Het sluiten van bezoekcentra door Staatsbosbeheer |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: «Prioriteit bij natuurbeheer»?»1
Ja, wij zijn bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: Prioriteit bij natuurbeheer».
Klopt het dat Staatsbosbeheer voornemens is alle zeven buitencentra (De Pelen, Almeerderhout, Oostvaardersplassen, Schoorlse Duinen, Sallandse Heuvelrug, Drents-Friese Wold en het Boomkroonpad op de Hondsrug) te sluiten? Zo ja, op welke termijn en in welke fasering?
Staatsbosbeheer (hierna: SBB) is voornemens te stoppen met het huidige concept en de eigen exploitatie van de zeven buitencentra. Het definitieve besluit hierover volgt na advies van de ondernemingsraad van SBB, uiterlijk op 1 oktober 2026. De beoogde sluitingsdatum voor de winkels en exploitatie is vastgesteld op 1 januari 2027. Dit betekent echter niet dat alle gebouwen zonder meer worden gesloten. Per locatie wordt in overleg met betrokken partners en de omgeving onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is. Daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke situatie, lopende contracten en bestaande samenwerkingsafspraken. De toekomstige invulling en het moment waarop de huidige exploitatie eindigt, verschillen daardoor per locatie. Voor de zeven gebouwen geldt daarom geen uniforme fasering. Er is wel sprake van één eerdere fasering: buitencentrum Almeerderhout is vanwege het vertrek van de horeca en teruglopende bezoekersaantallen vroegtijdig gesloten op 26 juli 2026.
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (met name jonge) bezoekers en de lokale en regionale economie rond natuurgebieden? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het voornemen om deze centra te sluiten?
Ja, wij delen de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (jonge) bezoekers en lokale en regionale economie rond natuurgebieden. Echter, vanwege de structurele en financiële tekorten en noodzaak om prioriteit te geven aan wettelijke kerntaken, wil SBB zijn betrokkenheid bij de bezoekerscentra in zijn huidige vorm beëindigen. Om de educatieve waarde te behouden, blijft SBB publieksvoorlichting en educatie bieden via informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met onder meer IVN Natuureducatie, scholen, gemeenten en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden. Per locatie wordt in overleg met betrokken partners en de omgeving onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is.
Onderkent u de bredere maatschappelijke waarde van natuur, zoals voor gezondheid, welzijn, educatie, recreatie en regionale economie? Zo ja, hoe weegt u deze maatschappelijke waarde mee in de besluitvorming rond de financiering van Staatsbosbeheer?
Wij erkennen de maatschappelijke waarde van natuur, maar wijzen erop dat domein-overschrijdende baten, zoals gezondheid en recreatie, een gedeelde financiële verantwoordelijkheid is met decentrale overheden en private partijen. Vanwege wettelijke prioriteiten van SBB voor natuurbeheer, biodiversiteit en Natura2000, moeten maatschappelijke voorzieningen zoals bezoekerscentra zelfvoorzienend worden of via regionale partners worden gefinancierd.
Bent u van mening dat de sluiting van alle bezoekerscentra deze maatschappelijke waarde van natuur ondermijnt, doordat de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en voorlichting voor een breed publiek (1,3 miljoen bezoekers per jaar) verdwijnt? Kunt u dit toelichten?
We ervaren wat ongemak dat met de sluiting van alle bezoekerscentra de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en -voorlichting kan verdwijnen voor een breed publiek. Maar aangezien de gratis toegankelijkheid van natuurgebieden behouden blijft en natuureducatie via digitale middelen en samenwerkingen wordt voortgezet door SBB, zijn wij niet van mening dat de maatschappelijke waarde van natuurgebieden wordt ondermijnd door dit voorgenomen besluit van SBB. Daarnaast gaat het om zeven locaties, terwijl SBB op vele andere plekken zonder bezoekerscentrum de maatschappelijke waarde op dit moment ook al in stand houdt. Per locatie onderzoekt SBB in overleg met betrokken partners en de omgeving welke toekomstbestendige invulling mogelijk is.
Waarom is er sinds 2014 geen structurele rijksbijdrage meer beschikbaar gesteld voor het in stand houden van deze bezoekerscentra, terwijl deze een belangrijke functie vervullen in natuureducatie en publieksbereik?
Het stopzetten in 2014 van de structurele bijdrage vanuit het Rijk voor het in stand houden van de bezoekerscentra van SBB was het gevolg van het Natuurpact uit 2013, waarmee het Rijk het natuurbeleid en de bijbehorende budgetten decentraliseerde naar de provincies. Door deze stelselherziening en gelijktijdige Rijksbezuinigingen werd de Rijksbijdrage voor SBB beperkt tot zijn wettelijke kerntaak van natuurbeheer. Recreatieve en educatieve publieksvoorzieningen, zoals de bezoekerscentra, moesten vanaf dat moment een regionale verantwoordelijkheid worden of commercieel zelfvoorzienend worden geëxploiteerd via winkels, horeca en lokale partners.
Bent u bereid te onderzoeken of (een deel van) de rijksbijdrage voor de buitencentra van Staatsbosbeheer kan worden hersteld, bijvoorbeeld via de begroting van het Ministerie van LVVN of via het Programma Natuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover een voorstel verwachten?
Omdat de budgetten uit de LVVN-begroting en het Programma Natuur wettelijk geoormerkt zijn voor natuurherstel en -beheer en niet voor publieksvoorzieningen, zijn wij niet bereid de Rijksbijdrage aan SBB op te hogen voor de buitencentra van SBB. Onze focus ligt in plaats daarvan op het ondersteunen van SBB bij de overdracht van de locaties aan lokale overheden en marktpartijen, aangezien de verantwoordelijkheid voor natuurrecreatie en -educatie sinds 2014 bestuurlijk bij de provincies ligt.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomst van het traject bij de ondernemingsraad en een eigen appreciatie te geven van het definitieve besluit, voordat tot onomkeerbare stappen (zoals sluiting per 1 januari 2027) wordt overgegaan?
Ja, wij zijn hiertoe bereid en zullen de Tweede Kamer in het najaar van 2026 informeren over de uitkomst van de ondernemingsraadprocedure en het definitieve besluit van SBB. Wij zullen hierbij een (beleidsmatige) appreciatie geven, maar benadrukken dat SBB als zelfstandig bestuursorgaan een eigen operationele verantwoordelijkheid heeft. Deze informatievoorziening zal plaatsvinden ruim vóór de geplande sluitingsdatum van 1 januari 2027, zodat de Kamer de mogelijkheid behoudt om tijdig te debatteren voordat er onomkeerbare stappen worden gezet.
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk draagvlak voor de Natura 2000-doelen, waarvan de doelen conform coalitieakkoord worden geëvalueerd, mede afhankelijk is van de mate waarin burgers direct met natuur en natuurbeheer in aanraking komen, bijvoorbeeld via bezoekerscentra? Weegt u dit effect mee bij de evaluatie en is de Minister bereid dit punt daarin expliciet te betrekken?
Ja, wij delen de opvatting dat direct contact met de natuur essentieel is voor het maatschappelijk draagvlak. De toegankelijkheid van natuurgebieden is voor het Kabinet van groot belang en we zullen daarom de factor «publieksbereik» breed betrekken bij de evaluatie van Natura2000-doelen conform coalitieakkoord. Wij benadrukken echter dat het verdwijnen van fysieke bezoekerscentra het draagvlak niet hoeft te ondermijnen, omdat SBB burgers blijft bereiken via digitale platforms, scholen en gebiedsinformatie en dit draagvlak creëert in veel andere gebieden zonder bezoekerscentrum. De expliciete opname van dit punt in de evaluatie zal dan ook niet leiden tot herfinanciering door het Rijk, aangezien de exploitatie van de gebouwen een regionale of commerciële verantwoordelijkheid blijft.
Hoe kijkt u naar het feit dat er relatief grote bedragen beschikbaar zijn voor reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden, terwijl er voor de relatief beperkte kosten van publieksvoorlichting en natuureducatie via bezoekerscentra geen structurele middelen worden vrijgemaakt? Bent u bereid om, bij de nadere uitwerking van de zoneringsaanpak en de bijbehorende middelen, te bezien of een deel hiervan kan worden ingezet voor het behoud van publieksfuncties zoals bezoekerscentra, gezien hun bijdrage aan het draagvlak voor natuurbeleid?
Het financiële verschil tussen reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden (de zoneringsaanpak) en publieksvoorlichting en natuureducatie (o.a. via de bezoekerscentra) vloeit voort uit een strikt wettelijk onderscheid, waarbij de grote budgetten juridisch geoormerkt zijn voor dwingende Europese verplichtingen rond stikstofreductie en natuurherstel om economische blokkades te voorkomen. Het Rijk houdt vast aan het standpunt dat de exploitatie van bezoekerscentra sinds de decentralisatie van 2014 een provinciale en commerciële verantwoordelijkheid is, die niet gefinancierd kan worden uit budgetten voor natuurherstel en natuurbeheer. Wij zijn daarom van mening dat zoneringsmiddelen niet kunnen worden ingezet voor publieksfuncties zoals bezoekerscentra.
De gevolgen van de dagvaarding van Tata Steel voor de maatwerkafspraken |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de dagvaarding van Tata Steel door het Openbaar Ministerie in het licht van de door u in het plenaire debat genoemde mogelijkheid dat een uitkomst van een onderzoek van een bevoegde autoriteit een grond kan vormen voor opzegging van de «Joint Letter of Intent» (JLoI), indien die naar redelijk oordeel van de Staat ernstige zorgen doet ontstaan over de maatwerkafspraak?
Betekent deze dagvaarding voor u aanleiding om opnieuw te beoordelen of voortzetting van de JLoI nog verenigbaar is met de belangen van de Staat, de omwonenden en de kwaliteit van de uiteindelijke maatwerkafspraken? Waarom wel of waarom niet?
Welke concrete gevolgen verbindt u aan deze ontwikkeling voor de onderhandelingen over de definitieve, bindende maatwerkafspraken met Tata Steel?
Kunt u uiteenzetten welke «borging van de risico’s» inmiddels is uitgewerkt, en op welke wijze daarin rekening wordt gehouden met een strafzaak, mogelijke aansprakelijkheid en de gezondheidsschade voor omwonenden?
Het verminderen van gezondheidsrisico's is en blijft één van de hoofddoelstellingen van de beoogde maatwerkafspraak. In artikel 2.11 van de Joint Letter of Intent is overeengekomen dat partijen zullen bespreken welke omstandigheden en risico's kunnen worden opgenomen in de maatwerkafspraak voor de uitvoering van de projecten. De uitwerking hiervan loopt. Hier kan niet op vooruit worden gelopen. Voor wat betreft de impact van de strafrechtelijke vervolging op de maatwerkafspraak, zie het antwoord op vraag 1 t/m 3.
Welke criteria hanteert u om te bepalen wanneer een uitkomst van een onderzoek of strafzaak zó ernstig is dat opzegging van de JLoI of heronderhandeling van de maatwerkafspraken aan de orde is?
Bent u bereid de Kamer vóór verdere stappen in het maatwerktraject te informeren over de juridische en inhoudelijke consequenties van deze dagvaarding voor de onderhandelingspositie van de Staat?
Bent u bereid om niet tot afronding van de maatwerkafspraak over te gaan zolang de strafzaak tegen Tata Steel nog loopt?
Het bericht staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra, en kunt u bevestigen wat de aanleiding en omvang van dit voornemen is?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van het bericht en kunnen bevestigen dat de aanleiding ligt in de structurele financiële verliezen van de bezoekerscentra. Om in tijden van schaarse middelen te kunnen focussen op natuurbeheer en biodiversiteitsbehoud, heeft Staatsbosbeheer (hierna: SBB) het voornemen om zijn betrokkenheid bij de bezoekerscentra anders in te gaan vullen. Per locatie zal gekeken worden naar de mogelijkheden, waarbij sluiting van een bezoekerscentrum ook een resultaat zou kunnen zijn.
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra niet alleen een kostenpost zijn, maar ook een instrument voor publieksvoorlichting, draagvlak en natuurbegrip?
Ja, wij delen de opvatting dat bezoekerscentra een maatschappelijke waarde hebben voor publieksvoorlichting en natuurbegrip. Gelijktijdig heeft SBB als zelfstandig bestuursorgaan een eigen verantwoordelijkheid om financieel gezond te blijven. De wettelijke taak op het gebied van natuureducatie en het creëren van draagvlak blijft onverminderd van kracht. SBB blijft publieksvoorlichting en educatie bieden via informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met onder meer IVN Natuureducatie, scholen, gemeenten en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden.
Hoe beoordeelt u de keuze van Staatsbosbeheer om juist op bezoekerscentra te bezuinigen, terwijl publieksvoorlichting een belangrijke schakel is tussen burgers en natuurbeheer?
Wij beoordelen de keuze van SBB als een pijnlijke maar begrijpelijke afweging, waarbij de organisatie vanwege structurele tekorten de prioriteit legt bij zijn kerntaak van natuurbeheer en biodiversiteitsherstel in het veld boven het openhouden van verlieslatende bezoekerscentra. Het gaat om zeven buitencentra, maar publieksvoorlichting wordt voorzien in alle SBB-gebieden. Hoewel wij de autonomie van SBB als zelfstandig bestuursorgaan respecteren en de verschuiving naar een andere invulling van publieksvoorlichting steunen, benadrukken wij dat deze bezuiniging niet mag leiden tot het verdwijnen van de educatieve functie en dat er daarom actief moet worden gezocht naar lokale partners en alternatieven om de vitale schakel tussen burger en natuur te behouden.
Kunt u uiteenzetten hoe de opdracht en publieke taak ten aanzien van educatie en bewustwording voor Staatsbosbeheer wordt gewogen en vormgegeven ten opzichte van de opdracht voor natuurbeheer?
SBB weegt natuurbeheer als zijn prioritaire basistaak, waarbij publiekseducatie dient als noodzakelijk maatschappelijke verankering. Dit mag echter bij financiële krapte niet ten koste gaan van het ecologische beheer in het veld. Sinds de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies ontvangt SBB geen specifieke bekostiging meer voor de bezoekerscentra. SBB maakt daarom keuzes over de wijze waarop educatie en publieksvoorlichting worden georganiseerd. Het voorgenomen besluit om te stoppen met het huidige concept van bezoekerscentra betekent niet dat SBB stopt met educatie en publieksvoorlichting, SBB blijft deze activiteiten uitvoeren.
Deelt u de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk onderdeel moeten zijn van het werk van Staatsbosbeheer?
Ja, wij delen de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel moeten zijn van het werk van SBB, aangezien deze maatschappelijke opdracht wettelijk is verankerd en cruciaal is voor het maatschappelijk draagvlak van het natuurbeleid. Wij benadrukken echter dat de uitvoering van deze taak niet verplicht gekoppeld is aan het behoud van bezoekerscentra, waardoor SBB de ruimte krijgt om deze publieksfunctie in tijden van financiële krapte op een andere en flexibelere manier vorm te geven zonder dat de essentie van de voorlichting verloren gaat.
Welke gevolgen voorziet u voor het natuurbeleid wanneer de zichtbaarheid en uitleg van beheermaatregelen voor het publiek afneemt?
Wij voorzien dat het afnemen van fysieke zichtbaarheid en uitleg kan leiden tot een risico op verminderd maatschappelijk draagvlak en onbegrip bij burgers voor ingrijpende beheermaatregelen, maar stellen dat dit negatieve gevolg ondervangen moet worden door de voorlichting effectiever in te richten op de locaties waar de maatregelen daadwerkelijk plaatsvinden. In plaats van communicatie via statische bezoekerscentra moet de uitleg over het natuurbeleid verschuiven naar de werkvloer zelf, door de inzet van gerichte digitale informatie, tijdelijke borden in het veld en boswachters als direct aanspreekpunt, waardoor de cruciale binding en acceptatie bij het publiek behouden kunnen blijven.
Kunt u toelichten hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot de ambitie van de overheid om burgers juist meer te betrekken bij natuur, landschap en biodiversiteit?
Wij erkennen dat deze ontwikkeling op het eerste gezicht haaks lijkt te staan op de kabinetsambitie om burgers meer bij natuur en biodiversiteit te betrekken, maar wij stellen tegelijkertijd wel vast dat wordt ingezet op een kwalitatieve modernisering van de betrokkenheid in plaats van het in stand houden van verlieslatende fysieke locaties. De Rijksambitie richt zich op het stimuleren van actieve participatie en natuurbeleving in de directe leefomgeving van burgers, wat betekent dat voorlichting en educatie effectiever naar de mensen toe gebracht moet worden via scholen, digitale kanalen en lokale initiatieven.
Hoe voorkomt u dat bezuinigingen op bezoekerscentra leiden tot minder maatschappelijk draagvlak voor ingrijpend of noodzakelijk natuurbeheer?
Wij willen een daling van het maatschappelijk draagvlak voorkomen door van SBB te vragen dat de voorlichting over noodzakelijk natuurbeheer proactief en direct op de projectlocaties in het veld wordt vormgegeven, in plaats van te leunen op statische bezoekerscentra. Daarnaast stimuleren wij overleg met lokale overheden en partners om de publieksfunctie van vitale locaties waar mogelijk via alternatieve exploitatievormen te behouden.
Is onderzocht of publieksvoorlichting via bezoekerscentra juist kosten kan besparen in het natuurbeheer, doordat beter geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder schade veroorzaken?
Ja, (internationaal) wetenschappelijk onderzoek toont aan dat natuureducatie en gerichte publieksvoorlichting de schade aan natuurgebieden aantoonbaar verminderen, doordat geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder afval achterlaten wat leidt tot lagere schoonmaak- en herstelkosten binnen het natuurbeheer. Hoewel deze preventieve kostenbesparingen in de praktijk zijn bewezen, landen deze indirecte maatschappelijke baten niet als inkomsten op de exploitatiebalans van de bezoekerscentra zelf, die door de hoge vastgoed- en personeelslasten verlieslatend blijven. Wij benadrukken daarom dat deze effectieve preventieve voorlichting niet moet stoppen, maar in tijden van financiële krapte efficiënter en goedkoper rechtstreeks op de werkvloer in het veld moet worden vormgegeven om de natuur te beschermen.
Deelt u de opvatting dat het sluiten van bezoekerscentra een verschuiving kan betekenen van natuur als publiek goed naar natuur als puur beheersvraagstuk en hoe weegt u dat risico?
Wij delen de opvatting dat het sluiten van fysieke bezoekerscentra het risico in zich draagt dat natuur door het publiek meer als een puur technisch beheersvraagstuk in plaats van een gezamenlijk publiek goed wordt ervaren, maar wij stellen dat dit risico kan worden ondervangen door maatschappelijke verbinding op andere manieren vorm te geven. Wij wegen dit risico zorgvuldig en benadrukken dat natuurbeleid alleen succesvol kan zijn als er een sterke educatieve en emotionele binding met burgers blijft bestaan. Om te voorkomen dat de natuurbeleving versmelt tot louter ecologisch beheer, sturen wij erop aan dat natuur toegankelijk blijft voor bezoekers en dat SBB niet bezuinigt op de inhoud van de publiekstaak zelf, maar de transitie maakt naar een directere, laagdrempelige aanwezigheid in het veld, waardoor de status van natuur als publiek goed juist op de feitelijke plek van de natuurervaring wordt versterkt.
Welke alternatieven zijn er om de functie van bezoekerscentra te behouden zonder dat dit ten koste gaat van het kernbeheer van natuurgebieden?
SBB heeft onderzocht op welke wijze de functies van de bezoekerscentra ook op een andere manier kunnen worden ingevuld, zonder afbreuk te doen aan de kerntaak van natuurbeheer. Daarbij is het uitgangspunt dat publieksvoorlichting, educatie en natuurbeleving behouden blijven, maar niet noodzakelijkerwijs vanuit een door SBB geëxploiteerd bezoekerscentrum. SBB blijft publieksactiviteiten uitvoeren via onder meer informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met o.a. scholen, gemeenten, IVN Natuureducatie en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden. Voor de huidige gebouwen wordt per locatie, in overleg met betrokken partners en rekening houdend met bestaande afspraken en contracten, onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is. Daarbij kan worden gedacht aan exploitatie door lokale ondernemers of andere maatschappelijke partijen. Ook kunnen, waar passend, tijdelijke of mobiele voorzieningen worden ingezet, bijvoorbeeld bij (natuurherstel)projecten of evenementen.
Bent u bereid om met Staatsbosbeheer in gesprek te treden over het voortzetten van de bezoekerscentra en hierin ondersteunend op te treden?
Ja, wij zijn bereid om met SBB in gesprek te treden en ondersteunend op te treden, mits dit gebeurt binnen de kaders van de operationele autonomie van de organisatie en zonder dat dit leidt tot een structurele financiële bijdrage vanuit het Rijk. Wij willen ons in deze gesprekken met name richten op het faciliteren en samenbrengen van SBB met provincies, gemeenten en lokale ondernemers om alternatieve, kostenneutrale exploitatievormen voor de centra te onderzoeken. Tegelijkertijd zullen wij er tijdens deze overleggen scherp op toezien dat de wettelijke opdracht voor natuureducatie en publieksvoorlichting kwalitatief gewaarborgd blijft binnen de nieuwe bedrijfsvoering.
Bent u bereid te borgen dat publieksvoorlichting niet als eerste onder druk komt te staan wanneer binnen Staatsbosbeheer moet worden bezuinigd?
De operationele en de financiële prioriteitstelling vallen onder de zelfstandige verantwoordelijkheid van de directie van SBB en natuurbeheer heeft bij financiële krapte de wettelijke prioriteit boven vastgoed. Hoewel wij de autonomie van de organisatie als zelfstandig bestuursorgaan respecteren, willen wij wel borgen dat de wettelijke taak op het gebied van educatie en bewustwording overeind blijft. Wij vragen SBB dan ook dat deze maatschappelijke functie bij het wegvallen van de bezoekerscentra kwalitatief gewaarborgd blijft via een modernere, directere en kostenefficiëntere invulling in de klas en in de natuurgebieden zelf.
De taskforce staalslakken en de uitwerking van de handreiking |
|
Femke Wiersma (BBB), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Wat zijn precies het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de ingestelde taskforce rondom staalslakken?
Welke organisaties, bestuurslagen en overige partijen nemen deel aan deze taskforce? Kunt u een volledig overzicht van de deelnemers aan de Kamer doen toekomen?
Op welke wijze wordt geborgd dat de taskforce evenwichtig is samengesteld en verschillende maatschappelijke en bestuurlijke belangen vertegenwoordigt?
Is vanuit de provincie Zeeland ook de gedeputeerde met natuur in portefeuille bij de taskforce betrokken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat provincies, gemeenten en waterschappen, ondanks de landelijke handreiking aangekondigd in de Kamerbrief van 5 juni 2026 (Kamerstuk 30 015, nr. 152), bevoegd blijven om verdergaande maatregelen te treffen, waaronder een lokaal verbod of aanvullende beperkingen op de toepassing van staalslakken, indien zij dat noodzakelijk achten?
Wie is verantwoordelijk voor het opstellen van de landelijke handreiking, welke wetenschappelijke kennis en onafhankelijke deskundigen worden hierbij betrokken, en op welke wijze wordt de onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit van de handreiking geborgd?
Wie worden uitgenodigd voor de expertsessies die in de tweede helft van dit jaar worden georganiseerd? Kunt u bevestigen dat daarbij niet alleen onderzoeksinstellingen en overheden, maar ook vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, onafhankelijke wetenschappers, juristen en andere relevante maatschappelijke organisaties worden betrokken? Zo nee, waarom niet?
Snapt u dat het geen vertrouwen wekt bij burgers dat een burgemeester die staalslakken prima vindt en weigerde die te verwijderen voor zijn inwoners, als voorzitter van de taskforce in een belangrijke positie is gezet om te helpen bij het invullen van beleid over staalslakken?
Wat is de precieze opdracht van de taskforce, die voortkomt uit de aangehouden motie van het VNG-congres vorig jaar over een schadefonds voor staalslakken? Mag de taskforce het ook hebben over geld voor het herstellen van schade van staalslakken, zoals dus bedoeld was? Zo nee, waarom wordt afgeweken van de originele intenties en hoe gaat het schadefonds dan worden opgepakt?
Hoe staat het ervoor met de uitvoering van motie van de leden Wiersma en Kostić over het verbod op het storten en toepassen van staalslakken in Zeeuwse wateren handhaven totdat is aangetoond dat toepassing hiervan veilig is (Kamerstuk 30 015, nr. 145)?
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
Het uitzetten van het stroomnet in Brabant vanwege overbelasting en netcongestie |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Buitenlandse bedrijven mijden Nederland door dreiging netcongestie»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het tijdelijk afschakelen van delen van het stroomnet?
Na vernomen te hebben dat netbeheerder Enexis zich genoodzaakt zag over te gaan tot het tijdelijk afschakelen van ongeveer 18.000 klanten in en nabij Tilburg, is direct contact gelegd met de netbeheerder om goed geïnformeerd te worden over de situatie. Een stroomstoring is altijd een vervelende situatie voor de getroffen huishoudens en bedrijven. Hoewel later is gebleken dat de aanleiding een foutieve meetweergave was (zie het antwoord op vraag 3), hebben de medewerkers van Enexis, met beperkte tijd en informatie op dat moment, juist gehandeld. Daarbij is het indrukwekkend dat Enexis bij 17.900 klanten de stroom binnen een kwartier heeft hersteld en bij de laatste 90 getroffen klanten binnen 40 minuten.
Is de exacte oorzaak van deze situatie inmiddels bij u bekend? Zo ja, wat is deze oorzaak? Zo nee, bent u bereid dit nader te laten uitzoeken en de Kamer hierover alsnog te informeren?
Ja, de oorzaak is bekend. De afschakeling van een deel van het stroomnet in Tilburg was niet het gevolg van een daadwerkelijke stroompiek. Uit nadere analyse is gebleken dat meetapparatuur na werkzaamheden was teruggevallen naar de fabrieksinstellingen, waardoor ten onrechte een aanzienlijk hogere stroomdoorvoer werd geregistreerd dan feitelijk het geval was. Op basis van de op dat moment beschikbare informatie was afschakeling noodzakelijk om de netveiligheid te waarborgen en daarmee mogelijk langdurige uitval door herstelwerkzaamheden van kapotte apparatuur te voorkomen. Enexis doet onderzoek hoe het kan dat de apparatuur is teruggevallen naar de fabrieksinstellingen om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen.
Verwacht u dat dergelijke noodmaatregelen vaker nodig zullen zijn? Zo ja, met welke frequentie verwacht u dat dit zal gebeuren en wat is naar verwachting de duur per verstoring?
De druk op het stroomnet neemt op verschillende plekken toe. Netbeheerders nemen maatregelen om overbelasting zoveel mogelijk te voorkomen, zoals de inzet van de storingsreserve op het stroomnet, mobiele batterijen en afspraken met bedrijven over hun afname van elektriciteit. Desondanks is niet uit te sluiten dat in uitzonderlijke situaties noodmaatregelen nodig zijn. De frequentie waarmee dit zou kunnen voorkomen is niet generiek te voorspellen; dit is sterk afhankelijk van lokale (weers)omstandigheden en de actuele belasting van het net.
Wordt er bij dergelijke beslissingen door netbeheerders gecommuniceerd met kritieke sectoren en de overheid? Zo ja, hoe verloopt deze communicatie? Zo nee, waarom niet en wordt dit op termijn alsnog ingericht?
Bij elke collectieve storing of collectieve afschakeling informeert de netbeheerder direct na de gebeurtenis, binnen vijf minuten, de betreffende veiligheidsregio over het getroffen gebied, het aantal getroffen klanten en verwachte eindtijd. Dit is ook bij het incident in Tilburg gebeurd. Bij grote of langdurige storingen sturen de netbeheerders tussentijdse updates. Er is doorlopend goed contact tussen netbeheerders en de crisisorganisaties in de veiligheidsregio, en zij trainen gezamenlijk op dergelijke scenario’s.
Netbeheerders werken aan manieren om klanten snel te waarschuwen op het moment er een voorzienbare afschakeling aan komt. In de praktijk zullen overbelastingssituaties vaak een onverwacht en acuut karakter hebben, waardoor binnen enkele minuten moet worden besloten tot afschakeling. In dergelijke situaties is voorafgaande communicatie niet altijd mogelijk, anders dan bij bijvoorbeeld geplande werkzaamheden.
Deelt u de zorg dat dit incident laat zien dat netcongestie niet langer alleen een probleem is voor nieuwe aansluitingen of uitbreidingen, maar inmiddels ook raakt aan de betrouwbaarheid van de bestaande stroomvoorziening?
Dit incident werd niet veroorzaakt door netcongestie; zie het antwoord op vraag 3.
Komt u met een vervolg op of aanvulling van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie, aangezien de waarschuwingen over het vollopende stroomnet elkaar haast wekelijks opvolgen? Wanneer verwacht u de eerste resultaten van de maatregelen?
Het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) is een belangrijke pijler van de aanpak van netcongestie door het kabinet, samen met netbeheerders, medeoverheden, marktpartijen en de ACM. Het is sinds de start een «levend programma»: het wordt doorlopend aangevuld en bijgestuurd aan de hand van ontwikkelingen en resultaten. De afgelopen tijd zijn bijvoorbeeld acties uit het Aansluitoffensief2 en de aanpak sneller uitbreiden elektriciteitsnet3 toegevoegd aan het LAN. Ik heb uw Kamer op 30 juni jl. geïnformeerd4 over de nieuwe structuur van het LAN, gericht op sneller en effectiever handelen en op versterking van de samenwerking en wisselwerking tussen regionale trajecten en landelijk beleid.
Voor de voortgang en resultaten van het LAN verwijs ik naar de voortgangsrapportages en begeleidende brieven die uw Kamer twee keer per jaar ontvangt5, waarin onder meer de fysieke netuitbreiding en afgesloten flexibele contracten worden bijgehouden. In de genoemde brief van 30 juni zijn aanvullend enkele concrete resultaten genoemd in specifieke gebieden (Zeeland, Oostzaan) waar extra ruimte op het net is gevonden voor partijen op de wachtrij.
Hoe hoog verwacht u dat de maatschappelijke effecten zijn van de directe kosten van netuitbreiding die richting 2040 oplopen tot 270 miljard euro2, en het overvolle stroomnet dat tegelijkertijd uitbreidingen en economische groei remt? Als dit onbekend is, bent u dan bereid hiervan een raming te maken, uitgesplitst naar vermeden investeringen, beperking van economische groei en banen?
De schaarste aan transportcapaciteit voor elektriciteit kan bedrijven belemmeren bij gewenste uitbreiding of vestiging in Nederland. Dit heeft gevolgen voor de economische groei en de werkgelegenheid. Op basis van onderzoek van Ecorys7 schat BCG in dat Nederland circa € 10 tot € 35 mld. per jaar aan economische baten misloopt door netcongestie8. Er staan op dit moment bij de regionale netbeheerders zo’n 15.000 partijen op de wachtrij voor grootverbruik, voor in totaal ruim 9.300 MW aan afnamecapaciteit. Dit betreft voor een groot deel (industriële) bedrijven met ambities voor groei en/of verduurzaming. Deze situatie onderstreept de urgentie van de aanpak van netcongestie voor de economie en de energietransitie. Er bestaan echter grote verschillen tussen economische sectoren en individuele bedrijven in zowel de toegevoegde waarde per MWh gebruikte elektriciteit, als in de mate waarin mitigerende maatregelen en alternatieven beschikbaar zijn, zoals vraagverschuiving in de tijd en opwek of opslag «achter de meter». In het algemeen geldt dat zowel het financiële resultaat van individuele bedrijven als de groei van de economie als geheel van vele factoren afhankelijk is, waar netcongestie er één van is. Het is zodoende onmogelijk om te kwantificeren hoeveel bedrijven als gevolg van netcongestie niet in Nederland hebben geïnvesteerd. Met het Aansluitoffensief9 werken netbeheerders, bedrijfsleven en overheid samen om meer bedrijven te helpen om ondanks netcongestie uit te kunnen breiden. Ook nemen regionale netbeheerders initiatieven om bedrijven op de wachtrij voor vaste capaciteit actief te benaderen om capaciteit aan te bieden op momenten dat die wél beschikbaar is.
Kunt u in cijfers uitdrukken hoeveel bedrijven Nederland hebben gemeden of zijn uitgeweken naar het buitenland, hoeveel banen dit Nederland kost en wat de economische kosten hiervan zijn, aangezien ook internationale bedrijven niet meer naar Nederland komen vanwege netcongestie?
Zie antwoord vraag 8.
Worden de ontwikkelingen op het stroomnet en de gevolgen hiervan voor het investeringsklimaat ook meegenomen in de modellen voor voorspellingen over de verwachte energievraag? Zo ja, waar en op welke wijze? Welke gevolgen heeft dit tot op heden voor de prognoses?
Ja. Beelden van de toekomstige energievraag worden gemaakt door o.a. het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in de jaarlijkse Klimaat- en Energieverkenning (KEV), door de netbeheerders ten behoeve van hun investeringsplannen, en door het Ministerie van EZK als onderdeel van het Nationaal Plan Energiesysteem. In de KEV schetst het PBL de verwachte energievraag bij vastgesteld en voorgenomen beleid en maakt daarbij gebruik van actuele marktverwachtingen en andere omstandigheden zoals netcongestie. De netbeheerders monitoren continu de ontwikkelingen in de energievraag en betrekken de bredere economische en investeringsontwikkelingen bij analyses en scenario’s van het energiesysteem. De meest recente uitwerking hiervan is de Verkenning Vertraagde Transitie (VVT) van Netbeheer Nederland10, gebaseerd op actuele trends en ontwikkelingen. Dit scenario heeft als doel om beschikbare netcapaciteit in beeld te brengen via een realistische korte termijn voorspelling van elektriciteitsvraag, rekening houdend met netcongestie. De verwachte elektriciteitsvraag is daarin naar beneden bijgesteld. Alle congestieonderzoeken worden uiterlijk eind 2026 up-to-date gemaakt met het VVT scenario. Naar verwachting gaat dit in sommige gebieden significante ruimte bieden aan de wachtrij. Deze verkenning is aanvullend op de scenario’s11 voor de langere termijn die Netbeheer Nederland tweejaarlijks opstelt als basis voor hun investeringsplannen. Naar verwachting publiceren de netbeheerders begin 2027 nieuwe scenario’s.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het einde van juli beantwoorden?
Helaas is het, mede door de vakantieperiode, niet gelukt om tijdig alle voor de beantwoording noodzakelijke informatie in te winnen.
Dat wolf Bram illegaal, 5 uur later dan volgens de vergunning was toegestaan, is gedood |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat wolf Bram (GW3237) op 1 december 2025 om 23.10 uur is doodgeschoten, ruim 5 uur later dan volgens vergunning was toegestaan?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat uit de documenten die via een Woo-verzoek openbaar zijn gekomen, blijkt dat de vergunningsvoorschriften voor het afschot van wolf Bram bewust zijn overtreden?
Via bovengenoemd bericht is deze informatie tot mij gekomen.
Wat vindt u ervan dat uit documenten die via een Woo-verzoek openbaar zijn geworden, blijkt dat de vergunningsvoorschriften voor het afschot van wolf Bram bewust zijn overtreden?
De Provincie Utrecht is het bevoegd gezag voor de betreffende vergunning. De provincie is ook de instantie die oordeelt over naleving van de aan de vergunning verbonden voorwaarden. Omdat ik hier niet de rol van bevoegd gezag heb, is het niet aan mij om een oordeel te hebben over het naleven van deze voorwaarden.
Weet u dat de toezichthouder in het controlerapport concludeerde dat het afschot van Bram een overtreding is van voorschrift m uit de vergunning en daarmee een overtreding van artikel 5.5. eerste lid onder g uit de Omgevingswet, maar desondanks besloot niet tot handhaving over te gaan? Wat vindt u daarvan?
Zoals ik in mijn antwoorden op vragen 2 en 3 heb aangegeven is deze informatie via de door u aangehaalde bericht tot mij gekomen. Ik heb met betrekking tot deze vergunning niet de rol van bevoegd gezag, het is daarom niet aan mij om een oordeel te hebben over het naleven van deze voorwaarden.
Vindt u dat de Omgevingswet moet worden gehandhaafd? Zo nee, waarom niet? In welke gevallen moet de Omgevingswet volgens u wel of niet worden gehandhaafd (kunt u daar heel specifiek in zijn)?
In het algemeen ben ik van oordeel dat regelgeving zoveel als mogelijk moet worden gehandhaafd. In dit specifieke geval heb ik niet de rol van bevoegd gezag en het is daarom niet aan mij om een oordeel te hebben over naleving.
Op welk moment (tijdstip en datum) was u op de hoogte van het afschot van wolf Bram?
Het bericht hierover heeft mij destijds via de media bereikt. Een specifieke datum en tijdstip zijn niet te achterhalen.
Was u op de hoogte van het moment van de doding? Zo ja, wanneer heeft u die kennis gekregen?
Het bericht hierover heeft mij destijds via de media bereikt. Wanneer dit precies was, is niet te achterhalen.
Was u op de hoogte van de strikte vergunningsvoorschriften en in het bijzonder van het voorschrift dat uiterlijk tot 17.33 uur mocht worden gedood?
Vergunningen en de daaraan verbonden voorwaarden afgegeven door andere overheden, worden in de regel niet met het Rijk gedeeld. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat elke afwijking van de zeer strikte vergunningsvoorschriften, een overtreding is van voorschriften? Deelt u de mening dat het overtreden van de vergunningsvoorschriften ontoelaatbaar is? Zo ja, welke gevolgen heeft dat? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u graag naar mijn antwoord op vraag 3 en het feit dat ik met betrekking tot deze vergunning niet de rol van bevoegd gezag heb.
Deelt u de mening dat wolven waardevolle en beschermde diersoorten zijn en dus niet lichtzinnig moet worden omgegaan met overtredingen van vergunningsvoorschriften rondom bijvoorbeeld het doden van wolven? Zo nee, waarom niet?
De wolf is een beschermde diersoort. Deze verdient de bescherming die hoort bij deze beschermingsstatus. Zie verder ook mijn antwoord op vraag 3.
Ziet u het gevaar van precedentwerking van het afwijken van vergunningsvoorschriften, zeker gezien er waarschijnlijk al regelmatig sprake is van stroperij en dus het illegaal doden van wolven? Zo nee, waarom niet?
Nee. Dit betreft een individueel geval, ik zie geen aanleiding voor precedentwerking. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Indien u een gevaar ziet in precedentwerking, welke stappen zal u daartegen zetten? Indien u daar niet toe bereid bent, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 11 heb aangegeven, zie ik geen aanleiding voor precedentwerking.
Bent u bereid een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar de doding van wolf Bram? Zo nee, waarom niet en wat gaat u dan doen?
Ik zie geen aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek. De Provincie Utrecht is het bevoegd gezag voor de betreffende vergunning. De provincie is ook de instantie die oordeelt over naleving van de aan de vergunning verbonden voorwaarden.
Kunt u de vragen één voor één en voor 8 juli beantwoorden?
Het is door het zomerreces niet gelukt om de vragen binnen deze termijn te beantwoorden.
Fosfaatrechten |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Hoeveel aanvragen zijn sinds de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) ontvangen en op hoeveel fosfaatrechten hebben deze aanvragen betrekking? Hoe beoordeelt u de belangstelling voor de regeling tot nu toe?
Sinds de start van de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) op 1 juni 2026 zijn tot nu toe 42 aanvragen ingediend. Deze aanvragen hebben betrekking op 598 melkkoeien en 24.287,21 fosfaatrechten. Daarnaast hebben zich tot op heden 8 aanvragers teruggetrokken, met 128,2 koeien en 5058,47 fosfaatrechten. Dat betekent dat op dit moment, minus de intrekkingen, 34 aanvragen actueel zijn, waarvan 33 aanvragen zijn toegewezen en bij één aanvrager op aanvullende informatie wordt gewacht. In totaal nemen deze 33 aanvragers met 459,81 koeien en 19.288,74 fosfaatrechten deel. In relatie tot het beschikbare budget is de belangstelling op dit moment nog beperkt.
Heeft u signalen ontvangen dat het gebruik van 2025 als referentiejaar van invloed is op de deelnamebereidheid van melkveehouders, bijvoorbeeld doordat de actuele bedrijfsomvang afwijkt van de bedrijfsomvang waarop de regeling is gebaseerd?
Hierover heb ik geen signalen ontvangen.
Heeft u signalen ontvangen dat het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden gevolgen heeft voor de mogelijkheden van melkveehouders om deel te nemen aan de regeling, bijvoorbeeld bij bedrijven die hun bouwplan hebben aangepast sinds het wegvallen van de derogatie?
Ik heb vragen ontvangen van potentiële deelnemers hoe wordt omgegaan met het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden. Indien melkveehouders in 2026 minder grasland hebben dan in 2025, dienen zij uiterlijk op 15 mei 2027 de oppervlakte terug te brengen naar de oppervlakte van 2025. Op die manier kunnen melkveehouders het grondgebruik nog wijzigen en worden melkveehouders die in 2026 een lager graslandareaal hebben dan in 2025 niet uitgesloten van deelname aan de Sem.
Heeft u signalen ontvangen dat het verschil tussen de vergoeding van 110 euro per kilogram fosfaatrecht binnen de Sem en de huidige marktwaarde van fosfaatrechten van invloed is op de belangstelling voor de regeling?
Ik herken dat de prijs per fosfaatrecht in de Sem lager ligt dan de huidige marktwaarde. Gezien het Europese steunkader waaronder de Sem is goedgekeurd, moet worden uitgegaan van een gemiddelde verkoopprijs over een langere periode. De prijs van € 110 is vastgesteld op basis van de gemiddelde verkoopprijs van fosfaatrechten over de afgelopen drie jaar. De huidige marktprijzen van fosfaatrechten kunnen gelet op het Europese steunkader geen invloed hebben op de vergoeding per fosfaatrecht in de Sem. Het verschil tussen de marktwaarde en de vergoeding in de Sem kan zeker van invloed zijn op de belangstelling voor de regeling. Tegelijkertijd krijgt een melkveehouder die deelneemt aan de Sem, naast een vergoeding voor de doorgehaalde fosfaatrechten, ook compensatie voor de inkomstenderving per verminderde melkkoe.
Het bericht 'Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig' |
|
Jantine Zwinkels (CDA), André Poortman (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig»?1
Deelt u de mening dat voor een toekomstbestendige, toegankelijke en kwalitatief goede zorgsector het van belang is dat gezien de toenemende schaarste van grondstoffen ook deze sector, als een van de sectoren met een hoog grondstoffenverbruik, een verduurzamingsslag maakt?
Heeft u kennisgenomen van de brief inzake de Future Deal Zorg d.d. 2 juni 2026 van de heren Kees Vendrik, Ernst Kuijpers en Steven van Eijck die aan u en de Ministers van VWS en Staatssecretaris van IenW is toegestuurd?
Zo ja, kunt u zich vinden in de strekking van de oproep om samen met veldpartijen te komen tot een Zorgtafel waaraan betrokken ministeries deelnemen, ten behoeve van een programmatische aanpak?
Kunt u delen welke initiatieven er, ook gezien de afspraak uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben, op dit moment binnen de zorgsector lopen ten behoeve van de verduurzaming van het grondstof- en materiaalgebruik en die bijdragen aan een circulaire zorgsector?
Is u bekend welke circulaire potentie (grondstoffenbesparing) er in de zorg kan worden gerealiseerd en wat dit aan bespaarde zorgkosten en vermeden CO2-uitstoot oplevert? Zo nee, kunt dat laten onderzoeken?
En bent u bereid op basis van de uitkomsten te komen tot een plan om deze potentie met betrokken partijen te realiseren?
Kunt u reflecteren op de in het bericht gemaakte notie dat door in te zetten op circulaire zorg aantoonbaar miljarden bespaard kunnen worden? Beschikt u over gegevens die deze notie onderschrijven en zo ja, kunt u deze delen?
Klopt het dat de Green Deal Duurzame Zorg per 2027 afloopt, maar dat veldpartijen hier gezien alle succesvolle initiatieven van onderop wel mee door willen gaan middels een Future Deal Zorg? Wat is uw reactie op dit voorstel en welke rol ziet u hierin voor het Ministerie van VWS?
De uitzending van Nieuwsuur 'Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur «Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?» over de opkomst van afslankmedicatie en de vraag of Nederland daarop is voorbereid?1
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat de toegang tot afslankmedicatie de komende jaren vooral afhankelijk wordt van de portemonnee van patiënten, terwijl patiënten zonder voldoende financiële middelen kunnen uitwijken naar buitenlandse of schimmige websites?
Heeft u een concreet scenario klaarliggen voor de situatie waarin goedkope generieke varianten van GLP-1- en GLP-1/GIP-middelen op grote schaal online beschikbaar komen voor Nederlandse patiënten? Zo ja, wat houdt dat scenario in? Zo nee, waarom niet en wanneer komt dat er wel?
Welke inschatting maakt u van de huidige omvang van het gebruik van afslankmedicatie buiten de reguliere zorgkanalen, bijvoorbeeld via buitenlandse websites, online platforms of sociale media?
Welke prognoses heeft u over de verwachte groei van dit gebruik in 2026 en de jaren daarna, mede gelet op het vooruitzicht dat goedkopere varianten uit onder meer India en China beschikbaar komen?
Welke cijfers zijn beschikbaar over meldingen van verkeerd gebruik, bijwerkingen, vergiftigingen of ziekenhuisopnames door afslankmedicatie bij onder meer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum, Lareb, huisartsenposten en spoedeisende hulpafdelingen en kunt u deze cijfers uitsplitsen over 2023, 2024, 2025 en 2026 en daarbij waar mogelijk onderscheid maken tussen geregistreerde middelen, off-labelgebruik, online bestelde middelen, vermoedelijk vervalste middelen, zelf geïmporteerde middelen en middelen waarvan de herkomst onbekend is?
Klopt het dat het Zorginstituut Nederland nog bezig is met beoordelingen van nieuwe obesitasmedicatie, waaronder Wegovy en Mounjaro? Waarom moet dit proces zo lang duren, mede gelet op de snelle groei van de markt en het toenemende gebruik buiten de reguliere zorg?
Wanneer verwacht u de publicatie van de adviezen over Wegovy en Mounjaro voor de behandeling van obesitas? Bent u bereid het Zorginstituut te vragen deze publicatie te versnellen? Zo nee, waarom niet en welke afweging ligt daaraan ten grondslag?
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat het beleid in de praktijk neerkomt op afwachten, terwijl patiënten ondertussen zelf middelen bestellen, doseringen aanpassen of zonder begeleiding stoppen en opnieuw beginnen?
Hoe beoordeelt u het door emeritus hoogleraar Chris Mulder genoemde voorbeeld van een gecontroleerd model waarbij patiënten goedkope medicatie uit het buitenland kunnen bestellen, maar waarbij overheid, inspectie en laboratoria de betrouwbaarheid van middelen toetsen en artsen of apothekers het gebruik begeleiden?
Bent u bereid de juridische, medische en praktische haalbaarheid van zo’n gecontroleerd import- en testmodel voor afslankmedicatie te onderzoeken, inclusief de ruimte binnen Nederlandse en Europese geneesmiddelenwetgeving en binnen bijvoorbeeld het octrooirecht, de douaneregels en de regels voor persoonlijke import?
Indien u een dergelijk model niet mogelijk of niet wenselijk acht, kunt u precies aangeven welke wettelijke, Europese, medische of praktische belemmeringen daaraan in de weg staan?
Bent u bereid te onderzoeken of een lijst van betrouwbare buitenlandse fabrikanten of producten kan worden opgesteld, dan wel of batchgewijze kwaliteitscontrole mogelijk is, zodat patiënten niet volledig zijn overgeleverd aan schimmige websites?
Bent u bereid met huisartsen, apothekers, medisch specialisten en patiëntenorganisaties richtlijnen te ontwikkelen voor veilige begeleiding van patiënten die afslankmedicatie gebruiken of overwegen, ook wanneer zij deze middelen niet via vergoeding verkrijgen?
Op welke termijn informeert u de Kamer over de aanpak van deze problematiek, inclusief scenario’s voor goedkope import, online aanbod, toezicht, patiëntveiligheid, medische begeleiding en de beoordeling van mogelijke vergoeding?
Het artikel 'Honderden euro’s bonus voor slim gebruik elektriciteit tegen overvol stroomnet: ‘Auto buiten piekuren opladen’' |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energiebedrijven zetten geld in tegen overvol stroomnet: vergoeding voor slim laden en gebruik thuisbatterij»? Hoe beoordeelt u deze samenwerking van regionale netbeheerders?1
Het kabinet ziet dit initiatief van netbeheerders, energieleveranciers en marktpartijen als een positieve ontwikkeling en is verheugd met de samenwerking.
Het initiatief is versneld tot stand gekomen in het kader van de FGU-aanpak, waarover de Kamer onlangs is geïnformeerd2. De intensieve samenwerking binnen deze FGU-aanpak heeft eraan bijgedragen dat deze oplossing snel kon worden ontwikkeld. De ACM en het kabinet werken daarnaast aan het wegnemen van knelpunten in wet- en regelgeving om verdere opschaling mogelijk te maken.
Ziet u het ook als een win-win-win dat door het slim aansturen van laadpalen, thuisbatterijen en hybride warmtepompen het stroomnet op piekuren wordt ontzien, er ruimte komt op het net voor nieuwe aansluitingen en huishoudens geld kunnen verdienen?
Ja. Dit sluit volledig aan bij de reeds ingezette aanpak binnen het spoor «Beter benutten – kleinverbruikers» van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN).
Flexibel elektriciteitsverbruik door huishoudens biedt aanzienlijke mogelijkheden om het elektriciteitssysteem tijdens piekmomenten te ontlasten. Dat kan door het gebruik van elektrische apparaten te verschuiven naar momenten buiten de piek. Vooral slimme «net-intensieve» apparaten, zoals laadpalen, thuisbatterijen en warmtepompen, kunnen daarbij een verschil maken.
Onderdeel van deze aanpak zijn ook de normen die het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) ontwikkelt voor slimme apparaten die deelname aan flexibiliteitsdiensten makkelijker maken. Zo kunnen huishoudens eenvoudiger bijdragen aan een stabieler elektriciteitsnet en beter sturen op elektriciteitskosten om meer grip te krijgen op hun energierekening.
Heeft u er kennis van genomen dat klanten van Essent met een «buurtbonus» een jaarlijkse bonus kunenn krijgen van 400 euro per jaar als zij meer eigen zonnestroom gebruikem en dat ook huishoudens geld kunnen verdienen als zij hun batterij actief gebruiken voor het ondersteunen van het net? Deelt u dat dit een goede stimulans kan zijn voor huishoudens om zonnepanelen en batterijen aan te schaffen?
Het is aan energieleveranciers en andere marktpartijen om aantrekkelijke en begrijpelijke proposities voor consumenten te ontwikkelen. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor partijen die huishoudens ontzorgen en hen helpen te profiteren van prijsprikkels, bijvoorbeeld via slimme apps en energiemanagementsystemen die apparaten zoals thuisbatterijen, laadpalen en warmtepompen automatisch aansturen op basis van de situatie op het elektriciteitsnet en de elektriciteitsprijs.
Het kabinet ziet dat marktpartijen, zowel landelijk als regionaal, steeds meer van dit soort flexibiliteitsdiensten ontwikkelen. Daarmee dragen zij bij aan een efficiënter gebruik van het elektriciteitssysteem, minder druk op het stroomnet en kunnen huishoudens hiervan financieel profiteren.
Kunt u andere regionale netbeheerders aansporen hier ook mee aan de slag te gaan, zodat dit ook in gang gezet kan worden buiten de FGU-regio?
Dit initiatief is een samenwerking van alle regionale netbeheerders. In deze fase richt het zich op de FGU-regio en Noord-Brabant, omdat daar de netcongestieproblematiek het meest kritiek is. Het is nadrukkelijk de bedoeling om succesvolle elementen van deze aanpak in een volgende fase breder, en bij voorkeur landelijk, toe te passen.
Hoe gaat u van dit samenwerkingsverband leren?
Dit initiatief maakt onderdeel uit van de aanpak van netcongestie door het Rijk, netbeheerders, medeoverheden en de ACM, zowel binnen de FGU-aanpak als binnen de Landelijke Aanpak Netcongestie (LAN). Het laat zien hoe deze intensieve samenwerkingen bijdraagt aan innovatieve en structurele oplossingen voor netcongestie. Binnen deze aanpakken worden maatregelen gemonitord en worden succesfactoren continu in kaart gebracht. De opgedane kennis wordt actief gedeeld en benut om de aanpak van netcongestie in andere regio’s verder te verbeteren.
De Kamer wordt via de halfjaarlijkse voortgangsrapportages3 geïnformeerd over de voortgang van de landelijke aanpak netcongestie, waaronder relevante ontwikkelingen en de lessen die daaruit worden getrokken. Daarnaast heeft het lid Grinwis het kabinet verzocht4 de geleerde lessen en succesvolle maatregelen uit de FGU-aanpak in kaart te brengen. Hierover wordt de Kamer geïnformeerd in de volgende voortgangsrapportage, die in oktober wordt verwacht.
Hoe verhoudt dit plan zich tot de volume en tijdsafhankelijke tarieven, waarmee de Autoriteit Consument & Markt (ACM) deze zomer komt?
In het toekomstige elektriciteitssysteem zijn zowel tijdsafhankelijke nettarieven als marktgebaseerde flexibiliteitsdiensten, zoals hierboven beschreven, nodig om het stroomnet efficiënter te benutten. Het nieuwe tariefstelsel zal naar verwachting een belangrijk deel van de benodigde verschuiving van het elektriciteitsverbruik naar rustigere momenten realiseren. Flexibiliteitsdiensten vormen daarop een waardevolle aanvulling, doordat ze lokaal en op specifieke momenten extra flexibiliteit kunnen vrijmaken. Daarmee helpen ze resterende knelpunten te verminderen en ruimte te creëren voor nieuwe aansluitingen.
De Kamerbrief ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof’ |
|
Mona Keijzer |
|
van Essen |
|
Kunt u per provincie aangeven hoeveel agrarische bedrijven binnen de voorgestelde bufferzones van 500 meter en 1 kilometer rondom Natura 2000-gebieden liggen?
Deze cijfers zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp.1
Voor de zones tot 500 meter gaat het in totaal (voor alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, exclusief grote wateren), over 3.077 agrarische bedrijven, 66 industriële bedrijven, en ca. 153.000 hectare landbouwgrond. De cijfers per gebied, ook voor zones tot 1.000 meter, zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM en bijbehorende databestanden.
De uiteindelijke selectie van gebieden en vastgelegde begrenzing is uiteindelijk leidend voor de precieze hectares en bedrijfsaantallen die in de zones zullen vallen.
Kunt u per provincie aangeven hoeveel andere bedrijven binnen deze bufferzones liggen, uitgesplitst naar sector?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel hectare landbouwgrond komt binnen deze bufferzones te liggen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket extra maatregelen moet nemen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten extensiveren? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten verplaatsen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket uiteindelijk zullen stoppen?
Het kabinet kiest voor een aanpak gebaseerd op duidelijke normen en kaders, waarbinnen ondernemers de ruimte krijgen om zelf te kiezen op welke wijze ze hieraan willen voldoen (mogelijkheden uit trappetje van Remkes: innoveren, extensiveren, verplaatsen, omschakelen of stoppen). Dit betekent dat op voorhand niet te zeggen is hoeveel bedrijven welke ontwikkelrichting kiezen. Wel is het de verwachting dat bijna alle veehouderijen aanpassingen moeten doen binnen hun bedrijfsvoering en ook in de akkerbouw zullen aanpassingen nodig zijn. De mate waarin en de manier waarop is afhankelijk van de huidige bedrijfsvoering, de locatie van het bedrijf en de keuze in ontwikkelrichting van de ondernemer. Met de aanpak van het kabinet komt de vergunningverlening juist weer in beweging en gaat Nederland stapsgewijs van het slot.
Hoeveel andere bedrijven verwacht u dat door dit pakket worden beperkt in hun bedrijfsvoering of vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel bedrijven krijgen te maken met een stapeling van maatregelen, zoals bufferzones, emissieplafonds, grondgebondenheid en aanvullende gebiedseisen?
Het is niet te zeggen om hoeveel bedrijven dit precies gaat, aangezien dit afhankelijk is van de specifieke bedrijfssituatie. Generieke maatregelen, zoals bedrijfsspecifieke emissienormen en grondgebondenheid, gelden in heel Nederland. Binnen de uiteindelijke begrenzing van zones rond Natura 2000-gebieden en in kwetsbare watergebieden worden daarnaast aanvullend gebiedsgerichte maatregelen getroffen. Hier is ook aanvullende gebiedsgerichte ondersteuning beschikbaar om het ook voor deze boeren behapbaar te houden.
Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor woningbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor landbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor industrie? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor infrastructuur?
Voor de projecten waar u naar verwijst, is hoofdzakelijk de provincie het bevoegd gezag voor vergunningverlening. Ik heb geen overzicht van de lopende of nieuwe aanvragen bij de provincies, en kan daarom geen exacte aantallen noemen.
Het aantal vergunningen dat daadwerkelijk wordt verleend, hangt bovendien af van factoren die per aanvraag verschillen, waaronder de specifieke situatie van het project en de staat van de natuur in het betreffende gebied.
Dit geldt ook voor het aantal woningbouwprojecten dat vooruitlopend op de invoering van de rekenkundige ondergrens doorgang kan vinden. Het effect van de ondergrens werkt per project verschillend uit, afhankelijk van de afstand tot het betreffende Natura 2000-gebied.
Ik kan dan ook geen betrouwbare prognose geven van het aantal vergunningen, woningen of bedrijven dat hiermee gemoeid is, uitgesplitst naar sector of peildatum.
Hoeveel woningbouwprojecten kunnen volgens u voor invoering van de rekenkundige ondergrens alsnog doorgaan?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel woningen levert dit pakket voor 1 januari 2028 daadwerkelijk op?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel bedrijven kunnen tot eind 2027 geen vergunning krijgen om hun bedrijf uit te breiden of te verduurzamen?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen neemt u om vergunningverlening weer op gang te brengen zolang de rekenkundige ondergrens nog niet is ingevoerd?
We verwachten dat op korte termijn per Natura 2000-gebied een plan wordt opgesteld waarmee additionaliteit kan worden onderbouwd. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Parallel hieraan wordt met voorrang gezorgd dat verduurzaming versneld doorgang kan vinden.
Waarom kiest u ervoor de rekenkundige ondergrens pas uiterlijk eind 2027 in te voeren?
Het kabinet wil de ondergrens zo snel mogelijk invoeren, maar uiterlijk eind 2027. Voor een verantwoorde invoering zijn echter ook beheersmaatregelen nodig. Alle deposities onder de rekenkundige ondergrens tellen bij elkaar op en kunnen lokaal voor een toename van depositie zorgen. Daarom is onder andere geadviseerd door de wetenschappers Arthur Petersen en Chris Backes om flankerend beleid in te voeren. Als kabinet volgen we deze adviezen. Het uitwerken en borgen van deze beheersmaatregelen pakken we met urgentie op, maar dit kost wel tijd.
Daarnaast wordt de technische en praktische werking van de rekenkundige ondergrens nog nader uitgewerkt.
Welke juridische, technische en wetenschappelijke belemmeringen maken een eerdere invoering onmogelijk?
Zie antwoord vraag 12.
Heeft u onderzocht wat invoering van een rekenkundige ondergrens van 1 mol zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Op 4 juli 2024 heeft het Interprovinciaal Overleg (IPO) de Interbestuurlijke Verkenning Rekenkundige Ondergrens opgeleverd.2 Daarin is ook een impactanalyse voor verschillende sectoren in opgenomen. De verwachting is dat vooral PAS-melders, de woningbouw, en kleine projecten geholpen zullen worden.
Heeft u onderzocht wat een bestuurlijke drempelwaarde, vergelijkbaar met de Duitse systematiek, zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen?
De mogelijkheden voor een drempelwaarde zijn ook betrokken bij de hierboven genoemde verkenning van IPO. Als de beheersmaatregelen voor de rekenkundige ondergrens eind 2027 nog onvoldoende geborgd blijken, zal het kabinet gaan inzetten op de invoering van gebieds-specifieke drempelwaardes
Hoeveel PAS-melders verwacht u voor eind 2027 daadwerkelijk te legaliseren?
Het Programma Maatwerk PAS-melders biedt verschillende oplossingsrichtingen waarmee de PAS-melder weer in een legale situatie terechtkomt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met ondersteuning van een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij de bedrijfsspecifieke situatie past. Het programma streeft ernaar om voor elke PAS-melder uiterlijk in maart 2028 een oplossing in beeld te hebben. De oplossing hoeft in maart 2028 nog niet volledig geïmplementeerd te zijn, de ondersteuning vanuit Rijk en provincies loopt door tot en met 2030 zodat er ruimte is voor de implementatie van de oplossing en het traject van vergunningverlening.
Welke extra maatregelen neemt u om PAS-melders voor invoering van de rekenkundige ondergrens sneller duidelijkheid te geven?
Met de invoering van de rekenkundige ondergrens zal een deel van de PAS-melders een oplossing hebben, omdat zij met hun gehele activiteit binnen deze grens blijven. Zij krijgen geen vergunning, maar er komt wél een einde aan hun onzekerheid. Voor de andere PAS-melder presenteert het programma andere oplossingsrichtingen. Om het maatwerkprogramma extra slagkracht te geven, wordt er € 350 miljoen extra vrijgemaakt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij hen past.
Op basis van welke wetenschappelijke onderzoeken is gekozen voor bufferzones van 500 meter en 1 kilometer?
Het nut en de noodzaak van zoneringsbeleid is terug te lezen in publicaties van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).3 De cijfermatige onderbouwing van de zones is gebaseerd op de cijfers uit de bijpassende kennisnotitie van het RIVM4. Daarnaast zijn verschillende wetenschappelijke onderzoeken benut om inzichtelijk te maken welke afstanden passend zijn om druk vanuit agrarische activiteiten en grondgebruik op het Natura 2000-gebied te beperken. Denk daarbij aan verspreiding van nutriënten via het bodem- en watersysteem, of de verspreiding van schadelijke stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen via drift, water, atmosferische depositie of via ongewervelden. De passende afstand verschilt per drukfactor en hangt samen met de knelpunten die in de natuurdoelanalyses per gebied opkomen. Daarmee is 500 meter naar voren gekomen als minimale afstand om breed aan het verminderen van drukfactoren op Natura 2000-gebieden te voldoen.
Bent u bereid deze onderzoeken met de Kamer te delen?
Deze onderzoeken zijn reeds openbaar, zie hiervoor de links in de voetnoten bij de beantwoording van de vorige vraag.
Bent u bekend met het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam waaruit blijkt dat ongeveer 90 procent van de uitgestoten stikstof in hogere luchtlagen terechtkomt en elders neerslaat, terwijl van de circa 10 procent die binnen 500 meter neerslaat, het grootste deel al binnen 100 meter van de bron terechtkomt? Waarom kiest het kabinet desondanks voor bufferzones van 500 meter en één kilometer?1
Dat onderzoek is bij mij bekend. Het onderzoek bevestigt eerdere bevindingen van het RIVM dat dichtbij de bron de meeste stikstof per hectare neerslaat en dat die bijdrage langzaam afneemt naarmate de afstand groter wordt. Ook op meer dan 100 meter kunnen emissiebronnen echter nog tot veel stikstofdepositie leiden, zeker als we kijken naar de optelsom van alle bijdragen per hectare. Uit ander onderzoek van het RIVM6 blijkt dat tot 1.000 meter van het gebied, stikstofmaatregelen ongeveer 2,5x effectiever zijn dan generieke maatregelen.
Waarom kiest u voor generieke bufferzones rond Natura 2000-gebieden, terwijl de problemen per natuurgebied verschillen?
De komende periode gaat het kabinet aan de slag met de verdere uitwerking van de zoneringsaanpak. Daarbij worden enerzijds instructieregels uitgewerkt, waaronder over de breedte van de zones. Deze vormen de ruggengraat van het Rijk om te komen tot een zoneringsaanpak. Anderzijds krijgen gebieden de mogelijkheid om tot 1 januari 2028 met een gebiedseigen oplossing te komen die gelijk is in doelbereik, financiën en juridische borging. Dit kan bijvoorbeeld vormgegeven worden via een omwisselbesluit. Daarbij zoekt het kabinet een balans tussen een gelijk speelveld en ruimte bieden voor gebiedseigen oplossingen. In beide gevallen is er daarbij ruimte voor provinciale doorvertaling van de landelijke beleidsvoornemens en kaders naar specifieke Natura2000-gebieden.
Allereerst maakt het kabinet onderscheid tussen gebieden waar zonering geen nut en noodzaak heeft, waar wordt ingezet op een 500 meter zone en waar wordt ingezet op een 1.000 meter zone. Een deel van de instructieregels zal ook afwegingsruimte bevatten binnen kaders. Daar is sprake van voor:
Heeft u onderzocht wat kleinere, gebiedsgerichte bufferzones of zones van maximaal 250 meter zouden betekenen voor natuurherstel en vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Uit de reflectie van PBL, RIVM, Deltares en Wageningen University and Research (WUR) op het MCEN pakket7 met zones van 250 meter is naar voren gekomen dat deze afstanden onvoldoende doen om achteruitgang te stoppen. Deze afstanden zijn niet passend bij een integraal pakket aan gebiedsgerichte maatregelen dat nodig is om druk vanuit de landbouw op Natura 2000-gebieden zo veel mogelijk te verzachten. Daarnaast zorgen zones van 250 meter voor meer uitdagingen op het gebied van grondmobiliteit en het mogelijk maken van een volwaardige extensieve bedrijfsvoering voor bedrijven met percelen in de zones. Daarbij is er ook een afweging te maken. In kleinere zones zal er een grotere opgave liggen in de zone zelf. Deze opgave is dusdanig dat er niet tot nauwelijks ruimte is voor landbouw in de zone. Een grotere zone dan 250 meter raakt meer bedrijven. Tegelijkertijd blijft er hierdoor ruimte voor extensieve vormen van landbouw.
Klopt het dat de huidige AERIUS-systematiek en de bestaande natuurdoelanalyses voorlopig blijven gelden en dat de Kritische Depositiewaarde daardoor in de praktijk voorlopig een belangrijke rol blijft spelen bij vergunningverlening?
Dat klopt. Bij toestemmingverlening zal de best beschikbare wetenschappelijke kennis benut blijven worden, dat verlangt de rechter ook van ons.
Wat verandert er morgen concreet voor een ondernemer die een natuurvergunning aanvraagt ten opzichte van de situatie voor deze Kamerbrief?
Met de kabinetsaanpak zetten we de essentiële stappen om vergunningverlening weer stapsgewijs mogelijk te maken. Het vraagt nadere uitwerking voordat er in de praktijk weer meer vergunningen kunnen worden verleend. Daar gaan we mee aan de slag.
Op basis van welke juridische adviezen verwacht u dat de nieuwe systematiek beter standhoudt bij de rechter dan de huidige?
Het kabinet kiest voor een omvangrijk pakket met juridisch geborgde maatregelen waar nodig. Het gaat bijvoorbeeld om de bedrijfsspecifieke emissienormen, wettelijke doelstellingen en de regels op zonering. Met daarbij aandacht voor monitoring en bijsturing. Dit is niet gebaseerd op een nieuwe systematiek, maar bouwt voort op de inzet van het vorige kabinet en het advies dat de Landsadvocaat toentertijd heeft gegeven. Daarbij benadrukt de Landsadvocaat onder meer het belang van een goede borging van maatregelen.
Kunt u uitsluiten dat de maatregelen uit dit pakket ertoe leiden dat boeren hun veestapel moeten verkleinen?
Dat kan ik niet uitsluiten. Dit maatregelpakket zal van sommige veehouderijen ingrijpende besluiten vragen, bijvoorbeeld van intensieve melkveebedrijven om aan de grondgebondenheidsnorm te voldoen. Hierbij hebben deze ondernemers afhankelijk van de situatie verschillende mogelijkheden, zoals het kopen of pachten van extra grond, het aangaan van samenwerking met akkerbouwers in de omgeving, of het verminderen van het aantal dieren. Het kabinet treft flankerende maatregelen om boeren hierbij te ondersteunen.
Indien u dat niet kunt uitsluiten, hoeveel boeren verwacht u dat hierdoor minder dieren zullen moeten houden?
Omdat ondernemers verschillende ontwikkelrichtingen hebben om aan de verschillende normen te voldoen, is het op voorhand niet te zeggen hoeveel boeren hierdoor minder dieren zullen gaan houden. Het kabinet biedt brede ondersteuning gericht op de verschillende ontwikkelrichtingen.
Heeft het kabinet berekend met hoeveel koeien, varkens en kippen de Nederlandse veestapel als gevolg van dit pakket zal afnemen? Zo ja, wilt u deze berekeningen met de Kamer delen?
Het kabinet zet in op het verlagen van de emissies op bedrijfsniveau via doelsturing. Met stalaanpassingen en managementmaatregelen is er in deze sectoren nog veel emissiereductie te realiseren. Omdat het kabinet niet het onmogelijke wil vragen van ondernemers, zijn deze normen gebaseerd op het technisch reductiepotentieel. Dat betekent ook dat hiermee niet de gehele opgave gerealiseerd kan worden. Daarom zet het kabinet ook in op aanvullende generieke reductiemaatregelen, waaronder vrijwillige beëindiging, extensivering en afroming. Het resultaat van deze maatregelen is onder andere afhankelijk van de deelname bereidheid en van de dynamiek op de markt. Een exacte inschatting van het gevolg voor het aantal dieren in de verschillende sectoren is daarom op voorhand niet te maken.
Klopt het dat ondernemers die willen investeren in emissiereducerende technieken daarvoor vaak eerst een natuurvergunning nodig hebben?
Met het voorliggende pakket vertrouw ik erop dat natuurvergunningen voor verduurzamingsprojecten op korte termijn weer verleend kunnen worden. Vooruitlopend op reguliere toestemmingeverlening werkt het kabinet met voorrang aan het versneld mogelijk maken van verduurzaming. Hierbij wordt gekeken naar onder andere de passende maatregel als instrument. Daarnaast bespreekt het Rijk met provincies welke routes zij zien voor toestemming voor verduurzamingactiviteiten. Zo wordt verduurzaming weer een onderdeel van de oplossing.
Het is afhankelijk van de maatregel of nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Zo zullen voor managementmaatregelen over het algemeen geen nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Voor stalmaatregelen is dat vaak wel het geval. Daarvoor kan toestemmingverlening weer in gebieden waar het pakket behoud van de natuur borgt. Waar dat niet het geval is, kan de passende maatregel worden ingezet om toch de verduurzaming doorgang te laten vinden, dan is geen natuurvergunning nodig.
Hoe voorkomt u dat bedrijven die willen investeren en verduurzamen opnieuw vastlopen doordat zij geen natuurvergunning kunnen krijgen?
Zie antwoord vraag 29.
Hoeveel verschillende landelijke en gebiedsgerichte regels krijgen agrarische ondernemers als gevolg van dit pakket? Acht u dit een vereenvoudiging van het stikstofbeleid?
Het is nog niet definitief vast te stellen hoeveel verschillende regels precies uit dit pakket volgen, omdat nog niet alle regels volledig zijn vastgesteld. Het is niet waarschijnlijk dat het pakket direct leidt tot een vereenvoudiging van het stikstofbeleid, maar er zijn wel onderdelen die leiden tot vereenvoudiging, zoals het verhogen van de rekenkundige ondergrens. Tevens biedt het ondernemers meer duidelijkheid over wat er van hen verwacht wordt, onder meer met de bedrijfsspecifieke emissienormen en de grondgebondenheidsnorm. Agrarische ondernemers kunnen binnen deze kaders en met de beschikbare ondersteuning keuzes maken die passen bij hen als ondernemer, bij hun bedrijf en bij de omgeving van het bedrijf. Bij het inrichten van het pakket wordt rekening gehouden met bestaande regelgeving en het zo eenvoudig mogelijk houden van de wet- en regelgeving.
Heeft het kabinet onderzocht wat de stapeling van al deze maatregelen betekent voor een gemiddeld agrarisch bedrijf? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Het kabinet realiseert zich dat het maatregelpakket veel impact kan hebben op agrarische bedrijven, ook in termen van het verdienvermogen. Met breed ondersteuningsbeleid gaat dit kabinet naast de ondernemer staan en wordt er ondersteuning geboden voor de verschillende ontwikkelrichtingen. PBL, WUR en RIVM zullen het maatregelpakket beoordelen, onder meer op emissiereductie en sociaaleconomische aspecten. Onderdeel van de reflectie van de kennisinstellingen op sociaaleconomische aspecten van het beleid is ook een inschatting van het effect van het pakket op het verdienvermogen van de agrarische sector. We hebben de kennisinstellingen verzocht om hun reflecties gereed te hebben vóór de behandeling van de LVVN-begroting in de Tweede Kamer.
Voor de wettelijke borging van verschillende maatregelen is het daarnaast noodzakelijk om de sociaaleconomische gevolgen goed in beeld te hebben.
Kunt u per maatregel aangeven welke bedoeld is om vergunningverlening weer op gang te brengen en welke bedoeld is om de landbouwsector structureel te veranderen?
De maatregelen in de aanpak vormen één samenhangend geheel. De bedrijfsspecifieke emissienormen in de landbouw werken alleen met genoeg ondersteunende maatregelen. De zoneringsaanpak rond Natura 2000-gebieden werkt alleen als extensivering ook mogelijk wordt gemaakt. De stap naar extensivering en verduurzaming is alleen mogelijk als dat economisch loont, en als ook de hele keten meedoet. En ruimte voor vergunningverlening ontstaat alleen als de natuur op orde komt. Daarmee zijn alle onderdelen van de aanpak nodig om de vergunningverlening weer op gang te brengen. Tegelijkertijd kijken we naar de synergie van het pakket met andere opgaven, door bijvoorbeeld ook gewasbescherming, dierwaardigheid en klimaat mee te nemen.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de Nederlandse voedselproductie, voedselzekerheid en de afhankelijkheid van voedselimport? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
In Nederland is er een ruim, divers en voor de meeste mensen betaalbaar aanbod van voedsel. Dit is het resultaat van voedselproductie hier en de invoer van voedsel uit landen die onderdeel zijn van de Europese Unie, alsook van daarbuiten. Juist de combinatie van eigen productie en de mogelijkheden voor import maakt dat we voedselzeker zijn. Ondanks dat de samenstelling mogelijk verandert, zet dit kabinet zich in voor een toekomstbestendige landbouwsector die een duurzame bijdrage levert aan voedselzekerheid in Nederland en elders, ook op de langere termijn. De Staatssecretaris werkt aan een Voedselzekerheidsagenda en zal de Kamer spoedig informeren over de contouren en het proces.
Kunt u garanderen dat ondernemers die de komende jaren investeren om aan alle nieuwe regels te voldoen, niet later alsnog worden geconfronteerd met extra beperkingen of een generieke korting op productierechten?
Wanneer is voor het kabinet de vrijwillige aanpak niet langer voldoende? Welke criteria hanteert u om over te gaan tot dwingende maatregelen?
Kunt u uitsluiten dat ondernemers uiteindelijk worden gedwongen hun bedrijf of veestapel te verkleinen als de gestelde doelen niet worden gehaald?
Bent u zich ervan bewust dat de mogelijkheid van dwingende maatregelen en voortdurende onzekerheid grote gevolgen kan hebben voor de waarde en financierbaarheid van agrarische bedrijven? Heeft u dit onderzocht?
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de bereidheid van banken en andere financiers om agrarische bedrijven te financieren? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Voor boeren, banken en financiers heeft de juridische onzekerheid over vergunningverlening afgelopen jaren geleid tot een terughoudendheid om te investeren in de doorontwikkeling van agrarische bedrijven. Vergunningen zijn een belangrijke randvoorwaarde om financiering te verstrekken aan agrarische bedrijven. Eind vorig jaar gaf bijvoorbeeld de Rabobank aan dat er in de landbouw vooral is geïnvesteerd in grond, en minder in innovaties zoals technieken of nieuwe stallen. Het kabinet heeft het vertrouwen dat door dit pakket de vergunningverlening weer op gang komt, net als de investeringen in deze sector.
Bent u bereid deze vragen, gelet op het debat over de Samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof van 1 juli 2026, voor aanvang van dat debat te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de staatssecretaris dreigt de Kamer te passeren voor versoepeling van de bescherming van de wolf |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat de Kamer middels motie-Kostić (Kamerstuk 33 118, nr. 310) de regering heeft verzocht geen verdere stappen te zetten in de voorbereiding of uitvoering van de voorgestelde wijziging van het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving, tot het nieuwe kabinet is aangetreden en de Kamer inzicht heeft kunnen krijgen in het voorgenomen besluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen?
Ja.
Erkent u dat dit definitieve oordeel moet worden geveld door de Kamer ten tijde van een voorgenomen besluit van het nieuwe kabinet, voordat er verdere stappen door het kabinet kunnen worden genomen?
De aangenomen motie Kostić verzoekt inderdaad geen verdere stappen te zetten tot het nieuwe kabinet (het kabinet Jetten) is aangetreden en uw Kamer inzicht heeft gekregen in het gewijzigde ontwerpbesluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen. Ik heb uw Kamer inzicht gegeven in het gewijzigde ontwerpbesluit, maar uw Kamer heeft nog geen oordeel over het ontwerpbesluit geveld. Ik heb uw Kamer gelet op het belang van spoedige vaststelling van het besluit meermaals opgeroepen om dit debat zo snel als mogelijk met mij te voeren. Het afwachten van dit oordeel is echter geen vereiste in het totstandkomingsproces van het ontwerpbesluit. Een algemene maatregel van bestuur (amvb) onder de Omgevingswet kent op grond van artikel 23.5, eerste lid, van de Omgevingswet een voorhangprocedure. Dit betekent dat het ontwerp van amvb wordt voorgelegd aan het parlement, zodat uw Kamer zich over het ontwerp kan uitspreken, maar vereist niet dat wordt gewacht op een definitief oordeel of instemming. Deze voorhangprocedure is gestart op 10 juni 2025 en is inmiddels doorlopen. Daarbij heeft uw Kamer middels het tweeminutendebat Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals) van 29 januari jl. uw reactie aan de regering kenbaar gemaakt.
Waarom heeft u recent in de media laten weten dat u de wetgeving voor het zomerreces wil invoeren, of de Kamer er nou over kan debatteren of niet?1
Het is belangrijk dat de amvb in werking kan treden voor het zomerreces, om handvatten voor de aanpak van probleemwolven te bieden. Hier vragen provincies en gemeenten om. Daarom heb ik uw Kamer gevraagd deze amvb zo snel mogelijk te behandelen (Kamerstuk II 2025/26, 33 576, nr. 486). Het welpenseizoen staat voor de deur. Als er onverhoopt incidenten zijn deze zomer, wil ik dat gemeenten en provincies zo snel mogelijk kunnen handelen en daarbij gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die deze amvb biedt.
Kunt u zich voorstellen dat uw woorden, waarin het lijkt alsof u dreigt met het passeren van de Kamer, als niet passend worden ervaren?
Ik vind het vervelend dat mijn woorden door het lid Kostic zo worden ervaren en zal u mijn dilemma schetsen. Gezien de urgentie en het lopende recreatieseizoen, wil ik snel handelen. Daarom heb ik spoedadvies gevraagd aan de Raad van State. Uw Kamer heeft mij ook gevraagd snel te handelen middels de motie van het lid Ten Hove die de regering verzoekt zo spoedig mogelijk te komen met een juridisch houdbare beheerstrategie voor het aanpakken van probleemwolven en probleemsituaties, daarbij nadrukkelijk aandacht te besteden aan monitoring en preventie en medeoverheden actief te betrekken bij de uitwerking (Kamerstuk II 2025/26, 36 800 XIV, nr. 51). Dit verzoek staat op gespannen voet met het laatste deel van de motie Kostić. De motie Kostić is bijna helemaal uitgevoerd; alleen het laatste deel van het in deze motie geformuleerde verzoek kan ik door de grote tijdsdruk niet uitvoeren, mede omdat uw Kamer ervoor heeft gekozen de amvb vooralsnog niet te behandelen.
Als de wetgeving zo urgent voor u is, waarom heeft u dan het Nationaal Wolvenberaad geannuleerd een dag voor uw mededeling dat u zo snel mogelijk de wetgeving wil invoeren? Ziet u de meerwaarde van overleg met het Nationaal Wolvenberaad voordat definitieve besluiten door de Kamer worden genomen? Zo nee, waarom niet?2
Het Nationaal Wolvenberaad vormt geen onderdeel van de totstandkomingsprocedure van de amvb. Ik wil dit beraad benutten om persoonlijk kennis te maken met vertegenwoordigers van verschillende overheden en maatschappelijke organisaties betrokken bij het wolvendossier in Nederland. Met deze partijen wil ik vanuit verschillende perspectieven input krijgen over de ontwikkelingen rondom wolven en de rol die de verschillende partijen in het dossier hebben en voor zichzelf zien. Ook wil ik het Nationaal Wolvenberaad voeren om de vervolgstappen met alle relevante partijen te bespreken.
Helaas heb ik op heel korte termijn de geplande afspraak moeten annuleren. Er was die ochtend een overleg van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof ingelast waar ik bij aanwezig moest zijn. Ik wil bij het Nationaal Wolvenberaad persoonlijk spreken met de diverse partijen de te maken hebben met het wolvendossier. Daarom heb ik besloten het beraad te verplaatsen naar het najaar.
Kunt u zich voorstellen dat de Kamer ook een extreem drukke agenda heeft waarin allerlei andere belangrijke zaken nog afgerond moeten worden voor het zomerreces en de werklast al hoog ligt (bij zowel Kamerleden als medewerkers), waardoor de Kamer het debat over het ontwerpbesluit liever vlak na het zomerreces zou willen voeren? Kunt u die situatie respecteren en niet in de media communiceren dat u het definitieve besluit doorzet voor het zomerreces zonder dat de Kamer er een definitief oordeel over heeft geveld?
De Kamer is via de brieven van 24 april en 8 juni 2026 geïnformeerd over de laatste wijzigingen in de AMvB. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, vind ik het van het allergrootste belang dat de amvb voor het zomerreces in werking kan treden om zo provincies en gemeenten deze zomer al meer mogelijkheden te bieden om op te treden indien er onverhoopt incidenten zijn met wolven. Daarom heb ik de Kamer opgeroepen dit debat zo spoedig mogelijk in te plannen.
Kunt u bevestigen dat u zich houdt aan de wens van de Kamer en dat u het respecteert als de Kamer na het zomerreces definitief over het betreffende Ontwerpbesluit wil beslissen?
Zoals ik in mijn eerdere antwoorden heb aangegeven vind ik het van het allergrootste belang dat de amvb voor het zomerreces in werking treedt. Ik zal aan eventuele wensen van de Kamer die na het zomerreces worden geformuleerd naar beste kunnen invulling geven.
Als de Kamer het debat na het zomerreces gaat voeren over het ontwerpbesluit, ziet u nog mogelijkheden om alsnog voor dat debat overleg te plegen met het Nationaal Wolvenberaad?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 heb aangegeven, vormt het Nationaal Wolvenberaad geen onderdeel van de totstandkomingsprocedure van de amvb. Het beraad zal in het najaar plaatsvinden, een exacte datum is hiervoor nog niet vastgesteld. Ik begrijp dat er in uw Kamer een meerderheid is voor het inplannen van een debat over de wolf de eerste week na het reces, op basis van de Regeling van werkzaamheden op 30 juni 2026. In dat geval zal het wolvenberaad na het debat plaatsvinden.
Kunt u een exact overzicht geven van alle personen en organisaties die waren uitgenodigd voor dat Nationaal Wolvenberaad?
Deelnemers aan het Nationale Wolvenberaad zijn:
Kunt u deze vragen één voor één uiterlijk dinsdag 30 juni 2026 beantwoorden?
Het artikel dat de stikstofplannen van het kabinet bedrijven hard gaan raken en zorgt voor een economische bom voor Nederland. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat uw stikstofplannen ook de industrie keihard zullen raken? Kunt u aangeven welk effect uw stikstofplannen op de Nederlandse economie hebben? Zo nee, waarom niet?1
Uw eerste vraag refereert aan een bericht in de Telegraaf (van 25 juni jl.) dat «bijna 100 bedrijven in de buurt van Natura 2000 gebieden een verplichting opgelegd krijgen om hun stikstofuitstoot radicaal omlaag te brengen». In dit artikel wordt ingegaan op de economische impact van de stikstofmaatregelen. In de Kamerbrief van 26 juni jl. wordt het stikstofbeleid verder toegelicht. Hierin is ook rekening gehouden met economie. De vergunningverlening weer op gang krijgen vraagt iets van alle sectoren die bijdragen aan de uitstoot van stikstof en dus ook van de industrie. Industriële bedrijven doen al veel, omdat ze moeten voldoen aan milieu- en klimaatmaatregelen. Voor industrie geldt bijvoorbeeld dat de vergunning periodiek wordt vernieuwd en de fabriek zich moet aanpassen naar de beste beschikbare techniek (BBT). Daarom daalt de stikstofuitstoot van de industrie al lange tijd gestaag en deze ontwikkeling zet zich de komende periode voort, en dat geldt ook voor bedrijven in de nabijheid van natura 2000 gebieden. Het kabinet heeft gekeken naar wat de industrie aanvullend kan doen. Zo is het kabinet voornemens om aanvullend middelen beschikbaar te maken voor de (bestaande) subsidieregeling Beperking Ammoniakemissies Industrie, en bieden we industriële bedrijven binnen de vastgestelde zones rondom natura 2000 gebieden, een kans om een vrijwillige bijdrage te leveren door bovenwettelijk extra stikstofoxide te verminderen.
Doordat er momenteel geen vergunningen kunnen worden verleend loopt de Nederlandse economie schade op. Voor de periode van 2024 tot 2030 is dat rond de 4,1 miljard euro voor projecten die geen vergunning kunnen krijgen. (Jaarlijks 0,1% van het BBP). En de economische schade van stikstofemissies op gezondheid en natuur komt in 2023 neer op jaarlijks minstens 15,1 miljard euro (Jaarlijks 1,6% van het BBP) (Stikstofuitstoot en stikstofbeperkingen; Wat is de schade? SEO 20252). Dit maatregelenpakket zorgt ervoor dat vergunningverlening weer op gang kan komen. Dit zal stap voor stap en gebied voor gebied gaan.
Kunt u een opsomming geven van de bijna honderd bedrijven in de buurt van Natura 2000-gebieden die een verplichting opgelegd blijken te krijgen om hun stikstofuitstaat radicaal omlaag te brengen, inclusief cijfers van al gerealiseerde stikstofreductie per bedrijf? Indien dit niet kan, waarom niet?
Het aantal bedrijven in de zones rondom Natura 2000-gebieden is te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp (https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/KN-2025-0016.pdf). Op individueel bedrijfsniveau zijn de emissiegegevens van agrarische activiteiten om privacy-redenen niet openbaar.
Voor industriële bedrijven in zones worden met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels opgesteld. Het kabinet is wel voornemens om stikstofimpact van industrie te verminderen door voor bedrijven die zich dicht bij natuurgebieden bevinden een tenderregeling open te stellen voor bovenwettelijke reductie.
Wat zijn de gevolgen voor de betreffende bedrijven? Wat zijn de gevolgen economisch gezien? Hoeveel werknemers gaan hier de gevolgen van merken? Hoeveel gezinnen betreft dit?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 worden met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels opgesteld voor industriële bedrijven in zones.
Is er voor uw plannen een brede impactanalyse gedaan, waarin in ieder geval de impact op de Nederlandse economie, de voedselzekerheid, de voedselautonomie, de werkgelegenheid, de schade aan bedrijven, de impact om de burgers en de impact op de woningbouw zijn meegenomen? Zo ja, kunt u deze delen voor het plenair debat over de samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof? Indien nee, hoe bestaat het dat deze er niet is?
In de plannen heeft het kabinet zich gebaseerd op de diverse onderzoeken en rapporten die de afgelopen jaren verschenen zijn over mogelijke oplossingen en effecten van de stikstofproblematiek. Het kabinet kiest nu voor deze aanpak, juist ook vanwege de hoge maatschappelijke kosten waar de economie momenteel onder gebukt gaat en de onzekerheid die daarmee gepaard gaat.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zal voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) in de Tweede Kamer een reflectie op het maatregelpakket publiceren, die het kabinet zal benutten bij de verdere uitwerking van de verschillende maatregelen en besluiten. Het kabinet zal ook scherp zicht houden op mogelijke (regionale) sociaaleconomische effecten, onder meer via de reguliere monitoring.
Houdt u er rekening mee dat er meer dan 30 rioolwaterzuiveringsinstallaties binnen de plannen vallen? Hoe gaat u voorkomen dat bedrijven die buiten de zones vallen, maar wel lozen op deze zuiveringen ook gedwongen moeten krimpen en niet meer kunnen uitbreiden of starten? Kunt u een lijst van alle bedrijven die dit betreft sturen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2, komen er met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels voor industriële bedrijven, en ook niet rioolwaterzuiveringen. Veel rioolzuiveringsinstallaties worden al vernieuwd door waterschappen om te kunnen voldoen aan de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Welke consequenties heeft dit voor de nieuw aan te sluiten woningbouw in deze gebieden, want die lozen ook op de rioolwaterzuiveringen?
Aangezien er geen nieuwe regels zijn voor rioolwaterzuiveringen, is er ook geen sprake van een effect op aan te sluiten woningbouw.
Beseft u dat u met deze stikstofmaatregelen de Nederlandse economie, de Nederlandse voedselvoorziening en de Nederlandse boeren de nek omdraait? Waarom doet u dit?
Het kabinet realiseert zich dat met dit pakket veel wordt gevraagd van (onder meer) agrarische ondernemers. Tegelijkertijd is dit pakket ook noodzakelijk om weer perspectief te bieden. De ondernemer staat er niet alleen voor. Het kabinet biedt ruimhartige ondersteuning gericht op verschillende ontwikkelrichtingen. En als onderdeel van de aanpak investeert in de sociale en economische vitaliteit van het platteland.
Waarom legt u het rapport van prof. dr. Meester2 aangaande de statistische relevantie van de berekende stikstofdepositie naast u neer? Waarom kiest u niet, zoals het rapport aangeeft, voor instandhouding van onze natuur zonder radicaal stikstofbeleid waar u op inzet? Waarom blijft u vasthouden aan uw huidige koers van afbraak, terwijl Europa dat niet van ons vraagt?
Het vorige kabinet heeft de heer Meester gevraagd om analyse naar de statistiek onder de modellen die gebruik worden voor het verkrijgen van inzicht in stikstofdepositie die o.a. gebruikt is in de natuurdoelanalyses. Deze analyse is onderhevig geweest aan een uitgebreide review. Het vorige kabinet constateerde reeds dat de bevindingen van de heer Meester niet allemaal berusten op voldoende wetenschappelijke onderbouwing, en dit blijkt ook uit de review van dhr. Petersen.4 Ik sluit mij hierbij aan en vind het belangrijk dat beleid, zeker als dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de samenleving, gebaseerd is op een degelijke wetenschappelijke onderbouwing.
Wilt u deze vragen uiterlijk op dinsdag 30 juni 2026 beantwoorden, maar in ieder geval ruim voor aanvang van het plenaire debat samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof? Zo nee, waarom niet?
Ja
De afwezigheid van het habitattype grijze duinen in Natura 2000 gebied Westerschelde |
|
André Flach (SGP) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Integrale Effectenanalyse voor de locatiekeuze voor nieuwe kerncentrales (Kamerstuk 2026D31307), waarin wordt aangegeven: «In de verkenning zijn hoge depositiebijdragen berekend op nabijgelegen (zoekgebied voor) grijze duinen. Dit zoekgebied/ deze habitat die is opgenomen in Aerius blijkt echter niet aanwezig. Dit vraagt om aanpassing van Aerius.»?
Ja.
Deelt u de analyse dat het habitattype grijze duinen niet voorkomt in het betreffende Natura 2000-gebied?
In aanwijzingsbesluit van Westerschelde & Saeftinghe is het habitattype grijze duinen (kalkrijk) opgenomen met het doel «behoud oppervlakte en kwaliteit». Dit habitattype is aanwezig en beschermd in het betreffende N2000-gebied.
De opmerking in de Effectenanalyse gaat over de aanwezigheid op een specifieke locatie. Het is aan de voortouwnemer van het gebied om de habitatkartering actueel te houden. In dit geval is Rijkswaterstaat de voortouwnemer.
Bent u voornemens ervoor te zorgen dat Aerius hier zo snel mogelijk op wordt aangepast?
AERIUS bevat de habitatkaarten zoals deze worden aangeleverd door de voortouwnemers. Ieder jaar wordt AERIUS geactualiseerd, onder andere om de habitatkartering bij te werken naar de laatste versie. Over deze specifieke casus ben ik in gesprek met Rijkswaterstaat.
De berichten dat de nieuwe kerncentrales in Eemshaven of Terneuzen gaan komen |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Eemshaven in Groningen toch weer in beeld voor nieuwe kerncentrales» en «Twee grote kerncentrales? Ook Terneuzen staat niet te springen»?1, 2
Herinnert u zich de toezegging van het vorige kabinet aan de provincie Groningen dat er in Groningen geen kerncentrales zouden komen, mede als erkenning van de gaswinningsproblematiek en de aardbevingsschade die de regio heeft getroffen? Bent u het ermee eens dat het huidige kabinet gebonden is aan deze toezegging? Bent u bereid deze belofte onvoorwaardelijk te herbevestigen?
Aangezien de Kamer zich eerder heeft uitgesproken tegen het opleggen van kerncentrales aan Groningen, hoe verhoudt het toch doorzetten van de Eemshaven als onderzoekslocatie zich tot deze uitspraak van de Kamer? Beschouwt u dit als een schending van eerder gemaakte afspraken?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van wethouder Dijkhuis van gemeente Het Hogeland dat Den Haag het gebied «erin gerommeld» heeft? Hoe reflecteert u hierop? Wat doet deze keuze volgens u met de bestuurlijke verhoudingen tussen het kabinet en Groningen? Welke concrete stappen gaat u zetten om het vertrouwen te herstellen?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van Tennet dat plaatsing van kerncentrales in Terneuzen grootschalige knelpunten in het hoogspanningsnet veroorzaakt waardoor windturbines zullen moeten worden uitgeschakeld? Hoe weegt u dit verlies aan hernieuwbare capaciteit van wind op zee af tegen de veronderstelde winst van nieuwe kerncentrales op die locatie?
Heeft u er kennis van genomen dat Tennet als oplossing voor het gebrek aan afnemers in Zeeland schetst dat stroom uit kerncentrales naar waterstofproductie of nieuwe datacenters zou moeten gaan? Is kabinet bereid miljarden aan publieke investeringen in het net te doen ten behoeve van stroomafname door energie-intensieve (tech)bedrijven? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het publieke belang?
Is het vestigen van een vaorkeursrecht op grond in zowel Eemshaven als Terneuzen, terwijl beide locaties aantoonbare en door Tennet erkende technische en/of maatschappelijke bezwaren kennen, niet in feite al een locatiekeuze in plaats van een stap in een open onderzoeksfase?
Wanneer is voor u een locatie technisch of maatschappelijk ongeschikt genoeg om definitief af te vallen, aangezien het afgelopen jaar zeven locaties zijn onderzocht, waarvan vijf zijn afgevallen vanwege ruimtelijke, ecologische of netgerelateerde bezwaren, terwijl de twee overgebleven locaties eveneens aanzienlijke bezwaren kennen? Wat moet er gebeuren om de plannen voor twee kerncentrales definitief te staken?
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het commissiedebat Kernenergie op 2 juli 2026 beantwoorden?
Het bericht dat het natuurvriendelijk inrichten van oevers goedkoper is dan wegvangen voor de aanpak van uitheemse rivierkreeftensoorten |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoeksrapport van adviesbureaus ATKB en Haskoning, waaruit blijkt dat het natuurvriendelijker inrichten van oevers op de lange termijn veel goedkoper is dan het wegvangen van uitheemse rivierkreeftensoorten?1
Ja.
Deelt u de mening dat inzetten op een instrument als wegvangen (doden), dat € 475 per m2 kost, een slechtere besteding is van belastinggeld dan inzetten op een oplossing van € 320–€ 360 per m2 (natuurvriendelijke oevers), zeker als deze goedkopere oplossing een effectieve en zogenaamde no-regret maatregel is? Zo nee, waarom niet?
Om uitheemse rivierkreeften effectief te kunnen beheersen is het vaak nodig om verschillende maatregelen aanvullend op elkaar in te zetten. Een effectieve en kostenefficiënte beheersingsaanpak is daarbij afhankelijk van verschillende factoren zoals de locatie, de soort rivierkreeft en type watersysteem. Natuurvriendelijke oevers kunnen een belangrijk deel uitmaken van zo'n beheersingsaanpak. Tegelijk is het niet overal mogelijk om natuurvriendelijke oevers aan te leggen, onder andere door ruimtegebrek. Om de uitheemse rivierkreeften effectief te beheersen is het vaak nodig om aanvullend aan de aanleg van natuurvriendelijke oevers ook andere maatregelen in te zetten, waaronder het wegvangen van uitheemse rivierkreeften om de initiële populatie terug te dringen. Nadelen van wegvangen zijn dat dit inderdaad kostbaar is, vaker herhaald dient te worden, niet op grote schaal uitvoerbaar is en ook ongewenste neveneffecten kan hebben zoals bijvangst. Dit is waarom het recent gepubliceerde afwegingskader uitheemse rivierkreeften is opgesteld2. Dit afwegingskader helpt waterbeheerders (waterschappen, provincies en gemeenten) per situatie te bepalen welke (combinatie van) maatregelen effectief en kostenefficiënt is.
Gelet op het feit dat een eerste indicatie van hoogheemraadschap Rijnland laat zien dat voor het «beheersmatig wegvangen» van rivierkreeften een bedrag nodig is van zo’n 20 tot 25 miljoen euro per jaar, wat landelijk neer zou komen op ongeveer 400 tot 500 miljoen euro per jaar; deelt u de mening dat dit heel veel geld is voor een oplossing die niet structureel is, aangezien rivierkreeften gelijk zullen terugkeren zodra het wegvangen stopt? Zo nee, waarom niet?2
Een effectieve beheersingsaanpak van uitheemse rivierkreeften is sterk locatieafhankelijk en dit moet per waterschap bepaald worden. Het wegvangen van uitheemse rivierkreeften is een kostbare maatregel, maar zoals hierboven toegelicht kan dit soms wel nodig zijn om een omslag te bewerkstelligen. Wegvangen dient niet gezien te worden als eigenstandige maatregel, maar als steunmaatregel binnen een bredere beheersingsaanpak. Daarmee is het één van de maatregelen die noodzakelijk kan zijn in een effectieve beheersingsaanpak van uitheemse rivierkreeften. Afhankelijk van de locatie en de staat van de natuur in dat gebied kan wegvangen een passende maatregel zijn. Er zijn ook goed ontwikkelde natuurgebieden die last hebben van uitheemse rivierkreeften. Het is maatwerk per gebied om te bepalen welke maatregelen noodzakelijk zijn. Wegvangen in grote open watersystemen met veel uitwisseling met omliggende wateren is daarbij meestal niet heel effectief.
Kunt u beamen dat het onderhoud van natuurvriendelijke oevers in het algemeen goedkoper is dan onderhoud van niet-natuurvriendelijke oevers, zoals blijkt uit het onderzoek?
Het onderzoek doet deze uitspraak over onderhoudskosten over oevers van wateren waar sprake is van een overmatige aanwezigheid van rode Amerikaanse rivierkreeften. In zijn algemeenheid kan niet gesteld worden dat onderhoud van natuurlijkvriendelijke oevers goedkoper (of duurder) is dan onderhoud van niet-natuurvriendelijke oevers. Hierbij zijn diverse factoren van invloed, waaronder het type watergang en het gebruik ervan.
Is het niet bij een beperkt budget de meest financieel verantwoordelijke beslissing om zo veel mogelijk in te zetten op het natuurvriendelijk maken van oevers? Zo nee, waarom niet?
Waterbeheerders van een gebied kunnen zelf inschatten welke maatregelen tegen uitheemse rivierkreeften zij noodzakelijk achten en welke financiële middelen zij daarvoor inzetten. Voor waterschappen geldt hierbij dat zij de inkomsten uit de watersysteemheffing mogen gebruiken voor het nemen van maatregelen tegen uitheemse rivierkreeften als anders het behalen van KRW-doelen in gevaar zou komen. Het recent gepubliceerde afwegingskader uitheemse rivierkreeften helpt waterbeheerders deze inschatting te maken.
Wat vindt u van het onderzoeksresultaat dat het creëren van natuurvriendelijke oevers in Leiden heeft gezorgd voor een afname van 17 keer het aantal rivierkreeften aldaar [KI5]? Welke lessen trekt u hieruit voor uw beleid? Gaat u naar aanleiding hiervan uw beleid nog aanscherpen en zo ja, op welke punten?
Dit past in het beeld dat de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers, op locaties waar dit mogelijk is, een belangrijke bijdrage kan leveren aan het terugdringen van de aantallen uitheemse rivierkreeften. Voor een verdere toelichting op de kabinetslijn ten aanzien van de aanpak van de uitheemse rivierkreeft verwijs ik naar de kabinetsbrief die onlangs aan uw Kamer is toegezonden (Kamerstuk 2026Z15808). Hierin wordt ook op het onderzoek van Hoogheemraadschap van Rijnland ingegaan.
Bent u ermee bekend dat uit het onderzoek blijkt dat ook in de omliggende gebieden van de pilot met natuurvriendelijke oevers een vermindering van rivierkreeften te zien was? Neemt u dit uitstralende effect ook mee in het afwegingskader Aanpak invasieve exoten? Zo nee, waarom niet?
Het desbetreffende onderzoek laat inderdaad ook in de omliggende gebieden een vermindering van uitheemse rivierkreeften zien. Dat is hoopgevend. Tegelijk wijst het onderzoek erop dat de bevindingen met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. Binnen het programma Ontwikkeling Beheersingsaanpak Uitheemse Rivierkreeften (OBUR) werken we met verschillende partijen aan een onderzoeksagenda. LVVN heeft recent een meerjarige subsidie van 400.000,- euro aan Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) verleend voor aanvullend onderzoek om huidige kennisleemtes in het afwegingskader te vullen. De resultaten van de verschillende pilots en onderzoeken, waaronder die van Hoogheemraadschap van Rijnland, worden ook gebruikt om huidige kennisleemtes in het afwegingskader te vullen.
Bent u het eens met het onderzoek van OBN Natuurkennis dat, naast natuurvriendelijke oevers, andere ecologische maatregelen die robuuste watersystemen versterken toegepast moeten worden om onze natuur te herstellen en te komen tot een gezonde balans?3 Zo nee, waarom niet?
Ja, hier zijn wij het mee eens.
Kunt u beamen dat het creëren van natuurvriendelijke oevers ook een gunstig effect heeft op de waterkwaliteit en daarmee bijdraagt aan het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water?
Ja, dat kunnen wij beamen.
Kunt u beamen dat hiermee sprake is van een win-win situatie: invasieve exoten worden aangepakt, de natuur wordt versterkt, natuurdoelen komen dichterbij, water wordt schoner en gezonder en de kosten op lange termijn liggen vele malen lager? Zo nee, waarom niet?
Natuurvriendelijke oevers kunnen vaak een win-win situatie zijn. De effectiviteit van beheersingsmaatregelen is echter sterk afhankelijk van de locatie en de specifieke situatie. Daarom zet het kabinet in op een brede beheersingsaanpak.
Bent u bereid de uitkomsten en berekeningen uit dit het eindrapport van adviesbureaus ATKB en Haskoning te verwerken in het landelijk aanvalsplan invasieve exoten en het bijbehorende afwegingskader, in lijn met de aangenomen motie-Kostić?4 Zo ja, op welke punten? Zo nee, waarom niet?
De resultaten van de verschillende pilots en onderzoeken, waaronder die van deze adviesbureaus, worden gebruikt om huidige kennisleemtes in het afwegingskader te vullen. Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten is al in januari van dit jaar aan uw Kamer aangeboden. Dit aanvalsplan bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid op hoofdlijnen en de bijlagen 6, 7 en 9 bevatten de specifieke landelijke afspraken (doelstelling) per invasieve exoot van de Europese Unielijst. Het aanvalsplan beschrijft niet in detail welke specifieke maatregelen voor deze (meer dan 114) verschillende invasieve exoten kunnen worden getroffen. Maatregelen zijn ook continu in ontwikkeling en kunnen door de tijd heen veranderen op basis van nieuwe inzichten. Documentatie hierover is zeer omvangrijk en via diverse kanalen en netwerken beschikbaar voor waterbeheerders, terreinbeherende organisaties en andere partijen.
Kunt u deze vragen één voor één voor het komende commissiedebat Water beantwoorden?
Gezien de korte termijn tussen de indiening van de vragen en het commissiedebat Water is het niet gelukt om de vragen te beantwoorden voor het Commissiedebat.
Het artikel dat de hogere energieprijzen vooral de armste huishoudens treffen |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van de studie van het CPB waaruit blijkt dat huishoudens in de laagste inkomensgroep in het negatieve scenario tot wel 6% van hun inkomen meer kwijt zijn aan energie? Zo ja, wat is uw eerste reactie hierop?1
Ja. Uit de studie van het CPB blijkt dat de inkomenseffecten van hogere energie- en brandstofprijzen voor de meeste huishoudens beperkt zijn, maar dat er ook groepen zijn die hierdoor merkbaar harder geraakt worden2. Het gaat daarbij met name om huishoudens met een inkomen tot modaal die relatief veel gas verbruiken, veel kilometers rijden of beide doen. In een negatief scenario kan het inkomenseffect voor deze huishoudens oplopen tot 6% van het besteedbaar inkomen. Het Kabinet heeft bijzondere aandacht voor huishoudens die minder financiële ruimte hebben. Daarom zijn in het voorjaar extra middelen vrijgemaakt zodat huishoudens kunnen meekomen in de energietransitie en voor het openstellen van het Noodfonds. Op deze manier komt de ondersteuning terecht bij de huishoudens die dat het meeste nodig hebben.
Bent u het eens met de stelling dat het onrechtvaardig is dat hogere inkomensgroepen zich dankzij overheidssubsidies voor zonnepanelen, warmtepompen en elektrische auto’s beter hebben kunnen beschermen tegen energieprijsstijgingen, terwijl de laagste inkomens dit niet konden en nu de rekening gepresenteerd krijgen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het belangrijk dat ook huishoudens met een lager inkomen kunnen profiteren van verduurzaming en zich daarmee beter kunnen beschermen tegen te hoge energieprijzen of het risico op sterke fluctuatie van die prijzen. Daarom zijn er verschillende gerichte maatregelen om deze huishoudens te ondersteunen.
Het kabinet en medeoverheden realiseren zich bovendien dat naast geld vaak meer nodig is. Via gemeenten worden huishoudens met een slecht geïsoleerde woning geholpen met subsidies, energiecoaches, energiefixers en begeleiding bij de uitvoering van maatregelen. Ook kunnen huishoudens met een lager inkomen gebruik maken van aanvullende regelingen. Zo verstrekt het Nationaal Warmtefonds leningen tegen aantrekkelijke voorwaarden, met 0% rente bij een inkomen lager dan 60.000 euro, om verduurzamingsmaatregelen te kunnen financieren. Met het energiehuis wordt toegewerkt naar één herkenbare plek waar huishoudens terechtkunnen voor informatie, advies, financiering en ondersteuning.
De Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) is voor iedereen beschikbaar om het nemen van isolatiemaatregelen, een warmtepomp en/of een zonneboiler te stimuleren.
Klopt het dat verduurzamingsbeleid van de afgelopen jaren in de praktijk voornamelijk ten goede is gekomen aan hogere inkomens? Zo nee, kunt u dit met cijfers onderbouwen?
Veel subsidies die gericht zijn op het stimuleren van energiebesparende maatregelen in woningen en mobiliteit werden voorheen veel gebruikt door mensen met hoge middeninkomens en hoge inkomens. Uit cijfers van het CBS over 2024 blijkt dat van de toegekende subsidies voor woningen 29,4% terechtkwam bij huishoudens met een verzamelinkomen van meer dan € 100.000. Bij de ISDE was dit ongeveer 33%.
Voor huishoudens in een kwetsbare positie is vaak aanvullende financiële en praktische ondersteuning nodig om verduurzamingsmaatregelen te kunnen nemen en gebruik te kunnen maken van landelijke subsidies. Daarom zet de overheid gericht in op ondersteuning van huishoudens die dit het hardst nodig hebben, onder meer via het Nationaal Isolatieprogramma, energiecoaches en energiefixers.
Daarnaast zijn maatregelen getroffen zoals het uitfaseren van de labels E, F en G uiterlijk in 2028 in de huursector, het Nationaal Warmtefonds, het Isolatieoffensief en het Energiehuis. Zo heeft inmiddels ruim de helft van de particuliere leningnemers bij het Nationaal Warmtefonds een verzamelinkomen tot € 60.000. Voor deze groep geldt bovendien een rentepercentage van 0%.
Hoeveel huishoudens in de laagste inkomensgroep beschikken momenteel over een slecht geïsoleerde woning? En bij hoeveel van deze woningen is een woningcorporatie verantwoordelijk voor de verduurzaming en onderhoud?
In 2024 hadden ongeveer 241 duizend huishoudens zowel een laag inkomen (<130% van de lage inkomensgrens) als een woning met een lage energetische kwaliteit (LILEK). Dit komt overeen met 2,9% van alle huishoudens.3
De bredere groep huishoudens met energiearmoede bestond in 2024 uit ongeveer 510.000 huishoudens, oftewel 6,1% van alle huishoudens. Van deze groep woonde 74,6% in een corporatiewoning, 17,2% in een overige huurwoning en 8,1% in een koopwoning.
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen en de beslissing van de regering om de accijns niet te verlagen ervoor zorgt dat de groep mensen die een auto nodig heeft voor hun werk, ook binnen de laagste inkomensgroepen, nog meer in de knel komt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De prijs van ruwe olie fluctueert aanzienlijk, inmiddels is de prijs van weer gedaald vergeleken met een aantal weken terug. Wanneer de prijs van ruwe olie hoger wordt kan dit wel een negatieve impact hebben op de bereikbaarheid van laagste inkomensgroepen, omdat de brandstofkosten ten opzichte van het totale besteedbaar inkomen kunnen toenemen. Dit is echter sterk afhankelijk van autobezit en van de hoeveelheid kilometers die gereden wordt.
Een accijnskorting zou ook voor een groot deel terecht komen bij hogere inkomens, omdat daar zowel meer autobezit als meer gereden kilometers zijn. Het kabinet kiest voor gerichtere maatregelen, die niet tot gevolg hebben dat de vraag naar fossiele brandstoffen verder stijgen nu de commerciële reserves van brandstoffen nog schaars zijn.
Erkent u dat de hoge brandstofprijzen ervoor zorgen dat mensen die afhankelijk zijn van een auto op deze manier vereenzamen, zich noodgedwongen isoleren van de samenleving en niet langer onderdeel uitmaken van de samenleving? Zo ja, wat bent u voornemens hier aan te gaan doen?
Sociale isolatie en vereenzaming zijn complexe problemen die het gevolg kunnen zijn van uiteenlopende persoonlijke, sociale en financiële omstandigheden, maar ook samenhangen met de mate waarin mensen in staat zijn hulp in te schakelen. Het kabinet verhoogt de maximale onbelaste reiskostenvergoeding en versnelt de inruilregeling voor oude fossiele auto’s voor huishoudens met lagere (midden)inkomens. Gemeentes hebben daarnaast zelf vaak sociaal beleid als het gaat om het creëren van ontmoetingsplekken in de wijk, die op korte afstand zijn en lopend te bereiken (buurtcentra, buurttuinen etc.).
Welke maatregelen neemt het kabinet om ervoor te zorgen dat werkende Nederlanders hun werk kunnen blijven uitvoeren, ondanks de torenhoge brandstofprijzen?
Het kabinet verhoogt de maximale onbelaste reiskostenvergoeding met terugwerkende kracht voor heel 2026 van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Daarnaast wordt de openstelling van de inruilregeling voor oude fossiele auto’s voor huishoudens met lagere (midden)inkomens versneld naar het vierde kwartaal van 2026. Daarnaast houdt het kabinet de brandstofprijzen en koopkrachtontwikkelingen van burgers nauwgezet in de gaten. Mocht hier aanleiding voor zijn, dan kan het kabinet nieuwe gerichte maatregelen overwegen in de jaarlijkse koopkrachtbesluitvorming in augustus.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de energietransitie de allerarmsten in ons land het hardst raakt, en dat dit beleid fundamenteel herzien moet worden? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om herziening van dit beleid te bewerkstelligen? Zo nee, hoe verklaart u de bevindingen van het CPB dan?
Het Kabinet wil er voor zorgen dat alle groepen mee kunnen in de transitie. Dit kabinet zet daarom al meerdere jaren stappen in het verduurzamen van huur- en koopwoningen en zet daar met het Isolatieoffensief en het Energiehuis extra kracht bij. Ook wordt op dit moment gewerkt aan een voorstel voor het Europese Sociaal Klimaatfonds waarin op zowel de woningbouw als mobiliteit plannen worden opgenomen voor de lagere inkomens. In het voorjaar van 2027 ligt de brede beleidsherziening van het energie- en klimaatbeleid voor, waarbij de overheid ook aandacht zal schenken aan de gevolgen voor kwetsbare huishoudens.
Bent u van plan de aanbeveling van het CPB, dat de overheid actief moet ingrijpen om lagere inkomens te helpen fossiele energie te vervangen, over te nemen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet deelt het belang om huishoudens met een lager inkomen te ondersteunen bij het verminderen van hun afhankelijkheid van fossiele energie. Daarom zet het kabinet onder meer in op gerichte ondersteuning bij woningisolatie en op een sloop- en vervangingsregeling voor particuliere auto’s.
Via het Nationaal Isolatieprogramma en gemeenten kunnen huishoudens met een slecht geïsoleerde woning aanvullende subsidies, begeleiding en ontzorging krijgen. Met het Energiehuis wordt toegewerkt naar één herkenbare plek voor informatie, advies, financiering en ondersteuning. Ook wordt ingezet op gerichte communicatie om huishoudens beter te bereiken.
Daarnaast kunnen huishoudens met een lager inkomen via het Nationaal Warmtefonds gebruikmaken van leningen tegen 0% rente. In de huursector wordt ingezet op het uitfaseren van slechte energielabels en het verduurzamen van sociale en particuliere huurwoningen. Zo verkleint het kabinet de afhankelijkheid van fossiele energie voor lagere inkomens via maatregelen op het gebied van wonen en mobiliteit.
Dreigende elektriciteitstekorten |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe alarmerend is voor u de berichtgeving dat er volgens netbeheerder Tennet niet – zoals eerder voorspeld – vanaf 2030, maar al vanaf 2028 elektriciteitstekorten dreigen, waardoor delen van het land urenlang zonder elektriciteit komen te zitten?1
Het kabinet neemt de signalen uit de Monitor Voorzieningszekerheid (MVZ) 2026, waarin TenneT waarschuwt dat het risico op een mogelijk elektriciteitstekort vanaf 2028 toeneemt, zeer serieus. Daarom heeft het kabinet de Kamer op 19 juni jl. geïnformeerd2 over het besluit om een capaciteitsmechanisme te introduceren om de voorzieningszekerheid te waarborgen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel en beschamend is dat – in Nederland waar het hebben van elektriciteit ooit, zoals het hoort, vanzelfsprekend was – de norm van een jaarlijks elektriciteitstekort van maximaal vier uur ruimschoots overschreden zal worden?
Het kabinet deelt de zorg van de Kamer en vindt het essentieel dat de norm niet overschreden wordt. Daarom introduceert het kabinet een capaciteitsmechanisme om voldoende elektriciteit beschikbaar te hebben.
Deelt u de mening dat het ronduit zorgwekkend is dat elektriciteitstekorten zich met name in de winter in de ochtend- en avonduren zullen voordoen, terwijl dat júíst de momenten zijn waarop huishoudens relatief veel energie verbruiken? Kunt u garanderen dat huishoudens níét in het donker en de kou komen te zitten?
Het kabinet erkent dat elektriciteitstekorten tijdens winterse ochtend- en avonduren, wanneer de vraag naar elektriciteit het hoogst is, volgens de MVZ 2026 een risico vormen. Het door het kabinet te introduceren capaciteitsmechanisme is er daarom op gericht om voldoende aanbod te genereren, ook tijdens deze piekmomenten. Hiermee wordt het risico dat huishoudens zonder stroom komen te zitten zoveel mogelijk beperkt.
Deelt u de mening dat het volstrekt tegenstrijdig en onuitlegbaar is:
De Europese en ook de Nederlandse economie is zeer kwetsbaar door de grote afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen die nog in belangrijke mate onderdeel uitmaken van onze energiemix. Het is belangrijk dat we die afhankelijkheid afbouwen en onze geopolitieke weerbaarheid opbouwen. Dat is een transitie.
De MVZ 2026 laat zien dat de druk op de voorzieningszekerheid het gevolg is van een combinatie van factoren, waaronder de groeiende elektriciteitsvraag door elektrificatie en de afname van regelbaar vermogen in Nederland evenals in omringende landen. De energietransitie brengt veranderingen in het elektriciteitssysteem met zich mee die vragen om aanpassing van zowel de energie-infrastructuur, zoals de aanpak van netcongestie, als de elektriciteitsmarkt middels een capaciteitsmechanisme.
Voorzieningszekerheid draait daarbij om voldoende beschikbaar vermogen en flexibiliteit in het elektriciteitssysteem als geheel, niet om één specifieke technologie. Daaraan kunnen verschillende technologieën bijdragen, waaronder batterijen, opslag, vraagrespons en gascentrales.
Hoe reageert u op Tennet dat stelt: «Vorig jaar adviseerden we nog om zo’n capaciteitsmechanisme te besturen. Dat heeft het kabinet ook gedaan. Maar nu is de tijd van bestuderen en adviesrapporten wel voorbij»? Komt u met een capaciteitsmechanisme? Zo ja, zal dit – zoals door Tennet geadviseerd – in de winter van 2029–2030 operationeel zijn? Zo nee, wat is dan wél uw oplossing?
Ja. Het kabinet gaat een marktbreed capaciteitsmechanisme implementeren dat in de winter 2029/2030 operationeel zal zijn om de voorzieningszekerheid van elektriciteit ook op de langere termijn te waarborgen. De eerste contouren daarvan worden geschetst in de Kamerbrief voorzieningszekerheid van elektriciteit die op 19 juni met de Tweede Kamer is gedeeld3.
Wat bedoelt u met uw uitspraak: «Ik wil een «verzekering» afsluiten die de risico’s op uitval vermindert, zodat Tennet ervoor kan zorgen dat er ook op termijn voldoende elektriciteit is»? Wat voor «verzekering» precies?
Met de «verzekering» wordt het marktbrede capaciteitsmechanisme bedoeld waar het kabinet aan werkt. Dit mechanisme zorgt ervoor dat voldoende regelbaar vermogen beschikbaar blijft om ook op piekmomenten aan de elektriciteitsvraag te voldoen. Aanbieders van elektriciteit ontvangen hiervoor een vergoeding voor het beschikbaar houden van capaciteit.
Deelt u, resumerend, bovenal de conclusie dat het veel beter is om:
Nee, het kabinet deelt die conclusie niet. Het doel van het klimaat- en energiebeleid is juist om toe te werken naar een energiesysteem dat betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam is. Daarbij zet het kabinet in op diverse maatregelen die leiden tot een mix van hernieuwbare energie, kernenergie, energiebesparing, flexibiliteit, opslag en voldoende regelbaar vermogen. Zoals ook aangegeven is in het antwoord op vraag 4, is de Europese en ook de Nederlandse economie zeer kwetsbaar door de grote afhankelijkheid van de import van fossiele brandstoffen die nog in belangrijke mate onderdeel uitmaken van onze energiemix. Het is belangrijk dat we die afhankelijkheid afbouwen en onze geopolitieke weerbaarheid opbouwen. De MVZ 2026 onderstreept het belang van aanvullende maatregelen om de voorzieningszekerheid ook in de toekomst te waarborgen. Het kabinet neemt dit signaal serieus en werkt daarom aan een technologieneutraal capaciteitsmechanisme, waardoor verschillende technologieën en flexibiliteitsopties kunnen bijdragen aan de voorzieningszekerheid. Een dergelijke diversiteit draagt eveneens bij aan de weerbaarheid van het energiesysteem.
Het bericht 'Gronings chemiebedrijf liet illegaal zoutafval dumpen rond Nederlands-Belgische grens' |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Bertram , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Welke informatie heeft u ontvangen over de illegale verspreiding van circa vijf miljoen kilogram afvalzout nabij de Nederlands-Belgische grens, waaronder de periode waarin dit heeft plaatsgevonden, de betrokken locaties en de mogelijke gevolgen voor bodem, grond- en oppervlaktewater?1
Vanuit de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is in kader van toezicht en handhaving onderzoek gedaan. De ILT heeft in 2025 een melding ontvangen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Het Openbaar Ministerie (OM) is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar het handelen van het bedrijf. Zolang er een strafrechtelijk onderzoek loopt, kan er verder niet in detail op de zaak worden ingegaan.
Heeft onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijke gevolgen van deze afvaldumpingen voor Nederlandse KRW-oppervlaktewaterlichamen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog uit te laten voeren?
Dit ligt bij het bevoegd gezag. Voor Nederlandse regionale oppervlaktewateren is dit het waterschap, niet het Rijk.
Op welke wijze wordt momenteel in beeld gebracht welke gevolgen de verhoogde zoutbelasting kan hebben voor de kwaliteit en het gebruik van landbouwgronden, natuurgebieden en waterlichamen in het grensgebied?
Ook dit ligt bij de bevoegde gezagen. In Nederland is dat voor oppervlaktewaterkwaliteit het waterschap, voor grondwater de provincie.
Hoe beoordeelt u de mogelijke gevolgen van deze verontreiniging voor het behalen van de KRW-doelen en voor reeds gedane investeringen in de verbetering van de waterkwaliteit in grensoverschrijdende stroomgebieden?
Voor de KRW wordt gemonitord en getoetst volgens het voorgeschreven protocol. Indien nodig zou het bevoegd gezag aanvullend hierop extra metingen kunnen doen om mogelijke effecten te kunnen bepalen.
Hoe beoordeelt u het feit dat een stof die mogelijk als afvalstof had moeten worden aangemerkt gedurende meerdere jaren als product of bodemverbeteraar kon worden verhandeld en toegepast? Welke lessen worden hieruit gehaald voor het verbeteren van het toezicht op dergelijke reststromen?
In zijn algemeenheid is het onwenselijk wanneer materialen worden toegepast die ongunstige effecten voor mens en milieu hebben. Ik kan echter niet ingaan op of hiervan sprake is in deze specifieke casus, aangezien er een strafrechtelijk onderzoek loopt.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat afvalstoffen onder het mom van een product of grondstof worden verspreid? En welke maatregelen worden genomen om het toezicht op industriële afvalstromen en grensoverschrijdende afvalverwerking te verbeteren?
In Nederland geldt dat de verantwoordelijkheid voor het beoordelen of een materiaal een product/grondstof is of afval (de afvalstatus), in eerste instantie bij de bedrijven zelf ligt. Het is aan de omgevingsdiensten om die beoordeling te toetsen en erop toe te zien dat bedrijven handelen conform wet- en regelgeving. Het ministerie biedt diverse ondersteuning voor bedrijven en bevoegde gezagen bij de afvalstatusbeoordeling.
Een juiste afvalstatusbeoordeling is van belang voor de toepassing van afvalstoffenwetgeving in het geval van afvalstoffen, waaronder de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) wanneer sprake is van grensoverschrijdend transport. Dan kan de Inspectie Leefomgeving en Transport, als toezichthouder voor de EVOA, toezien op het transport en controleren of de voorgestelde toepassing of verwerking van de afvalstoffen in het land van ontvangst zijn toegestaan.
Het ministerie neemt op dit moment verschillende maatregelen om de uitvoeringspraktijk nog verder te versterken. De beschikbare ondersteuning vanuit het Rijk is getoetst bij stakeholders en wordt aangescherpt om beter aan te sluiten bij wensen en behoeften van bedrijven en bevoegde gezagen. Daarnaast zorgt kennisplatform «Afval of niet» voor meer kennisopbouw en -deling tussen omgevingsdiensten.
Op 21 mei jl. is de nieuwe Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA 2024) in werking getreden. Onder deze nieuwe EVOA vinden een aantal wijzigingen en aanscherpingen plaats t.a.v. afvaltransport, waardoor het toezicht wordt verbeterd. Dankzij een centraal EU digitaal systeem (DIWASS) kan er beter toezicht worden gehouden op afvalstromen. Dankzij dit systeem krijgen de ILT en inspecteurs van omgevingsdiensten een compleet beeld van de aan- en afvoer van afvalstoffen bij (afval-)bedrijven waarop zij toezicht houden. De ILT zal ervoor zorgen dat Douane en politie direct toegang tot dit systeem kunnen krijgen en betrokkenen opleiden voor gebruik ervan. Bij hun (transport-)controles kunnen zij dan nagaan of aan alle vereisten wordt voldaan.
Is bekend of vergelijkbare afvalstromen van dit bedrijf ook op andere locaties in Nederland of andere Europese landen zijn toegepast of verspreid? Zo ja, welke risico’s brengt dit met zich mee en welke maatregelen worden genomen om eventuele verdere milieuschade te voorkomen?
Bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) zijn alleen gevallen van de illegale overbrenging van afvalzout naar België, Polen en Duitsland bekend. ILT heeft met de buitenlandse autoriteiten contact hierover opgenomen. Vanuit België en Polen ligt er een verzoek om het afval terug te halen. Afvalstoffen die illegaal zijn overgebracht moeten namelijk terug naar het land van herkomst (in dit geval Nederland). Daar is het betrokken bedrijf verantwoordelijk voor en de ILT houdt daar toezicht op.
Voor de afvalstoffen die reeds (voorlopig) zijn toegepast of verwerkt, bestaat niet meer de plicht van artikel 25 EVOA om het terug te halen. De ILT heeft hierover contact gehad met de Duitse en Belgische autoriteiten. In Duitsland is het zout gemengd met grit, wat gebruikt wordt om bij gladheid op de wegen te strooien. Het zout is dan zodanig gemengd, dat het niet meer als afvalzout aangemerkt kan worden.
Het Tennet Rapport: Monitor Voorzieningszekerheid, gepubliceerd op 10 juni 2026 |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Monitor Voorzieningszekerheid 2026 van TenneT?
Ja.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Nederland vanaf 2030 niet langer voldoet aan de geldende norm voor voorzieningszekerheid van maximaal 4 uur en onder de wettelijke norm terechtkomt?
Het kabinet gaat een marktbreed capaciteitsmechanisme implementeren dat in de winter 2029/2030 operationeel zal zijn om de voorzieningszekerheid van elektriciteit ook op de langere termijn te waarborgen. De eerste contouren daarvan worden geschetst in de Kamerbrief voorzieningszekerheid van elektriciteit die op 19 juni met de Tweede Kamer is gedeeld1.
Welke economische schade verwacht u wanneer de voorzieningszekerheidsnorm gedurende meerdere jaren wordt overschreden, en zijn hierover risicoanalyses uitgevoerd?
Een overschrijding van de norm geeft aan dat de kans op situaties waarin de elektriciteitsvraag niet volledig kan worden gedekt, groter is dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Een overschrijding van de norm leidt niet één-op-één tot daadwerkelijke stroomuitval of economische schade, maar wel tot een grotere kans daarop. De economische schade die eventueel ontstaat als gevolg van elektriciteitstekorten hangt af van de duur, het moment, de omvang en de getroffen gebruikers. Vanwege onzekerheid over het optreden, de omvang van uitval en de waarde daarvan, is deze schade niet eenduidig vast te stellen.
Waarom acht u elektriciteitsimport uit omringende landen een voldoende betrouwbare pijler onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, terwijl hier ook sprake is van schaarste?
De Monitor Voorzieningszekerheid (MVZ) 2026 van TenneT houdt reeds rekening met schaarste in andere landen. Omdat schaarste echter niet altijd gelijktijdig in verschillende landen optreedt, blijft interconnectie één van de pijlers onder het Nederlandse beleid voor voorzieningszekerheid, naast vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen in Nederland.
Deelt u de opvatting dat uiterlijk in de winter van 2029–2030 een capaciteitsmechanisme operationeel moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals in de Kamerbrief2 is aangegeven werkt het kabinet toe naar een capaciteitsmechanisme dat in de winter van 2029–2030 operationeel is.
Wanneer verwacht u de formele voorzieningszekerheidsstandaard conform Europese regelgeving vast te stellen, zodat de invoering van een capaciteitsmechanisme juridisch mogelijk wordt?
Het kabinet verwacht de formele standaard in 2027 vast te stellen, ruim voordat het capaciteitsmechanisme vanaf de winter 2029/2030 operationeel zal zijn.
Welke concrete stappen moeten tussen nu en 2029 nog worden gezet voor invoering van een capaciteitsmechanisme, en welke risico’s ziet u voor vertraging?
Voor de implementatie van het capaciteitsmechanisme is onder andere een uitwerking van het ontwerp van het mechanisme nodig, waar de focus voor dit jaar op ligt, waarna in 2027 consultatie plaatsvindt en de benodigde wet- en regelgeving moet worden vastgesteld en in werking treden, de Europese Commissie moet haar goedkeuring verlenen en de uitvoering dient te worden voorbereid, met als doel de eerste veilingen in 2028 te organiseren. Het kabinet zet zich hiervoor, samen met betrokken partijen zoals TenneT en de ACM, met maximale inzet in. Zo wordt al gewerkt aan de nadere vormgeving van het mechanisme, de juridische inbedding en de voorbereiding van de uitvoering.Een element dat mogelijke risico’s op vertraging met zich meebrengt is de doorlooptijd van nationale en Europese procedures, waaronder een nationale wettelijke basis voor een marktbreed capaciteitsmechanisme via het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel3 en het verkrijgen van staatssteungoedkeuring van de Europese Commissie. Het kabinet hoopt op een spoedige behandeling van het Electricity Market Design (EMD)-wetsvoorstel.
Kunt u uitsluiten dat bestaande gascentrales vóór invoering van een capaciteitsmechanisme economisch onrendabel worden en daardoor sluiten?
Nee, in de Europese elektriciteitsmarkt beslissen marktpartijen over investeringen en eventuele sluiting van productiecapaciteit. Het kabinet heeft geen directe invloed op deze commerciële afwegingen. Daarom werkt het kabinet toe naar een tijdige invoering van een capaciteitsmechanisme om de voorzieningszekerheid te waarborgen door (behoud van) voldoende (maar niet noodzakelijk alle) centrales in combinatie met vraagrespons, batterijen en import.
Bent u bereid om vooruitlopend op een definitief capaciteitsmechanisme tijdelijke maatregelen te treffen om bestaand regelbaar vermogen beschikbaar te houden?
Op basis van de huidige inzichten, onder meer gepresenteerd in de MVZ 2026, ziet het kabinet naast de introductie van een tijdig operationeel marktbreed capaciteitsmechanisme geen aanleiding voor aanvullende tijdelijke maatregelen.
Acht u de verwachte omvang van het Nederlandse kernvermogen van circa 0,5 GW tot 2035 voldoende om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid ondanks dat TenneT aangeeft dat er een behoefte bestaat aan extra regelbaar vermgen? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Met de huidige verwachtingen voor vraag naar en aanbod van elektriciteit uit de MVZ 2026 van TenneT, waarbij reeds rekening is gehouden met 0,5 GW kernvermogen in 2035, is de voorzieningszekerheid ook met dit aandeel van kernvermogen onvoldoende geborgd.
Welke bijdrage verwacht u dat nieuwe kerncentrales vóór 2040 daadwerkelijk kunnen leveren aan de voorzieningszekerheid?
De MVZ 2026 ziet op de periode tot en met 2035. Binnen die periode wordt geen bijdrage van nieuwe kerncentrales aan de voorzieningszekerheid verwacht, aangezien deze naar huidige inzichten niet vóór 2035 beschikbaar zullen zijn.
Hoeveel gigawatt aan gascentrales, batterijen of andere regelbare capaciteit zou volgens u kunnen worden vervangen door de geplande uitbreiding van kernenergie?
Dan hangt er sterk vanaf hoe de elektriciteitsmix er tegen die tijd uit ziet en hoe technieken als vraagrespons, opslag en centrales zich ontwikkelen. Bij meer kernenergie zal minder capaciteit van de andere technieken nodig zijn.
Heeft u onderzocht of versnelling van kernenergieprojecten kan bijdragen aan het verminderen van verwachte tekorten in de elektriciteitsvoorziening? Zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit en brengt dit jaar de voorzieningszekerheidsrisico’s in beeld voor de periode tot en met 2035. Nieuwe grootschalige kerncentrales zullen, ook bij een zo voortvarend mogelijke uitvoering van het huidige traject, naar huidige inzichten op zijn vroegst eind jaren ’30 beschikbaar komen. Zij kunnen daarom geen bijdrage leveren aan het adresseren van de voorzieningszekerheidsrisico’s die de monitor identificeert.
Hoe wordt het wegvallen van circa 4 GW regelbaar kolenvermogen vóór 2030 vervangen?
Het is in de Europese elektriciteitsmarkt aan marktpartijen om te beslissen over investeringen in of behoud van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen. Het kabinet ziet geen noodzaak om het wegvallende kolenvermogen één-op-één te vervangen.
Welke hoeveelheid nieuw regelbaar vermogen moet volgens u vóór 2030 beschikbaar komen om het wegvallen van kolencentrales volledig te compenseren?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid te onderzoeken of bestaande kolencentrales tijdelijk kunnen worden aangehouden als strategische reserve voor noodsituaties?
Met de Kamerbrief van 19 juni jl. heeft het kabinet aangegeven te kiezen voor een zo spoedig mogelijke implementatie van een marktbreed capaciteitsmechanisme.
In deze brief is aangegeven dat een strategische reserve minder geschikt is om de risico’s uit de MVZ 2026 te mitigeren, omdat deze risico’s voor de voorzieningszekerheid het gevolg zijn van structurele veranderingen op de elektriciteitsmarkt. De implementatie van een strategische reserve voorafgaand aan een capaciteitsmechanisme zou ook leiden tot dubbele implementatielast. Dit zou de introductie van het marktbreed capaciteitsmechanisme vertragen.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bestaande kolencentrales om te bouwen naar biomassa voor extra capaciteit?
Het staat marktpartijen vrij om bestaande centrales om te bouwen naar andere brandstoffen, waaronder biomassa.
Hoe verhoudt het uitstel van elektrificatieprojecten als gevolg van beperkte netcapaciteit zich tot het kabinetsbeleid om de industrie versneld te verduurzamen?
Het oplossen van netcongestie en elektrificatie in de industrie heeft de volle aandacht van het kabinet, zoals beschreven in de Kamerbrieven van 2 april 20264 en 10 april 20265.
Hoeveel uur leveringszekerheid kunnen de verwachte batterijvolumes volgens u bieden tijdens langdurige windarme winterperiodes?
Dit is niet aan te geven. Welke bronnen op een bepaald moment in de vraag voorzien hangt af van de weerssituatie, eventuele uitval van capaciteit en de omvang van de vraag. Daarbij wordt een combinatie ingezet van vraagrespons, batterijen, regelbaar vermogen en import. Batterijen kunnen in dit proces op sommige momenten opladen en op andere momenten juist ontladen.
Welke zekerheid bestaat er dat de geplande waterstofcentrales daadwerkelijk vóór 2030 operationeel zijn en over voldoende waterstof kunnen beschikken?
Op dit moment is het niet de verwachting dat waterstofcentrales vóór 2030 een rol van betekenis zullen spelen in de elektriciteitsvoorziening van Nederland.
Erkent u dat Nederland ook na 2035 afhankelijk zal blijven van regelbaar gasgestookt vermogen voor de leveringszekerheid? Zo nee, waarom niet?
De MVZ kijkt maximaal tien jaar vooruit, tot en met 2035. Op basis van deze monitor kunnen geen uitspraken worden gedaan over de rol van gasgestookt vermogen na 2035. In het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), dat na de zomer met de Kamer zal worden gedeeld, zal vooruit gekeken worden richting 2040.
Welke gevolgen verwacht u voor de elektriciteitsprijs van huishoudens en bedrijven indien de tekorten oplopen tot het niveau dat TenneT in 2035 voorziet?
De MVZ 2026 laat zien dat zonder aanvullende maatregelen de kans op tekorten richting 2035 toeneemt. Dit kan leiden tot meer prijspieken voor huishoudens en bedrijven. Om het risico op tekorten en prijspieken te verminderen, werkt het kabinet aan de introductie van een capaciteitsmechanisme als verzekering om voldoende vermogen beschikbaar te hebben. Dit zal leiden tot een dempend effect op de elektriciteitsprijs in vergelijking met de situatie zonder een capaciteitsmechanisme. Tegelijk kost een capaciteitsmechanisme, net zoals de premie van een verzekering, ook geld dat via tarieven van de netbeheerders in rekening gebracht zal worden bij huishoudens en bedrijven.
Kunt u aangeven hoeveel gigawatt regelbaar vermogen volgens de huidige inzichten ontbreekt indien geen capaciteitsmechanisme wordt ingevoerd?
In de MVZ 2026 heeft TenneT de ontbrekende capaciteit onderzocht voor de jaren 2030 en 2035. Dit betreft 0,4 respectievelijk 2,8 GW als andere landen op gelijkmatige wijze capaciteit toevoegen om aan hun eigen voorzieningszekerheidsnorm te voldoen. In deze ontbrekende capaciteit kan worden voorzien door een combinatie van vraagrespons, batterijen en regelbaar vermogen.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, met uitzondering van de beantwoording van vraag 14 en 15. Deze zijn voor een goede beantwoording samengenomen.