De misstanden en uitbuiting van Nederlandse jongeren in Franse gastgezinnen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikelen in de Telegraaf en Dagblad van het Noorden over de misstanden bij Franse gastgezinnen waar Nederlandse jongeren via jeugdzorgbedrijf Tjeenz en onderaannemer Force en Soi werden geplaatst? Wat is uw reactie op dit artikel waaruit blijkt dat Nederlandse jongeren feitelijk werden uitgebuit in plaats van dat zij hulp kregen voor hun problemen?1, 2
Ja. Ik ben geschrokken van het bericht dat er mogelijk misstanden waren bij Nederlandse jongeren die in Frankrijk jeugdhulp krijgen. Iedere jongere moet in een veilige omgeving hulp kunnen krijgen, ook als deze hulp in het buitenland wordt gegeven.
Is bekend hoeveel jongeren momenteel in het buitenland zitten via soortgelijke trajecten? Kunt u garanderen dat al deze jongeren nu veilig zijn?
Als jongeren in het buitenland worden geplaatst, dan dient de verplichte procedure via de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden gevolgd te worden. Met deze procedure wordt voorafgaand aan de plaatsing van de jongere in het buitenland instemming gevraagd aan de buitenlandse Centrale autoriteit, zodat de landelijke autoriteiten van dat land op de hoogte zijn van de plaatsing. Het CA heeft dus zicht op het aantal geregistreerde (pleegzorg)plaatsingen in het buitenland. Meestal gaat dat om plaatsingen bij familieleden, in een enkel geval bij een gastgezin of zorginstelling. In 2024 ging dit in totaal om 12 kinderen. Als deze procedure niet wordt gevolgd, dan is er geen zicht op deze jongeren en zijn de mogelijkheden om effectief toezicht te houden en op te treden wanneer de veiligheid van jongeren in het geding is beperkt, aangezien de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) geen toezicht houdt in het buitenland.
Wie is er volgens u verantwoordelijk voor het toezicht op leefomstandigheden en kwaliteit van hulp, op het moment dat een jongere in het buitenland wordt geplaatst? Hoe wordt het toezicht vormgegeven en hoe wordt de kwaliteit van de geboden hulp getoetst? Wie is er bevoegd om in te grijpen bij misstanden? Wat is de rol van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bij jeugdhulp in het buitenland?
De Nederlandse kwaliteitseisen gelden ook voor jeugdhulp die gemeenten of aanbieders in het buitenland inkopen of aanbieden. Een gemeente of jeugdhulpaanbieder die ervoor kiest jeugdhulp in het buitenland in te zetten, moet zich er dus van vergewissen dat deze hulp voldoet aan de in Nederland geldende eisen en dat wordt voldaan aan internationale regelgeving en de wet- en regelgeving van het ontvangende land. Zij zijn hier verantwoordelijk voor.
Voordat een jongere geplaatst kan worden in het buitenland, dient de procedure bij de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden gevolgd te worden door aanbieders en gemeenten. Het volgen van de procedure via de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden is de verantwoordelijkheid van de plaatsende instantie, namelijk de gemeente of GI. Deze procedure staat beschreven in de Europese Verordening Brussel II ter. De Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het plaatsende land vraagt hierbij goedkeuring aan de Centrale autoriteit van het ontvangende land alvorens in dat land jeugdhulp verleend kan worden aan een jongere. Dit is van belang zodat het land waar de jongere wordt geplaatst hiervan op de hoogte is, weet wie toezicht houdt en hoe zo nodig contact opgenomen kan worden met de ouders. Bovendien is de procedure voor het plaatsen van de jongere in het buitenland onderhevig aan de nationale regels en voorwaarden van dat land. Via de Centrale autoriteiten kan informatie worden gevraagd welke regels en voorwaarden dat zijn, dit kan per land verschillen.
Verder dienen de afspraken die gemaakt zijn in het Afsprakenkader buitenlands zorgaanbod Jeugd opgevolgd te worden. Het Platform Jeugdhulp in het Buitenland, de IGJ en de VNG hebben deze afspraken gemaakt. De jeugdhulpaanbieder die jongeren in het buitenland plaatst is volgens het Afsprakenkader verplicht aan de IGJ door te geven wie de lokale toezichthouder is en hoe het toezicht op de kwaliteit is vormgegeven (en wie er dus kan ingrijpen bij eventuele misstanden). Op deze manier kan, indien er zorgen zijn over de kwaliteit van de zorg in het buitenland, de IGJ contact opnemen met de buitenlandse collega-inspectie. Gemeenten hebben in dit kader ook een verantwoordelijkheid, in het Afsprakenkader is hierover het volgende opgenomen: «Nederlandse gemeenten hebben zich aan de afspraken uit dit kader verbonden. Dit betekent dat gemeenten zorgdragen dat iedere buitenlandse plaatsing volgens de criteria van dit afsprakenkader geschiedt.»
Hebt u ook gelezen dat dat deze jongeren stiekem eten aten dat voor dieren was bedoeld, geen wc tot hun beschikking hadden in de nacht, werden opgesloten, rotklussen moesten doen en werden vernederd? Hoe kan het dat deze ernstige misstanden niet eerder ergens zijn opgepakt door de verantwoordelijke organisaties of anderen?
Ja, ik ben erg geschrokken van deze berichten. Jongeren moeten in een veilige omgeving hulp kunnen krijgen, ook als deze hulp in het buitenland wordt gegeven. De verplichte procedure via de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden is in deze situatie niet gevolgd. Als deze verplichte procedure en het Afsprakenkader niet worden gevolgd, dan is er geen zicht op deze jongeren en zijn de mogelijkheden om effectief toezicht te houden en op te treden wanneer de veiligheid van jongeren in het geding is beperkt, aangezien de IGJ geen toezicht houdt in het buitenland.
Kunt u verklaren waarom er niet eerder is ingegrepen bij Force en Soi? Waar is dit misgegaan? Zijn er de afgelopen jaren signalen binnen gekomen bij gemeenten, hulporganisaties en de Franse of Nederlandse Inspectie? Zo ja, wat is er gedaan met deze signalen?
De IGJ heeft mijn ministerie gemeld dat zij recentelijk is geïnformeerd door betrokken Nederlandse zorgaanbieders en Franse autoriteiten over het intrekken van de vergunning van Force en Soi. De IGJ kan niet ingaan op individuele casuïstiek of meldingen.
Klopt het dat de IGJ formeel geen rol heeft bij jeugdhulp in het buitenland, maar de toezichthouder in het betreffende land? Welke afspraken zijn hierover gemaakt?
Ja, dat klopt. Om het toezicht in het buitenland te regelen voor Nederlandse jongeren dient de verplichte procedure bij de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden te worden gevolgd. De IGJ is niet bevoegd om toezicht te houden in het buitenland. Als er jeugdhulp wordt geboden in het buitenland, dan moet de aanbieder die dit aanbiedt of gemeente die dit inkoopt hierover afspraken maken met de lokale toezichthouder en er moet op nationaal niveau toestemming zijn van het ontvangende land. De IGJ moet geïnformeerd worden over welke lokale toezichthouder toezicht houdt.
Wat is precies de status van het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod dat door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Platform aanbieders in het buitenland en de IGJ is opgesteld? Klopt het dat er ook aanbieders die geen lid zijn van dit platform kinderen in het buitenland mogen plaatsen?
Het Afsprakenkader bevat afspraken die zijn opgesteld door het Platform Jeugdhulp in het buitenland, de IGJ en de VNG om de kwaliteit van de in het buitenland geboden jeugdhulp te kunnen waarborgen. Het is de bedoeling dat met dit Afsprakenkader kwaliteitstandaarden voor jongeren die in het buitenland jeugdhulp krijgen geborgd worden wanneer een jongere, onder verantwoordelijkheid van een Nederlandse jeugdhulpaanbieder, in het buitenland jeugdhulp ontvangt. De VNG adviseert haar leden om bij trajecten in het buitenland alleen jeugdhulp in te kopen bij organisaties die zich aan het Afsprakenkader houden. Momenteel wordt het Afsprakenkader herzien en verbeterd.
Het klopt dat aanbieders die geen lid zijn van dit platform kinderen in het buitenland mogen plaatsen. In het Afsprakenkader staat dat jeugdhulpaanbieders die zich aansluiten bij het Platform Jeugdhulp in beginsel moeten voldoen aan de kwaliteitsvereisten genoemd in het Afsprakenkader. Wanneer een jeugdhulpaanbieder zich niet aansluit bij het Platform Jeugdhulp, dan is het aan de betrokken gemeente het gesprek te voeren met de jeugdhulpaanbieder die zij heeft gecontracteerd over hoe de kwaliteitsvereisten geborgd worden.
Deelt u de mening dat het afsprakenkader op geen enkele wijze aandacht heeft voor de rechtspositie en rechtsbescherming van jongeren? Hoe verklaart u het dat hier zo weinig aandacht voor is, en er zo weinig geleerd lijkt te zijn van de vele rapporten die de schadelijke gevolgen van repressie en afzondering duidelijk maken?
Kinderen horen veilig te zijn in de jeugdhulp en zij verdienen kwalitatief goede zorg. Ik ga in gesprek met de IGJ en de VNG over hoe dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen. Daarnaast wordt het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod Jeugd herzien en verbeterd. Ik zal bij partijen benadrukken dat daarin ook aandacht moet zijn voor de rechtspositie en rechtsbescherming van jongeren. Ook wil ik dat er meer aandacht komt voor de verplichte procedure van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden.
Wordt aan jongeren die in het buitenland worden geplaatst expliciet kenbaar gemaakt dat ze recht hebben op een vertrouwenspersoon? Zo nee, hoe rijmt dit met de Jeugdwet en Kinderrechten?
Het is aan plaatsende jeugdhulpaanbieders om hierop toe te zien dat dit gebeurt. Plaatsende jeugdhulpaanbieders dienen de Jeugdwet en kinderrechten in acht te nemen.
Deelt u de mening dat deze misstanden vragen om aanpassing van het afsprakenkader om de positie van kinderen te beschermen? Maar ook om beter toezicht? Zo ja, gaat u dit oppakken met de VNG en de IGJ?
Zie ook het antwoord bij vraag 8: het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod Jeugd wordt herzien en ik ga in gesprek met de IGJ en de VNG over hoe dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen.
Het bericht 'Jongeren vatbaar voor ‘snel geld’' |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongeren vatbaar voor «snel geld»», waarin wordt beschreven hoe jongeren via sociale media worden geronseld voor criminele activiteiten?1
Ja.
Deelt u de zorg dat met name kwetsbare jongeren, waaronder jongeren die al in beeld zijn of zouden moeten zijn bij jeugdzorg of wijkteams, extra vatbaar zijn voor deze vorm van online ronseling?
Ik deel de zorgen over de vatbaarheid van kwetsbare jongeren om (online) geronseld te worden. Jongeren en jongvolwassenen in een kwetsbare positie, zoals jongeren met een licht verstandelijke beperking, hebben een verhoogd risico om in te gaan op verzoeken. Veel jongeren overzien de langetermijngevolgen van hun acties nog niet goed. Dit maakt het des te belangrijker dat jongeren, ook online, weerbaar zijn voor dit soort praktijken. Dit vraagt ook om een combinatie van mediawijsheid, alsmede betrokkenheid van ouders bij de online activiteiten van hun kinderen.
In hoeverre heeft u gezamenlijk zicht op de omvang van online ronseling van minderjarigen voor criminele activiteiten?
Er is momenteel, bijvoorbeeld bij jeugdzorg of lokale wijkteams, geen gezamenlijk zicht op hoeveel jongeren online worden geronseld. Ronselaars hoeven slechts één oproep te plaatsen om grote aantallen jongeren te bereiken. Daarbij komt dat jongeren zelf terughoudend zijn in het melden van criminele uitbuiting bij de politie of andere instanties. Daarom wordt door het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) een onderzoek uitgevoerd naar de meldingsbereidheid van slachtoffers van criminele uitbuiting. De eerste inzichten uit dit onderzoek worden in de zomer van 2026 opgeleverd en gedeeld met gemeenten en andere partners binnen het preventieveld via bijvoorbeeld de digitale vindplaats van Preventie met Gezag (PmG) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV).
Daarnaast financiert het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanuit PmG het online hulpportaal «Keerpunt». Keerpunt biedt online hulpverlening aan jongeren die het slachtoffer zijn van criminele uitbuiting of vastzitten in de criminaliteit. Ook kunnen mensen uit de omgeving van een jongere bij Keerpunt terecht wanneer zij zich over diegene zorgen maken. Uit het jaarrapport van Keerpunt blijkt dat online rekrutering met name via sociale media platformen zoals Snapchat, Telegram en Instagram plaatsvindt. Het specifieke aantal is, zoals eerder benoemd, echter onbekend.
Om meer inzicht te krijgen in de modus operandi van online rekruteren wordt op dit moment in opdracht van JenV en het CKM een cyclisch onderzoek uitgevoerd op Telegram en Snapchat. Inzichten uit dit onderzoek worden omgezet naar een handzame factsheet en worden halfjaarlijks gedeeld met de gemeenten, zorg-, sociaal en veiligheidspartners en opsporingsdiensten. De eerste landelijke factsheet wordt voor de zomer van 2026 verwacht.
Klopt het dat jongeren vaak beginnen met ogenschijnlijk kleine en laagdrempelige klusjes, maar vervolgens via druk, chantage en intimidatie worden vastgezet in zwaardere criminaliteit?
Landelijke cijfermatige onderbouwing van deze aanname ontbreekt. De eerdergenoemde onderzoeken zullen hier meer zicht op geven.
In hoeverre is het huidige jeugdzorgstelsel zó ingericht dat signalen van criminele verleiding, online ronseling en normvervaging bij jongeren structureel en tijdig worden opgepikt en welke randvoorwaarden (zoals informatie-uitwisseling, capaciteit en expertise) spelen daarbij een rol?
Het jeugdzorgstelsel is gedecentraliseerd, waarbij gemeenten op basis van de jeugdwet volledig verantwoordelijk zijn voor de organisatie van alle jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. De uitvoering gebeurt door het inkopen van zorg bij jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen of via lokale wijkteams.
Bij bewustwording over en het signaleren van normvervaging en afglijden van jongeren in een kwetsbare positie naar criminaliteit, spelen de werkgevers in het jeugdzorgstel een belangrijke rol, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de (bij)scholing en professionalisering van hun werknemers die jongeren begeleiden.
Jeugdprofessionals worden hierbij onder andere geholpen door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Onlangs heeft het CCV voor professionals een lijst met «rode vlaggen» gepubliceerd. In deze lijst staan risicosignalen, zowel in de online als offline wereld, die erop kunnen wijzen dat een jongere afglijdt naar de criminaliteit.
In hoeverre worden jeugdzorgprofessionals en andere betrokken hulpverleners structureel geschoold in het herkennen van signalen van criminele uitbuiting en online ronseling van jongeren en in hoeverre wordt daarbij aangesloten bij bestaande expertise en werkwijzen, zoals die zijn ontwikkeld in de aanpak van loverboys en mensenhandel?
In het kader van het Actieplan Samen tegen Mensenhandel werken Defence for Children-ECPAT, Rode Kruis en FIER aan meer inzicht en bewustwording bij professionals gericht op de signalering en bewustwording van jeugdige slachtoffers van mensenhandel. Door middel van een campagne, (#GeenBuit) e-learning (BUIT) en een verdiepende (maatwerk) training zijn in totaal circa 200.000 professionals bereikt in de jeugdzorg, de migratieketen, politie, welzijn en onderwijs. Sinds april 2025 is aanvullend ingezet op bewustwording en signalering van mensenhandel op scholen (het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs) onder de noemer «Uitbuiting (niet) op school». Het aanbod bestaat uit een maatwerktraining, toolkit en vernieuwde signalenkaart.
Deze interventies zijn onderdeel van de brede aanpak van mensenhandel, gecoördineerd vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zo richt de eerder genoemde interventie die zorgt voor inzicht en bewustwording bij professionals op het gebied van jeugdige slachtoffers van mensenhandel zich op zowel criminele uitbuiting als seksuele uitbuiting. Op deze manier wordt aansluiting gezocht bij bestaande expertise en werkwijzen.
Hoe is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd tussen politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk wanneer signalen bestaan dat jongeren online worden benaderd voor criminele activiteiten en waar worden in de praktijk knelpunten ervaren?
Gemeenten geven lokaal invulling aan de samenwerking tussen partijen als politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk. Afhankelijk van de lokale verschillen is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd. Een goede samenwerking en uitwisseling van signalen van bovenstaande partijen is belangrijk om preventief en repressief signalen van ronselen te herkennen.
PmG draagt bij aan het versterken van de lokale domein-overstijgende samenwerking tussen het sociaal domein (gemeenten, zorg- en onderwijspartners) en justitiepartners op het gebied van preventie. Doel is hierbij om te voorkomen dat jongeren in aanraking komen met justitie danwel doorgroeien in de criminaliteit. In iedere PmG-gemeente vinden er multidisciplinaire casusoverleggen plaats, bijvoorbeeld signaal-overleggen op scholen in het kader van de veiligheid rond en om school in gemeenten, (preventieve) persoonsgerichte aanpakken en/of aanpak van complexe problematiek in een Zorg- en Veiligheidshuis. Afhankelijk van de casuïstiek sluiten verschillende partners aan, zoals jongerenwerkers, school, politie, reclassering en gemeente.
Het is belangrijk om tijdig signalen te delen om verder afglijden te voorkomen. Om die reden wordt in opdracht van de Minister van Justitie en Veiligheid gewerkt aan een handreiking om gemeenten meer houvast te geven bij het organiseren van vroegsignalering die rechtmatig, zorgvuldig en met oog voor de rechten van jongeren en hun ouders wordt uitgevoerd. De verwachting is dat deze in de eerste helft van 2026 gereed zal zijn en beschikbaar komt voor alle gemeenten.
In antwoord op Kamervragen ten behoeve van het schriftelijk overleg Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september 2025 is op het punt van het delen van informatie uitgebreid ingegaan.2
Acht u de huidige strafrechtelijke mogelijkheden en handhavingsinstrumenten voldoende effectief om ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten op te sporen en hard aan te pakken? Zo nee, waar schieten deze volgens u tekort?
Voor zover ik nu kan bezien, voldoen het strafrecht en de handhaving in de aanpak van criminele ronselaars. Mij zijn geen signalen bekend dat het strafrechtelijk kader in concrete gevallen niet toereikend is om personen die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten strafrechtelijk aan te pakken. Het OM en de politie bevestigen het beeld dat zij over voldoende handvatten beschikken om de daders die zich hieraan schuldig maken op te sporen en aan te pakken. Belangrijk is dat de Officier van Justitie per geval bepaalt voor welke feiten vervolging kan worden ingesteld, aan de hand van de individuele omstandigheden.
Ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten kunnen zich schuldig maken aan criminele uitbuiting, een vorm van mensenhandel die strafbaar is gesteld in artikel 273f, vijfde lid, onder e, Sr, waar specifiek de «uitbuiting van een persoon bij het verrichten van strafbare activiteiten» is opgenomen. Criminele uitbuiting houdt in dat iemand wordt gedwongen tot het begaan van strafbare feiten. Voor mensenhandel is steeds vereist dat de ronselaar of opdrachtgever de intentie had om de jongere bij het uitvoeren van het strafbare feit uit te buiten. Of sprake is van criminele uitbuiting hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval, waarbij wordt gekeken naar de aard en duur van de strafbare activiteit, de beperkingen voor de betrokkene en (in mindere mate) het economische voordeel van degene die de jongere heeft aangezet tot het plegen van het strafbare feit.
Afhankelijk van de omstandigheden zijn er daarnaast verschillende mogelijkheden om deze groep strafrechtelijk aan te pakken. Een ronselaar of opdrachtgever kan een minderjarige opzettelijk uitlokken tot het plegen van een strafbaar feit en is strafbaar als de minderjarige ook daadwerkelijk overgaat tot uitvoering. Een minderjarige kan bijvoorbeeld tegen betaling een explosief in de nabijheid van een woning plaatsen; dan kan sprake zijn van het uitlokken van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met gevaar voor personen of goederen, strafbaar op grond van artikel 157 in verbinding met artikel 47 Sr. Ook het proberen uitlokken van een minderjarige tot het plegen van een misdrijf, ongeacht of het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is strafbaar op grond van artikel 46a Sr.
Hoe wordt voorkomen dat geronselde minderjarigen primair repressief worden benaderd, terwijl onderliggende problematiek zoals armoede, schulden, gezinsproblematiek of perspectiefloosheid onbehandeld blijft?
Het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en PmG zetten in op het mitigeren van risicofactoren en het bevorderen van beschermende factoren om te voorkomen dat jongeren in een kwetsbare positie met criminaliteit in aanraking komen, afglijden of doorgroeien in de criminaliteit. Dit doen we in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Dit wordt gecombineerd met het stellen van grenzen die aan jongeren die dreigen in de criminaliteit te belanden danwel doorgroeien. De inzet van PmG sluit aan op de inzet vanuit het NPLV, waar langjarig wordt ingezet op het tegengaan van armoede, het vergroten van de gezondheid en het creëren van veilige en leefbare wijken. De lessen van het NPLV worden breder gedeeld met andere gemeenten. Zie ook de Kamervragen zoals eerder benoemd.3
Acht u het wenselijk om preventieve campagnes en opsporingsmethoden, zoals het inzetten van (digitale) lokmiddelen door politie en gemeenten, landelijk te versterken en structureel te maken?
De auteurs van het landelijk kwaliteitskader «Effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit» concluderen dat er weinig tot geen wetenschappelijk bewijs is dat universele voorlichtings- en educatieprogramma’s bijdragen aan het voorkomen van criminaliteit onder jongeren, terwijl de kans op schadelijke effecten relatief groot is.4 Daarom is terughoudendheid bij de inzet van (brede) campagnes op zijn plaats.
Lokmiddelen zijn zware opsporingsmiddelen. Het werken met een lokmiddel of lokpersoon is complex en vergt veel capaciteit. Bovendien bestaat het risico dat bij de inzet van lokmiddelen de grens tussen lokken en uitlokken wordt overschreden. Vanuit proportionaliteit en subsidiariteit zetten opsporingsdiensten ze daarom terughoudend in, vooral wanneer andere methoden onvoldoende resultaat opleveren.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige wet- en regelgeving binnen zowel het strafrecht als de jeugdzorg voldoende ruimte biedt voor vroegtijdig ingrijpen en de Kamer hierover te informeren?
We hebben momenteel voldoende instrumenten in handen om samen te kunnen werken, zowel aan de preventieve als aan de strafrechtelijke kant. Gemeenten zetten in om zo vroeg mogelijk kinderen, jongeren en gezinnen in een kwetsbare positie kansen te bieden. Waar nodig bieden zij passende jeugdhulp. Denk hierbij bijvoorbeeld aan opvoedondersteuning aan ouders en forensische jeugdhulp aan jeugdigen. Het is aan gemeenten om te zorgen voor voldoende passend aanbod. Professionals kunnen bij de keuze voor een passende interventies o.a. gebruik maken van de Richtlijn Ernstige gedragsproblemen.5
Het strafrecht wordt pas ingezet op het moment dat er een strafrechtelijk feit is begaan. In geval van vroegsignalering is hier geen sprake van. Politie kan wel signalen opvangen dat jongeren afglijden in de criminaliteit. Zij kunnen ook samenwerken met scholen of (preventief) doorverwijzen naar jeugdhulp, gemeenten en reclassering. Ik werk voortdurend aan de verbetering van deze samenwerking, bijvoorbeeld door knelpunten in de gegevensdeling tussen gemeenten en justitiepartners op te lossen met de Taskforce Gegevensdeling.
Het bericht 'Steeds meer jongeren verslaafd aan online gokken: “In mbo-klassen steken bijna alle jongens hun hand op' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Steeds meer jongeren verslaafd aan online gokken: «In mbo-klassen steken bijna alle jongens hun hand op»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de trend dat steeds meer jongeren, waaronder minderjarigen, verslaafd zijn aan online gokken in het licht van de legalisering van online gokken in 2021?
Er zijn geen precieze cijfers over het aantal jongeren dat verslaafd is geraakt aan online gokken sinds 2021. In 2024 was 18% van het aantal mensen dat in behandeling is voor gokverslaving jonger dan 25 jaar.2 Dat vind ik zorgelijk. Jongeren, in het bijzonder minderjarigen, behoren tot een kwetsbare groep die extra gevoelig is voor de verleidingen van gokken. Daarom is mijn beleidsinzet er in het bijzonder op gericht om jongeren beter te beschermen tegen de risico’s van gokken.
Bent u het ermee eens dat legalisatie van online gokken eraan heeft bijgedragen dat gokken onder (minderjarige) jongeren genormaliseerd is en er sprake is van een aanzuigende werking? Zo nee, waarom niet?
Het is niet uitgesloten dat de legalisering, naast andere factoren zoals toegankelijkheid van online diensten, heeft bijgedragen aan de normalisering van online gokken. Het is bekend dat er in de afgelopen jaren meer jongeren, waaronder minderjarigen, online zijn gaan gokken.3 Om dit tegen te gaan zetten de Kansspelautoriteit (Ksa) en ik in op voorlichting over de risico’s van online gokken en het tegengaan van normalisering van deelname aan risicovolle kansspelen.
Op welke manier kan volgens u een cultuurverandering ingezet worden voor jonge jongens om het inzetten van geld op voetbalwedstrijden te denormaliseren?
Denormalisatie is een complex proces waarbij onder andere de sociale omgeving een belangrijke rol speelt.4 Bewustwordingsactiviteiten kunnen eraan bijdragen om jongeren en hun omgeving bewust te maken van de risico’s van sportweddenschappen en hen te laten nadenken of deelname aan deze kansspelen verstandig is. Met dit doel heeft de Ksa bijvoorbeeld al een campagne opgezet vanuit het Verslavingspreventiefonds rondom de sportzomer in 2024. In 2026 zet de Ksa via het Verslavingspreventiefonds opnieuw in op bewustwordingscampagnes. Ook worden bestaande campagnes, bijvoorbeeld de campagne om aandacht te vragen voor de Gokstop, verder uitgebreid. Daarnaast heeft de Ksa in september 2025 het consumentenplatform OpenOverGokken gelanceerd, een platform waar verschillende doelgroepen terechtkunnen voor informatie over gokken én voor informatie over hulp bij problemen door gokken. Begin van dit jaar is de publiekscampagne van OperOverGokken begonnen. Deze activiteiten maken ook onderdeel uit van de meerjarenagenda bescherming tegen gokschade die op dit moment in ontwikkeling is. Preventie ten aanzien van minderjarigen en jongvolwassenen vind ik daarbij van bijzonder groot belang. Voetbalclub Roda JC heeft, in samenwerking met de Ksa, het initiatief genomen voor de campagne «Wat kost je winst»?. De club vraagt daarmee aandacht voor het feit dat jongeren het steeds normaler vinden deel te nemen aan sportweddenschappen en de gevolgen daarvan. Eenmalig speelden de spelers met «min-rugnummers».5 Ik juich dit initiatief van harte toe.
Bent u het ermee eens dat de KNVB ook een verantwoordelijkheid heeft om de zorgelijke cijfers van voetbalgerelateerde gokverslavingen onder jonge jongens te mitigeren? Zo nee, waarom niet?
Hoewel de KNVB geen formele verantwoordelijkheid heeft in het voorkomen en tegengaan van gokverslaving onder jonge jongens kan zij hier als maatschappelijke organisatie wel een rol in spelen, bijvoorbeeld in de keuze om al dan niet een overeenkomst aan te gaan met een kansspelaanbieder. In dat kader merk ik op dat sportsponsoring door loterijen toegestaan is. Tegelijkertijd betekent het feit dat iets volgens de wet mag, niet dat die wettelijke ruimte moet
worden benut. Zoals mijn voorganger heeft aangegeven in antwoorden op eerdere Kamervragen zie ik geen aanleiding om hier een gesprek met de KNVB over te voeren.6
Bent u het ermee eens dat de keuzes van de KNVB om het gokbedrijf «Eurojackpot» uit te kiezen als nieuwe hoofdsponsor en de naamgeving van het KNVB bekertoernooi als «Eurojackpot-KNVB beker» uiterst ongelukkig zijn? Bent u bereid daarover het gesprek met de KNVB aan te gaan?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat een totaalverbod op online gokreclames kan helpen in het denormaliseren van online gokken, vooral voor jongvolwassenen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven is normalisatie van online gokken een complex proces waarbij de sociale omgeving een belangrijke factor is. Reclame speelt ook een rol. Als het gaat om reclame in de online omgeving moet daarnaast in aanmerking worden genomen dat deze op dit moment voor een groot deel bestaat uit reclame voor illegaal aanbod. Dan gaat het om reclame via social media zoals Facebook of TikTok onder andere door influencers. Het bestrijden van dat soort ongewenste reclames wordt niet geraakt door de maatregelen in het reguleren van de reclame voor het legale aanbod. Hiervoor is meer inzet op handhaving van illegaal aanbod nodig. Bij de afweging hoe verstrekkend een reclameverbod voor vergunde online kansspelen moet zijn moet hiermee rekening worden gehouden.
Hoe wordt op dit moment opgetreden tegen influencers die reclame maken voor online goksites?
De inzet van rolmodellen, zoals influencers, bij reclame voor vergunde online kansspelen is verboden. De Ksa heeft in dat kader recentelijk een aanbieder aangesproken.7 Reclame door influencers voor illegaal aanbod is uiteraard ook verboden. De Ksa houdt toezicht en treedt op tegen overtredingen. De Ksa heeft eerder influencers die reclame maakten voor een illegale kansspelaanbieder een last onder dwangsom opgelegd.8 In de toezichtagenda 2026 geeft de Ksa aan dat zij zich komend jaar extra richt op toezicht op reclame en dat zij extra capaciteit inzet op het frustreren van illegale infrastructuur, in samenwerking met onder andere sociale mediabedrijven.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Kansspelautoriteit om hardere sancties in te voeren voor aanbieders die leeftijdsverificatie omzeilen of niet kunnen garanderen, zoals het direct offline halen van de site en het intrekken van de vergunning?
De Ksa treedt op in het geval dat een vergunde kansspelaanbieder niet voldoet aan de strenge eisen voor leeftijdsverificatie. In gevallen dat de leeftijdsverificatie omzeild wordt bij legale aanbieders gebeurt dit echter vaak via accounts van volwassen kennissen, familie en vrienden. Bij het illegale aanbod kan de leeftijdsverificatie volledig ontbreken of niet voldoende worden gedaan. Daarom vind ik het belangrijk om juist ook in te zetten de aanpak van illegaal aanbod en op denormalisatie van online gokken bij minderjarigen, zodat zij überhaupt niet online willen gaan gokken.
Hoeveel mensen kampen naar schatting op dit moment met een online gokverslaving sinds 2021?
Cijfers over het aantal mensen dat kampt met specifiek een online gokverslaving zijn er niet. Het aantal mensen in behandeling voor gokverslaving is opgenomen in de Kerncijfers verslavingszorg 2015–2024.9 Na een daling tussen 2018 en 2022 neemt sinds 2023 het aandeel en het aantal personen in de verslavingszorg met als primaire problematiek gokken toe. In 2024 waren 2700 personen in behandeling voor gokproblematiek. Dat deze cijfers zijn gestegen kan verschillende oorzaken hebben. Het is bekend dat het aantal spelers sinds 2021 is toegenomen. Sinds 2021 is er ook meer aandacht voor gokproblematiek en hulp en ondersteuning daarbij.
Wat is volgens u de reden dat sinds 2021 de verslavingscijfers van online gokken zijn gestegen?
Zie antwoord vraag 10.
Op welke manier kunt u ervoor zorgen dat jongeren met problematisch online gokgedrag zich sneller melden bij hulporganisaties?
De inzet op bescherming tegen de risico’s van gokken is een speerpunt van mijn beleid. In mijn antwoord op vraag 4 ben ik in gegaan op de inzet om jongeren bewuster te maken van de risico’s van gokken en de beschikbare hulp en ondersteuning.
Bent u bereid om meer preventieve maatregelen te nemen om jongeren de gevaren van online gokken te laten inzien en ervoor te zorgen dat online gokken niet wordt genormaliseerd onder jongeren? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u van mening dat het versterken van preventieprogramma’s voor online gokken op scholen hierin effectief kan zijn?
Ik vind dat preventieprogramma’s voor online gokken op scholen effectief kunnen zijn. Tegelijkertijd is wel van belang dat dit met zorgvuldigheid wordt vormgegeven om jongeren niet op ideeën te brengen of af te schrikken om hulp te zoeken. Daarom moet naast de jongere zelf ook de omgeving van de jongere worden betrokken bij preventieprogramma’s. Via het Verslavingspreventiefonds dat de Ksa beheert wordt reeds het programma Helder op school uitgebreid met het thema gokken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de begroting van Justitie en Veiligheid?
Ik heb deze vragen zo snel als mogelijk beantwoord. Dat is helaas niet gelukt voor de behandeling van de begroting van Justitie en Veiligheid.
Voedselpakketten voor Amsterdamse studenten vanwege toenemende armoede |
|
Fatihya Abdi (PvdA), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Moes , Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voedselpakketten voor Amsterdamse studenten vanwege toenemende armoede: «Ik sla weleens een maaltijd over»»?1
Ja.
Waren deze signalen bij u bekend?
Deze signalen waren bij mij niet bekend. Wel blijkt uit eerdere onderzoeken dat sommige studenten moeite hebben met rondkomen. Uit het Nibud Studentenonderzoek 2024 blijkt bijvoorbeeld dat ruim 20% van de mbo-studenten en 12% van de hbo-/wo-studenten betalingsachterstanden heeft. Ook gaf 9% van de hbo- en wo- studenten, 12% van de mbo bol-studenten en 10% van de mbo bbl-studenten aan veel moeite te hebben met rondkomen.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat steeds meer studenten de noodzaak voelen te kiezen tussen het betalen van collegegeld, zorgpremie, huur of de boodschappen?
Ja, we vinden het zorgelijk als studenten niet kunnen voorzien in de basale kosten voor studie en levensonderhoud. Alhoewel uit het Nibud Studentenonderzoek van 2024 naar voren komt dat studenten over het algemeen gemakkelijk rond kunnen komen en dat is verbeterd ten opzichte van eerdere jaren, blijkt ook uit andere onderzoeken dat er studenten zijn voor wie dat niet geldt.
Wat is uw reactie op het onderzoek van State of Youth NL waaruit blijkt dat niet alleen studenten, maar ruim 80 procent van de 12- tot 29-jarigen in het algemeen stress ervaart als gevolg van geldproblemen en bijna twee derde moeite heeft om rond te komen?
Dat er zo veel jongeren zijn die stress ervaren door geldproblemen is reden tot zorg. Het is belangrijk dat jongeren leren met geld om te gaan en te voorzien in hun onderhoud. Uit het onderzoek van State of Youth (wat breder is dan studenten) komt ook naar voren dat jongeren soms meer geld uitgeven dan ze van plan waren, omdat ze het moeilijk vinden om de druk te weerstaan om onnodige dingen te kopen en sociale activiteiten te ondernemen. Ook weten jongeren vaak niet waar ze hulp kunnen vinden bij geldzorgen.
Voor studenten geldt dat het voorzien in de kosten van studie en levensonderhoud een gedeelde verantwoordelijkheid is van de student zelf, de ouders en de overheid. Studenten kunnen een bijbaan nemen, sparen of lenen en van ouders wordt ook een financiële bijdrage verwacht. Voor studenten van ouders met een minder toereikend inkomen is een aanvullende beurs beschikbaar. De overheid draagt bij met de basisbeurs en het studentenreisproduct.
Om jongeren financieel weerbaarder te maken, zet de overheid onder andere in op financiële educatie, mediacampagnes en laagdrempelige ondersteuning bij geldzorgen, in en buiten onderwijsinstellingen. In de Voortgangsrapportage over het Nationaal Programma Armoede en Schulden, die binnenkort aan uw Kamer wordt aangeboden, staat hierover meer. Ook is het hebben en behouden van werk belangrijk. Het kabinet heeft besloten om vanaf 2027 het minimumjeugdloon voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar te verhogen.
Om jongeren die dat nodig hebben te begeleiden van school naar werk en bij het behoud van werk, is de wet- en regelgeving van school naar duurzaam werk per 1 januari 2026 in werking getreden. En gemeenten kunnen maatwerk toepassen bij de re-integratie en inkomensondersteuning voor jongeren die in een kwetsbare positie zitten2.
Heeft u inzicht in hoeveel studenten genoodzaakt zijn zich te wenden tot reguliere voedselbanken omdat ze te weinig geld overhouden voor de boodschappen?
Nee, dit wordt niet geregistreerd.
Hoe ziet u dit nieuws in het licht van onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam (HvA), waaruit blijkt dat geldzorgen negatieve invloed op de studieresultaten en het privéleven van studenten hebben?2
Welzijn wordt, zowel positief als negatief, beïnvloed door veel verschillende factoren. Financiële stress kan inderdaad een negatieve invloed hebben op het welzijn van studenten blijkt uit onderzoek4. Dit is zorgelijk. Het is daarom belangrijk dat studenten leren op een verantwoordelijke wijze met geld om te gaan en dat studenten die geldzorgen hebben zo vroeg mogelijk hulp krijgen, bij hun onderwijsinstelling of daarbuiten (zie vraag 4 en 8).
Deelt u de zorgen over de onderzoeksresultaten van de HvA waaruit blijkt dat 22 procent van de studenten niet alleen geldzorgen heeft, maar ook nog eens achterstallige rekeningen waarvoor weer driekwart van de studenten geen betalingsregeling heeft getroffen? Heeft u in beeld hoe groot deze problemen onder studenten van andere instellingen zijn?
Het is zorgelijk dat zoveel studenten een betalingsachterstand hebben. We hebben geen cijfers per onderwijsinstelling, maar uit het Nibud Studentenonderzoek uit 2024 komt een vergelijkbaar beeld naar voren wat betreft het deel van de studenten dat een betalingsachterstand heeft. Het is daarom belangrijk dat studenten die geldzorgen hebben zo vroeg mogelijk hulp krijgen bij geldzorgen, zodat betalingsachterstanden worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het kosteloos aanbieden van budgetcoaches voor financiële hulp en begeleiding geen extra kostenpost voor onderwijsinstellingen zou moeten zijn, zoals nu bij de HvA het geval is, maar voor alle studenten van alle instellingen toegankelijk moet zijn, zeker omdat dit het risico op financiële problemen later in het leven vermindert en voorkomt dat problemen verergeren?
Onderwijsinstellingen zijn niet verantwoordelijk voor het aanbieden van financiële hulp. Verantwoord met geld omgaan is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de student zelf. Instellingen kunnen wel problemen signaleren bij studenten en hen op de juiste manier verwijzen of laagdrempelige hulp bieden. Er zijn diverse gratis hulproutes beschikbaar, bij de gemeente, vrijwilligers, Geldfit (website, bellijn, whatsapp, chat, mail) en andere organisaties.
Daarnaast zijn er ook voorbeelden van onderwijsinstellingen die (bijvoorbeeld vanuit de subsidieregeling «Financiële educatie voor onderwijsinstellingen») de samenwerking hebben gezocht met hun lokale gemeente en op die manier budgetcoaches op school inzetten om financiële begeleiding aan studenten met geldzorgen te bieden.
Zijn er acties ondernomen naar aanleiding van de resultaten van Europees onderzoek dat in januari 2022 met de Kamer is gedeeld waaruit blijkt dat studenten eerder op zichzelf gaan wonen als hun ouders een krappe portemonnee hebben, en studenten op kamers weer vaker financiële zorgen dan thuiswoners hebben?34
Er zijn de afgelopen jaren verschillende maatregelen genomen die de financiële situatie van uitwonende studenten hebben verbeterd. In studiejaar 2023–2024 is de basisbeurs opnieuw ingevoerd voor hbo- en wo-studenten, waarmee zowel
thuiswonende als uitwonende hbo- en wo-studenten een hogere bijdrage van de overheid ontvangen. Daarnaast is vanaf 1 januari 2026 de leeftijdsgrens voor de huurtoeslag verlaagd van 23 naar 21 jaar. Hierdoor komt een groter deel van de uitwonende studenten in aanmerking voor huurtoeslag. Deze maatregelen hebben de financiële situatie van uitwonende studenten flink verbeterd.
Deelt u de mening dat de financiële situatie van ouders geen invloed zou mogen hebben op de studieperiode van hun kinderen?
Studeren moet voor iedereen toegankelijk zijn, ongeacht de financiële situatie van de ouders. Als het inkomen van de ouders niet toereikend is om een financiële bijdrage te leveren, dan hebben studenten recht op een aanvullende beurs, naast de basisbeurs. Minderjarige mbo bol-studenten kunnen een tegemoetkoming krijgen uit het mbo-studentenfonds, als ze onvoldoende middelen hebben om lesmiddelen aan te schaffen.
Is een basisbeurs van 130,21 euro per maand voor thuiswonenden en 324,52 euro per maand voor uitwonenden wat u betreft voldoende om de kosten te dekken, zeker met de stijgende kosten voor huur- en levensonderhoud? Deelt u de mening dat een bijbaan dit verschil niet zomaar kan overbruggen?
In het antwoord op vraag 4 gaf ik al aan dat de kosten van studie en levensonderhoud van studenten worden gedragen door de student, ouders en de overheid. Uit het Nibud Studentenonderzoek van 2024 bleek verder dat ongeveer 90% van de studenten aangeeft financieel (goed) rond te kunnen komen. Daarom heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in 2024 in de Kamerbrief over de financiële positie van studenten7 – op basis van de voorbeeldbegrotingen8 van het Nibud voor uitwonende studenten – geconcludeerd dat deze studenten in principe over voldoende middelen beschikken om in de minimale kosten van studeren en levensonderhoud te voorzien. Daarbij is wel uitgegaan van de gemiddelde kamerhuur, dat studenten een bijbaan hebben en een bijdrage van de ouders of aanvullende beurs ontvangen. Voor studenten die niet werken of een veel hogere huur betalen kan het lastiger zijn om in die kosten te voorzien.
In 2026 zal het Nibud opnieuw een Studentenonderzoek uitvoeren en de voorbeeldbegrotingen aanpassen naar de huidige situatie. Dit onderzoek wordt tweejaarlijks uitgevoerd. We blijven daarmee de financiële situatie van studenten monitoren.
Welke stappen onderneemt u of gaat u ondernemen om de geldstress onder jongeren en studenten naar beneden te brengen?
Zie het antwoord op vraag 4. De aanpak van geldzorgen van jongeren is onderdeel van het Nationaal Programma Armoede en Schulden. In de voortgangsrapportage over dat programma, die binnenkort aan uw Kamer wordt aangeboden, wordt uw Kamer op de hoogte gehouden van nieuwe ontwikkelingen.
Diplomafraude in de jeugdzorg |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: «Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen»«?1
Ja.
Deelt u de ernstige zorgen over de omvang van de diplomafraude in de jeugdzorg, waarbij volgens Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) mogelijk circa 800 personen werkzaam zijn met een vervalst ervaringscertificaat (EVC) en een deel van hen kwetsbare kinderen ronselt voor criminele activiteiten?
Ja. Het is onacceptabel dat onbekwame mensen zorg verlenen, zeker aan kinderen en jongeren in kwetsbare situaties. Iedereen die zorg of hulp ontvangt moet ervan uit kunnen gaan dat zorgverleners over de juiste kwalificaties beschikken. Fraude en criminaliteit in de zorg zijn ernstig, onaanvaardbaar en moeten stevig worden aangepakt.
Hoe wordt concreet gecontroleerd of de EVC’s waarmee huidige professionals werken authentiek zijn en niet frauduleus verkregen? Wie is hiervoor verantwoordelijk, en welke bevoegdheden zijn daarvoor beschikbaar?
Uit de steekproef van SKJ blijkt bij 18 van de 22 EVC-aanbieders onregelmatigheden in de EVC-trajecten voor te komen. Daarom heb ik vorig jaar met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek. Hiermee heeft SKJ de steekproef kunnen financieren en kunnen starten met het onderzoek van andere EVC-dossiers. Het Nationaal Kenniscentrum EVC (NKC) fungeert als toezichthouder van het EVC-stelsel. Het NKC verleent de erkenning als EVC-aanbieder aan een organisatie en ziet toe op de kwaliteit van EVC. Vervolgens is het aan werkgevers om te controleren dat werknemers beschikken over de juiste kwalificaties en bevoegdheden.
De resultaten van de steekproef worden in het antwoord op vraag 5 besproken. Ik ben in gesprek met SKJ en betrokken partijen over het vervolg hiervan.
Welke verantwoordelijkheid neemt het kabinet, vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor de jeugdzorg, voor het voorkomen en opsporen van diplomafraude, en welke concrete maatregelen zijn genomen of worden overwogen?
Registratie in het kwaliteitsregister Jeugd kon tot en met vorig jaar op basis van een diploma (onderwijsroute) en op basis van een EVC-certificaat (arbeidsmarktroute). De bijbehorende EVC-standaard is begin januari 2026 door de standaardeigenaren2 ingetrokken op basis van de uitkomsten van de steekproef van SKJ. De registratieroute op basis van EVC is daarmee geen mogelijkheid meer.
In de onderwijsroute heeft de Minister van OCW, vanuit diens stelselverantwoordelijkheid voor het formeel onderwijs, in juni 2025 alle onderwijsinstellingen opgeroepen om permanent terughoudend te zijn met het verlenen van vrijstellingen op basis van EVC-certificaten. Daarnaast heeft Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in 2025 een tool opgeleverd waarmee werkgevers op de website van DUO eenvoudig kunnen controleren of een mbo-, hbo- of wo-diploma echt is.
De arbeidsmarktroute is met het EVC-stelsel privaat georganiseerd. Vanuit diens stelselverantwoordelijkheid heeft de Minister van VWS vorig jaar met de collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten. Ook is toen extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. Voor het jeugddomein wil ik dat wettelijk verankeren door de vergewisplicht in te voeren. De internetconsultatie hiertoe is gepland in april. Tenslotte heb ik met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek.
Hoeveel kinderen en jongeren staan naar schatting gemiddeld onder begeleiding of toezicht van de circa 800 personen die mogelijk met een nepdiploma werkzaam zijn (geweest) in de jeugdzorg?
SKJ heeft de data van de 274 onderzochte EVC-dossiers uit de steekproef geëxtrapoleerd naar de hoog risico EVC-dossiers onder het totale aantal van 65.000 geregistreerden in het register. Dat leidt tot de inschatting van het aantal van 800 dossiers waar SKJ in dit artikel over rept. Het is niet bekend hoeveel mensen er daadwerkelijk in totaal op basis van een frauduleus EVC-certificaat geregistreerd staan en hoeveel daarvan werkzaam zijn in de jeugdhulp. Dat laat onverlet dat ik het van groot belang vind dat de jeugdsector kan rusten op een betrouwbaar systeem waarin professionals met de juiste ervaring op een betrouwbare en veilige manier aan het werk kunnen en zijn. Hierover ben ik met de betrokken partijen in gesprek.
Deelt u de zorgen over de veiligheid en het welzijn van deze kwetsbare kinderen en jongeren en heeft u zicht op de schade die is veroorzaakt door deze circa 800 personen?
Schade aan jeugdigen vanwege fraude in de jeugdhulp is onacceptabel. Ik vind het zorgelijk dat onbekwame mensen zorg verlenen aan jeugdigen in kwetsbare situaties. De kwaliteit en veiligheid van zorg aan kinderen en hun gezinnen moeten gewaarborgd zijn. Meerdere partijen in de sector hebben hierin een rol: werkgevers moeten de competenties van professionals toetsen, de SKJ registreert professionals die aan kwaliteitseisen moeten voldoen en de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Waar kunnen jeugdzorgorganisaties, professionals en bestuurders terecht als zij concrete zorgen of signalen hebben over medewerkers die jongeren ronselen voor criminaliteit, zoals prostitutie, drugshandel of andere vormen van georganiseerde misdaad?
Deze partijen kunnen hun vermoedens online of telefonisch melden bij Meld misdaad anoniem of bij het centrale meldpunt zorgfraude op de website van de Nederlandse Zorgautoriteit. Bij zorgen over de kwaliteit van zorg kan een melding worden gedaan bij het Landelijk Meldpunt Zorg. Tenslotte kan men ook aangifte doen bij de politie.
Acht u de huidige meldpunten en instanties (zoals IGJ, SKJ en/of politie) voldoende toegerust om dergelijke signalen snel, deskundig en veilig op te pakken?
Omdat het EVC-stelsel geen direct toezicht vanuit de overheid kent, hebben instanties zoals de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) geen formele rol. Wel hebben zij een belangrijke rol gespeeld bij het signaleren en agenderen van de EVC-problematiek. Bij strafrechtelijke overtredingen kan de strafrechtketen, waaronder de Politie, een rol spelen.
Per 1 januari 2025 heeft de Stichting Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ) de wettelijke taak gekregen signalen van zorgfraude te bundelen en delen met toezichthouders en opsporingsdiensten. Alle gemeenten zijn verplicht vermoedens van zorgfraude bij het IKZ te melden. Dankzij de wettelijke grondslag van het IKZ is doelmatige gegevensdeling tussen onderlinge instanties eenvoudiger. Dit versterkt de aanpak van fraude in de zorg.
Het Nationaal Kenniscentrum EVC is de toezichthouder van het EVC-stelsel, maar heeft onvoldoende handhavingsmogelijkheden. Daarom hebben de EVC-standaardeigenaren de EVC-standaard voor het jeugddomein ingetrokken. Dit is een ingrijpende, maar noodzakelijke stap. De jeugdzorgsector werkt nu aan een beter systeem opdat mensen met de juiste ervaring op een betrouwbare en veilige manier aan het werk kunnen en zijn in de jeugdzorg. Hierover ben ik met de sector in gesprek.
Hebben deze instanties voldoende doorzettingsmacht om direct in te grijpen wanneer sprake is van ernstige risico’s voor jongeren, bijvoorbeeld door tijdelijke schorsing, verscherpt toezicht of het uit het register verwijderen van betrokken professionals?
Zie mijn antwoord op vraag 8.
Welke stappen zijn tot nu toe gezet richting personen die bewust met een vervalst diploma in de jeugdzorg zijn gaan werken en staan deze in verhouding tot de ernst van de mogelijke schade?
De SKJ is momenteel bezig met de aangifte tegen EVC-bureaus waar ernstige onregelmatigheden in de EVC-dossiers zijn geconstateerd. SKJ beziet nog of ook aangifte tegen individuele personen kan worden gedaan. Van de groep geregistreerden bij wie onrechtmatigheden in hun EVC-dossiers is gevonden, is de registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd inmiddels doorgehaald. Dat betekent dat zij niet langer inzetbaar zijn voor taken in de jeugdhulp die vanwege o.a. complexiteit en risiconiveau de inzet van een geregistreerde professional eisen.
Worden deze personen uitsluitend administratief uit het register verwijderd, of wordt ook gekeken naar strafrechtelijke vervolging en beroepsverboden?
Doorhaling van een registratie in het Kwaliteitsregister is niet slechts een administratieve verwijdering. Professionals die in het register staan ingeschreven mogen voorbehouden taken uitvoeren in risicovolle en complexe casussen, conform het Kwaliteitskader Jeugd. Bij doorhaling is voor iedereen, in het publiek te raadplegen register, zichtbaar welke professionals niet langer aan de eisen voldoen om deze taken uit te mogen voeren. Dat is daarmee een zorgvuldig proces. Behalve doorhaling van de registratie, is SKJ in het proces van aangifte doen tegen EVC-bureaus met als doel strafrechtelijke vervolging, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 10. Het Openbaar Ministerie kan in een strafrechtelijk proces als onderdeel van de straf een beroepsverbod eisen.
Hoe beoordeelt u het feit dat SKJ aangeeft onvoldoende middelen te hebben om nader onderzoek te doen naar mogelijk frauduleuze registraties, terwijl toezicht op kwaliteit, toetsing en scholing van jeugdzorgprofessionals tot haar kerntaken behoort en welke stappen neemt u om dit op te lossen?
Jeugdigen en ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat geboden jeugdhulp van goede kwaliteit is. De steekproef en het vervolgdossieronderzoek komen bovenop de reguliere taken van SKJ. Daarom heb ik vorig jaar met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor dit EVC-dossieronderzoek. Hiermee heeft SKJ de steekproef kunnen financieren en kunnen starten met het onderzoek van andere EVC-dossiers. Ik ben in gesprek met SKJ en betrokken partijen over het vervolg.
Acht u het wenselijk dat toezicht op EVC-aanbieders en de controle op diploma’s in de zorg grotendeels privaat is georganiseerd en niet onder direct overheidstoezicht valt ondanks dat dit tot deze misstanden heeft geleid?
Het kabinet acht overheidstoezicht op private EVC-aanbieders een onvoldoende oplossing om de huidige misstanden aan te pakken en te voorkomen. Het is allereerst aan werkgevers om te controleren of werknemers beschikken over de juiste kwalificaties en bevoegdheden. Examencommissies van onderwijsinstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het beoordelen of iemand voldoende kennis en kunde heeft om in aanmerking te komen voor een vrijstelling van een (deel van een) examen. De focus moet daarom liggen op werkgevers en onderwijsinstellingen die deze expertise en verantwoordelijkheden hebben, en niet op het al dan niet publiek toezien op een privaat stelsel. De sociale partners in de jeugdzorg nemen hierin hun verantwoordelijkheid en hebben besloten, na onderzoek naar de kwaliteit van de vakbekwaamheidsbewijzen op basis van EVC-trajecten, te stoppen met erkenning van deze bewijsstukken.
Deelt u de zorg dat personen met slechte intenties zich, nu de jeugdzorg strenger wordt, mogelijk verplaatsen naar andere zorgsectoren waar EVC’s nog wel worden erkend, zoals de wijkverpleging of gehandicaptenzorg?
Ik deel die zorg. Daarom heeft de Minister van VWS vorig jaar met collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten, vanwege de signalen van fraude. Ik roep ook de veldpartijen in andere zorgsectoren op kritisch te kijken naar de kwaliteit van EVC-certificaten en in hoeverre deze kan worden geborgd, net zoals de sociale partners in de jeugdzorg hebben gedaan.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat deze problematiek zich verplaatst naar andere delen van de zorg, en om kwetsbare cliënten daar eveneens beter te beschermen?
Zoals in antwoord 14 aangegeven is vorig jaar een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken met professionals op basis van EVC-certificaten. Er is extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. De Minister van VWS beziet samen met de Ministers van OCW, SZW en JenV welke aanvullende maatregelen noodzakelijk en effectief zijn. Zij zullen de Kamer hier binnenkort over informeren.
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het WGO Jeugd beantwoorden?
Ja.
Zorgwekkende toename van kinderobesitas |
|
Renilde Huizenga (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit het AD «Jong kind met ernstig overgewicht «wordt gemiddeld maar 39 jaar oud»: artsen slaan alarm om groeiende groep» van 9 december?1 En bent u bekend met het Panteia-rapport «Monitor Kindermarketing»2, waarin wordt gesteld dat kinderen nog steeds veelvuldig worden blootgesteld aan marketing voor ongezond eten?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Herkent u de signalen van kinderartsen over de alarmerende stijging van overgewicht en (ernstige) obesitas bij kinderen (0–18 jaar)? Erkent u de ernstige gezondheidsrisico’s hiervan, zoals leververvetting en diabetes type 2?
Overgewicht en obesitas bij kinderen kennen inderdaad grote gezondheidsrisico’s, zoals de kinderartsen benoemen en uit onderzoek blijkt.3
De CBS-cijfers over de afgelopen vijf jaar (2020–2024) laten zien dat, voor zowel de groep kinderen van 4 tot en met 11 jaar als voor de groep van 12 tot en met 17 jaar, de prevalentie van overgewicht (BMI ≥ 25) en obesitas (BMI ≥ 30) niet significant gestegen is.4
Over een langere periode (tussen 1990 en 2024) is het percentage kinderen en jongeren met overgewicht significant gestegen. Het percentage kinderen en jongeren met obesitas is over die periode niet significant veranderd.
De cijfers tonen nog steeds een te hoog voorkomen van overgewicht, maar de stijging lijkt de laatste jaren minder ernstig dan voorzien.
Hoe kijkt u naar de observatie dat de omgeving kinderen zo ziek maakt dat er de afgelopen vier jaar vijf keer zo vaak is ingegrepen met gewichtsverminderende of eetlustremmende medicatie?
Bij de behandeling van overgewicht en obesitas is het van belang om eerst de onderliggende oorzaken van het overgewicht in kaart te brengen. Op basis daarvan bepalen artsen samen met het kind en de ouders welke vorm van ondersteuning en interventie het meest passend is. Dit gebeurt vanuit een ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas met aanbod uit zowel het medisch als sociaal domein. In de behandelrichtlijnen staat dat (tijdelijke) inzet van medicatie bij kinderen kan worden overwogen, in aanvulling op een Gecombineerde Leefstijl Interventie (GLI). Medicatie is echter nooit de enige noch eerste oplossing.
De observatie van kinderartsen ten aanzien van de «omgeving» is reden tot zorg en tot een breed beeld op alle onderliggende factoren met betrekking tot o.a. voeding en bewegen. Het RIVM heeft hieromtrent een overzicht van determinanten die samenhangen met ongezonde voeding en bewegen.5
Hoe kijkt u naar de cijfers uit het persbericht dat van de € 1,6 miljard die voedselbedrijven jaarlijks besteden aan reclame in totaal 80% gaat naar reclame voor ongezonde producten? Deelt u de zorg dat kindermarketing voor ongezond voedsel toeneemt, zowel in de online als de fysieke omgeving van kinderen?
Deze cijfers zijn ook vermeld in de Monitor Marketing voor Voedingsproducten.6 Bij het aanbieden van deze monitor aan uw Kamer was reeds aangegeven dat het gerapporteerde bedrag van € 1,6 miljard door deskundigen als zeer plausibel werd beoordeeld.7 Daarmee ga ik ervan uit dat de bedragen een redelijk betrouwbaar beeld geven van de werkelijke marketingbestedingen.
In de Monitor Kindermarketing van Voedingsproducten 2024 blijkt dat op onderdelen de kindermarketing van ongezonde voedingsproducten toeneemt.8 De uitkomsten van de monitor bevestigen dat het van belang is om wettelijke beperkingen in te voeren tegen marketing van ongezonde voeding gericht op kinderen.
Wat is uw reactie op het signaal dat kinderartsen in grote steden (Amsterdam, Rotterdam en Den Bosch) een forse toename van patiënten en een verdubbeling van de wachtlijsten zien? Deelt u de zorg dat de zorgcapaciteit voor deze kwetsbare groep onder druk staat?
Ik neem deze signalen serieus. Als kinderen op jonge leeftijd al obesitas of diabetes mellitus type 2 hebben, hebben ze ook meer gezondheidsrisico’s op latere leeftijd. Daarom is er een breed preventiebeleid met een pakket aan maatregelen, waarmee ingezet wordt op het voorkomen en tegengaan van overgewicht en het stimuleren van bijvoorbeeld gezonde (voedsel)keuzes. Dit doe ik – samen met verschillende partijen – vanuit de samenhangende preventiestrategie, waarin ik mij richt op de verschillende leefomgevingen van kinderen en jongeren om daar de gezonde keuze de vanzelfsprekende keuze te maken.
Daarnaast zetten we vanuit het Integraal Zorgakkoord (IZA) al enige jaren in op preventie en op de samenwerking tussen het zorgdomein en het sociaal domein. Deze «beweging naar de voorkant» is verder uitgewerkt in het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), en vanuit het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) versterken we deze beweging. Hiermee kunnen we onze inzet op de ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas de komende jaren intensiveren. Op deze manier investeren we in een langdurig systeem waarin altijd eerst gekeken wordt naar onderliggende oorzaken, voorkomen we onnodige medicalisering (en bijkomende kosten) en helpen we kinderen en gezinnen door in te zetten op een duurzame behandeling.
Hoe geeft u invulling aan de zorgplicht van de overheid om de kindergezondheid te beschermen? Welke stappen zet u om actiever in te grijpen via wetgeving, bijvoorbeeld door gezonde voeding relatief goedkoper te maken of kindermarketing voor ongezonde voeding en dranken te verbieden?
De overheid heeft een wettelijke taak te handelen in het belang van het kind en hun gezondheid te beschermen.9 Daarom werk ik aan een wetsvoorstel voor het stellen van regels ten aanzien van kindermarketing voor ongezonde voedingsmiddelen. Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger op basis van de aanbevelingen van Berenschot10 het voornemen uitgesproken om via een wetsvoorstel ruimte te creëren voor het nemen van maatregelen met betrekking tot het voedselaanbod in omgevingen waar veel kinderen en jongeren komen, zoals rondom scholen. De aard en reikwijdte van een dergelijk voorstel worden op dit moment verkend.
Ik vind het belangrijk om op te merken dat beide maatregelen niet op zichzelf staan maar passen binnen een breed pakket aan maatregelen om overgewicht terug te dringen. Daaronder valt ook de productverbetering (minder zout, suiker en vet in producten) en belastingmaatregelen zoals een gedifferentieerde verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, evenals de inzet van preventieprogramma’s als Gezonde School en Gezonde Kinderopvang en de inzet van passende zorg en ondersteuning.
Er is geen wetgeving in de maak om gezonde voeding relatief goedkoper te maken. Wel is er door SEO onderzoek gedaan naar het afschaffen van de BTW op groente en fruit.11 De conclusie van dat onderzoek is dat bij een dergelijke maatregel ernstige twijfel bestaat over de juridische houdbaarheid en uitvoerbaarheid. Ook zouden de gezondheidseffecten beperkt zijn en zou de maatregel vooral voordelig uitpakken voor hogere inkomensgroepen. Het aanpassen van het BTW-tarief lijkt dus geen geschikt instrument om gezonde voeding voor iedereen toegankelijker te maken. Ook worden gesprekken gevoerd met de voedingsindustrie en supermarkten om naast of vooruitlopend op wetgeving afspraken te maken met betrekking tot verkoop, aanbod en reclame.
Bent u bereid het advies in het Panteia-rapport over te nemen om de definitie van marketing «gericht op kinderen» in de regelgeving te verbreden? Erkent u dat de huidige definitie te veel ontsnappingsmogelijkheden biedt, waardoor kinderen in de praktijk alsnog worden blootgesteld aan marketing voor ongezonde voeding?
In het Panteia-rapport wordt geadviseerd om voor een betere definitie van «kindgericht» te zorgen.12 Bij wetgeving is het van belang dat de juridische afbakening duidelijk en uitvoerbaar is. Daarom richt het nu voorbereide wetsvoorstel zich op marketingtechnieken die veelvuldig gebruikt worden bij kinderen of waar kinderen met name gevoelig voor zijn. Er worden enkele marketingtechnieken verboden, gelet op het effect van deze technieken op kinderen, ongeacht of in een specifiek geval daadwerkelijk sprake is van marketing die zich tot kinderen richt. Zodoende wordt voorkomen dat per geval discussie kan ontstaan of sprake is van marketing gericht op kinderen.
Vindt u het niet onwenselijk dat de invoering van een wettelijk verbod op kindermarketing voor ongezonde voeding keer op keer vertraging oploopt? Zo ja, kunt u aangeven wanneer het wetsvoorstel naar de Kamer wordt gestuurd?
Bij een wetgevingstraject is het van essentieel belang dat processen zorgvuldig worden doorlopen opdat wetgeving zelf zorgvuldig is, effectief, uitvoerbaar en handhaafbaar. Hiertoe zijn toetsen en consultaties van belang.
Mijn inzet is om het concept-wetsvoorstel op korte termijn klaar te maken voor de internetconsultatie. Andere stappen in het proces bestaan uit o.a. toezicht- en handhaafbaarheidstoetsen, een regeldruktoets, notificatie bij de Europese Commissie en advisering door de Raad van State. Daarna wordt het wetsvoorstel behandeld in achtereenvolgens de Tweede Kamer en Eerste Kamer.
Welke inzet pleegt u om tot Europese afspraken te komen gericht op het verbieden van kindermarketing voor ongezonde voeding en dranken, zowel in de online als de fysieke omgeving van kinderen?
Wij volgen de Europese ontwikkelingen nauwlettend. Daarnaast nemen we via de Wereldgezondheidsorganisatie en UNICEF ook deel aan bijeenkomsten en gesprekken over dit thema.
Hoe gaat u gehoor geven aan de dringende oproep van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) tot een «stevig preventiebeleid»? Welke concrete maatregelen neemt u om de omgeving van het kind gezonder te maken?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat naast gezond eten ook sporten en bewegen belangrijk is om overgewicht te voorkomen en fysiek en mentaal sterker te worden? Welke aanvullende maatregelen op het gebied van sporten en bewegen liggen voor naar aanleiding van deze zorgwekkende berichtgeving?
Ja, bewegen en sport maken onderdeel uit van de aanpak van overgewicht. Kinderen en jongeren die nu actief zijn, hebben de rest van hun leven baat bij de positieve fysieke, mentale en sociale effecten van bewegen en sport. Ik vind het van belang dat kinderen in aanraking komen met goed en divers aanbod, waarbij het uitproberen van verschillende sport- en beweegvormen (sterk) aangemoedigd wordt. In de Kamerbrief «Toekomstig sportbeleid» van december 202513 schets ik mijn ambitie en aanpak om de jeugd meer te laten sporten en bewegen. Deze inzet is georganiseerd langs drie pijlers:
Ook zijn bewegen en sport belangrijke onderdelen van de eerdergenoemde samenhangende preventiestrategie. Zo zorgen we ervoor dat schoolbestuurders meer kennis krijgen over hoe zij leerlingen tijdens en na de schooldag kunnen activeren. Verder investeren we ook in gezonde schoolpleinen: met een extra impuls in 2025 voor de subsidie «Gezonde Schoolpleinen» kunnen 100 beweegvriendelijke schoolpleinen gerealiseerd worden. Deze pleinen nodigen uit tot buiten spelen en bewegen in een natuurlijke omgeving.
Tot slot stimuleer ik gemeenten om, via de inzet van een functionaris onder de Brede Regeling Combinatiefuncties (zoals een buurtsportcoach of beweegcoach), specifiek aandacht te besteden aan groepen die achterblijven met bewegen.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan een eerstvolgende debat kinderobesitas dan wel het WGO Jeugd beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Marijns zoon nam middelen van funcaps en overleed: “Er is geen drempel om deze shit te gebruiken”’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Bruijn , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht in de Volkskrant waarin wordt beschreven hoe Marijns zoon is overleden na het gebruik van middelen die via zogenaamde «funcaps»-websites konden worden besteld?1
Wij vinden deze berichtgeving uitermate schokkend en willen dan ook ons medeleven betuigen met de familie en andere nabestaanden van de slachtoffers.
Over de individuele strafzaak kunnen wij geen uitspraken doen; het is uiteindelijk aan de rechter om in deze strafzaak recht te spreken.
Wel zijn wij, samen met alle betrokken operationele partijen, in kaart aan het brengen met welke problemen we hier te maken hebben en welke interventies daarbij passen. Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren.
Klopt het dat dergelijke websites op grond van de per 1 juli 2025 in werking getreden wetgeving geen synthetische drugs of nieuwe psychoactieve stoffen (NPS) meer mogen aanbieden en leveren?
Het klopt dat er geen NPS meer mogen worden aangeboden of geleverd die vallen onder lijst IA van de Opiumwet welke op 1 juli 2025 van kracht is gegaan. Het betreft een drietal veel voorkomende stofgroepen die zijn afgeleid van harddrugs. Sinds het verbod op 1 juli 2025 mogen deze middelen uit deze stofgroepen niet meer verhandeld worden.
Er blijven echter NPS op de markt die buiten de Opiumwet vallen. Dit kunnen middelen zijn waarbij sprake is van overtreding van de Geneesmiddelenwet of van de Warenwet. Wanneer bij de aangeboden middelen sprake is van een bewezen gevaar voor de gezondheid, kan dit worden aangemerkt als een overtreding van art. 174, Wetboek van Strafrecht.
Andere synthetische drugs zoals bijvoorbeeld MDMA of methamfetamine zijn al sinds de jaren 80 strafbaar onder lijst I, behorende bij de Opiumwet.
Op welke wijze wordt in de praktijk gehandhaafd op dit verbod? Kunt u toelichten hoeveel websites sinds de inwerkingtreding van de wet zijn gesloten, beboet of anderszins aangepakt wegens het aanbieden van middelen die onder de nieuwe Opiumwet vallen?
Er is een aantal mogelijkheden om onderzoek te doen naar online illegale activiteiten. Zo zijn er bij de politie digitale rechercheurs die OSINT (open source intelligence) -onderzoeken kunnen doen op het openbare internet; zij verzamelen en analyseren informatie die vrij beschikbaar is voor het publiek. Indien gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen na toestemming van het Openbaar Ministerie (OM), data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren.
Indien sprake is van betalingen in virtuele valuta kan ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel. Sinds de inwerkingtreding van de lijst IA van de Opiumwet op 1 juli is een aantal acties uitgevoerd, waarbij inbeslagnames hebben plaatsgevonden en gemeenten zijn ingeschakeld voor bestuurlijke handhaving.
Toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Politie kunnen bij daadwerkelijke online illegale inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and Take Down procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. In principe kunnen burgers ook gebruik maken van deze procedure.
Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de Nederlandse wetgeving; zoals de regels voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in de DSA. Zodra ze weet hebben van illegale inhoud of activiteit die zich op hun dienst bevindt, dienen zij prompt te handelen om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen ze mogelijk aansprakelijk worden gesteld (artikel 6 DSA).
Kunt u bevestigen dat het nog steeds mogelijk is om via eenvoudige zoekopdrachten online toegang te krijgen tot websites die partydrugs of designerdrugs aanbieden? Acht u dit, gezien de nieuwe wetgeving, een wenselijke situatie?
Het klopt dat er nog steeds toegang is tot websites die designerdrugs aanbieden. Er is ook nog steeds aanbod van middelen die (nog) buiten de Opiumwet vallen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2, kunnen het middelen zijn waarbij sprake is van overtreding van de Geneesmiddelenwet of van de Warenwet. Wanneer bij de aangeboden middelen sprake is van een bewezen gevaar voor de gezondheid, kan dit worden aangemerkt als een overtreding van art. 174, Wetboek van Strafrecht.
Laten we hier helder in zijn, in alle gevallen vinden wij het onwenselijk als deze middelen illegaal worden verhandeld op het internet.
Waarom zijn deze websites nog actief, ondanks het generieke verbod op NPS? Ligt dit aan te beperkte handhavingscapaciteit, aan lacunes in de wetgeving, of aan andere factoren?
Ondanks de uitbreiding van de Opiumwet met stofgroepen van NPS zijn er nog steeds veel schadelijke middelen die niet onder de Opiumwet vallen. Vooral voor de zogenaamde grensvlakproducten is de handhaving complex, omdat op voorhand niet altijd duidelijk is onder welke wetgeving ze vallen.
Wat ook meespeelt is dat pas door het strafrechtelijk onderzoek de omvang van de problematiek dermate goed zichtbaar is geworden. Wij zijn nu in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak. Hierbij zullen we bijvoorbeeld kijken naar de huidige wet- en regelgeving, de handhavingscapaciteit en de samenwerking tussen alle partijen. Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren in een brief.
Bestaat het risico dat buitenlandse webshops misbruik maken van mazen in de Nederlandse of internationale regelgeving om alsnog aan Nederlandse klanten te leveren? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit tegen te gaan?
Risico op misbruik van mazen in de regelgeving bestaat altijd. Daarom zetten wij ons in om de lacunes in de regelgeving te vinden en weg te nemen. Een goed voorbeeld hiervan is de nieuwe lijst IA van de Opiumwet. Door dit stofgroepenverbod kunnen we de handel in gevaarlijke designerdrugs tegengaan. Verder werken uitvoeringsorganisaties samen in meerdere samenwerkingsverbanden. De opsporingsdiensten staan middels verschillende samenwerkingsverbanden in contact met andere landen. Voorbeelden hiervan zijn het Europol analysis project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT). Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime Centre (EC3) en nationale cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms en hostingsites gemonitord.
Welke aanvullende stappen bent u bereid te ondernemen om ervoor te zorgen dat dergelijke websites sneller uit de lucht worden gehaald en dat toegang via reguliere zoekmachines onmogelijk wordt gemaakt?
Het kabinet wil al het aanbod en zeker ook het online aanbod van drugs tegengaan. Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop van drugs niet los te zien is van de onlinehandel in andere verboden middelen. Zoals aangekondigd op Prinsjesdag wordt extra geld geïnvesteerd in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Met deze investering wordt de capaciteit in de digitale opsporing uitgebreid. Deze investering zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs ten goede komen.
Verder is het een zeer beweeglijke markt van websites die snel weer verschijnen nadat ze offline gehaald worden, waardoor het belangrijk is voor de politie en de NVWA-IOD om gedegen onderzoek te doen naar de mensen en partijen achter deze websites.
Daarom gaan wij, samen met alle betrokken operationele partijen, in kaart brengen met welke problemen we hier te maken hebben en welke interventies daarbij passen. Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren.
Overigens kent deze problematiek niet alleen een aanbodkant, maar ook een vraagkant. Wij vinden het daarom ook belangrijk om te kijken hoe de vraag naar illegale geneesmiddelen kan worden verminderd. Wij gaan onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, publiekscampagnes of andere vormen van voorlichting gericht op consumenten de risico’s kunnen verminderen en de vraag naar illegale middelen kan verkleinen. Het Trimbos-instituut adviseert voorzichtig te zijn bij publiekscampagnes gericht op het ontmoedigen van online aankoop van geneesmiddelen of drugs, omdat zulke campagnes soms onbedoeld juist het gebruik kunnen normaliseren of aantrekkelijker maken. Wij informeren uw Kamer hier verder over in eerdergenoemde brief.
Klopt het dat – zoals eerder door opsporingsdiensten aangegeven – niet alle instanties over de juiste technische middelen beschikken om te bepalen of een product onder de verboden stoffen valt? In hoeverre is deze situatie inmiddels verbeterd?
Het gaat niet alleen om technische middelen om te detecteren of een product verboden stoffen bevat, er is ook een inhoudelijke beoordeling nodig om te bepalen onder welke wetgeving een product valt. «Research chemicals» zijn een voorbeeld van zogenaamde «grensvlakproducten». Van deze producten is op voorhand niet altijd duidelijk onder welke wetgeving ze vallen.
Er zijn verschillende partijen betrokken bij de opsporing van verboden stoffen. Deze partijen hebben verschillende technische middelen beschikbaar. Zo is de politie in de operatie uitgerust met handheld drugstesters. Met deze drugstesters kunnen honderden stoffen worden gedetecteerd. In de forensische labs beschikt de politie daarnaast over geavanceerde forensische onderzoeks- en analyseapparatuur ten behoeve van de bewijsvoering in strafzaken. Bij de meer complexe zaken wordt het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) betrokken. Om te bepalen of de Geneesmiddelenwet van toepassing is moet de IGJ van geval tot geval bepalen of een product onder de definitie van geneesmiddel valt. Dit zijn arbeidsintensieve onderzoeken. Opsporingsdiensten zoals de NVWA-IOD en de politie zijn voor deze inhoudelijke beoordeling afhankelijk van de expertise en capaciteit van de IGJ. In onze gesprekken met alle betrokken partijen wordt dit punt ook meegenomen.
Is de huidige handhavingscapaciteit, zowel technisch als personeelsmatig, toereikend om de online handel in verboden NPS daadwerkelijk effectief terug te dringen? Zo nee, welke knelpunten spelen hierbij?
Juist omdat deze handel vaak een veelheid aan producten betreft op het grensvlak van verschillende wetgeving met verschillende bevoegdheden voor de toezichthouder (Opiumwet, Geneesmiddelenwet, Wetboek van strafrecht en Warenwet) is samenwerking met betrokken diensten erg belangrijk. Voor alle toezichthoudende en handhavende partijen geldt dat zij te maken hebben met beperkte capaciteit, wat hierop van invloed is. Zoals reeds toegelicht, zijn wij in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak, waarbij ook de mogelijkheid van aanpassing van wet- en regelgeving wordt meegenomen.
In hoeverre vormen buitenlandse websites een probleem bij de handhaving? Welke mogelijkheden heeft Nederland om aanbieders die vanuit het buitenland leveren te blokkeren of anderszins aan te pakken?
Het klopt dat de online handhaving lastiger wordt als een aanbieder van een bepaalde website zich in het buitenland bevindt. Nederlandse toezichthouders hebben geen bevoegdheid om websites van aanbieders die gevestigd zijn in het buitenland te blokkeren. Wel kunnen toezichthouders als de IGJ, de NVWA en de Politie bij daadwerkelijke online illegale inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and Take Down procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. In principe kunnen burgers ook gebruik maken van deze gedragscode en zelf een melding maken van een verdenking van illegale inhoud of illegale activiteit van een website.
De digitaledienstenverordening (DSA) is in 2024 in werking getreden en bepaalt waar tussenhandeldiensten zoals websites aan moeten voldoen en welke acties zij moeten ondernemen als het gaat om illegale inhoud. De Autoriteit Consument en Markt ziet op de naleving van deze regels toe. Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de Nederlandse wetgeving; zoals de regels voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in de DSA. Zodra ze weet hebben van illegale inhoud of activiteit die zich op hun dienst bevindt, dienen zij prompt te handelen om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen ze mogelijk aansprakelijk worden gesteld (artikel 6 DSA).
Hoe beoordeelt u de huidige samenwerking met andere EU-lidstaten en internationale opsporingsinstanties bij het aanpakken van grensoverschrijdende online verkoop van NPS? Zijn hier verbeteringen noodzakelijk?
Nederland werkt op verschillende manieren samen met buurlanden. Met België, Frankrijk en Luxemburg (Hazeldonksamenwerking) worden gezamenlijk drugscontroles uitgevoerd langs de hoofdinfrastructuur en wordt constant gewerkt aan een gezamenlijk intel-beeld bij grensoverschrijdende drugsnetwerken. Andere voorbeelden zijn het Europol analysis project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT). Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime Centre (EC3) en nationale cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms en hostingsites gemonitord.
Door het op 1 juli jl. van kracht zijnde stofgroepenverbod is een groot deel van de meest gebruikte stoffen in Nederland strafbaar geworden, maar niet alle stoffen zijn afgedekt. Internationale samenwerking, zoals hierboven beschreven, kan dus goed via de internationale samenwerkingsverbanden plaatsvinden zolang de strafbaarstelling van middelen internationaal hetzelfde is.
Op welke manier wordt in uw beleid geborgd dat het publiek – en met name jongeren en jongvolwassenen – actief wordt geïnformeerd over de risico’s van NPS en zogenaamde «funcaps»? Kun u hierbij ingaan op de relatie tot festivals?
Uit monitoring blijkt dat 10% van de volwassen Nederlanders het afgelopen jaar drugs had gebruikt (cijfers van 2024). Het overgrote deel van de Nederlanders gebruikt dus geen drugs. Door breed voor te lichten over de risico’s van drugs, kan het beeld ontstaan dat heel veel mensen drugs gebruiken en kan brede voorlichting of voorlichting onder te jonge kinderen daardoor juist bijdragen aan normalisering. In de voorlichting over drugs – waaronder NPS – richten we ons daarom op specifieke doelgroepen. Bijvoorbeeld door het programma Helder op School, met name gericht op het voortgezet (speciaal) onderwijs en mbo’s. Ook is er voorlichting voor ouders en wordt gebruik gemaakt van social media om jongeren te bereiken, zoals Tik Tok. Het Trimbos-instituut heeft een uitgebreid aanbod voor publieksinformatie, met websites en informatielijnen. Deze kanalen worden goed bezocht door de doelgroep en zijn daarmee een effectieve manier om actief te informeren. Ten aanzien van festivals is het aan gemeenten en evenementen om invulling te geven aan voorlichting over de risico’s van het gebruik van drugs. Dit gebeurt bijvoorbeeld via Unity, een project waarbij medewerkers aanwezig zijn op festivals en bezoekers voorlichten over de risico’s van drugs. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van VWS een leidraad ontwikkeld met praktische tips voor maatregelen op dit terrein.2
Bent u bereid de voorlichtingscampagne over drugsgebruik uit te breiden met een waarschuwing over NPS en «funcaps»?
Afgelopen zomer is een pilot-campagne gestart om jongeren te confronteren met de negatieve gevolgen van drugsgebruik op de samenleving en de gezondheid. Deze pilotcampagne bestond uit onder meer een virtual reality experience en een hieraan gelieerde social media-campagne. Deze campagne wordt op dit moment geëvalueerd. Na een positieve evaluatie is het voornemen om deze campagne dit jaar te continueren. Bij de verdere uitwerking zullen wij de actuele ontwikkelingen rondom NPS en illegale medicijnen betrekken.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat jongeren, zoals in het beschreven geval, via laagdrempelige websites geconfronteerd worden met middelen die ernstige en soms fatale gezondheidsrisico’s met zich meebrengen?
Zoals toegelicht wordt door de handhavende partijen hard gewerkt aan het aanpakken van deze malafide websites, waarbij de handhavers worden geconfronteerd met uiteenlopende uitdagingen. Zodra een website uit de lucht is gehaald, verschijnt er vaak vrij snel weer een nieuwe vergelijkbare website. Daarom is het ook van groot belang om ervoor te zorgen dat jongeren, wanneer ze in aanraking komen met dergelijke websites, goed op de hoogte zijn van de risico’s. Het Trimbos-instituut vervult hierin een belangrijke rol door ervoor te zorgen dat betrouwbare informatie over bekende risicovolle middelen hoog in de zoekresultaten verschijnt, zodat jongeren op een laagdrempelige wijze toegang hebben tot juiste en evenwichtige voorlichting. Ook ouders en het onderwijs spelen hier een belangrijke rol. Daarom is in juni 2025 de Richtlijn Gezond Schermgebruik gelanceerd. Deze heeft als doel ouders en opvoeders op een duidelijke en eenduidige manier te ondersteunen bij het stimuleren van gezond scherm- en sociale mediagebruik van hun kinderen.
Wij gaan daarnaast onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, publiekscampagnes of andere vormen van voorlichting gericht op consumenten de risico’s kunnen verminderen en de vraag naar illegale middelen kan verkleinen.
De gezondheid van scholieren in Groningen na één van de zwaarste aardbevingen in Groningen |
|
Etkin Armut (CDA), Sandra Beckerman (SP), Julian Bushoff (PvdA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Kunt u uw reactie geven op het door Gronings Perspectief gepresenteerde rapport over de diepe sporen die de ellende die samenhangt met de aardbevingen nalaat bij scholieren?1
Het is belangrijk dat we blijven luisteren naar jongeren in Groningen. Hun verhalen helpen ons beter begrijpen wat herstel echt betekent. Daarom vind ik projecten zoals «Lang verhaal kort» van het IMG belangrijk. Daarom praat ik ook met jongeren en stimuleer ik hun betrokkenheid. En daarom is het goed dat onderzoekers van het Gronings Perspectief naar de effecten bij jongeren hebben gekeken. Dit onderzoek bevestigt wat ik vaker hoor van jongeren uit de regio: de stress die ouders ervaren raakt ook hen. Dit onderstreept het belang van een voortvarende uitvoering van Nij Begun, en in het bijzonder de Sociale Agenda, waarbij we voor de komende 30 jaar investeren in het mentaal welzijn van jongeren. Denk hierbij aan maatregelen op scholen, laagdrempelige inloop bij de huisarts en het vergroten van de mentale weerbaarheid van jongeren.
Het zijn volgens de wetenschappers niet de bevingen zelf, maar de scheuren en het trage herstel daarvan waardoor scholieren meer gezondheidsproblemen krijgen die zorgen voor stress, schoolverzuim en depressieve klachten. Welke stappen gaat u zetten om het herstel te versnellen en daarmee gezondheidsproblemen te voorkomen?
Ik begrijp dat jongeren stress ervaren als de versterking lang voortsleept. Om die reden heeft NCG de afgelopen jaren intensief ingezet op het scholenprogramma en momenteel worden de laatste twee scholen versterkt. Daarmee hoop ik dat jongeren in ieder geval minder stress ervaren op school. Voor de totale versterkingsoperatie begrijp ik goed dat bewoners – en jongeren in het bijzonder – evenals uw Kamer verlangen naar meer voortgang, zeker na een aardbeving als die van 14 november jl.
Tegelijkertijd vraagt de versterking om koersvastheid en stabiliteit; de parlementaire enquête heeft laten zien dat ingrijpende wijzigingen in de aanpak juist tot nieuwe vertraging kunnen leiden. Daarom blijf ik gericht werken aan het opschalen van het tempo, binnen realistische en haalbare kaders en zonder de kwaliteit voor bewoners uit het oog te verliezen. Met de jaarlijkse actualisaties van de diepteanalyse informeer ik uw Kamer transparant over de maatregelen die ik met alle betrokken partijen daartoe tref en het verwachte verloop van de versterkingsoperatie.
Ook de aanwezigheid van schade in een woning kan een groot effect hebben op jongeren. Het IMG stuurt actief op de voortgang van langlopende schademeldingen. Deze gerichte aanpak heeft al tot de afronding van veel oude zaken geleid. Voor de complexere dossiers, die door uiteenlopende redenen niet binnen de reguliere termijnen kunnen worden afgehandeld, heeft het IMG het Team op Maat ingericht. Dit team is specifiek bedoeld om complexe schadeafhandelingen die vertraging hebben opgelopen sneller af te ronden.
Herkent u zich in de woorden van de voorzitter van Jong Noord, Cody Rozema, die zegt: «We hebben in Groningen een hele generatie jongeren die denkt: de overheid staat niet naast mijn ouders, mijn broertjes en zusjes en mijzelf, maar tegenover ons.»? Welke extra stappen wilt u zetten om het vertrouwen van deze generatie te herstellen?2
Ja, ik herken de woorden van de voorzitter van Jong Noord dat het vertrouwen van meerdere generaties zwaar beschadigd is. Ik heb hem hier een aantal keer over gesproken. Ook spreek ik met jongeren buiten de georganiseerde jongerenorganisaties, om een beeld te krijgen van de ervaringen van jongeren die niet uit zichzelf naar voren stappen. Het herstellen van dat vertrouwen is niet van de ene op de andere dag geregeld, maar vergt naast schadeherstel en versterking ook een generatielange inzet op de sociale en economische omstandigheden.
Woensdag 12 november j.l. was ik bij de presentatie van het jongerenproject lang verhaal kort, georganiseerd door het IMG. Jongeren presenteerden daar hun video's met daarin hun persoonlijke verhaal. De stress die ouders ervaren raakte in sommige gevallen het hele gezin. Om het vertrouwen van deze jongeren te herstellen hebben rijk en regio gezamenlijk de sociale en economische agenda opgesteld. Jaarlijks is voor beide agenda's, dertig jaar lang, 100 miljoen beschikbaar met als doel het vertrouwen in de overheid te herstellen en brede welvaart in de regio te bevorderen.
Welke stappen zijn gezet en gaat u zetten om het aanbod van psychosociale hulp, waarvan uit eerder onderzoek bleek dat dat beperkt vindbaar en vaak ontoereikend is, te verbeteren?3
In de Sociale Agenda zijn verschillende maatregelen gekozen die écht het verschil maken om het mentaal welzijn van jongeren te verbeteren. Denk daarbij aan brugfunctionarissen op scholen, laagdrempelige inloop bij de huisarts en het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten. Gemeenten hebben daarnaast 55,8 miljoen ontvangen voor het verbeteren van psychosociale hulp, bijvoorbeeld voor aardbevingscoaches. Aardbevingscoaches ondersteunen ook jongeren. Zij bieden inwoners een luisterend oor en praktische ondersteuning. Zij kijken met kinderen wat zij nodig hebben of organiseren activiteiten voor kinderen in de buurt. Over de uitvoering van de Sociale Agenda wordt voor eind januari 2026 een Kamerbrief gestuurd.
Is er volgens u momenteel voldoende erkenning vanuit de overheid voor het leed dat kinderen en jongeren ervaren? Welke mogelijkheden tot verbetering ziet u?
We erkennen het leed dat jongeren en kinderen ervaren en zetten de eerste stappen om dit te herstellen en het vertrouwen te vergroten. De Sociale en Economische Agenda gaan over hen en zijn tot stand gekomen met de input van jongeren. De uitvoering is al deels gestart en zal volgend jaar verder gaan. Deze maatregelen zijn nog niet direct voelbaar voor jongeren, maar moeten op termijn bijdragen aan een regio waar het fijn wonen, werken, opgroeien, oud worden en waar het fijn leven is.
Ook heeft het IMG in 2023 de vergoedingen voor immateriële schade binnen huishoudens gelijkgetrokken. Dit betekent dat kinderen en jongeren in het aardbevingsgebied voortaan evenveel compensatie voor immateriële schade krijgen als hun ouders/verzorgers. Deze verruiming is met terugwerkende kracht ingegaan. Met deze gelijktrekking wordt onderkend dat het leed van jongeren niet onderdoet voor dat van volwassenen.
De mogelijkheden voor verbetering die ik zie gaan met name over de betrokkenheid van jongeren. Daarvoor zetten we nu de eerste stappen, zie voor een uitgebreide toelichting vraag 6. Jaarlijks zullen naar aanleiding van de publicatie van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe ook gesprekken plaatsvinden met jongeren uit de regio.
Welke stappen wilt u zetten om te zorgen dat jongeren meer mee mogen praten en zeggenschap krijgen over het beleid rondom schadeherstel, versterking en herstel van Groningen?
De betrokkenheid van jongeren is van groot belang voor het verbeteren van beleid en uitvoering voor het herstel van Groningen. Jongeren moeten een actieve rol kunnen spelen en hun zorgen en ideeën moeten worden gehoord, zodat zij invloed kunnen hebben op de toekomst van Groningen en Noord-Drenthe.
Het organiseren van deze betrokkenheid bij het herstel van Groningen gaat verder dan het opzetten van een traditionele jongerenraad, omdat ook jongeren die niet uit zichzelf naar voren stappen bereikt dienen te worden. Door jongeren op een creatieve en laagdrempelige manier te betrekken wordt een bredere doelgroep bereikt.
De Rijksuniversiteit Groningen (RUG) voert in samenwerking met bureau Jimmy's het participatieve actieonderzoek Opgeschud uit met subsidie van het Ministerie van BZK. Het onderzoek heeft als doel organisaties te stimuleren en te ondersteunen bij het opbouwen van een duurzame samenwerking met jongeren, zodat het kindperspectief een vast onderdeel wordt van hun werkzaamheden en een vanzelfsprekende afweging in beleid en besluitvorming. Op deze manier wordt gestreefd naar duurzame participatie en wordt schijnparticipatie voorkomen. Dit draagt bij om het vertrouwen van jongeren in instanties, de overheid en de politiek te vergroten. Een kernteam jongeren werkt in een netwerk aan inspraak van jongeren op verschillende beleidsterreinen. Jongeren hebben een bepalende rol met betrekking tot de onderzoeksonderwerpen en werken mee in het uitvoeren van het onderzoek.
De verschillende onderwerpen zijn ondergebracht in zogenaamde proeftuinen. Eén van de proeftuinen wordt uitgevoerd in samenwerking met NCG, waar jongeren worden betrokken bij het beleid rondom wisselwoningen. In het onderzoek door jongeren wordt voor een periode van 3 jaar gekeken hoe kinderen en jongeren de parken met tijdelijke huisvesting ervaren. De (tussen)resultaten bieden NCG handvatten om de parken te verbeteren.
Het IMG deelt mijn inzet om jongeren actief te betrekken bij het schadeherstel. In 2024 organiseerde het IMG het symposium «Herstel en versterk de Groninger jeugd, nu!», waarin ook het belang van jongeren binnen de Sociale Agenda werd onderstreept. Daarnaast werkt het IMG samen met jongeren aan videoportretten over hoe zij het ervaren om te leven in een aardbevingsgebied.
De wetenschappers wijzen erop dat opgroeien met schade-ervaringen en onzekerheid ook op langere termijn invloed kan hebben op de gezondheid. Welke maatregelen neemt u om dat te volgen en deze mensen te steunen?
De RUG voert naast het bovengenoemde actie-onderzoek een langlopend onderzoek in opdracht van het Ministerie van BZK. Het onderzoek Gegrond volgt hoe het psychosociaal welzijn van jongeren zich ontwikkelt wanneer zij zijn blootgesteld aan de gevolgen van gaswinning. Dit onderzoek geeft mogelijk meer inzicht in hoe jongeren gesteund kunnen worden. Daarnaast worden al concrete maatregelen genomen met de sociale agenda, zoals beschreven in vraag 4.
Kunt u deze vragen los van elkaar beantwoorden vóór het volgende commissiedebat Herstel Groningen?
Ja.
Het aanpakplan ‘kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers’ |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD), Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het aanpakplan: «kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers»?
Ja. Op 25 november 2025 heb ik dit plan overhandigd gekregen door Barbara Godwaldt, die dit plan in samenwerking met de Federatie Nabestaanden Geweldslachtoffers (hierna: FNG) en de Blijf Groep heeft opgesteld.
Deelt u de mening dat het van belang is om zo snel mogelijk een coördinator aan te stellen die aan de slag gaat met de problemen omtrent harmonisatie en regie binnen de jeugdbeschermingsketen zoals in het aanpakplan wordt omschreven?
Het aanpakplan beveelt een expertiseteam aan bij zowel de Raad voor de Kinderbescherming als de gecertificeerde instellingen. Dit expertiseteam kan op basis van kennis en ervaring advies en begeleiding bieden bij het verrichten van het raadsonderzoek en vervolgens de uitvoering daarvan. Deze aanbeveling neem ik ter harte en zal ik meenemen in de gesprekken die ik op dit moment voer met de betrokken organisaties, zoals onder meer de Raad voor de Kinderbescherming, en andere betrokken professionals.
Bent u bereid te onderzoeken of de behandeling van zaken over geweld in huiselijke kring in combizittingen breder uitgerold kan worden?
Naar aanleiding van het onderzoek Waar geweld uit beeld raakt door het Verwey-Jonker Instituut is een verbetertraject gestart met als doel dat wordt gewaarborgd dat wanneer huiselijk geweld en/of kindermishandeling speelt, dit altijd moet worden meegewogen in de familierechtelijke procedure.1 Het versterken van de verbinding tussen het straf- en civielrecht is onderdeel van dit traject. Het is namelijk zinvol als er een betere informatie-uitwisseling tussen de familierechter en strafrechter plaatsvindt. Daarvoor zijn verschillende mogelijkheden denkbaar. De behandeling van zaken over huiselijk geweld in combizittingen zoals bij de rechtbank Rotterdam wordt gedaan, is daarvan een concreet voorbeeld. Deze werkwijze zal om die reden worden meegenomen in de gesprekken die ik in het kader van het verbetertraject voer met onder meer de Rechtspraak.
Bent u bereid spoed te zetten achter het wetsvoorstel om het erfrecht aan te passen zodat nabestaanden niet langer op basis van artikel 6:2 lid 2 BW een juridische procedure moeten starten om de dader uit te sluiten van de erfenis aangezien de motie Becker c.s.1 door de Kamer unaniem is aangenomen en uit het aanpakplan kinderen van femicide slachtoffers en femicide overlevers dit een dringende wens van nabestaanden blijkt?
De motie Becker c.s. sluit aan op een dringende wens van nabestaanden van slachtoffers van femicide. Deze motie wil ik uitvoeren door de gronden voor automatische onwaardigheid in het erfrecht uit te breiden, zodat deze beter aansluiten op de problemen die slachtoffers van partnermoord, inclusief femicide ervaren.
Ik streef ernaar een concept van dit wetsvoorstel in 2026 vóór de zomer in internetconsultatie te brengen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de ketenpartners in de jeugdbeschermingsketen, nabestaanden en slachtoffers over de aanbevelingen uit het aanpakplan?
Ja, met de FNG zijn over deze problematiek dit jaar al gesprekken gevoerd. Hierin zijn de meeste aanbevelingen uit het aanpakplan al naar voren gebracht. Ik ga hierover graag verder met de FNG in gesprek, en, zoals met de FNG is afgesproken, betrek ik daar ook de betrokken uitvoeringsorganisaties en experts bij.
Kunt u voor het kerstreces een kabinetsreactie op het aanpakplan naar de Kamer sturen waarin u één voor één ingaat op alle aanbevelingen?
Ik bezie dit aanpakplan in samenhang met het plan van aanpak «Stop Femicide!» en het in antwoord 3 genoemde verbetertraject over het meewegen van huiselijk geweld en/of kindermishandeling in familierechtelijke procedures. Daarom volgt een bredere reactie op het aanpakplan in de eerste helft van 2026 als ik uw Kamer informeer over het genoemde verbetertraject.
Het rapport ‘De stand van de Jeugdzorg 2025’ van de Jeugdautoriteit |
|
Don Ceder (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het rapport «De stand van de Jeugdzorg 2025» van de Jeugdautoriteit?1
Ja.
Deelt u de mening dat jongeren met bijvoorbeeld stress en een neerslachtig gevoel minstens net zo goed geholpen kunnen worden met andere hulp dan jeugdzorg?
Het normaliseren van problemen of klachten die bij het gewone leven horen is een belangrijke doelstelling van de Jeugdwet en de Hervormingsagenda. We weten inmiddels dat het op de lange termijn niet helpt om deze kinderen een label te geven met een behandeling erachteraan. Zo benadrukte ook prof. dr. Laura Batstra nogmaals in de onlangs uitgesproken Mulock Houwer lezing2. Daarom is het essentieel om bij te dragen aan een gezonde opvoedcontext.
Wanneer er een hulpvraag is, staat voorop dat hulp of ondersteuning passend moet zijn bij de vraag en de aard van de problematiek en er goed gekeken moet worden naar de context. Het is aan de jeugdige en het gezin om samen met de professional te bepalen (zoals onder andere beschreven in de richtlijn Samen beslissen over jeugdhulp) of en zo ja, welke ondersteuning of hulp nodig is. Het heeft de voorkeur om de ondersteuning – als dit nodig blijkt te zijn – zo collectief, licht en laagdrempelig als mogelijk in te zetten; denk bijvoorbeeld aan groepsgesprekken onder leiding van een jongerenwerker zoals bij Bukojou of met een collectieve voorziening zoals Groen in ’s Hertogenbosch. Echter, wanneer dat nodig is, moet intensievere zorg ingezet kunnen worden. Het kan dus niet standaard zo zijn dat jeugdigen met stress of een neerslachtig gevoel in alle gevallen net zo goed geholpen kunnen worden met andere hulp dan jeugdzorg.
Hoe reflecteert u op het oordeel dat de overheid onvoldoende kiest wat er nog wel onder de jeugdzorg valt, en welke problemen elders in de maatschappij opgelost moeten worden?
In de Jeugdwet staat beschreven in welke situaties een jeugdige of het gezin in aanmerking komt voor jeugdhulp. Deze open norm blijkt echter in de praktijk zó open dat het te weinig richting geeft. Dit complexe vraagstuk wordt nader uitgewerkt in de maatregelen rondom het thema Reikwijdte uit de Hervormingsagenda Jeugd. Zo wordt beschreven dat jeugdhulp alleen ingezet dient te worden wanneer de aard en ernst van de situatie dit vraagt. Dit betekent o.a. dat er geen jeugdhulp ingezet wordt wanneer sprake is van problematiek die geen betrekking heeft op het kind.
Bent u bekend met de motie van de leden Ceder en Bruyning over het verwerken van bewezen effectieve voorzieningen in de hervormingsagenda? In hoeverre hebt u de bewezen effectieve voorzieningen die in de motie worden genoemd betrokken en verwerkt in de continuering van de hervormingsagenda, of in hoeverre bent u van plan dat te doen?2
Ja, wij zijn uiteraard bekend met deze motie. We informeren uw Kamer over het vervolg op deze motie in de Jeugdbrief voorafgaande aan het Wetgevingsoverleg Jeugd (WGO) van 2 februari 2026.
Kunt u aangeven waardoor het komt dat de landelijke wet die beter afbakent wat er onder de jeugdzorgplicht van gemeenten valt vertraagd is? Wanneer verwacht u dat deze wet naar de Kamer wordt gestuurd?
De uitwerking van het wetsvoorstel en aanpalende onderwerpen ten aanzien van het thema Reikwijdte is in volle gang. In dit proces staan doeltreffendheid en zorgvuldigheid voorop. Ik wil met intensieve samenwerking tussen Rijk en gemeenten een voorstel dat inhoudelijk bijdraagt aan de beoogde doelen en voldoende draagvlak heeft in het veld om tot effectieve uitvoering te kunnen komen. Ik wil het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in consultatie brengen, het streven is begin volgend jaar.
Wat is uw reflectie op het oordeel van de Jeugdautoriteit dat het werkelijke probleem van de overbelasting van de jeugdzorg niet een tekort aan geld is, maar dat de maatschappij te veel verwacht van de jeugdzorg?
Deze constatering kan ik voor een belangrijk deel onderschrijven. Het is essentieel dat we als samenleveving realistisch zijn over wat de opvoedcontext betekent voor opgroeien in goede gezondheid: lichamelijk, mentaal en sociaal. Daarom is het bijvoorbeeld belangrijk dat de maatschappelijke dialoog wordt gevoerd en dat we op een andere manier gaan kijken naar hulpvragen en de reacties daarop. Dat geldt voor jongeren, ouders, de samenleving, professionals, politiek en andere relevante partijen. Daarnaast is het belangrijk dat we kritisch zijn op wat jeugdhulp wel en ook niet kan bieden. Met jeugdzorg is niet alles op te lossen. Behandeling zou meer gericht moeten zijn op het omgaan met problematiek en het omarmen van verschillen in plaats van het te behandelen, met als doel dat jongeren zélf vooruit kunnen.
Bent u het eens met de Jeugdautoriteit dat het «ongemakkelijke gesprek» over de verwachtingen van de maatschappij richting de Jeugdzorg te weinig wordt gevoerd, waar voormalig Staatssecretaris Van Ooijen ook zijn zorgen over uitte? Op welke manier kan het «ongemakkelijke» gesprek wel gevoerd worden?3
Ik zie op heel veel plekken in het land dat gemeenten en organisaties het gesprek hier wel al over aangaan. Tegelijkertijd deel ik de constatering van de Jeugdautoriteit dat dit nog te weinig gebeurt. Om de gesprekken tussen en met jongeren hierover te stimuleren heeft MIND Us in opdracht van VWS PRAATPOWER ontwikkeld.
Inmiddels is met honderden jongeren en hun omgeving, bijvoorbeeld de school, het gesprek gevoerd over mentale gezondheid, mentaal gezond opgroeien en/of wat jongeren (nu al) zelf kunnen doen om mentaal gezond te blijven. Begin 2026 zijn er ook tools voor gemeenten en organisaties om gesprekken tevoeren met ouders over opvoeden en opgroeien. Daarnaast voeren ook professionals steeds vaker het gesprek, daarbij geholpen met kennis vanuit de lectoren jeugd en gezin5. Met de leerlijn informele steun van netwerkorganisatie Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) wordt ingezet om informele steun voor gezinnen te versterken. Hierbij is veel aandacht voor samenwerken met en in het netwerk, herstelbeweging, het versterken van de sociale basis en normaliseren van hulpvragen en problematiek. Met het aangekondigde wetsvoorstel reikwijdte ontstaat ook meer ruimte om dit gesprek vanuit de overheid, met name lokaal, actief in te gaan zetten.
Bent u bekend met de verschillende oplossingen die gemeenten bieden zodat er voldoende ruimte is voor de jeugdzorg die echt nodig is, zoals de nauwe samenwerking in Woudenberg tussen jeugdzorg, gemeente, onderwijs en de kerk? Wat is uw reflectie op deze werkwijze?
We zien diverse goede voorbeelden in het land waarbij het lukt om de hulpvragen van inwoners op een integrale manier te beantwoorden op een manier die past bij de hulpvraag. Hier hoort een intensieve samenwerking bij tussen betrokken partijen. Onderdeel van het wetsvoorstel reikwijdte is bijvoorbeeld dat gemeenten een visie moeten opstellen samen met betrokken partijen over de sociaal-pedagogische basis en de wijze waarop de samenwerking met de lokale teams en het onderwijs wordt vormgegeven.
Op welke manier kan de samenleving een grotere rol worden gegeven als het gaat over de stand van de Jeugdzorg? Welke ideeën hebt u daarvoor?
De Jeugdautoriteit geeft in haar rapport terecht aan dat er nog onvoldoende aandacht is voor het wegnemen van oorzaken die leiden tot instroom in de jeugdzorg, maar buiten de jeugdzorg liggen, bijvoorbeeld in het gezin, het onderwijs of de samenleving. Een sociale context met zogenoemde steunstructuren is daarbij van belang. Denk aan het oude gezegde «It takes a village to raise a child». Ik zie gelukkig hele mooie initiatieven in het land, zoals de familiescholen in Amsterdam of de buurtgezinnen. O.a. met de film «een sterke pedagogisch basis»6 laten we deze voorbeelden zien. Om dit te stimuleren en het belang hiervan te onderstrepen, krijgen gemeenten in het wetsvoorstel reikwijdte de opdracht om een visie op de pedagogische basis op te stellen en hierover in gesprek te gaan met de samenleving over hun rol bij het gezond opgroeien en opvoeden van kinderen. Er zijn handvatten en tools ontwikkeld voor het op een goede manier voeren van dit gesprek.7
Wat gaat u de komende tijd concreet doen om die jongeren zorg te bieden die dat echt nodig hebben?
Ik ga onverdroten én samen met o.a. gemeenten door met de uitvoering van de Hervormingsagenda waarin we afspraken hebben gemaakt met onze partners om het jeugdstelsel te verbeteren. Voorafgaand aan het WGO op 2 februari a.s. zullen informeer ik uw Kamer nader informeren over de laatste stand van zaken.
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam1, waarin advocaat de kinderrechter tijdens de zitting een geluidsfragment heeft voorgelegd waarop een pleegmoeder zich op schokkende en vernederende wijze uitlaat tegen een kind die aan haar zorg was toevertrouwd?
Ja.
Wat doet het met u als stelselverantwoordelijke bewindspersoon dat een kinderrechter de kwalificatie gebruikt dat de uitlatingen van de pleegmoeder «alle grenzen van fatsoen overschreden» en dat «dit niet is hoe de opvang van een kwetsbaar kind mag gaan»? Welke gevolgen zou een dergelijke constatering volgens u moeten hebben binnen de pleegzorgketen en de positie van een pleegzorgouder die zich zo opstelt naar een kind?
Het is niet aan mij om te oordelen over uitspraken van een kinderrechter in een individuele casus. Voor het goede functioneren van onze democratische rechtsstaat is een onafhankelijke rechtspraak van het grootste belang en dat blijkt ook in deze situatie. Pleegouders moeten een veilige gezinssituatie bieden en dienen op een liefdevolle manier om te gaan met kinderen waar zij zorg voor dragen. Naar aanleiding van de mishandeling in het pleeggezin in Vlaardingen en het inspectierapport «Pleegkinderen uit beeld» werkt de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport in samenwerking met onder andere de pleegzorgsector aan verschillende verbeterinitiatieven om het zicht op de veiligheid van pleegkinderen en de samenwerking in de hele keten te verbeteren. Hierover bent u in de Kamerbrief van 2 december geïnformeerd.2
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat kinderen of ouders zich genoodzaakt voelen opnames te maken om gehoord te worden door jeugdbeschermers, raadsonderzoekers of de rechter? En dat het in deze zaak een geluidsfragment van het kind zelf was dat leidde tot erkenning van de misstanden, terwijl eerdere signalen van het kind kennelijk niet serieus zijn genomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook de mishandeling in het pleeggezin in Vlaardingen heeft laten zien, is het uitermate belangrijk dat er met het kind zelf (één op één) wordt gesproken én dat er daadwerkelijk naar het kind geluisterd wordt. Het zou niet zo moeten zijn dat kinderen of ouders zich genoodzaakt voelen opnames te maken om gehoord te worden.
Bent u ermee bekend dat ook advocaten soms vastlopen als zij zorgen hebben over de situatie binnen een kinderbeschermingsmaatregel en dat ook zij niet gehoord of serieus genomen worden door de gecertificeerde instelling (GI) of de Raad voor de Kinderbescherming omdat zij gezien worden als een verlengstuk van ouders en/of kinderen? Deelt u de mening dat dit geen recht doet aan de neutrale positie die advocaten innemen en de gedragsregels waar advocaten zich aan dienen te houden? Waar kunnen advocaten zich volgens u melden als zich zo’n situatie zich voordoet?
Ik heb navraag gedaan bij verschillende organisaties waaronder de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), de Vereniging van Nederlandse Jeugdrechtadvocaten (NVJA) en de Nederlandse vereniging van Familie-en erfrecht Advocaten Scheidingsmediators (vFAS). Een deel van de achterban geeft aan de signalen te herkennen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft laten weten constructief samen te werken met de advocatuur en advocaten altijd serieus te nemen in hun rol als bijstandsverlener voor ouders en kind. In zijn algemeenheid kan ik aangeven dat ik waarde hecht aan de neutrale positie van de advocatuur en de opgestelde gedragsregels. Verder kunnen advocaten zich in de eerste plaats het beste melden bij de betreffende gecertificeerde instelling of de Raad voor de Kinderbescherming. Daarnaast kunnen advocaten signalen uiteraard ook neerleggen bij de belangenorganisaties waar ze bij zijn aangesloten.
Bent u ervan op de hoogte dat kinderen, ouders of pleegouders in sommige gevallen worden berispt of gesanctioneerd als zij dergelijke opnames maken en willen inbrengen in de procedure om zo gehoord te worden? Vindt u dit in lijn met artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag (IVRK) dat bepaalt dat kinderen het recht hebben hun mening vrijelijk te uiten en dat daaraan passend belang moet worden gehecht?
Ik ben er niet van op de hoogte dat kinderen, ouders of pleegouders in sommige gevallen worden berispt of gesanctioneerd als zij dergelijke opnames maken en willen inbrengen in de procedure om zo gehoord te worden. In zijn algemeenheid kan ik het volgende aangeven ten aanzien van het gebruik van geluidsopnamen door verschillende instanties (Jeugdzorg Nederland en de Raad voor de Kinderbescherming) en de rechtspraak. Jeugdzorg Nederland heeft op basis van de handreiking van de Nationale ombudsman3 een richtlijn opgesteld voor het gebruik van geluidsopnamen.4 Deze richtlijn geldt voor cliënten van Jeugdzorg Nederland en jeugdprofessionals van de organisaties die jeugdhulp, jeugdbescherming en/of jeugdreclassering aanbieden. Hierin staat vermeld dat het is toegestaan om een geluidsopname te gebruiken ten behoeve van een juridische procedure. De Raad voor de Kinderbescherming heeft in zijn Kwaliteitskader opgenomen dat kinderen en ouders in principe geluidsopnamen mogen maken van de gesprekken met medewerkers.5 Daarnaast kan beeld- en geluidmateriaal benut worden in het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming indien ouders of kinderen dit tijdens gesprekken aan de raadsmedewerker laten zien of horen. In de verschillende familie- en jeugdrecht procesreglementen voor de rechtbanken, zoals gepubliceerd op rechtspraak.nl, staat sinds 1 januari 2026 de volgende bepaling: «Bij het overleggen van gegevens, stukken of multimediabestanden moeten partijen aangeven ter toelichting of staving van welke stelling deze zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is. Partijen moeten bij audio- en videobestanden aangeven op welke minuut/minuten het voor de procedure relevante deel staat en van dat deel een transcriptie overleggen. Indien hieraan niet voldaan wordt, kan de rechter de overgelegde gegevens of stukken of multimediabestanden buiten beschouwing laten.» Hoe de rechter dit waardeert is verder aan het oordeel van de rechter.
Hoe beoordeelt u het verschil tussen rechtbanken waar kinderen wel of niet de mogelijkheid krijgen om via geluidsfragmenten hun stem te laten horen? Vindt u dat wenselijk? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Het is aan de rechter zelf om af te wegen hoe belangrijk de geluidsopname is en of er een goede reden is om wel of geen gebruik hiervan te maken.
Verschil in interpretaties is bovendien onderdeel van het rechtssysteem en draagt bij aan de rechtsvormende taak van de rechter. Verder verwijs ik naar mijn antwoord bij vraag 5 waarin ik in zijn algemeenheid inga op het gebruik van geluidsopnamen door verschillende instanties waaronder de rechtspraak.
Bent u ervan op de hoogte dat sommige rechtbanken, waaronder de Rechtbank Den Haag2, 3, dergelijke geluidsfragmenten niet accepteren als onderdeel van het dossier omdat zij als onrechtmatig worden beschouwd? En bent u ervan op de hoogte dat en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden4 het niet per definitie als onrechtmatig beschouwd maar dat er wel terughoudendheid betracht moet worden? Deelt u de mening dat dergelijke geluidsfragmenten niet als onrechtmatig beschouwd moeten worden en dat die terughoudendheid niet wenselijk is nu blijkt dat het vaak misgaat en dat juist de geluidsopnames kunnen bijdragen aan het gehoor geven aan de stem en de ervaringen van het kind, zoals vastgelegd in artikel 12 van het IVRK?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat dit verschil in interpretaties in de rechtspraak als een vorm van rechtsongelijkheid kan worden ervaren? En bent u het eens met dit standpunt van de rechtbank Den Haag dat hiervan het gevolg is dat de stem van het kind niet of onvoldoende gehoord wordt of dat de ervaringen van kinderen buiten beeld blijven?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid met de Raad voor de Rechtspraak te verkennen of er een uniform toetsingskader kan komen voor de omgang met geluidsopnamen in civiele jeugdrechtzaken, zodat kinderen in gelijke omstandigheden ook gelijke rechtsbescherming genieten?
Het is van belang dat een rechter zelfstandig op basis van de feiten en omstandigheden kan beslissen. Een uniform toetsingskader is dan ook niet gewenst.
In hoeverre beschikken jeugdbeschermingsinstellingen en pleegzorgaanbieders over duidelijke protocollen over hoe om te gaan met geluids- of beeldmateriaal dat door kinderen wordt ingebracht als bewijsmiddel van onveiligheid of mishandeling? Wat bent u van plan te doen als hierin vermeld wordt dat dergelijke opnames niet als bewijs mogen dienen, ook wanneer zij aantoonbare misstanden laten zien?
Jeugdzorg Nederland heeft op basis van de handreiking van de Nationale ombudsman9 een richtlijn opgesteld voor het gebruik van geluidsopnamen.10 Deze richtlijn geldt voor cliënten van Jeugdzorg Nederland en jeugdprofessionals van de organisaties die jeugdhulp, jeugdbescherming en/of jeugdreclassering aanbieden. Hierin staat vermeld dat het is toegestaan om een geluidsopname te gebruiken ten behoeve van een juridische procedure. Daarnaast merk ik op dat de nationale (kinder)ombudsman tips gegeven heeft over hoe om te gaan met geluidsopnames.11
Klopt het dat er geen landelijke richtlijn of toezichtkader bestaat dat regelt hoe dergelijke opnames moeten worden gewogen in (familie)rechtszaken of interne klachtenprocedures? Zo ja, bent u bereid zo’n richtlijn op te laten stellen?
Het klopt dat er geen organisatie overstijgende richtlijn of toezichtkader bestaat dat regelt hoe geluidsopnames gewogen worden in (familie)rechtszaken of interne klachtenprocedures. Echter, zoals reeds eerder aangehaald in de beantwoording hebben zowel de rechtspraak als Jeugdzorg Nederland en de Raad voor de Kinderbescherming een procesreglement danwel een richtlijn of Kwaliteitskader.
Bent u ermee bekend dat veel kinderen en ouders geen klachten durven in te dienen tegen pleegouders of jeugdbeschermers als er sprake is van dergelijk grensoverschrijdend gedrag omdat zij zich door het gedrag zelf al niet veilig voelen en daarnaast bang zijn voor repercussies zoals het afzeggen van omgang of het verlengen van een maatregel? Welke mogelijkheden hebben kinderen of ouders momenteel om anders dan bij de eigen pleegzorgorganisatie veilig melding te doen van grensoverschrijdend gedrag binnen pleegzorg, buiten de instelling of GI om?
Een goed toegankelijke en onafhankelijke klachtenprocedure, waar kinderen en ouders terecht kunnen wanneer zij ontevreden zijn over het handelen van (medewerkers) van organisaties in het jeugddomein, vind ik uitermate belangrijk. De Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport en ik hebben onlangs een onderzoek laten uitvoeren naar klachtbehandeling in het jeugddomein.12 In het voorjaar 2026 wordt uw Kamer geïnformeerd over de stappen die naar aanleiding daarvan worden gezet. Het is daarnaast belangrijk dat (pleeg)kinderen kunnen beschikken over een vertrouwenspersoon. Hierdoor voelen kinderen zich ondersteund en veilig om zich uit te spreken over hun zorgen. Een vertrouwenspersoon is een luisterend oor, steun en toeverlaat als een kind of jongere dat nodig heeft. Deze vertrouwenspersoon kan iemand uit de familie of het persoonlijk netwerk zijn of een vertrouwenspersoon van (bijvoorbeeld) Jeugdstem. De vertrouwenspersonen van Jeugdstem zijn onafhankelijk. Gemeenten, gecertificeerde instellingen en pleegzorgaanbieders zijn verplicht om pleegkinderen te informeren over de ondersteuningsmogelijkheden van een vertrouwenspersoon.
Bent u bereid om te (laten) onderzoeken hoeveel meldingen er de afgelopen vijf jaar zijn gedaan van onveiligheid of emotioneel geweld binnen pleegzorg en in hoeveel van die gevallen de stem van het kind doorslaggevend is geweest?
Naar aanleiding van de mishandeling in het pleeggezin in Vlaardingen en een analyse van pleegzorgincidenten en -calamiteiten die tussen 1 januari 2023 en 31 december 2024 bij de inspectie zijn gemeld, voerde de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in de eerste helft van 2025 thematoezicht uit bij pleegzorgaanbieders. In dit proces is de stem van het kind nadrukkelijk betrokken. Zo is bijvoorbeeld gevraagd naar de kennis van de pleegzorgbegeleider over de pleegkinderen en de hoeveelheid gesprekken die de pleegzorgbegeleider alleen met het kind voerde. Dit onderzoek is representatief voor de pleegzorgsector en heeft geleid tot verschillende verbeterinitiatieven. Hierover bent u in de Kamerbrief van 2 december geïnformeerd.13 Op dit moment richten wij ons in samenwerking met de sector op het verder ontwikkelen, implementeren en borgen van verbeteringen in de gehele jeugdbeschermingsketen.
Herkent u het bredere signaal dat kinderen en ouders binnen de jeugdbescherming zich vaak niet gehoord of geloofd voelen, ook wanneer zij herhaaldelijk melding maken van misstanden? Wat zegt dit volgens u over de rechtspositie van gezinnen in het jeugdbeschermingsstelsel?
Ja, ik ben bekend met het bredere signaal dat kinderen en ouders binnen de jeugdbescherming zich niet gehoord of geloofd voelen, ook wanneer zij herhaaldelijk melding maken van misstanden. Ik zet me er dan ook voor in om de rechtsbescherming van ouders en kinderen die te maken krijgen met een kinderbeschermingsmaatregel te versterken, zodat ze beter gehoord, betrokken en ondersteund worden. Zo geef ik met het dit jaar in te dienen wetsvoorstel de «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» invulling aan die ambitie door onder andere te investeren in rechtsbijstand. De rechtbank wijst ambtshalve een advocaat toe, zodat ouders niet zelf het initiatief hoeven te nemen.
Acht u het wenselijk dat kinderen of jongeren procesrechtelijke bijstand krijgen bij het inbrengen van eigen bewijs of geluidsopnames, zodat zij dit op rechtmatige wijze kunnen doen zonder afhankelijk te zijn van toestemming van hun jeugdbeschermer of pleegzorgaanbieder?
Bijstand en ondersteuning van kinderen in kinderbeschermings- en gezag en omgangprocedures heeft onze aandacht. Voor de ondersteuning van het kind tijdens juridische procedures heeft adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) dan ook op mijn verzoek verschillende typen steunfiguren in kaart gebracht. Het onderzoek geeft een overzicht van de beschikbare vormen van ondersteuning en de behoeften die kinderen hebben. U heeft het rapport recent ontvangen als bijlage bij de voortgangsbrief jeugd.14 Uit het rapport blijkt dat kinderen behoefte kunnen hebben aan uiteenlopende vormen van ondersteuning. Geen enkele steunfiguur kan in alle situaties in alle behoeften voorzien. AEF adviseert daarom een netwerkbenadering: een goed functionerend geheel van ondersteuningsvormen, zodat voor ieder kind iets beschikbaar is dat aansluit bij zijn of haar situatie. In de huidige praktijk mag een kind overigens zich al bij het uitoefenen van het hoorrecht laten bijstaan door een zelf uitgekozen persoon. In het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming dat dit jaar naar de Kamer wordt gestuurd, wordt deze mogelijkheid bekrachtigd. Ook kan de rechter binnen het huidige juridische kader een bijzonder curator benomen die de minderjarige bijstaat.
Ziet u aanleiding om, samen met de Raad voor de Rechtspraak en de Inspecties, een landelijke evaluatie te laten uitvoeren naar de omgang met kind signalen en geluidsopnamen in jeugdbeschermingszaken, met bijzondere aandacht voor de uiteenlopende rechtspraak in Den Haag en Rotterdam?
Ik zie op dit moment geen aanleiding voor een landelijke evaluatie, samen met de Raad voor de Rechtspraak en de Inspecties. In zijn algemeenheid kan ik wel opmerken dat het Landelijk overleg vakinhoud familierecht oog heeft voor zaken binnen haar domein en uitdagingen binnen haar werkgebied oppakt.
Hoe waarborgt u dat in toekomstige jeugdbeschermingsprocedures de stem van het kind niet afhankelijk is van een opname, maar vanzelfsprekend wordt gehoord, serieus genomen en gewogen?
Ik vind het zeer van belang dat de stem van het kind wordt gehoord. In het kader van het verbeteren van de participatie van minderjarigen in procedures zal door middel van het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming in de wet worden geborgd dat de leeftijdsgrens voor het hoorrecht door de kinderrechter verlaagd wordt van twaalf naar acht jaar voor alle jeugd- en familiezaken die kinderen aangaan. Op deze manier wordt beter gewaarborgd dat kinderen steeds hun stem kunnen laten horen.
De Veiligheid van procespartijen en rechtsgelijkheid bij jeugdbeschermingsprocedures |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Judith Tielen (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 15 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:10004)1, waarin de meervoudige kamer expliciet stelt dat de rechtbank geen taak of wettelijke bevoegdheid heeft om tijdens of na een zitting de veiligheid van procespartijen te waarborgen?
Ja.
Komt het standpunt van de meervoudige kamer overeen met formeel beleid van de gerechten of de raad voor de rechtspraak?
Het past mij niet om rechterlijke uitspraken te duiden. De organisatie van de algemene veiligheid in gerechtsgebouwen en het optreden bij concrete bedreiging is belegd bij de daartoe aangewezen instanties. De veiligheid tijdens en rondom zittingen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van rechtbanken, het Openbaar Ministerie, de politie en andere betrokken ketenpartners. De politie is verantwoordelijk voor de openbare orde, maar niet binnen het gerechtsgebouw. Binnen het gerechtsgebouw ligt deze verantwoordelijkheid bij het lokale gerechtsbestuur. De rechter is verantwoordelijk voor de behandeling van zaken en voor orde in de zittingszaal tijdens de zitting.
Het lokale gerechtsbestuur is verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen zoals vastgelegd in artikel 23, lid 1, sub c van de Wet op de rechterlijke organisatie. Vanuit de werkgeversverantwoordelijkheid van de Rechtspraak en de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de veiligheid binnen het gerechtsgebouw wordt permanent toegezien op het welzijn van de medewerkers en procespartijen. Daarbij kunnen, indien nodig, passende maatregelen worden getroffen om de veiligheid van zowel procespartijen als medewerkers te waarborgen. Wanneer er concrete veiligheidsrisico’s zijn, bijvoorbeeld door signalen voorafgaand aan de zitting of uitspraken, dienen deze risico’s gemeld te worden bij de rechtbank en de politie zodat een gedegen veiligheidsinschatting kan worden gemaakt en indien nodig de noodzakelijke maatregelen kunnen worden getroffen.
Deelt u de mening dat deze uitspraak feitelijk betekent dat procespartijen – waaronder ouders, kinderen, advocaten, medewerkers van de gecertificeerde instelling (GI), de Raad voor de Kinderbescherming en zelfs rechters – tijdens de zitting en na afloop van de zitting zonder enige bescherming het gerechtsgebouw verlaten, ook als er sprake is van expliciete bedreigingen?
Nee, die mening deel ik niet. Zie het antwoord op vraag 2.
Acht u het wenselijk dat een rechterlijke instantie die op de hoogte is van een concrete bedreiging, zeker als die in de zitting wordt uitgesproken, zich beperkt tot de constatering dat er «geen wettelijke bevoegdheid» bestaat om maatregelen te treffen?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2. Ter nadere duiding wil ik hierover opmerken dat in de zittingszaal de rechter – bij een meervoudige zitting de voorzitter – verantwoordelijk is voor de orde in de zittingszaal. Het gerechtsbestuur is verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen binnen de rechtbank of het hof. Als in een rechterlijke uitspraak gebruik wordt gemaakt van de term «de rechtbank» of «het hof» wordt hiermee verwezen naar de rechtspraak zelf en diens verantwoordelijkheid voor de orde in de zittingszaal; niet naar het gerechtsbestuur.
Worden deze bedreigingen ook geregistreerd waardoor het zichtbaar is hoe vaak dit voor komt? Is er bijvoorbeeld bekend hoe vaak rechters of griffiers bedreigt worden? Of andere procesdeelnemers? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, overweegt u om dit vast te laten leggen waardoor er niet alleen een preventieve werking van uit gaat, maar ook dat er onderzoek kan worden gedaan naar de herkomst en omstandigheden waar dit vandaan komt?
De Rechtspraak registreert alle ontvangen meldingen van bedreigingen richting rechters, griffiers of andere procesdeelnemers. Echter, niet alle incidenten en bedreigingen worden gemeld. De Raad voor de rechtspraak geeft aan dat er soms sprake is van een lagere meldbereidheid. Hierdoor beschikt de rechtspraak niet over betrouwbare, landelijke, vergelijkbare cijfers die ik met uw Kamer kan delen. Ook sommige procesdeelnemers registreren bedreigingen tijdens of naar aanleiding van een zitting binnen de eigen organisatie. Zo registreert de Raad voor de Kinderbescherming alle intern gemelde agressie richting medewerkers, waaronder meldingen door zittingsvertegenwoordigers over bedreiging, intimidatie en belediging; het merendeel van deze incidenten is bij de politie gemeld onder vermelding van de projectcode Veilige Publieke Taak (VPT).
Binnen JenV wordt in het programma Voorbereid op agressie en geweld gewerkt aan een meldapplicatie voor uitvoeringsorganisaties onder JenV- en AenM-verantwoordelijkheid, die in de toekomst kan bijdragen aan het bijhouden van geaggregeerde cijfers. Op dit moment zijn er geen landelijke, vergelijkbare cijfers beschikbaar om met uw Kamer te delen. Zoals aangegeven zijn de lokale gerechtsbesturen verantwoordelijk voor de veiligheid in de gerechtsgebouwen.
Wordt er ook geregistreerd wat de bedreigingen zijn, waar ze vandaan komen zodat niet alleen inzichtelijk is hoe vaak het voorkomt maar ook wat de achtergronden en of er mogelijk een patroon of recidive is van bepaalde ouders?
Gemelde incidenten van bedreiging en andere vormen van agressie worden geregistreerd door betrokken organisaties; binnen de rechtspraak gebeurt dit geanonimiseerd in lijn met de AVG, waardoor namen niet uit het systeem zijn te herleiden. Ook is er geen sprake van een persoonsgerichte registratie naar herkomst, achtergronden of recidive van specifieke procesdeelnemers (zoals bepaalde ouders). De beschikbare registraties zijn casuïstisch en primair bedoeld voor veiligheidsbeheer op zaak- of locatieniveau, niet voor structurele statistische analyse naar patronen en motieven. De veiligheidsregisseur van de Raad voor de Kinderbescherming volgt landelijk trends in aard en oorzaak van agressie en geeft preventieadvies, maar beschikt vooralsnog niet over statistisch onderbouwde patronen of recidive van specifieke oudergroepen.
Hoe wordt in de praktijk bepaald of een dergelijke dreiging wordt beschouwd als een strafrechtelijke of veiligheidskwestie en wie neemt daartoe het initiatief – de rechtbank, de griffier, de Raad, de GI of de politie?
Of een dreiging als strafrechtelijke kwestie of als veiligheidskwestie wordt aangemerkt, hangt in de praktijk af van aard en ernst van het incident; vaak lopen beide sporen naast elkaar. Bij een strafbaar feit (zoals intimidatie of bedreiging) tijdens of naar aanleiding van een zitting, maar ook daarbuiten, doet het slachtoffer aangifte bij de politie en beoordeelt het Openbaar Ministerie een eventuele vervolging. Tegelijkertijd treden ook veiligheidsmaatregelen in werking. Zo is in iedere rechtszaal een noodknop waarmee de rechter bij acuut risico de parketpolitie kan alarmeren. Gerechten, Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), gecertificeerde instellingen (GI’s) en andere ketenpartners volgen eigen interne procedures om risico’s te signaleren en te beperken. In het kader van een meer uniforme ketenaanpak verkent het programma Voorbereid op agressie en geweld best practices en behoeften rond risico-inventarisatie, inclusief een vooraf uit te voeren veiligheidsscan voor JenV-medewerkers (niet voor alle procespartijen). Zowel de gerechten als iedere procespartij hebben een agressie- en veiligheidsprotocol opgesteld dat voor alle werkprocessen geldt ter bescherming van medewerkers en bezoekers. Zie ook vraag 9.
Bestaat er een protocol voor de veiligheid van procespartijen bij familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen waarbij sprake is van (potentieel) gevaar of agressie? Zo ja, kunt u de kamer dit protocol toezenden?
Er bestaat niet één protocol voor de veiligheid van procespartijen bij familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen waarbij sprake is van (potentieel) gevaar of agressie. Diverse procespartijen hebben een eigen agressie- en veiligheidsprotocol opgesteld.
Bij de Rechtspraak is binnen ieder gerecht het lokaal bestuur verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen (artikel 23 lid 1 sub c wet RO). Binnen ieder gerecht is wekelijks veiligheidsoverleg waarbij de zittingen worden besproken die op basis van aanwijzingen worden ingeschat als zittingen met een verhoogd risico. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de Checklist Risicovolle zittingen in het eigen gerechtsgebouw. Verder is in dit kader relevant de minimumnorm Handelen bij agressie en geweld, die ziet op gewelds- en agressie incidenten die binnen een gerechtsgebouw kunnen plaatsvinden. Deze werkwijze is opgesteld voor alle werkprocessen en ter bescherming van medewerkers en bezoekers. Er is geen protocol dat specifiek is toegesneden op familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen.
Het protocol van de RvdK geldt in iedere situatie waar onveiligheid is.
Indien het antwoord op vraag 8 nee is, kunt u aangeven welk protocol er wél geldt, wie dit handhaaft en hoe vaak dit wordt toegepast?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe wordt de veiligheid van de betrokken rechters, advocaten en hulpverleners gewaarborgd bij vertrek uit de zittingszaal of het gerechtsgebouw, zeker wanneer er sprake is van een emotioneel beladen jeugdzorgzaak waar dergelijk bedreigingen zijn geuit?
Zie voor antwoord vraag 4 en 16.
Hoe vaak komt het voor dat rechters bedreigd worden in zittingen of daarbuiten via bijvoorbeeld mail of sociale media? Hoe gaat de rechtspraak ermee om als rechters bedreigd worden? Hoe wordt dan de veiligheid van de rechters gewaarborgd? Welke maatregelen neemt de rechtbank dan in het belang van de veiligheid van de rechters? Waar kunnen rechters terecht als zij bedreigd worden en hoe verhoudt zich dat weer ten aanzien van de geheimhoudingsplicht die rechters hebben in het kader van de beslotenheid van jeugd- en familierechtszaken?
Het komt voor dat rechters bedreigd worden. Van het totaal aantal bedreigingen worden geen cijfers bijgehouden. Wel zijn cijfers bekend van het aantal (veelal straf-)rechters dat persoonlijke beveiligd wordt. Rechters die worden bedreigd in zitting of daarbuiten kunnen dit melden bij hun teamvoorzitter, gerechtsbestuur of de beveiligingsmedewerker. Bij de Rechtspraak is binnen ieder gerecht het lokaal bestuur verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen (artikel 23 lid 1 sub c wet RO). Als een rechter wordt bedreigd is maatwerk het uitgangspunt. Ook met betrekking tot eventuele te zetten vervolgstappen zoals het inschakelen van politie of OM.
Over de wijze van beveiligen van rechters doe ik geen uitspraken.
Wordt er in dergelijke situaties overleg gevoerd tussen rechtbanken en lokale politie of het Openbaar Ministerie om acute dreiging te beoordelen en maatregelen te treffen? Zo ja, hoe vaak gebeurt dat en hoe is die samenwerking geborgd?
Als een rechter wordt bedreigd is maatwerk het uitgangspunt. Ook met betrekking tot eventuele te zetten vervolgstappen zoals het inschakelen van politie of OM. Dit hangt in de praktijk af van de aard en ernst van het incident. Afhankelijk daarvan verloopt eventuele samenwerking met de politie en het OM via de gebruikelijke kanalen.
Acht u het wenselijk dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van procespartijen in dit soort zaken niet bij één instantie is belegd, waardoor iedereen op elkaar wacht en feitelijk niemand handelt?
De bij vraag 8 en 9 beschreven werkwijze binnen rechtbanken is opgesteld voor alle werkprocessen en ter bescherming van medewerkers en bezoekers. Er is geen werkwijze specifiek toegesneden op familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen. Door het maken van afspraken en overleg binnen de keten kan de samenwerking tussen de instanties in de keten worden bevorderd. Door te werken volgens de vraag 8 en 9 beschreven werkwijze, beoogt de rechtspraak steeds de veiligheid voor alle rechtsgebieden te bevorderen.
Op dit moment worden door het programmateam Voorbereid op agressie en geweld van JenV diverse modellen voor de veiligheid en de beveiliging van procespartijen bekeken. Dit betreft complexe problematiek die vraagt om een zorgvuldige gezamenlijke aanpak en voldoende tijd daarvoor. Ik wil het programmateam daarbij niet voor de voeten lopen. Ik zal uw Kamer hier te zijner tijd nader over informeren.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige taakafbakening tussen rechtbank, GI, Raad en politie leidt tot rechtsongelijkheid en veiligheidsrisico’s voor partijen die deelnemen aan jeugdbeschermingsprocedures?
De taakafbakening ten aanzien van de veiligheid van procesdeelnemers tijdens en rondom een rechtszitting is wettelijk verankerd en elke instantie heeft een eigen verantwoordelijkheid. In de praktijk is het wenselijk dat veiligheidsrisico’s in ketenverband worden besproken en ingeschat, waarbij maatregelen op maat genomen kunnen worden. Ik heb geen aanwijzingen dat de huidige wettelijke taakafbakening leidt tot rechtsongelijkheid of veiligheidsrisico’s voor de procespartijen. Ik zie dan ook geen aanleiding een onderzoek zoals voorgesteld in te stellen.
Hoe beoordeelt u het risico dat slachtoffers van bedreiging (zoals de moeder in deze zaak, maar ook de advocaat van moeder en de bijzonder curator) zich niet vrij voelen om hun standpunt te uiten en dat dit de kern van een eerlijk proces ondermijnt (artikel 6 EVRM)? Deelt u de mening dat hiermee ook de belangen van de minderjarige in het geding komen? En daarmee het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind niet kan worden nageleefd?
Het is niet aan mij als bewindspersoon om te oordelen over een individuele casus. Ik sta voor een eerlijk proces. De mogelijkheid van iedere procesdeelnemer om zich hierin vrijelijk te kunnen uiten acht ik voor het recht op een eerlijk proces van essentieel belang.
Kunt u toelichten hoe dit zich verhoudt tot de zorgplicht van de overheid om veiligheid te waarborgen binnen door de overheid georganiseerde procedures, waaronder kinderbeschermingszaken?
De zorgplicht van de overheid om de veiligheid te waarborgen binnen door de overheid georganiseerde procedures, zoals kinderbeschermingszaken, wordt in de praktijk ingevuld via een gedeelde verantwoordelijkheid en een gelaagde aanpak. Zoals al eerder aangegeven draagt binnen het gerechtsgebouw het lokale gerechtsbestuur de primaire verantwoordelijkheid voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen, conform artikel 23, lid 1, sub c, van de Wet RO. Die verantwoordelijkheid krijgt concreet vorm in wekelijks veiligheidsoverleg binnen ieder gerecht, waarin zittingen met een verhoogd risicoprofiel worden doorgenomen aan de hand van de Checklist Risicovolle zittingen, en in de toepassing van de minimumnorm Handelen bij agressie en geweld, wanneer zich een incident voordoet. Bij acuut gevaar kan de rechter bovendien via de noodknop direct de parketpolitie alarmeren, zodat onmiddellijk wordt opgetreden.
Buiten het gerechtsgebouw ligt de zorgplicht bij de werkgevers van de betrokken professionals, zoals de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de gecertificeerde instellingen (GI’s).
Bent u bereid in overleg met de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse orde van advocaten, de Raad voor de Kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen en alle andere belanghebbenden om te komen tot een goede borgingsafspraken en indien nodig landelijk veiligheidsprotocol voor jeugdbeschermingszittingen en regiezittingen?
De Raad voor de rechtspraak heeft mij laten weten dat binnen ieder gerechtsgebouw permanent wordt toegezien op de veiligheid en het welzijn van medewerkers en procespartijen. Daartoe is bij ieder gerecht een veiligheidsorganisatie ingericht. Het bij vraag 9 genoemde wekelijks veiligheidsoverleg in ieder gerecht is slechts een exponent van een breed raamwerk aan beheersmaatregelen voor tal van veiligheidsrisico’s. Als er op voorhand geen aanwijzingen zijn dat een zitting een verhoogd risico kent geldt het standaard veiligheidsregime. Bij calamiteiten (na alarmering/signalering) wordt zo snel als mogelijk adequaat opgetreden door bodes, beveiliging en parketpolitie en/of andere hulpdiensten. De Rvdr ziet geen aanleiding voor een landelijk veiligheidsprotocol voor jeugdbeschermingszittingen en regiezittingen. De Rvdr geeft aan open te staan voor een nog nauwere samenwerken met betrokken partijen in het kader van veiligheid en informatie-uitwisseling. Gelet op de onafhankelijke positie van de Rechtspraak is het niet aan mij om de Rechtspraak aan te sturen. Gelet op de getoonde bereidheid van de betrokken partijen om de samenwerking te intensiveren, wacht ik graag de uitkomsten van deze initiatieven af. Het programmateam Voorbereid op agressie en geweld van JenV kan een faciliterende rol spelen bij het nog verder intensiveren van de samenwerking in de keten.
Kunt u garanderen dat los van het eventuele beleid concrete stappen worden gezet om de veiligheid van rechters en andere professionals binnen de rechtsgebouwen, wanneer er concrete aanwijzingen zijn voor hun onveiligheid, worden beschermd?
Zie het antwoord op vraag 17.
Zo ja, op welke termijn verwacht u dit te kunnen realiseren en bent u bereid de Kamer hierover voor het einde van het eerste kwartaal van 2026 te informeren?
Beveiligingsbeleid wordt door de gerechtsbesturen bijgesteld als daartoe aanleiding is. De veiligheid van rechters en andere professionals binnen de gerechtsgebouwen is, zoals eerder toegelicht, aan de gerechten zelf. Het Programma voorbereid op agressie en geweld verkent in het belang van een effectieve ketenaanpak op dit moment de best practices evenals de openstaande behoeftes van de organisaties. Het Programma kan de ketenpartners faciliteren bij het formuleren van oplossingen. Het waarborgen van de veiligheid is complexe problematiek die vraagt om een zorgvuldige gezamenlijke aanpak en voldoende tijd daarvoor. Ik zal uw Kamer hier te zijner tijd nader over informeren.
De inzet van sport en bewegen in de aanpak preventie en weerbaarheid jongeren |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Foort van Oosten (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de analyse dat sport en bewegen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van veiligheid en leefbaarheid in wijken en bij de aanpak om te voorkomen dat jongeren in de criminaliteit belanden?
Sport past in een breder perspectief van een zinvolle dagbesteding voor jongeren wanneer het gaat om het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Zo kan met sport een positief effect worden bereikt op bijvoorbeeld antisociaal gedrag doordat jeugdigen meer pro-sociale contacten leggen, sociale vaardigheden ontwikkelen en levenservaring opdoen.
Het in 2024 verschenen Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit» (hierna: Landelijk Kwaliteitskader) stelt het volgende ten aanzien van sport en preventie jeugdcriminaliteit1: «In termen van universele preventie heeft jeugdparticipatie op het gebied van sport en cultuur een positieve werking in algemene zin waar het psychosociale problemen betreft, maar ook ten aanzien van het voorkomen van antisociaal gedrag, zoals jeugddelinquentie (Clarijs, 2014).» Met dat doel kunnen gemeenten maatregelen en interventies inzetten door gebruik te maken van sport.
Het Landelijk Kwaliteitskader stelt echter ook dat wanneer er in het leven van een jongere meerdere risicofactoren zijn en onvoldoende beschermende factoren, in die gevallen alleen deelname aan sport-gerelateerde activiteiten niet voldoende is. In zulke gevallen zijn interventies gericht op deze specifieke groep nodig, waarbij de voordelen van sport kunnen worden gebruikt om de weerbaarheid van jongeren te verhogen. Dit geldt bijvoorbeeld bij de Preventie met Gezag-gemeenten, die vooral inzetten op deze doelgroep met jongeren in een meer kwetsbare positie.
In hoeverre en op welke manier wordt de preventieve werking van sport en bewegen op dit moment benut binnen de lerende aanpak van het brede netwerk Preventie met Gezag?1
Uit wetenschappelijk onderzoek is bekend dat sport op zichzelf geen gedragsinterventie is waarmee jeugdcriminaliteit kan worden voorkomen. Er zijn echter wel gedragsinterventies die sport inzetten als middel tot gedragsverandering, in combinatie met andere werkzame bestanddelen die in gezamenlijkheid tot gedragsverandering kunnen leiden. Een voorbeeld van een bewezen justitiële gedragsinterventie met sport als middel is «Alleen jij bepaalt wie je bent» (AJB). Deze interventie wordt inmiddels ingezet in meer dan 35 gemeenten in Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk, waarbij lokaal wordt samengewerkt met het Jeugdfonds Sport en Cultuur. Interventies waarvan de werkzame bestanddelen bewezen effectief zijn of die vanuit de kennis van het Landelijk kwaliteitskader als kansrijk kunnen worden bestempeld, worden via de lerende aanpak van Preventie met Gezag breed gedeeld. Dit gebeurt zowel met de gemeenten die aangesloten zijn op Preventie met Gezag als met gemeenten die niet aangesloten zijn op de aanpak.
Bent u bereid om expliciet te kijken naar hoe sport en bewegen als onderdeel van de sociale basis kan bijdragen aan het voorkomen van jeugdcriminaliteit, als aanvulling op de bestaande aanpak?
In eerste instantie zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de sociale basis in de eigen gemeente, op basis van de lokale situatie. Naast de reguliere inzet van gemeenten wordt er bijvoorbeeld via het Nationaal Programma Leefbaarheid- en Veiligheid in 19 gemeenten gewerkt aan het versterken van de leefbaarheid en veiligheid in 20 kwetsbare gebieden, waarbij het sociaal domein is betrokken. Hierbij is er ook aandacht voor het vergroten van de mogelijkheden voor sportparticipatie.
Zijn het Ministerie van VWS en de bestaande sport- en beweegprogramma’s betrokken bij de aanpak van jeugdcriminaliteit en het versterken van weerbaarheid van jongeren? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid deze bij deze aanpak te betrekken?
Vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is er goed zicht op en contact met de organisaties die betrokken zijn bij sport- en beweegprogramma’s. Vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid is er contact met het Ministerie van VWS over de mogelijkheden voor het inzetten van deze sportprogramma’s en interventies om de weerbaarheid van jongeren te vergroten. Er zijn interventies en lokale aanpakken die werken aan weerbaarheid van jongeren, maar (nog) niet bewezen effectief zijn. Via de site van Kenniscentrum Sport en Bewegen3 kan deze informatie worden gevonden. Twee voorbeelden van dergelijke interventies zijn Yets en Futsall Chabbab. Deze goed onderbouwde interventies zijn gericht op het verhogen van de weerbaarheid, maar bieden (nog) geen bewezen effect op de aanpak van jeugdcriminaliteit.
Binnen de lerende aanpak van Preventie met Gezag wordt kennis en ervaring gedeeld over de mogelijkheden van sportprogramma’s en interventies. Op basis van deze inzichten kunnen gemeenten de eigen inzet bepalen. Vooralsnog is enkel de preventieve gedragsinterventie AJB bewezen effectief in de aanpak van jeugdcriminaliteit.
Bent u bereid om u ervoor in te zetten om sport en bewegen meer te betrekken bij de preventieve aanpak van veiligheidsproblemen? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik ben ervan overtuigd dat sport en bewegen, net als mentoring voor jongeren, belangrijke onderdelen zijn van een bredere aanpak ter voorkoming van veiligheidsproblemen. Om deze reden vormen deze thema’s al geruime tijd een onderdeel van de integrale aanpak van jeugdcriminaliteit. Ik zie nu dan ook geen reden om dit verder te intensiveren.
Kunt u een nadere toelichting geven op uw besluit om niet door te gaan met de afschaffing, als uw streven is om grip op migratie te krijgen?
De bescherming van de arbeidsmigrant staat voorop.
Zoals aangegeven in mijn brief van 30 oktober jl. heeft het loslaten van de mogelijkheid om in te houden op het minimumloon voor huisvesting op dit moment meer nadelige dan positieve gevolgen voor de arbeidsmigrant.
Het kabinet heeft daarom besloten dat werkgevers vooralsnog maximaal 25% van het Wettelijk minimumloon in rekening mogen blijven brengen voor huisvestingskosten. De geplande start van de afbouw van deze regeling gaat daarom per 1 januari 2026 niet door.
Mijn voorganger schreef reeds dat het niet gemakkelijk is om een eenduidig oordeel te geven over de werking van de inhoudingsmogelijkheid ten aanzien van huisvesting.1 Aan de inhoudingsregeling voor huisvesting zitten verschillende kanten, zoals een eerdere verkenning laat zien.2 Enerzijds draagt de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting eraan bij dat werkgevers huisvesting regelen voor werknemers, met name arbeidsmigranten. Gelet op de huidige situatie op de woningmarkt zijn arbeidsmigranten nu voor hun huisvesting vaak afhankelijk van hun werkgever, helemaal als zij nieuw zijn in Nederland. De inhoudingsregeling faciliteert dat werkgevers huisvesting regelen. Dit gebeurt op een transparante wijze (zichtbaar op het loonstrookje), voor een gemaximeerd deel van het Wml (25%) en alleen voor gecertificeerde huisvesting of huisvesting door een woningcorporatie. De inhoudingsmogelijkheid maakt het voor werkgevers en werknemers makkelijker om de huurbetaling vooraf te regelen en beperkt incassorisico’s voor de aanbieders van huisvesting. In die zin kan de inhoudingsmogelijkheid zowel de arbeidsmigrant, als de aanbieder van huisvesting ontzorgen. De Arbeidsinspectie controleert op de voorwaarden van de inhoudingsregeling op het minimumloon. Anderzijds toont de verkenning ook aan dat er werkgevers zijn die de regeling misbruiken. De regeling vergroot de afhankelijkheid voor arbeidsmigranten van werkgevers en kan bijdragen aan een onwenselijk verdienmodel. Alles overwegende, is het oordeel dat het afschaffen van de inhoudingsmogelijkheid op dit moment meer nadelen dan voordelen voor de arbeidsmigrant heeft. Tegelijkertijd geldt dat misstanden nooit volledig zijn uit te sluiten. Het blijft belangrijk om beleid te maken dat rekening houdt met de kwetsbare positie van veel arbeidsmigranten.
Daarom zet het kabinet zich in om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren door uitvoering te geven aan verschillende aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (hierna: Aanjaagteam), ook op het terrein van huisvesting. Die maatregelen gaan ervoor zorgen dat op termijn afschaffing van de inhoudingsregeling minder nadelen krijgt en de weging anders uit kan pakken.
Hierin is van belang dat sinds 1 januari 2024 een landelijk netwerk van informatiepunten wordt gerealiseerd, de Work in NL-informatiepunten, waarbij ook meer specialistische hulp en juridische begeleiding vanuit het Juridisch Loket beschikbaar is.3
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) werkt daarnaast aan een wetsvoorstel dat moet zorgen voor een in de praktijk werkbare en verbeterde huurbescherming voor zowel arbeidsmigranten als verhuurders. De Kamer is daar recent over geïnformeerd4, de verwachting is dat er in 2026 een wetvoorstel voor consultatie wordt voorgelegd. Het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting van de Minister van VRO zal daarnaast door middel van een verplicht volkshuisvestingsprogramma voor Rijk, provincies en gemeenten moeten leiden tot meer huisvesting voor doelgroepen waaronder arbeidsmigranten. Dit wetsvoorstel ligt in bij de Raad van State voor advisering. Daarnaast heeft de Eerste Kamer op 11 november 2025 de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) aangenomen. Daarmee pakken we malafide uitleners aan waardoor ook de positie van kwetsbare arbeidskrachten zoals arbeidsmigranten verbetert.
Op basis van welke adviezen bent u gekomen tot uw afweging?
De basis voor deze afweging is de uitgevoerde ambtelijke verkenning naar de inhoudingsmogelijkheid. Mijn voorganger heeft die verkenning op 6 februari 2025 met uw Kamer gedeeld.5 In deze verkenning zijn de voor- en nadelen van de inhoudingsmogelijkheid op een rij gezet. Er is destijds gesproken met de Arbeidsinspectie, vakbonden FNV, CNV en VCP, werkgeversorganisaties VNO-NCW/MKB-NL, AWVN, LTO, ABU en NBBU, werkgevers in de uitzend-, land- en tuinbouwsector.
Kunt u aangeven waarom u afwijkt van het advies van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Arbeidsmigratie?
Het Aanjaagteam heeft geen aanbeveling opgenomen die specifiek adviseert om de inhoudingsregeling voor huisvesting af te schaffen. Het Aanjaagteam heeft in haar advies als doel gesteld om de afhankelijkheid van arbeidsmigranten van de werkgever te verminderen en hun positie te verbeteren. Ten aanzien van huisvesting beval het Aanjaagteam aan om de huurbescherming voor arbeidsmigranten te verhogen en het arbeids- en huurcontract te ontkoppelen op papier en in de praktijk.6 Dat is gebeurd via de per 1 juli 2023 in werking getreden Wet Goed Verhuurderschap. Die wet verplicht verhuurders om, in het geval van verhuur aan arbeidsmigranten, de huurovereenkomst afzonderlijk van de arbeidsovereenkomst vast te leggen. Het doel van het scheiden van de huurovereenkomst en de arbeidsovereenkomst is dat de arbeidsmigrant voor zijn huisvesting minder afhankelijk wordt van de werkgever. Het kan dan nog steeds zijn dat dezelfde partij deze contracten aanbiedt, maar de scheiding zorgt ervoor dat als het arbeidscontract wordt beëindigd de huisvesting niet ook per definitie direct beëindigd wordt, omdat er een apart huurcontract is. Daarnaast werkt de Minister van VRO, zoals eerder aangegeven, aan een wetsvoorstel dat de huurbescherming en huurprijsbescherming voor arbeidsmigranten moet borgen.
Vooruitlopend op wetgeving worden er tussen sociale partners afspraken gemaakt over huisvesting van arbeidsmigranten. Zo is in de uitzend-cao geregeld dat een werknemer na het aflopen van de uitzendovereenkomst nog vier weken kan verblijven in de gehuurde huisvesting, tegen dezelfde huurprijs.
Daarnaast heeft het Aanjaagteam aanbevolen de zelfredzaamheid van arbeidsmigranten te vergroten.7 Daarom werken we aan de verbetering van de informatie, hulp en dienstverlening aan arbeidsmigranten door middel van de eerder genoemde Work in NL-informatiepunten.
Bent u er zich van bewust dat de koppeling een verdienmodel is voor de uitzendsector, ook vanwege het fiscale voordeel dat ontstaat bij aftrek van de huur van het brutoloon?
Een van die nadelen die uit de verkenning naar voren komt is dat de regeling gebruikt kan worden als verdienmodel. Zo zien we dat werkgevers die ter kwade trouw zijn de regeling misbruiken om meer kosten dan gerechtvaardigd op basis van de geboden kwaliteit te verhalen op hun werknemers. Om die nadelen tegen te gaan moeten we doorgaan met het uitvoeren van de aanbevelingen van het Aanjaagteam, zeker op het terrein van huisvesting.
Bent u er zich van bewust dat de Nederlandse Arbeidsinspectie al meerdere malen expliciet heeft gewaarschuwd dat het totaalpakket van loon/huisvesting als «verdienmodel en pressiemiddel» wordt gebruikt en gepaard gaat met misstanden waarbij er een wanverhouding bestaat tussen de ingehouden huur en de kwaliteit van de huisvesting?
De Arbeidsinspectie maakt, zoals ook aangegeven in de verkenning, vanuit haar positie een andere weging. In het antwoord op vraag 1 heb ik de weging van het kabinet uiteengezet.
Heeft u uw voorgenomen besluit voorgelegd aan de SER? Zo ja, welk antwoord heeft u gehad? Zo nee, waarom heeft u uw voorgenomen besluit niet voorgelegd?
Het besluit is kenbaar gemaakt aan sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Gelet op de betrokkenheid van sociale partners bij de verkenning die is uitgevoerd en de daarin opgenomen standpunten van sociale partners, is er niet opnieuw geconsulteerd.
Heeft u uw voorgenomen besluit voorgelegd aan de Nederlandse Arbeidsinspectie? Zo ja, welk antwoord heeft u gehad? Zo nee, waarom heeft u uw voorgenomen besluit niet voorgelegd?
Ja, de Arbeidsinspectie heeft in het besluitvormingsproces bevestigd dat haar advies zoals verwoord in eerdere beslisnota’s (zie antwoord op vraag 5) ongewijzigd is.
Met welke organisaties heeft u gesproken in aanloop naar uw besluitvorming?
Het besluit is kenbaar gemaakt aan de sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Omdat de standpunten van sociale partners zijn opgenomen in de verkenning die is uitgevoerd en daarna nogmaals kenbaar zijn gemaakt via de internetconsultatie van de algemene maatregel van bestuur heeft plaatsgevonden, heb ik geen nadere gesprekken gevoerd om te komen tot mijn besluit.
Welke adviezen hebben deze organisaties u gegeven?
Ik heb kennis genomen van de standpunten van de organisaties middels de verkenning8 naar de inhoudingsregeling en de internetconsultatie9 van de algemene maatregel van bestuur.
Hoe heeft u deze adviezen gewogen?
Het oordeel is dat het afschaffen op dit moment meer nadelen dan voordelen voor de arbeidsmigrant heeft. Gelet op de huidige situatie op de woningmarkt zijn arbeidsmigranten nu voor hun huisvesting vaak afhankelijk van hun werkgever, helemaal als zij nieuw zijn in Nederland. De inhoudingsregeling faciliteert dat werkgevers huisvesting regelen. Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren door uitvoering te geven aan verschillende maatregelen van het Aanjaagteam, ook op het terrein van huisvesting. Die maatregelen gaan ervoor zorgen dat op termijn afschaffing van de inhoudingsregeling minder nadelen krijgt en de weging anders uit kan pakken.
Kunt u aangeven hoe uw besluit zich verhoudt tot de Wet goed verhuurderschap, artikel 3, lid a?
Vermoedelijk wordt hier gedoeld op artikel 2, lid 3 onderdeel a van de Wet Goed Verhuurderschap. Dit artikel ziet op het afzonderlijk vastleggen van de huurovereenkomst en de arbeidsovereenkomst. Per 1 juli 2023 is de Wet Goed Verhuurderschap inwerking getreden. Die wet verplicht verhuurders om, in het geval van verhuur aan arbeidsmigranten, de huurovereenkomst afzonderlijk van de arbeidsovereenkomst vast te leggen. Het doel van het scheiden van de huurovereenkomst en de arbeidsovereenkomst is dat de arbeidsmigrant inzake zijn huisvesting minder afhankelijk wordt van de werkgever. Het kan dan nog steeds zijn dat dezelfde partij deze contracten aanbiedt, maar de scheiding zorgt ervoor als het arbeidscontract wordt beëindigd de huisvesting niet ook per definitie direct beëindigd wordt, omdat er een apart huurcontract is. Dat draagt bij aan een sterkere positie van de arbeidsmigrant.
Deze wetgeving is een goede stap in het minder afhankelijk maken van arbeidsmigranten ten opzichte van werkgevers. Het op termijn afschaffen van de inhoudingsmogelijkheid zou een volgende stap kunnen zijn. In de conclusie op de eerder genoemde verkenning werd geconstateerd dat er eerst nog meer stappen op het terrein van huisvesting nodig zijn, alvorens het verantwoord is om de inhoudingsregeling voor huisvesting af te schaffen.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Jongeren verslaafd aan online gokken kloppen massaal aan voor hulp: 'Soms al vanaf 16 jaar’' |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD), Bruijn , Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht in Tubantia van 7 oktober 2025 waarin experts de noodklok luiden dat steeds meer mensen in de regio in de problemen komen door online gokken?1
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat grote aantallen online gokkers én gokverslaafden, niet alleen in de randstad maar ook op het platteland voorkomen?
Ik ben mij ervan bewust dat deelname aan online kansspelen en de problematiek die daarmee gemoeid kan gaan niet beperkt zijn tot bepaalde regio’s in Nederland. De inzet op betere bescherming tegen gokschade, waaronder verslaving, is dan ook gericht op alle mensen in Nederland.
Herkent u de constatering dat met name jongeren, zeker ook op middelbare scholen, sinds de legalisering van online gokken dit in groten getale zijn gaan doen en in de problemen komen?
Sinds de opening van de online gokmarkt zijn meer mensen, waaronder jongeren, online gaan gokken. Er zijn geen exacte cijfers over het aantal jongeren, waaronder minderjarigen, dat online is gaan gokken sinds oktober 2021. Uit onderzoek is wel gebleken dat het aantal jongeren dat online gokt is oververtegenwoordigd ten opzichte van de gehele populatie online gokkers. Daarnaast is het aantal jongeren dat online gokt in 2025 gestegen ten opzichte van 2024.2 Met name het aantal minderjarigen dat online is gaan gokken is in 2025 gestegen. Dat vind ik een zeer zorgwekkende ontwikkeling. Jongeren behoren tot een kwetsbare groep die extra gevoelig is voor de verleidingen van gokken. Dit geldt in het bijzonder voor minderjaren, voor wie het om die reden ook verboden is om te gokken.
Het is niet duidelijk of de jongeren waaraan wordt gerefereerd in het aangehaalde bericht illegaal hebben gegokt, of het speelaccount van een meerderjarig persoon hebben gebruikt, of dat zij de strenge identificatieplicht die bij legaal aanbod geldt hebben kunnen omzeilen. Momenteel doet de Kansspelautoriteit (Ksa) verdiepend onderzoek naar deelname van minderjarigen aan online kansspelen bij legale aanbieders. Hierbij wordt onder meer met hulp van de banken gekeken naar mogelijke betalingen van minderjarigen naar kansspelaanbieders. De vraag hoe minderjarigen deelnemen aan online kansspelen wordt tevens meegenomen in het onderzoek Perspectief van Nederlanders op kansspelen 2025 dat dit najaar wordt opgeleverd.
Ten aanzien van eventuele regionale verschillen in deelname en problemen door online gokken merk ik het volgende op: de Stichting Informatievoorziening Zorg (IVZ) verzamelt in Nederland gegevens over het aantal mensen in behandeling voor verslaving in het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS). In haar jaarlijkse rapport «Kerncijfers verslavingszorg» wordt ook de regionale spreiding van het aantal personen in behandeling voor gokproblematiek in kaart gebracht.3 Uit het rapport blijkt dat in sommige regio’s relatief meer mensen in behandeling zijn voor gokproblematiek. Dit moet echter met voorzichtigheid worden geduid. Niet alle mensen met gokproblematiek zijn in behandeling bij de verslavingszorg. Daarnaast kan het lang duren voordat mensen op het punt komen dat ze hulp zoeken. Daarom zet ik met het kansspelbeleid in op het voorkomen van problemen en goede geleiding naar hulp. In het onderzoek naar de deelname aan (online) kansspelen, dat uitgevoerd is door Ipsos I&O in opdracht van het WODC, is ervoor gezorgd dat de uitkomsten representatief zijn voor alle Nederlanders van 16 jaar en ouder als het gaat om onder andere de regio waar respondenten vandaan komen.4 Hierbij wordt niet nader ingegaan op mogelijke regionale verschillen.
Kunt u de cijfers omtrent deze zorgwekkende trend delen, en bij de analyse hiervan ook ingaan op regionale verschillen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat doet u om deze zorgelijke ontwikkelingen te keren? En hoe zet u zich in om ervoor te zorgen dat juist ook instellingen in de regio de middelen hebben om slachtoffers te helpen?
De zorgelijke cijfers benadrukken hoe belangrijk het is om in te zetten op het voorkomen van gokschade, zoals ook is aangegeven in de brief over de visie op het kansspelbeleid, die in februari 2025 aan uw Kamer is gestuurd.5 In deze brief zijn ook maatregelen aangekondigd om de Wet kansspelen op afstand (Wet koa) te herzien. De nieuwe visie kent als belangrijkste doelstelling het beschermen van mensen tegen schade door gokken, met specifieke aandacht voor jongvolwassenen en minderjarigen. Deze doelgroepen zijn, zoals genoemd in het antwoord op vraag 3 en 4, extra gevoelig voor de verleidingen van gokken en eventuele gokschade kan nog lange tijd doorwerken in hun latere leven. Daarnaast wordt ingezet op intensievere bestrijding van het illegale aanbod en deelname daaraan.
De Ksa zet ook specifiek in op het beschermen van minderjarigen en jongvolwassenen en heeft dit als prioriteit opgenomen in haar Toezichtsagenda 2025.
Voorts wordt ingezet op andere preventieve maatregelen, zoals gerichte bewustwordingsactiviteiten om met name jongvolwassenen en hun omgeving bewust te maken van de risico’s van gokken. Daarnaast werk ik samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Ksa aan een meerjarenagenda bescherming tegen gokschade ter opvolging van de werkagenda verslavingspreventie kansspelen.6 In dat kader worden ook vanuit het Verslavingspreventiefonds onverminderd initiatieven mogelijk gemaakt of ondersteund, waaronder verbetering van de samenwerking tussen regionale partijen. Zoals door mijn voorganger is aangegeven in zijn brief van 3 juli 2025 is de zorgelijke groei van gokken onder minderjarigen tevens onder de aandacht gebracht bij Verslavingskunde Nederland (VKN). In het programma van VKN gericht op preventie en vroegsignalering van verslavingsproblematiek, waarbij VKN onder meer nauw samenwerkt met gemeenten, wordt ook ingezet op het tegengaan van gokproblematiek. VKN gaat bekijken of en hoe zij in hun bestaande preventietrajecten meer aandacht kan hebben voor het voorkomen van gokken onder minderjarigen.
Op welke manier is dit Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) hierbij betrokken? Wie houdt toezicht op het aantal verslavingen in de regio, en zorgt ervoor dat adequate zorg en begeleiding beschikbaar is?
De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport is verantwoordelijk voor preventie van schade door gebruik van genotsmiddelen zoals drugs, alcohol en tabak. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 5 werk ik samen met het Ministerie van VWS aan de meerjarenagenda bescherming tegen gokschade en betrek ik daarbij hun expertise.
Daarnaast is het Ministerie van VWS stelselverantwoordelijk voor de verslavingszorg, waaronder ook zorg bij gokverslaving. Binnen dit stelstel kan de huisarts een jongere of volwassene met (online gok)verslaving verwijzen naar verslavingszorg, maar ook andere zorgverleners zoals bedrijfsartsen, psychiaters en soms gemeenten of jeugdhulporganisaties (voor jeugd) mogen verwijzen.
De zorgverzekeraar dient vanuit diens zorgplicht voldoende verslavingszorg in te kopen, zodat hun verzekerden binnen een redelijke tijd en reisafstand toegang hebben tot zorg. Wanneer er knelpunten optreden in een bepaalde regio moeten zorgverzekeraars hier proactief mee aan de slag. Hierbij is het ook van belang dat zorgaanbieders tijdig signaleren wanneer er knelpunten zijn in capaciteit of toegankelijkheid en hierover in overleg treden met zorgverzekeraars, zodat gezamenlijk naar oplossingen kan worden gezocht. In het stelsel houdt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht op de kwaliteit, de veiligheid en de continuïteit van de zorg. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ziet toe op de zorgplicht van verzekeraars.
Zoals gemeld in het antwoord op vraag 3 en 4 houdt IVZ in het LADIS bij hoeveel mensen in behandeling zijn voor gokverslaving, waarbij ook onderscheid gemaakt wordt tussen regio’s.
Bent u voornemens om onverkort de, door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, aangekondigde maatregelen om de (online) gokmarkt te beteugelen uit te voeren, en daar waar nodig een schepje bovenop te doen?
Op dit moment werk ik de aangekondigde maatregelen uit de brief van 14 februari 2025 uit, op basis van onder meer de meest recente en nog lopende onderzoeken. Ik streef ernaar uw Kamer op korte termijn te informeren over de contouren voor wet- en regelgeving op basis waarvan het wetsvoorstel zal worden uitgewerkt. Dan zal ik uw Kamer ook informeren over de meerjarenagenda bescherming tegen gokschade.
Het Handelingsperspectief en veldnorm bij onderbezetting gecertificeerde instellingen (GI’s) |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Struycken , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen van Marten van der Wier op de website van Dagblad Trouw van 21 juli 2025 onder de titels «Jeugdbescherming moet al jaren kiezen welke kinderen ze als eerste helpt» en «Waarom gebruikt jeugdbescherming al drie jaar een noodregeling?»?1 2
Ja.
Bent u bekend met het «Handelingsperspectief en Veldnorm bij onderbezetting Gecertificeerde Instellingen (GI’s)»? Sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte? Op welke wijze bent u betrokken bij de ontwikkeling van dit handelingsperspectief? Wat zijn uw de formele standpunten? Wanneer is de Kamer hierover geïnformeerd en geconsulteerd? Als de Kamer niet is geïnformeerd of geconsulteerd, had dit in uw ogen niet gemoeten?
De GI’s hebben het Ministerie van Justitie en Veiligheid in februari 2022 voor het eerst geïnformeerd over de ontwikkeling van deze door de GI-sector ontwikkelde veldnorm. In deze veldnorm is beschreven op welke wijze GI’s omgaan met wachtlijsten, hoe zij zorgdragen voor de veiligheid van kinderen die moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer, welke taken ze daarvoor uitvoeren en hoe ze zorgdragen (op basis van veiligheids- en risicotaxatie) dat urgente zaken snel opgepakt worden. Op 14 september 2022 is uw Kamer geïnformeerd over het gebruik van het landelijke handelingsperspectief door de GI’s3 Daarna is de Kamer ook op andere momenten opnieuw geïnformeerd over het handelingsperspectief4.
In paragraaf 6 van de brief van 14 september 2022 is aangegeven dat het werken met een wachtlijst uiteraard een onwenselijke situatie is. Kinderen waarvan de rechter heeft geoordeeld dat zij ernstig in hun ontwikkeling bedreigd worden, moeten onverwijld geholpen worden. Ouders moeten de ondersteuning krijgen die nodig is om weer een veilige gezinssituatie te creëren. We moesten echter ook vaststellen dat op dat moment het door personeelstekorten onontkoombaar zou kunnen zijn dat GI’s, ondanks alle inspanningen die ze hebben gedaan, genoodzaakt waren hiertoe over te gaan. Daarbij hebben we geconstateerd dat in een dergelijke situatie het minimaal nodig is dat hiervoor een transparant en goed uitgewerkt landelijk kader beschikbaar is; dat geeft duidelijkheid aan alle betrokkenen (ouders, kinderen en ketenpartners) en draagt zorg voor een eenduidige en navolgbare manier van werken voor de GI’s.
Kunt u aangeven op welk moment de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is geïnformeerd en betrokken bij het «Handelingsperspectief en Veldnorm bij onderbezetting Gecertificeerde Instellingen (GI’s)»? Op welke wijze is de IGJ betrokken? Heeft de IGJ inhoudelijke bemoeienissen gehad met het opstellen van «Handelingsperspectief en Veldnorm bij onderbezetting Gecertificeerde Instellingen (GI’s)»? Zo ja, op welke wijze? Kunt u aangeven wat het formele standpunt van de IGJ is geweest en hoe deze is verwoord naar de GI’s?
In 2022 hebben de GI’s het handelingsperspectief gedeeld met de IGJ. De IGJ is niet inhoudelijk betrokken geweest bij de totstandkoming hiervan.
Sinds september 2022 uiten de IGJ en de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) herhaaldelijk hun zorgen over dit handelingsperspectief.5 De Inspecties maakten zich zorgen dat het handelsperspectief ertoe kan leiden dat rechterlijke beslissingen voor kinderen niet of niet tijdig worden uitgevoerd en wettelijke normen niet worden nageleefd. Hierdoor kan een deel van de kinderen die ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, de noodzakelijke bescherming en passende hulp niet tijdig krijgen.
Vanaf begin 2025 doen de inspecties verdiepend toezicht naar GI’s. Het toezicht richt zich op de kwaliteit en veiligheid van de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclasseringsmaatregelen. De inspecties kijken ook naar het effect op jongeren en gezinnen van het werken met het handelingsperspectief.6
Heeft de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) hier nog een rol gespeeld, en zo ja hoe? Kunt u aan aangeven wat de visie was van de IJenV op dit «Handelingsperspectief en Veldnorm bij onderbezetting Gecertificeerde Instellingen (GI’s)»?
IJenV is over het Handelingsperspectief geïnformeerd en is niet betrokken geweest bij de totstandkoming ervan. Zie voorts mijn antwoord op vraag 3.
Was u ervan op de hoogte dat maar liefst zes van de dertien GI’s structureel in strijd handelen met wettelijke bepalingen uit de Jeugdwet (JW), zoals het tijdig koppelen van een jeugdbeschermer binnen vijf dagen na beschikking van de rechter?
Mede op verzoek van de Tweede Kamer wordt uw Kamer sinds 2023 periodiek geïnformeerd over onder andere de wachtlijsten bij de GI’s7; daarbij is van elke GI bekend hoeveel kinderen er langer dan 5 werkdagen moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer en hoe lang die kinderen gemiddeld wachten. We hebben u voor het laatst hierover geïnformeerd in de voortgangsbrief jeugdbescherming van 16 juni 20258.
Heeft u nog weet van de Kamervragen van 25 maart 2025 over de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen en falen van gecertificeerde instellingen en uw beantwoording op 16 mei 2025?3 Staat u nog steeds achter de beantwoording van de vragen 6 en 7 uit die set Kamervragen?
Ja, ik sta achter die beantwoording.
Bent u het er nog steeds mee eens dat bij het niet binnen vijf dagen benoemen van een jeugdbeschermer de GI de minderjarige niet adequaat kan beschermen en dat de kinderbeschermingsmaatregel dan geen doel (meer) dient en dat daardoor de grond voor overheidsingrijpen en daarmee voor een kinderbeschermingsmaatregel ontbreekt? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar het eerdere antwoord op vraag 5 van het lid Bruyning (Nieuw Sociaal Contract) over de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen en falen van gecertificeerde instellingen van 16 mei 2025.10
Daarin gaf de toenmalig Staatssecretaris Rechtsbescherming aan dat er helaas nog altijd kinderen zijn die moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer. Dat moet beter. Het gegeven dat er (nog) geen vaste jeugdbeschermer is voor het kind, betekent echter niet dat de veiligheid van het kind niet in de gaten wordt gehouden, dan wel dat er niet wordt gehandeld als daar aanleiding toe is. De GI’s werken met het handelingsperspectief als een minimum-variant – een basisrichtlijn – in situaties van personele onderbezetting. In de praktijk doen de meeste GI’s meer dan deze basisrichtlijn of hoeven ze de werkwijze niet (meer) in te zetten.
Onderschrijft u dat het niet binnen vijf dagen benoemen van een vaste jeugdbeschermer en dus het niet uitvoeren van een wettelijke verplichting wegens personele onderbezetting in strijd is met het legaliteitsbeginsel en de kern van de rechtsstaat?
Zie antwoord vraag 7.
Acht u het juridisch en moreel aanvaardbaar dat GI’s zich structureel beroepen op «overmacht», terwijl het hier geen tijdelijke calamiteit betreft, maar een jarenlang bekend personeelsprobleem? Indien u het hiermee eens bent, wat gaat u hieraan doen om dit op een zo’n kort mogelijke termijn te veranderen?
De hoge werkdruk en het daarmee samenhangende hoog verloop en verzuim is één van de belangrijke oorzaken van de wachtlijsten. Het Rijk heeft samen met gemeenten een aantal maatregelen genomen om de werkdruk te verminderen. We verwijzen u naar de brief van 14 september 2022 voor een overzicht van die maatregelen. Eén van de belangrijkste maatregelen uit dit pakket is het verlagen van de gemiddelde workload. Samen met gemeenten hebben we gezorgd voor een aanzienlijke verlaging van deze workload van gemiddeld 17,1 kinderen per fte op 1 december 2022 naar gemiddeld 12 kinderen op 1 april 202511, waardoor jeugdbeschermers meer tijd hebben om kinderen en gezinnen goed te begeleiden. Op verzoek van GI’s hebben we een 2 jarige periode (2024–2025) afgesproken om de workload te verlagen. Sneller was niet verantwoord omdat dat het werven en inwerken van nieuwe medewerkers een te groot beslag zou leggen op de staande organisatie en op de jeugdbeschermers die al deze nieuwe medewerkers moeten inwerken.
Nu de beoogde daling van de werkdruk gerealiseerd is hebben GI’s meer ruimte om te werken aan het verder terugdringen van de wachtlijsten. Bij het terugdringen van de workload moesten medewerkers juist minder kinderen in hun workload krijgen waardoor er minder ruimte overblijft om de wachtlijst te verminderen. Desondanks is de wachtlijst gedaald in deze periode. De wachtlijst is niet overal evenveel gedaald. Het is nu aan de betreffende GI’s en de gemeentelijke opdrachtgevers om waar noodzakelijk (aanvullende) maatregelen te nemen om zorg te dragen dat kinderen tijdig een vaste jeugdbeschermer hebben. Vanuit het Rijk zullen we de ontwikkeling van de wachtlijsten nauwgezet volgen. De resultaten van het toezicht door inspecties zullen daarbij belangrijke aanknopingspunten bieden.
Kunt u uitsluiten dat hierdoor de rechten van kinderen en ouders onder artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (recht op familieleven) worden geschonden, mede gelet op de afwezigheid van rechtsbescherming en effectieve uitvoering? Zo nee, wat zijn de gevolgen die er kunnen ontstaan en wat ziet u hier al van?
Artikel 8 EVRM bevat het recht op bescherming van het familie- en gezinsleven. De staat moet zich onthouden van ingrijpen in het gezinsleven, tenzij dit ingrijpen voorzienbaar is bij wet, een legitiem doel dient en noodzakelijk is in een democratische rechtsorde. Het doel van het overheidsingrijpen bij kinderbeschermingsmaatregelen is het waarborgen van het recht op bescherming aan minderjarigen. Er zal bij iedere maatregel moeten worden afgewogen of de maatregel wel het doel dient waarvoor het wordt ingezet en of de maatregel noodzakelijk is. Daarbij wordt getoetst of er voldoende redenen zijn om een maatregel te rechtvaardigen en of de redenen die worden aangevoerd voor de maatregel voldoende zijn onderbouwd.
Als de GI de minderjarige niet adequaat kan beschermen, dan kan het zo zijn dat de kinderbeschermingsmaatregel geen doel (meer) dient en/of niet langer noodzaak heeft. Dan ontbreekt daardoor de gerechtvaardigde grond voor overheidsingrijpen en daarmee voor een kinderbeschermingsmaatregel, dus kan er in dat geval sprake zijn van een schending van artikel 8 EVRM.
Vindt u dat de IGJ haar onafhankelijkheid als toezichthouder in gevaar brengt door vooraf «begrip» uit te spreken voor het handelingsperspectief en vervolgens drie jaar lang niet handhavend op te treden? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Nee, dat vind ik niet. Sinds 2019 vragen IGJ en IJenV herhaaldelijk aandacht voor de situatie in de jeugdbeschermingsketen waardoor kinderen die ernstig in hun veiligheid en ontwikkeling worden bedreigd niet op tijd de noodzakelijke bescherming en hulp ontvangen. In 2022 hebben de inspecties een signaalbrief12 aan de Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van VWS geschreven. Hierin gaven zij aan dat hun instrumentarium om te interveniëren, en zo verbetering op de korte termijn te bevorderen, was uitgeput. De inspecties kondigden aan niet meer op te treden wanneer de oorzaken van het niet naleven van wet- en regelgeving liggen in het onvoldoende realiseren van een toereikend aanbod van jeugdbescherming en jeugdhulp. Het feit dat de inspecties begrip hebben uitgesproken voor het handelingsperspectief van de GI’s ligt in deze lijn. De inspecties vroegen de verantwoordelijk bewindspersonen in te grijpen met een aanpak die ertoe zou leiden dat elke jeugdige met een maatregel zonder vertraging bescherming of (in geval van jeugdreclassering) begeleiding en hulp zou krijgen. De inspecties treden wel op als zij bij instellingen in de jeugdbeschermingsketen tekortkomingen constateren op de taken waar de instellingen zelf verantwoordelijk voor zijn en zelf grip op behoren te hebben. In het verdiepend toezicht dat de inspecties momenteel uitvoeren, kijken zij onder andere naar het effect op jongeren en gezinnen van het werken met het handelingsperspectief.
Op welke juridische grondslag baseert de IGJ haar keuze om overtredingen van wettelijke normen niet langer te handhaven indien deze voortkomen uit onderbezetting?
Het klopt niet dat de IGJ niet langer handhaaft indien wettelijke normen niet gehaald worden vanwege onderbezetting. Indien verbeteringen van de door de IGJ geconstateerde tekortkomingen bij een organisatie buiten de invloedsfeer van de organisatie liggen dan grijpt de inspectie niet in bij de individuele zorgaanbieder omdat met handhaving door de inspectie de situatie niet kan worden verbeterd. De inspecties treden wel op als zij bij instellingen in de jeugdbeschermingsketen tekortkomingen constateren op de taken waar de instellingen zelf verantwoordelijk voor zijn en zelf grip op behoren te hebben.
Is er sprake van een formele beleidsregel die deze selectieve handhaving legitimeert, of betreft dit een feitelijke gedoogconstructie zonder juridische borging?
Zie mijn antwoord op vraag 12.
Deelt u de zorg dat hierdoor een systeem is ontstaan waarin toezicht en handhaving feitelijk zijn opgeschort en daarmee de rechtspositie van kinderen en ouders ernstig wordt ondermijnd?
Nee, deze zorg deel ik niet. Toezicht en handhaving zijn niet opgeschort. Zie mijn antwoord op vraag 12.
Kunt u bevestigen dat het handelingsperspectief jarenlang niet openbaar is geweest en dat rechters, advocaten en gemeenten niet op de hoogte konden zijn van het feit dat maatregelen structureel niet werden uitgevoerd?
Nee dat kan ik niet bevestigen. Als een GI genoodzaakt is een wachtlijst in te stellen dan dienen zij – conform het handelingsperspectief – betrokken partijen te informeren. Onder betrokken partijen worden verstaan: gemeenten, rechtbank en gezin. Ook is de Kamer meerder keren geïnformeerd over de werkwijze zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb toegelicht.
Hoe verhoudt deze geheimhouding zich tot de transparantieverplichtingen van overheidsorganisaties en het parlementaire recht op informatie?
Er is geen sprake van geheimhouding.
Acht u het democratisch aanvaardbaar dat zo’n ingrijpend alternatief uitvoeringskader buiten parlementaire controle tot stand is gekomen?
Het handelingsperspectief betreft geen wet- of regelgeving, het zijn geen beleidsregels of een vanuit het Rijk opgelegde richtlijn of protocol. Het is een gezamenlijke werkwijze van GI’s voor wachtlijstbeheer bij personele onderbezetting. Zoals toegelicht is de Kamer afgelopen jaren meerdere keren geïnformeerd over de werkwijze.
Bent u het eens met de stelling dat in het kader van de rechtsbescherming alle richtlijnen en protocollen binnen de jeugdzorg en jeugdbescherming centraal gepubliceerd zouden moeten zijn zodat kinderen, ouders en advocaten zich hierop kunnen beroepen indien zij zich geconfronteerd zien met een beroep op richtlijnen en protocollen door de sector? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe kunt u ervoor zorgen dat deze richtlijnen en protocollen op de kortst mogelijke termijn openbaar worden?
De sector is aan zet om te bepalen of richtlijnen en protocollen openbaar gemaakt worden. Zoals eerder is benoemd onder het antwoord op vraag 15, zijn GI’s gehouden aan transparantie en communicatie, primair richting jeugdigen en gezinnen en daarnaast richting gemeenten en rechtspraak.
Bent u ermee bekend dat gemeenten contractueel verplicht zijn om jeugdbescherming beschikbaar te stellen en dat GI’s op basis van die contracten bekostigd worden – ook wanneer er geen feitelijke jeugdbeschermer aan een zaak is gekoppeld? Bent u het ermee eens dat dit een onwenselijke situatie is? Zo nee, waarom niet?
Ja dat is mij bekend. Gemeenten zijn conform de jeugdwet verantwoordelijk voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en de jeugdreclassering. Voor de uitvoering hiervan sluiten zij contracten af met gecertificeerde instellingen dan wel verlenen zij subsidie aan deze instellingen. Het gegeven dat een kind nog niet aan een vaste jeugdbeschermer gekoppeld is, betekent niet dat de GI geen kosten maakt om wel zo snel mogelijk een vaste jeugdbeschermer in te zetten en om kinderen minimaal conform de werkwijze van het handelingskader te begeleiden. We verwijzen u verder naar de antwoorden op de Kamervragen13 die u op 5 maart en 25 maart 2025 gesteld heeft.
Deelt u de gedachte dat dit «Handelingsperspectief en veldnorm bij onderbezetting Gecertificeerde Instellingen (GI’s)» een perverse prikkel creëert, waarbij wachtlijsten financieel aantrekkelijk worden en de publieke middelen niet doelmatig worden besteed? Deelt u de gedachte dat het bedrijfseconomisch aantrekkelijk kan zijn de status quo te laten voortbestaan, zeker als er toch niet gehandhaafd wordt?
Nee, ik deel deze gedachte niet. Bestuurders van een GI zijn verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het op adequate wijze uitvoeren van jeugdbescherming en jeugdreclassering en daarvoor de noodzakelijke randvoorwaarden te treffen. Dit is ook in wetgeving vastgelegd. Voor een toelichting daarop verwijzen we u naar de antwoorden op Kamervragen van 5 maart 2025 die door het lid Bruyning gesteld zijn14. Voorts zijn gemeenten de opdrachtgever van de GI’s en hebben ze in contracten en subsidiebeschikkingen afspraken gemaakt over de te leveren zorg en de daarvoor beschikbaar gestelde middelen. Gemeenten hebben gegeven de betaalbaarheid van de jeugdzorg er ook alle belang bij om goed te sturen op een doelmatige inzet van middelen. Gemeenten maken hierover afspraken met de GI’s.
Bent u het eens met de stelling dat, met de wetenschap dat de gecertificeerde instellingen privaat rechtelijke partijen zijn, een onderbezetting een normaal bedrijfsrisico is waarvan de gevolgen niet mogen worden afgewenteld op kinderen, ouders, gemeenten en daarmee op de samenleving? Zo nee, waarom niet?
Privaatrechtelijke partijen kunnen juist wel de gevolgen van onderbezetting afwentelen op de «afnemers» van hun producten of diensten, maar GI’s zijn geen zuiver privaatrechtelijke partijen. Een GI is een rechtspersoon met een wettelijke taak en is gehouden de wettelijke taak uit te voeren. Dit betekent echter niet dat zij niet tegen grenzen aan kunnen lopen en daarvoor (binnen de geldende wet- en regelgeving) maatregelen mogen treffen. Belangrijk is dat op die maatregelen vervolgens goed wordt toegezien. Daarvoor hebben we de inspecties én de certificerende instelling.
Acht u het wenselijk dat verlengingsverzoeken aan de rechter worden ingediend op basis van dossiers waarin maandenlang geen contact is geweest met het gezin en dat dit tot verlengde maatregelen leidt zonder actuele beoordeling?
Ik vind het belangrijk dat de rechter bij de beoordeling van iedere aan hem voorgelegde zaak de ruimte heeft om recht te doen aan het belang van het kind, de ouders en het gezin. De rechter beslist op basis van het verzoekschrift, een eventueel verweerschrift en het verhandelde ter zitting. In het verzoekschrift dient de GI de relevante feiten, volledig en naar waarheid aan te reiken en waar mogelijk met bewijsstukken onderbouwd (Artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingen artikel 3.3 Jeugdwet). Tevens vermeldt het verzoekschrift of, en zo ja, op welke wijze, de inhoud dan wel de strekking van het verzoekschrift is besproken met de minderjarige en welke reactie de minderjarige hierop heeft gegeven (artikel 799a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Indien het verzoek is gebaseerd op oude informatie dient dit te blijken uit het bij het verzoek overgelegde verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling en het hulpverleningsplan of plan van aanpak (artikel 1:265k BW). Dat er soms onvoldoende actueel zicht is op de veiligheid en ontwikkeling van een minderjarige, onder meer door het ontbreken van een vaste jeugdbeschermer, acht ik ongewenst. Helaas komt dat in de praktijk voor. Daar wordt aan gewerkt (zie antwoord op vraag 7 en 8).
Indien op de zitting, waar de belanghebbenden (ouders) en de GI voor zijn uitgenodigd, blijkt dat gelet op het verzoekschrift, eventueel verweerschrift, ingediende stukken en het besprokene op zitting geen of onvoldoende actuele informatie beschikbaar is om te beoordelen of aan de vereisten voor het verzochte is voldaan, kan een rechter de beslissing op het verzoek om verlenging van een kinderbeschermingsmaatregel aanhouden, om meer informatie te verkrijgen ter toetsing van de situatie van een minderjarige of het verzoek afwijzen.
Bent u bereid hier onderzoek naar te laten doen en in kaart te brengen hoe vaak verlengingen plaatsvinden zonder inhoudelijke toetsing van de actuele situatie? Hoe verhoudt een verlenging zonder inhoudelijke toetsing van de actuele situatie zich tot artikel 3.3JW waarin van de GI en de Raad voor de Kinderbescherming geëist wordt dat alle van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid moeten worden aangeleverd? Bent u het met eens met de stelling dat niet aan deze voorwaarde voldaan kan worden als er geen vaste jeugdbeschermer is die het kind en ouders niet gesproken heeft?
Zoals ik in het antwoord op vraag 22 stel, beslist de rechter op basis van relevante feiten, volledig en naar waarheid aangereikt en waar mogelijk met bewijsstukken onderbouwd (Artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 3.3 Jeugdwet). Indien een dossier geen of onvoldoende actuele informatie bevat, dus onvolledig en niet op orde is, kan een rechter het verzoek om verlenging van een kinderbeschermingsmaatregel aanhouden, om meer informatie te verkrijgen ter toetsing van de situatie van een minderjarige, of het verzoek tot verlenging afwijzen.
Onderzoek naar hoe vaak verlenging van een kinderbeschermingsmaatregel plaats vindt zonder deugdelijke toetsing van de situatie van een minderjarige is niet te genereren en is op dit moment niet passend.
Acht u het verantwoord dat een «tijdelijke noodmaatregel» inmiddels drie jaar lang als standaardpraktijk wordt toegepast? Zo ja, waarom?
De GI’s hebben in 2022 het handelingsperspectief opgesteld om te voorkomen dat ze door een te hoge werkdruk gedwongen zouden worden te moeten kiezen voor een algehele cliëntenstop. Een dergelijke situatie dient voorkomen te worden omdat er dan ook geen zicht meer wordt gehouden op de veiligheid van het kind door de GI. In september 2022 hebben we u geïnformeerd over de maatregelen die we hebben genomen om de problematiek in de jeugdbescherming aan te pakken. Eén daarvan is het aanpakken van de hoge werkdruk in de jeugdbescherming door een hoger landelijk tarief voor de uitvoering van de jeugdbescherming en jeugdreclassering. Daarvoor moest eerst het kwaliteitskader en de prestatiebeschrijving vastgesteld worden waarna kostenonderzoek heeft plaatsgevonden?
In oktober 2023 hebben we met gemeenten een akkoord bereikt over de toepassing van een (hoger) landelijke tarief en de invoering daarvan in 2024–2025. Zie het antwoord op vraag 9 waarom deze periode van 2 jaar nodig is. Inmiddels (april 2025) is de workload aanzienlijk gedaald. Om dat te realiseren moeten jeugdbeschermers minder kinderen op een workload hebben, in plaats van juist er extra kinderen bij te nemen om de wachtlijst weg te werken. Het is GI’s desondanks gelukt om de wachtlijsten beperkt te houden en zelfs nog omlaag te brengen.
De wachtlijst is niet overal (evenveel) gedaald. Het is nu aan de betreffende GI’s en de gemeentelijke opdrachtgevers om waar noodzakelijk (aanvullende) maatregelen te nemen om zorg te dragen dat kinderen tijdig een vaste jeugdbeschermer hebben. Vanuit het Rijk zullen we de ontwikkeling van de wachtlijsten nauwgezet volgen. De resultaten van het toezicht door inspecties bij de vijf GI’s waar zij toezicht hebben ingesteld, zullen voor die GI’s en verantwoordelijke gemeenten belangrijke aanknopingspunten bieden.
Waarom is er na drie jaar nog steeds geen wettelijk kader of structurele oplossing gerealiseerd, terwijl de fundamentele rechten van kinderen in het geding zijn?
Zie het antwoord op vraag 9 en 24
Bent u bereid het handelingsperspectief per direct in te trekken en de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen weer volledig onder het vigerende wettelijke kader te brengen? Bent u bereid de IGJ en IJV te verzoeken om hierop te gaan handhaven? Zo nee, op welke juridische en morele gronden kunt u verantwoorden dat dit parallelle systeem nog langer in stand blijft?
Voor zover GI’s door toepassing van het Handelingsperspectief in strijd zouden handelen met de Jeugdwet en andere geldende wet- en regelgeving, is het aan de wettelijke toezichthouders om al dan niet te acteren. Er is geen sprake van een parallel systeem.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Erkenning van foltering in gesloten jeugdzorg, bescherming van kritische rechters en herbezinning op het ketenpartnerschap binnen de jeugdsector |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Judith Tielen (VVD), Struycken |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Trouw van Marten van de Wier van d.d. 10 Juli 2025 met de titel « Pijnprikels in de gesloten jeugdzorg zijn mogelijk foltering» en met het artikel in de Volkskrant van Elsbeth Stoker met de titel «Anti-folteringscomité: nog steeds gebruik van verboden pijnprikkels in gesloten jeugdzorg»?1
Ja.
Bent u bekend met de stelling van kinderrechter Bart Tromp in het Volkskrant-artikel van september 2023 dat het toebrengen van pijnprikkels in de jeugdzorg een vorm van foltering is?
Ja.
Is er destijds door de betrokken Staatssecretarissen contact opgenomen met kinderrechter Bart Tromp om zijn visie te vernemen op zijn standpunten omtrent de situatie bij Woodbrookers? Zo ja, wat is de uitkomst van dat gesprek, zo nee, waarom niet en bent u van mening dat het achteraf wel wenselijk was geweest? Wat is nu uw mening met betrekking tot het standpunt van deze kinderrechter met daarbij in het achterhoofd het artikel van de Trouw en de conclusies van het (Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing) CPT?
Destijds is geen contact opgenomen met de betreffende kinderrechter. Zijn standpunt was helder. Nader contact met hem was niet nodig voor de beantwoording van de vragen die de afgelopen jaren over de situatie bij Woodbrookers zijn gesteld.2 Het Openbaar Ministerie heeft onderzoek gedaan naar aanleiding van aangiften van oud-cliënten. Daaruit is niet gebleken dat de medewerkers van Woodbrookers strafrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.
De instellingen voor gesloten jeugdhulp hebben afgesproken dat hun medewerkers in de gesloten jeugdhulp structureel training krijgen in de-escalerend werken en voorkomen van vrijheidsbeperkend handelen. Zij horen gebruik te maken van methodieken waarbij ontwikkelingsgericht gewerkt wordt en die de-escalatie bevorderen. Voorbeelden van deze methodieken zijn de presentiebenadering, geweldloos verzet of non violent resistance en positive behaviour support. Alle medewerkers volgen training voor het inzetten van specifieke vrijheidsbeperkende maatregelen. Toetsen van vaardigheden is onderdeel van de training. Medewerkers die toetsing niet halen of nog niet gehaald hebben, mogen geen vrijheidsbeperkende maatregelen toepassen.3
Evenwel heeft het bezoek van het CPT geleerd dat jeugdigen met wie de delegatie heeft gesproken, voorbeelden noemden die op gespannen voet staan met deze voorschriften en veldnormen. Bijvoorbeeld het gebruik van technieken die pijn veroorzaken. Medewerkers vertelden de CPT-delegatie dat zij behoefte hebben aan heldere richtlijnen en meer training. Gelet op deze bevindingen is nadrukkelijk in de kabinetsreactie op het CPT-rapport herhaald dat de Jeugdwet niet toestaat om bij de maatregel van «vastpakken en vasthouden» pijn-veroorzakende technieken te gebruiken. Gesloten jeugdhulpaanbieders moeten ervoor zorgen dat zij hun medewerkers adequaat opleiden, opdat zij de maatregel «vastpakken en vasthouden» alleen op een proportionele en verantwoorde wijze toepassen en zonder toediening van pijnprikkels. Na de preliminary observations van het CPT (december 2024) is gesproken met de bestuurders van gesloten jeugdhulpaanbieders. Zij hebben toegezegd om waar nodig trainingen te verbeteren. Op basis van evaluaties hebben zij trainingen aangepast, alternatief aanbod ingekocht en deze trainingen meer cyclisch ingepland. Tevens gaan ze beter toezien op de kwalificaties van medewerkers die de maatregel «vasthouden en vastpakken» toepassen, om ervoor te zorgen dat dit alleen gebeurt door medewerkers die daarvoor opgeleid zijn.
Bent u bekend met het artikel van de Leeuwarden courant d.d. 9 december 2022 met de titel « kinderrechter Bart Tromp: «Ik plaats geen jongeren meer in Woodbrookers in Kortehemmen»»2 Wat is uw visie nu met de kennis van nu met het advies en conclusies van het CPT dat er mogelijk sprake kan zijn van foltering ook op de in het artikel beschreven zorgen over de Woodbrookers?
Het genoemde artikel uit de Leeuwarder Courant is bekend. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 is het niet toegestaan om bij de maatregel «vastpakken en vasthouden» pijn-veroorzakende technieken te gebruiken. Aanbieders van gesloten jeugdhulp moeten ervoor zorgen dat zij hun medewerkers adequaat opleiden opdat zij de maatregel «vastpakken en vasthouden» alleen op een proportionele en verantwoorde wijze toepassen en zonder toediening van pijnprikkels.
Onderschrijft u de stelling van het CPT dat het gebruik van pijnprikkels en het structureel ontbreken van medische waarborgen, mogelijke schendingen vormen van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het verbod op foltering en onmenselijke behandeling is neergelegd? En wat vindt u van het feit dat dit in Nederland onder uw bewind voorkomt?
Dat bij het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen intentioneel pijn-veroorzakende technieken worden gebruikt, is onacceptabel. Zoals in de voorgaande antwoorden is toegelicht, is het niet toegestaan om bij de toepassing van een vrijheidsbeperkende maatregel pijn-veroorzakende technieken te gebruiken. Zie in dit verband ook de beantwoording van eerdere Kamervragen.5 De Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet stellen nadrukkelijk voorwaarden aan de maatregel «vastpakken en vasthouden», op grond waarvan gesloten jeugdhulpaanbieders ervoor moeten zorgen dat zij hun medewerkers adequaat opleiden, opdat dit alleen op proportionele en verantwoorde wijze wordt toegepast. Een handeling die intentioneel pijn veroorzaakt past niet in het zorgvuldig toepassen van deze vrijheidsbeperkende maatregel. Een medische controle vindt plaats als sprake is van een vermoeden van medisch letsel.
Gesloten jeugdhulpaanbieders moeten ervoor zorgen dat zij hun medewerkers opleiden volgens de geldende richtlijnen zodat vrijheidsbeperkende maatregelen alleen worden toegepast op basis van het «nee, tenzij»-beginsel en zonder toediening van pijnprikkels. Zoals toegelicht bij antwoord 3 hebben bestuurders van gesloten jeugdhulpaanbieders toegezegd om waar nodig trainingen te verbeteren. Tevens gaan ze beter toezien op de kwalificaties van medewerkers die de maatregel «vastpakken en vasthouden» toepassen, om ervoor te zorgen dat dit alleen gebeurt door medewerkers die daartoe opgeleid zijn. Ook hebben de aanbieders kenbaar gemaakt dat bij de minste verdenking van mogelijk letsel of ander (medisch) nadeel, de aanbieder beoordeelt of een medische controle nodig is. Bij twijfel zal deze altijd plaatsvinden, en dit gebeurt ook als de jongere hier zelf om vraagt.
Vindt u het niet zorgelijk als het gaat om het toedienen van pijnprikkels dat kennelijk het CPT nodig is om tot inzicht te komen over wat een Nederlandse rechter al publiekelijk had benoemd? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Het is nooit toegestaan geweest om pijn-veroorzakende technieken te gebruiken bij «vastpakken en vasthouden». De Jeugdwet heeft die ruimte dan ook nooit geboden. Sinds de wetswijziging van 2024 (inwerkingtreding van de Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp) zijn strengere voorwaarden verbonden aan de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen zoals de maatregel «vastpakken en vasthouden». Zoals toegelicht in de voorgaande antwoorden is in de gesprekken die het CPT heeft gevoerd met medewerkers naar voren gekomen dat zij behoefte hebben aan meer training en heldere richtlijnen. Inmiddels hebben de bestuurders van de gesloten jeugdhulp toegezegd dat zij waar nodig trainingen gaan verbeteren. Ook gaan ze beter toezien op de kwalificaties van medewerkers die de maatregel «vastpakken en vasthouden» toepassen, om te zorgen dat dit alleen gebeurt door medewerkers die daarvoor opgeleid zijn.
Vindt u dat gelet op de bevindingen van het CPT dat ondanks jarenlang beloofde verbeteringen er toch weer schendingen van artikel 3 EVRM mogelijk zijn, Nederland wel voldoende heeft gedaan om geweld tegen kinderen in de (gesloten) jeugdzorg te signaleren en te voorkomen?
Kwalitatief goede en veilige jeugdzorg staat voorop. Dat geldt ook voor de aanbieders van (gesloten) jeugdhulp, professionals en gemeenten. De afgelopen jaren is opvolging gegeven aan de aanbevelingen van Commissie De Winter om geweld tegen kinderen in de (gesloten) jeugdhulp te signaleren en te voorkomen. Vertrouwenspersonen van Jeugdstem gaan via een vaste bezoekfrequentie langs bij instellingen om ook laagdrempelig beschikbaar te zijn voor jongeren. In de gesloten jeugdhulp zijn vertrouwenspersonen elke week aanwezig. Deze vertrouwenspersonen kunnen ook onveiligheid signaleren en aankaarten binnen instellingen of melden bij de IGJ.
Belangrijke ontwikkelingen zijn de invoering van de nieuwe Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp, de inzet om (gesloten) plaatsingen te voorkomen, de ombouw van grote instellingen en het verkleinen van de groepsgrootte. Op deze wijze wordt ook voor de toekomst gewerkt aan passende en veilige jeugdhulp. Uit de bevindingen van het CPT is naar voren gekomen op welke vlakken verdere verbetering nodig is. Deze bevindingen sluiten aan bij de ontwikkelingen binnen de sector en worden ook opgepakt.
Wat vindt u van de situatie dat er instellingen zijn die aangeven de wet niet na te willen leven omdat zij te kennen geven de wet niet hanteerbaar te vinden?3 Is het wat u betreft acceptabel dat de Nederlandse overheid jeugdzorg en jeugdbescherming in handen legt van instellingen die op voorhand aangeven zich niet aan de wet te zullen houden? Zo ja, kunt u toelichten op grond waarvan dat acceptabel kan worden gevonden?
Alle aanbieders van de gesloten jeugdhulp moeten de wet naleven. Dat geldt ook voor de wetswijziging waarin per 1 januari 2024 strengere eisen zijn gesteld aan het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen met als doel deze terug te dringen. In de brief van 19 december 2023 van Jeugdzorg Nederland waarnaar deze vraag verwijst, hebben de bestuurders van de gesloten jeugdhulp de uitgangspunten en de ambities van deze wetgeving volledig onderschreven. Alleen op het punt van het niet meer toestaan van de maatregel kamerinsluiting hebben zij geschreven dat die nog niet volledig uitvoerbaar is. Zij hebben benoemd dat de inzet is om het aantal insluitingen zo veel mogelijk te beperken, maar dat zich ook situaties voordoen waarin insluiting noodzakelijk is om de veiligheid van jeugdigen en medewerkers te waarborgen. Sindsdien is overleg geweest met de aanbieders om te bezien hoe zij wel aan de wet kunnen voldoen. In de voortgangsbrief Jeugd van 5 november 2024 is aangegeven dat de normafwijking niet langer mag voortduren. Ten aanzien van één knelpunt, namelijk het nachtelijk insluiten op de eigen kamer, is geconcludeerd dat het in specifieke omstandigheden, ter bescherming van de veiligheid van anderen, te rechtvaardigen is dat de deur van de eigen kamer gedurende de nachtelijke uren op slot gaat. Om hierin duidelijke kaders en rechtszekerheid te bieden, worden zoals aangegeven in de brief van 17 juni 2025 voorbereidingen getroffen voor een wetsvoorstel.
Klopt het dat de Staatssecretaris zich meerdere malen heeft uitgesproken dat rechters kritischer zouden moeten zijn richting Gecertificeerde Instellingen (GI’s), raad voor de kinderbescherming en gemeenten als het gaat over jeugdzorg en jeugdbescherming? Hoe verhoudt zich dat tot de juridische cultuur in jeugdzorgzaken, waarin samenwerking («ketenpartnerschap») centraal staat? En wij vele signalen horen uit het veld dat kinderrechters niet kritisch zijn op het handelen van de professionals omdat deze professionals bijvoorbeeld onder druk staan wegens personeelstekorten?
Het kabinet kan en wil zich niet mengen in de opstelling van rechters. Dat is een belangrijke basis van de democratische rechtstaat. De verdeling van taken en bevoegdheden tussen de rechter en een bewindspersoon brengt met zich mee dat wij geen zeggenschap hebben over hoe rechters zich moeten opstellen richting GI’s, Raad voor de Kinderbescherming of gemeenten in individuele jeugdbeschermingszaken.
Wij vinden het belangrijk dat rechters bij de beoordeling van iedere aan hen voorgelegde zaak de ruimte hebben om recht te doen aan het belang van het kind, de ouders en het gezin. Rechters beslissen op basis van relevante feiten, volledig en naar waarheid aangereikt en waar mogelijk met bewijsstukken onderbouwd (Artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 3.3 Jeugdwet). De signalen dat rechters hierop niet kritisch zouden zijn, herkennen wij niet.
Er zijn signalen bekend dat rechters soms aanlopen tegen tekortkomingen in de uitvoering in het stelsel van jeugdhulp en de jeugdbescherming, zoals een tekort aan jeugdbeschermers en/of gespecialiseerde jeugdhulp, waardoor niet de benodigde hulp kan worden geboden. Als in die situaties blijkt dat een GI een minderjarige niet adequaat kan beschermen, kan de rechter concluderen dat de kinderbeschermingsmaatregel geen doel (meer) treft. Het is aan de rechter om steeds zorgvuldig te toetsen of een kinderbeschermingsmaatregel doelmatig, noodzakelijk en proportioneel is.
Bent u het met ons eens dat stelselmatig overleg met ketenpartners snel kan uitmonden in beinvloeding van de rechter en de wijze waarop deze zijn of haar zaken mag behandelen en beslissen, bijvoorbeeld doordat begrip wordt gevraagd voor organisatorische problemen of personeelstekort? Kunt uw antwoord toelichten?
Nee, wij delen deze opvattingen niet. De rechtspraak is onafhankelijk en onpartijdig. De rechtspraak draagt uit dat besprekingen op strategisch niveau individuele rechters op geen enkele manier juridisch inhoudelijk kunnen binden. Die toetsen immers zelfstandig aan de wet en het recht.
Kan het zijn dat het ketenpartnerschap bijdraagt aan het in stand houden van problematische praktijken in bijvoorbeeld de gesloten jeugdzorg, doch niet uitsluitend, zoals bij Woodbrookers en zoals nu vastgesteld door het CPT? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Wat is uw visie over het feit dat CPT een zeer zorgelijk rapport heeft opgesteld en kinderen nog steeds geplaatst worden in die instellingen? Wat is de rol van een kinderrechter in dit verhaal volgens u?
Het CPT heeft verschillende aanbevelingen gedaan. Omdat de signalen en aanbevelingen van het CPT serieus worden genomen, zijn we direct na ontvangst van de preliminary observations van het bezoek in december 2024 gestart met acties tot verbetering.7 Zo zijn twee observaties van het CPT gemeld bij de IGJ. De eerste betrof dat op één afdeling van de bezochte locaties de maatregel «onderzoek aan het lichaam» op een niet-toegestane wijze gebeurde. De betreffende instelling heeft meteen na het CPT-bezoek besloten de uitvoering van deze maatregel zodanig aan te passen dat deze binnen de toegestane regels past. De tweede observatie was dat de CPT-delegatie bij letsel dat ontstaan was, in het dossier geen zicht kon krijgen op de vraag of het letsel het gevolg was van onbekwame toepassing van «vastpakken en vasthouden» of van een ongelukkige val. De instelling had overigens dit incident al gemeld bij de IGJ en nader onderzocht.
De IGJ neemt de signalen van het CPT mee in het lopende toezicht bij deze instellingen. Het is van belang om hierbij te noemen dat het CPT naast de aanbevelingen en verbeterpunten ook waardering heeft uitgesproken voor de bezochte instellingen, met name voor de toewijding van medewerkers en hun inzet om een «zo thuis mogelijke» omgeving te creëren.
Het is aan de rechter om te beslissen op een verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp. Rechters maken daarbij hun eigen afwegingen. Daarin kunnen en willen wij niet treden. De kinderrechter toetst of verzoeken van verzoekers zoals de Raad voor de Kinderbescherming en een gecertificeerde instelling, in het belang van het kind zijn en of het bijvoorbeeld noodzakelijk is een kind te plaatsen in een gesloten instelling. Kinderrechters hebben sinds 1995 een lijdelijke rol en hebben beperkte mogelijkheden tot aansturing bij verzoeken om een (verlenging van de) maatregel van kinderbescherming. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen, zoals ondertoezichtstelling en (gesloten) uithuisplaatsing, ligt sinds 2015 bij de gecertificeerde instellingen. Het is de taak van de kinderrechter om in een concrete casus kritisch te toetsen of een uithuisplaatsing (nog steeds) voldoet aan de uit kinder- en mensenrechtenverdragen voortvloeiende rechten van het kind. Deze verdragsrechten gaan over het belang van het kind (art. 3 IVRK), het recht op veiligheid (art. 19, 20 en 39 IVRK) en het recht op familie- en gezinsleven (art. 8 EVRM en art. 9 en art. 20 IVRK).
Vindt u het nog van deze tijd dat Rechtspraak, Raad voor de Kinderbescherming, GI’s en instellingen zo hecht samenwerken als ketenpartners? Kunnen en durven rechters zich nog wel kritisch uit te laten over organisaties waar hun organistatie vaak mee aan tafel zitten? Zo ja, kunt u dit uitleggen? Zo nee, waarom niet?
De rechtspraak is met betrekking tot logistieke en administratieve processen een belangrijke schakel in de keten. Ook adviseert de rechtspraak gevraagd en ongevraagd over verbeteringen in het stelsel. In zoverre is de rechtspraak een partner van de keten.
De rechtspraak neemt nooit deel aan ketenoverleggen (zoals een jeugdbeschermingstafel) waar casuïstiek van gezinnen en beslissingen in concrete gevallen op de agenda staan. De rolzuiverheid van de individuele rechter staat niet onder druk als de rechtspraak overleg voert binnen de jeugdketen. Doel daarvan is immers algemene de samenwerking op het gebied van logistiek en administratieve processen bevorderen en adviseren over stelselverbeteringen. Een onderzoek hiernaar achten wij dan ook niet nodig noch opportuun.
Vindt u dat een instelling die een kinderbeschermingsmaatregel uitvoert, een ketenpartner is van de rechterlijke macht? Bent u bereid te onderzoeken of het ketenpartnerschapoverleg de rolzuiverheid van rechters onder druk zet?
Zie antwoord vraag 13.
Zou het doorknippen van die institutionele banden (in lijn met een striktere trias politica) niet noodzakelijk zijn voor het herstel van vertrouwen van ouders en kinderen in de rechtspraak? Kunt u uw antwoordt toelichten?
Het doorknippen van banden achten wij niet noodzakelijk noch wenselijk. Wij verwijzen hierbij ook naar het antwoord op vraag 13 en 14.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid richt zich op de versterking van de rechtsbescherming van ouders en kinderen in de jeugdbescherming, wat kan bijdragen aan het bevorderen van vertrouwen. Concrete voorbeelden daarvan zijn het verlagen van de leeftijdsgrens voor het hoorrecht van kinderen en kosteloze rechtsbijstand voor ouders. Uw Kamer is daarover geïnformeerd in de brief met de contouren van het Wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming en de brief over de voortgang aanpak versterking toegang tot het recht.
De rechtspraak reflecteert ook zelf kritisch op het functioneren door middel van de reflectiecommissie familie- en jeugdrechters van de rechtbanken en gerechtshoven. Dat kan eveneens bijdragen aan het bevorderen van vertrouwen van ouders en kinderen in de rechtspraak.
Hoeveel ruimte hebben rechters in de praktijk om zich kritisch uit te laten in hun uitspraken over jeugdbescherming en de gesloten jeugdzorg?
Rechters zijn onafhankelijk en onpartijdig. Daarmee zijn rechters in staat zonder invloed of druk van buitenaf een oordeel te vellen. Wij hebben geen signalen ontvangen dat binnen de rechtspraak geen ruimte zou zijn om kritische uitlatingen te doen op de rechtspraktijk.
Wordt binnen de Rechtspraak voldoende ruimte geboden voor kritische publieke uitlatingen op de rechtspraktijk, zoals die van rechter Tromp?
Zie antwoord vraag 16.
Is het mogelijk dat een instelling (GI, raad voor de kinderbescherming of jeugdzorgaanbieder) een klacht indient tegen een kinderrechter bij de President van de Rechtbank of bij de Raad voor de Rechtspraak? Komt het weleens voor dat een instelling (GI, raad voor de kinderbescherming of jeugdzorgaanbieder) klachten indient tegen rechters? Hoe worden die klachten dan geregistreerd en opgevolgd? Zo nee, waarom worden deze klachten niet geregistreerd? Zo ja, kunt u de Kamer een opgave geven van de aard van de klachten die worden ingediend door instellingen inclusief de namen van de instellingen die klachten indienen?
Een GI, RvdK of jeugdzorgaanbieder kan net als andere procespartijen een klacht tegen een kinderrechter indienen bij het gerecht waar de kinderrechter werkzaam is, zolang deze niet gaat over de inhoud van de uitspraak. Het gerecht registreert de klacht en toetst daarbij altijd eerst of de klacht ontvankelijk is. Van intimidatie kan derhalve geen sprake zijn.
Het is niet mogelijk om te klagen bij de Raad voor de rechtspraak over gedragingen van medewerkers van de gerechten. Wel kan worden geklaagd over gedragingen van medewerkers van de Raad voor de rechtspraak. Als een klager zich niet kan verenigen met de afhandeling van de klacht door het gerecht, dan kan de klager zich na afronding van de interne klachtprocedure wenden tot de procureur-generaal bij de Hoge Raad als het gaat om een gedraging van een rechterlijke ambtenaar met rechtspraak belast of tot de Nationale ombudsman als het gaat om een andere medewerker van het gerecht.
Instellingen moeten te allen tijde uitvoering geven aan rechterlijke uitspraken, ook als de instelling het niet eens is met de uitspraak. Indien partijen het niet eens zijn met de inhoud van de uitspraak, kunnen zij in hoger beroep.
Hoe vaak klachtenprocedures worden gebruikt tegen kinderrechters is niet bekend. Wij kunnen u daarvan geen overzicht verstrekken. De klachtenprocedure is beschreven op de website van de rechtspraak.8
Mag een klachtenprocedure worden gebruikt door een instelling (GI, raad voor de kinderbescherming of jeugdzorgaanbieder) om de rechter die onwelgevallige uitspraken doet of beschikkingen afgeeft te imponeren of in het ergste geval te intimideren? Wat zou u ervan vinden als dit gebeurd? Acht u dit wenselijk?
Zie antwoord vraag 18.
Is een klachtenprocedure tegen een rechter überhaupt wel het juiste middel om een onwelgevallige beschikking aan te kaarten?
Zie antwoord vraag 18.
Zijn er bij u signalen bekend van klachten, druk of interne correctie richting rechters die kritisch zijn over GI’s of jeugdzorginstellingen?
Nee, deze signalen zijn ons niet bekend.
Acht u het gebruik van de klachtenprocedure door een partij uit de keten tegen een rechter een vorm van druk of intimidatie die de rechterlijke onafhankelijkheid kan aantasten? Deelt u de zorg dat het indienen van een klacht tegen een rechter vanwege de inhoud van zijn oordeel effect kan hebben op andere rechters, met name in zaken waar veel bestuurlijke of politieke druk speelt (zoals in de jeugdzorg)?
Nee, wij delen uw zorgen niet. Zoals uit het eerdere antwoord blijkt kunnen instellingen gebruikmaken van hun klachtenprocedures, zolang deze niet gaan over de inhoud van de uitspraak van een rechter. Daarbij beoordeelt de Raad voor de Rechtspraak altijd eerst de ontvankelijkheid van de klacht. Zoals ook in vraag 16 en 17 is toegelicht zijn rechters onafhankelijk en onpartijdig, waardoor voldoende ruimte bestaat om een kritisch oordeel te vellen.
Acht u het in het belang van de rechtspraak dat rechters zich vrij voelen om zonder vrees voor repercussies kritisch te oordelen over bijvoorbeeld de handelwijze van een GI? En deelt u de opvatting dat klachten over rechters, zeker wanneer een klacht over de inhoud van een uitspraak gaat, niet mogen worden ingezet als pressiemiddel om onafhankelijke rechtspraak te beïnvloeden?
Zie antwoord vraag 22.
Vindt u dat het indienen van klachten, zeker als deze betrekking heeft op de inhoud van een uitspraak, een gevaar oplevert voor de mogelijke onafhankelijkheid en rechtsbescherming van de rechter? Kan dit de onafhankelijkheid van de rechtspraak aantasten? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Zie antwoord vraag 22.
Herkent u het standpunt van advocaten en ouders dat zij aangeven dat zij van mening zijn dat rechters blindelings vertrouwen wat de GI ter zitting naar voren brengt? Wat is uw mening hierover?
De rechter vormt zijn oordeel op basis van het dossier en de informatie op zitting. Wanneer een kinderrechter te maken krijgt met een dossier dat vragen oproept, kan hij of zij ter zitting in gesprek gaan met betrokkenen om onduidelijkheden op te helderen. Eventueel kan de kinderrechter de behandeling van de zaak aanhouden zodat benodigde informatie alsnog kan worden ingebracht in de procedure.
Het kabinet investeert daarbij verder in familie- en jeugdrechtspraak, zodat de kinderrechter beter in staat wordt gesteld een goede en juiste afweging te maken in kinderbeschermingszaken en recht te doen aan kinderen en ouders. Mede hierom investeert het kabinet ook in rechtsbijstand om kinderen en ouders die te maken krijgen met een kinderbeschermingsmaatregel te ondersteunen. Uw Kamer is hierover geïnformeerd; zie ook het antwoord op vraag 15.
Worden rechters in opleidingen of via gerechtsbesturen gestimuleerd om «samen te werken» met jeugdzorgpartijen? Zo ja, hoe borgt u dat dit geen invloed heeft op hun onafhankelijke afweging?
In een procedure is nooit sprake van inhoudelijke samenwerking tussen rechter en jeugdinstellingen. De rechter is onafhankelijk en onpartijdig. Jeugdinstellingen zijn in een procedure voor de rechter enkel verzoeker, verweerder, belanghebbende of – in voorkomende gevallen – informant. In dat kader voorzien zij de rechter van informatie aan de hand waarvan de rechter zijn of haar oordeel kan vormen. Voor zover er vanuit de rechtspraak andere contacten zijn met jeugdinstellingen dan is dat op het (strategische) niveau van leidinggevenden c.q. voorzitters. Dit is vooral bedoeld om logistieke en administratieve processen te stroomlijnen of te verbeteren, en kritisch te reflecteren op stelselniveau.
Acht u het wenselijk dat de Nederlandse Staat, na bevestiging door het CPT, nu expliciet erkent dat er sprake is geweest van mogelijk foltering in gesloten jeugdzorg?
Zoals het CPT in paragraaf 43 van het rapport verwoordt, is het CPT geen onderzoeks- of gerechtelijk orgaan dat schending van artikel 3 EVRM – waarin het verbod op foltering is opgenomen – vaststelt. Wel benoemt het CPT in paragraaf 45 dat het gebruik van pijn-veroorzakende fixatiemethoden, zoals het gebruiken van pijnprikkels, een mogelijke schending vormt van artikel 3 EVRM. Het CPT heeft drie gesloten jeugdhulpaanbieders bezocht. Het CPT rapporteert dat zij tijdens het bezoek geen meldingen van opzettelijke fysieke mishandeling van jeugdigen door het personeel heeft geconstateerd. Wel vond geweld tussen jeugdigen onderling plaats, waarbij het personeel over het algemeen snel ingreep. Het CPT ontving echter wel meldingen van buitensporig geweld bij de toepassing van de vrijheidsbeperkende maatregel «vastpakken en vasthouden». Ook komt in het rapport naar voren dat fixatietechnieken/handelingen die intentioneel pijn veroorzaken – hoewel verboden – nog steeds worden toegepast.
De bevindingen bij deze drie aanbieders zijn zorgelijk. Tegelijkertijd is in dit rapport niet vastgesteld dát sprake is geweest van foltering bij de bezochte instellingen. Daarom erkent de Nederlandse staat niet dat sprake is geweest van mogelijk foltering in de gesloten jeugdhulp. Dit neemt niet weg dat de aanbieders de aanbevelingen van het CPT ter harte hebben genomen. Zij hebben in een gesprek direct na de preliminary observations van het CPT toegezegd de trainingen die nodig zijn voor het zorgvuldig kunnen toepassen van de maatregel «vastpakken en vasthouden» te verbeteren.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar structurele mensenrechtenschendingen in gesloten jeugdzorg tussen 2008 en 2025?
In een nieuw onafhankelijk onderzoek naar structurele mensenrechtenschendingen in gesloten jeugdzorg tussen 2008 en 2025 zien wij onvoldoende meerwaarde. Zeker omdat in de afgelopen jaren meerdere onderzoeken uitgevoerd zijn naar de (gesloten) jeugdhulp. Wij wijzen bijvoorbeeld op het onderzoek naar geweld in de jeugdzorg van de Commissie De Winter: Onvoldoende beschermd – Geweld in de Nederlandse jeugdzorg van 1945 tot heden (2019). Daarnaast noemen wij de vijfjaarlijkse verantwoording die Nederland aflegt aan het Kinderrechtencomité van de Verenigde Naties. Daarin komt ook de gesloten jeugdhulp aan de orde. Tot slot noemen we de recente rapportage van het CPT over de gesloten jeugdhulp. De uitkomsten van deze gebruiken we voor de transformatie van de gesloten jeugdhulp naar meer kleinschalige jeugdhulp en minder vrijheidsbeperkingen.
Welke concrete stappen gaat u zetten om de ruimte voor rechtsstatelijke tegenspraak binnen de Rechtspraak structureel te vergroten?
Het kabinet ziet geen noodzaak dergelijke stappen te zetten. De rechtspraak is onafhankelijk en onpartijdig.
Heeft u al navraag gedaan bij de Rijksuniversiteit Groningen zoals toegezegd in de beantwoording op de Kamervragen van 26 februari 2025 van het lid Bruyning van NSC en beantwoord door de Staatssecretaris op 1 april 2025?4 Zo ja, kunt u deze vraag dan ook hier beantwoorden? Zo nee, waarom is er nog geen navraag gedaan?
Er is navraag gedaan bij Rijksuniversiteit Groningen, afdeling Orthopedagogiek. Daarnaast is het consortium Kleinschaligheid betrokken om te bezien of de onderzoeksopzet handvatten biedt voor de ontwikkeling van alternatieven voor de gesloten jeugdhulp.
Het artikel Trouw waarin de staatssecretaris het opsluiten van jongeren in de gesloten jeugdzorg weer mogelijk wil maken |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Struycken , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel in Trouw van 10 juli 2025 met de titel «Jeugdzorg mag jongeren weer opsluiten, als het aan het kabinet ligt. «Dit is schadelijk»»?1
Ja
Kunt u bevestigen dat u op dezelfde dag (13 juni 2025) zowel een brief naar de Kamer heeft gestuurd waarin u voorstelt de Jeugdwet aan te passen zodat kamerinsluiting ’s nachts weer mogelijk wordt2, als een reactie op het rapport van het Europees Comité ter voorkoming van foltering (CPT), waarin Nederland benadrukt werk te maken van het afbouwen van vrijheidsbeperking in de jeugdzorg3?
De kabinetsreactie op het CPT-bezoek is op 13 juni 2025 naar de Kamer verstuurd. De brief over het aanpassen van wet- en regelgeving voor de gesloten jeugdhulp is op 17 juni 2025 naar de Kamer verstuurd.
Hoe verhoudt uw wetsvoornemen zich tot de toezeggingen aan het CPT over het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen in de jeugdzorg? Is hier sprake van beleidsinconsistentie en zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt is en blijft dat vrijheidsbeperkende maatregelen tot een minimum beperkt moeten blijven. Derhalve is geen sprake van beleidsinconsistentie. Ik licht dat hieronder nader toe.
De aankondiging van een wetsvoorstel om in de gesloten jeugdhulp de verplichting ‘s nachts in de afgesloten eigen kamer te verblijven (verder genoemd nachtelijke kamerinsluiting), is het resultaat van een zorgvuldige afweging tussen zo min mogelijk vrijheidsbeperkingen en het borgen van de veiligheid van jeugdigen en medewerkers. De noodzaak van deze wijziging is in de brief van 17 juni 2025 toegelicht.
De voorgenomen wetswijziging zal uitsluitend realiseren dat de maatregel «insluiten in de eigen kamer» als vrijheidsbeperkende maatregel wordt toegestaan als sprake is van een gegrond risico dat het gedrag van een jeugdige een ernstig gevaar vormt voor de veiligheid of gezondheid van andere jeugdigen of medewerkers in de instelling. En net zoals bij de toepassing van alle vrijheidsbeperkende maatregelen geldt dat het om een individueel afgewogen maatregel gaat. Het «nee, tenzij»-principe blijft onverkort van toepassing: insluiting op de eigen kamer is uitsluitend toegestaan wanneer geen minder bezwarende alternatieven mogelijk zijn, de maatregel proportioneel is en een redelijke verwachting bestaat dat deze effectief zal zijn. Dit houdt onder andere in dat aanbieders verplicht zijn in elk afzonderlijk geval te onderbouwen waarom inzet van deze maatregel noodzakelijk is en niet kan worden volstaan met een minder bezwarend alternatief, zoals de mogelijkheid van nabijheid, of het inzetten van minder ingrijpende maatregelen als persoonlijk toezicht of het verplicht verblijven op de eigen kamer (zonder dat de deur op slot gaat). Uit het «nee, tenzij»-principe vloeit voort dat vrijheidsbeperkende maatregelen niet mogen worden ingezet met als reden dat bij aanbieders randvoorwaarden, zoals voldoende gekwalificeerd personeel, ontbreken. Verder dient kamerinsluiting te worden vastgelegd in het hulpverleningsplan en dient een gekwalificeerde gedragswetenschapper in te stemmen. De reeds bestaande rechtswaarborgen voor vrijheidsbeperkende maatregelen blijven onverkort van toepassing. Dit houdt onder meer in: betrokkenheid van de jeugdhulpverantwoordelijke, periodieke evaluatie rondom de inzet- en het afbouwen van de maatregel, het wijzen van de jeugdige op de mogelijkheid tot contact met een vertrouwenspersoon en het recht om een klacht in te dienen. In het geval van een klachtenprocedure beoordeelt de klachten- of beroepscommissie de toepassing van de vrijheidsbeperkende maatregel en doet daarover een bindende uitspraak.
Deelt u de analyse dat deze beleidswijziging de geloofwaardigheid van Nederland ondermijnt in de internationale rapportagecyclus van onder andere het CPT en het VN-Kinderrechtencomité?
Deze analyse deel ik niet. Zoals hierboven toegelicht in antwoord 3 is het aangekondigde wetsvoorstel het resultaat van een zorgvuldige afweging. Het zo min mogelijk inzetten van vrijheidsbeperking staat altijd voorop. Tegelijkertijd moeten de gesloten jeugdhulpinstellingen een veilige omgeving zijn voor zowel alle opgenomen jeugdigen als de medewerkers. In specifieke omstandigheden is het voor de veiligheid van andere jeugdigen en medewerkers noodzakelijk om onder strikte voorwaarden dat nachtelijke kamerinsluiting mogelijk te maken. Een wettelijke basis versterkt daarnaast de rechtspositie van jeugdigen bij wie deze maatregel nachtelijke kamerinsluiting wordt toegepast.
Op basis van welke gegevens of concrete risico-inschatting is besloten dat kamerinsluiting noodzakelijk is? Waarom is daarbij niet gekozen voor een tijdelijke uitzonderingsbepaling met strikte toetsing, zoals het CPT aanbeveelt?
In het rapport van 14 maart 2025 heeft het CPT gevraagd om te worden geïnformeerd over hoe de Nederlandse overheid zal omgaan met insluiten op de eigen kamers gedurende de nacht.4 Een tijdelijke uitzonderingsbepaling met strikte toetsing, heeft het CPT niet aanbevolen. In de brief van 17 juni 2025 is de Kamer geïnformeerd over het voornemen om een wetsvoorstel in te dienen. De aanleiding voor het wetsvoorstel om onder strikte voorwaarden nachtelijke kamerinsluiting mogelijk te maken, is dat het gedrag van sommige jeugdigen zeer gevaarlijk kan zijn voor andere jeugdigen en medewerkers. De praktijk bij instellingen voor gesloten jeugdhulp heeft geleerd dat het kan gaan om bedreigend en gewelddadig gedrag, zoals seksueel grensoverschrijdend gedrag, afpersing of ronselen. Instellingen moeten de rechten van alle in een instelling opgenomen jeugdigen kunnen borgen: zowel de rechten van jeugdigen die worden ingesloten in de eigen kamer als de rechten van andere jeugdigen die worden geconfronteerd met schadelijk grensoverschrijdend gedrag. Ook de medewerkers van de instelling hebben recht op een veilige werkomgeving. Deze rechten moeten met grote zorgvuldigheid worden afgewogen. In die afweging ben ik tot de conclusie gekomen dat het in specifieke omstandigheden te rechtvaardigen is dat de deur van de eigen kamer gedurende de nachtelijke uren op slot gaat.
Waarom is in de brief van 13 juni jl. geen enkele inhoudelijke verwijzing opgenomen naar de reactie op het CPT-rapport, terwijl beide documenten op dezelfde dag zijn verzonden en inhoudelijk sterk samenhangen? Wat zegt dit over de onderlinge afstemming tussen de afdelingen en verschillende departementen die deze dossiers behandelen?
Op 13 juni 2025 heeft uw Kamer de reactie ontvangen op het CPT-rapport.5 In de reactie op de punten 15 en 16 staan inhoudelijke verwijzingen naar het voorstel over de nachtelijke kamerinsluiting. De brief daarover heeft u op 17 juni 2025 ontvangen. In deze brief wordt eveneens gerefereerd aan het CPT-rapport en de kabinetsreactie. Beide brieven zijn afgestemd tussen de betrokken afdelingen en departementen.
Bent u op de hoogte van het feit dat het CPT in haar meest recente rapport4 stelt dat kamerinsluiting op een eigen slaapkamer ’s nachts, zelfs met open toilet, zonder directe toezichtsmogelijkheid, als een vorm van separatie kan worden opgevat? Hoe beoordeelt u het risico dat het CPT of het VN-Kinderrechtencomité deze praktijk als mensenrechtenschending beschouwt?
In het rapport van 14 maart 2025 heeft het CPT gevraagd om te worden geïnformeerd over hoe de Nederlandse overheid zal omgaan met het op slot doen van eigen kamers. Nu is het insluiten in de eigen kamer niet toegestaan volgens de wet. Zoals toegelicht in de brief van 17 juni 2025 en antwoord 3 wordt met het wetsvoorstel een wettelijke basis gecreëerd om nachtelijke kamerinsluitingen in specifieke omstandigheden en onder strikte voorwaarden wel mogelijk te maken als sprake is van een gegrond risico dat het gedrag van een jeugdige een ernstig gevaar vormt voor de veiligheid of gezondheid van andere jeugdigen of medewerkers in de accommodatie voor gesloten jeugdhulp. Daarbij gelden het belang van het kind en andere internationale maatstaven als proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid als uitgangspunt. Zo zal (in ieder geval) het «nee, tenzij»-principe ook bij deze maatregel gelden. Door rekening te houden met deze uitgangspunten en beginselen beperk ik de risico’s op mensenrechtenschending.
Overigens komt de omschrijving uit de vraagstelling «kamerinsluiting op een eigen slaapkamer ’s nachts, zelfs met open toilet, zonder directe toezichtsmogelijkheid» niet voor in het CPT-rapport.
Wat zegt het u dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) eerder heeft geconcludeerd dat kamerinsluiting geen veilige interventie is, en op die basis instellingen onder verscherpt toezicht heeft gesteld? Wat betekent dit voor de uitvoerbaarheid van het voorgestelde beleid?
De IGJ heeft op basis van vier normen zes aanbieders onder verscherpt toezicht geplaatst. Het verscherpt toezicht was de uitkomst van een toets op drie wettelijke normen (geen insluitingen op de eigen kamer van de jeugdige, een veilige en afzonderlijke ruimte waarin jeugdigen zich vrijwillig kunnen terugtrekken en geen generieke vrijheidsbeperkende maatregelen in huisregel) en de veldnorm van een groepsgrootte van maximaal zes kinderen. Het afwijken van de normen «geen insluitingen op de eigen kamer van de jeugdige» en «de groepsgrootte» waren in combinatie met een inschatting van de verbeterkracht van de gesloten jeugdhulpaanbieder reden voor het onder verscherpt toezicht plaatsen van die aanbieder(s).
De voorgenomen wetswijziging ziet alleen op insluiting in de eigen kamer tijdens de nacht bij jeugdigen, als sprake is van een gegrond risico dat het gedrag een ernstig gevaar vormt voor de veiligheid van andere jeugdigen in de instelling of de medewerkers. Ik wil het insluiten in eigen kamers niet toestaan als de gezondheid of veiligheid van de jeugdige zelf in gevaar is, bijvoorbeeld bij suïcidaliteit of zelfbeschadigend gedrag. Insluiting kan dan immers juist risico’s opleveren voor de jeugdige zelf. Ook wil ik strikte voorwaarden verbinden aan het insluiten in de eigen kamer tijdens de nacht. Die staan uitgebreider beschreven bij antwoord 3.
Kunt u toelichten waarom u in uw Kamerbrief expliciet stelt dat personeelsgebrek geen reden mag zijn voor kamerinsluiting, terwijl de roep uit de sector om herinvoering5 juist voortkomt uit structurele personeelstekorten en gebrekkige alternatieven? Is het kabinet niet in feite gezwicht voor druk uit een sector die, zoals ook de IGJ en Defence for Children constateren, de bestaande wet niet naleeft?
Deze wijziging is niet ingegeven door het personeelstekort in de jeugdzorg. Dat doet ook geen recht aan de inspanningen van de instellingen voor gesloten jeugdhulp bij wie sinds 2024 het aantal kamerinsluitingen fors gedaald is. Deze daling hebben de instellingen gerealiseerd na hun brief van december 2023 waarnaar in de vraag wordt verwezen. Dat hebben zij gedaan door uitbreiding van het personeelsbestand om continu toezicht en begeleiding te kunnen bieden zonder insluiting, evenals training en ontwikkeling van kennis en vaardigheden zoals alternatieve conflictbeheersings-technieken en traumasensitief werken. Ook hebben zij facilitaire aanpassingen gedaan, zoals het aanpassen van de fysieke omgeving om controles te doen en zicht te houden.
Dat laat onverlet dat we onder ogen moeten zien dat het gedrag van jeugdigen in sommige gevallen een gevaar kan zijn voor anderen. Vanuit het uit oogpunt van de veiligheid van andere jeugdigen en medewerkers is het noodzakelijk dat het mogelijk wordt om onder strikte voorwaarden een jeugdige ’s nachts in de eigen kamer in te sluiten, zoals in de brief van 17 juni 2025 is toegelicht.
Deelt u de zorgen van kinderrechtenorganisaties dat deze wetswijziging zal leiden tot normalisering van een praktijk die oorspronkelijk als uitzondering was bedoeld? Wat gaat u doen om dat risico te beperken?
Ik begrijp de zorgen van de kinderrechtenorganisaties. Ik wil daarom benadrukken dat het doel van het wetsvoorstel juist is dat insluiten in de eigen kamer slechts in specifieke omstandigheden en onder strikte voorwaarden mag plaatsvinden. In beginsel mogen jeugdigen niet worden ingesloten. Dat uitgangspunt blijft voorop staan. Daarnaast zal, net zoals bij andere vrijheidsbeperkende maatregelen, het «nee, tenzij»-principe van toepassing zijn. Ook indien een jeugdige gevaarlijk gedrag ten opzichte van anderen vertoont, zal nachtelijke kamerinsluiting alleen zijn toegestaan als voor de jeugdige geen minder bezwarende alternatieven mogelijk zijn, zoals het bieden van fysieke nabijheid, of het inzetten van minder ingrijpende maatregelen zoals persoonlijk toezicht of het verplicht verblijven op de eigen kamer (zonder dat de deur op slot gaat). Voorts moet de insluiting evenredig zijn en redelijkerwijs te verwachten zijn dat de maatregel effectief is. Een individuele afweging zal altijd ten grondslag liggen aan de inzet van deze maatregel: generieke toepassing is niet toegestaan. De IGJ toetst aan deze voorwaarden in het toezicht. Bij de uitwerking van het wetsvoorstel betrek ik ook jongerenorganisaties en kinderrechtenorganisaties.
Bent u bereid om, in lijn met de aanbevelingen van het CPT, te kiezen voor noodmaatregelen met externe toetsing, tijdelijke duur en duidelijke evaluatiecriteria in plaats van het wettelijk opnieuw mogelijk maken van een generieke vrijheidsbeperking? Zo nee, waarom niet?
De essentie van het wetsvoorstel is dat geen sprake kan zijn van een generieke vrijheidsbeperking. Nachtelijke kamerinsluiting van een jeugdige wordt alleen toegestaan als sprake is van een gegrond risico dat het gedrag van deze jeugdige een ernstig gevaar vormt voor de veiligheid van andere jeugdigen in de instelling of de medewerkers. En net zoals bij andere vrijheidsbeperkende maatregelen is het «nee, tenzij»-principe van toepassing. Dat heb ik in het antwoord op vraag 10 uitgewerkt.
De genoemde aanbevelingen heeft het CPT niet gedaan.
Misstanden in Jeugdinrichtingen en de gevolgen voor jonge gedetineerden |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Struycken |
|
|
|
|
Bent u bekend met de documentaire «Dubbel gestraft», en specifiek aflevering 6, waarin op schrikbarende wijze naar boven komt hoe er wordt omgegaan met sommige jonge gedetineerden en waarin zelfs melding wordt gemaakt van seksueel misbruik?1
Ja. Aflevering 6 van de documentaire «Dubbel gestraft» gaat over zowel de Penitentiaire Inrichting (PI) Zaanstad, waar een meerderjarige zich het leven heeft benomen, als over benoemde misstanden in de Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s).
Hoe kan het dat in sommige gevallen bezorgde ouders dagenlang niets te horen krijgen over de situatie van hun kind, waaronder ook in voorarrest?
Bij het gevangeniswezen mag de gedetineerde contact hebben met de buitenwereld via brieven en telefoon en mag de gedetineerde bezoek ontvangen. Het kan zijn dat een gedetineerde in beperkingen is geplaatst door de officier van justitie tijdens het voorarrest. Dit kan inhouden dat de gedetineerde geen contact mag hebben met andere gedetineerden of de buitenwereld, behalve zijn advocaat.
In een JJI wordt altijd contact opgenomen met de ouders van minderjarige jeugdigen. Bij binnenkomst krijgt de jeugdige de gelegenheid om de ouders te bellen. Het benaderen van de ouders door de JJI gebeurt bij meerderjarigheid met toestemming van de betrokken jeugdige. Wanneer er sprake is van (alle) beperkingen, zal er mogelijk geen rechtstreeks contact tussen ouders en de jeugdige mogelijk zijn, maar wordt door de inrichting wel contact met de ouders opgenomen. Deze werkwijze is opgenomen in de huisregels van de Rijks JJI.
Hoe kan het volgens u dat de behandeling van sommige jeugdige gedetineerden zo ernstig tekort heeft geschoten, zoals geen hulp bij suïcidale gedachten en de jongere zelfs de middelen in handen te geven om suïcide te plegen?
Wanneer bij binnenkomst in een PI bekend is dat een gedetineerde psychische problematiek heeft, wordt daarover contact opgenomen met de medische dienst. Daarnaast vindt bij alle gedetineerden die de PI binnenkomen in de eerste 24 uur na binnenkomst een medische intake plaats waarin aandacht is voor suïcidaliteit. Deze werkwijze is opgenomen in een werkinstructie voor het inschakelen van medische ondersteuning. Indien er sprake is van verhoogd risico op suïcidaliteit wordt de huisarts als eerste geraadpleegd. Ook kan de psycholoog (onder kantoortijden) gevraagd worden om de gedetineerde zo snel mogelijk te bezoeken. Buiten kantoortijden kan overleg plaatsvinden met de dienstdoende huisarts, indien nodig komt deze in huis. In de avond-, nacht- en weekenduren is er ook een psychiater beschikbaar die telefonisch mee kan denken en advies kan geven aan de huisarts. De zorgprofessionals beoordelen het mogelijke gevaar dat de gedetineerde vormt voor zichzelf en/of medegedetineerden. Bij de stappen die vervolgens worden ondernomen staan het maken van contact en het behoud van autonomie voorop. Als het gevaar daarmee onvoldoende kan worden beperkt kunnen dwangmaatregelen worden ingezet.
Wat vindt u van de handelwijze van de penitentiaire inrichting in het geval van overlijden van de jongere en het contact met de nabestaanden hierover zoals naar voren komt in de documentaire?
Wanneer een gedetineerde komt te overlijden is dit zeer ingrijpend voor de nabestaanden. DJI doet altijd zijn best om hen zo goed mogelijk te informeren. Ik betreur het als nabestaanden zich niet altijd goed geïnformeerd achten. Er is een uniforme richtlijn «overlijden in een justitiële inrichting.» Hierin staat beschreven dat het dienstdoend directielid verantwoordelijk is voor het informeren van de nabestaanden. Verder worden nabestaanden in de gelegenheid gesteld om in de inrichting mondeling geïnformeerd te worden, nadat een calamiteitenonderzoek heeft plaatsgevonden. Indien gewenst kan hen de cel van de gedetineerde getoond worden en kunnen zij persoonlijke bezittingen van de overleden gedetineerde meenemen. Ik onderschrijf het belang van deze handelwijze.
Wat vindt u ervan dat er voorbeelden worden aangehaald van klachten van jongeren die niet in behandeling worden genomen en ook uit de klachtenbus worden verwijderd?
Klachten van justitiabelen moeten altijd ongezien bij de juiste functionaris komen en in behandeling worden genomen. Er zijn diverse mogelijkheden waarop justitiabelen hun klachten kunnen indienen. Bijvoorbeeld bij de mentor, bij een afdelingshoofd, bij de maandcommissaris of rechtstreeks bij de commissie van toezicht.
Kunt u reflecteren op de conclusie in de documentaire, dat net als bij de afleveringen over het machtsmisbruik van personeel bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), dit ook gebeurt bij de inrichtingen waar jeugdigen zitten?
In verschillende afleveringen van de documentaire «Dubbel gestraft» wordt gesproken met gedetineerden die machtsmisbruik hebben ervaren. In aflevering 6 van de documentaire spreekt ook een jeugdige justitiabele over zijn ervaringen. Het onrechtmatig gebruik van een positie keur ik te allen tijde af. Op de afdelingen wordt met meerdere personen per dienst gewerkt op een groep jongeren. DJI-medewerkers dienen te allen tijde in elkaars zicht te werken. Dit bevordert de veiligheid van collega’s en de jongeren. De medewerkers evalueren dagelijks elke dienst.
Wat vindt u ervan dat er zelfs voorbeelden worden genoemd van seksuele relaties tussen personeelsleden en minderjarigen? Zijn deze meldingen bij u en/of bij DJI bekend?
Alle vormen van niet-integer gedrag, zoals relaties tussen medewerker en justitiabele (minder- of meerderjarig), zijn volstrekt onacceptabel. Deze vormen van gedrag zijn reden voor ontslag.
Voor het antwoord op het tweede deel van de vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
Op welke plekken is bekend geworden dat deze misstanden plaatsvinden en is hier toen wel of niet direct een einde aan gemaakt?
Het is bekend dat er misstanden hebben plaatsgevonden. Wanneer de directie van een justitiële inrichting signalen ontvangt van ongepaste gedragingen dan handelt zij naar bevind van zaken. Dit kan zijn dat de feiten evident zijn en de ernst van de situatie aanleiding geven tot rechtspositioneel handelen, namelijk het aanzeggen van ontslag op staande voet of overplaatsing gedurende onderzoek wanneer feiten nog niet helder zijn. Ernstige incidenten in een inrichting worden door middel van een «melding bijzonder voorval» gemeld aan de dienstleiding van de DJI. In een «melding bijzonder voorval» wordt het incident in een categorie ingedeeld, bijvoorbeeld «geweldsincidenten», of, zoals in dit geval toepasselijk: «(Mogelijk) strafbare of anderszins laakbare feiten van een personeelslid(leden) jegens justitiabele(n) waaronder seksueel misbruik, seksuele intimidatie of ongeoorloofde relaties.»
Van incidenten van zekere ernst worden piketmeldingen opgesteld. Hiervan wordt maandelijks een overzicht gepubliceerd op de website van de DJI.2 Daarnaast hebben de JJI’s een meldplicht op basis van het meldkader Jeugd.3
Is er voor u reden om onderzoek te doen naar het (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van personeel van jeugdinrichtingen richting de jongeren?
Zoals beschreven staat in het antwoord op vraag 8 wordt bij vermoedens van dergelijke misstanden altijd onderzoek gedaan en actie ondernomen. Alle misstanden die bekend zijn, zijn onderzocht.
Hoe gaat u zorgen voor meer transparantie vanuit Justitie en de jeugdinrichtingen richting de ouders of andere familieleden?
Het betrekken van ouders/het gezinssysteem is reeds een belangrijk onderdeel van het verblijf in de JJI’s. De mentor speelt in het oudercontact een belangrijke rol om bijvoorbeeld betrokken te worden bij activiteiten en zij worden zo veel als mogelijk betrokken bij de perspectiefplanbesprekingen. Wanneer er sprake is van meerderjarige jeugdigen wordt aan hen altijd toestemming gevraagd om de ouders/verzorgers te betrekken en te informeren.
Bent u bekend met bovenvermeld artikel1 en wat is uw reactie hierop?
Ja. We vinden fraude en criminaliteit ernstig, onaanvaardbaar en deze moet worden tegengegaan.
Kunt u aangeven om welke aantallen mogelijk malafide jeugdzorgmedewerkers en jeugdigen (en het aantal (licht) verstandelijk beperkten daarbinnen) het gaat?
Dat is ons niet bekend. Jeugdigen, hun ouders en werkgevers die hiermee te maken hebben (gehad) wordt aangeraden om aangifte te doen, zodat het Openbaar Ministerie tot vervolging kan overgaan.
Waarom is er – gegeven de desastreuze gevolgen voor jongeren – vooralsnog niet voor gekozen alle 62.000 geregistreerden te controleren en enkel een steekproef uit te voeren? Op basis waarvan worden de 3.500 medewerkers geselecteerd? En hoe verhoudt deze controle zich tot de controle van professionals die op basis van een Erkenning Verworven Competenties (EVC) geregistreerd staan, zoals aangegeven in de brief van 31 maart 2025?2
Naar aanleiding van signalen van de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over fraude met EVC-certificaten heeft de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) op 8 november 2024, na overleg met het Ministerie van VWS, besloten om tijdelijk alle lopende aanvragen voor registratie in het register op basis van een EVC-certificaat op te schorten, dat zijn er momenteel 490. Professionals met deze lopende registratie-aanvragen wordt op korte termijn gevraagd om hun complete EVC-portfolio in te dienen en aan te tonen dat zij een geaccrediteerd praktijkprogramma hebben doorlopen of dit nog in hun eerste registratiejaar gaan doorlopen. De SKJ start vervolgens met het beoordelen van deze aanvragen.
Naast lopende aanvragen zijn er onder de 62.000 geregistreerden ongeveer 3500 professionals die afgelopen jaren door de SKJ geregistreerd zijn op basis van een EVC-certificaat. SKJ wil op termijn alle dossiers van professionals die op basis van een EVC geregistreerd staan onderzoeken op rechtmatigheid. 3500 dossiers onderzoeken is een enorme operatie voor de SKJ. Daarom is de SKJ gestart met een steekproef van 274 dossiers om op basis daarvan de inhoud en het tempo van het vervolg te kunnen bepalen. Het onderzoek van de 274 dossiers is nog niet afgerond. SKJ kan nog niet vooruitlopen op de uitkomsten. Daarnaast heeft de SKJ aanvullende maatregelen genomen en haar registratiereglement aangepast. Professionals die na 1 maart 2025 starten met een EVC-traject zijn voortaan verplicht om bij de SKJ een scholingsadvies aan te vragen voor het starten met een EVC-traject.
Deze maatregelen moeten er gezamenlijk toe leiden dat fraude via deze route wordt tegengegaan en dat de betrouwbaarheid en kwaliteit van professionals uit het Kwaliteitsregister Jeugd geborgd blijft.
Klopt het dat er tevens sprake is van fraude met bijscholingspunten en zo ja, hoe is het toezicht hierop geregeld? Zal hier nader onderzoek naar worden verricht en zo nee, waarom niet?
Voor herregistratie na vijf jaar in het register moet een professional aan drie eisen voldoen. Het gaat om voldoende contacturen, uren aan reflectie en uren aan deskundigheidsbevordering. De laatste eis betreft de bij- en nascholing die worden geregistreerd als punten. Alleen door de SKJ, de Nederlandse Vereniging van pedagogen en Onderwijskundigen (NVO) of het Nederlandse Instituut van Psychologen (NIP) geaccrediteerde of geaccepteerde na/bijscholingen zijn geldig. De SKJ heeft een accreditatiecommissie die scholingen voor maximaal 3 jaar accrediteert. De accreditatiecommissie is bevoegd om scholingsaanbieders aan visitatie te onderwerpen wanneer er sprake is van twijfel over de kwaliteit/betrouwbaarheid van de opleider of opleiding. Accreditatie kan beëindigd worden wanneer daar gegronde redenen voor bestaan. De SKJ heeft naar aanleiding van het signaal uit het artikel, intern onderzocht of dit signaal bekend was. De SKJ geeft aan dat zij tot op heden geen signalen van fraude met scholingspunten heeft ontvangen.
Kunt u aangeven hoe het toezicht op de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregeld is en wat de consequenties zijn (behalve dat ze uit het register van SKJ worden geschrapt) voor de personen die frauduleus waren/zijn geregistreerd en wat de consequenties voor SKJ zelf zijn?
Er is momenteel een nauwe samenwerking tussen de SKJ, IGJ, Jeugdzorg Nederland, beroepsverenigingen en andere sociale partners uit het jeugddomein. Er zijn al diverse maatregelen genomen om het register op te schonen. Zo worden dossiers op basis van EVC-registratie op rechtmatigheid gecontroleerd. Daarnaast worden maatregelen voor de toekomst getroffen, waarbij strengere eisen worden gesteld aan nieuwe aanvragen.
De problematiek van fraude en zware georganiseerde criminaliteit speelt niet alleen bij Jeugd, maar op meer plekken in het zorgdomein. Samenwerking tussen partijen is essentieel voor het tegengaan van zorgfraude. Zo is per 1 januari de stichting Informatieknooppunt zorgfraude (IKZ) gestart. Deze maakt gegevensdeling tussen betrokken instanties mogelijk, waardoor fraude beter wordt aangepakt. Om het probleem bij de bron aan te pakken, heeft de Minister van OCW onderwijsinstellingen geadviseerd om terughoudend te zijn bij het verzilveren van EVC-bewijzen. In de brief van 31 maart jl. door de Minister van VWS en OCW, mede namens het Ministerie van JenV en SZW, is de gehele fraudeaanpak aan Uw kamer toegelicht.
De doorgehaalde professionals beschikken niet langer over een SKJ-registratie en mogen daarom niet worden ingezet op taken binnen de jeugdzorg waarvoor een SKJ-geregistreerde professional nodig is. De SKJ onderzoekt de mogelijkheid om aangifte tegen bepaalde EVC-bureaus en individuele professionals te doen. De IGJ is hier ook over in overleg met het Openbaar Ministerie. Daarnaast is de IGJ, als één van de vaste samenwerkingspartners, deelnemer van de fenomeentafel «Valse diploma’s en EVC’s», georganiseerd door de Stichting Informatieknooppunt Zorgfraude.
Bent u het ermee eens dat het ronselen van kwetsbare jongeren voor criminele activiteiten haaks staat op de aanbeveling «Zorg dat dienstverleners mensen met een licht verstandelijke beperking (LVB) (tijdig) herkennen, en weten hoe ze vervolgens effectief kunnen communiceren en handelen» uit het Interdepartementaal Beleidsonderzoek mensen met een Licht Verstandelijke Beperking?3 Zo ja, op welke manier wordt deze aanbeveling opgevolgd en ziet u hierin verbetermogelijkheden? Welke concrete stappen bent u van plan te zetten om kwetsbare jongeren te beschermen tegen de praktijken die worden genoemd in het artikel? En kunt u hiervoor een tijdspad schetsen?
In de situatie die wordt beschreven in het artikel, dat ons niet op casusniveau bekend is, lijkt niet zozeer sprake van een gebrek aan herkenning van de LVB, maar dat jongeren met een LVB kwetsbaarder zijn om slachtoffer te worden van criminele uitbuiting en dat criminelen graag gebruik maken van jongeren in een kwetsbare positie.
Verschillende departementen hebben opvolging gegeven aan de aanbevelingen uit het Interdepartementaal Beleidsonderzoek mensen met een Licht Verstandelijke Beperking (IBO LVB). Zo heeft het Landelijk Kenniscentrum LVB op verzoek van VWS in november 2024 een webinar georganiseerd over LVB in het veiligheidsdomein. Deze webinar was gericht op bewustwording van en kennis over LVB vergroten onder verschillende groepen professionals.
Om de aantrekkingskracht van het snelle geld en het aflossen van (criminele)schulden tegen te gaan, zet het kabinet in op het vergroten van de weerbaarheid van deze jongeren, hun ouders en hun sociale leefomgeving. Dit doet het via het programma Preventie met Gezag (PmG), dat in 47 gemeenten inzet op het voorkomen dat jongeren in aanraking komen met (georganiseerde en ondermijnende) criminaliteit, daarin afglijden of doorgroeien. PmG is een lerende aanpak, waarbij het streven is om de geleerde lessen te delen met de rest van Nederland.
Jongeren die geronseld worden voor de criminaliteit en/of slachtoffer zijn van criminele uitbuiting kunnen zich melden bij het online hulpportaal Keerpunt. Keerpunt biedt een veilige en laagdrempelige plek, waar jongeren vertrouwelijk kunnen praten over hun situatie in de beveiligde chatomgeving van Chat met Fier. Deze jongeren worden begeleid naar passende hulporganisaties of opsporingsinstanties in de regio. Keerpunt doet aan proactieve online outreach op social media waarbij actief (potentiële) slachtoffers worden benaderd. Het portaal is ontwikkeld door Fier, het Centrum tegen Kinder- en Mensenhandel en Spine, met financiële middelen van het PmG.
Bent u het ermee eens dat dit zoveelste bericht over de vermenging van zorg- en diplomafraude met criminele activiteiten en netwerken laat zien dat de zorgfraude-aanpak ernstig tekortschiet ten koste van kwetsbaren? Zo ja, bent u bereid de fraude-aanpak te verstevigen en op welke termijn informeert u de Kamer hierover?
Fraude in de zorg moet stevig worden aangepakt. Dit doet de Minister van VWS op verschillende manieren en waar nodig in samenwerking met andere ministeries. De afgelopen tijd heeft de Minister ingezet op nieuwe wetgeving, zoals de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz), deze wet is ingegaan op 1 januari 2025. Ook is per 1 januari 2025 de vergunningplicht van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) uitgebreid naar alle zorginstellingen, dus ook de kleine instellingen. Tevens ligt het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) bij u voor in de Kamer. De Wibz heeft primair tot doel het borgen van een integere bedrijfsvoering en het aanpakken van niet integere zorg- en jeugdhulpaanbieders. Bijvoorbeeld door het mogelijk maken van extra weigerings- en intrekkingsgronden aan de Wtza-vergunning. Daarnaast wordt ingezet op verschillende maatregelen, zoals de Proeftuinen aanpak zorgfraude, waarin werkwijzen worden ontwikkeld voor een betere selectie en screening van zorgaanbieders en de toepassing van de Wet Bibob.
De afgelopen tijd is de inzet verder versterkt en wordt er goed samengewerkt met o.a. andere ministeries, uitvoeringsorganisaties en inspecties om het net rondom zorgfraudeurs te sluiten. In de brief van Minister van VWS van 31 maart jl. aan uw Kamer is deze inzet verder uiteengezet.4 Daarnaast verkent de Minister aanvullende maatregelen om malafide aanbieders uit de zorg te weren, zoals aangegeven in de brief van 4 april jl.5 Bijvoorbeeld de actualisatie van de Wet marktordening gezondheidszorg, waardoor de Nederlandse Zorgautoriteit bestuursrechtelijk zal kunnen handhaven op niet-geleverde zorg. In de Verzamelwet gegevensverwerking VWS IV zal gegevensuitwisseling tussen de Sociale Verzekeringsbank en de verstrekkers van een persoonsgebonden budget (pgb) worden geharmoniseerd met de grondslagen in de Wmo 2015. Hierdoor komen signalen van misbruik en oneigenlijk gebruik van een pgb aan het licht. Uw Kamer wordt dit najaar nader geïnformeerd over deze maatregelen.