Het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen |
|
Jimmy Dijk (SP), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat in kwetsbare wijken een grotere kans is op babysterfte en complicaties bij zwangerschappen?1, 2
Bent u het ermee eens dat deze enorme gezondheidsachterstanden onacceptabel zijn?
Wat gaat u doen om de hoge babysterfte en de andere gemeten achterstanden in Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV)-wijken tegen te gaan?
Erkent u dat de crisis in de kraamzorg en het daardoor veroorzaakte tekort in de kraamzorg extra risicovol zijn in deze wijken? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is om de acute verloskundeafdeling in Heerlen te sluiten, terwijl baby’s die in Heerlen-Noord geboren worden zo’n 25 procent vaker een te laag geboortegewicht hebben en dus kwetsbaarder zijn?
Bent u bekend met het artikel «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: «Dit is niet uit te leggen»»?1
Deelt u de mening dat het belangrijk is zorginnovaties met overheidsbeleid te ondersteunen zodat de kwaliteit van zorg hoog blijft, wachtlijsten worden teruggedrongen en economische groei wordt aangewakkerd?
Ziet u mogelijkheden om doorlooptijden van regelgeving voor medische innovaties, zoals vergunningen, te verkorten? Zo ja, op welke manier?
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Martens-America over het verbeteren van deal terms voor intellectueel eigendom (Kamerstuk 32 637, nr. 744), welke verzoekt om deal terms te verbeteren, bijvoorbeeld door medische universiteiten bij deal terms aan te laten sluiten? Gaat u de deadline halen om uiterlijk einde van dit jaar over verbeteringen aan de Kamer te rapporteren?
Bent u bereid een meer coördinerende rol op zich te nemen voor investeringen in innovaties vanuit de markt in de zorg, zodat bijvoorbeeld zorgverzekeraars worden verleid samen te investeren in innovaties en verzekeraars hier niet van afzien uit angst dat andere verzekeraars op hun innovaties «meeliften», zoals in het aangehaalde artikel beschreven?
Ziet u een rol weggelegd voor de nieuwe Nationale Investeringsinstelling met betrekking tot het stimuleren van medische innovaties en zo ja, welke?
De uitspraken van de minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) op 4 juni 2026 |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat u tijdens het commissiedebat heeft gesteld dat er circa € 7 miljard beschikbaar is voor onder andere ouderenhuisvesting?
Ik heb aangegeven dat in het coalitieakkoord van kabinet Jetten van 2029 tot en met 2035 € 7 miljard beschikbaar is gesteld voor de woningbouwopgave in Nederland. Hier valt ouderenhuisvesting ook onder. Zoals ik ook eerder in debatten richting uw Kamer heb aangegeven, zijn er veel ambities en dient het bedrag van € 7 miljard verdeeld te worden. Hier ben ik op dit moment mee bezig. Ik verwacht uw Kamer daar in september over te informeren.
Klopt het dat deze middelen onderdeel zijn van een bredere investering in betaalbare woningbouw en niet specifiek zijn geoormerkt voor ouderenhuisvesting?
Het klopt dat de € 7 miljard bedoeld is voor de woningbouwopgave, waar ouderenhuisvesting ook zeker onderdeel van is. Dat deel van de bouwopgave heeft mijn volle aandacht. Ik verwijs u terug naar mijn antwoord op vraag 1 voor een nadere toelichting.
Bent u ervan op de hoogte dat deze middelen pas vanaf 2029 beschikbaar zijn (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029 t/m 2035) en dus slechts beperkt doorwerken richting 2030? En klopt het dat dit kabinet deze middelen in de budgettaire bijlage feitelijk alleen t/m 2030 heeft staan en niet verder heeft doorberekend?
Ja, daarvan ben ik op de hoogte. Daarbij is het van belang op te merken dat naast de middelen die vanaf 2029 beschikbaar komen (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029–2035), er ook nog woningbouwmiddelen resteren vanuit het kabinet Schoof in de periode tot en met 2030. Hiervan staat nog € 420 miljoen gereserveerd voor geclusterde en zorggeschikte woningen t/m 2030, onder de post «opslagen» binnen de Realisatiestimulans. Deze middelen zijn beschikbaar voor zowel ouderen als aandachtsgroepen. Ten aanzien van uw tweede vraag merk ik op dat de budgettaire bijlage zowel een overzicht tot en met 2030, als een meerjarig overzicht voor de periode 2031–2035 bevat. In dat laatste overzicht staat de reeks van € 1 miljard per jaar voor betaalbare woningen ook opgenomen.
Hoe reflecteert u, in het licht van het voorgaande, op uw uitspraken dat er «miljarden beschikbaar zijn» voor ouderenhuisvesting, terwijl deze middelen grotendeels na 2029 beschikbaar komen?
De door mij genoemde «miljarden» zien op de totale woningbouwopgave, waarvan ouderenhuisvesting onderdeel uitmaakt. Zowel tot en met 2030 als voor de periode tot en met 2035 staan hier dus middelen voor gereserveerd. Dat zijn de middelen die dit kabinet extra beschikbaar stelt voor woningbouw (7 * € 1 miljard), aanvullend op de middelen die reeds beschikbaar zijn gesteld door het vorige kabinet.
Bent u, gelet op het voorgaande, bereid uw uitspraken over de beschikbaarheid van «miljarden» voor ouderenhuisvesting te rectificeren en in uw beantwoording helder en feitelijk uiteen te zetten welke middelen er daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030? En hoeveel er in totaal beschikbaar is ná 2030 en per jaar?
Ik zie geen aanleiding om mijn eerdere uitspraken te rectificeren of terug te nemen. De door mij genoemde «miljarden» zien op de totale woningbouwopgave, waarvan ouderenhuisvesting onderdeel uitmaakt en wat mijn volle aandacht heeft.
Voor geclusterde en zorggeschikte woningen is € 420 miljoen beschikbaar in de periode 2027 tot en met 2030 binnen de post «opslagen» van de Realisatiestimulans. Dit bedrag is inzetbaar voor ouderen en andere aandachtsgroepen. Dit bedrag komt bovenop de reeds beschikbare gestelde middelen voor de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting (SOO) en de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW). De middelen voor deze laatste regeling staan op de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. In 2026 staan nog tranches open voor deze regelingen voor respectievelijk € 40 en € 80 miljoen. Over het mogelijk beschikbaar stellen van middelen voor ouderenhuisvesting na 2030 dient nog besluitvorming plaats te vinden. Hierover verwacht ik uw Kamer te informeren in september.
Klopt het dat het grootste deel van de € 5 miljard voor woningbouw van het vorige kabinet niet naar ouderenhuisvesting is gegaan, omdat daarvoor een separate ouderenenveloppe bestond? En zo ja, waarom verwacht u dat de huidige middelen voor betaalbare woningbouw wél substantieel ten goede zullen komen aan ouderenhuisvesting?
Het Kabinet-Schoof heeft middelen gereserveerd voor geclusterde en zorggeschikte woningen binnen de Realisatiestimulans voor de periode 2027–2030. Het resterende budget bedraagt € 420 miljoen euro. Daarnaast heeft het kabinet-Schoof structurele middelen gereserveerd voor de ouderenzorg op de aanvullende post, oplopend tot € 470 miljoen euro per jaar vanaf 20301. Het Kabinet-Jetten heeft deze enveloppe van € 470 miljoen geschrapt in het coalitieakkoord. In het coalitieakkoord is € 7 miljard gereserveerd voor woningbouw in de periode 2029–2035. Over het mogelijk beschikbaar stellen van deze middelen voor ouderenhuisvesting dient nog besluitvorming plaats te vinden. Hierover verwacht ik uw Kamer te informeren in september.
Waar in de Voorjaarsnota of suppletoire begroting is de genoemde € 80 miljoen voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) terug te vinden? En indien deze middelen niet expliciet terug te vinden zijn, hoe verklaart u dit en waarom presenteert het kabinet dit als reeds geregeld?
Voor het scheiden van wonen en zorg in de ouderenzorg zijn transitiemiddelen ter beschikking gesteld. Van deze transitiemiddelen is voor de periode 2023 t/m 2026 € 312 miljoen beschikbaar om subsidieaanvragen te kunnen honoreren. De feitelijke uitgaven vinden in latere jaren plaats. Deze uitgaven verlopen via de begroting van VWS. Voor de ronde 2026 is het budgetplafond vastgesteld op € 80 miljoen2.
Kunt u toelichten welke financiële reeks u bedoelde in het debat en of dit bijvoorbeeld de € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten» betreft? En zo ja, hoeveel draagt dit bij aan de doelstelling van 290.000 woningen?
Met de € 40 miljoen verwees ik naar het budget voor de SOO in 2026. Aangevuld met het budget van € 80 miljoen voor de SZGW in 2026 verwacht ik dat dit voldoende financiële ondersteuning zal zijn om in de opgave voor ouderenhuisvesting te voorzien in 2026. Mijn opdracht vanuit het coalitieakkoord is om voldoende nieuwe woonvormen te realiseren en voor de financiële ondersteuning bij deze opgave maak ik gebruik van de beschikbare woningbouwmiddelen. Het gaat daarbij dus niet om de beschikbare gestelde € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten».
Kunt u bevestigen dat dit kabinet middelen uit de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrijvallen en dat deze daarmee niet langer beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting? En klopt het dat de omvang van deze vrijval in de jaren 2026–2030 in totaal rond de € 1 miljard is?
Het klopt dat het kabinet de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrij vallen. Het gaat daarbij om de volgende reeks:
2027
2028
2029
2030
Structureel
Vrijvallen resterende envelop ouderenzorg1
– 8
– 321
– 320
– 470
– 470
bedragen in miljoen euro
De benodigde middelen voor de verzorgingshuizen zoals het vorige kabinet die had beoogd, hingen voor een belangrijk deel samen met het zorgconcept. Het scenario uit het onderzoek van PwC naar de moderne verzorgingshuizen ging uit van de situatie dat er zorg- en welzijnspakketten nodig zouden zijn die vergelijkbaar zouden zijn met de oude ZZP 2 en ZZP 3 pakketten. PwC gaf hierbij aan dat «Door te werken volgens de traditionele urennormen zou de zorginzet voor ouderen in verzorgingshuizen aanzienlijk toenemen, vergeleken met de ondersteuning die zij momenteel ontvangen. De doelgroep heeft een latente zorgbehoefte, en het is dus ook aannemelijk dat zij meer zorg en ondersteuning nodig hebben dan zij nu ontvangen. Dit biedt echter ook een kans om delen van de zorgbehoefte op alternatieve manieren in te vullen, en goede voorbeelden van werkwijzen die in de tussentijd ontwikkeld zijn integraal mee te nemen in een «verzorgingshuis nieuwe stijl»». Omdat het vooral gaat om het uitbreiden van de woonvormen die reeds worden gebouwd, is het de vraag of de zorgvraag per saldo zal toenemen. Een onderdeel van de plannen was daarnaast om in te zetten op gemeenschapsvorming in woonvormen. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft daarover al aangegeven dat ze onderzoekt of gemeenschapsvorming in woonvormen kan worden betrokken bij de aanvullende HLO-afspraken op grond van het coalitieakkoord. Ten slotte, was een deel van de middelen bestemd voor de woningbouw. Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Hoeveel ouderenwoningen kunnen volgens uw eigen ramingen worden gerealiseerd met de middelen die daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030?
Er is reeds subsidie verschaft aan ontmoetingsruimten bij ca. 29.000 geclusterde woningen voor ouderen (hoofdzakelijk in het betaalbare segment) en voor ca. 7866 zorggeschikte woningen (in de sociale huur) subsidie aangevraagd. In 2026 zijn de regelingen SOO en SZGW opnieuw opengezet voor in totaal € 120 miljoen waarmee middelen beschikbaar zijn om geclusterde woningen en zorggeschikte woningen voor ouderen van subsidie te kunnen voorzien. Ik verwacht met de beschikbare middelen in 2027 tot en met 2030 een bijdrage te kunnen leveren aan een groot aantal extra geclusterde en zorggeschikte woningen voor ouderen en aandachtsgroepen, waarvan het grootste gedeelte voor ouderen zal worden ingezet. Een exacte raming kan ik in dit stadium niet geven, omdat ik nog uitwerk via welke regelingen deze middelen worden besteed. Ik verwacht uw Kamer hier verder over te informeren in september.
Hoe verhouden de structurele middelen van dit kabinet zich tot de structurele middelen uit het vorige kabinet? En hoe verhoudt dit aantal zich tot de verwachte realisatie op basis van de middelen van het vorige kabinet?
Dit kabinet heeft, net als het vorige kabinet, geen structurele middelen beschikbaar gesteld voor de woningbouwopgave, maar heeft wel middelen ingezet om de woningbouw tot en met 2035 te ondersteunen. Het is aan een volgend kabinet om te bezien in welke mate financiële ondersteuning na 2035 nodig is. Voor het inzicht in de beschikbare middelen en de realisaties die hiermee ondersteund worden verwijs ik u verder naar de antwoorden op vraag 3 en 10.
Klopt het dat de huidige realisatiegraad aanzienlijk achterblijft bij de benodigde jaarlijkse productie om de doelstelling te halen? In hoeverre acht u het realistisch dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen in 2030 wordt gehaald gezien de huidige voortgang en financiële kaders van dit kabinet?
Ik heb uw Kamer een voortgangsbrief ouderenhuisvesting gestuurd, waar ik inga op de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen. Ook ga ik in deze brief in op de knelpunten die ik zie bij de realisatie van deze opgave, en geef ik een overzicht van hoe ik werk aan bijpassende financiële ondersteuning.
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting uit het coalitieakkoord, de vorige en huidige begrotingen en de suppletoire begrotingen integraal en inzichtelijk worden gemaakt, inclusief tijdpad en bestemming tot en met 2030?
Ja, ik zal bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een dergelijke bijlage bijvoegen. De bijlage is in hoofdopzet reeds gereed, alleen het kasritme dient nog te worden afgestemd met de meest actuele begroting, zodat deze in lijn wordt gebracht met de geldende begrotingssystematiek en de uitwerking van de betreffende subsidieregelingen.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken te beantwoorden?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Na zestig jaar moet mevrouw Rodijnen-Brands (96) tot haar verdriet noodgedwongen verhuizen: «Ik wil mijn laatste tijd het liefst hier doorbrengen»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een vrouw van 96 jaar, die afhankelijk is van mantelzorg en al zestig jaar in dezelfde woning woont, op zeer hoge leeftijd nog gedwongen wordt te verhuizen?
We snappen dat het erg ingrijpend kan zijn voor deze mevrouw. Het is een onwenselijke situatie om op deze leeftijd te moeten verhuizen uit de woning waar zij al 60 jaar in woont.
Deelt u de opvatting dat gedwongen verhuizingen op zeer hoge leeftijd grote gevolgen kunnen hebben voor het welzijn, de gezondheid en de zelfredzaamheid van ouderen?
Ja, wij delen de mening dat dit grote gevolgen kan hebben. Het is dan ook van belang dat met behulp van de betreffende corporatie wordt gezocht naar een nieuwe passende woning. Daarbij geldt evenwel dat een verhuizing naar een geclusterde woonvorm er ook voor kan zorgen dat mensen nieuwe contacten opdoen en mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen. Daarom is het zo van belang dat voldoende passende woningen voor ouderen worden gerealiseerd.
Beschikt u over cijfers hoeveel ouderen van 90 jaar en ouder de afgelopen vijf jaar vanwege sloop, herstructurering of renovatie van hun woning hebben moeten verhuizen? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen?
Wij beschikken niet over deze cijfers.
Hoe verhoudt het gebrek aan passende woningen voor Nederlandse ouderen zich tot de prioriteit die in veel gemeenten wordt gegeven aan andere woningzoekenden, waaronder statushouders?
Het is niet behulpzaam om groepen tegenover elkaar te plaatsen, dus daar gaan wij niet in mee. De woningbouwopgave is één van de grootste prioriteiten van dit kabinet, en zo ook de huisvestingsopgave voor ouderen. Ook in gemeenten wordt hard gewerkt aan de woningbouw voor ouderen, zoals ook door het Aanjaagteam Wonen Welzijn en Zorg voor Ouderen is geconstateerd. Dat wil niet zeggen dat er geen knelpunten zijn, ook wij zien dat versnelling nodig is. De opgave voor passende woningen staat echter scherp op ons netvlies.
Welke mogelijkheden hebben woningcorporaties momenteel om maatwerk te bieden aan zeer kwetsbare ouderen die door sloop of herstructurering hun woning moeten verlaten?
Op grond van de Woningwet zijn woningcorporaties verplicht om een reglement op te stellen voor het slopen en ingrijpend renoveren van haar woningen en het hierbij betrekken van de betrokken bewoners. De woningcorporaties zijn verplicht om een verhuiskostenvergoeding te verstrekken aan een huurder die zijn of haar woning moet verlaten wegens sloop. Verder moet de woningcorporatie ook een passende woning beschikbaar hebben. De wet stelt verder geen eisen aan de inhoud van het verplichte reglement, omdat de context waarbinnen sloop en renovatie plaatsvinden lokaal en regionaal kunnen verschillen. Met het opstellen van een Nationaal sloop- en renovatiestatuut is beoogd om een landelijke handreiking te bieden die als basis kan dienen voor woningcorporaties, huurdersvertegenwoordigingen en gemeenten om verdere afspraken op lokaal niveau vast te leggen in een verplicht reglement (ook wel een sociaal plan genoemd).
Bent u van mening dat bij ouderen op zeer hoge leeftijd het uitgangspunt zou moeten zijn dat een verhuizing zoveel mogelijk wordt voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Dit kan zo niet in algemene zin worden gesteld. Zo kunnen woningen in complexen van corporaties sterk verouderd en van einde levensduur zijn. Na verloop van tijd zullen woningen moeten worden gerenoveerd. Dit gaat ook om de gezondheid van de huidige en toekomstige bewoners als het bijvoorbeeld gaat om isolatie en het binnenklimaat van woningen. Het is heel ingrijpend als dit betekent dat oudere bewoners moeten verhuizen, maar helaas ook soms onvermijdelijk.
Herkent u signalen dat ouderen of hun familie afzien van het aanvragen van een zorgindicatie uit angst dat zij verder van hun sociale netwerk of mantelzorgers worden geplaatst?
Nee, deze signalen herkennen wij niet. Ook als mensen een Wlz-indicatie hebben, betekent dit niet dat ze moeten verhuizen. Ze kunnen de zorg ook met een Modulair Pakket Thuis, een Volledig Pakket thuis of een persoonsgebonden budget in het huis krijgen waar ze al wonen.
Welke mogelijkheden ziet u om te bevorderen dat zeer kwetsbare ouderen die moeten verhuizen, voorrang krijgen op een passende woning in hun eigen woonomgeving?
Op basis van de Huisvestingswet 2014 hebben gemeenten al verschillende mogelijkheden om woningzoekenden voorrang te verlenen, onder mee op basis van passendheid2 of voorrang voor woningzoekenden met lokale binding3. In de huisvestingsverordening legt een gemeente deze voorrangsregels vast. Hiermee kunnen gemeenten bijvoorbeeld voorrang geven aan lokale ouderen op een nultredenwoning.
In het algemeen is het belangrijk dat er voldoende passende woningen zijn. Daarom zet ik onder meer via de Woondeals samen met provincies en gemeenten in op het bouwen van voldoende nultredenwoningen, geclusterde woningen en zorggeschikte woningen voor ouderen.
Bent u bereid in overleg te treden met woningcorporaties, gemeenten en ouderenorganisaties om te bezien of aanvullende afspraken nodig zijn om gedwongen verhuizingen van zeer kwetsbare ouderen zoveel mogelijk te voorkomen?
Het kabinet is al volop bezig met het in samenspraak realiseren van voldoende woningen voor ouderen. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt met woningcorporaties over sloop en renovatie. Met het Nationaal sloop- en renovatiestatuut heeft het kabinet een landelijke handreiking gedaan, die als basis kan dienen om tot goede lokale afspraken te komen. Ik verwacht dat corporaties samen met de betrokken lokale partijen tot goede afspraken en oplossingen komen. Ik heb geen signalen ontvangen dat dit niet het geval is. Daarom vinden wij het niet nodig om nog aanvullend met deze organisaties in overleg te treden en aanvullende afspraken te maken.
Bent u bereid om in overleg met de betrokken woningcorporatie, gemeente en andere betrokken partijen te kijken of voor mevrouw Rodijnen-Brands alsnog een passende oplossing kan worden gevonden, zodat zij haar laatste levensfase zoveel mogelijk in haar vertrouwde omgeving kan doorbrengen? Zo nee, waarom niet?
Wij vinden het belangrijk dat dit gesprek lokaal wordt gevoerd en vinden het niet behulpzaam om vanuit Den Haag te bepalen wat het beste is voor deze specifieke situatie. Het is de verantwoordelijkheid van de corporatie om met de gemeente en de andere betrokken partijen om tot een passende oplossing te komen. Wij zien hierin geen rol voor onszelf.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Maagverkleining voortaan vergoed vanaf 13 jaar: 'Voor sommigen is wachten tot 18 geen optie'' |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL4 «Maagverkleining voortaan vergoed vanaf 13 jaar: «voor sommigen is wachten tot 18 geen optie»»?1
Ja.
Waar vindt u dat primair de verantwoordelijkheid ligt voor een gezonde levensstijl, bij ouders of de overheid?
De overheid heeft een wettelijke taak om te handelen in het belang van het kind en hun gezondheid te beschermen.2 Hoewel ouders/verzorgers primair verantwoordelijk zijn voor het welzijn en de opvoeding van hun kinderen, heeft de overheid een belangrijke rol in het creëren van een omgeving waarin kinderen gezond kunnen opgroeien. Er is dus sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid. Het kabinet zet zich dan ook in voor een preventieaanpak gericht op zowel collectieve als individuele preventie. Hierbij wordt met verschillende maatregelen en aanpakken geprobeerd om het ontstaan van overgewicht tegen te gaan. Omdat het ontstaan van overgewicht meerdere oorzaken kan hebben en complex is, is zo’n brede, integrale aanpak nodig.
Wel is het goed om te benadrukken dat kinderen met overgewicht en hun ouders vaak te maken hebben met vooroordelen. Obesitas is geen kwestie van eigen schuld. Er spelen vele maatschappelijke en individuele oorzaken mee.
Wat wordt er nu gedaan om ouders te ondersteunen bij het aanbieden van een gezonde levensstijl voor kinderen?
Het kabinet biedt kinderen en ouders hulp en ondersteuning bij het ontwikkelen van een gezonde leefstijl. Dit doet het kabinet vanuit een breed preventiebeleid waarmee ingezet wordt op het voorkomen en tegengaan van overgewicht en het stimuleren van bijvoorbeeld gezonde (voedsel)keuzes. Dit doet het kabinet – samen met verschillende partijen – vanuit de samenhangende preventiestrategie. We werken met een omgevingsgerichte aanpak langs de levensloop van kinderen tot volwassenen om een gezonde leefomgeving te stimuleren. Binnen deze omgevingsgerichte aanpak die gericht is op het gezond en kansrijk opgroeien van kinderen versterken we de gezondheidsvaardigheden van kinderen, jongeren en volwassenen en zetten we in op de onderliggende determinanten van gezondheid.
Daarnaast bieden we passende zorg en ondersteuning voor wie dat nodig heeft en werken we aan een sterkere verbinding tussen het zorg- en sociaal domein in het kader van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA), Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), en het Integraal Zorgakkoord (IZA).
Vanuit het AZWA wordt de inzet op de ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas de komende jaren geïntensiveerd. Deze ketenaanpak is een samenwerking tussen zorg en sociaal domein, gericht op gezinnen waarbij er bij het kind sprake is van obesitas of overgewicht én waarbij psychosociale en/of sociaal maatschappelijke problematiek speelt binnen het gezin. De zorg en ondersteuning die een kind, ouders en het gezin vanuit de ketenaanpak krijgen, verschilt per situatie. Overgewicht of obesitas zijn aanleiding om in gesprek te gaan en vanuit daar wordt gekeken naar achterliggende oorzaken, de huidige situatie en de nodige ondersteuning voor het kind en gezin. De ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van de bredere preventieve aanpak die hierboven is benoemd. Er is een toegankelijke sociale basis beschikbaar in wijken en buurten die helpt om gezinnen vroegtijdig te bereiken en passende ondersteuning te bieden. In de eerste levensjaren sluit de ketenaanpak aan bij Kansrijke Start, waar geboortezorg, jeugdgezondheidszorg (JGZ) en wijkteams samenwerken om gezinnen tijdig te ondersteunen en onderliggende factoren van overgewicht vroeg te signaleren. Wanneer kinderen ouder worden, spelen scholen een belangrijke rol. Programma’s als Gezonde School en of de JOGG-aanpak dragen bij aan een samenhangende aanpak waarin gezond gedrag wordt gestimuleerd, zowel in de klas als in de buurt. Deze gezonde leefomgeving versterkt de zorg en ondersteuning die kinderen krijgen binnen de ketenaanpak.
Hoe groot is de groep van kinderen die obesitas heeft? Welk percentage van deze groep zou in aanmerking komen voor een maagverkleining?
In 2025 had 12,4% van de kinderen en jongeren van 4 tot en met 17 jaar in Nederland overgewicht, waarvan 2,9% ernstig overgewicht (obesitas).3 Op basis van de richtlijn Behandeling van kinderen met Obesitas4 van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde komen alleen jongeren tussen 13 en 18 jaar die bijna uitgegroeid zijn in aanmerking voor een maagoperatie, ofwel bariatrische chirurgie. Zij hebben dan al een leefstijlbehandeling gehad om een gezonder eetpatroon aan te leren en meer te bewegen. De verwachting van het Zorginstituut Nederland is dat 100 tot 150 jongeren per jaar in aanmerking komen voor een uitgebreid selectietraject. Daarvan komen 10 tot 20 jongeren per jaar in aanmerking voor deze behandeling. Het gaat hierbij om jongeren met een BMI (body mass index) van meer dan 40, of om jongeren met een BMI van 35 tot 40 die daarnaast een ziekte hebben die samenhangt met ernstig overgewicht, zoals diabetes type 2, leververvetting en cardiovasculaire problemen.
En hoe heeft deze groep zich de laatste vijf jaar ontwikkeld? Wat is de verwachting voor 2030 en 2035?
De CBS-cijfers over de afgelopen vijf jaar (2020–2024) laten zien dat, voor zowel de groep kinderen van 4 tot en met 11 jaar als voor de groep van 12 tot en met 17 jaar, de prevalentie van overgewicht (BMI ≥ 25) en obesitas (BMI ≥ 30) niet significant gestegen is.5 Over een langere periode (tussen 1990 en 2024) is het percentage kinderen en jongeren met overgewicht wel significant gestegen. Het percentage kinderen en jongeren met obesitas is over die periode niet significant veranderd. De cijfers tonen nog steeds een te hoog voorkomen van overgewicht, maar de stijging lijkt de laatste jaren minder ernstig dan voorzien.
Uit de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 20246 komt naar voren dat het aantal mensen met overgewicht de komende 25 jaar naar verwachting zal toenemen. In 2050 zal 64% van de Nederlanders overgewicht hebben. Hierbij wil het kabinet benadrukken dat dit om een verwachte stijging gaat, waarbij geen rekening gehouden wordt met nieuw beleid of toekomstige ontwikkelingen. Desalniettemin geven deze percentages aan dat we onverminderd moeten blijven inzetten op de doelstellingen en ambities zoals geformuleerd in de preventiestrategie.
Is helder welke oorzaken ten grondslag liggen aan het ontwikkelen van obesitas als minderjarige?
Overgewicht wordt veroorzaakt door een complex samenspel van persoonlijke, leefstijl en omgeving gerelateerde oorzaken, waaronder ongezonde voeding. Mensen, ook kinderen en jongeren en hun ouders en verzorgers, worden in grote mate onbewust beïnvloed in de voedingskeuzes die zij maken. Gezonde voeding, voldoende bewegen en mentaal welbevinden zijn twee van de belangrijkste leefstijlfactoren in het streven naar een gezond gewicht, naast aandacht voor onderliggende determinanten van gezondheid als bijvoorbeeld kansengelijkheid en armoedebestrijding. Mensen worden dagelijks bewust en in grote mate onbewust beïnvloed in de voedingskeuzes die zij maken. Er is op veel plekken vaak een overwegend groter aanbod ongezonde opties dan gezonde opties en niet iedereen heeft de juiste gezondheidsvaardigheden om gezonde voedingsopties te kiezen. Daarnaast kunnen onderliggende problemen in het gezin een gezonde leefstijl in de weg staan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan medische, psychische en psychosociale factoren of sociaal-maatschappelijke problemen zoals schulden of werkloosheid. Voor een duurzame verandering is daarom meer nodig dan alleen ondersteuning van het kind gericht op voeding, beweging en slaap.
Wat kunnen ouders doen om te voorkomen dat een zware medische ingreep noodzakelijk gaat worden?
Jongeren zijn vatbaarder voor het aanleren van zowel gezonde als ongezonde gewoonten. En een gezonde thuisomgeving vormt een belangrijke basis voor een gezonde start.7
De gezondheid van kinderen wordt beïnvloed door factoren in de thuissituatie, zoals opvoeding, voedingspatronen, beweging, schermgebruik en sociale omstandigheden. Ouders en andere opvoeders spelen hierbij een belangrijke rol. Jong geleerd is immers ouder gedaan.8 Tegelijkertijd kunnen ouders dit niet alleen. Hier zet het kabinet dan ook op in vanuit de preventiestrategie.
Voor kinderen en jongeren die al overgewicht hebben is het belangrijk om tijdig na te gaan of er passende hulp en ondersteuning nodig is. Ouders kunnen hun zorgen bespreken met bijvoorbeeld de JGZ, met het sociaal wijkteam, en met zorgprofessionals zoals de huisarts of de kinderarts. Vanuit het AZWA continueert het kabinet de inzet op de ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas. Op deze manier investeert het kabinet in een langdurig systeem waarin altijd eerst gekeken wordt naar onderliggende oorzaken, voorkomen we onnodige medicalisering (en bijkomende kosten) en helpen we kinderen en gezinnen door in te zetten op een duurzame behandeling.
Maar zoals ook in het antwoord op vraag 6 is toegelicht, ontstaan overgewicht en obesitas door een complex samenspel van verschillende factoren. Een zware medische ingreep is simpelweg niet altijd te voorkomen.
De documentaire Nachtkinderen en de normalisering van drugsgebruik onder jongeren |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de documentaire «Nachtkinderen» en deelt u de zorg dat drugsgebruik onder jongeren en jongvolwassenen steeds vaker als normaal wordt gezien?
Hoe hebben de cijfers over drugsgebruik onder jongeren van 12 tot 21 jaar zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld, uitgesplitst naar leeftijdsgroep en type middel?
Welke gevolgen ziet u van drugsgebruik voor de fysieke gezondheid, mentale gezondheid en ontwikkeling van jongeren?
Hoeveel jongeren onder de 21 jaar zijn de afgelopen vijf jaar in aanraking gekomen met de verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of spoedeisende hulp als gevolg van drugsgebruik?
Acht u het huidige preventiebeleid voldoende effectief om het gebruik van drugs onder jongeren terug te dringen? Kunt u uw antwoord onderbouwen met concrete resultaten?
Deelt u de mening dat overheidsvoorlichting niet alleen gericht moet zijn op het beperken van risico’s, maar ook duidelijk moet uitdragen dat drugsgebruik schadelijk is en ontmoedigd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Welke specifieke maatregelen neemt het kabinet om de normalisering van drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige preventiecampagnes daadwerkelijk leiden tot minder drugsgebruik onder jongeren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe beoordeelt u de invloed van sociale media, influencers en online platforms op de beeldvorming rondom drugsgebruik onder jongeren en welke rol ziet u voor preventiebeleid op dit terrein?
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien uit onderzoek blijkt dat de normalisering van drugsgebruik onder jongeren verder toeneemt?
Het bericht dat de praktijkondersteuner geestelijke gezondheidszorg veel minder effectief is dan jarenlang werd aangenomen. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De ggz-specialist in de huisartsenpraktijk is veel minder nuttig dan gedacht, ziet deze onderzoeker» en van het daarin besproken onderzoek1?
Ja, daar heeft het kabinet kennis van genomen.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de inzet van de POH-GGZ niet aantoonbaar leidt tot betere mentale gezondheidsuitkomsten op de middellange termijn en evenmin zorgt voor een afname van het gebruik van specialistische ggz-zorg? Deelt u de opvatting dat hiermee een belangrijke beleidsmatige rechtvaardiging voor de grootschalige inzet van POH-GGZ onder druk komt te staan?
Het onderzoek levert een relevante bijdrage aan de kennis over de effecten van de POH-GGZ, maar vormt voor het kabinet op dit moment geen reden om de beleidsmatige uitgangspunten rondom de inzet van de POH-GGZ te herzien.
De inzet van de POH-GGZ draagt bij aan het laagdrempelig toegankelijk houden van de zorg. De beleidsdoelen van de POH-GGZ zijn breder dan het voorkomen van specialistisch ggz-gebruik en aantoonbare symptoomverbetering alleen. De POH-GGZ draagt er namelijk aan bij om de huisartsenzorg te versterken, laagdrempelige ondersteuning te bieden en psychische klachten vroegtijdig te signaleren. Het uitblijven van aantoonbaar betere mentale gezondheidsuitkomsten op populatieniveau kan niet alleen worden herleid naar de inzet van de POH-GGZ en heeft te maken met heel veel andere factoren, zoals de grotere vraag en toegenomen complexiteit van de zorgvraag in de GGZ. Tevens is het voorkomen van verergering van klachten moeilijk meetbaar.
Klopt het dat het aantal gebruikers van de POH-GGZ is gestegen van circa 100.000 naar circa 600.000 personen per jaar, terwijl het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz in dezelfde periode ongeveer gelijk is gebleven? Hoe beoordeelt u de conclusie dat de POH-GGZ hierdoor vooral een nieuwe groep zorggebruikers heeft gecreëerd in plaats van de druk op de gespecialiseerde ggz te verlichten?
Het klopt dat het aantal gebruikers van de POH-GGZ tussen 2011 en 2021 is gestegen van circa 100.000 naar circa 600.000 patiënten per jaar. Het klopt ook dat het aantal patiënten in de basis- en specialistische ggz in dezelfde periode ongeveer gelijk is gebleven. Het kabinet is van mening dat uit deze ontwikkeling niet zonder meer kan worden afgeleid dat de POH-GGZ een nieuwe groep zorggebruikers heeft gecreëerd. Wel deelt het kabinet de conclusie dat de introductie van de POH-GGZ heeft bijgedragen aan het creëren van meer behandelaanbod. Dit was ook een van de beleidsdoelen van de invoering van de POH-GGZ. Een mogelijke vervolgvraag is of een deel van de patiënten die bij de POH-ggz geholpen wordt op een andere plek beter kan worden geholpen. Bijvoorbeeld daar waar het overbruggingszorg betreft van patiënten met complexe zorgvragen die op een wachtlijst staan voor vervolg behandeling, of waar het voornamelijk sociale problemen betreft. Er is hier reeds beleid op ingezet. In het AZWA is daarom onder andere afgesproken om in te zetten op laagdrempelige steunpunten, mentale gezondheidsnetwerken, een verbeterde samenwerking tussen het sociaal domein en de eerstelijnszorg, en om de positie van de POH-GGZ te versterken door extra uren mogelijk te maken (verhoging van 12 naar 16 uren POH-GGZ per huisartsenpraktijk. Hiermee streven we naar een passende inzet van zorgprofessionals en het voorkomen van specialistische zorg.
Hoeveel publieke middelen zijn sinds de invoering van de POH-GGZ besteed aan deze voorziening en hoeveel bedraagt de jaarlijkse uitgave momenteel? Acht u het verantwoord dat jaarlijks honderden miljoenen euro’s worden besteed aan een interventie waarvan de gezondheidswinst volgens dit onderzoek beperkt of afwezig is?
In 2023 betroffen de uitgaven aan de POH-ggz 255 miljoen euro.2 Patiënten en huisartsen ervaren meerwaarde van de POH-GGZ. De POH-GGZ is een laagdrempelig aanspreekpunt dicht bij huis, helpt bij het verhelderen van hulpvragen en ondersteunt bij het vinden van passende vervolgstappen. Daarnaast ervaren huisartsen dat de POH-GGZ een belangrijke bijdrage levert aan de toegankelijkheid van zorg voor mensen met mentale klachten. Het onderzoek vormt voor het kabinet op dit moment geen reden om de beleidsmatige uitgangspunten rondom de inzet van de POH-GGZ te herzien.
Op basis van welke wetenschappelijke evaluaties heeft het kabinet de afgelopen jaren het beleid rondom de POH-GGZ verder uitgebreid? Kunt u een overzicht geven van onderzoeken waarin daadwerkelijk is aangetoond dat de inzet van POH-GGZ leidt tot kortere wachtlijsten, lagere zorgkosten of betere gezondheidsuitkomsten?
In het IZA is een hogere maximuminzet van de POH-GGZ afgesproken (van 12 uur naar 16 uur inzet POH-GGZ per huisartsenpraktijk). Deze en aanpalende afspraken in het IZA zijn mede ingegeven door de hoge druk op de zorg, specifiek huisartsenzorg. De POH-GGZ speelt een belangrijke rol in de praktijken, voor patiënten met (licht) psychosociale klachten die zich bij de huisarts presenteren en ook niet snel in de basis of specialistische GGZ terecht kunnen. In het IBO mentale gezondheid en ggz3 wordt verwezen naar een onderzoek wat zich vooral richt op de verschillen tussen praktijken. Dit wijst erop dat wanneer de inzet van POH-GGZ in huisartsenpraktijken hoog is, er minder mensen met een depressie of klachten van depressieve aard in de generalistische basis-ggz of specialistische ggz terechtkomen.4 Daarnaast heeft het Trimbos een aantal onderzoeken naar de POH-GGZ uitgevoerd. Dit zijn onderzoeken naar de effectiviteit, doelmatigheid, patiëntervaringen en de organisatie van POH-GGZ.5
Hoe verklaart u dat de wachttijden in de gespecialiseerde ggz nog altijd ruim boven de Treeknorm liggen, terwijl de POH-GGZ juist werd gepresenteerd als instrument om de druk op de geestelijke gezondheidszorg te verminderen?
De toegankelijkheid van de gespecialiseerde ggz is een complex probleem. Het kabinet is via verschillende routes bezig met het oplossen van deze problematiek. In het AZWA (afspraak C6) zorgen de partijen in de ggz gezamenlijk dat er meer behandelcapaciteit komt voor mensen met een ggz-vraag, specifiek voor patiënten met een complexe zorgvraag. En het kabinet zet zich met de routekaart passende zorg ggz in om meer sturing op passende zorg voor de patiënt met een complexe zorgvraag te creëren. Dit is ook onderdeel van de kabinetsreactie op het IBO Mentale gezondheid en ggz, wat het kabinet voor de begrotingsbehandeling van VWS zal versturen. Daarnaast draagt de POH-GGZ bij aan laagdrempelige toegang tot psychische ondersteuning, vroegsignalering, passende triage en ondersteuning van de huisarts. Hiermee reiken de beleidsdoelen van de invoering van de POH-GGZ verder dan enkel een instrument om de druk op de geestelijke gezondheidszorg te verminderen.
Bent u bereid een onafhankelijke evaluatie uit te laten voeren naar de doelmatigheid, effectiviteit en kosten-batenverhouding van de POH-GGZ, inclusief de vraag of middelen effectiever kunnen worden ingezet voor uitbreiding van behandelcapaciteit in de gespecialiseerde ggz? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek levert, net als de andere onderzoeken zoals genoemd bij het antwoord op vraag 5, een relevante bijdrage aan de kennis over de effecten van de POH-GGZ. Momenteel is een onafhankelijke evaluatie van de POH-GGZ niet aan de orde. Volgende maand gaat het Ministerie van VWS met onderzoeker Roger Prudon en mensen uit de praktijk in gesprek over het recente onderzoek. In dit gesprek zullen het onderzoek, de interpretatie en de mogelijke beleidsimplicaties aan bod komen.
Welke lessen trekt u uit de mogelijkheid dat jarenlang is geïnvesteerd in een voorziening die volgens recent onderzoek vooral heeft geleid tot extra zorgconsumptie, zonder aantoonbare verbetering van gezondheidsuitkomsten of vermindering van de druk op de gespecialiseerde ggz? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Het kabinet neemt de aanbevelingen uit het onderzoek serieus. Hoewel het onderzoek concludeert dat de toegenomen inzet van de POH-GGZ niet aantoonbaar heeft bijgedragen aan het verminderen van de druk op de basis en gespecialiseerde ggz, wil het kabinet benadrukken dat de POH-GGZ een breder doelt dient. Zo is de POH-GGZ ook bedoeld voor o.a. het verbeteren van de toegankelijkheid van de ggz, ondersteuning van huisartsen, inzetten op vroegsignalering, en effectievere triage en zorg dicht bij huis. Daarnaast zijn er, in bijvoorbeeld het AZWA, maatregelen genomen om de effectieve inzet van de POH-GGZ te bevorderen. Mentale gezondheidsnetwerken zorgen ervoor dat de druk op de gespecialiseerde ggz afneemt, doordat de huisarts, het sociaal domein, de ggz en ervaringsdeskundigen samenwerken in het Verkennend Gesprek. Ook het versterken van de samenwerking van eerstelijnszorg en het sociaal domein zorgt voor de inbedding van de POH-GGZ in het (preventieve) zorgstelsel. Het Ministerie van VWS gaat, zoals benoemd in het antwoord op vraag 7, verder in gesprek over dit onderzoek.
Dat bezuinigingen op zorg en sociale zekerheid een voedingsbodem vormen voor toename van populisme en opkomst van radicaal- en extreemrechts |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog dat de Partij voor de Dieren u tijdens het debat over de regeringsverklaring wees op de conclusies van de VN-rapporteur voor armoede, die adviseert om te investeren in publieke en sociale voorzieningen en dat niet te zien als een kostenpost, maar als een belangrijk instrument om je sociale weefsel en je democratische samenleving in stand te houden en extreemrechts geen kans te geven?
Ja.
Herinnert u zich nog dat u had toegezegd dit advies en andere onderzoeken waaruit blijkt dat bezuinigingen op sociale voorzieningen de voedingsbodem voor radicaal- en extreemrechts vergroten tot u te nemen?
Ja.
Wat neemt uw mee in uw beleid uit onderzoeken zoals die van Lattanzio en Savu (2022), Baccini en Sattler (2024), waaruit af te leiden is dat vooral populistische en radicaal rechtse partijen profiteren van bezuinigingen op het sociale stelsel, met name bij groepen in kwetsbare positie?1, 2
Het kabinet ziet het belang van een sterk en toekomstbestendig sociaal stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden vormgeven – ook met het oog op toekomstige generaties. Daarom kiest dit kabinet voor hervormingen én gerichte investeringen, zodat iedereen kan meedoen en we alle talent in de samenleving ondersteunen en benutten. Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over mogelijke verbanden tussen gevoerd beleid en electorale ontwikkelingen. Wel legt het kabinet verantwoording af over het gevoerde beleid, altijd met oog voor de kwetsbaarsten in onze samenleving.
Bent u inmiddels bekend met het VN-rapport van Speciaal rapporteur Extreme armoede en mensenrechten Olivier De Schutter met de titel «Promotion and protection of human rights: human rights questions, including alternative approaches for improving the effective enjoyment of human rights and fundamental freedoms» en de conclusies die de rapporteur eraan verbindt?3
Ja.
Bent u het eens met de VN-rapporteur dat het belangrijk is om te investeren in publieke en sociale voorzieningen, en dat niet te zien als een kostenpost, maar als een belangrijk instrument om je sociale weefsel en je democratische samenleving in stand te houden en radicaal- en extreemrechts geen kans te geven? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet deelt de visie dat investeren in publieke en sociale voorzieningen essentieel is voor een sterk sociaal weefsel en een democratische samenleving. Een toekomstbestendig stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden opbouwen, zorgt ervoor dat iedereen kan meedoen en dat we alle talent in onze samenleving benutten. Dat is precies waarom we kiezen voor hervormingen én gerichte investeringen. De basis hiervoor ligt in het coalitieakkoord, waarin onder andere is opgenomen dat wie niet kan werken, moet kunnen vertrouwen op een goed stelsel van sociale zekerheid. Tegelijkertijd is het tijd om keuzes te maken voor de middellange termijn, zodat we ook toekomstige generaties kunnen voorzien van een houdbaar en goed stelsel van sociale zekerheid.
Bent u het eens met de bevindingen van VN-rapporteur De Schutter dat sociale zekerheid een dam is tegen radicaal-rechts populisme? Zo nee, waar baseert u zich op?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u het eens met de bevindingen van de VN-rapporteur dat bezuinigingen op het sociale stelsel en verschuiving van collectieve bescherming naar risico’s voor individuen leiden tot gevoel van schaarste, onzekerheid, ongelijkheid en wantrouwen in de overheid, wat een vruchtbare bodem vormt voor radicaal-rechts? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Zie het antwoord op vraag 3.
Welke lessen trekt u uit de conclusies van de VN-rapporteur voor uw beleid in de toekomst om de voedingsbodem voor extreem en radicaalrechts weg te nemen? Welke stappen gaat u naar aanleiding hiervan zetten?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bekend met het pas verschenen boek De symfonie van onvrede: de opmars van radicaal rechts in Europa, geschreven door Catherine de Vries?
Ja.
Bent u het eens met de analyse dat de Nederlandse sociale zekerheid in de afgelopen decennia verschraald is door verschillende kabinetten? Zo nee, op basis van welke bronnen en cijfers stelt u dat?
Dit kabinet hecht grote waarde aan een sterk en toekomstbestendig sociaal stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden vormgeven – ook met het oog op toekomstige generaties. Daarom kiezen we voor hervormingen én gerichte investeringen, zodat iedereen kan meedoen en we alle talent in de samenleving ondersteunen en benutten. Met enige regelmaat verschijnen er publicaties die proberen een beschrijving te geven van langjarige veranderingen in de samenleving en in de verhouding tussen overheid en samenleving, of het nu gaat over sociale zekerheid of over klimaatbeleid. In zijn algemeenheid dragen dergelijke publicaties bij aan een levendig maatschappelijk debat over een veelheid aan fenomenen. Het is echter niet aan het kabinet om standpunten in dergelijke debatten in te nemen of standpunten van anderen te waarderen, anders dan door verantwoording af te leggen over het gevoerde kabinetsbeleid en de onderliggende gronden voor het gekozen kabinetsbeleid toe te lichten.
Herkent u zich in het oordeel van de Vries op bladzijde 58 dat «onder het vaandel van marktwerking en modernisering publieke taken werden verzelfstandigd of geprivatiseerd, terwijl de bestuurstaal verschoof van rechten en nabijheid naar doelmatigheid, contracten en controle»? Zo ja, hoe waardeert u deze verandering? Zo nee, waarom niet? Welke bronnen heeft u daarvoor?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u het eens met haar oordeel op dezelfde bladzijde dat «hierdoor de relatie tussen burgers en de overheid veranderde: meer benchmarks en verantwoordingsdruk, minder relatie en wederkerigheid»? Zo ja, hoe waardeert u deze verandering? Zo nee, waarom niet? Welke bronnen heeft u daarvoor?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe waardeert u de oplossingsrichting van De Vries om als overheid meer te gaan werken aan nabijheid (zie hoofdstuk 8)? Kunt u toelichten wat u daaruit meeneemt en hoe u dit gaat implementeren in het beleid?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat uit cijfers van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat met uw kabinet de sociale zekerheid en zorg de grootste bezuinigingsposten zijn, burgers grotere lasten dragen dan bedrijven, uitkeringsgerechtigden en langdurig zieken relatief zwaar worden geraakt door uw beleid, en grote vermogens en superrijken relatief worden ontzien?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat er veel maatschappelijke weerstand is over de keuzes van het kabinet om te bezuinigen op o.a. de WW, WIA en de zorg?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat ook uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar draagvlak voor klimaatbeleid blijkt dat mensen klimaatbeleid in meerderheid steunen, maar het niet rechtvaardig vinden dat de lasten vooral bij burgers terechtkomen, terwijl bedrijven worden ontzien? Erkent u dat mensen het belangrijk vinden dat lasten eerlijker verdeeld moeten worden? Wat is uw reactie daarop?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat mensen in dat licht de afschaffing CO2-heffing voor vervuilers, het in stand houden van fossiele subsidies, en miljarden uitgeven aan buitenlandse multinationals als Tata Steel onbegrijpelijk zouden kunnen vinden?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u zich ervan bewust dat uit onder andere de eerdergenoemde onderzoeken volgt dat de bezuinigingen op de sociale zekerheid en de zorg die het kabinet wil doorzetten, ertoe kunnen leiden dat de onvrede en onrust onder burgers in de samenleving worden vergroot?
Zie het antwoord op vraag 10.
Realiseert u zich dat uit onder andere eerdergenoemde onderzoeken volgt dat burgers door zulke bezuinigingsmaatregelen van het kabinet burgers in toenemende mate hun vertrouwen kunnen verliezen in de overheid en haar instituten, en gevoeliger kunnen worden voor populistisch en radicaal- en extreemrechts gedachtegoed? Zo nee, waar baseert u zich op?
Zie het antwoord op vraag 10.
Gezien de wetenschappelijke analyse (genoemd in het boek van De Vries, zie bladzijde 160) die wijst op de samenhang tussen ervaren verschraling en steun voor radicaal-rechtse partijen, waarom bezuinigt u dan toch op onder andere de WW en de WIA, en laat u superrijken en grote vermogens relatief met rust? Ziet u in dat u door het verschralen van de sociale zekerheid de voedingsbodem legt voor radicaal-rechts gedachtegoed, zoals ook De Vries beschrijft?
Zie het antwoord op vraag 10.
Ziet u bijvoorbeeld dat radicaal- en extreemrechts meteen gebruik maakt van de keuzes van uw kabinet om te bezuinigen op de zorg en sociale zekerheid, om mensen op te hitsen tegen onder andere vluchtelingen en de LHTBQIA+ gemeenschap en om onrust aan te wakkeren, waar de tweet van Eva Vlaardingerbroek (vlak na de presentatie van de plannen van uw kabinet) exemplarisch voor is?4
Zie het antwoord op vraag 10.
Welke lessen trekt u uit alle bovengenoemde onderzoeken en analyses voor uw beleid in de toekomst, om de voedingsbodem voor radicaal- en extreemrechts weg te nemen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat er alternatieve financieringsmogelijkheden zijn, die de lasten eerlijker leggen bij grote vermogens en grote vervuilers, in plaats van bij sociale zekerheid, zorg en werkende mensen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u, ook gezien de verschillende onderzoeken, bereid om niet verder te bezuinigen op de sociale zekerheid en zorg, maar om de lasten eerlijker te verdelen en meer geld op te halen bij grote vervuilers, grote vermogenden en de superrijken?
Zie het antwoord op vraag 10.
Kunt de vragen zo snel mogelijk en één voor één beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk en separaat beantwoord.
Overheidscommunicatie over dierproeven en innovatieve proefdiervrije onderzoeksmethoden |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Kent u de video «Waarom dierproeven nog nodig zijn» die sinds 28 mei 2026 op de website van de Rijksoverheid staat?1
Ja.
Wat was de aanleiding voor het maken van deze video en wat is het beoogde doel ervan?
In mijn brief van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr. 173) heb ik mijn beleid voor de transitie naar proefdiervrije innovatie (TPI) en dierproeven uiteengezet. Zoals ik in die brief heb aangegeven zijn er voor bepaalde onderzoeken nog steeds dierproeven nodig. Het is gebruikelijk dat de rijksoverheid in het kader van transparantie voorlichting geeft over beleid op verschillende terreinen. De video is onderdeel van de publieksvoorlichting van de rijksoverheid over dierproeven. Het doel van de video is transparante en zorgvuldige informatie over dierproeven en proefdieren te bieden voor een breed publiek.
Bent u ermee bekend dat dierproeven nog vaak worden gezien als «gouden standaard» en experts waarschuwen dat hierdoor de ontwikkeling van innovatieve proefdiervrije methoden juist wordt geremd?2
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Ik gebruik die term zelf niet en deze wordt ook niet in de video gebruikt.
Bent u bekend met de overtuiging van uw voorganger(s) dat we af moeten van dierproeven als standaard en met zijn expliciete toezegging dat dierproeven niet meer als gouden standaard zouden worden neergezet in overheidscommunicatie en dat de nadelen van dierproeven daarin juist nadrukkelijk benoemd zouden worden (Kamerstuk 32 336, nr. 157)?
Ja, ik ben bekend met deze overtuiging en ik sta er ook achter om die bewoording niet te gebruiken. De video maakt inzichtelijk dat er nog dierproeven nodig zijn zolang nog niet voor alle vraagstukken gevalideerde en geaccepteerde dierproefvrije modellen beschikbaar zijn. De video belicht ook welke waarborgen er zijn voor het uitvoeren van dierproeven en verzorgen van de proefdieren. Het is ook mijn verantwoordelijkheid daar naar het brede publiek transparant over te zijn. De kern van mijn beleid is om in te blijven zetten op de opbouw van proefdiervrije innovatie en dierproeven uiteindelijk steeds meer overbodig te maken, zoals ik toelicht in mijn recente Kamerbrief TPI en dierproeven van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr.173). Ik communiceer ook heel geregeld over het TPI-beleid. Dat doe ik o.a. via de website van TPI, het TPI LinkedIn-account en andere communicatie voor burgers, zoals de vorig jaar georganiseerde Helpathon Proefdiervrij onderzoek.
Onderschrijft u dit? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik onderschrijf dit en ik refereer dan ook niet naar dierproeven als de «gouden standaard», maar ben wel transparant over het feit dat we in Nederland nog dierproeven doen en hoe we dat doen. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Hoe rijmt u deze video, waarin eenzijdig aandacht wordt besteed aan de vermeende noodzaak van dierproeven, zonder ook maar enige aandacht te besteden aan het belang en de voordelen van de transitie naar proefdiervrije wetenschap en de ontwikkeling van innovatieve proefdiervrije methoden, met deze toezegging?
De webpagina’s over dierproeven op rijksoverheid.nl bieden genuanceerde publieksinformatie over de kaders waarin dierproeven in Nederland gedaan mogen worden. De website licht ook toe welke bezwaren er zijn rondom de ethiek en de vertaalbaarheid van resultaten van dierproeven naar de mens. Ook is er informatie te vinden over proefdiervrije oplossingen met een verwijzing naar de website van het programma TPI. Deze website maakt inzichtelijk wat het TPI-beleid is en hoe ik dat samen met de TPI-partners uitvoer. Daar zijn onder andere voorbeelden te vinden van succesvolle proefdiervrije innovaties, een video over het doel van TPI en verslagen van de Labtours die we organiseren voor een breed publiek. De video «waarom dierproeven nog nodig zijn» is daarmee één van de communicatie-uitingen in een groter geheel. Ik ben van mening dat alle informatie tezamen een goed gebalanceerd beeld geeft van de huidige situatie en het beleid.
Bent u ermee bekend dat de Kamer heeft uitgesproken dat Nederland koploper moet worden als het gaat om baanbrekende technologieën zoals proefdiervrije, innovatieve medische ontwikkelingen en heeft verzocht om de ontwikkeling en toepassing van proefdiervrije methoden meer te stimuleren (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 53)?
Ja, daar ben ik mee bekend en dat is en blijft de kern van mijn beleid. In mijn brief van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr.173) heb ik uiteengezet hoe ik met mijn beleid werk aan die voorloperpositie en hoe Nederland daar bijvoorbeeld met het unieke groeifondsproject Ombion invulling aan geeft.
Deelt u de mening dat het bij een land dat koploper wil zijn in proefdiervrije innovaties niet past om eenzijdig te communiceren over de vermeende noodzaak van dierproeven, maar juist het belang en de voordelen van de transitie naar proefdiervrije wetenschap zou moeten uitdragen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 ben ik van mening dat er sprake is van gebalanceerde en transparante communicatie en deel ik de mening niet dat er op rijksoverheid.nl eenzijdig gecommuniceerd wordt. Er is voor de transitie naar proefdiervrije innovatie een specifiek voor dat onderwerp ingerichte website en een apart LinkedIn-account om effectief over de transitie naar proefdiervrije innovatie te communiceren, zoals toegelicht in mijn antwoord op vraag 6.
Bent u bereid om de video offline te halen of aan te passen zodat ook de nadelen van dierproeven worden benoemd, conform de toezegging van uw voorganger(s)? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat met deze video op transparante en genuanceerde wijze het brede publiek kennis kan nemen van hoe en waarom dierproeven gedaan worden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 staat de video niet op zichzelf, maar is deze geplaatst in een bredere context. Ik ben dan ook niet van plan de video offline te halen.
Ik hecht veel waarde aan goede communicatie en een volledig beeld van mijn beleid, zowel voor proefdiervrije innovatie als voor dierproeven. Naast mijn al bestaande publiekscommunicatie over TPI heb ik daarom opdracht gegeven om ook een video te laten maken over proefdiervrije innovatie. Deze video zal op rijksoverheid.nl worden geplaatst.
Bent u bereid om in plaats van de betreffende video in uw communicatie over dierproeven te focussen op het belang en de noodzaak van de transitie naar proefdiervrij onderzoek, wat kan leiden tot grote medische doorbraken en onder meer goedkoper, beter vertaalbaar en diervriendelijker is, en op de stappen die Nederland zet om dit te bereiken? Zo nee, waarom niet?
Zoals opgenomen in mijn antwoord op vraag 9 ben ik niet voornemens de video te verwijderen. Wel ben ik van mening dat gebalanceerde communicatie van belang is, waarbij dus ook het belang van de transitie naar proefdiervrije innovatie goed aan bod komt. Deze communicatie bestaat al en, samen met de partners van het TPI-partnerprogramma, wordt via de website van TPI en het daarbij behorende LinkedIn-account over het beleid voor de transitie naar proefdiervrij onderzoek, inclusief de ambities, initiatieven en doorbraken, gecommuniceerd. Aanvullend op deze informatie komt er op rijksoverheid.nl nog een video over proefdiervrije innovaties, zoals ook toegelicht in mijn beantwoording van vraag 9.
Welke andere concrete maatregelen en acties gaat u treffen om ervoor te zorgen dat Nederland koploper wordt in baanbrekende proefdiervrije technologieën?
Ik heb mijn inzet voor die voorloperpositie in mijn Kamerbrief TPI en dierproeven van 5 juni jl. (Kamerstuk 32 336, nr.173) uiteengezet. Ik verwacht in september een transitieadvies van het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) te ontvangen. Ik verwacht dat dat rapport ook adviezen zal bevatten die helpen bij het verder aanjagen van de transitie en zal de Kamer te zijner tijd mijn appreciatie op dat advies doen toekomen.
Kunt u deze vragen binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja, hierbij ontvangt u mijn reactie op uw vragen.
Het bericht 'Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering: 'Dit is niet uit te leggen'' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Herbert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Baanbrekende en miljoenenbesparende zorginnovaties sneuvelen door starre regels rond financiering»?1
Deelt u de constatering dat veel veelbelovende zorginnovaties niet verder komen dan de pilotfase en dat dit vooral te wijten is aan de complexe bekostiging? Zo nee, op basis van welke cijfers?
Hoeveel zorginnovaties die in een pilot- of proeftuinfase aantoonbaar kosteneffectief zijn gebleken, zijn de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk opgeschaald naar reguliere, structureel bekostigde zorg? Kunt u dit per jaar uitsplitsen?
Bent u bereid de Kamer per brief een overzicht te sturen van de gemiddelde kosten die medtech-bedrijven maken van concept tot markttoelating en vergoeding (R&D, klinische validatie, CE-markering/MDR, markttoegang), en die kosten zowel economisch als gezondheidseconomisch te duiden?
Bent u bereid in diezelfde brief dezelfde uitsplitsing op te nemen voor biotech-bedrijven, met onderscheid tussen diagnostiek en farmaceutische ontwikkeling, en die ook economisch en gezondheidseconomisch te duiden?
Beschikt u (of het Zorginstituut, de NZa en Invest-NL) überhaupt over een integraal beeld van deze kosten per subsector? Zo nee, hoe kan het kabinet dan gericht innovatie- en bekostigingsbeleid voeren?
Welk deel van deze kosten komt voort uit regeldruk en bekostigingseisen die de overheid zelf oplegt (MDR/IVDR, pakketbeoordeling, schotten in de bekostiging), en welke maatregelen neemt u om juist dat deel te verlagen?
Welk percentage van de medtech- en biotech-startups dat seed funding ontvangt, haalt een vervolgronde (Serie A en verder) en bereikt de markt? Kunt u dit uitsplitsen naar (a) medtech, (b) biotech-diagnostiek en (c) biotech-farma?
Kunt u deze slagingskansen ook uitsplitsen per regio of life-sciences-cluster (onder meer Leiden, Oss/Brabant, Eindhoven, Nijmegen, Groningen, Amsterdam, Utrecht en Limburg)? Welke regio’s blijven achter, en waarom?
Klopt het dat de meeste Nederlandse zorginnovaties sneuvelen in de fase na seed funding, de zogenoemde «valley of death»? Welk maatschappelijk en economisch rendement gaat hierdoor naar uw schatting jaarlijks verloren?
Hoeveel van de bedrijven die via het Nationaal Groeifonds zijn ondersteund (volgens recente analyses circa 1,3 miljard euro voor life sciences, waaronder 246 miljoen euro via het programma Biotech Booster) zijn inmiddels doorgegroeid naar de opschalings- of marktfase, en hoe verhoudt zich dat tot de gestelde doelen?2
Hoe verhouden de slagingskansen, doorlooptijden en kosten om zorginnovaties naar de markt te brengen zich tot die in België en Duitsland? Kunt u dit kwantitatief onderbouwen?
Op welke punten presteren België (onder meer Vlaanderen) en Duitsland aantoonbaar beter in het opschalen en vergoeden van bewezen zorginnovaties, en welke concrete lessen trekt u daaruit?
Deelt u de zorg dat Nederlandse zorginnovatoren en investeringen weglekken naar het buitenland wanneer opschaling en vergoeding hier trager en duurder verlopen dan over de grens? Zo nee, waarom niet?
Bent u of is uw ministerie de afgelopen kabinetsperiode met uw Belgische en Duitse ambtsgenoten in gesprek geweest over grensregionale samenwerking bij de financiering, validatie en opschaling van zorginnovaties? Zo ja, met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Ziet u kansen om voor een grensregio als Limburg een gezamenlijke, grensoverschrijdende proeftuin voor zorginnovatie met gedeelde financiering op te zetten, samen met kennisinstellingen als Maastricht University, UHasselt en RWTH Aachen en de ROM LIOF (en de ROM-equivalenten België en Duitsland)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Interreg-structuren (Euregio Maas-Rijn en Vlaanderen–Nederland) gerichter in te zetten om financierings- en regelgevingsbarrières voor zorginnovaties in de grensregio weg te nemen?
Bent u bereid gezamenlijk te komen tot een concreet plan van aanpak om de «valley of death» voor bewezen, kostenbesparende zorginnovaties te overbruggen, inclusief meetbare doelen en een tijdpad waarop de Kamer de voortgang kan toetsen?
Bent u bereid de in de vragen 4 en 5 genoemde Kamerbrief uiterlijk voor de aanstaande begrotingsbehandeling te sturen en daarin ook (a) de slagingskansen na seed funding per regio en (b) een vergelijking met België en Duitsland op te nemen?
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel medtech- en biotech-bedrijven zich de afgelopen vijf jaar uit kansarme of krimpregio’s hebben teruggetrokken of zijn vertrokken naar de Randstad of het buitenland, welk verlies dat opleverde, en hoe de ROM-investeringen (e.g. LIOF, BOM, Oost NL, etc.) in zorginnovatie over de regio’s zijn verdeeld?
Welke formele eisen aan eigen inbreng of cofinanciering stellen publieke fondsen en de ROM’s (waaronder LIOF en BOM) bij seedfinanciering aan startups, en zijn deze publiek kenbaar?
In hoeverre hanteren individuele investment managers en investeringscommissies van deze fondsen daarbovenop informele, niet-gecodificeerde verwachtingen over eigen inbreng van oprichters (bijvoorbeeld een bedrag in de orde van 50.000 euro of een co-investeringseis), en in hoeveel gevallen is zo’n verwachting een drempel of afwijzingsgrond gebleken?
Welk deel van de ontwikkelkosten van veelbelovende medtech- en diagnostiekstartups gaat op aan het voldoen aan de MDR en IVDR (klinische evaluatie, technische documentatie, beoordeling door een aangemelde instantie), en hoeveel startups komen hierdoor in financiële problemen of haken af?
In hoeverre hanteren publieke fondsen en ROM’s bij seedfinanciering voorwaarden die een redelijk ondernemerssalaris voor oprichters beperken of ontmoedigen, en hoeveel oprichters stoppen mede daardoor?
In hoeverre leiden de rendements- en revolverendheidseisen aan de ROM’s ertoe dat publiek kapitaal vooral naar veilige, latere-fase- en Randstad-investeringen vloeit, ten koste van vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s?
Bent u bereid, als kansarme regio’s structureel blijken achter te blijven, gezamenlijk geoormerkt extra kapitaal vrij te maken voor de ROM’s in die regio’s, gericht op behoud en opschaling van zorginnovatie?
Bent u bereid de seedfinanciering voor zorgtechstartups (incl. biotech en medtech) te verhogen en de eis van een directe, substantiële eigen inbreng te schrappen of te versoepelen?
Bent u bereid een subsidieregeling in te richten die voor kansrijke medtech- en diagnostiekstartups een groot deel van de MDR- en IVDR-nalevingskosten vergoedt?
Bent u bereid de ROM’s en publieke fondsen ertoe aan te zetten oprichters tijdens de seedfase een redelijk salaris toe te staan, in plaats van te verlangen dat zij zonder inkomen ondernemen?
Bent u bereid de opdracht en rendementseisen van de ROM’s zo bij te stellen dat vroege-fase-zorginnovatie in kansarme regio’s wordt aangemoedigd, en de Kamer met meetbare doelen en periodieke rapportage te tonen of het extra kapitaal daadwerkelijk in die regio’s en die vroege fase terechtkomt?
De campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal. |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal en kunt u aangeven welke publieke middelen direct of indirect beschikbaar zijn gesteld aan deze campagne, de betrokken organisaties en de uitvoering daarvan?1
Welke concrete, meetbare doelstellingen zijn aan deze campagne verbonden, op basis van welke wetenschappelijke inzichten is gekozen voor deze aanpak en hoe wordt vastgesteld of de campagne daadwerkelijk leidt tot een verbetering van de mentale gezondheid van jongeren?
Kunt u aangeven hoeveel vergelijkbare campagnes op het gebied van mentale gezondheid de afgelopen vijf jaar met publieke middelen zijn ondersteund, wat deze hebben gekost en welke aantoonbare resultaten zij hebben opgeleverd?
Hoe wordt voorkomen dat belastinggeld vooral terechtkomt bij campagnes, workshops, ambassadeurs en overlegstructuren, terwijl jongeren met psychische problemen nog steeds te maken hebben met wachtlijsten en beperkte toegang tot passende hulp?
Kunt u aangeven hoeveel jongeren momenteel wachten op geestelijke gezondheidszorg en hoe de uitgaven aan bewustwordingscampagnes zich verhouden tot investeringen in daadwerkelijke behandeling en ondersteuning?
Welke afspraken zijn gemaakt voor situaties waarin tijdens dergelijke bijeenkomsten signalen naar voren komen van ernstige psychische problemen, suïcidaliteit, huiselijk geweld of kindermishandeling en hoe wordt geborgd dat deze jongeren snel passende hulp krijgen?
Deelt u de opvatting dat het bespreekbaar maken van mentale problemen waardevol kan zijn, maar nooit een vervanging mag worden voor tijdige professionele hulpverlening? Zo ja, welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat jongeren na signalering ook daadwerkelijk hulp ontvangen?
Het artikel 'SEH-artsen: VWS zet ons buitenspel bij hervorming acute zorg' |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «SEH-artsen: VWS zet ons buitenspel bij hervorming acute zorg»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA) niet langer wordt betrokken bij overleggen met het Ministerie van VWS over de verdere uitwerking van de budgetbekostiging van de spoedeisende hulp, terwijl de NVSHA eerder wel actief deelnam aan deze gesprekken? Zo ja, waarom is hiervoor gekozen?
Nee, dat klopt niet.
Begrijpt u dat het voor betrokken partijen onbetrouwbaar en onzorgvuldig kan overkomen wanneer een partij die vanaf het begin intensief betrokken was bij het traject en op basis van gemaakte afspraken heeft meegewerkt aan de eerste stap van budgetbekostiging, vervolgens niet langer mag meepraten over het vervolgtraject? Hoe verhoudt dit zich tot zorgvuldig bestuur en het belang van draagvlak in de sector?
Sinds 1 januari 2026 maken de spoedeisende hulpartsen (SEH-artsen), verenigd in de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA), onderdeel uit van de Federatie Medisch Specialisten (FMS). De FMS is de gesprekspartner van het kabinet en zij vertegenwoordigen hierin de medisch specialisten zoals de SEH-artsen. De FMS is volledig betrokken bij de uitwerking van de ontwikkelroute passende acute zorg in de regio. Het kabinet vindt het desalniettemin belangrijk dat de stem van de SEH-artsen bij de ontwikkelroute goed kan worden gehoord. In reactie op de motie van mevrouw Maeijer2 zal de Minister van VWS daarom binnenkort een gesprek voeren met de NVSHA en de FMS. Ze zal partijen verzoeken samen afspraken te maken zodat alle inbreng van partijen gehoord kan worden in de gesprekken over de ontwikkelroute. Het kabinet zal de Kamer informeren over de uitkomsten van dit gesprek en het vervolg ervan.
Deelt u de zorgen van de NVSHA dat keuzes rondom differentiatie, concentratie of afschaling van spoedzorg grote gevolgen kunnen hebben voor de bereikbaarheid, kwaliteit en continuïteit van acute zorg in de regio, met name voor regionale ziekenhuizen?
Het kabinet begrijpt dat er zorgen kunnen zijn als het aanbod van acute zorg in de regio verandert. Acute zorg moet voor iedereen in Nederland tijdig, toegankelijk en van goede kwaliteit beschikbaar zijn, nu en in de toekomst. En om dat te waarborgen moeten in de regio keuzes gemaakt worden over de inrichting van de acute zorg. Regionaal moet scherper bekeken worden welke acute zorg waar nodig is, welke functies dichtbij moeten blijven en waar concentratie of differentiatie medisch en organisatorisch verstandig kan zijn. De ontwikkelroute passende acute zorg in de regio is daarom gericht op het ondersteunen van noodzakelijke veranderingen in de regionale inrichting van de acute zorg en het bieden van kaders hiervoor.
Kunt u uitsluiten dat het huidige traject uiteindelijk zal leiden tot verdere verschraling of afbouw van SEH-zorg in de regio?
Het kabinet staat voor een passend zorglandschap. Het kabinet wil dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners toegang hebben tot passende spoedzorg in de regio. Het doel van de ontwikkelroute is dat de acute zorg ook op langere termijn, toegankelijk, kwalitatief goed en doelmatig georganiseerd is.
Op welke wijze bent u voornemens uitvoering te geven aan de aangenomen motie-Vermeer2 waarin de regering wordt verzocht om bij alle vervolgstappen richting budgetbekostiging te werken aan een passende financiële positie van SEH’s in regionale ziekenhuizen?
In lijn met de motie van het lid Vermeer, vindt het kabinet dat binnen de budgetbekostiging ruimte moet zijn voor goede acute zorg die past, een passend regionaal aanbod van acute zorg en zekerheid dat SEH-zorg beschikbaar is. Een SEH staat nooit op zichzelf en is enerzijds onderdeel van een acute zorgketen (zoals de huisartsenspoedpost en de ambulancezorg) en anderzijds onderdeel van een ziekenhuis en daarmee van het passend aanbod van ziekenhuiszorg in de regio. Regionale ziekenhuizen vervullen daarin een belangrijke rol: zij bieden inwoners herkenbare, toegankelijke en vertrouwde ziekenhuiszorg dichtbij huis, en dragen daarmee bij aan continuïteit, nabijheid en samenhang in de zorg voor de regio. Met de invoering van budgetbekostiging voor de SEH in de eerste stap per 2027, wordt een deel van de SEH-opbrengsten minder afhankelijk van productie. Dat draagt bij aan meer financiële zekerheid voor ziekenhuizen. Tegelijk is dit niet het eindstation van budgetbekostiging. In de ontwikkelroute wordt voor de bekostiging bezien hoe deze het beste aan kan sluiten bij de beschikbaarheid en de verschillende functies die een SEH vervult in het regionale aanbod van acute zorg.
In hoeverre acht u het wenselijk dat de stem van SEH-artsen zelfstandig wordt gehoord, juist omdat bredere koepel- en belangenorganisaties ook andere en bredere belangen vertegenwoordigen dan uitsluitend de acute zorg?
Het kabinet vindt de betrokkenheid van partijen, zoals de zorgprofessionals, belangrijk bij de verdere uitwerking van de ontwikkelroute. Daarom zijn en worden hierover gesprekken met partijen gevoerd. SEH-artsen werken dagelijks binnen de SEH van een ziekenhuis en kunnen goed aangeven wat keuzes betekenen voor kwaliteit, toegankelijkheid, werkbaarheid en patiëntveiligheid. Het perspectief van de SEH-artsen vindt het kabinet daarom van belang. De Minister van VWS zal daarom binnenkort een gesprek voeren met de NVSHA en de FMS en de Kamer informeren over de uitkomsten hiervan.
Bent u bereid om de NVSHA alsnog volwaardig te betrekken bij het vervolgtraject rond de budgetbekostiging en de toekomst van de acute zorg, juist vanwege hun praktijkervaring en inhoudelijke expertise op het gebied van spoedzorg en de acute zorgketen?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht 'Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen tegen muur van desinformatie aan' |
|
Ruud Verkuijlen (VVD), Dieke van Groningen (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen tegen muur van desinformatie aan» en «Veel meer gonorroe en syfilis in Europa, ook in Nederland meer infecties»?1, 2
Ja.
Hoe beoordeelt u de sterke stijging van het aantal soa-besmettingen onder jongeren en jongvolwassenen, ook in het licht van het dalende condoomgebruik bij wisselende seksuele contacten?
Het bericht van de European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) laat zien dat het aantal gonorroe- en syfilisdiagnoses in Europa de afgelopen 10 jaar is gestegen. Ook in Nederland steeg het aantal diagnoses de afgelopen jaren, al is deze stijging minder groot dan het Europees gemiddelde.3
De stijging van het aantal soa-infecties, in Nederland en daarbuiten, is zorgelijk.
Eind juni 2026 publiceert het RIVM de Nederlandse data over 2025 en weten we hoe het aantal diagnoses zich verder ontwikkelt.
De ECDC roept mensen op condooms te gebruiken bij nieuwe of meerdere partners en raadt mensen aan te testen bij symptomen. Bij deze oproep sluit het kabinet zich aan. Op 18 juni 20254 en 28 november 20255 heeft het vorige kabinet de Kamer geïnformeerd over de maatregelen die genomen worden om de stijging van het aantal soa-infecties tegen te gaan, waaronder een meerjarige publiekscommunicatie-aanpak om condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.
Deelt u de mening dat preventie essentieel is om de druk op de zorg en de maatschappelijke gevolgen van soa’s te beperken? Welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Preventie en gezondheidsbevordering zijn uiteraard heel belangrijk om problemen met de seksuele gezondheid te voorkomen. Daarom is dit ook onderdeel van het kabinetsbeleid6 op dit terrein. Het kabinet investeert op verschillende manieren in het bevorderen van de seksuele gezondheid. Bijvoorbeeld door kenniscentra voor seksuele- en reproductieve gezondheid te subsidiëren. Zij zorgen voor toegankelijke informatie over seksuele gezondheid en soa’s. Het kabinet biedt via expertisecentrum Rutgers handvatten aan ouders bij de relationele en seksuele
opvoeding en helpt scholen via Gezonde School bij de relationele en seksuele vorming. GGD’en bieden aanvullende seksuele gezondheidszorg waarbinnen ook veel aandacht wordt besteed aan preventie.
Aanvullend op bovenstaand beleid heeft het kabinet nieuwe maatregelen aangekondigd.7 Dankzij het Aanvullend Zorg en Welzijn Akkoord (AZWA)8 komt er per 2027 structureel meer geld beschikbaar voor aanvullende soa-zorg via de GGD’en. Dit jaar wordt daarnaast gestart met de uitvoering van een meerjarige publiekscommunicatie-aanpak om het condoomgebruik te stimuleren. Ook wordt verkend of een verduidelijking van de wettelijke taak van gemeenten op het gebied van seksuele gezondheidsbevordering mogelijk is en worden de mogelijkheden om te komen tot een regionale ketenaanpak seksuele gezondheid onderzocht.
Deelt u de zorg dat jongeren steeds vaker worden blootgesteld aan online desinformatie over hormonale anticonceptie, condoomgebruik, vaccinaties en vruchtbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet vindt het zorgelijk dat mensen, in het bijzonder jongeren, in toenemende mate worden blootgesteld aan onjuiste of misleidende informatie over gezondheidsonderwerpen.9 Hierdoor kunnen zij onbedoeld keuzes maken die schadelijk zijn voor hun gezondheid.
In welke mate herkent u het beeld dat sociale media en influencers bijdragen aan wantrouwen tegenover bewezen veilige anticonceptiemiddelen, onder andere door het verspreiden van onbewezen claims dat hormonen «vergif» zouden zijn of dat condooms «onnatuurlijk» zijn?
Dit beeld is helaas herkenbaar. De expertisecentra Fiom en Rutgers werken samen aan een project over des- en misinformatie op het terrein van de reproductieve gezondheid. Als onderdeel van dit project is onderzoek gedaan naar online informatie over hormonale anticonceptie en de mogelijke invloed daarvan op kennis, opvattingen en keuzes voor een bepaalde vorm van anticonceptie.10 Uit dit onderzoek blijkt dat online des- en misinformatie over hormonale anticonceptie op verschillende manieren kan bijdragen aan wantrouwen tegen betrouwbare anticonceptiemethoden. Zo kunnen sociale mediaplatforms via algoritmen vooral informatie tonen aan gebruikers die aansluit bij bestaande overtuigingen. Daardoor komen mensen vaker in aanraking met dezelfde soort boodschappen en worden onjuiste claims minder snel gecorrigeerd. Het onderzoek laat ook zien dat online informatie over hormonale anticonceptie vaak eenzijdig negatief is en dat er veel nadruk wordt gelegd op mogelijke bijwerkingen, terwijl voordelen minder aandacht krijgen. Ook blijken er online onjuiste claims te circuleren, zoals de bewering dat de pil tot onvruchtbaarheid zou leiden en dat zogenoemde natuurlijke methoden veiliger of gezonder zijn.
Tegelijkertijd vraagt het onderzoek om nuance. Blootstelling aan misinformatie leidt niet automatisch tot onjuiste overtuigingen. En reproductieve keuzes worden beïnvloed door een samenspel van persoonlijke, sociale en maatschappelijke factoren.
Welke concrete acties onderneemt het kabinet momenteel om desinformatie over anticonceptie en seksuele gezondheid tegen te gaan, specifiek gericht op jongeren?
De expertisecentra Fiom, Soa Aids Nederland en Rutgers werken aan het tegengaan van onjuiste informatie over reproductieve en seksuele gezondheid. Zij voorzien zowel hun doelgroepen als de beroepsprofessionals die met deze doelgroepen werken van betrouwbare informatie over anticonceptie en seksuele gezondheid. Dit doen zijn via hun verschillende websites11, folder- en informatiemateriaal en via sociale media.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 werken Fiom en Rutgers gezamenlijk aan een project dat zich richt op het tegengaan van online mis- en desinformatie over anticonceptie, onbedoelde zwangerschap en abortuszorg. Fase 1 van dit project omvatte een onderzoek12 naar de aard, omvang en impact van mis- en desinformatie over anticonceptie, onbedoelde zwangerschap en abortuszorg. Fase 2 van het project, dat op dit moment loopt, bestaat uit het ontwikkelen, testen en evalueren van een aantal interventies gericht op het tegengaan van online mis- en desinformatie. Zo wordt er samengewerkt met influencers en zorgprofessionals, wordt geëxperimenteerd met het pre- en debunken van informatie en wordt gedacht aan een speciale online campagne. De resultaten hiervan worden eind november 2026 verwacht. Fiom en Rutgers zullen de geleerde lessen vervolgens delen met andere partijen, zodat deze kennis breder kan worden benut. De voortgang van dit project wordt beschreven in de volgende Kamerbrief over seksuele gezondheid, die aan het eind van dit jaar naar de Kamer wordt gestuurd.
Welke aanvullende maatregelen wilt u nemen om jongeren beter te informeren over veilig vrijen, het belang van condoomgebruik en de risico’s van soa’s?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 werkt het kabinet op diverse manieren aan het bevorderen van de seksuele gezondheid. Bijvoorbeeld door expertisecentra voor seksuele en reproductieve gezondheid (Rutgers en Soa Aids Nederland) te subsidiëren zodat zij jongeren, en hun ouders en anderen om hen heen, kunnen informeren over beschermde seks. In de aanvullende seksuele gezondheidszorg door de GGD’en is ook aandacht voor voorlichting over vellige seks en condoomgebruik. Dankzij het Aanvullend Zorg en Welzijn Akkoord (AZWA) komt er per 2027 structureel meer geld beschikbaar voor aanvullende soa-zorg via de GGD’en. Dit jaar wordt daarnaast gestart met de uitvoering van een meerjarige publiekscommunicatie-aanpak om het condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.
Ziet u aanleiding om publiekscampagnes over condoomgebruik en soa-preventie te intensiveren nu het aantal besmettingen stijgt? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 3 en 7 is het kabinet gestart met een meerjarige aanpak voor publiekscommunicatie ter bevordering van condoomgebruik. Sociale media worden daarbij ook ingezet. De eerste communicatieve uitingen worden dit najaar verwacht.
Welke acties onderneemt het kabinet om ervoor te zorgen dat betrouwbare medische informatie over anticonceptie en seksuele gezondheid beter zichtbaar wordt op sociale media?
Expertisecentra Soa Aids Nederland en Rutgers voorzien zowel hun doelgroepen als de beroepsprofessionals die ook met deze doelgroepen werken van betrouwbare informatie over reproductieve en seksuele gezondheid. Daarnaast is er Sense. Sense.info is een platform voor seksuele gezondheid, speciaal gericht op jongeren van 12 tot 25 jaar. Soa Aids Nederland, Rutgers en Sense zijn actief en zichtbaar op sociale media. Zo besteedt Sense in korte filmpjes op TikTok aandacht aan onderwerpen zoals condoomgebruik, consent, soa’s en anticonceptie.
Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd om met grote online platforms in gesprek te gaan over de rol van algoritmen bij het versterken van medische desinformatie over anticonceptie en seksuele gezondheid?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat aanbevelingssystemen (algoritmen) problematische inhoud versterken, en vindt het daarom belangrijk om in gesprek te blijven met de internetpartijen, waaronder online platforms. Verschillende departementen treden in dialoog met verschillende soorten aanbieders in de internetsector, over onder andere polariserende algoritmen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de publiek-private samenwerking (PPS) online content moderatie, een overlegplatform tussen de overheid en de internetsector.
Bent u bereid om gezamenlijk te onderzoeken hoe online algoritmen bijdragen aan gezondheidsrisico’s door het versterken van desinformatie over anticonceptie, vaccinaties en seksuele gezondheid?
Omdat er al een goed beeld van deze gezondheidsrisico’s bestaat, acht het kabinet verder onderzoek op dit moment niet nodig. Volgens onderzoek van De Nieuwe Utrechtse School wijzen verschillende experts erop dat algoritmen een actieve rol spelen in het verspreiden en versterken van mis- en desinformatie, ook over gezondheidsonderwerpen.13 De invloed van online algoritmen op (des)informatie over anticonceptie, onbedoelde zwangerschap en abortuszorg is reeds onderzocht door Fiom en Rutgers in hun onderzoek «Echokamers en filterbubbels».14 Hieruit komt naar voren dat door algoritme-gedreven platforms
kunnen bijdragen aan zogenoemde filter- en informatiebubbels. Volgens de onderzoekers kan dit leiden tot online omgevingen waarin mensen vooral informatie tegenkomen die hun bestaande overtuigingen bevestigt en tegengeluiden minder zichtbaar zijn. Daarnaast versterken algoritme-gedreven platforms sensationele content, een dynamiek die zich bij alle onderwerpen op sociale media voordoet. Ook wordt benoemd dat de opkomst van generatieve AI-toepassingen, zoals ChatGPT, het risico met zich meebrengt dat misinformatie (onbedoeld) wordt gereproduceerd of versterkt wanneer deze systemen gebaseerd zijn op onjuiste of eenzijdige bronnen.
Kenniscentra benutten deze kennis bij het ontwikkelen en uitvoeren van hun activiteiten.
Welke mogelijkheden ziet u om influencers en online contentmakers die onbewezen gezondheidsclaims verspreiden beter aan te pakken of te verplichten duidelijk te waarschuwen wanneer informatie niet wetenschappelijk onderbouwd is?
Door de opkomst van influencers kan het onderscheid tussen reclame, sponsoring en productplaatsing vervagen. Op dit moment is het niet altijd duidelijk welke regels van toepassing zijn, met name in relatie tot consumentenwetgeving en de Europese Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten (AVMSD). Het is vooraleerst belangrijk dat influencers duidelijkheid hebben over welke regels op hen van toepassing zijn, om de naleving te verbeteren. Het kabinet zet daarom op Europees niveau in op betere regulering van influencers en heeft zijn standpunt hierover kenbaar gemaakt via een non-paper15 in het kader van de herziening van de AVMSD. Daarnaast pleitte het kabinet in een non-paper over de Digital Fairness Act (DFA)16 voor duidelijkere regels voor influencers door meer duidelijkheid te geven over de reikwijdte van de AVMSD en het consumentenrecht. Ook stelde het kabinet voor om in de EU meer in te zetten op het certificeren van influencers17. Het kabinet kijkt met interesse uit naar de voorstellen van de Commissie op dit onderwerp.
Het artikel ‘Three decades of ‘Dutch Protocol’ research has not produced reliable evidence’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Three decades of «Dutch Protocol» research has not produced reliable evidence»?1
Ja.
Wat vindt u van de harde kritiek van de auteurs op de onderbouwing van het gebruik van puberteitsremmers en hormoonbehandelingen bij kinderen («Dutch Protocol»)?
Het kabinet vindt het van belang dat de wetenschappelijke discussie over de onderbouwing, effectiviteit en veiligheid van transgenderzorg voor jongeren zorgvuldig, feitelijk en met oog voor de betrokken jongeren wordt gevoerd. Het primaat voor de kwaliteit van zorg ligt bij het zorgverleners en zorgaanbiedersveld aangezien het medisch-inhoudelijke overwegingen betreft. Het is aan veldpartijen om gezamenlijk invulling te geven aan wat goede transgenderzorg is, in dit geval in de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg – Somatisch.
In Nederland wordt transgenderzorg voor jongeren geleverd via academische centra en genderklinieken. Behandeling volgt pas na uitgebreide evaluatie, counseling en de zogenaamde informed consent procedure. Tegelijkertijd erkent het kabinet dat er nationaal en internationaal discussie bestaat over de wetenschappelijke onderbouwing van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen bij minderjarigen. Juist daarom is de Gezondheidsraad gevraagd hierover onafhankelijk te adviseren. Daarbij wordt onder meer gekeken naar wat wetenschappelijk bekend is over de langetermijneffecten van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat decennialang onderzoek naar het Dutch Protocol geen betrouwbaar bewijs heeft opgeleverd voor verbetering van de mentale gezondheid van minderjarigen?
De beoordeling van de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs, waaronder de vraag hoe sterk het bewijs is voor effecten op mentale gezondheid, vraagt om een systematische weging van de beschikbare literatuur. De Gezondheidsraad is gevraagd om juist deze stand van wetenschap in kaart te brengen, waaronder de gevolgen van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen voor de fysieke en mentale gezondheid. Het kabinet wil niet vooruitlopen op het advies van de Gezondheidsraad.
Erkent u dat de methodologische onderbouwing van deze behandelingen uiterst kwestieus is?
Met het beschikbare evidence-based onderzoek, inclusief de beperkingen ervan, wordt in kwaliteitsstandaarden door wetenschappers, artsen/zorgprofessionals en patiënten samen bepaald hoe die zorg eruit zou moeten zien. Daarin werkt de transgenderzorg voor jongeren hetzelfde als elke andere zorg. Nederlandse genderteams hebben eerder onderschreven dat er behoefte is aan meer bewijskracht, onder meer door studies met grotere aantallen en langere follow-upduur2. Deze worden dan ook uitgevoerd in Nederland (en daarbuiten). Jongeren die in Nederland starten met een medische behandeling worden gevraagd deel te nemen aan onderzoek. Tevens worden gegevens verzameld in de biobank van het Radboudumc3 en de Nederlandse behandelcentra zijn aangesloten bij een Europees netwerk (European Reference Network) met een register (European Registries for Rare Endocrine and Bone conditions) met een specifieke module voor Gender Incongruentie4.
Waarom kiest Nederland er tot op heden voor om vast te houden aan het Dutch Protocol terwijl landen als Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk hun benadering van transgenderzorg bij kinderen allang hebben herzien?
Het kabinet heeft ervoor gekozen om de Gezondheidsraad om advies te vragen. Kortheidshalve wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2 en 3.
Wordt het genoemde artikel betrokken bij het lopende onderzoek van de Gezondheidsraad naar transgenderzorg voor jongeren? Wanneer wordt dit onderzoek afgerond?
De Gezondheidsraad is een onafhankelijk adviesorgaan met ruime expertise in het selecteren en wegen van de beschikbare wetenschappelijke literatuur. Het kabinet heeft voor publicatie geen zicht op de literatuurselectie en weging door de Gezondheidsraad. Volgens de actuele planning van de Gezondheidsraad wordt het advies over transgenderzorg voor jongeren eind juni 2026 verwacht.
Wordt dit artikel betrokken bij de herziening van de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg? Wanneer wordt de herziene kwaliteitsstandaard gepubliceerd?
Het is aan de veldpartijen om te beoordelen welke literatuur bij de herziening van de Kwaliteitsstandaard wordt betrokken. Zorginstituut Nederland (hierna: het Zorginstituut) heeft de doorontwikkeling van de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch op de Meerjarenagenda geplaatst. Verschillende fasen van de doorontwikkeling lopen vertraging op voornamelijk als gevolg van de tijd die nodig was voor de evaluatie van de huidige kwaliteitsstandaard Transgenderzorg – Somatisch en de beschikbare tijd van werkgroepleden. In de transgenderzorg is er sprake van een kleine groep experts van wie veel wordt gevraagd. Eerder werd de opleverdatum van de herziening al verplaatst van 1 augustus 2023 naar 30 september 20255. Het Zorginstituut Nederland heeft het kabinet recent laten weten dat de datum waarop deze Kwaliteitsstandaard moet zijn aangeboden aan het Zorginstituut om te worden opgenomen in het openbaar Register is verplaatst naar 30 september 2027. Het kabinet zal de Kamer nader informeren over dit uitstel in de stand van zakenbrief, die nog voor het zomerreces verzonden zal worden.
Klopt het dat bij het wetenschappelijk onderzoek dat ten grondslag ligt aan het Dutch Protocol een mannelijke patiënt is overleden als direct gevolg van complicaties na colovaginaplastiek dat moest worden ingezet omdat er sprake was van onderontwikkeling van penis en scrotum vanwege de toegediende puberteitsremmers?
Nee, dit klopt niet. Het betrokken ziekenhuis heeft aangegeven dat deze operatie geen deel uitmaakte van een medisch-wetenschappelijk onderzoek.
Is de dood van deze patiënt nader (onafhankelijk) onderzocht?
Ja. Het betreffende ziekenhuis geeft aan dat de casus als calamiteit is gemeld bij de IGJ en tevens intern is geëvalueerd.
Is dit gemeld bij de betrokken Medisch-Ethische Toetsingscommissie (METC)?
Zoals aangeven in antwoord op vraag 8 was in deze casus geen sprake van medisch-wetenschappelijk onderzoek, maar van een reguliere behandeling. Daarmee bestond er voor het betreffende ziekenhuis geen aanleiding om de casus te melden bij de Medisch-Ethische Toetsingscommissie (METC) van de instelling.
Wat is überhaupt de gebruikelijke procedure als een patiënt tijdens deelname aan een behandeling in het kader van wetenschappelijk onderzoek komt te overlijden?
Als een patiënt tijdens deelname aan een behandeling in het kader van een klinische studie die valt onder de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) komt te overlijden, moet dat zonder vertraging maar niet later dan 7 dagen na kennisname worden gemeld in het Clinical Trials Information System (CTIS), een informatiesysteem van de Europese Unie. In Nederland ontvangt de CCMO deze meldingen en afhankelijk van de melding wordt deze beoordeeld door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de METC die de studie heeft toegelaten of de CCMO.
Worden in Nederland gezondheidsuitkomsten op korte en lange termijn, complicaties, spijt en detransitie systematisch bijgehouden? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft geen landelijk dekkend registratiesysteem waarin alle gezondheidsuitkomsten, complicaties, spijt en detransitie van alle behandelde jongeren structureel en langdurig worden bijgehouden. In het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie van Amsterdam UMC worden doorlopend
gegevens verzameld voor wetenschappelijk onderzoek. Zo worden trends in aanmeldingen in de gaten gehouden, korte- en langetermijneffecten in kaart gebracht en de uitkomsten van behandeling gemonitord6.
De Gezondheidsraad is gevraagd om in kaart te brengen wat wetenschappelijk bekend is over de langetermijngevolgen van puberteitsremmers en genderbevestigende hormoonbehandelingen, en spijt en detransitie. Het advies van de Gezondheidsraad wordt eind juni 2026 verwacht.
Bent u bereid om dit te initiëren?
Het is aan onderzoekers en veldpartijen om gezondheidsuitkomsten bij te houden en om invulling te geven aan medisch-wetenschappelijke onderzoeken. Zie ook het antwoord op vraag 12.
Hoe wordt gewaarborgd dat kinderen en hun ouders volledig worden geïnformeerd over de onzekerheid rond de verwachte mentale gezondheidswinst evenals over bekende risico's, zoals mogelijke onvruchtbaarheid?
Voor iedere medische behandeling geldt de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO). Dat betekent dat de zorgverlener de patiënt, en afhankelijk van de leeftijd ook de ouders of wettelijk vertegenwoordigers, zorgvuldig moet informeren over de aard en het doel van de behandeling, de te verwachten gevolgen en risico’s, mogelijke alternatieven en de vooruitzichten. Veldpartijen geven aan dat het thema vruchtbaarheid en toekomstige gezinsplanning tegenwoordig een uitgebreid en expliciet onderdeel van de indicatiestelling is, waarbij het thema vanuit verschillende disciplines wordt besproken en wordt meegenomen in de afweging om te starten met medische interventie.
Wordt in de voorlichting aan kinderen en hun ouders expliciet vermeld dat er volgens verschillende systematische reviews geen overtuigend bewijs bestaat dat de puberteitsremmers en hormoonbehandelingen suïcidaliteit of depressie verminderen?
Conform de Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg – Somatisch wordt pas overgegaan tot behandeling na counseling, psychologische evaluatie en informed consent. In de gesprekken tussen de jongere, ouders en behandelaren voorafgaand aan behandeling worden de voor- en nadelen besproken van de behandeling. Op grond van de WGBO geldt dat informatie over de behandeling evenwichtig en begrijpelijk moet zijn en dat relevante onzekerheden, risico’s, alternatieven en verwachte effecten moeten worden besproken.
Nu de wetenschappelijke onderbouwing voor de belangrijkste beoogde uitkomst van transgenderbehandelingen bij kinderen, namelijk verbetering van mentale gezondheid zo onzeker is en deze behandelingen kunnen leiden tot blijvende medische gevolgen zoals onvruchtbaarheid en levenslange afhankelijkheid van hormoonbehandelingen: waarom acht u het dan nog steeds gerechtvaardigd dat dergelijke behandelingen in Nederland plaatsvinden?
Somatische behandelingen bij jongeren worden, conform de kwaliteitsstandaard, alleen uitgevoerd na zorgvuldige diagnostiek, psychologische evaluatie en begeleiding, een individuele afweging van voordelen, risico’s en alternatieven en goed geïnformeerde toestemming van de jongere en, afhankelijk van de leeftijd, diens ouders. Jongeren die medische behandeling ondergaan worden gedurende het traject gemonitord om de voortgang te volgen en eventuele negatieve gevolgen tijdig te herkennen.
Welke medisch-wetenschappelijke ontwikkelingen zouden voor u aanleiding zijn om uw huidige zienswijze met betrekking tot transgenderbehandelingen bij kinderen te heroverwegen? Onder welke omstandigheden zou u concluderen dat deze behandelingen niet langer verantwoord zijn?
Het is niet aan het kabinet om een medisch-inhoudelijk oordeel te geven en of conclusies te trekken over afzonderlijke behandelprotocollen of wetenschappelijke publicaties. De overheid bemoeit zich niet met de manier waarop zorgverleners zorg verlenen, voor zover het medisch-inhoudelijke overwegingen betreft. Het is aan veldpartijen om gezamenlijk, in professionele standaard en kwaliteitsstandaarden, invulling te geven aan de vraag wat goede transgenderzorg is.
Het artikel ‘Ombudsman: gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Ombudsman: «gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten» en van het onderzoek van de Nationale ombudsman over de mate waarin de overheid demonstratierecht behoorlijk beschermt en faciliteert?1, 2
Ja.
Herkent u de volgende constatering van de Nationale ombudsman: «Ook aan anti-abortusdemonstranten leggen gemeenten soms voorschriften op die niet overeenkomen met het juridisch kader»?
Ik ben bekend met het rapport van de Nationale ombudsman waarin is opgenomen dat gemeenten soms aan anti-abortusdemonstranten voorschriften opleggen die niet overeenkomen met het juridisch kader. Ik kan niet ingaan op individuele gevallen. Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of de burgemeester hierin een juiste afweging heeft gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 3 december 2025 uitspraak gedaan over demonstraties bij abortusklinieken.4 Daarin heeft de rechter duidelijke handvatten gegeven aan gemeenten over hoe kan worden omgegaan met demonstraties bij abortusklinieken.
Kunt u toelichten om welke gemeenten het hier gaat en op welke wijze de door deze gemeenten opgelegde voorschriften niet in overeenstemming zijn met het juridisch kader?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat ook anti-abortusdemonstranten delen in dezelfde rechten als andere demonstranten, en dat dergelijke oneigenlijk opgelegde voorschriften daardoor zeer onwenselijk zijn?4
Een ieder heeft in Nederland het recht om te demonstreren. Daarbij mag geen onderscheid gemaakt worden in het onderwerp of thema waarover wordt gedemonstreerd. Het is aan het lokale gezag om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren. De burgemeester kan voorafgaand aan een demonstratie voorschriften stellen en tijdens een demonstratie aanwijzingen geven over het verloop van de demonstratie, maar alleen op grond van drie criteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De inhoud van een demonstratie speelt daarbij geen rol.
Bent u bereid met deze gemeenten in gesprek te treden om herhaling te voorkomen, en gemeenten in bredere zin voor te lichten om te voorkomen dat zij met hun voorschriften inbreuk maken op het demonstratierecht, juist ook van deze groep demonstranten?
Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om gemeenten hierover aan te spreken.
Ruimte voor voorlichting is er zeker; dat doen we onder meer door financiële ondersteuning van de website demonstratierecht.nl. Ook is er, ter voorbereiding van het opstellen van de kabinetsreactie op het WODC-rapport over het demonstratierecht, gesproken met de gemeenten waarin een abortuskliniek gevestigd is over dit type demonstraties. Tijdens dit overleg hebben de gemeenten onderling ervaringen uitgewisseld over de wijze waarop deze demonstraties door het lokale gezag in goede banen geleid kunnen worden. Tot slot heeft er in januari van dit jaar een kennisuitwisselingsbijeenkomst plaatsgevonden met onder andere burgemeesters en gemeenteambtenaren, waarbij dit onderwerp aan bod is gekomen.
Kunt u deze vragen binnen de gangbare termijn, maar in elk geval ruim voor het commissiedebat over het demonstratierecht, beantwoorden?
Ja.
De uitbraak van het stijgend tekort aan medische hulpmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Stijgend tekort aan medische hulpmiddelen in ziekenhuizen»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Kunt u een overzicht aan de Kamer sturen van de omvang van de tekorten aan essentiële medische hulpmiddelen in Nederlandse ziekenhuizen?
Tussen 1 januari 2026 en 31 mei 2026 zijn over 563 medische hulpmiddelen tekorten gemeld bij het landelijk meldpunt tekorten, dat wordt beheerd door Zorg Inkoop Netwerk Nederland. De afgelopen 12 maanden zijn de meeste meldingen binnengekomen over de in onderstaande figuur genoemde categorieën medische hulpmiddelen.
Welke categorieën medische hulpmiddelen zijn momenteel het meest kwetsbaar voor leveringsproblemen? Voor welke hulpmiddelen dreigen er reeds tekorten op korte termijn?
Op dit moment zijn met name producten die gemaakt zijn van olie of geproduceerd worden met olie, kwetsbaar voor leveringsproblemen en prijsstijgingen door het risico op een grondstoftekort en afhankelijkheid van productie in Azië. Concreet gaat het disposable OK-jassen en afdekmateriaal, niet-latex handschoenen, infuussystemen, disposable spuiten, katheters, mond-neusmaskers en verbandmaterialen. Daarnaast zijn incontinentiemateriaal, dialyse disposbles en medische verpakkingen kwetsbaar voor prijsstijgingen.
In het algemeen geldt dat hulpmiddelen voor eenmalig gebruik (disposables) het meest kwetsbaar voor leveringsproblemen, vanwege het hoge en continue verbruik. Via de Green Deal Duurzame Zorg wordt gewerkt aan het verminderen van het gebruik van hulpmiddelen voor eenmalig gebruik.
Daarnaast zijn medische hulpmiddelen voor specifieke toepassingen en doelgroepen zoals kinderen, kwetsbaar voor tekorten. Er wordt in Europa gewerkt aan vereenvoudiging van de Europese wetgeving voor medische hulpmiddelen (MDR) om de beschikbaarheid van deze hulpmiddelen te verbeteren.
Concreet is er op dit moment één tekort met acute impact voor de continuïteit van zorg. Het gaat om een essentieel medisch hulpmiddel dat gebruikt wordt door de cardiologen, met name in de hartzorg voor katheterisatie en dotterbehandelingen van hartpatiënten. Dit tekort is ontstaan naar aanleiding van een terugroepactie door een veiligheidsissue. Vanwege het tekort is een deel van de planbare operaties uitgesteld. Tot nu toe heeft het tekort geen gevolgen gehad voor de continuïteit van de acute zorg. Het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen van het Zorg Inkoop Netwerk Nederland, de IGJ en vertegenwoordigers uit de zorg monitoren de situatie en geven adviezen over het gebruik van alternatieven om de oplopende wachtlijsten te beperken.
In hoeveel gevallen hebben tekorten aan medische hulpmiddelen de afgelopen twee jaar geleid tot uitstel van operaties, aanpassing van behandelingen of risico’s voor patiëntveiligheid?
Tussen 1 januari 2024 en 31 mei 2026 zijn over 3.986 medische hulpmiddelen tekorten gemeld bij het meldpunt. Bij 61 van deze tekorten (1,5%) was sprake van uitstel van behandelingen door een tekort aan alternatieven. Hoewel uitstel van behandelingen vervelend is voor de patiënt en extra werk oplevert voor de zorg, heeft dit vaak geen gevolgen voor de patiëntveiligheid. In 33 gevallen (0,8%) heeft het tekort tot minder comfort of een verhoogd risico voor de patiënt geleid.
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op de beschikbaarheid van essentiële medische hulpmiddelen, en acht u dat toezicht voldoende effectief?
Sinds januari 2025 is een Europese meldplicht voor leveringsonderbrekingen van medische hulpmiddelen van kracht. Fabrikanten zijn verplicht om leveringsonderbrekingen van kritische hulpmiddelen te melden bij een lidstaat. In Nederland komen deze meldingen binnen bij het CIBG. Het CIBG publiceert alle meldingen die bij lidstaten binnenkomen.
Zorgaanbieders en leveranciers kunnen tekorten op vrijwillige basis melden bij het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen van het Zorg Inkoop Netwerk Nederland. Dit kunnen ook meldingen van niet-kritische hulpmiddelen zijn.
Fabrikanten zijn verplicht om incidenten met een medisch hulpmiddel en daaruit voortvloeiende veiligheidsmeldingen en terugroepacties te melden bij de IGJ.
Het kabinet subsidieert Zorg Inkoop Netwerk Nederland om inzicht te geven in de kwetsbaarheid van leveringsketens van kritische productgroepen.
Ondanks deze acties kan zich altijd een onverwachte situatie voordoen waardoor de zorg overvallen wordt door een tekort. Dat maakt het belangrijk om goed voorbereid te zijn op acute tekorten. Het kabinet werkt daarom met vertegenwoordigers uit de zorg en leveranciers aan een blauwdruk voor een crisisstructuur bij tekorten aan kritieke medische hulpmiddelen.
Welke lessen zijn volgens u getrokken uit de tekorten aan medische hulpmiddelen tijdens de coronapandemie?
Tijdens de coronapandemie hebben we geleerd dat het belangrijk is om beter inzicht te hebben in (dreigende) tekorten van medische hulpmiddelen en dat de beschikbaarheid van medische hulpmiddelen kwetsbaar is. Na de pandemie is het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen ingericht bij het Zorg Inkoop Netwerk Nederland voor coördinatie bij tekorten, het ontwikkelen van een alternatievendatabase en voor meer inzicht in de kwetsbaarheden van leveringsketens. Het kabinet heeft ook een overeenkomst afgesloten met een fabrikant die voor de Nederlandse zorg productiecapaciteit voor mondmaskers (type FFP2) in stand houdt. Daarnaast is een taakgroep beschikbaarheid medische hulpmiddelen ingericht met vertegenwoordigers uit de zorg, vertegenwoordigers van leveranciers, het Zorg Inkoop Netwerk Nederland en de IGJ. Deze taakgroep adviseert het Ministerie van VWS over beleid- en wetgeving rond tekorten.
Op Europees niveau is een meldplicht leveringsonderbrekingen ingevoerd. Er zijn voor verschillende medische hulpmiddelen RescEU voorraden aangelegd waar lidstaten een beroep op kunnen doen. Nederland beheert een RescEU voorraad met medische apparatuur, zoals patiëntmonitors en echo-apparaten. Daarnaast is bij het EMA een stuurgroep (Medical Device Shortages Steering Group) ingericht voor Europese coördinatie bij een publieke gezondheidscrisis. Verder werken we in Europa aan joint action voor (meer) voorraden en het stimuleren van Europese productie.
Acht u Nederland voldoende voorbereid op grootschalige tekorten aan medische hulpmiddelen tijdens een toekomstige geopolitieke crisis die de toeleveringsketen verstoort?
De afgelopen jaren heeft Nederland zich beter voorbereid op (grootschalige) tekorten, ook in samenwerking met de Europese Commissie. Er is nationaal een tijdelijke subsidie verstrekt aan Zorg Inkoop Netwerk Nederland om zicht op tekorten en de toeleveringsketen van medische hulpmiddelen te verbeteren. Het kabinet werkt verder samen met vertegenwoordigers uit de zorg en leveranciers in de taakgroep beschikbaarheid medische hulpmiddelen, aan een blauwdruk voor een crisisstructuur bij tekorten aan kritieke medische hulpmiddelen.
Daarnaast zal een deel van de middelen die beschikbaar zijn gesteld voor pandemische paraatheid worden ingezet voor het aanleggen van voorraden en productie van kritische medische hulpmiddelen.
Op welke termijn verwacht u de aangekondigde blauwdruk voor een crisisstructuur bij grootschalige tekorten gereed te hebben?
We verwachten dat de blauwdruk voor een crisisstructuur uiterlijk in het vierde kwartaal van 2026 gereed is.
Welke bijkomende acties plant u te ondernemen om Nederland weerbaarder te maken voor verstoringen in internationale productieketens van medische hulpmiddelen in de context van toenemende geopolitieke spanningen?
Een zekere afhankelijkheid van andere landen zal blijven bestaan. Nederland is nu eenmaal te klein om alle ruim 500.000 verschillende soorten medische hulpmiddelen, inclusief grondstoffen en onderdelen, te kunnen produceren. In samenwerking met andere lidstaten werkt het kabinet aan het bevorderen van productie in Europa. Het pakket pandemische paraatheid wordt onder andere ingezet voor het aanleggen van voorraden en productie van kritische medische hulpmiddelen. Ook werkt het Ministerie van EZK aan een grondstoffenstrategie om de leveringszekerheid van kritische grondstoffen te bevorderen.
Verder zet het kabinet in op het vergroten van hergebruik van medische hulpmiddelen, omdat hulpmiddelen voor eenmalig gebruik (disposables) het meest kwetsbaar zijn voor leveringsonderbrekingen. Zorg Inkoop Netwerk Nederland houdt zicht op de kwetsbaarheid van de leveringsketens en voorziet in mitigerende adviezen voor de meest kritische productgroepen medische hulpmiddelen.
Ten slotte wordt ingezet op het versterken van relaties met andere landen, zoals India, zodat we risico’s en afhankelijkheden beter kunnen spreiden.
Hoeveel financiële middelen heeft het kabinet precies vrijgemaakt voor het vergroten van de weerbaarheid van medische productieketens en strategische voorraden?
Het kabinet heeft structureel € 177 miljoen per jaar vrijgemaakt voor pandemische paraatheid. Dit is onder andere bedoeld voor het vergroten van de weerbaarheid van medische productieketens en strategische voorraden van medicijnen en medische hulpmiddelen.
Daarnaast investeert het kabinet dit jaar ongeveer € 1 miljoen in het in stand houden van opschaalbare productiecapaciteit voor mondmaskers (FFP2). Het Zorg Inkoop Netwerk Nederland ontvangt in 2026 € 2 miljoen voor het meldpunt tekorten medische hulpmiddelen, de alternatievendatabase, het in kaart brengen van kwetsbaarheden in toeleveringsketens en marktanalyses ten behoeve van inkopers in de zorg.
Wat vindt u van het voorstel om de inkoop van medische hulpmiddelen in Nederland meer centraal te organiseren? Zal u stappen in deze richting zetten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de inkoop van medische hulpmiddelen. Het staat zorgaanbieders vrij om (vaker) gezamenlijk of centraal in te kopen. Vanwege de Wet Markt en Overheid kan de overheid niet ingrijpen in een goed functionerende markt. Alleen bij crisissituaties is centrale inkoop vanuit de overheid mogelijk, zowel nationaal als op Europees niveau.
Welk beleid van andere lidstaten om een tekort aan medische hulpmiddelen te voorkomen, kan als voorbeeld voor Nederland dienen en overweegt u in Nederlands beleid om te zetten?
Het Zorg Inkoop Netwerk Nederland heeft een inventarisatie gedaan van de aanpak van tekorten in verschillende landen, waaronder Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Japan, Oostenrijk en Spanje. De lessen die zijn geleerd bij deze inventarisatie worden meegenomen bij de ontwikkeling van een blauwdruk voor de crisisstructuur in Nederland.
Eén van de lessen is bijvoorbeeld dat het van belang is om vooraf een crisisstructuur in te richten met afspraken over rollen en verantwoordelijkheden van alle partijen bij tekorten aan medische hulpmiddelen. Daar wordt nu aan gewerkt.
Naar voorbeeld van Japan onderzoekt het kabinet op basis van verschillende scenario’s voor welke medische producten het beste strategische voorraden kunnen worden aangelegd.
In Spanje zijn leveranciers verplicht om informatie over beschikbare voorraden, productiecapaciteit en eventuele leveringsproblemen te melden bij een centraal digitaal platform. Zorginstellingen zijn verplicht om hun voorraadniveaus, verbruik en eventuele tekorten door te geven aan hetzelfde centrale digitale platform. In Nederland wordt bij de ontwikkeling van de blauwdruk voor een crisisorganisatie in kaart gebracht in hoeverre er draagvlak is voor levering van dergelijke gegevens op vrijwillige basis. Als informatievoorziening op vrijwillige basis niet werkt, overweegt het Kabinet een wettelijke informatieplicht in te voeren.
Bent u bekend met het plan France 20302 waarmee Frankrijk in deze tijden van geopolitieke spanningen en verstoorde toeleveringsketens de productie van essentiële medicijnen naar Frankrijk terughaalt? In welke mate zou een dergelijk plan volgens u ook voor Nederland interessant zijn? Zo nee, waarom niet? Acht u het nuttig een dergelijk plan naar medische hulpmiddelen uit te breiden? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben daarmee bekend. In Nederland hebben we een eerste stap gezet door een overeenkomst te sluiten met fabrikant voor het in stand houden van opschaalbare productiecapaciteit van mondmaskers (type FFP2). Het kabinet overweegt om met middelen uit het pakket pandemische paraatheid overeenkomsten te sluiten voor de productie van nog een aantal van de meest kritische hulpmiddelen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Er was wat meer tijd nodig om de vragen te beantwoorden omdat afstemming met betrokken partijen ten behoeve van de beantwoording meer tijd heeft gevergd.
Het bericht 'Aantal kinderen in Rotterdam in de jeugdzorg voor het vierde jaar op rij gestegen' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aantal kinderen in Rotterdam in de jeugdzorg voor het vierde jaar op rij gestegen», waarin wordt gemeld dat in Rotterdam inmiddels 15.160 jongeren tot 23 jaar met jeugdzorg te maken hadden, dat dit neerkomt op ongeveer één op de elf jongeren, en dat dit afwijkt van de landelijke dalende trend?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u voor de jaren 2020 tot en met 2025, uitgesplitst naar gemeente, jeugdregio en provincie, aangeven hoeveel jongeren jeugdzorg ontvingen, zowel absoluut als als percentage van het aantal jongeren tot 23 jaar?
De door u opgevraagde informatie is dusdanig uitgebreid dat deze niet goed weer te geven is in tabellen in deze schriftelijke beantwoording. Daarom zijn hieronder verschillende verwijzingen opgenomen, die u direct naar deze cijfers op de website van het CBS toeleiden:
Vanwege doorgevoerde verbeteringen in de verwerking van gegevens over jeugdzorg tussen 2020 en 2021, wordt data over de jeugdzorg door het CBS gepresenteerd in twee afzonderlijke periodes: periode 2015 – 2020 en periode 2021 tot heden. Hierdoor zijn de uitkomsten over jeugdhulp over de jaren 2021 en later niet goed te vergelijken met de uitkomsten over de jaren 2015 t/m 2020. Meer informatie is te vinden in de Methodewijzigingen Beleidsinformatie jeugd.5 Indien data over de jeugdzorg 2020 toch gewenst is, dan is deze online beschikbaar.6
Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, pleegzorg, gezinsgerichte opvang, gesloten jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering?
De door u gewenste selecties bevat te veel data (bij de uitsplitsing naar gemeente) om online (via de website van het CBS) te kunnen weergeven in tabellen. Wel kunnen deze als CSV-bestand gedownload worden via de open data API van het Dataportaal.7 Voer daar de gewenste selectie in en download de CSV. Een andere optie is om de data in delen online te filteren. De verwijzingen daarvoor zijn hieronder opgenomen.
Data jongeren met jeugdzorg 2021 – 2025 in delen:
Data naar jeugdregio en provincie:
Kunt u aangeven in welke gemeenten het jeugdzorggebruik het sterkst boven of onder het landelijke gemiddelde ligt, en welke verklarende factoren daarvoor volgens u het meest aannemelijk zijn?
Hieronder treft u een landkaart met de weergave van het jeugdzorggebruik per gemeente (jongeren tot 23 jaar). De kleuren van de gemeenten geven een indicatie van of het jeugdzorggebruik ver boven of onder het landelijke gemiddelde ligt. Er bestaat een interactieve landkaart online om van iedere gemeente afzonderlijk de percentages te zien.13 Het CBS doet verder geen duiding van de cijfers. Per gemeente zullen de onderliggende redenen verschillen, zeker waar het gaat om gemeenten die sterk boven of onder het landelijk gemiddelde liggen. Vanuit VWS wordt wel nog onderzoek uitgezet naar aanvullend inzicht in de uitgavenontwikkeling van de jeugdzorg en de onderliggende factoren. Dit zal in algemene zin ook meer inzicht moeten geven in de ontwikkelingen in jeugdhulpgebruik.
Kunt u voor de afgelopen vijf jaar aangeven welk deel van de jeugdhulptrajecten is gestart als crisis, welk deel herhaald beroep betreft en welk deel betrekking heeft op jongeren die daarnaast ook jeugdbescherming of jeugdreclassering ontvangen?
Op basis van de beschikbare informatie van het CBS, geeft onderstaande tabel inzicht in «gestart met crisis» en «herhaald beroep».14
Totaal jeugdhulptrajecten
Totaal begonnen trajecten
Herhaald beroep
Gestart met crisis
2021
652.970
304.760
79.630
26,1
11.715
3,8
2022
667.420
309.615
80.230
25,9
10.610
3,4
2023
702.100
326.450
83.235
25,5
10.935
3,3
2024
709.935
323.860
84.275
26
10.200
3,1
20251
673.075
288.685
77.350
26,8
9.665
3,3
% t.o.v. totaal aantal begonnen trajecten
Betreft voorlopige cijfers.
Voorts vraagt u naar de uitsplitsing hierin naar jeugdbescherming en jeugdreclassering. Hieronder is in een tweetal tabellen de beschikbare informatie over het aantal jeugdigen met jeugdbescherming en/of jeugdreclassering weergegeven. Een verdere uitsplitsing naar jeugdbescherming of jeugdreclassering (bijvoorbeeld naar de wijze van de start van het traject) is echter niet mogelijk. Dit komt omdat de betreffende data niet op deze wijze aan elkaar is gekoppeld. Verder is er data beschikbaar over herhaald beroep van jeugdreclasseringsmaatregelen en van ondertoezichtstellingen in de jeugdbescherming.15, 16
Jongeren met meerdere vormen van jeugdzorg
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jeugdbescherming
Wel of geen JR
41.235
38.765
35.720
33.940
32.825
Wel JR
1.040
1.060
1.020
1.085
1.145
Geen JR
40.195
37.705
34.700
32.855
31.675
Alleen voogdij
Wel of geen JR
10.305
9.990
9.480
8.995
8.380
Wel JR
135
145
165
180
170
Geen JR
10.170
9.840
9.315
8.815
8.210
Alleen OTS
Wel of geen JR
29.925
27.970
25.605
24.450
24.005
Wel JR
895
905
845
895
970
Geen JR
29.030
27.065
24.760
23.555
23.040
Zowel voogdij als OTS
Wel of geen JR
1.005
810
640
495
440
Wel JR
10
10
10
10
10
Geen JR
995
800
625
485
430
CBS StatLine Jongeren met één of meerdere vormen van jeugdzorg te raadplegen via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85101NED/table?dl=D5E3A.
Betreft voorlopige cijfers.
Jongeren met meerdere vormen van jeugdzorg
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Jongeren met jeugdhulp
Wel JR
Wel/geen jeugdbescherming
7.975
7.475
7.665
8.290
8.660
Wel JR
Wel jeugdbescherming
1.040
1.060
1.020
1.085
1.145
Wel JR
Alleen voogdij
135
145
165
180
170
Wel JR
Alleen OTS
895
905
845
895
970
Wel JR
Zowel voogdij als
OTS
10
10
10
10
10
Wel JR
Geen jeugdbescherming
6.935
6.410
6.645
7.205
7.515
CBS jongeren met één of meerdere vormen van jeugdzorg te raadplegen via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/85101NED/table?dl=D5F80.
Betreft voorlopige cijfers.
Kunt u de jeugdzorgcijfers uitsplitsen naar leeftijdscategorie, geslacht, type huishouden, inkomenskwintiel van het huishouden en onderwijssoort?
Voor de gewenste data adviseren wij om de nieuwste CBS rapporten te raadplegen over jeugdhulp,17 jeugdbescherming,18 en jeugdreclassering.19 In de rapporten staan (interactieve) staafdiagrammen met bijbehorende tabellen (incl. cijfers van voorgaande jaren) overzichtelijk gepresenteerd tezamen met een begeleidend schrijven.
Kunt u, voor zover beschikbaar en met inachtneming van statistische geheimhouding, de jeugdzorgcijfers tevens uitsplitsen naar geboorteland van de jongere, geboorteland van de ouders en herkomstland conform CBS-definities?
Hieronder treft u de voorlopige cijfers jeugdzorg naar herkomst 2025. Betreffende data is alleen terug te vinden in CBS rapporten over jeugdzorg,19 jeugdbescherming,20 en jeugdreclassering,21 en zijn niet beschikbaar in online StatLine tabellen.
Jeugdzorg naar herkomst
Jongeren jeugdhulp zonder verblijf
Jongeren jeugdhulp met verblijf
Jongeren met jeugdbescherming
Jongeren met jeugdreclassering
10,4
0,9
1
0,3
Nederland
10,7
0,9
0,9
0,2
Europa (exclusief Nederland)
10
1
1,1
0,4
Turkije
6,9
0,4
0,6
0,5
Marokko
7,1
0,5
0,7
0,9
Suriname
10,3
1,7
2
1,1
Nederlands-Caribisch gebied
13,9
2,8
2,8
1,9
Indonesië
8,5
0,8
0,7
0,4
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië
9,5
0,9
1,1
0,7
6,1
0,7
1
0,5
Europa (exclusief Nederland)
5,5
0,6
1
0,2
Turkije
6
0,4
0,6
0,2
Marokko
9,5
1
1,6
1,4
Suriname
8,6
1,5
1,5
0,9
Nederlands-Caribisch gebied
10,3
1,9
2,5
1,2
Indonesië
4
0,4
0,5
0,1
Overig Afrika, Azië, Amerika en Oceanië
6,3
0,7
0,9
0,7
Kunt u daarbij nadrukkelijk onderscheid maken tussen jeugdhulp zonder verblijf, jeugdhulp met verblijf, jeugdbescherming en jeugdreclassering, omdat deze vormen inhoudelijk en beleidsmatig sterk verschillen?
De informatie die hierover beschikbaar is, is opgenomen in het antwoord bij vraag 7.
Welke van deze achtergrondkenmerken hangen volgens bestaande CBS-analyses het sterkst samen met jeugdzorggebruik, en welke beleidsconclusies verbindt u daaraan?
Een soortgelijke analyse als waar u naar vraagt is in 2023 door het CBS uitgevoerd over het jaar 2021.20 Dit onderzoek had naast herkomst ook betrekking op andere demografische achtergrondkenmerken. Voor de daaropvolgende jaren zijn dergelijke analyses niet gedaan.
Het onderzoek laat de samenhang zien tussen jeugdhulpgebruik en verschillende factoren. Dit betekent overigens niet dat ook geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een causaal verband. De samenhang voor jeugdhulp zonder verblijf is het sterkst met de factoren GGZ gebruik in huishouden, speciaal onderwijs en leeftijd. Voor jeugdhulp met verblijf is dit speciaal onderwijs, samenstelling van het huishouden en gebruik van Wmo en/of WLZ in het gezin. Voor Jeugdbescherming is dit ouders wonen op hetzelfde adres/samenstelling van het huishouden, speciaal onderwijs en gebruik van Wmo en/of WLZ. Voor Jeugdreclassering is dit verdachte in huishouden, HALT, geslacht en speciaal onderwijs/hoogst gevolgde opleiding.
Kortom, in algemene zin blijk uit dit onderzoek dat jongeren met jeugdzorg vaker dan jongeren zonder jeugdzorg te maken hebben met problemen op andere gebieden. Daarmee sluiten de uitkomsten van het onderzoek aan op de beleidsinzet om een integrale en brede blik te hanteren wanneer er problemen bij jeugdigen voordoen en/of een beroep gedaan wordt op jeugdzorg. Onder andere met het met een brede blik kijken naar en betrekken van het gezin bij hulpvragen (waaronder een verklarende analyse), de inzet op stevige lokale teams en de inzet op passende zorg en ondersteuning.
Kunt u aangeven welk deel van de jeugdhulptrajecten wordt gestart via de gemeentelijke toegang, welk deel via huisarts, jeugdarts of medisch specialist, welk deel via gecertificeerde instellingen en welk deel via rechterlijke of justitiële route?
Hieronder worden de meest actuele cijfers hierover weergegeven.21
Huisarts
35
36
38,7
39,5
Gemeentelijke toegang
32,7
32,3
30,9
30,6
Geen verwijzer
16,8
17,5
16,2
15,6
Gecertificeerde instelling
5,7
5,6
5,7
5,8
Medisch specialist
5,5
4,6
4,4
4,5
Jeugdarts
3,7
3,7
3,7
3,5
Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
0,3
0,3
0,3
0,3
Onbekend
0,2
0,1
0,1
0,1
Gemeentelijke toegang
43,3
44,9
44,4
43,5
Gecertificeerde instelling
38,1
36,3
35
36,1
Huisarts
6,6
6,4
6
5,6
Medisch specialist
6
5,4
6,5
6,4
Rechter, Officier van Justitie, functionaris Justitiële jeugdinrichting
0,9
1,2
0,9
0,8
Jeugdarts
0,4
0,4
0,4
0,4
Geen verwijzer
0
0
0
0
Onbekend
4,6
5,3
7
7,1
Betreft voorlopige cijfers.
Klopt het dat gemeenten bij de medische verwijsroute wel financieel verantwoordelijk zijn, maar beperkt kunnen sturen op de feitelijke toekenning van hulp? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor kostenbeheersing en voor het terugdringen van onnodige of lichte jeugdhulp?
De Jeugdwet kent meerdere verwijzers naar jeugdhulp. Huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten (hierna: medisch verwijzers) kunnen bepalen dat een jeugdige aanspraak kan maken op jeugdhulp. De gemeente moet vervolgens een beschikking afgeven op basis van wat de jeugdhulpaanbieder inschat dat nodig is. De jeugdhulpaanbieder moet zich bij deze inschatting houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die de gemeente in de verordening heeft gesteld.
Het kunnen bieden van passende jeugdhulp met een brede blik en het kunnen sturen op de inzet van mensen en middelen in de context van schaarste is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van huisartsen en gemeenten. In het najaar van 2025 zijn hierover bestuurlijke afspraken gemaakt tussen de Landelijke Huisartsen Verenging (LHV), Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN), de VNG en VWS.22 Deze worden verankerd en uitgewerkt in de leidraad.23 In deze bestuurlijke afspraak is de samenwerking tussen gemeenten, huisartsen en jeugdartsen, zoals beoogd in de Hervormingsagenda jeugd, nader uitgewerkt.
Welke hulpvormen heeft u concreet op het oog, gezien in de toelichting op het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet wordt gesteld dat preventie en basishulp voorliggend moeten worden op aanvullende jeugdhulp, dat jeugdhulp waar mogelijk groepsgewijs moet worden ingezet en dat bepaalde hulpvormen bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) buiten de Jeugdwet kunnen worden geplaatst?
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet worden bij de betreffende categorieën voorbeelden genoemd. Het gaat bijvoorbeeld bij de versterking van de sociaal pedagogische basis om voorzieningen die alledaagse opvoed- en opgroeivragen in de leefomgeving opvangen zodat jeugdhulp niet nodig is. Concreet gaat het hierbij om: jongerenwerk, laagdrempelige inloop- en ontmoetingsplekken en informele steunstructuren zoals Buurtgezinnen. Bij basishulp worden genoemd: opvoed- en opgroeiondersteuning, begeleiding van jeugdigen met lichte gedragsproblemen en laagdrempelige langdurige begeleiding bij gezinnen met een kind met een chronische beperking. Bij jeugdhulp op groepsbasis gaat het om hulpvormen waarbij het bijvoorbeeld gaat om het besef niet de enige te zijn met een bepaald probleem, onderlinge steun en erkenning, en de mogelijkheid om sociale vaardigheden in een veilige omgeving met leeftijdsgenoten te oefenen. Voor de amvb waarbij vormen van jeugdhulp wordt uitgesloten gaat het bijvoorbeeld om ernstige enkelvoudige dyslexie die niet is vastgesteld volgens het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling, huiswerk-, studie- en stagebegeleiding, weerbaarheidstraining zonder ontwikkelings- of gedragsprobleem, outdoor- of survivalactiviteiten zonder behandel- of begeleidingscomponent, Braingame Brian en HiRO.
Welke vormen van jeugdhulp worden volgens u op dit moment te vaak ingezet voor problemen die behoren tot het normale leven, gewone opvoedvragen of ondersteuning die beter via onderwijs, gezin, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kan worden georganiseerd?
Bij hulpvragen van jeugdigen rondom het opvoeden en opgroeien is niet één op één aan te geven welke hulp en/of ondersteuning passend is aangezien problematiek altijd afspeelt in een bepaalde context. De context bepaalt welke hulp effectief is bij bepaalde hulpvragen. Zo kan het dus zijn dat eenzelfde hulpvraag, zoals «mijn kind vertoont druk gedrag», verschillende oplossingen nodig heeft in verschillende situaties. Dit maakt het dus ook niet mogelijk om aan te geven welke vormen van jeugdhulp te vaak worden ingezet voor problemen die behoren tot het normale leven, gewone opvoedvragen of ondersteuning die beter via het onderwijs, gezin, sociaal netwerk of algemene voorzieningen kunnen worden georganiseerd. Wel zien we al langer een stijging in de relatief lichtere vormen van ambulante hulp en ondersteuning zoals begeleiding, basis-ggz behandeling en relatief lichte vormen van opvoed- en opgroeiondersteuning.
Kunt u vóór de behandeling van de nieuwe regels over de reikwijdte van de Jeugdwet een landelijke benchmark aan de Kamer te sturen met per gemeente het feitelijke jeugdzorggebruik, de modelschatting op basis van achtergrondkenmerken, de afwijking daarvan en een beleidsmatige duiding van opvallende uitschieters?
Het CBS publiceert twee keer per jaar cijfers over jeugdzorg, waarbij o.a. uitsplitsingen worden gemaakt naar gemeente en zorgvorm (zie ook het antwoord op vraag 2 en 3). Daarnaast heeft het CBS in 2025 modelschattingen per gemeente gepubliceerd o.b.v. relevante achtergrondkenmerken voor jeugdzorg. Deze vindt u hier: Modelschattingen jeugdzorggebruik per gemeente, 2023 | CBS.24 Deze cijfers zullen ook betrokken worden in de centrale monitor van het jeugdstelsel, waarvan het CBS nu de data-infrastructuur bouwt. Een eerste versie van deze monitor wordt in het najaar gepubliceerd.
Bent u bereid daarbij expliciet inzichtelijk te maken waar sprake lijkt te zijn van overgebruik van lichte jeugdhulp, waar sprake lijkt te zijn van onderbereik van kwetsbare jongeren, en waar sprake is van relatief veel zware jeugdzorg? En kunt u dit beleidsmatig duiden?
Ik beschik niet over cijfers over lichte jeugdhulp, zware jeugdzorg of kwetsbare jongeren. CBS houdt namelijk andere categorieën van zorgvormen bij, zie vraag 3.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het debat over de nieuwe regels voor de reikwijdte van de Jeugdwet?
Ja.
Het te lang liggen van meldingen kindermishandeling |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meldingen kindermishandeling blijven te lang liggen bij Veilig Thuis, nog steeds»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Ieder kind heeft recht om op een veilige plek op te groeien. Bij signalen van onveiligheid, moet snel duidelijk worden wat een passend vervolg is. Daarom moet het stelsel beter en eenvoudiger, en wachttijden tot het minimum worden beperkt.
Deelt u de analyse van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) dat het aantal kinderen dat als slachtoffer van kindermishandeling wordt herkend, aan het stijgen is? Over hoeveel kinderen gaat het volgens u? In hoeveel gevallen gaat het over ernstige mishandelingen? Hoe vaak gaat het om seksueel misbruik?
Ja, uit de cijfers van Veilig Thuis blijkt dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen de afgelopen jaren is gestegen. Ongeveer de helft hiervan heeft betrekking op kindermishandeling. Dit percentage is door de jaren heen stabiel gebleven, al is het aantal adviesvragen en meldingen met betrekking tot kindermishandeling in absolute aantallen gestegen. Zie het antwoord op vraag 3 voor een nader overzicht.
Dat hoeft echter niet direct te betekenen dat kindermishandeling vaker voorkomt; het kan ook zijn dat onveilige situaties vaker worden gesignaleerd en dat vaker contact wordt opgenomen met Veilig Thuis. Het is positief dat Veilig Thuis wordt benaderd om situaties waarin kinderen zich mogelijk in onveiligheid bevinden waar nodig nader te onderzoeken.
In de beleidsinformatie die periodiek door Veilig Thuis met het CBS wordt gedeeld, wordt geen onderscheid gemaakt tussen «ernstige» en «niet-ernstige» mishandeling. Ik beschouw iedere situatie van mishandeling ook als één te veel en als schadelijk.
Voor seksueel misbruik bij kinderen is het beeld gemengd. Het aantal adviesvragen steeg van 3.635 in 2022 naar 4.515 in 2025, terwijl het aantal meldingen in diezelfde periode licht terugliep, van 1.985 naar 1.830.
Kunt u in een overzicht aangeven hoeveel meldingen van kindermishandeling er zijn gedaan sinds 2019? In hoeveel situaties is de wettelijke termijn voor de beoordeling van vijf dagen overschreden?
Veilig Thuis levert twee keer per jaar cijfers aan het CBS. Daaruit is op jaarbasis het volgende overzicht van het aantal meldingen kindermishandeling op te maken:
Jaar
Aantal meldingen kindermishandeling
2019
55.590
2020
62.795
2021
61.495
2022
62.460
2023
65.750
2024
67.030
2025
68.150
Er wordt landelijk niet bijgehouden wanneer de wettelijke termijnen worden overschreden. Vanuit de decentrale inrichting van de regionale Veilig Thuis-organisaties is het deels afhankelijk van de wijze van aanbesteding hoe de afzonderlijke Veilig Thuis-organisaties hierover verantwoording afleggen aan de gemeenten. Landelijk houdt de IGJ daarnaast toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken bij de individuele organisaties, waaronder ook de naleving van de termijnen.
Een exact percentage van het aantal gevallen waarin de wettelijke termijn voor het uitvoeren van de veiligheidsbeoordeling niet wordt gehaald, is daardoor niet goed te geven. Wel is bekend dat in de periode 2019–2025 gemiddeld tussen de 40 en 60 procent van de veiligheidsbeoordelingen niet tijdig werd afgerond en dat dit al jaren een structureel knelpunt is bij Veilig Thuis. Inspectierapporten laten zien dat geen enkele Veilig Thuis-organisatie alle onderzoeken binnen de wettelijke termijn afrondde, en dat in 2024 slechts 2 van de 25 organisaties erin slaagden ten minste 80% van de onderzoeken tijdig af te ronden. Op het overschrijden van deze wettelijke termijnen ga ik in de beantwoording van vraag 7 nader in. Voor de volledigheid wil ik hierbij benadrukken dat na ontvangst van een melding altijd binnen 24 uur een eerste triage wordt uitgevoerd, en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Welke rol speelt volgens u het personeelstekort bij deze problematiek of zijn er andere oorzaken? Zo ja, welke zijn dat?
Voor het overschrijden van de wettelijke termijnen zijn meerdere oorzaken aan te wijzen. Een tekort aan personeel speelt daarbij zeker een rol, maar ook de beperkte capaciteit bij samenwerkingspartners van Veilig Thuis en de toegenomen complexiteit van de casuïstiek. Al deze factoren samen verklaren waarom de termijnen niet altijd worden gehaald.
In hoeveel situaties sinds 2019 is na een veiligheidsbeoordeling besloten over te gaan tot onderzoek? Hoe vaak is de termijn van tien weken overschreden? Hoe vaak is de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld?
De volgende tabel geeft een overzicht van het aantal afgeronde diensten onderzoek door Veilig Thuis.
Jaar
Aantal afgeronde diensten onderzoek totaal (alle vormen van huiselijk geweld inclusief kindermishandeling)
Aantal afgeronde diensten onderzoek specifiek bij een vermoeden van kindermishandeling
2019
6.100
2.440
2020
7.305
3.735
2021
7.615
4.025
2022
7.585
4.145
2023
7.530
4.335
2024
7.720
4.610
2025
7.435
4.405
Totaal
51.290
27.695
Ook voor de termijn van 10 weken voor het afronden van een onderzoek geldt dat naleving niet centraal wordt geregistreerd, waardoor helaas niet exact bekend is hoe vaak de termijn van tien weken wordt overschreden. Ik vind het belangrijk dat er meer uniformiteit en daarmee ook een beter landelijk overzicht komt, en werk daarom samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis hard aan het meer gelijk maken van werkprocessen en data.
In de tabel hieronder het gevraagde overzicht van het aantal keer dat Veilig Thuis de Raad voor de Kinderbescherming heeft ingeschakeld:
Jaar
Aantal afgeronde casussen met overdracht naar de Raad voor de Kinderbescherming
2019
355
2020
520
2021
620
2022
565
2023
595
2024
630
2025
490
Totaal
3.775
Hoe lang moeten kinderen en gezinnen gemiddeld wachten op hulp van Veilig Thuis? Kunt u dit ook aangeven vanaf 2019? Hoeveel kinderen zitten er nu in een situatie die onveilig is?
Zoals hierboven toegelicht, is er wel inzicht in cijfers over het aantal meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis, maar niet in concrete gegevens over wachttijden en wachtlijsten. Daardoor kan er geen antwoord worden geven op de vraag wat de gemiddelde wachttijd voor gezinnen is na een melding. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat dit beeld er in de toekomst wel komt. Daarom werk ik met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis aan uniformiteit in de registratie van deze gegevens.
Evenmin is bekend hoeveel kinderen zich op dit moment in een onveilige situatie bevinden. Ook de cijfers van Veilig Thuis bieden hier geen uitsluitsel: zij geven uitsluitend een beeld van het aantal huishoudens waarover jaarlijks een melding wordt gedaan, niet van de totale omvang van kinderen in onveiligheid.
Hoe reflecteert u op het feit dat regelmatig de termijnen voor enerzijds de veiligheidsbeoordeling en anderzijds het onderzoek erna worden overschreden?
Het is duidelijk dat Veilig Thuis onder grote druk staat en dat dit helaas leidt tot het overschrijden van de wettelijke termijnen. Ondanks de vele initiatieven die de afgelopen jaren zijn ondernomen, is het niet gelukt de wachtlijsten weg te werken. Dit is zorgelijk.
Hierbij is het goed om te vermelden dat, zoals ook in dit NOS-artikel staat, los van een eventuele wachtlijst bij een melding altijd direct een triage wordt uitgevoerd en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Daarbij is het belangrijk te blijven beseffen dat dit niet alleen een probleem is van Veilig Thuis zelf, maar van de keten als geheel. Met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming wordt gewerkt aan een stelselwijziging die ook de structurele knelpunten in de keten moet aanpakken: een stelsel dat eenvoudiger moet worden, met minder overdrachten van gezinnen en huishoudens.
Tegelijkertijd blijven we zoeken naar manieren om de wachtlijsten ook op kortere termijn terug te dringen. Daarvoor is het van belang een beter landelijk beeld te krijgen van de omvang en oorzaken van de problematiek. Uniformiteit tussen de 25 Veilig Thuis-organisaties is daarbij een cruciale voorwaarde, net als verdere verbetering van de werkprocessen waar dat mogelijk is. Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG, het Ministerie van JenV en de IGJ onderzoeken we hoe we de wettelijke basis en bijpassende kwaliteitseisen kunnen aanscherpen om tot meer uniformiteit te komen.
Herkent u de constatering van de heer Feiner van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland die stelt dat Veilig Thuis moeite heeft «om het kaf van het koren te scheiden: wanneer is er echt sprake van ernstige vermoedens en wanneer niet»? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om verbetering te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Het beoordelen van signalen en het inschatten van veiligheidsrisico's behoren tot de kerntaken van Veilig Thuis. Zoals ook in het antwoord op vraag 7 is benoemd, worden ondanks de bestaande wachtlijsten alle meldingen binnen 24 uur op urgentie beoordeeld door daartoe opgeleide professionals. Op basis van de inhoud van de melding wordt onderscheid gemaakt tussen situaties waarin sprake is van acute of ernstige onveiligheid en situaties waarin een andere vorm van vervolg, ondersteuning of monitoring meer passend is. Hierbij moet Veilig Thuis afgaan op de informatie die zij krijgt. Samenwerking van Veilig Thuis met overige ketenpartners is dan cruciaal om het beeld van mogelijke onveiligheid scherper te krijgen en gezamenlijk tot een passend vervolg van ondersteuning, hulp en/of bescherming te komen. Deze gezamenlijke opgave vraagt ook om bredere oplossingen binnen het stelsel, waaronder een betere samenwerking tussen lokale teams en veiligheidspartners, zoals uitgewerkt in het Toekomstscenario.
Wat kunnen ouders doen wanneer er ernstige vermoedens zijn van mishandeling van hun kind door hun (ex-)partner of onveiligheid en zij het gevoel hebben dat dit niet serieus wordt genomen door betrokken instanties, of zij wachten op een onderzoek?
Ouders die wachten op een vervolgactie van Veilig Thuis kunnen altijd contact opnemen als zij het gevoel hebben dat de situatie niet langer kan wachten of dat er iets is veranderd. Zoals eerder aangegeven beoordeelt Veilig Thuis elke nieuwe melding opnieuw op acute onveiligheid.
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis nog onvoldoende regelmatig de Raad voor de Kinderbescherming inschakelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u en ziet u mogelijkheden om dit alsnog te stimuleren?
Een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming vereist een zorgvuldig proces in afstemming met betrokken organisaties en gemeenten. Bij ernstige gevallen vind ik het van belang dat Veilig Thuis of een andere betrokken organisatie de Raad voor de Kinderbescherming zo spoedig mogelijk inschakelt. Dit vraagt ook om een goede gezamenlijke analyse om de aard en ernst van een situatie goed te kunnen inschatten, iets wat vanuit het Toekomstscenario verder wordt versterkt.
Waar dat mogelijk en verantwoord is, streven we tegelijkertijd naar passende oplossingen binnen het vrijwillige kader. In die gevallen is het vooral belangrijk dat het gezin vanuit de juiste expertise bij de professionals tijdig de ondersteuning krijgt die het nodig heeft.
Overigens is het aandeel van Veilig Thuis-meldingen in de totale instroom bij de Raad voor de Kinderbescherming al jarenlang ongeveer 17 procent.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 over «het onderzoek naar de pleegzorg van een mishandeld meisje in Vlaardingen» om de positie van kinderen zelf te verbeteren en naar hen te luisteren bij situaties van mogelijk misbruik? Bent u van mening dat Nederland momenteel voldoet aan het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan het Kinderrechtenverdrag. Dat betekent dat wij als kabinet een positieve verplichting hebben om kinderen in staat te stellen zich optimaal en veilig te ontwikkelen. Dat vraagt van alle betrokkenen voortdurende inzet en aandacht. De situatie van het zwaar mishandelde meisje dat verbleef in een pleeggezin in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat het niet altijd en overal lukt om de meest kwetsbare kinderen te beschermen. Een van de kernbepalingen uit het Kinderrechtenverdrag is dat kinderen het recht hebben om hun mening te geven over alle zaken die hen aangaan.2 Daarom zijn sinds het debat van 4 maart 2025 meerdere verbeterpunten gerealiseerd binnen de pleegzorg, jeugdbescherming en Veilig Thuis om de stem van kinderen te versterken.
Allereerst wordt binnen de Richtlijn Pleegzorg de focus meer gelegd op formele en informele vertrouwenspersonen, in aanvulling op het betekenisvol 1-op-1 contact tussen de professional en het pleegkind. Eveneens heb ik, in lijn met de motie Westerveld3, opdracht gegeven aan Jeugdstem om samen met ervaringsdeskundige jongeren uit de pleegzorg, de NVP en de Alliantie Informele Steun een informatiepakket te maken voor pleegkinderen zodat zij weten dat zij recht hebben op de hulp van vertrouwenspersonen en informele steunfiguren. Dit informatiepakket bestaat onder andere uit het «Ken-je-rechten-boekje» specifiek voor pleegkinderen, informatievideo’s en podcastafleveringen. Jeugdstem zal ook informatie beschikbaar maken voor pleegzorgbegeleiders, zodat deze ook over de juiste informatie beschikken. Jeugdstem verwacht in september het informatiepakket voor pleegkinderen gereed te hebben.
Daarnaast heeft de Raad voor de Kinderbescherming in 2025 de positie van het kind versterkt, onder andere door het verbeteren van het kindgesprek, het inzetten van een ervaringsdeskundigen en het aanscherpen van de handreiking «Praten met kinderen over seksueel misbruik».
De Gecertificeerde Instellingen hebben naar aanleiding van het inspectierapport van 25 september 2025 een plan van aanpak opgesteld waarin onder andere gewerkt wordt aan de gezamenlijke uitgangspunten voor betekenisvolle face-to-face contacten. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de werkwijze die in het kader van het Toekomstscenario is ontwikkeld. Voorts is de afgelopen jaren met het landelijk tarief de workload van de jeugdbeschermer verlaagd met bijna 30%. Dit geeft meer ruimte voor betekenisvol contact van de jeugdbeschermer met het kind en het gezin. Specifiek voor de William Schrikker Stichting geldt dat naar aanleiding van de ernstige mishandeling in Vlaardingen maatregelen zijn genomen om het zicht op veiligheid van het kind te verbeteren, bijvoorbeeld door ieder kwartaal een toets uit te voeren op de actualiteit van kind-alleen-gesprekken.
Vanuit Veilig Thuis is er al een protocol voor het handelen bij disclosure, dat is wanneer een kind zelf aangeeft mishandeld te worden. Disclosure valt in alle gevallen onder vermoedens van acuut en/of ernstig structureel huiselijk geweld. Bij een melding bij Veilig Thuis waar sprake is van disclosure moet altijd een vertrouwensarts worden betrokken en moet een «top tot teen»-onderzoek plaatsvinden.
De vreselijke gebeurtenis in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat bij een deel van de professionals nog te weinig bekend was over disclosure en de afgesproken handelingsperspectieven. Daarom heeft Veilig Thuis vooral geïnvesteerd in het creëren van bewustwording rondom disclosure, zowel door rechtstreekse voorlichting aan professionals als door veel aandacht hierover op het nieuwe digitaal platform (o.a. met AI-chatbots). Ook is er brede aandacht voor de adviesfunctie voor professionals en heeft verbetering plaatsgevonden van meldings-en informatiesystemen. Daarnaast vindt voorlichting plaats op scholen over de radarfunctie van Veilig Thuis en via digitale kanalen. Tot slot verbetert Veilig Thuis zelf ook de gespreksvoering met kinderen door de medewerkers te trainen in systematische gespreksvoering met kinderen bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling (NICHD-methode).
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om het toezicht te verbeteren? Hoe reflecteert u op het feit dat er momenteel nog steeds geen onafhankelijk toezicht is op het handelen van Veilig Thuis?
Op het handelen van Veilig Thuis wordt onafhankelijk toezicht gehouden door de IGJ. Dit toezicht is zowel risicogestuurd als thematisch van aard. Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld.
De IGJ toetst of Veilig Thuis voldoet aan de geldende normen en verplichtingen op vier terreinen: veiligheid, de mate waarin gezinnen en huishoudens centraal worden gesteld, de deskundigheid van professionals en goed bestuur. Hiervoor heeft zij in januari 2025 ook een geactualiseerd toetsingskader opgesteld.
Daarnaast geldt voor Veilig Thuis een meldplicht bij de IGJ wanneer zich calamiteiten of incidenten voordoen in zaken waarbij zij betrokken is. De IGJ beoordeelt vervolgens onafhankelijk of nader onderzoek nodig is.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om de werkwijze van organisaties te verbeteren en jeugdzorg en jeugdbescherming beter op elkaar aan te laten sluiten? Wordt er gewerkt aan wetsvoorstellen? Wat is de planning?
Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Vlaardingen, het toezicht van de IGJ en het debat van 4 maart 2025 zijn pleegzorgorganisaties en gecertificeerde instellingen gezamenlijk aan de slag gegaan met het verbeteren van de samenwerking. De Ministeries van JenV en VWS hebben Jeugdzorg Nederland, als koepel voor pleegzorg en jeugdbescherming, de opdracht gegeven om de Handreiking samenwerkingsafspraken Jeugdbescherming-Pleegzorgaanbieder uit 2016 te actualiseren. Vanuit Jeugdzorg Nederland zijn hiervoor projectleiders aangetrokken. In dit traject zijn onder andere de volgende onderwerpen meegenomen: versnellen van verklarend analyseren, gegevensuitwisseling tussen professionals, samenwerkingsafspraken met gezinshuizen en optimaal betekenisvol contact met het kind. De planning voor het vaststellen van deze hernieuwde samenwerkingsafspraken is najaar 2026. Aanvullend op deze samenwerkingsafspraken zijn er geen wetsvoorstellen in voorbereiding.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om scholen en andere betrokkenen een betere terugkoppeling te geven als zij melding doen bij Veilig Thuis van vermoedens over kindermishandeling?
In regio’s zijn stappen gezet om de verbinding tussen school en onderwijs te versterken. Onder meer door het aanstellen van vaste contactpersonen voor onderwijspartners. Deze contactpersonen zijn goed bereikbaar en gemakkelijk te vinden voor scholen, beantwoorden vragen vanuit het onderwijs en vertalen signalen en verbeterpunten intern door binnen Veilig Thuis. Overigens is in het Handelingsprotocol van Veilig Thuis opgenomen dat scholen vanuit Veilig Thuis altijd de informatie krijgen die noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun taken en bevoegdheden. Ook krijgt de school altijd een terugkoppeling.
Op welke manier is de screening van pleegouders verbeterd na het debat van 4 maart 2025? En op welke manier de ondersteuning van pleegouders?
Een goede screening van pleegouders is belangrijk. Hiervoor moet een zorgvuldige procedure doorlopen worden, bestaande uit voorbereiding en beoordeling van de geschiktheid van pleegouders door de pleegzorgaanbieders, aangevuld met een justitiële screening door de Raad voor de Kinderbescherming.
De IGJ heeft in het thematisch toezicht naar de pleegzorg onder meer gekeken naar de screening en heeft op dit gebied geen aanbevelingen gedaan.
Desalniettemin hebben pleegzorgaanbieders het Kwaliteitskader Voorbereiding en Screening vervroegd geëvalueerd. Binnen deze evaluatie wordt kritisch gekeken naar het opvragen van referenten, informatie-uitwisseling tussen pleegzorgaanbieders onderling en screening en voorbereiding van netwerkpleegouders. Het nieuwe Kwaliteitskader is eind vorige maand bestuurlijk vastgesteld.
Ten aanzien van de justitiële screening (Verklaring van Geen Bezwaar) die de Raad voor de Kinderbescherming op verzoek van de pleegzorgaanbieder uitvoert, past de RvdK sinds de herziening van zijn handreiking in februari 2025 consequent het vier-ogen-principe toe bij besluitvorming over (her-)screeningen van pleeggezinnen. Ter versterking van de zorgvuldigheid raadpleegt de RvdK op vaste momenten in het justitiële (her-)screeningstraject de Gecertificeerde Instelling en de pleegzorgaanbieder op het moment dat er zorgen zijn. Indien het onderzoek daar aanleiding toe geeft kunnen er meer informanten worden geraadpleegd.
Naast een goede screening is vooral goede ondersteuning en begeleiding van pleegouders belangrijk, zodat eventuele zorgen over de opvoedsituatie tijdig in beeld komen. De ondersteuning en begeleiding van pleegouders gebeurt primair door de pleegzorgwerkers en begeleiding vanuit de aanbieders. De komende periode geven de pleegzorgaanbieders uitvoering aan hun verbeteragenda, waar het versterken van de begeleiding van pleegouders een kernonderdeel van is.
Verder is het van belang dat pleegouders ergens terecht kunnen met vragen en klachten, als zij er niet uitkomen met de pleegzorgbegeleiding. Hiervoor geef ik subsidie aan de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen en Jeugdstem. Zij kunnen pleegouders ondersteunen. Aanvullend heb ik maatregelen genomen voor het beter ondersteunen van pleeggezinnen zoals het financieel mogelijk maken van kinderopvang voor pleegkinderen en het uitbreiden van de bijzondere kostenvergoeding in het vrijwillig kader.
Hoe kan het dat de aantallen kinderen die herkend worden als slachtoffer van kindermishandeling stijgt, maar de financiering van het LECK niet meegroeit? Wat heeft u concreet gedaan met de aangenomen motie Krul-Westerveld waarin wordt gevraagd de expertise van het LECK te borgen (Kamerstuk 31 015, nr. 299)?
Het LECK heeft als primaire taak artsen te adviseren bij vermoedens van kindermishandeling. Dit advies is gebaseerd op medische informatie en fotomateriaal en richt zich op de vraag of geconstateerd letsel past bij de beschreven toedracht, of dat er aanwijzingen zijn voor mogelijke kindermishandeling. Voor een zorgvuldige beoordeling is het daarbij van belang dat het LECK beschikt over kwalitatief goede informatie.
Via de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zijn er verschillende routes waarlangs deze expertise kan worden ingezet. Zo kan Veilig Thuis medische professionals adviseren eerst een consult bij het LECK aan te vragen voordat een melding wordt gedaan. Daarnaast kunnen Veilig Thuis en vertrouwensartsen bij een vermoeden van lichamelijke mishandeling of seksueel misbruik advies of onderzoek laten uitvoeren door een forensisch arts.
Het aantal adviezen van het LECK is de afgelopen jaren toegenomen, en ook de financiering is in die periode substantieel gegroeid. Ik vind het belangrijk dat de expertise van het LECK behouden blijft en toegankelijk is voor de professionals die daarop zijn aangewezen. In lijn met de aangenomen motie Krul-Westerveld ben ik daarom met het LECK en andere betrokken partijen in gesprek over hoe deze expertise duurzaam kan worden geborgd. Daarnaast verken ik hoe de samenwerking en afstemming tussen gecertificeerde instellingen, Veilig Thuis, forensische expertiseorganisaties en het LECK in breder verband verder versterkt kunnen worden.
Hoe reflecteert u, gezien de forse problemen in het stelsel, op het gebrek aan financiële middelen voor het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming en het uitblijven van gerichte, structurele investeringen in de jeugdbescherming?
Ik herken de ernst van de problemen binnen het stelsel. Met de betrokken partners voer ik overleg over de aanpak daarvan, vooralsnog binnen het bestaande financiële kader en met de extra POK-middelen die regio's hebben ontvangen: € 18 miljoen in 2026 en € 17 miljoen in 2027. Over de veranderstrategie van het Toekomstscenario zal ik uw Kamer in juli informeren.
steeds).
Het bericht 'Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors' |
|
Sarath Hamstra (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Ja. Het is cruciaal dat kinderen veilig zijn en scholen hebben hier een belangrijke rol in, met name in signalering. Het is dus een positieve ontwikkeling dat scholen steeds vaker Veilig Thuis benaderen: meer kinderen krijgen daardoor de ondersteuning en bescherming die ze nodig hebben. Tegelijkertijd brengt de forse toename van adviesvragen en meldingen een aanzienlijke druk op de capaciteit van Veilig Thuis met zich mee. Kindermishandeling is een hardnekkig probleem en een goede verbinding tussen school en Veilig Thuis is belangrijk om passende ondersteuning en bescherming te bieden.
Klopt het dat het aantal meldingen van scholen bij Veilig Thuis de afgelopen 3 jaar met ruim 1.600 meldingen is gestegen?
Ja, het aantal meldingen uit het onderwijs is de afgelopen jaren met ruim 1.600 gestegen. Cijfers van het CBS geven het volgende beeld:
2022
4.630
2023
5.420
2024
5.690
2025
6.290
Deelt u de mening dat het een goede ontwikkeling is dat scholen een belangrijkere rol spelen in het herkennen van kindermishandeling, en dat scholen hier ook vaker melding van doen?
Ja, ik deel die mening. Leerkrachten en ander onderwijspersoneel hebben een belangrijke signalerende rol. Zij zien hun leerlingen vrijwel dagelijks en kunnen signalen in de klas opvangen van kindermishandeling en kunnen hiermee het verschil maken voor een leerling. Het is goed om te zien dat scholen hierbij ook vaker de weg naar Veilig Thuis weten te vinden, zij kunnen de leerkrachten ook steunen in de verantwoordelijkheid die zij voelen om goed met de signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling om te gaan.
Alle scholen in Nederland hebben de plicht om de meldcode Veilig Thuis te gebruiken, deze schooleigen te maken en toe te passen bij vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld. Voor het onderwijs is hierbij ook een afwegingskader gemaakt, dat scholen helpt bij het goed gebruiken van de meldcode2.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat leraren en scholen voldoende worden ondersteund bij het herkennen van signalen van (mogelijke) mishandeling en huiselijk geweld?
Het is belangrijk dat professionals bij Veilig Thuis en die in het onderwijs elkaars werk kennen en oog hebben voor ieders perspectief. Zo kan het voor scholen bij vermoedens lastig zijn om te melden, omdat zij altijd te maken hebben met een vertrouwensrelatie met de ouders en het kind zelf. Bij twijfel over hoe te handelen kunnen scholen al bij stap 2 in de meldcode contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is belangrijk dat scholen dit bij twijfel ook doen.
Zoals toegezegd in de beleidsreactie op de inspectierapporten over de casus Vlaardingen, is het afgelopen jaar en dit jaar geïnvesteerd in scholing voor professionals in het onderwijs (bijvoorbeeld intern begeleiders, aandachtsfunctionarissen en leraren), specifiek gericht op de rol van Veilig Thuis en goed gebruik van de meldcode. Deze trainingen worden verzorgd door de landelijke vereniging van aandachtsfunctionarissen (LVAK) en zijn vormgegeven samen met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.
Het kabinet werkt daarnaast aan een versteviging van de adviesfunctie in de meldcode, daarbij wordt de mogelijkheid van een adviesplicht afgewogen.
Is bekend bij hoeveel procent van de meldingen bij Veilig Thuis-organisaties het lukt om deze binnen de wettelijke termijn te beoordelen? Is dat meer of minder dan de 80% die uit het inspectieonderzoek in 2023 is gebleken?
Bij vrijwel alle Veilig Thuis-organisaties bestaan wachtlijsten. Dit uit zich vooral in het niet halen van de wettelijke termijn van tien weken voor de dienst «onderzoek en vervolg» en het niet tijdig afronden van de veiligheidsbeoordeling binnen vijf dagen.
Een eenduidig landelijk beeld van de wachtlijsten is niet te geven: Mede vanwege de manier van aanbesteden door gemeenten en de afspraken die zijn gemaakt over de bijbehorende verantwoording van Veilig Thuis aan de gemeenten, bestaan er verschillen in hoe het al dan niet behalen van de termijn wordt geregistreerd. De noodzaak om hier gezamenlijk verbetering in aan te brengen wordt door alle betrokken partijen diep gevoeld. Daarom werk ik samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG hard aan een meer uniforme manier van werken en registreren binnen Veilig Thuis.
De IGJ houdt toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken van Veilig Thuis.
Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld. Ik breng daarnaast samen met het LNVT, VNG, J&V en de IGJ in kaart welke aanpassingen in wettelijke taken en grondslagen van Veilig Thuis nodig zijn om gezinnen en huishoudens sneller de juiste zorg en ondersteuning te bieden.
Maakt Veilig Thuis op basis van het aantal meldingen een prioritering? Zo ja hoe?
Alle meldingen die bij Veilig Thuis binnenkomen, worden binnen 24 uur inhoudelijk beoordeeld op urgentie. Deze beoordelingen worden uitgevoerd door daarvoor opgeleide professionals, die kijken naar de aard, ernst en urgentie van de veiligheidsrisico's. Meldingen waarbij sprake is van acute of ernstige onveiligheid krijgen daarbij direct prioriteit.
Wordt er na de casus van het pleegmeisje uit Vlaardingen anders omgegaan met kinderen die de mishandeling zelf melden? Zo ja, wordt hieraan prioriteit gegeven?
Sinds de situatie van het Vlaardings pleeggezin heeft Veilig Thuis intensief voorlichting gegeven over het zelf melden van mishandeling van kinderen («disclosure»). Deze voorlichting richt zich onder meer op wat professionals in zo'n situatie kunnen en moeten doen.
Disclosure valt altijd onder de noemer «acuut en/of structureel onveilige situatie». Binnen de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling geldt daarom als professionele norm dat er een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis en dat een top tot teen-onderzoek volgt.
Is bekend hoe Veilig Thuis de achterstand aan meldingen wil wegwerken?
De wachtlijsten bij Veilig Thuis kennen meerdere oorzaken. Waar mogelijk werkt Veilig Thuis actief aan het wegnemen daarvan.
Om achterstanden terug te dringen en meldingen sneller op te pakken, worden extra maatregelen ingezet. Voorbeelden zijn gezamenlijke overwerksessies en doorbraakteams die zich specifiek richten op het versneld oppakken van meldingen.
Om personeelsverloop en -tekorten aan te pakken worden landelijk en regionaal wervingscampagnes gevoerd en informatiebijeenkomsten en speeddates georganiseerd voor geïnteresseerde kandidaten. Daarnaast wordt actief samengewerkt met hogescholen om studenten kennis te laten maken met het werk van Veilig Thuis. Ook wordt geïnvesteerd in zijinstromers en young professionals, die via begeleiding, opleiding en een zorgvuldig inwerkprogramma geleidelijk worden voorbereid op deze complexe werkzaamheden.
Verder is geïnvesteerd in het digitale ondersteuningsaanbod, zodat eerder en efficiënter advies en ondersteuning kan worden geboden. De gedachte is dat vroegtijdig oppakken van signalen erger kan voorkomen met minder intensieve interventies, wat uiteindelijk het aantal meldingen doet afnemen. Daarnaast worden werkprocessen continu doorontwikkeld en worden in de regio's samenwerkingsafspraken gemaakt om specifieke knelpunten lokaal aan te pakken.
Tot slot richt het Toekomstscenario zich op het verbeteren van de aanpak in brede zin. Het doel is om meer situaties van onveiligheid binnen gezinnen op te pakken via sterke lokale wijkteams, met veiligheidsexpertise dichtbij. Dit moet leiden tot snellere en passende hulp, waardoor situaties minder snel escaleren en meldingen minder vaak nodig zijn.
In hoeverre lukt het Veilig Thuis om gegevens te delen met andere organisaties zodat de samenwerking en afstemming versneld wordt? Welke belemmeringen bestaan er nog wat betreft gegevensdeling?
Veilig Thuis is de enige partij binnen het vrijwillig kader met een wettelijke grondslag voor het uitwisselen van informatie met partijen in zowel het vrijwillige als het gedwongen kader. Bij een melding wordt standaard een check op bekendheid uitgevoerd bij een aantal vaste partijen, zoals de politie, de Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen. Afhankelijk van de melding kan Veilig Thuis ook bij andere partijen informatie opvragen, zoals bij school, huisarts of het lokaal team.
Hiervoor is Veilig Thuis wel afhankelijk van informatie over wie er bij de situatie betrokken zijn. Als betrokken organisaties die informatie niet verstrekken, bijvoorbeeld omdat zij het beroepsgeheim laten prevaleren boven het delen van informatie, heeft Veilig Thuis onvoldoende basis om te kunnen handelen.
Zijn er regionale verschillen in wachttijden en afhandeling van meldingen bij Veilig Thuis?
Er bestaan inderdaad grote regionale verschillen in wachttijden bij Veilig Thuis. De afhandeling van meldingen is in de basis echter gelijk: alle 25 Veilig Thuis-organisaties werken met hetzelfde handelingsprotocol. Verschillen in regionale samenwerking, bijvoorbeeld wachtlijsten bij ketenpartners, kunnen desondanks van invloed zijn op de wachttijden.
Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG wordt nadrukkelijk verkend hoe de werkwijze verder geüniformeerd kan worden. Daarbij wordt gekeken naar mogelijke aanscherping van de wettelijke vereisten en naar wat de minimale basis voor elke gemeente zou moeten zijn.
Het bericht ‘Fabrikant negeert signalen over falend hartimplantaat, patiënten niet geïnformeerd’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fabrikant negeert signalen over falend hartimplantaat, patiënten niet geïnformeerd»?1
Ja, daar is het kabinet bekend mee.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat duizenden hartpatiënten in Nederland jarenlang hebben rondgelopen met een ICD-draad die mogelijk sneller stukgaat dan zou moeten, terwijl zij daar niet actief over zijn geïnformeerd?
Het kabinet begrijpt de zorgen die zijn ontstaan naar aanleiding van de berichtgeving over de Linox-draden. Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat medische hulpmiddelen veilig zijn en dat signalen over mogelijke risico’s zorgvuldig worden opgevolgd.
Tegelijkertijd is het van belang de feiten zorgvuldig te wegen. Uit de beschikbare informatie blijkt dat cardiologen vanaf ongeveer 2013/2014 signalen van mogelijke problemen met deze specifieke lead serieus hebben genomen. Zij hebben deze signalen gemeld bij de fabrikant en de toezichthouder en hebben ervoor gekozen patiënten met deze leads extra te monitoren. Daarbij werden patiënten bij wie daadwerkelijk slijtage of andere problemen werden vastgesteld, geïnformeerd en behandeld.
Het klopt dat niet alle patiënten met een Linox-draad destijds actief zijn benaderd. Volgens de betrokken cardiologen was daarvoor gekozen, omdat er geen officiële veiligheidswaarschuwing of terugroepactie van de fabrikant of toezichthouders was afgegeven en een algemene waarschuwing tot onnodige onrust en mogelijk risicovolle medische ingrepen zou kunnen leiden.
Het kabinet vindt het belangrijk dat patiënten tijdig en volledig worden geïnformeerd over relevante risico’s die hun gezondheid kunnen raken. Tegelijkertijd moeten zorgverleners steeds een zorgvuldige afweging maken tussen het informeren van patiënten, de beschikbare wetenschappelijke kennis op dat moment en de mogelijke gevolgen van aanvullende medische interventies. Het kabinet zal bij de beroepsgroep benadrukken dat dit een afweging is die regelmatig opnieuw moet worden bezien.
Klopt het dat tussen 2006 en 2019 bij minstens 4.600 Nederlandse patiënten een Linox-draad van fabrikant Biotronik is geïmplanteerd en dat naar schatting nog zeker duizend mensen in Nederland met zo’n draad rondlopen?
Uit contact met de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (hierna: NVVC) heeft de IGJ opgemaakt dat de genoemde cijfers inderdaad vergelijkbaar zijn.
Klopt het dat cardiologen in binnen- en buitenland al jarenlang signalen zagen dat deze ICD-draden sneller kapotgingen dan andere draden? Zo ja, sinds wanneer waren de fabrikant, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie en betrokken ziekenhuizen hiervan op de hoogte?
In 2014 zijn de Linox-draden besproken in een overleg tussen de IGJ, NVVC, de Netherlands Cardiovascular Data Registry (NCDR) en de Nederlandse Hart Ritme Associatie (NHRA)). De meldingen over de Linox-draden laten geen opmerkelijke verschillen zien met meldingen over andere leads. Daarnaast zijn er geen tegengestelde signalen ontvangen vanuit andere Europese en mondiale toezichthouders. De IGJ had daarom geen reden om aan te nemen dat de Linox-draden minder presteren dan vergelijkbare leads en zag geen aanleiding tot een vervolgactie.
Naar aanleiding van de vragen van Investico en Nieuwsuur heeft de IGJ onlangs opnieuw gesproken met de NVVC en NHRA over de zorgen die cardiologen hebben over deze leads en de wijze waarop de fabrikant omgaat met meldingen. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de IGJ vragen uitstaan bij de fabrikant over zijn systeem van post market surveillance. Daarnaast gaat de IGJ de prestaties van de leads bespreken met de betrokken autoriteit in Duitsland, waar de fabrikant is gevestigd.
Kunt u verklaren waarom patiënten niet actief zijn gewaarschuwd, terwijl het gaat om een implantaat in hun lichaam dat bij defecten onterechte, zeer ingrijpende shocks kan geven? Klopt het dat de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie patiënten niet informeerde omdat zij het vertrouwen in hun apparaat niet wilde aantasten, en hoe beoordeelt u die afweging?
Hierbij wordt u verwezen naar het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat bij de IGJ in Nederland ten minste 59 meldingen zijn binnengekomen van onterechte shocks door deze draden, waarvan de meest recente melding uit 2026 komt? Hoeveel meldingen van defecten, complicaties en andere problemen met deze draden zijn in totaal bekend?
Nederlandse ziekenhuizen plaatsen jaarlijks ongeveer tienduizend ICD-draden. De IGJ ontving sinds 2009 in totaal 425 meldingen over Linox-draden. Bij 83 van deze meldingen ging het om onterechte shocks. De IGJ ziet hierin geen verschillen met de meldingen over andere leads.
Welke concrete stappen worden momenteel gezet om patiënten die nog met deze Linox-draden rondlopen persoonlijk te informeren over de mogelijke risico’s en over wat dit voor hen betekent? Kunt u garanderen dat geen enkele patiënt tussen wal en schip valt?
Patiënten worden benaderd wanneer daar aanleiding toe is vanuit de normale ziekenhuiscontrole of thuismonitoring. Verder heeft de NVVC informatie beschikbaar gesteld aan cardiologen, verpleegkundigen, pacemakertechnici, de Hartstichting en patiëntenorganisatie STIN, zodat patiënten en hun omgeving kunnen worden voorgelicht.2 Patiënt die vragen hebben, worden verwezen naar hun eigen cardioloog of behandelcentrum.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor het toezicht op fabrikanten van medische hulpmiddelen en voor de manier waarop patiënten worden geïnformeerd bij signalen over mogelijk falende implantaten?
Deze casus bevestigt het belang van aandacht voor de informatiepositie van patiënten in de regelmatige onderlinge informatie-uitwisseling tussen de inspectie en beroepsgroep. Deze informatie-uitwisseling is onderdeel van het toezicht op de post-market fase, omdat dit ten goede komt aan de monitoring van de kwaliteit van medische hulpmiddelen en daarmee aan de zorgvuldige en veilige zorg voor patiënten.