Grootschalige naamfouten in strafrechtelijke vonnissen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verbijsterde Kamer eist duidelijkheid over massale naamfouten bij justitie»?1
Ja.
Klopt het dat eerder 876 naamfouten in strafrechtelijke vonnissen zijn vastgesteld, maar dat inmiddels signalen bestaan dat het mogelijk om circa 50.000 foutieve naamkoppelingen gaat? Sinds wanneer is uw ministerie bekend met deze hogere aantallen en waarom is de Kamer hierover niet eerder volledig geïnformeerd?
Ik ken de berichtgeving en de problematiek. Het in de mediaberichtgeving genoemde aantal van circa 50.000 onjuiste naamkoppelingen kan ik op basis van de nu beschikbare analyses niet bevestigen.; verschillende grootheden (identiteitsvaststelling in het strafvorderlijke proces versus onjuiste tenaamstelling in een onherroepelijk vonnis) lopen in de berichtgeving door elkaar.
In eerdere brieven aan uw Kamer is toegelicht dat de problematiek waar de grootste risico’s voor burgers en voor de uitvoering van straffen zitten, betreft de gevallen waarin na het onherroepelijk worden van een strafvonnis, blijkt dat er signalen zijn dat er een probleem is met de vastgestelde identiteit en daardoor een mogelijk onjuiste tenaamstelling. Daarover is aan uw Kamer gemeld dat het sinds 2014 tot medio mei 2025 867 zaken betrof en dit zich gemiddeld zo’n 50 keer per jaar voordoet.2
Wat wordt binnen de justitiële keten exact verstaan onder een «naamfout»? Beperkt dit zich tot administratieve verschrijvingen en typefouten of betreft het tevens gevallen waarin persoonsgegevens van onschuldige burgers ten onrechte zijn gekoppeld aan strafrechtelijke veroordelingen? Kunt u de verschillende categorieën fouten volledig en afzonderlijk kwantificeren?
Het gaat om situaties waarbij de Matching Autoriteit constateert dat de identiteit die zij op dat moment als leidend heeft bepaald, afwijkt van de tenaamstelling van het vonnis. Deze afwijkingen kunnen voortkomen uit schrijffouten, naamswijzigingen, betere identiteitsgegevens die pas later in het strafproces beschikbaar komen, identiteitsfraude of langdurige onzekerheid over de identiteit.
Hieronder is per gevalstype het percentage waarin afwijkingen voorkomen in de 867 geconstateerde zaken indicatief aangegeven:
Deze percentages kunnen wijzigen. Op grond van nadere toetsing kan blijken, dat een zaak tot een ander gevalstype behoort. Deze percentages geven daarmee een voorlopig beeld van de thans beoordeelde zaken.
Op welk moment in de strafrechtketen ontstaan deze fouten precies en waar ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen daarvan? Is sprake van een structurele systeemfout en is hiervoor eerder intern gewaarschuwd?
De problematiek kent verschillende oorzaken. Om te beginnen aan de voorkant van de keten. Daar kunnen verdachten onjuiste of onvolledige gegevens verstrekken die op dat moment niet kunnen worden geverifieerd. Ook kunnen fouten in de registraties ontstaan vanwege verschrijvingen of administratieve vergissingen. Later in het proces, zo leert de praktijk, komen er pas voor het eerst kwalitatief betere identiteitsgegevens beschikbaar (zoals vingerafdrukken). De registraties worden dan indien nodig geactualiseerd. Dat vergt nader ID-onderzoek. Een dergelijk onderzoek neemt veel tijd in beslag en duurt soms langer dan de periode van vervolging/berechting. Hierdoor kunnen fouten lange tijd in de registraties blijven staan en komt pas na het vonnis informatie beschikbaar op basis waarvan wordt geconstateerd dat de tenaamstelling onjuist is. In andere gevallen wordt bij de vervolging (uitbrengen dagvaarding) en berechting (vonnis) niet altijd gewerkt met de meest actuele tenaamstelling, en wordt de identiteit van de verdachte op die momenten niet daadwerkelijk geverifieerd. Bovendien kent de strafrechtketen op dit moment geen structureel herstelproces om deze fouten proactief te herstellen.
Het voorkomen van nieuwe fouten is één van de vier pijlers van de aanpak. Dat laat onverlet dat hier sprake is van een ketenbreed vraagstuk: de oorsprong ligt vaak vroeg in het proces, maar ook in latere fasen moeten signalen tijdig worden onderkend, geverifieerd en verwerkt. Daarom wordt samen met ketenpartners in kaart gebracht waar processen rond identiteitsvaststelling kunnen worden versterkt, zodat nieuwe gevallen worden voorkomen. Tegelijkertijd is het belangrijk om in te zien dat onzekerheid rondom de identiteit van een verdachte inherent is aan het strafproces. Dat houdt verband met het kernbeginsel dat de verdachte niet verplicht is mee te werken aan de eigen veroordeling, maar ook aan de wisselende betrouwbaarheid van de op dat moment beschikbare identiteitsgegevens. Een volledig foutloze keten is niet realistisch; er zal sprake blijven van menselijke invoerfouten en situaties waarin, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van gegevens, identiteiten in de praktijk niet zijn vast te stellen.
Het belang van de strafrechtspleging vergt dat er wordt gewerkt met de beste op dat moment beschikbare gegevens. Daarom wordt ingezet op zo snel mogelijke signalering en correctie binnen de wettelijke kaders. Dit is nadrukkelijk een ketenopgave. Daarom gebeurt dit in samenwerking met onder meer het OM, de Rechtspraak, de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, DJI, CJIB, Politie en KMAR. Ook de migratieketen en de burgerketen zijn betrokken.
Klopt het dat eenmaal foutief gekoppelde persoonsgegevens automatisch doorwerken in gekoppelde justitiële databanken? Zo ja, welke systemen zijn daarbij betrokken en hoe verhoudt deze automatische doorwerking zich tot het beginsel van juistheid van persoonsgegevens zoals neergelegd in de Algemene verordening gegevensbescherming?
De Strafrechtketendatabank (SKDB) verwerkt identiteitsgegevens mede op basis van authentieke of gezaghebbende bronregistraties, waaronder in elk geval de Basisregistratie Personen en, voor zover relevant, de Basisvoorziening Vreemdelingen. Wijzigingen in dergelijke bronregisters kunnen doorwerken in de SKDB om identiteitsgegevens te actualiseren en ketenprocessen te ondersteunen. Of en hoe die doorwerking vervolgens effect heeft in andere ketenprocessen of registraties, hangt af van de aard van de wijziging, de betrokken systemen en de noodzakelijke beoordeling van de gevolgen daarvan.
Een beperkt aantal van de aan de SKDB gekoppelde organisaties valt onder de werking van de AVG. Voor andere organisaties geldt dat de Wet Politiegegevens (Wpg) of de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) van toepassing zijn, die overigens vergelijkbare bepalingen kennen ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de te verwerken persoonsgegevens. Die stelsels kennen ieder eigen regels over de juistheid, zorgvuldigheid en – waar nodig – correctie van persoonsgegevens. De geautomatiseerde doorwerking van brongegevens ontslaat betrokken organisaties dus niet van hun verantwoordelijkheid om, binnen het voor hen geldende wettelijke kader, onjuistheden te corrigeren wanneer die blijken.
Klopt het dat het corrigeren van foutief gekoppelde persoonsgegevens in de praktijk wordt bemoeilijkt doordat wijzigingen automatisch doorwerken in andere systemen? Deelt u de mening dat systeemtechnische beperkingen nooit een rechtvaardiging mogen vormen om onjuiste strafrechtelijke registraties in stand te houden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat systeemtechnische beperkingen nooit zouden mogen leiden tot het in stand houden van onjuiste strafrechtelijke registraties. Juist om die reden heeft de Matching Autoriteit de wettelijke taak (Wivvg) de leidende administratieve identiteit van verdachten en veroordeelden te bepalen. Deze identiteit wordt binnen de strafrechtketen gedeeld en vervolgens in alle fasen van het strafproces gebruikt. Door het centraal beheer en onderhoud van identiteitsgegevens in de strafrechtketen en het eenduidig gebruik hiervan in de keten(-systemen), kunnen de uniformiteit van gegevens, dataconsistentie en de mogelijkheid tot integraal herstel (na constatering onjuiste tenaamstelling) worden geborgd. Dat neemt niet weg dat herstel in de praktijk per systeem en per rechtsgevolg verschillende handelingen kan vergen. Juist daarom is van belang dat onjuiste registraties niet alleen technisch, maar ook juridisch en procesmatig zorgvuldig kunnen worden hersteld. Om die reden is begin dit jaar een wijziging in de systemen gerealiseerd waardoor het mogelijk is geworden om geautomatiseerd doorgevoerde wijzigingen weer terug te draaien.
Bestaat er binnen de justitiële keten onduidelijkheid over wie bevoegd is om fouten in strafrechtelijke vonnissen en de daaraan gekoppelde registraties te herstellen? Zo ja, hoe beoordeelt u het feit dat geen eenduidige herstelbevoegdheid is vastgelegd terwijl dergelijke fouten verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de rechtspositie van burgers?
Er bestond inderdaad onzekerheid omtrent de herstelbevoegdheden. Deze onzekerheid is inmiddels in belangrijke mate verduidelijkt door het ontwikkelde Toetsings- en handelingskader dat de rechtstatelijke bevoegdheidsgrenzen expliciet maakt. Dat kader is conform toezegging in Q1 definitief vastgesteld en wordt in de komende tijd verder geoperationaliseerd in de uitvoeringspraktijk. Met dit kader wordt de werkwijze rond de registratie van onherroepelijke vonnissen in geval van twijfel over de tenaamstelling, heringericht. Dit kader is gebaseerd op een door deskundigen in- en extern gevalideerde juridische grondslag. Daarbij geldt als uitgangspunt dat correctie van registraties onder omstandigheden mogelijk is, maar dat wijziging van een onherroepelijk rechterlijk oordeel uitsluitend door de rechter zelf kan worden gedaan.
Hoeveel burgers hebben aantoonbaar nadeel ondervonden van onjuiste registraties in justitiële systemen, bijvoorbeeld bij de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag, bij werk- of veiligheidsscreening, in opsporingsonderzoeken, detentie of verblijfsrechtelijke procedures? In hoeveel gevallen hebben foutieve naamkoppelingen ertoe geleid dat veroordeelde personen niet (tijdig) zijn gedetineerd of ten onrechte op vrije voeten zijn gebleven?
In de Kamerbrief van 10 november 20253 is melding gemaakt van vier gevallen waarin foutieve tenaamstelling aan de orde was. In twee van die gevallen zijn personen bij identiteitscontrole gedetineerd geweest; nadat bleek dat zij niet de dader waren, zijn zij in vrijheid gesteld. Of er in meer zaken sprake is geweest van benadeling van burgers zal moeten blijken uit de lopende analyse van de overige zaken waarin er aanwijzingen zijn dat er sprake was van een foutieve tenaamstelling in een vonnis.
Ook is aangegeven dat in 8 gevallen waarin binnen de onderzochte groep een VOG-aanvraag aan de orde was, de nieuwe informatie niet tot een ander oordeel zou hebben geleid.
Zoals ik u in de Kamerbrief van 10 november 2025 heb laten weten bleek uit de op dit moment nog lopende toetsing en afhandeling van de geregistreerde zaken op basis van het toetsings- en handelingskader, dat er sprake is van in elk geval één situatie waarin een straf niet ten uitvoer is gelegd als gevolg van een foutief te naam gesteld vonnis.4 In deze zaak kon het vonnis niet worden betekend als gevolg van onvindbaarheid en staat de veroordeelde om die reden gesignaleerd.
In z’n algemeenheid geldt dat zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een foutieve tenaamstelling leidt tot het risico dat een straf niet ten uitvoer is gelegd, dat signaal met ketenpartners – zoals het openbaar ministerie – wordt opgepakt. Mocht blijken van niet ten uitvoer gebrachte straffen, dan bezien de betrokken organisaties of alsnog tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan.
Hoeveel verzoeken tot correctie van onjuist verwerkte persoonsgegevens zijn sinds 2010 ingediend, hoeveel daarvan zijn toegewezen en hoeveel afgewezen, en op welke gronden zijn deze verzoeken afgewezen?
Op de door u gestelde vraag kan geen antwoord worden gegeven, omdat cijfermateriaal vanaf 2010 niet beschikbaar is. Het gevraagde, namelijk onjuist verwerkte persoonsgegevens, is daarbij een ander begrip en veel breder dan een «onjuiste tenaamstelling». Daarnaast kan een verzoek tot correctie betrekking hebben op verschillende onderdelen van de registratie van (persoons-)gegevens in de SKDB en niet uitsluitend op de correctie van de personalia van een betrokkene. Dat neemt niet weg dat ik zal bezien hoe de registratie van dergelijke signalen, verzoeken en afdoeningen vanaf nu eenduidiger kan plaatsvinden, zodat hierover in de toekomst beter kan worden gerapporteerd.
Erkent u dat het ten onrechte registreren van burgers als crimineel een ernstige aantasting kan vormen van hun rechtspositie, reputatie en grondrechten? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om alle foutieve registraties actief op te sporen, gedupeerde burgers te informeren en hen adequaat te compenseren?
Het is van groot maatschappelijk belang dat de identiteit van verdachten in het strafproces juist wordt vastgesteld, om te voorkomen dat onschuldigen nadeel ondervinden of dat daders hun straf ontlopen. Uit de rapportage van de Algemene Rekenkamer (ARK) in mei 2025 en de daarop volgende brieven aan uw Kamer5 blijkt dat het in het verleden niet altijd goed is gegaan
Om deze problematiek structureel en rechtstatelijk op te lossen, wordt momenteel een plan van aanpak uitgevoerd waarvan de hoofdlijnen eerder met uw Kamer zijn gedeeld. Kort samengevat bestaat dat uit:
Daarbij wordt niet alleen ingezet op het voorkomen van nieuwe gevallen en het beoordelen van bekende zaken, maar ook op het zo veel mogelijk in beeld brengen van gevallen waarin burgers concreet nadeel hebben ondervonden. Waar daar aanleiding toe bestaat, wordt bezien of en hoe betrokkenen actief kunnen worden benaderd en welke passende herstel- of schadetrajecten openstaan. Daarnaast kunnen burgers die menen nadeel te ondervinden van een onjuiste overheidsregistratie zich melden via onder andere het Meldpunt Fouten in Overheidsregistraties; bezien wordt hoe deze route in dit dossier zo toegankelijk mogelijk kan worden gemaakt.
Het bericht ‘Klokkenluiders slaan alarm over massale fouten in vonnissen: onschuldigen in cel gegooid en daders ontlopen hun straf’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend het bericht «Klokkenluiders slaan alarm over massale fouten in vonnissen: onschuldigen in cel gegooid en daders ontlopen hun straf»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat er mogelijk 50.000 gevallen zijn waarin signalen waren over foutieve tenaamstellingen in onherroepelijke vonnissen en hoe verhoudt dit tot de 876 strafzaken die tot nu toe bekend waren?
Het in de mediaberichtgeving aangegeven aantal zaken herken ik niet. In eerdere brieven aan uw Kamer is toegelicht dat de rechtspraak jaarlijks uitspraak doet in ruim 85.000 strafzaken en dat verreweg in de meeste zaken de straf op de juiste naam wordt opgelegd.2 Daarnaast is uiteengezet dat de Matching Autoriteit van de Justitiële Informatiedienst (Justid) jaarlijks voor meer dan 175.000 personen de leidende administratieve identiteit vaststelt en dat in ongeveer 14.000 gevallen per jaar een extra beoordeling nodig is. Deze cijfers zien op identiteitsvaststelling en correcties in het proces en zijn niet één-op-één te vertalen naar naamfouten in strafvonnissen.
De problematiek waar de grootste risico’s voor burgers en voor de uitvoering van straffen zitten, betreft de gevallen waarin na het onherroepelijk worden van een strafvonnis, blijkt dat er signalen zijn dat er een probleem is met de vastgestelde identiteit en daardoor een mogelijk onjuiste tenaamstelling. Daarover is aan uw Kamer gemeld dat dit zich gemiddeld zo’n 50 keer per jaar voordoet.
In hoeveel gevallen is tot nu toe bekend dat een straf geheel of gedeeltelijk aan de onjuiste persoon ten uitvoer is gelegd? Om welke delicten ging dit?
In de brief van 10 november 2025 informeerde mijn ambtsvoorganger uw Kamer over vier extra gevallen waarin sprake is van een foutieve tenaamstelling in een vonnis.3 Het ging in deze zaken om het opzettelijk gebruik maken van een vals ID-bewijs (rijbewijs), poging tot diefstal in vereniging met inbraak, diefstal in vereniging en mishandeling en openlijke geweldspleging. In twee van deze gevallen zijn personen tijdens het controleren van hun identiteit kort gedetineerd geweest. Nadat kon worden vastgesteld dat het niet ging om de betreffende dader, zijn zij in vrijheid gesteld. Ook de andere twee zaken zijn toegevoegd aan de lijst van zaken die ter correctie van de gegevens worden getoetst en behandeld.
In hoeveel gevallen zijn daders onterecht vrijuit gegaan als gevolg van de foutieve tenaamstellingen? Om welke delicten ging dit?
Zoals ik u in de Kamerbrief van 10 november 2025 heb laten weten bleek uit de op dit moment nog lopende toetsing en afhandeling van de geregistreerde zaken op basis van het toetsings- en handelingskader, dat er sprake is van in elk geval één situatie waarin een straf niet ten uitvoer is gelegd als gevolg van een foutief te naam gesteld vonnis.4 In deze zaak kon het vonnis niet worden betekend als gevolg van onvindbaarheid en staat de veroordeelde om die reden gesignaleerd.
In z’n algemeenheid geldt dat zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een foutieve tenaamstelling leidt tot het risico dat een straf niet ten uitvoer is gelegd, dat signaal met ketenpartners – zoals het openbaar ministerie – wordt opgepakt. Mocht blijken van niet ten uitvoer gebrachte straffen, dan bezien de betrokken organisaties of alsnog tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan.
Hoelang zijn de daders die vrijuit zijn gegaan als gevolg van de foutieve tenaamstellingen al op vrije voeten en welke acties bent u voornemens te ondernemen om deze groep alsnog hun straf te laten ondergaan?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om aanvullend onderzoek te doen naar de signalen dat de aantallen van onjuiste tenaamstellingen mogelijk veel groter zijn dan eerder was onderzocht?
Justid doet momenteel aanvullend onderzoek naar de vraag of en in hoeverre ook andere historische zaken nog kunnen worden achterhaald.
Wat vindt u ervan dat medewerkers zich niet vrij hebben gevoeld te kunnen praten met de onderzoekers van de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk en acht u aanvullend onderzoek naar zowel de aard, ernst en omvang van de fouten en de werkcultuur passend? Zo ja/nee, waarom?
Recent is door de Auditdienst Rijk (ADR) een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de vraag waarom het vraagstuk over de foutieve tenaamstelling van reeds onherroepelijke vonnissen in de afgelopen jaren onopgelost is gebleven. De ADR heeft verschillende oorzaken geconstateerd. Een ervan is dat medewerkers die het probleem aankaartten onvoldoende gehoord werden. De ADR deed 18 aanbevelingen voor maatregelen om de kans te vergroten dat in de toekomst sneller op onvolkomenheden wordt gereageerd. In de brief van 19 december 2025 is aangegeven dat de aanbevelingen van de ADR worden uitgevoerd. Inmiddels zijn de acties voortvarend en zorgvuldig opgepakt. Zo wordt er bijvoorbeeld voor gezorgd dat er binnen Justid meer oog is voor zorgen van medewerkers en dat drempels voor meldingen van medewerkers worden weggenomen.
Gelet hierop is aanvullend (onafhankelijk) onderzoek naar sociale veiligheid en de bescherming van melders niet nodig.
Kunt u deze vragen binnen drie weken afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Rechtspositie reservisten is juridisch mijnenveld voor werkgever en werknemer’ |
|
Fatimazhra Belhirch (D66), Stephan Neijenhuis (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechtspositie reservisten is juridisch mijnenveld voor werkgever en werknemer»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de huidige aanpak onvoldoende rechtszekerheid biedt voor zowel reservisten als werkgevers? En herkent u het beeld dat de inzet van reservisten bij Defensie in de praktijk neerkomt op een dubbele rechtspositie, terwijl verantwoordelijkheden en risico’s niet eenduidig zijn geregeld? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de voorgenomen opschaling van het aantal reservisten?
In het arbeidsrecht geldt in beginsel het uitgangspunt dat werkgever en werknemer afspraken maken over de inzet als reservist bij Defensie. Gelet op de rol van de reservist tot nu toe waren die afspraken meestal afdoende. De rol en inzet van de reservist wordt echter groter en verandert van karakter. Dat vraagt om meer duidelijkheid over de rechten en plichten van de reservist, van de civiele werkgever en van Defensie als militaire werkgever. Veelal hebben reservisten daarbij twee werkgevers, waarbij de civiele werkgever de primaire werkgever is. Dat kan in bepaalde situaties tot onduidelijkheid leiden over rechten en plichten.
Daarom tref ik samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en met werkgevers- en werknemersorganisaties voorbereidingen om de rechtspositie van reservisten in hun arbeidsrelatie met hun civiele werkgever én met Defensie te verduidelijken en waar nodig te verbeteren.
Kunt u aangeven in welke sectoren de knelpunten rond loondoorbetaling, vervanging en rechtszekerheid het meest spelen? Ziet u verschillen tussen grote werkgevers en kleinere ondernemers?
Defensie onderhoudt contacten met werkgevers uit verschillende sectoren. In het algemeen bemerkt Defensie daarbij weinig terughoudendheid. Het relatienetwerk groeit gestaag en er is bij veel organisaties begrip voor het belang van reservisten voor de nationale veiligheid.
Soms hebben werkgevers vragen over bijvoorbeeld loondoorbetaling, of vervanging tijdens inzet. Deze vragen komen zowel bij grotere als kleinere werkgevers voor en in verschillende sectoren. Eenduidige communicatie en duidelijke afspraken helpen om eventuele onduidelijkheid weg te nemen. De ervaringen van werkgevers neem ik samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mee in het lopende onderzoek naar de rechtspositie van reservisten.
Kunt u uiteenzetten hoe de verantwoordelijkheid momenteel is verdeeld wanneer een reservist tijdens een oefening gewond raakt, in het bijzonder wat betreft loondoorbetaling en re-integratie?
De huidige juridische kaders zijn neergelegd in het (militair) ambtenarenrecht en het arbeidsrecht, met name in de Wet Ambtenaren Defensie en in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. De verdeling van verantwoordelijkheden kan in individuele gevallen complex zijn, mede doordat reservisten zowel een civiele als een militaire werkgever hebben.
Wanneer een reservist tijdens een oproep in werkelijke dienst gewond raakt of arbeidsongeschikt wordt, meldt deze zich in beginsel ziek bij de civiele werkgever. Nadat de oproep in werkelijke dienst is geëindigd keert de reservist terug bij zijn civiele werkgever. Daarmee blijft de civiele arbeidsrelatie leidend voor de toepassing van de regels rond loondoorbetaling bij ziekte en re-integratie.
Daarnaast kan Defensie, op grond van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen, in bepaalde gevallen aanvullende – bovenwettelijke – voorzieningen toekennen. Deze voorzieningen vormen een aanvulling op de reguliere sociale zekerheidsregelingen en zijn bedoeld om militairen, waaronder reservisten, te ondersteunen wanneer zij tijdens hun inzet voor Defensie letsel oplopen of arbeidsongeschikt raken.
Momenteel breng ik in samenwerking met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in kaart hoe de verschillende juridische stelsels zich tot elkaar verhouden en of en zo ja waar verduidelijking of aanpassing van verantwoordelijkheden wenselijk is. Hierbij onderzoeken we situaties waarin arbeidsongeschiktheid ontstaat door of tijdens de inzet als reservist.
Deelt u de inschatting dat de huidige onzekerheid over aansprakelijkheid, loondoorbetaling en re-integratie bij letsel of arbeidsongeschiktheid tijdens reservistentaken een drempel kan vormen voor werkgevers om reservisten in dienst te nemen of te houden?
In de contacten met werkgevers merkt Defensie over het algemeen weinig terughoudendheid. Veel organisaties tonen begrip voor het belang van reservisten en zijn bereid hieraan bij te dragen. Tegelijkertijd hebben werkgevers vragen over bijvoorbeeld loondoorbetaling bij ziekte of arbeidsongeschiktheid. Onderzoeken laten zien dat bij individuele (aspirant-)reservisten juridische onduidelijkheid soms een reden kan zijn om af te zien van een sollicitatie als reservist of om Defensie voortijdig te verlaten. Deze inzichten neem ik mee bij de verbetering van de rechtspositie van reservisten.
Kunt u toelichten hoe het maximale bedrag van € 55 per dag bij langdurige afwezigheid als tegemoetkoming tot stand is gekomen en in hoeverre dit bedrag in verhouding staat tot de werkelijke vervangings- en loonkosten van werkgevers?
De huidige regeling voorziet in een tegemoetkoming voor werkgevers wanneer een reservist gedurende langere tijd wordt ingezet. Deze tegemoetkoming is destijds vastgesteld als een bijdrage in de kosten die werkgevers kunnen maken wanneer een werknemer langere tijd niet beschikbaar is vanwege inzet bij Defensie. Het betreft nadrukkelijk geen volledige compensatie van alle mogelijke kosten die werkgevers kunnen hebben, zoals loonkosten of kosten voor vervanging.
Vanwege de groeiende rol van reservisten en de ambities voor het reservistenbestand heeft Defensie recentelijk de regeling tegemoetkoming werkgeversbijdrage onderzocht. Onder meer zijn de werking van de huidige regeling en de ervaringen van werkgevers in de praktijk bekeken. Op basis daarvan bezien we deze regeling, waarbij we onder meer kijken naar de toekenningscriteria voor de tegemoetkoming en de hoogte van het bedrag van de tegemoetkoming.
Hoe wilt u voorkomen dat werkgevers op grote schaal hun risico beperken door aanvullingen op loondoorbetaling bij ziekte uit te sluiten bij letsel dat ontstaat door reservistentaken, zonder dat hier een andere regeling tegenover staat?
Zoals eerder in vraag 4 beschreven blijft de civiele arbeidsrelatie leidend en zijn de voorzieningen binnen Defensie een aanvulling op de bestaande sociale zekerheidsregelingen.
Zoals gezegd maakt dit ook deel uit van de eerder toegelichte samenwerking met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Daarbij kijken we naar de positie van civiele werkgevers en de verdeling van verantwoordelijkheden bij loondoorbetaling bij ziekte. Uw Kamer wordt hierover voor het zomerreces geïnformeerd zoals toegezegd tijdens het Commissiedebat Arbeidsmarktbeleid en Arbeidsmarktdiscriminatie van 24 september 2025 en bij brief van 17 december 20252.
Hoe verhoudt de inzet als reservist zich tot de maximale arbeidstijd, wanneer reservistentaken plaatsvinden in weekenden of avonden, en welke verantwoordelijkheid heeft de werkgever om overtreding van arbeidstijden te voorkomen?
De Arbeidstijdenwet (Atw) geldt in principe voor het totale aantal uren bij verschillende werkgevers. Dat betekent dat ook uren die een reservist in werkelijke dienst werkt kunnen meetellen bij de maximale arbeidstijd en rusttijden. Werkgevers hebben de verantwoordelijkheid om te zorgen dat deze normen niet worden overschreden.
In sommige situaties is de Atw niet van toepassing op arbeid door defensiepersoneel, zoals tijdens varen, vliegen of militaire oefeningen. Het gaat dan om omstandigheden waarin toepassing van de Atw op gespannen voet staat met een goede uitoefening van defensietaken. Daarom is het belangrijk dat werkgevers en reservisten goede afspraken maken over de combinatie van civiel werk en reservistentaken, zodat overtreding van arbeidstijden wordt voorkomen.
Acht u het wenselijk dat er geen ontslagbescherming bestaat voor reservisten die (tijdelijk) niet kunnen werken wegens reservistentaken en dat er geen garantie is op terugkeer in de oude functie?
Momenteel bestaat er geen specifieke wettelijke ontslagbescherming voor reservisten. Dit is onderwerp van gesprek van het onderzoek naar de rechtspositie van reservisten.
Bent u het ermee eens dat vanwege de voorgenomen opschaling van het aantal reservisten het wenselijk is om werkgevers en reservisten meer zekerheid te bieden? Zo ja, welke concrete stappen gaat u op korte termijn zetten om dit te regelen?
De rol en inzet van reservisten wordt de komende jaren groter. Dat vraagt om meer duidelijkheid over de rechten en plichten in de driehoek Defensie als militaire werkgever, de reservist/werknemer en de civiele werkgever. Daarom breng ik samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en met werkgevers- en werknemersorganisaties in kaart of en zo ja waar de rechtspositie van reservisten verduidelijking of verbetering behoeft. Uw Kamer wordt voor het zomerreces geïnformeerd.
Hoe kijkt u naar de optie om de bovengenoemde onduidelijkheden en onzekerheden door middel van een wetswijziging weg te nemen?
Zoals ik hierboven toelicht werkt Defensie continu aan het verbeteren van de rechtspositie van reservisten. Uw Kamer wordt voor het zomerreces geïnformeerd, zoals toegezegd. Daarbij zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ingaan op de vraag of de rechtspositie van reservisten verduidelijking dan wel versterking behoeft door middel van nieuwe wettelijke regels. Dat neemt niet weg dat werkgevers- en werknemersverenigingen vrij zijn bovenwettelijke afspraken in een cao op te nemen.
Massale fouten in vonnissen |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het aantal naamfouten in strafvonnissen veel groter is dan tot nu toe bekend was en dat volgens klokkenluiders de betrokken administratiedienst Justid jarenlang onwettig gegevens heeft aangepast?1 Zo ja, klopt dit bericht?
Ik ken de berichtgeving en de problematiek. Het in de mediaberichtgeving genoemde aantal van circa 50.000 onjuiste naamkoppelingen kan ik op basis van de nu beschikbare analyses niet bevestigen. Verschillende grootheden (identiteitsvaststelling in het strafvorderlijke proces versus onjuiste tenaamstelling in een onherroepelijk vonnis) lopen in de berichtgeving door elkaar.
Over de vraag dat «jarenlang onwettig gegevens zijn aangepast» is uw Kamer eerder geïnformeerd in de genoemde brief van 28 mei 2025.2 Zoals u bekend is in Q1 een toetsings- en handelingskader voor de Matchingsautoriteit (MA) vastgesteld, op basis waarvan de medewerkers van de MA, conform de rechtstatelijke bevoegdheidsgrenzen, de afweging kunnen maken of correctie van kennelijke fouten mag. Met dit kader wordt de werkwijze rond de registratie van onherroepelijke vonnissen in geval van twijfel over de tenaamstelling, heringericht.
Klopt de veronderstelling dat het aantal naamfouten in vonnissen mogelijk zo’n 50.000 gevallen betreft? Wat bent u van plan om hierop te ondernemen?
Het in de mediaberichtgeving aangegeven aantal zaken herken ik niet. In eerdere brieven aan uw Kamer is toegelicht dat de rechtspraak jaarlijks uitspraak doet in ruim 85.000 strafzaken en dat verreweg in de meeste zaken de straf op de juiste naam wordt opgelegd. Daarnaast is uiteengezet dat de Matching Autoriteit (MA) van de Justitiële Informatiedienst (Justid) jaarlijks voor meer dan 175.000 personen die door de organisaties in de strafrechtketen worden geregistreerd in de strafrechtketen-database (SKDB), de leidende administratieve identiteit vaststelt. In ongeveer 14.000 gevallen per jaar is een extra beoordeling van de identiteitsgegevens nodig. Deze cijfers zien op identiteitsvaststelling en correcties gedurende het gehele strafvorderlijke proces en zijn niet één-op-één te vertalen naar naamfouten in strafvonnissen.
Jaarlijks blijkt bij ongeveer 50 zaken dat na het onherroepelijk worden van een strafvonnis, er signalen zijn dat er een probleem is met de vastgestelde identiteit, waardoor mogelijk sprake is van een onjuist te naam gesteld vonnis. Daarover is aan uw Kamer gemeld dat dit sinds 2014 tot medio mei 2025 867 zaken betrof. Over 2025 zijn nu 36 zaken geïdentificeerd.
Om deze problematiek structureel en rechtstatelijk op te lossen, wordt momenteel een plan van aanpak uitgevoerd waarvan de hoofdlijnen eerder met uw Kamer zijn gedeeld. Kort samengevat bestaat dat uit:
De uitvoering van het plan van aanpak wordt aangestuurd door een programmadirecteur.
Op 10 november 2025 is uw Kamer nog geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van het plan van aanpak.3
Hoe vindt u dit zich verhouden tot het fundamentele uitgangspunt dat de strafrechter, en niet een uitvoerende dienst zoals Justid, rechtens vaststelt wie voor welk strafbaar feit verantwoordelijk gehouden wordt?
Dit uitgangspunt onderschrijf ik: het is de strafrechter die vaststelt wie voor welk strafbaar feit verantwoordelijk is en welke straf of maatregel wordt opgelegd. Justid (en de Matching Autoriteit daarbinnen) stelt dit niet vast, maar zorgt voor een juiste verwerking en vindbaarheid van de identiteit in de ketenregistraties, op basis van de beschikbare bronnen en brondocumenten. Zie aanvullend mij antwoorden op de vragen 1 en 2.
Zijn er daadwerkelijk betrokkenen door dit soort fouten onterecht in detentie genomen? Zo ja, om hoeveel mensen gaat het? Bent u bereid om per omgaande te onderzoeken of er hierdoor mensen onterecht gedetineerd zijn en hoe gaat u om met de concrete gevolgen van deze onterechte detenties? Op welke materiële/immateriële ondersteuning kunnen onterecht gedetineerde mensen rekenen?
In de brief van 10 november 2025 informeerde mijn ambtsvoorganger uw Kamer over twee specifieke gevallen waarin personen als gevolg van een foutieve tenaamstelling in een vonnis, tijdens het controleren van hun identiteit kort gedetineerd zijn geweest. Nadat kon worden vastgesteld dat het niet ging om de betreffende dader, zijn zij in vrijheid gesteld.
Het voorkomen en zo nodig direct beëindigen van nadelige gevolgen voor onschuldigen heeft prioriteit. Daarom worden signalen over mogelijke foutieve tenaamstellingen met voorrang opgepakt en wordt – waar nodig – met ketenpartners gehandeld om gevolgen in strafrechtelijke procedures en de tenuitvoerlegging te voorkomen of te stoppen.
Voor eventuele materiële en immateriële gevolgen geldt dat bestaande wettelijke routes voor compensatie/schadevergoeding leidend zijn en dat dit per geval wordt beoordeeld. Betrokkenen worden daarbij zo nodig ondersteund met informatie om de juiste route te kunnen benutten.
Hoeveel mensen zijn als gevolg van deze praktijk ten onrechte op vrije voeten gebleven? Hoe gaat u ervoor zorgen dat het recht alsnog zijn beloop neemt?
Zoals ik u in de Kamerbrief van 10 november 2025 heb laten weten bleek uit de op dit moment nog lopende toetsing en afhandeling van de geregistreerde zaken op basis van het toetsings- en handelingskader, dat er sprake is van in elk geval één situatie waarin een straf niet ten uitvoer is gelegd als gevolg van een foutief te naam gesteld vonnis.4 In deze zaak staat de veroordeelde wel gesignaleerd.
In z’n algemeenheid geldt dat zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een foutieve tenaamstelling leidt tot het risico dat een straf niet ten uitvoer is gelegd, dat signaal met ketenpartners – zoals het openbaar ministerie – wordt opgepakt. Mocht blijken van niet ten uitvoer gebrachte straffen, dan bezien de betrokken organisaties of alsnog tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan.
Waar nodig worden registraties hersteld binnen de bevoegdheidsgrenzen en worden bestaande mogelijkheden binnen de rollen en verantwoordelijkheden van de ketenpartners benut. Dat geldt ook voor bestaande wegen naar de rechter als het vonnis zelf moet worden herzien. Doel is dat het recht zijn beloop kan nemen, met waarborgen voor rechtsbescherming en rechtmatigheid.
Klopt het dat eerdere signalen van medewerkers zijn genegeerd? En wat is er gedaan met de onderzoeken van de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk? Is er intern onderzoek gedaan naar deze naamfouten?
De Auditdienst Rijk (ADR) heeft een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de vraag waarom het in eerdere antwoorden toegelichte vraagstuk in de afgelopen jaren onopgelost is gebleven. Het ADR-rapport heeft verschillende oorzaken geconstateerd. Een ervan is dat medewerkers die het probleem aankaartten onvoldoende gehoord werden. De ADR deed 18 aanbevelingen voor maatregelen om de kans te vergroten dat in de toekomst sneller op onvolkomenheden wordt gereageerd. In de brief van 19 december 2025 aan uw Kamer is aangegeven dat de aanbevelingen van de ADR zullen worden uitgevoerd. Inmiddels zijn de acties in gang gezet. Onder andere wordt ervoor gezorgd dat er binnen Justid meer oog is voor zorgen van medewerkers en dat drempels voor meldingen van medewerkers worden weggenomen.
Gelet hierop is aanvullend (onafhankelijk) onderzoek naar sociale veiligheid en de bescherming van melders niet nodig.
Klopt het dat sprake is van een angstcultuur bij Justid? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u van plan te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is geweest van een angstcultuur bij Justid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer over uw bevindingen informeren? Bent u bereid om onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de sociale veiligheid op de werkvloer van Justid en hoe klokkenluiders beschermd worden?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dergelijke fouten voortaan worden voorkomen?
Het voorkomen van nieuwe fouten is een expliciete pijler van de aanpak. Samen met ketenpartners wordt in kaart gebracht waar al aan het begin van de strafrechtketen processen rond identiteitsvaststelling kunnen worden versterkt, zodat nieuwe gevallen worden voorkomen. Tegelijkertijd geldt dat een volledig foutloze keten niet realistisch is, bijvoorbeeld door menselijke invoerfouten. Daarom wordt blijvend ingezet op zo snel mogelijke signalering en correctie binnen de wettelijke kaders. Dit is nadrukkelijk een ketenopgave. Daarom gebeurt dit in samenwerking met onder meer het OM, de Rechtspraak, de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, DJI, CJIB, Politie en KMAR. Ook de vreemdelingenketen is betrokken.
Het bericht dat AI-gegenereerde stemhulpen kiezers misleiden. |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met verschillende berichten dat AI-gegenereerde stemwijzers onjuiste informatie verstrekken en kiezers misleiden, zoals in Gouda, Leiden en De Ronde Venen?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de grote zorg dat hier stemadviezen worden gegeven op basis van tal van onjuistheden en zelfs met niet bestaande partijen?
Ik deel uw zorgen over de stemadviezen die door AI-gegenereerde stemhulpen (verder: AI-stemhulpen) worden verstrekt. Het is van belang dat de adviezen die kiezers van stemhulpen krijgen betrouwbaar, begrijpelijk en transparant zijn. Met de komst van AI-stemhulpen zie ik dat deze uitgangspunten onder druk komen te staan. AI-stemhulpen zijn namelijk stemhulpen die gebouwd zijn op basis van Large Language Models (LLM’s), bijvoorbeeld keus.nl4 dat claude.ai als basis heeft. Dit soort LLM’s produceert antwoorden door statistisch te voorspellen wat in de tekst hoort te staan op basis van taalpatronen uit trainingsdata, niet door deskundig gevalideerde verkiezingsinformatie of lokale programma’s. Daardoor geven ze antwoorden die op het eerste gezicht vaak goed lijken, maar die niet feitelijk juist, of neutraal zijn. Zelfs met zeer strikte instructies aan het algoritme, blijven de antwoorden onbetrouwbaar.
Eerder hebben de Autoriteit Persoonsgegevens en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) daarom het gebruik van AI-stemhulpen sterk afgeraden.
De ontwikkeling van stemhulpen maakt onderdeel uit van het publieke debat rondom verkiezingen. Vanwege de neutrale positie die de overheid dient in te nemen in het debat rond verkiezingen, heeft de overheid tot nu toe geen rol ingenomen met betrekking tot stemhulpen, noch invloed uitgeoefend op stemhulpen. Dat geldt ook voor door AI gemaakte stemhulpen. Door het toenemende gebruik van AI-stemhulpen komen uitgangspunten betrouwbaarheid, begrijpelijkheid en transparantie onder druk te staan. Daarom onderzoek ik of de overheid in de borging van deze uitgangspunten een rol kan en moet vervullen en zo ja, binnen welke kaders dat kan. Ik ben voornemens u bij de evaluatie van de Gemeenteraadsverkiezingen die ik voor de zomer aan de Tweede Kamer zal sturen hier nader over te informeren.
Welke gevolgen heeft onjuiste informatieverstrekking voor de aankomende gemeenteraadsverkiezingen en welke aansprakelijkheid geldt er bij het onjuist of onvolledig verstrekken van informatie?
Zie antwoord op vraag 2.
Al eerder werd door de Autoriteit Persoonsgegevens gewaarschuwd voor de uitkomsten van AI-gegenereerde chatbots, die meer dan de helft van de tijd PVV en GroenLinks-PvdA op de eerst plek adviseerden, wat is er met deze bevindingen gedaan? Vindt u dit voldoende, zo ja waarom?
Mede naar aanleiding van dit rapport ben ik in gesprek gegaan met bedrijven die LLM’s als dienst aanbieden over hun verantwoordelijkheden voor het beschermen van het publiek debat en het verkiezingsproces. Zoals ik in het antwoord op vraag 2 noem, onderzoek ik of het wenselijk is of de overheid een rol gaat nemen bij de borging van uitgangspunten van betrouwbaarheid, begrijpelijkheid en transparantie bij de ontwikkeling van stemhulpen. In de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezing zal ik u hier verder over informeren.
Hoe vaak zijn de in de nieuwsartikelen genoemde «stemhulpen» in de afgelopen dagen geraadpleegd? Hoe verhoudt zich dat tot het aantal kiesgerechtigden?
Ik heb daar geen zicht op. Ik verwijs u voor deze cijfers naar de betreffende websites. Voor de volledigheid wijs ik u erop dat de website keus.nl door de initiatiefnemer zelf inmiddels offline is gehaald.
Gaat u na welke initiatiefnemers er achter deze zogenaamde stemhulpen schuil gaan en met welk oogmerk zij actief zijn? Zo ja, kunt u dit met de Kamer delen? Zo nee, wie is daar wel voor verantwoordelijk?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de grote zorg dat de democratie actief wordt ondermijnd door desinformatie en dat kwaadwillenden zelfs verder kunnen gaan dan onjuist en onzorgvuldig informeren, en zelfs manipuleren? Zo ja, kunt en gaat u handhaven? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de zorgen over de ondermijning van de democratie door desinformatie. De aanpak hiervan is voor mij en het kabinet prioriteit. In het rondetafelgesprek over sociale media en inmenging met de Commissie Digitale Zaken op 4 maart jl. werd er ook op gewezen dat desinformatie ingezet kan worden om LLM’s te beïnvloeden. Naast de onbetrouwbare beantwoording van LLM’s door statistisch te voorspellen wat in de tekst hoort te staan op basis van taalpatronen uit trainingsdata, vormt de desinformatie dus ook een serieus risico voor de betrouwbaarheid van de informatie die AI stemhulpen geven. Bij de aankomende gemeenteraadsverkiezingen laten we met verschillende pilots onderzoeken hoe detectie van buitenlandse desinformatie kan plaatsvinden. Over de uitkomsten van deze pilots wordt uw Kamer na de gemeenteraadsverkiezingen nader geïnformeerd.
Waar het gaat om de inzet van AI wordt gewerkt aan een wettelijk kader voor het toezicht in Nederland op de Europese AI-verordening. Bedrijven die diensten leveren die gebruik maken van LLM’s (zoals chatbots) vallen onder de AI-verordening. Binnen deze verordening gelden AI-systemen die worden ingezet voor het beïnvloeden van «natuurlijke personen bij de uitoefening van hun stemrecht bij de verkiezingen of referenda» als hoog risico. AI-toepassingen die een hoog risico vormen, worden aan strengere regels gebonden. De uitvoeringswetgeving is op dit moment nog in ontwikkeling. Op dit moment wordt gewerkt aan de uitvoeringswet die binnenkort in openbare internetconsultatie zal gaan. Tegelijkertijd hebben ook de aanbieders van de LLM’s zelf een verantwoordelijkheid om bias en vertekening te voorkomen en systeemrisico’s te mitigeren; daarop wordt al toegezien door het Europese AI Bureau.
Omdat de huidige nationale wetgeving nog onvoldoende handvatten biedt om het gebruik van de overige AI-chatbots als stemhulp te reguleren, zet het Ministerie van BZK ook in op een dialoog met de aanbieders van AI-chatbots en op bewustwording bij kiezers. Vanwege het internationale karakter van de aanbieders van AI chatbots betrek ik deze casuïstiek ook bij de gesprekken die ik voer met de Europese Commissie.
Kunt u deze stemhulpen aansprakelijk stellen, laten aanpassen of zonodig beëindigen? Zo ja, bent u bereid dat te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe voorkomt u dat deze aanbieders of anderen hiermee doorgaan?
Zie antwoord op vraag 2.
Op welke wijze raadt u kiezers aan zich te informeren, en hoe waarschuwt de regering burgers voor misleiding en AI-advies waarmee ze knollen voor citroenen aangesmeerd krijgen?
In mijn communicatie inzake de aanstaande gemeenteraadsverkiezing besteed ik aandacht aan de beperkingen van AI-stemhulpen. Ik benadruk hierin dat een stemhulp slechts één van de hulpmiddelen is om informatie over de verkiezing en deelnemende kandidaten te vergaren. Ik adviseer kiezers om daarnaast ook nog andere middelen hiervoor te gebruiken, zoals het volgen van debatten, het lezen van partijprogramma’s en het met anderen in gesprek gaan. Daarnaast adviseer ik politieke partijen als zij fouten aantreffen in een stemhulp om zelf contact op te nemen met de aanbieder van de stemhulp.
Bent u in overleg met lokale overheden om burgers actief te informeren over online stemwijzers die misinformatie verspreiden, over aanpassing van deze sites of zonodig sanctioneren?
In de nieuwsbrief van de Kiesraad zijn gemeenten gevraagd om hun inwoners te informeren over de risico’s van AI-gegeneerde stemhulpen.
Voor wat betreft het aanpassen van deze websites en zo nodig het sanctioneren verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2.
Wie is in Nederland verantwoordelijk voor opsporing en handhaving in deze? Kunt u inzicht geven welke omvang of de regelgeving voldoende instrumenten geeft om met snelheid te acteren en of er voldoende capaciteit is?
Op dit moment is er in Nederland geen instantie die bevoegd is om tegen AI stemhulpen op te treden wanneer die niet aan de uitgangspunten van betrouwbare, transparante en begrijpelijke informatievoorziening voldoen.
Voor de stand van zaken omtrent het juridisch instrumentarium in deze verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen 2 en 7.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden en in elk geval laten weten op welke wijze handhavend wordt opgetreden?
Ja.
Het bericht dat ruim 600 Nederlanders in het Israëlische leger hebben gediend |
|
Ismail El Abassi (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Foort van Oosten (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ruim 600 Nederlanders dienden vorig jaar in Israëlische leger»?1
Ja.
Herinnert u zich uw antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Van Baarle inzake Nederlanders die dienen in het Israëlische leger?2
Ja.
Wat is uw reactie op de onthulling dat volgens cijfers gepubliceerd door DeclassifiedUK zeker 645 mensen met de Nederlandse nationaliteit in het Israëlische leger gediend zouden hebben? Deelt u de mening dat dienen in het misdadige Israëlische leger onacceptabel en ongewenst is?
De Nederlandse overheid houdt niet bij of Nederlanders dienst hebben genomen bij de krijgsmacht van landen waarmee Nederland niet in gewapend conflict is. Nederland is niet in gewapend conflict met Israël en houdt deswege niet bij hoeveel Nederlanders in het Israëlische dienen of hebben gediend.
Bent u bereid om, vanwege de grove mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden die Israël pleegt, een onderzoek in te lassen naar de mogelijke betrokkenheid van Nederlanders bij misdaden gepleegd door het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of sprake is van gedragingen die mogelijk individueel strafbaar handelen opleveren en of het opportuun is om tot vervolging over te gaan.
Waarom heeft u, aangezien de genoemde informatie via een openbaarheidsverzoek beschikbaar zou zijn gekomen, dit niet eerder achterhaald of aan de Kamer gemeld?
Zie het antwoord op vraag 3.
Heeft u navraag gedaan bij de Israëlische autoriteiten bij de beantwoording van de eerdere vragen van het lid Van Baarle inzake dit onderwerp? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat bleek hieruit?
Ja, er is navraag gedaan bij de Israëlische krijgsmacht of er informatie beschikbaar was over Nederlanders in het Israëlische leger. De Israëlische krijgsmacht heeft destijds aangegeven geen informatie te delen over IDF militairen met een Nederlandse en/of dubbele nationaliteit.
Bent u bereid om alsnog navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten over het aantal en de inzet van Nederlanders die dienen in het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
Zijn er bij het Openbaar Ministerie indicaties bekend dat mogelijk sprake is van internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft inzake Nederlanders die dienen in het Israëlische leger en zijn hier reeds onderzoeken naar gedaan om te bezien of strafrechtelijke vervolging opportuun is?
Wanneer signalen, aangiften of andere informatie beschikbaar komen die duiden op mogelijke individuele betrokkenheid bij internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft, worden deze altijd zorgvuldig door het Openbaar Ministerie gewogen en wordt beoordeeld of het opportuun is om vervolging in te stellen. Tot op heden heeft dit nog niet geleid tot strafrechtelijke vervolging, omdat er geen aanwijzingen zijn van individuele strafrechtelijke betrokkenheid.
Deelt u de mening dat betrokkenheid van Nederlanders bij activiteiten van het Israëlische leger in illegaal bezet gebied onacceptabel is en in strijd met het internationaal recht? Zo ja, bent u bereid om hier gericht onderzoek naar te doen en navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten of hier sprake van is?
Betrokkenheid van individuele Nederlanders bij activiteiten van het Israëlische leger in onrechtmatig bezet gebied vindt niet plaats uit hoofde van de Nederlandse staat. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Deelt u de mening dat betrokkenheid van Nederlanders bij gevechtshandelingen in Gaza het grote risico met zich meebrengt dat deze Nederlanders betrokken zouden kunnen zijn geweest bij oorlogsmisdaden dan wel hier getuige van zouden kunnen zijn geweest? Zo ja, bent u bereid om hier gericht onderzoek naar te doen en navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten of hier sprake van is?
Hier kan het kabinet geen uitspraken over doen. Het is aan het Openbaar Ministerie om te oordelen over mogelijk individueel strafrechtelijk handelen waarover Nederland rechtsmacht heeft. Zie het antwoord op vraag 8 en 9.
Had u op enig moment sinds 7 oktober 2023 kennis van Nederlanders die (mogelijk) dienen in het Israëlische leger en waarom is dat niet aan de Kamer gemeld? Wat is er met deze informatie gedaan?
Zie het antwoord op vraag 3 en 8.
Heeft u op enig moment sinds 7 oktober 2023 contact gehad met Israël inzake Nederlanders die mogelijk dienen in het Israëlische leger? Zo ja, waarom en wat was de strekking van dit contact?
Ja, zie het antwoord op vraag 6.
Is het nog steeds zo dat er geen Nederlandse militairen zijn die toestemming hebben gevraagd om in het Israëlische leger te dienen?
Ja.
Zijn u indicaties of voorbeelden bekend dat Israël of aan Israël gelieerde organisaties in Nederland werven voor het Israëlische leger dan wel bevorderen dat mensen actief worden voor het Israëlische leger? Zo ja, deelt u de mening dat dit volstrekt onwenselijk is en mogelijk zelfs strafbaar?
Nee.
Is het in alle gevallen zo (geweest) dat de Nederlandse overheid zelf niet bijhoudt of Nederlanders mogelijk dienen in het leger van een land waarmee Nederland geen gewapend conflict heeft? Klopt het dus dat Nederland op dit moment op geen enkele manier bijhoudt of Nederlanders mogelijk dienen in het leger van andere landen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Klopt het dat Nederland ook niet bijhoudt of er sprake is van dienen in het leger van landen die in oorlog zijn en waarbij er een risico bestaat op schendingen van het internationaal recht?
Ja.
Bent u bereid om deze vragen elk afzonderlijk te beantwoorden?
Ja.
De dodelijke mishandeling van een 23-jarige student door extreemlinkse militanten in Lyon |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de 23-jarige Franse student Quentin op 12 februari 2026 in Lyon zwaar is mishandeld door een groep extreemlinkse militanten en op 14 februari aan zijn verwondingen is overleden?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat dit incident niet beschreven kan worden als geweld tussen politieke groeperingen, gelet op het feit dat Quentin alleen was en belaagd werd door circa 25 militanten? Zo ja, deelt u de opvatting dat lynching een accuratere benaming is voor het incident?
Het is verschrikkelijk wat er in Lyon is gebeurd. Het is echter niet aan mij om inhoudelijke uitspraken te doen over een lopend strafrechtelijk onderzoek in Frankrijk.
Deelt u de kwalificatie van de Franse Minister van Justitie Gérald Darmanin dat Quentin «onmiskenbaar door ultra-links» is gedood?2 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de dodelijke aanval op Quentin past in een breder patroon gericht geweld vanuit extreemlinkse hoek?3, 4 Zo nee, waarom niet?
In de extreemlinkse beweging is antifascisme een prominent thema dat kan leiden tot acties tegen politieke tegenstanders. Over het algemeen is de geweldsbereidheid binnen de links-extremistische beweging in Nederland beperkt en lijkt deze ook niet toe te nemen. In landen met een radicalere antifascistische beweging kan ook sprake zijn van geweld tegen politieke tegenstanders.
Bent u bereid het dreigingsniveau ten aanzien van links-extremistisch geweld opnieuw te laten beoordelen in het licht van het Europese patroon van dodelijk extreemlinks geweld? Zo nee, waarom niet?
De NCTV rapporteert twee keer per jaar in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) over de terroristische en gewelddadig extremistische dreiging voor Nederland, de belangen die daardoor kunnen worden aangetast en de weerbaarheid tegen deze dreiging. Hieraan ligt onderzoek ten grondslag naar alle vormen van terrorisme en gewelddadig extremisme, ongeacht ideologische signatuur.
In 2018 is in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid onderzoek gedaan naar links-extremistische groeperingen in Nederland.5 In dit onderzoek werd geconcludeerd dat buitenwettelijke handelingen zoals gewelds- en vermogensdelicten nadrukkelijk tot de modus operandi van sommige links-extremistische groepen behoren. Het onderzoek stelt tevens dat verhoudingsgewijs de meeste links-extremistische groeperingen zich manifesteren op de thema’s antifascisme en mensenrechten.
De meest recente dreigingsbeelden geven op dit moment geen aanleiding om opnieuw specifiek onderzoek te doen naar het radicaliseringsproces van links-extremistische groeperingen. De links-extremistische scene in Nederland bestaat voornamelijk uit anarchisten en communisten. In het DTN van december 2025 constateert de NCTV dat het georganiseerde links-extremisme in Nederland al langere tijd gefragmenteerd, klein in omvang en ideologisch divers is. Ook wordt in het DTN van december 2025 stilgestaan bij de geweldsbereid van de links-extremistische actiescene in omringende landen. In het DTN wordt beschreven dat de linkse actiescene in andere landen vaak radicaler is dan in Nederland, waarbij links-extremisten daar sneller geneigd zouden zijn om geweld te gebruiken dan hier. In Nederland is de geweldsbereidheid binnen zowel de links-extremistische beweging beperkt en deze lijkt ook niet toe te nemen. Daarbij is het belangrijk om te constateren dat de omvang van geweldbereide links-extremisten in landen als Duitsland, Frankrijk of Italië niet in verhouding staat tot Nederland. In Duitsland gaat het bijvoorbeeld om ruim 11.000 personen. In Nederland gaat het hooguit om enkele tientallen insurrectionele of geweldsbereide anarchisten.
In de afgelopen jaren zijn personen afkomstig uit het buitenland in toenemende mate onderdeel gaan uitmaken van de Nederlandse scene. Radicalere buitenlandse activisten kunnen zich afkeren van de – in hun ogen gematigde Nederlandse protestcultuur – en op zoek gaan naar gelijkgestemden. Dit heeft echter tot op heden niet geleid tot een toegenomen geweldsbereidheid van links-extremisten in Nederland. Vanzelfsprekend houdt NCTV de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en rapporteert over ontwikkelingen in de dreiging in het eerstvolgende DTN.
Bent u bekend met het feit dat de term «Antifa» in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (december 2025) niet één keer voorkomt, terwijl Antifa-gelieerde groeperingen in meerdere Europese landen aantoonbaar betrokken zijn bij zwaar geweld tegen personen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) te verzoeken in het eerstvolgende Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland expliciet aandacht te besteden aan gewelddadige extreemlinkse groeperingen in Europa en mogelijke spillover-effecten naar Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer kan de Kamer de toegezegde brief verwachten over de uitvoering van de motie-De Vos c.s. (Kamerstuk 36 800, nr. 47) inzake het aanmerken van Antifa als terroristische organisatie, die vóór het kerstreces van 2025 zou worden toegezonden?
Uw Kamer heeft op 18 september 2025 de motie van het lid De Vos (FvD) c.s. aangenomen die verzoekt «Antifa» in Nederland als terroristische organisatie aan te merken.6 Het is verschrikkelijk wat er in Lyon is gebeurd. Het is niet aan mij om daar inhoudelijke uitspraken over te doen. Ik beoog uw Kamer zo spoedig mogelijk over de afhandeling van de motie te informeren.
Is de dodelijke aanval in Lyon voor u aanleiding om de uitvoering van bovengenoemde, door een Kamermeerderheid aangenomen, motie te versnellen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat buitenlandse extreemlinkse militanten naar Nederland reizen om hier geweld te plegen?
In zijn algemeenheid geldt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij het beoordelen van verblijfsaanvragen alert is op signalen die kunnen wijzen op een mogelijke dreiging voor de nationale veiligheid. De IND deelt zulke signalen, binnen de geldende wettelijke kaders, met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de politie.
Indien blijkt dat een vreemdeling een bedreiging voor de openbare of nationale veiligheid vormt zal de IND de mogelijkheden bezien om deze persoon te weren.
Daarnaast staan de Nederlandse politie en andere overheidspartners in voortdurend contact met buitenlandse partners. Hierbij kunnen ook signalen worden gewisseld over dat mogelijk gewelddadige extremisten over landgrenzen zullen reizen.
Bent u bekend met het feit dat een van de verdachten van de dodelijke aanval op Quentin een parlementair medewerker is van La France Insoumise-Kamerlid Raphaël Arnault, wiens partij in het Europees Parlement aangesloten is bij de Linkse Fractie – waar tevens twee Nederlandse partijen bij zijn aangesloten, te weten de Socialistische Partij en de Partij voor de Dieren?5
Ja.
Bent u tevens bekend met het feit dat Arnault zelf medeoprichter is van de wegens gewelddadig activisme ontbonden groepering La Jeune Garde?6
Ja.
Wat concludeert u hieruit over de houding ten opzichte van het gebruik van geweld binnen extreemlinkse kringen?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vragen 5, 6 en 7. De linkse actiescene is in omringende landen vaak radicaler dan in Nederland, waarbij links-extremisten daar sneller geneigd zijn geweld te gebruiken dan hier.
Het bericht ‘Hack bij Odido, gegevens miljoenen klanten in handen van criminelen’ |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
van Marum , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over de cyberaanval bij Odido waarbij gegevens van circa 6,2 miljoen accounts zijn buitgemaakt door criminelen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de omvang en ernst van dit datalek, mede gezien het feit dat ook gevoelige persoonsgegevens, zoals identiteitsdocumentnummers en rekeningnummers, mogelijk zijn gelekt?
De schaal van dit datalek, de hoeveelheid getroffen burgers en de soms gevoelige aard van de gelekte persoonsgegevens maken dit tot een bijzondere situatie. Het maakt duidelijk dat datalekken grote gevolgen kunnen hebben. Zonder iets te willen of kunnen zeggen over de oorzaken van het onderhavige datalek, maakt dit in meer algemene zin duidelijk dat een goede bescherming van persoonsgegevens zoals onder meer vereist in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) noodzakelijk is en een integraal onderdeel moet zijn van primaire bedrijfsprocessen. De gevraagde beoordeling van dit datalek is uiteindelijk aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als onafhankelijke toezichthouders. Daarnaast doet de politie onder leiding van het Landelijk Parket onderzoek naar de aanval en de daders.
In hoeverre heeft deze cyberaanval gevolgen voor de digitale veiligheid en weerbaarheid van Nederland, gezien de maatschappelijke rol van telecomproviders?
De AP heeft laten weten geen informatie te verstrekken over individuele zaken. In zijn algemeenheid houdt de AP bij omvangrijke datalekken onder meer toezicht op de naleving van de meldplicht datalekken en onderzoekt daarbij ook de beveiliging ten tijde van het lek en genomen vervolgstappen. Maar ook andere aspecten die specifiek zijn voor de datalekzaak kunnen door de AP worden onderzocht. Daarbij wordt ook rekening gehouden met signalen uit openbare bronnen en signalen uit klachten die de AP heeft ontvangen.
De AP beschikt over voldoende handhavende bevoegdheden vanuit de AVG om in te grijpen wanneer een (voorgenomen) verwerking van persoonsgegevens niet rechtmatig, behoorlijk en/of transparant plaatsvindt. Bijvoorbeeld door het bevestigen van normen, het geven van waarschuwingen, stilleggen van verwerkingen of het opleggen van boetes.
Hoe beoordeelt u het risico dat de bij Odido gestolen persoonsgegevens in de toekomst alsnog openbaar worden gemaakt, en welke gevolgen kan dit hebben voor de veiligheid en privacy van betrokken burgers?
De bij Odido gestolen persoonsgegevens zijn inmiddels gepubliceerd.2 In algemene zin geldt dat een dergelijke grootschalige publicatie in ieder geval het risico verhoogt op diverse vormen van oplichting en fraude zoals gerichte phishing en social engineering. Onder andere Odido, Veiliginternetten.nl, de politie en de AP communiceren naar aanleiding van het datalek actief waarvoor gestolen gegevens kunnen worden misbruikt en geven tips om gevolgen van het datalek zoveel mogelijk tegen te gaan.3
Heeft Odido het datalek tijdig gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens en andere relevante instanties, en bent u op de hoogte van eventuele lopende onderzoeken?
De AP heeft laten weten dat Odido het datalek tijdig heeft gemeld bij de AP. Odido geeft aan daarnaast proactief relevante overheidsinstanties, waaronder de RDI, te hebben geïnformeerd. De RDI is op basis van de verkregen informatie mogelijke vervolgstappen aan het onderzoeken. De AP meldt op haar website dat zij aanleiding ziet om tot formeel onderzoek over te gaan.4
Is er volgens uw inschatting sprake van nalatigheid of onvoldoende naleving van de Europese privacy- en beveiligingsverplichtingen, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), door Odido?
Het is niet aan het kabinet om dit te beoordelen. Dit is in eerste instantie aan de AP. De taken en bevoegdheden om op te treden tegen overtredingen zijn vastgelegd in de AVG. De AP kan daartoe handhaven, advies verstrekken, samenwerken met andere toezichthoudende autoriteiten en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. De AP toetst daarnaast of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels.
Welke risico’s lopen getroffen klanten en acht u de door Odido genomen maatregelen voldoende om deze risico’s te beperken?
Zie het antwoord op de vraag 4. De vraag of Odido voldoende maatregelen heeft genomen om te voldoen aan de zorgplicht uit de Telecommunicatiewet en de AVG is aan de toezichthouders om te beoordelen.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan telecomproviders ten aanzien van cyberbeveiliging en gegevensbescherming en voldoen deze volgens u nog aan de huidige dreigingscontext?
Het toepasselijke normenkader stelt de strikte vereisten die noodzakelijk zijn voor een goede bescherming in een steeds veranderende dreigingscontext. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 valt Odido onder de zorgplicht van de Telecommunicatiewet. Onder de zorgplicht dienen aanbieders passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om risico’s voor de beveiliging van hun netwerken of diensten te beheersen. Dit moet zorgen voor een veiligheidsniveau dat is afgestemd op risico's die zich voordoen. De RDI ziet toe op de naleving van de vereisten van deze zorgplicht.
Daarnaast zijn telecomproviders gebonden aan de AVG, waaronder de beginselen van behoorlijke gegevensverwerking. Het beginsel van dataminimalisatie houdt bijvoorbeeld in dat organisaties alleen persoonsgegevens mogen verzamelen en verwerken die strikt noodzakelijk zijn voor een vooraf bepaald, specifiek doel. Op verwerkingsverantwoordelijken rust daarnaast de verplichting om passende technische en organisatorische maatregelen te treffen om persoonsgegevens te beveiligen. Deze beveiligingsmaatregelen dienen een op de risico’s voor de rechten en vrijheden van personen afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen en rekening te houden met de stand van de techniek, alsook met de aard, omvang, context en doeleinden van de verwerking. Het waarborgen van passend bewustzijn van de beveiligingsrisico's bij personen die toegang hebben tot de te verwerken gegevens is daarbij van belang. Verwerkingsverantwoordelijken dienen hun beveiligingsmaatregelen doorlopend te evalueren en zo nodig aan te passen aan nieuwe risico’s, waaronder nieuwe cyberdreigingen. Op grond van de AVG fungeert de Functionaris gegevensbescherming (FG) als onafhankelijk adviseur en ziet toe op de naleving van het gegevensbeschermingsrecht waaronder de te nemen maatregelen.
Het Nationaal Cyber Security Centrum staat rond actuele kwetsbaarheden en cyberdreigingen in nauw contact met partners binnen de telecomsector en werkt onder meer samen via het telecomgerichte Information Sharing and Analysis Center (ISAC).
EZK werkt samen met de telecomoperators in het Nationaal Continuïteit Overleg Telecom (NCOT) om gezamenlijk aan de continuïteit van de telecomdienstverlening te werken in het kader van de huidige dreiging.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen of toezichtmaatregelen te treffen richting telecomproviders om grootschalige datalekken te voorkomen?
Op dit moment ziet de Staatssecretaris van Economische Zaken geen aanleiding om aanvullende eisen te stellen richting telecomproviders om grootschalige datalekken te voorkomen. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 8 zijn onder de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Telecomwet en de AVG, organisaties zelf verantwoordelijk voor het nemen van passende maatregelen om, mede gelet op de huidige dreigingscontext, (grootschalige) datalekken te voorkomen. Het is aan de toezichthouders om daarop toe te zien en in dit verband de nodige toezichtmaatregelen te treffen. Dit is niet aan mij als bewindspersoon.
Welke rol ziet u voor de overheid bij het ondersteunen van bedrijven en burgers bij het beperken van schade na grootschalige datalekken?
De AP ziet als onafhankelijke toezichthouder toe op de naleving van de AVG en kan handhavend optreden wanneer organisaties tekortschieten. Daarnaast heeft de toezichthouder een belangrijke rol in voorlichting. Door het geven van uitleg, richtsnoeren en praktische handvatten ondersteunt de toezichthouder organisaties en burgers bij de toepassing van de AVG en het uitoefenen van hun rechten.
Ook Veiliginternetten.nl geeft adviezen in deze casus. Dit is een publiek-private website om neutrale informatie over digitale veiligheid te verstrekken aan burgers. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) deelt via openbare kanalen diverse adviezen en richtlijnen over cybersecurity, zoals beveiligingsadviezen, dreigingsinformatie en maatregelen om digitale incidenten te voorkomen of te beperken. Het Ministerie van EZK verstrekt jaarlijks via Mijn Cyberweerbare Zaak subsidie aan kleinere mkb’ers ter versterking van hun digitale weerbaarheid.
Mensen die vermoeden dat ze slachtoffer zijn geworden van diefstal van hun gegevens kunnen op de site van de politie controleren of hun data in handen is gevallen van criminelen.
Acht u de oproep van Odido aan klanten om «extra alert» te zijn voldoende, of ziet u een verantwoordelijkheid voor aanvullende beschermingsmaatregelen richting getroffen klanten?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 8, stelt het toepasselijke normenkader, in het bijzonder de AVG, de nodige strikte vereisten. De AP ziet toe op de naleving van dat kader.
Bestaan er landelijke richtlijnen of protocollen voor ondersteuning van burgers die slachtoffer zijn van grootschalige datalekken waarbij identiteitsgegevens zijn buitgemaakt? Zo ja, worden deze in dit geval toegepast?
Het handelingskader voor slachtoffers van datalekken wordt vormgegeven door de AVG. De AVG verplicht verwerkingsverantwoordelijke organisaties om betrokkenen te informeren over een «hoog risico» datalek. De wijze waarop betrokkenen in lijn met de AVG dienen te worden geïnformeerd, wordt uitgewerkt in richtsnoeren van het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB). Het is aan de AP om daarop toe te zien. Tevens heeft de AP op grond van de AVG de eigen wettelijke taak om voorlichting te geven aan burgers over hun rechten en handelingsmogelijkheden uit hoofde van de AVG bij datalekken. De website van de AP biedt een overzicht van mogelijkheden voor betrokkenen bij een datalek.
Daarnaast zal het kabinet met een reactie komen in lijn met de gedane toezegging door de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit en de aangenomen motie van het lid Rajkowski die opriep voor een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken en de gedane toezegging5.
Op welke wijze houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht op de opvolging van dit incident, en beschikt de toezichthouder volgens u over voldoende bevoegdheden en capaciteit om effectief toezicht te houden bij grootschalige datalekken?
Welke lessen trekt u uit dit incident voor het beleid richting de markt op het gebied van de weerbaarheid van organisaties die grote hoeveelheden persoonsgegevens verwerken?
Zie het antwoord op vraag 2.
De bekladding van de El Houda Moskee in Brunssum |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de El Houda Moskee in Brunssum in de nacht van 13 op 14 februari 2026 is beklad met anti-islamitische teksten?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het bekladden van een gebedshuis met anti-islamitische teksten niet alleen vernieling is, maar tevens een vorm van intimidatie en mogelijk een haatmisdrijf? Wordt een mogelijk discriminatoir of islamofoob motief expliciet meegenomen in het politieonderzoek?
Dergelijke incidenten zijn ernstig en onacceptabel. Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland zijn of haar geloof vrij en veilig kan belijden, zonder te worden geconfronteerd met intimidatie of vernieling van religieuze gebouwen.
Het bekladden van gebouwen, waaronder gebedshuizen, is strafbaar wanneer sprake is van vernieling.2 Wanneer dergelijke uitingen gericht zijn tegen een groep mensen vanwege bijvoorbeeld hun godsdienst, kan sprake zijn van strafbare feiten met discriminatoir aspect.3
Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) om in individuele gevallen te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of een discriminatoir motief onderdeel uitmaakt van het delict. Indien bij aangiften aanwijzingen bestaan voor een dergelijk motief, wordt dit conform de Aanwijzing discriminatie betrokken bij het opsporingsonderzoek.4
Welke concrete maatregelen worden lokaal en landelijk genomen om moskeeën beter te beschermen tegen dit soort incidenten? Wordt daarbij specifiek rekening gehouden met periodes van verhoogde spanning of maatschappelijke onrust?
De verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheidssituatie ligt primair bij de lokale driehoek van burgemeester, politie en het OM. Daarnaast houden de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de dreiging nauwlettend in de gaten. Op basis van de lokale situatie en actuele dreigingsinformatie zullen er passende maatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag.
Over specifieke maatregelen die door politie en OM worden genomen, worden in het algemeen geen mededelingen gedaan, omdat dit vaak betrekking heeft op operationele en veiligheidsgevoelige informatie.
Deelt u de mening dat, zoals uit het recente rapport van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme blijkt, discriminerende uitlatingen in het publieke en politieke debat kunnen bijdragen aan het normaliseren van haat en discriminatie tegen onder meer moslims, en dat dit klimaat een voedingsbodem vormt voor incidenten zoals de bekladding van de El Houda Moskee in Brunssum? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor bewindspersonen en Kamerleden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt discriminatie en haat jegens groepen in de samenleving onaanvaardbaar. Het is van belang dat in het publieke debat respectvol met elkaar wordt omgegaan en dat discriminatie en haat duidelijk worden afgekeurd.
Tegelijkertijd kan bij individuele incidenten niet zonder meer een direct verband worden gelegd met uitingen in het publieke of politieke debat. Binnen de democratische rechtsstaat geldt het uitgangspunt van vrijheid van meningsuiting, waarbij de grenzen worden bepaald door de wet. Wanneer uitingen strafbaar zijn, kan daartegen worden opgetreden door politie en OM.
Bent u bereid om, in overleg met gemeenten en politie, aanvullende preventieve maatregelen te treffen ter bescherming van islamitische gebedshuizen, zoals structureel contact met moskeebesturen, zichtbare surveillance of ondersteuning bij beveiligingsmaatregelen?
Het nemen van beveiligingsmaatregelen vanuit de overheid voor religieuze instellingen gebeurt altijd op basis van actuele dreigingsinformatie van de politie en/of inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Dit gebeurt onder het lokaal bevoegd gezag en is een aanvulling op wat deze instellingen al doen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. Indien de dreiging en risico daartoe aanleiding geven, zullen er beveiligingsmaatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag.
Daarnaast onderhouden gemeenten, politie en religieuze instellingen in veel gevallen reeds contact over veiligheidsvraagstukken.
Ook het kabinet hecht waarde aan het onderhouden van contact met gemeenschappen en maatschappelijke organisaties.
Hoe beoordeelt u het effect van dergelijke incidenten op het veiligheidsgevoel binnen islamitische gemeenschappen?
Incidenten die gericht zijn tegen religieuze instellingen kunnen een grote impact hebben op het veiligheidsgevoel van betrokken gemeenschappen. Het bekladden van een gebedshuis kan gevoelens van onveiligheid, kwetsbaarheid en verdriet oproepen bij bezoekers en omwonenden.
Het is daarom van belang dat dergelijke incidenten serieus worden genomen, dat meldingen en aangiften worden onderzocht en dat lokale autoriteiten waar nodig in contact staan met de betrokken gemeenschap.
Bent u bereid om in de komende voortgangsrapportage met betrekking tot discriminatie expliciet aandacht te besteden aan geweld en vernielingen gericht tegen religieuze instellingen, waaronder moskeeën?
In rapportages over discriminatie wordt aandacht besteed aan ontwikkelingen op basis van gegevens van onder andere de politie en andere betrokken organisaties. De politie registreert en analyseert incidenten met een mogelijk discriminatoir karakter, waaronder incidenten bij religieuze instellingen, en deze worden actief gemonitord en opgevolgd. Tegelijkertijd geldt dat deze incidenten niet als afzonderlijke, eenduidig afgebakende categorie worden geregistreerd. Daardoor kan geen volledig en sluitend overzicht worden gegeven van incidenten met een discriminatoir aspect specifiek gericht tegen religieuze instellingen.
Het artikel ‘Kans op herhaling criminelen jarenlang verkeerd berekend door reclassering’ |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Computer slechte voorspeller recidive» over risicotaxatie-algoritmen binnen de reclassering?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de bescherming van de samenleving tegen recidive de hoogste prioriteit moet hebben bij risicotaxatie?
De bescherming van de samenleving is een kerndoel van de reclassering. Risicotaxatie is daarvoor een belangrijk middel. Risicotaxatie moet verantwoord gebeuren om effectief bij te dragen aan die veiligheid.
Kunt u concreet onderbouwen dat het gebruik van algoritmen binnen de reclassering leidt tot structurele discriminatie?
Het risicotaxatieinstrument OxRec maakt geen direct onderscheid naar ras of etniciteit. Maar volgens de Inspectie Justitie en Veiligheid kunnen de parameters «buurtscore» en «hoogte van het inkomen» mogelijk leiden tot indirecte discriminatie. Onderscheid op basis van buurtscore en inkomen kan onder strikte voorwaarden gerechtvaardigd zijn.2 Zoals mijn voorganger in de beleidsreactie op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid over het gebruik van algoritmes door de reclassering heeft aangegeven, wordt in een verbetertraject van de reclassering onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec.3
Is het juist dat variabelen zoals woonomgeving, inkomen en opleidingsniveau statistisch samenhangen met recidive?
Ja, dat klopt. De OxRec is ontwikkeld door onderzoekers verbonden aan de universiteit van Oxford. Bij de keuze voor het opnemen van verschillende variabelen verwijzen zij naar wetenschappelijk onderzoek, waaruit de samenhang van deze variabelen met recidive blijkt.4
Deelt u de mening dat het negeren van dergelijke factoren kan leiden tot een minder realistische risico-inschatting?
Ja, dat risico bestaat.
Bent u het ermee eens dat statistische verschillen tussen groepen niet automatisch betekenen dat sprake is van discriminatie?
Ja. Zo zijn er bijvoorbeeld statistische verschillen tussen mannen en vrouwen met betrekking tot (herhaling van) criminaliteit. Ook leeftijd en verslaving zijn bijvoorbeeld variabelen die samenhangen met recidive. Het meewegen van die verschillen kan gerechtvaardigd zijn, maar moet onderbouwd worden.
Klopt het dat algoritmen slechts ondersteunend zijn en dat de uiteindelijke beslissing bij de professional of rechter ligt? En hoe werkt dit process?
Het klopt dat de algoritmen worden gebruikt als een hulpmiddel. Volgens de reclassering zijn de algoritmen niet doorslaggevend en vervangen het professioneel oordeel niet. Ze ondersteunen en fungeren als het ware als «spiegel» bij de totstandkoming van het advies. Dit proces is volgens de reclassering ook zo in het beleid vastgelegd. Desalniettemin is het van belang om hier voortdurend alert op te blijven. Hiervoor zal de reclassering in de toekomst specifiek aandacht hebben, zodat kennis en werkprocessen op peil blijven en waar nodig worden verbeterd.
Tot slot is het niet aan mij om opiniemakers en media te recenseren die een andere indruk wekken over de werkwijze van de reclassering.
Waarom wordt in het publieke debat de indruk gewekt dat «de computer beslist», terwijl het om een hulpmiddel gaat?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre acht u het verantwoord om bewezen risicofactoren te schrappen uit angst voor vermeende discriminatie?
In het verbetertraject van de reclassering wordt onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec. Variabelen in de betreffende algoritmes worden alleen verwijderd als deze leiden tot een ongerechtvaardigd onderscheid (discriminatie). Ik kan hierop niet vooruitlopen.
Kunt u aangeven of het verwijderen van bepaalde variabelen gevolgen heeft voor de nauwkeurigheid van de voorspellingen?
Zie antwoord vraag 9.
Is onderzocht wat de impact op recidivecijfers kan zijn wanneer risicomodellen worden afgezwakt?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe weegt u het belang van publieke veiligheid tegenover zorgen over indirecte discriminatie?
Beide belangen wegen zwaar en zijn verenigbaar. Ik wil recht doen aan beide belangen. Een verantwoorde risicotaxatie beschermt de samenleving en voorkomt dat mensen op bepaalde gronden ongerechtvaardigd zwaarder worden aangepakt.
Zijn er concrete gevallen bekend waarin mensen aantoonbaar onterecht zwaarder zijn bestraft door algoritmische inschattingen?
Nee. In eerder genoemde beleidsreactie wordt dit toegelicht.5
Deelt u de zorg dat politieke correctheid zwaarder kan gaan wegen dan veiligheid?
Zie de antwoorden op vragen 2 en 12.
Hoe gaat u voorkomen dat criminelen profiteren van afgezwakte risicotaxaties?
Zie antwoord vraag 14.
Worden slachtoffers en hun belangen expliciet meegewogen in deze discussie? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Het slachtofferperspectief wordt in het verbetertraject van de reclassering meegenomen. Slachtofferbewust en herstelgericht werken zijn al vaste en belangrijke onderdelen van het reclasseringswerk. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het betrekken van slachtofferbelangen in een reclasseringsadvies, zoals het adviseren van veiligheidsmaatregelen (contact- en locatieverbod).
In hoeverre worden politie en reclasseringsprofessionals betrokken bij aanpassingen van deze systemen?
De maatregelen in het verbetertraject zien op aanpassingen van de algoritmes die de reclassering bij risicotaxatie hanteert. Bij dit traject worden ook reclasseringswerkers betrokken. Daarnaast betrekt de reclassering ook de wetenschap en andere deskundigen op dit terrein. De reclassering informeert de ketenpartners tijdig en betrekt hen zo nodig in het verbetertraject.
Bent u bereid transparant te maken welke variabelen worden gebruikt en waarom?
Alle variabelen van de OxRec, zoals de reclassering die heeft geïmplementeerd, staan genoemd in bijlage E van het Inspectierapport.
Kunt u garanderen dat het voorkomen van recidive leidend blijft bij eventuele herzieningen van deze systemen?
Zie de antwoorden op vraag 2 en vraag 12.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de effecten op veiligheid wanneer wijzigingen in algoritmen worden doorgevoerd?
In de beleidsreactie is aangegeven dat uw Kamer naar verwachting in het najaar van dit jaar wordt geïnformeerd over de opvolging van de aanbevelingen. Dit punt zal daarin worden meegenomen.
Het bericht ‘Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog’ |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Rijkaart , Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog»?1
Gemeenten hebben na de Tweede Wereldoorlog op grond van artikel 24 van de toenmalige Begraafwet (Stb 1869,2 in overleg met de Joodse gemeenschap enkele tientallen Joodse begraafplaatsen gesloten en hebben daartoe de overledenen na de opgraving – en voor zover bekend onder rabbinaal toezicht – herbegraven op een andere (Joodse) begraafplaats. Dat Joodse begraafplaatsen ruimte maakten voor de aanleg van nieuwe voorzieningen of infrastructuur voor uitbreidende stedelijke gebieden was niet uniek, ook andere begraafplaatsen moesten hiervoor wijken.
Ik vind het pijnlijk dat uitgerekend de Joodse gemeenschap zo vlak na de Holocaust getroffen werd door de sluiting van hun begraafplaatsen, waarmee de eeuwigdurende grafrust van vele overleden dierbaren is verstoord, ook gelet op de kille behandeling vanuit de overheid die hen op veel andere terreinen ten deel viel. Ik heb begrip voor de reacties die dit nu oproept.
Wat is uw reactie op de conclusie dat na de oorlog tientallen keren Joodse begraafplaatsen zijn geruimd?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat zich op sommige begraafplaatsen die als geruimd te boek stonden nog steeds graven bevonden?
Tot 1991 was er geen wettelijke verplichting voor begraafplaatsen om een register bij te houden met een nauwkeurige aanduiding van waar de graven zich bevonden. Veel begraafplaatsen hielden voor 1991 wel een register bij van degenen die op de begraafplaats begraven lagen, bijvoorbeeld om kosten in rekening te kunnen brengen. Veel van deze registers zijn helaas tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. Ook is er veel kennis verloren gegaan doordat de houder van de begraafplaats ten tijde van de opgravingen niet meer in leven was.
Op welke wijze wilt u richting de Joodse gemeenschap erkenning geven van deze pijnlijke situaties, zeker gezien de status die binnen de Joodse gemeenschap aan het begraven wordt toegekend?
Hoe wilt u bijdragen aan meer duidelijkheid over de precieze omvang van het probleem en de noodzakelijke stappen die op basis daarvan gezet dienen te worden?
Gaat u in overleg met betrokken (overheids)organisaties om nader onderzoek en een betere verantwoording en inventarisatie mogelijk te maken?
Op welke wijze zorgt u er in samenwerking met gemeenten voor dat van alle voormalige Joodse begraafplaatsen duidelijk wordt of er zich ondanks de gewijzigde bestemming toch nog graven bevinden en hoe verdere schade wordt voorkomen? Wilt u hiervoor in samenwerking met de VNG een plan opstellen?
Bent u bereid om in overleg te treden met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap over de wijze waarop de overheid kan bijdragen aan erkenning en verwerking van deze gebeurtenissen en de gevolgen ervan voor nabestaanden en het treffen van gedragen maatregelen waar dat nodig blijkt?
Het bericht ‘Asielzoekers en Oekraïners uitgebuit bij Ibis Hotel, meer misstanden in de branche’. |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Asielzoekers en Oekraïners uitgebuit bij Ibis Hotel, meer misstanden in de branche»?1
Ja.
Kunt u zich vinden in de lezing van deskundigen dat hier sprake is van mensenhandel en uitbuiting?
Het onderzoek van de Arbeidsinspectie loopt nog. Over de inhoud en voortgang van lopende onderzoeken kan de Arbeidsinspectie geen uitspraken doen.
Vindt u het ook Nederland onwaardig dat asielzoekers en Oekraïners op deze manier worden uitgebuit zonder geldige werkpapieren en tegen zeer lage vergoedingen?
Misstanden en uitbuiting van asielzoekers en mensen die zijn gevlucht uit Oekraïne, zijn onacceptabel.
Iedereen die in Nederland werkt heeft recht op eerlijk, gezond en veilig werk. Zij moeten – conform wet- en regelgeving en cao’s – tegen goede arbeidsvoorwaarden en onder goede arbeidsomstandigheden kunnen werken.
Het is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van werkgevers om werknemers onder goede arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden te laten werken.
Heeft u zicht op hoe wijdverspreid de problemen met illegale tewerkstelling en onderbetaling zijn in de schoonmaaksector en of dit ook in andere sectoren is gesignaleerd? Zo niet, bent u bereid dit uit te zoeken?
In de technische verkenning naar een sectoraal in- en uitleenverbod en verplicht percentage indiensttreding is geconstateerd dat er in onderdelen van de schoonmaak-, transport-, en teeltsector verhoogde arbeidsrisico’s zijn. Ook is er op sommige plekken in deze sectoren een hoog percentage overtredingen geconstateerd. Op dit moment wordt nader onderzoek gedaan naar deze sectoren. Dit betreft de arbeidsrisico’s en de overtredingen en misstanden, en waar deze zich voordoen in de sector.
In de vleessector zijn de grootste risico’s geconstateerd. De analyse in de genoemde verkenning laat zien dat dit zich vertaalt in een relatief hoog aantal overtredingen van arbeidswetten in de gehele sector.
Hoe gaat u erop toezien dat deze schoonmakers alsnog de betaling krijgen waar zij recht op hebben?
De Arbeidsinspectie houdt toezicht op naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Als er indicaties zijn dat werknemers niet het wettelijk minimumuurloon krijgen, dan wordt hierop gecontroleerd ongeacht de verblijfsstatus van de werknemers. Indien er onderbetaling wordt vastgesteld door de inspecteur, dan wordt er een nabetalingsbrief gestuurd aan de werkgever. De werkgever krijgt vier weken de tijd om een nabetaling te doen. Er kan een last onder dwangsom worden opgelegd als er niet is nabetaald. De werknemer ontvangt een brief, waarin wordt aangegeven dat onderbetaling is geconstateerd. Deze werknemersbrief is in verschillende talen beschikbaar. Omdat de Arbeidsinspectie alleen controleert op het bruto minimumuurloon, wordt in deze brief naar het Juridisch Loket verwezen voor het eventuele problemen met het ontvangen cao-loon.
De Arbeidsinspectie heeft geen bevoegdheid om loon te vorderen namens de werknemer, ongeacht of het een vreemdeling is die illegaal is tewerkgesteld. Op grond van artikel 23 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) kan de illegaal tewerkgestelde vreemdeling door middel van een rechtsvermoeden zelf een loonvordering instellen tegen zijn werkgever. Dit betreft enkel een civielrechtelijke mogelijkheid. De Arbeidsinspectie informeert de werknemer over diens rechten en plichten door tijdens controles een visitekaartje uit te delen van de website workinnl.nl. Daarnaast worden de overtredingen van de Wav met bedrijfsnamen openbaar gemaakt via de website «inspectieresultaten» van de Arbeidsinspectie. Daarmee is ook voor een (voormalig) werknemer zichtbaar dat de werkgever is beboet en kan deze gedupeerde en/of diens gemachtigde een civielrechtelijke procedure starten.
Bent u het eens dat deze situatie kon ontstaan doordat constructies met schimmige tussenpersonen op onze arbeidsmarkt worden toegestaan? Zo niet, waarom niet?
Het staat partijen vrij om arbeidskrachten in te huren zolang de wet daarbij wordt nageleefd. Bij het ontstaan van lange doorleenketens wordt onduidelijk wie de werkgever is van de werknemer. Om naleving te bevorderen is er een fiscale ketenaansprakelijkheid en een civiele ketenaansprakelijkheid voor betaling van het juiste loon. Dit betekent dat naast de werkgever ook de directe opdrachtgever aangesproken kan worden op het voldoen van volgens de wet en cao verschuldigde loon. Dit is met de invoering van de Wet aanpak schijnconstructies per 1 juli 2015 geregeld. Als een werknemer de directe opdrachtgever niet kan aanspreken, dan kan de werknemer naar alle volgende schakels in de keten gaan. Dit is erop gericht om onderbetaling en (ander) misbruik van ketenconstructies tegen te gaan.
Daarnaast geldt de Wet terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta) ook bij doorleenketens. De Wtta zorgt ervoor dat uitleners alleen nog werknemers mogen uitlenen als ze worden toegelaten op de uitleenmarkt. Ook mogen ondernemingen die werknemers inlenen alleen nog samenwerken met uitleners die zijn toegelaten tot de uitleenmarkt. Hierdoor kunnen de verschillende schakels in de keten worden aangesproken op naleving van wet- en regelgeving.
Hoe weegt u het feit dat de inhurende hotelketen wijst naar het Duitse schoonmaakbedrijf, en ook zij weer wijzen naar een volgend ingehuurd bedrijf?
Het is onwenselijk als partijen naar elkaar wijzen en niemand verantwoordelijkheid neemt voor het juist naleven van wet- en regelgeving. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 6 is er in verschillende wetten een ketenaansprakelijkheid opgenomen waardoor ook inhurende partijen aangesproken kunnen worden.
Bent u het eens dat zolang het bedrijf waar de werkzaamheden uiteindelijk plaatsvinden – en waar de werknemers mee te maken krijgen – niet hoofdverantwoordelijk wordt gehouden voor uitbuiting er steeds met vingers gewezen zal worden? Zo nee, waarom niet?
In de eerste plaats is de werkgever met wie de arbeidskracht het dienstverband is overeengekomen verantwoordelijk. Indien nodig biedt de wet, zie het antwoord bij vraag 6 en 7, de mogelijkheid om ook de hoofdopdrachtgever aan te spreken voor betaling van het juiste loon.
Het vereiste van het hebben van een tewerkstellingsvergunning ligt bij de werkgever op grond van de Wet arbeid vreemdelingen. Iedere werkgever in de keten is verantwoordelijk voor de naleving van de Wet arbeid vreemdelingen. Onder het begrip «werkgever» in de zin van de Wet arbeid vreemdeling valt o.a. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten. De inlener wordt dus ook als werkgever gezien.
Voor Oekraïense burgers die in Nederland onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vallen, geldt dat zij in Nederland arbeid in loondienst mogen verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. De werkgever moet hen wel melden bij het UWV2. Voor mensen in de asielprocedure geldt dat zij mogen werken indien hun werkgever een tewerkstellingsvergunning heeft gekregen van het UWV3.
Daarnaast wordt er met het wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel4 de strafrechtelijke aansprakelijkheid van arbeidsuitbuiting verruimd. In de beoogde nieuwe wetgeving richt de strafbaarstelling zich ook tot inleenconstructies. Wanneer een persoon of bedrijf via een uitzendbureau arbeidsmigranten tewerkstelt en weet of hele duidelijke signalen krijgt dat de betreffende persoon door het uitzendbureau ernstig wordt benadeeld of wordt uitgebuit, dan kan de inlener strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de verantwoordelijkheid voor correcte tewerkstelling en fatsoenlijke betaling meer bij de inhuren bedrijven komt te liggen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het eens dat gezien deze uitbuiting waar uitzendbureaus een grote rol in speelden, en gezien de eerdere signalen vanuit de arbeidsinspectie over de schoonmaaksector2, het passend zou zijn om in deze sector een verbod op uitzendbureaus in te stellen? Of bent u op zijn minst bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zoals beantwoord bij vraag 4 wordt op dit moment nader onderzoek gedaan naar de schoonmaaksector. Ook ben ik in gesprek met de sector over wat de partijen zelf kunnen doen. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek en de opbrengsten van deze gesprekken ga ik mij beraden op de verdere te nemen stappen.
In de vleessector zijn de grootste risico’s geconstateerd. Door het vorige kabinet is daarom besloten een in- en uitleenverbod voor te bereiden als stok achter de deur voor de vleessector. De standaarden om te bepalen of een in- en uitleenverbod nodig is, gelden voor alle sectoren. Op dit moment wordt de impact en effectiviteit van een verbod verder ondergezocht. Dit kabinet zal vervolgens besluiten of verdere stappen, bijvoorbeeld het daadwerkelijk invoeren van een verbod, gepast en evenredig is. Ook zullen we bezien of in alle sectoren met verhoogde arbeidsrisico’s voldoende voortgang is geboekt.
Hoe ziet u een verbod op onderaanneming in de schoonmaaksector? Wat zijn hier de mogelijkheden voor?
Zie antwoord vraag 10.
Het artikel 'Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen meeste raadsleden door' |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen de meeste raadsleden door»?1
Ja, van dit artikel heb ik kennis genomen.
Hoe oordeelt u over het bericht dat de agressie, bedreiging en intimidatie die gemeenteraadsraadsleden ervaren sinds vier jaar meer dan verdubbeld is?
Als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties sta ik achter onze raadsleden. Het is onacceptabel dat onze volksvertegenwoordigers bedreigd en geïntimideerd worden. De berichten over de toename van agressie, bedreiging en intimidatie richting de gemeenteraadsleden zijn zorgelijk. Daarom zet ik mij door middel van het programma Weerbaar Bestuur in om de gemeenteraadsleden beter te beschermen en te ondersteunen na een incident.
Hoe oordeelt u over het bericht dat een derde van de raadsleden in de afgelopen bestuursperiode te maken heeft gehad met agressie, bedreiging of (verbaal) geweld, ruim twee keer zoveel als in 2022 en ruim zes keer zoveel als in 2015?
Agressie, bedreiging en intimidatie aan het adres van raadsleden zijn onaanvaardbaar. De berichten over de toename van incidenten zijn mij bekend en ik vind deze zeer verontrustend. Samen met het Netwerk Weerbaar Bestuur werkt mijn ministerie sinds 2018 aan het vergroten van de veiligheid van politieke ambtsdragers, onder wie raadsleden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat dertig procent van de bedreigde raadsleden aangeeft dat haar functioneren hierdoor wordt beïnvloed?
Het is ontoelaatbaar dat bedreigingen het functioneren van raadsleden beïnvloeden. Bedreigingen zijn niet normaal en horen niet bij het ambt. Raadsleden moeten hun werk zonder dreiging of druk van buitenaf kunnen uitvoeren. Als zij niet vrij hun werk kunnen doen, schaadt dit de democratie. Agressie, bedreiging en intimidatie moeten niet genormaliseerd worden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat vrouwelijke raadsleden meer bedreigd worden dan mannelijke raadsleden?
Online agressie treft vrouwelijke ambtsdragers in hogere mate dan hun mannelijke collega’s. Deze agressie is vaker op de persoon gericht en wordt als ernstiger ervaren. Dit is zorgwekkend. Daarom heeft mijn ministerie in samenwerking met het Netwerk Weerbaar Bestuur een steunpakket online agressie en intimidatie ontwikkeld, gericht op het ondersteunen van (vrouwelijke) politieke ambtsdragers die slachtoffer worden van online agressie. Dit steunpakket bevat praktische tips voor de preventie van, reactie op en nazorg na online agressie en intimidatie. Het steunpakket is te vinden op de website van het Netwerk Weerbaar Bestuur: https://www.weerbaarbestuur.nl/producten-en-diensten/steunpakket-preventie.
Wat gebeurt er om de raadsleden beter te beschermen en weerbaar te maken tegen dit soort praktijken?
Vanuit het programma Weerbaar Bestuur van het Ministerie van BZK zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:
Wat kunt u verbeteren in de aanpak van agressie en bedreiging tegen raadsleden?
Er is al veel hulp beschikbaar voor decentrale volksvertegenwoordigers wanneer zij met agressie, intimidatie of bedreiging te maken krijgen. Toch kunnen wij hen op sommige vlakken beter ondersteunen. Dit geldt allereerst voor steun bij online agressie en bedreigingen. Daarom wil ik middelen vrijmaken voor een onderzoek naar online agressie en alternatieve sanctiemogelijkheden. Hierdoor kunnen we daders beter aanpakken. Ook het aangifteproces kan worden versimpeld. Daarom werken mijn ambtsgenoot van JenV en ik aan een modelaangifte waardoor het doen van aangifte door of namens politieke ambtsdragers makkelijker wordt. Over de opvolging van aangifte door Politie en OM blijf ik met mijn ambtsgenoot van JenV in gesprek. Tot slot moeten raadsleden, Statenleden en algemeen besturen van waterschappen veilig kunnen vergaderen. Daarom heb ik uw Kamer op 16 februari jl. geïnformeerd dat ik voornemens ben hier aanvullende middelen voor vrij te maken (Kamerstukken II 2025–2026 36 800 VII, nr. 66).
Bent u bereid hierin waar nodig samen te werken met de Ministerie van Justitie en Veiligheid, bijvoorbeeld door aanscherping van het programma «Bewaken en beveiligen»?
Naast de eerder benoemde preventieve en weerbaarheidsverhogende maatregelen kunnen er verschillende veiligheidsmaatregelen getroffen worden. Binnen het taakveld bewaken en beveiligen kunnen op gezag van OM, burgemeester of NCTV veiligheidsmaatregelen ingezet worden. Ik werk daarom nauw samen met de Minister van Justitie en Veiligheid met als doel om al onze volksvertegenwoordigers veilig hun werk te kunnen laten doen.
Het gebruik van foutieve algoritmes bij de reclassering |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Risicovol algoritmegebruik» van de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) waaruit blijkt dat de reclassering jarenlang een gebrekkig algoritme gebruikte om recidiverisico’s te voorspellen?1
Ja.
Hoelang worden deze foutieve algoritmes gebruikt?
De reclassering heeft de OxRec in 2018 in gebruik genomen.
Hoelang was u al op de hoogte van deze problemen bij de reclassering?
De aard en omvang van de problemen rondom de algoritmes bij de reclassering zijn bij mij in beeld gekomen door het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: de Inspectie). De Inspectie heeft de reclassering en het ministerie medio 2025 bericht over de voorlopige bevindingen. Het definitieve rapport is in december 2025 opgeleverd door de Inspectie.
Waarom zijn deze foutieve algoritmes niet eerder stopgezet?
Het pauzeren van de OxRec heeft impact op de wijze waarop adviezen tot stand komen en raakt daarmee het dagelijks werk van vele reclasseringswerkers. Zo’n wijziging lijkt op zichzelf klein, maar heeft flinke impact, zeker omdat deze veel medewerkers raakt. Een goede voorbereiding van de pauzering door nieuwe werkafspraken te maken, was essentieel om de kwaliteit van de adviezen te kunnen blijven garanderen. Dit kostte tijd. Het eerder op verantwoorde wijze pauzeren van de OxRec dan 12 februari jl. werd niet mogelijk geacht.
Hoeveel plegers van ernstige geweldsmisdrijven zijn door deze foutieve algoritmen eerder op straat gekomen?
De inspectie concludeert dat de OxRec door de implementatiegebreken in circa 21 procent (bij algemene recidive) en 6 procent (bij gewelddadige recidive) van de gevallen tot een andere risicocategorie zou zijn gekomen. Dat betreur ik zeer. In het verbetertraject van de reclassering worden alle aanbevelingen van de Inspectie overgenomen. Het is helaas niet mogelijk om binnen dit traject met terugwerkende kracht vast te stellen of reclasseringswerkers door de implementatiegebreken in de OxRec tot andere adviezen zijn gekomen, laat staan of dit tot andere strafrechtelijke beslissingen zou hebben geleid. Reclasseringsadviezen zijn namelijk altijd gebaseerd op een menselijk oordeel, en dit menselijk oordeel kan niet achteraf opnieuw worden geconstrueerd.2
Hoe beoordeelt u de conclusie van de IJenV dat in circa een kwart van de gevallen het recidiverisico te hoog of te laag is ingeschat door fouten in het algoritme?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre kunt u vaststellen dat op basis van deze gebrekkige algoritmes er verkeerde beslissingen worden genomen?
Zie antwoord vraag 5.
Acht u het mogelijk dat fouten als gevolg van gebrekkige algoritmes invloed hebben op de veiligheid van de samenleving of de rechtspositie van betrokkenen?
Zie antwoord vraag 5.
Gaat u onderzoek doen naar de gevolgen van het gebruik van deze algoritmes door de reclassering?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe oordeelt u over de conclusie van het College voor de Rechten van de Mens dat door het gebruik van kenmerken als postcode en inkomen in algoritmen, er indirect sprake kan zijn van discriminatie?
Volgens de Inspectie kunnen de parameters «buurtscore» en «hoogte van het inkomen» mogelijk leiden tot indirecte discriminatie. Onderscheid op basis van deze factoren kan onder strikte voorwaarden gerechtvaardigd zijn.3
Zoals mijn voorganger in de beleidsreactie op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid over het gebruik van algoritmes door de reclassering heeft aangegeven, wordt in een verbetertraject van de reclassering onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec.4
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de fouten door het gebruik van gebrekkige algoritmen te herstellen en het systeem te verbeteren om herhaling te voorkomen?
Alle conclusies en aanbevelingen uit het rapport van de Inspectie worden in het verbetertraject door de reclassering opgepakt.
Wanneer verwacht u de Kamer informeren over de voortgang van het herstel en de verbeteringen?
Ik verwacht de Kamer in het najaar van dit jaar te kunnen informeren over de opvolging van de aanbevelingen.
Het onderzoek van de Consumentenbond naar tekortkomingen in de bescherming van online gokkers en de lopende massaclaim van de Consumentenbond. |
|
Sarah Dobbe (SP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Verboden trucs in legale online casino’s: massaclaim in de maak»1 en «Consumenten voor totaalverbod gokreclame én betere bescherming»2?
Ja.
Hoe weegt u het feit dat 84% van door de Consumentenbond onderzochte populatie een totaalverbod op gokreclame steunt en 88% betere bescherming tegen dark patterns verlangt?
De in het bericht van de Consumentenbond genoemde cijfers geven een belangrijk signaal af over maatschappelijke zorgen rond gokken. Ik neem dergelijke signalen serieus en betrek deze bij de uitwerking van de door mijn voorganger aangekondigde maatregelen rond kansspelen op afstand.3
Kunt u expliciet aangeven of u van oordeel bent dat de Wet kansspelen op afstand, zoals deze sinds 2021 wordt uitgevoerd, onvoldoende bescherming biedt aan kwetsbare spelers en waarop u dat oordeel baseert?
De Wet op de Kansspelen, zoals deze in 2021 is gewijzigd met de Wet kansspelen op afstand (hierna: Wet koa), biedt onvoldoende bescherming aan kwetsbare spelers. Dit is ook de algemene conclusie in de evaluatie van de Wet koa.4 Daarin concluderen de onderzoekers dat de invoering van de Wet koa tot op heden (nog) niet heeft bijgedragen aan een verantwoord en controleerbaar kansspelaanbod. Ook heeft het beleid volgens de onderzoekers geleid tot een grote groep nieuwe spelers, waaronder relatief veel jongvolwassenen. De Wet koa heeft wel geleid tot een betrouwbaar aanbod en tot een mate van controleerbaarheid en controle die groter is dan bij illegaal aanbod het geval is, aldus de onderzoekers. Daarnaast blijkt uit een analyse van TNO dat online gokken een systeem is met een sterke neiging tot escalatie, aangedreven door positieve feedbackloops in zowel vraag als aanbod. Volgens TNO zijn de beschermende maatregelen tegen onmatig speelgedrag en ter preventie van verslaving niet in staat gebleken deze zelfversterkende feedbackloops afdoende te bedwingen.5
Bent u het ermee eens dat de belofte van «veilig en gecontroleerd» online gokken niet is waargemaakt, nu structureel sprake is van toenemende gokverslavingen, ernstige financiële schade bij gedupeerde burgers en het gebruik van gedragsbeïnvloedende technieken door legale aanbieders?
Zoals ik hiervoor in het antwoord op vraag 3 heb genoemd, biedt de Wet koa onvoldoende bescherming aan kwetsbare spelers. De Wet koa ging uit van de eigen verantwoordelijkheid van de speler en de bescherming beperkte zich daarbij tot consumenten en het voorkomen van kansspelverslaving. De toen gekozen insteek blijkt problematisch te zijn, zo blijkt uit de evaluatie van de Wet koa, en betere bescherming is nodig.
Deelt u de opvatting dat het toepassen van dergelijke gedragsbeïnvloedende technieken door vergunninghoudende gokbedrijven onverenigbaar is met hun zorgplicht, juist omdat zij aantoonbaar bijdragen aan problematisch speelgedrag?
Onderzoeksbureau Behavioural Insights heeft in opdracht van de Ksa onderzoek gedaan naar gedragsbeïnvloeding op bepaalde online kansspelplatformen. Uit het rapport, dat in september 2025 is opgeleverd, komt naar voren dat online kansspelaanbieders zowel op positieve als negatieve wijze gebruik maken van gedragsbeïnvloeding om het gedrag van consumenten te sturen. Positieve gedragsbeïnvloeding zijn bijvoorbeeld ontwerptechnieken om mensen te helpen weloverwogen keuzes te maken. Negatief bijvoorbeeld als de beslisomgeving wordt ingericht met als doel om mensen zo veel mogelijk te laten inzetten of zo lang mogelijk te laten spelen. Dit laatste is kwalijk en onwenselijk in het kader van bescherming van mensen tegen gokschade.
Is het ontbreken van een expliciet wettelijk verbod op dark patterns een lacune in de bescherming van burgers die actief zijn op online gokplatforms? Zo ja, hoe en op welke wijze en termijn bent u van plan dit probleem aan te pakken?
Bij de uitwerking van de aangekondigde maatregelen wordt ook gekeken naar de gedragsbeïnvloedende technieken die worden toegepast en of het noodzakelijk is om daar de wet- en regelgeving op aan te passen. Hier kan ik nu nog niet op vooruitlopen.
Hoe beoordeelt u de vaststelling van de Consumentenbond dat meerdere legale aanbieders werken met oneerlijke standaardinstellingen en extreem hoge speellimieten, en kunt u bevestigen of dit naar uw oordeel in strijd is met geldende wet- en regelgeving?
Het onderzoek van de Consumentenbond waarin extreem hoge speellimieten en oneerlijke standaardinstellingen werden vastgesteld is gepubliceerd in november 2023. Inmiddels is de regelgeving op dit onderwerp aangepast en zijn op 1 oktober 2024, vooruitlopend op de evaluatie van de Wet koa, maatregelen ingevoerd op het gebied van speellimieten en spelersbescherming.6 Op basis van de Regeling speellimieten en bewuster speelgedrag en de Beleidsregel Verantwoord Spelen 2024 van de Ksa gelden stortingslimieten waarbij spelers worden verplicht contact op te nemen met de vergunninghouder wanneer zij een maandelijkse stortingslimiet van 350 euro of hoger willen instellen (150 euro voor jongvolwassenen tot 24 jaar) en waarbij de vergunninghouder verplicht is de financiële draagkracht van een speler na te gaan wanneer deze meer dan 700 euro in de maand stort (300 euro voor jongvolwassenen tot 24 jaar). Daarnaast geldt op basis van deze maatregelen dat het instellen van limieten plaats dient te vinden in een neutrale keuzearchitectuur, waarbij de speler zo min mogelijk wordt beïnvloed door gedragsbeïnvloedingstechnieken. Oneerlijke standaardinstellingen of extreem hoge speellimieten zijn binnen deze regelgeving niet meer toegestaan. Verder dienen limieten verplicht in euro’s te worden weergegeven en gelden verplichte pop-ups tijdens het spelen. Uit de effectmetingen van de Ksa blijkt dat deze maatregelen effect hebben omdat spelers bij vergunde aanbieders minder hoge limieten instellen en minder verliezen na de genoemde wijziging van de regelgeving. Dit is uiteengezet in de brief aan uw Kamer op 3 juli 2025.7
De Ksa houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving en treedt op bij overtredingen, zoals bij de recente bindende aanwijzing voor Hillside in het kader van de zorgplicht en nagaan van de draagkracht van spelers.8
Kunt u concreet aangeven welke maximale speellimieten en welke uitgangspunten voor standaardinstellingen momenteel wettelijk of beleidsmatig gelden, en waarom deze niet hebben voorkomen dat spelers gemiddeld duizenden euro’s verliezen?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe vaak heeft de Kansspelautoriteit sinds 2021 handhavend opgetreden tegen legale aanbieders wegens schending van de zorgplicht, en kunt u daarbij per jaar aangeven hoeveel waarschuwingen, boetes en vergunningmaatregelen zijn opgelegd? Acht u deze handhavingspraktijk, bezien in het licht van de huidige maatschappelijke schade en de lopende massaclaim, voldoende afschrikwekkend, en zo ja, waarom?
In 2023, 2024 en 2025 heeft de Ksa het volgende aantal waarschuwingen gegeven en boetes opgelegd aan vergunde aanbieders:
Interventie
2025
2024
2023
Waarschuwingen
38
37
16
Boetes
5
2
8
Een groot deel van het aantal waarschuwingen aan de legale aanbieders had betrekking op de zorgplicht. Ook hebben alle vijf boetes in 2025 betrekking gehad op overtredingen van de zorgplicht. Gezien de lange doorlooptijden van boetetrajecten, hebben de boetes van 2025 betrekking op overtredingen van de zorgplicht die plaatsvonden na de opening van de markt in 2021 t/m 2023. Een aantal onderzoekdossiers in het kader van de zorgplicht wacht nog op een mogelijke handhavingsactie van de Ksa. Naast waarschuwingen en boetes maakt de Ksa ook gebruik van lasten onder dwangsom, aanwijzingen en normoverdragende gesprekken als handhavingsopties om ervoor te zorgen dat de legale aanbieders zich houden aan de zorgplichtregels. Als in de vraagstelling met «vergunningsmaatregelen» intrekking van de vergunning wordt bedoeld, dan is het antwoord dat dit niet heeft plaatsgevonden.
Het is aan de Ksa of en hoe zij in een individueel geval handhaven. Ik kan geen uitspraken doen over of de huidige handhavingspraktijk al dan niet voldoende afschrikwekkend is. Wel erken ik dat het instrumentarium van de Ksa voor toezicht en handhaving op vergunde aanbieders verbetering behoeft. In het traject tot wijziging van wet- en regelgeving van online kansspelen wordt dit meegenomen. Daarnaast kan de aanscherping van de zorgplicht waaraan ik eveneens werk ook bijdragen aan verbeterde toezicht en handhaving.
Deelt u de juridische opvatting dat het structureel schenden van de zorgplicht en het toepassen van verboden of misleidende technieken kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen, met als mogelijke consequentie ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding aan gedupeerden?
Dit zal per individueel geval moeten worden bekeken en hangt af van hetgeen, bijvoorbeeld ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding, daadwerkelijk wordt geëist in een juridische procedure. Een oordeel hierover is aan de rechter. In het kader van het traject tot wijziging van wet- en regelgeving op het gebied van kansspelen op afstand onderzoek ik in hoeverre de rechtspositie van spelers van online kansspelen kan worden verbeterd bij (gestelde) schending van de zorgplichtregels en regels rond verslavingspreventie.
Welke concrete gevolgen zou een rechterlijke vaststelling van dergelijk onrechtmatig handelen volgens u moeten hebben voor de vergunningverlening, verlenging of intrekking bij betrokken aanbieders?
Het is niet aan mij is om te besluiten over het schorsen of intrekken van een vergunning. Deze besluiten zijn aan de Ksa, als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan.
Zoals ook in de beantwoording van eerdere Kamervragen is genoemd, kan de Ksa besluiten een vergunning in te trekken indien nieuwe informatie of antecedenten met betrekking tot een vergunninghouder leiden tot het inzicht dat de vergunning toentertijd niet zou zijn verstrekt.9 Daarnaast zal de Ksa de toezichtservaring over de voorgaande vergunningsperiode met betrekking tot een vergunninghouder meewegen in de beoordeling van verlengingsaanvragen. Onder andere worden overtredingen en het gedrag van vergunninghouders tijdens de huidige vergunningsperiode mee gewogen in de beoordeling.
Kunt u concreet aangeven welke aanvullende wettelijke maatregelen u op korte termijn zult nemen om de zorgplicht van online kansspelaanbieders afdwingbaar te versterken, en op welke termijn de Kamer hierover voorstellen kan verwachten?
Momenteel werk ik de aangekondigde maatregelen rond kansspelen op afstand uit, waaronder aanscherping van de zorgplicht. Mijn voorganger heeft met de Kamer het streven gedeeld om uw Kamer dit voorjaar te informeren over richtinggevende keuzes die in het kader van de maatregelen zijn gemaakt. Daarbij wordt uw Kamer ook geïnformeerd over de planning van het wetgevingstraject. Wat betreft de zorgplicht geldt dat een onafhankelijke expertgroep werkt aan het doen van aanbevelingen op dit terrein. Deze aanbevelingen worden in de zomer van 2026 verwacht en meegenomen in het wetgevingstraject.
Bent u bekend met het bericht «Starter gezocht: leeftijd steeds vaker reden voor discriminatie» waaruit blijkt dat leeftijd steeds vaker een reden is voor discriminatie, onder andere bij werving en selectie?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Kunt u reageren op de inhoud van dit bericht?
Uit het bericht komt naar voren dat het afgelopen jaar het aantal meldingen en verzoeken om een oordeel over leeftijdsdiscriminatie is toegenomen bij het College van de Rechten van de Mens (CRM). Leeftijdsdiscriminatie betekent dat iemand wordt benadeeld vanwege zijn leeftijd, bijvoorbeeld jongeren of ouderen. De meldingen hadden daarnaast vooral betrekking op leeftijdsdiscriminatie bij werving en selectie. Het uitsluiten van mensen op basis van leeftijd is niet toegestaan en onacceptabel. Ik vind het van belang dat mensen bij werving en selectie objectief worden beoordeeld. Leeftijd mag daarbij geen rol spelen.
Hoe verklaart u dat leeftijdsdiscriminatie ondanks een wettelijk verbod toch voorkomt op de arbeidsmarkt? Waar schiet volgens u de huidige aanpak tekort?
Het is helaas bekend dat ondanks een wettelijk verbod op discriminatie, discriminatie op diverse gronden waaronder ook leeftijd, nog steeds voorkomt. Er worden veel inspanningen verricht door de rijksoverheid om discriminatie te voorkomen en aan te pakken. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het nieuwe kabinet actief aan de slag gaat met het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie. Van werkgevers vragen we dat zij hun verantwoordelijkheid nemen in het beëindigen van discriminatie op de werkvloer en bij werving en selectie. Ik ga hierover zo snel mogelijk in gesprek met de Kamer.2 Momenteel worden werkgevers gestimuleerd en ondersteund om gelijke kansen te bieden bij het wervings- en selectiebeleid via het Offensief Gelijke Kansen. Hierbij worden werkgevers ondersteund via diverse hulpmiddelen om discriminatie bij werving en selectie tegen te gaan. Het is bekend dat veel discriminatie onbewust plaatsvindt. Met het Offensief Gelijke Kansen worden werkgevers hiervan bewust gemaakt en krijgen zij handvatten om onbewuste aannames en vooroordelen tegen te gaan.3
Herkent u het beeld dat er een toename is van leeftijdsdiscriminatie? In hoeverre speelt een hogere meldingsbereidheid een rol in de stijgende cijfers?
Het meten van discriminatie is moeilijk, onder meer omdat het gaat om persoonlijke ervaringen van slachtoffers, mensen discriminatie niet altijd als zodanig herkennen en mensen niet altijd overgaan tot het doen van een melding. Gemiddeld meldt 1 op de 10 mensen een incident van discriminatie.4 Het aantal meldingen van discriminatie bij officiële instanties zoals de politie en het CRM kan een beeld geven van discriminatie in Nederland. In de monitor Discriminatiezaken 2025 komt een duidelijke toename naar voren ten aanzien van leeftijdsdiscriminatie, met name bij werving en selectie. Mensen weten dus steeds beter hoe en waar ze een discriminatie-incident moeten melden en dit draagt bij aan de verdere aanpak van discriminatie.
Dit zou indirect kunnen zorgen voor een toename van de meldingsbereidheid en daarmee een verhoging van het aantal meldingen. Tegelijkertijd is het moeilijk vast te stellen of meldingsbereidheid meespeelt bij de toename van het aantal meldingen of leeftijdsdiscriminatie in het algemeen. Het kabinet blijft zich inzetten om de drempels voor het melden van discriminatie te verlagen. De Minister van BZK werkt aan een landelijke publiekscommunicatie, die hieraan actief bijdraagt. De lancering van de campagne is beoogd voor de tweede helft van 2026.
Heeft u in beeld of leeftijdsdiscriminatie een algemeen verschijnsel is op de arbeidsmarkt ofwel voornamelijk voorkomt in specifieke sectoren en gevallen?
Het is mij niet bekend of er onderzoek gedaan wordt naar leeftijdsdiscriminatie in specifieke sectoren. Wel weten we dat veel meldingen van discriminatie bij officiële instanties vaak betrekking hebben op arbeidsmarktdiscriminatie, specifiek bij werving en selectie en dat leeftijdsdiscriminatie daarbij relatief veel voorkomt. Uit de Nationale enquête arbeidsomstandigheden 2024 gaf 11% van de werknemers aan zich in de afgelopen twaalf maanden gediscrimineerd te hebben gevoeld op het werk. Discriminatie vanwege afkomst, huidskleur of nationaliteit (3,4%) en vanwege leeftijd (2,9%) kwamen het meest voor, gevolgd door discriminatie vanwege geslacht (2,1%).5
Op welk vlak schiet het huidige beleid tekort als veel 55-plussers ondanks de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt toch moeite hebben om passend werk te vinden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens dat discriminatie, en meldingen van discriminatie, serieus genomen en beter afgehandeld moeten worden?
Iedere melding van discriminatie die bij een officiële meldinstantie binnenkomt wordt serieus genomen, geregistreerd en opgevolgd. Een goede afhandeling van meldingen is van groot belang. Op dit moment kunnen mensen die discriminatie ervaren dit melden bij onder andere de politie en het CRM. Wel blijft het moeilijk om discriminatie objectief vast te stellen. Het gaat om persoonlijke ervaringen van mensen die niet altijd goed met feiten onderbouwd en aangetoond kunnen worden. Een oordeel van het CRM kan vervolgens gebruikt worden voor civielrechtelijke stappen. De antidiscriminatievoorzieningen (ADV) in Nederland bieden laagdrempelig toegang tot hun meldpunten en ondersteunen melders bij de afhandeling van hun klacht, geven hen advies en beantwoorden vragen over discriminatie. Het kabinet werkt aan het verder versterken van de ADV’s. Zo werkt de Minister van BZK aan een wetsvoorstel waarmee de huidige ADV’s twee nieuwe taken krijgen, namelijk het werken aan preventie van discriminatie en het actief doorgeleden van mensen ten behoeve van nazorg.
Hoe zorgt u op het moment ervoor dat werkgevers en HR-professionals beter worden voorbereid op het herkennen en voorkomen van leeftijdsdiscriminatie?
In het Offensief Gelijke kansen wordt samen met AWVN, SER-Diversiteit in Bedrijf en branche- en sectororganisaties gewerkt aan de opschaling van evidence-based methodes voor objectieve werving en selectie van werknemers bij met name het midden- en kleinbedrijf. Veel van deze methodes komen voort uit de werkagenda Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (VIA). En samen met werkgevers wordt er gewerkt aan de (door)ontwikkeling van effectieve interventies in de in- en doorstroom en de talentontwikkeling van werknemers, de actieve ondersteuning van bedrijven en het uitdragen van de opgedane inzichten op het gebied van objectieve werving en selectie. Dit draagt bij aan het verbeteren van de arbeidsmarktkansen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, waaronder ouderen of jongeren.
Welke andere maatregelen neemt u om oudere mensen aangesloten te houden op de arbeidsmarkt?
Naast het Offensief Gelijke Kansen wil het kabinet met behulp van actieve ondersteuning en begeleiding op maat de arbeidsmarktkansen van alle werkzoekenden vergroten, dus ook die van 55-plussers. UWV, gemeenten, werkgevers, werkenden en werkzoekenden werken hier elke dag hard aan. Daarom richten wij ons op dit moment op de versterking van de arbeidsmarktinfrastructuur. Dit omvat de verdere ontwikkeling van de Werkcentra waar werkzoekenden, werkenden en werkgevers ondersteuning krijgen bij hun werk- en ontwikkelvragen, en de versterking van het van-werk-naar-werk-stelsel, waarin sociale partners gerichte inspanningen leveren.
Daarnaast wordt onder coördinatie van de Minister van Binnenlandse Zaken gewerkt aan de brede aanpak van discriminatie. Deze aanpak werkt ook op de bewustwording rondom discriminatie en kan hierdoor tevens bijdragen aan de positie van ouderen op de arbeidsmarkt. Zo kunnen ouderen die in een sollicitatieprocedure leeftijdsdiscriminatie ervaren dit melden bij een ADV of bij het CRM. Daarnaast ziet de nieuwe preventieve taak voor ADV’s ook op het voorkomen van leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt.
Welke consequenties zijn momenteel verbonden aan leeftijdsdiscriminerend handelen door werkgevers of organisaties?
Een oordeel van het CRM is openbaar en als beoordeeld is dat er sprake is van discriminatie, kan dit o.a. leiden tot imago- en reputatieschade van een werkgever. Vaak is dit al genoeg voor een organisatie om passende maatregelen te nemen. Een oordeel van het CRM kan daarnaast ook gebruikt worden in een rechtszaak. Een rechter kan vervolgens civielrechtelijke sancties opleggen zoals een schadevergoeding of nietigverklaring, als er bijvoorbeeld sprake is van ontslag op basis van discriminatie.
Kunt u ons nader informeren wat de stand van zaken is en welke concrete resultaten de ingezette maatregelen hebben opgeleverd, zoals die zijn aangekondigd in de Kamerbrief van 18 januari 2024?2 Zijn er sinds deze Kamerbrief aanvullende acties ondernomen? Zo ja, welke? Zo nee, bent u nog voornemens aanvullende acties te ondernemen?
Mijn ambtsvoorganger in het kabinet Rutte IV heeft zich met de Seniorenkansenvisie ingezet om een algemene herwaardering van 55-plussers op de arbeidsmarkt te realiseren. Het Verweij Jonker Instituut heeft als belangrijk onderdeel van de Seniorenkansenvisie afgelopen jaar onderzocht of een assessment de beeldvorming van werkgevers kan veranderen en of het assessment de werkzoekende meer inzicht geeft in de eigen vaardigheden, zodat de baankansen worden vergroot.7 Het onderzoek geeft aan dat een baan vinden niet voor iedereen gemakkelijk is en dat de redenen daarvoor divers zijn. De seniorenkansenvisie bevestigt dat ouderenbeleid maar in beperkte mate effectief is gebleken. Het geven van een loonkostenvoordeel voor ouderen heeft bijvoorbeeld maar in beperkte mate geleid tot een hogere arbeidsparticipatie van ouderen. Met de oplevering van dit onderzoek is de Seniorenkansenvisie afgerond. UWV blijft inzetten op maatwerk in het kader van de menselijke maat voor alle werkzoekenden (incl. ouderen). De aanpak van leeftijdsdiscriminatie zal meegenomen worden in de algemene aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie.
Bent u bereid om met werkgeversorganisaties verder te verkennen hoe beeldvorming van 55-plussers kan worden verbeterd, gelet op het belang van een positieve beeldvorming van 55-plussers waar het kabinet in dezelfde brief over schrijft?
Ja, ik ben regelmatig in gesprek met werkgeversorganisaties, bijvoorbeeld over de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie. Het gaat dan om de aanpak op alle discriminatiegronden, waaronder ook leeftijd. Veel acties gericht op het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie, zoals de inzet van objectieve werving en selectie, dragen bij aan de diversiteit van het personeelsbestand. Binnen het Offensief Gelijke Kansen proberen we goede voorbeelden rondom diversiteit en inclusie op te halen en verder te verspreiden onder werkgevers. Dit draagt hopelijk bij aan een betere beeldvorming rondom de arbeidsparticipatie van ouderen.
Kijkt u in het kader van de verkenning die is aangekondigd in de Kamerbrief van 18 december 2025 ook expliciet naar het stimuleren van LLO-deelname bij 55-plussers, aangezien zij gemiddeld juist minder vaak deelnemen aan deze programma’s? Zo nee, bent u bereid dit expliciet op te nemen in de aangekondigde verkenning?
Het doel van de verkenning is om te komen tot één of meer technisch haalbare ontwerpen voor een leerrekening die doelmatig en doeltreffend is. Daarbij onderzoeken we voor welke doelgroepen een leerrekening het meeste effect kan hebben, in het bijzonder groepen die nu minder vaak deelnemen aan leven lang ontwikkelen (LLO), zoals 55-plussers.
Vaak gaat het bij het stimuleren van deelname aan bij- en omscholing om een combinatie van factoren. Daarom sturen we niet uitsluitend op leeftijd, maar nemen we 55-plussers wel degelijk mee als relevante doelgroep binnen de bredere analyse. Onderzoek laat zien dat in 2024 44 procent van 16- tot 39-jarigen aangeeft in de afgelopen twee jaar een training gevolgd te hebben; terwijl dit voor 55-plussers maar 28 procent is.8 In de scenario’s die worden uitgewerkt, kijken we onder andere naar kenmerken zoals leeftijd, opleidingsniveau en arbeidsverhouding. Op die manier kunnen we beter inzicht krijgen in welke groepen mensen binnen de beroepsbevolking het meest gebaat zijn met een eigen budget voor bij- en omscholing.
Het bericht dat Frankrijk het ontslag eist van de antisemitische VN-functionaris Albanese |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Frankrijk het ontslag eist van de antisemitische VN-functionaris Albanese?1
Ja.
Vindt u haar opmerking dat Israël de «gemeenschappelijke vijand van de mensheid is» ook onacceptabel en buitengewoon onsmakelijk? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de recente discussie over uitspraken van Speciaal Rapporteur Albanese. Na bestudering van de videoregistratie van de bijdrage aan het Al Jazeera Forum blijkt dat mevrouw Albanese deze uitspraak niet zo heeft gedaan. Evenwel is het kabinet kritisch op de gedane uitspraken en roept het de Speciaal Rapporteur op om af te zien van polariserende uitspraken in het publieke domein.
Ziet u ook dat haar recente uitspraken geen incident zijn, maar onderdeel vormen van een bredere activistische haatcampagne tegen Israël en het Joodse volk? Zo nee, waarom niet?
Het is bekend dat Nederland bepaalde uitlatingen van mevrouw Albanese uit het verleden afkeurt. De zorgen over deze uitlatingen zijn aan haar overgebracht in meerdere gesprekken. Indien nodig zal het kabinet zorgen over de impact van bepaalde uitlatingen van mevrouw Albanese opnieuw onder de aandacht brengen.
Bent u bereid om zich achter Frankrijk te scharen en bij de VN-mensenrechtenraad onomwonden te pleiten voor het ontslag van Albanese? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2. De recente uitspraken van mevrouw Albanese zijn wat het kabinet betreft geen reden om op te roepen tot haar aftreden. In de Mensenrechtenraad heeft Frankrijk overigens niet opgeroepen tot het ontslag van mevrouw Albanese, maar in algemene termen opgeroepen tot «terughoudendheid en discretie» door alle VN Speciaal Rapporteurs in het uitvoeren van hun mandaat.
Wilt u deze vragen vóór de eerstvolgende sessie van de VN-mensenrechtenraad beantwoorden?
Het kabinet heeft de vragen zo snel mogelijk en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoord.
De oproep van strafrechters om het tbs-systeem te ontlasten |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat strafrechters het tbs-stelsel zien vastlopen?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja, ik ken het bericht en onderken het probleem van de capaciteitsdruk binnen de tbs en de overige forensische zorg. In dit verband verwijs ik naar de voortgangsbrief forensische zorg d.d. 20 maart 2026 die tegelijk met de beantwoording van deze Kamervragen aan uw Kamer is gestuurd. Hier ga ik uitgebreid in op de aard van de problematiek en de maatregelen om de capaciteitsdruk binnen de forensische zorg het hoofd te bieden.
Hoe beoordeelt u de oplossingsrichtingen die de twee genoemde vooraanstaande strafrechters schetsen om de bestaande overbelasting van het tbs-stelsel te helpen bestrijden, naast de voorgenomen uitbreiding van 200 extra tbs-plekken? Wat vindt u van het voorstel van deze strafrechters om het aantal plekken in lichtere forensische klinieken en in beschermd woonprojecten uit te breiden?
De forensische zorg is essentieel voor de veiligheid van de Nederlandse samenleving. In het artikel van het Algemeen Dagblad pleiten de strafrechters onder meer voor het minder snel opleggen van tbs en tbs met voorwaarden. Binnen onze constitutionele verhoudingen is het de verantwoordelijkheid van de rechter om in individuele zaken te beslissen over het opleggen van tbs (met voorwaarden).
Daarnaast pleiten de rechters voor het uitbreiden van de lichter beveiligde forensische voorzieningen en het beschermd wonen om de tbs-klinieken te ontzien. Zoals in de voortgangsbrief wordt toegelicht, onderschrijf ik het belang van het bevorderen van de doorstroom vanuit de tbs-klinieken. Naarmate de behandeling vordert, kan de zorg van patiënten op een lager beveiligingsniveau plaatsvinden. Om te voorkomen dat tbs-gestelden langer dan noodzakelijk hoog beveiligde plekken bezet houden, is een programma opgestart door DJI samen met de tbs-klinieken en de overige forensische zorgaanbieders om voldoende en passende capaciteit voor vervolgzorg tijdens de strafrechtelijke titel te realiseren. Het programma heeft als doel om de door- en uitstroom in tbs-klinieken te optimaliseren.
Kunt u aangeven welke voorzieningen beschikbaar zijn voor forensische zorg, om hoeveel plekken het daarbij gaat, welke problemen bij de toeleiding naar de afzonderlijke zorgvormen bestaan, hoe het concreet met de doorstroom van tbs-gestelden naar alternatieve zorgvormen is gesteld en hoe de afzonderlijke zorgaanbieders met elkaar samenwerken om onder de huidige bestaande omstandigheden een maximaal aantal patiënten de gepaste (beveiligde) zorg en begeleiding te bieden?
Er zijn verschillende type voorzieningen beschikbaar variërend van hoog beveiligde klinische zorg in de vorm van Forensisch Psychiatrische Centra (tbs-klinieken) en Forensische psychiatrische klinieken, maar ook lager beveiligde klinische plaatsen zoals Forensische Psychiatrische Afdelingen en gesloten afdelingen in de reguliere ggz. Daarnaast zijn forensische beschermd wonen plaatsen beschikbaar en allerlei vormen van ambulante begeleiding, behandeling en dagbesteding. In 2025 zijn gemiddeld 1.684 tbs plekken, 926 klinische bedden en 2.029 forensisch wonen bedden gerealiseerd. De druk op hoogbeveiligde klinische zorg is het grootst met plaatsingsproblematiek als gevolg. Daarom zet ik in op uitbreiding van capaciteit. In de voortgangsbrief forensische zorg die ik zojuist aan de Tweede Kamer heb verstuurd, ga ik hier dieper op in. In de bijlage bij de voortgangsbrief is de Staat van de Forensische zorg toegevoegd, met meer cijfermatige overzichten.
De komende jaren wordt ingezet op uitbreiding met nog eens 200 plekken voor de tbs. De realisatie daarvan is mede afhankelijk van verschillende factoren waaronder bouwvergunningen en de beschikbaarheid van voldoende personeel.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en toegelicht in de voortgangsbrief wordt ook gezamenlijk ingezet op het bevorderen van de doorstroom vanuit de tbs-klinieken naar lagere beveiligingsniveaus en op het bevorderen van het draagvlak van gemeentes. In beginsel ligt de focus op doelgroepen met chronische problematiek die in verschillende mate toezicht en/of zorg nodig hebben op verschillende beveiligingsniveaus (met name laag of niet-beveiligd. Hiermee kunnen op termijn 50 plaatsen op het hoogst beveiligde niveau worden vrijgespeeld.
Kunt u uitsluiten dat de huidige capaciteitsdruk leidt tot onveilige situaties voor personeel en samenleving? En in hoeverre leidt de passantenproblematiek tot schadevergoedingen wegens onrechtmatige detentie?
Het bevorderen van een veilig werk- en behandelklimaat heeft voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid, haar uitvoeringsorganisaties en de zorgaanbieders de hoogste prioriteit. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat incidenten nooit volledig kunnen worden uitgesloten. Daarom proberen wij gezamenlijk van ieder incident te leren en er alles aan te doen om incidenten te voorkomen.
Zoals in de voortgangsbrief toegelicht, heeft een tbs-passant recht op een schadevergoeding wanneer de passantentermijn langer duurt dan vier maanden.2 In totaal is in 2025 is € 545.580,– aan passantenvergoedingen uitgekeerd.
Welke maatregelen zijn nodig om het vastgelopen stelsel vlot te trekken door te voorzien in een adequaat aantal tbs-plekken, om de doorstroom naar alternatieve zorgvormen te optimaliseren en om de samenwerking tussen betrokken organisaties en overheden (onder andere het Openbaar Ministerie, de advocatuur, de Rechtspraak, de Dienst Justitiële Inrichtingen, de Geestelijke Gezondheidszorg, zorginstellingen, decentrale overheden en begeleidende organisaties) te optimaliseren? Bent u bereid om hiervoor de noodzakelijke stappen te zetten, zoals bijvoorbeeld het instellen van een taskforce? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de verdere besluitvorming hierover?
Voor het overzicht van de gezamenlijke inzet om de capaciteitsdruk binnen de forensische zorg het hoofd te bieden, verwijs ik u naar de eerder genoemde voortgangsbrief forensische zorg.
Hoe reageert u op de recente bevindingen van het laboratorium SGS Search, waaruit blijkt dat meer speelgoed asbest bevat dan uit het oorspronkelijke onderzoek bleek?
Het kabinet begrijpt dat de resultaten van het onderzoek van het AD tot zorgen hebben geleid. Daarom is het goed dat de risicobeoordeling van de NVWA beschikbaar is. Hierin concludeert de NVWA dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Het is belangrijk dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat van de 106 speelzandmonsters er 66 geen asbest bevatten en 34 een hoeveelheid die onder de grenswaarde van 0,1% blijft.
In de gevallen waar sprake was van overschrijding van de norm, heeft de NVWA handhavend opgetreden en producten uit de schappen gehaald.
Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Nederland zal zich daarom in Europees verband inzetten voor aanscherping van de grenswaarde.
Bent u bereid, gezien de problemen steeds groter blijken, het zekere voor het onzekere te nemen en direct te komen tot een verkoopverbod? Zo nee, waarom niet?
In Nederland, maar ook in de rest van Europa, zijn marktdeelnemers, zoals fabrikanten, importeurs en verkopers, zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van het speelgoed en moeten zij die veiligheid kunnen aantonen. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd. De NVWA concludeert in de risico-beoordeling dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Verkopers en leveranciers van met asbest vervuild speelzand boven de norm van 0,1%, die geldt volgens het Warenwetbesluit Speelgoed 2011 ter implementatie van de Europese Speelgoedrichtlijn, worden door de NVWA aangesproken om de producten uit de handel te halen en eventueel bestuursrechtelijk gedwongen tot een terugroepactie. Voor de speelzandmonsters waarin meer dan 0,1% asbest is geconstateerd, is dit al gebeurd. Er zijn ook ondernemers die uit eigen beweging producten uit de handel hebben gehaald.
Daarom is het kabinet niet bereid een algemeen verkoopverbod voor speelzand in te stellen.
Aangezien meerdere laboratoria inmiddels onderzoek hebben gedaan en hebben geconstateerd dat meerdere producten met speelzand asbest bevat, bent u bereid samen te werken met deze laboratoria en experts om onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen?
De NVWA werkt samen met SGS Search te Heeswijk, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD’s), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA). De gezamenlijke expertise m.b.t. asbest binnen deze organisaties is ruim voldoende om een zorgvuldig onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen.
Een zorgvuldige bemonstering, analyse en risicobeoordeling van de NVWA is cruciaal om besluiten te nemen die bestuurs- of strafrechtelijk houdbaar zijn. Daarom kan de NVWA niet handhavend optreden op basis van laboratoriumresultaten van derden, bijvoorbeeld in opdracht van particuliere partijen. De NVWA heeft echter wel 14 Nederlandse laboratoria benaderd om hun onderzoeksresultaten met de NVWA te delen om zo een breder beeld te krijgen van de mogelijke aanwezigheid van asbest in speelzand.
Kunt u inschatten hoeveel kinderen, ouders en medewerkers van scholen en kinderdagverblijven door dit speelgoed zijn blootgesteld aan asbestvezels?
Het is begrijpelijk dat de aanwezigheid van asbest in speelgoed, zeker op plekken waar kinderen spelen, veel zorgen oproept. We kunnen geen betrouwbare inschatting geven van het aantal kinderen, ouders of medewerkers dat mogelijk is blootgesteld. Daarvoor ontbreken essentiële gegevens, zoals de exacte omvang van het gebruik van het vervuilde speelzand en de verspreiding van de betrokken producten.
Aangezien het speelzand is aangetroffen op basisscholen en kinderdagverblijven, bent u bereid de Nederlandse Arbeidsinspectie opdracht te geven onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen waar dit speelzand is gebruikt?
De arbeidsinspectie is onafhankelijk. Daarom kan geen opdracht worden gegeven om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen en kinderopvangcentra, waar dit speelzand is gebruikt.
Bij vermoedens over gezondheids- en veiligheidsrisico’s van werkenden kan altijd een melding worden gedaan bij de arbeidsinspectie. De arbeidsinspectie pakt meldingen op basis van risicoanalyse en urgentie op. Meldingen worden met voorrang behandeld als er sprake is van direct gevaar, ernstig letsel of structurele misstanden. De arbeidsinspectie weegt dit per melding af.
Bent u bereid grootschalig onderzoek te doen naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest vormt, zoals make-up dat talk bevat?
De NVWA concludeert in haar rapport dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Uit een uitgebreid onderzoek naar asbest in cosmetische producten met talk door NVWA uit 2018 bleek dat slechts een klein aantal van de producten vervuild is met asbest. Uit de risicobeoordeling bleek het hierbij te gaan om een beperkt gezondheidsrisico.
Gezien de geconstateerde geringe gezondheidsrisico’s voor asbest in speelzand en cosmetische producten ziet het kabinet geen aanleiding voor een onderzoek naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest voorkomt.
Wanneer was de NVWA op de hoogte van de problemen in Australië en Nieuw-Zeeland? Wanneer zijn ze begonnen met onderzoeken? Welk laboratorium voert het onderzoek uit en is dit laboratorium geaccrediteerd voor asbest analyse? Kunt u een tijdlijn geven van alle gezette stappen en acties die zijn ondernomen?
In de brief van de toenmalig Staatssecretaris van 20 februari 2026 (Kamerstukken 2025–2026 25 834, nr. 201) is toegelicht welke acties de NVWA heeft genomen naar aanleiding van de berichten uit Australië en Nieuw-Zeeland over asbest in speelzand. De asbest analyses binnen dit onderzoek zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium SGS Search te Heeswijk. Aan de hand van deze analyseresultaten heeft het RIVM een risicobeoordeling gemaakt op basis waarvan het Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek (Buro) van de NVWA een advies geformuleerd heeft. De risicobeoordeling van het RIVM en het Buro advies zijn op 8 april 2026 openbaar gemaakt via hun eigen websites.
Bent u bereid de conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de asbestvezels in het speelveld met de Kamer te delen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze brief verwachten?
De conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de aanwezigheid van asbest in speelzand zijn via de website van de NVWA openbaar gemaakt. Daarnaast maakt de NVWA de onderliggende resultaten actief openbaar volgens de daartoe opgestelde procedures.
Waar kunnen ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestvervuiling van hun woning door het speelzand terecht om hier onderzoek naar te doen?
Ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestverontreiniging in hun woning door het betreffende speelzand, kunnen in eerste instantie contact opnemen met de GGD van hun gemeente voor advies over gezondheidsrisico’s en mogelijke vervolgstappen. Als zij de aanwezigheid van asbest willen laten vaststellen, kan
dat via een gecertificeerd asbestlaboratorium of een geaccrediteerd inspectiebureau dat materiaalonderzoek uitvoert. Deze partijen kunnen monsters nemen en analyseren volgens de daarvoor geldende normen.
Welke verantwoordelijkheden hebben verkopers om dit asbest-vervuild speelzand te saneren of veilig te storten?
Met asbest-vervuild speelzand dient, net als ander asbesthoudend afval, veilig gestort te worden op een stortplaats die asbest mag accepteren. Verkopers van speelzand dat met asbest vervuild is, dienen zelf afspraken te maken met een afvalinzamelaar over de veilige afvoer en verwerking van hun afval. Zij zijn gehouden aan de (strenge) geldende asbestregelgeving die als doel heeft om de leefomgeving en burgers en de werknemers te beschermen. Dit geldt ook voor andere bedrijven en instellingen (zoals kinderopvangcentra en scholen). Indien deze partijen zich willen ontdoen van asbest-vervuild speelzand, dan dienen zij zelf afspraken te maken met een afvalinzamelaar.
Welke consequenties zijn er voor de verkopers, leveranciers en producenten van het asbestvervuilde speelzand voor het verspreiden van het speelzand en het blootstellen van kinderen aan asbest? Bent u bereid terugroepacties te verplichten?
Fabrikanten en importeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd.
Verkopers en leveranciers van met asbest vervuild speelzand boven de norm van 0,1%, die geldt volgens het Warenwetbesluit Speelgoed 2011 ter implementatie van de Europese Speelgoedrichtlijn1, worden door de NVWA aangesproken om de producten uit de handel te halen en eventueel bestuursrechtelijk gedwongen tot een terugroepactie. Voor de speelzand monsters waarbij meer dan 0,1% asbest is geconstateerd is dit al gebeurd. Er zijn ook ondernemers die uit eigen beweging producten uit de handel halen en terugroepen bij klanten.
Bent u bereid samen met andere landen in Europees verband te pleiten voor een importverbod voor dit soort speelzand zolang het onduidelijk is of deze producten asbest bevatten?
Naar aanleiding van dit incident heeft Nederland het voortouw genomen bij de gezondheidskundige risicobeoordeling van asbest in speelzand. Zo’n risicobeoordeling voor speelzand was nog niet eerder uitgevoerd, waardoor een uniforme aanpak binnen de Europese lidstaten ontbreekt.
De NVWA concludeert in de risico-beoordeling dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Nederland zal zich daarom in Europees verband inzetten voor aanscherping van de grenswaarde. In samenwerking met Europese landen zal verder gewerkt worden aan een verbetering van de normen voor speelgoed.
De uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de zaak Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V. |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 5 februari 2026 in de zaak van Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V.?1
Ja.
Wat is uw reactie op het oordeel van de rechtbank dat DNB in 2017 bedrog heeft gepleegd door ten onrechte de rechtbank niet in te lichten over de met het overdrachtsplan van Conservatrix aan Trier verbonden herverzekering bij Colorado Bankers Life Insurance Company?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken van de rechtbank te beoordelen. Wel vind ik het relevant om op te merken dat deze zaak niet op zichzelf staat.
Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 6 hieronder, loopt er zowel een herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep (de voormalig aandeelhouder van levensverzekeraar Conservatrix N.V.) en DNB, als tussen Conservatrix Groep en de Staat. Beide procedures zijn aangespannen door Conservatrix Groep en zijn qua inhoud vrijwel gelijk. De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft op 31 juli 2025 al een uitspraak gedaan over de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat.2 In deze vergelijkbare herroepingsprocedure heeft de Ondernemingskamer het herroepingsverzoek van Conservatrix Groep afgewezen en dat uitgebreid onderbouwd. Conservatrix Groep heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
In haar beschikking van 5 februari jl. in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarnaar in deze vraag wordt verwezen, heeft de rechtbank Conservatrix Groep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de aard van de oorspronkelijke beschikking zich tegen herroeping verzet. De overdracht van de aandelen is onomkeerbaar en levensverzekeraar Conservatrix N.V. verkeert inmiddels in staat van faillissement. De beschikking uit 2017 waarbij het overdrachtsplan van DNB om levensverzekeraar Conservatrix over te dragen is goedgekeurd, blijft daarmee onverkort in stand. De rechtbank heeft zich desondanks uitgelaten over de vraag of DNB in 2017 «bedrog in het geding» zou hebben gepleegd door niet toe te lichten dat de benodigde kapitaalversterking door de koper mede op basis van een herverzekering zou geschieden. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was, waarbij van belang is om hierbij nog te vermelden dat het gaat om gesteld bedrog in processuele zin, wat een andere betekenis heeft dan bedrog in het normale spraakgebruik. DNB is tegen dit oordeel van de rechtbank in cassatie gegaan (zie ook het antwoord op vraag 4). Het is nu aan de Hoge Raad om zich over deze uitspraak – en de hiervoor genoemde uitspraak in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat – te buigen.
Bent u van mening dat de in 2021 uitgevoerde evaluatie door de Evaluatiecommissie Conservatrix het gepleegde bedrog voldoende heeft kunnen evalueren, aangezien het rapport van de Evaluatiecommissie in de uitspraak van 5 februari 2026 een belangrijke bron was om te komen tot het oordeel dat er sprake is geweest van bedrog? Leidt deze uitspraak van de rechtbank nog tot aanvullende inzichten en lessen voor DNB?
De toets die de rechtbank in 2017 diende uit te voeren op basis van de wet en het onderzoek dat de Evaluatiecommissie Conservatrix heeft verricht naar de gebeurtenissen in de aanloop naar het faillissement van Conservatrix N.V. in 2020, hebben een verschillend doel en een andere reikwijdte. Dat gezegd hebbende, blijkt uit de toelichting bij het Instellingsbesluit Evaluatiecommissie Conservatrix3 dat de Evaluatiecommissie Conservatrix nadrukkelijk is gevraagd de herverzekering te onderzoeken. De Evaluatiecommissie Conservatrix, haar juridisch adviseur en secretaris hebben via een dataroom toegang gekregen tot alle relevante toezichtvertrouwelijke stukken, waaronder de afspraken die zijn gemaakt tussen toezichthouder DNB en de koper over de kapitaalversterking.
De Evaluatiecommissie Conservatrix schrijft in haar rapport onder meer dat een herverzekering een risicobeperkende techniek is die verzekeraars mogen toepassen bij berekening van de Solvency Capital Requirement (SCR). Zij bespreekt in haar rapport hoe de kapitaalstorting van Trier Holding B.V. zou worden opgebouwd, inclusief een herverzekering.4 Ook beoordeelt de Evaluatiecommissie in haar rapport of de herverzekering, achteraf bezien, goed heeft uitgepakt en of daar lessen uit te trekken zijn.5 Dit rapport is op 14 december 2021 aan uw Kamer aangeboden en openbaar geworden.6 DNB heeft mijn ambtsvoorganger geïnformeerd hoe zij opvolging heeft gegeven aan de aanbevelingen van de Evaluatiecommissie Conservatrix. Deze informatie is met uw Kamer gedeeld via de Kamerbrief «Reactie op het rapport van de Evaluatiecommissie Conservatrix» d.d. 5 april 2022.7
Wat zijn de (mogelijke) gevolgen van deze uitspraak voor DNB en de Staat?
DNB is het inhoudelijk eens met de verwerping van het herroepingsverzoek door de rechtbank. DNB kan zich echter niet vinden in de overwegingen van de rechtbank dat DNB in de overdrachtsprocedure onvoldoende informatie heeft gegeven over de wijze waarop de koper de kapitaalspositie zou versterken en dat daarom sprake zou zijn van processueel bedrog. DNB heeft daarom tegen onder meer dat onderdeel van de uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Daarnaast heeft DNB hoger beroep ingesteld tegen de opdracht van de rechtbank om bepaalde toezichtvertrouwelijke documenten aan Conservatrix Groep te verstrekken.
In de herroepingsprocedure tussen de Staat en Conservatrix Groep zullen de Advocaat-Generaal en de Hoge Raad ook kunnen kennisnemen van de openbare uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De overwegingen van de rechtbank over het bedrog zijn echter niet juridisch bindend voor deze herroepingsprocedure in cassatie of in een andere procedure.
Conservatrix Groep heeft in de media aangegeven dat zij van mening is dat de uitspraak van de rechtbank grondslag biedt voor (nadere) schadevergoeding aan Conservatrix Groep. Voor een eventuele nieuwe schadeclaim zou Conservatrix Groep verder moeten aanvoeren en onderbouwen welke schade dit «bedrog in het geding» precies heeft veroorzaakt.
Welke financiële gevolgen kunnen zich hierdoor voordoen en op welke wijze wordt hier door DNB en de Staat rekening mee gehouden?
Zoals hiervoor gezegd, kan een eventuele nieuwe schadevergoeding niet worden gevorderd van DNB (of de Staat) louter op basis van deze overwegingen van de rechtbank Amsterdam. Daarvoor zou Conservatrix Groep moeten aanvoeren en aantonen dat aan meerdere juridische vereisten voor een schadevergoeding is voldaan.
Welke juridische procedures lopen er op dit moment nog tussen Conservatrix Groep en DNB of de Staat? Wat is de stand van zaken in deze procedures?
Het Conservatrix-dossier is een langlopend traject. Naast de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarin op 5 februari 2026 door de rechtbank uitspraak is gedaan, lopen er momenteel twee procedures tussen Conservatrix Groep en de Staat.
Voor de goede orde benadruk ik hier dat de procedures worden gevoerd tussen de Staat en de voormalig aandeelhouder van Conservatrix N.V. De procedures gaan niet over de vraag of polishouders recht hebben op compensatie, omdat later met de nieuwe aandeelhouder ook problemen ontstonden en de levensverzekeraar in 2020 alsnog failliet is gegaan. Het ingrijpen van DNB in 2017 was juist gericht op het beschermen van de polishouders en de financiële stabiliteit.
De eerste procedure betreft een schadeloosstellingsprocedure tegen de Staat, gestart in 2017. Op 26 juni 2017 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling op de voet van artikel 3:159ab Wft (oud). Dit artikel bood Conservatrix Groep de mogelijkheid om schadevergoeding te vragen in aanvulling op de EUR 1,– die zij heeft ontvangen toen zij haar aandelen in de noodlijdende levensverzekeraar Conservatrix N.V. moest overdragen op last van DNB en de rechtbank. De Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat er twee scenario’s resteerden op de relevante peildatum, namelijk een liquidatiescenario (noodregeling of faillissement)8 en een overnamescenario.9, 10 De Hoge Raad heeft dat in een tussentijds cassatieberoep bevestigd. Vervolgens heeft de Ondernemingskamer een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de vraag wat de waarde van de aandelen in Conservatrix N.V. op de peildatum in het overnamescenario zou zijn geweest. De Ondernemingskamer heeft een drietal deskundigen benoemd om dit waarderingsonderzoek te verrichten. De Ondernemingskamer heeft vervolgens het voorschot van de kosten van het deskundigenonderzoek vastgesteld en bepaald dat dit voorschot ieder voor de helft door Conservatrix Groep en de Staat dient te worden voldaan. De Staat heeft zijn deel van het voorschot betaald. Conservatrix Groep heeft geweigerd haar deel van het voorschot te voldoen. De Ondernemingskamer heeft vervolgens besloten dat het deskundigenonderzoek daarom niet kan plaatsvinden. De Ondernemingskamer verwacht op 2 april 2026 een einduitspraak te doen in de schadeloosstellingsprocedure.
De tweede nog lopende procedure is de hiervoor reeds genoemde herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat, die is gestart in 2025. Op 20 mei 2025 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoek ingediend tot herroeping van haar eerdere tussenbeschikkingen in de schadeloosstellingsprocedure. Aan dit verzoek heeft Conservatrix Groep ten grondslag gelegd dat de Staat (of DNB) bedrog zou hebben gepleegd door eerder in de schadeloosstellingsprocedure te verzwijgen dat de door Trier Holding B.V. op grond van het overdrachtsplan te verschaffen kapitaalversterking mede bestond uit een herverzekeringsovereenkomst. Partijen hebben hun standpunten over dit verzoek uitvoerig uiteengezet, zowel schriftelijk als tijdens een zitting bij de Ondernemingskamer. Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de Ondernemingskamer vervolgens alle verzoeken van Conservatrix Groep afgewezen en deze beslissing uitvoerig gemotiveerd.11 Tegen deze beschikking van de Ondernemingskamer heeft Conservatrix Groep op 31 oktober 2025 cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De cassatieprocedure loopt momenteel.