak een andere leeftijd invullen dan dat ze daadwerkelijk zijn. Platforms kunnen daarom niet blind vertrouwen op Tieneraccounts en moeten ook aanvullende maatregelen nemen om te voorkomen dat kinderen worden blootgesteld aan schadelijke content, schadelijk contact of worden aangezet tot gedrag dat schadelijk voor hen is door bijvoorbeeld gebruik te maken van verslavende ontwerptechnieken om gebruikers zo lang mogelijk online te houden.
De Digitaledienstenverordening (DSA) verplicht onlineplatforms die toegankelijk zijn voor minderjarigen om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen.
Zeer grote online platforms moeten daarnaast op grond van de DSA ook de systeemrisico’s in kaart brengen en mitigeren. Het gaat hierbij onder andere om de werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de bescherming van minderjarigen.
Het is uiteindelijk aan de toezichthouders om vast te stellen of er sprake is van schending van wettelijke verplichtingen. Het is daarom ook aan de onafhankelijke toezichthouders, en daarna eventueel de rechter, om vast te stellen of de bevindingen van de Consumentenbond kloppen.
Wat is uw reactie op de problemen die de Consumentenbond schetst rondom schermverslaving, een negatief zelfbeeld, en continue privacyschending door Instagram?
Het kabinet vindt het belangrijk dat de risico’s voor minderjarigen van online diensten zo veel mogelijk worden ingeperkt. Het is zorgelijk dat steeds meer minderjarigen te veel online zijn en beelden zien die slecht zijn voor hun zelfbeeld. Om de negatieve effecten van online diensten voor minderjarigen te beperken, wordt er ook in nieuwere wetgeving steeds meer rekening gehouden met de kwetsbare positie van kinderen, juist ook bij het gebruik van onlinediensten. Een voorbeeld daarvan is de onder vraag 2 genoemde DSA. De Europese Commissie is vorig jaar in dat kader ook een onderzoek gestart naar de naleving van de DSA door Meta bij hun dienst Instagram. Dit ziet het kabinet als een goede stap in de bescherming van kinderen tegen de schadelijke effecten van bijvoorbeeld sociale mediadiensten. Tegelijkertijd zijn de problemen nog niet opgelost.
De Europese Commissie is vorig jaar in het kader van de DSA een nalevingsonderzoek gestart naar de maatregelen die Meta heeft genomen om minderjarigen te beschermen tegen de risico’s van verslavende ontwerpkeuzes en ongepaste content, o.a. door te kijken naar de manieren van leeftijdsverificatie die Meta gebruikt. Ook kijkt de Commissie naar de standaard privacy instellingen voor minderjarigen als onderdeel van het ontwerp en de werking van hun aanbevelingssystemen. De resultaten van dit onderzoek zijn nog niet gepubliceerd. Het kabinet houdt dit nauwlettend in de gaten.
Zijn de conclusies van het Consumentenbond-onderzoek voor u aanleiding om Meta aan te spreken op haar verantwoordelijkheid om jongeren daadwerkelijk te beschermen? Indien Meta «tieneraccounts» niet daadwerkelijk veilig maakt, welke gevolgen moet dat wat u betreft hebben?
Het kabinet vindt het belangrijk om in gesprek te blijven met de aanbieders van grote sociale mediaplatforms, zoals Meta, om hen te wijzen op hun verantwoordelijkheden en zorgplicht tegenover hun jonge gebruikers. Dit zijn stevige gesprekken. Het is echter uiteindelijk aan de toezichthouders om eventuele schendingen van wettelijke verplichtingen vast te stellen en hier waar nodig sancties aan te verbinden. Tijdens de (informele) EU-Gezondheidsraad heeft de voormalig Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport (JPS) nog benadrukt dat er op Europees niveau meer moet worden ondernomen om grote platforms te dwingen een gezonde en veilige online omgeving te bieden en zich aan Europese wet- en regelgeving te houden.
Deelt u de mening van de indiener dat de online gezondheid van jongeren niet aan techgiganten moet worden overgelaten, maar een verantwoordelijkheid is van deskundigen en de overheid?
Het kabinet erkent dat commerciële belangen van deze bedrijven niet altijd in lijn zijn met de belangen van jongeren. De verantwoordelijkheid voor de online gezondheid van jongeren kan dan ook niet eenzijdig bij techbedrijven worden neergelegd. Het is een gezamenlijke opgave om minderjarigen online beter te beschermen. Gedeelde verantwoordelijkheid is echter geen excuus om niet het maximale te doen om het welzijn en de gezondheid van jongeren te beschermen. Het kabinet zet zich daarom actief in voor strenge kaders en toezicht op dit gebied. De eerder besproken verplichtingen uit de DSA zijn hiervan een goed voorbeeld. Deze regels zijn niet vrijblijvend, maar zijn afdwingbaar. De Europese Commissie en de ACM en de AP zien toe op de naleving hiervan. Naast handhaving zet de overheid ook in op het de ontwikkeling van instrumenten om ontwikkelaars van onlinediensten te ondersteunen bij het creëren van leeftijdsgeschikte ontwerpen, waarbij de risico’s op schending van kinderrechten zoveel mogelijk worden beperkt. Zo heeft het vorige kabinet een kinderrechten impact assessment (KIA) ontwikkeld en een geactualiseerde Code voor kinderrechten opgesteld. Deze KIA is toegepast op de drie grote sociale mediaplatforms Instagram, Snapchat en TikTok. De resultaten hiervan zullen binnenkort met uw Kamer worden gedeeld.
Ook ouders spelen een belangrijke rol bij de gedeelde opgave om minderjarigen online beter te beschermen. Om hen hierbij te ondersteunen zet het kabinet in op meer bewustwording en het versterken van opvoedvaardigheden. Er is een richtlijn voor gezond en verantwoord scherm- en sociale mediagebruik opgesteld om ouders te ondersteunen bij de online opvoeding van hun kinderen. Deze richtlijn is 17 juni aan uw Kamer aangeboden2. Na de zomer gaat ook een publiekscampagne van start die zich primair richt op ouders/ opvoeders (zie meer hierover onder vraag 8).
Welke verslavende ontwerpkeuzes kent Instagram? Kunt u deze op basis van onderzoek benoemen?
Het is niet bekend van welke verslavende ontwerpkeuzes precies gebruik wordt gemaakt op Instagram. De Europese Commissie doet echter, zoals toegelicht onder vraag 3, onderzoek naar o.a. verslavende ontwerpkeuzes en de werking van de aanbevelingsalgoritmen. Bij dit onderzoek kijkt de Commissie of de ontwerpkeuzes en aanbevelingsalgoritmen negatieve gevolgen hebben voor de veiligheid van minderjarigen. Dit onderzoek loopt nog en op dit moment is nog niet bekend wanneer dit wordt afgerond.
Vindt u dat een Digitale Kijkwijzer voor sociale media, die de vertrouwde methodiek volgt van het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM), een effectieve methode zou zijn om verslavende ontwerpkeuzes te onderzoeken en gebruikers te behoeden voor de gezondheidsrisico’s daarvan?
Het rapport op basis waarvan de Gamecheck ontworpen kan worden, wordt in het najaar verwacht. De Staatssecretaris van BZK bekijkt in overleg met NICAM of de Gamecheck en de Gamewijzer van NICAM geïntegreerd kunnen worden. De daarmee opgedane ervaring wordt benut om te bezien of dit (geïntegreerde) instrument kan worden verbreed tot een digitale kijkwijzer. De richtlijn voor gezond en verantwoord scherm- en sociale mediagebruik wordt daarin meegenomen.
Deelt u de mening dat het adverteren van een «tieneraccount» dat niet daadwerkelijk doet wat het belooft een vorm van schijnveiligheid biedt, en daarmee jongeren en ouders verkeerd informeert?
We zijn van mening dat het geen goede ontwikkeling is als ouders het idee hebben dat door gebruik te maken van Tieneraccounts alle risico’s zijn weggenomen. Daarom vindt het kabinet het belangrijk dat ouders en kinderen handvatten wordt geboden hoe de risico’s online te herkennen en hiermee om te gaan. Na de zomer starten we daarom met een meerjarige publiekscampagne. Bij deze campagne worden ouders gestimuleerd om hun kinderen online te beschermen en hen hierbij te ondersteunen met praktische tips, bijvoorbeeld over hoe ze afspraken maken en met hun kinderen in gesprek kunnen gaan over de digitale wereld, hoe ze apps zo kunnen instellen dat hun kinderen zo veilig mogelijk zijn en hoe ze met hun kind kunnen praten over risico’s. We geven ouders een duidelijke richtlijn mee over gezond smartphone- en schermgebruik.
Erkent u dat het commerciële belang van techbedrijven om zo lang mogelijk de aandacht van een gebruiker te trekken, fundamenteel in strijd is met de belangen van (mentale) gezondheid en online veiligheid?
Het kabinet erkent dat het commerciële belang van techbedrijven in strijd kan zijn met de belangen van (mentale) gezondheid en online veiligheid.
Jongeren besteden steeds meer tijd op sociale media, zoals Instagram, TikTok en Snapchat3. Onderzoek laat zien dat er steeds meer jongeren zijn die een risico lopen op problematisch social mediagebruik4. Van problematisch gebruik is sprake als het sociale media gebruik bijvoorbeeld leidt tot controleverlies, slaaptekort of een sociaal conflict. Deze toename is zorgwekkend, omdat jongeren die sociale media op een problematische manier gebruiken ook meer negatieve gevolgen ervaren, zoals angst, depressieve gevoelens en slaapproblemen.
Het kabinet vindt het daarom belangrijk om schadelijk en ongezond scherm- en sociale mediagebruik te ontmoedigen en gezond en positief gedrag te stimuleren. Dit doen we door, zoals in vraag 5 ook genoemd, inzet op meer bewustwording en het versterken van de online opvoedvaardigheden o.a. via de richtlijn voor «gezond en verantwoord scherm- en social mediagebruik» en de meerjarige publiekscampagne.
Vindt u het uitlegbaar dat techbedrijven überhaupt zelf de voorwaarden voor een tieneraccount mogen stellen, nu blijkt dat het niet doet wat het belooft en de belangen in de kern tegenstrijdig zijn?
Bedrijven kunnen zelf afwegingen maken bij het inrichten van hun diensten. Uiteraard dient hierbij wel altijd te worden voldaan aan toepasselijke regelgeving, zoals de DSA, het consumentenrecht en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Commerciële belangen mogen hierbij niet zwaarder wegen dan de rechten van kinderen.
Is de voorwaarde dat ouders zelf ook een Instagram-account moeten hebben om een tieneraccount in te stellen redelijk volgens u? Wat betekent dit voor ouders zonder Instagram-account?
Naast wetgeving en toezicht ziet het kabinet een belangrijke rol voor ouders. Zij hebben de verantwoordelijkheid om hun kinderen te begeleiden en het goede voorbeeld te geven. Wanneer ouders zelf actief zijn op een sociale mediaplatform, kunnen zij beter inzicht krijgen in de werking, gebruikersvoorwaarden, ouderlijke toezicht-instrumenten en risico’s van de dienst. Op deze manier kunnen ze hun kinderen begeleiden bij veilig en verantwoord sociale mediagebruik. Omdat ouders niet altijd goed weten hoe zij hun kinderen moeten begeleiden, start na de zomer een uitgebreide campagne hierover.
Tegelijkertijd ligt de verantwoordelijkheid zeker niet alleen bij de ouders. Niet alle ouders beschikken over voldoende digitale vaardigheid of hebben toegang tot de benodigde technologie. Ook staat het ouders natuurlijk vrij om zelf de keuze te maken om niet actief te zijn op sociale media. Het is belangrijk dat platforms ook rekening houden met deze ouders. Platforms moeten daarom niet enkel op Tieneraccounts leunen, maar er ook op toezien dat hun platforms in algemene zin veilig zijn voor minderjarigen en vrij zijn van schadelijke content en verslavende elementen.
Hoe bent u van plan om nationaal de schermtijd te verlagen? Welke maatregelen nemen andere EU-landen om hier op te sturen? Zijn deze maatregelen effectief?
Het kabinet wil jongeren beschermen, gezond opgroeien van jeugdigen in de digitale wereld stimuleren en opvoeders meer handelingsperspectief bieden op dit gebied. Dat betekent ook de negatieve effecten van overmatig schermgebruik tegengaan. Op 17 juni jl. is door de voormalig Staatssecretaris van JPS de richtlijn voor gezond en verantwoord scherm- en sociale mediagebruik aan uw Kamer aangeboden. Deze richtlijn bevat ook adviezen ten aanzien van schermtijd. De richtlijn wordt meegenomen bij de publiekscampagne die in het najaar start. Deze publiekscampagne is gericht op bewustwording bij ouders omtrent het gebruik van digitale middelen en diensten door hun kinderen.
Het kabinet heeft hiernaast onderzoek laten doen naar maatregelen van andere landen om van te leren. EU-landen zetten verschillende maatregelen in rondom schermtijd. Denk daarbij aan adviezen en richtlijnen, informatie-platforms met betrouwbare informatie over ongewenst gedrag online en inzet op mediavaardigheden en kennis over digitale balans. De verschillende maatregelen zijn over het algemeen onderdeel van een breder pakket van maatregelen gericht op (mentaal) gezond online opgroeien en veelal zijn deze maatregelen recent geïmplementeerd of moeten nog geïmplementeerd worden. Er kan daarom vooralsnog geen uitspraak worden gedaan over de resultaten van deze maatregelen.
Hoe gaat u de motie-Kathmann [Kamerstuk 26 643-1302], die vraagt om een Europees totaalverbod op polariserende en verslavende ontwerpkeuzes, uitvoeren?
Momenteel beziet het kabinet wat nodig is om verslavende ontwerpkeuzes verder aan te pakken.
We hebben onderzoek laten verrichten naar het huidige juridische kader op verslavende ontwerptechnieken. De uitkomsten van dit onderzoek zullen deze zomer nog met uw Kamer worden gedeeld. Mede op basis van dit onderzoek beziet het kabinet op welke wijze deze motie wordt uitgevoerd.
Welke EU-lidstaten delen de opvatting van de Tweede Kamer dat er een Europees totaalverbod op polariserende en verslavende ontwerpkeuzes moet komen? Hoe trekt u samen met hen op?
De problematiek over verslavend ontwerp staat bij verschillende lidstaten op het netvlies. Het is echter niet bekend of deze lidstaten ook voorstander zijn van een totaalverbod. Nadat de onder vraag 13 genoemde onderzoeksresultaten zijn geapprecieerd, zal het kabinet een strategie op EU-niveau gaan bepalen. Hierin zal ook een verkenning naar de standpunten van andere lidstaten op dit thema worden gedaan. Zodra deze strategie is bepaald zal uw Kamer hiervan op de hoogte worden gesteld.
Steunt u de komst van een ambitieuze en sterke Digital Fairness Act (DFA) zoals voorgesteld door de Europese Commissie?2 Zou deze volgens u een verbod op verslavende ontwerpkeuzes moeten bevatten?
Ja, het kabinet steunt de komst van een sterke DFA om specifieke consumentenproblemen aan te pakken en hiermee ook duidelijkheid voor ondernemers te creëren. Verslavend ontwerp van digitale diensten maakt hier onderdeel van uit. We weten nog niet of een totaalverbod een geschikte oplossing is voor de aanpak van verslavend ontwerp. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 13, hebben we een onderzoek naar het huidige juridische kader laten uitvoeren. Voor de zomer komen we hierop terug.
Hoe reageert u op de uitspraken van de regering-Trump dat de Digital Services Act (DSA) niet verenigbaar is met Amerikaanse waarden?3
De DSA is gestoeld op de bescherming van grondrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting. De DSA schrijft expliciet voor dat bij contentmoderatie rekening moet worden gehouden met alle relevante belangen en fundamentele rechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting. Niets in de DSA verplicht bedrijven om legale informatie te verwijderen. Nederland draagt daarom actief de boodschap uit dat de DSA geen «institutionalisering van censuur» is, dat alle partijen, en dus ook Amerikaanse bedrijven zich in Europa aan de Europese regels moeten houden en dat zij handhaving van de DSA jegens zeer grote online platforms door de Commissie ondersteunt.
Zal u in Europees verband blijvend en ondubbelzinnig aandringen op maximale naleving, handhaving en waar nodig versteviging van digitale wetgeving, ongeacht politieke druk vanuit de Verenigde Staten?
Ja, daar blijven we op aandringen, met dien verstande dat het kabinet op dit moment nog geen aanleiding ziet om aan te dringen op versteviging van de digitale wetgeving
Indien de regering-Trump wél aandringt op het afzwakken van Europese regelgeving, welke conclusie verbindt u daar in het uiterste geval aan? Bent u bereid om sociale media apps die willens en wetens EU-wetten niet naleven in het uiterste geval geheel te verbieden?
Dat is niet aan het kabinet. De DSA voorziet in een uitgebreid systeem van onafhankelijk toezicht op nationaal en Europees niveau. In Nederland zijn de Autoriteit Consument & Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens aangewezen als bevoegde toezichthouders. De Europese Commissie houdt primair toezicht op aangewezen zeer grote online platforms- en zoekmachines. Het kabinet vertrouwt erop dat dit toezichtssysteem zijn werk doet.
Bent u van mening dat het verhogen van de minimumleeftijd voor sociale media, nationaal of Europees, ook een vorm van schijnveiligheid biedt? Deelt u de mening van de indiener dat de oplossing ligt in een combinatie van niet-bindend wetenschappelijk advies en keiharde Europese regulering van sociale media apps?
De overheid is, naast o.a. ouders en het onderwijs, medeverantwoordelijk voor het beschermen jeugdigen, alsmede hen te stimuleren en te faciliteren om gezond en veilig (online) op te groeien.
Het stellen van een aanvullende wettelijke minimumleeftijd voor sociale media is als maatregel op zichzelf onvoldoende om een gezonde en veilige online omgeving voor jeugdigen te garanderen. Een minimumleeftijd is op dit moment nog eenvoudig te omzeilen en niet te handhaven. Er bestaat bovendien al wetgeving die van toepassing is op de toegang van minderjarigen tot sociale media. Uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en uit de Uitvoeringswet (UAVG) volgt dat minderjarigen jonger dan 16 jaar, gebaseerd op de grondslag toestemming, geen gebruik mogen maken van internetdiensten als sociale media die persoonsgegevens verwerken, zonder toestemming of machtiging van de persoon die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor de minderjarige draagt.
Het stellen van een aanvullende wettelijke minimumleeftijd voor sociale media is daarom niet wat het kabinet beoogt.
Het kabinet is van mening dat de oplossing ligt in een combinatie van maatregelen waaronder meer bewustwording en het vergroten van mediawijsheid, een duidelijke richtlijn en het versterken van online opvoedvaardigheden en duidelijke Europese regelgeving en toezicht voor de Tech-industrie in relatie tot het naleven van online kinderrechten en het bieden van een gezonde en veilige online omgeving.
Om ouders en opvoeders te ondersteunen bij het online opvoeden is, zoals hierboven al een paar keer genoemd de richtlijn voor gezond en verantwoord scherm- en sociale mediagebruik aan uw Kamer aangeboden. De richtlijn is gebaseerd op wetenschappelijke kennis, alsmede praktijkkennis en de hulpvraag van ouders.
Op Europees niveau wordt op meerdere fronten ingezet op het beschermen van online kinderrechten en het tegengaan van de negatieve effecten van sociale media. Dit doen we bijvoorbeeld binnen de Telecomraad en de Gezondheidsraad. In dit laatste gremium is ook aandacht gevraagd voor eenduidige leeftijdsadviezen voor sociale media.
Hoe gaat u komen tot nationale adviesleeftijden voor verschillende sociale media apps? Welke expertise betrekt u bij het maken van deze adviezen?
De voormalig staatsecretaris van JPS heeft onderzoekers Ina Koning (Vrije Universiteit) en Hellen Vossen (Universiteit Utrecht) de opdracht gegeven om in afstemming met andere wetenschappers en experts waaronder bijvoorbeeld het Trimbos Instituut, het NJi en Netwerk Mediawijsheid, ouders en jongeren tot een gedragen en (wetenschappelijk) onderbouwde richtlijn en adviezen voor gezond en verantwoord scherm- en sociale mediagebruik. Adviesleeftijden voor sociale media en eventuele differentiatie lopen mee als onderdeel van de bredere insteek van het onderzoek. Om tot de richtlijn te komen zijn een literatuuronderzoek en een Delphi-studie uitgevoerd. Ook wordt parallel een implementatieplan opgesteld, opdat de richtlijn goed gebruikt en opgevolgd gaan worden door ouders/opvoeders en partners in de praktijk.
Wat is de rol van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in het maken van gezaghebbend gezondheidsadvies over schermtijd bij verschillende leeftijden en verschillende soorten schermtijd? Bent u bereid om het RIVM nauw te betrekken bij het maken van de nationale adviezen?
Er zijn veel partijen betrokken bij het opstellen van de richtlijn voor gezond- en verantwoord scherm- en social media gebruik. Het RIVM is een relevante partij op het terrein van een veilige en gezonde leefomgeving en onderdeel van de adviesgroep met diverse experts.
Hoe gaat u de gezaghebbende adviezen van Nederlandse experts inzetten om tot een uniforme Europese informatievoorziening over de gezondheidseffecten van sociale media apps te komen?
De richtlijn waaraan wordt gewerkt is voornamelijk bedoeld voor de Nederlandse opvoeders. Wel zijn deze gebaseerd op internationaal en nationaal onderzoek en richtlijnen opgesteld in andere landen. Daarnaast zet de Staatsecretaris van JPS zich ook op Europees niveau in om te komen tot uniforme adviezen aan opvoeders.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De uitvoering van de aanbevelingen van de Commissie- Van Ark en de Hervormingsagenda Jeugd |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u de structurele problemen in de jeugdzorg zoals geschetst in het rapport van de Commissie-Van Ark? Welke knelpunten uit het rapport ziet u als meest urgent?
Het beeld dat verbeteringen nodig zijn in het jeugdzorgstelsel om jongeren weerbaar te laten opgroeien en kwetsbare kinderen sneller passende hulp te bieden deel ik. En die verbeteringen zitten zoals de Commissie Van Ark schetst op verschillende thema’s, zoals het versterken van de rol van de lokale teams en toegang, het scherper duiden van de jeugdhulpplicht, het terugdringen van residentiële jeugdhulp, het verbeteren van de inkoop en organisatie van specialistische jeugdzorg en het verbeteren van het inzicht in het stelsel. Verbeteringen op al deze vlakken zijn noodzakelijk om ervoor te zorgen dat het stelsel beter gaat functioneren en jeugdzorg beter beschikbaar is voor kinderen in kwetsbare situaties. Ook moet de houdbaarheid van het stelsel voor de toekomst worden geborgd. Op basis van de afspraken in de Hervormingsagenda wordt hier door partijen ook hard aan gewerkt. Tegelijkertijd herken ik ook het standpunt van de Deskundigencommissie dat de Hervormingsagenda een noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde is te zorgen dat jongeren weerbaar opgroeien en de instroom in de jeugdzorg afneemt. Daarvoor moet breder worden gekeken dan naar alleen het jeugdzorgstelsel. Denk bijvoorbeeld aan bestaanszekerheid, de woonsituatie van het gezin en ggz-problematiek bij de ouder(s). Op dit moment zijn wij met partijen in gesprek over hoe we het advies van de Deskundigencommissie gaan opvolgen en in lijn daarmee hoe we de Hervormingsagenda kunnen versterken. Dit wordt betrokken bij de Voorjaarsbesluitvorming. Over de uitkomsten informeren wij uw Kamer zo spoedig mogelijk, in ieder geval voorafgaand aan het debat over het jeugdbeleid op 18 juni a.s.
Herkent u de conclusie van de onafhankelijke Commissie-Van Ark dat de huidige afspraken over de financiële risicoverdeling tussen het Rijk en gemeenten mogelijk ontoereikend zijn? Zo ja, wat gaat u uw ministerie vragen te doen om de financiële risicoverdeling te verbeteren?
Het was onderdeel van de opdracht van de Deskundigencommissie op basis van de in de Hervormingsagenda genoemde kaders advies uit te brengen over hoe om te gaan met een uitgavenontwikkeling die afwijkt van het overeengekomen meerjarig financieel kader. De commissie oordeelt dat de afgesproken principes tussen Rijk en VNG onvoldoende sturend zijn om de verliezen op de jeugdzorg te kunnen toedelen. Ik ken en herken de complexiteit van het voorliggende vraagstuk. Ik ben op dit moment met partijen in gesprek over hoe we het advies van de Deskundigencommissie gaan opvolgen, zowel inhoudelijk als financieel. Over de uitkomsten informeer ik uw Kamer zo spoedig mogelijk, uiterlijk voorafgaand aan het debat over het jeugdbeleid op 18 juni a.s.
Bent u bekend met de zorgen van de VNG dat gemeenten onvoldoende middelen hebben om hun wettelijke taken adequaat uit te voeren, met name op het gebied van jeugdzorg1? Zo ja, welke stappen onderneemt u om tegemoet te komen aan deze zorgen?
Ik ben bekend met de zorgen van de VNG. De deskundigencommissie heeft hier ook uitspraken over gedaan. Ik neem de uitkomsten van het advies van de Deskundigencommissie serieus. Ik ben op dit moment met partijen in gesprek over hoe we het advies van de Deskundigencommissie gaan opvolgen en in lijn daarmee hoe we de Hervormingsagenda kunnen versterken. Over de uitkomsten informeer ik uw Kamer zo spoedig mogelijk, uiterlijk voorafgaand aan het debat over het jeugdbeleid op 18 juni a.s.
Deelt u het advies van de Commissie-Van Ark om gemeenten vijftig procent van de financiële tekorten in 2023 en 2024 zelf te laten dragen en dat dit ook doorwerkt in de komende jaren? Zo nee, welke alternatieven voor het dragen van de financiële tekorten overweegt u?
Op dit moment ben ik met partijen in gesprek over hoe we het advies van de Deskundigencommissie gaan opvolgen en in lijn daarmee hoe we de Hervormingsagenda kunnen versterken. Hierop kan ik niet vooruitlopen. Over de uitkomsten informeer ik uw Kamer zo spoedig mogelijk, uiterlijk voorafgaand aan het debat over het jeugdbeleid op 18 juni a.s.
Hoe groot zou u inschatten dat de bezuinigingen op de jeugdzorg uitvallen? Welke factoren spelen volgens u een rol bij de uiteindelijke hoogte van de bezuinigingen?
De afgesproken bezuinigingen op de jeugdzorg zijn door dit kabinet stevig verkleind. Een eerdere besparingsopgave op de jeugdzorg van structureel 511 mln is afgeschaft. Wel ligt er nog de al eerder afgesproken besparingsopgave vanuit de Hervormingsagenda die opbouwt tot 1 mrd structureel. De deskundigencommissie heeft hier ook advies over uitgebracht. Ik ben op dit moment met partijen in gesprek over hoe we het advies van de Deskundigencommissie gaan opvolgen. Over de uitkomsten informeer ik uw Kamer zo spoedig mogelijk, uiterlijk voorafgaand aan het debat over het jeugdbeleid op 18 juni a.s.
Op welke onderdelen wilt u de Jeugdwet aanpassen?
Ter ondersteuning van de maatregelen in de Hervormingsagenda wordt gewerkt aan diverse wijzigingen van de Jeugdwet op het gebied van onder andere regionalisering, integere bedrijfsvoering, reikwijdte, data en monitoring en standaardisatie.
Bij uw Kamer zijn ingediend:
Daarnaast zijn in voorbereiding:
Hoe kijkt u aan tegen het invoeren van inkomensafhankelijke bijdragen van jeugdzorgregelingen? Deelt u de mening dat een dergelijke maatregel bijdraagt aan een rechtvaardiger en effectiever stelsel? Zo nee, welke risico’s ziet u voor de toegankelijkheid en uitvoerbaarheid van de jeugdzorg?
Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de vormgeving van een dergelijke eigen bijdrage. Elke vormgeving kent zijn eigen effecten en voor- en nadelen. Het is dan ook niet zonder meer mogelijk een uitspraak te doen in hoeverre een dergelijke maatregel bijdraagt aan een rechtvaardiger en effectiever stelsel.
Welke concrete stappen zet u om de aanbevelingen uit het rapport van de Commissie-Van Ark te implementeren? Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Ik neem de uitkomsten van het advies van de Deskundigencommissie serieus. Op dit moment ben ik met partijen in gesprek over hoe we het advies van de Deskundigencommissie gaan opvolgen en in lijn daarmee hoe we de Hervormingsagenda kunnen versterken. Over de uitkomsten informeer ik u uw Kamer zo spoedig mogelijk, uiterlijk voorafgaand aan het debat over het jeugdbeleid op 18 juni a.s.
Welke concrete maatregelen bent u voornemens op korte termijn te nemen wat betreft de herijking van financiële afspraken? Wat is het tijdspad voor de maatregelen die op korte termijn worden doorgevoerd?
Ik neem de uitkomsten van het advies van de Deskundigencommissie, waaronder de financiële adviezen, serieus. Op dit moment ben ik met partijen in gesprek over hoe we het advies van de Deskundigencommissie gaan opvolgen. Over de uitkomsten informeer ik uw Kamer zo spoedig mogelijk, uiterlijk voorafgaand aan het debat over het jeugdbeleid op 18 juni a.s.
Welke stappen bent u voornemens te nemen om structurele financiering voor gemeenten te waarborgen? Wordt overwogen om aanvullende middelen voor de Hervormingsagenda Jeugd beschikbaar te stellen vanuit de begroting van uw ministerie? Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
De financiering van de Jeugdzorg is onderdeel van het Gemeentefonds. Deze middelen zijn in de basis structureel toegevoegd aan het Gemeentefonds. Daarnaast zijn voor de komende jaren ook incidentele middelen beschikbaar. Voor de opvolging van het advies van de Deskundigencommissie geldt dat ik op dit moment met partijen in gesprek ben over hoe we deze gaan opvolgen. Dit loopt ook mee met de Voorjaarsbesluitvorming. Over de uitkomsten informeer ik uw Kamer zo spoedig mogelijk, uiterlijk voorafgaand aan het debat over het jeugdbeleid op 18 juni a.s.
Wat is de inzet van het kabinet in de gesprekken met medeoverheden?
Ik ben op dit moment nog in gesprek met partijen, waaronder het kabinet en de medeoverheden, over hoe we het advies van de Deskundigencommissie gaan opvolgen. Ik kan hier niet op vooruitlopen.
Kunt u deze vragen één voor één binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Gemeenten willen kwetsbare jongeren leefgeld geven, maar botsen met de wet' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Gemeenten willen kwetsbare jongeren leefgeld geven, maar botsen met de wet»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel. Ik vind het positief en belangrijk dat gemeenten naar manieren zoeken om jongeren in kwetsbare posities te helpen en zo ook zorgen dat zij niet van de radar verdwijnen. Het zijn vaak jongeren waarbij het leven zacht gezegd niet heeft meegezeten en die al heel jong voor zichzelf moeten zorgen. Ik onderstreep dan ook het belang en ondersteun het doel van de gemeenten van tijdelijk (extra) ondersteuning voor deze doelgroep, om hen zo te helpen werken aan de toekomst richting werk of studie. Maar dit moet wel binnen de kaders van de wet.
Erkent u dat er op dit moment een enorm maatschappelijk probleem is van 350.000 jongeren die serieuze problemen ondervinden op weg naar volwassenheid?
Uit de Toolkit 16–272 blijkt dat naar schatting 15% van de jongeren, ca. 350.000 zich in meer of mindere mate in een kwetsbare positie bevindt. Zij hebben meer ondersteuning nodig bij de overgang van jeugd naar volwassenheid. Daar heeft het Rijk aandacht voor. Bijvoorbeeld door het aanbieden van financiële educatie op scholen met de meest kwetsbare kinderen. Hiermee wordt beoogd geldzorgen op latere leeftijd te voorkomen.
Het Ministerie van VWS werkt aan de uitvoering van de Hervormingsagenda Jeugd waarin gemeenten en jeugdhulpaanbieders zich committeren om samen met jongeren een tijdig toekomstsperspectief te formuleren over alle leefgebieden (Big five: wonen, werk/school, inkomen, zorg en support). Hier wordt in samenwerking met de VNG, gemeenten en betrokken partijen in het veld uitvoering aan gegeven. Ook in het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (2013–2030) zijn jongeren een speciale aandachtsgroep.
In december 2024 heeft de Staatssecretaris van VWS, mede namens de ministeries van SZW en VRO, de actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27) met de Kamer gedeeld, als addendum bij het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
De actie-agenda is een oproep aan iedere partner, van woningcorporatie tot uitvoerende professional, en van gemeente tot Rijk om op verschillende leefgebieden en domeinen tot actie te komen om dakloosheid onder jongeren te voorkomen en terug te dringen3.
Vanuit het Ministerie van SZW is de kostendelersnorm in de Participatiewet, Toeslagenwet en Anw per 1 januari 2023 gewijzigd, waardoor jongeren tot 27 jaar niet meer als kostendelers worden aangemerkt voor hun huisgenoten. Met deze maatregel is onder andere beoogd jongerendakloosheid te verminderen. Verder wil ik met het wetsvoorstel Participatiewet in Balans4 gemeenten meer ruimte geven om jongeren in een kwetsbare positie te ondersteunen. Bijvoorbeeld door de aanvulling op de bijstandsnorm die geldt voor jongeren vanaf 18 tot 21 jaar (jongerennorm) te harmoniseren. De gemeente kan dan, in aanvulling op de jongerennorm, 701 euro per maand aan extra algemene bijstand toekennen wanneer een bijstandsgerechtigde jongere redelijkerwijs geen beroep kan doen op de onderhoudsplicht van de ouders. Wanneer blijkt dat dit bedrag niet voldoende is, kan de gemeente het bedrag verhogen. Ook voorziet het wetsvoorstel in het opnemen van een «kan»-bepaling bij de vierwekenzoektermijn voor jongeren tot 27 jaar, waarmee de gemeente de mogelijkheid krijgt om in knellende situaties zoals (dreigende) dakloosheid af te zien van toepassing van de vierwekenzoektermijn. En de vrijlating van inkomen uit bijverdiensten wordt deels mogelijk voor jongeren tot 27 jaar. Met spoor 2 van het traject Participatiewet in balans werk ik aan het eenvoudiger en toegankelijker maken van inkomensondersteuning in de Participatiewet, waarbij ook specifiek aandacht is voor de doelgroep jongeren in een kwetsbare positie.
Ziet u dat deze interventie van het Bouwdepot een oplossing kan zijn voor een deel van deze doelgroep kijkend naar de resultaten van pilots?
Onderzoeken naar de evaluatie van de pilots in Eindhoven laten zien dat een deel van de aan de pilot Bouwdepot deelnemende jongeren op diverse leefgebieden stappen hebben gezet, en dat is natuurlijk positief. De resultaten zijn echter gebaseerd op een zeer beperkt aantal jongeren en de veranderingen in de levens van de jongeren zijn niet direct toe te schrijven aan het Bouwdepot5. Het bieden van een periode van financiële rust kan met begeleiding bijdragen aan het creëren van mentale ruimte voor de verwerking van trauma’s en het op orde brengen van levens. Ik vind het daarom belangrijk dat gemeenten, binnen de wettelijke kaders, zoeken naar mogelijkheden om jongeren in een kwetsbare positie zo goed mogelijk te ondersteunen. De Participatiewet biedt hiertoe al veel ruimte. Er zijn ook gemeenten die ondersteuning bieden, lijkend op deze interventie, maar dan binnen de kaders van de wet.
Een voorbeeld is de gemeente Zwolle; zij bieden jongeren in een te starten pilot financiële rust en ruimte, binnen de regels van de Participatiewet.
Samen met Divosa en de VNG werk ik dan ook aan een handreiking voor gemeenten bij de ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie, gevolgd door te organiseren informatiebijeenkomsten. De handreiking stelt gemeenten nog beter in staat om de ruimte die de wet al biedt te benutten. Hierover zal ik uw Kamer en gemeenten voor het einde van de zomer in Gemeentenieuws SZW informeren.
Kunt u uitleggen waarom u een initiatief vanuit het maatschappelijk middenveld ontmoedigt die bewezen effectief is en waar gemeenten, hulpverleners en jongeren enthousiast over zijn? Waarom kiest u er niet voor om er juist alles aan te doen om deze interventie op te schalen, ook gelet op de eenvoud en uitvoerbaarheid van de interventie?
Ik vind het goed en belangrijk dat gemeenten naar manieren zoeken om jongeren in een kwetsbare positie extra te ondersteunen wanneer zij dit nodig hebben. Ik onderstreep dan ook het belang en ondersteun het doel van de gemeenten van ondersteuning voor deze zeer kwetsbare doelgroep, om hen zo te helpen werken aan hun toekomst. Maar dit moet wel binnen de kaders van de wet.
Binnen de Participatiewet zijn er op basis van individueel maatwerk al veel mogelijkheden om alle jongeren in een kwetsbare positie te ondersteunen. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld per individueel geval algemene bijstand en, als de omstandigheden dat vergen, aanvullende bijzondere bijstand verstrekken. Ook kunnen gemeenten de jongeren tijdelijk een ontheffing verlenen van de arbeidsverplichtingen. De mogelijkheden die de Participatiewet biedt worden (nog) niet altijd volledig door gemeenten benut. Samen met Divosa en de VNG werk ik aan een handreiking voor gemeenten bij de ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie, gevolgd door te organiseren informatiebijeenkomsten. Via spoor 3 van het traject Participatiewet in balans wordt daarnaast ook gewerkt aan het versterken van het vakmanschap in de uitvoering van de Participatiewet.
Daar waar signalen erop wijzen dat het vangnet van de Participatiewet ontoereikend is, of sprake is van disbalans tussen rechten en plichten, werken we aan verbeteringen. Bijvoorbeeld met het wetsvoorstel Participatiewet in balans (spoor 1) en met de herziening van de Participatiewet (spoor 2).
De Participatiewet geeft de kaders voor de wijze waarop een gemeente financiële ondersteuning kan en mag bieden. Financiële ondersteuning voor het levensonderhoud door gemeenten buiten de kaders van de Participatiewet is doorkruising van het rijksinkomensbeleid. Ook wanneer dit gebeurt via een derde. Indien een dergelijk initiatief vanuit het maatschappelijk middenveld aangestuurd en gefinancierd wordt met gelden van de betreffende gemeenten, leidt dit tot de conclusie dat er sprake is van het lokaal toepassen van inkomenspolitiek die het rijksinkomensbeleid doorkruist.
De gemeente heeft een zekere mate van autonomie bij de invulling van het eigen beleid, maar dat gaat voor wat betreft het voeren van inkomensbeleid niet verder dan de ruimte die in formele wetgeving wordt geboden: de Participatiewet (als laatste vangnet). Het lokaal toepassen van inkomenspolitiek creëert een loterij wie wel of niet geholpen wordt binnen een gemeente. Ook kan er rechtsongelijkheid tussen gemeenten ontstaan. In 2021 nam SZW het standpunt reeds in dat gemeenten de ondersteuning door een dergelijk initiatief vanuit het maatschappelijk middenveld niet mogen financieren en uitvoeren. Dit standpunt was mede gebaseerd op een juridische analyse van de landsadvocaat. De analyse is als bijlage bijgevoegd.
In het belang van de jongeren die al deelnamen aan de gemeentelijke pilots, hebben deze pilots doorgang gevonden. In Gemeentenieuws SZW 2024–56 heb ik gemeenten opgeroepen door te gaan met de ondersteuning, maar deze nu wel vorm te gaan geven binnen de kaders van de wet. En nieuwe initiatieven moeten worden vormgegeven binnen de kaders van de wet. De Participatiewet biedt hiervoor ruimte. Hierover heeft het ministerie met de Stichting, en met diverse deelnemende en in de aanpak geïnteresseerde gemeenten, gesproken en er vinden nog steeds gesprekken plaats.
Past dit initiatief niet juist bij het streven van het kabinet, om meer maatwerk en vertrouwen toe te passen binnen de sociale zekerheid? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Het is voor het kabinet van groot belang dat mensen zo veel mogelijk kunnen meedoen in de samenleving. Bij voorkeur via (betaald) werk, want werk is meer dan een inkomen. Het leidt tot meer zelfstandigheid, een grotere eigenwaarde, meer zekerheid en grotere vrijheid. Als betaald werk niet lukt, dan is er een vangnet nodig waar je op kunt terugvallen. Dat geldt bij uitstek voor de Participatiewet: dit is het vangnet van ons stelsel van sociale zekerheid en daarmee van groot belang voor mensen die anders niet in de kosten van het bestaan kunnen voorzien. Dat geldt dus zeker ook voor jongeren in een kwetsbare positie. Binnen de Participatiewet zijn er op basis van individueel maatwerk al veel mogelijkheden om deze jongeren te ondersteunen. Door het toepassen van maatwerk binnen deze wettelijke kaders voorkomen we bovendien te grote verschillen in de manier waarop mensen geholpen worden. Er zijn ook gemeenten die ondersteuning bieden, lijkend op deze interventie, maar dan binnen de kaders van de wet. Eerder noemde ik de gemeente Zwolle al als voorbeeld.
De rijksbrede beweging richting vertrouwen, eenvoud en menselijke maat moet nog beter worden verankerd in de Participatiewet. Daarom werk ik in spoor 2 van Participatiewet in balans aan beleidsopties om de wet fundamenteel te herzien. Daarbij is ook aandacht voor de ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie. De ervaringen en geleerde lessen van de bouwdepot-aanpak bezie ik in dit kader.
Tijdens het debat over de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zei u over dit initiatief dat u het een heel sympathiek idee vindt. Waarom roept u de gemeenten op het matje in plaats van hen te helpen deze interventie mogelijk te maken?
Ik heb inderdaad sympathie voor de doelstelling om jongeren in een kwetsbare positie te helpen, die gemeenten en de Stichting met haar aanpak nastreven. Het is belangrijk om jongeren in een kwetsbare positie te ondersteunen en hen te helpen werken aan de toekomst. Maar, zoals ik al eerder in de beantwoording van vraag 4 heb aangegeven, de hulp moet wel passen binnen de kaders van de wet en rekening houden met het vangnetprincipe van de bijstand. Hierover is ook met diverse gemeenten gesproken en vinden nog gesprekken plaats. Ook met gemeenten die ervoor kiezen op een eigen wijze binnen wettelijke bestaande kaders jongeren te ondersteunen en te helpen, ook gericht op duurzaam werk. Binnen de Participatiewet zijn er op basis van individueel maatwerk al veel mogelijkheden om alle jongeren in een kwetsbare positie te ondersteunen.
Gemeenten kunnen per individueel geval algemene bijstand en, als de omstandigheden dat vergen, aanvullende bijzondere bijstand verstrekken. Ook kunnen gemeenten de jongeren tijdelijk een ontheffing verlenen van de arbeidsverplichtingen. Wat echter echt niet kan is het «onbeperkt» bijverdienen naast een uitkering. Niemand mag onbeperkt bijverdienen naast de bijstand – dat past niet bij het vangnetkarakter. Wel vind ik het belangrijk dat er een vorm van vrijlating van inkomen uit bijverdiensten mogelijk wordt voor jongeren tot 27 jaar. Dit wordt beoogd met het Wetsvoorstel Participatiewet in Balans (spoor 1).
Door ondersteuning binnen de kaders van de wet vorm te geven kan in principe iedere jongere die deze of vergelijkbare hulp nodig heeft hiervoor in aanmerking komen. Daarnaast kunnen ook andere mensen in een zeer kwetsbare positie op deze manier geholpen worden. Dit gelijkheidsbeginsel vormt samen met het beginsel van rechtszekerheid een belangrijk principe binnen de sociale zekerheid. Een voordeel van het leveren van maatwerk binnen de wettelijke kaders, is dat ook beter kan worden bepaald wat jongeren nodig hebben. Zo hoeft niet vast te worden gehouden aan een vast bedrag of vooraf bepaalde duur van de ondersteuning, zoals bij de bouwdepot-aanpak het geval is.
In het bericht zegt u dat er aanpassingen nodig zijn voor het project van stichting Bouwdepot en dat u dit landelijk wil regelen.2 Bent u bereid om de wet aan te passen zodat het zonder ontmoedigingsbeleid kan worden voortgezet?
Zoals gezegd ben ik met verschillende gemeenten in gesprek. Als blijkt dat er specifieke beperkingen zijn waarin de wet niet voorziet, dan ben ik bereid om te kijken naar mogelijkheden. Deze heb ik nog niet gehoord. Op sommige onderdelen ben ik echter niet bereid om de wet aan te passen om de bouwdepot-aanpak in deze huidige vorm mogelijk te maken. Het afwijkend behandelen van een van een specifieke groep, zowel wat de norm als wat verplichtingen betreft, ten opzichte van andere (kwetsbare) groepen die binnen de Participatiewet vallen en zonder verder een individuele beoordeling, is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Ik heb aangegeven dat gemeenten deze interventie moeten aanpassen, omdat de huidige vormgeving van de aanpak niet past binnen de kaders van de wet. Een onderdeel van de Bouwdepot-aanpak is bijvoorbeeld het «onbeperkt» bijverdienen naast een uitkering. Dit ondermijnt het vangnetkarakter van de Participatiewet. Als de aanpak op dit punt wordt aangepast, kan deze worden vormgegeven binnen de kaders van de Participatiewet. Dit gebeurt al bij een aantal gemeenten. Deze vorm van ondersteuning, maatwerk in de Participatiewet, juich ik van harte toe. SZW is ook bereid hier met gemeenten over door te praten en hierover mee te denken. De Participatiewet hoeft hiervoor niet te worden aangepast. Gemeenten kunnen de stichting het Bouwdepot inschakelen voor advies bij alle aanvullende ondersteuning, zorg en hulp die de jongeren nodig hebben of om de begeleiders van deze jongeren te ondersteunen.
Kunt u aangeven hoe de interventie van het Bouwdepot wel in de herziene P-wet (Participatiewet) kan worden ingepast? Wat is hiervoor nodig?
In spoor 2 wordt fundamenteler gekeken naar de doelen en uitgangspunten van de wet en de wijze waarop de wet vanaf de basis opnieuw kan worden opgebouwd. Daarbij is ook aandacht voor de normensystematiek en voor ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie. De ervaringen en geleerde lessen uit de verschillende initiatieven die gemeenten nemen om jongeren in een kwetsbare positie te ondersteunen zal ik in dit kader bezien. Voor het overige verwijs ik u naar de beantwoording op de vorige vraag, waarin ik heb aangegeven dat bij aanpassing van de interventie de wet niet hoeft te worden aangepast.
Bent u bereid om het voortouw te nemen om deze wettelijke ruimte te creëren voor zulke maatschappelijke interventies vanuit het maatschappelijk middenveld?
Zoals gezegd ben ik met gemeenten in gesprek en ook leg ik regelmatig in het land werkbezoeken af waar ik verschillende aanpakken hoor hoe gemeenten mensen ondersteunen. Daarbij sta ik altijd open voor signalen hoe het ook beter kan. Maar ik zie geen mogelijkheden om wettelijke ruimte te creëren voor maatschappelijke interventies die haaks staan op het rijksinkomensbeleid. En ook niet voor interventies die het vangnetprincipe van de bijstand ondermijnen; «onbeperkt» bijverdienen naast een bijstandsuitkering vind ik in dit kader bijvoorbeeld onwenselijk. Op basis van de huidige wet is maatwerk mogelijk om jongeren te ondersteunen. Het wetsvoorstel Participatiewet in balans vergroot de mogelijkheid voor gemeenten om jongeren te kunnen ondersteunen. Ik kijk met deelnemende gemeenten naar opties om binnen wettelijke kaders verdere mogelijkheden te bieden voor ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie.
Kunt u de bovenstaande vragen een voor een beantwoorden voor de plenaire behandeling van Participatiewet in balans.3
Ja.
De Sportpas |
|
Michiel van Nispen |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
Kunt u toelichten hoe u nu precies aankijkt tegen het idee van een sportpas, de pas met budget waarmee jongeren sportactiviteiten kunnen betalen, en hoe het denken zich heeft ontwikkeld sinds het Kamerdebat in december 2024 waarin dit plan aan u is overhandigd door de SP en de KNVB namens een groot aantal sportbonden, jongeren- en sportorganisaties, ondernemers, vakbonden en individuen?1
Ik ben altijd al enthousiast geweest over de sportpas. De motie die oproept tot het onderzoeken van de effecten van een sportpas (zowel de financiële als maatschappelijke opbrengsten meewegend) van de leden Van Nispen en Mohandis heb ik destijds dan ook de appreciatie oordeel Kamer meegegeven. Ik ben ook op bezoek geweest in Waadhoeke en heb met wethouder De Vries gesproken. De aanpak in Waadhoeke is interessant en levert veel informatie op. Nu zijn we bezig met het inrichten van het onderzoek.
Klopt het dat uw enthousiasme over dit plan, vanwege uw overtuiging dat dit werkt en de eenvoud in de uitvoering, alsmede de goede ervaringen in bijvoorbeeld de gemeente Waadhoeke, er inmiddels toe heeft geleid dat dit plan nader onderzocht gaat worden en in enkele gemeenten uitgeprobeerd gaat worden? Kunt u dit toelichten?
Het klopt dat ik enthousiast ben over het idee van de sportpas. Zoals toegezegd tijdens het debat van 9 december 2024 laat ik een onderzoek doen naar de effecten van de inzet van een sportpas. Ik streef ernaar u in juni, voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat, te informeren over hoe het onderzoek er precies uitziet en in welke gemeenten de sportpas uitgeprobeerd wordt. Samen met onder andere het Mulier Instituut en Kenniscentrum Sport en Bewegen ben ik aan het verkennen welke informatie al voorhanden is over een sportpas en welke gemeenten hiermee werken. Voor een haalbaarheidsonderzoek moeten we naar verschillende vormen van sportpassen in gemeenten kijken om te zien wat dan het beste past voor heel Nederland en wat de kosten zijn. Het is goed mogelijk dat ook naar NPLV wijken wordt gekeken.
Hoe zal dit onderzoek, naar de effectiviteit van de sportpas en de financiële effecten (inclusief nadrukkelijk de maatschappelijke opbrengsten), er uit komen te zien? Wanneer zal dit plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 2.
In welke gemeenten zal dit de komende tijd uitgeprobeerd gaan worden en wanneer gebeurt dit? Heeft u hierover al een besluit genomen of bepaalde gemeenten op het oog? Mogen gemeenten zich hier zelf voor aanmelden? Wordt er bijvoorbeeld gedacht aan gemeenten die in het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) zitten, omdat toepassing van de sportpas in de NPLV-gebieden vanwege de integrale aanpak in die gebieden de effecten mogelijk kan versterken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer wordt de Kamer nader geïnformeerd over de voortgang van de sportpas, de proeven in de gemeenten en het onderzoek, mede ter uitvoering van de aangenomen Kamermotie?2 Zal dit nog voor het volgende commissiedebat Sportbeleid plaatsvinden? Wilt u in ieder geval de Kamer uiterlijk voorafgaand aan dat commissiedebat zo goed mogelijk hierover informeren zodat de voortgang kan worden besproken?
Zie antwoord vraag 2.
Het rapport 'Zorgen over kinderen die wachten op jeugdbescherming en jeugdreclassering' |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Struycken , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) van februari 2025, waarin ernstige zorgen worden geuit over kinderen die te lang wachten op een vaste jeugdbeschermer en passende hulp?1
Ja
Bent u bekend met het artikel uit het Dagblad van het Noorden «Inspecties hebben «grote zorgen» over bescherming kinderen in Drenthe en Groningen. Extra toezicht bij Jeugdbescherming Noord»2
Ja
Kunt u specifiek aangeven hoe het extra toezicht, waar het Dagblad van het Noorden op wijst eruit gaat zien?3 En waar gaan de Inspecties specifiek op letten?
De inspecties voeren toezicht uit bij vijf gecertificeerde instellingen (GI’s). De inspecties maken bij publicatie van de toezichtrapporten openbaar bij welke instellingen dit toezicht is uitgevoerd. Het eerste rapport over de William Schrikker Stichting is inmiddels door de inspecties gepubliceerd4.
Het toezicht is gericht op de kwaliteit van de taakuitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering. Specifieke aandachtpunten zijn de wijze waarop met de jeugdige en ouders wordt gekeken wat er aan de hand is en wat er nodig is (analyse en plan van aanpak), de tijdige inzet van passende hulp en het voeren van regie, zicht op veiligheid en ontwikkeling van jeugdigen met een maatregel. Verder kijkt de inspectie naar de mate waarin de bestuurder zijn verantwoordelijkheid neemt, ook in situaties waarin het niet lukt om de taakuitvoering conform wettelijke en veldnormen uit te voeren.
Hoe beoordeelt u het feit dat 1.496 jeugdigen zonder vaste jeugdbeschermer zitten, ondanks eerdere signaleringen en toezeggingen om de situatie te verbeteren?
Op 2 december 20245 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de wachtlijsten bij de jeugdbescherming op peildatum 1 oktober 2024. Dit heeft betrekking op dezelfde wachtlijsten als waarover de inspectie thans rapporteert.
Sinds december 2022 hebben het Rijk en de gemeenten veel geïnvesteerd in het verlagen van de werkdruk bij de jeugdbeschermers. De hoge werkdruk was één van de belangrijkste oorzaken voor het ontstaan van wachtlijsten. Mede op basis van het nieuwe landelijke tarief is de workload per jeugdbeschermer omlaag gebracht van gemiddeld 17,1 naar gemiddeld 12,6 jeugdigen per jeugdbeschermer. Een daling van 26%. Daarmee is invulling gegeven aan de aanbeveling van de inspecties om de werkdruk bij de GI’s te verlagen, zodat jeugdbeschermers weer voldoende tijd hebben om de kinderen en de gezinnen op adequate wijze te helpen en te beschermen. In de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2024 is de wachtlijst gedaald van 2.072 naar 1.496 jeugdigen. Een daling van 29%; maar nog steeds te hoog.
Het was niet voor alle GI’s in de periode december 2022 tot 1 oktober 2024 (goed) mogelijk om zowel de workload omlaag te brengen als de wachtlijst weg te werken. Om de workload omlaag te brengen krijgen de jeugdbeschermers minder jeugdigen toebedeeld. Daardoor kunnen niet alle kinderen direct geholpen worden en ontstaat er noodgedwongen een wachtlijst. Omdat de GI’s in dezelfde periode nieuwe medewerkers moesten werven en nieuwe medewerkers niet meteen volledig productief zijn (door opleiding), zijn er dan per saldo onvoldoende medewerkers beschikbaar om de cliënten op de wachtlijst te helpen. Desondanks is het de GI’s gelukt om de wachtlijst in die periode omlaag te brengen. De GI’s hebben aangegeven dat nu de werkdrukverlaging gerealiseerd is, ze hun aandacht meer kunnen richten op het wegwerken van de wachtlijst. Dat zal in de komende periode gestalte moeten krijgen. Wij blijven dat met de GI’s nauwgezet volgen. In de brief die we u op 16 juni6 hebben toegezonden, hebben we u over het aantal jeugdigen geïnformeerd die wachten op een vaste jeugdbeschermer op peildatum 1 april 2025.
Wat is uw reactie op het gegeven dat slechts vijf van de dertien gecertificeerde instellingen (GI's) erin slagen om binnen de wettelijke termijn van vijf werkdagen contact op te nemen met jeugdigen en hun gezin?
Op peildatum 1 oktober 2024 was er sprake van een totale wachtlijst van 1496 jeugdigen die langer dan 5 dagen op een vaste jeugdbeschermer moesten wachten. Deze wachtlijst is niet gelijk over het hele land verdeeld omdat GI’s te maken hebben met een verschillende regionale context of uitgangspositie. Sommige GI’s hebben bijvoorbeeld te maken met een daling van de instroom van de jeugdigen die een maatregel krijgen. In dat geval kan gewerkt worden aan de daling van de workload zonder dat er een wachtlijst ontstaat. Andere GI’s hadden al een relatief hoog tarief waardoor ze al met een verlaagde workload konden werken en waardoor ze eerder in staat waren om conform de nieuwe workload te werken. Hierdoor waren ze ook eerder in staat om een eventuele wachtlijst aan te pakken.
Wat zijn de concrete stappen die u op korte termijn gaat zetten om ervoor te zorgen dat jeugdigen niet langer maanden moeten wachten op een plan van aanpak of passende hulp?
De GI’s hebben aangegeven dat nu de werkdrukverlaging gerealiseerd is, ze hun aandacht meer kunnen richten op het verminderen van de wachtlijst. Als kinderen weer binnen 5 dagen geholpen worden is het daarmee ook weer mogelijk om binnen 6 weken na de uitspraak van de kinderrechter waarmee een beschermingsmaatregel wordt opgelegd, een plan van aanpak op te stellen. Een van de belangrijke doelen van de Hervormingsagenda is ook om te zorgen dat juist de meest kwetsbare kinderen, waaronder kinderen met een beschermingsmaatregel, tijdig de jeugdhulp kunnen krijgen die nodig is. Daar wordt hard aan gewerkt, ook in navolging van het op 31 januari door de Deskundigencommissie gepubliceerde advies «Groeipijn».7 In de voortgangsbrief jeugdzorg van 13 juni8 en de brief over de afspraken tussen Rijk en VNG van 18 juni9 hebben we uw Kamer over de voortgang hierop geïnformeerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat het aantal jeugdigen op interne wachtlijsten is toegenomen, ondanks een daling van het totaal aantal opgelegde maatregelen?
Op 1 oktober 2024 moesten 589 kinderen bij de start van de maatregel langer dan 5 werkdagen wachten op een jeugdbeschermer. Dit waren 518 kinderen op 1 april 2024. Daarnaast stonden er 907 kinderen op een interne wachtlijst binnen de GI. Dat waren 825 kinderen op 1 april 2024. Bij de interne wachtlijst gaat om kinderen die door langdurige ziekte of personeelsverloop bij jeugdbeschermers nog geen nieuwe vaste jeugdbeschermer hebben. Deze kinderen hebben in de regel wel een plan van aanpak en veelal een vorm van (jeugd)hulp. De reden dat bij sommige GI’s de interne wachtlijst is gestegen is dat bij enkele GI’s de instroom is toegenomen. De GI’s hebben ervoor gekozen om de nieuwe kinderen zo snel mogelijk te helpen, mede omdat voor kinderen op de interne wachtlijst veelal al (jeugd)hulp geregeld is. Hierdoor moeten kinderen die op de interne wachtlijst staan langer wachten.
Wat is uw oordeel over het gebruik van het «Handelingsperspectief bij onderbezetting», waarbij jeugdigen minimale begeleiding ontvangen of langdurig op wachtlijsten blijven staan? Bent u van plan in te grijpen als blijkt dat deze aanpak structureel wordt in plaats van tijdelijk?
Voor alle kinderen die op de wachtlijst staan, geldt dat de GI zicht houdt op de veiligheid10. Hiertoe voeren de GI’s risico- en veiligheidstaxaties uit, handelen ze direct wanneer dat nodig is en maken zij afspraken met het lokale veld en zorgaanbieders over het inzetten en/of continueren van jeugdhulp. In 2022 stelden de GI’s gezamenlijk het «Handelingsperspectief en veldnorm bij onderbezetting Gecertificeerde Instellingen» op. Het is een werkwijze voor wachtlijstbeheer in geval van personele onderbezetting. De GI’s werken met het handelingsperspectief als een «minimumvariant» in situaties van personele onderbezetting. In de praktijk doen de meeste GI’s meer dan wat is voorgeschreven in het Handelingsperspectief. Helaas zijn er nog altijd kinderen die op een wachtlijst staan. De inzet van het Handelingsperspectief of onderdelen daarvan zal dan nodig blijven om het zicht op de veiligheid van het kind te garanderen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat jeugdbeschermingsregio’s en gecertificeerde instellingen voldoende capaciteit en middelen krijgen om structurele personeelstekorten en hoge werkdruk aan te pakken?
Rijk en gemeenten hebben in 2023 afspraken gemaakt over een landelijk tarief om daarmee de werkdruk bij de GI’s te verlagen. Hierdoor is de workload (het aantal kinderen per jeugdbeschermer) met 26% gedaald tot het gewenste niveau. Gemeenten en Rijk hebben samen € 60 mln. structureel vrijgemaakt om het landelijk tarief te financieren en daarmee een lagere werkdruk te realiseren.
Om meer jeugdbeschermers aan te trekken is verder de succesvolle subsidieregeling voor zij-instromers uitgebreid met 10 miljoen euro en verlengd tot en met 2025.
Kunt u toezeggen dat u, in samenwerking met gemeenten en instellingen, werkt aan een crisisaanpak om te zorgen dat kinderen met een jeugdbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel per direct de begeleiding, bescherming en hulp krijgen die zij nodig hebben?
Zie het antwoord op vraag 9.
Hoe gaat u de voortgang van verbetermaatregelen monitoren, en bent u bereid de Kamer hierover periodiek te informeren?
Ik informeer uw Kamer reeds periodiek over het aantal cliënten, de wachtlijsten en de werkdruk in de jeugdbescherming, voor het laatst in de eerdergenoemde brief van 16 juni 2025. Verder informeer ik u – samen met de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport – via de terugkerende voortgangsbrieven Jeugd over de voortgang van onder meer de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming.
Deelt u de mening dat het recht op bescherming, zoals vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, niet mag worden geschonden door capaciteitsproblemen? Zo ja, hoe gaat u dit recht garanderen?
Ja. Ieder kind heeft recht op bescherming als de rechter een maatregel oplegt. Wanneer door personeelstekorten ouders en kinderen langer moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer dan de wet voorschrijft, beziet de GI altijd op welke wijze de veiligheid van het kind wordt geborgd. Bij acute dreiging wordt een kind direct geholpen.
Hoe verhoudt de stap van de IGJ zich tot hun eerdere stellingname in de signaalbrief toezicht jeugdbescherming4, waarin de Inspecties aangaven hun toezichthoudende taken niet meer te kunnen uitvoeren zolang de problemen binnen de jeugdzorg, zoals wachtlijsten, financiering, onderbezetting en werkdruk, niet zijn aangepakt?
In de signaalbrief in 2022 hebben de inspecties laten weten wel op te treden als instellingen in de jeugdbeschermingsketen niet «in control» zijn op de taken waar zij zelf verantwoordelijk voor zijn en zelf grip op behoren te hebben.
De inspecties geven aan dat signalen en meldingen, zorgen over de knelpunten bij jeugdbescherming en jeugdreclassering, en zicht op de effecten van het gebruik van het «Handelingsperspectief bij onderbezetting» aanleiding zijn opnieuw toezicht te gaan uitvoeren bij de GI’s.
Wat maakt dat de Inspectie nu alsnog die toezichthoudende taken wel gaat of kan uitvoeren, terwijl de genoemde knelpunten nog niet structureel zijn opgelost?
Zie het antwoord op vraag 13.
Bent u ermee bekend dat rechters steeds vaker in hun beschikkingen hun zorgen uitspreken over de wachtlijsten die bij de GI’s gehanteerd worden en de lange termijnen voor het koppelen van een jeugdbeschermer, het aanleveren van een plan van aanpak of het opstarten van de hulpverlening?
Ik weet dat deze zorgen regelmatig in beschikkingen van rechters worden genoemd. Of deze zorgen steeds vaker worden genoemd is mij niet bekend. Ik kan mij voorstellen dat problemen in de uitvoering de rechter voor een dilemma kunnen plaatsen, namelijk moet de rechter in de uitspraak rekening houden met de beschikbaarheid van een jeugdbeschermer of jeugdhulp of niet. Ik verwijs ook naar de beantwoording (3 maart 2025) van de Kamervragen van het lid Bruyning over de «Kamerbrief kabinetsreactie inspectierapport incident pleegmeisje Vlaardingen».12
Bent u er mee bekend dat slechts een beperkt gedeelte, schatting vier tot vijf procent, van de beschikkingen in het civiele familierecht wordt gepubliceerd en dat hierdoor deze problemen nauwelijks aan het licht komen?
Ja, het is mij bekend dat slechts een beperkt gedeelte van de beschikkingen in het familierecht wordt gepubliceerd. Een groot deel van de rechterlijke afdoeningen in het familierecht betreft de goedkeuring van verzoeken en verantwoordingen van bewindvoerders en curatoren. Op grond van de selectiecriteria van de rechtspraak worden de uitspraken in hogere instanties gepubliceerd maar ook uitspraken die de belangen raken van anderen dan de procespartijen, die van bijzonder belang zijn voor bepaalde beroepsgroepen of van belang voor de rechtsontwikkeling. Ik weerspreek dat hierdoor problemen in de jeugdbescherming rond wachtlijsten, werkdruk of gebrek aan passende zorg nauwelijks aan het licht komen. Die problemen zijn nadrukkelijk in beeld.
Deelt u de mening dat het aantal gepubliceerde beschikkingen in dit rechtsgebied drastisch en snel moet worden opgeschroefd zodat ook dit soort problemen sneller aan het licht gebracht kunnen worden? Zo ja welke stappen gaat u ondernemen om via de rechtspraak te regelen dat stapsgewijs tot 2030 het aantal gepubliceerde beschikkingen wordt opgehoogd tot honderd procent in 20230?
Rechterlijke uitspraken vormen een belangrijke bron van informatie voor de maatschappij. Met het uitvoeren van het programma «Meer en verantwoord publiceren» werkt de Rechtspraak er sinds eind 2021 aan dat aanzienlijk meer uitspraken in alle rechtsgebieden worden gepubliceerd. Het programma voert hiertoe organisatorische en technische maatregelen door. In dit verband kan onder andere gedacht worden aan de ontwikkeling van een tool voor het pseudonimiseren van uitspraken.
Uiteindelijk is het aan de onafhankelijke rechter om te beslissen of een uitspraak wordt gepubliceerd met als basis de Richtlijnen voor publicatie: er kunnen zwaarwegende redenen zijn om niet te publiceren. Er zal dan ook nooit sprake van zijn, dat álle rechterlijke uitspraken worden gepubliceerd.
Hoe beoordeelt u de rol en verantwoordelijkheid van bestuurders van de GI’s in het nakomen van afspraken met gemeenten én in het waarborgen van de kwaliteit en veiligheid van de zorg voor kinderen?
Taken van de GI vloeien voort uit de Jeugdwet (o.a. H3/H4) en het Burgerlijk Wetboek (art. 1:254 e.v. BW). Hoofdstuk 4 van de Jeugdwet stelt eisen aan GI’s, waaronder het verlenen van verantwoorde hulp en het zich zodanig organiseren dat dat tot die verantwoorde hulp leidt of redelijkerwijs moet leiden (artikel 4.1.1 Jeugdwet). In het Burgerlijk Wetboek benoemt artikel 1:262 BW specifiek het doel en de inspanningen van de GI bij een OTS. Tegelijkertijd hebben jeugdzorgorganisaties de plicht om die hulp daadwerkelijk te leveren conform de contractuele afspraken en wettelijke normen. Bestuurders dragen hierin de verantwoordelijkheid voor het scheppen van adequate randvoorwaarden voor het professioneel handelen, zoals het opstellen van beleid, het creëren van een veilige werkomgeving en het organiseren van intern toezicht. Dat wordt ook wel aangeduid als de verantwoordelijkheid op grond van «duty of care».In artikel 3.5 Jeugdwet wordt specifiek de verhouding tussen de GI en de gemeente geregeld bij het bepalen van jeugdhulp. Zowel gemeenten als GI’s moeten zich aan de afspraken houden die zij met elkaar maken om tot een goede uitvoering te komen van jeugdbeschermingsmaatregelen.
Wat is uw mening omtrent al die instellingen die de kinderbeschermingsmaatregelen zouden moeten uitvoeren en daarvoor overigens ook altijd betaald krijgen door de overheid, maar hun zaken niet op orde hebben?
De problemen bij de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen zijn het gevolg van meerdere factoren en niet altijd alleen te wijten aan de GI’s zelf. De GI’s zetten zich in om de wachtlijsten terug te dringen, maar worden daarbij ook geconfronteerd met structurele knelpunten zoals personeelstekorten. Reguliere financiering is daarvoor een noodzakelijke randvoorwaarde.
Bent u van mening dat bestuurders hun organisatie niet goed leiden wanneer zij stelselmatig de minimale wettelijke eisen die worden gesteld aan de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel niet behalen? Wat vindt u van de situatie dat bestuurders leiding geven aan een organisatie die wel zorgkosten declareert, maar niet de zorg levert die daarbij hoort? Vindt u dat onder die omstandigheden sprake kan zijn van onbehoorlijk bestuur en daarmee sprake kan zijn van aansprakelijkheid? Zo, nee waarom niet?
Bestuurders hebben de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat hun organisatie voldoet aan de wettelijke eisen en kwalitatief goede zorg levert. Binnen het huidige stelsel bestaan er meerdere waarborgen om toe te zien op het nakomen van deze verantwoordelijkheid, zoals het toezicht door de inspecties, de certificering, de accountantscontroles en het interne toezicht door de raad van toezicht van de GI’s zelf. Het stelselmatig niet naleven van minimale wettelijke eisen is onacceptabel. Tegelijkertijd komen de GI’s uit een situatie waarbij het voor hen nauwelijks doenlijk was om zonder wachtlijsten te werken. Een belangrijke oorzaak daarvan is de hoge werkdruk met hoog ziekteverzuim en personeelsverloop waardoor er onvoldoende jeugdbeschermers waren om de kinderen de begeleiden. Deze hoge werkdruk is de afgelopen 2 jaar – met extra financiële middelen voor een hoger tarief – aanzienlijk omlaag gebracht. Nu dat grotendeels gerealiseerd is (maar nog wel geborgd moet worden), hebben de GI’s meer ruimte gekregen om hun aandacht te richten op het omlaag brengen van de wachtlijsten voor een vaste jeugdbeschermer.
De Jeugdwet stelt eisen aan zowel jeugdhulpaanbieders en GI’s als aan gemeenten. Gemeenten hebben een zorgplicht en zijn als opdrachtgever verantwoordelijk voor de inkoop van voldoende passende jeugdhulp en voor het waarborgen van de beschikbaarheid, continuïteit en kwaliteit daarvan (artikel 2.1 e.v. van de Jeugdwet). De gemeenten en de GI’s hebben onderling ook afspraken gemaakt over de bekostiging van de werkzaamheden in geval van wachtlijsten voor een vaste jeugdbeschermer. Als een kind op de wachtlijst staat, betekent dat niet dat de GI geen kosten maakt. Als een kind nog geen vaste jeugdbeschermer heeft voeren de GI’s minimaal (en vaak meer) de taken uit die zij hebben afgesproken in het handelingsperspectief. Hoofdstuk 4 van de Jeugdwet stelt eisen aan GI’s, waaronder het verlenen van verantwoorde hulp en het zich zodanig organiseren dat dat tot die verantwoorde hulp leidt of redelijkerwijs moet leiden (artikel 4.1.1 Jeugdwet).
Tegelijkertijd hebben jeugdzorgorganisaties de plicht om die hulp daadwerkelijk te leveren conform de contractuele afspraken en wettelijke normen. Bestuurders dragen hierin de verantwoordelijkheid voor het scheppen van adequate randvoorwaarden voor het professioneel handelen, zoals het opstellen van beleid, het creëren van een veilige werkomgeving en het organiseren van intern toezicht. Dat wordt ook wel aangeduid als de verantwoordelijkheid op grond van «duty of care». Of een bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld bij schending van die «duty of care» of contractuele verplichtingen is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en ter beoordeling aan de rechter. In beginsel geldt de aansprakelijkheid van de rechtspersoon (de instelling zelf) voor handelingen die in haar naam zijn verricht, zo volgt uit artikel 2:5 Burgerlijk Wetboek.
Bestuurdersaansprakelijkheid in de zin van art. 2:9, tweede lid, BW betreft een interne aansprakelijkheid: de bestuurder is aansprakelijk jegens de rechtspersoon terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, mede gelet op de taakverdeling en de getroffen maatregelen om schade te voorkomen. Deze vordering kan enkel door de rechtspersoon zelf worden ingesteld.
Derden (zoals gemeenten of cliënten) kunnen een bestuurder in uitzonderlijke gevallen aanspreken op basis van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Hierbij wordt door de rechter de invulling van de onrechtmatige daad in belangrijke mate ingevuld door de regels en jurisprudentie van art. 2:9 BW. De drempel daarvoor ligt hoog; persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder komt slechts aan de orde bij ernstige en bewuste nalatigheid. Bij onregelmatigheden staat de aansprakelijkheid van de rechtspersoon voorop.
Een andere mogelijkheid in de wet is dat bestuurders van stichtingen – wat veel jeugdzorgorganisaties zijn – op verzoek van belanghebbenden of het Openbaar Ministerie door de rechtbank kunnen worden ontslagen wegens verwaarlozing van hun taak of andere gewichtige redenen (art. 2:298 BW).
Uit het voorgaande blijkt dat de juridische mogelijkheden om bestuurders aan te spreken op onbehoorlijk bestuur reeds bestaan.
Deelt u de mening dat die aansprakelijkheid er kan zijn voor een bestuurder op basis van de «duty of care» (zorgplicht)?5
Zie antwoord vraag 20.
Deelt u de mening dat het denkbaar is dat een bestuurder die het aanvaardt dat de door hem of haar geleide instelling declareert, maar dat doet in de wetenschap dat de overeengekomen zorg niet kan worden geleverd en wettelijke eisen niet worden vervuld? Kunt u uw antwoord nader toelichten? De instelling zou dan aansprakelijk kunnen zijn, maar kan het uiteindelijk ook zo zijn dat bestuurders ook persoonlijk aansprakelijk worden gesteld als zij direct betrokken zijn bij het bewust niet naleven van contractuele verplichtingen?
Zie antwoord vraag 20.
Bent u bereid te onderzoeken of er aanvullende maatregelen nodig zijn om bestuurders van jeugdzorginstellingen alsmede de GI's meer direct verantwoordelijk te maken voor het verbeteren van de situatie, en zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Kunt u aangeven in hoeverre ook bestuurders kunnen worden aangesproken indien er sprake zou zijn van onbehoorlijk bestuur?
Zie antwoord vraag 20.
De zorgwekkende uitkomsten van de inspectie Gezondheid en Jeugd over de situatie van kinderen in de opvang |
|
Michiel van Nispen |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
Bent u bekend met de uitkomsten van de Inspectie Gezondheid en Jeugd over het toezicht op de asielopvang 2024?1
Ja.
Wat vindt u van de indringende conclusie dat de gezondheidszorg voor de meest kwetsbaren, waaronder kinderen, chronisch zieken en zwangere vrouwen, momenteel niet op orde is en daarmee ernstige risico’s oplevert voor de gezondheid?
De Inspectie Gezondheid en Jeugd (IGJ) concludeert dat ondanks verbeteringen de situatie voor de meest kwetsbare asielzoekers in de opvangketen onnodig schrijnend blijft met grote risico’s op ernstige fysieke en mentale gezondheidsschade. De medewerkers van onder andere het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) spannen zich dagelijks enorm in om de kwaliteit van de opvang en de toegang tot de zorg te borgen. Zoals de IGJ aangeeft lukt dit ook ten aanzien van de medische intake, dossiervorming, jeugdgezondheidszorg en preventie zorg De IGJ ziet daarin ook verbeteringen. Ook over de hygiënezorg spreekt de IGJ zich positief uit. Vanzelfsprekend is het teleurstellend dat ondanks de geleverde inspanningen er toch nog tekortkomingen worden geconstateerd.
Hoe kijkt u naar de conclusie over de situatie van kinderen waarin wordt geconstateerd dat er nog steeds na herhaaldelijke oproepen ernstige risico’s zijn die hun gezonde en veilige ontwikkeling belemmeren, waarmee niet voldaan wordt aan de rechten van het kind en asielkinderen ernstig risico op blijvende en mogelijk onherstelbare schade hebben?
Ja. De verantwoordelijkheid voor het zorgen voor kinderen in de asielopvang is een verantwoordelijkheid van mij als Minister van Asiel en Migratie en het COA als uitvoeringsorganisatie. Mijn ministerie en het COA trekken daarom gezamenlijk op in het kijken naar verbeteringen die kunnen worden doorgevoerd naar aanleiding van het rapport van de inspectie.
Voelt u zich verantwoordelijk voor kinderen van asielzoekers die zich in de Nederlandse opvang bevinden? Zo ja, hoe ziet u die verantwoordelijkheid in het licht van de conclusies van dit rapport?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het met de Inspectie eens dat de overheid momenteel ernstig tekortschiet in de zorg die nodig is voor asielkinderen?
Het uitgangspunt is dat kinderen en andere kwetsbare personen niet worden opgevangen in de noodopvang of locaties die daar minder geschikt voor zijn. Daar waar mogelijk wordt daar ook rekening mee gehouden. Om te voorkomen dat asielzoekers, waaronder kinderen, op straat moeten slapen is de inzet van noodopvang ook voor deze groep toch nodig. Dit is geen ideale situatie en brengt zoals is geconstateerd uitdagingen met zich mee ten aanzien van de gezondheidssituatie en het welzijn van de kinderen. Niettemin wordt binnen de huidige opvangsituatie er alles aan gedaan om de kwaliteit van de opvang en de toegang tot de zorg te borgen. Daarbij is er ook met name aandacht voor de positie van kinderen. Kinderen in de asielopvang hebben te allen tijde toegang tot de gezondheidszorg. Voor deze zorg wordt gebruik gemaakt van het reguliere zorgsysteem. Dat geldt voor de somatische en geestelijke gezondheidszorg maar ook voor de publieke gezondheidszorg en jeugdhulp. De realiteit is dat gevluchte kinderen, net als alle andere kinderen in Nederland, te maken hebben met wachtlijsten voor doorverwijzingen naar specialistische en geestelijke gezondheidszorg of in de jeugdhulp.
Welke maatregelen zijn er sinds de eerdere oproepen genomen om de situatie te verbeteren, en waarom hebben deze niet het gewenste effect gehad?
Zoals de IGJ in het rapport ook aangeeft zijn er ten aanzien van de zorg wel degelijk zaken ten goede gewijzigd. De IGJ wijst hierbij onder andere op de hygiëne, het delen van medische gegevens, de medische intake en het in beeld houden van kinderen voor de jeugdgezondheidszorg. Helaas constateert de IGJ, net als uit andere rapporten naar voren is gekomen dat er ook nog uitdagingen zijn. Alle aanbevelingen uit deze en eerdere rapporten en onderzoeken worden door mijn ministerie zeer serieus genomen. Samen met de betrokken organisaties wordt er iedere dag ook gewerkt om de kwaliteit te borgen.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er voldoende geschikte en stabiele opvangplekken komen voor kinderen, zodat zij niet telkens hoeven te verhuizen?
Zoals in de beantwoording hierboven al is benoemd, is het uitgangspunt van het COA om kinderen zoveel mogelijk buiten de noodopvang op te vangen. Ik erken dat dit locaties zijn die zijn ingericht op tijdelijk verblijf, hetgeen betekent dat kinderen meer moeten verhuizen. Daarnaast zit onmiskenbaar verschil in de kwaliteit tussen alle noodopvanglocaties, waardoor de ene noodlocatie meer geschikt is voor opvang van kinderen dan de andere. Ook het COA zou dan ook graag zien dat kinderen niet in een noodopvanglocatie hoeven worden opgevangen. Wegens het aanhoudende beddentekort kan het COA hier helaas niet aan voldoen. Streven is om kinderen en andere kwetsbaren wel zo snel mogelijk door te plaatsen naar reguliere opvanglocaties, maar dit is al langere tijd lastig te realiseren. Kinderen zijn namelijk niet de enige doelgroep die binnen de asielopvang door het COA als kwetsbaar is aangemerkt; hieronder vallen bijvoorbeeld ook zwangere vrouwen en andere specifieke groepen asielzoekers. Bovendien moet voorkomen worden dat asielzoekers op straat terecht komen, dus voor bewoners moet een nieuwe plek gevonden worden als tijdelijke locaties weer sluiten, hetgeen momenteel met regelmaat gebeurt. Dit maakt het nog lastiger om kinderen te plaatsen op de juiste plek. Pas als er ruimte vrijkomt in de opvang die in brede zin zijn ingericht op opvang van kinderen, ontstaat een beter opvangklimaat voor deze doelgroep. Belangrijk om te benadrukken is dat bij het gebruiken van noodopvanglocaties waar ook kinderen worden opgevangen, het COA rekening houdt met het inrichten van kindvriendelijke voorzieningen zoals activiteiten en de mogelijkheid tot het gebruik van speelvoorzieningen.
Deelt u de mening dat het zelf exploiteren van locaties door gemeenten een kans biedt voor kleinschalige opvang, met oog voor kwetsbare groepen zoals kinderen? . Ziet u de toegevoegde waarde van kleinschalige locaties voor het welzijn van kinderen?
Voor een effectief werkende migratieketen is het van belang dat de ketenpartners in voldoende mate aanwezig zijn. Ongeacht de grootte van de locatie is het tevens van belang om extra aandacht te hebben voor kwetsbare groepen. Het COA onderzoekt welke mogelijkheden hier nog zijn om de situatie voor kinderen te verbeteren in met name de noodopvang. Het kabinet zal uw kamer hier voor het meireces over informeren.
Bent u bereid de aanbevelingen van het Inspectierapport volledig en met hoge prioriteit over te nemen? Zo nee, waarom niet?
De voorkeur gaat in zijn algemeenheid uit naar grootschalige opvang waar meer faciliteiten geboden worden, zoals een school. Grootschaligheid drukt ook de kosten.
Hoe verhouden de uitkomsten van de Inspectie zich volgens u met de uitvoering van de motie van het lid Van Nispen c.s. over goede opvang van kinderen in de asielopvang prioriteit geven waarin ook maandelijks gerapporteerd moet worden over de situatie van kinderen in de asielopvang?2
Ja, samen met het COA pak ik deze aanbevelingen op. Het COA is ook al gestart met de invulling hiervan. Zo heeft het COA voor de overplaatsingen van asielzoekers die veel, continue of chronische zorg nodig hebben met de ketenpartners «de ketenrichtlijn continuïteit van zorg bij verhuizingen» opgesteld. Het doel van deze richtlijn is het bieden van doorlopende kwalitatief goede zorg en het voorkomen van medische risico’s bij verhuizing voor bewoners van COA-locaties. Evaluatie van deze richtlijn is in de periode april/juni. Daar komt ook de inzet van de medische blokkade aan de orde. Mogelijke verbeterpunten pakt het COA op met haar ketenpartners. Het COA gaat alvast aan de slag om de bekendheid met de ketenrichtlijn (inclusief het onderdeel medische blokkade), onder de medewerkers verder te vergroten.
Om de toegang tot de GGZ zorg te verbeteren trekt het COA samen op met de Nederlandse GGZ en VWS. De wachtlijstproblematiek bij overplaatsingen heeft hierin hoge prioriteit. Op basis van de aanbevelingen uit het EGALITE-rapport (november 2024 Erasmus MC) is voor zwangere vrouwen een aantal verbeteringen in voorbereiding. Het COA werkt hiervoor intensief samen met de kraamzorg, verloskundigen en GGD GHOR en GZA in de ketenwerkgroep geboortezorg.
Heeft u inmiddels in beeld welke locaties ongeschikt zijn voor kinderen en bent u bereid ervoor te zorgen dat kinderen daar per direct niet meer geplaatst worden, in lijn met de motie van het lid Van Nispen c.s.?3
Het kabinet blijft aandacht hebben voor de situatie van kinderen in de asielopvang. Op dit moment inventariseren het ministerie en het COA mogelijke aanvullende oplossingen om de situatie voor kinderen in de asielopvang te verbeteren. Het kabinet zal u vóór het meireces nader informeren.
Bent u bereid om, naast het contactpersoon kind, meer personeel van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) op locaties een training te laten volgen op het gebied van kind-specifieke expertise, zodat al het personeel de kennis en kunde in huis heeft?
Zie antwoord vraag 11.
Heeft u kennisgenomen van het antwoord op de vragen van het lid Van den Hil door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Jeugd, Preventie en Sport) van 5 november 2024?1
Ja.
Klopt het dat de staatsecretaris in de beantwoording van vraag 9 stelt dat het helaas niet mogelijk is om altijd elk incident te voorkomen? Accepteert de overheid dat een stelsel faalt en tot incidenten kan leiden? Kunt u uitleggen hoe dat verenigbaar is met de verplichting van de overheid om een kind te beschermen tegen huiselijk geweld en fysieke of emotionele verwaarlozing? Klopt het dat het recht op bescherming hiertegen valt onder het bereik van de artikelen 2, 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens?
Op grond van internationale verdragen – waaronder het EVRM en het IVRK – rust een positieve verplichting op de overheid om kinderen te beschermen tegen alle vormen van geweld, mishandeling en verwaarlozing. Daarbij dient de overheid passende maatregelen te treffen om geweld te voorkomen. Indien een kind wordt geconfronteerd met geweld, dan heeft de overheid de plicht te zorgen voor passende ondersteuning en hulp en in te grijpen als dat nodig is.
De kans op (gewelds)incidenten met kinderen kan ik (helaas) niet naar nul reduceren. Echter, dat wil niet zeggen dat ik enige vorm van geweld tegen kinderen accepteer. Geweld van welke aard ook dient vanzelfsprekend achterwege te blijven bij de verlening van jeugdhulp en bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. De Jeugdwet staat geweld dan ook niet toe. Het uitgangspunt is dat kinderen zo gezond en veilig mogelijk opgroeien. Met de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomst Scenario werken we aan het versterken hiervan. Daarnaast werk ik aan de uitvoering van de motie van lid Westerveld om: «Met de aanbieders voortvarend te werken aan oplossingen, te zorgen dat uiterlijk over een jaar geen tekortkomingen meer zijn waarbij kinderrechten worden geschonden en de Kamer proactief te informeren als dit niet lukt». 2
Deelt u de mening dat uit de door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) gerapporteerde incidenten in vorenbedoelde instellingen en uit de beantwoording van uw vragen van het lid Van den Hil volgt dat incidenten voortkomen uit onmacht en onjuiste of achterhaalde opleiding en opvattingen binnen de betreffende instellingen? Kunt u uw mening toelichten?
De IGJ heeft geconstateerd dat vastpakken en vasthouden niet altijd correct gebeurt wanneer bijvoorbeeld (tijdelijk) personeel op een ««oude» manier is opgeleid of een beveiliger zonder juiste opleiding «bijspringt». Het is daarom belangrijk dat instellingen scherp zijn op het niveau van de kwaliteiten en vaardigheden van professionals, ook bij de inhuur van tijdelijk personeel. Het borgen van de kwaliteit van het handelen van professionals is een gedeelde verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid ligt enerzijds bij de jeugdprofessional die het directe contact heeft met jeugdigen. De jeugdprofessional moet beschikken over passende vaardigheden en kwaliteiten, een SKJ- of BIG-registratie en zich houden aan de geldende beroepscodes. Anderzijds is de werkgever verantwoordelijk voor de kwaliteit van haar werknemers, zij moet namelijk kunnen instaan voor hun kwaliteiten en vaardigheden. Dit doet een werkgever onder andere door diploma’s en een Verklaring omtrent gedrag (VOG) aan haar werknemers te vragen en door hen de ruimte en tijd te bieden zich blijvend te ontwikkelen.
Deelt u de mening dat daaruit kan worden afgeleid dat de incidenten binnen de instellingen voortkomen uit een falend beleid van het bestuur van de instellingen, dat immers de mogelijkheden heeft om te beschikken over de gedraging van het personeel door toereikend goed gekwalificeerd personeel aan te nemen en goed te trainen en dat men, de bestuurder, daardoor aanvaardt (door niet in te grijpen of te trainen) dat de incidenten plaatsvonden en konden blijven plaatsvinden? Kunt u uw mening toelichten?
Het voorkomen van incidenten binnen een instelling kan meerdere oorzaken hebben. In de beantwoording van de bovengenoemde vragen van het Kamerlid Van den Hil staat bijvoorbeeld dat jongeren ook pijn kunnen ervaren als gevolg van een escalatie waarbij medewerkers een jongere vastpakken. Dat laat onverlet dat bestuurders eindverantwoordelijk zijn voor de kwaliteit, veiligheid, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om te beschikken over gekwalificeerd personeel en ervoor te zorgen dat professionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming van de voor hen geldende professionele standaarden. Niet voor niets neemt de IGJ de verbeterkracht van een instelling (na een toezicht) mee in het wegen van het vertrouwen dat de instelling zelf geconstateerde tekortkomingen zelfstandig kan en zal oplossen.
Wat is uw standpunt over het bestuur van de betreffende instellingen als zij niet gekwalificeerd personeel aannemen of onvoldoende trainen voor dergelijke situaties?
Ik kan geen uitspraken doen over het handelen van een bestuur. In het algemeen kan ik melden dat jeugdigen en hun ouders recht hebben op zorg van goede kwaliteit die voldoet aan professionele standaarden. Zoals ik in het antwoord op vraag 4 aangaf, is het bestuur van een instelling eindverantwoordelijk voor onder andere de kwaliteit van de zorg. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de IGJ hebben gezamenlijk het kader «Goed Bestuur» ontwikkeld, dat geldt voor alle zorgaanbieders, ongeacht de omvang of organisatiestructuur. Dit kader is gebaseerd op wetgeving, veldnormen en goede voorbeelden. Ook de Governancecode Zorg biedt bestuurders en toezichthouders een instrument om de governance zo in te richten dat die bijdraagt aan het waarborgen van goede jeugdhulp. Het is de taak van de raad van toezicht om toezicht te houden op het beleid van het bestuur van een instelling en de algemene gang van zaken. Een raad van toezicht kan een bestuurder, waarvan de raad oordeelt dat deze niet goed functioneert, schorsen of ontslaan. Goede controle van de raad van toezicht, door bijvoorbeeld periodiek contact met medezeggenschapsorganen uit de organisatie, verkleint het risico op incidenten binnen instellingen.
Bent u van mening dat hier de bestuurdersaansprakelijkheid zou moeten gelden en bestuurders, als zij niet voldoende maatregelen nemen om dergelijke incidenten te voorkomen, ook bij de rechter aansprakelijk gesteld moeten kunnen worden? Kunt u uw mening onderbouwen?
De hoofdregel is dat de organisatie wordt aangesproken en niet de bestuurder(s). Bestuurdersaansprakelijkheid is derhalve een uitzondering. In sommige situaties is het evenwel gerechtvaardigd dat een bestuurder persoonlijk aansprakelijk gesteld wordt. Dit kan zich onder andere voordoen als personen of organisaties schade hebben geleden als gevolg van het handelen (of nalaten) van een bestuurder.
Van bestuurdersaansprakelijkheid is in dat geval sprake als wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) en de bestuurder een voor hem/haar geldende norm zodanig heeft geschonden dat hem persoonlijk een «ernstig verwijt» kan worden gemaakt.
Of aan deze criteria wordt voldaan als de bestuurder nalaat maatregelen te treffen om incidenten te voorkomen, hangt af van de omstandigheden en is in een voorkomend geval ter beoordeling aan de rechter. In algemene zin is hierop geen bevestigend antwoord te geven.
Indien u het ermee eens bent, welke maatregelen gaat u nemen om te zorgen dat dit kan?
Uit het antwoord op vraag 6 volgt dat personen of organisaties die schade hebben geleden door het handelen of nalaten van een bestuurder van een rechtspersoon, de bestuurder aansprakelijk kunnen stellen. Of een bestuurder in een concreet geval daadwerkelijk aansprakelijk is, hangt af van de omstandigheden en is ter beoordeling aan de rechter.
Indien u het niet eens bent met hetgeen in vraag 6 is gesteld: waarom niet?
Uit het antwoord op vraag 6 volgt dat het aansprakelijk stellen van de bestuurder van een rechtspersoon door de persoon of organisatie die schade heeft geleden in het algemeen mogelijk is. Of de bestuurder in een concreet geval daadwerkelijk aansprakelijk is, hangt af van de omstandigheden en is ter beoordeling aan de rechter.
De Kamer ontvangt regelmatig signalen dat jongeren die aangifte willen doen tegen de instelling of medewerkers van de instelling wegens mishandeling of geweld, door de politie worden geadviseerd dit niet te doen of dat aangiften stelselmatig worden opgelegd of geseponeerd: wat vindt u hiervan?
Iedereen heeft altijd het recht om aangifte te doen indien men slachtoffer is van een strafbaar feit. Bij een melding door een jongere bij de politie gaat de politie in gesprek met het slachtoffer om te bezien hoe deze het beste kan worden geholpen en uitleg te geven over de opties. Daarin komt ook het proces van aangifte en bewijsvoering ter sprake.
Er zijn ook andere manieren om als jongere individuele erkenning en genoegdoening te verkrijgen. In mijn antwoorden van 8 november 2024 op vragen van het lid Westerveld (GL/PvdA) ben ik hierop ingegaan.3 Dit kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld doordat een instelling excuses maakt voor leed dat een jeugdige bij hen heeft ondervonden, of een gesprek tussen jeugdigen en hun oud-behandelaars. Een andere mogelijkheid is via de klachtenregeling van de instelling. De jongere kan de instelling civielrechtelijk aanspreken en zo nodig een gerechtelijke procedure te starten. In dat geval is het uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of sprake is van onrechtmatig handelen.
Het recht op een eerlijk proces is opgenomen in onze Grondwet en diverse internationale (mensenrechten) verdragen. Dit recht geldt ook voor jongeren die te maken hebben gehad met ongeoorloofd geweld. Jongeren kunnen daarbij op een laagdrempelige wijze worden ondersteund door bijvoorbeeld de kinderen- en jongerenrechtswinkel en Jeugdstem.
Het is uiteindelijk aan het Openbaar Ministerie (OM) te beslissen of het tot een vervolging komt.
Bent u van mening dat als kwetsbare jongeren binnen een beoogd beschermde en veilige omgeving geconfronteerd worden met dergelijk geweld, zij altijd aangifte moeten kunnen doen van strafbare handelingen? Kunt u uw antwoord motiveren?
Zie het antwoord op vraag 9.
In het verlengde van vraag 6: bent u van mening dat ook hier de bestuurdersaansprakelijkheid moet gelden? Kunt u uw antwoord motiveren?
Uit het antwoord op vraag 6 volgt dat van (externe) bestuurdersaansprakelijkheid sprake is als wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) en de bestuurder een voor hem/haar geldende norm zodanig heeft geschonden dat hem persoonlijk een «ernstig verwijt» kan worden gemaakt.
Of aan deze criteria wordt voldaan hangt af van de omstandigheden en is in een voorkomend geval ter beoordeling aan de rechter. In algemene zin is hierop geen bevestigend antwoord te geven.
Vindt u dat de overheid, die een verzwaarde zorgplicht heeft als kinderen op grond van een kinderbeschermingsmaatregel worden geplaatst in een accommodatie voor jeugdzorg, kinderen mag blijven plaatsen in instellingen die er blijk van geven dat zij de fysieke veiligheid van kinderen niet borgen? Kunt u uw antwoord motiveren?
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit van de jeugdhulpinstellingen, waaronder of sprake is van een veilige situatie. Als daarvan geen sprake is dient de instelling in opdracht van de IGJ een verbeterplan op te stellen. Bij een laag vertrouwen (in de verbeterkracht) kan de inspectie andere interventies inzetten, zoals verscherpt toezicht of een aanwijzing. Als de directe veiligheid van kinderen in het geding is, informeert de IGJ de plaatsende instanties daarover.
Klopt het dat de IGJ rapporteert2 dat de ombouw van gesloten jeugdzorg door de keten niet of onvoldoende wordt opgepakt en daarover haar zorgen uit? Bent u op de hoogte dat de Rijksuniversiteit Groningen beschikt over een onderzoeksopzet om een alternatief uit te werken door de geslotenheid die nodig kan zijn, te bieden in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet zorg en dwang? Overweegt u, gelet op de zorgen van de IGJ, aan deze universiteit een onderzoeksopdracht te geven?
Het klopt dat IGJ haar zorgen geuit heeft dat de ombouw van de gesloten jeugdhulp onvoldoende gepaard gaat met de opbouw van alternatieve vormen van hulp. Ik heb u daarover eerder geïnformeerd.5 Ik ken de onderzoeksopzet van de Rijksuniversiteit Groningen niet. Ik zal daar navraag naar doen.
Bent u bereid de wet aan te scherpen, zodat mishandeling en andere zaken in de jeugdzorg grond zijn voor een forse strafverzwaring, omdat deze jongeren aan de instellingen zijn toevertrouwd en zij daarvoor betaald worden met publiek geld?
Het is uiteraard van groot belang dat gevallen van mishandeling in de jeugdzorg, waarbij sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen de minderjarige en degene aan wiens zorg hij is toevertrouwd, passend worden bestraft. Met de Wet herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen, die op 1 januari 2020 in werking is getreden, is de strafverzwaringsgrond bij mishandeling van een minderjarige in een afhankelijkheidsrelatie dan ook uitgebreid tot andere personen dan directe familieleden tot wie het kind in een afhankelijkheidsrelatie verkeert, zoals personen werkzaam in zorginstellingen, internaten, op scholen en in de buitenschoolse opvang. Deze strafverzwaringsgrond kan van toepassing zijn op medewerkers in de jeugdzorg. In dergelijke gevallen kan de gevangenisstraf die is gesteld op het gepleegde misdrijf met een derde worden verhoogd (artikel 304, eerste lid, aanhef en onderdeel 1, Sr). Ook als een minderjarige stelselmatig wordt mishandeld, kan de gevangenisstraf die op het misdrijf is gesteld, met een derde worden verhoogd (artikel 304, eerste lid, aanhef en onderdeel 2, Sr). Deze strafverzwaringsgrond is met dezelfde wet geïntroduceerd, zodat bij langdurige mishandeling met vaak grote impact op slachtoffers een zwaardere straf kan worden opgelegd.
Bent u bereid om standaard schadevergoedingen vast te stellen voor jongeren bij overtreding van verboden?
Ik zie vooralsnog geen aanleiding om de bestaande mogelijkheden tot het verkrijgen van een vergoeding verder uit te breiden. Op dit moment kent ons systeem namelijk al verschillende mogelijkheden om een schadevergoeding of tegemoetkoming te krijgen.
Indien sprake is van (im)materiële schade kan dit worden verhaald op de degene die deze schade heeft veroorzaakt. Dit kan in een civiele procedure, maar dit kan ook tijdens een eventuele strafrechtelijke procedure. In het strafrechtelijk kader is het mogelijk om je als benadeelde partij te voegen in het strafproces. Als benadeelde partij kan je de rechter verzoeken om een vergoeding van (im)materiële schade. In een civiele procedure is het mogelijk om een schadevergoeding te verzoeken in het kader van een onrechtmatige daad. In zowel de strafrechtelijke als civiele procedure is het de rechter die beslist over de eventuele toe te kennen schadevergoeding.
Daarnaast kan een slachtoffer zich wenden tot het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Onder bepaalde voorwaarden kent het Schadefonds een financiële tegemoetkoming toe. Zo moet er onder andere sprake zijn van een geweldsmisdrijf met opzet of een seksueel misdrijf waaruit ernstig lichamelijk of psychisch letsel is voortgekomen. De tegemoetkoming wordt alleen toegekend indien de dader of een verzekering de schade reeds vergoedt.
Daarnaast kunnen slachtoffers van een gewelds- of seksueel misdrijf een aanvraag voor een tegemoetkoming indienen bij het Schadefonds. Er gelden wel een aantal voorwaarden om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming. Zo moet er o.a. sprake zijn van een geweldsmisdrijf met opzet of een seksueel misdrijf, dient er sprake te zijn van ernstig of lichamelijk letsel, dient het misdrijf in Nederland te hebben plaatsgevonden en is relevant of een slachtoffer een eigen aandeel heeft in het gebeurde.
De misstanden bij een Limburgse jeugdzorginstelling |
|
Patrick Crijns (PVV) |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Misstanden gemeld bij Limburgse jeugdzorginstelling: drugs, dwang en geweld»?1
Ja
Hoe kan het dat een jeugdzorginstelling, die bedoeld is om kwetsbare kinderen te beschermen, veranderde in een onveilige omgeving waar drugsgebruik, geweld en criminele ronselpraktijken konden plaatsvinden zonder dat hierop werd ingegrepen?
Hierop kan ik nog geen antwoord geven. De misstanden bij deze instelling nemen wij zeer serieus. De signalen van L1 komen van anonieme bronnen, deze personen hebben zich niet gemeld bij de gemeenten of de inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Dit zorgt ervoor dat er niet direct conclusies getrokken kunnen worden.
De IGJ is in de eerste instantie verantwoordelijk voor het houden van toezicht op de kwaliteit bij een jeugdzorginstelling. De IGJ kan echter nu geen mededelingen doen over deze casus. De IGJ kan namelijk geen uitspraken over lopend onderzoek. Zie hierover antwoord bij vraag 6.
Naast de IGJ beraden de toezichthouders van de gemeenten (op rechtmatigheid jeugdwet/Wmo en kwaliteit Wmo) zich over een vervolg naar aanleiding van de signalen. Ook hierover kunnen de gemeentelijke toezichthouders geen mededelingen doen.
Klopt het dat deze instelling is gebruikt als opvangplek voor jongeren die niet langer in gesloten jeugdzorg mochten verblijven, terwijl bekend was dat hun veiligheid daar niet kon worden gegarandeerd? Zo ja, wie heeft hiervoor de verantwoordelijkheid genomen?
Als het gaat om het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp en het verlengen daarvan is dat een besluit van een rechter. Die moet de afweging maken of er geen minder zwaar alternatief is, plaatsing in de gesloten jeugdhulp proportioneel is en naar verwachting effectief. Als er geen reden is voor verlenging van de machtiging kan een jeugdige uitstromen naar een open jeugdhulpvoorziening, zoals Hilzijn.
Volledigheidshalve merk ik op dat de afbouw van de gesloten jeugdhulp hier geen reden geweest kan zijn voor een rechtbank om een plaatsing voortijdig te beëindigen. De gesloten jeugdhulp in Limburg is namelijk nog niet afgebouwd. Het aantal jeugdigen dat daar gebruik maakt van de gesloten voorzieningen is stabiel.
Is het personeelstekort bij deze instelling de reden dat ongeschoold personeel werd ingezet bij extreem kwetsbare jongeren, met alle risico’s van dien? Zo ja, waarom is dit toegestaan en welke eisen worden gesteld aan personeel dat met deze jongeren werkt?
Hierop kan ik gegeven de in antwoord 2 genoemde nog lopende onderzoeken geen antwoord geven.
Waarom werden medewerkers in deze instelling blootgesteld aan gevaarlijke situaties zoals agressie, dreiging en criminele invloed, zonder dat er voldoende maatregelen waren om hun veiligheid te garanderen?
Hierop kan ik gegeven de in antwoord 2 genoemde nog lopende onderzoeken geen antwoord geven.
Hoe heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) deze misstanden over het hoofd kunnen zien, en waarom is er niet eerder ingegrepen om zowel de kinderen als de medewerkers te beschermen?
De IGJ heeft in oktober 2022 een toets naar de kwaliteit van de jeugdhulp bij aanbieder Hilzijn (nu AnneWim B.V. – handelend onder de naam Zorggroep Hilzijn) gedaan. Hier zijn verbeterpunten uit voortgekomen die de aanbieder diende op te pakken. In september 2023 heeft de IGJ een toets naar de kwaliteit van de GGZ-Wlz zorg gedaan bij aanbieder AnneWim B.V. (onderdeel van Zorggroep Hilzijn) ook hieruit kwamen verbeterpunten waarvoor de aanbieder een verbeterplan met resultaatverslag heeft opgesteld. De IGJ heeft in april 2024 het onderzoek afgerond. De IGJ heeft géén meldingen in lijn met de signalen (mogelijk misstanden) uit het media artikel gehad over Hilzijn/AnneWim B.V. Meldingen en signalen zijn een belangrijke bron van informatie voor de afweging van de risico’s. De IGJ is ondertussen gestart met een risicogestuurd toezicht naar de kwaliteit van de jeugdhulp bij Hilzijn/AnneWim B.V. Over lopend toezicht doet de IGJ geen inhoudelijke mededelingen.
De Kamerbrief “Kabinetsreactie Inspectierapport incident pleegmeisje Vlaardingen van 30 januari 2025” |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Vincent Karremans (VVD), Struycken |
|
|
|
|
Bent u van mening dat het voorval in Vlaardingen, zoals we kunnen constateren in de kabinetsreactie over het Inspectierapport incident pleegmeisje Vlaardingen van 30 januari 2025, een incident is?1
Strikt genomen gaat het hier om een calamiteit. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) hanteert hiervoor de definitie van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz): «Een niet beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg en die tot de dood van een cliënt of een ernstig schadelijk gevolg voor een cliënt heeft geleid.»
De IGJ en de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) hebben, na een verplichte calamiteitenmelding te hebben ontvangen van Enver en William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (WSS), onderzoek verricht. Het rapport van de inspecties, «Zakelijke weergave Casusonderzoek pleegzorg meisje Vlaardingen», is op 30 januari 2025 openbaar gemaakt. Met de beleidsreactie van 30 januari 2025 is aan uw Kamer dit casusonderzoek aangeboden en heeft u onze reactie op deze calamiteit en op de bevindingen en conclusies van de inspecties ontvangen.
Het is niet onze bedoeling geweest de calamiteit te presenteren als een incident dat eenmalig en uitzonderlijk is. Het woord «incident» in de onderwerpaanduiding op de eerste bladzijde van de brief is slechts bedoeld als alternatief voor de meer technische term «calamiteit» en de term «casusonderzoek» zoals gebruikt in de titel van het rapport van de IGJ en JenV. Uit het rapport blijkt dat een groot aantal tekortkomingen is geconstateerd in het handelen van verschillende betrokken organisaties en professionals over een langere periode. Deze tekortkomingen kunnen dus zeker niet als «incidenteel» worden bestempeld. In de kabinetsreactie hebben we daarom, naast een weergave van de conclusies van de inspecties, onze reactie daarop en de noodzakelijke maatregelen die door de betrokken organisaties worden genomen, een eerste inzicht willen geven in de maatregelen die we vanuit onze stelselverantwoordelijkheid nemen.
Heeft u kennisgenomen van de eerdere «incidenten» zoals Savannah, Famke, Sharleyne, Ruben & Julian? En kunt u vaststellen of er overlap is in hetgeen door de inspecties in deze gevallen geconstateerd is en in hoeverre de aanbevelingen overeenkomen? Zo ja, wat zijn de overeenkomsten?
Deze tragische zaken met fatale afloop zijn mij bekend. De aard van deze vreselijke gebeurtenissen was divers en er speelden vele factoren een rol. Gezien uw verzoek om deze vragen spoedig te beantwoorden heb ik nog geen grondige analyse op eventuele overlap en overeenkomsten in knelpunten, conclusies en/of aanbevelingen kunnen uitvoeren. In de verdere uitwerking van de verbetermaatregelen die we vanuit onze stelselverantwoordelijkheid hebben benoemd in de beleidsreactie van 30 januari 2025, zullen we eventuele overlap in knelpunten en aanbevelingen meenemen.
Kunt u toelichten hoe de screening die de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSS) heeft gedaan op alle 3.300 dossiers waar sprake is van plaatsing in een pleeggezin of gezinshuis heeft plaatsgevonden?2 Wilt u de methode van deze screening met de Kamer delen? En op basis van welke criteria trekken, de WSS en daarmee ook u, de conclusie dat er geen aanwijzingen naar voren gekomen zijn dat het zicht op de veiligheid van de kinderen in het geding is?
WSS heeft op ons verzoek een toets uitgevoerd op de 3300 kind-dossiers binnen de WSS waarin sprake is van plaatsing in een pleeggezin of gezinshuis. Hierbij is gekeken naar de belangrijkste kritische indicatoren, met name of uit het dossier bleek dat voldoende recent een gesprek met het kind alleen was gevoerd, dat voldoende recent een veiligheidsbeoordeling was gemaakt, en dat voldoende recent een multidisciplinaire casuïstiekbespreking had plaatsgevonden. Daar waar uit de toets op een dossier naar voren kwam dat het zicht op de veiligheid onvoldoende navolgbaar was, in die zin dat uit het betreffende dossier onvoldoende bleek of aan de genoemde voorwaarden was voldaan, is door de betrokken gedragswetenschapper en de betrokken jeugdbeschermer een nieuwe veiligheidsbeoordeling uitgevoerd. Hieruit kwamen 64 dossiers naar voren waarbij een nieuwe veiligheidsbeoordeling uitgevoerd moest worden. WSS heeft ons laten weten dat in al deze dossiers inmiddels een nieuwe veiligheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden, zodat er geen dossiers meer zijn waarin onvoldoende zicht bestaat op de veiligheid van de betreffende kinderen. De oorzaken waardoor het zicht op veiligheid in de dossiers aanvankelijk niet (voldoende) navolgbaar was, waren uiteenlopend, maar met name administratief van aard, zo hebben wij begrepen van WSS. Hiermee is niet gezegd dat er helemaal geen risico’s zijn voor de veiligheid van een kind, want naar de aard van de gevallen in de jeugdbescherming is de veiligheid van het kind steeds mogelijkerwijs in het geding; het gaat erom dat er in elk dossier op basis van de richtlijnen weer voldoende zicht is op de (on)veiligheid van het betreffende kind.
Kunnen ouders en kinderen erop vertrouwen dat er met de jongeren die nu bij de WSS onder toezicht staan geen vergelijkbare «incidenten» kunnen gebeuren?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u ook andere gecertificeerde instellingen de opdracht gegeven om een toets te doen of de kinderen veilig zijn? Zo nee, waarom niet?
Wij hebben naar aanleiding van het rapport van de inspecties zelf niet rechtstreeks contact gehad met de andere gecertificeerde instellingen (GI’s) en wij hebben ook niet de wettelijke bevoegdheid hen de opdracht te geven om een toets te doen. Wel hebben wij diverse keren gesproken met het bestuur van Jeugdzorg Nederland over wat zij als sector gaan doen om binnen de pleegzorg en de jeugdbescherming het zicht op de veiligheid van kinderen te versterken. Jeugdzorg Nederland heeft onder meer het initiatief genomen om een analyse te maken van de samenwerking tussen pleegzorg en GI’s, waaronder casuïstiek van situaties waarin sprake is van een verschil in visie met betrekking tot de benodigde maatregelen in een concreet geval. De bestaande handreiking met samenwerkingsafspraken wordt geëvalueerd en zo nodig herzien en geïmplementeerd. Daarnaast wordt met alle GI’s gezamenlijk bekeken welke kwaliteitsverbeteringen mogelijk zijn. Het verbeterplan van WSS is breed gedeeld met de andere GI’s. Op basis van dit verbeterplan en de conclusies en aanbevelingen van het inspectierapport zullen GI’s waar nodig hun interne auditprogramma aanscherpen.
Bent u bekend met het artikel in het Dagblad van het Noorden van Erik Bloem en Bas van Sluis 24 januari 2025 met als titel «Kinderen in Drenthe en Groningen krijgen te laat jeugdbeschermer over de vloer»?3 Zo nee, kunt u dit artikel lezen?
Ja, ik heb kennisgenomen van dit artikel.
Kunt u aangeven hoe Gecertificeerde Instellingen (GI’s) zicht kunnen hebben op de veiligheid van jongeren als ze te maken hebben met structurele personeelstekorten en er nog altijd veel jongeren geen (vaste) jeugdbeschermer hebben en er dus ook geen toezicht is?
Voor alle kinderen die op de wachtlijst staan, geldt dat de GI zicht houdt op de veiligheid van het kind. Hiertoe voeren de GI’s risico- en veiligheidstaxaties uit, handelen direct wanneer dat nodig is en maken zij afspraken met het lokale veld en zorgaanbieders over het inzetten en het continueren van jeugdhulp. Met de verbeterde landelijke tarieven is de werkdruk bij de GI’s gedaald. De lagere workload biedt GI’s nu ook ruimte – in samenwerking met de ketenpartners – om de wachtlijsten terug te dringen.4
Kunt u aangeven welke stappen er gezet zijn naar aanleiding van het artikel in het Dagblad van het Noorden van Erik Bloem? Indien er nog geen stappen gezet zijn, welke stappen bent u voornemens te gaan zetten?
Op 16 december 2024 is door het Keurmerkinstituut (KMI) een tijdelijk overbruggingscertificaat5 afgegeven aan Jeugdbescherming Noord. De reden hiervoor is dat uit de resultaten van een audit naar voren is gekomen dat Jeugdbescherming Noord op een aantal onderdelen niet voldeed aan de gestelde eisen uit het Normenkader Jeugdbescherming- en Jeugdreclassering. Een overbruggingscertificaat kan worden afgegeven als voldoende aannemelijk is dat de veiligheid van jeugdigen niet in het geding is en er geen sprake is van fundamentele tekortkomingen bij de GI. Een GI krijgt dan negen maanden de tijd de situatie zodanig te verbeteren dat een regulier certificaat kan worden afgegeven. Het KMI houdt actief toezicht door middel van tussentijdse toetsingen, die aanvullend plaatsvinden op de reguliere audits. De eerste tussentijdse toetsing wordt uitgevoerd drie maanden na het afgeven van een overbruggingscertificaat, om de voortgang van verbetermaatregelen te beoordelen. Het is op dit moment aan Jeugdbescherming Noord om de benodigde verbetering in de organisatie door te voeren. Conform artikel 2.4 en artikel 2.6 van de Jeugdwet is de gemeente verantwoordelijk voor het borgen van een kwalitatief en toereikend aanbod jeugdbescherming en jeugdreclassering. De betrokken gemeenten hebben goede afspraken met Jeugdbescherming Noord gemaakt over de benodigde verbeteringen en hebben er vertrouwen in dat Jeugdbescherming Noord, binnen de gestelde termijn, aan de gestelde eisen kan voldoen.
Heeft u kennisgenomen van de bijdrage van jeugdrecht advocaat Mieke Krol op Linkedin4 van 18 februari 2025 waarin zij het volgende citeert uit een beschikking «Het hof is bovendien van oordeel dat de crisisplek waar (de minderjarige) nu verblijft evenmin in zijn belang is. Deze schrijnende situatie dient zo snel mogelijk te worden doorbroken. Hoewel het hof weet dat zich in de jeugdzorg door geldgebrek en onmacht om over de gemeentegrenzen te kijken schrijnende situaties voordoen, is het pijnlijk om te zien hoezeer een jong kind als (de minderjarige) daarvan de gevolgen draagt. Het hof kan in deze situatie de machtiging uithuisplaatsing slechts bevestigen, terwijl het ziet dat (de minderjarige) al jarenlang de dupe is door het tekortschieten van de overheid.»? Zo nee, kunt u deze bijdrage alsnog lezen?
Ja, ik heb er kennis van genomen. De bijdrage signaleert dat in een concreet geval sprake lijkt te zijn van financiële prikkels die ertoe leiden dat noch de betrokken gecertificeerde instelling noch de betrokken gemeente als opdrachtgever en inkoper van zorg voorziet in een passende oplossing in het betreffende geval. Dat gaat kennelijk ten koste van een kind, wat schrijnend is. Zonder kennis van de omstandigheden en de namen van de betreffende instanties kunnen wij moeilijk beoordelen of sprake is van een misstand.
Heeft u kennisgenomen van de opinie van columnist Krijn ten Hove op Linkedin5 waarin hij zijn visie geeft op de kamerbrief?6 Zo nee, kunt u alsnog deze post lezen? En deelt u zijn mening?
Ja, ik heb hiervan kennisgenomen. Verder verwijs ik naar de beantwoording van vraag 1.
Bent u bekend met de uitspraak van de rechtbank Noord Nederland onder nummer ECLI:NL:RBNNE:2025:3607, waarin de rechter vaststelt dat er ernstige tekortkomingen zijn in de wijze en mate waarin de GI en de Raad met de vereiste zorgvuldigheid onderzoek hebben gedaan en maatregelen hebben verzocht, en dat die tekortkomingen van zowel procedurele als inhoudelijke aard zijn? Zo nee, kunt u deze uitspraak alsnog lezen?
Deze uitspraken heb ik gelezen.
In de in vraag 11 vermelde uitspraak wijst de kinderrechter op tal van procedurele en inhoudelijke tekortkomingen in het handelen van de betreffende gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming, maar de rechter spreekt niet een zorg uit over de veiligheid van de betrokken persoon in de jeugdbescherming. Het betreft een complex geval waarin sprake zou zijn van een risico van eerwraak maar waarin veel informatie ontbreekt en de betrokkenen niet of onvoldoende zijn gehoord.
De in vraag 12 vermelde uitspraak betreft de vraag of vrijwillige uithuisplaatsing gedurende een ondertoezichtstelling past binnen het stelsel van de wet. De uitspraak vermeldt geen zorgen over onveiligheid als gevolg van falen van de jeugdbescherming.
De in vraag 13 vermelde uitspraak betreft een geval waarin de rechter overging tot beëindiging van een uithuisplaatsing, op basis van de constatering dat de gecertificeerde instelling er niet in was geslaagd een zorglocatie te vinden waarin het betrokken kind beter af was dan het thuis bij de vader zou zijn. De uitspraak maakt duidelijk dat het niet in alle gevallen lukt om passende zorg te vinden.
De in vraag 14 vermelde uitspraak betreft een geval waarin de rechter constateert dat de gecertificeerde instelling in dat geval (uit oktober 2024) te maken heeft met een tekort aan jeugdbeschermers en daardoor niet de benodigde hulp wordt geboden.
Bent u bekend met de uitspraak van rechtbank Gelderland onder nummer ECLI:NL:RBGEL:2024:96908, waarin de rechter vaststelt dat de GI handelingen heeft gedaan die tegen de wet ingaan en dat de GI stelt dat dit in samenwerking met de moeder is gedaan, maar de moeder zich onder druk gezet voelde? Zo nee, kunt u deze uitspraak alsnog lezen?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bekend met de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onder nummer ECLI:NL:GHARL:2024:56599 waarin de rechters vaststellen dat [de minderjarige] sinds 22 februari 2024 uit huis is geplaatst en het op 5 september 2024 nog altijd niet goed met haar gaat? Zo nee, kunt u deze uitspraak alsnog lezen?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bekend met de uitspraak van het gerechtshof Den Haag onder nummer ECLI:NL:GHDHA:2024:227210 waarin de rechters stellen dat de opgelegde hulp vanuit de gecertificeerde instelling is tot op heden onvoldoende van de grond gekomen, omdat er – 7 maanden na de start van de ondertoezichtstelling – nog geen vaste jeugdbeschermer is? Zo nee, kunt u deze uitspraak alsnog lezen?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe duidt u deze uitspraken, die slechts een beperkte samenvatting zijn van hetgeen rechters dagelijks voor zich krijgen in hun zittingszalen, waarin keer op keer rechters hun zorgen uitspreken over de veiligheid van minderjarigen in de jeugdbescherming?
De uitspraken geven een beeld van de verschillende problemen die spelen in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Wij hebben, evenals onze ambtsvoorgangers, deze problemen de afgelopen periode expliciet verwoord en geadresseerd in verschillende voortgangsbrieven Jeugd en voortgangsbrieven over de jeugdbescherming. We werken onder meer via de Hervormingsagenda Jeugd, het versterken van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming en via het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming aan een structurele aanpak van deze problemen.
Hoe kan het zijn dat uit uw brief van 30 januari 2025 het beeld ontstaat dat de kinderen op basis van veiligheidschecks veilig zijn terwijl in bovenstaande uitspraken een duidelijk beeld naar voren komt dat rechters zich steeds vaker juist grote zorgen maken om de veiligheid?11
Zie het antwoord op de vragen 3 en 4.
Deelt u de mening dat we niet meer kunnen spreken van incidentele onveiligheid maar dat het erop lijkt dat, op basis van alle signalen die vanuit jongeren, ouders gemeenten, advocaten en dus ook rechters nu moeten spreken van structurele onveiligheid?
In de jeugdbescherming is in die zin sprake van structurele onveiligheid dat een gevaar voor de veiligheid van een kind de basis en de rechtvaardiging vormt voor ingrijpen door de overheid in de verhoudingen binnen een gezin. De maatregelen zijn er dan op gericht de onveiligheid te verminderen en zoveel mogelijk weg te nemen. De mate waarin de maatregelen effectief zijn om de veiligheid te verbeteren, hangt af van veel omstandigheden, waaronder ook structurele omstandigheden, zoals de kwaliteit van de uitvoering van de wettelijke taken van de verschillende organisaties, de mate van samenwerking en verder de beschikbaarheid van de benodigde zorg.
Kunt u aangeven welke stappen er genomen gaan worden met de signalen die rechters afgeven in haar beschikkingen?
Zoals ik in de antwoorden op vragen 15 en 17 heb aangegeven werken wij op diverse manieren aan verbeteringen in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Uiteraard betrekken we hierbij de signalen van kinderen, ouders en professionals. Ook met de Rechtspraak is geregeld overleg waarin ook hun zorgen aan de orde komen. De signalen die in de vermelde uitspraken zijn afgegeven zijn heel verschillend van aard en moeten worden beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden van de betreffende gevallen en met betrekking tot de betreffende gecertificeerde instelling of gemeente.
Hoe denkt u deze structurele onveiligheid aan te gaan pakken?
Zie antwoord vraag 18.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat hierover dat voorzien is op 5 maart 2025?
Ja.
Non-discriminatie en gelijke behandeling in de jeugdbeschermingsketen |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Struycken |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van de Inspectie Justitie en Veiligheid van 4 februari 2025 over non-discriminatie en gelijke behandeling in de jeugdbeschermingsketen?1
Hoe beoordeelt u de bevinding dat het thema non-discriminatie en gelijke behandeling nog niet structureel is ingebed in de organisaties binnen de jeugdbeschermingsketen? Welke stappen gaat u ondernemen om dit structureel te verbeteren?
Ik heb de brief van de Inspectie Justitie en Veiligheid over «non-discriminatie en gelijke behandeling in de jeugdbeschermingsketen» op 18 februari 2025 aan uw Kamer aangeboden.2 Ik heb daarbij aangegeven dat de inhoudelijke reactie op de brief van de Inspectie Justitie en Veiligheid zal worden opgenomen in de eerstvolgende brief over jeugdbescherming. Ik verwacht deze brief in mei aan uw Kamer te zenden. In april is naar verwachting het eerste deelonderzoek naar discriminatie binnen de Raad voor de Kinderbescherming door het Verwey-Jonker Instituut ook gereed. De antwoorden op de vragen van het lid Bruyning over deze onderzoeken zal ik betrekken bij de inhoudelijke reactie.
Hoe kan het dat in een multiculturele samenleving die Nederland inmiddels geworden is dat de inspectie moet vaststellen dat cultuur-sensitieve hulp niet altijd voldoende aansluit op de behoefte van gezinnen met een migratieachtergrond? Hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten en jeugdhulpaanbieders in de toekomst beter rekening houden met culturele achtergronden in hun hulpverlening?
Graag verwijs ik hier naar het antwoord op vraag 2.
Kunt u toelichten hoe het kan dat, zoals in de brief wordt beschreven, het risico dat vooroordelen en stigma’s over gezinnen binnen de jeugdbeschermingsketen blijven bestaan en doorwerken in dossiers? Op welke manier gaat u dit risico minimaliseren en zorgen voor objectieve besluitvorming? En daarmee voorkomen dat subjectieve beeldvorming niet leidt tot ongelijke behandeling?
Graag verwijs ik hier naar het antwoord op vraag 2.
Bent u het ermee eens dat schriftelijke communicatie over het proces en de besluitvorming in de jeugdbeschermingsketen als ontoegankelijk wordt ervaren, vooral door gezinnen met een taalachterstand of een licht verstandelijke beperking? Bent u bereid richtlijnen op te stellen voor begrijpelijke communicatie binnen de keten?
Graag verwijs ik hier naar het antwoord op vraag 2.
Bent u het met de inspectie eens dat er een risico is dat richtlijnen, protocollen en instrumenten binnen de jeugdbeschermingsketen mogelijk nadelig uitwerken voor bepaalde groepen gezinnen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze richtlijnen en protocollen worden geëvalueerd en bijgesteld om discriminatie te voorkomen?
Graag verwijs ik hier naar het antwoord op vraag 2.
Herkent u het beeld dat de inspectie constateert dat gezinnen mogelijk een drempel ervaren om discriminatie aan te kaarten? Bent u bereid een laagdrempelig en onafhankelijk meldpunt op te zetten waar ouders signalen van discriminatie binnen de jeugdbeschermingsketen kunnen melden?
Graag verwijs ik hier naar het antwoord op vraag 2.
In hoeverre worden de aanbevelingen van de Inspectie Justitie en Veiligheid (JenV) meegenomen in het wetsvoorstel ter versterking van de rechtsbescherming van kwetsbare gezinnen in de jeugdbeschermingsketen?
De aandachtspunten van de Inspectie Justitie en Veiligheid gaan over gericht beleid en scholing, personeelsbeleid, het aanbieden van cultuur-sensitieve hulp, transparante besluitvorming en het voortbouwen op elkaars informatie waardoor beelden blijven bestaan, toegankelijke communicatie en sensitiviteit voor de effecten van richtlijnen, protocollen en instrumenten die nadelig kunnen uitpakken. Ten slotte gaat het over het laagdrempelig melden van discriminatie. De aandachtspunten worden niet rechtstreeks meegenomen in het wetsvoorstel. Het zijn belangrijke aandachtspunten maar leiden niet automatisch tot een wetswijziging. Ook hebben de aandachtspunten niet een directe link met de maatregelen die worden voorgesteld in het wetsvoorstel.
Kunt u aangeven op welke termijn u met concrete beleidsmaatregelen komt om de knelpunten die de inspectie heeft gesignaleerd aan te pakken?
Ik de brief van 18 februari 2025 heb ik aangegeven dat de inhoudelijke reactie op de brief van de Inspectie Justitie en Veiligheid zal worden opgenomen in de eerstvolgende brief over jeugdbescherming die naar verwachting in mei aan uw Kamer wordt verzonden.
Heeft u nog herinnering aan de eerder gestelde Kamervragen van 6 september 2024 en uw beantwoording van 8 oktober 2024 over het artikel in de Volkskrant «Onderzoek naar discriminatie bij de Raad voor de Kinderbescherming hapert?2
Ja.
Klopt het dat, zoals uit de beantwoording van deze Kamervragen blijkt, het onderzoek naar discriminatie binnen de Raad voor de Kinderbescherming door het Verwey-Jonker Instituut nog altijd vertraagd is? Hoe kijkt u nu aan tegen de vertraging van het onderzoek door het Verwey-Jonker instituut aan en de lage urgentie die de raad kennelijk heeft met dit onderzoek, terwijl de inspectie juist grote zorgen uitspreekt?
Zoals in de beantwoording van 8 oktober 2024 op deze vragen is benoemd, vraagt het onderzoek naar discriminatie bij de Raad voor de Kinderbescherming, uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut, meer tijd dan bij de oorspronkelijke onderzoeksopzet is ingeschat. 4 Zorgvuldigheid en onafhankelijkheid staan hierbij voorop. Er is geen sprake van een «lage urgentie» bij de Raad voor de Kinderbescherming. Het rapport wordt naar verwachting in april door het Verwey-Jonker Instituut gepubliceerd en bevat de resultaten over de werkgeversrol en een data-analyse van de dienstverlening van de RvdK aan cliënten.
Een reactie op de inzichten uit deze publicatie wordt, samen met de inhoudelijke reactie op de brief van de Inspectie Justitie en Veiligheid, opgenomen in de eerdergenoemde brief over jeugdbescherming die ik naar verwachting in mei aan uw Kamer zal toesturen.
Zou u kunnen reflecteren op uw eerdere beantwoording van de vragen van 6 september en indachtig de zorgwekkende constatering van de Inspectie JenV nogmaals willen langslopen en voorzien van de actuele status en uw visie hierop?
In de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen over het onderzoek naar de aanwezigheid en impact van discriminatie en vooroordelen binnen de Raad voor de Kinderbescherming heb ik uw Kamer geïnformeerd over de onderzoeksopzet van het Verwey-Jonker Instituut. Verder heb ik aangegeven dat een onderzoek onder cliënten om een gedegen uitwerking vraagt, gelet op rechtsbescherming, zorgvuldigheid en privacy. Hier was meer tijd voor nodig dan ingeschat bij de onderzoeksopzet. Ook is nader toegelicht dat het Verwey-Jonker Instituut door de Raad voor de Kinderbescherming is gekozen vanwege hun specifieke expertise op het thema diversiteit en hun positie als onafhankelijke onderzoeksinstelling.
Kindverhoor naar aanleiding van de podcast ‘Scheidszaken’ van het NOS Jeugdjournaal van 22 juli 2024 |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Struycken |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog de vragen van het lid Bruyning over Kindgesprekken van kinderen bij rechters, naar aanleiding van de podcast «Scheidszaken» van het Jeugdjournaal van 22 juli 2024?1
Ja.
Heeft u nog kennis van zijn beantwoording op deze vragen die aan de Kamer zijn verzonden op 30 augustus 2024?2
Ja.
Staat u nog steeds achter zijn beantwoording dat volgens het VN-Kinderrechtencomité kinderen gehoord dienen te worden in een omgeving die niet intimiderend of vijandig is en waarin rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind?
Ja, hier sta ik nog steeds achter.
Klopt het volgens u dat binnen de rechtspraak deze veiligheid van kinderen gewaarborgd wordt door het kindgesprek te houden in een daarvoor geschikte werk- of spreekkamer of een zittingszaal indien een kindvriendelijke ruimte om gebouw-technische of logistieke redenen niet beschikbaar is? En klopt het volgens u dat, indien het gesprek onverhoopt toch in een zittingszaal plaatsvindt, bijzondere aandacht geschonken wordt aan de grootte van de zittingszaal (bij voorkeur kleinere zittingszaal) en de opstelling voor het gesprek?
Ja, vanuit de rechtspraak is aangegeven dat op deze wijze ervoor gezorgd wordt dat de veiligheid van kinderen gewaarborgd wordt.
Kunt u bevestigen dat vanuit de Rechtspraak is aangegeven dat de algemene lijn is dat het kindgesprek plaatsvindt op een ander moment dan de zitting, zodat een confrontatie met andere procesdeelnemers wordt vermeden? Kunt u bevestigen dat dit geldt voor alle soorten zittingen? Kunt u bevestigen dat alle gerechten (op een enkele uitzondering na) deze lijn volgen bij scheidingszaken?
Het is niet wenselijk voor een kind dat hij of zij wordt geconfronteerd met onderlinge spanning tussen de ouders en/of de andere procesdeelnemers in de wachtkamer of tijdens de zitting. Hier is binnen de gerechten aandacht voor. Ook is het te allen tijde het streven om waar dat mogelijk is het kind in een kindvriendelijke ruimte te horen en het kind niet in de wachtruimte van de ouders te laten plaatsnemen voorafgaand aan het kindgesprek. Hiervoor zal ik blijvend aandacht vragen. Dit doe ik mede in het licht van de uitwerking van de eerder door u ingediende en aangenomen motie aangaande kindvriendelijke ruimtes en het horen van kinderen in een pedagogische omgeving met voldoende tijd voor het kind3.
Ik kan bevestigen dat de rechtspraak heeft aangegeven dat de algemene lijn al is dat het kindgesprek in gezag- en omgangzaken op een ander moment plaatsvindt dan de zitting. Besloten is dat dit uiterlijk per 1 oktober 2025 ook het geval zal zijn in de civiele jeugdzaken. Dit om confrontatie met andere procesdeelnemers te vermijden.
Eén gerecht, de rechtbank Limburg, heeft de kindgesprekken in de gezag- en omgangszaken al wel losgekoppeld van de zittingen, maar zal dat vooralsnog niet doen voor wat betreft de kindgesprekken in de civiele jeugdzaken. Dit gerecht heeft wel kindvriendelijke ruimtes en werkt ook op andere onderdelen aan kindvriendelijkheid (zoals de aanwezigheid van informatiezuilen en een website specifiek voor jeugdigen en begeleiding van de jongeren binnen de rechtbank). Binnen de rechtbank Midden-Nederland wordt e.e.a. al gerealiseerd binnen de locaties Utrecht en Lelystad, maar zijn er nog stappen te maken voor wat betreft de locatie Almere. Binnen de rechtbank Rotterdam en de rechtbank Overijssel, inclusief locatie Zwolle, zijn al kindvriendelijke ruimtes en wordt de landelijke lijn van het loskoppelen van de kindgesprekken van de zittingen ook gevolgd.
Ten aanzien van de verzoeken machtiging gesloten jeugdhulp moet worden opgemerkt dat die situatie juridisch geheel anders is. De minderjarige is in deze zaken procespartij en wordt daarom altijd voor de zitting uitgenodigd met zijn advocaat. Vaak zal de minderjarige met zijn advocaat in een apart kindgesprek spreken met de rechter en zullen vervolgens de overige procesdeelnemers binnenkomen en zal de zitting dus in aanwezigheid van de minderjarige plaatsvinden.
Kunt u dan reflecteren op de vraag waarom er nog met grote regelmaat signalen binnenkomen dat in meerdere gerechten de kindgesprekken nog altijd voorafgaand aan de zittingen plaatsvinden, waarbij de gesprekken in de zittingszaal plaatsvinden, er confrontaties zijn met andere procesdeelnemers, jongeren tegenover rechters zitten in toga die op een verhoging zitten? Bent u bekend met het signaal dat het onder meer om de rechtbanken in Rotterdam, Almere, Utrecht en Zwolle gaat?
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat vanuit de Rechtspraak is aangegeven dat in de praktijk op veel gerechten aparte kindvriendelijke ruimtes voor het kindgesprek beschikbaar zijn? Kunt u aangeven in welke gerechten deze ruimtes niet beschikbaar zijn en, als ze er niet zijn, hoe lang het nog gaat duren voor deze ruimtes wel beschikbaar zijn en hoeveel van deze ruimtes beschikbaar zijn per gerecht? Kunt u uitleggen hoe de gesprekken vorm worden gegeven als deze ruimte niet beschikbaar is?
Ja, vanuit de rechtspraak is aangegeven dat in de praktijk op veel gerechten aparte kindvriendelijke ruimtes voor het kindgesprek beschikbaar zijn.
Gevraagd wordt welke gerechten geen kindvriendelijke ruimte beschikbaar hebben, en als deze er niet zijn, hoe lang het nog gaat duren voor deze ruimtes wel beschikbaar zijn. Ook vraagt u hoeveel ruimtes beschikbaar zijn per gerecht. De ontwikkelingen in dit kader zijn volop in beweging binnen de rechtspraak. De rechtspraak geeft aan dat op dit moment (minimaal) 20 van de 25 locaties van de rechtbanken en gerechtshoven kindvriendelijke ruimtes hebben. Rechtspraaklocaties waar nog geen kindvriendelijke ruimtes zijn, zijn druk bezig om dit zo spoedig mogelijk te realiseren. In het algemeen wordt bij nieuwbouw en renovatie rekening gehouden met een kindvriendelijke spreekkamer en zo mogelijk wachtruimte en/of zittingszaal. Afhankelijk van de gebouwelijke situatie worden ook bestaande ruimtes aangepast. Verder zijn er binnen diverse gerechten initiatieven om minderjarigen te laten begeleiden naar het kindgesprek.
De aanwezigheid van kindvriendelijke ruimtes bij alle gerechtshoven en rechtbanken, en uniformiteit daarin, heeft binnen de rechtspraak en de gerechtsbesturen aldus de aandacht. Dat ondersteun ik. Mede in het licht van uw hierboven genoemde motie, ben ik hierover ook nader met de rechtspraak in gesprek.
Heeft u kennisgenomen van de brandbrief die op 2 september 2024 is verzonden vanuit 18 instanties aan de Minister-President met een cc naar de Staatssecretarissen Karremans en u over het participatierecht van kinderen en het kindgesprek bij de rechters, waarin zij de noodklok luiden over de wijze waarop dit op dit moment gebeurt?
Ja, hier heb ik kennis van genomen.
Klopt het dat, ondanks een toezegging van u dat u het gesprek aan zou gaan met de initiatiefnemers, zij tot op de dag van vandaag nog niets gehoord hebben? Indien dit klopt, wanneer verwacht u het gesprek met de initiatiefnemers aan te gaan? Kunt u toezeggen dat dit nu op korte termijn gaat gebeuren?
Ik streef ernaar op korte termijn in gesprek te treden met initiatiefnemer(s) van deze brief over het participatierecht van kinderen en het kindgesprek bij de rechters.
Het toepassen pijnprikkels in jeugdzorginstellingen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u verklaren hoe het kan dat u in antwoord op eerdere Kamervragen stelt dat het toepassen van een bokkepootje valt onder de definitie van «kindermishandeling» terwijl het Openbaar Ministerie (OM) in de brief aan Daisy erkent dat bokkepootjes zijn toegebracht, maar ook stelt dat er «geen aanwijzingen gevonden dat er door medewerkers (opzettelijk) buiten de geldende kaders of protocollen is gehandeld op het gebied van fysiek ingrijpen.»? Deelt u de mening dat dit een andere lezing is van de wet?
Zoals eerder in de media1 is verschenen hebben meerdere voormalig bewoners van behandelcentrum Woodbrookers aangifte gedaan, waarop politie en justitie een onderzoek zijn gestart. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft in september 2024 besloten om het onderzoek naar mogelijke mishandelingen te beëindigen. Deze beslissing heeft in één geval tot een artikel 12 Wetboek van Strafvordering (12 Sv-procedure) geleid. Dat betekent dat er sprake is van een lopende procedure en ik daarover geen inhoudelijke mededelingen kan doen.
Welk beoordelingskader hanteert het OM? Hoe kan het dat dit beoordelingskader het toepassen van een handeling die als doel heeft pijn toe te brengen (een bokkepootje) niet kwalificeert als «kindermishandeling»? Hoe is dit te rijmen met de Jeugdwet en met internationale mensenrechtenverdragen?
Zoals ik ook in mijn antwoord op vraag 1 aangeef, is er sprake van een lopende procedure zodat ik geen inhoudelijke mededelingen kan doen. In antwoord op eerdere vragen van het lid Bruyning heb ik u reeds laten weten dat het OM heeft onderzocht in hoeverre de medewerkers van het behandelcentrum Woodbrookers hebben gehandeld in overeenstemming met geldende wet- en regelgeving en de toen geldende protocollen die betrekking hadden op de FMT-methode (fysiek mentale weerbaarheidstraining).2 De Nederlandse regelgeving moet, als het gaat om het beperken van grondrechten voldoen aan de eisen van de Grondwet en de internationale mensenrechtenverdragen. De Jeugdwet voldoet aan die eisen. Als instellingen richtlijnen en protocollen vaststellen, dan zullen deze ook altijd moeten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving.
Welke methodes zijn er precies toegestaan in de jeugdzorg? Welke concrete interventietechnieken vallen daar precies onder? Wat is het kader waar medewerkers op kunnen terugvallen wanneer zij in een risicovolle situatie terechtkomen? Wat is daarin concreet toelaatbaar?
De Jeugdwet stelt nadrukkelijk voorwaarden aan het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen zoals het vastpakken en vastpakken en vasthouden. Uitgangspunt is altijd het nee, tenzij beginsel: alleen vrijheidsbeperking als er geen minder zwaar alternatief is, het proportioneel is en naar verwachting effectief. En vrijheidsbeperking moet gericht zijn op:
Aanbieders van gesloten jeugdhulp moeten ervoor zorgen dat zij hun medewerkers volgens de geldende richtlijnen opleiden zodat vastpakken en vasthouden alleen gebeurt op basis van dit nee, tenzij beginsel en zonder toediening van pijnprikkels. Zij maken gebruik van methodes waarbij ontwikkelingsgericht gewerkt wordt en die de-escalatie bevorderen. Voorbeelden van methodieken zijn de presentiebenadering, geweldloos verzet of nonviolent resistance en positive behaviour support. Daarnaast voorziet de richtlijn Residentiële jeugdhulp professionals van handvatten voor het hanteren van regels en het omgaan met regelovertreding.
Wat is de precieze definitie van «Geweld» zoals beschreven in de Jeugdwet onder artikel 4.1.8 en de meldcode Geweld door hulpverleners?
In artikel 1.1 Jeugdwet is een definitie van geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering opgenomen. In de memorie van toelichting staat dat geweld van welke aard ook vanzelfsprekend achterwege dient te blijven bij de verlening van jeugdhulp en bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering3. Dit betekent dat «geweld» in de brede zin van het woord moet worden uitgelegd. In de leidraad van de IGJ wordt geweld dan ook als volgt gedefinieerd: «geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering: lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld jegens een jeugdige of een ouder, of bedreiging daarmee, door iemand die werkzaam is voor de jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling, of door iemand die werkzaam is voor een rechtspersoon die in opdracht van de aanbieder of gecertificeerde instelling jeugdhulp verleent of door een andere jeugdige of ouder met wie de jeugdige of ouder gedurende het etmaal of een dagdeel bij de aanbieder verblijft».
Ik ben echter niet bekend met een meldcode «Geweld door hulpverleners».
Op welke manier controleert de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of er sprake is van «vastpakken en beethouden» (artikel 6.3.2.2) zoals beschreven in de memorie van toelichting bij de Wet Rechtspositie Gesloten Jeugdhulp? Is het inspectiekader aangepast na ingang van de wet?
De IGJ heeft in het afgeronde toezicht op de gesloten jeugdhulp gecontroleerd op alle vormen van vrijheidsbeperking zoals deze op dat moment in de veldnormen stonden en nu in de aangepaste Jeugdwet staan. Vastpakken en vasthouden is er daar één van. Daarbij heeft de IGJ de volgende norm uit het voor de gesloten jeugdhulp geoperationaliseerde toetsingskader gehanteerd: vastpakken en vasthouden wordt alleen ingezet in situaties van acute onveiligheid en met toepassing van het 4-ogen principe. De IGJ heeft op vrijheidsbeperking gecontroleerd door over de toepassing hiervan in gesprek te gaan met jongeren en medewerkers. Ook heeft de IGJ gekeken naar de geregistreerde incidenten en toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen door de instellingen en gecontroleerd of de scholing van medewerkers op orde was. Het toezichtkader dat de IGJ hanteert voor de gesloten jeugdhulp is aangepast na ingang van de wet.
Op welke manieren wordt in de opleiding voor hulpverleners en jeugdbeschermers nu geleerd wat wel en niet is toegestaan volgens de huidige wet- en regelgeving? Hoe worden begeleiders in instellingen opgeleid zodat ze weten wat ze moeten doen als die fysieke begrenzing noodzakelijk is? Hoe is dit onderdeel van opleidingen en nascholingstrajecten? Heeft iedere hulpverlener die met minderjarigen werkt hier kennis van genomen?
In de landelijke opleidings- en competentieprofielen van de bacheloropleidingen tot hbo-pedagoog en social worker profiel jeugd zijn recht en wetgeving opgenomen als onderdeel van het onderwijs. Tijdens hun opleiding doen studenten onder andere kennis over de actuele maatschappelijke context van hun werk op, gebaseerd op onder andere politicologie, recht, beleid en wet- en regelgeving. De HBO-opleidingen pedagogiek en de vijf landelijke opleidingsoverleggen hebben de landelijke profielen in het domein sociaal werk van de sector hogere sociale studies opgesteld.
Professionals volgen, eenmaal werkzaam, ook scholing binnen hun organisatie. Zo krijgen professionals in de gesloten jeugdhulp bijvoorbeeld structureel training in de-escalerend werken en het voorkomen van vrijheidsbeperkende maatregelen. Ik verwijs hierbij ook naar de beantwoording van eerdere Kamervragen4.
Daarnaast voorziet de richtlijn Residentiële jeugdhulp professionals van handvatten voor het hanteren van regels en het omgaan met regelovertreding.
Tenslotte geldt voor SKJ-geregistreerde professionals dat zij meerdere geaccrediteerde na- en bijscholingsopleidingen op het gebied van verbale en fysieke agressiepreventie en -hantering kunnen volgen.
Niet alleen professionals, maar ook jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen hebben een verantwoordelijkheid in het bevorderen en blijven ontwikkelen van de vaardigheden van professionals. Zij zijn namelijk verplicht om ervoor te zorgen dat geregistreerde professionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming van de voor hen geldende professionele standaarden.
Kunnen jongeren die in het verleden in een instelling zaten nog steeds gebruik maken van de klachtenregeling van deze instellingen of is de enige optie die hen rest een civielrechtelijke procedure? Wanneer dat laatste het geval is, deelt u dan de mening dat deze procedure in schril contrast staat met het belang van laagdrempelige manieren om misbruik aan te kaarten en erkenning te krijgen?
Op grond van artikel 4.2.1 Jeugdwet hebben jongeren de mogelijkheid een formele klacht in te dienen bij de klachtencommissie van de betreffende jeugdhulpaanbieder. De klachtenprocedure heeft tot doel dat de jongere zich gehoord voelt en mogelijk genoegdoening krijgt, het bewaren en/of herstellen van de hulpverleningsrelatie en het verbeteren van de kwaliteit van zorg. De Jeugdwet schrijft geen termijn voor waarbinnen de klacht moet zijn ingediend. In het klachtenreglement van de betreffende jeugdhulpaanbieder kan echter wel een termijn zijn opgenomen waarbinnen de klacht dient te zijn ingediend. Deze termijn kan per klachtenregeling verschillen.
Naast de klachtenprocedure kan een civielrechtelijke procedure worden gestart, bijvoorbeeld in het geval van een vermeende onrechtmatige daad. De insteek van de civielrechtelijke procedure is anders dan het doel van een klachtenprocedure. In een civielrechtelijke procedure gaat het voornamelijk om het vaststellen van rechten en verplichtingen. Het is uiteindelijk de rechter die beoordeelt of sprake is van onrechtmatig handelen op grond waarvan een recht op schadevergoeding kan bestaan. Een civielrechtelijke procedure is geen laagdrempelige manier om misbruik of misstanden aan te kaarten, dat ben ik met u eens. Wel kunnen jongeren op bij een eventuele procedure op een laagdrempelige wijze worden ondersteund door bijvoorbeeld de kinderen- en jongerenrechtswinkel en Jeugdstem. Zie ook mijn antwoord op vraag 11.
Bedoelt u met uw antwoord op vraag 12 dat er een aparte evaluatie komt van de aanbevelingen van het rapport van Commissie De Winter, aangezien deze commissie niet is meegenomen in de recente rapportage over het Schadefonds Geweldsmisdrijven? Zo ja, weet u wat de publicatiedatum is? Wordt in de evaluatie naar de aanbevelingen van Commissie De Winter ook gekeken naar de groep mensen die buiten de boot viel bij het aanvragen van een geldbedrag via de tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming, omdat zij net buiten de criteria vielen, zoals jongeren die na 2019 mishandeling in een instelling hebben meegemaakt of op het moment waarop het gebeurde net 18 waren geworden?1
De Universiteit voor Humanistiek, onder coördinatie van het WODC, evalueert alle erkenningsmaatregelen naar aanleiding van het rapport van de Commissie De Winter. De tijdelijke regeling financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg is hier onderdeel van. In het onderzoek is ook aandacht voor (de gevolgen van) de afbakening van de regeling. Het WODC verwacht de evaluatie nog voor de zomer te publiceren. U ontvangt deze evaluatie.
Klopt onze lezing dat personen die jeugdhulp in het verleden kregen, het recht hebben hun (medisch) dossier op te vragen en dit in principe ingewilligd moet worden? Klopt het ook dat (delen van) dossiers niet vernietigd mogen worden zonder toestemming van de betrokkene? Wat kan een betrokkene doen als inzage in het dossier wordt onthouden of delen daarvan niet meer lijken te bestaan?
Op grond van artikel 7.3.8 Jeugdwet zijn jeugdhulpaanbieders verplicht om een dossier bij te houden. Desgevraagd verleent de jeugdhulpverlener de betrokkene inzage in de gegevens uit het dossier ingevolge artikel 7.3.10 Jeugdwet. Betrokkenen van twaalf jaar en ouder hebben een zelfstandig recht op inzage in hun gegevens uit het dossier. De wettelijk vertegenwoordigers van minderjarigen hebben – zolang de minderjarige de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt – eveneens een zelfstandig inzagerecht.
Het feit dat recht op inzage in gegevens uit het dossier bestaat, betekent echter niet dat de betrokkene recht heeft op het «volledige» dossier. Het dossier kan namelijk ook gegevens bevatten van «derden». De verstrekking van deze informatie blijft achterwege voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden. Ook kan de hulpverlener besluiten om geen inzage in (bepaalde) gegevens uit het dossier te verlenen indien hij daardoor niet geacht kan worden de zorg van een goed jeugdhulpverlener in acht te nemen. Zie in dit verband artikel 7.3.10 en 7.3.11 lid 3 Jeugdwet.
Wat betreft het bewaren en vernietigen van het dossier. In beginsel bewaart een jeugdhulpverlener het dossier gedurende twintig jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de laatste wijziging in het dossier heeft plaatsgevonden, of zoveel langer als redelijkerwijs uit de zorg van een goed jeugdhulpverlener voortvloeit. In de tussentijd worden gegevens uit het dossier niet vernietigd, tenzij de betrokkene daartoe een uitdrukkelijk verzoek doet en zich geen weigeringsgrond uit het tweede lid van artikel 7.3.9 Jeugdwet voordoet. Is het dossier (onbedoeld) zonder verzoek daartoe vernietigt, verloren of kwijtgeraakt, dan dient de jeugdhulpaanbieder na te gaan of er sprake is van een datalek dat moet worden gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens en betrokkenen.
Indien een instantie privacyrechten niet of onvoldoende naleeft, kan de betrokkene een klacht indienen bij de betreffende instantie of de Autoriteit Persoonsgegevens. Daarnaast kan de betrokkene (zonder advocaat) een verzoekschrift indienen bij de Sector Civiel van de rechtbank.6
Deelt u de mening dat een website met informatie en chatten met medewerkers van het CIE (zoals in antwoord op vraag 10) nuttig is, maar wel wat anders is dan langdurige en gespecialiseerde slachtofferhulp, die soms noodzakelijk is? Zo ja, wat gaat u doen om dit te regelen en zo daadwerkelijk opvolging te geven aan de aanbevelingen?
Het CIE is opgericht in lijn met de aanbeveling van Commissie De Winter dat slachtoffers hun verhaal kunnen vertellen en erkenning kunnen krijgen voor hun nare herinneringen. Het CIE helpt slachtoffers waar mogelijk in de toeleiding naar passende zorg in het bestaande reguliere hulpaanbod. De evaluatie van de erkenningsmaatregelen zoals genoemd onder vraag 8 zal ook ingaan op de wijze waarop het CIE tegemoetkomt aan de behoeften van slachtoffers.
Bij wie kunnen jongeren terecht die in een instelling zaten die diverse keren door de IGJ is berispt, onder toezicht heeft gestaan en uiteindelijk zelfs is gesloten vanwege geconstateerde misstanden, nu de strafrechtelijke weg afgesloten lijkt te zijn? Deelt u de mening dat jongeren die in een instelling zaten, en aangeven daar mishandeld te zijn, recht hebben op een eerlijk proces en daar ook laagdrempelige juridische ondersteuning bij nodig is? Zo ja, waar kunnen zij terecht? Zo nee, hoe rijmt u dit met de aanbevelingen van Commissie De Winter?
Zoals ik in mijn antwoorden van 8 november 2024 aangaf, kan ik mij zeer goed voorstellen dat jongeren die geweld hebben meegemaakt in een instelling behoefte hebben aan individuele erkenning en genoegdoening.7 Dit kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld doordat een instelling excuses maakt voor leed dat een jeugdige bij hen heeft ondervonden, of een gesprek tussen jeugdigen en hun oud-behandelaars. Een andere mogelijkheid is via de klachtenregeling van de instelling, of de strafrechtelijke route door middel van een aangifte bij de politie. Het is aan het OM te bepalen of er sprake is van een strafbaar feit dat kan worden vervolgd. Ik kan me daarbij voorstellen dat slachtoffers die aangifte hebben gedaan, teleurgesteld zijn als de aangifte niet tot een vervolging leidt. Tegen de beslissing van het OM niet tot vervolging over te gaan, kan een klacht bij het gerechtshof worden ingediend (12 Sv-procedure). De jongere kan de instelling civielrechtelijk aanspreken en zo nodig een gerechtelijke procedure te starten. In dat geval is het uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of sprake is van onrechtmatig handelen.
Het recht op een eerlijk proces is opgenomen in onze Grondwet en diverse internationale (mensenrechten) verdragen. Dit recht geldt ook voor jongeren die te maken hebben gehad met ongeoorloofd geweld. Jongeren kunnen daarbij op een laagdrempelige wijze worden ondersteund door bijvoorbeeld de kinderen- en jongerenrechtswinkel en Jeugdstem.
Het aantal verhuizingen van kinderen in de jeugdzorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Van cijfer naar stem, ervaringen van jongeren rondom doorplaatsingen in jeugdzorg»1 van het Verwey-Jonker instituut in opdracht van Stichting Het Vergeten Kind? Herkent u deze cijfers? Zo nee, heeft u een ander beeld of andere cijfers?
Ja, ik ben bekend met het rapport en heb kennisgenomen van de cijfers.
Helaas is het niet mogelijk voor alle jeugdhulp inzichtelijk te maken hoeveel doorplaatsingen er plaatsvinden, zodoende kan ik niet aangeven of ik deze cijfers herken. Het verbeteren van het inzicht in relevante data is voor mij een belangrijk aandachtspunt, ook in lijn met wat de Deskundigencommissie hierover gezegd heeft.2
Voor de gesloten jeugdhulp is dit wel mogelijk. Het dashboard van de StroomOP Monitor3 laat een duidelijke afname van het aantal overplaatsingen tussen instellingen voor gesloten jeugdhulp zien tussen 2021 en 2024.
Erkent u dat jongeren baat hebben bij stabiliteit en dat dit ook in lijn is met het VN-Kinderrechtenverdrag? Zo ja, bent u bereid om dit soort essentiële zaken beter te monitoren zodat er een landelijk beeld komt van de trend en hierop bijgestuurd kan worden? Is het een optie om dit periodiek in beeld te laten brengen door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)?
Ja, het klopt absoluut dat jongeren baat hebben bij stabiliteit. Het is daarom belangrijk dat het uithuisplaatsen van jongeren wordt voorkomen en dat, indien er toch een uithuisplaatsing nodig is, de matching en plaatsing zorgvuldig gebeurt waardoor het doorplaatsen wordt beperkt en voorkomen.
Ik ben voornemens te onderzoeken of er mogelijkheden zijn het aantal doorplaatsingen in het gedwongen kader beter te monitoren. Dit beeld levert ons wellicht aanknopingspunten om verbeteringen in het doorplaatsen aan te brengen.
Er zijn op dit moment namelijk geen landelijke cijfers beschikbaar over wanneer en hoe vaak een jeugdige wordt doorgeplaatst. Het CBS levert ons cijfers over het aantal jongeren met verblijf, maar het aantal doorplaatsingen wordt niet landelijk geregistreerd. Daarvan is dus geen accuraat beeld. Gemeenten kunnen op gemeentelijk niveau hier wel inzicht in krijgen op basis van analyses met gemeentelijke data (het berichtenverkeer tussen gemeenten en aanbieders). Ik werk aan een wettelijke grondslag om deze gemeentelijke data ook centraal beschikbaar te maken.
Herinnert u zich het rapport «Constant nieuwe gezichten, ik crash daarvan2,» uit januari 2020 waarin soortgelijke thema’s werden onderzocht? Herinnert u zich ook de beloften in debatten en Kamervragen waarin uw ambtsvoorganger stelt dat er verbetering moet komen in het aantal keer dat kinderen doorverhuizen en de aangekondigde verbeteringen in de actieprogramma’s?
Ja, ook mijn ambtsvoorgangers hadden oog voor de problematiek van doorplaatsingen. Zij hebben aangegeven aan oplossingen hiervoor te willen werken.
Is er in uw ogen voldoende gedaan om de eerdere aangekondigde verbetermaatregelen waar te maken? Wat is er concreet bereikt? Is in de afgelopen jaren door uw ministerie ook actief gestuurd op het verminderen van het aantal doorplaatsingen? Zo ja, op welke manier?
De afgelopen jaren heeft het Ministerie van VWS in samenwerking met het Ministerie van J&V, de VNG en de branches, maatregelen in gang gezet die de jeugdhulp in brede zin versterken. De Hervormingsagenda Jeugd5 richt zich onder andere op:
Deze maatregelen dragen naar verwachting de komende jaren bij aan minder doorplaatsingen.
Gemeenten, jeugdbeschermers en aanbieders zetten in op passende zorg aan het hele gezin, zodat steeds meer kinderen thuis opgroeien. Door eerder en nabij hulp te bieden aan alle gezinsleden kunnen uithuisplaatsingen worden voorkomen. Jongeren bij wie uithuisplaatsing onvermijdelijk is, gaan wonen in kleinschalige voorzieningen, waar zij hulp op maat krijgen en langere tijd kunnen verblijven.
Wat vindt u ervan dat één van de oplossingsrichtingen die uw ambtsvoorganger begin 2020 presenteerde ging over betere onderlinge afspraken tussen gemeenten, terwijl de uitwerking daarvan pas zit in het wetsvoorstel Verbetering Beschikbaarheid Jeugdzorg, dat pas komend voorjaar (dus ruim 5 jaar later) in de Tweede Kamer wordt besproken?3 Of heeft u gemeenten op een andere manier opgedragen om specifieke afspraken te maken om doorplaatsingen tegen te gaan?
Het voornemen de regionale samenwerking tussen gemeenten te versterken, waarover mijn ambtsvoorganger uw Kamer begin 2020 heeft geïnformeerd, heeft geleid tot het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg. Dit wetsvoorstel is in het voorjaar van 2021 voor advies aan de Raad van State aangeboden. De Raad van State adviseerde pas op de plaats te maken met het wetsvoorstel omdat de beleidsvorming over de onderliggende fundamentele vragen over de inrichting van het stelsel (op dat moment) nog gaande was. Hiermee verwees de Raad van State onder meer naar het proces rondom de totstandkoming van de Hervormingsagenda Jeugd.
In overeenstemming met dit advies is de besluitvorming over de Hervormingsagenda Jeugd afgewacht. Het verbeteren van de inkoop door verplichte regionale samenwerking is nu een van de pijlers van de Hervormingsagenda. Na ondertekening van de Hervormingsagenda is het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg geactualiseerd en alsnog ingediend bij uw Kamer.
Ik heb gemeenten in de tussentijd niet op een andere manier opgedragen om specifieke afspraken te maken om doorplaatsingen tegen te gaan. Wel hebben gemeenten in VNG-verband in juni 2020 de Norm voor Opdrachtgeverschap jeugd (NvO) vastgesteld. Deze zelfregulerende norm is gericht op het verbeteren van regionale en bovenregionale samenwerking bij het organiseren van specialistische jeugdhulp: het borgen van de beschikbaarheid van de benodigde zorgfuncties, sturen op een zorgvuldige transformatie van het zorglandschap en verminderen van bureaucratische lasten.
Niet iedere gemeente past de NvO toe. Daarom vind ik het van groot belang dat het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg de kennelijke vrijblijvendheid van de NvO wegneemt. Het wetsvoorstel fungeert daarbij ook nu al als vliegwiel: in de praktijk is zichtbaar dat gemeenten en regio’s anticiperen op de voorgenomen wettelijke verplichtingen, door meer vaart te maken met het inrichten of verbeteren van hun onderlinge regionale afspraken.
Wat vindt u ervan dat uit de steekproef blijkt dat jongeren gemiddeld zes keer zijn doorgeplaatst in hun leven? En dat één op acht jongeren zelfs meer dan tien keer heeft moeten verhuizen? Deelt u de mening dat dit haaks staat op het Kinderrechtenverdrag?
De uitkomst van deze steekproef met 119 jongeren die doorplaatsingen hebben meegemaakt, vind ik schrijnend. Het rapport geeft ook weer dat er soms een positieve reden voor doorplaatsing kan zijn, wat niet wegneemt dat gemiddeld zes keer doorgeplaatst worden onwenselijk is.
Het zo gezond en veilig mogelijk laten opgroeien van kinderen is het uitgangspunt van het Internationaal Kinderrechtenverdrag. In sommige gevallen is het in het belang van het kind om (tijdelijk) ergens anders te wonen dan thuis. Het is dan belangrijk dat een kind in een stabiele omgeving verblijft, omdat frequente veranderingen in de omgeving van een kind nadelig zijn voor de ontwikkeling van het kind7. Dit betekent niet dat een doorplaatsing nooit in het belang van het kind kan zijn. Er zijn situaties denkbaar waarbij dit juist gewenst is, zoals wanneer een kind dichter bij ouders kan wonen of omdat een jongere meer zelfredzaam wordt.
Bent u voornemens om dit daadwerkelijk te verbeteren? Zo ja, wat zijn uw concrete maatregelen en doelen? Wanneer worden de resultaten en effecten hiervan zichtbaar?
Ja, want één van de beoogde effecten van de uitvoering van de Hervormingsagenda is dat ook het aantal doorplaatsingen afneemt.
Het Verwey Jonker Instituut beschrijft in zijn rapport dat de redenen van een doorplaatsing meestal negatief zijn. Vaak is de reden dat de jongere geen passende hulp krijgt en daarom doorgeplaatst moet worden. Maar als bijvoorbeeld vooraf aan een plaatsing partijen samen met de jongere en diens omgeving een verklarende analyse opstellen, moet dat bevorderen dat jongeren meteen de passende hulp krijgen. Dan verwacht ik dat de komende jaren het aantal doorplaatsingen afneemt. Want net als veel andere verbeteringen die we nastreven met de Hervormingsagenda is ook deze één van lange adem.
Wat is er destijds gebeurd met het voornemen om een gezamenlijk plan te maken om het aantal verplaatsingen tussen residentiële instellingen te verminderen, zoals beschreven in het actieplan «De best passende zorg voor kwetsbare jongeren»? Is dit plan er gekomen? Waar is het te vinden en hoe is het concreet uitgevoerd?
In reactie op uw eerdere vraag over dit plan, heb ik de Kamer op 16 mei 2022 geantwoord dat de sector breed inzet op het voorkomen dat jongeren overgeplaatst worden tussen residentiële instellingen, al dan niet gesloten.8 De maatregelen zoals genoemd in bovenstaand antwoord dragen hier aan bij. Het doel was niet dat hier een specifiek, apart plan voor zou komen.
Kunt u reageren op de negen aanbevelingen die professionals en jongeren in het rapport doen om doorplaatsingen te verminderen of te stoppen en om de omstandigheden rondom een doorplaatsing te verbeteren? Kunt u per aanbeveling aangeven of u opvolging gaat geven en zo ja, op welke manier?
Ik heb kennisgenomen van de aanbevelingen uit het rapport en kan deze onderschrijven, omdat ze aansluiten bij de uitgangspunten van de Hervormingsagenda Jeugd. Bij deze aanbevelingen is het van belang in het oog te houden aan wie deze aanbeveling geadresseerd is, in dit gedecentraliseerde stelsel. Vaak zijn aanbieders voor jeugdhulp en de opdracht gevende gemeenten aan zet.
Hieronder geef ik per aanbeveling weer op welke wijze hier opvolging aan wordt gegeven:
Deze aanbeveling is al verankerd in de Hervormingsagenda jeugd, we streven naar tijdige en passende hulp in de directe leefomgeving.
Een brede analyse (triage/ verklarende analyse) kan hieraan bijdragen. Het is aan de aanbieders om de matching van vraag een aanbod tot stand te brengen. Dit doen zij onder meer door te werken met werkwijzen die door de branches worden vastgesteld.
Door de verplichting van een SKJ-registratie is deskundigheidsbevordering een verplichting voor alle jeugdhulp professionals. Het is aan de aanbieders voor jeugdhulp en hun professionals om specifiek te investeren in trainingen in het omgaan met complexe problematiek
Deze aanbeveling onderschrijf ik.
Zorgvuldige communicatie en gezamenlijk beslissen is cruciaal bij doorplaatsingen, dat onderschrijf ik. De richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming10 gaan hier uitgebreid op in. Deze verantwoordelijkheid voor de toepassing van deze richtlijnen en deskundigheidsbevordering op deze thema’s ligt primair bij de aanbieders voor jeugdhulp en de professionals.
Een steunfiguur kan het verschil maken voor een jongere. Veel gemeenten en aanbieders jeugdhulp zijn nu bezig met de invoering van een zelf ingebrachte.
Deze aanbeveling, die ik onderschrijf, is gericht aan professionals en aanbieders, die het in richtlijnen en deskundigheidsbevordering kunnen opnemen.
Deze aanbeveling, die ik onderschrijf, is eveneens gericht aan professionals en zorgaanbieders, die het in richtlijnen en deskundigheidsbevordering kunnen opnemen.
Ook deze aanbeveling, die ik onderschrijf, is gericht aan professionals en zorgaanbieders. Zij kunnen het in richtlijnen en deskundigheidsbevordering opnemen.
Heeft u ook gelezen dat veel jongeren nauwelijks inspraak hebben en vaak niet weten wat de reden is van verhuizing? Hoe kan het dat jongeren soms pas laat worden geïnformeerd? Deelt u de mening dat ook dit haaks staat op het internationale Kinderrechtenverdragen en de Jeugdwet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te veranderen en de inspraak van jongeren in praktijk te waarborgen?
Ja, ik heb dit gelezen en vindt het spijtig dat jongeren laat worden geïnformeerd over doorplaatsing. Ik ga in overleg met Jeugdzorg Nederland om te bezien hoe dit verbeterd kan worden. Want dit is niet zoals het moet zijn.
Zo geeft het internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind ieder kind tussen 0 en 18 jaar het recht om te worden gehoord en hun mening te geven over alle zaken die hen aangaan, oftewel het recht op participatie. Dit recht staat niet ter discussie: de mening van de jongere en andere belanghebbenden moet in principe altijd worden meegenomen bij beslissingen over de (tijdelijke) woonplek van een jongere. Om het participatierecht goed te kunnen uitoefenen is het wel belangrijk dat het proces waarin het kind betrokken is, transparant, informatief en kindvriendelijk is.11
Daarnaast is het zo dat diverse richtlijnen duidelijke handvatten geven hoe medewerkers in de jeugdhulp invulling kunnen geven aan het participatierecht van jeugdigen, zoals de richtlijn «Samen beslissen over passende hulp».12
Ook kunnen jeugdhulpaanbieders inspraak van jongeren bij belangrijke beslissingen ondersteunen door structureel en actief een vertrouwenspersoon aan te bieden in aanloop naar een dergelijk besluit. De vertrouwenspersoon kan jeugdigen helpen in de aanloop naar een besluit tot overplaatsing door het geven van informatie over hoe het proces hoort te verlopen, dat de jeugdige recht heeft op participatie en inspraak, de jeugdige te helpen diens mening en visie op papier te zetten en waar nodig ondersteuning te bieden bij een gesprek.
Vertrouwenspersonen kunnen jeugdigen ook helpen als zij het niet eens zijn met een (voorgenomen) doorplaatsing. Deze hulp kan bestaan uit:
Als vertrouwenspersonen zien dat aanbieders (structureel) voorbijgaan aan de inspraak en participatie van jeugdigen, kan Jeugdstem dit signaleren bij de betreffende organisatie voor jeugdhulp. Als deze hierop niet (tijdig) reageert kan Jeugdstem ook een melding doen bij de IGJ.
Kunt u reageren op de bevinding van de onderzoekers dat veel van de jongeren geen of weinig steun hebben ervaren en veelal ook een informele steunfiguur ontbrak, terwijl ook hier al regelmatig Kameruitspraken zijn gedaan?
Het onderzoek bevestigt hoe belangrijk jongeren het vinden dat er iemand naast hen staat, bij wie ze terecht kunnen met vragen en voor steun, iemand uit het eigen netwerk die ze vertrouwen. Juist ook als er grote veranderingen zijn, zoals doorplaatsing. Dat veel jongeren deze steun niet hebben ervaren maakt het des te belangrijker om het samenwerken met informele steunfiguren te versterken. Dit is een belangrijk speerpunt van de Hervormingsagenda jeugd.
Eén van de samenwerkingsvormen met informele steunfiguren is de JIM (Jouw Ingebrachte Mentor)-aanpak. JIMs treden op als ambassadeur voor de jongere; ze staan hen bij, samen en naast de ouders, in de omgang met jeugdhulp. Om het samenwerken met informele steunfiguren binnen de jeugdhulp vooruit te helpen ondersteun ik onder andere JIM-pact13, een landelijke samenwerking tussen JIMwerkt en inmiddels 16 jeugdhulporganisaties verspreid over diverse regio’s. Door de JIM-pact zijn landelijk meer dan 1600 professionals opgeleid in het samenwerken met informele steunfiguren.
Deelt u de mening dat het behalve schrijnend, ook niet in lijn is met het Kinderrechtenverdrag, dat een deel van de jongeren aangeeft dat ze soms al hun vrienden verliezen en het contact met broertjes en zusjes verslechtert bij een doorplaatsing?
Zoals ook in het antwoord op vraag 2 is aangegeven hebben jongeren behoefte aan een veilige, stabiele en geborgen omgeving. In het VN-Kinderrechtenverdrag staat dat een kind recht heeft op gezinsleven. Het streven is om zoveel mogelijk broers en zussen samen te plaatsen. Daarnaast blijft het belangrijk dat deze kinderen een goed contact met de thuisomgeving (ouders, broers en zussen, familieleden, vrienden) onderhouden. Soms is doorplaatsing echter onvermijdelijk, omdat er geen andere passende oplossing mogelijk is. Ook ik vind het schrijnend als jongeren dan het contact met thuis of met hun vrienden verliezen.
Gaat u naar aanleiding van de eerder ingediende motie van de leden Van Nispen en Westerveld over het samenplaatsen van broertjes en zusjes actief monitoren of dit in de praktijk gebeurt?4
Binnen de residentiële jeugdhulp en de pleegzorg is het streven om broers en zussen zoveel mogelijk samen te plaatsen. Dit is al staande praktijk en wordt zoveel mogelijk toegepast. In het conceptwetsvoorstel ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming is een wettelijke verankering van het uitgangspunt van samen plaatsing van broers en zussen bij een uithuisplaatsing opgenomen.
Het actief monitoren of broers en zussen ook daadwerkelijk samen worden geplaatst is op basis van de huidige en beschikbare landelijke informatie niet mogelijk. Het CBS registreert niet of jeugdigen uit hetzelfde gezin gebruik maken van (dezelfde) vormen van jeugdhulp. Gegevens over het samen plaatsen van broers en zussen in pleegzorg, gezinshuizen of in de (overige) residentiële jeugdhulp worden dan ook niet systematisch en/of op landelijk niveau bijgehouden.
Het is wel goed mogelijk om door incidenteel onderzoek gegevens over het samen plaatsen van broers en zussen te verzamelen. De Universiteit van Amsterdam heeft in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) in 2021 onderzoek gedaan naar het aantal broers en zussen dat bij een gezamenlijke (gelijktijdige) uithuisplaatsing toch gescheiden geplaatst zijn. Op 18 januari 2022 is het onderzoeksrapport toegezonden aan uw Kamer. Uit dit onderzoek blijkt dat in de onderzochte periode tussen 2015 en 2020 door middel van een representatieve steekproef bij zeven jeugdhulporganisaties circa 28 procent van het totaal aantal jeugdigen dat in deze periode uit huis is geplaatst, gescheiden zijn geplaatst.
Deelt u de mening dat beschikbaarheidsfinanciering en vaste teams kunnen helpen om het aantal doorplaatsingen te verminderen en te zorgen voor meer vaste gezichten en minder wisselende hulpverleners per kind? Bent u al bezig met de uitvoering van de motie van de leden Dobbe en Westerveld die vraagt om «landelijke regie te pakken op de wijze van financiering en om beschikbaarheidsfinanciering de standaard te maken»?5
Op dit moment kunnen gemeenten al kiezen voor de taakgerichte uitvoeringsvariant, waarbij aanbieders een vast bedrag krijgen voor jeugdhulp in een bepaald gebied of segment. Daarnaast zijn in de Hervormingsagenda Jeugd afspraken gemaakt over standaardisatie van o.a. producten en tarieven. Onderdeel daarvan is dat we onderzoeken welke vormen van jeugdhulp bekostigd kunnen worden op basis van beschikbaarheid.
Het werken met vaste teams is niet afhankelijk van beschikbaarheidsfinanciering, dat kan ook bij financiering op basis van inzet.
Hoe kan het dat alle onderwerpen in bovenstaande vragen al eerder door ons of andere Kamerleden zijn aangekaart, en dat gedane beloftes niet zijn nagekomen of onvoldoende effect hebben gesorteerd? Wat gaat u doen om te voorkomen dat over 5 jaar dezelfde vragen worden gesteld?
Het beeld dat u schetst, dat gedane beloftes niet zijn nagekomen, herken ik niet.
Alle maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd die wij momenteel uitvoeren, zijn bedoeld om de zorg voor jeugdigen te verbeteren. Eén van de verwachte effecten van deze maatregelen is dat het aantal doorplaatsingen de komende jaren afneemt. Het doorvoeren van veranderingen kost tijd. Daarom is het effect van maatregelen niet altijd direct merkbaar voor jeugdigen. Wij blijven ons onverminderd inzetten om de maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd zo snel mogelijk door te voeren.
Het bericht dat de helft van de jongvolwassenen hun mentale gezondheid niet goed noemt |
|
Sarah Dobbe |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de helft van de jongvolwassenen hun mentale gezondheid niet goed noemt?1
De Gezondheidsmonitor laat zien dat 51% van de jongvolwassenen de eigen mentale gezondheid als goed of zeer goed beoordeelt. Dit betekent niet automatisch dat de andere 49% van de jongvolwassenen de eigen mentale gezondheid niet goed noemt. 14% van de jongvolwassenen beoordeelt de eigen mentale gezondheid als slecht of zeer slecht.
Ondanks deze nuancering vind ik dat de mentale gezondheid van een te grote groep jongeren en jongvolwassenen nog steeds onder druk staat. Uit de monitor blijkt bijvoorbeeld ook dat 18% van de jongvolwassenen zich in het dagelijks leven vaak tot voortdurend beperkt voelt door psychische klachten. Dit percentage is weliswaar afgenomen ten opzichte van 2022 (24%), maar blijft verontrustend en te hoog temeer omdat dit grote risico’s geeft voor langdurige (mentale) gezondheidsproblemen.
Kunt u de ontwikkeling van deze cijfers over de mentale gezondheid van jongeren over de afgelopen 20 jaar in een tabel weergeven?
Er zijn verschillende monitors die inzicht bieden in de ontwikkeling van de mentale gezondheid van jongeren. In onderstaand overzicht zijn, op grond van het 4-jaarlijkse HBSC2 (Health Behaviour in School-aged Children), trendgegevens opgenomen over levenstevredenheid en mentale problemen van jongeren in het voortgezet onderwijs over de periode 2005–2021. De gegevens over 2022 komen uit het onderzoek «Jong na Corona3» van de Universiteit Utrecht en het Trimbos. De gegevens over 2023 komen uit het Peilstationonderzoek4 van het Trimbos. Beide onderzoeken zijn afgestemd op het HBSC-onderzoek en gebruiken vergelijkbare methoden.
2005
2009
2013
2017
2021
2022
2023
Levenstevredenheid
7,7
7,9
7,6
7,6
7,1
7,1
7,4
Mentale problemen
16,4%
14,6%
20,0%
19,6%
30,5%
35,4%
29,6%
Op basis van deze cijfers lijkt sprake van een eerste herstel sinds de Coronaperiode. Het is in deze fase echter nog te vroeg al van een trend te kunnen spreken.
De Gezondheidsmonitors Jeugd 2023 en Jongvolwassenen 2024 rapporteren ook een eerste (voorzichtige) verbetering voor wat betreft tevredenheid/geluk en psychische klachten.
Deelt u de analyse dat de lange wachttijden in de geestelijke gezondheidszorg een negatieve invloed hebben op de mentale gezondheid van jongeren? Zo ja, wat gaat u doen om deze wachtlijsten aan te pakken?
In de Jeugdzorg, waar jeugd-ggz onder valt, zijn geen landelijke cijfers beschikbaar over wachttijden. Het is daardoor niet bekend hoe lang de wachttijden zijn voor verschillende psychische diagnoses binnen de jeugd-ggz. Ik deel de analyse dat lange wachttijden in de ggz een negatieve invloed kunnen hebben op de mentale gezondheid van jongeren die ggz hulp nodig hebben. Er kan echter geen verband gelegd worden tussen de bevindingen uit de Gezondheidsmonitor jongvolwassenen 2024 en de wachttijden in de (jeugd) ggz.
Niet alle jongeren met mentale problematiek hebben ook behoefte aan ggz-hulp. Vaak kunnen andere vormen van (laagdrempelige) ondersteuning, zoals een inloopvoorziening of steun vanuit het sociale netwerk, een passender antwoord bieden.
Om wachttijden duurzaam aan te pakken loopt binnen de jeugdzorg de Aanpak Wachttijden. Het team Aanpak Wachttijden van het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd ondersteunt in opdracht van het Ministerie van VWS en de VNG jeugdzorgregio's bij het aanpakken van onderliggende oorzaken van wachttijden. Deze aanpak is gericht op structurele verbeteringen in de hele keten van instroom, doorstroom en uitstroom van de jeugdzorg om zo wachttijden duurzaam terug te dringen.
Hiernaast buigt uw Kamer zich op dit moment over het wetsvoorstel «Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg». In het wetsvoorstel zijn maatregelen opgenomen om de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg te verbeteren. Deze maatregelen liggen o.a. op het terrein van verplichte regionale samenwerking door gemeenten en een mogelijkheid om, zo nodig, in lagere regelgeving landelijke contractering van (hoog) specialistische jeugdhulpvormen te verplichten.
Samen met de sector zet ik mij voorts ook in voor het verbeteren van de toegankelijkheid van de volwassen-ggz voor jongvolwassenen vanaf 18 jaar, met name voor mensen met ernstige, complexe problematiek. Hiervoor zijn al goede stappen gezet in het kader van het Integraal Zorgakkoord (IZA). Zo zijn afspraken gemaakt over het vergroten van behandelcapaciteit en het borgen van voldoende (zeer) complexe psychische zorg (cruciale ggz). Zoals ik de Kamer eerder informeerde, ben ik voornemens aanvullende maatregelen te treffen om de toegankelijkheid van de ggz te vergroten.5 In het voorjaar van 2025 zal ik uw Kamer uitgebreider informeren over mijn inzet hierop.
Deelt u de analyse dat de prestatiedruk die op jongeren wordt gelegd in het onderwijs en de onzekerheid die gepaard gaat met het niet kunnen vinden van een betaalbare woning een negatieve invloed hebben op de mentale gezondheid van jongeren? Zo ja, welke stappen gaan u en de rest van het kabinet zetten om deze problemen aan te pakken?
Er zijn meerdere achtergrondkenmerken en factoren die van invloed kunnen zijn op de mentale gezondheid van jongeren, zoals sociaaleconomische status, ervaren thuissituatie, middelengebruik of sociale media. Ook prestatiedruk en een onzeker toekomstperspectief door bijvoorbeeld woningnood kunnen van invloed zijn op de mentale gezondheid.
De resultaten van diverse monitors maken duidelijk dat de mentale gezondheid van jongeren en jongvolwassenen aandacht nodig heeft. De mogelijk negatieve factoren zijn echter niet altijd eenvoudig weg te nemen. Ik vind het daarom belangrijk in te zetten op het versterken van de mentale veerkracht in het algemeen, zodat jongeren weerbaarder zijn om met de mentale uitdagingen in het leven om te gaan.
Dit jaar wordt het, grotendeels door VWS gefinancierde, online platform mentale gezondheid gelanceerd. Het platform biedt betrouwbare informatie over mentale gezondheid en verschillende vormen van ondersteuning, een peer-to-peer forum en een chat- en belfunctie voor jongeren en jongvolwassenen met beginnende mentale klachten. Het is een belangrijke aanvulling op bestaande voorzieningen gericht op het voorkomen van mentale problemen.
Nog voor de zomer 2025 bied ik uw Kamer ook de Werkagenda Mentale gezondheid en GGZ (werktitel) aan die onder meer zal ingaan op het versterken van de mentale veerkracht van jongeren.
Ook vanuit het onderwijs wordt ingezet op het versterken van de mentale veerkracht en weerbaarheid van jeugdigen. Zo wordt op diverse scholen, ondersteund door VWS, vanuit de Gezonde School-aanpak en Welbevinden op School integraal gewerkt aan de (mentale) gezondheid en leefstijl van kinderen en jongeren in het po, vo en mbo, en worden mbo-, hbo- en wo-instellingen met het programma STIJN door het Ministerie van OCW ondersteund om het welzijn van studenten te verbeteren. Hiernaast wordt vanuit het vo-onderwijs ook specifiek ingezet op het verminderen van prestatiedruk door inzet op vermindering van toetsdruk.
Hoe reageert u op het feit dat twee op de drie jongeren nog altijd negatieve gevolgen ervaart van de coronacrisis?
Zoals benoemd in vraag 4 zijn veel factoren van invloed op de mentale gezondheid van jongeren. Ook de coronaperiode heeft een grote impact gehad op de mentale gezondheid van tieners en jongvolwassenen.
Uit de Gezondheidsmonitor Jongvolwassenen 2024 (16–25 jaar) blijkt dat 30% van de jongvolwassenen nog steeds negatieve gevolgen van de coronaperiode ervaart op het gebied van mentale gezondheid. Jongvolwassenen ervaren hiernaast ook negatieve gevolgen op bijvoorbeeld het terrein van studievoortgang (26%) en de eigen ontwikkeling (26%).
Hoe verhoudt dit feit zich tot de ingeboekte bezuiniging op pandemische paraatheid? Vergroot deze niet de kans dat er bij een nieuwe pandemie weer ingrijpende maatregelen moeten worden genomen die de mentale gezondheid van jongeren schaden? Hoe kijkt u in dat licht als bewindspersoon die verantwoordelijk is voor de mentale gezondheid van jongeren naar deze bezuiniging?
De investeringen van het programma pandemische paraatheid zijn gericht zich op het versterken van het stelsel van de infectieziektebestrijding. De investeringen zijn dus niet gericht op de weerbaarheid van jongeren. Wel geldt dat we er met deze investeringen alles aan doen bij een volgende pandemie de impact zo beperkt mogelijk te kunnen houden. In het hoofdlijnenakkoord zijn opbouwende bezuinigingen op pandemische paraatheid opgenomen. Voor 2025 heeft de Minister van VWS de impact daarvan geminimaliseerd door de activiteiten die al gestart waren voort te zetten, enkel de start van nieuwe activiteiten is on hold gezet. Er wordt dus nog steeds hard gewerkt aan pandemische paraatheid en de Minister van VWS is voornemens dat te blijven doen in het kader van weerbaarheid. Tegelijkertijd beseffen wij ons ook dat we in een tijd leven waar we worden geconfronteerd met allerlei dreigingen die ook de zorg kunnen raken. Denk aan dreiging van conflict, natuurrampen of pandemieën. Het kabinet vindt het belangrijk dat we voor alle typen crises paraat en weerbaar zijn. Het kabinetsbrede weerbaarheidsbeleid, waar de Tweede Kamer 6 december jl. over is geïnformeerd, wordt in de komende maanden verder uitgewerkt onder regie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en het Ministerie van Defensie. In dit traject zal ook de weerbaarheidsopgave van het Ministerie van VWS nader worden geconcretiseerd. Daar is tijd voor nodig. Ik verwacht medio 2025 meer duidelijkheid te kunnen geven over de middelen voor 2026 en verder.
Het bericht ‘Financiële les op school moet toenemende schulden bij jongeren tegengaan’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën) (VVD), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de cijfers dat één op de vijf jongeren te maken heeft met betaalproblemen?1
Ja.
Bent u bekend met de uitkomst van het onderzoek van Money Start onder ruim 1600 jongeren op het vmbo en mbo dat 89% van de kinderen beschikt over onvoldoende financiële kennis om het digitale leven tegemoet te treden?
Ja.
Bent u bekend met de cijfers van ING uit 2024 dat 49% van de Nederlandse jongeren tussen de 16 en 27 jaar te maken heeft met schulden?
Ja.
Is het u bekend dat het aantal jongeren met schulden sinds de coronacrisis jaarlijks verdubbeld is? Heeft u daar een verklaring voor?
De cijfers en inzichten over jongeren met geldzorgen en schulden die de afgelopen jaren uit verschillende onderzoeken naar voren komen, hebben onze aandacht. Uit de cijfers van DUO blijkt bijvoorbeeld dat er de laatste jaren bijvoorbeeld meer jongeren met een studielening zijn, en het Nibud signaleert dat jongeren tussen 18 en 30 jaar vaker geldzorgen hebben dan andere groepen.
Het Nibud geeft in dit rapport ook aan dat jongeren vaker een instabiel inkomen hebben dan andere groepen (35% versus 15%). Ook weten ze minder vaak waar ze recht op hebben of waar ze informatie kunnen vinden. Verder lijken ze anders met hun geld om te gaan: ze zijn meer gericht op de korte termijn, en ze kopen vaker iets waar ze geen geld voor hebben.2
De cijfers laten ook andere ontwikkelingen zien: uit onderzoek blijkt dat er minder jongeren zijn met een consumptief krediet. Ook ziet het BKR juist een lichte daling van betalingsachterstanden op kredieten bij jongeren al komen die betalingsachterstanden wel vaker voor bij jongeren dan bij ouderen3. Het Nibud laat zien dat jongeren in 2024 juist minder moeite hebben met rondkomen dan in 2022 (40% in 2024, ten opzichte van 47% in 2022)4.
Het kabinet vindt het van belang dat we voorkomen dat jongeren met geldzorgen en schulden te maken krijgen. Daarom hebben we ingezet op financiële educatie en individuele financiële begeleiding via de «Subsidieregeling financiële educatie op onderwijsinstellingen», en blijven we werken aan de samenwerking tussen jongerenwerk en mbo’s, laagdrempelige anonieme hulproutes zoals Geldfit (website, bellen, chatten, appen, mailen) en zetten we informatiecampagnes in voor jongeren op sociale media. In diverse gemeenten zijn ook projecten voor jongeren met geldzorgen en/of schulden. Inmiddels zijn ongeveer 35 gemeenten aangesloten bij het Jongeren perspectief fonds, wat honderden jongeren heeft geholpen om schuldenvrij te worden. Dit project wordt opgeschaald naar meer gemeenten.
Ziet u de noodzaak kinderen goed voor te lichten hoe om te gaan met geld, in plaats van pas in actie te komen als de schulden er al zijn?
Ja, die noodzaak zie ik. Met de kamerbrief van 11 oktober jl. heeft het kabinet een samenhangend pakket aangekondigd om schuldenproblematiek te voorkomen en tegen te gaan.5 Inzet op de preventie van schulden is hiervan een belangrijk onderdeel, onder andere door ervoor te zorgen dat mensen met beginnende geldzorgen en/of dreigende schuldenproblematiek zo vroeg mogelijk bereikt worden en door in te zetten op financiële educatie voor kinderen en jongeren. Financieel geletterde (jonge) consumenten zijn namelijk weerbaarder tegen ongewenste beïnvloeding en beter in staat om gezonde financiële keuzes te maken.
Hoe kijkt u naar de oproep dat financieel onderwijs veel meer aandacht zou moeten krijgen in het reguliere onderwijs?
De subsidieregeling «Financiële Educatie voor onderwijsinstellingen»6 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is een maatregel die als doel heeft het creëren, ontwikkelen en bevorderen van structurele aandacht binnen het onderwijs. De subsidie biedt scholen onder meer de mogelijkheid om voor een periode van maximaal drie jaar docenten/leerkrachten te trainen en medewerkers vrij te stellen om financiële educatie een structurele plek te geven in het onderwijsprogramma, persoonlijk financiële begeleiding te bieden en/of ouders te betrekken bij de financiële opvoeding van hun kinderen. In 2023 hebben 27 mbo scholen de subsidie toegekend gekregen, in 2024 ging dit om 105 middelbare scholen en in 2025 krijgt een afgebakende groep basisscholen de mogelijkheid om subsidie aan te vragen. Deze subsidie is in nauwe afstemming met het Ministerie van OCW tot stand gekomen. Hierbij is de balans gezocht tussen de noodzaak om aandacht in het onderwijs te richten op het verbeteren van de basisvaardigheden in het primair onderwijs enerzijds, en het belang om aandacht te hebben voor financiële educatie anderzijds.
Het platform Wijzer in Geldzaken, waarin het Ministerie van Financiën samenwerkt met publieke en private partners uit de financiële sector, werkt op verschillende manieren aan het vergroten van het financiële bewustzijn en de financiële competenties waaronder kennis en vaardigheden. Zo dient de jaarlijkse Week van het geld als belangrijke aanjager voor het structureel stimuleren van financiële vaardigheden van kinderen en jongeren in de klas. Tijdens deze week is er veel aandacht voor onderwerpen zoals financiële verleidingen (waaronder buy now, pay later (BNPL)) en financieel zelfstandig worden. Daarnaast moedigt Wijzer in geldzaken scholen aan om ook in de rest van het jaar aandacht te besteden aan het leren omgaan met geld.
In samenwerking met het Ministerie van Financiën ontwikkelde het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de voorlichtings- en bewustwordingscampagne «Je Geld de Baas» over de risico’s en gevolgen van financiële verleidingen. Deze campagne is ook onderdeel van de website en sociale media van Wijzer in geldzaken en behandelt onder andere de risico’s van BNPL met de titel «Hoe voorkom je een Betaal Later Kater».
Vindt u dat, onder andere bij Buy Now, Pay Later (BNPL) meer verantwoordelijkheid moet worden gelegd bij de schuldeiser in plaats van alleen bij de consument, omdat schuldeisers heel goed weten welk risico ze nemen?
Ja, dat ben ik met u eens. Voor aanbieders van consumptief krediet gelden strenge regels. BNPL-krediet valt nu nog onder een uitzondering waardoor deze regels daarvoor niet gelden. Met de implementatie van de herziene Europese Richtlijn consumentenkrediet (de CCDII)7 gaan deze regels ook voor BNPL-aanbieders gelden (zie ook het antwoord bij vraag 8).
Indien een consument een overeenkomst niet nakomt hebben schuldeisers verschillende mogelijkheden om een vordering te innen. Zo kunnen er onder voorwaarden incassokosten in rekening worden gebracht bij uitblijvende betaling en heeft de schuldeiser de mogelijkheid om betaling af te dwingen via een gerechtelijk vonnis. Deze algemene voorschriften gelden nu nog op dezelfde wijze voor schulden die zijn ontstaan door een BNPL-overeenkomst. Zodra echter de CCDII is geïmplementeerd, gelden voor BNPL-krediet (en de als gevolg van BNPL ontstane schulden) de aanvullende strenge regels die gelden voor consumptief krediet, zoals bijvoorbeeld het uitvoeren van een kredietwaardigheidstoets, de maximumkredietvergoeding, maar ook de wettelijk vastgelegde maximale vertragingsvergoeding die maximeert hoeveel kosten een aanbieder in rekening mag brengen als een consument BNPL-krediet niet tijdig of volledig aflost. Hiermee wordt reeds meer verantwoordelijkheid voor de schuld gelegd bij BNPL-aanbieders.
In aanvulling hierop geldt dat het kabinet de ambitie heeft om het stelsel van publieke en private invordering te verbeteren doordat schulden zoveel mogelijk in een vroeg stadium worden opgelost, door de kosten van invordering minder snel te laten oplopen en door publieke en private invordering beter te coördineren. Bij dit alles geldt dat het een gezamenlijk belang van crediteur en debiteur is dat de invordering van schulden met zo weinig mogelijk bijkomende kosten wordt voldaan. Over de juridische aanpak civiele invordering wordt uw Kamer, zoals eerder is toegezegd, voor 1 mei geïnformeerd.
Bent u het met ons eens dat er vooruitlopend op nieuwe Europese regelgeving, zo snel mogelijk nadere (afdwingbare) regels moeten komen voor BNPL-aanbieders, omdat BNPL-aanbieders hun gedragscode in praktijk onvoldoende naleven, bijvoorbeeld bij leeftijdsverificatie?
De implementatie van de CCDII heeft voor het kabinet prioriteit. Na de implementatie moeten BNPL-aanbieders voldoen aan dezelfde, strenge regels als andere aanbieders van consumptief krediet en onder meer een kredietwaardigheidstoets uitvoeren, aansluiten op en raadplegen van BKR en voldoen aan regels ten aanzien van informatieverstrekking en reclame-uitingen. Het kabinet zet daarom in op zorgvuldige maar zo spoedig mogelijke implementatie.
De gedragscode die door de BNPL-partijen is opgesteld en sinds 30 oktober 2023 in werking is getreden, biedt minder bescherming dan de CCDII straks zal bieden. Het kabinet blijft er daarom bij de BNPL-partijen op aandringen om de gedragscode, in aanloop naar de implementatie van de CCDII, aan te scherpen naar een beschermingsniveau dat verder in lijn komt met de regelgeving uit de CCDII. Het kabinet is hierover doorlopend met de partijen in gesprek.
Ten aanzien van leeftijdsverificatie geldt dat door de aangesloten BNPL-partijen stappen worden gezet om volledige leeftijdsverificatie bij alle klanten door te voeren. Het kabinet ziet dat partijen hieraan werken. Het kabinet monitort de voortgang van deze verificatie.
In lijn met de gedragscode zijn de aangesloten aanbieders daarnaast in het kader van schuldhulpverlening aangesloten bij één van de convenanten van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK). Wij vinden het goed dat de BNPL-aanbieders een convenant hebben afgesloten met de NVVK waarin de aanbieders medewerking hebben toegezegd aan het tot stand brengen van minnelijke schuldregelingen als een situatie daartoe aanleiding geeft.
Is het u bekend dat met name het niet betalen van de zorgverzekering door jongeren in veel gevallen het begin van een lange periode met schulden is, en dat de overheid de grootste schuldeiser is in Nederland?
Sommige verzekeraars geven aan iets meer jongeren te zien met beginnende betalingsachterstanden, maar in de regeling Betalingsachterstand zorgpremie valt deze stijging niet waar te nemen.8
Uit onderzoek van Panteia uit 2021 blijkt dat een derde van de schuldenlast afkomstig is van publieke schuldeisers ten op zicht van twee derde van private partijen.9 Dit beeld wordt bevestigd door een recent onderzoek van Berenschot over schuldregelingen.10 De stelling dat het grootste deel van de schuldenlast voor rekening van de overheid is, is derhalve onjuist.
Kunt u uitzoeken in hoeveel gevallen het niet betalen van de zorgverzekering komt doordat de zorgtoeslag al is uitgegeven voordat de zorgpremie wordt afgeschreven?
Het is niet eenvoudig om te onderzoeken in hoeveel gevallen het niet betalen van de zorgverzekering komt doordat de zorgtoeslag al is uitgegeven voordat de zorgpremie wordt afgeschreven.
Om dit probleem te voorkomen hebben verzekerden bij veel zorgverzekeraars een keuzemogelijkheid en kunnen zij zelf bepalen wanneer de zorgpremie moeten worden betaald. De meeste mensen laten dat moment samenvallen met de datum dat het salaris wordt gestort. Dit vergroot de kans dat de automatische incasso van de zorgverzekering slaagt. Ook het onderzoek ten behoeve van de uitvoering van de motie Inge van Dijk c.s. (zie vraag 11) draagt op termijn bij aan de slagingskans van een automatische incasso.
Ziet u de noodzaak om zo snel mogelijk uitvoering te geven aan de motie Inge van Dijk c.s.2 om uitkeringen van de overheid zoveel mogelijk op een vast moment in de maand plaats te laten vinden, zodat hierop met de afschrijving van vaste lasten kan worden aangesloten?
Ik zie het belang van de zaken die worden aangehaald in de motie Van Dijk. Het Ministerie van SZW gaat daarom in de komende maanden een onderzoek laten uitvoeren naar het harmoniseren van betaalmomenten.
Heeft u kennisgenomen van de voorstellen van het CDA in hun Actieplan Financiële Weerbaarheid, zoals u aangeboden bij de begrotingsbehandeling SZW, en deelt u de noodzaak om preventief aan de slag te gaan met het financieel weerbaar maken van jongeren, om financiële problemen later in hun leven te voorkomen?3
Ja, ik heb kennis genomen van het Actieplan Financiële Weerbaarheid en op het plan is schriftelijk gereageerd13. Daarnaast deel ik ook de noodzaak om preventief in te zetten op het financieel weerbaar maken van jongeren en dit doen wij vanuit het kabinet op verschillende wijzen (zie antwoord 6).
Het bericht ‘Jeugdzorginstellingen onder verscherpt toezicht: 'Jongeren opgesloten in kamer'' |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Rosemarijn Dral (VVD) |
|
Struycken , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jeugdzorginstellingen onder verscherpt toezicht: «Jongeren opgesloten in kamer»»?1
Ja.
Hoe ondersteunt u de jeugdzorginstellingen tijdens de transitie naar jeugdzorg zonder gesloten deuren?
Voor de transformatie van de gesloten jeugdhulp (af- en ombouw gesloten jeugdhulp en opbouw van alternatieven) is een bedrag beschikbaar van € 176 mln. Dat bedrag komt via een specifieke uitkering aan de zeven coördinerende gemeenten gesloten jeugdhulp beschikbaar.2 Daarnaast ben ik in gesprek met de aanbieders over een aanvullend programma voor de implementatie van de wet Rechtspositie gesloten jeugdhulp. Daarover heb ik u geïnformeerd in de brief naar aanleiding van de voorlopige bevindingen van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT).3 Ook het CPT had geconstateerd dat nog niet alle aanbieders volledig aan de vereisten van de Jeugdwet konden voldoen.
Hoe bent u van plan in te grijpen als instellingen zich niet aan de afspraken houden en afwijken van de gestelde norm met betrekking tot de af- en ombouw van de gesloten jeugdzorg?
Het verbeteren van de rechtspositie van jeugdigen in de gesloten jeugdhulp en het terugdringen van het gebruik van vrijheidsbeperkende maatregelen vind ik twee belangrijke doelstellingen. Die horen onlosmakelijk bij de transformatie van de gesloten jeugdhulp. Daarom is het goed dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht houdt op normen waarvan de naleving deze twee doelen dient. Gelet op het belang dat ik aan deze doelen hecht ben ik ook in gesprek met de aanbieders over een aanvullend programma voor de implementatie van de wet Rechtspositie gesloten jeugdhulp. Ik ga ervan uit dat we daarmee de aanbieders gaan helpen om aan deze normen te voldoen. Die verwachting is ingegeven door het feit dat de aanbieders in het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen al veel bereikt hebben. Mocht het verscherpt toezicht niet leiden tot de gewenste verbeteringen, dan kan de IGJ zwaardere maatregelen treffen zoals het geven van aanwijzingen.
Hoe gaat u, nu en in de toekomst, de vinger aan de pols houden bij instellingen in de af- en ombouw van de gesloten jeugdzorg zodat in 2030, of eerder, de gesloten jeugdzorg is vervangen door andere zorgvormen?
In juni 2024 heeft het Rijk bestuurlijke afspraken gemaakt met de VNG en Jeugdzorg Nederland over de transformatie gesloten jeugdhulp. Eén daarvan is dat de landelijke projectorganisatie de transformatie monitort en actief stuurt. Deze projectorganisatie staat onder leiding van de bestuurlijk aanjager en werkt in opdracht van Rijk, VNG en Jeugdzorg Nederland.
Deelt u de opvatting van Jeugdzorg Nederland dat het op dit moment niet mogelijk is om de gesloten jeugdzorg volledig af te bouwen? Hoe verzekert u dat in de af- en ombouw van de gesloten jeugdzorg de huidige ervaringen voldoende zullen worden betrokken?
Jeugdzorg Nederland heeft in juni 2024 de bestuurlijke afspraken transformatie gesloten jeugdhulp ondertekend. Daarin staat dat we in 2030 zo dichtbij mogelijk bij nul gesloten plaatsingen willen zijn. Die inzet lees ik ook in hun reactie op het besluit van de IGJ om zes aanbieders onder verscherpt toezicht te plaatsen.4 Daaruit leid ik niet af dat Jeugdzorg Nederland van opvatting is dat het niet mogelijk is de gesloten jeugdhulp volledig af te bouwen. Zij willen zich blijven inzetten om jeugdigen zorg te verlenen met zo min mogelijke vrijheidsbeperkende maatregelen. Dat waardeer ik. Daarom ben ik in gesprek met de instellingen over hun ervaringen en hoe zij aan de wet kunnen voldoen. Daarbij heb ik oog voor situaties waarin vrijheidsbeperkende maatregelen nodig zijn voor de bescherming en veiligheid van kwetsbare jeugdigen, zoals dreiging van automutilatie of suïcide, gevaar of onveiligheid uitgaande van zogeheten «loverboys» of gevaar vanwege verslavingsproblematiek.
Het bericht ‘Kind van ouders met verstandelijke beperking: 'Eigenlijk was ik de ouder'’ |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kind van ouders met verstandelijke beperking: «Eigenlijk was ik de ouder»»?1
Ja.
Bent u bekend met het radioprogramma Nieuws en Co van 22 november jl. waarin het Trimbos-instituut pleit voor gesprekken over de kinderwens conform Nu Niet Zwanger?2 Wat is uw reactie op dit pleidooi?
Ja. In de uitzending van Nieuws en Co pleit het Trimbos-instituut om tijdig een gesprek te voeren met vrouwen én mannen in de vruchtbare periode of sprake is van een actuele kinderwens, zodat ze een geïnformeerde en bewuste keuze kunnen maken. Ik vind het, net zoals het Trimbosinstituut, van belang dat iedereen bewust en goed geïnformeerd moet kunnen kiezen om nu wel of geen kind te willen krijgen. Dat is niet voor iedereen vanzelfsprekend. Het programma Nu Niet Zwanger (NNZ) ondersteunt mensen in kwetsbare omstandigheden om regie te nemen over hun kinderwens. Zodat zij niet overvallen worden door een zwangerschap. Het programma is momenteel in 303 gemeenten beschikbaar en er komen nog steeds gemeenten bij. Ik stel t/m 2027 projectsubsidie beschikbaar aan de GGD GHOR Nederland voor de landelijke uitrol van het programma Nu Niet Zwanger. In de jaren 2023 t/m 2025 is extra geld beschikbaar gesteld zodat het programma sneller kan uitbreiden en inhoudelijk kan verdiepen.
Wat is de reden dat niet wordt geregistreerd bij hoeveel gezinnen met Kinderen van Ouders met Psychische Problemen (KOPP) en Kinderen van ouders met een verslaving (KOV) programma’s als Nu Niet Zwanger worden ingezet? Bent u bereid dit te gaan registreren, zo nee, waarom niet?
Het programma Nu Niet Zwanger (NNZ) is geen doelgroepeninterventie. Vanuit/door het programma leren professionals uit het medisch en het sociale domein hoe je kinderwens bespreekbaar maakt en bespreekt. Het programma richt zich op alle mensen in kwetsbare omstandigheden, waaronder Kinderen van Ouders met Psychische Problemen als Kinderen van ouders met een verslaving. Kwetsbare omstandigheden kunnen echter veel bredere oorzaken hebben en kent een grote verscheidenheid. De inzet van het Nu Niet Zwanger programma is (1) het bespreken van kinderwens bij mensen in kwetsbare omstandigheden, (2) het normaliseren van praten over kinderwens en (3) het implementeren van de bijbehorende NNZ-methode bij organisaties die werken met mensen in kwetsbare omstandigheden, waaronder de doelgroep KOPP/KOV. Daarnaast is het streven om het praten over kinderwens volgens de Nu Niet Zwanger methode onderdeel te laten worden van de reguliere werkzaamheden van de aangesloten organisaties.
Als er vervolgstappen nodig zijn kan NNZ praktische hulp en ondersteuning bieden. Alleen ter zake doende informatie voor deze inzet van het NNZ- programma en het regie nemen op kinderwens wordt geregistreerd. De reden/oorzaak van de kwetsbare omstandigheden waar mensen zich in bevinden en/of extra registratie hierop hoort daar niet bij.
Het gaat over bewustwording en inzicht hebben in de balans tussen beschermende en risicofactoren, op basis waarvan mogelijk aanstaande ouders een weloverwogen keuze kunnen maken of dat het juiste moment is om al dan niet zwanger te worden. Daarom wordt het dus ook niet op doelgroep niveau geregistreerd. Dit is ook bedoeld om een eventuele stigmatisering of ethische vraagstukken te voorkomen. Denk aan bemoeizorg of uitsluiting.
Er zijn en komen ook geen landelijke gegevens beschikbaar over het aantal KOPP/KOV-gezinnen waarbij Nu Niet Zwanger is ingezet omdat deze gegevens niet op landelijk niveau worden geregistreerd, dit niet wenselijk is en dit voor de verdere ontwikkeling van het NNZ-programma geen meerwaarde heeft.
Bij hoeveel instellingen die werken voor en met mensen met een lichtverstandelijke beperking (LVB) wordt het gesprek over de kinderwens conform Nu Niet Zwanger gevoerd?
Deze gegevens worden niet landelijk geregistreerd. Het Nu Niet Zwanger programma is op dit moment beschikbaar in 89% van de gemeenten. Elke GGD heeft een NNZ-team met inhoudelijk coördinatoren. Deze lokale NNZ-teams registreren met welke organisaties zij samenwerken. We zien hierin variatie, per NNZ-programma zijn er tussen de 1 en 10 organisaties die werken met mensen met een licht verstandelijke beperking aangesloten bij het programma. In deze organisaties zijn aandachtsfunctionarissen aangesteld die getraind zijn – door het Nu Niet Zwanger team van de GGD – in de NNZ-methodiek en hoe ze het programma in hun instellingen kunnen toepassen. Zij zijn de ambassadeurs en contactpersonen voor hun collega’s in de instellingen die werken met Nu Niet Zwanger. De professionals werken vanuit hun vertrouwensrelatie met hun cliënten en zijn daarmee de aangewezen personen om de kinderwens van hun cliënten te bespreken. Deelname van instellingen en mate van participatie en borging van het programma fluctueert omdat er sprake is van vrijwilligheid. Het is hiermee niet exact bekend hoeveel instellingen, die werken voor en met mensen met een lichtverstandelijke beperking (LVB), werken conform de aanpak van Nu Niet Zwanger
In hoeverre is onveilige hechting bij kinderen van ouders met een verstandelijke beperking onderdeel van de richtlijn Ouder-kind relatie en de richtlijn Kindermishandeling, en is deze groep kinderen meegenomen in de uitvoering van de motie Tielen?3
In de Voortgangsbrief Jeugd van 5 november jl. bent u geïnformeerd over de mate waarin gehechtheid een onderwerp is binnen de werkzaamheden van de jeugdgezondheidszorg bij het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) en bij het Nederlands Jeugd Instituut (NJi). In deze brief is aangegeven dat zorgprofessionals zich maximaal inzetten op het thema gehechtheid en daarvoor de richtlijn ouder-kind relatie en de richtlijn kindermishandeling toepassen. Zowel in de JGZ-richtlijn ouder-kind relatie als de richtlijn Kindermishandeling worden factoren benoemd die een risico kunnen opleveren voor de ouder-kind relatie of die het risico op kindermishandeling kunnen vergroten. Ouders met een verstandelijke beperking is één van de benoemde risicofactoren. Beide richtlijnen worden regelmatig geactualiseerd op basis van nieuwe inzichten.
Er zijn overigens verschillende manieren waarop gezinnen, waar sprake is van ouders met een verstandelijke beperking, ondersteund kunnen worden om zo onveilige hechting te voorkomen. Zo zijn er hulpgroepen via verschillende GGZ-instellingen, waarvan een aantal specifiek voor kinderen (4 t/m 16 jaar) van KOPP/KOV ouders (zoals bv Jellinek of Brijder). Voor jongvolwassenen zijn er – via Trimbos – een aantal initiatieven zoals naastencentraal.nl, KOPPsupport.nl en metzonderouders.nl. Meer in het algemeen kunnen kinderen bellen met de kindertelefoon of andere hulp/chatlijnen op het gebied van (mentale) ondersteuning. Mocht ergens tijdens zwangerschap, bevalling of kraambed vermoeden zijn van LVB bij ouder(s) dan kan door tijdig signaleren en via de JGZ, huisarts of Kansrijke Start coalitie hulp in het sociaal domein gezocht worden voor ondersteuning aan het hele gezin.
Welke groepen naast KOPP/KOV worden nog meer niet goed (genoeg) bereikt door Nu Niet Zwanger, en bent u bereid ervoor te zorgen dat deze groepen duurzaam bereikt worden? Zo ja, hoe gaat u dat doen?
Streven is alle organisaties die mensen in kwetsbare omstandigheden begeleiden aan te laten sluiten bij het programma. Momenteel participeren meer dan 1100 organisaties uit zowel het medisch als sociaal domein (cijfers uit monitor NNZ januari 2024 [4]). Gemiddeld per NNZ-programma zijn dit 47 organisaties.
Jaarlijks sluiten nog steeds nieuwe organisaties aan maar haken ook organisaties af. Aangezien de deelname vrijwillig is, is samenwerking niet af te dwingen. Als een gemeente beslist om het programma NNZ niet aan te bieden, is het voor instellingen in die gemeente niet mogelijk om zich bij NNZ aan te sluiten.
Bent u bereid met gemeenten die nu geen programma zoals Nu Niet Zwanger inzetten, in gesprek te gaan om te zorgen dat zij dit wel gaan doen? Zo ja, hoe en op welke termijn is hiervan resultaat te verwachten?
In het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) is de afspraak opgenomen dat gemeenten ervoor zorgen dat inwoners in de vruchtbare leeftijd (die in een kwetsbare situatie verkeren) voldoende regie (kunnen) nemen op hun kinderwens. Dit kan onder andere door Nu Niet Zwanger aan te bieden. Het programma Nu Niet Zwanger kan bekostigd worden door de gemeente vanuit de structurele middelen voor Kansrijke Start als onderdeel van de SPUK-regeling, behorend bij het GALA, maar ook uit andere middelen. Uit de meest recente GALA-monitor van het RIVM blijkt dat in oktober 2024 alle 25 GGD-regio’s de interventie Nu Niet Zwanger uitvoeren in 303 gemeenten. Vanuit de lokale GGD- en worden gesprekken gevoerd met gemeenten om te participeren en nog steeds nemen nieuwe gemeenten deel. Het landelijk programmateam NNZ ondersteunt hen hierbij indien gewenst.
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat de bewezen effectiviteit van Nu Niet Zwanger wordt geborgd in lokale en regionale programma’s tegen onbedoelde en ongewenste zwangerschappen?
De bewezen effectieve interventie Nu Niet Zwanger is opgenomen in de interventiedatabase van het loket Gezond Leven van het RIVM. Het programma Nu Niet Zwanger kan door gemeenten gefinancierd worden vanuit de structurele middelen voor Kansrijke Start als onderdeel van de SPUK-regeling, behorend bij het GALA. Niets staat gemeenten in de weg om de inzet van Nu Niet Zwanger hieruit te bekostigen. Met behulp van de GALA monitor wordt de implementatie van Nu Niet Zwanger op lokaal niveau gevolgd. Uit de GALA-monitor van het RIVM van 10 december jl. blijkt dat steeds meer gemeenten binnen de lokale aanpak van Kansrijke Start (erkende) interventies aanbieden over de gehele eerste 1.000 dagen, waaronder Nu Niet Zwanger. Deze interventies zijn te vinden in de
interventiedatabase van het Loket Gezond Leven van het RIVM. De top-6 van meest ingezette interventies binnen gemeenten zijn: Nu Niet Zwanger, BoekStart/BoekenPret, CenteringZwangerschap, Stevig Ouderschap, VoorZorg en Home-Start. Gemeenten zijn vrij in de keuze om bepaalde interventies wel/niet in te zetten. En lokale en regionale programma’s tegen onbedoelde en ongewenste zwangerschappen komen niet op grote schaal voor. Veel vaker wordt dit onderwerp opgenomen in een breder kader: bijvoorbeeld die van de seksuelegezondheid. Momenteel worden verkennende gesprekken gevoerd om de uitvoering van de onderdelen uit het GALA waar structurele middelen voor zijn te borgen. De Kamer wordt hierover geïnformeerd zodra er meer duidelijk is.