Windturbines en netaansluitingen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een windturbine zonder netaansluiting geen aanspraak kan maken op SDE++-subsidie en dat die aansluiting binnen een wettelijke realisatietermijn gerealiseerd moet zijn?
Dat klopt. Zonder netaansluiting kan een windturbine geen stroom aan het net leveren. De SDE++ keert subsidie uit per geproduceerde en aan het net geleverde kWh elektriciteit, waardoor subsidie zonder netaansluiting niet mogelijk is. De windturbine dient binnen vier jaar na de beschikkingsdatum in gebruik genomen te worden, waarbij een ontheffingstermijn van maximaal twee jaar mogelijk is.
Welke wettelijke realisatietermijn is hierbij van toepassing, en op welk concreet moment vangt deze termijn aan?
Zie antwoord vraag 1.
Is een leveringsovereenkomst bij aanvraag van de subsidie ook een voorwaarde voor verlening van de subsidie?
Een leveringsovereenkomst is geen voorwaarde voor verlening van de subsidie.
Welke invloed heeft het stilzetten van windturbines bij te veel stroomaanbod voor de hoogte van de SDE-subsidie?
Windturbines ontvangen SDE++-subsidie per geproduceerde en aan het net geleverde kWh elektriciteit. Als windturbines stil staan, produceren zij geen elektriciteit en ontvangen zij gedurende die periode dus geen SDE++-subsidie.
Is er een transportgarantie nodig bij de aanvraag van de subsidie?
Nee. Wel is er een transportindicatie van de netbeheerder nodig bij de aanvraag. Daarmee wordt aangetoond dat er transportcapaciteit beschikbaar is op het moment van de aanvraag. Dit geeft geen garantie dat de installatie kan worden aangesloten op het net.
Betekent de netcongestie situatie in de provincies Flevoland, Gelderland en Utrecht ook dat nog niet aangesloten windturbines ook geen aansluiting op het net krijgen?
TenneT maakt per gebied inzichtelijk hoeveel ruimte er is om elektriciteit terug te leveren aan het net via congestieonderzoeken voor invoeding. Daaruit blijkt dat er op dit moment wegens invoedingscongestie in Flevoland, Gelderland en Utrecht geen ruimte is voor nieuwe projecten die elektriciteit willen terugleveren.
Ontwikkelaars van windparken regelen normaal gesproken eerst een aansluit- en transportovereenkomst met de netbeheerder voordat zij het windpark gaan bouwen. Zonder zo’n overeenkomst is een project niet rendabel, omdat de opgewekte stroom dan niet kan worden geleverd en verkocht.
De afsluiting kwelders Wierum en Ternaard en beperking recreatief gebruik Waddenzee |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente berichten over het afsluiten van delen van de Waddenzee, waaronder de kwelders bij Wierum en Ternaard, en het stopzetten van excursies naar Rottum?
Klopt het dat Rijkswaterstaat inzet op het afsluiten van meerdere gebieden in de Waddenzee voor publiek gebruik in het kader van Natura 2000-doelstellingen?
Welke concrete ecologische problemen liggen volgens het kabinet ten grondslag aan deze maatregelen en welke rol speelt recreatie daarin ten opzichte van andere factoren, zoals visserij, scheepvaart, industrie en baggerwerkzaamheden?
Kunt u onderbouwen welk aandeel recreatief medegebruik heeft in de verstoring van natuurwaarden in de Waddenzee?
Waarom is in deze gevallen gekozen voor een vergaande en vaak jaarronde afsluiting, terwijl recreatie in het Waddengebied grotendeels seizoensgebonden, weersafhankelijk en tijdelijk van aard is?
In hoeverre zijn alternatieven onderzocht, zoals seizoensgebonden openstelling, zonering, vergunningen of begeleide toegang?
Hoe weegt u het feit dat lokale gebruikers, zoals wadlopers, vissers, schippers en bewoners al generaties lang verbonden zijn met het gebied en een belangrijke rol vervullen als «ogen en oren» van de natuur?
Deelt u de zorg dat het uitsluiten van deze groepen kan leiden tot verlies van lokale kennis, minder toezicht in het gebied en afname van betrokkenheid bij natuurbeheer?
Kunt u toelichten hoe de belangen van natuur, leefbaarheid en cultureel gebruik van het gebied tegen elkaar zijn afgewogen bij deze besluiten?
Waarom richt het beleid zich volgens signalen uit de regio relatief sterk op het beperken van recreatie, terwijl grotere drukfactoren mogelijk onderbelicht blijven?
Bent u het ermee eens dat natuur en mens in veel gevallen samen kunnen gaan en dat volledige uitsluiting van mensen niet altijd de meest effectieve maatregel is?
Hoe voorkomt u dat maatregelen vooral bijdragen aan het behalen van papieren natuurdoelen, zonder aantoonbaar effect op daadwerkelijke natuurverbetering?
Bent u bereid om samen met regionale partijen, gebruikers en bewoners te werken aan gebiedsgerichte oplossingen met draagvlak, in plaats van generieke afsluitingen?
Kunt u toezeggen dat toekomstige maatregelen in de Waddenzee expliciet worden getoetst op effectiviteit, proportionaliteit en draagvlak?
Waarom is specifiek gekozen voor locaties zoals ’t Skoar bij Ternaard en de nieuwe kwelder bij Wierum en bijvoorbeeld niet voor kwelders in de Peazumerlannen?
Waarom worden dergelijke besluiten volgens signalen uit de regio in sterke mate top-down genomen, zonder voldoende overleg met de lokale gemeenschap, lokale politiek en omwonenden?
Heeft het afsluiten van buitendijkse gebieden gevolgen voor lopende dijkversterkingsprojecten?
Waarom wordt de lokale gemeente volgens signalen op geen enkele manier betrokken bij dergelijke besluiten, terwijl zij over belangrijke gebiedskennis beschikt en de gevolgen ook haar plannen rond toerisme raken?
Bent u zich ervan bewust dat dergelijke besluiten plaatsvinden in regio’s aan de randen van Nederland, waar voorzieningen onder druk staan en waar deze gebieden juist bijdragen aan de leefkwaliteit en het gevoel van verbondenheid van bewoners?
Deelt u de zorg dat het op deze wijze afsluiten van gebieden negatieve gevolgen kan hebben voor het vertrouwen van inwoners in de overheid?
Klopt het dat u de Joint Letter1 mede heeft ondertekend namens Nederland en u zich daarmee achter deze voorgestelde versoepelingen schaart? Zo ja, wat waren voor u de doorslaggevende overwegingen om deze lijn te steunen?
Ja, het klopt dat Nederland de Joint Letter (hierna «gezamenlijke brief») heeft ondertekend. Deze brief is als bijlage bij de beantwoording van deze Kamervragen meegestuurd. In de Clean Industrial Deal van februari 2025 kondigde de Europese Commissie al een studie naar de doeltreffendheid van het Europese beleidskader2 aan. Sindsdien geven meerdere projectontwikkelaars aan te wachten met investeren tot er meer uitsluitsel is over mogelijke wijzigingen.
De voorgestelde aanpassingen zijn noodzakelijk omdat de ontwikkeling van elektrolysecapaciteit in Nederland, die nodig is voor de verduurzaming van de industrie- en transportsector, anders dreigt stil te vallen. Nederland ziet de gezamenlijke brief als een strategisch passende manier om gewenste aanpassingen kansrijker te maken en bedrijven sneller uit de onzekerheid over Europese beleidswijzigingen te halen.
Kunt u concreet aangeven welke onderdelen van de RFNBO-criteria Nederland wenst te versoepelen en waarom? Hoe verhoudt dit zich tot het verlengen van de overgangsperiode voor additionaliteit, het langer toestaan van maandelijkse in plaats van uur-tot-uur temporele correlatie en het aanpassen of verruimen van de sunset clause voor elektriciteitssystemen met een hoog aandeel hernieuwbare energie?
Vooropgesteld, het kabinet is voorstander van de zogenaamde RFNBO-criteria («Renewable Fuels of Non-Biological Origin») die moeten borgen dat waterstofproductie hernieuwbaar is, zoals de additionaliteitsregel en de regel dat hernieuwbare elektriciteit en de waterstof die daarmee geproduceerd wordt gelijktijdig opgewekt wordt (uur-tot-uur temporele correlatie).
Het geeft waterstofproducenten immers een prikkel om CO2-uitstoot te reduceren en de onregelmatige, weersafhankelijke opbrengst uit zon en wind te faciliteren.
Het kabinet kiest niet zozeer voor een versoepeling maar voor een latere inwerkingtreding van die criteria zodat de eisen beter aansluiten bij de verwachte marktontwikkeling voor hernieuwbare waterstof.
Voor Nederland zijn het verlengen van de overgangsperiode van additionaliteit en het langer toestaan van maandelijkse temporele correlatie de twee belangrijkste aandachtspunten. Momenteel is er ca. 400 MW aan elektrolysecapaciteit in aanbouw. Zonder bovengenoemde aanpassingen zal de beoogde 1,2 GW aan elektrolysecapaciteit in 2030 niet gerealiseerd kunnen worden.
Ten eerste is de regel dat elektrolyseprojecten die per 2028 en daarna gereed zijn geen gebruik meer mogen maken van gesubsidieerde hernieuwbare elektriciteit om waterstof te produceren (de zogenaamde additionaliteitsregel) een knelpunt. Veel elektrolyseprojecten zijn door – veelal onvoorziene – vertragingen in de ontwikkeling van infrastructuur en de vraag naar hernieuwbare waterstof pas na 2028 operationeel. Bovendien hebben (nieuwe) windparken, waarvan de elektriciteit nodig is voor de productie van hernieuwbare waterstof, weer subsidie nodig. Hierdoor is er nauwelijks geschikte elektriciteit over om hernieuwbare waterstof van te maken.
Ten tweede komt de ontwikkeling van transport- en opslaginfrastructuur voor waterstof langzamer dan verwacht op gang. Voornamelijk opslaginfrastructuur is van belang om (weersafhankelijke) productie en gebruik van hernieuwbare waterstof beter op elkaar aan te laten sluiten, zodat op die manier beter kan worden voldaan aan de productie eis die stelt dat hernieuwbare elektriciteit binnen hetzelfde uur geproduceerd moet worden als de waterstof die ermee gemaakt wordt. Opslaginfrastructuur zorgt er immers voor dat waterstof niet meteen gebruikt hoeft te worden op het moment dat deze door gunstige weersomstandigheden geproduceerd kan worden.
Ten derde wordt door projectontwikkelaars aangegeven dat er bij grootschalige inzet van elektrolysers nog ervaring opgedaan moet worden met een veilige en verantwoorde afstemming van de draaiuren van elektrolysers op het onregelmatige aanbod van hernieuwbare elektriciteit. Voor deze leercurve is ook meer tijd nodig.
De uurlijkse correlatie-eis kan pas functioneren als (opslag)infrastructuur gerealiseerd is en er voldoende ervaring is opgedaan met een flexibele inzet van elektrolysers.
De latere inwerkingtreding van beide criteria is noodzakelijk voor het creëren van de schaal aan elektrolysecapaciteit die nodig is voor de verduurzaming van de industrie en de transportsector.
Zie specifiek de beantwoording van vraag 4 voor de verhouding van de specifieke inzet van Nederland zoals hierboven beschreven met betrekking tot de «sunset clause»3.
Hoe kijkt u naar de herziening van de RFNBO-regels nog voordat de evaluatie heeft plaatsgevonden, specifiek voor de investeringszekerheid voor bedrijven die al hebben geïnvesteerd in groene waterstof?
Het kabinet onderschrijft het belang van investeringszekerheid voor bedrijven die vroeg hebben geïnvesteerd in hernieuwbare waterstof. Toen de huidige RFNBO-regels werden vastgesteld was het vooruitzicht nog dat wind-op-zee parken subsidievrij ontwikkeld konden worden, dat de benodigde infrastructuur tijdig gereed zou zijn en dat er voldoende ervaring met grootschalige inzet van elektrolysers zou zijn opgedaan. Bij de aangekondigde gerichte herziening van de productieregels voor hernieuwbare waterstof (de «RFNBO-regels») in de Accelerate EU Energy Union communicatie, heeft de Europese Commissie expliciet aangegeven dat bestaande investeringen in hernieuwbare waterstof beschermd zullen worden. Het kabinet verwelkomt dit standpunt en vindt daarnaast dat bestaande projecten ook gebruik moeten kunnen maken van de aangepaste regels als zij dat willen.
Op welke wijze borgt u dat aanpassingen aan onder meer de «sunset clause» en temporele correlatie niet leiden tot hogere emissies in RFNBO-waterstofproductie en dus een beperktere bijdrage aan de Nederlandse klimaatdoelen?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moeten de voorgestelde aanpassingen per saldo een positieve bijdrage leveren aan de klimaatdoelen.
Ze moeten er namelijk toe leiden dat de benodigde schaal aan elektrolysecapaciteit die nodig is voor de verduurzaming van de industrie en mobiliteit tot ontwikkeling komt. Hogere emissies in de elektriciteitssector vallen op korte termijn niet bij voorbaat uit te sluiten. Maar in Europese wet- en regelgeving zijn diverse eisen en (bindende) doelen vastgelegd die ervoor moeten zorgen dat aanpassingen in de sunset-clause en temporele correlatie niet leiden tot hogere emissies bij hernieuwbare waterstofproductie en tot een verzwakking van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen.
Ten eerste blijven de Europese doelen voor hernieuwbare energie voor 2030 die in de Hernieuwbare Energierichtlijn (REDIII) zijn vastgelegd onveranderd.
Ten tweede zou de eventuele toename van emissies in de Nederlandse elektriciteitssector op Europees niveau gecompenseerd moeten worden omdat onder het ETS de totale hoeveelheid CO2-uitstootrechten in de Europese Unie vaststaan. Voor de extra draaiuren die gascentrales eventueel gaan maken om extra elektriciteit te produceren moeten zij immers extra rechten kopen die andere CO22-uitstoters in de EU dan niet meer kunnen gebruiken. Daarom is Nederland ook voorstander van een sterk en ambitieus ETS omdat dit tot een EU-brede verduurzamingsprikkel leidt en langdurige beleidszekerheid geeft aan de betreffende sectoren.
Ten derde blijft, wat betreft de lidstaten die de gezamenlijke brief hebben ondertekend, de eis bestaan dat hernieuwbare waterstof 70% CO2 moet reduceren ten opzichte van het fossiele alternatief (bijvoorbeeld grijze waterstof). Aangezien waterstofprojecten door een onafhankelijke partij gecertificeerd moeten worden om in aanmerking te komen voor subsidies, wordt zo geborgd dat alleen waterstof die met voldoende hernieuwbare elektriciteit geproduceerd wordt gesteund wordt. Ook voor «clean countries/regions» gelden bovenstaande vereisten en doelen, die de duurzaamheid van de waterstof moeten borgen.
Ten slotte kan tijdige ontwikkeling van voldoende elektrolysecapaciteit langs de kust juist helpen om een gestaag uitroltempo van hernieuwbare elektriciteit te borgen zolang transportschaarste op het elektriciteitsnet een direct gebruik van hernieuwbare elektriciteit bemoeilijkt.
Op welke wijze borgt u dat aanpassing van de «sunset clause» niet leidt tot de verzwakking van de stimulans om hernieuwbare energie uit te bouwen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten wat Nederland precies verstaat onder «clean countries/regions», welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd, en hoe wordt geborgd dat EU-landen met een beperkt aandeel hernieuwbare elektriciteitsproductie niet onterecht profiteren van dit label?
Zie antwoord vraag 4.
Onderschrijft u dat maandelijkse temporele correlatie kan leiden tot substantieel hogere broeikasgasemissies dan uur-correlatie, terwijl de geproduceerde waterstof toch als hernieuwbaar wordt aangemerkt – en dat dit kan leiden tot emissies vergelijkbaar met koolstof-arme waterstof?
Ten aanzien van de specifieke waterstofproductie kan maandelijkse temporele correlatie leiden tot hogere broeikasgasemissies in het Nederlandse elektriciteitssysteem dan bij uurlijkse temporele correlatie.
Maar zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 4, 5 en 6 moeten eventuele hogere emissies op systeemniveau en in Europees verband gecompenseerd worden onder het ETS waar een CO2-emissieplafond geldt. Overigens geldt voor hernieuwbare en koolstofarme waterstof dezelfde CO2-reductie-eis van minimaal 70% ten opzichte van het fossiele alternatief voor die hernieuwbare waterstof (bijvoorbeeld grijze waterstof). Kortom, beide vormen van waterstof moeten in gelijke mate bijdragen aan CO2-reductie.
Kunt u inzicht geven in het kostenverschil tussen waterstofproductie onder uur- en onder maandelijkse temporele correlatie, waardoor dit kostenverschil ontstaat (bijvoorbeeld benuttingsgraad, elektriciteitsprijzen, opslag of netkosten), en in hoeverre dit verschil specifiek voor Nederland groter of kleiner is dan voor andere Europese lidstaten?
Er is geen consensus over het specifieke kostenverschil, alhoewel het rapport van de Europese Rekenkamer over het industriebeleid van de EU inzake hernieuwbare waterstof4 aangeeft dat toepassing van uurlijkse temporele correlatie de productiekosten verhoogt, waardoor het slechter concurreert met uit fossiele brandstoffen geproduceerde waterstof.
In algemene zin kunnen de volgende elementen tot hogere kosten leiden bij toepassing van uurlijkse temporele correlatie:
Voor waterstofprojecten waarbij de elektrolyser direct gekoppeld is aan een hernieuwbare elektriciteitsbron zal het gemakkelijker zijn om aan de uurlijkse correlatie te voldoen. Dit is over het algemeen het geval op plaatsen, veelal buiten de EU, waar zon, wind en ruimte voldoende beschikbaar zijn.
Het uitgangspunt bij het Europees waterstofbeleid is dat de productie zo veel mogelijk moet plaatsvinden op plaatsen waar deze het goedkoopst is en deze via de aanleg van transportinfrastructuur beschikbaar wordt gesteld op plaatsen elders waar de vraag naar hernieuwbare waterstof zich voordoet en de productieomstandigheden minder gunstig zijn.
Daarom is naast opschaling van nationale productie van hernieuwbare waterstof de inzet op import(infrastructuur) een belangrijk onderdeel van het Nederlandse waterstofbeleid.
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor alternatieven die de economische haalbaarheid van RFNBO-projecten verbeteren – bijvoorbeeld contracts for difference of vraagbeleid – zonder afbreuk te doen aan kernprincipes als additionaliteit, uurcorrelatie en de gestelde sunset clause?
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven, is Nederland voorstander van criteria die de duurzaamheid van de geproduceerde waterstof borgen. Maar het is prioriteit om de toepassing van die criteria aan te passen aan de huidige realiteit waarin hernieuwbare elektriciteit opnieuw gesubsidieerd moet worden, de ontwikkeling van transport- en opslaginfrastructuur vertraagd is en er meer ervaring opgedaan moet worden met de inzet van elektrolysers.
Naast deze aanpassing zet het kabinet zich op andere manieren actief in voor het verbeteren van de economische haalbaarheid van RFNBO-projecten. Zo zet Nederland zich in voor het creëren van vraagzekerheid, enerzijds via langjarige normering van waterstofgebruik op product- of sectoraal niveau en anderzijds via subsidies. Beide beleidsopties worden bij voorkeur op Europees niveau uitgewerkt.
De kernboodschap van het rapport van de Europese Rekenkamer is dat de streefcijfers die de Europese Commissie voor de Europese productie en import van hernieuwbare waterstof heeft gesteld onrealistisch zijn en dat een reality check noodzakelijk is. Het kabinet onderschrijft die boodschap. In de Klimaat en Energienota 2025 is besloten om de verwachtingen en het richtdoel voor elektrolysecapaciteit in 2030 en 2035 bij te stellen.
In de update van het Nationaal Plan Energiesysteem, die met Prinsjesdag gepubliceerd wordt, gaat het kabinet dieper in op de verwachte ontwikkeling van de waterstofmarkt.
Hoe kijkt u naar rapporten, zoals die van de Europese Rekenkamer, die tal van andere oorzaken benoemen voor een trage uitrol van groene waterstof, en waarom komt u niet met een bredere aanpak om dit op te lossen?
Zie antwoord vraag 9.
De illegale kleding inzamelaars |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Inspectie opent jacht op illegale kledinginzamelaars: celstraf tot 4 jaar mogelijk»?1
Ja.
Hoe groot schat u de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland op dit moment en kunt u schetsen hoe dit er praktisch uit ziet?
Er zijn bij het ministerie geen cijfers of schattingen bekend over de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland. Op basis van de Massabalans textiel 2022 is bekend dat het overgrote deel van het textiel wordt ingezameld via de gemeentelijke containers en kringloopbedrijven. Een veel kleiner gedeelte textiel wordt ingeleverd via andere inzamelingskanalen. Er is sprake van illegale inzameling wanneer kledingbakken zonder vergunning of zonder contract met de gemeente in de openbare ruimte worden geplaatst. Textielstromen die via illegale textielinzameling worden ingeleverd, worden niet geregistreerd en vallen daarmee mogelijk deels of volledig buiten de huidige monitoringscijfers. Een schatting over de omvang van illegale kledinginzameling in Nederland valt op dit moment niet te maken. Daarvoor zou meer informatie bekend moeten zijn van gemeenten.
Welke vormen van fraude, misleiding of andere strafbare feiten komen bij illegale kledinginzameling het meest voor?
Het Rijk heeft geen inzicht in de strafbare feiten die bij illegale kledinginzameling het meest voorkomen omdat het primair een taak is van gemeenten om op te treden tegen illegale textielcontainers.
Wel houdt de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) toezicht op de EVOA. De Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) heeft tot doel om de illegale transporten van afval van, door en naar Nederland te voorkomen. Textiel dat wordt afgedankt door eindgebruikers is afval, en de overbrenging van afgedankt textiel moet voldoen aan de EVOA. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat een vergunning verplicht is. Een dergelijke vergunning wordt door betrokken illegale partijen waarschijnlijk niet altijd aangevraagd. Als ongesorteerd ingezameld textiel zonder de vereiste vergunning de grens wordt overgebracht, is er sprake van een economisch delict. Over het aantal delicten hebben we op dit moment geen cijfers.
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar bestuursrechtelijk of strafrechtelijk opgetreden tegen illegale kledinginzamelaars, en hoeveel zaken hebben geleid tot boetes, dwangsommen, veroordelingen of gevangenisstraffen?
Het is niet bekend bij het ministerie of en hoe vaak er de afgelopen vijf jaar bestuursrechtelijk of strafrechtelijk is opgetreden. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om op te treden tegen illegale textielcontainers.
In hoeverre worden gemeenten momenteel voldoende ondersteund bij het herkennen en tegengaan van malafide kledinginzamelingspraktijken?
Gemeenten worden vanuit het Rijk in het algemeen ondersteund bij het maken van doelmatig afvalbeheerbeleid via het uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof – Huishoudelijk Afval (VANG-HHA). Binnen dit uitvoeringsprogramma werkt het Rijk samen met gemeenten en inzamelaars om gemeenten onder andere te voorzien van advies op maat, kennisproducten en netwerken. In het werkplan voor het jaar 2026 is ook aandacht voor het onderwerp illegale textielinzameling.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de gescheiden inzameling van huishoudelijke afvalstoffen, waaronder textiel. Organisaties die textiel inzamelen in de publieke ruimte hebben hiervoor toestemming nodig van de gemeente. Het is aan de desbetreffende gemeente om op te treden tegen organisaties die inzamelen zonder toestemming. Om de problematiek van illegale textielcontainers aan te pakken, heeft de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor afval- en Reinigingsdiensten (de NVRD) een stappenplan voor de handhaving ontwikkeld. Het doel is om gemeenten te helpen om de illegale textielinzameling beter te reguleren en deze waardevolle textielstroom te beschermen.
Klopt het dat illegale inzamelaars niet alleen consumenten misleiden, maar ook bonafide goede doelen, kringlooporganisaties en gecertificeerde textielinzamelaars financieel benadelen? Zo ja, kunt u dit nader toelichten?
Het is de verwachting dat kringlopen en gecertificeerde textielinzamelaars mogelijk financieel nadeel ondervinden wanneer illegale textielinzamelaars textiel inzamelen dat anders bij hen terecht zou zijn gekomen. Zeker wanneer het goede kwaliteit textiel betreft dat nog geschikt is voor hergebruik. Aan deze stroom kan namelijk nog geld verdiend worden.
Welke gevolgen heeft illegale kledinginzameling voor de circulaire economie, textielrecycling en het behalen van nationale duurzaamheidsdoelen?
De verwachting is dat illegale inzameling nadelige gevolgen kan hebben voor het behalen van de doelen ten aanzien van inzameling, hergebruik en recycling. Op basis van informatie van de NVRD blijkt dat er vermoedens zijn dat illegaal ingezamelde kleding niet goed wordt hergebruikt of gerecycled, of gedumpt wordt. Omdat dit zich in het illegale circuit afspeelt, is het lastig te achterhalen wat er exact met deze stromen gebeurt en wat de effecten hiervan zijn.
Welke mogelijkheden ziet u om de vergunningverlening, registratieplicht of certificering van kledinginzamelaars landelijk te versterken, zodat malafide partijen minder ruimte krijgen?
Het is de vraag of het aanscherpen van vergunningverlening, registratieplicht of certificering zou helpen om de illegale inzamelaars aan te pakken. Illegale inzamelaars opereren op dit moment al buiten de wettelijke kaders en zullen dat blijven doen wanneer er aanscherpingen volgen. Het aanscherpen van de bestaande kaders zal dan vooral tot extra regeldruk leiden voor partijen die zich wel aan de bestaande regels houden. Het versterken van de bestaande wettelijke kaders lijkt daarom geen passende oplossing.
In eerste instantie ligt het initiatief bij gemeenten om illegale containers aan te pakken. Het Rijk blijft hierover in gesprek met gemeenten via het VANG-programma. Eventuele signalen van gemeenten over de noodzaak voor een nationale aanpak, komen via die weg bij het ministerie terecht. De eerste stap voor gemeenten is nu om de problematiek beter in beeld te krijgen.
Bent u bereid te onderzoeken of consumenten beter geïnformeerd kunnen worden over hoe zij betrouwbare kledinginzamelaars kunnen herkennen, bijvoorbeeld, heel simpel, via een kernmerk op containers?
Hier loopt al een onderzoek naar. Met een regionale pilot naar illegale textielinzameling, waar de ILT onderdeel van is, wordt onder andere verkend hoe consumenten geïnformeerd kunnen worden over hoe ze betrouwbare textielbakken kunnen herkennen. Daarnaast zijn producenten sinds de invoering van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor textiel verantwoordelijk voor de organisatie en financiering van een passend inzamelingsysteem. Onder deze verantwoordelijkheid valt ook het informeren van burgers over waar en hoe textiel ingeleverd kan worden.
Welke aanvullende maatregelen overweegt het kabinet om illegale kledinginzameling structureel terug te dringen, en wanneer kunt u de kamer hierover informeren?
Het kabinet overweegt geen aanvullende maatregelen anders dan de eerder genoemde lopende activiteiten, waaronder de regionale pilot naar illegale textielinzameling, ondersteuning via het VANG-HHA programma en handhaving door de ILT van de EVOA.
De conferentie in Santa Marta en het Fossil Fuel Treaty Initiative |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u schetsen hoe de inbreng voor de routekaart eruit zal zien, aangezien u in de brief aan de Kamer (Kamerstuk 31 793, nr. 299) stelt dat Colombia en Nederland een constructieve impuls willen geven aan de ontwikkeling van een routekaart voor de transitie weg van fossiele brandstoffen, zoals aangekondigd door het Braziliaanse voorzitterschap van COP30?
De Nederlandse inbreng voor de Routekaart van het Braziliaanse COP30 voorzitterschap is onderdeel van de EU-inbreng.1 Daarnaast was het COP30-voorzitterschap aanwezig bij de conferentie in Colombia, om enerzijds de Braziliaanse plannen voor de Routekaart toe te lichten, en anderzijds uit de discussies mee te nemen wat voor het verdere proces van de Routekaart nuttig kan zijn. Colombia en Nederland zijn gevraagd om het eindrapport met de samenvatting van alle discussies formeel aan hen te overhandigen. Dit zal plaatsvinden tijdens de London Climate Action Week eind juni. Verder zullen Nederland en Colombia de resultaten van de conferentie ook overhandigen aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Verwacht u concrete tijdslijnen voor uitfasering van de verschillende fossiele brandstoffen in te brengen, waar de koploperlanden zich aan moeten committeren?
Nee. Zoals met uw Kamer gewisseld in aanloop naar de conferentie, is er in Santa Marta niet onderhandeld over nieuwe afspraken, maar is de focus bewust gelegd op uitvoering van bestaande afspraken.
Wat bedoelt u met bredere terugkoppeling van de conferentie aan het COP-voorzitterschap? Welke andere terugkoppelingen gaat u doen naast de inbreng voor de roadmap, en met welke intentie?
Er namen 57 landen deel aan de conferentie. Deze groep vertegenwoordigt een derde van het mondiale fossiele energieverbruik en een vijfde van de mondiale productie van fossiele brandstoffen. Nederland en Colombia zullen nu de uitkomsten van de conferentie met zoveel mogelijk landen en betrokkenen delen. De inzet is daarbij om te laten zien wat landen op nationaal niveau en gezamenlijk al kunnen doen om de transitie weg van fossiele brandstoffen te realiseren en te versnellen. In dit kader zullen de uitkomsten onder meer worden aangeboden aan het COP30-voorzitterschap en aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, António Guterres. Vanzelfsprekend ben ik ook in gesprek met het COP31-voorzitterschap om te bespreken hoe we de uitkomsten van de conferentie tijdens COP31 het best onder de aandacht kunnen brengen. Hierover heb ik tijdens de Copenhagen Climate Ministerial constructieve gesprekken gevoerd met de verantwoordelijk Ministers van beide inkomende voorzitters, Turkije en Australië.
Worden de uitkomsten van de Santa Marta conferentie door Nederland meegenomen in het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) dat uiterlijk rond Prinsjesdag 2026 naar de Kamer komt?
Ja, de uitkomsten van de Santa Marta conferentie worden in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) meegenomen.
Erkent u dat voor een geloofwaardige inzet op de conferentie in Santa Marta, een stevige nationale inzet vereist is, aangezien in de brief wordt verwezen naar het Uitfaseerplan fossiele brandstofsubsidies; in dit uitfaseerplan staat: «Vanwege de demissionaire status van dit kabinet is een verdere afbouw van fossiele brandstofsubsidies dan reeds aangekondigd aan een volgend kabinet.»?
De conferentie kende geen inhoudelijke onderhandelingen omtrent nationale inzet. Bovendien had Nederland als covoorzitter de verantwoordelijkheid voor het geheel van de conferentie, niet alleen de eigen inbreng. Maar uiteraard is ook gedurende de conferentie de Nederlandse inzet op de uitfasering van fossiele brandstofsubsidies stevig neergezet. Daarbij heeft Nederland aangegeven hoe het kabinet jaarlijks via de Miljoenennota transparantie over eigen fossiele subsidies geeft. Ook is gerefereerd naar de keuze voor structurele maatregelen in tijden van energiecrisis om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verder af te bouwen. Ten slotte onderstreept het Nederlands voorzitterschap van de Coalition on Phasing Out Fossil Fuel Incentives Including Subsidies (COFFIS) de Nederlandse internationale inzet op uitfasering van en transparantie over fossiele brandstofsubsidies. Het kabinet heeft zich op de conferentie in Santa Marta wederom hard gemaakt voor deelname aan deze coalitie en het committeren aan de doelen die COFFIS nastreeft.
Wanneer komt u met plannen voor verdere afbouw van fossiele subsidies in Nederland?
Nederland werkt aan een routekaart voor de verantwoorde afbouw van fossiel, in de vorm van de Actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem. Deze Actualisatie wordt dit jaar nog gepubliceerd met een onderdeel over de verantwoorde afbouw van fossiel. De afbouw van fossiele brandstoffen moet hand in hand gaan met de afbouw van fossiele brandstofsubsidies. Het kabinet zet voornamelijk in op uitfasering van deze subsidies in EU-verband. Het belangrijkste onderdeel hiervan is de inzet op een sterk EU-ETS. De herziening van het EU-ETS die dit jaar loopt is hierbij cruciaal.2
Nederland pleit onder andere voor uitbreiding van het EU-ETS naar andere sectoren, waaronder afvalverbrandingsinstallaties en kleine zeeschepen. Ook blijft het kabinet zich inzetten voor verbeterde transparantie over fossiele subsidies op EU-niveau, onder meer door hier nadrukkelijk aandacht voor te vragen bij de herziening van de Europese governance-verordening.3 Nederland heeft daartoe een consultatiereactie ingediend met aanbevelingen om de methode voor de monitoring en rapportage van fossiele regelingen te verbeteren.4 Hierbij is het voor Nederland belangrijk dat het totaal van heffingen en subsidies in kaart wordt gebracht, net zoals Nederland in de Miljoenennota doet; daarnaast wordt – in aansluiting op de Nederlandse inzet en die van de EU-werkgroep onder COFFIS – gepleit voor een Europese aanpak omtrent uitfasering. Juist tijdens de energiecrisis is een gecoördineerde aanpak nog belangrijker vanwege het zoveel mogelijk behouden en creëren van een gelijk speelveld. Voor Nederland is het daarbij belangrijk dat maatregelen die kunnen leiden tot fossiele brandstofsubsidies van tijdelijke aard zijn en de transitie naar een klimaatneutrale economie niet ondermijnen.
Wat is uw inzet op het agendapunt ISDS tijdens de conferentie in Santa Marta, gezien de internationaal steeds sterker wordende roep om het huidige ISDS-systeem te hervormen?
Het investeerder-staatgeschillenbeslechtingsmechanisme (Investor-State Dispute Settlement, ISDS)5 was één van de onderwerpen die landen gedurende de conferentie ter tafel brachten. Nederland is al langere tijd voorstander is van een hervorming van het ISDS-mechanisme en zet in op een modernisering van het systeem op zowel nationaal-, Europees- als multilateraal niveau. Zo vormt de Nederlandse Modeltekst Investeringsbeschermingsovereenkomsten6, die een gemoderniseerde vorm van ISDS bevat, de onderhandelingsinzet van Nederland bij bilaterale onderhandelingen hierover. In deze Modeltekst zijn bijvoorbeeld verschillende bepalingen over duurzame ontwikkeling opgenomen, waaronder een bepaling die voorziet in een herbevestiging van de plichten voorvloeiend uit multilaterale overeenkomsten op het gebied van milieubescherming, zoals de Overeenkomst van Parijs.
Bent u bereid om, samen met Colombia en andere gelijkgezinde staten, te verkennen of een internationale coalitie kan worden gevormd gericht op de gezamenlijke afbouw van ISDS?
Nederland is voorstander van de hervorming van het ISDS-systeem, in plaats van afbouw. Dat doen we, naast modernisering op nationaal niveau, ook in internationaal verband, zowel op Europees als op multilateraal niveau (VN en OESO), in nauwe samenwerking met gelijkgestemde landen.
Kunt u daarnaast toezeggen om op korte termijn – mede vanwege de energiecrisis – de prikkels in kaart te brengen die op dit moment het gebruik van fossiele brandstoffen stimuleren; en daarbij naast prijsprikkels (fossiele subsidies en productkortingen) ook reclame, sponsoring en influencers mee te nemen?
Dit doet het kabinet reeds jaarlijks in de Miljoenennota; ook zijn ze weergegeven in het Uitfaseerplan fossiele brandstofsubsidies. Ten aanzien van reclame en sponsoring verwijs ik naar een eerdere beantwoording van Kamervragen door mijn voorganger van 24 april 2025.7 In algemene zin geldt dat reclame, waaronder sponsoring en influencers, onder toezicht staat van de Reclame Code Commissie en/of het Commissariaat voor de Media. Er bestaat momenteel geen eensluidende, breed gedeelde en ook juridisch geaccepteerde definitie van fossiele reclame. Dit geldt eveneens voor overige prikkels in de vraag. Een separate inventarisatie is tot slot inhoudelijk complex door de kort-cyclische aard van reclameboodschappen.
Wat is uw standpunt ten aanzien van verantwoord desinvesteren uit fossiele brandstofactiva?
De huidige geopolitieke ontwikkelingen maken duidelijk dat disrupties van internationale waardeketens voor fossiele brandstoffen en olieproducten nog altijd veel invloed hebben op energie- en mobiliteitsprijzen, die doorwerken in onze economie. Daarom zet dit kabinet zich in voor een divers aanbod van energie en grondstoffen en een afbouw van de vraag naar fossiele brandstoffen, door over te stappen op schone energie. Alleen als de vraag substantieel daalt, zal de prikkel tot productie van fossiele brandstoffen en bijbehorende investeringen afnemen. In lijn met de daarover gesloten sectorakkoorden zal het kabinet op gecontroleerde wijze en in lijn met het afnemen van de vraag afbouwen, zonder echter in de tussentijd de importafhankelijkheid te laten oplopen.
Bent u bekend met het Fossil Fuel Treaty Initiative1?
Ik ben hier mee bekend.
Deelt u de opvatting dat het niet ondertekenen van de Treaty de geloofwaardigheid van Nederland als organisator van de conferentie ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Nee, die opvatting deel ik niet. Voor de conferentie zijn landen uitgenodigd die actief werken aan hun transitie weg van fossiele brandstoffen. Dat waren landen die de Treaty steunen, maar ook landen die lid zijn van andere internationale coalities en initiatieven, zoals de Beyond Oil and Gas Alliance (BOGA), het Clean Energy Transition Partnership (CETP) en onze eigen coalitie gericht op het uitfaseren van fossiele subsidies, COFFIS. Verschillende landen zijn lid van een of meerdere coalities, maar niet van allemaal en dat is voor de geloofwaardigheid van de conferentie ook niet nodig gebleken. De deelnemende landen zijn uitgenodigd op basis van onder meer hun bereidheid om op constructieve wijze te praten over de transitie weg van fossiele brandstoffen.
Bent u bereid dit initiatief te ondertekenen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kunt u tot ondertekening overgaan?
Nederland deelt hetzelfde doel als dit initiatief – een wereld zonder fossiele brandstoffen – maar ziet een verschillend pad daar naartoe. De bestaande afspraken in het VN-klimaatverdrag en de Overeenkomst van Parijs bieden samen met verschillende (multilaterale) fora en overlegorganen voor Nederland op dit moment voldoende houvast om toe te werken naar een klimaatneutrale toekomst waarin we de langetermijn opwarming van de aarde beperken tot 1.5°C – inclusief het uitfaseren van fossiele brandstoffen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de conferentie in Santa Marta op 24 april?
Vanwege de voorbereidingen van de conferentie is het niet mogelijk gebleken de vragen voor 24 april te beantwoorden.
Groen gas |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom is besloten om de GvO correctie voor de subsidieregeling voor groen gas toe te passen met terugwerkende kracht over 2025, terwijl deze korting in de voorlopige correctiebedragen en voorschotberekeningen voor 2025 niet was aangekondigd?
Het is binnen de systematiek van de SDE-regelgeving bekend dat (jaarlijkse) voorlopige correctiebedragen bedoeld zijn voor de (jaarlijkse) subsidievoorschotten en een jaar later worden bijgesteld op basis van de (jaarlijkse) definitieve correctiebedragen. Dit betekent dat er dus geen sprake is van terugwerkende kracht als de definitieve correcties afwijken (naar beneden of naar boven) van de daaraan voorafgaande voorlopige correcties. Volgens de staatssteunregels moeten de inkomsten voor de waarde van Garanties van Oorsprong (GvO) van groen gas in mindering worden gebracht zodra in het onafhankelijke advies van PBL hier een waarde voor kan worden bepaald. Die waarde van de GvO van groen gas was bij de voorlopige correctiebedragen 2025 voor groen gas nog niet bekend, maar ten tijde van de definitieve correctiebedragen 2025 wel en dus moet daar dan rekening mee worden gehouden.
Erkent u dat groen gasondernemers hierdoor geen reële mogelijkheid hadden om hun contracten, prijsafspraken of productie keuzes aan te passen, aangezien zij mochten vertrouwen op de officiële publicaties van eind 2024 waarin geen GvO correctie voor 2025 was opgenomen?
Zoals hierboven toegelicht is er sprake van een op voorhand bekend systeem binnen de SDE++. Producenten van groen gas hebben overigens in tegenstelling tot andere technieken binnen de SDE++ als voordeel dat ze gebruik kunnen maken van verschillende manieren van stimulering (keuze tussen SDE++-subsidie of verplichtingen voor energie en vervoer). Groengasprojecten kunnen dus per maand besluiten voor welke stimulering ze in aanmerking willen komen. Zij kunnen hier bij het aangaan van hun contracten rekening mee houden.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ondernemers die – op basis van de gepubliceerde cijfers – in 2025 bewust kozen voor gesubsidieerde productie, nu worden geconfronteerd met substantiële financiële achteruitgang die bij tijdige communicatie voorkomen had kunnen worden?
Zoals aangegeven bij vraag 1 is het binnen de systematiek van de SDE-regelgeving bekend dat voorlopige correctiebedragen bedoeld zijn voor de jaarlijkse subsidievoorschotten en een jaar later kunnen worden bijgesteld op basis van de definitieve correctiebedragen. Ik herken mij niet in het beeld dat de communicatie niet tijdig was. In de Kamerbrief over de SDE++ 2023 van 17 februari 2023 was opgenomen dat gecorrigeerd zal worden voor de GvO-waarde voor groengasprojecten vanaf 2023, zodra deze te bepalen is. In het eindadvies voor de SDE++ 2025 (gepubliceerd op 21 februari 2025) heeft het Planbureau voor de Leefomgeving voor het eerst een waarde voor de GvO opgenomen. Vervolgens is hier via een Kamerbrief van 6 juni 2025 op gewezen. Daarna heeft RVO het ook nog opgenomen in communicatie naar projecten.
Bent u bereid compensatie of herstelopties te overwegen voor ondernemers die door de retroactieve korting financieel zijn benadeeld, mede gezien het feit dat een deel van hen bij tijdige kennisgeving had gekozen voor ongesubsidieerde productie, wat financieel gunstiger zou zijn geweest?
Nee. Zoals eerder toegelicht is er sprake van een op voorhand bekend systeem met jaarlijkse bijstellingen en is compensatie of een hersteloperatie daarom niet aan de orde.
Waarom acht u deze maatregel zó noodzakelijk dat u ervoor kiest ondernemers met terugwerkende kracht te belasten, terwijl een aangekondigde invoering vanaf 2026 beter zou passen bij voorspelbaar, realistisch en uitvoerbaar energiebeleid, zoals ook in diverse beleidsadviezen en politieke programma’s wordt benadrukt?
Zoals hiervoor aangegeven, er is geen sprake van aanpassing met terugwerkende kracht maar van een op voorhand bekend systeem met jaarlijkse bijstellingen waar de subsidieontvangers rekening mee houden. Een belangrijk uitgangspunt van de SDE++ is om de hoogte van de subsidie te baseren op een zo goed mogelijke inschatting van de marktwaarde van het product. Dat geldt zeker voor groen gas waar de waarde van GvO’s substantieel kan zijn. Het bewust later invoeren van de correctie voor de waarde van GvO’s voor groen gas staat op gespannen voet met de hiervoor geschetste uitgangspunten en zou kunnen leiden tot niet toegestane overstimulering.
Het kabinet realiseert zich terdege dat de sector wacht op perspectief. Het opschalen van de groengasproductie is een belangrijk element voor het verduurzamen en weerbaar maken van de energievoorziening. Vanwege dit belang zet het kabinet in op inwerkingtreding van een bijmengverplichting voor groen gas per 1 januari 2027. Dit biedt deze producenten namelijk zekerheid op lange termijn en stimuleert zo verdere opschaling. Het wetsvoorstel hiertoe is onlangs ingediend bij de Tweede Kamer.
Milieunormen voor windturbines op land |
|
Felix Klos (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brede oproep van onder andere bouwbedrijven, netbeheerders, gemeenten en milieuorganisaties om te kiezen voor milieunormen voor windturbines op land op basis van geluid en slagschaduw, in plaats van vast te houden aan generieke afstandsnormen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat generieke afstandsnormen een slechte voorspeller zijn van ervaren hinder door windturbines, in vergelijking met normen gebaseerd op geluid en slagschaduw?
Een generieke afstandsnorm biedt op zichzelf geen aanvullende bescherming tegen hinder voor bewoners in de nabijheid van windturbines.2 Het geluidniveau op de gevel van een woning kan niet een-op-een vertaald worden naar een vaste afstand tot de windturbine, omdat dit van vele factoren afhankelijk is. Voorbeelden hiervan zijn: het type windturbine, bodemgesteldheid, bebouwing/obstakels/begroeiing in de omgeving, en weersomstandigheden. De mate van hinder door slagschaduw wordt niet alleen bepaald door de afstand vanaf de windturbine, maar ook door de oriëntatie van het windpark, de blootstellingsduur en de frequentie van het passeren van de wieken. Een afstandsnorm zal daarom normering voor geluid en slagschaduw niet kunnen vervangen en kan alleen als aanvullende norm gehanteerd worden om duidelijkheid en zekerheid te bieden aan omwonenden.
Kunt u toelichten in hoeverre het uitblijven van definitieve, werkbare milieunormen momenteel leidt tot stilstand of vertraging van windprojecten, met name op locaties waar de ruimte schaars is, zoals nabij bedrijventerreinen, infrastructuur en havens?
De Monitor Wind op Land laat zien dat de realisatiegraad van windturbines op land na 2021 afneemt. Ook zitten er minder projecten voor de realisatie van windturbines op land in de pijplijn. Dit komt door meerdere factoren, zoals netcongestie, vertragingen door bezwaar- en beroepsprocedures, beperkingen als gevolg van defensieactiviteiten, en door onzekerheid over de besluitvorming rond landelijke milieunormen.3
Sinds de uitspraak van de Raad van State in juni 2021 (het Nevele-arrest) wordt er gewerkt aan nieuwe landelijke milieunormen; welke specifieke factoren hebben ertoe geleid dat dit proces tot op heden nog niet is afgerond, en op welk moment kan de Kamer de normen tegemoetzien?
Het vorige kabinet heeft besloten de indiening van de AMvB milieunormen aan de Tweede Kamer aan het volgende kabinet te laten. Het nieuwe kabinet beraadt zich momenteel over de afstandsnormen. In het commissiedebat Hernieuwbare Energie van 15 april jl. is toegezegd voor de zomer de Tweede Kamer hierover te informeren.
In hoeverre kunnen landelijke normen voor geluid en slagschaduw bijdragen aan zowel de bescherming van omwonenden als aan het vergroten van onze energieonafhankelijkheid?
Bij de totstandkoming van de geluidsnormen in het ontwerpbesluit is uitgegaan van de bestaande kennisbasis over de relatie tussen windturbinegeluid en gezondheid. Deze toont aan dat er een duidelijk verband is tussen het geluidniveau van windturbines en de kans op hinder. De geluidnormen regelen daarom het beschermingsniveau voor omwonenden tegen hinder door windturbinegeluid.
Ook zijn in het ontwerpbesluit bepalingen opgenomen ter beperking van hinder van slagschaduw. Voor beide normeringen geldt dat deze enerzijds voldoende bescherming moeten bieden aan omwonenden en anderzijds plaatsingsruimte moet bieden aan windenergie omdat dit nodig is in het voorzien van leveringszekerheid en onafhankelijkheid van energie, en voor het behalen van klimaatdoelstellingen.
Naar verwachting leiden de nieuwe milieunormen tot meer duidelijkheid en zekerheid voor investeerders en exploitanten, wat bijdraagt aan het vergroten van de investeringsbereidheid in windturbines die bijdraagt aan het voorzien van leveringszekerheid.
Bent u bereid om landelijke milieunormen voor windturbines op land vast te stellen die gebaseerd zijn op geluid, slagschaduw en externe veiligheid, met ruimte voor lokaal maatwerk om specifieke gebiedskansen (zoals in havengebieden) te benutten?
Het ontwerpbesluit bevat landelijke milieunormen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Voor geluid en externe veiligheid geldt dat hierbij ruimte wordt gelaten voor lokaal maatwerk door het gebruik van grenswaardes en standaardwaarden. Dit biedt het bevoegd gezag ruimte om lokaal een goede afweging te kunnen maken van economische en maatschappelijke belangen, zoals de gezondheidsbescherming van bewoners en de duurzame energiedoelstellingen.4
Kunt u reflecteren op de mogelijke negatieve effecten van starre afstandsnormen voor de technologische innovatie, zoals de ontwikkeling van stillere, efficiëntere en hogere windturbines?
Innovatie is essentieel in de doorontwikkeling van windturbines. Deze markt is constant in ontwikkeling en aan innovatie onderhevig, en betreft een Europese en mondiale markt aangelegenheid. Met een generieke afstandsnorm geldt in het algemeen dat deze minder ruimte biedt om effecten van innovaties te accommoderen.
Hoe beoordeelt u het risico dat generieke afstandsnormen dwingen tot de bouw van meer, maar lagere turbines, en wat zijn daarvan de gevolgen voor de maatschappelijke kosten, de efficiëntie van het stroomnet en de impact op de biodiversiteit?
Nieuwe milieunormen kunnen de mogelijkheden voor grotere windturbines op land beperken. De maatschappelijke kosten, efficiëntie van het stroomnet en impact op de biodiversiteit worden per project beoordeeld, hier kunnen beperkt generieke uitspraken over worden gedaan. Ter ondersteuning van een zorgvuldige belangenafweging geldt een mer-beoordelingsplicht bij een park van 3 turbines of meer waarmee de milieueffecten en de effecten op biodiversiteit in beeld worden gebracht.
In hoeverre vormen generieke afstandsnormen een barrière voor de broodnodige «repowering» (het vervangen van oude door moderne turbines) op bestaande locaties, en acht u deze belemmering wenselijk in het licht van de klimaatdoelen en onze energie-afhankelijkheid?
Het repoweren van windturbines is van groot belang om ook in onze toekomstige vraag naar elektriciteit te kunnen voorzien. Dit laten recente studies naar de potentie van windturbines op land ook zien.5 Generieke afstandsnormen kunnen de mogelijkheden voor repowering beperken. Deze overweging neemt het kabinet mee in de besluitvorming over de milieunormen.
Bent u bekend met het bericht dat inmiddels ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) asbest in speelzand gevonden heeft en erop wil gaan toezien dat alle bedrijven zich aan de wettelijke norm houden?1
Ja.
Bent u het er mee eens dat voorkomen moet worden dat in de toekomst nog speelgoed met concentraties asbest in Nederland verkrijgbaar is? Zo ja, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Het is belangrijk dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Om te voorkomen dat speelgoed met asbest op de markt komt, gaat de NVWA in gesprek met de branche en ondernemers om hen erop te wijzen hoe ze aan de gestelde eisen van speelzand kunnen voldoen, door de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand actief te delen met de branche.
Fabrikanten en importeurs hebben de verplichting om te (laten) controleren of hun product veilig is. Die verplichting kunnen ze nakomen door een controle uit te (laten) voeren op het veiligheidsdossier van het product. In het veiligheidsdossier, dat door de fabrikant van het consumentenproduct met speelzand is opgesteld, moet worden aangetoond dat het product voldoet aan Europese veiligheidsvoorschriften. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd.
Wat vindt u ervan dat de NVWA geen advies geeft over of speelzand dat de afgelopen maanden door kinderdagverblijven, scholen en huishoudens opgeborgen is in afwachting van het onderzoek, weer gebruikt mag worden?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Het onderzoek van de NVWA laat zien welke producten wel en niet aan de producteis voldoen. Het is aan kinderopvangcentra, scholen en huishoudens om te bepalen welk speelgoed zij gebruiken. Het advies van de brancheverenigingen in de kinderopvang is om geen speelzand meer te gebruiken.
Wat vindt ervan dat de NVWA zegt dat iedereen «zijn eigen afweging» moet maken, maar daarbij zelf aangeeft dat het moeilijk is om vast te stellen welke producten veilig zijn?
Zoals aangegeven in het vorige antwoord bepalen de kinderopvangcentra, scholen en huishoudens zelf of ze dit speelgoed gebruiken. Er zijn diverse acties ondernomen die eraan bijdragen dat de kans nog verder afneemt dat consumenten een onveilig product kopen. Zo is inmiddels de lijst openbaar gemaakt waarin de resultaten van de onderzochte productmonsters staan vermeld. Daarnaast deelt de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand met de branche. Tot slot kunnen consumenten bij de importeur of distributeur navragen of het product veilig is.
Bent u het er mee eens dat de resultaten van het NVWA-onderzoek met alle voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, gezien het om steekproefsgewijs onderzoek gaat en andere onderzoeken (door het AD en in Duitsland) wel zorgwekkende hoeveelheden asbest geconstateerd hebben in geteste producten die ook in Nederland beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
De NVWA heeft een uitgebreid onderzoek uitgevoerd dat zoveel als mogelijk representatief is voor de markt in Nederland. Marktverkenningen zijn altijd steekproeven en het is onmogelijk om alle producten op de markt te controleren.
De juiste onderzoeksmethode is beschreven in het advies van TNO: «Asbestos in play sand». Het onderzoek van de NVWA is volgens die methode uitgevoerd.
Bent u het er mee eens dat het advies van de NVWA aan consumenten om een eigen afweging te maken en daarbij te verwijzen naar de lijst met producten die de NVWA onderzocht heeft, die nog niet beschikbaar gemaakt is, onvoldoende is en dat het opvolgen van dit advies er alsnog toe kan leiden dat kinderen in aanraking komen met producten met hoge hoeveelheden asbest? Zo nee, waarom niet?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Kinderopvang-centra, scholen en huishoudens bepalen zelf of ze dit speelgoed willen gebruiken.
Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat slechts een beperkt aantal monsters asbest bevatten boven de geldende norm. De NVWA concludeert dat het aannemelijk is dat de geschatte levensgemiddelde blootstelling beneden het maximaal toelaatbare risiconiveau blijft.
Bovendien zijn de namen van de producten, waarvan de hoeveelheid asbest in het onderzochte monster boven de geldende norm uitkwam, direct openbaar gemaakt en van de markt gehaald.
Hoe kan het dat na het lange wachten op de uitkomst van het NVWA-onderzoek, de publicatie van de resultaten van dat onderzoek, inclusief de lijst met asbesthoudende producten, nu wederom tot wel twee weken op zich laat wachten?
Dit heeft te maken met het feit dat voor openbaarmaking een vastgestelde zienswijze-procedure gevolgd moet worden. Deze procedure duurt zo’n 2 weken. Gezien het belang van snelle publicatie van het NVWA-onderzoek, is ervoor gekozen om deze twee documenten afzonderlijk van elkaar te publiceren.
Bent u bereid stappen te ondernemen om de wet dusdanig aan te passen dat de NVWA ook kan handhaven op basis van onderzoek van derden mits de onderzoeken zijn uitgevoerd door in Nederland geaccrediteerde laboratoria? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder geantwoord op uw vragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) is het van belang dat onderzoek van de NVWA boven elke twijfel verheven is. Het gaat bijvoorbeeld om bemonstering, monsteropslag en voorbehandeling door beëdigde inspecteurs. Bij onderzoek dat niet door de NVWA is uitgevoerd, is dit niet gegarandeerd.
Bent u het er mee eens dat er een duidelijke asbestnorm moet komen en dat bedrijven hun producten voortaan verplicht moeten laten testen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is het ermee eens dat er een duidelijke asbestnorm voor speelgoed moet komen. Zoals eerder geantwoord op uw eerdere Kamervragen (Handelingen II 2025/26, nr. 1660) zet het kabinet zich daarom in Europees verband in op aanscherping van de norm voor asbest in speelgoed.
Bedrijven zijn verplicht om aan de wettelijke eisen te voldoen en moeten dit ook kunnen aantonen. Het is echter niet aan het kabinet om te bepalen hoe bedrijven dit bereiken. Daarom kiest het kabinet niet voor een testverplichting.
Welke rol kan en moet de NVWA hier volgens u in spelen naast het wijzen van de bedrijven op hun eigen verantwoordelijkheid?
Naast de controlerende toezichtactiviteiten van de NVWA, om de naleving te vergroten, zal de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in deze producten actief delen met de branche. Bij eventuele nieuwe ontwikkelingen op dit gebied, wordt informatie daarover onder de branche verspreid. Daarbij verwacht de NVWA van de betreffende speelgoedbedrijven een proactieve houding om ook via andere informatiebronnen dan de NVWA op de hoogte te blijven van de meest recente relevante wetenschappelijke ontwikkelingen.
Heeft de NVWA voldoende capaciteit om erop toe te zien dat alle importeurs en fabrikanten hun producten op asbest gaan testen volgens de meest betrouwbare testmethode? Zo nee, wat gaat u doen om te zorgen voor voldoende capaciteit?
Zoals eerder geantwoord op uw Kamervragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Dit is niet nieuw en is in Nederland geregeld op basis van de Warenwet en in EU-verband via, onder andere, de Algemene Productveiligheidsverordening. De NVWA ziet toe op de naleving van deze wetten. Uiteraard vindt het kabinet dat de NVWA voldoende middelen moet hebben om toezichttaken uit te voeren. Hiervoor stelt VWS in 2026 € 157 mln. beschikbaar. De taken op het terrein van productveiligheid maken hier onderdeel van uit. Jaarlijks wordt een gezamenlijke afweging gemaakt hoe deze middelen het meest doelmatig ingezet kunnen worden.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke asbestnorm in de Europese speelgoedrichtlijn wordt opgenomen, zoals de NVWA adviseert?
Het kabinet heeft het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zet zich in Europees verband in voor aanscherping van de grenswaarde. In samenwerking met Europese landen wordt verder gewerkt aan een verbetering van de normen voor speelgoed.
Hoe gaat u deze asbestnorm vormgeven en zet u daarbij de veiligheid van kinderen voorop, gelet op de uitspraak van het RIVM dat asbest in speelzand in elke hoeveelheid onwenselijk is en dat er geen absoluut veilige grens is?
De EU heeft enkele van de strengste veiligheidseisen voor speelgoed en zet de veiligheid van kinderen altijd voorop. Het kabinet onderschrijft dit. Daarom heeft het kabinet het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zal zich in samenwerking met andere landen inzetten voor aanscherping van de grenswaarde.
Bent u bereid zich samen met andere landen in te zetten voor een aanpassing van Europese wetgeving die fabrikanten en importeurs van minerale producten die van nature asbest kunnen bevatten zoals (speel)zand, natuursteen, talk, enzovoort, opdraagt om voortaan middels representatieve analyses door geaccrediteerde Europese laboratoria aan te tonen dat producten daadwerkelijk asbest vrij zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder aangegeven zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Hoe zij invulling geven aan deze verantwoordelijkheid is aan henzelf. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze wettelijke verantwoordelijkheid.
Bent u bereid zich samen met andere landen binnen de EU in te spannen om landen met gelijkaardige wet- en regelgeving voor asbest, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, te laten aansluiten op het EU-meldsysteem voor producten die in strijd met de wet op de markt worden gebracht, zodat wanneer deze landen asbest aantreffen in producten ook de EU-lidstaten gewaarschuwd worden?
Het EU-meldsysteem voor consumentenproducten maakt het mogelijk snel informatie te verstrekken over maatregelen tegen gevaarlijke non-foodproducten onder de nationale toezichthouders die verantwoordelijk zijn voor productveiligheid in de landen van de EU.
De meldingen hebben betrekking op producten die niet aan de Europese wetgeving voldoen. Europese wetgeving wijkt af van bijvoorbeeld Australische wetgeving. Dit kan ook nog per productcategorie verschillen. Daarom is het niet mogelijk om in algemene termen aan te geven welke criteria moeten worden gehanteerd voor de veiligheid van producten en heeft aansluiting op het Europese waarschuwingssysteem geen meerwaarde.
Het bericht 'Nieuwe Schijf van Vijf adviseert nog maar 100 gram rood vlees per week: ‘Alleen zo halen we klimaatdoelen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de vernieuwde Schijf van Vijf niet langer uitsluitend een gezondheidskompas is, maar tevens wordt gebruikt als vehikel voor klimaatbeleid? Waarom wordt de gezondheid van Nederlanders vermengd met politieke doelen die daar los van staan?1
Nee, dit klopt niet.
De Schijf van Vijf voldoet aan de wetenschappelijk onderbouwde Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen2 van de Gezondheidsraad, er worden geen concessies op gezondheid gedaan.
De Schijf van Vijf combineert al langer gezondheid, duurzaamheid en veiligheid. De afgelopen jaren zijn er steeds meer wetenschappelijke data over duurzaamheid en veiligheidsaspecten beschikbaar gekomen. Dit maakte het mogelijk voor het Voedingscentrum om duurzaamheid en voedselveiligheid geïntegreerd mee te nemen in de aanpassingen van de meest recente Schijf van Vijf.
Waarom kiest u ervoor burgers via officiële voedingsadviezen niet alleen te informeren, maar ook in hun eetgedrag te sturen op basis van klimaatdogma’s? Vindt u dat werkelijk een taak van de overheid?
Het kabinet hecht aan individuele keuzevrijheid: mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. De Schijf van Vijf kan mensen helpen een goed geïnformeerde keuze te maken. Het kabinet ziet het als taak van de overheid om de gezonde keuze makkelijker te maken. Hierbij hanteert het kabinet de Schijf van Vijf als leidraad voor gezonde voeding.
Erkent u dat een voedingsadvies dat strenger is dan gezondheidskundig noodzakelijk, louter omdat «alleen zo klimaatdoelen worden gehaald», in feite betekent dat gezondheid ondergeschikt wordt gemaakt aan klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet?
Nee, de vernieuwde Schijf van Vijf is net als voorheen een goede houvast om gezond te eten. De adviezen van het Voedingscentrum voldoen aan de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad en leveren alle voedingsstoffen en energie die nodig zijn voor een gezond voedingspatroon.
Deelt u de mening dat klimaatideologie nooit mag worden verpakt als gezondheidsadvies, en dat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat overheidsadviezen over voeding uitsluitend zijn gebaseerd op wat aantoonbaar het beste is voor hun gezondheid? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat ideologische doelstellingen via gezondheidsvoorlichting aan burgers worden opgedrongen?
De Schijf van Vijf voldoet aan de wetenschappelijk onderbouwde Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen van de Gezondheidsraad, er worden geen concessies op gezondheid gedaan. De Wereldgezondheidsorganisatie en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) adviseren landen gezondheid en duurzaamheid samen te bekijken in de voedingsrichtlijnen, met als duidelijke afspraak dat dit nooit ten koste mag gaan van gezondheid.
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken dat de overheid zich niet hoort te bemoeien met de inhoud van het bord van de Nederlander onder het mom van klimaatbeleid, en dat keuzes over vleesconsumptie primair aan de burger zelf zijn? Zo nee, waarom meent u dat de overheid beter dan de burger zelf kan bepalen wat hij wel of niet eet?
Mensen zijn vrij om zelf te kiezen wat zij op hun bord willen hebben. De Schijf van Vijf kan mensen helpen een goed geïnformeerde keuze te maken. Het Voedingscentrum biedt, voor wie dit wil, praktische tips hoe je stapsgewijs meer volgens de Schijf van Vijf kan eten. Het kabinet zet zich in om de gezonde keuze makkelijker maken. Maar nogmaals, de keuze is aan mensen zelf.
Energieschaarste |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Nederland grootste exporteur van diesel en kerosine – Schaarste «niet aan de orde»»1 en «Olieschaarste gaat pijn doen – Analisten waarschuwen: grote tekorten»?2
Ja.
Hoe kan het dat ambtenaren in een technische briefing3 de Kamer hebben verteld dat energieschaarste nog lang niet aan de orde is, maar dat twee dagen later energie-experts waarschuwen voor grote tekorten? Wie hebben gelijk?
Tijdens de technische briefing is een feitelijke en objectieve toelichting gegeven op de oliemarkt en de olie-leveringszekerheid. Hierbij is aangegeven dat de aanvoer van kerosine naar Europa verstoord is en dat de aanvoer van diesel gedeeltelijk verstoord is.
Het kabinet houdt rekening met alle mogelijke scenario's, ook met scenario's van dreigende schaarste of tekorten. Deze zijn uiteengezet in de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok die aan de Kamer is gestuurd.4
Klopt het dat er volgens de ambtenaren in Nederland geen tekorten aan diesel en kerosine zullen ontstaan, omdat (1) Nederlandse raffinaderijen een overschot produceren, (2) Nederland de grootste netto-exporteur is en (3) de olie-import en -voorraden op orde zijn?
Tijdens de technische briefing is een feitelijke toelichting gegeven op de Nederlandse raffinagesector en de omvang van de strategische voorraden. Er is aangegeven dat er geen acute fysieke tekorten zijn, niet dat er nooit tekorten kunnen ontstaan.
De EU is voor circa 23% van haar kerosinegebruik afhankelijk van import. Ongeveer 77% wordt gemaakt in raffinaderijen binnen de EU. Zolang er voldoende ruwe olie beschikbaar blijft kunnen raffinaderijen in de EU op gebruikelijk niveau blijven produceren. Daarnaast beschikken Nederland en andere EU-lidstaten over strategische olievoorraden.
Deze combinatie van Europese productie en strategische voorraden maakt dat bij een gelijkblijvende verstoring van de aanvoer nog geruime tijd in de vraag kan worden voorzien. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat de oliemarkt mondiaal is en dat prijsverschillen de handel naar, maar ook uit de EU kunnen stimuleren. De termijn van een Europese kerosinevoorraad van vijf maanden kan korter worden wanneer de Europese voorraden beperkt worden ingezet of wanneer marktpartijen de op de markt gezette strategische voorraden opkopen en verschepen naar andere delen van de wereld. Ook als Europese raffinaderijen minder ruwe aardolie beschikbaar hebben, of om andere redenen hun productie verlagen, neemt de aanbodverstoring toe.
Hoe valt dat te rijmen met de uitspraken van energie-expert Van den Beukel van «The Hague Centre for Strategic Studies»: «Wij maken heel veel olieproducten in onze raffinaderijen hier in Rotterdam. Dat maakt het probleem voor Nederland wellicht ietsjes minder. Maar de diesel of kerosine of het plasticproduct dat uit zo’n raffinaderij komt, gaat uiteindelijk naar de hoogste bieder. Dat kan Nederland zijn, maar niet noodzakelijk»?
De toelichting tijdens de technische briefing sluit aan bij de in de vraag geciteerde uitspraak van de heer Van den Beukel. Nederland beschikt over een sterke raffinagesector en produceert veel olieproducten, wat de positie van Nederland relatief gunstig maakt.
Tegelijkertijd opereren raffinaderijen op volle capaciteit binnen een open en transparante, internationale markt waarin een olieproduct vrijelijk kan worden verplaatst naar waar de vraag en prijs het hoogst zijn. Dit betekent dat productie in Nederland niet automatisch leidt tot beschikbaarheid voor de Nederlandse markt.
Hoe reageert u op de uitspraak van energie-expert Van Geuns van kennisinstituut «The Hague Centre for Strategic Studies» die de woorden van de ambtenaren als volgt kwalificeert: «Heel bijzonder. Het klinkt als: ga maar slapen, we hebben het goed. Maar Nederland is geen eiland»?
Het kabinet herkent zich niet in de geschetste kwalificatie en bereidt zich voor op alle scenario's, zoals ook blijkt uit de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok.5 Daarbij is een bandbreedte gehanteerd van beperktere impact tot zeer zware impact op de wereld- en de Nederlandse economie. Kort samengevat wordt de impact op het energieaanbod, de economie en op huishoudens en bedrijven uiteengezet. De scenario's geven de gemene deler van publicaties van onder andere het Internationaal Energie Agentschap (IEA), De Nederlandsche Bank (DNB), het Centraal Planbureau (CPB), de Europese Centrale Bank (ECB), de OESO en het IMF.
Het kabinet bereidt zich voor op alle scenario's, onder andere door breed maatregelen te inventariseren en uit te werken om bedrijven en huishoudens te ondersteunen en neemt hiervoor signalen uit de samenleving en het bedrijfsleven mee.
Kunt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
Voor beantwoording van deze vragen is de gebruikelijke termijn van drie weken aangehouden.
De uitwerking van een capaciteitsmechanisme om de voorzieningszekerheid van elektriciteit te borgen en de rol van kolencentrales |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe het tijdspad eruitziet voor het invoeren van de capaciteitsmarkt voor de leveringszekerheid van elektriciteit, zoals afgesproken in het coalitieakkoord? Welke concrete stappen moeten nog worden gezet en binnen welke termijn verwacht u dat het capaciteitsmechanisme operationeel kan zijn?
Zoals in het coalitieakkoord is opgenomen, zet het kabinet in op een capaciteitsmarkt om de voorzieningszekerheid van elektriciteit te borgen. Op dit moment werkt het kabinet aan de uitwerking van het tijdspad en de benodigde stappen hiervoor. Het kabinet beoogt voor de zomer een brief over voorzieningszekerheid van elektriciteit naar uw Kamer te sturen. In deze brief zal nader worden ingegaan op het tijdspad en de benodigde concrete stappen.
Op welke manier wordt bij het ontwerp van het capaciteitsmechanisme rekening gehouden met de voorschriften uit Verordening (EU) 2019/943, met name ten aanzien van de CO2-emissienormen voor elektriciteitscentrales uit artikel 22 lid 4?
Het kabinet bekijkt momenteel hoe de afspraak uit het coalitieakkoord over introductie van een capaciteitsmarkt het beste kan worden vorm gegeven. Hierbij wordt rekening gehouden met de CO2-emissienormen voor elektriciteitscentrales en andere voorschriften uit Verordening (EU) 2019/943. In de eerdergenoemde brief over het capaciteitsmechanisme zal dit onderdeel worden toegelicht.
Klopt het dat deze verordening voorschrijft dat energiecentrales alleen mogen deelnemen aan een capaciteitsmechanisme indien zij minder dan 550 g CO2 per kWh uitstoten en gemiddeld minder dan 350 kg CO2 per kW geïnstalleerd vermogen per jaar?
Ja. Of cumulatief aan beide voorwaarden moet worden voldaan zal worden nagevraagd in gesprekken met de Europese Commissie tijdens de verdere uitwerking van het capaciteitsmechanisme.
Kunt u bevestigen dat het kabinet bij de verdere vormgeving van aanvullend beleid voor leveringszekerheid van elektriciteit blijft streven naar de beste balans tussen maatschappelijke kosten en baten, zoals eerder aangegeven in Kamerstuk 29 023, nr. 570?
Ja, dat kan ik bevestigen.
In hoeverre zal er bij de inrichting van de capaciteitsmarkt aansluiting worden gezocht bij hoe een dergelijk mechanisme in ons omringende landen zoals België al is ingericht?
Het kabinet vindt het belangrijk om de ontwikkelingen van omringende landen zoals België aandachtig te volgen, zoals ook benadrukt in de Kamerbrief van mei 20251. De concrete inrichting van een capaciteitsmarkt en keuzes die daaruit voortvloeien, worden momenteel uitgewerkt en zullen worden toegelicht in de aanstaande Kamerbrief.
Welke mogelijkheden ziet u om bij de verdere uitwerking van een capaciteitsmechanisme rekening te houden met de rol van bestaande kolencentrales in de voorzieningszekerheid van elektriciteit, zoals dat o.a. ook in België is gedaan?
Volgens Europese verduurzamingseisen als onderdeel van de staatssteunregels waaraan een capaciteitsmechanisme moet voldoen, zijn volledig kolengestookte centrales uitgesloten van deelname aan dit mechanisme. Deze verordening geldt voor alle lidstaten waardoor volledig kolengestookte centrales geen onderdeel van het Belgische capaciteitsmechanisme zijn, of kunnen worden van een Nederlands capaciteitsmechanisme.
Wel zijn andere vormen van regelbaar vermogen, zoals gas-, waterstof- en biomassacentrales toegestaan. Gelet op de Europese verduurzamingseisen en het beginsel van technologieneutraliteit, kunnen kolencentrales deelnemen aan het capaciteitsmechanisme indien zij voldoen aan de CO2-eisen. Dit kan door bijvoorbeeld gebruik te maken van een andere brandstof zoals biomassa.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om het capaciteitsmechanisme zo in te richten dat deze centrales alleen in aanmerking komen voor deelname aan een capaciteitsmechanisme indien zij voldoen aan strenge emissie-eisen zoals die uit de genoemde Europese Verordening, waarmee een in aanmerking komende centrale minstens zo schoon dient te zijn als het uitstootniveau van een gascentrale?
Zie antwoord vraag 6.
Is het mogelijk om het capaciteitsmechanisme flexibel vorm te geven zodat ook innovatieve technologieën, zoals waterstofcentrales of batterijsystemen, kunnen bijdragen aan de leveringszekerheid?
Ja. Een capaciteitsmechanisme moet technologieneutraal zijn. Het is mogelijk om in het ontwerp van een capaciteitsmechanisme keuzes te maken die gelijkwaardige deelname van CO2-vrije technologieën zoals vraagrespons en energieopslag (o.a. via batterijsystemen) stimuleren.
Drugs in COA-locaties |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving over signalen van drugshandel in COA-locaties?1
Ja.
Wat is uw reactie hierop? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de beelden die in de reportage getoond worden met betrekking tot vermeende drugshandel vanuit de COA-locatie in Budel?
Het bezit van illegale drugs en de handel daarin is op COA-locaties verboden. Bewoners worden hierop bij aankomst expliciet gewezen in relatie tot de huisregels. Het COA doet aangifte van strafbare feiten (zoals drugshandel) en/of doet melding bij de politie in situaties waarbij de openbare orde en veiligheid in het geding is. In die gevallen worden illegale drugs in beslag genomen. Aanvullend kan het COA een passende maatregel opleggen en kan de IND het aanvraagproces versnellen.
Welke (recente) cijfers zijn u bekend over drugshandel, -bezit en -gebruik in COA-locaties?
Wat strafrechtelijke registratie van misdrijven door COA-bewoners betreft; de jaarlijkse Incidentenmonitor van het WODC geeft inzicht in het aantal afgehandelde misdrijven, waaronder drugsmisdrijven, van COA-bewoners.
Parallel publiceert het COA op haar website een overzicht van incidenten per locatie van het voorgaande jaar. Drugshandel, -bezit en -gebruik worden weliswaar door COA geregistreerd, maar niet als specifieke categorieën gerubriceerd. Daarom kan geen cijfermatig inzicht van dit type incidenten op COA-locaties worden gegeven.
Op welke wijze wordt hierop gecontroleerd in COA-locaties?
Op basis van de huisregels zijn COA-medewerkers onder voorwaarden bevoegd om de woonruimte te betreden ter verplichte kamercontroles. Er vinden standaard periodieke kamercontroles plaats op COA-locaties. Dit is tevens een contactmoment met de bewoner en dat draagt bij aan signalering en sociale veiligheid. Daarnaast kan COA extra kamercontroles uitvoeren bij signalen van strafbare feiten, zoals drugsbezit of -handel.
Wat wordt verstaan onder de categorie «door het OM afgehandelde drugsmisdrijven» in het jaarlijkse WODC-onderzoek naar incidenten en misdrijven door bewoners van COA- en tgo-locaties (in 2024 respectievelijk 30 en 15 zaken)?2
Deze categorie betreft een door het Openbaar Ministerie geclassificeerde indeling van delicten. Bij drugsmisdrijven (Opiumwet) gaat het om Harddrugs (art. 2, 10, 10a) en Softdrugs (art. 3, 11, 11a, 11b).
Van hoeveel drugsgerelateerde zaken was vorig jaar in COA-locaties sprake onder andere in de in het onderzoek genoemde categorieën, zoals «incidenten» of «afdoening politie»?
De Incidentenmonitor van het WODC geeft een jaarlijks overzicht van het aantal geregistreerde incidenten per jaar, uitgesplitst naar type incidenten. Die uitsplitsing kan echter niet systematisch worden gespecificeerd naar de categorie illegaal drugsbezit of drugshandel.
Wat is de standaardprocedure wanneer een bewoner van een COA-locatie zich schuldig maakt aan het dealen van drugs?
Bij feitelijke signalen dat een bewoner van een COA-locatie dealt in drugs of illegale drugs bezit, wordt er een melding gemaakt bij de politie. De politie kan dan een strafrechtelijk onderzoek starten.
Aanvullend kan het COA een passende maatregel opleggen en kan de IND het aanvraagproces versnellen.
Wat is de standaardprocedure wanneer er sprake is van harddrugsbezit bij een bewoner van een COA-locatie?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u van beide gevallen aangeven hoe vaak hiervan de afgelopen vijf jaar sprake is geweest, in welke COA-locaties en tot welke straffen en sancties dit heeft geleid?
Er is geen volledig overzicht te geven van dit aantal delicten op COA-locaties omdat uit de politieregistraties niet kan worden herleid of het om een COA-locatie en/of een COA-bewoner gaat.
De jaarlijkse Incidentenmonitor van het WODC geeft inzicht in het aantal afgehandelde drugsmisdrijven door het Openbaar Ministerie en de rechter in eerste aanleg.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat Asiel en Migratie beantwoorden?
Ik heb ernaar gestreefd de vragen zo spoedig als mogelijk te beantwoorden.
Het bericht 'Schade binnenvaart op ecologie in rivieren groter dan gedacht' |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de berichtgeving?1
De berichtgeving gaat over een intern Rijkswaterstaat uitgevoerde bureaustudie naar effecten van scheepvaart op ecologie. Het rapport onderzoekt op basis van al beschikbare gegevens hoe de binnenvaart zich tussen 2009 en 2024 heeft ontwikkeld en combineert dit met een eerdere bureaustudie «Effecten recreatieve en commerciële binnenvaart op ecologie» (Collas, 2021, Radboud Universiteit).
In hoeverre is er zicht op de omvang van de ecologische schade veroorzaakt door de binnenvaart in de Nederlandse rivieren?
De effecten van binnenvaart op ecologie zijn door Collas in 2021 onderzocht in een bureaustudie. Hierin wordt een kwalitatieve beschrijving gegeven van de mogelijke effecten van binnenvaart op ecologie. Er is geen duidelijk kwantitatief beeld van de omvang van de mogelijke ecologische schade ten gevolge van de binnenvaart.
Het artikel stelt dat er wordt gevreesd voor de toename van ecologische schade, wordt dit tegengegaan? Zo ja, hoe? Op welke manier kan dit worden voorkomen?
De nu beschikbare onderzoeksgegevens lenen zich niet om conclusies te trekken over de noodzaak van maatregelen. De uitgevoerde bureaustudie waarop het artikel is gebaseerd, is een verkenning. Er is aanvullend onderzoek nodig om te bepalen of er sprake is van toenemende schade en of maatregelen nodig zijn. Daarnaast is scheepvaart niet de enige drukfactor op ecologie.
In hoeverre is er momenteel toezicht op de uitstoot van vervuilende stoffen door de binnenvaart direct in het rivierwater, en wordt dit toezicht geïntensiveerd nu blijkt dat de ecologische druk groter is dan gedacht?
Vanuit Europese en nationale regelgeving en verdragen zoals het CDNI2 zijn strenge eisen gesteld aan de uitstoot van vervuilende stoffen in het rivierwater. De handhaving vindt plaats via controle van de scheepsadministratie, inspecties van de ILT aan boord en aanvullende toezichtmiddelen zoals drones, meldingen en signalering. De aard van de studie maakt dat er op dit moment geen reden is voor intensivering van de toezicht en handhaving.
Wat betekent dit (eventuele) ingrijpen voor de binnenvaart, welke maatregelen moeten schippers nemen en welke gevolgen hebben die maatregelen voor schippers?
Zie antwoord op vragen 3 en 4.
Hoe weegt u het belang van een diepe vaargeul voor de binnenvaart af tegen de ecologische doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water, gelet op het feit dat in het artikel wordt gesteld dat drempels in KRW-nevengeulen – bedoeld om verzanding van de vaargeul te voorkomen – juist schadelijk zijn voor het ecologisch functioneren van die geulen?
Zowel de aanleg van nevengeulen in het kader van de Kaderrichtlijn Water (hierna: KRW) als overige ingrepen aan de vaarweg ten behoeve van de scheepvaart moeten worden getoetst aan de voorwaarden van de KRW. Zij mogen niet leiden tot achteruitgang van de chemische en ecologische kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam. Studies als de onderhavige dragen bij aan de kennis die nodig is voor deze beoordeling. Daarnaast dient Nederland als lidstaat zich ook te houden aan de Europese TEN-T Verordening3 waarbij eisen aan de vaarweg zijn opgelegd door de Europese Commissie, waaronder een niet-achteruitgangsbepaling voor de Goede Navigatie Status van de vaarwegen zoals de diepgang. Eisen uit de KRW en TEN-T zullen zorgvuldig moeten worden afgewogen.
Hoe verklaart u de bevinding dat een afname van 32% in het aantal schepen op de Maas niet leidde tot ecologisch herstel, en wat betekent dit voor de effectiviteit van toekomstig beleid? Is enkel het sturen op intensiteit (aantal schepen) nog wel zinvol als de impact per schip (vermogen, grootte) exponentieel toeneemt?
In het rapport waarop H2O het artikel baseert, staat dat er geen daling in ecologisch risico kon worden vastgesteld. Daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat ecologisch herstel uitblijft. Daarnaast is scheepvaart niet de enige drukfactor op ecologie.
Bovendien is sturen op aantal schepen geen vigerend beleid, er wordt gestuurd op vervoerde vracht (tonnage en TEU), mobiliteit en leveringszekerheid4. Hiermee is de effectiviteit van toekomstig beleid niet in het geding.
Bent u bereid om samen met de sector op te trekken in het zoeken naar oplossingen die de ecologische druk verminderen, waarbij wordt uitgegaan van de kracht en de innovatiebereidheid van de binnenvaart in plaats van enkel het opleggen van beperkingen?
Van het opleggen van beperkingen is geen sprake. Het ministerie onderhoudt nauw contact met de binnenvaartsector op tal van onderwerpen. Dit zullen we onverminderd blijven doen.
Op welke wijze faciliteert u de sector om de al ingezette koers van verduurzaming door te zetten, en bent u bereid om extra in te zetten op kennisdeling over technieken die zowel de uitstoot als de fysieke belasting van het rivierwater (zoals schroefwerking en golfslag) minimaliseren?
Nederland heeft zich door middel van nationale en internationale afspraken gecommitteerd aan een klimaatneutrale en nagenoeg emissieloze binnenvaart in 2050. Normerings- en beprijzingsmaatregelen (REDIII en ETS2) zullen er op termijn voor zorgen dat de businesscase voor verduurzaming verbetert, doordat het prijsverschil tussen fossiele brandstoffen en duurzame energiedragers steeds kleiner wordt. Deze maatregelen kennen echter een ingroeipad, waardoor investeringen in verduurzaming in de komende jaren nog een onrendabele top kennen.
Om binnenvaartondernemers te ondersteunen die hier nu al stappen in willen zetten, stelt het kabinet middelen beschikbaar via verschillende subsidie-regelingen. Zo bieden twee Nationaal Groeifondsprojecten (het Maritiem Masterplan en Zero Emission Services) de mogelijkheid om nieuwe technieken in de praktijk te demonstreren en is er vanuit met name het Klimaatfonds ruim € 230 miljoen beschikbaar voor vroege opschaling van zulke technieken. Allereerst is met een deel van deze middelen een subsidieregeling opengesteld om motorfabrikanten te faciliteren in een versnelde ontwikkeling van motoren op waterstof en methanol. Daarnaast wordt een grotere subsidieregeling ingericht die scheepseigenaren ondersteunt bij investeringen in emissieloze aandrijflijnen. Denk bijvoorbeeld aan elektrificatie in combinatie met een batterij of brandstofcel, of aandrijflijnen voor varen op hernieuwbare brandstoffen zoals waterstof en methanol. Voor kleine schepen wordt voorzien in een mogelijkheid het schip te voorzien van een hybride aandrijflijn, zodat kan worden onderzocht hoe hybride aandrijflijnen in de praktijk kunnen functioneren. Voor deze subsidieregeling staat momenteel, tot en met 3 juni 2026, een internetconsultatie open.
Zoals aan uw Kamer gemeld in de brief van mijn voorganger van 20 september 2024, wordt een deel van de middelen die beschikbaar zijn gesteld vanuit het Klimaatfonds aangewend voor een programma-aanpak «Energietransitie Binnenvaart». De Programma-aanpak «Energietransitie Binnenvaart» heeft o.a. tot doel om samen met relevante stakeholders kennis te delen over technische en economische mogelijkheden voor innovatie en verduurzaming.
Tot slot werkt de Rijksoverheid in het programma Vlootvernieuwing aan de vernieuwing, verjonging en verduurzaming van haar eigen vloot binnen de Rijksrederij.
Blauwe waterstof, CO2-opslag en publiek risico |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Kamerbrief van 14 juli 2025 over waterstof, groen gas en andere energiedragers en met de Klimaat- en Energienota 2025?1, 2, 3
Ja
Klopt het dat het kabinet nieuwe productie van koolstofarme waterstof uit aardgas met Carbon Capture and Storage (CCS) wel mogelijk en in bepaalde gevallen kansrijk acht, maar daarvoor op dit moment geen aanvullend financieel instrumentarium inzet vanwege onzekere vraag, hoge kosten en een pas na circa 2035 realistisch geachte substantiële afzetmarkt?
In de beleidsverkenning koolstofarme waterstof, als onderdeel van de Kamerbrief «Voortgang waterstofbeleid» waaraan u refereert, is dit beeld geschetst. De markt voor deze projecten lijkt op korte termijn beperkt. Bestaande grijze waterstofgebruikers zetten namelijk vooral in op het toepassen van CCS op hun eigen productie-installaties. Wel zijn er potentiële nieuwe toepassingen voor koolstofarme waterstof, zoals partijen die kijken naar inzet hiervan voor het vervangen van aardgasgebruik in gascentrales, of voor hoge-temperatuur warmte in cluster 6 op plekken waar elektrificatie zeer uitdagend of niet mogelijk is. Het vervangen van aardgas voor deze toepassingen met koolstofarme waterstof kent vooralsnog relatief hoge kosten, waardoor dit alleen met significante subsidies uit kan. Op dit moment lijkt aanvullende interventie niet doelmatig. Mogelijk ontstaat op langere termijn een kosteneffectieve businesscase voor deze toepassingen van waterstof. De noodzaak hiervoor zal ook afhangen van de beschikbaarheid en kostenontwikkeling van alternatieven, zoals groen gas.
Hoe verhoudt deze terughoudendheid zich tot de forse publieke betrokkenheid bij CO2-infrastructuur, waaronder het afdekken van vollooprisico’s en de deelname van Energie Beheer Nederland (EBN) in CCS-projecten?
Zonder CCS worden de CO2-reductiedoelstellingen voor de industrie niet gehaald. Voor diverse industriële sectoren is CCS de enige manier om op korte manier te verduurzamen. Bovendien is CCS nodig voor koolstofverwijdering om klimaatneutraal te worden. Het belang van CO2-infrastructuur is daarmee breder dan alleen koolstofarme waterstof. De Staat zet daarom met diverse maatregelen in op het tijdig op gang brengen van de CCS-markt, zodat projecten kunnen bijdragen aan de CO2-reductiedoelen voor 2030.
Kunt u een integraal overzicht geven van alle directe en indirecte publieke middelen, garanties, leningen, kapitaalstortingen, Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie-beschikkingen (SDE++) en overige risico’s die samenhangen met CCS-infrastructuur en projecten die voor blauwe waterstof relevant zijn?
Hieronder vindt uw Kamer een integraal overzicht van alle publieke middelen die beschikbaar zijn gesteld voor activiteiten die samenhangen met CCS.
SDE++
Voor de SDE++ is in enkele jaren subsidie toegekend aan CCS-projecten. De daadwerkelijke uitgekeerde subsidie hangt af van de ETS-prijs in het betreffende subsidiejaar. Tot nu toe is nog geen SDE++-subsidie uitgekeerd aan CCS, omdat subsidie wordt uitbetaald op basis van daadwerkelijk gerealiseerde CO2-reductie en er nog geen CCS-projecten zijn gerealiseerd die SDE++ toegekend hebben gekregen. Hieronder staat een uitsplitsing van de CCS-projecten uit de verschillende SDE++-openstellingen die op dit moment in beheer zijn. De getoonde bedragen zijn de maximale subsidieverplichtingen. De uiteindelijke kasuitgaven zullen fluctueren en naar verwachting aanzienlijk lager uitvallen. Niet alle CCS-projecten zijn automatisch relevant voor koolstofarme waterstof.
2020
€ 2,1 mld.
Beschikt, (nog) niet uitbetaald
Subsidie toegekend voor CCS
2022
€ 0,2 mld.
Beschikt, (nog) niet uitbetaald
Subsidie toegekend voor CCS
2023
€ 0,3 mld.
Beschikt, (nog) niet uitbetaald
Subsidie toegekend voor CCS
2024
€ 1 mld.
Beschikt, (nog) niet uitbetaald
Subsidie toegekend voor CCS
2025
n.t.b.
Aanvragen in behandeling
€ 8 mld. in totaal beschikbaar voor de 2025-ronde
Leningen EBN
In 2021 is een marktconforme lening verstrekt aan EBN van € 53,4 miljoen voor ontwikkeling en realisatie van het Porthos-project. In 2023 is een marktconforme lening verstrekt aan EBN van € 32 miljoen voor deelname aan de FEED-fase van de ontwikkeling van de opslaglocaties aan het Aramis-project.
Subsidies EBN
EBN heeft in 2019 € 9,8 miljoen subsidie ontvangen voor deelname aan de FEED-fase van het Porthos-project.
EBN heeft in 2021 € 8,25 miljoen subsidie ontvangen voor deelname aan de pre-FEED fase van het Aramis-project.
EBN heeft in 2023 € 6,24 miljoen, in 2024 € 24,6 miljoen en in 2025 € 10,15 miljoen subsidie ontvangen voor de ontwikkeling van opslaglocaties in de Noordzee.
Kapitaalstorting EBN grotere deelname Aramis
Er is € 639,2 miljoen gereserveerd op de begroting van het Klimaatfonds voor een kapitaalstorting aan EBN om verder deel te kunnen nemen aan de Aramis-buisleiding. De middelen worden pas overgemaakt op het moment dat het investeringsbesluit voor Aramis is genomen.
Incidentiele maatwerksubsidie
Yara Sluiskil heeft een maatwerksubsidie gekregen van € 30 miljoen voor CO2-transport en -opslag (0,8 Mt/j) in Northern Lights (Kamerstuk 29 826, nr. 199).
Energie-investeringsaftrek (EIA)
Sinds 2019 hebben ca. 10 bedrijven voor 116 CCS-investeringen EIA aangevraagd. Van deze aanvragen wordt een aantal momenteel nog beoordeeld. Tot nu toe is voor deze investeringen € 65 miljoen aan EIA «uitgekeerd». Als de overige aanvragen positief worden beoordeeld, kan dit oplopen tot € 83 miljoen. Het is niet mogelijk voor een bedrijf om tegelijk van de SDE++ en de EIA gebruik te maken.
R&D-subsidie CCS internationale
samenwerkings-verbanden
Tot 2022 gold de ACT-regeling (Accelerating CCS Technologies) waarvoor per twee jaar € 4 miljoen beschikbaar was. Vanuit deze regeling is aan projecten die zijn gestart vanaf 2020 in totaal € 6,6 miljoen aan subsidie verstrekt.
Sinds 2022 geldt de CETP-regeling (Clean Energy Technology Partnerships) waarvoor jaarlijks € 3 miljoen beschikbaar is. Vanuit deze regeling is tot op heden voor € 7 miljoen aan subsidie verstrekt.
Algemene innovatiesubsidie-regelingen
Er zijn vier verschillende generieke innovatiesubsidie-regelingen die openstaan voor veel technieken, waaronder CCS. Dit betreft de TSE, EKOO, DEI+ en de HER-regeling. Er is vanuit deze regelingen € 28 miljoen aan subsidie verstrekt voor CCS-projecten met startdatum vanaf 2020.
Diverse onderzoeks-opdrachten
Sinds 2025 is in totaal € 18,45 miljoen subsidie verleend aan onderzoeken naar diverse aspecten van CCS. De opdrachtnemers hiervan zijn (samenwerkingen tussen) TNO, DNV, RIVM en KNMI.
Volloopsubsidie Aramis
In 2025 heeft het kabinet besloten om middelen vrij te maken om het vollooprisico van de Aramis-zeeleiding en de terminal CO2next gedeeltelijk af te dekken. Hiervoor is € 662 miljoen gereserveerd op de begroting van het Klimaatfonds.
Garantieregeling Porthos
In 2022 heeft het kabinet een garantie van maximaal € 175,6 miljoen verstrekt aan de initiatiefnemers van het CCS-project Porthos (EBN, Gasunie en Havenbedrijf Rotterdam) om vertraging van het project en in het uiterste geval zelfs mogelijk afstel te voorkomen. Hiervoor hebben de initiatiefnemers een marktconforme premie van € 21,9 miljoen betaald in 2023. De garantieregeling is in 2023 vervallen en kan niet meer worden ingeroepen door de partijen.
Connecting Europe Facility (CEF) (Europese gelden)
In 2022 en 2023 heeft de Europese Commissie CEF-subsidies toegekend aan Aramis (€ 124 miljoen, 2023) voor de realisatie van een open-toegang CO2-transportleiding, CO2next (€ 33 miljoen, 2022) voor de ontwikkeling van een CO2-importterminal, en het Eni L10-project (€ 55 miljoen, 2023) voor de ontwikkeling van CO2-opslagcapaciteit in lege gasvelden op zee.
Innovation Fund (Europese gelden)
In 2023 heeft de Europese Commissie via het Innovation Fund € 118 miljoen aan subsidies toegekend voor de ontwikkeling van de opslagvelden op zee van Shell (K14) en TotalEnergies (L4A). Deze projecten zijn gericht op het demonstreren van veilige en schaalbare permanente CO2-opslag als onderdeel van de Europese CCS-keten.
Welke exacte definitie hanteert u voor «koolstofarme» of «blauwe» waterstof in termen van maximale ketenemissies per kilogram waterstof?
De Europese Unie heeft een geharmoniseerd EU-raamwerk opgesteld voor het definiëren van koolstofarme brandstoffen waaronder «koolstofarme waterstof» (gedelegeerde verordening (EU) 2025/2359). Kernpunt hierin is dat ten minste 70% broeikasgasemissiereductie in de productieketen moet worden gerealiseerd.
Met de term «blauwe waterstof» wordt over het algemeen gerefereerd aan waterstof geproduceerd uit fossiele grondstoffen (aardgas of anders) met toepassing van CCS. Deze term is niet specifiek gedefinieerd. Om deze reden spreekt het kabinet over koolstofarme waterstof in plaats van blauwe waterstof.
Op welke wijze worden methaanemissies in de aardgasketen, emissies uit compressie en transport en verschillen tussen binnenlands en geïmporteerd gas in die definitie en toetsing meegenomen?
De voornoemde gedelegeerde verordening neemt methaanemissies in de keten expliciet mee in de berekening van de totale broeikasgasemissies van koolstofarme waterstof. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen aardgas geproduceerd in de EU en aardgas geïmporteerd van buiten de EU. Daarnaast kent de verordening een onderscheid tussen productie van koolstofarme waterstof in een geïntegreerd productieproces («incorporated process») en andere productie. In de verordening zijn standaardwaarden vastgesteld voor emissies van broeikasgassen in de keten. Voor een deel moeten deze worden toegepast, voor een deel is er ook ruimte voor het gebruik van eigen meetgegevens. Voor LNG geldt dat de emissies van vervloeiing, transport en hervergassing expliciet zijn uitgesloten van deze standaardwaarden en afzonderlijk moeten worden bepaald. De verordening verwijst voor de bepaling van methaanemissies bij productie en transport van buiten de EU naar de Methaanverordening. Als onderdeel daarvan wordt naar verwachting in 2027 een database uitgebracht met methaanemissies bij transport. Producenten mogen in de tussentijd terugvallen op literatuurwaarden. De verwachting is echter dat eventuele investeringsbeslissingen pas volgen wanneer de uiteindelijke database is vastgesteld.
Hanteert u bij CO2-afvang als maatstaf de totale emissiereductie op installatieniveau, of volstaat afvang op afzonderlijke deelstromen? Kunt u dit precies toelichten?
De SDE++, het belangrijkste instrument voor het stimuleren van grootschalige CO2-reductie, verleent subsidie aan de projecten die het meest kosteneffectief CO2 reduceren. Het Planbureau voor de Leefomgeving, dat over de belangrijkste parameters van de SDE++ adviseert, kijkt hiervoor naar de scope 1 en scope 2 emissies van de verschillende technologieën die voor SDE++-subsidie in aanmerking komen. Voor CO2-afvang betekent dit dat ook de emissies van de energie die nodig is voor het afvangen en eventueel comprimeren of vervloeien van CO2 wordt meegenomen bij de berekening van de CO2-reductie per opgeslagen ton CO2.
Welke eisen gelden voor permanente opslag, monitoring, aansprakelijkheid, eventuele lekkages en langjarige nazorg van opgeslagen CO2?
Dergelijke eisen zijn vastgelegd in onder andere de Mijnbouwwet en de EU-ETS-richtlijn (Richtlijn 2003/87/EG). Deze wet- en regelgeving bepaalt bijvoorbeeld dat vergunningen voor CO2-opslag alleen worden verleend indien de risico's van CO2-opslag – zoals het weglekken van CO2 – voldoende zijn geborgd. Vervolgens zijn de exploitant van het transportsysteem en de opslagvergunninghouder verantwoordelijk voor respectievelijk de CO2 die wordt getransporteerd en opgeslagen. Nadat het opslagveld gevuld is, wordt deze door de vergunninghouder afgesloten en gemonitord gedurende een periode van (in beginsel) 20 jaar. Daarna, en pas als genoegzaam is aangetoond dat de CO2 goed is opgeslagen, wordt de vergunning ingetrokken en gaat het beheer en de verantwoordelijkheid voor de opslaglocatie over op de Staat. De voormalig vergunninghouder is verplicht te voorzien in de kosten voor het beheer gedurende een periode van 30 jaar. Daarnaast gelden de aansprakelijkheidsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Hierin is bepaald dat de Staat kosten op de voormalig vergunninghouder kan verhalen indien er onzorgvuldig is gehandeld voorafgaand aan de intrekking van vergunning.
Kunt u per industriecluster aangeven waar u blauwe waterstof nog als reële transitieroute ziet, met welke orde van grootte aan volumes, voor welke periode en onder welke afbouwvoorwaarden?
Koolstofarme waterstof vormt een reële transitieroute met een aanzienlijk emissiereductiepotentieel bij het verduurzamen van onvermijdelijke reststromen overeenkomstig de voornoemde beleidsverkenning4. Vanwege de lage ketenemissies, de bijdrage aan strategische onafhankelijkheid en de rol in een circulaire economie, blijven deze stromen op de lange termijn relevanter dan aardgasroutes. Om deze ontwikkeling te stimuleren, wordt de SDE++-ronde 2026 uitgebreid voor productie van koolstofarme waterstof uit restgassen en restafval.
De totale potentiële CO2-reductie via koolstofarme waterstof bij bestaande installaties en via reststromen wordt geschat op ruwweg 15 megaton. Het grootste deel van dit potentieel bevindt zich in de clusters Rotterdam-Moerdijk en Zeeland, met gezamenlijk circa 700 kiloton waterstofproductie uit restgassen. Daarnaast is er een initiatief op Chemelot voor de productie van 55 kiloton koolstofarme waterstof uit restafval. De potentiële vraag in de clusters Noord-Nederland, Noordzeekanaalgebied en cluster 6 wordt lager ingeschat. Het betreft hier met name processen op hoge temperatuur die uitdagend of niet te elektrificeren zijn. De omvang hiervan is onzeker, mede omdat groen gas of hybride technologieën alternatieven kunnen zijn. Aangezien volumes op clusterniveau herleidbaar kunnen zijn tot individuele bedrijven en projecten, worden deze niet gedeeld.
Er zijn inmiddels al investeringsbeslissingen genomen voor verduurzaming van productie-installaties voor grijze waterstof, die ruim 3 megaton CO2-reductie opleveren. Hierbij wordt 50–60% van de CO2-emissies afgevangen, waardoor de geproduceerde waterstof doorgaans niet voldoet aan de Europese definitie van koolstofarme waterstof (zie beantwoording vraag 5). De Europese Commissie stelt dit echter niet als voorwaarde voor subsidie, aangezien alleen de CCS-component wordt vergoed. Dit geldt ook voor koolstofarme waterstof uit reststromen. Voor eventuele steun aan nieuwe productie van koolstofarme waterstof uit aardgas is de verwachting dat wel aan deze definitie moet worden voldaan.
Klopt het dat het kabinet in februari 2025 voor ammoniakproductie een uitzonderingspercentage van 60% consulteerde, mede rekening houdend met CCS en andere vormen van koolstofarme waterstof? Op basis van welke aannames over kosten, volumes en beschikbaarheid is dat percentage gekozen?
Op 29 april jl. is het wetsvoorstel jaarverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industrie bij de Kamer ingediend. Hierin is opgenomen dat het kabinet voornemens is om de ammoniaksector voor 60% uit te zonderen van deze voorgenomen jaarverplichting. In de achterliggende periode heeft het kabinet de Kamer verscheidene keren geïnformeerd over deze ammoniakuitzondering met inbegrip van de overweging van het percentage van 60% en het niet kunnen uitvoeren van de aangenomen motie om de ammoniaksector volledig vrij te stellen. Hiervoor verwijs ik naar de Kamerbrief «Voortgang waterstofbeleid» d.d. 14 juli 20255 die onder meer ingaat op de motie van Flach c.s. over de volledige vrijstelling van de ammoniaksector6. Reden voor het gedeeltelijk uitzonderen is gelegen in de beperkte technische haalbaarheid om over te stappen op hernieuwbare waterstof, zoals nader onderbouwd in de memorie van toelichting bij het voornoemd wetsvoorstel jaarverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industrie. Ammoniakproducenten kunnen op andere wijze hun productieprocessen verduurzamen. Yara Sluiskil gaat jaarlijks 0,8 megaton CO2 afvangen voor opslag in Noorwegen, ondersteund door een maatwerksubsidie van € 30 miljoen. OCI verkent de inzet van koolstofarme waterstof uit afvalvergassing via het FUREC-project van RWE. Over nadere financiële gegevens worden geen uitspraken gedaan gezien het om bedrijfsgevoelige gegevens gaat.
Hoe voorkomt u dat tijdelijke inzet op blauwe waterstof feitelijk leidt tot langdurige fossiele lock-in, verdringing van elektrificatie of vertraging van groene waterstof?
Het kabinet ziet koolstofarme waterstof als een transitietechnologie voor emissiereductie. Voor de routes waarop het kabinet zich richt, is het risico op fossiele lock-in beperkt. De grootste potentie ligt in de verduurzaming van onvermijdelijke restgassen in de petrochemie. Omdat deze stromen inherent zijn aan het productieproces en in de toekomst ook een biogene oorsprong kunnen krijgen, leiden zij niet tot nieuwe fossiele afhankelijkheden. Ook voor de productie van waterstof uit restafval kan er een rol op lange termijn blijven. Bestaande waterstoffabrieken (smr-installaties) die op aardgas draaien worden ondertussen geleidelijk uitgefaseerd, gedreven door de opschaling van hernieuwbare waterstof, de resterende emissies bij toepassing van CCS en de krimp van de fossiele raffinagesector waar zij nu aan leveren. De door het kabinet voorgestelde toenemende verplichtingen voor hernieuwbare waterstof in de industrie en het vervoer versterken deze beweging weg van productie op basis van fossiel.
Het kabinet beschouwt elektrificatie als de voorkeursroute waar dat technisch en economisch haalbaar is en verwacht dat koolstofarme waterstof zich zal concentreren in sectoren zonder reëel elektrisch alternatief. Het ligt niet voor de hand om in sectoren waar elektrificatie op termijn de logische oplossing is alternatieve transitiepaden te volgen.
Bent u bereid de Kamer voortaan jaarlijks te informeren over de kosten, emissiereductie, capture rate, benuttingsgraad van CO2-infrastructuur en het publieke risicoprofiel van projecten die samenhangen met blauwe waterstof?
Deze informatie is al grotendeels via openbare rapporten beschikbaar. De jaarlijkse rapportage van de interviews met de Top-60 uitstoters, het dashboard Klimaatbeleid en de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) geven inzicht in de (verwachte) emissiereductie en capture rate, en daarmee ook de verwachte benuttingsgraad van Nederlandse infrastructuurprojecten als Porthos en Aramis. De kosten van de CCS- en koolstofarme waterstofprojecten zijn doorgaans vertrouwelijk; publieke kosten en risico’s kunnen worden gedeeld met uw Kamer.
Diepzeemijnbouw |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen , van Essen , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA)-Raad van maart 2026 het besluit heeft genomen om onderzoek naar mogelijke schendingen van contractuele verplichtingen door contractanten voort te zetten, en welke positie heeft Nederland hier tijdens de Raad over ingenomen?
Is er voor Nederland nog een bijzondere rol binnen de ISA weggelegd, aangezien één van de contractanten een Zwitsers-Nederlands bedrijf is? Zijn er door de ISA ook directe vragen gesteld aan de Nederlandse overheid? Zo ja, wat was de reactie van het kabinet hierop?
Bent u bekend met het rapport «Inquiry On Potential Breaches By ISA Contractors» van Greenpeace International1?
Kunt u bevestigen dat Allseas inderdaad valt onder het ISA-onderzoek, aangezien in het rapport staat dat Allseas, via dochterbedrijf Blue Minerals Jamaica (BMJ) en de samenwerking met TMC, mogelijk onder het lopende ISA-onderzoek valt naar overtreding van contractregels?
Erkent u dat Allseas een sleutelpositie inneemt binnen de plannen voor diepzeemijnbouw door The Metals Company via de Amerikaanse vergunningaanvraag, aangezien het bedrijf de essentiële technologie en het diepzeemijnbouwschip «Hidden Gem» levert? Hoe weegt u deze rol?
Erkent u dat Nederland, gezien de betrokkenheid van een Nederlands bedrijf in deze keten, daarmee ook een sleutelrol vervult en een verantwoordelijkheid draagt om het mandaat van de ISA en het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) actief te beschermen en te handhaven?
Het kabinet heeft eerder met Allseas gesproken naar aanleiding van de motie-Postma, en heeft daarbij benadrukt dat Nederland staat voor de integriteit van UNCLOS en dat diepzeemijnbouw in internationale wateren alleen binnen het ISA-kader mag plaatsvinden; wat was de reactie van Allseas op deze boodschap? Heeft het bedrijf zich daarbij expliciet gecommitteerd om uitsluitend binnen het ISA-kader te opereren?
Gezien het feit dat Allseas de plannen om via de Verenigde Staten buiten het ISA-kader te opereren voortzet en een dergelijke vergunning op korte termijn verleend kan worden, welke concrete stappen zal Nederland zetten op het moment dat zo’n buitenlandse vergunning wordt verleend voor diepzeemijnbouw buiten het ISA-kader, waarbij een Zwitsers-Nederlands bedrijf zoals Allseas betrokken is?
De uitspraken van minister Boekholt-O’Sullivan in The Guardian inzake het aanpassen van het energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw eigen uitspraken in The Guardian van 23 maart 2026, waarin u het dagelijks energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers ter discussie stelt en vergelijkingen trekt met rantsoenering tijdens militaire missies in Afghanistan?1
Ja.
U verklaarde dat u in Afghanistan «een muntje kreeg voor de douche en een muntje om naar huis te bellen» en voegde toe dat burgers «afspraken moeten maken, want het aanbod is niet oneindig.» – welk concreet beleid vloeit uit deze uitspraak voort, en welke vormen van rantsoenering, tokensystemen, quota of verbruiksplafonds voor energie, water of andere nutsvoorzieningen worden door het kabinet overwogen of voorbereid?
Zoals ik in mijn brief van 26 maart aan de Kamer heb laten weten, had ik mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen en dit voorbeeld niet moeten gebruiken. Er vloeit geen beleid voort uit deze voorbeelden.
Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse burger zijn gedrag zou moeten aanpassen – zoals de wasmachine ’s nachts aanzetten – terwijl het overbelaste elektriciteitsnet het gevolg is van geforceerde elektrificatie zonder adequate uitbreiding van de infrastructuur?
De oproep om stroom waar mogelijk buiten piekuren te gebruiken, is geen afwenteling op huishoudens maar een praktische maatregel om het elektriciteitsnet doelmatiger te benutten. Dit sluit aan bij de rijkscampagne Zet ook de knop om. De netbeheerders werken hard aan uitbreiding van de infrastructuur; het kabinet ondersteunt dit met een Versnellingsaanpak om de doorlooptijden van realisatie te verkorten. Daarnaast werken het kabinet en betrokken partijen aan maatregelen om het bestaande net efficiënter te benutten. Zie daartoe ook bijvoorbeeld de brief van de (vorige) Minister van KGG van 4 februari 2026 over het aansluitoffensief netcongestie.
Bestaan er binnen uw ministerie of de regering ambtelijke verkenningen, notities of scenariostudies over het beperken, reguleren of rantsoeneren van huishoudelijk energieverbruik, en bent u bereid deze naar de Kamer te sturen?
Voor zover binnen de overheid stukken zijn over netcongestie, flexibiliteit of vraagsturing, hebben die betrekking op beter gebruik van schaarse capaciteit, door bijvoorbeeld gebruik buiten de piekuren te stimuleren, en niet op het beperken van huishoudelijke vrijheden via rantsoenering.
Welke tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens worden door het kabinet overwogen, op welke wettelijke grondslag, en hoe zou de handhaving en controle daarvan eruitzien?
In het kabinetsbeleid voor spreiding van elektriciteitsverbruik door huishoudens is vrijwilligheid het uitgangspunt. Het kabinet overweegt geen tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens op grond van een publiekrechtelijk dwingend regime. Wel wordt toegewerkt naar de invoering van tijdafhankelijke nettarieven voor kleinverbruikers om dit te stimuleren, waarbij gebruikers worden ontzorgd door slimme apps voor energiemanagement om net-intensieve apparaten, zoals warmtepompen en thuislaadpalen, automatisch optimaal in te zetten2.
Op basis van welke norm of maatstaf concludeert u dat de gemiddelde Nederlander te veel ruimte, energie of water verbruikt, en welke maatregelen – zoals woningdelingsregelingen, verplichte kamerverhuur of andere vormen van woonruimteverdeling – overweegt de regering om het aantal kamers per persoon terug te dringen van 2,1 naar het Europees gemiddelde van 1,7?
Ik hanteer geen norm waaruit zou volgen dat de gemiddelde Nederlander «te veel» ruimte, energie of water gebruikt. Het kabinet bereidt geen maatregelen voor zoals verplichte woningdeling, verplichte kamerverhuur of een norm voor het aantal kamers per persoon. Zoals ik in mijn brief van 26 maart jongstleden heb aangegeven had ik mijn woorden in het interview zorgvuldiger moeten kiezen.
Deelt u de mening dat het tekort aan netcapaciteit niet was ontstaan als Nederland zijn eigen aardgasvoorraad niet vroegtijdig had afgebouwd, en wat zijn de totale kosten geweest van het dichtdraaien van de gaskraan in Groningen, inclusief de import van buitenlands gas en het ontmantelen en overdragen aan Oekraïne van ons gaspompsysteem?
Die mening deel ik niet. Netcongestie is een probleem van elektriciteitsinfrastructuur en piekbelasting en dat staat los van de vraag of aardgasproductie uit Groningen langer had moeten doorgaan. Na de aardbevingen van 2018 in Zeerijp besloot het kabinet om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel mogelijk volledig te beëindigen. Op 19 april 2024 is met brede parlementaire steun gaswinning uit het Groningenveld definitief wettelijk beëindigd. Daarbij zijn alle overwegingen en perspectieven inclusief geopolitieke factoren en leveringszekerheid uitgebreid en zorgvuldig gewogen. Het belang van energiezekerheid spreekt voor zich. Het kabinet zit daar bovenop.
In hoeverre is het woningtekort direct te herleiden tot massale immigratie, gezien het feit dat de Nederlandse bevolking enkel nog kunstmatig groeit door migratie, en waarom kiest de regering voor grootschalige bijbouw in plaats van het aanpakken van deze oorzaak?
Het beleid van het kabinet is zowel gericht op het toevoegen van woningen om het woontekort aan te pakken als ook op minder instroom.
In de «Primos-prognose 2025, Prognose van bevolking, huishoudens en woningbehoefte» laat ABF Research zien hoe de door ABF verwachte woningbouw in de komende 15 jaar opgedeeld kan worden. Met 45% van de woningbouw wordt de groei van de bevolking opgevangen. Met 25% wordt voorzien in extra vraag naar woningen doordat huishoudens kleiner worden (minder mensen per woning). Met 14% wordt de geraamde sloop van woningen gecompenseerd. Met de resterende 16% wordt het woningtekort teruggedrongen. Voor de bevolkingsgroei geldt vervolgens dat deze voor 95% ontstaat door migratie. De basis achter deze prognose van ABF zijn de CBS-bevolkingsprognoses.
Hoe verhoudt uw oproep tot «eenvoudiger leven» zich tot het feit dat de Nederlandse burger al tot de hoogst belaste ter wereld behoort, en erkent u dat de werkende middenklasse onevenredig hard wordt geraakt door de gecombineerde lasten van de woningcrisis, het klimaatbeleid en de kosten van immigratie?
Ik onderken dat veel huishoudens druk ervaren door woonlasten, energiekosten en bredere kosten van levensonderhoud. Het kabinet zet zich in om die druk te verminderen, onder meer door maatregelen gericht op het verlagen van woonlasten, het verbeteren van betaalbaarheid en het versterken van de koopkracht van huishoudens.
Welke klimaat- en stikstofregelgeving die woningbouw belemmert is het kabinet bereid op te schorten totdat het woningtekort is opgelost, en indien geen enkele: waarom weegt deze regelgeving zwaarder dan adequate huisvesting?
Het kabinet is niet voornemens klimaat- of stikstofregelgeving generiek op te schorten. De inzet is om woningbouw sneller mogelijk te maken binnen de geldende wettelijke kaders, onder meer via vereenvoudiging van procedures, financiële stimulansen en maatregelen om knelpunten zoals stikstof en netcongestie te verminderen. Natuur- en klimaatmaatregelen zijn juist noodzakelijk met het oog op een gezonde en duurzame leefomgeving. Adequate huisvesting en de bescherming van natuur, klimaat en leefomgeving zijn publieke belangen die in samenhang moeten worden gediend.
De hoge energieprijzen naar aanleiding van de Iran oorlog |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
In de brief aan de Kamer van 16 maart 2026 geeft het kabinet aan de situatie nauwlettend te volgen en de komende periode potentiële maatregelen, inclusief de financiële consequenties, verder uit te werken: kunt u aangeven wanneer de Kamer de uitwerking van deze mogelijke maatregelen kan verwachten1?
Als bijlage bij de brief2 acties weerbaarheid energieschok is een overzichtstabel opgenomen met mogelijke maatregelen.
In dezelfde brief geeft het kabinet aan dat deze mogelijke maatregelen pas in augustus kunnen worden betrokken bij de bredere besluitvorming over lasten en koopkracht: begrijpt u dat energiestations in de grensregio en energie-intensieve bedrijven nu al onder grote financiële druk staan en dat het voor hen simpelweg niet haalbaar is om tot augustus te wachten?
Het kabinet begrijpt de zorgen van burgers en bedrijven goed. Op korte termijn neemt het kabinet daarom een aantal maatregelen om de effecten van de economische schok bij burger en bedrijven op te vangen, de weerbaarheid op de langere termijn te vergroten en de onafhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen. Het kabinet heeft uw Kamer hier op 20 april per brief nader over geïnformeerd. De realiteit is echter ook dat de overheid de effecten van de energieschok niet volledig kan wegnemen. In deze brief gaat het kabinet ook uitgebreider in op met welke scenario’s rekening moet worden gehouden en welke type maatregelen er dan klaarliggen. Dit vraag telkens een zorgvuldige weging.
Kunt u aangeven wat de eerstvolgende mogelijkheid is voor de Kamer om eventuele maatregelen eerder dan augustus te behandelen en te besluiten?
Op korte termijn neemt het kabinet een aantal maatregelen om de effecten van de economische schok bij burger en bedrijven op te vangen, de weerbaarheid op de langere termijn te vergroten en de onafhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen. Dit voorstel wordt in de brief nader toegelicht. Het kabinet gaat hierover graag met uw Kamer in gesprek.
Heeft de Staat op dit moment extra inkomsten gegenereerd uit accijnzen en btw op brandstoffen als gevolg van de significant hogere adviesprijzen aan de pomp?
Indien dit het geval is, kunt u inzicht geven in de omvang van deze extra inkomsten?
Kunt u tevens aangeven wat het verwachte overschot zou zijn als deze prijsontwikkeling zich de komende periode voortzet?
Bent u van mening dat de situatie in het Midden-Oosten de druk op de energiemarkt verder vergroot en dat Nederland al jarenlang structureel hogere energieprijzen kent dan de omringende landen?
De huidige crisis in het Midden-Oosten onderstreept de kwetsbaarheid van Nederland door de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen uit het buitenland. Dit geeft zorgen en onzekerheid bij burgers en bedrijven over of de energierekening nog wel betaald kan worden en of de bedrijfsvoering in de huidige vorm kan worden voortgezet. Het is daarom belangrijk om weerbaarder te worden voor energieschokken, zodat de energiekosten voor burgers en bedrijven voorspelbaarder worden en het aanbod van energie meer in eigen hand hebben. Om de afhankelijkheid van olie- en gas verder te verminderen en de energiekosten structureel te verlagen, zet het kabinet in op het vergroten van energiezekerheid en betaalbare energie van eigen bodem. Daarnaast neemt het kabinet op korte termijn een aantal maatregelen om de energiekosten voor burgers en bedrijven te verlagen. Zo wordt voor 2026 onder andere extra budget vrijgemaakt voor het Warmtefonds en wordt versneld geld uit het Klimaatfonds overgeheveld om het MKB te ondersteunen bij het nemen van energiebesparende maatregelen. Ook wordt de onbelaste reiskostenvergoeding verhoogd en de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s van ondernemers en vrachtwagens verlaagd.
Kunt u toelichten op welke wijze het kabinet werkt aan een structurele oplossing voor de hoge energiekosten, in plaats van tijdelijke maatregelen, zodat het ondernemersklimaat duurzaam wordt versterkt?
Zie antwoord vraag 7.
De inzet op blauwe waterstof in de industrie |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oost-Groningen zet in op blauwe waterstof als betaalbare stap richting duurzame industrie. «Wie tempo wil maken kan hier niet omheen»»1?
Ja
Deelt u de constatering dat de ontwikkeling van blauwe waterstof in Nederland achterblijft, terwijl dit volgens het rapport «Naar een eerste regionaal industrieel waterstofcluster rond Oost-Groningen» van de New Energy Coalition wél een noodzakelijke tussenstap is om CO2-reductie te bewerkstelligen in de industrie?
Koolstofarme waterstof speelt een belangrijke rol in de verduurzaming van de industrie. Tegelijkertijd is het van belang onderscheid te maken tussen bestaande en nieuwe toepassingen en tussen verschillende vormen van koolstofarme waterstof. In de beantwoording van de volgende vragen ga ik hier nader op in.
Kunt u verduidelijken welke concrete rol u ziet voor blauwe waterstof in het energiesysteem van de toekomst, zowel als vervanger in het opschalen van de Nederlandse waterstofketen en als tijdelijk alternatief voor aardgas?
In de Kamerbrief voortgang waterstofbeleid van 14 juli 20252 is de beleidsverkenning koolstofarme waterstof. In deze verkenning heeft het kabinet aangegeven dat het beleid voor koolstofarme waterstof zich vooral richt op het verduurzamen van bestaande grijze waterstofproductie, waterstofproductie uit restafval en de verduurzaming van restgassen in de petrochemie. Daarbij merk ik op dat blauwe waterstof op systeemniveau geen vervanger van aardgas is. Voor de productie ervan is door energieverliezen in de keten juist meer aardgas vereist dan de hoeveelheid die wordt vervangen. Nieuwe productie van blauwe waterstof uit aardgas vergroot daarmee de afhankelijkheid van aardgas(import) in plaats van deze te verminderen.
Directe elektrificatie is de voorkeursroute voor de verduurzaming van de industrie. Waterstof is met name een optie voor proceswarmte op hoge temperaturen of processen die een vlam vereisen. Voor deze toepassingen ziet het kabinet een mogelijke rol weggelegd voor koolstofarme waterstof. De beschikbaarheid van een alternatief zoals groen gas zal mede bepalen of nieuwe koolstofarme waterstofprojecten noodzakelijk zijn om de beoogde sectoren te verduurzamen. De in het voorjaar 2025 aangekondigde bijmengverplichting voor CO2-vrije energiedragers (waterstof) in gascentrales en bijbehorende subsidie voor ombouw van gascentrales is komen te vervallen. Hierdoor wordt op korte termijn geen grootschalige vraag voorzien in regelbaar vermogen met inzet van (blauwe) waterstof.
Op dit moment werkt het kabinet aan de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), dat een gedetailleerd beeld geeft van de rol van waterstof in ons energiesysteem, inclusief een reflectie op de rol van koolstofarme waterstof. Momenteel vindt een uitgebreide consultatie met de sector plaats over de actualisatie van het NPE. Het NPE bouwt hierbij voort op voornoemde beleidsverkenning koolstofarme waterstof.
Hoe beoordeelt u de huidige ontwikkeling en de concurrentiepositie van blauwe waterstof in Nederland ten opzichte van omringende landen?
In het algemeen heeft Nederland een goede uitgangspositie voor blauwe waterstof indien wordt gekeken naar bestaand aardgasinfrastructuur met inbegrip van LNG-faciliteiten en de waterstof- en CO2-infrastructuur die in ontwikkeling is. De onzekerheden rondom marktontwikkeling, kosten en vraag naar additioneel koolstofarme waterstof zijn groot. Bij blauwe waterstof blijft Nederland grotendeels afhankelijk van import van fossiele grondstoffen in plaats van deze af te bouwen. De vergelijking met omringende landen is niet eenvoudig te maken. Dit is mede afhankelijk van de samenstelling en omvang van de energie-intensieve industrie en de toekomstige industriële vraag naar waterstof in relatie tot andere verduurzamingsroutes als elektrificatie, groen gas en CCS, en de beleidskeuze voor de rol van waterstof in CO2-vrije elektriciteitsproductie.
Hoe verklaart u het huidige trage tempo van projecten voor blauwe waterstof, mede in het licht van recente uitstel of afstel van grootschalige initiatieven?
Ik heb kennisgenomen van de verschillende initiatieven voor nieuwe blauwe waterstofproductie en de besluiten die een aantal initiatiefnemers hebben genomen om hun projecten uit te stellen of stop te zetten. Dit illustreert de onzekerheden die er zijn over de vraag naar koolstofarme waterstof om te komen tot lange-termijnafnamecontracten. Dit komt ook omdat vraag naar koolstofarme waterstof uit buurlanden achterblijft, terwijl deze doorgaans een belangrijke potentiële afzetmarkt biedt voor nieuwe projecten die koolstofarme waterstof willen produceren. Het kabinet maakt nu tempo met het verduurzamen van bestaande grijze waterstofproductie en industriële restgassen, omdat hier het grootste potentieel zit, ook richting de klimaatdoelen voor 2030.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat projecten op het gebied van blauwe waterstof uitwijken naar het buitenland vanwege ongunstige randvoorwaarden in Nederland?
Zoals beschreven onder vragen 3 en 5, focust de beleidsinzet van het kabinet op het gebied van koolstofarme waterstof zich op het verduurzamen van het bestaande gebruik van grijze waterstof, waterstofproductie uit restafval en de verduurzaming van restgassen in de petrochemie. Voor projecten die op deze wijze koolstofarme waterstof willen produceren, heeft het kabinet ook maatregelen genomen om ze van de grond te krijgen, bijvoorbeeld via aanpassingen in de SDE++. In aanvulling hierop zet het kabinet in op het op orde krijgen van de randvoorwaarden om de industrie in Nederland te verduurzamen. Hierbij is de inzet van hernieuwbare en koolstofarme waterstof een middel en geen doel.
In hoeverre ziet u het gebrek aan stabiel en voorspelbaar beleid als belangrijke belemmering voor investeringsbeslissingen in o.a. de industrie op het gebied van blauwe waterstof?
Het kabinet is zich ervan bewust dat de industrie gebaat is bij duidelijkheid en lange-termijnzekerheid om investeringsbeslissingen te kunnen nemen. Zo is het kabinet aan de slag met de implementatie van de herziene richtlijn hernieuwbare energie (RED-III) en het realiseren van de benodigde infrastructuur voor waterstof- en CO2-transport en -opslag. Met de beleidsverkenning koolstofarme waterstof in de Kamerbrief voortgang waterstofbeleid van 14 juli 2025 is invulling gegeven aan de beoogde beleidsinzet op koolstofarme waterstof, zoals beschreven onder vragen 3 en 5.
Hoe voorkomt u dat een te absolute focus op groene waterstof op korte termijn de ontwikkeling van blauwe waterstof vertraagt, terwijl deze ontwikkeling juist kan bijdragen aan snelle CO2-reductie?
In het beleid wordt ingezet op zowel de opschaling van hernieuwbare waterstof als de verduurzaming van bestaande grijze waterstofproductie en industriële restgassen door toepassing van CCS. Het kabinet ziet potentieel om via deze vormen van koolstofarme waterstof op snelle wijze CO2-reductie in de industrie te realiseren en hiervoor worden via de SDE++ middelen voor vrijgemaakt. Daarnaast zet het kabinet zich ook in op het realiseren van de benodigde infrastructuur voor waterstof- en CO2-transport en -opslag. Vanwege verplichtingen in RED-III moet het kabinet ook fors inzetten op het opschalen van hernieuwbare waterstof voor de industrie, wat tevens ook de bandbreedte bepaalt voor de inzet van koolstofarme waterstof.
Hoe voorkomt u dat de volgorde die u tijdens het commissiedebat Waterstof, groen gas en andere energiedragers op 4 maart 2026 schetste met betrekking tot de voorwaarden voor de inzet van blauwe waterstof (eerst het systeem en pas daarna concrete randvoorwaarden en ondersteuning) in de praktijk leidt tot uitstel en vertraging, terwijl snelheid maken met CO2-reductie juist een reden is om blauwe waterstof in te zetten?
Zie de beantwoording op vragen 3, 5 en 6.
Bent u bereid om vooruitlopend op het volledige systeemplaatje op korte termijn in ieder geval de voorlopige kaders en voorwaarden voor de productie en inzet van blauwe waterstof te schetsen, zodat kansrijke projecten niet onnodig vertragen of Nederland verlaten? Zo nee, waarom niet?
De voorlopige kaders en voorwaarden voor de verschillende routes voor de productie en inzet van koolstofarme waterstof zijn geschetst in voornoemde Kamerbrief van 14 juli 2025 en in deze beantwoording nader toegelicht. Het kabinet zal in de actualisatie van het NPE schetsen hoe koolstofarme waterstof past in de bredere systeemontwikkeling.
Het rapport 'Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen; effecten van beleid' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen; effecten van beleid»?1
Ja, dit rapport uit 2007 is mij bekend.
Kunt u bevestigen dat in dit rapport wordt gesteld dat bij aanwezigheid van wolven interacties met recreanten voor de hand liggen en dat (zelfs dodelijke) ongelukken met mensen, waaronder kinderen, niet volledig kunnen worden uitgesloten?
Ja. In het rapport wordt aangegeven dat, bij een introductie van wolven in de Amsterdamse Waterleidingduinen, interacties met recreanten voor de hand liggen gezien het grote aantal bezoekers.
Hoe beoordeelt u deze constatering in het licht van de huidige situatie waarin wolven zich structureel in Nederland lijken te vestigen?
Ik vind het zeer onwenselijk dat mensen met wolven in contact komen en zet me in om incidenten tegen te gaan. Interacties tussen wolven en mensen zijn in de bestaande leefgebieden van wolven helaas niet volledig uit te sluiten.
Welke criteria hanteert u om te bepalen wanneer sprake is van een voorzienbaar risico voor burgers door de aanwezigheid van wolven?
Er bestaan momenteel geen eenduidige criteria voor een voorzienbaar risico. In leefgebieden van wolven bestaat altijd de kans op contact tussen een mens en een wolf. Via het Landelijk Informatiepunt Wolven wordt informatie gegeven hoe burgers kunnen handelen in het geval er een ontmoeting met een wolf plaatsvindt. Met deze informatie wordt het risico op incidenten zo veel mogelijk verkleind.
Daarnaast ga ik ook verder met de voorbereiding van een algemene maatregel van bestuur (AMvB), waar mijn voorganger zich hard voor heeft ingezet. In deze AMvB zijn criteria opgenomen voor de bepaling of sprake is van een «probleemwolf» of een «probleemsituatie met een wolf». Hieraan zijn specifieke beoordelingsregels gekoppeld voor het doden van wolven die daadwerkelijk een (ernstige) bedreiging voor mensen en gehouden dieren kunnen vormen, of voor het tijdelijk wegvangen met het oog op het aanbrengen van een zender zodat een wolf die mogelijk problemen voor mensen kan gaan veroorzaken kan worden gevolgd. De AMvB voorziet in wijziging op dit punt van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Waar zijn deze criteria beleidsmatig of juridisch vastgelegd?
Zie het antwoord op vraag 4.
Erkent u dat een expliciete afweging tussen deze belangen noodzakelijk is wanneer bescherming van een diersoort structureel botst met grondrechten van burgers?
Bij het maken van beleid zal steeds een zorgvuldige afweging moeten plaatsvinden tussen de verschillende relevante belangen enerzijds en verplichtingen anderzijds, binnen de kaders van de Europese wetgeving. De Habitatrichtlijn biedt ook bij beschermde diersoorten mogelijkheden voor ingrijpen als bijvoorbeeld de veiligheid of de volksgezondheid in het geding komen.
Op welke wijze wordt binnen het wolvenbeleid rekening gehouden met de veiligheid van recreanten in drukbezochte natuurgebieden, waaronder gezinnen met kinderen?
Ik wil er met de eerder genoemde AMvB voor gaan zorgen dat incidenten zoveel mogelijk beperkt worden. Slechts wanneer incidenten onvoldoende voorkomen kunnen worden, zal het mogelijk sluiten van gebied een optie zijn. Provincies, gemeenten en terreineigenaren van recreatiegebieden maken met elkaar afspraken over de veiligheid van recreanten. Waar nodig wordt informatie verstrekt over de aanwezigheid van wolven in het gebied en hoe te handelen bij een eventuele confrontatie en in het uiterste geval kunnen gebieden tijdelijk worden afgesloten.
Zijn er actuele risicoanalyses uitgevoerd naar mogelijke interacties tussen wolven en mensen in Nederlandse natuurgebieden? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Terreineigenaren kunnen samen met provincies en burgemeesters, als bevoegd gezag, per gebied risicoanalyses uitvoeren wanneer zij hiertoe aanleiding zien. Mij zijn geen risicoanalyses bekend.
Op welke wijze wordt binnen het wolvenbeleid invulling gegeven aan de zorgplicht van de overheid voor de bescherming van het recht op leven en veiligheid van burgers, zoals onder meer beschermd in artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?
Ik vind veiligheid heel belangrijk en werk daarom aan de AMvB zoals genoemd in het antwoord op vraag 4. Bij het maken van beleid worden steeds de verschillende relevante belangen en wettelijke plichten en taken mee. Waar het de belangenafweging betreft in samenhang met de bescherming van diersoorten, wordt verwezen naar het antwoord op vraag 6.
Hoe worden het recht op privéleven en woning (artikel 8 EVRM) en het eigendomsrecht (artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM) betrokken bij de afwegingen binnen het wolvenbeleid?
Ook het eigendomsrecht is een op grond van de Habitatrichtlijn erkend belang dat ingrijpen bij beschermde diersoorten kan rechtvaardigen. Het recht op privéleven en woning, is een recht dat zich primair doet gelden tegen inbreuken door de overheid, en indirect ook een verplichting in zich houdt voor de overheid om maatregelen tegen inbreuken door andere burgers of bedrijven te treffen. Het artikel ziet niet op wolven. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Welke protocollen en interventiemaatregelen bestaan er voor situaties waarin wolven afwijkend of potentieel gevaarlijk gedrag vertonen richting mensen?
Provincies hebben in hun provinciale Wolvenplan 2025 interventierichtlijnen vastgelegd.2 In deze interventierichtlijnen wordt ook aandacht besteed aan situaties waarin wolven afwijkend of potentieel gevaarlijk gedrag vertonen richting mensen. De Vereniging Nederlandse Gemeenten heeft een handelingsperspectief voor burgemeesters opgesteld met daarin eveneens aandacht voor situaties waarin wolven afwijkend of potentieel gevaarlijk gedrag vertonen richting mensen.3 Beide documenten zijn openbaar beschikbaar.
Wie draagt bestuurlijk en juridisch de verantwoordelijkheid indien zich een ernstig (mogelijk dodelijk) incident voordoet tussen een wolf en een mens en hoe is deze verantwoordelijkheid vastgelegd?
De verantwoordelijkheid voor de veiligheid ligt op grond van de Gemeentewet bij de burgemeester, die in dat kader ook bijzondere (nood)bevoegdheden heeft. Gedeputeerde staten van de provincies zijn verantwoordelijk voor de vergunningverlening voor het afschot van probleemwolven of het vangen van wolven met het oog op het zenderen en monitoren als er een probleemsituatie met de wolf. Met de AMvB neem ik mijn verantwoordelijkheid om ernstige incidenten zo veel mogelijk te voorkomen.
Aangezien wolven geen gehouden dieren zijn, geldt op dit punt geen risicoaansprakelijkheid. Ten algemene is de overheid aanspreekbaar in het civiele recht als zij onrechtmatig heeft gehandeld, waaronder begrepen handelen of nalaten in strijd met de zorgvuldigheid die de overheid betaamt. Er wordt zo goed mogelijk invulling gegeven aan het wolvenbeleid om incidenten zoveel mogelijk te voorkomen. Met de in het antwoord op vraag 4 genoemde AMvB steun ik provincies en burgemeesters hier zo goed mogelijk in.
Kunt u toelichten welke mogelijkheden burgemeesters hebben om op te treden in situaties waarin wolven mogelijk een gevaar vormen voor inwoners of recreanten?
Een burgemeester kan op grond van artikel 175 of 176 van de Gemeentewet een noodbevel geven of noodverordening te stellen als sprake is van limitatief opgesomde uitzonderlijke situaties in het kader van de bescherming van de openbare orde en veiligheid. Bij de invulling van de vraag of sprake is van zulke omstandigheden komt de burgemeester een zekere beoordelingsruimte toe. Wel wordt de noodbevoegdheid restrictief uitgelegd. Aan de hand van specifieke omstandigheden zal in een concrete situatie moeten worden beoordeeld of deze situatie zich voordoet. Het gaat dan bijvoorbeeld om de situatie dat een wolf zich in de nabijheid van mensen ophoudt en blijk geeft van een agressieve houding. Een noodbevel kan bijvoorbeeld worden ingezet om een eigenaar van een landgoed op te dragen dat grondgebied voor het publiek gesloten te houden bij ernstig gevaar van één of meerdere wolven. Noodverordeningen worden gehanteerd voor een algemeen verbod voor personen om in een risicovol gebied aanwezig te zijn. Een noodbevel van de burgemeester is veelal van tijdelijke aard, en ook alleen mogelijk in die situaties waarin de inzet van de reguliere bevoegdheden van het desbetreffende provinciebestuur op grond van de Omgevingswet niet kan worden afgewacht.
Met de AMvB wordt het mogelijk om wolven zonder vergunning te verjagen. Ook zal de AMvB burgemeesters helpen om sneller en adequater op te treden in situaties waarin wolven mogelijk een gevaar vormen voor inwoners of recreanten.
In hoeverre acht u deze mogelijkheden in de praktijk toereikend?
Ik realiseer me dat verschillende burgemeesters op zoek zijn naar de juiste mogelijkheden om in te kunnen grijpen bij incidenten met wolven. Zorgvuldige voorbereiding, duidelijke protocollen en afstemming met deskundigen zijn doorslaggevend om rechtmatig en effectief te kunnen handelen in situaties met wolven. Met de in het antwoord op vraag 4 genoemde AMvB steun ik hen hier zo goed mogelijk in. Ook het landelijk deskundigenteam dat in oprichting is, kan hierbij gaan helpen.
Kunt u daarnaast verklaren waarom burgemeesters in de praktijk terughoudend lijken te zijn om van deze bevoegdheden gebruik te maken?
Het is mij niet bekend dat burgemeesters terughoudend zijn bij het optreden in gevallen van incidenten met wolven. Zoals ik in het antwoord op vraag 14 heb aangegeven, realiseer ik me wel dat het niet eenvoudig is voor burgemeesters om een zorgvuldige afweging te maken bij hun handelen. Ik wil niet speculeren over de mogelijke beweegredenen van burgemeesters in de uitoefening van hun ambt.
Deelt u de opvatting dat onduidelijkheid over bevoegdheden kan leiden tot handelingsverlegenheid bij burgemeesters?
Ik ben van mening dat de bevoegdheden voor iedereen voldoende duidelijk zijn. Ondanks dat ben ik me er van bewust dat burgemeesters zich in een spanningsveld kunnen bevinden waarbij zij enerzijds verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de openbare orde en veiligheid en anderzijds moeten opereren binnen de strikte kaders van de Omgevingswet.
Waarom worden incidenten, angstbeleving, aantasting van leefbaarheid en economische schade in het wolvendossier vaak aangeduid als «maatschappelijke acceptatieproblemen» en niet als beleidsrelevante indicatoren voor veiligheid en leefbaarheid?
Voor mij zijn incidenten, angstbeleving en economische schade in het wolvendossier zeer relevante aspecten waar ik ook zeker rekening mee houd. Ik vind het heel belangrijk dat mensen zich veilig voelen in hun leefomgeving en dat ook het platteland leefbaar is en kinderen zonder angst naar school kunnen fietsen.
Het bericht dat Polen en Italië met acht andere lidstaten de aanval openen op de Europese CO2-beprijzing |
|
Daniël van den Berg (JA21), Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Polen en Italië openen met acht andere lidstaten aanval op Europese CO2-beprijzing»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere EU-lidstaten inmiddels openlijk aandringen op herziening, afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS vanwege de gevolgen voor energieprijzen, industrie en concurrentiekracht?
Het kabinet erkent de zorgen die er momenteel bestaan vanuit de energie-intensieve industrie. Om deze zorgen te ondervangen streeft het kabinet ernaar de hoge energiekosten te adresseren, een zoveel mogelijk gelijk Europees te borgen, verduurzaming van energie-intensieve industrieën te stimuleren, en investeringszekerheid te bewaken. Het EU ETS is het voornaamste instrument om verduurzaming in de EU te stimuleren en is daarmee cruciaal voor bovengenoemde ambities. Het instrument draagt bij aan de nodige investeringszekerheid voor langjarige investeringsbeslissingen en is kosteneffectief doordat het gebruik maakt van een marktmechanisme. EU-brede beleidsinstrumenten genieten bovendien een sterke voorkeur boven nationale alternatieven, waarmee een ongelijk Europees speelveld geriskeerd wordt.
Het afzwakken of uitstellen van het EU ETS zou extra onzekerheid geven voor de energie-intensieve industrie en bedrijven treffen die al hebben geïnvesteerd in verduurzaming. Daarbij draagt het EU ETS bij aan de wens van de EU en het kabinet om onafhankelijker te worden van fossiele energie uit derde landen, waarvan het belang door de huidige hoge energieprijzen opnieuw wordt onderstreept. Het kabinet is daarom voorstander van een goed functionerend ETS en heeft zich tijdens de afgelopen Milieuraad, Energieraad en Europese Raad, uitgesproken tegen afzwakking van het ETS, conform de motie van de leden Bushoff en Van Oosterhout. Het kabinet zal zich bij de herziening van het ETS (juli 2026) inzetten voor ondersteuning van de verduurzaming van de industrie, met specifieke aandacht voor koolstoflekkage-gevoelige sectoren.
Erkent u dat de kosten van het ETS in de praktijk niet beperkt blijven tot de papieren handel in emissierechten, maar via de elektriciteitsprijs en productiekosten rechtstreeks doorwerken in de rekening van bedrijven en uiteindelijk ook van consumenten?
Ja. Het deel van de ETS-rechten dat op de markt komt via veilingen leidt tot hogere kosten. Deze kosten kunnen vermeden worden wanneer bedrijven verder verduurzamen.
Waarom kiest u er niet voor zich actief aan te sluiten bij lidstaten als Polen en Italië die pleiten voor een fundamentele herziening of tijdelijke opschorting van het ETS?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 is het kabinet geen voorstander van een afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS.
Klopt het dat in de Europese discussie over concurrentievermogen en energieprijzen inmiddels expliciet wordt gewezen op de kosten die samenhangen met het ETS? Welke conclusies trekt u daaruit voor de Nederlandse inzet?
Het klopt dat een aantal lidstaten wijst op het effect van het ETS op de elektriciteitsprijzen. Gemiddeld op EU-niveau bestaat de elektriciteitsrekening voor industriële gebruikers voor ongeveer 11% uit ETS-kosten, met variaties afhankelijk van de elektriciteitsmix van de lidstaat. Andere componenten zijn energiekosten, netkosten en belastingen. Lidstaten hebben de mogelijkheid om indirecte ETS-kosten te compenseren via de indirecte kostencompensatie (IKC). In Nederland behelst het ETS gemiddeld ongeveer 7% van de elektriciteitsrekening van industriële gebruikers, exclusief kostencompensatie. Het kabinet heeft 0,5 miljard euro per jaar gereserveerd om voor Nederland indirecte kostenstijging te mitigeren.
De impact van het ETS op korte termijn moet tevens worden afgewogen tegen de rol die het ETS op de langere termijn speelt om de afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen. Zolang de EU voor haar energievoorziening en industriële productie sterk afhankelijk blijft van fossiele energie, blijft er een kwetsbaarheid bestaan voor externe schokken. Het huidige hoge prijsniveau van fossiele brandstoffen benadrukt eens te meer dat de energietransitie noodzakelijk is voor de leveringszekerheid en betaalbaarheid van energie. Wegens de belangrijke rol van het ETS voor de energietransitie, zet het kabinet daarom in op een sterk ETS.
Bent u bereid in Brussel te pleiten voor een tijdelijke noodrem of opschorting van onderdelen van het ETS zolang de energieprijzen uitzonderlijk hoog zijn en de concurrentiekracht van de Europese industrie verder onder druk staat? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de antwoorden op vraag 2 en vraag 5.
Deelt u de mening dat ETS-opbrengsten in de eerste plaats ten goede moeten gaan van de industrie en naar maatregelen die de energierekening en concurrentiedruk verlagen, in plaats van te worden gebruikt om nieuw klimaatbeleid verder op te tuigen?
Alle lidstaten zijn, op basis van de ETS-richtlijn, verplicht om de ETS-veilinginkomsten, of een financieel equivalent daarvan, te besteden aan klimaatbeleid. Het kabinet onderschrijft deze regel. De Nederlandse begroting kent een scheiding tussen inkomsten en uitgaven waardoor een directe koppeling tussen de ETS-opbrengsten en uitgaven niet mogelijk is. Wel zijn de totale uitgaven aan stimuleringsmaatregelen voor verduurzaming van de industrie momenteel ruim groter dan de ETS-1-inkomsten.2 Daarmee wordt bijgedragen aan een lagere energierekening en lagere concurrentiedruk voor de industrie. Het kabinet zal zich in de EU blijven inzetten voor het hanteren van deze regel.
Bent u bereid zich in te zetten voor een ingrijpende herziening van het ETS, waarbij betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor Europese bedrijven zwaarder gaan wegen dan de huidige ideologische fixatie op steeds hogere CO2-prijzen?
Het kabinet zet zich in voor de betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor bedrijven. Om koolstoflekkage te voorkomen bevat het ETS verschillende instrumenten: de toewijzing van gratis rechten, de koolstofgrensheffing (CBAM) en de mogelijkheid tot indirecte kostencompensatie (IKC). Deze instrumenten bieden op dit moment al bescherming en het kabinet zal de aankomende herziening benutten om deze instrumenten verder te verbeteren. Ten aanzien van de betaalbaarheid van energie en leveringszekerheid is het van belang dat we op zo snel mogelijke termijn onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen afbouwen. Het ETS levert daar een noodzakelijke bijdrage aan.
Kunt u aangeven welke gevolgen het ETS volgens u momenteel heeft voor de Nederlandse energie-intensieve industrie, waaronder de chemie, staal, raffinage en andere grootverbruikers?
Het ETS biedt een tijdpad voor het aantal nieuwe emissierechten dat in de toekomst beschikbaar komt (het emissieplafond). Dit geeft duidelijkheid aan bedrijven over de mogelijkheid om broeikasgassen uit te stoten in de toekomst en daarmee met de vraag wanneer investeringen in verduurzaming noodzakelijk zijn. Omdat de energie-intensieve industrie een hoog risico heeft op koolstoflekkage, ontvangt zij een hoeveelheid gratis rechten die overeenkomt met de uitstoot per product van de top 10% meest efficiënte installaties. De meest efficiënte installaties hebben daarom geen ETS-kosten of verdienen aan de verkoop van ETS-rechten, en aan een hogere verkoopprijs van hun producten (in sectoren die onder het CBAM vallen). In Nederland geldt dit bijvoorbeeld voor de kunstmestindustrie en staalindustrie.
In andere sectoren zijn Nederlandse installaties echter veelal minder efficiënt dan de top 10%, waardoor de industrie kosten ondervindt van het ETS. Deze kosten kunnen worden voorkomen door te investeren in verduurzaming. Het is belangrijk dat bedrijven met inefficiënte installaties gaan investeren: zonder investeringen stevenen verouderde installaties onvermijdelijk af op sluiting. Het ETS verkleint daartoe de onrendabele top van deze investeringen; aanvullend stelt het kabinet ondersteuning zoals de SDE++ ter beschikking voor verduurzamings-investeringen. Een belangrijke kanttekening bij het vermijden van ETS-kosten door verdere verduurzaming, is dat oog moet worden gehouden voor de randvoorwaarden (bv. netcongestie). Hierdoor kunnen de ETS-kosten niet altijd op korte termijn worden vermeden.
Kunt u daarbij ook inzichtelijk maken in hoeverre ETS-kosten doorwerken in de Nederlandse elektriciteitsprijs en daarmee het vestigingsklimaat en de werkgelegenheid raken?
Volgens een recente publicatie van de Europese Centrale Bank3 bestond de prijs die de energie-intensieve industrie in Nederland in 2024 betaalde voor elektriciteit, voor ongeveer 7% uit ETS-kosten. Of deze kosten gevolgen hebben voor het vestigingsklimaat hangt af van de mate van bescherming tegen koolstoflekkage. Het ETS houdt hiermee rekening door middel van gratis rechten, de koolstofgrensheffing (CBAM) en de mogelijkheid tot indirecte kostencompensatie (IKC). Voor dit laatste heeft het kabinet in het coalitieakkoord € 0,5 mld. per jaar gereserveerd, met als doel de elektriciteitskosten van de weglekgevoelige elektriciteits-intensieve industrie te verlagen.
Klopt het dat binnen het bestaande Europese ETS een deel van de opbrengsten van emissierechten wordt aangewend voor een fonds ten behoeve van lagere-inkomenslidstaten, het zogenoemde Modernisation Fund?
Ja.
Hoe beoordeelt u het principiële bezwaar dat Europese CO2-beprijzing daarmee niet alleen een prijsprikkel is, maar ook een herverdelingsmechanisme wordt waarbij opbrengsten uit het ETS worden ingezet voor vergroening in andere lidstaten?
Het Moderniseringsfonds draagt bij aan het moderniseren van energiesystemen en de bevordering van energie-efficiëntie in de genoemde EU lagere-inkomenslidstaten. Een beperkt deel van de inkomsten uit veilingen (2% van de veilinginkomsten tussen 2021–2030 en 2,5% tussen 2024–2030) valt ten gunste aan het Moderniseringsfonds. In totaal gaat het op EU-niveau om gemiddeld 4,3 miljard euro per jaar. De dertien lidstaten die voor dit fonds in aanmerking komen hebben een relatief verouderde industrie en elektriciteitsproductie, waardoor de ETS-kosten relatief hoog zijn. Om hier deels voor te compenseren, zorgt het Moderniseringsfonds voor een beperkt solidariteitselement in het ETS.
Kunt u inzichtelijk maken welk deel van de totale ETS-opbrengsten binnen de Europese Unie momenteel wordt gereserveerd voor het Modernisation Fund en in hoeverre dit leidt tot minder ruimte voor lastenverlichting of concurrentieversterking in lidstaten als Nederland?
Zie antwoord vraag 12.
Deelt u de mening dat dit fonds de prikkel vergroot om ETS-opbrengsten te zien als financieringsbron voor steeds verdergaande Europese klimaatpolitiek in plaats van als middel dat juist zou moeten worden beperkt vanwege de schade voor koopkracht en concurrentiekracht?
Nee, deze mening deel ik niet.
Kunt u uitsluiten dat Nederland in toekomstige Europese onderhandelingen zal instemmen met nieuwe of grotere ETS-gerelateerde herverdelingsfondsen ten behoeve van andere lidstaten? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat Nederlandse huishoudens en ondernemingen worden geconfronteerd met hogere energiekosten, terwijl ETS-opbrengsten mede worden afgeroomd voor klimaatuitgaven elders in Europa?
Het kabinet staat in beginsel kritisch tegenover nieuwe fondsen die ETS-inkomsten herverdelen en zal dat signaal ook afgeven bij de onderhandelingen over de herziening van de ETS-richtlijn. Uiteindelijk zal een akkoord bereikt moeten worden over de gehele wijziging van de ETS-richtlijn, waarbij voorop staat dat een ambitieus ETS nodig is voor een tijdige energietransitie en daarmee uiteindelijk ook voor de betaalbaarheid van energie in de EU.