Het bericht ‘Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Ja.
Welke gevolgen heeft de oplopende wachttijd voor kinderen die wachten op een passend pleeggezin, in het bijzonder voor kinderen die verblijven in een crisispleeggezin of afkomstig zijn uit een onveilige thuissituatie?
Door het dalende aantal pleegouders wachten veel kinderen op een passende plek in een pleeggezin. Wat deze wachttijd tot gevolg heeft, hangt af van de individuele situatie. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van het kind. In het licht van het pleegoudertekort wil ik benoemen dat het van belang is om pleegkinderen alleen in een pleeggezin te plaatsen wanneer er voldoende vertrouwen bestaat dat een plaatsing succesvol zal zijn. Alleen zo bieden we pleegkinderen veiligheid, stabiliteit en zekerheid. Jeugdzorg Nederland zegt hierover het volgende2: «Het is meestal dat de match met een pleeggezin op zich laat wachten doordat de vraag niet direct of 1-op-1 aansluit bij het profiel van de beschikbare pleeggezinnen. Het grote tekort aan pleeggezinnen, en daarmee keuzemogelijkheden voor een juiste match is daarbij de voornaamste reden. Er wordt de laatste jaren ook meer ingezet op kindgericht werven, hierbij wordt in het eigen bredere netwerk van het kind gezocht naar een gezin dat iets kan en wil betekenen, dit vergt echter ook meer tijdsinvestering en kan er ook voor zorgen dat een kind langer op een geschikte plek in een pleeggezin moet wachten en er dus meer kinderen op de wachtlijst staan.»
Heeft u inzicht in hoeveel kinderen langer dan noodzakelijk moeten wachten op een passend pleeggezin en daardoor langer in een onveilige thuissituatie of een crisispleeggezin verblijven? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Jeugdzorg Nederland rapporteert3 dat op 31 december 2025 er 864 jeugdigen wachtten op pleegzorg. Wat het wachten op een pleeggezin tot gevolg heeft, hangt af van de individuele situatie. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van het kind. Er kan daarbij andere hulp worden ingezet.
Welke concrete bevoegdheden en mogelijkheden gaat u als stelselverantwoordelijke Minister inzetten om te voorkomen dat kinderen door het tekort aan pleeggezinnen langer moeten wachten op een veilige en passende opvangplek?
Pleegzorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de werving van nieuwe pleegouders, zij zetten zich met man en macht in om voldoende pleegouders te werven. Ik ondersteun hen door de landelijke campagne «Jouw huis een 2e thuis» te financieren, welke ik voornemens ben te verlengen t/m 2027. Deze campagne slaat goed aan. De campagne verwijst geïnteresseerden naar Pleegzorg.nl, waar zij een informatiepakket kunnen aanvragen bij de pleegzorgaanbieder in hun regio. Uit een recente evaluatie van de campagne blijkt dat veel geïnteresseerden via de campagne de website weten te vinden, maar dat de drempel om daadwerkelijk een informatiepakket aan te vragen nog relatief hoog is. Daarom heeft Jeugdzorg Nederland samen met de pleegzorgaanbieders het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders geüniformeerd en landelijk toegankelijk gemaakt. Hier heb ik aanvullende middelen voor beschikbaar gesteld. Dit traject is sinds september live op Pleegzorg.nl. Potentiële pleegouders krijgen hierdoor vooraf een duidelijker beeld van wat pleegzorg inhoudt, wat er van hen wordt verwacht en wat zij zelf kunnen verwachten. Daarnaast maken geïnteresseerden hiermee al vroeg kennis met Pleegzorg.nl. Het platform kan hen ook later, als pleegouder, ondersteunen met actuele informatie, praktische tools en mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen in hun rol als pleegouder.
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te verzoeken onderzoek te doen naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen voor de veiligheid en ontwikkeling van kinderen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet, de naleving van wetgeving en bewaakt de kwaliteit en de veiligheid van de jeugdhulp. Een onderzoek naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen behoort niet tot de rol van de IGJ.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren, zoals door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen bepleit? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ga opnieuw onderzoek laten doen naar de redenen waarom pleegouders stoppen en wat juist kan helpen om door te gaan, in opvolging van het onderzoek uit 2019 van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), Jeugdzorg Nederland en de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP).4 Samen met de sector bespreek ik hoe ik dit onderzoek het best kan vormgeven. Ik verwacht dat het onderzoek dit najaar van start kan gaan, ik zal de Kamer over de voortgang informeren.
Wordt momenteel landelijk geregistreerd om welke redenen pleegouders stoppen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt dit niet structureel bijgehouden?
Nee, dit wordt niet landelijk geregistreerd. Individuele pleegzorgaanbieders houden deze gegevens ook niet altijd bij, en als ze deze gegevens bijhouden doen zij dit elk op een eigen wijze.
In hoeverre herkent u het signaal dat pleegouders zich onvoldoende begeleid voelen en het gevoel hebben er alleen voor te staan? Welke maatregelen gaat u nemen om de begeleiding en ondersteuning van pleegouders structureel te verbeteren, zodat minder pleegouders afhaken?
Ik herken het signaal dat het helaas niet altijd lukt om ondersteuning op het juiste moment of in de juiste vorm te bieden aan pleegouders. Het versterken van de begeleiding door pleegzorgwerkers staat hoog op de agenda van de pleegzorgaanbieders. Zo zetten pleegzorgaanbieders erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, dat pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Eerdergenoemd onderzoek naar de redenen om te stoppen met pleegzorg zal ook aanknopingspunten geven om gerichter de begeleiding van pleegouders te verbeteren. Aanvullend worden pleegouders bijgestaan door de NVP en de vertrouwenspersonen van Jeugdstem – welke beiden door mij worden gefinancierd. Ook kunnen pleegouders in een Mockingbird constellatie onderlinge steun organiseren, dit wordt door steeds meer pleegzorgaanbieders aangeboden.
Welke concrete maatregelen kunt u op korte termijn treffen om te voorkomen dat kinderen vanwege een tekort aan pleeggezinnen langer in een onveilige situatie moeten blijven of langer dan noodzakelijk in een crisispleeggezin verblijven?
Zoals in mijn antwoord onder 2 aangegeven, hangt de impact van het wachten op een pleeggezin af van de individuele situatie. De betrokken professionals en instanties dragen in de tussentijd zorg voor het welzijn en de veiligheid van het kind. Er kan daarbij andere hulp worden ingezet. Mijn inzet om voldoende pleeggezinnen te werven heb ik toegelicht in mijn antwoord onder 4.
Acht u de huidige landelijke aanpak voldoende om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kinderen sneller een veilige en passende plek krijgen?
Op basis van de trends die zichtbaar zijn moeten we constateren dat de huidige aanpak niet voldoende is om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen. Het tekort is tweeledig: er zijn te weinig nieuwe pleegouders en te veel bestaande pleegouders stoppen. Daarom is extra inzet benodigd in de werving van nieuwe pleegouders (zie mijn antwoord onder 4) en op het behoud van bestaande pleegouders (zie mijn antwoord onder 8). Het uitgangspunt om eerst te zoeken naar mogelijkheden voor pleegzorg binnen het netwerk is leidend. Vaak wordt dit gedaan door zogenaamd kindgericht werven, waarbij in overleg met het kind en zijn ouder(s) in hun directe en indirecte netwerk wordt gezocht naar een passend pleeggezin. Bij die gesprekken worden ook andere voor hen belangrijke mensen in de omgeving betrokken. Het realiseren van netwerkplaatsingen blijft complex. Netwerkpleegzorg vraagt intensieve begeleiding en voldoende draagkracht binnen het netwerk. Bovendien geven netwerkpleegouders zich vaker niet automatisch opnieuw op als pleegouder, wanneer het pleegkind uitstroomt. De motivatie om netwerkpleegouder te worden, verschilt daarin van de motivatie om bestandspleegouder te worden.
Deelt u de mening dat een tekort aan pleeggezinnen nooit de reden mag zijn dat een kind langer in een onveilige situatie verblijft? Zo ja, op welke wijze waarborgt u dit in de praktijk?
Ja, maar ik weet dat dit in de praktijk erg ingewikkeld is om altijd te kunnen waarborgen. Ieder geval is anders. Soms is sprake van ontwikkelingsbedreiging voor het kind, maar is er geen acute onveiligheid. Soms is er acuut gevaar en moet het kind per direct op een veilige plek geplaatst worden. In beide situaties kan een kind op de wachtlijst staan voor pleegzorg. Het is aan de betrokken professionals om hier goede afweging en prioritering in te maken, waarbij ook de mogelijkheid is om een jeugdige (tijdelijk) in een andere zorgvorm te plaatsen.
Kunt u de Kamer vóór 1 oktober 2026 informeren over de maatregelen die u neemt om zowel de veiligheid van deze kinderen te waarborgen als het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen?
Met bovenstaande beantwoording voldoe ik aan uw verzoek.
Problemen bij de uitvoering van rechtsbijstand onder het Europese Migratiepact |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Juridische bijstand in asielzaken onder nieuwe EU-migratiepact loopt nu al mis: afspraken met asieladvocaten tijdelijk stopgezet»?1
Ja.
Klopt het dat in de afgelopen dagen een aanzienlijk aantal intakegesprekken tussen asielzoekers en hun rechtsbijstandverlener geen doorgang heeft kunnen vinden doordat uitnodigingen niet of te laat zijn verstuurd en vervoer niet was geregeld?
Het klopt dat na invoering van het Pact zowel intakegesprekken als nabesprekingen van het gehoor tijdelijk niet zijn doorgegaan. Sinds 25 juni 2026 stonden op de locaties Ter Apel, Den Bosch en Zevenaar de eerste gesprekken met asieladvocaten gepland na inwerkingtreding van het EU-Migratiepact. In de periode 25 t/m 29 juni zijn daar in totaal 115 gesprekken ingepland, waarvan 85 geen doorgang vonden wegens niet-verschijnen van de asielzoeker. Dit betrof met name logistieke knelpunten: uitnodigingen die de asielzoeker niet (tijdig) bereikten en vervoer dat niet was geregeld. Op de locatie Schiphol worden in de asielgrensprocedure eveneens zaken onder het Migratiepact behandeld. Daar hebben sinds 12 juni jl. alle geplande intakes en nabesprekingen volgens planning plaatsgevonden.
Hoeveel intakegesprekken en nabesprekingen zijn sinds de inwerkingtreding van het Europese Migratiepact gepland, hoeveel daarvan zijn niet doorgegaan en wat zijn daarvan de oorzaken?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de Raad voor Rechtsbijstand de planning van nieuwe rechtsbijstandsgesprekken tijdelijk heeft opgeschort? Zo ja, sinds wanneer en welke gevolgen heeft dit voor de voortgang van asielprocedures? Wanneer worden de rechtsbijstandgesprekken weer hervat?
De Raad voor Rechtsbijstand heeft op 29 juni 2026 een communicatiebericht verspreid over de logistieke problemen met de planning van kennismakingsgesprekken onder alle asieladvocaten. Advocaten die stonden ingeroosterd voor gesprekken die geen doorgang vonden, zijn individueel geïnformeerd. Op 2 juli 2026 heeft de Raad voor de Rechtsbijstand de planning in asielprocedures weer kunnen hervatten.
Welke organisaties zijn verantwoordelijk voor respectievelijk het tijdig informeren van asielzoekers over afspraken, het organiseren van vervoer, de afstemming tussen Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en Raad voor Rechtsbijstand?
Er is geen wettelijke bepaling die één partij exclusief verantwoordelijk maakt voor het tijdig informeren van asielzoekers over afspraken. In de praktijk nodigt iedere betrokken instantie de asielzoeker zelf per brief uit voor de betreffende afspraak. Post voor asielzoekers wordt geleverd bij de receptie van de opvanglocatie. De asielzoeker is zelf verantwoordelijk voor het tijdig openen en opvolgen van deze post en voor het nakomen van gemaakte afspraken. Dit wordt echter bemoeilijkt wanneer de asielzoeker (nog) niet is toegewezen aan een opvanglocatie en daardoor moeilijk bereikbaar is voor postbezorging.
Het COA is op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van openbaarvervoerskaarten voor reizen van en naar de rechtsbijstandverlener in verband met de asielprocedure. Deze verstrekking maakt onderdeel uit van het reguliere opvangpakket en vloeit voort uit de aan het COA toegekende taken op grond van de Wet COA.
Worden gehoren door de IND uitgesteld wanneer een asielzoeker vooraf geen daadwerkelijk gesprek met zijn of haar advocaat heeft kunnen voeren? Zo nee, hoe waarborgt u in dat geval het recht op effectieve rechtsbijstand? Zo ja, welke vertraging brengt dit in praktijk met zich mee?
In beginsel spreekt de aanvrager twee dagen voor het gehoor zijn advocaat voor een kennismakingsgesprek. Dit gesprek is niet bedoeld als inhoudelijke voorbereiding op het gehoor. De intake is bedoeld om de advocaat tijdig te kunnen koppelen aan een asielzoeker, kennis te maken en toegang te geven tot het dossier. Het uitblijven van dit gesprek staat het doorgaan van het gehoor daarmee niet in de weg. Twee dagen na het gehoor vindt de nabespreking met de advocaat plaats. Vanaf dat moment vervult de advocaat ook formeel een rol in de versnelde en niet-versnelde asielprocedure.
Deelt u de opvatting dat effectieve toegang tot rechtsbijstand een essentieel onderdeel vormt van een zorgvuldige asielprocedure en van de implementatie van het Europese Migratiepact?
Ja. Effectieve toegang tot rechtsbijstand is een essentieel onderdeel van een zorgvuldige asielprocedure. Dit is geborgd doordat gedurende de hele procedure rechtsbijstand beschikbaar is. Juridische counseling is beschikbaar vanaf het moment van de asielaanvraag tot aan de koppeling met een advocaat, waarna de advocaat de juridische vertegenwoordiging overneemt.
Bestaat het risico dat besluiten die onder deze omstandigheden met problemen bij de uitvoering van rechtsbijstand worden genomen door de rechter worden vernietigd vanwege onvolledige rechtsbescherming of procedurele tekortkomingen? Heeft u hierover juridisch advies ingewonnen?
De tijdelijke onderbreking van de planning van asielrechtsbijstand heeft enkele dagen geduurd. Inmiddels is de planning hervat. Dit heeft er niet toe geleid dat in lopende procedures besluiten zijn genomen zonder dat rechtsbijstand beschikbaar was. Gehoren zijn doorgegaan en in overleg met de advocatuur is gezorgd dat nabesprekingen, die aanvankelijk niet konden plaatsvinden, alsnog worden ingepland. De IND heeft vanwege de tijdelijke onderbreking geen besluit genomen en zal geen besluit nemen voordat de asielzoeker rechtsbijstand heeft ontvangen. Tegen deze achtergrond zie ik geen reëel risico dat besluiten door de rechter worden vernietigd wegens onvolledige rechtsbescherming of procedurele tekortkomingen als gevolg van deze tijdelijke onderbreking.
Zijn deze uitvoeringsproblemen het gevolg van onvoldoende voorbereiding op de invoering van het migratiepact, capaciteitsproblemen, ICT-problemen, logistieke knelpunten of andere oorzaken? Kunt u dit toelichten?
Door een achterstand bij de uitplaatsing vanuit Ter Apel naar opvanglocaties verspreid over het land moesten asielzoekers voor gesprekken met hun advocaat en voor IND gehoren naar behandellocaties in het land worden vervoerd. Dat vervoer bleek niet in alle gevallen geregeld. Daarnaast ontstonden knelpunten doordat uitnodigingen voor een gesprek met de advocaat niet tijdig op het juiste adres werden bezorgd of de asielzoeker niet bereikten. Dit werd mede veroorzaakt doordat personen niet konden uitstromen uit de Centrale Ontvangstlocatie (COL) waardoor post niet goed kon worden uitgereikt. Als gevolg hiervan konden veel gesprekken niet doorgaan. De COL is ingericht voor kortdurende opvang en niet voor langdurig verblijf. Voorzieningen voor langer verblijf, zoals een reguliere postvoorziening, waren daarom in beginsel niet beschikbaar. Dit is ondervangen door in Ter Apel een extra postkamer in te richten.
Welke acute maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat rechtsbijstand, vervoer en communicatie zo snel mogelijk weer volledig functioneren?
Om een goede overgang te borgen, zijn tijdelijke werkafspraken gemaakt tussen COA, IND en Raad voor de Rechtsbijstand over betere informatievoorziening, tijdige aanlevering van afsprakenlijsten en duidelijke afspraken over het vervoer voor asielzoekers. In Ter Apel is een extra postkamer ingericht om ervoor te zorgen dat informatie asielzoekers tijdig en correct bereikt. Volwassen asielzoekers zijn zelf verantwoordelijk voor het controleren van hun post, waaronder berichten over het contact met hun advocaat. Deze maatregelen gelden totdat er structurele afspraken worden gemaakt in de uitvoeringsketen. Met deze maatregelen functioneren de informatievoorziening, rechtsbijstand en het vervoer weer volgens de gemaakte werkafspraken. De uitvoering wordt wekelijks gemonitord, zodat de tijdelijke werkprocessen waar nodig kunnen worden bijgesteld. Hiermee wordt de uitvoering verder gestabiliseerd en worden risico's op vergelijkbare knelpunten zoveel mogelijk voorkomen.
Om herhaling te voorkomen worden structurele ketenafspraken voorbereid. Het COA, de IND en de Raad voor Rechtsbijstand verduidelijken verantwoordelijkheden in de uitvoeringsketen en stellen vaste procedures vast voor het tijdig verstrekken van uitnodigingen en het organiseren van vervoer naar afspraken met de IND en de rechtsbijstandverlener. Daarnaast wordt de informatievoorziening verder verbeterd.
Welke structurele maatregelen neemt u om te voorkomen dat vergelijkbare uitvoeringsproblemen zich opnieuw voordoen tijdens de verdere implementatie van het Europese Migratiepact?
Zie antwoord vraag 10.
De uitspraak dat het islamitische geloof “het minst tolerant” zou zijn |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Waarom heeft u ervoor gekozen om, naar aanleiding van een onderzoek naar lhbtiq+-opvattingen onder jongeren, te stellen dat het islamitische geloof «het minst tolerant» zou zijn in vergelijking met het christendom en andere geloofsovertuigingen?
Ik sta pal voor vrijheid en gelijkwaardigheid als fundamentele waarden in onze democratische rechtsstaat. Deze waarden zijn niet onderhandelbaar. In Nederland moet iedereen in vrijheid en veiligheid zichzelf kunnen zijn, ongeacht godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of welke grond dan ook.
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren van de Universiteit van Amsterdam1 stond op de convocatie van het Commissiedebat Emancipatie van 25 juni jongstleden. Tijdens dit debat vond een discussie plaats tussen de leden van de commissie. Hierbij vroegen de leden om een toelichting over acceptatie in relatie tot religie. In mijn reactie heb ik toegelicht wat het onderzoek hierover zegt. Het onderzoek meldt dat religieuze jongeren gemiddeld negatievere lhbtiq+-opvattingen hebben dan niet-religieuze jongeren. Onder religieuze jongeren hebben islamitische jongeren gemiddeld negatievere lhbtiq+-opvattingen dan christelijke en andersgelovige jongeren (p. 45–46 van het rapport).
Klopt het dat het onderzoek geen oordeel geeft over de tolerantie van religies, maar uitsluitend ziet op opvattingen van jongeren over lhbtiq+-personen? Zo ja, waarop baseerde u dan uw uitspraak dat het islamitische geloof «het minst tolerant» zou zijn?
Het onderzoek brengt in kaart welke factoren correleren met de lhbtiq+-opvattingen van jongeren. Uit het onderzoek blijkt dat met name de mate van conservatisme, geslacht, godsdienst en leerweg een rol spelen bij de lhbtiq+-opvattingen van jongeren. Zie het antwoord op vraag 1.
Heeft u deze uitspraak gedaan namens het kabinet, onder het beginsel van eenheid van kabinetsbeleid, of betrof dit uw persoonlijke opvatting?
Zie de antwoorden op vragen 1 en 2. In de kabinetsreactie op het onderzoek
Indien dit kabinetsbeleid betreft: kan het kabinet bevestigen dat het islamitische geloof volgens het kabinet «het minst tolerant» is? Indien dit niet het geval is, waarom heeft u deze uitspraak dan gedaan als bewindspersoon?
Zie de antwoorden op vragen 1, 2 en 3.
Waarom heeft u ervoor gekozen een algemene kwalificatie te geven van «het islamitische geloof», terwijl het onderzoek uitsluitend betrekking heeft op opvattingen van respondenten die zichzelf als moslim identificeren?
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongerenwas onderwerp van gesprek in het Commissiedebat Emancipatie. In mijn reactie heb ik toegelicht wat het onderzoek hierover zegt als het gaat om religie en verschillen tussen religies.
Zie ook het antwoord op vraag 1.
Erkent u dat uw uitspraak een algemene kwalificatie van het islamitische geloof inhoudt, terwijl de onderzoekers zelf geen conclusies trekken over religies, maar uitsluitend rapporteren over opvattingen van een onderzochte groep jongeren? Erkent u daarmee dat u met uw algemene duiding verder bent gegaan dan de onderzoekers zelf verantwoorden?
Mijn uitspraken komen voort uit eerdergenoemd onderzoek en zijn gedaan in het Commissiedebat Emancipatie dat ging over de mogelijke zorgen met betrekking tot afnemende lhbtiq+-acceptatie onder jongeren.
Heeft u vooraf kennisgenomen van de methodologische kanttekeningen van de onderzoekers, waarin zij waarschuwen dat de resultaten met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd? Zo ja, waarom heeft u die waarschuwingen niet betrokken bij uw publieke duiding?
Ja. In het verlengde daarvan zijn aanvullende onderzoeken en inzichten nodig om beter te begrijpen hoe het complex van factoren met betrekking tot lhbtiq+-acceptatie werkt en daar beleid op te maken voor het verbeteren van de vrijheid en gelijkwaardigheid van lhbtiq+ personen. In 2027 wordt aanvullend onderzoek gepubliceerd dat onder andere nader inzicht moet geven in de invloed van (verschillende vormen van) religieus conservatisme. Op basis van die resultaten weeg ik af welk aanvullend onderzoek en toezicht nodig is.
Bent u bereid uw woorden in te trekken en excuses aan te bieden aan de moslimgemeenschap in Nederland?
Ik ga graag in gesprek met de moslimgemeenschap over lhbtiq+-acceptatie in het algemeen en de vrijheid en gelijkwaardigheid van islamitische lhbtiq+ jongeren in het bijzonder.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de staatssecretaris dreigt de Kamer te passeren voor versoepeling van de bescherming van de wolf |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat de Kamer middels motie-Kostić (Kamerstuk 33 118, nr. 310) de regering heeft verzocht geen verdere stappen te zetten in de voorbereiding of uitvoering van de voorgestelde wijziging van het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving, tot het nieuwe kabinet is aangetreden en de Kamer inzicht heeft kunnen krijgen in het voorgenomen besluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen?
Ja.
Erkent u dat dit definitieve oordeel moet worden geveld door de Kamer ten tijde van een voorgenomen besluit van het nieuwe kabinet, voordat er verdere stappen door het kabinet kunnen worden genomen?
De aangenomen motie Kostić verzoekt inderdaad geen verdere stappen te zetten tot het nieuwe kabinet (het kabinet Jetten) is aangetreden en uw Kamer inzicht heeft gekregen in het gewijzigde ontwerpbesluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen. Ik heb uw Kamer inzicht gegeven in het gewijzigde ontwerpbesluit, maar uw Kamer heeft nog geen oordeel over het ontwerpbesluit geveld. Ik heb uw Kamer gelet op het belang van spoedige vaststelling van het besluit meermaals opgeroepen om dit debat zo snel als mogelijk met mij te voeren. Het afwachten van dit oordeel is echter geen vereiste in het totstandkomingsproces van het ontwerpbesluit. Een algemene maatregel van bestuur (amvb) onder de Omgevingswet kent op grond van artikel 23.5, eerste lid, van de Omgevingswet een voorhangprocedure. Dit betekent dat het ontwerp van amvb wordt voorgelegd aan het parlement, zodat uw Kamer zich over het ontwerp kan uitspreken, maar vereist niet dat wordt gewacht op een definitief oordeel of instemming. Deze voorhangprocedure is gestart op 10 juni 2025 en is inmiddels doorlopen. Daarbij heeft uw Kamer middels het tweeminutendebat Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals) van 29 januari jl. uw reactie aan de regering kenbaar gemaakt.
Waarom heeft u recent in de media laten weten dat u de wetgeving voor het zomerreces wil invoeren, of de Kamer er nou over kan debatteren of niet?1
Het is belangrijk dat de amvb in werking kan treden voor het zomerreces, om handvatten voor de aanpak van probleemwolven te bieden. Hier vragen provincies en gemeenten om. Daarom heb ik uw Kamer gevraagd deze amvb zo snel mogelijk te behandelen (Kamerstuk II 2025/26, 33 576, nr. 486). Het welpenseizoen staat voor de deur. Als er onverhoopt incidenten zijn deze zomer, wil ik dat gemeenten en provincies zo snel mogelijk kunnen handelen en daarbij gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die deze amvb biedt.
Kunt u zich voorstellen dat uw woorden, waarin het lijkt alsof u dreigt met het passeren van de Kamer, als niet passend worden ervaren?
Ik vind het vervelend dat mijn woorden door het lid Kostic zo worden ervaren en zal u mijn dilemma schetsen. Gezien de urgentie en het lopende recreatieseizoen, wil ik snel handelen. Daarom heb ik spoedadvies gevraagd aan de Raad van State. Uw Kamer heeft mij ook gevraagd snel te handelen middels de motie van het lid Ten Hove die de regering verzoekt zo spoedig mogelijk te komen met een juridisch houdbare beheerstrategie voor het aanpakken van probleemwolven en probleemsituaties, daarbij nadrukkelijk aandacht te besteden aan monitoring en preventie en medeoverheden actief te betrekken bij de uitwerking (Kamerstuk II 2025/26, 36 800 XIV, nr. 51). Dit verzoek staat op gespannen voet met het laatste deel van de motie Kostić. De motie Kostić is bijna helemaal uitgevoerd; alleen het laatste deel van het in deze motie geformuleerde verzoek kan ik door de grote tijdsdruk niet uitvoeren, mede omdat uw Kamer ervoor heeft gekozen de amvb vooralsnog niet te behandelen.
Als de wetgeving zo urgent voor u is, waarom heeft u dan het Nationaal Wolvenberaad geannuleerd een dag voor uw mededeling dat u zo snel mogelijk de wetgeving wil invoeren? Ziet u de meerwaarde van overleg met het Nationaal Wolvenberaad voordat definitieve besluiten door de Kamer worden genomen? Zo nee, waarom niet?2
Het Nationaal Wolvenberaad vormt geen onderdeel van de totstandkomingsprocedure van de amvb. Ik wil dit beraad benutten om persoonlijk kennis te maken met vertegenwoordigers van verschillende overheden en maatschappelijke organisaties betrokken bij het wolvendossier in Nederland. Met deze partijen wil ik vanuit verschillende perspectieven input krijgen over de ontwikkelingen rondom wolven en de rol die de verschillende partijen in het dossier hebben en voor zichzelf zien. Ook wil ik het Nationaal Wolvenberaad voeren om de vervolgstappen met alle relevante partijen te bespreken.
Helaas heb ik op heel korte termijn de geplande afspraak moeten annuleren. Er was die ochtend een overleg van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof ingelast waar ik bij aanwezig moest zijn. Ik wil bij het Nationaal Wolvenberaad persoonlijk spreken met de diverse partijen de te maken hebben met het wolvendossier. Daarom heb ik besloten het beraad te verplaatsen naar het najaar.
Kunt u zich voorstellen dat de Kamer ook een extreem drukke agenda heeft waarin allerlei andere belangrijke zaken nog afgerond moeten worden voor het zomerreces en de werklast al hoog ligt (bij zowel Kamerleden als medewerkers), waardoor de Kamer het debat over het ontwerpbesluit liever vlak na het zomerreces zou willen voeren? Kunt u die situatie respecteren en niet in de media communiceren dat u het definitieve besluit doorzet voor het zomerreces zonder dat de Kamer er een definitief oordeel over heeft geveld?
De Kamer is via de brieven van 24 april en 8 juni 2026 geïnformeerd over de laatste wijzigingen in de AMvB. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, vind ik het van het allergrootste belang dat de amvb voor het zomerreces in werking kan treden om zo provincies en gemeenten deze zomer al meer mogelijkheden te bieden om op te treden indien er onverhoopt incidenten zijn met wolven. Daarom heb ik de Kamer opgeroepen dit debat zo spoedig mogelijk in te plannen.
Kunt u bevestigen dat u zich houdt aan de wens van de Kamer en dat u het respecteert als de Kamer na het zomerreces definitief over het betreffende Ontwerpbesluit wil beslissen?
Zoals ik in mijn eerdere antwoorden heb aangegeven vind ik het van het allergrootste belang dat de amvb voor het zomerreces in werking treedt. Ik zal aan eventuele wensen van de Kamer die na het zomerreces worden geformuleerd naar beste kunnen invulling geven.
Als de Kamer het debat na het zomerreces gaat voeren over het ontwerpbesluit, ziet u nog mogelijkheden om alsnog voor dat debat overleg te plegen met het Nationaal Wolvenberaad?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 heb aangegeven, vormt het Nationaal Wolvenberaad geen onderdeel van de totstandkomingsprocedure van de amvb. Het beraad zal in het najaar plaatsvinden, een exacte datum is hiervoor nog niet vastgesteld. Ik begrijp dat er in uw Kamer een meerderheid is voor het inplannen van een debat over de wolf de eerste week na het reces, op basis van de Regeling van werkzaamheden op 30 juni 2026. In dat geval zal het wolvenberaad na het debat plaatsvinden.
Kunt u een exact overzicht geven van alle personen en organisaties die waren uitgenodigd voor dat Nationaal Wolvenberaad?
Deelnemers aan het Nationale Wolvenberaad zijn:
Kunt u deze vragen één voor één uiterlijk dinsdag 30 juni 2026 beantwoorden?
Het afhuren van (meerdere) strandtenten in Scheveningen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat op moment van schrijven, 25 juni 2026, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) één of meerdere Beach bars in Scheveningen heeft afgehuurd voor eigen festiviteiten?1
Ja.
Kunt u aangeven welke kosten hiermee gemaakt worden, wie er onder de genodigden vallen en voor hoeveel personen deze bijeenkomst bedoeld is?
De externe locaties zijn afgehuurd ten behoeve van personeelsbijeenkomsten voor medewerkers van verschillende organisatieonderdelen van het ministerie. Die zijn uitsluitend bedoeld voor eigen personeel. Binnen Rijksbegrotingshoofdstuk VII, Artikel 11 Centraal Apparaat is budget gealloceerd voor Personele uitgaven waar onder andere de kosten voor personeelsbijeenkomsten onder vallen. Deze kosten vallen binnen dit budget, maar zijn niet specifiek uit te splitsen naar dit aggregatieniveau.
Kunt u aangeven wanneer en op welk ambtelijk niveau het besluit is genomen deze Beach bar(s) af te huren?
Ieder organisatieonderdeel heeft budgetten beschikbaar gesteld gekregen voor dit type activiteiten. Over de organisatie en invulling van personeelsbijeenkomsten wordt per organisatieonderdeel besloten.
Kunt u aangeven welke publieke belangen er gediend worden door met publiek geld Beach bars in Scheveningen af te huren en hoe dit zich verhoudt tot de steeds verder oplopende lasten van belastingbetalende hardwerkende burgers?
Kunt u aangeven hoe vaak per jaar dergelijke activiteiten ondernomen worden door het Ministerie van BZK en welke kosten hiervoor gemaakt en gereserveerd worden?
Het is niet mogelijk om een dergelijk overzicht te maken. De kosten vallen binnen het hierboven genoemde centrale apparaatsbudget.
Kunt u aangeven wat er exact begint met verbinden?2
Personeelsbijeenkomsten worden georganiseerd om betrokkenheid, onderlinge verbondenheid en waardering te bevorderen.
Kunt u aangeven hoe dergelijke activiteiten zich verhouden tot het eerder aangekondigde beleid waarbij bezuinigd zou worden op onder andere borrels?3
Conform Rijksbreed beleid zijn de afgelopen jaren bij elk onderdeel van BZK de kosten van externe locaties, bijeenkomsten, lunches etc. onder de loep genomen en wordt er terughoudend omgegaan met het huren van externe locaties.
Kunt u, als Minister van het moederdepartement, aangeven hoe bovenstaande vragen gestalte vinden op andere departementen en hoe dit zich verhoudt tot uw ministerie?
Ieder departement is verantwoordelijk voor een eigen beleid op personeelsbijeenkomsten.
Verspreide berichten van burgerwachten in verschillende gemeenten. |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de burgerwachten die zijn opgezet in verschillende gemeenten in navolging van de protesten over de komst van noodopvang voor asielzoekers of statushouders, zoals bijvoorbeeld wordt beschreven in het artikel «Nagestaard, gefotografeerd en gewantrouwd»?1
Ja.
In hoeveel gemeenten zijn er inmiddels soortgelijke burgerwachten opgericht?
Er is geen landelijk beeld van het aantal gemeenten waarin er actieve burgerwachten of buurtpreventieteams zijn opgericht, aangezien er niet één centrale registratie van dergelijke lokale initiatieven bestaat.
Wanneer gaat dit gedrag van intimidatie over in bedreiging, stalking, laster of doxing en gaat het dus over strafbare feiten?
Een maatschappij waarin intimidatie wordt gebruikt als middel om je zin te krijgen is onaanvaardbaar. In algemene zin is het lastig aan te geven wanneer intimidatie overgaat in een strafbaar feit. Hierbij spelen de feiten en omstandigheden, de context en de vereisten van strafbare feiten als bedreiging, stalking, laster en doxing een rol. Het is aan de officier van justitie om te beoordelen wanneer het mogelijk en opportuun is om over te gaan tot vervolging voor een strafbaar feit en vervolgens aan de rechter om te bepalen of al dan niet sprake is van een strafbaar feit.
Is er al aangifte gedaan van dergelijke strafbare feiten door dit soort burgerwachten door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners?
In het registratiesysteem van de politie wordt niet systematisch vastgelegd of er een strafbaar feit is gepleegd door burgerwachten. Omdat een brede zoekslag naar mogelijke aangiften door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners van dergelijke feiten zodoende niet kan worden uitgevoerd, kan deze vraag niet worden beantwoord.
Bent u van mening dat opvangbewoners weten wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten wanneer er strafbare feiten tegen hen worden gepleegd? Zo ja, waarom denkt u dat?
Om ervoor te zorgen dat personen die via de asielstroom nieuw in Nederland zijn op de hoogte zijn van de Nederlandse wetten en normen, wordt hier bij aankomst bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) basisinformatie over verstrekt. Daarnaast wordt door bijvoorbeeld Vluchtelingenwerk Nederland informatie verstrekt over de asielprocedure en daarmee samenhangende rechten en plichten. Indien sprake is van geweld of intimidatie kunnen asielzoekers terecht bij het COA voor ondersteuning, hulp en begeleiding.
Bent u van mening dat opvangbewoners de weg naar de politie kennen wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten dat zij en waar zij aangifte kunnen doen van strafbare feiten?
Het COA voert met asielzoekers in de eerste twee weken van het verblijf op een opvanglocatie een rechten- en plichtengesprek. In dit gesprek worden de basisvoorwaarden, leefregels en gedragsnormen voor asielzoekers besproken. Daarnaast informeert het COA de asielzoeker over de Nederlandse rechtsstaat en de Grondwet. Indien een asielzoeker aangifte wil doen van een strafbaar feit, wordt deze doorverwezen naar de politie. Als er sprake is van geweld of intimidatie kunnen asielzoekers terecht bij het COA voor ondersteuning, hulp en begeleiding.
Bent u bekend met het incidentenbericht in Apeldoorn waarin werd gewaarschuwd voor een man die bij een basisschool stond en onterecht in verband werd gebracht met een noodopvanglocatie, die uiteindelijk een ouder bleek te zijn die zijn kind van school kwam halen?
Wij zijn bekend met de berichtgeving waarin melding wordt gemaakt van verschillende sociale mediaberichten, waaronder het bericht waar in deze vraag op wordt gedoeld. De beoordeling of in een individuele casus sprake is geweest van een strafbaar feit is niet aan het kabinet, maar in eerste instantie aan de politie en het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de rechter. Zonder op specifieke situaties in te kunnen gaan, geldt in zijn algemeenheid dat het van belang is dat men in geval van een verdachte situatie, of bij het vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd, de politie inschakelt. Het is nooit de bedoeling dat men voor eigen rechter gaat spelen.
Was hier mogelijk sprake van een strafbaar feit?
Zie antwoord vraag 7.
Wat vindt u ervan dat er op deze manier op mensen wordt «gejaagd»?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn gemeenten voldoende op de hoogte wanneer zij kunnen ingrijpen en zijn zij voldoende in staat dit te toen?
Als kabinet vinden we het belangrijk dat gemeenten die hun verantwoordelijkheid nemen om opvang te realiseren hierbij voldoende worden ondersteund. Als Minister van Asiel en Migratie ben ik daarbij altijd bereid om mee te denken met gemeenten en zal ik hierover het gesprek blijven voeren met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Daarnaast heeft de VNG een ondersteuningsteam ingericht, dat gemeenten op verzoek kan ondersteunen bij verschillende aspecten rondom een opvanglocatie.
Hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen uw ministerie en de gemeenten waar dit voorkomt om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kwam er uit deze gesprekken?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u op de hoogte van het feit dat ook vrijwilligers van asielzoekerscentra in sommige gemeenten geïntimideerd worden en zich niet veilig voelen om naar een opvanglocatie te gaan om te helpen? Hoe bent u van plan hen veilig te houden?
Vrijwilligerswerk is belangrijk en waardevol werk. Het is belangrijk dat vrijwilligers hun werk onder goede omstandigheden kunnen uitvoeren en het kan absoluut niet de bedoeling zijn dat vrijwilligers zich daarbij geïntimideerd of onveilig voelen. Het bewaken van de openbare orde is belegd bij het lokaal gezag en in gevallen waarin er sprake is van verstoring van de openbare orde is de burgemeester belast met de handhaving hiervan. Bij recente demonstraties hebben we gezien dat er veel op gemeenten af komt bij het openen en exploiteren van een asielzoekerscentrum. Als kabinet vinden we het belangrijk om kleine gemeenten hierbij te ondersteunen. De VNG heeft hierom een ondersteuningsteam opgericht, waarin kennis en expertise wordt gebundeld en dat gemeenten op verzoek ondersteunt bij verschillende aspecten rondom een opvanglocatie. Veiligheid van vrijwilligers maakt hier onderdeel van uit.
Wat is volgens u de rol van sociale media wanneer foutieve berichten over vermeende opvangbewoners online worden verspreid?
Online platforms zijn gebonden aan de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA). Deze verordening heeft als doel te zorgen voor een veilige, voorspelbare en betrouwbare online omgeving, waarin de verspreiding van illegale online inhoud en de maatschappelijke risico’s die de verspreiding van desinformatie of andere inhoud met zich kunnen brengen, worden aangepakt, en waarin de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrechten doeltreffend worden beschermd. Op grond van artikel 6 van de DSA, zijn hosting diensten – waaronder online platforms – niet aansprakelijk voor de informatie die afnemers van de dienst verstrekken, op voorwaarde dat zij geen kennis hebben van illegale activiteiten of van illegale inhoud die afnemers opslaan. Zodra zij die kennis wel krijgen, bijvoorbeeld door een melding, dan moeten zij prompt handelen om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Op grond van de DSA moeten online platforms een toegankelijk en gebruiksvriendelijk systeem hebben waarin gebruikers of derden melding kunnen doen van illegale inhoud. Het begrip illegale inhoud omvat alle informatie die indruist tegen het Unierecht of het recht van een lidstaat. Of daarvan sprake is, moet per geval beoordeeld worden. Opgemerkt zij echter dat niet alle «foutieve» berichten per definitie illegaal zijn. Een bericht waarin bijvoorbeeld ten onrechte wordt gesteld dat een bewoner van een opvanglocatie betrokken is geweest bij een incident kwalificeert vanwege die feitelijke onjuistheid niet meteen als illegale inhoud. Dat kan anders zijn wanneer het bericht bijvoorbeeld iemand opzettelijk en ten onrechte beschuldigt van een strafbaar feit, of wanneer het bericht aanzet tot haat, discriminatie of geweld.
Op grond van de DSA moeten online platforms verder een zorgvuldig beleid ten aanzien van inhoudsmoderatie opnemen in hun algemene voorwaarden en dat beleid ook zorgvuldig toepassen in de praktijk (artikel 14 van de DSA). Op hen rust bovendien de verplichting om gebruikers die frequent illegale inhoud verspreiden, te schorsen. De zogenaamde zeer grote online platforms- en zoekmachines, die als zodanig moeten worden aangewezen door de Europese Commissie, moeten verder ten minste één keer per jaar de zogeheten systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Deze verplichting geldt voor grote sociale mediadiensten zoals Facebook, Instagram en TikTok. Systeemrisico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en de eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de openbare veiligheid of de uitoefening van grondrechten.
Vindt u dat sociale media ervoor zouden moeten zorgen dat foutieve lasterberichten over mensen gefilterd moeten worden?
Laster is een vorm van illegale inhoud. Zoals hiervoor beschreven moeten online platforms prompt handelen om dergelijke inhoud te verwijderen zodra ze er kennis van krijgen. Artikel 8 van de DSA beperkt tegelijkertijd de ruimte om maatregelen op te leggen aan online platforms om onwettige inhoud of activiteiten op te sporen en daar preventief actie tegen te ondernemen door berichten te filteren. Artikel 8 van de DSA bepaalt dat aan dienstverleners geen verplichting wordt opgelegd tot monitoring van de door hen opgegeven of opgeslagen informatie of tot actief onderzoek naar feiten of omstandigheden die duiden op illegale activiteiten. Dit verbod beoogt de vrijheid van meningsuiting te beschermen. Indien sociale media en andere tussenhandeldiensten verplicht worden om illegale inhoud preventief te filteren dan is er een gerede kans dat zij uit voorzorg meer informatie gaan blokkeren of anderszins tegenhouden dan noodzakelijk.
Hoe zorgt u ervoor dat sociale media hier hun verantwoordelijkheid nemen?
Op de DSA wordt in Nederland toezicht gehouden door de Autoriteit Consument & Markt als DSA-coördinator en de Autoriteit Persoonsgegevens als andere bevoegde autoriteit. Op de zeer grote online platforms en zoekmachines houdt de Europese Commissie primair toezicht. Er lopen inmiddels diverse onderzoeken tegen verschillende sociale media, en in een aantal zaken zijn al zogenaamde preliminary findings van niet-naleving gepubliceerd. Zo worden sociale media waar nodig gedwongen om verantwoordelijkheid te nemen.
De aanpak van complexe omgangsproblemen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
van Bruggen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven zaken waarin kinderen tegen hun uitdrukkelijke wens langdurig worden gescheiden van een ouder op basis van aannames over ouderverstoting? Hoe wordt toezicht gehouden op de (mogelijke) schade en effectiviteit van de maatregel?
In het algemeen geldt dat beslissingen over gezag en omgang en kinderbeschermingsmaatregelen niet op aannames of een omstreden theorie mogen rusten, maar op professionele standaarden en de best beschikbare kennis, een zorgvuldige casusafweging en met een toets door de kinderrechter waarbij het kind zelf ook gehoord wordt. Alle door de gemeente gecontracteerde aanbieders moeten voldoen aan kwaliteitseisen en professionals werken volgens richtlijnen van de beroepsgroep. De gecertificeerde instelling volgt de voortgang en effecten en stuurt zo nodig bij, de kinderrechter toetst de maatregel en de verlenging en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de werkwijze van gecertificeerde instellingen. Hierbij baseert de Inspectie zich op de geldende wetten, regels en veldnormen.
Verder leert de praktijk dat sommige casussen zeer complex zijn, waarbij diverse belangen en perspectieven soms scherp tegenover elkaar staan en er sprake is van stevige dilemma’s, wat beslissingen in dergelijke casuïstiek zeer ingewikkeld maakt. Dat maakt een oordeel van afstand – zonder directe professionele betrokkenheid – niet goed mogelijk.
Naar aanleiding van het artikel ga ik met Jeugdzorg Nederland en de betrokken gecertificeerde instelling in gesprek.
In hoeverre sluiten de in het artikel beschreven maatregelen aan bij de uitgangspunten van het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, met name de punten omtrent het beperken van schade aan kinderen en het voorkomen van escalatie centraal staan? Welke lessen uit het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin zijn inmiddels verwerkt in de werkwijze van de jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtspraak?
In Scheiden zonder Schade en opvolgend Een Goed Begin is er gewerkt aan kennisontwikkeling over (complexe) scheidingen.2 Het uitgangspunt van beide programma’s is het voorkomen van escalatie rond een scheiding en het centraal stellen van het kind. Dit wordt gedaan door vroegtijdige en laagdrempelige steun aan ouders, stimuleren van verantwoordelijkheid en duurzame samenwerking tussen ouders en inzet van passende en zo min mogelijk juridiserende oplossingen. Tijdens Een Goed Begin is de werkwijze «Duurzaam Ouderschap na Scheiding» ontwikkeld, waarbij ouders worden begeleid door zogeheten Gezinsvertegenwoordigers. Deze werkwijze is ontworpen om escalatie te voorkomen en de rust voor het kind terug te brengen. De werkwijze is getoetst door TNO.3
De lessen van het programma Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin worden meegenomen in het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming, waar onder andere de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en lokale teams gezamenlijk werken aan het versterken van de aanpak van onveiligheid in gezinnen. Om in de kind- en gezinsbescherming tot meer eenduidige werkwijzen te komen wordt, samen met proeftuinen en betrokken organisaties een handelingskader ontwikkeld. Binnen dit handelingskader wordt ook een module specifiek gericht op complexe scheidingen ontwikkeld door en met professionals.
Welke mogelijkheden hebben kinderen zelf om bezwaar te maken tegen beslissingen die hun woonplaats of contact met ouders ingrijpend veranderen? Vindt u de bestaande mogelijkheden voldoende toegankelijk en effectief?
Hoewel kinderen niet zelfstandig bezwaar kunnen maken, hebben kinderen wel verschillende mogelijkheden om hun mening kenbaar te maken in procedures die hun woonplaats of het contact met hun ouders betreffen. In de praktijk worden kinderen vanaf 8 jaar uitgenodigd voor een gesprek met de (kinder)rechter. In de wet staat nu nog een leeftijdsgrens van 12 jaar. In het wetsvoorstel «Versterken rechtsbescherming in de jeugdbescherming» wordt de grens van 8 jaar wettelijk verankerd.
Daarnaast wordt in het wetsvoorstel de procespositie van minderjarigen op andere onderdelen verbeterd. Voorgesteld wordt dat minderjarigen van 12 jaar en ouder in sommige gevallen zélf een verzoek kunnen doen aan de rechter, net als hun ouders. Daarnaast wordt voorgesteld om in die gevallen waarin de minderjarige van twaalf jaar of ouder zelf een verzoek kunnen doen, een informele rechtsingang open te stellen voor minderjarigen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt. Hiermee kan het kind zich zonder formele procedure wenden tot de rechter, bijvoorbeeld met een brief. Hiermee wordt toegankelijkheid van kinderen tot de juridische procedure verder verbeterd.
Hoe verhoudt de aanpak zoals beschreven in dit artikel zich tot artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag, waarin het recht van kinderen om gehoord te worden in procedures die hen raken vastgelegd staat? Hoe wordt geborgd dat kinderen daadwerkelijk worden gehoord en dat hun verklaringen niet op voorhand terzijde worden geschoven vanuit de veronderstelling dat zij gemanipuleerd zouden zijn?
Artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag (IVRK) verplicht staten te waarborgen dat een kind dat in staat is zijn of haar mening te vormen, de gelegenheid krijgt deze vrij te uiten in gerechtelijke en bestuurlijke procedures die het kind raken. Daarnaast moet aan die mening passend gewicht worden toegekend, in overeenstemming met de leeftijd en rijpheid van het kind. Dit betekent dat de visie van het kind serieus moet worden betrokken bij de besluitvorming, maar niet zonder meer doorslaggevend is.
In Nederland wordt hieraan onder meer uitvoering gegeven doordat de kinderrechter kinderen vanaf 8 jaar standaard uitnodigt voor een gesprek. De kinderrechter betrekt de informatie uit dit gesprek, naast de standpunten van de ouders en de informatie van de gecertificeerde instelling of andere betrokken professionals, bij de beoordeling van de zaak en maakt een zorgvuldige afweging.
Indien nodig kan de kinderrechter de Raad voor de Kinderbescherming om advies vragen, een bijzondere curator benoemen of een onafhankelijk deskundige inschakelen om de belangen en de stem van het kind beter in beeld te brengen.
Welke lessen trekt u bij de aanpak van complexe omgangsproblemen uit de ervaringen van organisaties zoals Villa Pinedo, die de belangen en ervaringen van kinderen van gescheiden ouders centraal stellen?
Ik onderschrijf het belang van organisaties als Villa Pinedo die zich inzetten voor de belangen van kinderen, waarvan de ouders uit elkaar gaan. Een van de punten die Villa Pinedo benadrukt is hoe belangrijk de stem en de beleving van het kind zijn, onder meer bij het maken van omgangsregelingen tussen ouders. Daarnaast toont Villa Pinedo aan hoe krachtig de stem van het kind zelf is en de meerwaarde van ervaringsdeskundigheid. Een voorbeeld waarbij dit zichtbaar werd is de plek die jongeren hadden tijdens het landelijk congres «Een goed begin na scheiding», dat in 2025 door mijn voorganger werd georganiseerd, waarin zij met veel succes hun ervaringen met professionals op het gebied van complexe scheidingen konden delen. Door de inzet van Villa Pinedo zagen professionals, beleidsmakers en betrokkenen zelf wat een scheiding met een kind doet en hoe je daar als professional mee kan omgaan.
Hoe reflecteert u op de internationale ontwikkelingen op het gebied van complexe omgangsproblemen, zoals bijvoorbeeld de keuze van het hooggerechtshof in Italië om het gebruik van de theorie omtrent ouderverstoring als onwettelijk te bestempelen en de keuze van Spanje om een verbod in te stellen op het gebruik van het concept ouderverstoting in familierechtzaken? Hoe verhouden deze ontwikkelingen zich tot de Nederlandse praktijk?
Ik volg de internationale ontwikkelingen en wetenschappelijke inzichten op dit terrein met interesse. In Italië heeft het hooggerechtshof geoordeeld dat de theorie van ouderverstoting geen zelfstandige grondslag mag vormen voor rechterlijke beslissingen. Daarnaast is het gebruik van het concept ouderverstoting in familierechtelijke procedures in Spanje wettelijk uitgesloten. Deze ontwikkelingen hangen samen met de discussie over contactverlies in de rechtspraktijk.
In Nederland vormen theorieën over ouderverstoting ook geen wettelijk criterium of zelfstandige juridische grondslag voor beslissingen in familierechtelijke procedures. De rechter beoordeelt iedere zaak aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waarbij het belang van het kind leidend is. Daarbij worden alle relevante omstandigheden, waaronder de visie van het kind en de informatie van betrokken professionals, in onderlinge samenhang gewogen.
Hoe reflecteert u op het feit dat een omstreden en wetenschappelijk betwiste theorie over ouderverstoting ten grondslag ligt aan methoden en interventies die diep ingrijpen in het gezinsleven en kinder- en mensenrechten? Welke eisen stelt u aan de wetenschappelijke onderbouwing van dergelijke interventies?
In het algemeen vind ik het onwenselijk dat bij interventies die ingrijpen in het gezinsleven, bijvoorbeeld uithuisplaatsing, een omstreden theorie de basis vormt voor een beslissing. Beslissingen moeten rusten op professionele standaarden en zorgvuldige casusafweging, met transparante motivering en rechterlijke toetsing. Voor beslissingen is maatwerk vereist, waarbij dient te worden gekeken naar de omstandigheden van het geval en het belang van het kind altijd vooropstaat. Een goede onderbouwing van de beslissing is essentieel. Van professionals mag worden verwacht dat zij werken volgens professionele standaarden en richtlijnen en kwaliteitskaders en dat zij interventies toepassen die steunen op de best beschikbare en toetsbare onderbouwing: aantoonbare effectiviteit en veiligheid en peer-reviewed onderzoek. Besluiten zijn per casus proportioneel, helder gemotiveerd, met weging van de stem en veiligheid van het kind.
Wat is momenteel de stand van zaken van de uitvoering van elk van de aanbevelingen uit het Adviesrapport van het Expertteam Ouderverstoting? Kunt u per aanbeveling aangeven welke acties zijn ondernemen en of ze volledig, gedeeltelijk of nog niet zijn uitgevoerd? Wat zijn de concrete opbrengsten van de implementatie van elk van de aanbevelingen?
Het Expertteam heeft in haar advies verschillende aanbevelingen gedaan. In de reactie hierop is richting uw Kamer aangekondigd met de aanbevelingen aan de slag te gaan door in te zetten op preventie, naleving en kennisbevordering.4 In de afgelopen jaren is door mijn voorgangers, in samenwerking met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, op verschillende manieren uitvoering gegeven aan deze aanbevelingen.
Voor wat betreft preventie en het herstellen van contactverlies, is in 2021 geëxperimenteerd met de Specialist Contactverlies in het Programma Scheiden zonder Schade (2018–2022). De opbrengsten hiervan waren kansrijk, zoals is te lezen in de opgeleverde rapporten.5 De kansrijke elementen waarmee was geëxperimenteerd binnen het programma, onder andere het Scheidingsadviesteam (in navolging van de specialist contactverlies), zijn doorontwikkeld tot een werkwijze (Duurzaam Ouderschap na Scheiding) en getoetst en wetenschappelijk onderzocht in Een Goed Begin (2022–2025).6 Opvolgend is ingezet op het verspreiden van informatie over deze werkwijze en het bevorderen van kennisdeling onder gemeenten (bijvoorbeeld door het organiseren van inspiratiesessies en regionale sessies verspreid door het hele land). Kennisdeling over complexe scheidingen wordt daarnaast meegenomen het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming zoals beschreven in het antwoord op vraag 3.
In het kader van naleving van omgangsregelingen is aan het WODC gevraagd om onderzoek te doen naar de effectiviteit van de huidige sanctiemogelijkheden voor handhaving en naleving van omgangsregelingen. Het WODC-onderzoek concludeert dat juridische sanctiemiddelen bij omgangsproblematiek (zoals dwangsom, gijzeling en strafrechtelijke handhaving) slechts beperkt en vaak tijdelijk effect sorteren.7 Als er onderliggende problemen spelen (veiligheidszorgen, hoge-conflict, psychische problematiek) werken sancties op zichzelf meestal niet. Het rapport adviseert daarom terughoudend en selectief gebruik van sancties. Maatwerk, laagdrempelige hulpverlening, duidelijke regie en goede informatievoorziening aan ouders blijken belangrijkere voorspellers dan straffen.
Tot slot is de afgelopen jaren ingezet op bevordering van kennis voor professionals en gemeenten rondom een complexe scheiding. In onderzoek van Significant uit 2025, in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, is terug te zien dat driekwart van de ondervraagde gemeenten inmiddels werken aan een aanpak voor complexe scheidingen.8 Het belang van een goede aanpak voor complexe situaties is steeds vaker onder de aandacht van gemeenten. Complexe scheidingen, met name waarin sprake is van contactverlies blijven ingewikkeld en maatwerk is nodig. Dit kwam ook terug in recente gesprekken met belangengroepen en uitvoeringspartners over dit thema.
Zijn het aantal gevallen van contactverlies teruggedrongen sinds de start van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin, zoals uw ambtsvoorganger aangaf te verwachten?2 Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, hoe verklaart u dit?
Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal kinderen dat één van beide ouders niet meer ziet. Wel blijkt uit cijfers dat er veel kinderen zijn die te maken hebben met de situatie dat hun ouders uit elkaar gaan.10 Hoewel dit in de meeste gevallen goed verloopt, blijven er ook zeer complexe situaties bestaan, waar onder andere ook contactverlies optreedt. Er is blijvend aandacht nodig om juridische procedures rond gezag en omgang kindvriendelijk en de-escalerend te laten verlopen. Hier zal ik uw Kamer binnenkort nader over informeren.
Wat is momenteel de stand van zaken van de implementatie van Scheiden zonder Schade en Een Goed Begin? Kunt u per onderdeel aangeven welke maatregelen ingevoerd zijn en welke concrete opbrengsten deze programma’s hebben (gehad) voor kinderen en ouders?
In de afgelopen jaren is gewerkt aan kennisontwikkeling over (complexe) scheidingen.11 Graag verwijs ik u naar de kamerbrief van oktober 2025 waarin uitgebreid is ingegaan op de opbrengsten. Binnen het project Een Goed Begin is, in het verlengde van Scheiden zonder Schade, de werkwijze «Duurzaam Ouderschap na Scheiding» ontwikkeld en opgeleverd. Het doel van de werkwijze is dat ouders na een scheiding duurzaam samenwerken met het welzijn en de ontwikkelkansen van het kind centraal, waarbij zij verantwoordelijkheid nemen voor hun aandeel in het ouderschap.
Uit onderzoek van TNO is gebleken dat de werkwijze Duurzaam Ouderschap na Scheiding werkzame elementen bevat.12 Het onderliggende denkkader Duurzaam Samenwerken na Scheiding is daarnaast behulpzaam voor gemeenten, organisaties en professionals die te maken hebben met ouders in scheiding.13 Om professionals met het denkkader al laagdrempelig kennis te laten maken, zijn 28 inspiratiesessies georganiseerd voor jeugd- en wijkteams, jeugdzorgorganisaties, gemeenten en regionale samenwerkingsverbanden. Daarnaast is in samenwerking met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 18 september 2025 een landelijk congres georganiseerd. Het congres diende als plek voor kennisdeling en aandacht voor het onderwerp (complexe) scheidingen breed in het land. Hierop volgend zijn in het voorjaar van 2026 vijf regionale bijeenkomsten georganiseerd om het denkkader en de werkwijze verder toe te lichten, maar ook om kennisdeling onder jeugd- en wijkteamprofessionals en beleidsmakers te bevorderen.
Het bericht ‘Zweden krijgt omstreden wet voor snellere uitzetting overlastgevende migranten’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Zweedse parlement op maandag 15 juni 2026 heeft ingestemd met de zogenoemde «goed-gedragwet», op grond waarvan autoriteiten verblijfsvergunningen kunnen intrekken wegens wangedrag?1
Ja. Ik ben bekend met het bericht over de Zweedse regeling waarbij het gedrag of de levenswijze van vreemdelingen zwaarder kan worden betrokken bij de beoordeling van verblijfsvergunningen.
Bent u het eens met de stelling dat dit een goed en voorbeeldwaardig voorstel is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet volgt ontwikkelingen in andere landen, maar ziet in de Zweedse regeling geen aanleiding om in Nederland een algemene gedragstoets of levenswijzetoets in te voeren. Nederland beschikt reeds over instrumenten om in vreemdelingrechtelijke context opvolging te geven aan criminaliteit, ernstige overlast, fraude, misbruik en risico’s voor de nationale veiligheid. Een brede toets op levenswijze, schulden of algemene normnaleving past niet goed binnen de Nederlandse verblijfsrechtelijke systematiek. Van belang is bovendien dat de Zweedse regeling niet ziet op alle verblijfsrechten. Zover thans bekend ziet de regeling enkel op nationale verblijfsvergunningen; EU-gerelateerde verblijfsrechten en verblijfsrechten die voortvloeien uit internationale verplichtingen, waaronder asielvergunningen, vallen daarbuiten. De reikwijdte is daarmee beperkter dan in de vraagstelling wordt gesuggereerd.
Deelt u de opvatting dat vreemdelingen die zich misdragen, schulden veroorzaken, zwart werken, belasting ontduiken of banden onderhouden met extremistische organisaties hun verblijfsrecht in geen geval mogen behouden? Zo nee, waarom niet?
Iedereen die zich in Nederland bevindt moet zich aan de wet houden. Wanneer een vreemdeling onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf, kan dat reden zijn om de verblijfsvergunning in te trekken.
Ik verwijs verder naar mijn brief van 9 juni jl., waarin ik heb aangekondigd om het beleid inzake de zogenoemde «glijdende schaal» aan te passen.2
De Zweedse regeling lijkt slechts op één punt aanvullend te zijn op de Nederlandse systematiek: bij specifiek nationale verblijfsvergunningen zouden ook niet-strafrechtelijke gedragingen, zoals structurele schulden, oneerlijke inkomstenverwerving of het niet naleven van besluiten van autoriteiten, explicieter kunnen meewegen bij de verblijfsbeoordeling. Ook in die gevallen geldt in Zweden echter geen automatische verblijfsbeëindiging.
In Nederland bestaat geen algemene levenswijzetoets, maar is een onherroepelijke veroordeling wegens een misdrijf het aanknopingspunt voor verblijfsbeëindiging. Voor EU-gerelateerde verblijfsrechten en internationale bescherming gelden bovendien dwingende EU-kaders en verdragsverplichtingen. Louter «schulden» of algemene normnaleving kwalificeren in dat kader niet als zelfstandige grond voor beëindiging van verblijf. Het kabinet acht een algemene levenswijzetoets naar Zweeds voorbeeld, wat aanzienlijk subjectiever is dan de Nederlandse toets op openbare orde, daarom niet aangewezen.
Kunt u exact uiteenzetten op welke punten deze Zweedse wet verder gaat dan de huidige Nederlandse wet- en regelgeving en daarbij per onderdeel aangeven waarom Nederland op dit punt achterblijft?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven waarom landen als België, Duitsland en Zweden veel verdergaande maatregelen kunnen nemen, terwijl de partijleider van het CDA, de heer Bontebal, stelt: «Je kunt niet veel meer doen dan wij als Nederland nu hebben gedaan»?
Vergelijkingen met België, Duitsland, Zweden of andere EU-landen moeten zorgvuldig worden gemaakt. Nationale stelsels verschillen en maatregelen die in een ander land worden getroffen kunnen niet zonder meer worden overgenomen in de Nederlandse rechtsorde. Het kabinet herkent daarenboven niet dat andere EU-landen op relevante onderdelen verder gaan als het gaat om het weigeren of intrekken van verblijfsrecht. Nederland beschikt onder meer over mogelijkheden tot afwijzing en intrekking van verblijfsrecht, ongewenstverklaring en het opleggen van een besluit tot signalering of een inreisverbod, met inachtneming van EU-recht en internationale verplichtingen.
Kunt u aangeven hoeveel vreemdelingen in Nederland onder een regeling naar Zweeds voorbeeld zouden vallen, uitgesplitst naar lopende vergunningsaanvragen en reeds verleende verblijfsvergunningen?
Nee, dit is niet mogelijk. Als aangegeven geldt de betreffende levenswijzetoets enkel voor specifiek nationale Zweedse verblijfsvergunningen en is daarnaast altijd sprake van een individuele weging. Zie ook de beantwoording bij vraag 5.
De Nederlandse registratie is ingericht op bestaande Nederlandse wettelijke gronden, zoals openbare orde, nationale veiligheid, fraude, misbruik en het niet voldoen aan verblijfsvoorwaarden. Er wordt niet geregistreerd op een categorie als «levenswijze».
Indien exacte cijfers ontbreken, kunt u dan een onderbouwde inschatting geven en toelichten waarom deze cijfers niet beschikbaar zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Welke reden heeft u om een vergelijkbaar wetsvoorstel niet op de kortst mogelijke termijn naar de Kamer te sturen?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 2 en de verdere uiteenzettingen in deze vragenset.
De veroordeling van Syriër Rafiq al-Q |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het vonnis van de rechtbank Den Haag waarbij de Syriër Rafiq al-Q. is veroordeeld tot 26 jaar gevangenisstraf wegens negentien misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder foltering, mishandeling en verkrachting, gepleegd in dienst van het Assad-regime?1
Ja.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in 2021 asiel heeft verleend aan iemand die aantoonbaar betrokken was bij mensenrechtenschendingen?
Allereerst is het belangrijk om te benadrukken dat ik geen mededelingen kan doen in individuele zaken. In zijn algemeenheid kan ik het volgende delen.
In elke asielzaak besteedt de IND op meerdere momenten binnen de asielprocedure gerichte aandacht aan signalen die kunnen wijzen op betrokkenheid bij oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, misdrijven tegen de vrede of ernstige niet-politieke misdrijven. Signalering vindt plaats op meerdere momenten: vanaf het moment dat het OVA-proces2 start bij de IND en de asielaanvraag formeel is ingediend, bij raadpleging van nationale en internationale politie- en justitiële databases, en tijdens contacten met de vreemdeling – waaronder gehoren, verblijf bij het COA en contacten met DTenV. Ook vindt er een check op de openbare sociale media-accounts plaats en er wordt gekeken welke relevante informatie op internet over de vreemdeling te vinden is. Wanneer zich specifieke 1F-signalen of nationale veiligheidsrisico’s voordoen kan de behandeling worden belegd bij respectievelijk de 1F Unit of het Team Speciale Zaken van de IND en worden signalen binnen de wettelijke kaders gedeeld met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Ondanks alle inspanningen, betrachte zorgvuldigheid en alertheid kan het voorkomen dat ten tijde van de besluitvorming informatie nog niet beschikbaar of verifieerbaar is. Wanneer relevante informatie over mogelijke strafbare feiten of 1F-indicaties pas later naar boven komt, kan de IND, waar aan de voorwaarden is voldaan, de vergunning intrekken.
Welke screening heeft de IND uitgevoerd voorafgaand aan de asielvergunning van Rafiq al-Q.?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zegt het feit dat Al-Q. en zijn gezin zich voordeden als oorlogsvluchtelingen die uiteindelijk niet opgespoord werden door overheidsinstanties maar door andere Syriërs die hem herkenden, over de effectiviteit van het huidige screeningsproces en over de capaciteiten van onze eigen instanties?
Zoals uiteengezet in antwoord op vraag 2, besteden organisaties binnen de vreemdelingenketen doorlopend aandacht aan signalen die wijzen op betrokkenheid bij 1F-misdrijven. Signalen kunnen ook later worden opgevangen, bijvoorbeeld door meldingen van burgers of slachtoffers en kunnen dan worden opgevolgd. Op basis van deze signalen kan de IND bepalen welk handelingsperspectief mogelijk is, en indien passend overgaan tot intrekking van het verblijfsrecht. Tevens wordt bekeken of een inreisverbod, een ongewenstverklaring of een besluit tot signalering mogelijk is. Het onderkennen van 1F-signalen in de asielprocedure is echter een doorlopend proces dat continue ketenbrede alertheid vereist.
Hoeveel asielaanvragen van Syrische onderdanen zijn sinds 2013 ingewilligd zonder systematische toetsing aan internationale opsporingsregisters en databases van oorlogsmisdadigers, zoals die van het Internationaal Strafhof, Interpol of de VN-commissie voor Syrië?
De standaardwerkwijze is dat in elke asielprocedure relevante internationale en nationale politie/justitiële databases worden geraadpleegd.
Kunt u een onafhankelijk onderzoek instellen naar de vraag hoe Al-Q. door de asielprocedure is gekomen?
Het Nederlandse asielstelsel hanteert een zorgvuldige toetsing om te voorkomen dat plegers van internationale misdrijven in Nederland een veilige haven hebben. Voortdurende versterking van procedures, informatie-uitwisseling en screening zijn altijd noodzakelijk om tijdig signalen van mogelijke betrokkenheid bij internationale misdrijven te onderkennen en dit proces heeft dan ook standaard de aandacht van het kabinet. Het kan echter nooit volledig worden voorkomen dat informatie pas later of niet volledig aan het licht komt. Tegen die achtergrond zie ik geen aanleiding om een onafhankelijk onderzoek in te stellen.
Hoeveel vergelijkbare gevallen zijn er mogelijk, waarbij personen die betrokken waren bij staatsterrorisme, etnische zuivering of andere zware misdrijven in conflictlanden in Nederland verblijven met een geldige asielvergunning?
Het aantal vergelijkbare gevallen van personen die betrokken waren bij zware misdrijven en met een vergunning in Nederland verblijven wordt niet bijgehouden. Wel wordt geregistreerd in welke gevallen 1F is tegengeworpen, waar uitsluiting van verblijfsrecht uit volgt. Zoals volgt uit de Rapportagebrief Internationale Misdrijven3, liepen er in 2025 in totaal 102 1F-onderzoeken, waarvan in 38 gevallen 1F is tegengeworpen en geen verblijfsvergunning is verleend of deze is ingetrokken.
Wat is er na de aanhouding van Al-Q. in december 2023 gebeurd met zijn asielvergunning, en op welk moment is deze ingetrokken?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin geldt: indien betrokkene zijn vergunning verliest en het verblijfsrecht van gezinsleden uitsluitend is afgeleid van het verblijfsrecht van de hoofdpersoon, dan heroverweegt de IND deze besluiten.
Bent u bereid de verblijfsstatus van de gezinsleden van Al-Q., die eveneens in Nederland verblijven op basis van een afgeleide asielvergunning, te heroverwegen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe gaat u in de toekomst voorkomen dat mensen zoals Rafiq al-Q. ons land in kunnen komen?
Uw Kamer is in 20234 en 20245 geïnformeerd over evaluaties en verbetermaatregelen rondom het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij internationale of terroristische misdrijven. Naar aanleiding daarvan zijn reeds maatregelen genomen, waaronder het eerder positioneren van de screening en prioriteit op snelle screening van de nieuwe instroom direct tijdens en na het OVA-proces, met tijdelijke extra capaciteit om doorlooptijden te verkorten. Het Nederlandse asielstelsel hanteert een zorgvuldige toetsing om te voorkomen dat plegers van internationale misdrijven in Nederland een veilige haven hebben. Daarbij is, zoals aangegeven bij vraag zes, voortdurende versterking van procedures, informatie-uitwisseling en screening altijd noodzakelijk om tijdig signalen van mogelijke betrokkenheid bij internationale misdrijven te onderkennen en daarom heeft dit ook standaard de aandacht van het kabinet.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor de inrichting van de asielprocedure en welke concrete beleidswijzigingen overweegt u naar aanleiding van deze veroordeling?
Zie antwoord vraag 10.
Hoeveel kost de gevangenisstraf die Rafiq al-Q. in Nederland zal uitzitten de Nederlandse belastingbetaler, inclusief het proces, bewaking en zorgkosten?
Over de kosten van individuele gevallen kunnen geen uitspraken worden gedaan. Daarnaast wordt opgemerkt dat in deze zaak nog geen sprake is van een onherroepelijk vonnis. De procedure is daarmee nog niet tot een einde gekomen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat buitenlandse oorlogsmisdadigers hun celstraf uitzitten op kosten van de Nederlandse belastingbetaler?
Uitgangspunt blijft dat opsporing en vervolging zoveel mogelijk plaatsvinden in het land waar de misdrijven zijn gepleegd. Dat is echter niet altijd mogelijk of voor de hand liggend. Wanneer opsporing, vervolging en berechting van internationale misdrijven in Nederland plaatsvindt, wordt een opgelegde gevangenisstraf in beginsel in Nederland ondergaan. De daarmee gemoeide kosten zijn gerechtvaardigd vanuit het fundamentele belang om straffeloosheid te voorkomen bij dergelijke ernstige schendingen van het internationale recht.
In 2023 is – mede dankzij Nederland – het Verdrag van Ljubljana – Den Haag voor internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en andere internationale misdrijven tot stand gekomen. Dit verdrag is niet alleen relevant voor rechtshulp en uitlevering, maar voorziet ook in mogelijkheden voor strafoverdracht. Nederland blijft zich wereldwijd inzetten voor brede aansluiting bij dit verdrag. Op dit moment is Syrië niet aangesloten bij enig verdrag op basis waarvan er strafoverdracht met Nederland kan plaatsvinden.
Wanneer haalt uw kabinet de banden aan met Syrië, zodat dit soort criminelen hun celstraf daar kunnen uitzitten, zodat de Nederlandse belastingbetaler niet meer het levensonderhoud hoeft te voorzien van buitenlandse misdadigers en criminelen?
Het kabinet investeert in de bilaterale relatie met Syrië, onder andere door bezoeken op politiek en ambtelijk niveau. Tijdens deze bezoeken wordt onder meer gesproken over de verdieping van de brede samenwerkingsrelatie. Vanuit Nederland wordt daarbij ook aandacht gevraagd voor het multilaterale Verdrag van Ljubljana – Den Haag. Daarnaast wordt gesproken over de terugkeer van Syriërs vanuit Nederland vanuit vreemdelingrechtelijk perspectief.
Taakdelegatie |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht verstrekken van alle taken die onderdeel uitmaken van de totale sociaal medische dienstverlening bij UWV; van het in ontvangst nemen van een aanvraag, het verzamelen van informatie, de onderdelen van een beoordeling, de monitoring en begeleiding van een uitkeringsgerechtigde, etc?
Het opstellen van het overzicht waar om wordt gevraagd is onderdeel van het onderzoekstraject dat SZW en UWV ingaan met de betrokken beroepsgroepen. Het doel van het onderzoekstraject is om, in samenwerking met professionals zoals verzekeringsartsen, sociaal-medisch verpleegkundigen, arbeidsdeskundigen en eventueel proces- of re-integratiebegeleiders, te komen tot een optimale verdeling van taken en verantwoordelijkheden binnen de sociaal-medische dienstverlening.
De inzet is om het onderzoekstraject direct na de zomer 2026 op te starten. Het traject start met een inventariserend basisonderzoek. De resultaten van dit basisonderzoek moet in Q4 2026 worden opgeleverd.
Kan bij de beantwoording van vraag 1 per taak worden aangegeven wie deze taak nu (meestal) verricht en kan daarnaast worden aangegeven welke professionals die taak op basis van huidige wetgeving mogen verrichten?
Ja dat kan. Het vaststellen van het recht, de hoogte en de duur van een uitkering is een multidisciplinair proces. Binnen dit proces werken verschillende professionals samen.
Het doel van het onderzoekstraject (zoals ook omschreven in het antwoord op vraag 1) is om in samenwerking met professionals, te komen tot een optimale verdeling van taken en verantwoordelijkheden. Daarbij wordt in beeld gebracht welke taken nu in de praktijk door welke professional worden uitgevoerd én welke taken binnen de huidige wet- en regelgeving door welke professional mogen worden uitgevoerd. Vanuit die basis onderzoeken we naar welke situatie we willen groeien en wat hiervoor nodig is.
In het kader van de kwaliteit van de beoordeling is het essentieel om helder vast te leggen waar de (eind)verantwoordelijkheid voor de beoordeling ligt, met bijzondere aandacht voor het borgen van de verantwoordelijkheden van de betrokken professionals. Ten aanzien van de sociaal-medische beoordeling wordt onderzocht welke taken zijn voorbehouden aan de arts en welke taken door andere professionals kunnen worden uitgevoerd. Dit onderscheid maakt onderdeel uit van het onderzoekstraject.
Kan bij de beantwoording van vraag 1 een onderscheid worden aangebracht tussen taken die volledig zijn voorbehouden aan verzekeringsartsen en taken die binnen de huidige wettelijk kaders ook door een andere sociaal medische professional mogen worden verricht?
Zie antwoord vraag 2.
Kan een dergelijk overzicht zoals bij vragen 2 en 3 voor de Ziektewet, WIA en Wajong afzonderlijk worden gegeven?
Per wet zal het gehele beoordelingsproces in beeld worden gebracht, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt welke specifieke taken door welke professional worden uitgevoerd. Dit is onderdeel van het onderzoekstraject.
Indien er taken worden uitgevoerd door de verzekeringsarts, terwijl deze binnen het huidige wettelijk kader ook door een andere professional kunnen worden uitgevoerd: welke (verklarende) factoren spelen daarbij een rol? Welke belemmeringen kunnen worden geduid? Welke randvoorwaarden zijn hier nodig? En hoe worden deze in de werkprocessen van UWV (structureel) geborgd of zouden deze geborgd kunnen worden?
Alle taken in het proces van de sociaal-medische beoordeling en dienstverlening worden in het onderzoekstraject geduid, waarna moet worden bepaald welke professional welke taken in de toekomstige situatie mag verrichten. Dit moet vervolgens een plaats krijgen in wet- en regelgeving. Naast de wet WIA bepalen ook het schattingsbesluit, jurisprudentie, professionele handreikingen en beroepsrichtlijnen welke taken wel of niet door andere professionals kunnen worden uitgevoerd.
Voor de dienstverlening in de Ziektewet geldt dat er nu al mogelijkheden zijn binnen de huidige wet- en regelgeving om andere professionals, zoals de sociaal-medische verpleegkundige, zelfstandiger in te zetten. Het werken met taakdelegatie is nu voor de verzekerarts nog steeds op vrijwillige basis en wordt op verschillende manieren uitgevoerd. UWV zet in de dienstverlening van de Ziektewet daarom reeds stappen richting verzelfstandiging van de sociaal-medisch verpleegkundige en werkt daarbij toe naar een meer uniforme uitvoering, binnen de huidige wet- en regelgeving. Belangrijke randvoorwaarden hierbij zijn een duidelijke taakafbakening, borging van de voor de taken benodigde competenties, passende opleiding en scholing, heldere professionele kaders, goede werkafspraken, juridische borging en een structurele verankering in processen, protocollen en de HRM-inrichting.
Bij wie ligt de (uiteindelijke) beslissing welke taak door wie wordt uitgevoerd? Welke sturing vindt hierop plaats, is hier sprake van een overkoepelend beleid of vaste werkafspraken?
De uiteindelijke verdeling van taken en bevoegdheden moet uiteindelijk een plaats krijgen in wet- en regelgeving, professionele richtlijnen, opleidingen, protocollen en de werkprocessen binnen UWV. Wet- en regelgeving wordt vastgesteld door de Tweede Kamer, de richtlijnen worden ontwikkeld door de professionals, en de protocollen en werkinstructies door UWV in samenwerking met de professionals.
Welke grenzen stelt de huidige wetgeving als het gaat om het laten uitvoeren van taken door een andere professional dan de verzekeringsarts? Welke aanpassingen zijn hierin mogelijk en worden hier al stappen op gezet?
Van oudsher zijn alleen de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige opgenomen in de wetgeving omtrent de WIA. In het onderzoekstraject wordt onderzocht welke professional welke taken mag uitvoeren onder welke bevoegdheid. Naar aanleiding hiervan zal worden bezien of, en op welke wijze, wet- en regelgeving moeten worden aangepast.
Kunt u een beeld geven van de productiviteitswinst die er binnen de huidige wettelijke kaders kan worden bereikt door het beleggen van taken bij een andere professional dan de verzekeringsarts, zoals bij de sociaal medisch verpleegkundige (SMV’er)?
Dit moet in de loop van het onderzoekstraject duidelijk worden. Ik zal uw Kamer hier te zijner tijd over informeren. De mate van productiviteit is ook afhankelijk van andere factoren waar nu al hard aan wordt gewerkt binnen UWV. Ik verwijs hiervoor naar de kamerbrief
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV op 1 juli 2026?
De cursusdag "Pleiten voor Palestina" voor advocaten |
|
Gidi Markuszower (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen , Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de cursusdag voor advocaten onder de titel «Pleiten voor Palestina»?1
Ja, daarvan heb ik kennisgenomen.
Deelt u de mening dat advocaten in de eerste plaats juristen horen te zijn en geen politieke activisten? Zo nee, waarom niet?
Advocaten hebben dezelfde vrijheden als eenieder in Nederland. Daarbij hebben zij zich te houden aan de wet die geldt voor alle Nederlanders en, vanwege hun functie als advocaat, de beroepsspecifieke wet- en regelgeving voor de advocatuur. Het staat advocaten vrij om cursussen en trainingen te volgen die hun interesse wekken of die zij relevant achten voor hun beroepsuitoefening. Dat geldt ook voor deze cursusdag.
Welke waarborgen zijn er om te voorkomen dat permanente educatie voor advocaten wordt gebruikt voor politieke campagnes of ideologische beïnvloeding in plaats van juridische scholing?
Zie het antwoord op vraag 2. Het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten stelt bij verordening regels vast die betrekking hebben op de eisen ter bevordering van de vakbekwaamheid van advocaten en de kwaliteit van de beroepsuitoefening.2 De wijze waarop dat gebeurt is vastgelegd in door het college van afgevaardigden vastgestelde Verordening op de advocatuur.3 Het is daarmee dus aan de Nederlandse orde van advocaten om als regelgevende bevoegdheid voor de advocatuur de educatie voor advocaten in te richten. Als bewindspersoon heb ik daar geen bemoeienis mee.
De Nederlandse orde van advocaten heeft mij laten weten dat de organisatie die de betreffende cursus organiseert een niet door de Nederlandse orde van advocaten erkende opleidingsinstelling is en bijgevolg niet bevoegd is tot het zelfstandig toekennen van erkende PO-punten. Na deelname aan de cursus kan een advocaat aan de lokale deken verzoeken om toekenning van PO-punten. Het is aan de lokale deken om deze punten wel of niet toe te kennen.
Deelt u de opvatting dat een cursusdag onder de titel «Pleiten voor Palestina» geen recht zou mogen geven op PO-punten voor advocaten en bent u bereid zich ervoor in te spannen dat de voor deze cursusdag toegekende vier PO-punten alsnog worden geschrapt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de organiserende stichting Muslim Rights Watch Nederland beschikt over een ANBI-status? Zo ja, op basis van welke activiteiten is deze status verleend?
In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staat vermeld dat Stichting Muslim Rights Watch Nederland de ANBI-status heeft vanaf 7 juli 2020. Omdat de Belastingdienst is gehouden aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen nadere informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.
Deelt u de opvatting dat een ANBI-status bedoeld is voor organisaties die zich inzetten voor het algemeen belang en niet voor politieke campagnes of activistische belangenbehartiging? Zo nee, waarom niet?
In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat een instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut moet beogen om als ANBI aangemerkt te worden. Het begrip algemeen nut is in de wet neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën4 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kunnen worden als algemeen nuttig.
Vindt u dat het organiseren van een cursusdag als «Pleiten voor Palestina» past bij de voorwaarden die gelden voor organisaties met een ANBI-status? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid kritisch te kijken naar de ANBI-status van organisaties die zich in de praktijk steeds meer bezighouden met politieke actievoering en activisme? Zo nee, waarom niet?
Uit artikel 5b AWR volgt dat de beoordeling inzake de ANBI-status uitsluitend aan de inspecteur van de Belastingdienst is en dat de inspecteur voor de beslissing om een ANBI-status in te trekken is gebonden aan een limitatief aantal gronden.5 Vanwege het eerder genoemde neutrale karakter van de ANBI-regeling zijn gedragingen die niet aansluiten bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut geen reden om de ANBI-status in te trekken.
Bent u bereid de ANBI-status van Muslim Rights Watch Nederland in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht 'Bestuurders Tata Steel krijgen toch extraatje voor inspanning in ‘moeilijke tijden’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Financieele Dagblad over de beloningen van bestuurders van Tata Steel Nederland?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Tata Steel Nederland in een periode waarin met het Rijk wordt onderhandeld over een mogelijke subsidie van € 2 miljard voor de verduurzaming van de staalproductie en een ontslagronde, extra beloningen aan bestuurders uitkeert?
Het kabinet snapt dat dit bericht vragen oproept. Het besluit over het beloningsbeleid van een private onderneming is echter aan de onderneming zelf. Wel is in artikel 10 van de Joint letter of intent (JLoI) met Tata Steel Nederland (TSN), Tata Steel Limited (TSL) en de Provincie Noord-Holland (PNH) opgenomen dat de onderneming een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid voert. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking van de JLoI in een maatwerkovereenkomst.
Zijn afspraken over bestuurdersbeloningen, dividenduitkeringen, kapitaaluitkeringen aan aandeelhouders en het inkopen van eigen aandelen onderdeel van de onderhandelingen over de maatwerkafspraken met Tata Steel?
In artikel 10 van de JLoI is opgenomen dat TSN een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid moet implementeren. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking in een maatwerkovereenkomst.
Bent u bereid om dergelijke afspraken op te nemen voor gedurende de looptijd van de subsidie?
De gesprekken over de uitwerking van de JLoI lopen op dit moment en ik kan dan ook niet vooruitlopen op de precieze invulling van deze afspraken. Conform artikel 10 JLoI, is het de inzet van partijen om tot afspraken te komen over het beloningsbeleid in een maatwerkafspraak.
Bent u verder bekend met de passages uit het Jaarverslag van Tata Steel waarin de financiering van het groen staal plan wordt uitgewerkt?
Ja.
Beschikt u over concrete aanwijzingen dat Tata Steel Limited bereid is substantieel eigen vermogen beschikbaar te stellen voor het Groen Staal-project in IJmuiden? Zo ja, om welke omvang gaat het?
In artikel 7 van de JLoI zijn afspraken gemaakt over de investering en financiering van en door TSL en TSN. Deze afspraken laten de investeringsbereidheid van TSL en TSN zien. Ook is duidelijk dat de staat maximaal 2 miljard zal bijdragen. De verdere uitwerking van de JLoI is onderwerp van gesprek en daar kan het kabinet nu niet op vooruitlopen. Zoals bekend vindt de staat het belangrijk dat TSL significant bijdraagt en op enige wijze garant staat en dit komt dus ook duidelijk naar voren in de afspraken die in de JLoI zijn gemaakt.
Heeft de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen gevolgen voor de omvang of voorwaarden van de eventuele staatssteun?
Het is in beginsel aan het bedrijf zelf om de financiering precies uit te werken. Hierover wordt gesproken in de onderhandelingen voor de maatwerkovereenkomst.
Welke minimale financiële bijdrage van Tata Steel Limited acht u redelijk alvorens publieke middelen beschikbaar worden gesteld?
De verdeling van de financiële bijdrage is vastgelegd in de JLoI die onder andere door de staat, TSL en TSN ondertekend is. In de JLoI staat opgenomen dat de totale investeringskosten voor de projecten tussen de 4–6,5 miljard euro zijn. De bijdrage van de staat is gemaximeerd op 2 miljard euro, ongeacht waar het bedrag in de bandbreedte van 4–6,5 miljard euro op uitkomt. Er staat in artikel 7.1.1. sub a van de JLoI dan ook expliciet opgenomen dat de staat niet verantwoordelijk is voor eventuele benodigde resterende financiering bovenop dit bedrag. De investering van TSL en TSN en de bijdrage van de staat zijn proportioneel en dienen in lijn te zijn met de Europese regels voor staatssteun. Als de investering van TSN en TSL lager uitvalt dan de verwachte bandbreedte zal de bijdrage van de staat ook lager worden. TSL en TSN dragen het risico als de kosten hoger worden dan voorzien.
Bent u bekend met de uitspraak van misdaadjournalist Paul Vugts in de Parool Misdaadpodcast van 11 juni 2026, waarin hij stelt dat Amsterdamse ambtenaren hem zouden hebben benaderd nadat hij had gepubliceerd over Syrische asielzoekers die verantwoordelijk zouden zijn voor een golf van straatroven in Amsterdam, met de boodschap dat dergelijke berichtgeving «rechts in de kaart» zou spelen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het buitengewoon zorgelijk is wanneer ambtenaren feitelijke journalistieke berichtgeving beoordelen aan de hand van de vraag welke politieke stroming daar mogelijk baat bij zou hebben?
In algemene zin is het niet ongebruikelijk dat de overheid, bijvoorbeeld via woordvoerders of persvoorlichters, contact onderhoudt met journalisten. Het is de taak van deze ambtenaren om vragen van journalisten te beantwoorden en het overheidsbeleid toe te lichten of onder de aandacht te brengen. Daarbij geldt dat een ambtenaar zijn werk politiek neutraal en op basis van deskundigheid moet doen. Journalisten moeten hun werk in vrijheid kunnen doen.
Deelt u de mening dat de waarheidsvinding door journalisten nooit ondergeschikt mag worden gemaakt aan de vraag of feiten «links», «rechts» of enig ander politiek kamp in de kaart spelen?
Ja. Journalisten moeten hun werk in vrijheid kunnen doen. Zij hanteren hierbij de journalistieke kernbeginselen, zoals hoor en wederhoor en het verifiëren van bronnen. Deze werkwijze draagt eraan bij dat een onderwerp vanuit verschillende perspectieven wordt belicht. Het is vervolgens aan de lezer, kijker of luisteraar om zich op basis van de door de journalist verstrekte informatie een eigen oordeel te vormen.
Acht u het verenigbaar met de persvrijheid wanneer overheidsfunctionarissen journalisten benaderen met de suggestie dat bepaalde feiten beter niet gepubliceerd kunnen worden omdat deze een politiek onwenselijk effect zouden kunnen hebben?
In algemene zin kan ik zeggen dat de persvrijheid in het geding komt als er van overheidswege censuur zou worden toegepast, bijvoorbeeld het op basis van politieke motieven uitvaardigen van een verbod iets te publiceren. Dat is in Nederland niet toegestaan. Daarnaast is het onacceptabel als de overheid «zachte druk» uitoefent op journalisten of media. Zulke druk kan een zogenoemd chilling effect veroorzaken, waardoor journalisten uit vrees voor negatieve gevolgen overgaan tot zelfcensuur. Ook dat is onwenselijk en dient te worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het kwalificeren van feitelijke berichtgeving als iets wat «rechts in de kaart speelt» een vorm van politieke framing is die niet thuishoort in het contact tussen overheid en journalistiek?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat een overheid die journalisten probeert te bewegen om feiten niet of minder prominent te publiceren uit angst voor electorale of ideologische gevolgen, zich begeeft op een hellend vlak richting politieke beïnvloeding van de pers?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 4.
Vindt u het acceptabel dat ambtenaren kennelijk niet primair bezwaar zouden hebben tegen de feitelijke juistheid van berichtgeving, maar tegen de mogelijke politieke interpretatie daarvan?
Ik verwijs u naar het antwoord op vragen 3 en 4.
Deelt u de mening dat de taak van journalisten is om relevante feiten boven tafel te krijgen en te publiceren en niet om bij iedere publicatie af te wegen of die publicatie «rechts in de kaart» zou kunnen spelen?
Ja. Journalisten werken volgens journalistieke kernbeginselen. De Raad voor de Journalistiek vat dit in de Leidraad kernachtig samen: «Goede journalistiek is waarheidsgetrouw en nauwgezet, onpartijdig en fair, controleerbaar en integer.»2 Het is aan de journalist om, vaak in overleg met zijn redactie, de afweging te maken hoe deze beginselen in een concreet geval worden toegepast.
Bent u bereid uit te spreken dat feiten over criminaliteit, migratie, asiel en openbare veiligheid niet mogen worden verzwegen of afgezwakt omdat de politieke consequenties daarvan bepaalde partijen of stromingen zouden kunnen bevoordelen?
Ja. Een gezond debat wordt gevoerd met de juiste feiten. Journalisten hebben een belangrijke rol in het brengen van deze feiten, zodat de lezer, kijker of luisteraar zelf een afweging kan maken en een mening kan vormen.
Deelt u de mening dat het bestrijden van «rechtse» politieke duiding nooit een taak kan is van gemeentelijke ambtenaren in hun contact met journalisten?
Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 2 kan ik zeggen dat in contacten met journalisten, het de taak van ambtenaren is om vragen van journalisten te beantwoorden en het overheidsbeleid toe te lichten of onder de aandacht te brengen. Daarbij geldt zoals hiervoor aangegeven dat een ambtenaar zijn werk te allen tijde politiek neutraal en op basis van deskundigheid moet doen. Het bestrijden van een bepaalde politieke duiding behoort niet tot de taak van een ambtenaar.
Bent u bereid bij de gemeente Amsterdam na te vragen of de term «rechts in de kaart spelen», of woorden van gelijke strekking, daadwerkelijk is gebruikt in contact met Paul Vugts of met andere journalisten?
De lokale gemeenteraad, in dit geval de Amsterdamse, heeft tot taak het college van burgemeester en wethouders te controleren. In de Amsterdamse gemeenteraad zijn tevens raadsvragen gesteld over deze kwestie, waarmee de gemeenteraad dus invulling geeft aan deze verantwoordelijkheid.
Bent u bereid daarbij ook na te gaan of binnen de gemeente Amsterdam interne richtlijnen, instructies of communicatiestrategieën bestaan waarin wordt gesproken over het voorkomen van berichtgeving die «rechts», «populistisch», «extreemrechts» of andere politieke stromingen in de kaart zou kunnen spelen?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 11.
Kunt u uitsluiten dat er binnen de gemeente Amsterdam of andere overheidslagen beleid, instructies of informele werkwijzen bestaan om berichtgeving over asielzoekers, statushouders, migranten of criminaliteit te ontmoedigen wanneer deze politiek ongewenst wordt geacht?
Ten aanzien van de situatie in de gemeente Amsterdam zijn er raadsvragen gesteld, zoals benoemd in het antwoord op vraag 11. Ik heb geen signalen ontvangen dat er bij overheden gebruikt wordt gemaakt van beleid, instructies of informele werkwijzen over het ontmoedigen van bepaalde berichtgeving.
Bent u bereid te onderzoeken of overheidscommunicatieafdelingen journalisten vaker benaderen met politieke argumenten over de mogelijke impact van hun berichtgeving, in plaats van met feitelijke correcties of wederhoor?
Ik heb geen signalen ontvangen dat ambtenaren regelmatig journalisten benaderen met politieke argumenten. Ik zie derhalve geen aanleiding voor een onderzoek.
Bent u bereid heldere richtlijnen op te stellen of aan te scherpen waarin wordt vastgelegd dat overheidsfunctionarissen journalisten niet mogen aanzetten tot het achterwege laten van berichtgeving op grond van het argument dat deze «rechts in de kaart» zou spelen?
Nee. Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van de voorgaande vragen.
Deelt u de mening dat juist het achterhouden of ontmoedigen van feitelijke berichtgeving over gevoelige onderwerpen het wantrouwen in overheid en media voedt?
Zorgvuldige en eerlijke communicatie door de overheid is essentieel voor het vertrouwen van burgers in de overheid. De media hebben tot taak om in informatie te voorzien, de macht te controleren en een podium te bieden aan diverse geluiden. De journalistieke sector heeft hiervoor zelf standaarden opgesteld, zoals bijvoorbeeld in de eerder aangehaalde Leidraad van de Raad voor de Journalistiek.
Bent u bereid publiekelijk afstand te nemen van iedere vorm van overheidsdruk op journalisten die is gebaseerd op de politieke gevolgen van hun berichtgeving?
Er is geen plaats voor overheidsdruk op journalisten om zo hun berichtgeving te beïnvloeden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De inzet van externe verzekeringsartsen door het UWV |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe zorgt UWV ervoor dat zij gebruik kan maken van verzekeringsartsen die niet werkzaam zijn bij UWV maar elders werken?
UWV ziet binnen de huidige wetgeving geen mogelijkheden om verzekeringsartsen in te huren die als zelfstandige werken (ZZP-ers), daarom heeft UWV de inhuur van ZZP verzekeringsartsen per 1 oktober 2025 afgebouwd. UWV kan binnen de huidige wet- en regelgeving nog wel artsen inhuren op detacheringsbasis.
Klopt het dat UWV vanwege de wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) geen zelfstandige verzekeringsartsen meer inhuurt waarbij geldt dat zij door de aard van het werk eigenlijk werknemers zouden moeten zijn?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat UWV deze zelfstandigen een aanbod voor een dienstverband heeft gedaan? Hoeveel van hen hebben dit geaccepteerd en hoeveel fte levert dit op?
Dat klopt, alle verzekeringsartsen die als zelfstandige bij UWV werkzaam waren hebben in de periode voor 1 oktober 2025 meerdere keren het aanbod gehad om bij UWV in dienst te komen. Er hebben 23 mensen van dat aanbod gebruik gemaakt.
Klopt het dat UWV echter ook geen partijen meer inzet waar verzekeringsartsen zijn aangesloten en werken op basis van een dienstverband?
Nee dat klopt niet. De wet DBA verhinderd dit niet, mits de externe artsen in loondienst zijn bij deze externe partijen. Zie vraag 6 voor een toelichting.
Klopt het dat dit binnen de wet DBA wel mogelijk zou zijn?
Het inzetten van externe partijen kan juridisch veilig onder de Wet DBA, mits de artsen die het werk uitvoeren in loondienst zijn bij die externe partij.
Klopt het dat dergelijke externe partijen tot wel duizenden keuringen zouden kunnen uitvoeren? Om hoeveel capaciteit gaat het?
UWV heeft regelmatig contact met de partijen in de markt. Op dit moment is er geen aanbod van te detacheren verzekeringsartsen.
Hoe veel capaciteit zou er nodig zijn om de tekorten bij UWV weg te werken?
UWV kampt al enkele jaren met een tekort aan verzekeringsartsen. Daardoor zijn de achterstanden de afgelopen jaren fors opgelopen. Er is op jaarbasis een tekort van ruim 200 artsen. En om opgelopen achterstanden weg te werken is er voor de duur van 1 jaar een capaciteit van 750 Fte nodig. Deze capaciteit is op dit moment niet in de markt van te detacheren verzekeringsartsen beschikbaar.
Ziet u mogelijkheden om partijen in het veld waar verzekeringsartsen werkzaam zijn binnen de wet DBA in te zetten voor aanvragen, herbeoordelingen of eerstejaars ziektewetbeoordelingen of anderzijds projecten op te pakken die de workload van UWV kunnen verlichten?
Het inhuren van verzekeringsartsen op detacheringsbasis is mogelijk binnen de huidige wet- en regelgeving. Een inventarisatie door UWV heeft uitgewezen dat deze markt geen groot aanbod aan te detacheren verzekeringsartsen kent. Juridisch is dit mogelijk maar de benodigde capaciteit is op dit moment niet beschikbaar.
UWV richt zich op de mogelijkheden die wél kunnen. Voor de werving van verzekeringsartsen hanteert UWV hanteert al jarenlang actieve wervingsstrategieën om artsen aan te trekken voor de verzekeringsgeneeskunde bij UWV. In het strategische personeelsplan van UWV wordt een apart hoofdstuk gewijd aan de werving van artsen inclusief gerichte doelstellingen. Hierover heb ik u geïnformeerd in de Kamerbrief van juni 20251.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV op 1 juli 2026?
Ja
Het afnemen van rechten voor de werknemersverzekeringen |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u uitdrukken welke groepen door de aanscherping van de referte-eis geen recht meer hebben op Werkloosheidswet (WW-)uitkering (in de huidige situatie wel WW zouden krijgen, maar door de aanscherping niet meer)? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot Algemene Ouderdomswet (AOW-)leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?
In 2024 heeft het CBS voor de WW-instroom in 2022 en 2023 een analyse gemaakt van de gevolgen van een aanscherping van de referte-eis.1 Ten behoeve van de beantwoording van deze Kamervraag heeft UWV op basis van WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2024 en 2025 een nieuwe, recentere analyse gemaakt van de effecten van een eventuele aanscherping van de referte-eis van 26 uit 36 weken naar 42 uit 52 weken. UWV heeft gekeken hoeveel mensen in deze jaren geen recht zouden hebben gehad op een WW-uitkering indien de aangescherpte referte-eis toen van kracht zou zijn geweest. Uit de analyse van UWV volgt dat zowel voor WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2024 als 2025, circa 12% geen recht zou hebben gehad op een WW-uitkering door de aanscherping van de referte-eis. Dit percentage is in lijn met de analyse van het CBS. Die vond 14% voor 2022 en 11% voor 2023.
De gevolgen voor verschillende groepen zijn in de tabellen hieronder weergegeven. Deze zijn weergegeven voor WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025. De tweede kolom van onderstaande tabellen geeft steeds de verdeling van de groep die bij een aangescherpte referte-eis het recht op een WW-uitkering zou verliezen. De derde kolom geeft ter vergelijking de verdeling van de groep die ondanks een strengere referte-eis het recht op WW zou behouden. De kolommen tellen verticaal op tot 100%. Bijvoorbeeld voor tabel 1: van alle WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025 die bij een aangescherpte het recht op WW-uitkering zou verliezen, was 22% tussen de 35 en 44 jaar. Voor de WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025 die ondanks een aanscherping van de referte-eis het recht op WW zouden behouden, was 23% tussen de 35 en 44 jaar.
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.
Voldoen niet aan 42 uit 52 weken
Voldoen wel aan 42 uit 52 weken
Gemiddelde leeftijd
38 jaar
40 jaar
t/m 24 jaar
14%
10%
25 t/m 34 jaar
32%
31%
35 t/m 44 jaar
22%
23%
45 t/m 54 jaar
17%
18%
55 t/m 59 jaar
7%
9%
60 t/m 64 jaar
6%
7%
65 tot AOW-leeftijd
1%
2%
Voldoen niet aan 42 uit 52 weken
Voldoen wel aan 42 uit 52 weken
Gemiddelde maandloon2
€ 2.701
€ 3.954
Minder dan € 2.054 per maand
33%
18%
€ 2.054 tot € 2.697 per maand
29%
19%
€ 2.698 tot € 3.421 per maand
20%
20%
€ 3.422 tot € 4.751 per maand
12%
21%
€ 4.752 of meer per maand
7%
22%
Voldoen niet aan 42 uit 52 weken
Voldoen wel aan 42 uit 52 weken
Vast contract
6%
36%
Tijdelijk contract
50%
44%
Oproepcontract
14%
7%
Uitzendcontract
27%
13%
Overig/onbekend
3%
1%
Bij deze cijfers horen enkele kanttekeningen. Allereerst bevat de loonaangifte van werkgevers uitsluitend informatie over het aantal uren per loonaangiftetijdvak en niet over het aantal uren per week. In de uitvoeringspraktijk (en voor deze exercitie) verdeelt UWV het aantal verloonde uren per loonaangiftetijdvak evenredig over het aantal weken in het loonaangiftetijdvak.
Ten tweede is, om de analyse behapbaar te houden, voor het bepalen of een werknemer zou voldoen aan de aangescherpte referte-eis een vereenvoudigde berekeningswijze gehanteerd die afwijkt van de daadwerkelijke uitvoeringspraktijk. Er is alleen gekeken naar het aantal verloonde uren in de periode van 36 dan wel 52 kalenderweken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag. Er is geen rekening gehouden met uitzonderingsgevallen, zoals bijvoorbeeld een verlengde referteperiode als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid of uren waarover geen loon is ontvangen maar wel recht bestond op loon. De cijfers moeten dus als een indicatie van de effecten worden gezien.
Kunt u uitdrukken wat de gevolgen zijn van de inkorting van de maximale WW-duur en de vertraagde opbouw van WW op de gemiddelde WW-duur? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot AOW-leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?
Ten behoeve van de beantwoording van deze Kamervraag heeft UWV voor WW-gerechtigden met een eerste werkloosheidsdag in 2025 berekend wat het WW-recht zou zijn geweest indien een maximale WW-duur van 12 maanden zou gelden en de opbouw van WW-recht een halve maand per jaar arbeidsverleden zou zijn.2 De uitkomst van deze analyse is dat het gemiddelde toegekende WW-recht zou dalen van 12 maanden naar 7 maanden. De gevolgen voor verschillende groepen zijn in de tabellen hieronder weergegeven.
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.
Daadwerkelijk toegekend WW-recht
Alle jaren arbeidsverleden een halve maand WW. Maximale WW-duur 12 maanden.
t/m 24 jaar
5 maanden
3 maanden
25 t/m 34 jaar
8 maanden
5 maanden
35 t/m 44 jaar
12 maanden
7 maanden
45 t/m 54 jaar
18 maanden
10 maanden
55 t/m 59 jaar
21 maanden
11 maanden
60 t/m 64 jaar
22 maanden
11 maanden
65 tot AOW-leeftijd
22 maanden
11 maanden
Daadwerkelijk toegekend WW-recht
Alle jaren arbeidsverleden een halve maand WW. Maximale WW-duur 12 maanden.
Minder dan € 2.054 per maand
10 maanden
6 maanden
€ 2.054 tot € 2.697 per maand
10 maanden
6 maanden
€ 2.698 tot € 3.421 per maand
12 maanden
7 maanden
€ 3.422 tot € 4.751 per maand
14 maanden
8 maanden
€ 4.752 of meer per maand
17 maanden
8 maanden
Daadwerkelijk toegekend WW-recht
Alle jaren arbeidsverleden een halve maand WW. Maximale WW-duur 12 maanden.
Vast contract
17 maanden
9 maanden
Tijdelijk contract
11 maanden
6 maanden
Oproepcontract
8 maanden
5 maanden
Uitzendcontract
10 maanden
6 maanden
Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW daadwerkelijk werkloos is?
Van alle lopende WW-uitkering in maart 2026 was 64% op dat moment niet werkzaam in loondienst.3
Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW een baan naast de WW heeft?
Van alle lopende WW-uitkering in maart 2026 was 36% op dat moment naast de WW-uitkering werkzaam in loondienst.4
Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst binnen keuringen er wordt bespaard door de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) af te schaffen? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?
In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar de WIA van afgelopen december5 is een schatting gemaakt van het aantal extra WIA-beoordelingen dat kan worden gedaan als de IVA wordt afgeschaft. Het gaat om ca. 7.500–12.000 extra beoordelingen per jaar. Afgezet tegen een beschikbare jaarlijkse capaciteit van ca. 60.000 beoordelingen betekent dat een gemiddelde versnelling van de beoordeling met ca. eenzesde oftewel 16%, of ca. 13% als wordt uitgegaan van de laagste schatting van 7.500 extra beoordelingen per jaar.
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.
Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst het oplevert dat mensen binnen de IVA niet herkeurd hoeven te worden, terwijl dit voor andere populaties binnen de WIA wel geldt? Kunt u aangeven hoe vaak er gemiddeld herkeuringen plaatsvinden binnen de periode dat mensen in de WIA zitten? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?
Het is niet zo dat mensen binnen de IVA niet herbeoordeeld hoeven te worden. Zowel in de WGA als in de IVA geldt het uitgangspunt dat een herbeoordeling moet plaatsvinden als daartoe aanleiding is, bijvoorbeeld als iemands gezondheidssituatie is veranderd of als blijkt dat iemands inkomen uit werk is toegenomen. Daarbij komt dat het bestaan van de IVA er juist toe leidt dat meer herbeoordelingen worden aangevraagd in de WGA, omdat de werknemer en de werkgever (of diens verzekeraar) beide een financieel belang hebben bij een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. In de periode 2013–2021 werden per WGA-gerechtigde gemiddeld 0,4 herbeoordelingen gedaan als de werkgever publiek verzekerd was, en 0,8 herbeoordelingen als de werkgever eigenrisicodrager was voor de WGA.6
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zet het kabinet de coalitieakkoordvoorstellen voor de WW en de WIA voorlopig niet in de voorgestelde vorm door.
Een omstreden concept dat kinderen van hun ouders scheidt |
|
Hanneke van der Werf (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe een omstreden concept kinderen van hun ouders scheidt: «Zolang ik niet leuk doe met mijn moeder, mag ik mijn vader niet zien»»?1
Ja. Ik ben bekend met het bericht.
Acht u het wenselijk dat jeugdbeschermers op basis van een theorie die niet vaststaat en waarbij internationaal ernstige zorgen zijn over de schadelijke gevolgen van deze theorie, dergelijke ingrijpende beslissingen kunnen nemen over kinderen?
Het uitgangspunt is dat beslissingen niet mogen steunen op een omstreden, niet vaststaande theorie. Zij moeten rusten op professionele standaarden en zorgvuldige casusafweging, met transparante motivering en rechterlijke toetsing. Ik ga hierover in gesprek met Jeugdzorg Nederland en de betrokken gecertificeerde instelling.
Welke jeugdbeschermingsorganisaties in Nederland werken vanuit deze of een vergelijkbare theorie en hoeveel kinderen zijn er – gebaseerd op deze theorie – uit huis geplaatst?
We beschikken landelijk over cijfers over ondertoezichtstellingen en machtigingen tot uithuisplaatsing via onder meer CBS en de Rechtspraak. Toezicht op de uitvoering vindt plaats via de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, de contractuele verantwoording tussen gemeenten en gecertificeerde instellingen en de interne kwaliteits- en dossieraudits bij GI’s en de Raad voor de Kinderbescherming. Periodieke materiële controle is geborgd in samenwerkingsafspraken over dossiervorming en besluitvorming en via de reguliere accountants- en rechtmatigheidscontroles bij gemeenten.
Er is geen landelijk overzicht van welke jeugdbeschermingsorganisaties werken met deze of een vergelijkbare theorie. Er bestaat ook geen registratie die beslissingen tot uithuisplaatsing koppelt aan een specifieke methodiek. Daardoor is niet vast te stellen hoeveel uithuisplaatsingen op deze theorie zijn gebaseerd.
Op welke wijze wordt voorkomen dat onbewezen of onvoldoende wetenschappelijk onderbouwde werkwijzen – en in dit geval bewezen ineffectieve werkwijzen – een rol spelen bij beslissingen die kunnen leiden tot dermate ingrijpende maatregelen zoals beperking van contact met een ouder of gedwongen plaatsing bij een van beide ouders?
Gecertificeerde instellingen werken in het algemeen volgens professionele richtlijnen en kwaliteitskaders en borgen vakinhoud via intervisie, supervisie en zo nodig een second opinion. Beslissingen steunen op de best beschikbare kennis, beroepsnormen en multidisciplinaire casuïstiek, met een duidelijke motivering. Ingrijpende maatregelen kunnen alleen na toetsing door de kinderrechter en moeten proportioneel en subsidiair zijn. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de werkwijze van de gecertificeerde instellingen. Hierbij baseert de Inspectie zich op de geldende wetten, regels en veldnormen.
Deelt u de opvatting dat het volstrekt ongewenst is dat een werkwijze waarover onder wetenschappers en deskundigen aanzienlijke discussie bestaat in de praktijk leidt tot beslissingen waarbij kinderen, tegen hun uitdrukkelijke wens in, contact met een ouder verliezen of hun veilige plek thuis verliezen?
Hierover ben ik helder. Het is in het algemeen ongewenst dat betwiste werkwijzen leiden tot zulke ingrijpende beslissingen. Jeugdprofessionals werken volgens de professionele standaard van hun beroepsgroep. Die omvat de beroepscode, de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming en de veldnormen en handelen conform deze standaard is wettelijk verankerd. De richtlijnen geven onderbouwde aanbevelingen op basis van wetenschap, praktijkkennis en ervaringskennis en worden ontwikkeld en ingevoerd door het Nederlands Instituut van Psychologen, de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen, en Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd ziet toe op naleving. Contactbeperking of uithuisplaatsing kan alleen op basis van de best beschikbare kennis, een zorgvuldige casusafweging en het zwaarwegende belang en de veiligheid van het kind, met toets door de kinderrechter. De stem van het kind weegt in deze toetsing mee.
Deelt u de opvatting dat deze kinderen recht hebben op een onafhankelijke beoordeling van hun gevoelens, ervaringen en veiligheidsbeleving, en hoe wordt dit in de praktijk gewaarborgd?
Ja. Kinderen hebben recht op een onafhankelijke beoordeling van hun beleving en veiligheid. In de praktijk gebeurt dat via het kindgesprek bij de kinderrechter en via onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, maar ook door jeugdbeschermers en betrokken zorgaanbieders. Het gaat hierbij steeds om de vraag welke beslissing uiteindelijk het meest in het belang van het kind wordt geacht. Kinderen hebben daarnaast toegang tot een cliëntenvertrouwenspersoon via Jeugdstem en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op de werkwijze van gecertificeerde instellingen.
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat signalen van onveiligheid, verwaarlozing of mishandeling onterecht worden geïnterpreteerd als uitingen van zogenaamde ouderverstoting, waardoor kinderen mogelijk juist niet beschermd worden tegen onveilige situaties?
Het kabinet is, samen met betrokken organisaties, aan de slag met het verbetertraject «Recht doen aan veiligheid», dat als doel heeft dat huiselijk geweld en kindermishandeling beter onderzocht, naar voren gebracht en meegenomen wordt in het familie-, jeugd- en strafrecht. Uw Kamer is in juli 2026 geïnformeerd over de voortgang van dit verbetertraject.2 Binnen dit traject wordt onder meer gewerkt aan deskundigheidsbevordering, het verbeteren van de informatie-uitwisseling en een toetsingskader. Daarbij is er ook aandacht voor dat voorheen het uitgangspunt vooral was dat contact of omgang met beide ouders het meest in het belang van het kind was. Met de betrokken partners werken we ernaartoe dat gewaarborgd wordt dat in die belangenafweging (het risico op) slachtoffer en/of getuige zijn van huiselijk geweld ook prominent wordt meegewogen.
Deelt u de opvatting dat bij ingrijpende beslissingen over kinderen de veiligheid van het kind leidend moet zijn, en hoe wordt getoetst of dit ook daadwerkelijk gebeurt wanneer beslissingen worden gebaseerd op een theorie waarvan de validiteit ter discussie staat?
Ja. De veiligheid van het kind moet altijd leidend zijn. Gecertificeerde instellingen werken volgens professionele richtlijnen en dienen transparant te zijn in hun besluitvorming en de onderbouwing van deze besluiten vast te leggen. Hier worden zij door het KeurmerkInstituut volgens het normenkader op gecontroleerd en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd ziet toe op het handelen conform deze richtlijnen. De Raad voor de Kinderbescherming toetst onafhankelijk. De rechter toetst eveneens onafhankelijk en maakt een afgewogen beslissing tussen enerzijds het belang van het kind om contact met beide ouders te hebben en anderzijds het belang van het kind om in veiligheid op te groeien.
Hoe bent u van plan om overzicht te krijgen van regionale handelwijzen en praktijken in de jeugdbescherming en jeugdzorg teneinde misstanden als deze te voorkomen en in te kunnen grijpen waar nodig?
In mijn periodieke gesprekken met de gecertificeerde instellingen zal ik de regionale handelwijzen en praktijken ter sprake brengen. De Inspectie Justitie en Veiligheid en Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houden toezicht op de kwaliteit van jeugdbescherming en jeugdzorg. Als zij in het toezicht normoverschrijdingen constateren in de handelwijzen van organisaties, kunnen zij verdiepend onderzoek doen om vast te stellen of de kwaliteit en veiligheid van de zorg onvoldoende is. Indien nodig kunnen zij een maatregel opleggen.
Het massaal niet doorbetalen van huishoudelijke hulpen bij ziekte |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat negen op de tien huishoudens hun huishoudelijke hulp niet doorbetalen bij ziekte terwijl dat wel wettelijk verplicht is?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat een grote groep huishoudelijke hulpen inkomsten misloopt doordat werkgevers hun wettelijke verplichtingen niet nakomen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het betreft hier huishoudelijk werk gefinancierd door en voor particulieren onder de Regeling dienstverlening aan huis («de regeling»). De regeling is juist bedoeld ter stimulering van de markt voor persoonlijke dienstverlening en het tegengaan van zwart werken. Het is de bedoeling dat deze werknemers krijgen waar zij recht op hebben.
Welke acties heeft het kabinet de afgelopen tien jaar ondernomen om huishoudens en huishoudhulpen te informeren over hun rechten en plichten?
De regeling is al in 2007 ingevoerd. Destijds is aan de introductie van de regeling veel aandacht besteed door middel van een grote voorlichtingscampagne van het Ministerie van SZW en de Belastingdienst. De afgelopen tien jaar heeft het kabinet geen specifieke campagnes gevoerd om huishoudens te informeren over rechten en plichten in het kader van de regeling. Op 9 december 2024 is wel een publiekscampagne van de Future of Work Hub (Universiteit Utrecht/Instituut Gak) gelanceerd. De campagne «Help de hulp» richtte zich op mensen die een huishoudelijke hulp particulier in dienst hebben en hen te wijzen op de rechten en plichten onder de regeling, waaronder het doorbetalen van het loon tijdens ziekte. Daarnaast is op de website van de Rijksoverheid een aparte pagina ingericht over de regeling.2 Hier wordt informatie gegeven over de rechten en plichten, en worden documenten beschikbaar gesteld, zoals een format voor de arbeidsovereenkomst.
Vindt u deze voorlichting voldoende? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. Met de informatie op de website van de Rijksoverheid en de informatie afkomstig uit de publiekscampagne van de Future of Work Hub (Universiteit Utrecht/Instituut Gak) uit 2024, meent het kabinet dat de voorlichting over de regeling voldoende is.
Op welke wijze wordt momenteel gecontroleerd of particuliere werkgevers zich houden aan de verplichting om loon door te betalen bij ziekte?
De overheid heeft geen specifieke rol als het gaat om het controleren of particuliere werkgevers zich houden aan de verplichting het loon door te betalen bij ziekte. De verplichting het loon door te betalen bij ziekte volgt uit artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, en betreft een civielrechtelijke verplichting. Voor huishoudelijke hulpen met een arbeidsovereenkomst onder de regeling bedraagt de lengte van de periode van loondoorbetaling bij ziekte maximaal zes weken.
Mocht een werknemer (dus ook een huishoudelijke hulp die werknemer is in dienst van een particulier) het loon bij ziekte niet doorbetaald krijgen, dan is het van belang dat hij hierover in gesprek gaat met zijn werkgever. De werknemer heeft daarbij de mogelijkheid informatie en advies over zijn rechten in te winnen bij bijvoorbeeld het Juridisch Loket, de vakbond of rechtsbijstandsverzekeraar. Komt men er niet uit, dan heeft de werknemer uiteindelijk de mogelijkheid een procedure bij de civiele rechter te starten. Wanneer sprake is van een werkgever/werknemer-relatie in de zin van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag én er is mogelijk sprake van onderbetaling, dan kan de werknemer eveneens een melding doen bij de NLA
Hoeveel meldingen, klachten, onderzoeken en handhavingsacties zijn er de afgelopen vijf jaar geweest met betrekking tot het niet naleven van de Regeling dienstverlening aan huis?
Er is geen totaaloverzicht van dergelijke informatie van de verschillende rechtshulpverleners, zoals Het Juridisch Loket, de vakbonden en de rechtsbijstandsverzekeraars. De NLA houdt in haar registraties niet specifiek bij of dergelijke informatie betrekking heeft op situaties met werknemers zoals bedoeld in de regeling.
Welke mogelijkheden hebben huishoudelijke hulpen om hun recht op loondoorbetaling af te dwingen?
Huishoudelijke hulpen kunnen voor advies en ondersteuning terecht bij verschillende rechtshulpverleners, zoals Het Juridisch Loket, de vakbond of rechtsbijstandsverzekeraar. Net als andere werknemers hebben huishoudelijke hulpen de mogelijkheid een civielrechtelijke procedure te starten indien de particuliere werkgever zijn wettelijke plichten niet nakomt (zie ook het antwoord op vraag 5).
Samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn afgelopen jaren meerdere stappen gezet om de toegang tot het recht te verbeteren.3 Er wordt gewerkt aan het verbeteren van informatievoorziening, advies en ondersteuning aan rechtszoekenden en laagdrempelige geschilbeslechting via de regelrechter. Deze mogelijkheid staat ook open voor huishoudelijke hulpen die onder de regeling vallen.
Sinds 1 maart 2025 staat onder andere voor een loonvordering een experiment open bij de zogenaamde regelrechter. Dit is experiment met een eenvoudigere, snellere en effectievere rechtsprocedure bij de kantonrechter. Dit is een uitvloeisel van het advies van de Commissie Roemer om een «arbeidscommissie» op te richten. Het experiment is laagdrempelig, omdat mensen de zaak met een eenvoudig formulier kunnen starten in plaats van met een dagvaarding. Ook wordt in alle gevallen een zitting gepland om het geschil te bespreken. Daarnaast wordt tijdens de procedure op verschillende momenten contact gezocht met de partijen om hen te infomeren over de procedure en te benadrukken dat het belangrijk is om op de zitting te verschijnen.
Vindt u deze mogelijkheden toegankelijk genoeg voor mensen met een laag inkomen?
Ja. Het Juridisch Loket geeft gratis juridisch advies aan mensen met een laag inkomen. Het Juridisch Loket is op meerdere manieren te bereiken. Het is ook mogelijk om zonder afspraak langs te gaan in één van de vestigingen en direct advies te krijgen. Voor vertegenwoordiging of verdere hulpverlening kunnen zij de rechtzoekende ook doorverwijzen naar bijvoorbeeld een advocaat, mediator of gemeente. Via de Raad voor Rechtsbijstand kunnen mensen met een laag inkomen ook eventueel een toevoeging krijgen voor een advocaat of mediator. Tegelijkertijd wordt het experiment voor de «regelrechter» de komende tijd geëvalueerd. Daarbij wordt ook meegenomen of dit inderdaad leidt tot meer zaken en welke mensen dit betreft. Op basis van deze evaluatie kan ook worden beoordeeld wat werkt en wat mogelijk verder nog nodig is.
Deelt u de mening dat huishoudelijke hulpen door de huidige regeling in een kwetsbare positie verkeren, omdat zij afhankelijk zijn van particuliere werkgevers die vaak niet op de hoogte zijn van hun verplichtingen of deze niet nakomen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Nee, het is niet zo dat huishoudelijke hulpen door de regeling in een kwetsbare positie verkeren. De regeling is juist bedoeld om de positie van huishoudelijke hulpen te verbeteren door hen wettelijke rechten te geven en zwart werk tegen te gaan. Onder meer door informatie over de regeling en een arbeidsovereenkomst beschikbaar te stellen via de website van de Rijksoverheid, wordt getracht een eventuele informatieachterstand bij particuliere werkgevers te voorkomen. Als werkgevers de verplichtingen niet nakomen, kunnen huishoudelijke hulpen voor advies en ondersteuning terecht bij verschillende rechtshulpverleners om zo alsnog hun rechten af te dwingen.
Welke stappen neemt u om ervoor te zorgen dat huishoudhulpen krijgen waar zij recht op hebben?
Zoals in het antwoord bij vraag 7 aangegeven werkt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan het verbeteren van de toegang tot het recht. Er wordt gewerkt aan het verbeteren van informatievoorziening, advies en ondersteuning aan rechtszoekenden en laagdrempelige geschilbeslechting via de regelrechter. Dit is gericht op alle kwetsbare werknemers, waaronder huishoudelijke hulpen.
Bent u het ermee eens dat de regeling dienstverlening aan huis opnieuw tegen het licht moet worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
In het lopende wetstraject4 rondom aanpassing van de regeling in het pgb is de regeling recent opnieuw tegen het licht gehouden. Daarbij is de afweging gemaakt dat de regeling in stand kan blijven voor de private markt5. Er is geen aanleiding daar nu een andere afweging in te maken.
Met dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 april 20236. In deze uitspraak oordeelde de rechter dat pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst niet uitgesloten mogen worden van de verplichte werknemersverzekeringen. Het uitsluiten van deze zorgverleners levert namelijk ongeoorloofde indirecte discriminatie van vrouwen op. De argumenten voor de regeling, namelijk het stimuleren van de markt voor persoonlijke dienstverlening en het tegengaan van zwart werk, gaan in geval van publiek gefinancierde dienstverlening, in casu pgb, niet op.
Bent u bekend met de verklaring van de Amerikaanse Director of National Intelligence (DNI) Tulsi Gabbard van 12 juni 2026 en het bijbehorende persbericht van de Office of the Director of National Intelligence (ODNI), waarin openbaar is gemaakt dat de Verenigde Staten, en specifiek het Amerikaanse Ministerie van Oorlog, sinds 2005 meer dan veertig biolaboratoria in Oekraïne hebben gefinancierd en ondersteund?1, 2
Ja.
Was het kabinet eerder op de hoogte van de omvang en de aard van deze investeringen van het Amerikaanse Ministerie van Oorlog in Oekraïense biolaboratoria?
Het kabinet is op de hoogte van het Amerikaanse Biological Threat Reduction Programme.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag bevestigend luidt, kunt u toelichten sinds wanneer u deze kennis had?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het denkbaar dat de aanwezigheid van door de Verenigde Staten en het Ministerie van Oorlog gefinancierde biolaboratoria met gevaarlijke pathogenen, dicht bij de Russische grens, door Rusland als een bedreiging is opgevat?
Nee.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag bevestigend luidt, hoe duidt u dit provocerende handelen door de Verenigde Staten?
Zie antwoord vraag 4.
Acht u het denkbaar dat de Amerikaanse activiteiten in de ogen van Rusland een reden kunnen zijn geweest om in 2022 Oekraïne binnen te vallen?
Nee. Het is volstrekt duidelijk dat Rusland een illegale agressie oorlog tegen Oekraïne voert waar geen enkele rechtvaardiging voor bestaat.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u deze activiteiten niet relevant acht voor de duiding van de aanloop naar de oorlog in Oekraïne?
Zie antwoord vraag 6.
Wat vindt u van de stelling van DNI Gabbard dat de volledige omvang van deze financiering destijds bewust verzwegen is gebleven voor het publiek?
Het kabinet recenseert dergelijke stellingen niet.
Hoe beoordeelt u het feit dat eerdere signalen over biolabs in Oekraïne destijds door de Minister van Buitenlandse Zaken zijn afgedaan als desinformatie en zelfs als een door Rusland geënsceneerde complottheorie?3
Het kabinet ziet geen reden om de eerdere classificatie aan te passen, namelijk dat deze berichtgeving over biolabs in Oekraïne desinformatie betreft.
Kunt u uiteenzetten welke gevolgen deze onthulling volgens u heeft voor de voortzetting van EU- en Nederlandse steun aan Oekraïne?
De Russische agressieoorlog tegen Oekraïne is en blijft illegaal. Rusland dient de oorlog te stoppen. Nederland steunt Oekraïne in de strijd tegen Russische agressie.
Het artikel ‘Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op: radicaal besluit leidt tot geschokte reacties’ |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rijkswaterstaat stopt met asfalteren in Noord-Nederland, want het geld is op: radicaal besluit leidt tot geschokte reacties»?1
Ja.
Was u vooraf op de hoogte van deze onderhoudsstop? Zo ja, waarom is niet eerder ingegrepen om reeds geplande werkzaamheden te voltooien?
Ja, de tekorten op de instandhoudingsopgave maken onderdeel uit van de grote financiële opgave op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds. Daarover is de Tweede Kamer op 16 maart jl. geïnformeerd. Voor exploitatie en onderhoud moet Rijkswaterstaat scherpe keuzes maken en werkzaamheden in tijd naar achteren schuiven om binnen de financiële kaders te blijven voor 2026–2030. Het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 is hier een concreet voorbeeld van.
Het gaat hierbij om niet-acuut noodzakelijk onderhoud waarbij de veiligheid en bereikbaarheid ook bij uitstel niet direct in het geding zijn. Het leidt daarbij ook niet tot snelheidsbeperkende maatregelen of afsluitingen. Waar nodig worden aanvullende maatregelen genomen om de verkeersveiligheid te blijven waarborgen.
Het verschuiven van werkzaamheden binnen de programmering is op zichzelf niet nieuw en maakt deel uit van de reguliere uitvoeringspraktijk van Rijkswaterstaat. Werkzaamheden kunnen bijvoorbeeld worden verschoven omdat zij gecombineerd kunnen worden met andere projecten, vanwege beperkingen in de beschikbare uitvoeringscapaciteit of vanwege de beschikbare financiële middelen.
In de brief van 16 maart jl. is tevens geconcludeerd dat de grote financiële opgaven op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds het noodzakelijk maakt om over de volle breedte van de opgaven, het MIRT en de fondsen te prioriteren (Kamerstuk 36 800 A, nr. 39). De uitgestelde werkzaamheden worden meegenomen in deze grote prioritering, waarvoor in de brief van 19 juni jl. het afweegkader is gedeeld. Aan de hand hiervan zal middels een transparant proces, in afstemming met de Kamer en de regio's worden geprioriteerd, waarmee de basis van onze infrastructuur de komende jaren weer op orde wordt gebracht.
Was u op de hoogte van het feit dat om dezelfde reden eerder ook al werkzaamheden in de regio zijn geschrapt, zoals in het artikel te lezen is?
Naast het uitstellen van onderhoudswerkzaamheden in Noord-Nederland zijn geen andere projecten in die regio om dezelfde reden uitgesteld. Wel is eerder dit jaar besloten het geplande groot onderhoud aan de A12 naar een later moment te verschuiven.
Was het de bedoeling dat ook projecten die zich zo dicht bij de uitvoeringsfase bevinden (binnen twee jaar) opnieuw zouden worden beoordeeld, aangezien Rijkswaterstaat meldt dat deze projecten ook worden meegenomen in de herprioritering?
Om binnen de financiële kaders voor de periode 2026–2030 te blijven, moet Rijkswaterstaat scherpe keuzes maken in de programmering van werkzaamheden. Omdat dit geen lopend project is, er sprake is van niet-acuut noodzakelijk onderhoud en de veiligheid en bereikbaarheid niet in het geding zijn, is ervoor gekozen de aanbesteding van de preventieve onderhoudswerkzaamheden die voor 2027 en 2028 waren voorzien, niet voort te zetten.
Vindt u het evenwichtig dat de onderhoudsstop aan het wegennet disproportioneel het noorden treft, een regio waar minder openbaar vervoer beschikbaar is?
Rijkswaterstaat moet prioriteiten stellen, om binnen de financiële kaders voor 2026–2030 te blijven. Daarom wordt kritisch gekeken naar al het werk wat nog niet verplicht is en wordt continu de vraag gesteld: moet dit werk echt nu of kan dit ook later? Deze vraag speelt ook in andere delen van het land. Op basis van het afweegkader zullen alle werkzaamheden worden getoetst aan de met de Tweede Kamer besproken criteria. Noodzakelijk acuut onderhoud wordt overigens overal in het land wel uitgevoerd, zodat de veiligheid en bereikbaarheid op het Hoofdwegennet (HWN) geborgd blijven. Tegelijkertijd wordt er ook in Noord-Nederland dit jaar, net als vorig jaar, veel groot onderhoud aan de wegen uitgevoerd.
Zo nee, hoe verklaart u dat deze onderhoudsstop zich zo concentreert in dit deel van het land?
Zie het antwoord op vraag 5.
Wat is de economische impact van de onderhoudsstop op de economie van Noord-Nederland en op het handelsverkeer?
Het voorlopig stopzetten van de aanbesteding van het groot onderhoud aan wegen in Groningen, Friesland en Drenthe in de jaren 2027–2028 heeft geen effect op de verkeersveiligheid en de beschikbaarheid van het netwerk voor economisch verkeer.
Rijkswaterstaat blijft vanzelfsprekend de noodzakelijke maatregelen treffen om de veiligheid en bereikbaarheid te garanderen. Voor de lange termijn zullen via toetsing aan het afweegkader nog prioriteiten moeten worden gesteld.
Wat betekent deze onderhoudsstop in Noord-Nederland voor het goederenvervoer richting Noord-Duitsland en Denemarken?
Zie het antwoord op vraag 7.
Hoe rijmt u de hoge opbrengsten uit belastingen en heffingen voor weggebruikers, zoals de motorrijtuigenbelasting, accijnzen en andere heffingen, met het beperkte budget voor het meest basale onderhoud?
De belastingen gaan naar de Algemene middelen. De overheid zet deze middelen vervolgens in voor collectieve voorzieningen in Nederland, waaronder de infrastructuur. Met deze middelen wordt jaarlijks onder andere fors geïnvesteerd in de Nederlandse infrastructuur via het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds. Zo investeert het kabinet incidenteel € 7 miljard en structureel € 0,5 miljard extra in onder andere instandhouding. Mede daardoor beschikt Nederland over een sterk en goed functionerend netwerk van wegen, vaarwegen, bruggen, tunnels en waterwerken. Tegelijkertijd bereikt een groot deel van deze infrastructuur, die in de jaren zestig en zeventig is aangelegd, het einde van de technische levensduur. Om de infrastructuur ook in de toekomst veilig, betrouwbaar en beschikbaar te houden, zijn daarom extra investeringen in instandhouding nodig. Daarnaast is het nodig om te prioriteren.
Is het te verwachten dat dergelijke onderhoudsstops zich ook zullen voordoen in Oost-, Zuid-, West- of Midden-Nederland?
Op basis van de aangekondigde brede prioritering wordt vastgesteld hoe de programmering voor de komende jaren eruit komt te zien. Met deze prioritering willen we de basis van onze infrastructuur weer op orde te brengen en beschikbare middelen zo doelmatig mogelijk inzetten.
De veiligheid is door het uitstellen van het onderhoud niet in het geding en er is daarom geen sprake van snelheidsverlagende maatregelen en afsluitingen. Daar waar de veiligheid wel in het geding is neemt Rijkswaterstaat altijd de noodzakelijke maatregelen. De werkzaamheden die in uitvoering zijn gaan gewoon door.
Heeft u zicht op de onderhoudsopgave bij provincies, aangezien N-wegen ook deel uitmaken van deze onderhoudsstop? Zo ja, kan u deze toelichten?
De onderhoudsopgave van provincies en gemeenten valt onder hun eigen verantwoordelijkheid. Ook zij staan voor aanzienlijke uitdagingen op het gebied van beheer en onderhoud en vernieuwing. Ik blijf daarom goed met provincies en gemeenten in gesprek, mede ook omdat de uitkomsten van de prioritering gevolgen zullen hebben voor hun netwerken. Deze gesprekken zal ik blijven voeren, onder meer bij bestuurlijke overleggen MIRT die in het najaar van 2026 plaatsvinden.
Daarnaast stemmen Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten de planning en uitvoering van werkzaamheden op hoofd- en onderliggende netwerken zoveel mogelijk op elkaar af, zodat de bereikbaarheid gewaarborgd blijft en hinder voor gebruikers wordt beperkt.
In hoeverre speelt bij provincies een vergelijkbaar tekort voor de onderhoudsopgave als bij het Rijk?
Zie het antwoord op vraag 11.
Welke impact heeft deze onderhoudsstop op het aankomende afwegingskader voor de prioritering van infrastructuurprojecten?
Binnen de huidige financiële kaders is het noodzakelijk om onderhoudsmaatregelen zorgvuldig te prioriteren en waar nodig te faseren. Het geheel aan exploitatie en onderhoud inclusief uitgestelde werkzaamheden wordt meegenomen in deze prioritering op basis van het met de Tweede Kamer besproken afweegkader. In september zal ik de Kamer informeren over de uitwerking van het afweegkader. Deze uitwerking zal vervolgens met de Kamer en de regio’s worden besproken. De keuzes die hieruit voortvloeien worden in de Voorjaarsnota 2027 verwerkt.
Dreigende elektriciteitstekorten |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe alarmerend is voor u de berichtgeving dat er volgens netbeheerder Tennet niet – zoals eerder voorspeld – vanaf 2030, maar al vanaf 2028 elektriciteitstekorten dreigen, waardoor delen van het land urenlang zonder elektriciteit komen te zitten?1
Het kabinet neemt de signalen uit de Monitor Voorzieningszekerheid (MVZ) 2026, waarin TenneT waarschuwt dat het risico op een mogelijk elektriciteitstekort vanaf 2028 toeneemt, zeer serieus. Daarom heeft het kabinet de Kamer op 19 juni jl. geïnformeerd2 over het besluit om een capaciteitsmechanisme te introduceren om de voorzieningszekerheid te waarborgen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel en beschamend is dat – in Nederland waar het hebben van elektriciteit ooit, zoals het hoort, vanzelfsprekend was – de norm van een jaarlijks elektriciteitstekort van maximaal vier uur ruimschoots overschreden zal worden?
Het kabinet deelt de zorg van de Kamer en vindt het essentieel dat de norm niet overschreden wordt. Daarom introduceert het kabinet een capaciteitsmechanisme om voldoende elektriciteit beschikbaar te hebben.
Deelt u de mening dat het ronduit zorgwekkend is dat elektriciteitstekorten zich met name in de winter in de ochtend- en avonduren zullen voordoen, terwijl dat júíst de momenten zijn waarop huishoudens relatief veel energie verbruiken? Kunt u garanderen dat huishoudens níét in het donker en de kou komen te zitten?
Het kabinet erkent dat elektriciteitstekorten tijdens winterse ochtend- en avonduren, wanneer de vraag naar elektriciteit het hoogst is, volgens de MVZ 2026 een risico vormen. Het door het kabinet te introduceren capaciteitsmechanisme is er daarom op gericht om voldoende aanbod te genereren, ook tijdens deze piekmomenten. Hiermee wordt het risico dat huishoudens zonder stroom komen te zitten zoveel mogelijk beperkt.
Deelt u de mening dat het volstrekt tegenstrijdig en onuitlegbaar is:
De Europese en ook de Nederlandse economie is zeer kwetsbaar door de grote afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen die nog in belangrijke mate onderdeel uitmaken van onze energiemix. Het is belangrijk dat we die afhankelijkheid afbouwen en onze geopolitieke weerbaarheid opbouwen. Dat is een transitie.
De MVZ 2026 laat zien dat de druk op de voorzieningszekerheid het gevolg is van een combinatie van factoren, waaronder de groeiende elektriciteitsvraag door elektrificatie en de afname van regelbaar vermogen in Nederland evenals in omringende landen. De energietransitie brengt veranderingen in het elektriciteitssysteem met zich mee die vragen om aanpassing van zowel de energie-infrastructuur, zoals de aanpak van netcongestie, als de elektriciteitsmarkt middels een capaciteitsmechanisme.
Voorzieningszekerheid draait daarbij om voldoende beschikbaar vermogen en flexibiliteit in het elektriciteitssysteem als geheel, niet om één specifieke technologie. Daaraan kunnen verschillende technologieën bijdragen, waaronder batterijen, opslag, vraagrespons en gascentrales.
Hoe reageert u op Tennet dat stelt: «Vorig jaar adviseerden we nog om zo’n capaciteitsmechanisme te besturen. Dat heeft het kabinet ook gedaan. Maar nu is de tijd van bestuderen en adviesrapporten wel voorbij»? Komt u met een capaciteitsmechanisme? Zo ja, zal dit – zoals door Tennet geadviseerd – in de winter van 2029–2030 operationeel zijn? Zo nee, wat is dan wél uw oplossing?
Ja. Het kabinet gaat een marktbreed capaciteitsmechanisme implementeren dat in de winter 2029/2030 operationeel zal zijn om de voorzieningszekerheid van elektriciteit ook op de langere termijn te waarborgen. De eerste contouren daarvan worden geschetst in de Kamerbrief voorzieningszekerheid van elektriciteit die op 19 juni met de Tweede Kamer is gedeeld3.
Wat bedoelt u met uw uitspraak: «Ik wil een «verzekering» afsluiten die de risico’s op uitval vermindert, zodat Tennet ervoor kan zorgen dat er ook op termijn voldoende elektriciteit is»? Wat voor «verzekering» precies?
Met de «verzekering» wordt het marktbrede capaciteitsmechanisme bedoeld waar het kabinet aan werkt. Dit mechanisme zorgt ervoor dat voldoende regelbaar vermogen beschikbaar blijft om ook op piekmomenten aan de elektriciteitsvraag te voldoen. Aanbieders van elektriciteit ontvangen hiervoor een vergoeding voor het beschikbaar houden van capaciteit.
Deelt u, resumerend, bovenal de conclusie dat het veel beter is om:
Nee, het kabinet deelt die conclusie niet. Het doel van het klimaat- en energiebeleid is juist om toe te werken naar een energiesysteem dat betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam is. Daarbij zet het kabinet in op diverse maatregelen die leiden tot een mix van hernieuwbare energie, kernenergie, energiebesparing, flexibiliteit, opslag en voldoende regelbaar vermogen. Zoals ook aangegeven is in het antwoord op vraag 4, is de Europese en ook de Nederlandse economie zeer kwetsbaar door de grote afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen die nog in belangrijke mate onderdeel uitmaken van onze energiemix. Het is belangrijk dat we die afhankelijkheid afbouwen en onze geopolitieke weerbaarheid opbouwen. De MVZ 2026 onderstreept het belang van aanvullende maatregelen om de voorzieningszekerheid ook in de toekomst te waarborgen. Het kabinet neemt dit signaal serieus en werkt daarom aan een technologieneutraal capaciteitsmechanisme, waardoor verschillende technologieën en flexibiliteitsopties kunnen bijdragen aan de voorzieningszekerheid. Een dergelijke diversiteit draagt eveneens bij aan de weerbaarheid van het energiesysteem.