Bent u bekend met het bericht «Jeugdgezondheidszorg voor twintigduizend asielkinderen is vooralsnog vanaf oktober maanden niet beschikbaar»?1
Deelt u de mening dat een dergelijk gat in zorgcontinuïteit voor deze (kwetsbare) groep een zorgelijke, onwenselijke ontwikkeling is? Zo ja, hoe reflecteert u daarop? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op, zoals Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN) in het artikel aangeeft, een dergelijke «versnippering van de collectieve en preventieve jeugdgezondheidszorg» in Nederland? Deelt u de mening dat dit een onwenselijk precedent schept en verschillen in toegang tot zorg oplevert voor kinderen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welke effecten en risico’s voorziet u, mocht de in het artikel genoemde situatie werkelijkheid worden? Kunt u per risico aangeven welke stappen worden gezet om dit risico te voorkomen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op risico’s rond de bestrijding van (infectie)ziekten onder baby’s, kinderen en jongeren in Nederland?
Gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheids)zorg, hoe reëel acht u het dat de Arts en Zorg Groep de zorg in de asielzoekerscentra tijdig en volledig over kan nemen voor de beoogde (lagere) prijs, nu het COA in het artikel aangeeft dat hij daarover in gesprek is met de Arts en Zorg Groep?
Welke waarborgen en afspraken zijn er vastgelegd over de zorgcontinuïteit ten tijde van de overgangsperiode van de GGD-GHOR naar de Arts en Zorg Groep, en ten tijde van de periode erna? Indien die er niet zijn, hoe bent u voornemens de zorgcontinuïteit te borgen voor deze groep kinderen in asielzoekerscentra?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van geleverde zorg en wie is verantwoordelijk (zowel politiek/ministerieel als in de uitvoering)? Waar kunnen professionals, burgers en asielzoekers(kinderen) terecht met signalen en klachten over de zorg vanuit de Arts en Zorg Groep (of het gebrek aan zorg)? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met, bijvoorbeeld, de geletterdheid en moedertaal van de doelgroep in kwestie in de asielzoekerscentra?
Welke concrete mogelijkheden zijn er om in te grijpen, in geval van (ernstige) tekortkomingen in de kwaliteit of continuïteit van de (jeugdgezondheids)zorg in de asielzoekerscentra tijdens de overgangsperiode en de periode daarna?
Kunt u deze vragen beantwoorden (ruim) voor het debat Jeugdbeleid van 30 september 2026?
De onveilige situatie bij zorgcentrum Pelgromhof in Zevenaar |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Dochter krijgt telefoontje van zorgcentrum en ontdekt dat er maar één medewerker is voor 26 ouderen»1 en «Eigen personeel van zorgcentrum hoopt dat werkgever omvalt: «Dat is voor iedereen beter»»?2
Ja, ik heb de artikelen gelezen. Ze schetsen een ernstig beeld van de situatie bij deze zorgaanbieder. Ik ben geschrokken van de berichtgeving, want ik vind het belangrijk dat ouderen veilige en liefdevolle zorg en ondersteuning krijgen die voldoet aan het kwaliteitskader dat hiervoor geldt. De IGJ doet onafhankelijk onderzoek naar de meldingen die bij hen zijn gemaakt.
Klopt het dat bij zorgcentrum Pelgromhof één jonge medewerker alleen verantwoordelijk was voor 26 kwetsbare ouderen en dat er geen avond- en nachtdienst aanwezig was?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Deelt u de mening dat het volstrekt onverantwoord is dat één medewerker alleen wordt gelaten met 26 kwetsbare bewoners? Zo nee, waarom niet?
Vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek van de IGJ kan ik geen uitspraken doen over de kwaliteit en veiligheid van zorg op de locaties Maria Postel en Pelgromhof van Pecura Zorg. Meer in het algemeen moeten zorgaanbieders voldoen aan de normen en regels met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Klopt het dat er twaalf diensten openstonden, dat medewerkers zelf vervanging moesten regelen en dat aan familieleden werd gevraagd bij te springen? Hoe worden onder deze omstandigheden de continuïteit en veiligheid van de zorg gegarandeerd?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de meldingen over een bewoner die ’s nachts in het eigen braaksel lag, een bewoner die tijdens het lopen haar katheter verloor en een bewoner die ten val kwam? Zijn deze incidenten gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Klopt het dat zorgverleners in opleiding zelfstandig nachtdiensten draaien en dat diensten worden uitgevoerd door zzp’ers die niet altijd voldoende gekwalificeerd zijn? Vindt u dit verantwoord?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de signalen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk meermaals is overtreden en dat zieke medewerkers onder druk worden gezet om snel weer aan het werk te gaan? Welke stappen worden hiertegen genomen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding van een vakbond ontvangen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk is overtreden. Tevens is gemeld dat er sprake is van hoge werkdruk en onderbezetting en het ontbreken van een basiscontract. Gezien het faillissement van Percura Zorg zullen deze meldingen niet meer onderzocht worden.
Klopt het dat Percura Zorg sinds 13 mei jl. niet meer beschikt over een arbodienst en daardoor ook geen bedrijfsarts heeft, nadat de arbodienst de dienstverlening wegens wanbetaling heeft beëindigd? Welke gevolgen heeft dit voor de begeleiding en bescherming van medewerkers en welke maatregelen worden genomen om deze situatie zo snel mogelijk te herstellen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding hierover ontvangen. Gelet het faillissement van Percura zorg zal deze melding niet meer worden onderzocht.
Hoeveel meldingen hebben de IGJ en de Nederlandse Arbeidsinspectie ontvangen over Percura Zorg en welke maatregelen zijn tot nu toe genomen?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft in de jaren 2024 en 2026 in totaal 9 meldingen over Percura Zorg ontvangen. In 2024 heeft onderzoek plaatsgevonden, waarin 3 meldingen zijn onderzocht, met als resultaat één overtreding waarvoor een waarschuwing is gegeven. Zoals ook is aangegeven bij vragen 7 en 8, zijn recent twee meldingen door een vakbond gedaan, die vanwege het faillissement van Percura zorg niet worden onderzocht. De overige meldingen lagen niet op het werkterrein van de Nederlandse Arbeidsinspectie of kwamen niet in aanmerking voor onderzoek.
Op welke wijze wordt voorkomen dat de financiële problemen van Percura Zorg, waaronder wanbetaling aan uitzendkrachten en andere dienstverleners, ten koste gaan van de veiligheid en continuïteit van de zorg voor de bewoners?
Percura Zorg B.V. is per 11 augustus 2026 failliet verklaard. De zorg die geleverd werd op de locatie Maria Postel is inmiddels overgenomen door een nieuwe partij. Voor de locatie Pelgromhof wordt nog gezocht naar een overnemende partij. De curator is verantwoordelijk voor de afwikkeling van het faillissement van Percura zorg B.V. De zorg voor de ruim 20 bewoners loopt ondertussen door, aldus de curator. Het toezicht van de IGJ richt zich de komende periode op de kwaliteit van de zorg die nog geleverd wordt en een zorgvuldige overgang van cliënten naar een nieuwe zorgaanbieder. IGJ is daarover in gesprek met de bestuurder en de curator. Het zorgkantoor is vanuit diens zorgplicht hard aan het werk om de continuïteit van zorg te waarborgen. De NZa houdt hier toezicht op.
Waarom is bij de locatie Pelgromhof nog niet ingegrepen, terwijl medewerkers al langere tijd waarschuwen voor ondermaatse zorg en de locatie Maria Postel inmiddels failliet is verklaard?
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de uitkomsten van de onderzoeken van beide inspecties en over de maatregelen die worden genomen?
De recente meldingen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie worden vanwege het faillissement van Percura zorg niet onderzocht.
De IGJ zal zodra het onderzoek afgerond is haar rapport publiceren op haar website.
Het verhoor van Fauci door de Amerikaanse Senaat |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente verhoor van de heer Dr. Anthony Fauci door de Amerikaanse Senaat op woensdag 29 juli 2026?1
Ja.
Vindt u het wellicht opmerkelijk, misschien zelfs zorgelijk, dat Fauci, wereldwijd immers toonaangevend in de aanpak van de vermeende «coronapandemie», die bovendien over zichzelf heeft gezegd dat hij «De Wetenschap representeert», onder ede ineens geen enkele vraag (!) van de Amerikaanse Senaat over zijn aanpak van de coronapandemie wilde beantwoorden en zich – ondanks zijn preventieve presidentiële pardon – meer dan honderd keer heeft moeten beroepen op zijn zwijgrecht?
Het kabinet heeft onvoldoende inzicht in de modaliteiten van een verhoor van experts, zoals de heer Fauci, door de Amerikaanse Senaat en de mogelijke juridische gevolgen daarvan voor hemzelf bij het al dan niet beantwoorden van vragen om mij daarover een oordeel te kunnen vormen.
Bent u bekend met de «Fauci Dagboeken» die recent door senator Rand Paul zijn vrijgegeven en die laten zien dat Fauci privé heel andere opvattingen had dan hij in het publiek uitte over bijvoorbeeld de dodelijkheid van het coronavirus?2
Nee.
Bent u ervan op de hoogte dat, onder andere naar aanleiding van deze dagboeken, uw collega, de Amerikaanse Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken Kennedy recent, tijdens een interview op Fox News, concludeerde, «Dat we nu weten dat hij [Fauci] over alles heeft gelogen»?3
Nee.
Bent u op de hoogte van dit fragment dat Fauci op 8 februari 2020 opschreef in zijn dagboek: «Tom Frieden called me this AM and we discussed various aspects of the outbreak. He and I are on the same page in thinking tht [sic] this is acting like a bad influenza in its transmissibility and that the denominator is much greater than 34,867 (above) making the case fatality rate (CFR) more like 0.2–0.3% rather than 2.0%.»?4
Nee.
Wat is volgens u op dit moment de beste schatting van de CFR van corona in 2020 in Nederland?
De LCI richtlijn Covid5 meldt hierover dat in een studie gebaseerd op cijfers van december 2019 tot en met augustus 2020 wordt geschat dat de mondiale CFR in juli-augustus 2020 varieerde van 2,5 tot 4,1%, afhankelijk van de wijze van berekenen. Gebaseerd op cijfers uit Duitsland was deze in de periode van 6 juli t/m 6 september 2020 voor 35–59-jarigen 1%, voor 60–79-jarigen 2%, en voor 80-plussers 11%. De beste schatting is dat in Nederland in 2020 ongeveer dezelfde CFR aan de orde was.
Wat is volgens u de CFR van een (gemiddelde) seizoensgriep?
De LCI richtlijn influenza6 meldt hierover dat in een analyse van morbiditeit en mortaliteit door influenza onder personen in Nederland over de periode 2011–2020, de CFR werd geschat op 0,12% (95% BI 0,116–0,123%) voor alle leeftijden en alle typen influenzavirusinfecties.
Bent u (nog steeds) van mening dat Ivermectine en Hydroxychloroquine niet geschikt zijn en waren voor de (vroeg)behandeling van covidpatiënten?
De (vroeg)behandeling van COVID-19-patiënten is een zaak van behandelaren en experts. In de richtlijn7 wordt het gebruik van Ivermextine en Hydrocychloroquine expliciet afgeraden.
Is het correct dat de (experimentele) mRNA coronavaccins niet tot de (Europese) markt zouden kunnen zijn toegelaten als er een effectieve en toegelaten behandeling (bijvoorbeeld met Ivermectine) voor covid zou zijn geweest?
Nee.
Bent u (nog steeds) van mening dat de mRNA coronavaccins «veilig en effectief» zijn?
Een vaccin mag pas gebruikt worden als het is goedgekeurd. In Europa beoordeelt het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) de veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit van geneesmiddelen, waaronder de (corona)vaccins. In Nederland is dit de taak van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG).
Wat is de (beste schatting voor de) corona CFR voor gezonde kinderen onder de achttien jaar?
Uit een uitgebreide meta-analyse blijkt dat de CFR voor gezonde kinderen onder de achttien jaar van corona extreem laag is, ongeveer 0,02%.
Bent u (nog steeds) van mening dat de mRNA coronavaccins ook «veilig en effectief» zijn voor kinderen onder de achttien jaar?
Ja, voor die mRNA-coronavaccins die voor deze specifieke doelgroep zijn toegelaten, met inachtneming van de meest recente adviezen van de Gezondheidsraad hieromtrent.
Bent u bekend met het feit dat privécommunicatie laat zien dat de auteurs van het inmiddels beruchte «Proximal Origin» artikel – het artikel dat hét bewijs leverde dat de oorsprong van het coronavirus een zoönose zou zijn – daar privé helemaal niet zo zeker van waren, integendeel, van mening waren dat het heel goed zo zou kunnen zijn dat het virus in een laboratorium gecreëerd is?5
Nee.
Bent u bekend met het volgende fragment uit het dagboek van Fauci, 7 juni 2021: «On January 31st, 2020 I received a call from Jeremy Farrar who conferenced in Christian Andersen to tell me that Ed Holmes and Christian had seen a copy of the sequence of the virus and felt that there was a possibility that because of the unusual furin cleavage site that this could possibly have been a constructed virus. as indicated in my notes of January 31st and February 1st, 2020, since I am not an evolutionary biologist I called together by phone a group knowledgeable scientist together with Francis Collins and a few other people to discuss this. After a considerable amount of discussion about half of the people felt that this was possibly a constructed virus and the other half were convinced that this was a natural occurrence.»?6
Nee.
Bent u (nog steeds) van mening dat de oorsprong van het coronavirus hoogstwaarschijnlijk een zoönose is geweest?
De vraag naar de oorsprong van het SARS-COV-2-virus is een wetenschappelijke vraag. De WHO heeft deze vraag voorgelegd aan een onafhankelijke expertgroep van wetenschappers. Deze Scientific Advisory Group on Novel Pathogens (SAGO), die de origine van het SARS-Cov-2 virus heeft onderzocht, concludeerde in haar laatste rapport van 25 juni 2025 dat op basis van het beschikbare wetenschappelijke bewijs een zoönose het meest waarschijnlijk is. Hetzij overdracht van het virus direct vanuit vleermuizen of via besmetting van een ander zoogdier naar mensen toe.10 De expertgroep gaf aan dat er data ontbreken, maar dat er geen bewijs gevonden is van een andere overdracht van het virus.
Berichtgeving omtrent de gevolgen van hitte voor ouderen |
|
Jan Struijs (50PLUS), Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaande berichtgeving?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het bericht dat tijdens de vorige hittegolf ca. 900 mensen meer overleden dan gemiddeld, met name 80-plussers?
Het overlijden van mensen gaat allereerst om het verdriet voor familie en vrienden, ongeacht de oorzaak. Bij eerdere hittegolven hebben we gezien dat er sprake is van oversterfte. Dat benadrukt dat hitte een reëel gezondheidsrisico is en dat aandacht voor dit onderwerp gerechtvaardigd is.
Hoe oordeelt u over de stelling dat er een wettelijke verplichting op het plaatsen van airco’s in verpleeghuizen zou moeten komen, omdat de meest kwetsbare ouderen grote risico’s lopen door de extreme hitte?
Het is belangrijk dat verpleeghuizen aandacht hebben voor de kwaliteit van leven van ouderen. Ook in een periode van extreme hitte. Naast airco’s zijn er ook andere effectieve maatregelen om de risico’s van extreme hitte voor kwetsbare ouderen te beperken. Ik vind een wettelijke verplichting om airco’s te plaatsen daarom niet passen.
Welke andere maatregelen kunnen worden genomen om kwetsbare verpleeghuisbewoners beter te beschermen tegen de hitte?
Dit is afhankelijk van de lokale situatie en de behoefte van de bewoners. Het kan gaan om aanpassingen in de zorgverlening zoals het beleid rond vochtinname van bewoners. Ook zijn er andere aanpassingen dan airconditioning mogelijk in en rond het gebouw, zoals goede zonwering, plafondventilators of voldoende groenvoorzieningen met schaduw in de directe omgeving van het verpleeghuis.
Hoe oordeelt u over de berichtgeving dat juist zelfstandig wonende ouderen een zo mogelijk groter risico lopen tijdens hittegolven, omdat zij minder goed in de gaten worden gehouden dan mensen die in een instelling wonen?
Ook in de thuissituatie moeten ouderen zo veel mogelijk beschermd zijn tegen de schadelijke effecten van hittegolven. Allereerst hebben zij hier zelf een verantwoordelijkheid om zich te beschermen tegen de gevolgen van hitte. Zij kunnen daarbij worden geholpen door hun mantelzorger of de thuiszorg.
Ook zijn er initiatieven van gemeenten om risicogroepen te inventariseren, hittekaarten te maken en koelteplekken in beeld te brengen. Deze lokale initiatieven ondersteun ik vanuit mijn rol door de bescherming tegen hitte een plaats te geven in de handreiking «Huisbezoeken 75+». Dit is een handreiking opgenomen in de Toolkit voor gemeenten | Eén tegen eenzaamheid.
Wat bent u voornemens te doen om thuiswonende ouderen collectief beter te beschermen in geval van een hittegolf, gezien het feit dat het overheidsbeleid erop gericht is dat ouderen langer zelfstandig wonen?
Zie vraag 5 en 8.
Bent u bereid het onderwerp bescherming tegen hitte op te nemen in de handreiking voor gemeenten «Huisbezoeken 75plus»?
Ja, ik zal het onderwerp hitte opnemen in deze handreiking.
Op welke wijze bent u van plan voorlichting en bewustzijn rondom de gevolgen van een hittegolf voor thuiswonende ouderen te verbeteren, zowel voor de ouderen zelf als voor hun omgeving?
In de Hitte aanpak 2025 en de ontwerp-Nationale Klimaatadaptatiestrategie ’26 beschrijft het kabinet welke maatregelen het wil nemen om in samenwerking met onder andere gemeenten, woningbouwverenigingen en GGD’en, Nederland beter voor te bereiden op toenemende hitte. Een doel van de Hitte aanpak is het verdubbelen van het aantal lokale hitteplannen. In die plannen kunnen gemeenten een aanpak uitwerken voor bescherming en ondersteuning van hun inwoners die het beste past bij hun gemeente, buurt en wijk. Voorlichting en bewustzijn kunnen onderdeel zijn van deze lokale hitteplannen.
Bent u bereid in overleg te gaan met Aedes over een betere isolatie van woningen, niet alleen bescherming tegen de kou, maar ook tegen de hitte?
Ook mijn collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening vindt het belangrijk om ouderen te beschermen tegen hitte. Vanuit haar portefeuille voert zij hierover met Aedes overleg. De Minister van VRO zet samen met Aedes stevig in op het isoleren van corporatiewoningen en is doorlopend met Aedes in gesprek over de verduurzamingsopgave. Daarbij is ook volop aandacht voor het tegengaan van hittestress.
Hebben gemeenten inzicht in waar kwetsbare groepen wonen, zodat zij hen in geval van hittegolven koele plekken kunnen aanbieden?
Het is mij niet bekend in hoeverre gemeenten daar een compleet beeld van hebben.
Het artikel Schatting RIVM: honderden sterfgevallen meer dan verwacht tijdens hitte vorige week |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de schatting van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat tijdens de hittegolf van eind juni 2026 ongeveer 480 mensen meer zijn overleden dan verwacht?1
Hoe beoordeelt u het feit dat er in één week honderden mensen, voornamelijk mensen van 80 jaar en ouder, zijn overleden als gevolg van extreme hitte? Deelt u de mening dat dit geen natuurverschijnsel is waar we ons bij neer moeten leggen, maar een falen van de bescherming van kwetsbare mensen?
Kunt u aangeven waarom de oversterfte juist in het oosten en zuiden van het land het hoogst was? In hoeverre speelt hierbij mee dat de zorg en het welzijnswerk in deze regio's onder druk staan door bezuinigingen en personeelstekorten?
Hoeveel van de overleden ouderen woonden zelfstandig thuis, en hoeveel in een verpleeghuis of andere zorginstelling? Bent u bereid dit door het RIVM te laten uitzoeken?
Erkent u dat het jarenlange beleid om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen, in combinatie met het sluiten van verzorgingshuizen, ertoe heeft geleid dat veel kwetsbare ouderen tijdens een hittegolf alleen thuis zitten zonder toezicht, koeling of hulp bij het drinken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel verpleeghuizen en zorginstellingen in Nederland beschikken op dit moment niet over airconditioning of andere adequate koeling in de verblijfsruimten van bewoners? Bent u bereid hier een landelijke inventarisatie naar te doen?
Welke rol speelt de kwaliteit van woningen bij hittesterfte? Erkent u dat mensen met een laag inkomen vaker in slecht geïsoleerde woningen wonen die in de zomer veel te heet worden en dat hitte daarmee ook een kwestie van ongelijkheid is?
Bent u bereid om verhuurders te verplichten maatregelen tegen hitte te nemen?
Erkent u dat hittegolven door klimaatverandering vaker en heviger zullen voorkomen en dat structurele maatregelen dus noodzakelijk zijn?
Bent u bekend met onderzoeken waaruit blijkt dat wijken met lagere inkomens gemiddeld aanzienlijk warmer zijn dan rijkere wijken, doordat er minder groen, meer steen en asfalt en dichtere bebouwing is? Hoe beoordeelt u het feit dat juist de mensen met de minste middelen in de heetste wijken wonen?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat je portemonnee bepaalt hoe heet je wijk wordt en daarmee hoe groot je gezondheidsrisico is tijdens een hittegolf? Zo nee, waarom niet?
Is bekend of de oversterfte tijdens de afgelopen hittegolf hoger was in wijken met een lagere sociaaleconomische status? Bent u bereid het RIVM opdracht te geven de oversterfte uit te splitsen naar wijk en inkomensniveau, zodat duidelijk wordt waar de klappen vallen?
Welke gerichte rijkssteun is er op dit moment beschikbaar om de armste en heetste wijken af te koelen, bijvoorbeeld door vergroening, het planten van bomen, het vervangen van steen door groen en het aanleggen van schaduw en waterpartijen? Kunt u een overzicht geven van de beschikbare middelen en waar deze terechtkomen?
Erkent u dat gemeenten met veel kwetsbare wijken vaak juist de gemeenten zijn met de minste financiële ruimte, en dat zonder extra rijksmiddelen de vergroening van deze wijken niet van de grond komt? Bent u bereid een gericht fonds in te stellen voor het hittebestendig maken van de heetste, armste wijken, waarbij de wijken met de grootste hitteproblemen als eerste aan de beurt komen?
Hoeveel procent van de woningen in de armste wijken heeft toegang tot een koele buitenruimte, zoals een park of schaduwrijk plein, binnen loopafstand? Bent u bereid een norm in te voeren voor de maximale afstand tot koele, groene openbare ruimte, zoals ook wordt bepleit voor groennormen in de stad?
Bent u bereid om samen met gemeenten tijdens hittegolven gekoelde publieke ruimtes open te stellen in de heetste wijken zodat bewoners zonder airconditioning ergens terechtkunnen? Ziet u hierbij ook een rol voor de heropening van buurthuizen die de afgelopen jaren zijn wegbezuinigd?
Het bericht ‘Eigenaar dreigt met eerdere sluiting overgebleven zorgvilla's: 'Schokkend'’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Eigenaar dreigt met eerdere sluiting overgebleven zorgvilla's: «Schokkend»»?1
Ik begrijp de grote zorgen en emoties die leven bij ouders, kinderen en medewerkers. De situatie is voor alle betrokkenen zeer ingrijpend. Het is echter niet aan mij om kwalificaties te geven over het handelen van private partijen of over stellingen die onderdeel uitmaken van een lopende gerechtelijke procedure. Vanuit het Ministerie van VWS was niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Bovendien lopen de lezingen van partijen over het verloop van de zitting uiteen. Ik kan de gang van zaken tijdens de zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Ongeacht de exacte lezing van de gebeurtenissen vind ik wel dat de zorg voor deze kwetsbare kinderen nooit een instrument mag zijn in een zakelijk of juridisch geschil, en ik verwacht dat alle betrokken partijen zich dat terdege realiseren.
Mijn inzet blijft onverminderd gericht op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor de kinderen die nog zorg ontvangen bij Villa ExpertCare (VEC). Daarover ben ik voortdurend in gesprek met de betrokken partijen, waaronder VEC, zorgverzekeraars, zorgkantoren, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de onafhankelijk intermediair die is aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te ondersteunen.
Wat vindt u van de uitgesproken dreiging tijdens de zitting om locaties te sluiten al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 was er vanuit het Ministerie van VWS niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Ik kan de gang van zaken tijdens die zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Bovendien geeft het (tijdelijk) bestuur van Villa ExpertCare hierover een andere lezing dan uit de berichtgeving naar voren komt. Het is niet aan mij om in een lopende gerechtelijke procedure te beoordelen welke lezing juist is.
In hoeverre bedreigt dit de onafhankelijkheid van de rechtspraak?
Het is aan de rechter om onafhankelijk en onpartijdig uitspraak te doen. Het is niet aan mij om vooruit te lopen op de beoordeling door de rechter of om mij uit te spreken over de mogelijke invloed van uitlatingen van partijen op een lopende gerechtelijke procedure.
Ik ga ervan uit dat alle betrokken partijen de onafhankelijkheid van de rechtspraak respecteren en de uitspraak van de rechter zullen afwachten en respecteren.
Erkent u dat dit een voorbeeld is van slecht bestuur waar de continuïteit van zorg van kinderen, en respect voor de rechtspraak, overduidelijk niet voorop staat? Welke gevolgen verbindt u daaraan?
Ik begrijp de zorgen die aan deze vraag ten grondslag liggen. Tegelijkertijd is het niet aan mij om op basis van berichtgeving en stellingen die onderdeel zijn van een lopende gerechtelijke procedure een oordeel te geven over het bestuur van een private zorgaanbieder.
Wel geldt voor mij onverkort dat de belangen van de kinderen en de continuïteit, kwaliteit en veiligheid van hun zorg voorop moeten staan. VEC is als zorgaanbieder verantwoordelijk voor de continuïteit van de zorg. Ik spreek VEC en alle andere betrokken partijen hierop aan en blijf de ontwikkelingen nauwlettend volgen.
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg bij VEC en beschikt over verschillende wettelijke handhavingsinstrumenten wanneer de kwaliteit of veiligheid daartoe aanleiding geeft. De beoordeling of en wanneer deze instrumenten moeten worden ingezet, is aan de IGJ. De recente bevindingen van de IGJ die betrekking hebben op de locaties Waalre en Rijswijk zijn daarbij onderdeel van haar toezicht.
Herinnert u zich de uitspraak van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in hun rapport van 20 mei jl. dat zij «beperkt vertrouwen [heeft] in de verbeterkracht van de organisatie en het urgentiebesef van de bestuurder»?2 Deelt u de analyse dat deze verbeterkracht nog steeds nergens te vinden is bij het huidige bestuur?
Ja, ik ben bekend met het rapport en de daarin opgenomen bevindingen van de IGJ. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg bij VEC en heeft daarbij ook aandacht voor de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor goede zorg.
Het is niet aan mij om een zelfstandig oordeel te geven over de verbeterkracht van het bestuur van VEC. De IGJ heeft als toezichthouder een eigenstandige verantwoordelijkheid om de kwaliteit en veiligheid van de zorg te beoordelen en, waar nodig, handhavend op te treden. De IGJ heeft in juni een aanwijzing opgelegd aan VEC (locaties Waalre en Vleuten) nadat uit het toezicht bleek dat er risico’s waren voor de kwaliteit en veiligheid van zorg. Recent heeft de IGJ opnieuw een rapport uitgebracht met daarin ontwikkelingen uit het toezicht voor de locaties Wezep en Rijswijk. Ik blijf in nauw contact met de IGJ over ontwikkelingen uit het toezicht.
Is de dreiging van sluiting van de overige locaties voordat voor alle kinderen een passende plek is gevonden aanleiding om bestuursdwang toe te passen, ofwel door de IGJ, ofwel door uzelf op basis van artikel 29 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en het bestuur (tijdelijk) over te nemen om de continuïteit van zorg te garanderen? Zo nee, waarom niet, en wanneer is die aanleiding er wel?
Berichtgeving over een mogelijke eerdere sluiting is op zichzelf geen grond om het bestuur van een private zorgaanbieder over te nemen. De wettelijke mogelijkheden voor ingrijpen in het bestuur van een zorgaanbieder zijn aan specifieke voorwaarden gebonden. Artikel 29 biedt de mogelijkheid voor de IGJ om een last onder bestuursdwang op te leggen indien een eerder door haar opgelegde aanwijzing of bevel niet wordt nageleefd. Dat is nu niet aan de orde. De IGJ houdt doorlopend toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg bij VEC. Hierbij ziet zij er onder andere op toe dat de overdracht van cliënten zorgvuldig plaatsvindt.
Mijn inzet is er op dit moment primair op gericht om te voorkomen dat de zorgcontinuïteit voor de betrokken kinderen in gevaar komt. Voor de resterende locaties Wezep en Rijswijk heeft VEC aangegeven dat deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande openblijven. Ik zie er nauwlettend op toe dat deze toezegging wordt nagekomen en dat voor ieder kind tijdig passende zorg beschikbaar blijft.
Is de uitgesproken dreiging door Villa ExpertCare om locaties al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt aanleiding om bestuursdwang toe te passen, ofwel door de IGJ, ofwel door ofwel door uzelf op basis van artikel 29 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en het bestuur (tijdelijk) over te nemen om de continuïteit van zorg te garanderen? Zo nee, waarom niet, en wanneer is die aanleiding er wel?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 6. In het geval het gerechtshof besluit het verzoek van de cliëntenraad te honoreren, beïnvloedt dat de rol van de IGJ zoals hierboven uitgelegd niet.
Wat gaat u anders doen dan voorheen om te voorkomen dat de overige twee locaties gaan sluiten, aangezien uw inzet tot nu toe niet heeft kunnen voorkomen dat er twee locaties zijn gesloten?
VEC heeft besloten de zorgverlening op haar locaties te beëindigen. Het is niet aan de overheid om een private zorgaanbieder te dwingen zorg te blijven aanbieden. Mijn inzet is daarom, samen met de andere betrokken partijen, steeds gericht geweest op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor ieder kind.
Sinds mijn eerdere berichtgeving is de inzet verder geïntensiveerd. Zo is een onafhankelijk intermediair aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te versnellen en de zorgvuldigheid daarvan te versterken. Ook blijf ik in nauw contact met de betrokken zorgverzekeraars, zorgkantoren, de IGJ en de NZa om de ontwikkelingen te volgen en waar nodig partijen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid.
Voor de twee resterende locaties heeft VEC aangegeven deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande open te houden. Mijn inzet blijft erop gericht dat deze toezegging wordt nagekomen en dat de continuïteit van zorg voor ieder kind wordt geborgd.
Gezien de urgentie en dreigende sluiting, bent u bereid om deze vragen met spoed te beantwoorden?
De IGJ heeft mij laten weten dat er op dit moment geen sprake is van een acute situatie of dreigende sluiting van de resterende locaties, omdat de kwaliteit en veiligheid van de zorg op de locaties Wezep en Rijswijk op dit moment voldoende zijn geborgd. Wel heeft de IGJ voor locatie Wezep om een verbeterplan gevraagd, wat onder meer ziet op het beter borgen van voldoende personele inzet, het tijdig informeren en betrekken van cliëntvertegenwoordigers en betrokken professionals bij de planning, roosters en het vinden van een passend zorgalternatief, en het structureel uitvoeren en vastleggen van teamoverleggen. De IGJ heeft daarbij aangegeven dat dit geen reden is tot ingrijpen en dat zij de voortgang van de verbetermaatregelen nauwlettend volgt. Daarnaast heeft VEC aangegeven deze locaties in ieder geval tot en met 31 december aanstaande open te houden. Om die reden worden deze Kamervragen beantwoord binnen de gebruikelijke termijnen.
De veroordeling van Mert P. en de aanhoudende veiligheidsproblemen rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de veroordeling van Mert P., die tijdens verlof in januari 2025 een 76-jarige vrouw in Den Dolder om het leven bracht?1
Ja.
Hoe kijkt u, ruim anderhalf jaar na deze afschuwelijke moord, terug op de veiligheidssituatie rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder? Deelt u de conclusie dat de maatregelen die na de moord op Anne Faber in 2017 zijn genomen onvoldoende zijn gebleken om de veiligheid van omwonenden te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
De moord van 2 januari 2025 is afschuwelijk en heeft een enorme impact gehad. Het heeft geleid tot groot verdriet bij de nabestaanden en tot gevoelens van onveiligheid onder omwonenden. De veiligheid rondom forensische zorginstellingen heeft continu onze aandacht. Dit is in het belang van omwonenden en medewerkers, maar ook van de cliënten zelf.
Op 12 februari 2025 heeft mijn ambtsvoorganger in de beantwoording van Kamervragen van de leden Thiadens en Van Dijk (beiden PVV) antwoord gegeven op de vraag welke maatregelen er zijn genomen na de moord op Anne Faber in 2017.2 Dit betreft onder andere om wijziging in de aanpak van verdachten van een ernstig misdrijf die niet meewerken aan een gedragsdeskundig onderzoek (weigerende observandi), het wegnemen van belemmeringen bij informatie-uitwisseling en een beter zicht op risico’s; bij uitplaatsing naar een instelling voor forensische zorg is naast een professioneel oordeel, een gestructureerde risicotaxatie en een delictsanalyse verplicht gesteld.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft onderzocht of de zorg aan de dader van de steekpartij op niveau was. In haar rapport concludeerde de IGJ dat de zorg op onderdelen beter en meer volgens protocol had gekund.3 Tegelijkertijd concludeert de IGJ dat wanneer was voldaan aan alle protocollen het dodelijke steekincident niet voorkomen had kunnen worden. Voor de volledige reactie op het rapport verwijs ik u naar de Voortgangsbrief forensische zorg die ik op 26 maart jl. met uw Kamer heb gedeeld.4
Naar aanleiding van het steekincident in januari 2025 hebben de burgemeester van Zeist en de Commissaris van Koning van Utrecht een beroep gedaan op mijn ambtsvoorganger. Daarop volgend zijn er (aanvullende) maatregelen genomen om het veiligheidsgevoel van omwonenden te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.5 Het gaat onder andere om het aanstellen van een omgevingsmanager, de inzet van extra BOA’s en het plaatsen van camera’s op de looproute van het terrein van Fivoor naar het dorp Den Dolder. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) ondersteunt de gemeente Zeist hierbij financieel.
Ondanks de veiligheidsmaatregelen kunnen incidenten nooit volledig worden uitgesloten. Een ernstig incident geeft altijd aanleiding om kritisch te bezien of er aanvullende maatregelen nodig zijn. De veiligheid van omwonenden, burgers in het algemeen, medewerkers en cliënten staat daarbij voorop.
Wie heeft destijds besloten Mert P. onbegeleid verlof te verlenen? Welke functionarissen waren betrokken bij die beslissing? Zijn deze mensen inmiddels ontslagen? Zo nee, waarom niet?
Vanwege het belang van resocialisatie en een veilige terugkeer in de samenleving, maakt verlof een onlosmakelijk deel uit van de behandeling van deze cliënten. In de kliniek van Fivoor – waar de dader van het dodelijke steekincident destijds verbleef – worden cliënten behandeld met een licht verstandelijke beperking (LVB) in combinatie met psychiatrische stoornissen en/of gedragsproblemen.
Als onderdeel van de behandeling en wanneer dat als verantwoord wordt ingeschat, kunnen de cliënten in deze kliniek op begeleid of onbegeleid verlof gaan. Het verlof wordt stapsgewijs opgebouwd. Op basis van het dossier en de observaties tijdens de behandeling wordt multidisciplinair gekeken naar de risico’s van de cliënt in de betreffende verloffase. betrokken cliënt ontving op dat moment geen zorg in het kader van een strafrechtelijke maatregel of voorwaarde.
Kunt u toezeggen dat nooit meer gevaarlijke gekken zoals deze moordenaar met verlof, laat staan onbegeleid verlof, op de maatschappij worden losgelaten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de aanhoudende signalen van bewoners en de gemeenteraad van Zeist dat de veiligheid rond de klinieken nog steeds onvoldoende is gewaarborgd en dat het vertrouwen in de situatie volledig is verdwenen? Welke lessen trekt u daaruit?
Bij de beantwoording van vraag 2 ben ik ingegaan op de veiligheidsmaatregelen die eerder zijn getroffen. Dat neemt niet weg dat ik de zorgen van de inwoners van Den Dolder over de lokale veiligheid serieus neem.
Acht u het acceptabel dat inwoners van Den Dolder na alles wat er is gebeurd opnieuw moeten vrezen voor jarenlang uitstel, gezien de Fivoor-klinieken uiterlijk 1 januari 2027 uit Den Dolder zouden vertrekken, maar dat de bestuurder van Fivoor heeft aangegeven dat deze planning waarschijnlijk niet haalbaar is en dat een verhuizing mogelijk nog jaren op zich laat wachten?
Fivoor is een particuliere aanbieder van forensische en reguliere zorg aan cliënten met complexe psychiatrische ziektebeelden. De kliniek is zelf verantwoordelijk voor het vinden van een nieuwe locatie.Dat neemt niet weg dat ik op verzoek van de burgemeester van Zeist en de commissaris van de Koning van Utrecht de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor ondersteun, omdat ik de zorgen van de inwoners begrijp. In de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ellian (VVD) van 25 maart 2026 heb ik antwoord gegeven op de vraag welke rol JenV speelt in deze zoektocht.6 JenV heeft als voorzitter een bijdrage geleverd aan de Regionale Regietafel. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden in de regio. Daarnaast is JenV betrokken bij de Stuurgroep Reallocatie Fivoor die concrete locaties voor herhuisvesting onderzoekt.
Fivoor heeft het streven geuit om 1 januari 2027 te willen verhuizen maar heeft daarbij aangegeven dat de verhuisdatum afhankelijk is van het vinden van een alternatieve locatie in de regio. Vanaf het moment dat er een geschikte locatie voor de herhuisvesting is gevonden, duurt het doorgaans een aantal jaren om daadwerkelijk te kunnen verhuizen.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de klinieken uiterlijk op 1 januari 2027 zoals afgesproken, en nog liever morgen, uit Den Dolder zijn verdwenen? Kunt u de inwoners van Den Dolder op zijn minst de harde garantie geven dat deze datum niet opnieuw zal opschuiven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat inwoners van Den Dolder na jaren van incidenten, waarschuwingen en uitgestelde verhuizingen recht hebben op duidelijkheid en dat de veiligheid van omwonenden niet opnieuw ondergeschikt mag worden gemaakt aan bestuurlijke en praktische problemen rond de herhuisvesting van Fivoor? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de voortgang van de verhuizing, de concrete planning, de eventuele knelpunten en de maatregelen die u neemt om te voorkomen dat de vertrekdatum opnieuw opschuift?
Ik heb uw Kamer in de meest recente Voortgangsbrief forensische zorg geïnformeerd over de stand van zaken.7 In deze brief staat dat er drie locaties in beeld zijn voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties worden daarom op dit moment niet gedeeld. Ik houd uw Kamer op de hoogte van relevante ontwikkelingen.
Fraude met stages en EVC-certificaten in zorgopleidingen |
|
René Claassen (PVV) |
|
Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over zogeheten «aftekenstages» in mbo-zorgopleidingen, waarbij studenten praktijkopleiders betalen om stage-uren af te tekenen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn geweest op de stageplek?1
Kunt u aangeven hoeveel gevallen van aftekenstages en vergelijkbare stagefraude er sinds het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van juni 2024 zijn geconstateerd, uitgesplitst per opleidingsniveau en -richting?
Deelt u de zorg dat door deze vorm van fraude ongekwalificeerde personen met een mbo-diploma aan de slag kunnen gaan in de zorg, met directe risico’s voor de veiligheid van kwetsbare patiënten zoals ouderen en mensen met een beperking? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Welke concrete voortgang is geboekt met de aanbevelingen uit het rapport «Er is meer aan de hand' (juni 2024) en de daaropvolgende Kamerbrief, met name ten aanzien van de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en de erkenningscriteria voor leerbedrijven?
Kunt u een actueel overzicht geven van de omvang van fraude met EVC-certificaten (Erkenning van Verworven Competenties) in de zorgsector, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar het EVC-bureau F&P Educatie en de recente aanhoudingen in die zaak?
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid voor commerciële EVC-bureaus om ervaringscertificaten af te geven voor zorggerelateerde beroepen (tijdelijk) aan strengere voorwaarden moet worden gebonden of aan onafhankelijker toezicht moet worden onderworpen, gezien de kwetsbaarheid van dit systeem voor fraude?
Op welke wijze wordt geborgd dat zorginstellingen die een medewerker aannemen op basis van een mbo-diploma of EVC-certificaat, dit diploma of certificaat op eenvoudige en betrouwbare wijze kunnen verifiëren, en acht u de huidige verificatiemogelijkheden (bijvoorbeeld via DUO) toereikend?
Bent u bereid, gelet op de aanhoudende signalen en de kennelijke toename van deze fraudevormen sinds 2024, de Kamer op korte termijn een geactualiseerde stand-van-zakenbrief te sturen met daarin concrete, meetbare doelstellingen en een tijdpad om stage- en EVC-fraude in de zorgopleidingen terug te dringen?
Het bericht ‘Cliëntenraad vreest sluiting laatste zorgvilla’s Expertcare’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cliëntenraad vreest sluiting laatste zorgvilla’s Expertcare»1
Ja.
Klopt het dat multinational B. Braun heeft gedreigd de resterende locaties al voor 31 december a.s. te sluiten als het gerechtshof ingrijpt?
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving waarnaar u verwijst. Vanuit het Ministerie van VWS was niemand aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer. Ik kan de gang van zaken tijdens die zitting daarom niet uit eigen waarneming bevestigen. Bovendien geeft het (tijdelijk) bestuur van Villa ExpertCare (VEC) hierover een andere lezing dan uit de berichtgeving naar voren komt. Het is niet aan mij om in een lopende gerechtelijke procedure te beoordelen welke lezing juist is.
Mijn inzet blijft onverminderd gericht op het waarborgen van de continuïteit van zorg voor de kinderen die nog zorg ontvangen bij Villa ExpertCare. Daarover ben ik voortdurend in gesprek met de betrokken partijen, waaronder VEC, zorgverzekeraars, zorgkantoren, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de onafhankelijk intermediair die is aangesteld om het proces van zorgbemiddeling te ondersteunen.
Deelt u de mening dat B. Braun hier een nieuwe ondergrens heeft bereikt door de rechtbank, de ouders en de kinderen te chanteren met dreigende sluiting van de laatste zorgvilla’s Expertcare met als doel de rechtsgang te frustreren? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de grote zorgen en emoties die leven bij ouders, kinderen en medewerkers. De situatie is voor alle betrokkenen zeer ingrijpend. Het is echter niet aan mij om kwalificaties te geven over het handelen van private partijen of over stellingen die onderdeel uitmaken van een lopende gerechtelijke procedure. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 was het ministerie niet bij de zitting aanwezig en lopen de lezingen van partijen over het verloop daarvan uiteen; ook dat maakt een oordeel op dit moment niet aan mij. Ongeacht de exacte lezing van de gebeurtenissen vind ik wel dat de zorg voor deze kwetsbare kinderen nooit een instrument mag zijn in een zakelijk of juridisch geschil, en ik verwacht dat alle betrokken partijen zich dat terdege realiseren.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de deuren van de twee zorglocaties geopend blijven totdat er een passende zorgplek is gevonden voor alle overgebleven kinderen?
Zoals ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd, staat voor mij voorop dat voor ieder kind passende vervolgzorg beschikbaar moet zijn voordat de zorg wordt beëindigd. Om de zorgbemiddeling te versnellen en de zorgvuldigheid van het proces te versterken, heb ik een onafhankelijk intermediair aangesteld. Daarnaast werken zorgverzekeraars en zorgkantoren vanuit hun wettelijke zorgplicht aan passende vervolgzorg voor iedere individuele cliënt. Voor alle cliënten zijn bovendien cliëntspecifieke noodscenario's uitgewerkt voor het geval de continuïteit van zorg onverwacht onder druk komt te staan.
Voor de twee resterende locaties, Wezep en Rijswijk, heeft VEC aangeven dat deze in ieder geval tot en met 31 december aanstaande openblijven. Mijn inzet blijft erop gericht dat deze toezegging wordt nagekomen en dat de continuïteit van zorg voor ieder kind wordt geborgd.
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en op een zorgvuldige overdracht van cliënten. Op 11 augustus heeft de IGJ twee toezichtsrapporten uitgebracht over de locaties Wezep en Rijswijk. Voor locatie Wezep heeft de IGJ verbetermaatregelen opgelegd. De IGJ blijft de uitvoering van deze verbetermaatregelen en de ontwikkelingen op beide locaties nauwlettend volgen.
Bent u van plan wetgeving voor te bereiden om te voorkomen dat een onderneming na ernstig falen nog zorg mag aanbieden, bijvoorbeeld een tijdelijk of permanent verbod om als zorgaanbieder op te treden na ernstige overtredingen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze verwachten? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment ben ik niet voornemens wetgeving voor te bereiden die voorziet in een algemeen tijdelijk of permanent verbod voor een onderneming om als zorgaanbieder op te treden. Wel heb ik eerder aangekondigd dat ik deze casus op een later moment, nadat er voor de kinderen van VEC een oplossing is gevonden, grondig zal evalueren. Bij die evaluatie zal ik ook de toereikendheid van het bestaande wettelijke instrumentarium betrekken, om te bezien of dit voldoende mogelijkheden biedt om in vergelijkbare situaties tijdig en effectief in te grijpen.
Het artikel ‘Neurologen kunnen meer doen om een brein te redden, maar er zijn er veel te weinig’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Neurologen kunnen meer doen om een brein te redden, maar er zijn er veel te weinig»1
Ja.
Deelt u de mening van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie dat het door u overgenomen advies van het Capaciteitsorgaan om het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 met elf te verhogen lang niet genoeg is om de tekorten op te vangen en geen oplossing vormt op de korte termijn? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS onderkent het belang van het opleiden van voldoende medisch specialisten om te kunnen voorzien in de toekomstige zorgvraag. Tegelijkertijd streven we naar het voorkomen van tekorten of overschotten op de langere termijn. Daartoe zijn de instroomadviezen van het Capaciteitsorgaan over de benodigde instroom in (medische) vervolgopleidingen leidend.
Het Ministerie van VWS volgt de raming van het Capaciteitsorgaan voor de medisch-specialistische vervolgopleidingen, waarin wordt aangegeven dat het aantal opleidingsplaatsen voor neurologen moet toenemen. In lijn met deze raming wordt het aantal opleidingsplaatsen voor neurologie in 2027 met elf verhoogd. Het Capaciteitsorgaan maakt bij het opstellen van de raming gebruik van de input van beroepsgroepen, opleidingsinstellingen, zorgverzekeraars en werkgevers die vertegenwoordigd zijn in de zogenoemde «kamers». De kamers en werkgroepen komen tot een inhoudelijk oordeel over de benodigde instroom in de opleidingen. Daarbij wordt rekening gehouden met ontwikkelingen, zoals de vergrijzing van de beroepsgroep, veranderingen in de deeltijdfactor en verschuivingen in de zorgvraag (bijvoorbeeld als gevolg van vergrijzing of nieuwe behandelmethoden). Het Capaciteitsorgaan richt zich op structurele ontwikkelingen op de lange termijn, waarbij varkenscycli worden voorkomen ten behoeve van een stabiele opleidingsinfrastructuur. Varkenscycli kunnen ontstaan wanneer er teveel wordt gestuurd op ontwikkelingen op de korte termijn. De Capaciteitsplannen zijn gericht op een stabiele opleidingsinfrastructuur voor de lange termijn. We gaan daarom uit van de raming van het Capaciteitsorgaan.
Over drie jaar wordt een nieuwe raming verwacht. Vanwege de duur van de opleiding kan een verhoging van het aantal opleidingsplaatsen echter niet direct bijdragen aan het oplossen van knelpunten op de korte termijn. Voor het aanpakken van de knelpunten op de korte termijn is het daarom ook van belang om de bestaande capaciteit zo goed mogelijk te benutten en te behouden. Voor de maatregelen die hierop zijn gericht, verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Bent u van plan het aantal opleidingsplaatsen voor 2027 en/of de jaren erna verder te verhogen? Zo ja, naar hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS weegt de ramingen van het Capaciteitsorgaan in een driejaarlijkse cyclus. Tegelijkertijd is er in het coalitieakkoord vanaf het jaar 2029 een structurele korting ingeboekt voor de vervolgopleidingen medisch-specialisten ter hoogte van € 110 miljoen. Het streven is om begin 2027 een beeld te hebben hoe deze bezuiniging het beste vorm kan krijgen en wat dit betekent voor het aantal opleidingsplekken die beschikbaar zijn gesteld voor medisch specialisten in 2028 en 2029.
Welke maatregelen gaat u nemen om tot oplossingen op de korte termijn te komen?
Voor oplossingen op de korte- en middellange termijn wordt, naast het verhogen van de opleidingscapaciteit, ingezet op het zo goed mogelijk benutten en behouden van de bestaande capaciteit door anders te werken. Het kabinet werkt hier samen met de sector aan via de zorgakkoorden. Zo kan onder meer gedacht worden aan het verminderen van de administratieve lasten, regionale samenwerking en de inzet van digitale ondersteuning en slimme zorglogistiek. De vertaling naar specifieke maatregelen op regionaal en lokaal niveau vraagt om inzet van alle betrokken partijen, waaronder zorgaanbieders en (vertegenwoordigers van) de beroepsgroep.
Het bericht “Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN” |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Daratumumab ter beoordeling opnieuw bij ZIN» en kunt u een appreciatie geven van de daarin geschetste gang van zaken rond de beoordeling van daratumumab voor de indicatie AL-amyloïdose?1
Kunt u een volledig en gedetailleerd tijdspad geven van de beoordelingsprocedure van daratumumab voor AL-amyloïdose bij het Zorginstituut Nederland, inclusief alle momenten waarop aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de fabrikant, en kunt u toelichten waarom dit traject, mede gelet op de Europese goedkeuring vijf jaar geleden, nog altijd niet tot een definitief besluit heeft geleid?
Hoe beoordeelt u de uitspraak van medisch specialist prof. dr. Monique Minnema (UMC Utrecht), die tijdens de vergadering van de Adviescommissie Pakket (ACP) heeft ingesproken en heeft aangegeven niet te begrijpen waarom de beoordeling van dit dossier zo lang duurt, en die stelt dat een gerandomiseerde fase III-studie op alle punten voordeel voor de patiënt laat zien?
Klopt het dat, zoals gesteld wordt door de patiëntenorganisatie, ieder jaar uitstel van toelating van daratumumab voor AL-amyloïdose naar schatting 16 tot 20 patiënten het leven kost? Welke afweging maakt u tussen de tijd die gemoeid is met de beoordelings- en onderhandelingsprocedure en dit door patiëntenorganisaties en behandelaren gestelde gezondheidsverlies?
Bent u van mening dat het proces van beoordeling, besluitvorming en prijsonderhandeling voor weesgeneesmiddelen zoals daratumumab bij een zeldzame, ernstige aandoening als AL-amyloïdose sneller kan en moet verlopen dan nu het geval is? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om het Zorginstituut Nederland en/of de onderhandelingen met de fabrikant te versnellen?
Bent u bereid om, gelet op de urgentie die door zowel de patiëntenorganisatie als de behandelend specialisten wordt benadrukt, op korte termijn in overleg te treden met het Zorginstituut Nederland en de fabrikant om te bezien of het besluitvormingsproces over daratumumab voor AL-amyloïdose kan worden versneld en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
De antwoorden op vragen van het lid Keijzer over de uitspraken van de Minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan , Mirjam Sterk (CDA) |
|
Klopt het dat zorggeschikte woningen en geclusterde woonvormen met ontmoetingsruimten duurder zijn dan reguliere sociale huurwoningen vanwege onder meer bredere gangen, ruimere badkamers, rolstoeltoegankelijkheid en extra ruimte voor zorgverlening (2026D35525)? Zo nee, waarom niet?
Waarop is uw verwachting gebaseerd dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen gehaald kan worden, terwijl tegelijkertijd uit kabinetsstukken blijkt dat voor de meest complexe categorieën ouderenhuisvesting sprake is van hogere bouwkosten, een onrendabele top en een achterblijvende planvoorraad?
Klopt het dat in de bijlage bij uw beantwoording tot en met 2030 in totaal 758 miljoen euro beschikbaar is voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de opslag voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans? Zo ja, hoe is de onderverdeling? Zo nee, welk totaalbedrag is volgens u dan tot en met 2030 specifiek beschikbaar voor ouderenhuisvesting en hoe is dat bedrag precies opgebouwd?
Klopt het dat voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen tot en met 2028 in totaal 294,6 miljoen euro beschikbaar is? Hoeveel ouderenwoningen kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de subsidiebedragen van 17.500 euro, 15.000 euro, 7.500 euro, 5.000 euro, 7.000 euro, 5.000 euro, 3.000 euro en 2.000 euro per wooneenheid? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?1
Waarop baseert u de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is, als met de specifiek voor zorggeschikte woningen beschikbare middelen slechts een beperkt deel van die totale opgave kan worden ondersteund?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling ontmoetingsruimten in ouderenhuisvesting (SOO) beschikbaar is in 2027 en 2029? En klopt het dat voor deze regeling in totaal 43,8 miljoen euro beschikbaar is?
Hoeveel ontmoetingsruimten kunnen hiermee maximaal worden gerealiseerd, uitgaande van de maximale subsidiebedragen van 100.000 euro, 150.000 euro en 175.000 euro per aanvraag? Kunt u deze berekening met de Kamer delen?2
Acht u de hoeveelheid ontmoetingsruimten in uw berekening voldoende in verhouding tot de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke aanvullende maatregelen neemt u en acht u dit voldoende om de door het kabinet beoogde sociale effecten, waaronder ontmoeting, gemeenschapsvorming en het tegengaan van eenzaamheid, te realiseren?
Klopt het dat de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) uitsluitend voorziet in investeringen in vastgoed en fysieke ontmoetingsruimten? Zo ja, op welke wijze wordt voorzien in de structurele personele inzet die nodig is om deze ontmoetingsruimten daadwerkelijk te laten functioneren? Welke middelen waren hiervoor onder het vorige kabinet voorzien?
Heeft het kabinet onderzocht in hoeverre het beschikbaar stellen van ontmoetingsruimten zonder aanvullende financiering voor begeleiding, activiteiten of coördinatie het beoogde sociale effect kan beperken? Zo ja, wat waren daarvan de conclusies? Zo nee, waarom is dat niet onderzocht voordat deze regeling als oplossing werd gepresenteerd?
Klopt het dat de Realisatiestimulans beschikbaar is in 2028, 2029 en 2030? En klopt het dat voor de Realisatiestimulans in totaal 420 miljoen euro beschikbaar is?3
Klopt het dat binnen de Realisatiestimulans een post is opgenomen voor opslagen voor diverse doeleinden, waaronder extra ondersteuning voor geclusterde en zorggeschikte woningen voor alle aandachtsgroepen? Welk bedrag van de hiervoor gereserveerde 420 miljoen euro is specifiek bestemd voor ouderenhuisvesting, welk bedrag voor andere aandachtsgroepen en om welke aandachtsgroepen gaat het?
Klopt het dat hiervoor eveneens de vaste bijdrage van 7.000 euro per woning geldt? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat er slechts 60.000 woningen kunnen worden gerealiseerd voor alle aandachtsgroepen met de beschikbare 420 miljoen euro en welk deel daarvan betreft volgens u ouderenhuisvesting?
Klopt het dat er vanaf 2029 t/m 2030 alleen nog maar een Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen is en geen specifieke stimuleringsregeling meer voor ouderen? Is het gezien deze constatering juist om te concluderen dat de door u tijdens het commissiedebat genoemde 7 miljard euro niet specifiek bestemd is voor ouderenhuisvesting, maar voor de algemene woningbouwopgave in Nederland voor iedereen en alle aandachtsgroepen?
Waarom geeft u in de beantwoording over de uitspraken tijdens het commissiedebat Ouderenzorg aan dat u heeft aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet-Jetten van 2029 tot en met 2035 7 miljard euro beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland en dat ouderenhuisvesting hier ook onder valt terwijl dit niet als specifiek ouderenhuisvestingsbudget4 terugkomt in de door u verstrekte kasreeks in 2029 en 2030?5
Waarop baseert u de verwachting dat de specifieke investering van 758 miljoen euro voldoende is, terwijl van dit bedrag slechts 294,6 miljoen euro beschikbaar is voor zorggeschikte ouderenwoningen en een aanzienlijk deel van de overige middelen beschikbaar is voor andere aandachtsgroepen? Vindt u dit verdedigbaar gezien de opgave van 290.000 ouderenwoningen en de vergrijzing die ons land treft?
Heeft u doorgerekend hoeveel geclusterde en zorggeschikte ouderenwoningen met de beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting, dus exclusief het deel van de Realisatiestimulans dat naar andere aandachtsgroepen gaat, daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden? Zo ja, kunt u die berekening met de Kamer delen? Zo nee, waarop baseert u dan de verwachting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen haalbaar is?
Is het volgens u, gezien bovenstaande en eerdere antwoorden, juist om te concluderen dat dit kabinet de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen wel in stand laat, maar de financiële onderbouwing daarvan juist heeft verzwakt? Zo niet, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen alleen geloofwaardig is indien daar een toereikende financiële onderbouwing specifiek voor ouderen tegenover staat? Zo ja, waaruit blijkt die financiële onderbouwing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen van het kabinet-Schoof inzichtelijk worden gemaakt, inclusief hun tijdpad en bestemming tot en met 2030? Betrof dit meer of minder middelen dan de bedragen die momenteel specifiek beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting via de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW), de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en het onderdeel ouderenhuisvesting binnen de Realisatiestimulans voor alle aandachtsgroepen?
Indien uit de gevraagde vergelijking blijkt dat voor ouderenhuisvesting en moderne verzorgingshuizen onder het kabinet-Schoof meer middelen beschikbaar waren dan onder het huidige kabinet, welke beleidsmatige afwegingen liggen hieraan ten grondslag? Hoe geloofwaardig acht u dan nog de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
Indien middelen die voorheen waren voorzien voor ouderenhuisvesting, geclusterde woonvormen of moderne verzorgingshuizen inmiddels een andere bestemming hebben gekregen, om welke middelen gaat het dan, naar welke beleidsdoelen zijn deze middelen verschoven en waarom?
Heeft het kabinet in kaart gebracht welke effecten een eventuele afname van beschikbare middelen voor ouderenhuisvesting en het stopzetten van het plan rondom moderne verzorgingshuizen heeft op het realiseren van de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, hoe kan het kabinet dan verantwoord vasthouden aan de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen?
De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5
Abortussen tussen 22 en 24 weken |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oplossing voor «hiaat»: ziekenhuizen gaan late abortussen tussen 22 en 24 weken uitvoeren»?1
Hoe reageert u op de pilot van het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis dat zwangerschappen tussen de 22ste en 24ste week gaat afbreken, «waarbij de foetus niet zelden levend ter wereld komt»? Deelt u de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Wat vindt u ervan dat verschillende andere ziekenhuizen verkennen hoe zij aan deze pilot kunnen meedoen en «komend jaar vier zwangerschappen per ziekenhuis tussen de 22 en 24 weken gaan afbreken bij vrouwen om een sociale indicatie»? Deelt u opnieuw de conclusie dat dit verwerpelijk is?
Om welke ziekenhuizen gaat het hier? Welke noodzaak zien zij voor deze pilot en deelname hieraan?
Wat houdt «sociale indicatie» in? Klopt het dat het hier primair gaat om zwangerschapsafbrekingen die «ongewenst» of «ongepland» zijn?
Klopt het dat een zwangerschapsafbreking op «sociale indicatie» in Nederland «heel sporadisch» gebeurt, zoals door de NVOG gesteld? Zo ja, waarom wordt dit met deze pilot dan juist gefaciliteerd en/of gestimuleerd?
Hoe reageert u op de NVOG die stelt dat het gaat om «wettelijk toegestane en noodzakelijke zorg» en dat deze zorg nu «tekortschiet»? Hoe wenselijk acht u het dat deze dermate vroege zwangerschapsafbrekingen überhaupt toegestaan zijn? Deelt u de conclusie dat deze praktijk waarbij, zoals gesteld, de foetus «niet zelden levend ter wereld komt», walgelijk is?
Klopt het dat in Nederland in 2024 ruim 39.000 zwangerschapsafbrekingen werden uitgevoerd, waarvan 331 tussen 22 en 24 weken, maar dat niet wordt geregistreerd of deze een medische of sociale reden hadden? Zo ja, hoe kan zoiets onzekers als «sociale indicatie» deze pilot dan überhaupt rechtvaardigen?
Deelt u bovenal de conclusie dat, ter voorkoming van leed en ter bescherming van het ongeboren leven, primair meer ingezet moet worden op preventie en daarmee terugdringing van het aantal ongewenste zwangerschappen en zwangerschapsafbrekingen?
Bent u bereid deze pilot onmiddellijk, en voor alle ziekenhuizen, stop te zetten?
Ruim 200 Nederlandse kinderen hebben geen vaste voogd |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ruim 200 Nederlandse kinderen hebben geen vaste voogd» van Investico en Trouw van 14 juli 2026?1 2
Ja.
Wat is uw reactie op de bevinding dat ruim 200 kinderen geen vaste voogd hebben, terwijl het gezag van hun ouders door de rechter is beëindigd en de overheid daarmee verantwoordelijk is voor hun bescherming?
Als de overheid ingrijpt in het gezag van ouders en de kinderrechter een maatregel voor kinderbescherming oplegt, dan moeten het kind en de ouders kunnen rekenen op een snelle inzet van een jeugdbeschermer. Zoals ik u de afgelopen periode helaas al vaker heb moeten berichten, is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer voor deze kinderen; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel.3 Dat vind ik uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit.
De GI’s hanteren een gezamenlijk handelingsperspectief als kinderen en gezinnen noodgedwongen op de wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer komen te staan. Dit perspectief is een door de GI’s gezamenlijk opgestelde minimale werkwijze voor wachtlijstbeheer in geval van personele onderbezetting. Spoedmaatregelen, zoals een voorlopige ondertoezichtstelling (OTS), worden altijd direct opgepakt. Ook zaken waarbij sprake is van directe kind-onveiligheid worden direct opgepakt.
Als bij een GI sprake is van onvoldoende beschikbare medewerkers dan wordt op basis van risicotaxatie bepaald welke kinderen direct geholpen moeten worden en welke kinderen noodgedwongen moeten wachten. Dat kunnen zowel kinderen met een OTS-maatregel als een met een voogdij maatregel zijn.
Bij voogdij kan sprake zijn van een meer stabiele opvoedsituatie (door bijvoorbeeld een langdurige plaatsing in pleeggezin of een gezinshuis) dan bij een OTS. In dat geval kan de afweging gemaakt worden dat een voogdijkind op de wachtlijst wordt geplaatst omdat bij een OTS-kind meer risico’s spelen.
Ook wordt afgestemd met het betrokken professioneel netwerk over hoe de veiligheid wordt gemonitord en hoe vorm wordt gegeven aan de evaluatie van de kindveiligheid en voortgang op de hulpverleningsdoelen. Vaak is al een professioneel netwerk betrokken omdat de hulp in vrijwillig kader is gestart of omdat de hulp al eerder door een jeugdbeschermer is gestart – maar het kind nu op de interne wachtlijst staat omdat er nog géén opvolger is gevonden voor de jeugdbeschermer die de organisatie verlaten heeft. De veiligheid van het kind wordt periodiek gemonitord door het wachtlijstteam van de GI. Op basis van deze monitoring wordt direct een jeugdbeschermer ingezet als dat nodig is.
De inspecties hebben in september 2025 kritische rapporten geschreven over de problemen bij de gecertificeerde instellingen (GI’s).4 Daarbij constateren de inspecties dat de belangrijkste oorzaken gelegen zijn in arbeidsmarktproblemen en ontbrekende of ontoegankelijke passende hulp. Dit zijn factoren waar de GI’s zelf weinig directe invloed op hebben. In reactie op deze rapporten hebben we in de brief van 2 december 2025 aangegeven als Rijk hier het voortouw in te nemen om samen met gemeenten en GI’s gezamenlijk afspraken te maken om in het hier en nu mede op basis van de aanbevelingen van de inspecties te zorgen voor betere bescherming en tijdige hulp voor kinderen en hun ouders.5 De GI’s werken in dat kader aan het verbeteren van de interne werkprocessen op basis van «good practices» uit de sector en met het verbeteren van de «betekenisvolle contacten» tussen jeugdbeschermer en met name het kind. Ten behoeve van het jeugddebat op 30 september 2026 zullen we uw Kamer informeren over de stand van zaken van deze verbeteracties.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat juist deze kwetsbare kinderen geen vaste voogd hebben die hen persoonlijk kent, hun veiligheid bewaakt en namens hen belangrijke beslissingen neemt? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het bij alle kinderen onwenselijk dat ze moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer, ook voor voogdijkinderen. Gegeven de situatie dat sprake is van onvoldoende beschikbare medewerkers is het echter voorstelbaar dat op basis van een risicotaxatie gekozen wordt om het kind met de grootste risico’s eerst te helpen.
Hoeveel kinderen hebben momenteel geen vaste voogd? Kunt u dit uitsplitsen per gecertificeerde instelling, aangeven hoe lang zij gemiddeld en maximaal zonder vaste voogd zitten en in welke vorm van opvang zij verblijven?
De specificatie van de wachtlijst naar maatregel is landelijk niet beschikbaar. Mede op basis van de motie Hijink informeer ik uw Kamer sinds eind 2022 over het totaal van de wachtlijsten bij de GI’s; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort jeugdbeschermingsmaatregel. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik u in november 2026 kan informeren over de wachtlijsten specifiek voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Deze gegevens zouden dan beschikbaar kunnen zijn ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
Wie draagt gedurende deze periode de eindverantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze kinderen en voor besluiten over onder meer medische behandelingen, onderwijs, jeugdhulp, contact met ouders en familieleden en officiële documenten? Hoe wordt daarbij gewaarborgd dat deze besluiten worden genomen door iemand die het kind daadwerkelijk kent?
De GI blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de veiligheid van het kind. Als sprake is van besluiten waarvoor de inzet van een voogd noodzakelijk is, verloopt dit via een jeugdbeschermer van het wachtlijstteam. De GI’s geven aan dat er gehandeld wordt, b.v. bij beslissingen over onder meer onderwijs, medische behandeling, omgang, jeugdhulp en financiële, administratieve en juridische zaken. Dit gaat nog niet in alle gevallen goed. Ook de verhalen die zijn beschreven door Trouw en Investico geven daar voorbeelden van. GI’s werken continue aan het realiseren van vaste jeugdbeschermers in alle zaken zodat de uitvoering verbeterd. Daarnaast wordt gewerkt aan het verminderen van de wachtlijsten op basis van «good practices» en wordt gewerkt aan het verbeteren va de betekenisvolle contacten. Ten behoeve van het jeugddebat op 30 september 2026 zullen we uw Kamer informeren over de stand van zaken van deze verbeteracties.
Hoe wordt gedurende de periode zonder vaste voogd geborgd dat ieder kind regelmatig persoonlijk wordt gesproken en dat voortdurend zicht bestaat op zijn of haar veiligheid en ontwikkeling?
De GI’s hebben in het handelingsperspectief opgenomen dat de veiligheid van het kind beoordeeld wordt, na aanmelding dient het eerste contact met het gezin binnen 10 dagen plaats te vinden en dient informatievoorziening plaats te vinden. Per GI is de wijze van en de frequentie van het contact uitgewerkt. De bedoeling is dat het kind ook altijd gesproken wordt en afhankelijk van de situatie ook apart. Ook worden met het professionele en sociale netwerk rondom het kind afspraken gemaakt om de GI te informeren als daartoe aanleiding is.
Hoeveel belangrijke beslissingen zijn het afgelopen jaar vertraagd doordat geen vaste voogd beschikbaar was en welke gevolgen heeft dit gehad voor de betrokken kinderen?
Er wordt niet geregistreerd welke belangrijke beslissingen het afgelopen jaar zijn vertraagd doordat geen vaste voogd beschikbaar was.
Zijn bij u, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd of de Inspectie Justitie en Veiligheid incidenten, calamiteiten of onveilige situaties bekend waarbij het ontbreken van een vaste voogd een rol heeft gespeeld? Zo ja, hoeveel en wat was de aard daarvan?
Bij de inspecties zijn calamiteiten, incidenten en onveilige situaties bekend waarbij het ontbreken van een vaste voogd een rol heeft gespeeld. Gegevens over het aantal en de aard van de incidenten, calamiteiten of onveilige situaties door het ontbreken van een voogd hebben de inspecties niet, omdat dit niet als zodanig wordt geregistreerd. Wel hebben de inspecties in diverse publicaties aandacht gevraagd voor de problematiek van het niet (tijdig) hebben van een vaste jeugdbeschermer/voogd:
De inspecties maken in rapporten vaak geen onderscheid tussen voogden of jeugdbeschermers (die ook de voogd kunnen zijn). Daarom spreken ze in rapporten vaak van jeugdzorgwerkers.
Hoe verhoudt het ontbreken van een vaste voogd zich tot de wettelijke taak van gecertificeerde instellingen om uitvoering te geven aan een door de rechter opgelegde voogdijmaatregel?
De wet bepaalt dat een kind waarvoor een maatregel voor kinderbescherming is uitgesproken, dan wel waarvoor jeugdreclassering is opgelegd, binnen 5 werkdagen een (gezins)voogd of een jeugdreclasseringsmedewerker krijgt toegewezen. Zoals de inspectie ook constateert kan, mede door arbeidsmarktproblematiek, niet ieder kind in de praktijk direct van een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder worden voorzien. In die gevallen wordt gewerkt volgens het handelingsperspectief (zie het antwoord op vraag 2).
In de praktijk doen de GI’s meer dan beschreven in het handelingsperspectief en maken zij zoals hierboven beschreven afspraken met het sociale en professionele netwerk om de veiligheid zo goed mogelijk te borgen. En bij directe onveiligheid wordt meteen gehandeld. Dit neemt niet weg dat met het werken volgens het handelingsperspectief niet de gebruikelijke begeleiding van een reguliere uitvoering gerealiseerd kan worden. In die zijn krijgen kinderen en ouders niet de bescherming die zij mogen verwachten. Zie de antwoorden op vraag 2 en 5 voor een overzicht van de maatregelen die ingezet worden om de wachtlijsten te verminderen en het gebruik van het handelingsperspectief onnodig te maken. Ook in gevallen waarin het handelingsperspectief wordt ingezet, hebben de ouders uiteraard recht op gebruikelijke rechtsbescherming volgens het wettelijk kader van de ondertoezichtstelling of de voogdij maatregel. Het handelingsperspectief is een oplossing voor het ontbreken van een vaste voogd, maar biedt niet hetzelfde niveau van bescherming, er is immers geen vaste voogd. Ik acht het huidige handelingsperspectief en de veldnorm bij onderbezetting onder de huidige omstandigheden en gezien de inzet op verbetermaatregelen een toereikend alternatief.
Hoe beoordeelt u het feit dat een kinderrechter weliswaar een gecertificeerde instelling als voogd benoemt, maar dat er geen wettelijke waarborg bestaat dat een kind binnen een bepaalde termijn een vaste jeugdbeschermer of voogd krijgt die het kind persoonlijk kent en de voogdij feitelijk uitvoert? Acht u dit verenigbaar met de rechtsbescherming en de belangen van deze kinderen?
Zie antwoord vraag 9.
Acht u het huidige Handelingsperspectief en de veldnorm bij onderbezetting toereikend voor kinderen van wie het ouderlijk gezag is beëindigd, gelet op de eerdere constateringen van de inspecties dat hierdoor onvoldoende zicht kan bestaan op de veiligheid van kinderen?
Zie antwoord vraag 9.
Waarom is niet eerder landelijk inzichtelijk gemaakt hoeveel kinderen zonder vaste voogd zitten, terwijl de inspecties al jaren waarschuwen voor personeelstekorten, hoge werkdruk en onvoldoende continuïteit binnen de jeugdbescherming?
Mede op basis van de motie Hijink – waarin al gerefereerd wordt aan de signalen van de inspecties – informeren we uw Kamer over het totaal aantal kinderen dat op een vaste jeugdbeschermer wacht. De inspecties geven in hun rapportages aan dat sprake is van onvoldoende continuïteit in de jeugdbescherming maar maken bij de wachtlijsten geen onderscheid naar het soort maatregel. Zoals bij het antwoord vraag 2 en 3 is aangegeven wordt op basis van een risicobepaling bepaald of een kind direct geholpen moet worden dan wel dat het kind noodgedwongen op de wachtlijst komt te staan. Omdat wordt uitgegaan van risico’s voor het kind en niet van het soort maatregel is niet eerder landelijk inzichtelijk gemaakt hoeveel kinderen zonder vaste voogd zitten.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat rechterlijke voogdijbeslissingen daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd en dat ieder kind tijdig een vaste voogd krijgt?
In brief van 2 december 2025 hebben we u geïnformeerd over de maatregelen die genomen worden om de wachtlijsten in de jeugdbescherming en jeugdreclassering te verminderen.10 Daarbij hebben we aangegeven dat de GI’s gaan werken aan het verbeteren van hun werkwijze op basis van «good practices» en dat ze aan de slag gaan met het verbeteren van betekenisvolle contacten. Ten behoeve van het debat met uw Kamer van 30 september 2026 infomeren we u over de stand van zaken.
Naast het werken aan «good practices» werkt het Rijk aan een aanpassing van het stelsel met de Hervormingsagenda Jeugd en specifiek voor de jeugdbeschermingsketen met het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. Op 8 juli 2026 hebben we uw Kamer geïnformeerd over de «veranderingsstrategie» Kind- en Gezinsbescherming en de acties die in dat kader genomen worden om kinderen eerder te beschermen en daarmee te voorkomen dat een maatregel voor Kinderbescherming noodzakelijk is en daarmee de druk op de wachtlijsten te verminderen. Met deze concrete verbetermaatregelen streven we ernaar de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen bij GI’s te verbeteren en de druk van stelselproblematiek te verminderen.
Bent u bereid de gecertificeerde instellingen opdracht te geven kinderen zonder vaste voogd met voorrang een vaste voogd toe te wijzen en de Kamer te informeren over de voortgang hiervan?
Er is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor kinderen zonder vaste voogd; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel. Wachten op de uitvoering van een maatregelen voor kinderbescherming is uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit als gevolg van de schaarste van personeel door arbeidsmarktproblematiek.
Ik vind het in de bestaande situatie, waarin er een tekort is aan jeugdbeschermers, passend dat de kinderen waarbij sprake is van grotere risico’s, eerder in aanmerking komen voor een jeugdbeschermer dan kinderen waarbij de risico’s minder groot worden ingeschat. Het kan dan inderdaad zo zijn dat een kind dat een OTS heeft, eerder een vaste jeugdbeschermer krijgt toegekend dan een kind met een voogdijmaatregel.
Bent u bereid de Kamer binnen 6 weken te informeren over het exacte aantal kinderen zonder vaste voogd, de duur van de wachtperiode per gecertificeerde instelling en de maatregelen waarmee deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd?
Op dit moment beschik ik niet over de gegevens over het aantal voogdijkinderen dat wacht op een vaste voogd. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik de wachtlijsten kan specificeren voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Ik kan u dan in november hierover informeren ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
In de brief ten behoeve van het jeugddebat van 30 september zal ik u nader informeren over de stand van zaken van de in de brief van 2 december 2025 opgenomen maatregelen.11
Abortus op sociale indicatie bij 22 of 23 weken zwangerschap |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat er een landelijke «pilot» gaande is vanuit de commissie Gynaecoloog en Maatschappij van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) om via de reguliere geboortezorg in ziekenhuizen abortussen op sociale indicatie te gaan uitvoeren bij 22 of 23 weken zwangerschap?
Kunt u aangeven welke ziekenhuizen zich al hebben aangemeld voor deze pilot?
Kunt u bevestigen dat het de bedoeling van de NVOG is om dergelijke abortussen (naar verwachting enkele honderden per jaar) via regionale spreiding in meerdere Nederlandse ziekenhuizen uit te gaan voeren?
Deelt u de mening dat dit een zeer onwenselijke ontwikkeling is?
Erkent u dat dit gaat over een verruiming van de abortuspraktijk?
Erkent u dat dit type abortussen omstreden en beladen zijn?
Deelt u de mening dat over een dergelijke fundamentele wijziging van de abortuspraktijk eerst een politiek debat moet worden gevoerd, waarbij alle aspecten, zowel ethisch als juridisch, uitgebreid aan bod komen?
Bent u bereid om deze ontwikkeling tegen te houden totdat de Kamer zich hierover fundamenteel heeft kunnen uitspreken?
Sinds wanneer bent u op de hoogte van dit initiatief? Waarom heeft u de Kamer hier niet eerder over geïnformeerd?
Kunt u ook de toolkit en het praktische protocol die zijn gemaakt door de betreffende werkgroep vanuit de NVOG met de Kamer delen?
Bent u bekend met de brief van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) uit 2021 aan de NVOG en het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) over abortus op sociale indicatie in week 22 en 23? Kunt u deze brief met de Kamer delen?
Indien u bekend was met deze brief, waarom heeft u de Kamer hierover nooit geïnformeerd? Indien u niet bekend was met deze brief, hoe is het mogelijk dat de Kamer niet actief betrokken wordt bij een dergelijke ingrijpende wijziging van de abortuspraktijk?
Kunt u aangeven of deze nieuwe werkwijze ook een formele status heeft? Zijn de richtlijnen van de NVOG en het NGvA hierop aangepast? Zo nee, hoe kan het dat deze fundamentele wijziging van de abortuspraktijk doorgevoerd kan worden zonder dat dit in overeenstemming is met geldende richtlijnen? Zo ja, waarom zijn deze aangepaste richtlijnen niet openbaar gemaakt?
Kunt u uitleggen waarom ziekenhuizen tot op heden zich bewust hebben beperkt tot abortussen op grond van medische indicatie (prenatale diagnostiek) en geen tweede trimester abortussen op grond van «sociale indicatie» uitvoeren?
Hoe verhoudt deze wijziging van de abortuspraktijk zich tot interne protocollen van ziekenhuizen over medicamenteuze zwangerschapsafbreking gedurende het tweede trimester, waarin duidelijk staat dat zij zich beperken tot abortus op grond van medische indicatie?
Moet elk ziekenhuis verplicht gaan meewerken aan abortussen op sociale indicatie in week 22 en 23?
Wat is het standpunt van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen over deze ontwikkelingen?
Kunt u bevestigen dat het feit dat abortusklinieken en ziekenhuizen er tot op heden bewust voor kiezen om geen abortussen in week 22 en week 23 uit te voeren in de twee evaluaties van de Wet afbreking zwangerschap nooit als urgent probleem naar voren is gekomen? Wat zegt dit en waarom zou dit nu wel moeten worden geproblematiseerd?
Erkent u de waarde van het ongeboren leven zoals dat tot uitdrukking wordt gebracht in het Wetbroek van Strafrecht? Ziet u ook de waarde in van een wettelijke grens ter bescherming van het leven van het ongeboren kind?
Erkent u dat de wettelijke grens zoals bepaald in het Wetboek van Strafrecht niet automatisch betekent dat de overheid of zorgverleners verplicht zijn om datgene wat binnen de grenzen van de wet ligt in alle gevallen mogelijk te maken?
Deelt u de mening dat het juist verstandig is om de grenzen van het strafrecht in dezen niet op te zoeken (zoals tot op heden ook het geval was)?
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen maanden in diverse ziekenhuizen al abortussen op sociale indicatie vanaf week 22 hebben plaatsgevonden?
Bent u ervan op de hoogte dat medewerking aan dit type abortussen door zorgverleners als beladen en controversieel wordt ervaren?
Kunt u bevestigen dat zorgverleners op grond van de Wet afbreking zwangerschap nooit gedwongen mogen worden om medewerking te verlenen aan een abortus?
Kunt u bevestigen dat gynaecologen en verpleegkundigen in ziekenhuizen die dit type abortussen willen gaan uitvoeren nooit verplicht of onder druk gezet kunnen worden om hieraan mee te werken?
Kunt u aangeven wat het standpunt van de beroepsvereniging van verzorgenden en verpleegkundigen (V&VN) over deze ontwikkelingen is? Hoe wordt V&VN hierbij betrokken?
Kunt u aangeven hoe binnen de pilot zorgverleners worden voorbereid op de consequenties van deze wijziging van de abortuspraktijk?
Kunt u uitleggen hoe een abortus bij 22 of 23 weken zwangerschap in zijn werk gaat?
Klopt het dat hierbij in principe geen gebruik wordt gemaakt van feticide, maar dat de bevalling opgewekt wordt waarna het kindje op een natuurlijke manier geboren wordt?
Bent u op de hoogte van het feit dat een baby bij een medicamenteuze zwangerschapsafbreking in het tweede trimester volgens gynaecologen «niet zelden» levend ter wereld komt?1 Kunt u uitleggen hoe het kindje vervolgens komt te overlijden?
Kunt u aangeven hoe vaak het precies voorkomt dat in dergelijke gevallen een kindje levend ter wereld komt? Wat is hierover bekend in medisch-wetenschappelijke literatuur? Kunt u hierbij specifiek ingaan op medicamenteuze abortussen vanaf 22 weken zwangerschap?
Kunt u aangeven waarom in Nederland de abortuspraktijk vanaf 22 weken nu wordt uitgebreid, terwijl in andere landen zoals Zweden en Duitsland al levensreddend wordt opgetreden bij een vroeggeboorte van 22 weken?
Erkent u dat er dus alle reden is om ook in Nederland een discussie te starten over het verlagen van zowel de behandel- als de abortusgrens naar 22 weken? En zo nee, kunt u dit beargumenteren?
Kunt u aangeven welke complicaties er kunnen optreden bij een abortus in week 22 of week 23? Hoe groot is het risico op die complicaties?
Wat is er bekend over de pijnbeleving bij kinderen die bij 22 of 23 weken worden geaborteerd, zowel voor de geboorte als na de geboorte (als kindjes levend ter wereld komen)?
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Het bericht dat thuismonitoring 350.000 ziekenhuisopnames kan schelen, maar tegengehouden wordt door de bekostiging |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Thuismonitoring kan 350.000 ziekenhuisopnames schelen, maar de bekostiging houdt het tegen» – naar aanleiding van de podcast BNR Beter?1
Deelt u de hoge verwachtingen die in het artikel geschetst worden van thuismonitoring? Waarom wel, of waarom niet?
Deelt u de mening dat thuismonitoring goed past binnen de visie «digitaal als het kan, fysiek als het moet» en in het toewerken naar passende zorg?
Kunt u aangeven hoeveel inzet van personeel thuismonitoring potentieel kan schelen?
Welke knelpunten gelden er op dit moment in de bekostiging en financiering van zorg, waardoor initiatieven als thuismonitoring niet voldoende kunnen worden opgeschaald? Welke hiervan gelden specifiek voor hybride zorg?
Op welke manier bent u van plan om initiatieven als thuismonitoring meer ruimte te geven om op te schalen, in lijn met de motie-Wendel/Vervuurt?2
Hoe kijkt u ernaar dat in het artikel wordt gesteld dat ongeveer de helft van de ziekenhuiszorg thuis zou kunnen plaatsvinden, van de voorbereiding op een operatie tot de begeleiding van chronisch zieken?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling?
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
De NVWA is geïnformeerd dat in Nederland speelgoed te koop zou zijn dat in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is teruggeroepen omdat het asbest bevatte. Op dat moment was nog niet bekend of de in Nederland verkochte productbatches asbest bevatten, en zo ja, in welke concentratie.
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Op dit moment is er onvoldoende aanleiding om dit speelgoed door NVWA van de markt te laten halen. Meer informatie hierover staat bij het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Ja, dat klopt. NVWA kan alleen afdwingen dat producten uit de handel worden gehaald als aan bepaalde voorwaarden van bemonstering en onderzoek is voldaan. Dit betekent dat de NVWA altijd van eigen onderzoek uitgaat bij handhavende acties.
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Het kabinet deelt dat producten die mogelijk niet aan de wettelijke veiligheidseisen voldoen snel moeten worden beoordeeld waarna, indien nodig, maatregelen worden getroffen. Tegelijkertijd moet een toezichthouder kunnen vaststellen dat daadwerkelijk sprake is van een overtreding voordat handhavend kan worden opgetreden.
De NVWA beschikt op dit moment niet over onderzoeksrapporten van zichzelf of van andere toezichthouders op grond waarvan zij kan optreden. De in het krantenartikel beschreven onderzoeksresultaten zijn afkomstig van onderzoek door derden en vormen een indicatieve aanwijzing, maar zijn op zichzelf onvoldoende om te kunnen vaststellen of een product niet aan de wettelijke eisen voldoet.
Voor het bepalen van de hoeveelheid asbest in speelzand, volgt de NVWA de aanbevelingen van TNO. Uit het onderzoek van TNO blijkt dat, om handhavend op te kunnen treden naast een indicatieve bepaling volgens NEN 5896 ook vervolgonderzoek volgens VDI 3866 (Blatt2 nodig is om de exacte hoeveelheid asbest vast te stellen. Die exacte hoeveelheid is van belang om te beoordelen of deze producten wel of niet voldoen aan de wettelijke eisen. Zonder deze kennis is handhaven niet mogelijk.
Bovendien blijkt uit de gezondheidskundige risicobeoordeling van het RIVM en het advies van Buro dat het gezondheidsrisico van speelzand dat voldoet aan de wettelijke eisen verwaarloosbaar is. Alleen bij jarenlang intensief spelen met speelzand dat niet aan de wettelijke limiet voor asbest voldoet, is er mogelijk een gezondheidsrisico. Daarbij is uitgegaan van het meest ongunstige scenario van jarenlange, dagelijkse blootstelling.
In het in het AD beschreven artikel betreft het speelgoed waarbij het speelzand is ingesloten. Alleen wanneer het product beschadigd raakt en het zand (gedeeltelijk) vrijkomt, is er eenmalig contact met het zand. De blootstelling is daarmee zo beperkt dat er geen reden is tot zorg. Op basis van de huidige inzichten bestaat daarom geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van een direct gezondheidsrisico.
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Ja. De NVWA houdt steekproefsgewijs en risicogericht toezicht en treedt op als bedrijven zich niet aan de regels houden en er een vermoeden is van risico.
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Ja. 100% veiligheid is niet te garanderen. De verantwoordelijkheden binnen het stelsel zijn duidelijk belegd. Producenten, importeurs en distributeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Toezichthouders, waaronder de NVWA, houden toezicht op de naleving van deze verplichtingen (zie antwoord op vraag3. Deze combinatie van productverantwoordelijkheid en toezicht vormen de basis van het Europese productveiligheidsstelsel. Bovendien worden in de nieuwe Europese speelgoedverordening, die deels al van kracht is, de verantwoordelijkheden en taken voor de marktdeelnemers nog duidelijker beschreven. Ook binnen Europa wordt deze verantwoordelijkheidsverdeling ondersteund.
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
NVWA verricht steekproefsgewijs en risicogericht productonderzoek, ook naar asbest in speelzand. Waar nodig wordt er handhavend opgetreden.
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Nederland heeft actief deelgenomen aan de discussies op Europees niveau binnen de Working Group on chemicals in toys4 van de Expert Group on Toy Safety5. Tijdens vergaderingen in februari en mei 2026 zijn de onderzoeken, resultaten en gezondheidskundige risicobeoordelingen, die zijn uitgevoerd door verschillende Europese lidstaten, bediscussieerd. Hierbij werd onder andere en met grote belangstelling uitgebreid stilgestaan bij het onderzoek van TNO6 naar geschikte analysemethodes voor het bepalen van asbest in speelzand en de gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door RIVM7. Het nauwkeurig bepalen van (kleine hoeveelheden) asbest is van groot belang voor het uitvoeren van een goede risicobeoordeling. Dit alles heeft geleid tot de publicatie van de «Market surveillance notes on asbestos in toy sands»8 op de website van de Europese Commissie. Hierin is onder andere vastgelegd welke analysemethoden bij voorkeur worden gebruikt voor het bepalen van asbest in speelzand, zodat de resultaten tussen lidstaten beter vergelijkbaar zijn.
Daarnaast lopen op dit moment in verschillende landen nog onderzoeken naar de mate waarin tijdens het spelen met speelzand asbestvezels kunnen vrijkomen (zie bijvoorbeeld Asbest in Spielsand: Weitere Daten für Risikobewertung erforderlich – BfR9 en RAG_Risk Assessment_Asbestos_play sand_update June 202610). Deze gegevens worden gebruikt om met name de gezondheidskundige risicobeoordeling verder te verfijnen.
Het kabinet heeft het RIVM gevraagd te adviseren over een passende aanscherping van de grenswaarde. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek, zal worden bezien welke vervolgstappen Nederland in Europees verband zal voorstellen.
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Het kabinet onderschrijft dat het voorkomen dat verontreinigde producten op de markt komen de voorkeur heeft boven het achteraf moeten ingrijpen. In feite wordt het probleem nu al bij de bron aangepakt: de fabrikant (als deze binnen de EU is gevestigd) of importeur (wanneer de fabrikant buiten de EU is gevestigd) mag alleen veilige producten op de EU-makt brengen. Dit geldt van grondstof tot eindproduct en alles wat daar tussen zit. De fabrikant of importeur zijn er verantwoordelijk voor dat producten voldoen aan de geldende wettelijke eisen voordat deze op de markt worden gebracht en moeten dit desgevraagd kunnen aantonen, met bijvoorbeeld certificaten. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen en kan, wanneer marktdeelnemers niet aan de wettelijke eisen voldoen, handhavend optreden. Tegelijkertijd kunnen door internationale handelsstromen niet alle producten vooraf worden gecontroleerd. Daarom bestaat het productveiligheidsstelsel uit een combinatie van bronverantwoordelijkheid, Europese regelgeving, risicogericht markttoezicht en – indien nodig – maatregelen zoals waarschuwingen en terugroepacties. Deze instrumenten vullen elkaar aan om risico's voor consumenten zoveel mogelijk te beperken.
Ook het toezicht aan de buitengrenzen van de Europese Unie draagt hieraan bij. De Douane voert hiervoor risicogerichte controles uit op goederen uit derde landen en werkt hierbij nauw samen met de andere marktoezichthouders.
Daarnaast wordt met de nieuwe speelgoedverordening, die al deels van kracht is, vanaf 2030 een digitaal productpaspoort voor speelgoed geïntroduceerd. Hierin moet bijvoorbeeld ook een conformiteitsverklaring worden toegevoegd. Dit maakt het voor toezichthouders in de toekomst mogelijk om op grote schaal (automatisch) te controleren of producten voldoen aan de Europese regelgeving en ondersteund daarmee effectiever toezicht.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
De verantwoordelijkheid hiervoor is via wetgeving neergelegd bij producenten, importeurs en distributeurs. Zij moeten ervoor zorgen dat producten die zij op de markt brengen voldoen aan de veiligheidseisen. De NVWA houdt risicogericht toezicht op de veiligheid van speelgoed en bepaalt als onafhankelijke toezichthouder waar de grootste risico's liggen en hoe de beschikbare toezichtcapaciteit wordt ingezet. Naar aanleiding van de bevindingen over asbest in speelzand is asbest opgenomen in het reguliere toezicht. Dit betekent dat binnen het monsternameprogramma periodiek steekproeven worden uitgevoerd om speelzand op de aanwezigheid van asbest te controleren. Wanneer daar aanleiding toe bestaat, kan de NVWA handhavend optreden.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op grond van de REACH-verordening op het verbod op handelingen met asbest en asbesthoudende producten. Wanneer signalen of incidenten daartoe aanleiding geven, werken de betrokken toezichthouders samen en worden passende maatregelen genomen. Daarnaast wordt voortdurend bezien of de beschikbare toezichtinstrumenten en de informatiepositie voldoende aansluiten bij nieuwe risico’s, waaronder risico’s die ontstaan door internationale handelsstromen. De Douane ondersteunt het toezicht door risicogerichte controles uit te voeren op goederen die vanuit derde landen worden ingevoerd.
Daarnaast wordt, zoals in vraag 10 aangegeven, de nieuwe Europese Speelgoedverordening gefaseerd ingevoerd. Deze introduceert onder meer een digitaal productpaspoort voor speelgoed, waardoor het voor toezichthouders eenvoudiger wordt om de conformiteit van producten te controleren en niet-conforme producten sneller te signaleren.
Mogelijke voorrang voor statushouders en nareizigers bij de inschrijving bij huisartsen |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het grote huisartsentekort in Nederland, waardoor bijvoorbeeld in Enschede1 duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Deelt u de mening dat het al schandalig is dat zoveel Nederlanders verstoken blijven van huisartsenzorg, maar dat het nog schandaliger zou zijn als statushouders en nareizigers in die situatie voorrang krijgen op Nederlanders die al geruime tijd op een wachtlijst staan?
Het is het kabinet bekend dat de toegankelijkheid van de huisartsenzorg onder druk staat, hoewel er landelijk gezien meer huisartsen dan ooit zijn. Tegelijkertijd zijn er regionale verschillen in problematiek en tekorten. Enschede is een voorbeeld van een plek waar zich een regionaal tekort aan huisartsenzorg voordoet. Zo is na het faillissement van Co-Med in 2024 de huisartsenpraktijk THOEN tijdelijk operationeel geweest. Huisartsen uit andere praktijken met ruimte in hun agenda draaiden extra diensten in deze praktijk. Het harde werk van huisartsen, zorgverzekeraar Menzis en de gemeenten heeft er in die periode voor gezorgd dat toegang tot huisartsenzorg gewaarborgd was voor mensen zonder huisarts. Omdat het niet meer haalbaar was om diensten te vullen is deze tijdelijke praktijk gestopt. De huisartsen, zorgverzekeraars en gemeenten gaan door met het vinden van oplossingen zoals het gebruik maken van digitale huisartsenzorg voor iedereen die geen vaste huisarts heeft.
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedere (Zvw-)verzekerde in Nederland toegang heeft tot een vaste huisarts in de buurt, ongeacht afkomst. Huisartsen mogen bij de inschrijving van patiënten geen ongegrond onderscheid maken tussen verschillende patiëntengroepen. Het zijn van statushouder is geen gegronde reden om met voorrang in te schrijven bij een huisarts. VWS heeft ook geen signalen ontvangen dat dit gebeurt.
Huisartsen bepalen zelf op basis van eigen capaciteit of hun praktijk open of dicht is voor nieuwe inschrijvingen. Als huisartsenpraktijken ruimte hebben voor nieuwe patiënten, geven zij soms voorrang aan patiënten die nog geen huisarts hebben boven patiënten die willen wisselen van huisarts.
Kloppen de signalen dat statushouders en nareizigers via gemeenten, begeleidende organisaties of andere instanties met voorrang bij huisartsen worden ingeschreven, terwijl duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Zo ja, hoe vaak komt dit voor, op welke wijze gebeurt dit en op basis waarvan wordt deze voorrang verleend? Zo nee, waaruit blijkt dat deze signalen onjuist zijn?
VWS heeft geen signalen dat statushouders en nareizigers met voorrang worden ingeschreven bij huisartsenpraktijken. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft deze signalen evenmin.
Vindt u dat statushouders en nareizigers nooit voorrang zouden mogen krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts en dat zij, net als iedere andere nieuwe patiënt, achteraan de wachtlijst dienen aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
In Nederland werkt de huisartsenzorg niet met een wachtlijst zoals gebruikelijk in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) of in de medisch specialistische zorg (MSZ). Patiënten kunnen zich inschrijven bij een huisartsenpraktijk waarbij de praktijkhouder bepaalt of er plek is om iemand aan te nemen. Als er sprake is van een patiëntenstop kan een huisarts besluiten een patiënt toch in te schrijven, bijvoorbeeld wanneer sprake is van bijzondere medische omstandigheden, gezinsuitbreiding of wanneer de continuïteit van zorg dit noodzakelijk maakt.2 Dergelijke afwegingen zijn zorginhoudelijk van aard en gelden ongeacht afkomst, nationaliteit of verblijfsstatus.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk in gesprek te gaan met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om deze signalen te bespreken? Bent u bereid af te spreken dat statushouders en nareizigers geen voorrang krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts, maar achteraan de wachtlijst worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet werkt nauw samen met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om te zorgen dat iedereen in Nederland toegang heeft tot een huisarts in de buurt. In het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) heeft het kabinet met betrokken partijen afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van de huisartsenzorg te vergroten en te borgen. Daarover is het kabinet doorlopend in gesprek met deze partijen.