Het bericht ‘Hoe de Waddentop in Esbjerg uitmondde in een deceptie’ |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het verloop en de uitkomsten van de trilaterale Waddenzeeconferentie in Esbjerg?1
Hoe beoordeelt u het feit dat er geen gezamenlijke regeringsverklaring tot stand is gekomen tussen Nederland, Duitsland en Denemarken?
Deelt u de mening dat voor een goede bescherming van het Werelderfgoed Waddenzee goede internationale afspraken onontbeerlijk zijn?
Acht u intensievere samenwerking tussen de Waddenzeelanden noodzakelijk gezien de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het beschermen van de Waddenzee als ecologische eenheid en UNESCO Werelderfgoed?
Welke concrete resultaten zijn volgens u, ondanks het uitblijven van een regeringsverklaring, wel bereikt tijdens de conferentie in Esbjerg?
Welke prioriteiten stelt Nederland tijdens het aankomende voorzitterschap van de Trilaterale Waddenzee Samenwerking?
Welke concrete doelen wil Nederland tijdens het voorzitterschap bereiken op het gebied van natuurherstel, klimaatadaptatie en ecologische bescherming van de Waddenzee?
Welke stappen gaat Nederland als voorzitter zetten om te komen tot meer gezamenlijke en bindende afspraken tussen de drie Waddenzeelanden?
Hoe gaat Nederland zich tijdens het voorzitterschap inzetten voor betere afstemming over grootschalige infrastructuurprojecten, zoals de aanleg van stroomkabels door het Waddengebied?
Hoe gaat Nederland tijdens het voorzitterschap voorkomen dat nationale verschillen blijven leiden tot versnipperde besluitvorming binnen de trilaterale samenwerking?
Wanneer is de eerstvolgende geplande bestuurlijke bijeenkomst in het kader van de trilaterale Waddenzee-samenwerking?
Dierhouders die niet voldoen aan de zorgplicht voor de bescherming van hun dieren, maar wel vergoeding uitbetaald krijgen na wolvenaanvallen |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel en bijbehorende video van House of Animals waarin wordt bericht dat een paarden- en ponyhandelaar structureel niet aan de adviesnormen voldoet om zijn pony's te beschermen tegen wolven, maar wel 22.858 euro aan vergoedingen heeft uitbetaald gekregen na wolvenaanvallen?1
Wat is uw reactie op de geconstateerde problemen in het artikel en de bijbehorende video?
Wat vindt u ervan dat er een dode pony in vergaande staat van ontbinding aan de rand van het veld van de ponyhouder is gevonden (en daarna in de sloot) met een dik touw om de enkel en dat de ponyhouder er niets van had gemerkt en er geen verklaring voor kan geven?
Kunt u uitsluiten dat de pony daar dagenlang is gedumpt door de ponyhouder?
Wat vindt u ervan dat naast het stoffelijk overschot van de pony hoge drinkbakken met te weinig water stonden, waardoor meerdere dorstige pony’s er niet bij konden?
Kunt u uitsluiten dat de ponyhouder pony's heeft gebruikt als lokaas? Zo ja, hoe precies?
Is er onderzoek gedaan over het aangetroffen dierenleed en of de ponyhouder zich aan de wet heeft gehouden? Zo ja, door wie en wat is daaruit gekomen? Zo nee, bent u bereid onderzoek te laten uitvoeren naar deze situatie?
Welke mogelijke sancties zijn er voor zo een ponyhouder?
Klopt het dat de genoemde ponyhouder niet voldeed aan de adviesnormen voor bescherming van zijn dieren en toch vergoeding uitgekeerd kreeg na een wolvenaanval?
Kunt u bevestigen dat ongeveer 75 procent van de wolvenaanvallen in Friesland bij alleen deze ponyhouder hebben plaatsgevonden?
Klopt het dat bij de genoemde wolfaanvallen in de dorpen Oudehorne en Nieuwhorne de dieren niet volgens de adviesnormen werden beschermd, maar toch vergoeding uitgekeerd werd (tussen 2024 en 2025)? Zo nee, hoe zit het dan?
Gaat u onderzoeken of ook in andere provincies het geval bestaat dat bij één enkele dierhouder, of een paar dierhouders, een overgroot deel van de wolvenaanvalmeldingen zijn gedaan? Kunt u de bevindingen met ons delen?
Deelt u de mening dat in het kader van zorgplicht dierhouders in het algemeen verplicht zijn om hun dieren voldoende te beschermen tegen predatoren, zoals de wolf?
Deelt u de mening dat dierhouders die hier niet aan voldoen geen vergoeding zouden mogen krijgen na een wolvenaanval? Zo nee, hoe legt u die beloning van slecht gedrag uit?
Over welke instrumenten beschikt u om te controleren of dierhouders voldoen aan de zorgplicht? Wat heeft u nodig om deze instrumenten nog beter te kunnen benutten?
Hoe vaak wordt gecontroleerd bij dierenhouders? Hoe vaak is in de afgelopen vier jaar gecontroleerd bij een overduidelijk risicogeval als in het artikel genoemde ponyhouder uit Friesland en welke conclusies zijn daaruit gekomen?
Bent u het ermee eens dat onbeschermde dieren een makkelijke prooi zijn voor wolven en dit kan veroorzaken dat de wolf terugkeert naar dezelfde plek?
Bent u het ermee eens dat een wolf door nalatigheid van mensen in de bescherming van hun dieren, problematisch gedrag kan gaan vertonen zoals het wederkeren naar dezelfde plek? Wie draagt dan volgens u de verantwoordelijkheid voor de gevolgen daarvan?
Heeft u in kaart en wat gaat u eraan doen dat mensen on- of doelbewust hun dieren onbeschermd kunnen laten en vervolgens een hoge vergoeding kunnen krijgen voor (dodelijke) schade aan deze dieren?
Erkent u dat een systeem waarin verwaarlozing van dieren niet wordt aangepakt, met wolvenaanvallen als gevolg, potentieel dierhouders door middel van vergoedingen beloont voor het overtreden van de wet?
Bent u ermee bekend dat dieren zoals de shetlandpony, meer geld opleveren voor een dierhouder via een uitbetaling van een vergoeding na een wolvenaanval, dan door het dier op marktplaats (of via een andere wijze) te verkopen? Wat vindt u van deze mogelijk perverse prikkel?
Controleert u periodiek de waardetabel (die jaarlijks wordt opgesteld) op basis waarvan de hoogte van de vergoedingen wordt bepaald?
Gaat u dierhouders die niet voldoen aan de zorgplicht en zich niet aan de adviesnormen houden in de toekomst gericht strenger controleren? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, hoe gaat u dan handhaven dat er geen misbruik wordt gemaakt van de vergoedingsregeling?
Wat vindt u van wolvenaanvallen die mogelijk tot stand zijn gekomen door nalatigheid van dierhouders of zelfs door het uitlokken van de wolf? Bent u het met ons eens dat dat bij kan dragen aan een vertekend beeld van het daadwerkelijke gevaar dat de wolf vormt voor mens en dier?
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat dierhouders bekend worden met en zich gaan houden aan de adviesnormen en gaan voldoen aan de zorgplicht?
Zou u deze vragen binnen de gestelde termijn willen beantwoorden en tenminste alvorens het nog te plannen plenair debat over de wolf in Nederland?
Massasterfte van zwaluwen door pesticiden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de massasterfte van oeverzwaluwen bij de Haarrijnse Plas?1
Deelt u de zorg dat sterfte door pesticiden waarschijnlijk structureel wordt onderschat, omdat zieke dieren zich verstoppen, snel worden opgegeten door aaseters of niet toxicologisch onderzocht worden?
Wordt momenteel gemonitord hoeveel vogels en andere wilde dieren jaarlijks slachtoffer worden van pesticiden? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, bent u bereid om een landelijk monitoringsprogramma op te zetten voor pesticidevergiftiging bij wilde dieren, inclusief structureel toxicologisch onderzoek bij massasterfte?
Bent u bekend met het toxicologisch onderzoek van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat bij de gestorven oeverzwaluwen hoge concentraties gif zoals permethrine en tetramethrine op de veren en in hersenweefsel zijn aangetroffen?2
Wat vindt u ervan dat de twee pesticiden nu gelden als «relatief veilig voor vogels», maar toch gevaarlijk blijken te zijn?
Erkent u de conclusies van de wetenschappers dat deze bevindingen erop wijzen dat vogels ernstig ziek kunnen worden of sterven door blootstelling aan pesticiden via huidcontact of inhalatie, terwijl deze blootstellingsroutes momenteel niet standaard worden meegenomen in toelatingsprocedures voor bestrijdingsmiddelen? Zo nee, op welk wetenschappelijk onderzoek baseert u zich?
Hoe beoordeelt u het feit dat de huidige risicobeoordeling van pesticiden vooral uitgaat van opname via voedsel, terwijl onderzoekers nu expliciet waarschuwen dat blootstelling via veren, huid en luchtwegen mogelijk minstens zo schadelijk kan zijn?
Welke gevolgen hebben deze onderzoeksresultaten voor de bescherming van (bedreigde) vogelsoorten zoals de oeverzwaluw, waarvan populaties al onder druk staan door verlies van leefgebied, voedseltekorten en milieuvervuiling?
Heeft u gelezen dat de onderzoekers hopen dat de manier waarop pesticiden worden beoordeeld opnieuw onder de loep zal worden genomen en dat dit onderzoek aanleiding geeft om bij de toelating van pesticiden rekening te houden met meer scenario’s dan alleen blootstelling via voedsel?
Bent u bereid om het advies van de wetenschappers op te volgen? Zo ja, hoe en op welke termijn?
Vindt u dat er daarbij ook beter gekeken moet worden naar hoe in de toelatingssystematiek en beoordelingssystematiek rekening gehouden wordt met mogelijke cumulatieve en synergistische effecten van pesticidencombinaties voor (wilde) dieren en mensen? Zo ja, hoe gaat u dat verwerken en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) te verzoeken om op deze nieuwe bevindingen te reflecteren en te kijken wat kan worden gedaan om ervoor te zorgen dat blootstelling via huidcontact en inhalatie structureel wordt onderzocht, zodat volgens en andere wilde dieren beter worden beschermd tegen pesticiden?
Bent u bereid om bij het Ctgb en in Europees verband erop aan te dringen dat cumulatieve en synergistische effecten van pesticiden voor (wilde) dieren en mensen structureel mee moeten worden genomen in de toelating en herbeoordeling van stoffen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om in Europees verband, ook in het kader van de gesprekken rondom de Omnibus Food and Feed Safety Simplification, te wijzen op deze wetenschappelijke bevindingen en te pleiten dat die bevindingen worden verwerkt in beleid om wilde dieren beter te beschermen tegen pesticiden (ook in het kader van Europese doelen voor biodiversiteit)?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om blootstelling van wilde dieren aan pesticiden terug te dringen?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
De afsluiting kwelders Wierum en Ternaard en beperking recreatief gebruik Waddenzee |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente berichten over het afsluiten van delen van de Waddenzee, waaronder de kwelders bij Wierum en Ternaard, en het stopzetten van excursies naar Rottum?
Klopt het dat Rijkswaterstaat inzet op het afsluiten van meerdere gebieden in de Waddenzee voor publiek gebruik in het kader van Natura 2000-doelstellingen?
Welke concrete ecologische problemen liggen volgens het kabinet ten grondslag aan deze maatregelen en welke rol speelt recreatie daarin ten opzichte van andere factoren, zoals visserij, scheepvaart, industrie en baggerwerkzaamheden?
Kunt u onderbouwen welk aandeel recreatief medegebruik heeft in de verstoring van natuurwaarden in de Waddenzee?
Waarom is in deze gevallen gekozen voor een vergaande en vaak jaarronde afsluiting, terwijl recreatie in het Waddengebied grotendeels seizoensgebonden, weersafhankelijk en tijdelijk van aard is?
In hoeverre zijn alternatieven onderzocht, zoals seizoensgebonden openstelling, zonering, vergunningen of begeleide toegang?
Hoe weegt u het feit dat lokale gebruikers, zoals wadlopers, vissers, schippers en bewoners al generaties lang verbonden zijn met het gebied en een belangrijke rol vervullen als «ogen en oren» van de natuur?
Deelt u de zorg dat het uitsluiten van deze groepen kan leiden tot verlies van lokale kennis, minder toezicht in het gebied en afname van betrokkenheid bij natuurbeheer?
Kunt u toelichten hoe de belangen van natuur, leefbaarheid en cultureel gebruik van het gebied tegen elkaar zijn afgewogen bij deze besluiten?
Waarom richt het beleid zich volgens signalen uit de regio relatief sterk op het beperken van recreatie, terwijl grotere drukfactoren mogelijk onderbelicht blijven?
Bent u het ermee eens dat natuur en mens in veel gevallen samen kunnen gaan en dat volledige uitsluiting van mensen niet altijd de meest effectieve maatregel is?
Hoe voorkomt u dat maatregelen vooral bijdragen aan het behalen van papieren natuurdoelen, zonder aantoonbaar effect op daadwerkelijke natuurverbetering?
Bent u bereid om samen met regionale partijen, gebruikers en bewoners te werken aan gebiedsgerichte oplossingen met draagvlak, in plaats van generieke afsluitingen?
Kunt u toezeggen dat toekomstige maatregelen in de Waddenzee expliciet worden getoetst op effectiviteit, proportionaliteit en draagvlak?
Waarom is specifiek gekozen voor locaties zoals ’t Skoar bij Ternaard en de nieuwe kwelder bij Wierum en bijvoorbeeld niet voor kwelders in de Peazumerlannen?
Waarom worden dergelijke besluiten volgens signalen uit de regio in sterke mate top-down genomen, zonder voldoende overleg met de lokale gemeenschap, lokale politiek en omwonenden?
Heeft het afsluiten van buitendijkse gebieden gevolgen voor lopende dijkversterkingsprojecten?
Waarom wordt de lokale gemeente volgens signalen op geen enkele manier betrokken bij dergelijke besluiten, terwijl zij over belangrijke gebiedskennis beschikt en de gevolgen ook haar plannen rond toerisme raken?
Bent u zich ervan bewust dat dergelijke besluiten plaatsvinden in regio’s aan de randen van Nederland, waar voorzieningen onder druk staan en waar deze gebieden juist bijdragen aan de leefkwaliteit en het gevoel van verbondenheid van bewoners?
Deelt u de zorg dat het op deze wijze afsluiten van gebieden negatieve gevolgen kan hebben voor het vertrouwen van inwoners in de overheid?
Het bericht 'Schade binnenvaart op ecologie in rivieren groter dan gedacht' |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de berichtgeving?1
In hoeverre is er zicht op de omvang van de ecologische schade veroorzaakt door de binnenvaart in de Nederlandse rivieren?
Het artikel stelt dat er wordt gevreesd voor de toename van ecologische schade, wordt dit tegengegaan? Zo ja, hoe? Op welke manier kan dit worden voorkomen?
In hoeverre is er momenteel toezicht op de uitstoot van vervuilende stoffen door de binnenvaart direct in het rivierwater, en wordt dit toezicht geïntensiveerd nu blijkt dat de ecologische druk groter is dan gedacht?
Wat betekent dit (eventuele) ingrijpen voor de binnenvaart, welke maatregelen moeten schippers nemen en welke gevolgen hebben die maatregelen voor schippers?
Hoe weegt u het belang van een diepe vaargeul voor de binnenvaart af tegen de ecologische doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water, gelet op het feit dat in het artikel wordt gesteld dat drempels in KRW-nevengeulen – bedoeld om verzanding van de vaargeul te voorkomen – juist schadelijk zijn voor het ecologisch functioneren van die geulen?
Hoe verklaart u de bevinding dat een afname van 32% in het aantal schepen op de Maas niet leidde tot ecologisch herstel, en wat betekent dit voor de effectiviteit van toekomstig beleid? Is enkel het sturen op intensiteit (aantal schepen) nog wel zinvol als de impact per schip (vermogen, grootte) exponentieel toeneemt?
Bent u bereid om samen met de sector op te trekken in het zoeken naar oplossingen die de ecologische druk verminderen, waarbij wordt uitgegaan van de kracht en de innovatiebereidheid van de binnenvaart in plaats van enkel het opleggen van beperkingen?
Op welke wijze faciliteert u de sector om de al ingezette koers van verduurzaming door te zetten, en bent u bereid om extra in te zetten op kennisdeling over technieken die zowel de uitstoot als de fysieke belasting van het rivierwater (zoals schroefwerking en golfslag) minimaliseren?
Het rapport 'Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen; effecten van beleid' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen; effecten van beleid»?1
Ja, dit rapport uit 2007 is mij bekend.
Kunt u bevestigen dat in dit rapport wordt gesteld dat bij aanwezigheid van wolven interacties met recreanten voor de hand liggen en dat (zelfs dodelijke) ongelukken met mensen, waaronder kinderen, niet volledig kunnen worden uitgesloten?
Ja. In het rapport wordt aangegeven dat, bij een introductie van wolven in de Amsterdamse Waterleidingduinen, interacties met recreanten voor de hand liggen gezien het grote aantal bezoekers.
Hoe beoordeelt u deze constatering in het licht van de huidige situatie waarin wolven zich structureel in Nederland lijken te vestigen?
Ik vind het zeer onwenselijk dat mensen met wolven in contact komen en zet me in om incidenten tegen te gaan. Interacties tussen wolven en mensen zijn in de bestaande leefgebieden van wolven helaas niet volledig uit te sluiten.
Welke criteria hanteert u om te bepalen wanneer sprake is van een voorzienbaar risico voor burgers door de aanwezigheid van wolven?
Er bestaan momenteel geen eenduidige criteria voor een voorzienbaar risico. In leefgebieden van wolven bestaat altijd de kans op contact tussen een mens en een wolf. Via het Landelijk Informatiepunt Wolven wordt informatie gegeven hoe burgers kunnen handelen in het geval er een ontmoeting met een wolf plaatsvindt. Met deze informatie wordt het risico op incidenten zo veel mogelijk verkleind.
Daarnaast ga ik ook verder met de voorbereiding van een algemene maatregel van bestuur (AMvB), waar mijn voorganger zich hard voor heeft ingezet. In deze AMvB zijn criteria opgenomen voor de bepaling of sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf». Hieraan zijn specifieke beoordelingsregels gekoppeld voor het doden van wolven die daadwerkelijk een (ernstige) bedreiging voor mensen en gehouden dieren kunnen vormen, of voor het tijdelijk wegvangen met het oog op het aanbrengen van een zender zodat een wolf die mogelijk problemen voor mensen kan gaan veroorzaken kan worden gevolgd. De AMvB voorziet in wijziging op dit punt van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Waar zijn deze criteria beleidsmatig of juridisch vastgelegd?
Zie het antwoord op vraag 4.
Erkent u dat een expliciete afweging tussen deze belangen noodzakelijk is wanneer bescherming van een diersoort structureel botst met grondrechten van burgers?
Bij het maken van beleid zal steeds een zorgvuldige afweging moeten plaatsvinden tussen de verschillende relevante belangen enerzijds en verplichtingen anderzijds, binnen de kaders van de Europese wetgeving. De Habitatrichtlijn biedt ook bij beschermde diersoorten mogelijkheden voor ingrijpen als bijvoorbeeld de veiligheid of de volksgezondheid in het geding komen.
Op welke wijze wordt binnen het wolvenbeleid rekening gehouden met de veiligheid van recreanten in drukbezochte natuurgebieden, waaronder gezinnen met kinderen?
Ik wil er met de eerder genoemde AMvB voor gaan zorgen dat incidenten zoveel mogelijk beperkt worden. Slechts wanneer incidenten onvoldoende voorkomen kunnen worden, zal het mogelijk sluiten van gebied een optie zijn. Provincies, gemeenten en terreineigenaren van recreatiegebieden maken met elkaar afspraken over de veiligheid van recreanten. Waar nodig wordt informatie verstrekt over de aanwezigheid van wolven in het gebied en hoe te handelen bij een eventuele confrontatie en in het uiterste geval kunnen gebieden tijdelijk worden afgesloten.
Zijn er actuele risicoanalyses uitgevoerd naar mogelijke interacties tussen wolven en mensen in Nederlandse natuurgebieden? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Terreineigenaren kunnen samen met provincies en burgemeesters, als bevoegd gezag, per gebied risicoanalyses uitvoeren wanneer zij hiertoe aanleiding zien. Mij zijn geen risicoanalyses bekend.
Op welke wijze wordt binnen het wolvenbeleid invulling gegeven aan de zorgplicht van de overheid voor de bescherming van het recht op leven en veiligheid van burgers, zoals onder meer beschermd in artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?
Ik vind veiligheid heel belangrijk en werk daarom aan de AMvB zoals genoemd in het antwoord op vraag 4. Bij het maken van beleid worden steeds de verschillende relevante belangen en wettelijke plichten en taken mee. Waar het de belangenafweging betreft in samenhang met de bescherming van diersoorten, wordt verwezen naar het antwoord op vraag 6.
Hoe worden het recht op privéleven en woning (artikel 8 EVRM) en het eigendomsrecht (artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM) betrokken bij de afwegingen binnen het wolvenbeleid?
Ook het eigendomsrecht is een op grond van de Habitatrichtlijn erkend belang dat ingrijpen bij beschermde diersoorten kan rechtvaardigen. Het recht op privéleven en woning, is een recht dat zich primair doet gelden tegen inbreuken door de overheid, en indirect ook een verplichting in zich houdt voor de overheid om maatregelen tegen inbreuken door andere burgers of bedrijven te treffen. Het artikel ziet niet op wolven. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Welke protocollen en interventiemaatregelen bestaan er voor situaties waarin wolven afwijkend of potentieel gevaarlijk gedrag vertonen richting mensen?
Provincies hebben in hun provinciale Wolvenplan 2025 interventierichtlijnen vastgelegd.2 In deze interventierichtlijnen wordt ook aandacht besteed aan situaties waarin wolven afwijkend of potentieel gevaarlijk gedrag vertonen richting mensen. De Vereniging Nederlandse Gemeenten heeft een handelingsperspectief voor burgemeesters opgesteld met daarin eveneens aandacht voor situaties waarin wolven afwijkend of potentieel gevaarlijk gedrag vertonen richting mensen.3 Beide documenten zijn openbaar beschikbaar.
Wie draagt bestuurlijk en juridisch de verantwoordelijkheid indien zich een ernstig (mogelijk dodelijk) incident voordoet tussen een wolf en een mens en hoe is deze verantwoordelijkheid vastgelegd?
De verantwoordelijkheid voor de veiligheid ligt op grond van de Gemeentewet bij de burgemeester, die in dat kader ook bijzondere (nood)bevoegdheden heeft. Gedeputeerde staten van de provincies zijn verantwoordelijk voor de vergunningverlening voor het afschot van probleemwolven of het vangen van wolven met het oog op het zenderen en monitoren als er een probleemsituatie met de wolf. Met de AMvB neem ik mijn verantwoordelijkheid om ernstige incidenten zo veel mogelijk te voorkomen.
Aangezien wolven geen gehouden dieren zijn, geldt op dit punt geen risicoaansprakelijkheid. Ten algemene is de overheid aanspreekbaar in het civiele recht als zij onrechtmatig heeft gehandeld, waaronder begrepen handelen of nalaten in strijd met de zorgvuldigheid die de overheid betaamt. Er wordt zo goed mogelijk invulling gegeven aan het wolvenbeleid om incidenten zoveel mogelijk te voorkomen. Met de in het antwoord op vraag 4 genoemde AMvB steun ik provincies en burgemeesters hier zo goed mogelijk in.
Kunt u toelichten welke mogelijkheden burgemeesters hebben om op te treden in situaties waarin wolven mogelijk een gevaar vormen voor inwoners of recreanten?
Een burgemeester kan op grond van artikel 175 of 176 van de Gemeentewet een noodbevel geven of noodverordening te stellen als sprake is van limitatief opgesomde uitzonderlijke situaties in het kader van de bescherming van de openbare orde en veiligheid. Bij de invulling van de vraag of sprake is van zulke omstandigheden komt de burgemeester een zekere beoordelingsruimte toe. Wel wordt de noodbevoegdheid restrictief uitgelegd. Aan de hand van specifieke omstandigheden zal in een concrete situatie moeten worden beoordeeld of deze situatie zich voordoet. Het gaat dan bijvoorbeeld om de situatie dat een wolf zich in de nabijheid van mensen ophoudt en blijk geeft van een agressieve houding. Een noodbevel kan bijvoorbeeld worden ingezet om een eigenaar van een landgoed op te dragen dat grondgebied voor het publiek gesloten te houden bij ernstig gevaar van één of meerdere wolven. Noodverordeningen worden gehanteerd voor een algemeen verbod voor personen om in een risicovol gebied aanwezig te zijn. Een noodbevel van de burgemeester is veelal van tijdelijke aard, en ook alleen mogelijk in die situaties waarin de inzet van de reguliere bevoegdheden van het desbetreffende provinciebestuur op grond van de Omgevingswet niet kan worden afgewacht.
Met de AMvB wordt het mogelijk om wolven zonder vergunning te verjagen. Ook zal de AMvB burgemeesters helpen om sneller en adequater op te treden in situaties waarin wolven mogelijk een gevaar vormen voor inwoners of recreanten.
In hoeverre acht u deze mogelijkheden in de praktijk toereikend?
Ik realiseer me dat verschillende burgemeesters op zoek zijn naar de juiste mogelijkheden om in te kunnen grijpen bij incidenten met wolven. Zorgvuldige voorbereiding, duidelijke protocollen en afstemming met deskundigen zijn doorslaggevend om rechtmatig en effectief te kunnen handelen in situaties met wolven. Met de in het antwoord op vraag 4 genoemde AMvB steun ik hen hier zo goed mogelijk in. Ook het landelijk deskundigenteam dat in oprichting is, kan hierbij gaan helpen.
Kunt u daarnaast verklaren waarom burgemeesters in de praktijk terughoudend lijken te zijn om van deze bevoegdheden gebruik te maken?
Het is mij niet bekend dat burgemeesters terughoudend zijn bij het optreden in gevallen van incidenten met wolven. Zoals ik in het antwoord op vraag 14 heb aangegeven, realiseer ik me wel dat het niet eenvoudig is voor burgemeesters om een zorgvuldige afweging te maken bij hun handelen. Ik wil niet speculeren over de mogelijke beweegredenen van burgemeesters in de uitoefening van hun ambt.
Deelt u de opvatting dat onduidelijkheid over bevoegdheden kan leiden tot handelingsverlegenheid bij burgemeesters?
Ik ben van mening dat de bevoegdheden voor iedereen voldoende duidelijk zijn. Ondanks dat ben ik me er van bewust dat burgemeesters zich in een spanningsveld kunnen bevinden waarbij zij enerzijds verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de openbare orde en veiligheid en anderzijds moeten opereren binnen de strikte kaders van de Omgevingswet.
Waarom worden incidenten, angstbeleving, aantasting van leefbaarheid en economische schade in het wolvendossier vaak aangeduid als «maatschappelijke acceptatieproblemen» en niet als beleidsrelevante indicatoren voor veiligheid en leefbaarheid?
Voor mij zijn incidenten, angstbeleving en economische schade in het wolvendossier zeer relevante aspecten waar ik ook zeker rekening mee houd. Ik vind het heel belangrijk dat mensen zich veilig voelen in hun leefomgeving en dat ook het platteland leefbaar is en kinderen zonder angst naar school kunnen fietsen.
Stikstof, zeevogels en natuurontwikkeling in het Waddengebied |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Meeuwen en aalscholvers poepen eigen duinen bij elkaar» en «Vogelpoep helpt bij eilandvorming», waarin onderzoek van onder meer de Universiteit Utrecht wordt beschreven naar de rol van zeevogels en hun stikstofrijke uitwerpselen bij duinvorming en vegetatieontwikkeling op (onbewoonde) Waddeneilanden?1
Ja.
Klopt het dat uit dit onderzoek blijkt dat uitwerpselen van zeevogels zorgen voor extra nutriënten, waaronder stikstof, waardoor kustplanten zoals helmgras sneller groeien en zo bijdragen aan duinvorming en de stabiliteit van zandige eilanden?
Uit het onderzoek is dit verband inderdaad vastgesteld. Het ging daarbij om broedkolonies op onbegroeide plekken op kleine, onbewoonde eilanden, met weinig toevoer van nutriënten.
Klopt het dat in sommige broedgebieden van zeevogels grote hoeveelheden vogelmest lokaal terechtkomen, waardoor daar een relatief hoge lokale nutriëntenbelasting ontstaat?
Uit het onderzoek blijkt dat er in de onderzochte broedgebieden van zeevogels grotere hoeveelheden vogelmest terechtkomen dan zonder aanwezigheid van de vogels waardoor er relatief meer nutriënten in de bodem belanden. Dit maakt deel uit van een natuurlijk proces in dat ecosysteem.
Hoe verhoudt deze bevinding (dat extra stikstof en andere nutriënten uit vogelmest bijdragen aan vegetatiegroei, duinvorming en eilandstabiliteit) zich tot het beleid waarin stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in beginsel als een negatieve belasting wordt beschouwd?
Dat stikstofdepositie in beginsel negatief is, is geen uitgangspunt van het beleid. Stikstofdepositie komt ook van nature voor en wordt wel aangeduid als «natuurlijke achtergronddepositie». De natuur is aangepast aan die mate van depositie. In hoeverre een verhoogde depositie een probleem is, wordt uitgedrukt in de kritische depositiewaarden: voor heel wat natuurwaarden is de huidige mate van depositie inderdaad een probleem, voor andere niet. Het (zeer lokaal) bemesten van onbegroeid zand door broedvogels, waardoor de vestiging van pioniervegetatie wordt versneld, is hiermee dus niet in strijd. De versnelde vestiging van pioniervegetatie door vogelmest op onbegroeid zand zegt immers niets over de effecten van atmosferische stikstofdepositie op andere habitats, en kan niet veralgemeniseerd worden, alsof stikstofdepositie in algemene zin goed zou zijn voor vegetatieontwikkeling en landschapsvorming.
Deelt u de opvatting dat stikstof in ecosystemen een voedingsstof is die voor sommige soorten mogelijk nadelig kan zijn, maar voor andere juist gunstig? Zo ja, hoe wordt deze ecologische werkelijkheid momenteel meegewogen in het natuur- en stikstofbeleid?
Die opvatting deel ik, zoals blijkt uit het antwoord op de vorige vraag. Dat is dan ook precies de reden waarom er bij het bepalen van noodzakelijke maatregelen voor Natura 2000-gebieden rekening wordt gehouden met kritische depositiewaarden (die zeer verschillend zijn per type natuur) en verschillende normen voor waterkwaliteit (al naar gelang het type water een bepaalde nutriëntenbelasting aan kan).
Hoe verhoudt het feit dat in de gebiedsanalyse van het eiland Griend onder meer de habitattypen H1310A (zilte pionierbegroeiing met zeekraal), H1310B (zilte pionierbegroeiing met zeevetmuur), H1330A (schorren en zilte graslanden buitendijks) en H1330B (schorren en zilte graslanden binnendijks) als stikstofgevoelig worden aangemerkt zich tot dit onderzoek waaruit blijkt dat nutriëntenaanvoer via vogels juist een enorm positieve rol speelt bij vegetatieontwikkeling en landschapsvorming op deze locatie?
Het eiland is onderdeel van een dynamisch systeem, waarbij hoge golven kunnen leiden tot erosie. In zo'n situatie kan de aanvullende nutriëntenaanvoer via de vogels zorgen voor versnelde duinvorming op plekken met voorheen geen of weinig begroeiing. Dat is positief voor de broedbiotoop van de vogelsoorten in kwestie. Voor de genoemde stikstofgevoelige habitattypen kan grootschalige nutriëntenaanvoer tegelijkertijd een negatieve impact hebben op het habitattype. Omdat de impact van de nutriëntenaanvoer van de vogels alleen zeer lokaal is, zijn er geen aanwijzingen dat de vogels die broeden op de eilanden een significante negatieve impact hebben op de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen. Dat is anders bij stikstofdepositie vanuit de lucht, die gevolgen heeft voor het volledige oppervlak van de genoemde habitattypen. Overigens zijn die gevolgen niet groot, omdat de kritische depositiewaarden van de genoemde habitattypen meestal niet tot weinig overschreden worden.
Wordt in de huidige beoordeling van stikstofdepositie rekening gehouden met verschillende bronnen van stikstof, zoals natuurlijke bronnen (bijvoorbeeld zeevogels en ganzen) en antropogene bronnen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
In de beantwoording van eerdere Kamervragen op 16 februari 20242 en 18 maart 20243 is uitgebreid ingegaan op het effect van wilde dieren op de totale stikstofemissie en -depositie. Hierin is aangegeven dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in het rapport «Verkenning biogene stikstofemissies»4 een inschatting heeft gemaakt van de hoeveelheid ammoniak die door wilde dieren wordt uitgestoten in Nederland. In totaal komt die voor vogels en zoogdieren uit op 1,9 kiloton ammoniak, met een bandbreedte van 1,3 tot 2,5 kiloton. Dit is 1,5% van de totale Nederlandse uitstoot van ammoniak. De berekende totale depositie in Natura 2000-gebieden wordt wel altijd gekalibreerd op basis van metingen in die gebieden of in de omgeving. In de gerapporteerde monitoringscijfers is de bijdrage van wilde dieren daarmee indirect verwerkt.
Bij de beoordeling van natuurkwaliteit wordt in natuurdoelanalyses gekeken naar diverse drukfactoren, waaronder bijvoorbeeld de directe invloed van ganzen; en niet alleen naar atmosferische stikstofdepositie.
Is bekend hoeveel stikstofdepositie op bepaalde locaties in het Waddengebied afkomstig is van zeevogels en andere wilde vogels, met name de locaties die op dit moment te boek staan als «stikstof overbelast»? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in de voornoemde beantwoording van eerdere Kamervragen is er door het RIVM een inschatting gemaakt van de totale ammoniakemissie naar de lucht afkomstig van wilde dieren in Nederland. Bij die analyse is geen berekening gemaakt hoeveel daarvan binnen specifieke Natura 2000-gebieden terechtkomt. De berekende totale depositie in Natura 2000-gebieden wordt wel altijd gekalibreerd op basis van metingen in die gebieden of in de omgeving. In de gerapporteerde monitoringscijfers is de bijdrage van wilde dieren daarmee indirect verwerkt.
In Natuurdoelanalyses en beheerplannen wordt gekeken naar meerdere drukfactoren, en niet alleen naar atmosferische stikstofdepositie. Waar relevant wordt daarin ook ingegaan op andere vormen waarin wilde vogels voor vermesting kunnen zorgen. Zo staat in de Natuurdoelanalyse voor Duinen Schiermonnikoog de vermesting door ganzen en aalscholvers benoemd als belangrijkste oorzaak voor eutrofiëring van de Westerplas; het gaat in dat geval om rechtstreekse bemesting van het oppervlaktewater door de uitwerpselen van vogels, en niet om (atmosferische) stikstofdepositie.
Hoe wordt dergelijke natuurlijke stikstofaanvoer vanuit grote vogelkolonies betrokken bij het bepalen van de stikstofbelasting en de beoordeling van de staat van instandhouding van habitattypen in Natura 2000-gebieden?
Zie antwoord 7 voor het antwoord op de vraag hoe ammoniakemissie naar de lucht vanuit wilde dieren, zoals grote vogelkolonies, wordt betrokken bij het bepalen van stikstofdepositie.
Bij de beoordeling van het doelbereik van habitattypen in Natura 2000-gebieden worden in beheerplannen en Natuurdoelanalyses naar het effect van diverse drukfactoren gekeken. Waar relevant wordt daarbij ook gekeken naar directe stikstofaanvoer uit uitwerpselen van vogelkolonies. Zo wordt in diverse natuurdoelanalyses de ganzenpopulatie genoemd als bron van nutriëntenbelasting van het water (onder andere Kempenland-West en Zouweboezem).
De beoordeling van de staat van instandhouding van habitattypen gebeurt op landelijke schaal. Deze staat van instandhouding wordt o.a. bepaald door de aanwezigheid van drukfactoren die een middelgrote of hoge impact op een habitattypen hebben. Stikstofaanvoer vanuit grote vogelkolonies kan een drukfactor zijn voor habitattypen, maar dit is pas het geval op het moment dat de stikstofaanvoer hoger is dan in natuurlijke situaties. Natuurlijke stikstofaanvoer vanuit grote vogelkolonies wordt dus meegenomen in de beoordeling van de staat van instandhouding. Op dit moment is deze drukfactor echter voor geen enkel habitattype groot genoeg om als significante drukfactor voor de landelijke staat van instandhouding aangemerkt te worden.
Kan de waargenomen discrepantie in stikstofmetingen uit zee, waarover het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in maart 2025 rapporteerde, gedeeltelijk worden verklaard door stikstof afkomstig van zeevogels2?
Het in de vraag genoemde rapport van het RIVM concludeert dat het onwaarschijnlijk is dat (tot op heden) onbekende emissiebronnen de oorzaak kunnen zijn van de waargenomen discrepantie in stikstofmetingen langs de kust.
Klopt het dat er binnenkort weer aanpassingen aan de modellen stikstof uit zee worden gedaan? Zo ja, wordt dit dan ook meegenomen?
De uitkomsten van het hierboven genoemde Eindrapport van het RIVM zijn meegenomen met de laatste actualisatie van AERIUS (oktober 2025). Ook dit najaar wordt AERIUS weer geactualiseerd op basis van de dan actuele wetenschappelijke inzichten en cijfers. Op dit moment zijn er geen wijzigingen voorzien die relateren aan «ammoniak van zee».
Hoe wordt stikstofdepositie van zee naar land precies gemodelleerd in de modellen die worden gebruikt voor natuurbeleid en vergunningverlening?
Waarschijnlijk wordt gedoeld op de mogelijk ammoniakemissie uit zee. De verspreiding van deze emissies wordt op vergelijkbare manier gemodelleerd als alle andere emissiebronnen. Op de website van het RIVM is uitgebreid toegelicht hoe deze modellen (in algemene zin) werken6.
Kan de gemeten stikstofdepositie in kustnatuur mogelijk verkeerd worden toegeschreven aan menselijke activiteiten als natuurlijke bronnen onvoldoende worden meegenomen in de modellen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Wat betekent een mogelijke modelaanpassing voor vergunningverlening en bezwaarprocedures tegen activiteiten, zoals garnalenvisserij?
Bij de beoordeling of een activiteit is toegestaan, wordt vooraf getoetst of die activiteit significante negatieve effecten kan hebben op een Natura 2000-gebied. Daarvoor wordt ook beoordeeld of de stikstofdepositie van die activiteit significante effecten kan hebben. De hoeveelheid stikstofdepositie van een activiteit op Natura 2000-gebieden wordt berekend met behulp van AERIUS Calculator. Dit rekenmodel wordt jaarlijks herijkt op basis van de nieuwste inzichten.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11 zijn er op korte termijn geen wijzigingen in AERIUS voorzien die relateren aan «ammoniak van zee». Er zal naar verwachting daarom ook weinig tot geen impact zijn voor de garnalenvisserij.
Wordt voor gebieden die mogelijk vanuit de natuur al zoveel stikstof ontvangen dat ze volgens de regels als «overbelast» te boek staan beleid gemaakt om de stikstofbelasting vanuit de mens zo laag te krijgen dat de stikstofdepositie onder de kritische depositiewaarde (KDW) komt? Zo ja, betekent dat dan niet dat er zogenaamd «overbelaste» gebieden zijn, die op totaal natuurlijke wijze «overbelast» zijn met stikstof en dat, ook als Nederland volledig inzet op stikstofemissiereductie, dan nog steeds bepaalde gebieden overbelast zouden zijn?
Of een locatie in een Natura 2000-gebied overbelast is, hangt af van het habitat dat ter plekke voorkomt en in welke mate het gevoelig is voor stikstofdepositie. Waar van nature veel vogels voorkomen die mest produceren, zoals bijvoorbeeld graslanden met veel ganzen, is geen sprake van gevoeligheid voor stikstofdepositie en dus kan daar geen sprake zijn van een overschrijding van de KDW of een noodzaak om onder een KDW te komen, omdat er voor die locaties geen KDW wordt toegepast in AERIUS. Er zijn geen stikstofgevoelige locaties bekend die louter door de natuurlijke achtergronddepositie al overbelast zouden zijn. Het is echter wél mogelijk dat vogels zich vestigen op een stikstofgevoelige locatie en daar door rechtstreekse bemesting problemen geven voor de nutriëntenhuishouding. Dan betreft het dus een andere drukfactor (dan atmosferische stikstofdepositie) die moet worden aangepakt, zoals vermeld in antwoorden 8 en 9.
Als er in Nederland gebieden zijn die hoe dan ook «overbelast» zouden blijven, is dat niet bewijs dat die gebieden kennelijk alleen kunnen bestaan als wij daar op de meest onnatuurlijke wijze inzetten op behoud van een natuurtype dat het in Nederland onmogelijk zal kunnen redden?
Uit de eerdere antwoorden blijkt dat de Nederlandse natuur geen probleem zou ervaren als de stikstofdepositie niet hoger zou zijn dan de natuurlijke achtergronddepositie.
Hoe kan beleid worden gemaakt met enorme sociaal-maatschappelijke impact (heel Nederland op slot), terwijl mogelijk de natuur zelf een zeer groot aandeel heeft op de stikstofbelasting van natuurgebieden, als er natuurtypen zijn die in een voedingsrijke delta als Nederland nooit onder de KDW zouden kunnen komen?
Zoals vermeld in de eerdere antwoorden, zijn er geen gebieden waar alleen de natuurlijke bronnen meer atmosferische stikstofdepositie veroorzaken dan de KDW. De typen natuur die voorkomen in de voedselrijke delen van de delta, zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie.
Klopt het dat habitattypen in Natura 2000-analyses worden beoordeeld aan de hand van categorieën als «geen overbelasting», «evenwicht», «matige overbelasting» en «sterke overbelasting»? Bestaat binnen deze systematiek ook een categorie of beoordeling waarbij nutriëntenaanvoer juist een positieve bijdrage levert aan de ontwikkeling van een habitat? Zo nee, waarom niet?
Deze aanduidingen worden, in navolging van de klasse-indeling in AERIUS, inderdaad in analyses gebruikt. Een aanduiding van een positieve bijdrage is niet relevant als de bedoeling van de klasse-indeling is dat ermee wordt aangeduid óf er een depositieprobleem is en zo ja, hoe groot dat probleem is. Voor sommige typen natuur kán er een gebrek aan nutriënten optreden, maar dat wordt dan niet in beeld gebracht door een bepaalde mate van depositie te waarderen, maar door in een beheerplan te vermelden of het nodig is om te bemesten. De vorm van bemesting maakt daarbij uit: zo is weidevogelgrasland gebaat bij ruige stalmest, omdat die veel betere eigenschappen heeft dan alleen stikstof uit de lucht.
Hoe verklaart u dat in hetzelfde Natura 2000-gebied enerzijds habitattypen voorkomen die volgens de huidige systematiek als sterk stikstofgevoelig worden beschouwd, terwijl anderzijds processen plaatsvinden waarbij stikstofaanvoer via vogelkolonies juist bijdraagt aan vegetatieontwikkeling en landschapsvorming?
In aanvulling op het op vraag 6 gegeven antwoord: een plek met zeezand zonder begroeiing is niet stikstofgevoelig, terwijl het in de buurt kan liggen van een habitat waarvan de begroeiing wél stikstofgevoelig is. Dat hangt dus af van de lokale omstandigheden. De in deze vraag en vraag 6 genoemde omstandigheid is heel specifiek: het gaat om onbegroeid zeezand dat sneller begroeid raakt met pioniervegetatie (zoals helm) dan als er geen vogels zouden broeden. Die lokale bemesting is geen noodzakelijkheid, maar kan wel bijdragen aan de vorming van vegetatie en daarmee aan de kustverdediging. Dit voorbeeld kan echter niet veralgemeniseerd worden, alsof stikstofdepositie in algemene zin goed is voor vegetatieontwikkeling en landschapsvorming.
Klopt het dat stikstofdepositie volgens het huidige beleid als probleem wordt beschouwd wanneer deze leidt tot een verschuiving in vegetatie, waarbij soorten die beter gedijen bij hogere nutriëntenbeschikbaarheid andere soorten verdringen?
Dat klopt. Atmosferische stikstofdepositie wordt als een probleem beschouwd als het kan leiden tot een zodanige verandering van de vegetatiesamenstelling dat dit een verslechtering van de kwaliteit van een habitattype inhoudt (of zelfs de afname van een oppervlakte) op gebiedsniveau, terwijl het doel is dit habitattype op dat niveau in stand te houden.
Klopt het dat dergelijke verschuivingen in vegetatie ook natuurlijke ecologische processen kunnen zijn, bijvoorbeeld wanneer nutriëntenaanvoer vanuit vogels, sediment, overstromingen of andere natuurlijke processen toeneemt?
Dat klopt. Ook als dergelijke veranderingen op gebiedsniveau het gevolg zijn van natuurlijke processen, zoals vegetatiesuccessie, terwijl het doel is aanwezige habitattypen in stand te houden, dan wordt dat als probleem beschouwd. Zo heeft het Europese Hof geconstateerd dat actief beheer vereist is wanneer natuurlijke successie leidt tot verlies van specifieke habitattypen (zoals verbossing van grasland). In diverse natuurdoelanalyses wordt nutriëntenaanvoer door vogels genoemd als knelpunt. In antwoord op eerdere Kamervragen is ook ingegaan op de nutriëntentoevoer van ganzen in hoogveengebieden.5 De aanwezigheid en omvang van ganzenpopulaties hangen samen met de beschikbaarheid van voedselrijke agrarische percelen. Extensivering kan leiden tot minder ganzen en minder nutriëntenverspreiding. Nutriëntenaanvoer vanuit vogels is dus niet altijd een puur natuurlijk proces, maar wordt ook beïnvloed door de mens.
In hoeverre kan het huidige stikstofbeleid worden gezien als een poging om bepaalde vegetatietypen actief in stand te houden of zelfs te ontwikkelen, ook wanneer natuurlijke processen juist tot een andere vegetatieontwikkeling leiden?
Dat kan zo niet gezien worden. Het stikstofbeleid is alleen nodig voor zover er daadwerkelijk sprake is van overbelasting, gezien de kritische depositiewaarden en de normen voor grond- en oppervlaktewaterkwaliteit.
Klopt het dat er natuurmaatregelen in stikstofgevoelige gebieden worden uitgevoerd, zoals plaggen, maaien, afvoeren van biomassa of verwijderen van voedselrijke bodemlagen om nutriënten uit het systeem te halen?
Dat klopt. Voor een deel betreft dan regulier onderhoud (zoals bij maaien vaak het geval is), maar plaggen en verwijderen van voedselrijke bodemlagen is ingrijpend en behoort niet tot het regulier onderhoud. Plaggen heeft als nadeel dat nuttige mineralen worden afgevoerd. Het verwijderen van voedselrijke bodemlagen gebeurt met name bij natuurontwikkeling op voormalige landbouwgrond.
Klopt het dat die maatregelen ook kunnen worden ingezet om stikstofbelasting te verkleinen, in plaats van enorme sociaal-maatschappelijke ingrepen in de samenleving om de stikstofemissie naar beneden te krijgen?
Het is juist dat dergelijke maatregelen kunnen bijdragen aan het verminderen van de effecten van stikstofbelasting in natuurgebieden. Tegelijkertijd is dit geen alternatief voor het terugdringen van stikstofemissies bij de bron. Deze maatregelen hebben namelijk een tijdelijk en lokaal effect en hebben soms ook negatieve effecten. Ze kunnen daardoor niet intensief en veelvuldig worden toegepast. Zonder vermindering van de stikstofuitstoot blijft de belasting op natuurgebieden te hoog en blijft herstel kwetsbaar. Daarom zet het kabinet in op een combinatie van bronmaatregelen en natuurherstel, waarbij beide noodzakelijk zijn om de natuurdoelen te halen.
Klopt het dat Nederland als delta van grote Europese rivieren van nature een relatief nutriëntenrijk landschap is, mede door sedimentaanvoer, kleigronden en mariene invloeden, zoals overstromingen?
Dat is slechts ten dele juist. Buiten de invloed van relatief nutriëntenrijk water, zoals rivier- en zeewater, bestaat de bodem uit zand en veen dat relatief voedselarm is en tevens verzuringsgevoelig. Bovendien wordt de huidige nutriënten- en zuurbelasting in Nederland in belangrijke mate bepaald door menselijk handelen, zoals landbouw.
Wordt bij de aanwijzing en instandhouding van habitattypen ook gekeken naar de natuurlijke kenmerken van het landschap, zoals het feit dat Nederland een voedselrijke rivierdelta is? In hoeverre speelt dit mee bij de keuze voor te beschermen habitattypen?
Bij de aanwijzing en instandhouding van habitattypen wordt rekening gehouden met de natuurlijke kenmerken van het landschap. Om te voldoen aan de verplichtingen in Habitatrichtlijn heeft Nederland de belangrijkste gebieden aangewezen voor de habitattypen in Nederland en in deze gebieden alle habitattypen die in meer dan verwaarloosbare mate en bestendig voorkomen, aangewezen. Hieruit blijkt of een habitattype past bij het landschap waarin het voorkomt. Zoals in het vorige antwoord is aangegeven, behoort slechts een deel van Nederland tot de voedselrijke rivierdelta. Nederland is dus niet als geheel een voedselrijke rivierdelta, waardoor habitats van voedselarme omstandigheden dus als onnatuurlijk bestempeld zouden moeten worden. Integendeel: voorafgaand aan de ontginning van de natuur, bestond het landschap uit uitgestrekte gebieden met vegetaties die afhankelijk zijn van voedselarme omstandigheden, zoals eikenbossen en hoogvenen.
In hoeverre is bij de aanwijzing van Natura 2000-habitattypen rekening gehouden met het feit dat Nederland een voedselrijke delta is en dat bepaalde voedselarme vegetaties daardoor alleen met intensief beheer en zeer grote ingrepen in onze samenleving (zoals inperken van de economische bedrijvigheid) in stand kunnen worden gehouden?
Zoals aangegeven bij vraag 26 behoort slechts een deel van Nederland tot een voedselrijke rivierdelta. Nederland bestaat van nature ook uit diverse andere landschappen met minder voedselrijke omstandigheden. De aanwezigheid van voedselarme vegetaties in Nederland is dus niet in tegenspraak met het feit dat Nederland een delta is. Drukfactoren op voedselarme vegetaties komen dan ook niet voort uit het enkele feit dat Nederland ook een rivierdelta is. Voor al deze habitattypen geldt dat ze beschermd moeten worden tegen drukfactoren, zoals (voor zover van toepassing) verdroging en een overmaat van stikstof. Dit is een vereiste vanuit de Habitatrichtlijn en van belang voor het in stand houden van de Nederlandse biodiversiteit. Het aanpakken van drukfactoren kan dan inderdaad beperkende gevolgen hebben voor bepaalde economische activiteiten, en ruimte bieden voor andere economische activiteiten. Dat was al bekend toen de Habitatrichtlijn werd aangenomen, waarin is opgenomen dat sociaaleconomische overwegingen niet worden betrokken bij de selectie en aanwijzing van gebieden, maar bij het treffen van maatregelen.
Deelt u de opvatting dat de keuze voor bepaalde habitattypen en vegetaties bepalend is voor de mate waarin stikstof als probleem wordt ervaren? Zo nee, waarom niet?
Dat is juist. Maar de Habitatrichtlijn geeft de lidstaat geen keuzevrijheid om bijvoorbeeld alleen habitattypen te beschermen die niet stikstofgevoelig zijn.
In hoeverre wordt bij het natuurbeleid overwogen om in gebieden met structureel hoge nutriëntenbeschikbaarheid in te zetten op natuurtypen die beter passen bij deze omstandigheden, in plaats van op vegetaties die juist afhankelijk zijn van voedselarme omstandigheden?
Dat wordt niet overwogen in zoverre het gaat om het behouden van kwalificerende natuurwaarden, omdat de Habitat- en de Vogelrichtlijn daarvoor geen ruimte bieden. Voor het bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding kan het nodig zijn om een habitattype uit te breiden en/of te verbeteren. De potenties van de verschillende gebieden spelen dan een rol in de keuze welk ambitie per gebied wordt nagestreefd. Maar dat is een relatieve keuze: per saldo zal de gunstige staat van instandhouding bereikt moeten worden.
Deelt u de opvatting dat natuurdoelen die alleen met voortdurend en kostbaar menselijk ingrijpen en grote ingrepen in onze samenleving kunnen worden behouden, feitelijk minder robuust zijn dan natuurtypen die aansluiten bij de bestaande en natuurlijke omstandigheden van een gebied?
Zij zijn niet van nature minder robuust, want ze zijn immers aangepast aan de natuurlijke omstandigheden. De verandering van het landgebruik kan er echter toe leiden dat een deel van de soorten en habitats alleen met moeite in stand gehouden kunnen worden: ze zijn minder goed bestand tegen de drukfactoren die samenhangen met het menselijk gebruik van het landschap. Dat is echter geen reden om ze niet te beschermen, integendeel: de Habitatrichtlijn is er juist gekomen om deze bedreigingen het hoofd te bieden.
Wordt binnen het huidige natuurbeleid ook overwogen om natuurdoelen aan te passen wanneer blijkt dat deze structureel botsen met natuurlijke omstandigheden, zoals hoge nutriëntenbeschikbaarheid?
Het Beleidskader doelwijziging voor Natura 2000-gebieden schetst de mogelijkheden om bestaande instandhoudingsdoelstellingen binnen de kaders van de Vogel- en Habitatrichtlijn aan te passen. Dat natuurdoelen niet goed aan zouden sluiten bij natuurlijke omstandigheden vormt in de regel geen reden voor aanpassing omdat beschermde habitats juist voorkomen op de plekken waar ze van nature kunnen voorkomen. Een hoge nutriëntenbeschikbaarheid als gevolg van atmosferische stikstofdepositie is juist het tegenovergestelde van een natuurlijke omstandigheid.
Welke ruimte biedt de Europese Habitatrichtlijn om bij natuurbeheer rekening te houden met natuurlijke nutriëntenrijkdom van gebieden en de daarbij passende ecosystemen?
De Habitatrichtlijn houdt hier rekening mee doordat voor de diverse habitattypen de belangrijkste gebieden worden beschermd. Voor habitattypen van meer nutriëntenrijke omstandigheden, zoals Estuaria, zijn dit andere gebieden dan voor habitattypen van nutriëntenarme omstandigheden, zoals hoogvenen. Het natuurbeheer dient volgens de Habitatrichtlijn rekening te houden met de aanwezige habitattypen.
Welke ruimte biedt de Habitatrichtlijn om rekening te houden met ontwikkeling van habitattypen naar ander typen, omdat natuur niet statisch is, maar altijd in ontwikkeling is?
Vanuit de Habitatrichtlijn bestaat de verplichting om verslechtering op gebiedsniveau te voorkomen en om naar een landelijk gunstige staat van instandhouding toe te werken. In bepaalde landschappen is hier dynamiek voor nodig, zodat verjongingsprocessen steeds opnieuw plaats kunnen vinden. Dat kan betekenen dat er sprake is van een cyclische successie, dus een opeenvolging van habitats in de vorm van een cyclus. Zo kunnen kustduinen begroeid raken en vervolgens door een storm weer terugkeren naar een pioniersstadium. Andere typen natuur kunnen juist langdurig hetzelfde blijven, zoals actieve hoogvenen. De Habitatrichtlijn vereist dat wordt voldaan aan de ecologische vereisten van de habitats en die kunnen dus heel verschillend zijn. Zoals hierboven vermeld, is een autonome verandering in de natuur niet per definitie gewenst – het kan nodig zijn om maaibeheer toe te passen om te voorkomen dat een beschermd graslandtype een bos wordt.
Welke mogelijkheden bestaan er binnen de Habitatrichtlijn om natuurdoelen of habitattypen aan te passen wanneer natuurlijke ontwikkelingen structureel een andere richting opgaan dan bij de aanwijzing van een gebied werd voorzien?
Gebieden zijn aangewezen wegens het Europees belang voor de daar aanwezige natuurwaarden. In uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat natuurlijke ontwikkelingen tot conflicten leiden. Uitgangspunt bij Natura 2000-doelen is dat het gebied de optimale bijdrage levert aan het bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding. De optimale bijdrage wordt in beginsel bepaald door de ecologische potenties van het gebied, en is dus toekomstgericht. Als voor die optimale bijdrage maatregelen nodig zijn die de omstandigheden realiseren voor habitattypen en soorten waarvoor het gebied belangrijk is, maar tot een afname leiden van habitattypen en soorten waarvoor het gebied minder belangrijk is, dan kan het – onder strenge voorwaarden – nodig zijn om prioriteiten te stellen (zie het Beleidskader Doelwijziging). Als de structurele veranderingen het gevolg zijn van drukfactoren, is geen sprake van een natuurlijke ontwikkeling. In dat geval moeten er maatregelen genomen worden om de drukfactoren te verminderen en verslechtering tegen te gaan.
Ziet u dan ruimte om daarvoor te pleiten, als er weinig ruimte is voor die ontwikkeling, zodat in Nederland natuur die ooit is ontstaan als stikstofarm (bijvoorbeeld nieuwe zanderige eilanden) of door de mens ooit is ontwikkeld tot stikstofarm (bijvoorbeeld door voedingsbodems af te voeren als turf) weer kan worden doorontwikkeld naar de stikstofrijke natuur die in een voedingsrijke delta als Nederland kan bestaan zonder extreem en zeer kostbaar, ingrijpen van de mens?
Nee, ik zie geen ruimte om stikstofarme natuur te laten verslechteren ten gunste van stikstofrijke natuur, want die ruimte geeft de Habitatrichtlijn niet. Dat zou ook een enorme verarming van de Nederlandse biodiversiteit betekenen.
Deelt u de opvatting dat natuurbeleid is gebaat bij robuuste ecosystemen die aansluiten bij de natuurlijke en bestaande omstandigheden van een gebied, in plaats van bij ecosystemen die alleen met intensief beheer en ingrijpende emissiereducties in stand kunnen worden gehouden?
Het kabinet onderschrijft dat natuurbeleid gebaat is bij robuuste ecosystemen die aansluiten bij de natuurlijke omstandigheden van een gebied en zo min mogelijk afhankelijk zijn van intensief beheer. Juist omdat de staat van de natuur in Nederland op veel plaatsen onvoldoende is, is een situatie ontstaan waarin ingrijpend en terugkerend beheer noodzakelijk zijn om verdere achteruitgang te voorkomen. Dat is nadrukkelijk geen wenselijke of duurzame situatie. Dat is ook de reden dat het kabinet inzet op het terugdringen van stikstofemissies: zonder structurele vermindering van die druk blijft natuur afhankelijk van intensief beheer. Bovendien raakt duurzaam herstel richting een robuust ecosysteem hiermee steeds verder uit beeld.
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre de huidige natuurdoelen in Nederland aansluiten bij de natuurlijke nutriëntencondities van het landschap en of alternatieve natuurtypen mogelijk robuuster en toekomstbestendiger zouden zijn?
Ik vind het niet nodig dit te laten onderzoeken, omdat hier bij het formuleren van de natuurdoelen voor gebieden al rekening mee is gehouden.
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre natuurlijke stikstofbronnen, zoals grote vogelkolonies, bijdragen aan de stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden en hoe deze bijdragen zich verhouden tot de kritische depositiewaarden die momenteel worden gehanteerd? Zo nee, waarom niet?
Dit is reeds onderzocht; zie het antwoord op vraag 7.
Is het stikstofprobleem in Nederland primair een emissieprobleem of een gevolg van de keuze om specifieke stikstofgevoelige natuurtypen te beschermen?
Het voornaamste probleem is een overmaat aan stikstofdepositie op daarvoor gevoelige, beschermde habitats. Die stikstofdepositie wordt veroorzaakt door emissiebronnen in binnen- en buitenland.
Bent u bereid, gelet op de voorbeelden waarbij natuurlijke processen (zoals vogelkolonies) leiden tot aanzienlijke stikstofaanvoer die aantoonbaar kunnen bijdragen aan natuurontwikkeling en gelet op de grote maatschappelijke en economische gevolgen van het huidige stikstofbeleid, te reflecteren op de vraag of het stikstofbeleid zijn oorspronkelijke doel (het beschermen van natuur) in sommige gevallen voorbij is geschoten en is doorgeslagen in een systeem waarbij het reduceren van stikstofdepositie een doel op zichzelf is geworden? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs voor die reflectie naar de antwoorden op de bovenstaande vragen.
Deelt u de opvatting dat ingrijpende maatregelen, zoals gedwongen uitkoop van bedrijven en het intrekken van bestaande vergunningen, in ieder geval niet zijn gerechtvaardigd, gelet op de grote onzekerheden rond de rol van natuurlijke stikstofbronnen, de discussie over de passendheid van bepaalde stikstofgevoelige habitattypen in een voedselrijke delta als Nederland en de grote maatschappelijke impact van het huidige stikstofbeleid? Zo nee, waarom niet?
Het nemen van maatregelen is gerechtvaardigd voor zover ze noodzakelijk en effectief zijn. Het is daarbij, gelet op de antwoorden op bovenstaande vragen, heel duidelijk dat natuurlijke stikstofbronnen slechts een zeer beperkt deel vormen van de stikstofdepositie, namelijk het deel dat we rekenen tot de natuurlijke achtergronddepositie, waar de Nederlandse natuur al op was aangepast.
Waarom stapt u af van het principe «haalbaar en betaalbaar» bij de formulering van instandhoudingsdoelen, terwijl dit destijds uitdrukkelijk aan de Kamer is beloofd?
Van het principe «haalbaar, betaalbaar» is niet afgestapt. In het Natura 2000-doelendocument 2026, dat door mijn ambtsvoorganger, de Staatssecretaris voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is vastgesteld is verduidelijkt dat uit de eisen van de Europese Habitatrichtlijn volgt dat natuurdoelen voor de landelijk gunstige staat ecologisch onderbouwd moeten zijn («ecologisch haalbaar»). Bij het bepalen van de maatregelen om de doelen te bereiken wordt rekening gehouden met sociaaleconomische gevolgen, onder andere door bij gelijke effectiviteit te kiezen voor maatregelen met de minste impact. De afweging van betaalbaarheid is daarmee niet verdwenen, maar vindt plaats bij de keuze van maatregelen op gebiedsniveau. De landelijke doelen zijn daarbij vastgesteld op het niveau dat nodig is om aan de richtlijn te voldoen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Stikstof en mestbeleid op 1 april 2026?
Beantwoording van de vragen vroeg om meer tijd dan de gebruikelijke termijn. De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord en bereiken uw Kamer voorafgaand aan het debat Stikstof en mestbeleid, dat verplaatst is naar 24 juni 2026.
Het niet meer individueel onderzoeken van alle DNA-monsters van wolven |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat Wageningen Environmental Research (WENR) wegens capaciteitsproblemen niet langer alle DNA-monsters die worden afgenomen na aanvallen op vee onderzoekt op welk individuele wolf het betreft?
Bij aanvallen op gehouden dieren doet Wageningen Environmental research (WEnR) in opdracht van de provincies in alle gevallen DNA-onderzoek naar de veroorzakende diersoort. Het provinciaal beleid ten aanzien van afname en testen van monsters, zoals beschreven in het Wolvenplan 2025 is ongewijzigd.1 Navraag bij de provincies als bevoegd gezag heeft dit bevestigd. Het DNA-onderzoek waarbij ook wordt bepaald welk individu van de betreffende veroorzakende soort betrokken was, is wel verminderd door een sterk toenemend aantal schadegevallen. Volgens de provincies is de huidige capaciteit bij WEnR voldoende om conform het provinciale Monitoringplan Wolf te voldoen aan de monitoringsverplichting die volgt uit de Habitatrichtlijn en eventuele juridische onderbouwing van de omgang met probleemwolven.
Klopt het dat hierdoor een deel van de monsters alleen nog wordt onderzocht op diersoort, maar niet meer op individueel dier?
Ja, dit is bevestigd door de provincies.
Zo ja, hoe kan dan nog worden bijgehouden welke wolven herhaaldelijk vee aanvallen en mogelijk als probleemwolf moeten worden aangemerkt?
Provincies hebben aangegeven dat het DNA-onderzoek waarbij ook wordt bepaald welke individuele wolf bij een aanval op vee betrokken was, zoals beschreven in het Wolvenplan 2025, nog steeds plaatsvindt bij een schademelding. Ongeacht of het vee achter wolfwerende rasters was gehuisvest.
Klopt het dat DNA-onderzoek op individueel dier bij aanvallen achter een goedgekeurd raster alleen nog plaatsvindt wanneer het raster volledig foutloos is bevonden?
Nee, zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de opvatting dat hiermee juist waardevolle informatie verloren gaat over wolven die ook rasters weten te omzeilen?
Die opvatting deel ik niet. Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bekend met het feit dat voor de nieuwe aanbesteding voor DNA-onderzoek slechts WENR en één commercieel laboratorium hebben ingeschreven en dat het commerciële bedrijf zijn afgewezen omdat zij niet aan de gestelde eisen voldeden?
Het bepalen of er in een specifiek geval sprake is van een probleemwolf, is de bevoegdheid van de provincies. Conform de interventierichtlijnen uit het Wolvenplan 2025 wordt een wolf onder meer als probleemwolf aangemerkt als deze in een gebied in een gemeente of in een aangrenzende gemeente binnen een periode van tenminste twee weken tenminste twee keer vee aanvalt dat wordt beschermd door een goed functionerend raster dat voldoet aan de technische eisen uit de adviesnorm uit de provinciale faunaschade preventiekit wolven. Deze formulering is in lijn met de door u genoemde aangehouden motie. Het is aan de provincies als bevoegd gezag om te bepalen hoe kan worden vastgesteld of aan deze criteria wordt voldaan.
Hoe verhoudt dit zich tot het feit dat WENR momenteel al kampt met capaciteitsproblemen en dat ook voldoende capaciteit een eis zou moeten zijn?
Uit navraag bij de provincies is naar voren gekomen dat zij op dit moment een aanbestedingsprocedure hebben lopen. Tijdens de marktconsultatie via tendernet hebben zich twee partijen gemeld, waarvan een zich gedurende de procedure heeft teruggetrokken.
Kunt u toelichten op welke punten het commerciële laboratorium niet voldeed en welke oplossingen u ziet om te zorgen dat wél alle DNA-monsters volledig onderzocht kunnen worden, bij dit commerciële bedrijf of elders?
Zoals bij de beantwoording op vraag 1 is aangegeven, is volgens de provincies de huidige capaciteit bij WEnR voldoende om te voldoen aan de wettelijke monitoringsverplichting en eventuele juridische onderbouwing van de omgang met probleemwolven. Dit zal uiteraard ook in de toekomst gecontroleerd blijven worden.
Voldoet Nederland nog aan de monitoringsverplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn wanneer niet langer van alle monsters wordt vastgesteld om welk individueel dier het gaat, gezien het feit dat Nederland ervoor heeft gekozen om via DNA-monitoring invulling te geven aan deze verplichtingen? Kunt u hierop een juridische toelichting geven?
Zie het antwoord op de vragen 7 en 8.
Deelt u de zorg dat bij een verdere toename van het aantal wolven en het aantal aanvallen op vee dit systeem volledig onhoudbaar wordt als de capaciteit niet wordt uitgebreid?
Ja, Nederland voldoet voor het monitoren van wolven aan de vereisten van de Habitatrichtlijn. Het provinciale beleid, zoals beschreven in het Wolvenplan 2025, is ongewijzigd en daarmee test Nederland meer dan is vereist voor verplichtingen vanuit de Habitatrichtlijn. Dna-monitoring is geen Europese verplichting.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de toezegging en wanneer daadwerkelijk meer wolven zullen worden gezenderd, gezien het feit dat u heeft eerder toegezegd dat zoveel mogelijk wolven in Nederland zouden worden gezenderd?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 1, is er op basis van de door de provincies verstrekte informatie voor mij geen aanleiding tot zorg.
Klopt het dat in Nederland nog geen vergunningen worden afgegeven voor het gebruik van de soft-close pootklem voor het vangen van wolven voor onderzoek, terwijl deze methode in andere Europese landen wel veelvuldig wordt toegepast?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vragen van uw Kamer (Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 580) is het aan de provincies of RVO om structurele zenderprogramma’s door middel van vergunningen of maatwerkvoorschriften mogelijk te maken. Momenteel lopen bij de provincies Utrecht en Gelderland aanvragen voor zenderonderzoek. Ik volg deze ontwikkelingen met grote interesse.
Welke Europese regelgeving belemmert dit precies en waarom wordt het gebruik van soft-close pootklemmen in andere lidstaten door deze regelgeving niet belemmerd maar in Nederland wel?
Ja, dat is correct.
Bent u bereid te bezien hoe deze belemmeringen kunnen worden weggenomen, zodat de meest diervriendelijke vangmethode kan worden ingezet om wolven te zenderen en daarmee de druk op DNA-monitoring kan verminderen?
De EU heeft een verbod ingesteld op het gebruik van wildklemmen voor het vangen van wilde dieren (Verordening (EEG) nr. 3254/91). Dit verbod is neergelegd in artikel 11.72, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit geldt in principe ook voor het gebruik van pootklemmen voor het vangen van wolven. Volgens de Europese Commissie kan evenwel bij uitzondering voor wetenschappelijk onderzoek of monitoring van diersoorten – waaronder zenderen kan worden begrepen – het gebruik van pootklemmen worden toegestaan, in het licht van de doelstelling van Verordening (EEG) 3254/91 om de instandhouding van diersoorten te verbeteren.2 De pootklem kan dus niet worden gebruikt om dieren te vangen met als doel om bijvoorbeeld dieren af te schrikken of bepaald gedrag te beïnvloeden. Mij zijn geen gegevens bekend over het gebruik van pootklemmen bij wolvenonderzoek in andere lidstaten.
Het doodschieten van een hond door een jager |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Hond doodgeschoten in Wapse door man met geweer. Baasje Lotte (48): «Benji lag in de sloot. Dood»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een jager een hond heeft doodgeschoten en vervolgens zonder pardon is weggereden, zonder ook maar enig medeleven of schuldbewustzijn te tonen richting de eigenaar van de hond?
Ik vind dit een tragisch voorval en wil hierbij mijn medeleven betuigen aan de eigenaren van de hond.
Kunt u bevestigen dat de betreffende jager een jachtvergunning heeft, lid is van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) en een ontheffing heeft om ’s nachts op vossen te jagen?2
Ik kan bevestigen dat de betreffende jager een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit heeft en dat hem door de provincie Drenthe een omgevingsvergunning is verleend om ’s nachts op vossen te jagen.
De Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) speelt geen rol bij het afgeven van een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit, of bij het verlenen van bedoelde vergunningen. Ik kan daarom geen uitspraken doen over het lidmaatschap van de betreffende jager.
Hoe verklaart u het dat een jager die lid is van de KNJV en een jachtvergunning heeft, kennelijk niet in staat is om het verschil tussen een vos en een hond te zien?
De precieze toedracht van het incident wordt onderzocht door de politie. Ik kan daar op dit moment geen uitspraken over doen.
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onaanvaardbaar en ronduit gevaarlijk is dat mensen die dit soort fouten maken, met vuurwapens rondlopen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het gebruik van het geweer voor jacht of faunabeheer is aan strikte regels gebonden, en is alleen toegestaan aan iemand die met succes een jachtexamen heeft afgelegd. Hierin wordt, onder andere, getoetst op het veilig kunnen omgaan met het geweer en het op de juiste manier vaststellen van de soort waarop wordt geschoten. Zoals aangegeven, onderzoekt de politie op dit moment wat de precieze toedracht is van het incident.
Kunt u bevestigen dat de jachtvergunning van deze jager per direct is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
De wapens en de omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit van de betreffende jager zijn in afwachting van het onderzoek, in bewaring genomen door de politie. De jager kan hier gedurende het onderzoek dus niet over beschikken. Over het vervolg van deze casus kan ik gezien het lopende onderzoek geen verdere uitspraken doen.
Kunt u bevestigen dat ook zijn wapenvergunning per direct en voor altijd wordt ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Kunt u bevestigen dat er strafrechtelijke vervolging is ingesteld tegen deze man? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6. De benadeelde partij heeft aangifte gedaan. Er loopt een politieonderzoek.
Heeft u kennisgenomen van verklaringen van ecologen die vermoeden dat de jager dacht op een wolf te schieten in plaats van een hond?3
Ja.
Acht u dit plausibel? Zo nee, waarom niet?
Het politieonderzoek over de toedracht van het incident is lopende. Ik vind het onverstandig hierover te speculeren.
Kunt u bevestigen dat met regelmaat dieren illegaal door jagers worden doodgeschoten, waaronder beschermde soorten, zoals roofvogels4 en rietganzen5, en in beschermde natuurgebieden?6
Het komt helaas voor dat dieren illegaal worden gedood. Dit is een strafbaar feit en de politie en andere handhavende diensten handhaven hierop. Wanneer burgers een strafbaar feit constateren kunnen zij dit bij de politie melden. Op basis van de door u aangehaalde incidenten kan ik niet bevestigen dat het illegaal doden van dieren op grote schaal gebeurt, of dat jagers hier bij betrokken zouden zijn.
Erkent u dat dit vermoedelijk slechts het topje van de ijsberg is, omdat een groot deel van de jacht plaatsvindt buiten het zicht van handhavers of alerte burgers?
Op basis van de mij bekende feiten kan ik niet bevestigen dat de door u aangehaalde incidenten het topje van een ijsberg vormen. Het binnen de wettelijke kaders uitoefenen van de jacht is toegestaan.
Vindt u dit wenselijk?
Het illegaal doden van dieren vind ik niet wenselijk. Zie verder mijn antwoord op vraag 12.
Herinnert u zich dat u in antwoorden op eerdere Kamervragen stelde geen aanleiding te zien om aan te nemen dat wolven op ongebruikelijke wijze verdwijnen?7
Ja. Dit is zo door mijn ambtsvoorganger geantwoord.
Kunt u bevestigen dat, indien in dit geval een wolf in plaats van een hond was doodgeschoten, de kans groot is dat dit nooit aan het licht was gekomen?
Er is in dit geval een hond doodgeschoten. Zoals gezegd bij vraag 2 vind ik dat een tragisch voorval. Ik wil niet speculeren over een situatie waarin een wolf zou zijn doodgeschoten en wacht de uitkomst van het politieonderzoek af.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van ecoloog Chris Smit dat er vermoedelijk veel meer stroperij op wolven is dan wij zien?8
Ja.
Bent u, in het licht van deze gebeurtenis en deze signalen, nog steeds van mening dat er geen reden is om aan te nemen dat wolven op ongebruikelijke wijze verdwijnen? Zo ja, waarop baseert u dat?
Ja, zoals aangegeven in eerdere beantwoording, waar u aan refereert, is uit navraag bij BIJ12 en politie niet gebleken dat er sprake is van een opvallende situatie rond verdwenen wolven. Ik heb geen signalen ontvangen dat die situatie is veranderd.
Bent u bereid om per direct het toezicht op (leden van) de KNJV te intensiveren en daarbij expliciet aandacht te besteden aan het illegaal doden van dieren? Zo nee, waarom niet?
De KNJV is een organisatie die de belangen van haar leden behartigt. De KNJV heeft geen rol in de vergunningverlening. Er is daarom geen sprake van toezicht op de KNJV vanuit mijn ministerie.
Bent u bereid om op korte termijn te onderzoeken hoe de handhaving op de jacht structureel kan worden geïntensiveerd, om te voorkomen dat opnieuw dieren of mensen slachtoffer worden van schietgrage jagers? Zo nee, waarom niet?
In Nederland gelden strikte wettelijke eisen voor het bezit en gebruik van vuurwapens in het kader van jacht, beheer en schadebestrijding. Hierop wordt gecontroleerd door de politie, provincies en omgevingsdiensten. Op basis van de huidige signalen zie ik geen aanleiding om de handhaving te intensiveren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Zoals al richting uw Kamer aangegeven is het niet mogelijk geweest de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden, in verband met de benodigde afstemming en in verband met de kabinetswissel.
Het bericht 'Wolven verdrijven Leidse derdeklassers uit bossen bij Dwingeloo: winterkamp geannuleerd' |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Wolven verdrijven Leidse derdeklassers uit bossen bij Dwingeloo: winterkamp geannuleerd»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het zeer onwenselijk is dat scholen hun onderwijs- en buitenschoolse activiteiten moeten aanpassen of annuleren vanwege de aanwezigheid en het gedrag van wolven?
Ik vind het inderdaad onwenselijk dat mensen zich genoodzaakt voelen om zich aan te passen aan de aanwezigheid van wolven in plaats van andersom. Daarom zet ik me via de Landelijke Aanpak Wolven in om incidenten met wolven tegen te gaan en adequaat ingrijpen mogelijk te maken en heb ik uw Kamer meermaals opgeroepen zo spoedig mogelijk in te stemmen met de bijbehorende AMvB.
Hoe beoordeelt u het feit dat scholen, ouders en leerlingen zich genoodzaakt voelen ingrijpende veiligheidsmaatregelen te nemen terwijl wolven in Nederland een beschermde status hebben?
De veiligheid van kinderen moet altijd gegarandeerd zijn. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij burgemeesters. Ik heb me, om te kunnen voldoen aan de Europese regelgeving en om lokale overheden meer mogelijkheden te geven om in te grijpen bij incidenten, ingezet om de beschermde status van wolven te verlagen. Helaas heeft de Kamer mij niet de ruimte gegeven de verlaagde status zo snel mogelijk in te voeren.
Klopt het dat provincies en terreinbeheerders weliswaar aangeven dat kamperen mogelijk is, maar dat de vereiste voorzorgsmaatregelen in de praktijk moeilijk uitvoerbaar zijn voor scholen?
Navraag bij de provincies heeft uitgewezen dat hierover geen advies is gegeven. Ook andere adviezen over eventuele voorzorgsmaatregelen zijn mij niet bekend.
Bent u van mening dat het huidige wolvenbeleid voldoende rekening houdt met de veiligheid van kinderen, recreanten en onderwijsinstellingen in gebieden waar wolven zich permanent vestigen? Kunt u het antwoord toelichten?
Nee. Het aantal wolven dat zich permanent gevestigd heeft in Nederland is in de afgelopen jaren toegenomen. Een toename van het aantal meldingen en incidenten is daarbij helaas onvermijdelijk gebleken. Ik heb gesproken met schaapherders die de wanhoop nabij zijn en met visueel beperkten wiens blindengeleidehond, en daarmee bewegingsvrijheid, ernstig bedreigd wordt. Daarnaast heb ik meerdere signalen ontvangen, bijvoorbeeld in de vorm van een brandbrief van Gelderse burgemeesters en eind januari een petitie uit de gemeente Barneveld, dat de situatie ernstig uit de hand dreigt te lopen. Om die reden had ik de AMvB in voorbereiding, om lokale overheden meer mogelijkheden te geven bij incidenten.
In hoeverre acht u het acceptabel dat langdurige onderwijs- en sporttradities, zoals schoolkampen en buitenactiviteiten, onder druk komen te staan door de aanwezigheid van wolven?
Ik acht dat onacceptabel.
Welke concrete maatregelen worden op dit moment genomen om te voorkomen dat wolven zich blijven ophouden in de nabijheid van dorpen, scholen en recreatiegebieden?
Om te voorkomen dat wolven zich blijvend ophouden in de buurt van mensen, wordt o.a. door het Landelijk Informatiepunt Wolven gecommuniceerd wat men kan doen als men een wolf ziet en dat wolven niet moeten worden gevoerd voeren.
Ook werk ik aan een ruimtelijke visie gericht op wolven in Nederland. Deze visie geeft antwoord op de vraag welke ruimte primair wenselijk is voor wolven (en welke niet), waarbij zowel rekening wordt gehouden met de ecologie van de soort als met maatschappelijk draagvlak. Deze ruimtelijke visie betreft een visie op landelijke schaal en dient met het oog op de bevoegdheidsverdeling dan ook als ondersteuning voor aan provincies en gemeenten bij het formuleren van hun ruimtelijk beleid en/of het nemen van ruimtelijke maatregelen. Door de visie vast te stellen in nauwe samenspraak met deze andere overheden, wordt mogelijk gemaakt dat deze werken aan verdere uitwerking in ruimtelijk beleid en ruimtelijke maatregelen. De visie wordt geschreven binnen het juridische kader van wat mogelijk is binnen de beschermde status van de wolf. De ruimtelijke visie wolf biedt plaats voor de verschillende opvattingen van de verschillende provincies en agrarische en ecologische experts. In deze visie worden de onvermijdelijke keuzes benoemd in situaties waarin dierhouderij, recreatie of ander intensief menselijk gebruik niet samengaat met de aanwezigheid van wolven. De ruimtelijke visie beschouwt hiertoe de ruimte bestemd voor wolven door de lens van de ecologie, landbouw, recreatie en veiligheid en plaatst deze verschillende perspectieven naast elkaar. De visie brengt belangrijke keuzes in kaart die aan de hand van de visie genomen kunnen worden.
Kunt u aangeven wat op dit moment de economische gevolgen zijn voor recreatiegebieden en toeristensector? Heeft u inzicht in de financiële schade van deze ondernemers? Kunt u het antwoord toelichten?
Als uitvoering van de motie-Van Campen/Eerdmans die de regering verzoekt zowel de directe economische impact van wolvenaanvallen, zoals sterfte van landbouwhuisdieren, als de indirecte impact, zoals op de recreatiesector, in kaart te brengen (Kamerstuk 33 576, nr. 426) wordt op dit moment door Wageningen Social & Economic research onderzoek uitgevoerd naar de economische gevolgen van de aanwezigheid van de wolf op de agrarische en toeristische sector. De uitkomsten van dit onderzoek worden voor de zomer opgeleverd.
Bent u of is het ministerie inmiddels in gesprek gegaan met de betreffende scholen, sectoren, ondernemers en bewoners?
Zoals ik in het antwoord op vraag 5 heb aangegeven, ben ik reeds in gesprek geweest met groepen mensen die zich zorgen maken en hebben mij meerdere signalen bereikt over de ernst van de situatie.
Welke handelingsperspectieven kunnen scholen op korte termijn verwachten wanneer zij worden geconfronteerd met wolven in de directe omgeving van geplande activiteiten?
De VNG heeft het Handelingsperspectief voor burgemeesters gepubliceerd.2 Hierin staan de op dit moment geldende mogelijkheden beschreven voor burgemeesters om op te treden bij incidenten met wolven.
Wat zijn op dit moment de laatste cijfers rondom het aantal wolven(roedels) wat actief is in Nederland? Ziet u een verspreiding verder over Nederlandse provincies?
Het aantal wolvenleefgebieden in Nederland wordt geschat op 15 tot 16, bestaande uit 13 tot 14 roedels en twee solitaire wolven. Voor de verspreiding over Nederland verwijs ik u naar de website van BIJ12.3
Wanneer kan de Kamer inzicht krijgen in het nader onderzoek naar de staat van instandhouding voor de wolf?
In mijn brief over het onderzoek Staat van Instandhouding wolven in Nederland van 19 september 2025 (Kamerstuk 33 576, nr. 466) heb ik aangekondigd aanvullend onderzoek te laten uitvoeren naar de Staat van Instandhouding van wolven in Nederland, door een internationale deskundige onderzoekspartij. De opdracht hiertoe is verleend en de onderzoeker werkt hard aan een spoedige afronding, naar verwachting in Q2 van dit jaar.
Deelt u de mening dat de jonge zwervende wolven een groot risico vormen voor de verkeersveiligheid en dat het onwenselijk is het ingrijpen van een dierenarts om een wolf uit zijn lijden te verlossen kan leiden tot een tuchtzaak tegen de betreffende dierenarts? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Dieren in de natuur die zich verplaatsen over wegen, zoals wolven, vormen een risico voor de verkeersveiligheid. Ik vind het in het belang van het dierenwelzijn als een dierenarts een wolf uit zijn lijden verlost. Dit zou geen klacht bij het veterinair tuchtcollege moeten opleveren.
Een klacht bij het veterinair tuchtcollege kan worden ingediend tegen een dierenarts (of andere diergeneeskundige) als men twijfelt of aan de zorgplicht is voldaan. De zorgplicht staat beschreven in artikel 4.2 van de Wet dieren. De klacht kan worden ingediend door degene die als gevolg van het handelen rechtstreeks in zijn belang is getroffen of door de klachtambtenaar. Of de klacht ontvankelijk is bepaald het veterinair tuchtcollege. Ten aanzien van de vraag of een klacht wenselijk is of niet, geldt dat bij wet geregeld is wie een klacht mag indienen en op welke gronden. Het veterinair tuchtcollege beoordeelt inhoudelijk of de desbetreffende dierenarts in zijn of haar veterinair handelen juist gehandeld heeft of tekort is geschoten. Dit oordeel is aan het veterinair tuchtcollege.
Bent u bekend met de hernieuwde hulpvraag vanuit provincies en gemeenten die behoefte hebben aan een duidelijk handelingskader, zodat ze zonder risico voor rechtsvervolging kunnen optreden als de situatie uit de hand loopt?
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden?
Ik snap de zorgen die lokaal leven heel goed. Provincies en burgemeesters die te maken hebben met incidenten met wolven willen kunnen handelen als de veiligheid van mensen in het geding komt, en dat begrijp ik. Ook ik wil dat we zo snel mogelijk kunnen ingrijpen om confrontaties tussen mensen, dieren en probleemwolven te voorkomen en, als ze toch ontstaan, direct en daadkrachtig op te treden. In december 2024 ben ik daarom samen met provincies gestart met de Landelijke Aanpak Wolven (LAW). Sindsdien zijn er vorderingen gemaakt met verschillende onderdelen van de LAW waar ik u onlangs over heb geïnformeerd (Kamerstuk 33 576, nr. 474). Onderdeel van de LAW was de AMvB die meer duidelijkheid had kunnen bieden voor het ingrijpen bij incidenten met wolven.
Het rapport Ontwikkeling van de bodemdiergemeenschap in de geulen van referentiegebied Rottum |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Ontwikkeling van de bodemdiergemeenschap in de geulen van het referentiegebied Rottum – Tussenrapportage 18 jaar na sluiting (situatie tot en met 2023)»?1
Ja.
Deelt u de conclusie uit het rapport dat er ook na 18 jaar sluiting geen aantoonbaar effect van de gebiedssluiting is vastgesteld op soortenrijkdom, dichtheid, diversiteit of gelijkmatigheid van de bodemdiergemeenschap?
Ik deel de conclusie uit het rapport dat er ook na 18 jaar sluiting geen aantoonbaar effect van de gebiedssluiting is vastgesteld op de genoemde natuurwaarden. Ik betreur dat het lang heeft geduurd om te beseffen dat de oorspronkelijke opzet van het onderzoek niet voldoende resultaat kan opleveren. Daarom laat ik een evaluatie uitvoeren. Ik zal dat betrekken bij de opzet van de monitoring voor de opgaven die voortvloeien uit Natuurherstelverordening.
Het lijkt erop dat de opzet van het onderzoek deels de oorzaak is dat er tot op heden geen significante verschillen in natuurontwikkeling worden gevonden. Afgelopen jaar is een eerste stap in het verbeteren van de onderzoeksopzet gezet door wijzingen aan te brengen in de bemonsteringmethoden met behoud van de bestaande monitoringreeksen. Hierdoor wordt naar verwachting naast een betere vergelijking tussen de geulen binnen het onderzoeksgebied ook een betere vergelijking mogelijk met de natuurlijke ontwikkeling in de westelijke Waddenzee.
Deelt u de conclusie uit het rapport dat de natuurlijke variatie binnen geulen veel groter is dan de verschillen tussen geulen onderling en dat verschillen tussen geulen waarschijnlijk beter worden verklaard door abiotische factoren, zoals waterdiepte, bodemtype en afstand tot het zeegat, dan door de gebiedssluiting?
Op basis van de opzet van het onderzoek kan deze conclusie getrokken worden.
Deelt u de conclusie dat dit onderzoek erop wijst dat het effect van garnalenvisserij op de bodemdiergemeenschap zeer beperkt moet zijn, aangezien zelfs na 18 jaar sluiting geen significante verschillen zijn gevonden tussen open en gesloten gebieden?
Er kunnen vanuit dit onderzoek geen conclusies worden getrokken over het effect van de garnalenvisserij. Dit was niet het doel van het onderzoek en de proefopzet is voor de beantwoording van die vraag ook niet geschikt. Bovendien is het gesloten gebied bij Rottum niet representatief voor de hele Waddenzee.
Het rapport vermeldt dat met de huidige meetopzet alleen grote verschillen (een factor 2) statistisch aantoonbaar zijn en dat het aantonen van kleinere verschillen een onrealistisch groot aantal monsters vereist. Acht u de huidige monitoringsopzet nog geschikt voor beleidsdoeleinden?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid de monitoringsstrategie te herzien, conform de aanbevelingen in het rapport?
Op basis van de aanbevelingen van het rapport is de monitoringsstrategie in 2025 aangepast.
Kunt u aangeven hoe de resultaten uit het Nederlandse referentiegebied zich verhouden tot die uit referentiegebieden in Duitsland en Denemarken? Zijn daar wél ecologische effecten vastgesteld na langdurige sluiting en zo ja, hoe verklaart u deze verschillen?
Er is Duits-Deens onderzoek gepubliceerd (CRANIMPACT) waar men de effecten van uitsluiting garnalenvisserij heeft onderzocht in 5 referentiegebieden die sinds 1977 zijn gesloten. Hier werden significante verschillen gevonden als gevolg van visserijintensiteit en slibgehalte. Kleine bodemdieren namen toe en grotere predatoren namen juist af. De verschillen worden zichtbaar vanaf een visserijdruk van 1.5x per jaar. Soortelijke conclusies werden ook gevonden in een wetenschappelijk artikel «The relative effects of bottom trawling, organic enrichment, and natural environmental factors on coastal seabed communities» van december 2024.
De verschillen met het Nederlandse onderzoek kunnen verklaard worden doordat het doel en de proefopzet in het Nederlandse referentiegebied niet geschikt zijn om het effect van garnalenvisserij te onderzoeken. Om effecten van garnalenvisserij beter inzichtelijk te kunnen maken zijn meer representatieve referentiegebieden van voldoende omvang en met langdurige sluiting voor bodemberoerende visserij nodig.
Bent u bekend met de Benthische Indicator Soorten Index (BISI)-methodiek?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat met deze methodiek de kwaliteit van bodemhabitats (H1110A) in de Waddenzee wordt beoordeeld aan de hand van theoretisch bepaalde referentiewaarden?
Ja, deze werkwijze is uitvoerig beschreven in rapport «Indicatoren en maatlatten voor de beoordeling van structuur en functie van mariene habitattypen voor Natura 2000», (Escaravage et al., 2024) Indicatoren en maatlatten voor de beoordeling van structuur en functie van mariene habitattypen voor Natura 2000 – Wageningen University & Research.
Bent u bekend met het feit dat hierbij wordt uitgegaan van maximumdichtheden die in sommige gevallen zijn verdubbeld of verhoogd met de standaarddeviatie?
Zie antwoord vraag 9.
Leidt deze werkwijze er volgens u niet toe dat automatisch zeer lage BISI-scores ontstaan en daarmee de conclusie dat de staat van instandhouding zeer slecht is?
Deze werkwijze leidt er naar verwachting niet toe dat er automatisch zeer lage BISI-scores ontstaan en daarmee de conclusie dat de staat van instandhouding zeer slecht is.
Waarom wordt deze methode toegepast terwijl de BISI-score die hoort bij een goede staat van instandhouding nog niet is vastgesteld?
Nederland is verplicht onder de Europese Habitatrichtlijn (Artikel 17) om elke 6 jaar te rapporteren over de landelijke staat van instandhouding van habitattypen. Een habitattype is een bepaald type ecosysteem op het land of in het water met kenmerkende eigenschappen. De landelijke staat van instandhouding van habitattypen wordt beoordeeld op basis van 4 parameters (verspreidingsgebied, oppervlakte, structuur en functie inclusief typische soorten, toekomstperspectief). Voor het bepalen van de parameter structuur en functie wordt daarbij, voor alle mariene habitattypen gebruik gemaakt van de BISI, zoals beschreven in het eerder genoemde rapport van Wijnhoven (2025). Er is een maatlat ontwikkeld waarmee aan de hand van de BISI een score kan worden gegenereerd voor structuur en functie van mariene habitattypen (Escaravage et al., 2024)2. Deze score is gebruikt om samen met de scores van de 3 andere hierboven genoemde parameters de landelijke staat van instandhouding te beoordelen. De BISI-score is daarin dus niet doorslaggevend maar slechts één van de gebruikte parameters. Over de meest recente beoordeling heb ik u recentelijk over geïnformeerd3.
Waarom is voor de Waddenzee gekozen voor een theoretische referentie, terwijl in de Waddenzee een referentiegebied is ingesteld waaruit feitelijke referentiewaarden kunnen worden afgeleid?
Het ingestelde referentiegebied is niet representatief voor de variatie aan omstandigheden die voorkomen in de Waddenzee.
Bent u bereid om de BISI-score voor het referentiegebied vast te laten stellen en deze te vergelijken met de score voor habitat H1110A in de doeluitwerking Waddenzee?
Nee, het referentiegebied in de Waddenzee is hiervoor niet representatief. Het onderzoek in het referentiegebied is enkel opgezet om de ongestoorde ontwikkeling van de natuur in de Waddenzee te kunnen volgen. Daarnaast is het gebied en het aantal monsternames te klein voor een betrouwbare BISI-score. Daarom zie ik geen aanleiding om de BISI-score vast te laten stellen voor het referentiegebied.
Is het, gelet op de uitkomsten van voornoemd onderzoek, ook uw verwachting dat de BISI-scores binnen en buiten het referentiegebied vrijwel identiek zullen zijn?
De verwachting is dat er op basis van de BISI-scores berekend met de gegevens die zijn verzameld met de huidige onderzoeksopzet nauwelijks verschillen te vinden zijn tussen het gesloten gebied en omliggende gebieden. Daarom wordt de onderzoeksopzet verbeterd.
Betekent dit dat de staat van instandhouding van habitat H1110A binnen het referentiegebied eveneens als slecht wordt beoordeeld en zo ja, hoe verklaart u dat?
De staat van instandhouding wordt alleen op landelijk niveau beoordeeld, niet voor afzonderlijke gebieden.
Bent u, gelet op de uitkomsten van voornoemd onderzoek, bereid de BISI-methodiek nader tegen het licht te houden en deze voorlopig niet langer te gebruiken als onderbouwing voor gebiedssluitingen?
Nee. De BISI-methodiek is, in combinatie met het gebruik van andere parameters, zeer nuttig gebleken om de kwaliteitsontwikkeling van de natuur te volgen, of maatregelen effectief zijn en om habitats en/of gebieden te vergelijken. De BISI-methodiek is daarbij wel afhankelijk van de kwaliteit van de gegevens die in de berekening worden gebruikt. Gebiedssluiting wordt nooit alleen op basis van de kwaliteitstoestand (die onder andere kan worden bepaald met een indicator zoals de BISI) ingesteld. Er worden nog vele andere aspecten meegewogen, zoals relevante wetenschappelijke informatie, de sociaaleconomische impact en de handhaafbaarheid van de beoogde beheermaatregel.
Het doodschieten van een wolf. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Wat ging er door u heen toen u kennisnam van het bericht van provincie Utrecht dat op de Utrechtse Heuvelrug een wolf is doodgeschoten?1
Van de provincie Utrecht heb ik vernomen dat de houder van de afschotvergunning voor probleemwolf GW3237m de provincie heeft geïnformeerd dat er een wolf is afgeschoten op de Utrechtse Heuvelrug, waarvan werd aangenomen dat het probleemwolf GW3237m was. Ik ben blij dat de provincie en houder van de afschotvergunning adequaat hebben kunnen optreden, omdat er grote zorgen leefden in de omgeving over deze probleemwolf.
Kunt u bevestigen dat de jager op het moment van schieten niet met zekerheid kon vaststellen of het om wolf Bram, het dier waarvoor een afschotvergunning is verleend, ging?
Of het hier de probleemwolf GW3237m betrof moest DNA-onderzoek uitwijzen. Op 12 december jongstleden werd bevestigd dat het hier inderdaad probleemwolf GW3237m betrof.
Kunt u bevestigen dat het verboden is om een beschermd dier te doden wanneer op het moment van schieten onduidelijk is of voor dat specifieke dier een afschotvergunning is afgegeven? Zo nee, hoe wordt dan voorkomen dat beschermde dieren onnodig worden gedood?
Het doden van een wolf is door de wijziging van de beschermingsstatus onder de Habitatrichtlijn in Nederland niet langer vergunningplichtig. Om het doden van een wolf weer vergunningplichtig te maken, is nodig dat het ontwerp-Besluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de bescherming van de wolf en goudjakhals van kracht wordt. De behandeling in uw Kamer van het voorgehangen ontwerpbesluit is evenwel nog niet afgerond, nu uw Kamer op 18 juni 2025 heeft verzocht ter zake geen onomkeerbare stappen te zetten (Kamerstukken II 2024/25, 33 118, nr. 295).
Het doden van een wolf kan in strijd zijn met de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het is aan provincies om erop toe te zien en eventueel bij maatwerkvoorschrift te verzekeren dat binnen de kaders van de specifieke zorgplicht wordt gehandeld. Dit betekent dat alle zorgvuldigheid in acht moet worden genomen om te voorkomen dat een wolf wordt gedood waarvoor dat niet gerechtvaardigd is. Voor de volledigheid deel ik u mee dat de afschotvergunning betreffende wolf GW3237m is afgegeven onder het eerdere beschermingsregime voor wolven.
Welke sancties staan op het doden van beschermde wolven, waarvoor geen afschotvergunning is verleend?
Handelen in strijd met artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving – dat zijn grondslag vindt in artikel 4.3 van de Omgevingswet – kan een strafbaar feit opleveren op grond van artikel 1a, aanhef en onder 1°, van de Wet economische delicten. Als sprake is van opzettelijk handelen dan geldt het strafbaar feit als een misdrijf en kan een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, een taakstraf of een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Is geen sprake van opzet, dan geldt het strafbaar feit als een overtreding waarvoor hechtenis van ten hoogste een jaar, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd. Verwezen wordt naar de artikelen 2 en 6 van de Wet economische delicten.
Kunt u bevestigen dat handhavend zal worden opgetreden, omdat op het moment van schieten onduidelijk was of voor de wolf een afschotvergunning is verleend? Zo nee, waarom niet?
Ik heb hierover navraag gedaan bij de provincie Utrecht. De provincie Utrecht geeft aan dat voor wolf GW3237m een afschotvergunning is verleend. De provincie Utrecht geeft aan dat er op dit moment geen aanleiding is tot handhaving.
Kunt u bevestigen dat tevens handhavend zal worden opgetreden als blijkt dat niet wolf Bram, maar een andere wolf is doodgeschoten? Zo nee, waarom niet en hoe rijmt dit met de wet?
Zie mijn antwoorden op de vragen 2 en 5.
Bent u bereid om provincie Gelderland per direct op te roepen om de afschotvergunning voor wolf Hubertus in te trekken om te voorkomen dat meer wolven worden doodgeschoten, terwijl blijkbaar niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het om het juiste dier gaat? Zo nee, waarom niet?
De bevoegdheid ligt hier bij gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, niet bij mij. Ik kan en ga mij niet mengen in de bevoegdheid van een ander bestuursorgaan. En ik doe er alles aan om incidenten zoveel mogelijk te voorkomen en om te verzekeren dat – als deze zich toch voordoen – er daadkrachtig kan worden opgetreden. Daar strekt ook het in het antwoord op vraag 3 genoemde ontwerpbesluit toe, dat voor de zomer 2025 bij de Tweede Kamer en de Eerste Kamer is voorgehangen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
De beantwoording is helaas niet binnen één week gelukt.
Het aanvullend onderzoek naar de staat van instandhouding van de wolf |
|
André Flach (SGP) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Wordt in het aanvullend onderzoek met betrekking tot de staat van instandhouding van de wolf niet alleen gekeken naar de staat van instandhouding van de wolf in relatie tot de habitatgeschiktheid in Nederland (Kamerstuk 2025D47367), maar ook naar de (redelijke) Nederlandse bijdrage aan een gunstige staat van instandhouding van de Centraal Europese wolvenpopulatie (500 roedels) vanuit het oogpunt van de relatieve habitatgeschiktheid?
Ja.
Wordt in het aanvullend onderzoek specifiek gekeken naar de habitatgeschiktheid in andere Europese landen waar de Centraal Europese wolvenpopulatie aanwezig is en de bijbehorende oppervlakte in vergelijking met de habitatgeschiktheid in Nederland?
In het aanvullend onderzoek wordt gekeken naar de habitatgeschiktheid van Nederland, rekening houdend met de omvang van Nederland en de ecologische kenmerken. Dit in relatie tot de habitatgeschiktheid in andere landen waar de Centraal-Europese wolvenpopulatie zich bevindt.
Deelt u de mening dat vergeleken met de Favourable reference population (FRP), zoals vastgesteld in andere lidstaten, ten opzichte van het bosoppervlak (Spanje: 0,002 wolf per vierkante kilometer; Roemenië: 0,04 wolf per vierkante kilometer; Bulgarije: 0,02 wolf per vierkante kilometer; Zweden: 0,001 wolf per vierkante kilometer; Letland: 0,009 wolf per vierkante kilometer) Nederland met ongeveer 100 tot 120 wolven (dus 0,03 wolf per vierkante kilometer) nu al een meer dan redelijke bijdrage levert aan de gunstige staat van instandhouding van de wolf in Europa, terwijl Nederland ook nog eens veel dichter bevolkt is dan genoemde lidstaten? Wordt een dergelijke vergelijking in het aanvullend onderzoek meegenomen?1
Ik maak mij ernstige zorgen over de aanwezigheid van wolven in Nederland als klein en dichtbevolkt land en heb de internationale deskundige onderzoekspartij gevraagd kennis en informatie over andere landen mee te nemen in het aanvullend onderzoek.
De walvis- en dolfijnenjacht op de Faeröer-eilanden |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de walvisjacht van Fuglafjørður, zoals gedocumenteerd door Sea Shepherd, waarbij 285 grienden van 300–400 dieren werden gedood, wat leidt tot een totaal van 992 gedode walvisachtigen op de Faeröer-eilanden in 2025?1 Wat vindt u hiervan?
Ja, ik heb hier kennis van genomen. Ik betreur de jacht die in september heeft plaatsgevonden ten zeerste en ben van mening dat deze jaarlijkse jacht niet acceptabel is.
Kunt u bevestigen dat walvis- en dolfijnenslachtingen in strijd zijn met de Europese dierenwelzijnsregels en met de internationale overeenkomst on the Conservation of Small Cetaceans of the Baltic and North Seas (ASCOBANS), waarin de Faeröer eilanden geen partij zijn, maar Denemarken wel? Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van Denemarken bij de dolfijnenslachtingen in het licht van deze verdragen?
Het ASCOBANS beschermings- en beheerplan dat als annex is toegevoegd aan de tekst van de Overeenkomst zegt: «de Partijen zullen streven naar het instellen van (a) het verbod onder nationale wetgeving om het opzettelijk nemen en doden van kleine walvisachtigen waar dit niet al in werking is, en (b) de verplichting tot directe vrijlating van elk dier dat levend en in goede gezondheid gevangen is. Maatregelen om deze regels te handhaven zullen op nationaal niveau worden uitgewerkt.»
De Faeröer-eilanden zijn Deense overzeese gebiedsdelen met een eigen beleid op dit gebied. Lidstaten hebben een eigen verantwoordelijkheid om bij traditionele evenementen op een juiste wijze om te gaan met dieren. Als autonoom onderdeel van het Koninkrijk Denemarken zijn de Faeröer-eilanden zelf verantwoordelijk voor het beheer van hun natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van de jacht op walvisachtigen.
De Faeröer-eilanden liggen weliswaar buiten het ASCOBANS gebied, het betreft echter wel dezelfde populaties als uit het ASCOBANS-gebied. Daarom zijn er, op verzoek van de ASCOBANS Adviescommissie, waar Nederland vicevoorzitter van is, meerdere brieven gestuurd aan de Faeröerse overheid om met de oproep om te stoppen met deze jacht. In reactie op de meest recente brief van 16 november 2023, stuurde de Faeröerse overheid 26 augustus 2024 een brief met een informatief memo waarin zij aangeven dat de jacht op grienden en witflankdolfijnen onderhevig is aan een wetenschappelijke beoordeling over de toestand van de populaties en dat quota worden bepaald aan de hand van die beoordelingen. Deze beoordelingen worden uitgevoerd en periodiek herzien in het kader van de Noordoost-Atlantische Zeezoogdieren Commissie (NAMMCO). In 2025 zou een nieuwe beoordeling worden gedaan, die tellingen uit 2015 en 2024 meeneemt. Dit proces wordt nauwkeurig gevolgd door zowel de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC) als ASCOBANS.
Bent u bereid Denemarken er op aan te spreken dat deze jachten strijdig zijn met internationale afspraken over de bescherming van walvisachtigen, en te verzoeken dat Denemarken maatregelen neemt om een einde te maken aan de Grindadráp? Zo nee, waarom niet?
In 2021 heeft de Nederlandse ambassadeur in Denemarken hier meerdere gesprekken over gevoerd met de Faeröerse vertegenwoordigers. Tijdens deze gesprekken is de boodschap overgebracht dat Nederland deze jacht niet acceptabel vindt. Als reactie hierop is door de Faeröerse vertegenwoordigers duidelijk gemaakt dat zij zich zeer bewust zijn van de internationale kritiek, maar hebben zij ook aangegeven dat zij handelen binnen de kaders van internationale afspraken en dat de meerderheid van de Faeröerse bevolking op dit moment geen voorstander is van een verbod. Dit zou op termijn kunnen veranderen, omdat de jongere generatie minder waarde hecht aan de traditionele jacht. Nederland zal waar opportuun blijven pleiten voor een totaalverbod op de jacht.
Bent u bereid om Denemarken aan te spreken op het steunen van de dolfijnen- en walvisslachtingen en de Europese Commissie op te roepen eveneens in actie te komen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 ook aangegeven, zijn de Faeröer-eilanden Deense overzeese gebiedsdelen met een eigen beleid op dit gebied. De Faeröer eilanden vallen niet onder de reikwijdte van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Nederland heeft in 2021 wel, samen met een aantal andere lidstaten en de Europese Commissie, het initiatief genomen om vanuit de Europese Raadswerkgroep voor de walvisjacht een statement te sturen naar de Faeröerse overheid. Dit statement was een reactie op de uitzonderlijk grote slachting van witflankdolfijnen in september 2021. In navolging hierop is dit statement aan alle IWC Verdragspartijen gestuurd en op de IWC website gepubliceerd2. Dit statement veroordeelt de jacht, roept op om deze te stoppen en vraagt om een grondig onderzoek naar deze casus en vraagt daarbij ook om een bredere evaluatie van alle jacht op walvisachtigen. In reactie op onder andere dit statement, heeft de wetenschappelijke commissie van de IWC hun aanbeveling herhaald dat er geen levende vangsten of oogst van kleine walvisachtigen mogen worden goedgekeurd totdat een volledige beoordeling van de status van de soort is gemaakt. Ook sprak de wetenschappelijk commissie van de IWC haar zorg uit over de hoge aantallen gedode witflankdolfijnen. Juist voor deze soort werken de IWC en ASCOBANS samen om de bedreigingen voor de populatie beter in beeld te brengen.
Hoe ziet u de rol van Nederland in het internationaal bevorderen van de bescherming van walvisachtigen, bijvoorbeeld via de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) en binnen de Verenigde Naties, in het licht van deze recente gebeurtenissen?
Zie ook mijn antwoord op vragen 2 en 4. Nederland is actief lid binnen de International Whaling Commission (IWC) en de Overeenkomst ter bescherming van kleine walvisachtigen in de Noordzee, Oostzee en Noordoost-Atlantische Oceaan (ASCOBANS). Nederland is groot voorstander van de bescherming van alle walvisachtigen en zal zich daar voor blijven inzetten.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het volgende overleg met Denemarken en/of binnen de EU over dit onderwerp? Zo nee, waarom niet?
Nederland zal dit punt blijven agenderen in de bilaterale gesprekken met Faeröerse overheid en in internationale fora. Aangezien dit in lijn zal zijn met voorgenoemde standpunten, zie ik geen noodzaak om de Kamer nogmaals te informeren.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor een gezamenlijk optreden tegen de walvis- en dolfijnenjacht op de Faeröer-eilanden, bijvoorbeeld door de kwestie te agenderen bij de Raad Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook in mijn antwoord op vraag 4 aangegeven, heeft mijn voorganger dit actief bepleit in de Raadswerkgroep voor de walvisjacht. Dit zal ik blijven doen in die Raadswerkgroep, die daar het meest geëigende forum voor is.
Het bericht ‘Nederland is een ontbossingsland’ |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Nederland is een ontbossingsland»?1
Ja.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat Nederland via de financiële sector, zeehavens en consumptiepatronen in aanzienlijke mate bijdraagt aan wereldwijde ontbossing?
Het artikel wijst op de rol die de financiële sector, zeehavens en consumptiepatronen kunnen hebben in activiteiten met een verhoogd risico op ontbossing. Daar waar het gaat om de financiële sector wordt er geen directe causale relatie gelegd tussen investeringen en ontbossing zelf, maar bevestigt het artikel dat er een mogelijkheid is dat financiële instellingen betrokken zijn bij projecten waarin ontbossingsrisico’s aanwezig zijn.
Kunt u aangeven in welke mate Nederlandse financiële instellingen, waaronder banken en pensioenfondsen, nog steeds investeren in bedrijven of projecten met een aantoonbaar ontbossingsrisico?
Ontbossing is een internationaal vraagstuk dat ook Nederland raakt via handel, financiële instellingen en onze havens. Het is van belang dat Nederlandse bedrijven voldoen aan Europese regelgeving en internationale afspraken.
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven, waaronder financiële instellingen, dat zij handelen conform internationale standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen: de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Deze standaarden schrijven voor dat risico’s voor mens en milieu in de waardeketen, zoals het risico op ontbossing, worden onderkend en aangepakt. Afhankelijk van de mate van betrokkenheid bij eventuele schade moet een financiële instelling bijdragen aan herstel of haar invloed aanwenden om nadelige gevolgen te beperken.
Hoe een financiële instelling invulling geeft aan de naleving van deze internationale richtlijnen, en welke keuzes zij maakt ten aanzien van investeringen of het aangaan van gesprekken met bedrijven, is de verantwoordelijkheid van de instellingen zelf. Dit geldt ook voor een eventuele beslissing om bedrijven uit te sluiten.
Bent u bekend met het rapport Banking on Biodiversity Collapse 2025, waarin de Rabobank op de achtste plaats wereldwijd wordt genoemd onder financiële instellingen met de hoogste ontbossingsrisico’s? Kunt u toelichten wat uw oordeel is over de bevindingen van dit rapport?
Het rapport geeft een beeld van de internationale positie van financiële instellingen, waaronder de Rabobank, in relatie tot ontbossingsrisico’s en biodiversiteitsverlies. Ik heb kennis genomen van de bevindingen. Voor mij staat voorop dat financiële instellingen zich houden aan de geldende Europese en internationale kaders. Het is aan de instellingen zelf om hun beleid en risicobeheersing hierop in te richten.
Acht u de huidige beleidsinstrumenten en wettelijke verplichtingen voor Nederlandse financiële instellingen om investeringen met ontbossings- of biodiversiteitsrisico’s te vermijden toereikend?
Er is reeds een aanzienlijk aantal EU-vereisten voor financiële instellingen ten aanzien van het beheersen van ontbossings- of andere biodiversiteitsrisico’s.
Voorbeelden zijn de richtlijn met betrekking tot duurzaamheidsrapportering door ondernemingen (Corporate Sustainability Reporting Directive, afgekort CSRD) en bijbehorende European Sustainable Reporting Standards (ESRS). De onder deze regelgeving vallende ondernemingen, waaronder financiële instellingen, rapporteren over de impact (inclusief afhankelijkheden, risico’s en kansen) van hun bedrijfsstrategie en het gevoerde beleid op biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Ook vereist de ESRS transparantie over biodiversiteitsdoelen en inzicht in de eenheden die gebruikt worden om voortgang ten aanzien van de gestelde doelen te meten.
Daarnaast zijn er verschillende andere instrumenten, zoals de EU-taxonomie voor duurzame investeringen, waarmee financiële instellingen inzicht geven in wanneer een investering in een bepaalde economische activiteit als duurzaam kan worden aangemerkt, en die van financiële instellingen verlangen om te rapporteren in hoeverre hun financiële portefeuille daarmee in lijn is.
De CSDDD, CSRD en Taxonomie worden op dit moment vereenvoudigd. Het doel hiervan is om de administratieve lasten te verlagen en het ondernemingsklimaat te versterken, zonder de kern van transparantie en betrouwbaarheid te verliezen. Het kabinet steunt de inzet om de rapportagelasten te versimpelen en verminderen.
Tot slot houden de ECB en DNB vanuit prudentieel oogpunt toezicht op de beheersing van financiële duurzaamheidsrisico’s van financiële instellingen, zoals de financiële risico’s die kunnen voortvloeien uit biodiversiteitsverlies en ontbossing. Dit omvat ook reputatierisico’s die zouden kunnen ontstaan als een instelling eigen doelstellingen of beloftes ten aanzien van biodiversiteit niet na blijkt te komen. In 2020 heeft de Europese Centrale Bank (ECB) toezichtverwachtingen geformuleerd ten aanzien van het beheersen van aan klimaat en biodiversiteit gerelateerde financiële risico’s, waar Europese banken aan moeten voldoen. Voor de toezichtprioriteiten 2025–2027 blijft het volledig naleven van de toezichtverwachtingen ten aanzien van de beheersing van duurzaamheidsrisico’s door financiële instellingen een prioriteit.2
Acht u het in het artikel vermelde bedrag van 5 miljoen euro dat Nederland zal bijdragen aan de Tropical Forest Forever Facility in verhouding tot de omvang van de Nederlandse betrokkenheid bij internationale handelsstromen van producten die gerelateerd zijn aan ontbossing, zoals palmolie, soja en cacao? Overweegt u deze financiële bijdrage te verhogen?
Het bedrag van 5 miljoen euro dat Nederland zal bijdragen aan de Tropical Forest Forever Facility dient te worden gezien als een bijdrage aan de opstartkosten van dit fonds, dat momenteel nog niet operationeel is. Een mogelijke investering in het fonds zelf is aan het volgende kabinet. Tegelijkertijd wordt samen met de private sector onderzocht hoe aanvullende middelen kunnen worden aangetrokken om doelstellingen van het fonds te versterken.
Hoe beoordeelt u de stand van zaken rondom de Europese Ontbossingsverordening en de rol die Nederland vervult bij de implementatie daarvan binnen de Europese Unie?
Het kabinet zal het aankomende jaar gebruiken om in nauwe samenwerking met de Europese Commissie en de lidstaten toe te werken naar een zorgvuldige implementatie en daadwerkelijke administratieve lastenverlichting, die non discriminatoir en WTO-conform zijn. Nederland kan deze rol goed vervullen omdat de bevoegde autoriteiten (NVWA en Douane) alsook voor de meeste bedrijven in Nederland klaar zijn om de EUDR toe te passen.
Op welke wijze zal toezicht worden gehouden op de naleving van de Ontbossingsverordening in Nederland, in het bijzonder bij importerende bedrijven die grondstoffen of producten verhandelen uit gebieden met een risico op ontbossing?
Hoewel de NVWA is voorbereid op handhaving van de EUDR per 30 december 2025, wordt op dit moment nog onderhandeld over aanpassingen aan de EUDR en daarmee hoe de werking van de EUDR in de nabije toekomst exact vorm krijgt. Dit wordt pas definitief als na de triloog de aangepaste EUDR wordt gepubliceerd in The Official Journal of the European Union. Hierdoor is er op het moment nog onduidelijkheid voor toezicht en over de verplichtingen voor ondernemingen. Deze onduidelijkheid zal door middel van voorlichting moeten worden weggenomen. Ook in de toelichting bij het inwerkingtredingsbesluit van de implementatieregelgeving zal hieraan aandacht moeten worden besteed.
Kunt u toelichten hoe de uitvoering van deze Europese verordening wordt ingebed in het nationale klimaat- en natuurbeleid?
De uitvoering van deze verordening vanuit de overheid bestaat hoofdzakelijk uit toezicht en handhaving door de NVWA en via de reguliere controle van de Douane. Dit wordt ingebed in het bredere werkpakket van de NVWA op het publiek belang van natuur en milieu.
Hoe ondersteunt Nederland via internationaal beleid en ontwikkelingssamenwerking de bescherming van landrechten van inheemse gemeenschappen in tropische bosgebieden?
Het versterken van de rechten en positie van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen (IPLCs) is een voorwaarde voor effectief en duurzaam beheer van tropische bosgebieden en behoud van biodiversiteit. Tijdens de recente VN-Klimaattop (COP30) heeft Nederland daarom de hernieuwde «Forest and Land Tenure Pledge» onderschreven, een internationale verklaring uit 2021 gericht op de ondersteuning van landrechten van IPLCs, evenals de aanverwante «Intergovernmental Land Tenure Commitment» waarmee verschillende tropische bossenlanden zelf hier hun steun aan hebben verbonden.
Via steun aan multilaterale fondsen, zoals de Climate Investment Funds, en programma’s op het gebied van voedselzekerheid, water en klimaat, draagt Nederland bij aan de versterking van de rechten en weerbaarheid van IPLCs voor het duurzaam beheer van hun leefgebieden en ecosystemen. Zoals hierboven reeds vermeld kondigde Nederland tijdens COP30 een bijdrage van 5 miljoen dollar aan de opstartkosten van de Tropical Forest Forever Facility, een nieuw investeringsfonds gericht op het behoud van bossen. 20% van de betalingen uit dit fonds dienen rechtstreeks ten goede te komen aan IPLCs.
Op welke wijze stimuleert u bewustwording bij Nederlandse consumenten over de relatie tussen hun koopgedrag en mondiale ontbossing, en welke instrumenten zet u in om duurzaam consumptiegedrag te bevorderen?
Consumenten die duurzame keuzes willen maken, moeten de gelegenheid hebben om dat te doen. Bedrijven, maatschappelijke organisaties en de overheid kunnen burgers daarbij helpen, door duurzame keuzes haalbaar, aantrekkelijk en acceptabel te maken.
De rondrazende vogelgriep en de grote risico’s voor de volksgezondheid |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Bruijn |
|
|
|
|
Maakt u zich ook zorgen over het toenemende aantal uitbraken van vogelgriep en over het feit dat er sinds begin oktober zo’n 450.000 kippen en fazanten in de veehouderij zijn vergast?1
In de wilde vogelpopulatie in Nederland is een toename in besmettingen met hoogpathogene vogelgriep (HPAI) te zien. Ondanks vele preventieve maatregelen is er sprake van een toenemend aantal besmettingen bij gehouden pluimvee. Op 10 november heeft de Deskundigengroep Dierziekten het risico op vogelgriep op pluimveebedrijven beoordeeld als «zeer hoog». Ik vind de situatie zeer zorgwekkend en blijf dit nauwgezet monitoren.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van virologen en hoogleraren die stellen dat «vogelgriep kan zorgen voor een nieuwe pandemie met de omvang van de coronacrisis», maar dan «dodelijker» en dat die pandemie op elk moment zou kunnen uitbreken?2,3
Ja.
Deelt u de mening dat het de verantwoordelijkheid is van de overheid, en met name de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, om risico’s op een nieuwe pandemie zoveel mogelijk in te perken en daarmee de gezondheid van Nederlanders te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Het is een verantwoordelijkheid van de overheid om de volksgezondheid te beschermen en risico’s op het ontstaan en de verspreiding van infectieziekten zoveel mogelijk te beperken. Om de risico’s op een nieuwe pandemie te beperken is het beleidsprogramma pandemische paraatheid opgezet. Onderdeel daarvan is het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid (Kenmerk 2022D29658, 6 juli 2022) dat tot doel heeft risico’s op het ontstaan en de verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn op een eventuele uitbraak. De bezuinigingen op de maatregelen pandemische paraatheid waarvan het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid onderdeel uitmaakt, betekent dat de maatregelen op termijn moeten worden afgebouwd. Om dat te voorkomen maakt de Minister van VWS zich, evenals zijn voorganger, hard voor het vinden van alternatieve middelen. Met betrekking tot vogelgriep werken we vanuit beide ministeries nauw samen binnen het «Intensiveringsplan preventie vogelgriep» (Kamerstuk 28 807, nr. 291, 6 juli 2023) om de risico’s zoveel mogelijk te beperken ten behoeve van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
Kunt u bevestigen dat commissie-Bekedam al 3,5 jaar geleden adviseerde om de risico’s op zoönosen te beperken, maar dat veel van de belangrijkste aanbevelingen nog steeds niet zijn uitgevoerd?
Het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam is het belangrijkste advies geweest om te komen tot het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid. De aanbevelingen van de expertgroep zijn gewogen ten opzichte van al bestaande instrumenten en structuren, om zo te bepalen welke acties in het actieplan daadwerkelijk voor de versterking van het huidige zoönosenbeleid een plek moesten krijgen. Dit actieplan wordt uitgevoerd in de periode 2022–2026. Bij brief is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang. De uitvoering van het actieplan verloopt voortvarend. De aanbevelingen van de expertgroep zijn of worden daarmee grotendeels uitgevoerd. In januari 2026 ontvangt uw Kamer de volgende voortgangsrapportage.
Onderschrijft u de constatering van de commissie-Bekedam dat Nederland extra kwetsbaar is voor vogelgriep door de hoge dichtheid van (pluim)veehouderijen? Zo nee, waarom niet?4
Nederland heeft een intensieve veehouderijsector met veel dieren en bedrijven op een relatief klein oppervlak. Nederland is daardoor kwetsbaar voor dierziekten, waaronder vogelgriep.
Onderschrijft u de constatering van de commissie-Bekedam dat de Nederlandse vee-industrie zelf een belangrijk risico vormt voor het ontstaan en verspreiden van zoönosen, vanwege het enorme aantal dieren dat op een klein oppervlak wordt gehouden en de hoge concentratie van stallen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, heeft Nederland een intensieve veehouderijsector met veel dieren en bedrijven op een relatief klein oppervlak, waardoor Nederland kwetsbaar is voor dierziekten, waaronder zoönosen.
Een hoge bedrijfsdichtheid draagt bij aan de kans op tussenbedrijfstransmissie.
Dat betekent dat een ziekteverwekker van een besmet bedrijf zich naar andere bedrijven kan verspreiden. Het kabinet zet in op het verminderen van de risico’s op uitbraken met en de verspreiding van (zoönotische) ziekteverwekkers. Dit gebeurt onder meer door monitoring- en surveillanceprogramma’s en vaccinatie tegen bepaalde ziekteverwekkers, als ook door de beleidsmatige uitvoering van het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid en het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ook veehouders spannen zich in om dit risico te verkleinen. Zo zorgen bioveiligheidsmaatregelen bij veehouderijbedrijven voor vermindering van insleep van (zoönotische) ziekteverwekkers, en zijn houders alert; zij melden verdenkingen van een besmetting met een meldingsplichtige ziekte snel bij de NVWA. Op deze manier beperken we het risico voor de dier- en volksgezondheid.
Herinnert u zich dat de commissie-Bekedam nadrukkelijk adviseerde om het aantal veehouderijen en het aantal dieren in de veehouderij te beperken?
In het rapport «Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam is aangegeven dat om tot een reductie van het zoönoserisico te komen, de maximale bedrijfsdichtheid en de daarin gehuisveste dieren in een gebied zodanig moet zijn dat uitgebreide spreiding van zoönotische kiemen in zo’n situatie wordt voorkomen.
Kunt u bevestigen dat het toenmalige kabinet aankondigde te willen toewerken naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveebedrijven in pluimveedichte en waterrijke gebieden en een verbod op uitbreiding in die risicogebieden (Kamerstuk 28 807, nr. 291)?
Het toenmalige kabinet heeft in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep opgenomen te streven naar een verbod op nieuwvestiging van pluimveehouderijen in pluimveedichte gebieden en waterrijke gebieden, en de mogelijkheden te verkennen voor een verbod op uitbreiding in deze gebieden (Kamerstuk 28 807, nr. 291).
Klopt het dat was aangekondigd dat er eerst een impactanalyse zou worden gedaan en dat deze eind 2023 naar de Kamer zou komen, maar dat deze er nog altijd niet is? Hoe verklaart u dit?
Ja, dat klopt. In het Intensiveringsplan preventie vogelgriep (Kamerstuk 28 807, nr. 291) is door het vorige kabinet opgenomen dat er een impactanalyse wordt uitgevoerd naar mogelijke structuurmaatregelen: een verbod op nieuwvestiging en/of een verbod op uitbreiding van pluimveebedrijven in pluimveedichte gebieden en in waterrijke gebieden. Experts van Wageningen Social Economic Research (WSER) voeren een analyse uit naar de impact van deze maatregelen op de pluimveesector. Het rapport hierover is nog niet definitief.
Op basis van het conceptrapport is RIVM gevraagd een inschatting te maken van de verwachte impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid.
RIVM zal deze vraag oppakken samen met experts van Wageningen Bioveterinary Research (WBVR). Voor het analyseren van de impact is het van belang ook de scenario ’s en uitkomsten van het WSER-rapport mee te nemen. De plannen voor de impactanalyse op volks- en diergezondheid worden op dit moment uitgewerkt. Dit is een complex vraagstuk dat tijd vraagt. Ik vind het belangrijk dat deze analyse zorgvuldig wordt uitgevoerd. Dit soort structuurmaatregelen zijn immers ingrijpend. Met deze impactanalyse en een juridische analyse zal een zorgvuldige weging worden gemaakt op basis van proportionaliteit, geschiktheid en noodzaak.
Hoeveel pluimveebedrijven zijn er sinds het advies van de commissie-Bekedam nieuw gevestigd in pluimveedichte en waterrijke gebieden en hoeveel pluimveebedrijven zijn uitgebreid in deze gebieden?
Om een exact antwoord te geven op deze vraag, is informatie over verleende vergunningen voor nieuwvestiging of uitbreiding van pluimveebedrijven nodig. Ik beschik niet over een centrale database met dit soort informatie. Ik kan daarom geen antwoord geven op deze vraag.
Hoeveel kippen, eenden, fazanten, kalkoenen en andere dieren in de veehouderij zijn er sinds het advies van Bekedam vergast?
In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van het aantal geruimde vogels sinds de publicatie van het rapport «Zoönosen in het Vizier» (6 juli 2021) tot en met 8 december 2025.
590.404
5.497.906
185.510
85.713
1.108.494
31.288
321.516
9.665
0
37.144
0
0
0
0
7.556
48.293
164.995
0
0
24.650
Op de website van de Rijksoverheid wordt een overzicht bijgehouden van alle uitbraken van vogelgriep en het aantal geruimde dieren.5
Deelt u het inzicht dat het uitblijven van maatregelen, in afwachting van een analyse over de impact voor de vee-industrie, heeft geleid tot extra dierenleed én vergrote risico’s voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Ik wil benadrukken dat veel maatregelen uit het Intensiveringsplan preventie vogelgriep al zijn uitgevoerd, of nu worden uitgevoerd, als aanvulling op het eerder bestaande preventie- en bestrijdingsbeleid. Dit doen we ter bescherming van de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren.
De structuurmaatregelen die het vorige kabinet heeft opgenomen in het intensiveringsplan, betreffen maatregelen om het risico op en impact van uitbraken in de toekomst te beperken. De uitwerking hiervan vergt tijd, en deze maatregelen zullen naar verwachting ook pas op langere termijn effect sorteren.
In de impactanalyse die nu wordt uitgevoerd door experts, wordt zowel naar de impact op de sector als naar het effect op de volks- en diergezondheid gekeken. De uitkomsten van de impactanalyse zullen gebruikt worden bij de besluitvorming. In het antwoord op vraag 9 wordt het proces rondom de impactanalyse nader toegelicht.
De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid wordt periodiek beoordeeld door experts. De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid zijn nog steeds zeer laag voor de algemene bevolking, ook volgens de laatste inschatting van de risk assessment groep die op 11 november jl. bijeen is gekomen.6
Voor personen die beroepsmatig in contact komen met (mogelijk) besmette dieren, zowel wilde als gehouden dieren, wordt het risico als gemiddeld ingeschat. Dit is iets hoger dan in mei dit jaar, doordat er veel meer mensen worden blootgesteld door de vele uitbraken bij wilde en gehouden vogels op dit moment.
Deelt u de mening dat verder uitstel van deze maatregelen zeer ongewenst is, gezien de grote risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Om een besluit te kunnen nemen over deze maatregelen hebben we meer inzicht in de impact van deze maatregelen nodig. Het gaat om een ingrijpende maatregel waarvoor nieuwe wettelijke bevoegdheden en een gedegen onderbouwing nodig zijn. De risico’s van vogelgriep voor de volksgezondheid zijn nog steeds zeer laag voor de algemene bevolking, ook volgens de laatste inschatting van de risk assessment groep die op 11 november jl. bijeen is gekomen.7
De huidige reeks aan uitbraken van vogelgriep doen zich overigens in meerdere provincies voor, ook in gebieden met een lage pluimveedichtheid en gebieden die niet als waterrijk worden beschouwd.
Bent u ervan op de hoogte dat niet alleen de commissie-Bekedam maar ook het Europees Centrum voor Ziektepreventie en Ziektebestrijding (ECDC) en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) hebben aanbevolen om de dichtheid van pluimvee en pluimveehouderijen te verlagen, zowel in waterrijke gebieden als daarbuiten? Wat heeft u met deze aanbeveling gedaan?5
Ja. De aanbevelingen die ECDC/EFSA doet in hun scientific opinion van 29 januari 2025 ondersteunen de structuurmaatregelen zoals geformuleerd in het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ik heb in het antwoord op vraag 9 geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen.
Wanneer gaat u de maatregelen die in 2021 zijn geadviseerd en in 2023 zijn aangekondigd eindelijk doorvoeren?
De aanbevelingen uit het rapport «Zoönosen in het vizier» zijn gebruikt bij de totstandkoming van zowel het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid als het Intensiveringsplan preventie vogelgriep. Ik heb in het antwoord op vraag 9 geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan het proces rondom de structuurmaatregelen vogelgriep.
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
De natuurdoelen voor de Westerschelde |
|
André Flach (SGP) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bezwaren van de provincie Zeeland bij de uitbreidingsdoelstelling voor het habitattype Estuaria (H1130)?1
Ja, ik heb hiervan kennisgenomen. Ik zal deze zienswijze van de provincie Zeeland betrekken bij het vaststellen van de vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen.
Is de veronderstelling juist dat de uitbreidingsdoelstelling vooral is bedoeld om kwaliteitsverbetering te realiseren met behoud van de huidige vaargeuldiepte?
Nee, de uitbreidingsdoelstelling komt niet alleen voort uit gevolgen van vaargeulverdieping, maar ook uit gevolgen van onder meer inpoldering en zandwinning. De Westerschelde is door deze veranderingen dieper en smaller geworden, wat heeft geleid tot een hogere stroomsnelheid van het water. Hierdoor heeft een geleidelijke afname plaatsgevonden van het areaal intergetijdengebied met een lage stroomsnelheid. De relatief geringe omvang van dit type areaal binnen het totale habitattype estuaria, maakt dat er een disbalans is in de variatie die er binnen estuaria zou moeten zijn. Dat is een belangrijke oorzaak waarom de kwaliteit van het habitattype estuaria onvoldoende is. Om de kwaliteit op dit punt te verbeteren is uitbreiding van het areaal estuaria nodig door de Westerschelde meer ruimte te geven.2
Is de veronderstelling juist dat de gewenste kwaliteitsverbetering bezien vanuit de Habitatrichtlijn ook kan worden gerealiseerd door het verondiepen van de vaargeulen, waardoor uitbreiding niet of minder noodzakelijk is?
Het effect van actief verondiepen van nevengeulen is onzeker en kan ook negatieve effecten op natuur hebben. Het kan de balans in het huidige meergeulensysteem verstoren waardoor de variatie van leefgebieden afneemt. Tegelijkertijd vraagt actieve verondieping wel om grote investeringen. Bovendien zou dan de recreatievaart en binnenvaart uit de nevengeul verplaatsen naar de hoofdgeul, wat een risico is voor de scheepvaartveiligheid. Als gekozen zou worden voor het laten verondiepen van de hoofdvaargeul, dan is dat een proces waarbij de bodem zich heel geleidelijk aanpast. Natuureffecten treden dan pas na ongeveer een eeuw op. Dit blijkt uit expert-analyses in het rapport «Langetermijnperspectief voor de Natuur van het Schelde-estuarium»3. Gezien de slechte staat van instandhouding van estuaria is realisatie van natuurdoelen over een eeuw onvoldoende, ook in het licht van de verplichtingen van de Natuurherstelverordening. Bovendien is verondiepen van de hoofdvaargeul in strijd met verdrag-afspraken met Vlaanderen over behoud van de vaardiepte van de Westerschelde ten behoeve van de bereikbaarheid van de haven van Antwerpen.
Hoe verhoudt het afgeven van baggervergunningen voor het op diepte houden van de vaargeul in de Westerschelde zich tot de geconstateerde problemen met de staat van instandhouding van het habitattype estuaria?
De staat van instandhouding is meegenomen in de toetsing voor de vergunning die mijn ambtsvoorganger heeft verleend, als bevoegd gezag voor de vergunningaanvraag voor deze werkzaamheden om de vaargeul op diepte te houden. De Passende Beoordeling voor dit project onderbouwt dat dit project niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Dit omvat onder andere de conclusies dat het project niet leidt tot verslechtering en er niet toe leidt dat het onmogelijk wordt om de instandhoudingsdoelen te halen. Om dit te borgen stelt de vergunning een reeks voorschriften. Een belangrijk onderdeel van de Passende Beoordeling en de voorschriften is dat is vastgelegd op welke wijze het baggeren en het storten van het gebaggerd materiaal wordt uitgevoerd en gemonitord.
Bent u voornemens de gewenste kwaliteitsverbetering vooral te bereiken via verondieping en/of buitendijkse maatregelen in plaats van ontpoldering?
De keuze van maatregelen ligt niet volledig bij mij, maar bij meerdere samenwerkingsverbanden tussen het Rijk en regionale overheden, waar LVVN in verschillende rollen bij betrokken is. De belangrijkste trajecten zijn de actualisatie van het Natura 2000 beheerplan voor dit gebied, de ontwikkeling van het Natuurplan voor de Natuurherstelverordening, de Programmatische Aanpak Grote Wateren, de herijking van de integrale Langetermijnvisie van de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie en de samenwerking vanuit het Gebiedsoverleg Zuidwesterlijke Delta. Ik stimuleer in deze samenwerkingsverbanden een realistische en sobere uitvoering van natuurbeleid waarbij meervoudig ruimtegebruik prioriteit heeft. Het Ministerie van LVVN draagt dit uit in de verschillende processen waarin LVVN met medeoverheden werkt aan de natuur van de Westerschelde. Ik kan niet vooruitlopen op de maatregelen die in elk van deze processen zullen worden bepaald voor verbetering va de kwaliteit van estuaria.
Deelt u de mening dat na de pijnlijke ontpoldering van onder meer de Hedwigepolder eventuele nieuwe ontpolderingen in strijd zouden zijn met de verplichting in de Habitatrichtlijn dat «in de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen [...] rekening [wordt] gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden» (artikel 2, derde lid)?
Een eventuele nieuwe ontpoldering is niet in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de Habitatrichtlijn. De richtlijn geeft aan dat bij het bepalen van instandhoudingsmaatregelen rekening wordt gehouden met onder meer argumenten op economisch, sociaal en cultureel gebied, naast de ecologische vereisten. Dat is van groot belang. Deze argumenten wegen mee bij het bepalen van het tempo van maatregelen en de selectie van gebieden waar uitbreidingsdoelstellingen worden gerealiseerd. De mate waarin argumenten op economisch, sociaal en cultureel gebied meewegen is echter wel begrensd. Vanuit de Habitatrichtlijn geldt het vereiste dat op landelijk niveau een gunstige staat van instandhouding wordt bereikt, voor zover dat ecologisch haalbaar is. De noodzaak van maatregelen is dus uiteindelijk afhankelijk van de landelijke staat van instandhouding en ecologische haalbaarheid. Een nadere toelichting op deze aspecten van de Habitatrichtlijn staat in de Doorlichting Natura 2000, die in 2020 aan de Kamer is gezonden. Sinds 2024 gelden daarnaast vanuit de Natuurherstelverordening een aantal verplichtingen voor het tempo waarin lidstaten maatregelen realiseren die toewerken naar een gunstige staat van instandhouding van habitattypen, waaronder het habitattype estuaria.
Deelt u de mening dat met de inmiddels gerealiseerde ontpolderingen al wordt voldaan aan de uitbreidingsdoelstelling en nieuwe uitbreiding onwenselijk is?
Deze maatregelen zijn onderdeel van het Natuurpakket Westerschelde. Nederland heeft dit pakket begin 2005 vastgesteld als «een belangrijke eerste fase» voor realisatie van een grotere opgave op lange termijn. Aan die grotere opgave is nog niet voldaan nu dit eerste pakket maatregelen is uitgevoerd. Aanvullende maatregelen zijn noodzakelijk. Die fasering geldt overigens ook voor het Vlaamse deel van de Schelde. Deze besluiten van de Nederlandse en Vlaamse regeringen zijn vastgelegd in het verdrag Ontwikkelingsschets 20104. Het doelbereik voor habitattype estuaria is in beeld gebracht in de doeluitwerking die dit jaar in opdracht van Rijkswaterstaat is opgesteld voor de actualisatie van het Natura 2000 beheerplan voor Westerschelde & Saeftinghe5. Dit rapport constateert dat er nog niet is voldaan aan de uitbreidingsdoelstelling.
Is de veronderstelling juist dat met de sinds de aanwijzing van de Westerschelde als Habitatrichtlijngebied gerealiseerde toename van het oppervlak laagdynamisch intergetijdegebied geen sprake is van verslechtering en juist sprake is van kwaliteitsverbetering?2
Het bij antwoord 7 genoemde rapport voor actualisatie van het Natura 2000 beheerplan van dit gebied, vergelijkt onder meer de habitattype-kaart rond de periode van aanwijzing met de meest recente habitattype-kaart. Het rapport stelt dat de kwaliteit van estuaria meerdere aspecten heeft, die deels zijn verbeterd, deels verslechterd en deels stabiel gebleven. Er zijn ook kwaliteitsaspecten waarvoor nog onvoldoende informatie beschikbaar is. Er is daardoor geen algemene uitspraak te doen of de kwaliteit van estuaria is verslechterd of verbeterd. Wel constateert dit rapport dat er meerdere knelpunten zijn waardoor de kwaliteit nog niet voldoende is. Voorbeelden van knelpunten zijn de inrichting van het watersysteem (zie het antwoord op vraag 2) en verontreiniging die (ondanks gedeeltelijke verbetering) nog niet aan de normen voldoet.
Hoe gaat u nieuwe ontpolderingen rond de Westerschelde voorkomen?
Er zijn momenteel geen ontpolderingen in het Westerscheldegebied geprogrammeerd. LVVN, IenW en regionale overheden werken in verschillende trajecten aan de ontwikkeling van maatregelen voor het doelbereik van het habitattype estuaria. Zie ook het antwoord op vraag 5. Ik stimuleer daarbij samen met de Minister van IenW een goede ruimtelijke inpassing en meervoudig ruimtegebruik, zodat natuurmaatregelen ook bijdragen aan andere belangen en negatieve effecten voor gebruiksfuncties zo veel mogelijk worden beperkt. Een voorbeeld hiervan zijn synergiekansen met waterveiligheid op lange termijn. Ik werk aan een realistische doelbepaling door doelen af te bakenen tot wat nodig is voor de Europese verplichtingen en goed te kijken of dat ook ecologisch haalbaar is. Daarbij blijkt uit meerdere studies dat ruimte geven aan de Westerschelde een noodzakelijke maatregel is om aan de Natura 2000-verbeterdoelstelling te kunnen voldoen.
Gaat u ervoor zorgen dat Nederland in de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie aanstuurt op het voorkomen van nieuwe ontpolderingen?
De Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie (VNSC) zet in op realistisch natuurbeleid en maatregelen met meervoudig ruimtegebruik. In 2024 zijn de expert-analyses en de verschillende visies van belanghebbenden op het gebied van natuur gerapporteerd («Langetermijnperspectief voor de Natuur van het Schelde-estuarium»). De VNSC betrekt deze inzichten bij de herijking van de integrale Langetermijnvisie Schelde-estuarium. De opgave voor natuur wordt daarbij bezien in verbinding met de waterveiligheid en toegankelijkheid van dit gebied.
In januari 2026 bespreken Nederlandse en Vlaamse vertegenwoordigers de probleemanalyse en aanpak voor deze herijking. LVVN zal daarin de koers inbrengen die ik in bovenstaande antwoorden heb beschreven.
De brandbrief van burgemeesters over de wolf en over wolven uitrusten met zenders. |
|
Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Herkent u de signalen uit de brandbrief dat de angst en maatschappelijke onrust toenemen doordat wolven vaker nabij mensen, bebouwing en huisdieren worden gesignaleerd?1
Ik ben me zeer bewust van de toenemende angst en maatschappelijke onrust. Daarom zet ik me samen met provincies en gemeenten met de grootste urgentie in om incidenten met wolven tegen te gaan en adequaat ingrijpen bij incidenten mogelijk te maken.
Deelt u de opvatting dat het uitrusten van wolven met zenders noodzakelijk is om beter inzicht te krijgen in hun gedrag en verplaatsingen in een klein en dichtbevolkt land als Nederland, en dat dit direct kan bijdragen aan veiligheid en risicobeheersing?
Ik vind het zenderen van wolven van groot belang om meer inzicht te krijgen in het gedrag van probleemwolven. De gegevens uit zenderonderzoek kunnen behulpzaam zijn bij het opstellen van beleid om incidenten met wolven te beperken.
Bent u bereid te bevorderen dat in het vervolgonderzoek álle bekende roedels in Nederland worden bezenderd, zodat er een landelijk dekkend en meerjarig beeld ontstaat van verplaatsingen, incidenten en risico’s?
Ik ga er op inzetten om wolven via zenders beter te monitoren in Nederland. Om een bruikbaar beeld van het gedrag van wolven in alle territoria in Nederland te krijgen, wordt door de deskundigen aangegeven dat idealiter in elk roedel ten minste een van de territoriale ouderdieren wordt gezenderd. Er bestaan grote individuele verschillen tussen dieren voor wat betreft hun gedrag, maar ouderdieren kunnen in de regel wel een goede indicatie geven. Deze dieren zijn de permanente gebruikers van dit territorium en hun gedrag is veelal exemplarisch voor het gedrag van alle dieren in hun roedel.
Welke juridische voorwaarden gelden momenteel voor zenderonderzoek bij wolven? Klopt het dat hiervoor een ontheffing onder artikel 16 van de Habitatrichtlijn is vereist, en hoe beoordeelt u de toepasbaarheid daarvan in de Nederlandse situatie?
Wanneer een wolf wordt gevangen, daarna verdoofd en vervolgens onder verdoving een halsbandzender wordt omgehangen, is er sprake van een dierproef. 2Zenderonderzoek zal daarom moeten voldoen aan de vereisten uit de Wet op de dierproeven (Wod). Dat betekent dat een instelling een algemene vergunning dient te hebben om proefdieronderzoek te mogen doen (instellingsvergunning). Tevens dient voor het specifieke zenderonderzoek een projectvergunning aangevraagd te worden bij de Centrale Commissie Dierproeven (CCD).
Naast de verplichtingen van de Wod zal voor het vangen en verdoven van wolven ook moeten worden voldaan aan de voorwaarden van de Habitatrichtlijn. Hiervoor is een vergunning nodig van de provincie(s) waar het zenderen plaatsvindt of – wanneer onderzoek wordt uitgevoerd op terreinen van het Ministerie van Defensie of op het Kroondomein – een vergunning van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Deze vergunningplicht geldt zodra de bij beide Kamers voorgehangen AMvB van kracht wordt.3 Tot die tijd geldt de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waaraan bij maatwerkvoorschrift verder invulling kan worden gegeven.
In de vergunning – als straks de vergunningplicht van kracht is geworden – zal ook moeten worden aangegeven welke vangmethode gebruikt kan worden. Tot de invoering van de vergunningplicht kunnen in een maatwerkvoorschrift op dit punt beperkingen worden gesteld.
Een verdovingsgeweer is de gebruikelijke vangmethode. Deze methode is echter alleen bruikbaar wanneer de wolf zich op een afstand bevindt die korter is dan circa 30 meter. Aangezien de natuurlijke verstoringsafstand van een wolf zo’n 100 meter is, is veelal ook een manier nodig om dicht bij een wolf te kunnen komen. Kastvallen zijn voor wolven minder geschikt, omdat de dieren deze in de regel vermijden. Het gebruik van vallen met een niet-selectieve werking of van andere niet-selectieve middelen of vangmethode is op grond van artikel 15 van de Habitatrichtlijn in beginsel verboden. Gebruik daarvan vergt een aanvullende omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit dan wel maatwerkvoorschriften van de betreffende provincie(s) of – wanneer onderzoek wordt uitgevoerd op terreinen van het Ministerie van Defensie of op het Kroondomein, van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Daarbij moet toepassing worden gegeven aan het beoordelingskader van artikel 16 van de Habitatrichtlijn.
Daarnaast heeft de EU een verbod ingesteld op het gebruik van wildklemmen voor het vangen van wilde dieren (Verordening 3254/91/EEG). Dit verbod is neergelegd in artikel 11.72, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit geldt in principe ook voor het gebruikvan pootklemmen voor het vangen van wolven. Volgens de Europese Commissie4 kan evenwel bij uitzondering voor wetenschappelijk onderzoek of monitoring van diersoorten – waaronder zenderen kan worden begrepen – het gebruik van pootklemmen worden toegestaan, in het licht van de doelstelling van Verordening 3254/91/EEG om de instandhouding van diersoorten te verbeteren. De pootklem kan dus niet worden gebruikt om dieren te vangen met als doel om bijvoorbeeld dieren af te schrikken of bepaald gedrag te beïnvloeden.
Hoeveel ontheffingen voor zenderonderzoek zijn in Nederland de afgelopen jaren verleend en uitgevoerd, en hoe verhoudt dit zich tot de praktijk in andere lidstaten, zoals Duitsland en Finland, waar structureel zenderprogramma’s bestaan?
Wageningen University & Research (WUR) beschikt sinds 7 september 2021 over een onherroepelijke onderzoeksontheffing, verleend door de provincie Gelderland voor het vangen en zenderen van onder andere zoogdieren. Wolven vallen hier ook onder. Medio oktober heeft WUR gebruik gemaakt van deze ontheffing en voor het eerst een wolf in het Nationaal Park de Hoge Veluwe voorzien van een zender voor onderzoek. Daarnaast beschikt de Zoogdiervereniging sinds 1 juni 2023 over een vergelijkbare onherroepelijke onderzoeksontheffing, verleend door de provincie Gelderland.
De provincie Utrecht heeft onlangs via maatwerkvoorschriften toestemming gegeven voor het zenderen van wolven in hun provincie. Er is in deze provincie nog geen wolf voorzien van een zender.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb aangegeven, is het aan de provincies of RVO om structurele zenderprogramma’s door middel van vergunningen of maatwerkvoorschriften mogelijk te maken.
Hoe gaat u borgen dat de gegevens uit zenderonderzoek niet alleen voor ecologische doeleinden worden benut, maar ook actief beschikbaar komen voor provincies, gemeenten en burgemeesters die verantwoordelijk zijn voor openbare orde en veiligheid?
Gegevens uit wetenschappelijk zenderonderzoek zijn in de regel openbaar beschikbaar. Ik ga ervan uit dat hierover afspraken worden gemaakt binnen de onderzoeksplannen. Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven, kan het gebruik van pootklemmen voor het vangen van wolven voor zenderonderzoek op grond van EU regels alleen worden toegestaan als het doel is om de instandhouding te verbeteren en niet om bijvoorbeeld dieren af te schrikken of bepaald gedrag te beïnvloeden in het kader van openbare orde en veiligheid.
Is het mogelijk, en zo ja op welke termijn, om aan de hand van bestaande, lopende en nieuwe onderzoeken, te komen tot een landelijk dekkend Soorten Management Plan (SMP) voor de wolf, zodat provincies en gemeenten in de vergunningverlening ook handelingsperspectief krijgen met een (wetenschappelijke) onderbouwing?
Een Soorten Management Plan (SMP) kan worden gebruikt als basis voor een gebiedsvergunning voor vergunningplichtige handelingen ten aanzien van beschermde soorten flora en fauna (flora- en fauna-activiteiten). Provincies zijn in de regel het bevoegd gezag voor het afgeven van een dergelijke gebiedsvergunning, waarbij iedere provincie in beginsel alleen bevoegd is voor het verlenen van een gebiedsvergunning voor handelingen die plaatsvinden binnen de eigen provinciegrenzen. Het opstellen van één landelijk dekkend SMP voor de wolf zal waarschijnlijk onvoldoende gedetailleerde gebiedspecifieke informatie bieden om te kunnen gebruiken als basis voor verschillende gebiedsvergunningen in meerdere provincies. Het ligt daarom meer voor de hand om, indien SMP’s inderdaad als kansrijke oplossingsrichting worden gezien, specifiek op provincies toegesneden provinciale SMP’s te maken op grond waarvan provincies gebiedsvergunningen kunnen verlenen. De provincies zijn samen met mijn ministerie aan het verkennen welke juridisch houdbare mogelijkheden er zijn om sneller een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te kunnen verlenen voor vergunningplichtige handelingen ten aanzien van de wolf. Daarbinnen is ook de vraag meegenomen of het opstellen van een SMP (één landelijk dekkend of meerdere op provincies toegesneden SMP’s), met daaraan gekoppeld het verlenen van een gebiedsvergunning, als één van de oplossingsrichtingen verkend kan worden. Of dit ook daadwerkelijk zal leiden tot een beter handelingsperspectief voor vergunningverlening door provincies (of gemeenten) is op dit moment nog niet te zeggen.
Acht u het denkbaar dat zenderdata kunnen worden gebruikt om in Europees verband beleidsruimte te onderbouwen voor maatwerk, zoals het verjagen van wolven of andere maatregelen om de risico’s verder te beheersen, nu Wageningen University & Reseaerch (WUR) concludeert dat Nederland niet zelfstandig een gunstige staat van instandhouding van de wolf kan bereiken? In navolging op eerdere schriftelijke vragen gesteld door het lid Flach (SGP) van 23 september 2025.
Voor het onderbouwen van beleid zijn gegevens uit zenderonderzoek zeer nuttig. Ook om meer duidelijkheid te krijgen over de staat van instandhouding van wolven in Nederland. De conclusies uit het onderzoek van WUR zijn voor mij niet voldoende. Er is hier namelijk enkel door een ecologische bril naar één puzzelstukje van een voor mij veel grotere puzzel heeft gekeken. Daarom laat ik een aanvullend onderzoek uitvoeren door een andere internationale deskundige onderzoekspartij. Ik heb de betrokken onderzoekspartij gevraagd om in dit nieuwe onderzoek de specifieke situatie voor Nederland als klein en dichtbevolkt land te betrekken en dus juist ook andere relevante perspectieven zoals socio-economische overwegingen en fysieke veiligheid hier expliciet in mee te nemen.
De brandbrief van burgemeesters inzake de wolf |
|
André Flach (SGP) |
|
Rummenie , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brandbrief van Gelderse gemeenten over de toenemende aanwezigheid van wolven en de gevolgen hiervan voor mens en dier (Kamerstuk 2025D40213) (Kamerstuk 2025D40232)?
Ik snap de zorgen die lokaal leven heel goed. Een flink aantal burgemeesters die te maken hebben met wolven in hun gemeente wil kunnen handelen als de veiligheid van mensen in het geding komt, en dat begrijp ik. Ook ik wil dat we zo snel mogelijk kunnen ingrijpen om confrontaties tussen mensen, dieren en probleemwolven te voorkomen en, als ze toch ontstaan, direct en daadkrachtig op te treden.
Herkent u de grote zorgen van deze burgervaders?
Zie antwoord vraag 1.
Wat betekent de constatering dat een aantal individuele wolven in toenemende mate hun natuurlijke schuwheid verliest en zich steeds vaker in de nabijheid van mensen en bebouwing begeeft, waarbij sprake is van een groeiend aantal incidenten, voor uw beleid?
Het verliezen van schuwheid zoals door u gesignaleerd zal naar mijn verwachting leiden tot meer probleemwolven. Ik maak mij zorgen over het toenemend aantal incidenten met wolven. In een klein en dichtbevolkt land als Nederland is maar beperkt ruimte voor wolven. Juist daarom is goed beleid essentieel. We moeten er alles aan doen om incidenten zoveel mogelijk te voorkomen. En als ze zich toch voordoen, wil ik dat we snel en daadkrachtig kunnen optreden. Daarom werk ik aan nationale regelgeving waar ook lokale bestuurders, zoals burgemeesters, goed mee uit de voeten kunnen.
Ik wil dat er betere mogelijkheden komen om in te grijpen bij incidenten met wolven. In de Landelijke Aanpak Wolven (LAW, Kamerstuk 33 576, nr. 405) heb ik verschillende stappen opgenomen om dit te realiseren, zoals het in regelgeving vastleggen van een definitie van «probleemwolf» en «probleemsituatie». Die definities gaan burgemeesters en provincies helpen om sneller op te kunnen treden in geval van een probleemwolf of een probleemsituatie met een wolf. Deze wetgeving wordt op dit moment behandeld door uw Kamer en de Eerste Kamer.
Bent u van mening dat de juridische ruimte om wolven te verjagen en aversief te conditioneren, gegeven de verlaagde beschermingsstatus van de wolf, voldoende wordt benut?
De verlaging van de beschermingsstatus van de wolf van «strikt beschermd» naar «beschermd» geeft lidstaten de mogelijkheid om aanvullende maatregelen te nemen. In Nederland is dit aangegrepen om de nationale regelgeving aan te passen. De bijbehorende AMvB wordt momenteel behandeld door uw Kamer en door de Eerste Kamer. De brandbrief van de Gelderse gemeenten toont aan dat het van groot belang is dit juridisch kader zo spoedig mogelijk in werking te laten treden.
Op welke wijze worden situaties van contact tussen wolven en mensen geregistreerd?
Ik zou graag één centrale plek zien waar ook incidenten tussen wolven en honden worden geregistreerd. Daarom ben ik in gesprek met de provincies om te kijken hoe we dit kunnen verbeteren, mogelijk in het kader van het Landelijk Informatiepunt Wolven.
Bent u voornemens ervoor te zorgen dat incidenten met honden ook als zodanig worden geregistreerd?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt ervoor gezorgd dat onder meer gemeenten een beroep kunnen doen op een deskundigencrisisteam voor advies bij acute situaties?
Ik realiseer me dat de bevoegdheden van burgemeesters in de praktijk niet altijd voldoende mogelijkheden bieden om onmiddellijk op te treden bij acute incidenten met wolven. Als onderdeel van de LAW kijk ik daarom of vanuit het belang van openbare veiligheid een optimalisatie van het bestaand handelingsperspectief kan worden gecreëerd bij het optreden tegen probleemwolven.
Deelt u de analyse van de burgemeesters dat zij vrij weinig kunnen met de noodbevoegdheden vanuit de Gemeentewet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u voornemens in overleg met burgemeesters ervoor te zorgen dat zij een ruimer handelingskader krijgen om in te (laten) grijpen bij onveilige situaties?
In de overleggen tussen de betrokken ministeries en met Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters over mogelijk aanvullende noodbevoegdheden is naar voren gekomen dat de bevoegdheden van gedeputeerde staten en burgemeesters in beginsel volstaan en dat een uitbreiding van burgemeestersbevoegdheden in gevallen die niet meer acuut zijn, de wettelijke verantwoordelijkheden van gedeputeerde staten zouden doorkruisen. Daarbij was in de Tweede Kamer in maart 2025 geen draagvlak voor een onderzoek naar aanpassing van de Politiewet of de Gemeentewet.1
Dit laat onverlet dat dit onderwerp de aandacht heeft. Zo ben ik op 8 oktober jl. op bezoek geweest bij de Gelderse burgemeesters die de brandbrief hebben opgesteld. Hier heb ik hen gesproken over de lokale impact van de aanwezigheid van wolven en de zorgen omtrent de openbare veiligheid in hun gemeenten. Mocht in de toekomst blijken dat de lopende aanpassingen van de nationale regelgeving, het bestaande handelingsperspectief, de verbeterde registratie van incidenten en de verbeterde informatievoorziening alsnog onvoldoende zijn, dan ga ik graag met de Eerste en Tweede Kamer in gesprek om te zoeken naar alternatieve mogelijkheden voor burgemeesters. Waar aan de orde zal ik daarbij ook andere bewindspersonen betrekken.
Maken provincies in uw ogen voldoende gebruik van de ruimte die zij nu hebben om op grond van de verlaagde beschermingsstatus van de wolf beheermaatregelen te nemen om onveilige situaties te voorkomen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb aangegeven, wordt de nationale regelgeving aangepast om provincies meer ruimte te geven om op te treden tegen probleemwolven. De bijbehorende AMvB wordt momenteel behandeld door uw Kamer en door de Eerste Kamer. De brandbrief van de Gelderse gemeenten toont aan dat het van groot belang is dit juridisch kader zo spoedig mogelijk in werking te laten treden.
Bent u bereid te kijken naar verdere aanscherping van het aan de Kamer voorgelegde Ontwerpbesluit met betrekking tot het beheer van de wolf (Kamerstuk 33 118, nr. 295)?
Over mijn aanpassingen van het ontwerpbesluit in reactie op het advies van de Raad van State heb ik uw Kamer op 10 oktober jl. geïnformeerd (Kamerstuk 33 118, nr. 306).
Gaat u zorgen voor het aanwijzen van gebieden in Nederland die, gelet op het ecosysteem, de wildstand en de nabijheid van mensen en vee, niet geschikt zijn voor duurzame vestiging van een wolf of wolvenroedel, zodat in deze gebieden vroegtijdig kan worden ingegrepen?
Het is nog niet duidelijk welke rol populatieontwikkelingen van wolven in Nederland en onze buurlanden kan spelen bij adequater ingrijpen bij incidenten. Ook is de staat van instandhouding van wolven in Nederland nog niet bekend. Recent onderzoek van Wageningen University & Research (Kamerstuk 33 576, nr. 466) heeft aangetoond dat Nederland alleen een bijdrage kan leveren aan een duurzame wolvenpopulatie in Europees verband binnen de Centraal-Europese wolvenpopulatie. Om duidelijk beleid te kunnen maken voor onveilige situaties met wolven laat ik aanvullend onderzoek uitvoeren, waarbij wordt getoetst aan de haalbaarheid voor de specifieke Nederlandse situatie. Nederland is namelijk een van de meest dichtstbevolkte landen in de wereld. De natuur in Nederland ligt bovendien ook nog eens vaak ingeklemd tussen dorpen, steden en agrarische bedrijven. Ik maak mij ernstige zorgen over de toegenomen aanwezigheid van wolven in Nederland.
De veiligheid en het welzijn van mensen en dieren, staan wat mij betreft altijd voorop. Om onveilige situaties te voorkomen werk ik ook aan stevige nationale maatregelen, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat de populatieontwikkeling van de wolf, gelet op de groei van het aantal roedels in de afgelopen jaren, zowel in Nederland als bij de Centraal Europese wolvenpopulatie als geheel, voldoende ruimte biedt om eerder in te grijpen om onveilige situaties te voorkomen, ook al ligt de populatie nog niet op het niveau dat mogelijk nodig zou zijn voor een gunstige staat van instandhouding?1
Zie antwoord vraag 12.
Wordt in het aanvullende onderzoek naar de Nederlandse bijdrage aan een gunstige staat van instandhouding van de wolf (Kamerstuk 33 576, nr. 466) ook gekeken naar de habitatgeschiktheid in andere Europese landen waar de Centraal Europese wolvenpopulatie aanwezig is en de reële Nederlandse bijdrage vanuit het perspectief van habitatgeschiktheid?
Ik laat een aanvullend onderzoek uitvoeren door een internationale deskundige onderzoekspartij. Ik wil dat dit onderzoek zich opnieuw richt op de staat van instandhouding van wolven in Nederland en ook een eigen analyse uitvoert van de habitatgeschiktheid voor wolven in Nederland. Ik heb de betrokken onderzoekspartij gevraagd om in dit nieuwe onderzoek de specifieke situatie voor Nederland als klein en dichtbevolkt land te betrekken en dus juist ook andere relevante perspectieven zoals socio-economische overwegingen en fysieke veiligheid hier expliciet in mee te nemen.
Is in andere Europese landen al vastgesteld wat de gunstige populatieomvang zou moeten zijn?
Lidstaten rapporteren elke zes jaar de gegevens over soorten uit de Habitatrichtlijn aan de Europese Commissie (EC). Hierbij wordt ook over de wolven gerapporteerd en daarbij wordt door sommige lidstaten een Favourable reference population (FRP) genoemd. De meeste recente rapportagegegevens uit 2019 zijn te vinden op de website van de EC.3 De gegevens van de rapportage van 2025 zijn nog niet openbaar gemaakt.
Deelt u de mening dat voor een gunstige staat van instandhouding van de Centraal Europese wolvenpopulatie een relatief grotere bijdrage mag worden verwacht van meer dunbevolkte landen en een relatief kleinere bijdrage van meer dichtbevolkte landen?
Ja. Nederland kan niet zelfstandig komen tot het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van wolven. Nederland kan alleen een bijdrage leveren aan een duurzame wolvenpopulatie binnen de Centraal-Europese wolvenpopulatie.
Nederland dient net als de andere landen waarmee wij de Centraal-Europese wolvenpopulatie delen, naar redelijkheid bij te dragen aan het bereiken van een gunstige staat van instandhouding.
Nederland zet zich daarom in om samen te werken met de buurlanden toe te werken naar een gunstige Staat van Instandhouding van de Centraal-Europese wolvenpopulatie, waarbij de betrokken landen hierbij naar redelijkheid bijdragen.
De bijdragen die van landen mag worden verwacht is daarbij vooral afhankelijk van het potentieel geschikte habitat voor wolven. Ik ben daarbij van mening dat dichtbevolkte gebieden minder geschikt habitat bevatten in vergelijking tot dunner bevolkte gebieden.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg met Duitsland en andere Europese landen waar de Centraal Europese wolvenpopulatie gevestigd is over de ontwikkeling van deze populatie en het beheer ervan?
Recent hebben op verschillende niveaus gesprekken plaatsgevonden met verschillende buurlanden, waarbij het wolvendossier onderdeel was van het gesprek. Dit is onderdeel van een doorlopend proces van samenwerking, afstemming en ervaringen delen met de buurlanden.
Duitse windturbines aan de grens bij Noord-Brabant, Limburg en Gelderland |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u in beeld hoeveel Nederlandse huishoudens worden getroffen door dit probleem?1
De problematiek rondom de bouw van windturbines aan de grens met Duitsland is mij bekend. Omdat ik geen bevoegd gezag ben in dezen ken ik geen exacte cijfers over hoeveel huishoudens het betreft. De verantwoordelijkheid voor de lokale fysieke leefomgeving ligt in beginsel bij de medeoverheden, in dit geval bij de provincies Gelderland en Limburg en de daar gelegen gemeenten.
Bent u het ermee eens dat de huidige gang van zaken, waarbij Nederlandse gemeentes tevergeefs hoge juridische kosten maken, onwenselijk is, en dat ingrijpen vanuit de rijksoverheid noodzakelijk is?
Om aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van ruimtelijke plannen, zoals windturbines nabij de grens, zo goed mogelijk in beeld te brengen en buurlanden daarbij te betrekken, geldt er Europees en internationaal recht dat terug te vinden is in het Verdrag van Espoo en de EU-richtlijnen over milieueffectrapportage. Zolang dit recht gevolgd wordt, is er logischerwijs geen reden tot ingrijpen door de nationale overheid en zijn landen soeverein. Daarbij geldt dat in Nederland elke overheidslaag zijn eigen bevoegdheden heeft. Het is aan de betrokken medeoverheden, in dit geval bij provincie Gelderland en Limburg, om indien er een vermoeden is dat het Europees recht niet wordt nageleefd, hierop actie te ondernemen. Eventuele kosten die daarmee gemoeid zijn zullen dus ook onder de verantwoordelijkheid van de medeoverheden.
Hoe beoordeelt u de impact van Duitse windturbines op Nederlandse natuurgebieden, infrastructuur (zoals de laagvliegroute van Defensie), en gezondheidsinstellingen (zoals kliniek Trajectum)?
De impact van Duitse windturbines op Nederlandse natuurgebieden, infrastructuur en gezondheidsinstellingen wordt door het betreffende Duitse bevoegde gezag beoordeeld voordat een vergunning voor een windpark wordt afgegeven. Voordat een vergunning wordt afgegeven moet zijn vastgesteld of er significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn waarbij ook de effecten op Nederlandse gebieden worden beoordeeld. Bij de beoordeling kan het Duitse bevoegde gezag afstemming zoeken, maar de bevoegdheid om te beslissen over de doorgang van een project is aan het Duitse bevoegde gezag: elk lidstaat is immers bevoegd te beslissen over de activiteiten op het eigen soevereine grondgebied. Wel hebben (aangrenzende) lidstaten de mogelijkheid tot inspraak en de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen een dergelijk besluit. Naast de medeoverheden is er ook afstemming met Defensie.
Is er volgens u sprake van schending van Europese verdragen zoals het Verdrag van Espoo en het Verdrag van Aarhus? Zo ja, kunt u ons informeren over de stappen die u neemt hieromtrent?
Nee, dat kan niet in het algemeen worden gesteld. Duitsland en Nederland zijn gebonden aan de Europese richtlijnen over de projectmerplicht en de planmerplicht. Deze zijn omgezet in nationale regelgeving en bevatten de kaders voor mer-plicht bij wind op land. Het Verdrag van Espoo is alleen van toepassing als er volgens deze kaders sprake is van een plicht tot het uitvoeren van een milieueffectrapportage (mer) én er mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten zijn. Het Verdrag van Espoo biedt dan verplichtingen rondom informatie-uitwisseling en overleg met een andere lidstaat over mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten die in het milieueffectrapport worden beschreven.
Er is niet bij elke voorgenomen plaatsing van een windturbine sprake van een mer-plicht en in deze gevallen is het Verdrag van Espoo dan ook niet van toepassing. Of er sprake is van een mer-plicht kan alleen worden vastgesteld aan de hand van specifieke informatie over een plan of project.
In Nederland is sprake van een mer-plicht bij «Oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark met 20 of meer windturbines» (categorie C2 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit). In Nederland geldt daarnaast een mer-beoordelingsplicht bij een park van 3 turbines of meer (kolom 3 van categorie C2).
Ook voor de inspraakverplichtingen uit het Verdrag van Aarhus geldt dat die alleen van toepassing zijn als het gaat om besluiten over activiteiten waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt of besluiten over activiteiten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
Kunt u aangeven welke stappen u heeft gezet om het gebrek aan inspraak te verhelpen en (afstands)normen te harmoniseren?
Als er sprake is van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten is inspraak gewaarborgd via internationale verdragen, zoals het Verdrag van Espoo en het Verdrag van Aarhus, die voorschrijven dat burgers en overheden in buurlanden de mogelijkheid moeten krijgen om zienswijzen in te dienen en in beroep te kunnen gaan bij de rechter. Voor wat betreft de afstandsnormen bestaat er op Europees niveau geen verplichting tot harmonisatie van dergelijke normen, eventuele verschillen zijn het gevolg van nationale beleidskeuzes.
Welke mogelijkheden ziet u aanvullend om op nationaal niveau tot afspraken te komen met Duitse overheden om Nederlandse lokale overheden en burgers hierin te ondersteunen?
De verantwoordelijkheid voor de fysieke leefomgeving ligt in beginsel bij de medeoverheden, in dit geval bij de provincies Gelderland en Limburg. Het Rijk treedt alleen op als dat nodig is vanwege een nationaal belang of internationale verplichtingen. Zoals hierboven al aangegeven, zijn in dit geval Duitse overheden verantwoordelijk voor de beleidskeuzes over locaties van windturbines en inspraakmogelijkheden. Mijn medewerkers blijven wel ten alle tijden in gesprek met de Duitse autoriteiten, onder andere via de Nederlands-Duitse Ruimtelijke Ordening Commissie (NDCRO) en andere bilaterale kanalen. Binnen die overleggen zetten we in op vroegtijdige informatie-uitwisseling en goede afstemming van wederzijdse plannen en procedures.
Welke mogelijkheden ziet u voor de Nederlandse regering om Nederlandse lokale overheden en burgers aanvullend te ondersteunen bij bezwaarprocedures tegen grensoverschrijdende projecten in Duitsland?
De besluitvorming over windprojecten in Duitsland valt onder de verantwoordelijkheid van de Duitse autoriteiten. Dit betekent dat bezwaar- en beroepsprocedures verlopen volgens het Duitse recht. Nederlandse burgers en maatschappelijke organisaties hebben de mogelijkheid om een beroep te doen op het Verdrag van Aarhus. Zoals onder vraag 4 toegelicht, is onvoldoende duidelijk of de Verdragen van Aarhus en Espoo van toepassing zijn, omdat dit afhangt van het specifieke plan of project. Hierdoor is er op dit moment geen aanleiding om vanuit het Ministerie van IenW contact te leggen met Duitse autoriteiten. Mijn ambtenaren blijven binnen de bestaande overlegstructuren in contact met de Duitse autoriteiten en hebben daar met elkaar transparantie, zorgvuldige inspraak en tijdige betrokkenheid van Nederlandse en Duitse belanghebbenden voorop staan.