Het bericht dat meldingen van kindermishandeling te traag worden afgehandeld door Veilig Thuis |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Niemand weet hoe vaak het misgaat» over de trage afhandeling van meldingen van kindermishandeling door Veilig Thuis en wat is uw reactie op de zorgen van jeugdrechtadvocaten dat ernstige zaken te lang blijven liggen?1
Klopt het dat meldingen van ernstige kindermishandeling regelmatig langer openstaan dan de wettelijke termijn van tien weken en hoeveel meldingen staan momenteel langer open dan wettelijk toegestaan?
Hoeveel meldingen van vermoedens van ernstige kindermishandeling of huiselijk geweld zijn de afgelopen vijf jaar niet tijdig opgepakt en hoeveel kinderen zijn in diezelfde periode ernstig mishandeld of overleden terwijl er al signalen bekend waren bij hulpinstanties?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen mogelijk maandenlang in een onveilige thuissituatie blijven terwijl instanties al meldingen en signalen hebben ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u dat ernstige zaken volgens deskundigen «ondersneeuwen» door de grote hoeveelheid meldingen en is er volgens u sprake van personeelstekorten, bureaucratie, falende coördinatie of onvoldoende deskundigheid binnen Veilig Thuis?
Hoeveel fte is er de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis bijgekomen, hoeveel vacatures staan momenteel open en acht u de huidige capaciteit voldoende om kinderen tijdig te beschermen?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de afgelopen vijf jaar ingegrepen, waarschuwingen afgegeven of onderzoeken ingesteld naar Veilig Thuis-organisaties wegens tekortschietende uitvoering?
Hoe wordt momenteel gecontroleerd of meldingen daadwerkelijk leiden tot snelle en adequate actie om kinderen direct in veiligheid te brengen en klopt het dat ouders of betrokkenen soms niet of onvoldoende worden geïnformeerd over meldingen en de voortgang van onderzoeken?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de structurele problemen binnen Veilig Thuis en de samenwerking tussen Veilig Thuis, jeugdzorg, gemeenten, politie en andere instanties? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen, extra middelen, bevoegdheden of wetswijzigingen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat ernstige meldingen direct prioriteit krijgen en te voorkomen dat kinderen opnieuw slachtoffer worden van langdurige mishandeling door falend toezicht?
Het uitsluiten van mensen met psychiatrische aandoeningen bij levens- en uitvaartverzekeringen |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat mensen met psychische problemen bij een aantal levens- en uitvaartverzekeringen worden geweigerd omdat zij een «hoger gezondheidsrisico dan gemiddeld» hebben? Bent u ervan op de hoogte dat veel verzekeraars een uitsluitingsclausule hebben bij overlijden door suïcide?
Zijn dergelijke uitsluitingsclausules toegestaan? Is het verzekeringen toegestaan om het gezondheidsrisico van mensen te beoordelen en op basis daarvan te besluiten of zij zich kunnen verzekeren? Zo ja, wat zijn de criteria of besluiten verzekeraars dit zelf? Is het ook toegestaan als het gaat om lichamelijke gezondheidsproblemen of leeftijd?
Is dit ook toegestaan als de psychische problemen beginnen na de eerste polisjaren?
Deelt u de mening dat deze uitsluiting een vorm van indirecte discriminatie is op grond van handicap of chronische ziekte, zoals bedoeld in de Wet gelijke behandeling en haaks staat op het VN-verdrag Handicap?
Kunt u toelichten of verzekeraars voldoende onderbouwing leveren voor dit onderscheid, en hoe wordt getoetst of het onderscheid proportioneel en gerechtvaardigd is?
Bent u bereid om met de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en het College voor de Rechten van de Mens in gesprek te gaan over deze uitsluitingspraktijken?
Bent u bereid om in gesprek te gaan met verzekeraars en andere instanties om gelijke toegang tot financiële producten te garanderen voor mensen met een psychische kwetsbaarheid?
Het bericht ‘Tientallen jongeren vallen politie aan op kermis Purmerend’ |
|
Geert Wilders (PVV), Marjolein Faber (PVV), Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige ongeregeldheden rondom de kermis in Purmerend waarbij politie en hulpdiensten zijn belaagd met stenen en vuurwerk?1
Klopt het dat er signalen bekend waren dat groepen zogenoemde «jongeren», waaronder personen uit Amsterdam en Zaandam, naar Purmerend zouden komen met de bedoeling om confrontaties en ongeregeldheden te veroorzaken? Zo ja, sinds wanneer waren deze signalen bekend?
Welke concrete maatregelen zijn vooraf genomen door politie, handhaving en het lokaal gezag om deze aangekondigde ongeregeldheden te voorkomen?
Waarom is er kennelijk niet voorkomen dat relschoppers zich konden verzamelen en ernstige wanordelijkheden konden veroorzaken in de nabijheid van een evenement waar veel gezinnen en kinderen aanwezig waren?
Hoeveel personen zijn aangehouden naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Kunt u daarbij aangeven hoeveel van hen minderjarig zijn en hoeveel reeds eerder met politie of justitie in aanraking zijn geweest?
Klopt het dat de kermisexploitanten en bezoekers zelf geen rol hebben gespeeld bij de ongeregeldheden? Zo ja, waarom is er dan voor gekozen juist de kermis eerder te sluiten?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ondernemers, gezinnen en goedwillende bezoekers de dupe worden van het gedrag van relschoppers en straatterroristen?
Hoe beoordeelt u het besluit om de kermis reeds om 21.00 uur te sluiten terwijl omliggende horeca en fastfoodzaken niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde beperkingen werden onderworpen?
Is er sprake van economische schade voor de betrokken exploitanten als gevolg van het vervroegd sluiten van de kermis? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Purmerend over compensatie voor gedupeerde ondernemers?
Deelt u de opvatting dat relschoppers die politie en hulpdiensten aanvallen keihard aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld door middel van gebiedsverboden, snelrecht en het verhalen van schade op daders?
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre georganiseerde groepen via sociale media, waaronder drillrap-netwerken, betrokken waren bij het mobiliseren van personen voor deze ongeregeldheden?
Hoe vaak hebben zich in de afgelopen drie jaar vergelijkbare incidenten voorgedaan rondom kermissen, volksfeesten of andere publieke evenementen waarbij groepen relschoppers van buiten de gemeente doelbewust samenkwamen? En hoe vaak waren de ondernemers en bezoekers gedupeerd met vervroegde of aangepaste sluitingen?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat traditionele Nederlandse evenementen opnieuw doelwit worden van geweldplegers en georganiseerde overlastgroepen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De stijging van wapenbezit onder jongeren |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de politie in 2025 ruim 2.300 wapens bij jongeren in beslag heeft genomen en dat het aantal vuurwapens onder minderjarigen met circa 50 procent is gestegen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u verklaren waarom het vuurwapenbezit onder minderjarigen in korte tijd zo sterk is toegenomen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?
Welke rol spelen sociale media zoals Snapchat en Instagram bij online wapenhandel, criminele ronseling en de verheerlijking van geweld onder jongeren? Klopt het dat wapens nog altijd relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn? Welke maatregelen worden hiertegen genomen?
Wanneer kan de Kamer de nieuwe Wet Wapens en Munitie verwachten? Klopt het dat deze nog dit jaar wordt ingediend? Zo nee, waarom niet?
Beschikt de politie over voldoende capaciteit en expertise om online wapenhandel en criminele netwerken die minderjarigen inzetten proactief op te sporen? Zo nee, wat zijn hiervan de gevolgen?
Bent u – bovenop Preventie met Gezag – bereid extra te investeren in gespecialiseerde online politiecapaciteit, wijkagenten en jongerenwerkers om jongeren eerder in beeld te krijgen en criminaliteit te voorkomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Hoe is de samenwerking tussen politie, scholen, jeugdzorg, gemeenten en sociale mediaplatforms ingericht om jongeren te beschermen tegen criminele ronseling? Wilt u deze vraag uitgebreid beantwoorden?
Deelt u de opvatting dat de verharding onder jongeren en de opkomst van «crime as a service» vragen om een nationale aanpak met extra en aanvullende preventie, handhaving en online toezicht? Wanneer kan de Kamer hierover concrete voorstellen verwachten?
De nationale organisatie van HCID-zorg, quarantainebeleid en infectiepreventie naar aanleiding van de hantavirusuitbraak op de MV Hondius |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Dit weten we nu over de hantavirus-uitbraak»1, «Medewerkers Radboudumc in quarantaine vanwege fouten rond hantavirus»2, «Honderden in quarantaine op cruiseschip Ambition door uitbraak norovirus»3 en «Opnieuw norovirus op cruiseschip: een dode, 1.700 mensen in quarantaine»4?
Hoeveel personen – passagiers, bemanning, ziekenhuispersoneel en contacten – bevinden zich momenteel op Nederlands grondgebied in (thuis)quarantaine naar aanleiding van de uitbraak op de MV Hondius, en hoe wordt feitelijk gecontroleerd dat deze quarantaine ook wordt nageleefd?
Kunt u bevestigen dat het Radboudumc sinds mei 2022 als enige ziekenhuis in Nederland beschikt over een high-level isolation unit (HLIU) en dat desondanks na internationale afstemming bewust is besloten de hantaviruspatiënt níét in deze HLIU op te nemen, maar op een reguliere verpleegafdeling?
Hoe beoordeelt u het feit dat twee dagen ná deze vakinhoudelijke afweging twaalf medewerkers van het Radboudumc zes weken in quarantaine moesten omdat bloed en urine niet volgens de juiste internationale voorschriften zijn verwerkt, en dat het ziekenhuis stelt dat «het meest actuele internationale voorschrift nog niet beschikbaar was» voor de medewerkers?
Bent u bekend met de infectiologische, microbiologische, IC- en Euregio-capaciteiten van het Maastricht UMC+, alsmede met het feit dat Maastricht in 2014 werd genoemd met ebola-bedcapaciteit, en kunt u toelichten waarom Maastricht UMC+ thans niet formeel is aangewezen als VHK/HCID-behandelcentrum voor Zuid-Nederland, mede gezien de geografische spreiding van de huidige aangewezen centra?
Wie is er, in het Nederlandse stelsel, eindverantwoordelijk voor het tijdig beschikbaar stellen van de meest actuele internationale infectiepreventie- en controleprotocollen (IPC-protocollen) aan behandelende ziekenhuizen vóórdat een patiënt met een hoogrisico-infectieziekte wordt opgenomen – het RIVM, de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI), de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), of het ziekenhuis zelf? Acht u deze verantwoordelijkheidsverdeling op dit moment sluitend?
Hoeveel patiënten met een high consequence infectious disease (HCID) heeft de Nederlandse zorg in de afgelopen vijf jaar opgenomen, in welke ziekenhuizen, en in hoeveel van deze gevallen is daadwerkelijk gebruikgemaakt van een HLIU? Bent u bereid dit overzicht aan de Kamer te doen toekomen?
Bent u ermee bekend dat in het Verenigd Koninkrijk Andesvirus formeel is geclassificeerd als «airborne HCID»5, dat behandeling uitsluitend plaatsvindt in een beperkt aantal aangewezen Airborne HCID Treatment Centres6 en dat dwingende, gestandaardiseerde IPC- en PPE-protocollen gelden zodra deze classificatie van toepassing is?
Erkent u dat het Britse model – een formele HCID-classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra – risico’s structureel uitsluit die het Nederlandse model, waarin per geval een afweging wordt gemaakt, toelaat? Erkent u dat juist deze week is gebleken dat het Nederlandse «case-by-case»-model in dit geval heeft gefaald?
Waarom kent Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk, geen formele nationale HCID-lijst conform ECDC-standaard, geen vooraf aangewezen behandelcentra voor HCID-categorieën en geen dwingende virus-specifieke IPC-protocollen? Welke afweging ligt hieraan ten grondslag, en wanneer is deze afweging voor het laatst herzien?
Bent u bereid toe te zeggen dat u vóór novermber 2026: en de Kamer hierover uiterlijk in novermber 2026 schriftelijk te informeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, als noodzakelijke aanvulling op de in vraag 10 gevraagde HCID-structuur, een verplicht en structureel auditkader op de naleving van HCID- en IPC-protocollen in Nederlandse ziekenhuizen in te voeren, met ten minste de volgende elementen:
Wat zijn de totale geraamde kosten van de repatriëringsoperatie van de MV Hondius (evacuatievluchten, ambassade-inzet, SCOT-team, RIVM/GGD-inzet, zes weken thuisquarantaine en de Radboudumc-quarantaine inclusief vervangende inzet), en in hoeverre worden deze kosten verhaald op de rederij, de reisverzekeraars of de individuele passagiers? Bent u bereid een gespecificeerd kostenoverzicht aan de Kamer te sturen?
Acht u het redelijk dat de Nederlandse belastingbetaler opdraait voor de kosten van repatriëring en nasleep van een commerciële cruise waarop het besmettingsrisico is opgelopen? Welke wettelijke en verzekeringstechnische instrumenten ziet u om dit principieel anders te regelen voor toekomstige uitbraken?
Kunt u bevestigen dat op het Britse cruiseschip Ambition voor de kust van Bordeaux 1.700 opvarenden in quarantaine zijn geplaatst, dat een 92-jarige Britse passagier vermoedelijk is overleden aan het norovirus en dat ten minste vijftig passagiers ziek zijn geworden? Hoeveel Nederlanders bevinden zich aan boord, en welke ondersteuning krijgen zij op dit moment van de Nederlandse ambassade en het Snel Consulair Ondersteuningsteam (SCOT)?
Bent u ermee bekend dat in dezelfde week ook op het cruiseschip Caribbean Princess een uitbraak van het norovirus is vastgesteld, waarbij meer dan honderd passagiers en tien bemanningsleden ziek zijn geworden? Hoe beoordeelt u het feit dat in een tijdsbestek van enkele weken drie grote virusuitbraken (Hondius, Ambition, Caribbean Princess) op cruiseschepen plaatsvinden, en is er naar uw oordeel sprake van een structureel falen van de hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector?
Bent u bereid om – gelet op deze opeenvolgende uitbraken – een structurele preventieve informatieplicht in te voeren waarbij Nederlandse burgers die een cruise overwegen vóór boeking actief en eenduidig worden geïnformeerd over recente uitbraken, de uitbraakgeschiedenis per rederij en route, en de gezondheidsrisico’s van langdurig verblijf op cruiseschepen, bijvoorbeeld via een centrale «cruise-risicopagina» op nederlandwereldwijd.nl?
Bent u bereid om, in samenwerking met het RIVM, de European Maritime Safety Agency (EMSA) en het ECDC, bepaalde cruiseroutes of -regio’s waar zich recent uitbraken hebben voorgedaan tijdelijk als «verhoogd risico» aan te merken, met aanvullende preventieve verplichtingen voor rederijen die deze routes bevaren (zoals verplichte screening bij inscheping, verscherpte hygiëneprotocollen en een meldplicht bij verdachte ziektegevallen)? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een vast protocol «Snelle Repatriëring Nederlanders» vast te stellen voor infectieziekte-uitbraken op cruiseschepen, met heldere afspraken tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Defensie, zodat Nederlanders bij toekomstige uitbraken niet langer dagen of weken hoeven te wachten op evacuatie, zoals bij de MV Hondius het geval was? Bent u bereid dit protocol vóór 1 januari 2027 aan de Kamer voor te leggen?
Het artikel ‘De pijnlijke spagaat van Bernhoven: zinnige zorg is succesvol, maar niet als verdienmodel’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De pijnlijke spagaat van Bernhoven: zinnige zorg is succesvol, maar niet als verdienmodel» en wat is daarop uw reactie?1
Hoe past dit verhaal in de beweging naar passende zorg die dit kabinet propageert?
Ziet u een afname van onnodige zorg in Bernhoven en hoe kijkt u daar tegenaan?
Bent u van mening dat een beweging van passende zorg en minder onnodige zorg verder uitgerold moet worden, en is Bernhoven daar een voorbeeld in? Zo ja waarom en wat gaat u eraan doen om dit verder uit te rollen? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre zijn de financiële problemen van het ziekenhuis ontstaan door de beweging naar passende zorg?
Hoe kijkt u aan tegen de prijsprikkels die de spanning tussen passende zorg en minder inkomsten door minder behandelingen veroorzaakt?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat zorginstellingen die de beweging naar passende zorg maken daarvoor niet «gestraft» worden?
Bent u voornemens dit verdienmodel te doorbreken zodat het collectieve belang en niet het individuele belang van een ziekenhuis centraal komt te staan?
De financiële problemen bij ziekenhuis Bernhoven door de weigerachtige houding van meerdere zorgverzekeraars om het ziekenhuis voldoende te financieren |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat het ziekenhuis Bernhoven in de financiële problemen dreigt te geraken doordat zij minder zorg gericht op productie levert, maar passende zorg gericht op de patiënt als uitgangspunt?1, 2, 3
Bent u op de hoogte van het feit dat vijf zorgverzekeraars, te weten: Zilveren Kruis/Achmea, Menzis, ONVZ, ASR en Salland die samen een marktaandeel van twintig procent hebben in het werkgebied van Bernhoven, weigeren om – net als de andere zorgverzekeraars Bernhoven aanvullend te financieren zodat de financiële toekomst van Bernhoven kan worden gegarandeerd?
Bent u het ermee eens dat alle zorgverzekeraars gezamenlijk de plicht hebben het ziekenhuis Bernhoven langjarig voldoende te financieren om te voorkomen dat het ziekenhuis failliet gaat en/of gedwongen zou worden te fuseren met een ander ziekenhuis in de omgeving waardoor de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de ziekenhuiszorg voor 280.000 patiënten in de regio Oss, Bernheze, Maashorst, Meijerijstad onder druk komt te staan?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is wanneer een ziekenhuis financieel gestraft wordt voor het inzetten op passende zorg, terwijl uw kabinet juist expliciet wil inzetten op passende zorg?
Deelt u de mening van uw voorganger dat de werkwijze van het ziekenhuis Bernhoven een voorbeeld is dat navolging verdient? Kunt u dit toelichten?4
Klopt het dat een aantal verzekeraars de gemaakte afspraken uit het continuïteitsplan uit 2024 niet nakomt? Kunt u dit toelichten?
Hoe groot is het risico dat een deel van de zorg uit het ziekenhuis Bernhoven zal verdwijnen?
Bent u bereid de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) te vragen te bemiddelen dan wel in te grijpen bij het conflict tussen een aantal zorgverzekeraars en ziekenhuis Bernhoven om te komen tot een eerlijke en reële financiering door alle zorgverzekeraars waarbij enerzijds verkeerd uitpakkende productieprikkels worden vermeden en anderzijds het ziekenhuis langjarig financiële zekerheid kan worden geboden?
Bent u het ermee eens dat ten alle tijde moet worden voorkomen dat het ziekenhuis Bernhoven failliet gaat? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor zetten? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel als de toegankelijkheid van de zorg nog verder achteruitgaat?
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden?
Het bericht ‘Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt’. |
|
Tijs van den Brink (CDA), André Poortman (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt»?1
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat er zware pijnstillers uit de reguliere farmaceutische keten worden verhandeld op de zwarte markt?
Hoe duidt u de constatering van Zembla dat er diverse kwetsbaarheden en lekken in de keten van geneesmiddelendistributie en afvalinzameling zijn zoals corrupte medewerkers binnen Nederlandse apotheken?
Hoe duidt u het in het bericht beschreven voorval waarin er door het HagaZiekenhuis in eerste instantie geen aangifte werd gedaan van diefstal van medicatie door een medewerker en er eveneens geen melding werd gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd?
Bent u bereid met de sector in gesprek te gaan om te bezien of de huidige richtlijnen rondom het melden van diefstal en het doen van aangifte toereikend zijn en of deze voldoende worden nageleefd?
Hoe weegt u het verzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd om de bevoegdheid om met een «fictieve identiteit» proefaankopen te doen en bent u bereid te onderzoeken of deze en andere instrumenten en maatregelen getroffen kunnen worden om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, al dan niet in samenwerking met het Openbaar Ministerie, instaat te stellen tegen deze problematiek op te treden?
Bent u van mening dat er meer onderzoek gedaan moet worden naar illegale handel in legale medicatie? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen kunt u nemen om te achterhalen waar legale opiaten vandaan komen die uiteindelijk op de zwarte markt illegaal worden verhandeld?
Wat is uw mening over de rol die onlineplatforms zoals Telegram spelen in de illegale handel van medicijnen en wat kunt u, naast het aanspreken van deze platforms, verder doen om dit tegen te gaan?
In hoeverre is het strafbaar om legale medicijnen illegaal te verhandelen via online platforms en welke handvaten zijn er om deze handel aan te pakken?
Heeft u zicht op de omvang van de online handel in designerdrugs?
Acht u de huidige wetgeving rondom de aanpak van designerdrugs toereikend genoeg om juist ook de online handel ervan tegen te gaan? Welke knelpunten zijn hierbij nog aan de orde?
Misstanden bij gezinshuizen. |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de misstanden in De Glind en in andere gezinshuizen, zoals gerapporteerd door Omroep Gelderland en EenVandaag?1, 2, 3
Deelt u het beeld dat, ondanks dat gezinshuizen een hele mooie constructie zijn en in veel gevallen goed werken en erg waardevol zijn, er ook misstanden plaatsvinden in een aantal van deze gezinshuizen?
Klopt het dat de huidige kwaliteitscriteria gezinshuiszorg in feite richtlijnen zijn, volgens het principe «pas toe of leg uit», en geen bindende of afdwingbare eisen?
Acht u dit voldoende om de veiligheid van kinderen te waarborgen?
Bent u bereid om de kwaliteitscriteria gezinshuiszorg daadwerkelijke kwaliteitseisen te maken in plaats van richtlijnen, en dit ook te verankeren in de wet?
Deelt u de zorgen dat financiële prikkels ertoe kunnen leiden dat gezinsouders meer kinderen bij hen laten wonen dan verantwoord is, waardoor de kwaliteit van zorg onder druk komt te staan?
In hoeverre is het begrip gezinshuis juridisch verankerd in de Jeugdwet?
Bent u bereid dit expliciet in de wet op te nemen om duidelijkheid en uniformiteit te creëren?
Bent u bekend met signalen van de Inspectie dat zij informatie over niet-functionerende gezinshuisouders niet mogen delen vanwege het ontbreken van een vergewisplicht?
Deelt u de opvatting dat dit een direct risico vormt voor de veiligheid van de betrokken kinderen?
Bent u bereid een wettelijke vergewisplicht voor gezinshuizen in te voeren, zodat relevante informatie over de (on)geschiktheid van zorgverleners gedeeld en geborgd kan worden?
Bent u het met de indiener eens dat we op voorhand zouden moeten checken of een gezinshuisouder geschikt is, en niet pas wanneer er signalen zijn van misstanden?
Klopt het dat zelfstandige gezinshuizen zichzelf moeten melden bij de Inspectie en dat er geen volledig landelijk overzicht bestaat van het aantal gezinshuizen, en hoe beoordeelt u deze situatie?
Deelt u de opvatting dat verplichte registratie van gezinshuisouders, bijvoorbeeld via de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), noodzakelijk is om toezicht en uitsluiting bij misstanden mogelijk te maken?
Bent u het met de indiener eens dat het onwenselijk is dat wanneer momenteel een gezinshuis na misstanden moet sluiten, zij een paar kilometer verderop weer een nieuw gezinshuis kunnen starten?
Bent u bereid om te onderzoeken of landelijke eisen voor gezinshuiszorg mogelijk zijn, zodat niet alleen het toezicht en de veiligheid verbeterd kunnen worden, maar er ook minder verschillen tussen gemeenten zullen ontstaan?
Welke stappen gaat u concreet zetten om richtlijnen om te zetten in bindende kwaliteitseisen, registratie van gezinshuizen en gezinshuisouders verplicht te maken, en een vergewisplicht in te voeren?
Bent u het met de indiener eens dat het van groot belang is om meer grip te krijgen op gezinshuizen, zowel in het belang van deze kinderen als in het belang van het voortbestaan van deze waardevolle manier van jeugdzorg?
Toegang tot abortusmedicatie in de VS |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Met pillen kunnen vrouwen in de VS nu nog zelf kiezen voor abortus»?1
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat personen toegang hebben tot veilige abortuszorg? Deelt u de afschuw over het feit dat vrouwen in de Verenigde Staten (VS) in toenemende mate de toegang tot veilige abortuszorg wordt ontnomen?
Deelt u de zorgen dat anti-abortusbewegingen, ook in de EU en Nederland, vaak gesteund en soms zelfs gefinancierd worden door organisaties uit de VS? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is en dat wij als Nederland, ook binnen de context van de EU, pal voor het recht op abortuszorg moeten staan?
Deelt u de analyse dat met een eventueel verbod op het middel mifepriston een chilling effect kan optreden en angst bij hulpverleners, met uiteindelijk ook als gevolg dat vrouwen, met name vrouwen in een kwetsbare positie, belemmerd worden in de toegang tot abortuszorg?
Heeft u contact gehad met de Amerikaanse autoriteiten over het eventuele verbod? Zo ja, op welk niveau en wat wordt er in deze contacten gewisseld? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om in gesprek te gaan met de regering Trump of de Amerikaanse ambassadeur over (toegang tot) abortuszorg en het mogelijke verbod op mifepriston?
Deelt u de mening dat Nederland een voortrekkersrol moet vervullen bij de bescherming en bevordering van de rechten, gezondheid en positie van vrouwen en meisjes wereldwijd? Kunt u toelichten welke concrete stappen u momenteel zet om deze rol invulling te geven, en welke aanvullende maatregelen of ambities u voor de komende periode voor ogen heeft?
Op welke concrete wijze wenst u uitvoering te geven aan de motie Kröger c.s. over zich internationaal actief uitspreken tegen het inperken van vrouwenrechten, lhbtiq+-rechten en seksuele- en reproductieve rechten en gezondheidszorg?
Bent u bereid deze vragen ieder afzonderlijk te beantwoorden voor het besluit van het Hooggerechtshof met betrekking tot de verstrekking van mifepriston?
De uitbraak van het Hantavirus |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u op dit moment de ernst en het potentiële risico van het Hantavirus voor de volksgezondheid?
Het andesvirus, een hantavirus, kan ernstige ziekte veroorzaken, namelijk het Hantavirus cardiopulmonary syndrome (HCPS). In vergelijking met andere ziektebeelden veroorzaakt door hantavirussen die in Europa en Azië voorkomen, is HCPS een ernstiger ziektebeeld met hoge mortaliteit. Mensen kunnen hoge koorts en ademhalingsproblemen krijgen. Later kan dit leiden tot ernstige long- en hartproblemen. Het risico voor de volksgezondheid hangt, naast de ernst van de ziekte, ook af van het risico op overdracht. Alhoewel het andesvirus het enige hantavirus is waarbij mens-op-mens overdracht is beschreven, komt infectie van mens op mens zeer weinig voor. Internationaal zijn slechts enkele voorbeelden beschreven. Overdracht van mens op mens komt alleen voor als mensen intensief en langdurig contact met elkaar hebben. Het risico voor de volksgezondheid wereldwijd wordt daarom door de World Health Organization (WHO) als «laag» ingeschat. Het Europees centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) schat het risico voor specifiek de EU in als «zeer laag». Het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) sluit zich voor Nederland bij deze internationale inschatting aan en stelt dat het risico dat het virus zich in Nederland zal verspreiden heel klein is.
Zou u uiteen kunnen zetten hoe momenteel de prevalentie van het Hantavirus in Nederland concreet wordt gemonitord? Welke methodologieën worden daarbij toegepast?
De in Nederland voorkomende hantavirussen vallen onder de meldingsplicht groep C. Dit houdt in dat een patiënt gemeld moet worden aan de GGD. De GGD meldt dit aan het CIb en levert gegevens voor de landelijke surveillance. Bij elk bewezen autochtoon humaan geval wordt bronopsporing geadviseerd. Indien een bron gevonden is, kunnen maatregelen genomen worden om te voorkomen dat meer mensen ziek worden. Het RIVM monitort via de meldingsplicht de aantallen ziektegevallen door orthohantavirussen in Nederland en brengt hierover onder andere jaarlijks verslag uit in de Staat van Zoönosen.Omdat het andesvirus alleen voorkomt bij een specifiek type rijstrat, een knaagdier dat alleen in Zuid-Amerika voorkomt, zijn er geen patiënten geweest die dit virus in Nederland hebben opgelopen. Het andesvirus is inmiddels aangewezen als meldingsplichtige infectieziekte groep A2, en moet bij vermoeden gemeld worden bij de GGD. Het RIVM houdt op deze wijze landelijk overzicht van eventuele verdere mens-op-mens verspreiding in Nederland.
Heeft u reeds de verschillende mogelijke methodologieën om de besmettingen met en de verspreiding van het Hantavirus te monitoren in kaart gebracht en/of externe expertise ingewonnen om deze methodologieën in kaart te brengen?
De WHO en het ECDC hebben advies uitgebracht over het in kaart brengen van de besmettingen en de verspreiding van het andesvirus naar aanleiding van de uitbraak op de m/v Hondius. In Nederland baseren we ons, voor het beleid ten aanzien van de contacten, op deze adviezen. Ook voor het in kaart brengen van andere hantavirussen, die alleen van dieren op mensen worden overgebracht, handelt Nederland in lijn met internationale richtlijnen.
Welke methodologieën passen andere landen reeds toe?
Andere landen passen dezelfde methodologieën toe om de besmettingen met en de verspreiding van het hantavirus te monitoren. Daarover is in de afgelopen periode zeer intensief overleg geweest binnen de daarvoor bestemde coördinatiestructuren op EU-niveau en met de WHO.
Zijn er op dit moment meerdere varianten van het Hantavirus in omloop? Zo ja, welke varianten betreft het en in welke regio’s of landen worden deze vastgesteld?
Ja, er komen verschillende soorten hantavirussen voor in verschillende regio’s. Er zijn zo’n 60 verschillende hantavirussen bekend, waarvan er zo’n 30 kunnen worden overgedragen van knaagdier naar mens en ziekte kunnen veroorzaken.
In Nederland komen drie soorten hantavirussen voor die ziekte bij mensen kunnen veroorzaken. Deze worden door verschillende soorten knaagdieren overgedragen op mensen. Zo is het Puumalavirus afkomstig van rosse woelmuizen, het Seoulvirus van (tamme) ratten en het Tulavirus van veldmuizen. Van de drie in Nederland voorkomende hantavirussen worden de meeste mensen niet ziek. In 90% van de gevallen krijgt men hier geen klachten van. Als iemand wel ziek wordt, lijken de klachten vaak op griep. Hoe ernstig de klachten zijn, kan verschillen per virus en per individu.
In de rest van Europa komen ook andere hantavirussen voor. Deze geven in de meeste gevallen vergelijkbare klachten. Bij het dobravavirus, een variant die voorkomt in de Balkanlanden, wordt vaker het ernstigere ziekteverloop gezien. De sterfte aan de in Nederland voorkomende hantavirussen is erg laag, namelijk kleiner dan 1%.
Hantavirussen, zoals het andesvirus, die in Noord- en Zuid-Amerika voorkomen, kunnen zorgen voor ernstigere ziekte. Hierbij kunnen mensen hoge koorts en ademhalingsproblemen krijgen. Later kan dit leiden tot ernstige longproblemen en hartfalen. Er is sprake van hoge mortaliteit. Buiten Noord- en Zuid-Amerika komen deze hantavirussen niet voor, omdat de betreffende gastheerreservoirs alleen in Noord- en Zuid-Amerika voorkomen.
Kunt u de laatste stand van zaken geven van de wetenschappelijke kennis met betrekking tot de besmettelijkheid van de verschillende varianten?
Het andesvirus is de enige variant van het hantavirus die van mens op mens overdraagbaar is. Internationaal zijn er slechts enkele voorbeelden beschreven. Overdracht van mens op mens vindt alleen plaats als mensen intensief en langdurig contact met elkaar hebben.
Welke cruciale kennis ontbreekt momenteel nog? Laat u bijkomend onderzoek uitvoeren naar die ontbrekende kennis?
Voor de aanpak van deze uitbraak is de huidige kennis afdoende. Eerdere uitbraken in Zuid-Amerika hebben laten zien dat met case opsporing en contact tracing een uitbraak snel onder controle gebracht kan worden. Daarnaast zijn, toen het schip voor anker lag bij de Kaapverdische eilanden op 4 en 5 mei 2026, epidemiologen van de WHO en het ECDC aan boord gegaan om de uitbraak te onderzoeken en meer inzicht te verkrijgen. Via monitoring en onderzoek wordt aanvullende kennis opgebouwd.
Bent u bekend met de casus van een Italiaanse man die in het ziekenhuis opgenomen werd met symptomen van het Hantavirus?1
Het mediabericht is bekend. Via officiële kanalen is hierover niets gemeld.
Beschikt u over meer informatie of deze man in contact is gekomen met de Nederlandse vrouw die met eenzelfde KLM-vlucht wilde meereizen en even later aan de gevolgen van het Hantavirus overleed? Wordt hier nader onderzoek naar gevoerd?
Deze informatie is niet bekend. Uit het feit dat er in het overzicht van ECDC geen informatie is opgenomen over een persoon uit Italië kan worden opgemaakt dat deze persoon niet besmet was.
Klopt het dat er aanwijzingen zijn dat bepaalde varianten van mens op mens overdraagbaar zouden kunnen zijn? Zo ja, wat is hierover bekend? Welke acties onderneemt u om hierover meer kennis te vergaren?
Het andesvirus is het enige soort hantavirus, waarbij aanwijzingen zijn voor overdracht van mens op mens. Overdracht vindt waarschijnlijk plaats via direct speekselcontact, en mogelijk ook via druppels uit de neuskeelholte. De kans dat mensen elkaar besmetten, is klein. Internationaal zijn er slechts enkele voorbeelden beschreven. Overdracht van het andesvirus van mens op mens kan alleen gebeuren bij intensief en langdurig contact met een besmet persoon.
Hoe verloopt momenteel het bron- en contactonderzoek indien sprake is van een vermoedelijke of bevestigde besmetting?
Er loopt bron- en contactopsporing in relatie tot de uitbraak op het schip m/v Hondius. Hiervoor heeft het RIVM een speciale richtlijn opgesteld: Andesvirusinfectie | LCI-richtlijn | LCI-richtlijnen.
Beschikt Nederland momenteel over voldoende capaciteit om, indien noodzakelijk, snel en effectief bron- en contactonderzoek uit te voeren en op te schalen?
Ja, het andesvirus beschikt niet over de eigenschappen die kunnen leiden tot grote uitbraken. Het andesvirus verspreidt alleen van mens tot mens bij intensief en langdurig contact. Uitbraken die bekend zijn, zijn klein in aantallen en altijd gelinkt aan een specifieke setting zoals huishouden, ziekenhuis, verjaardag of zoals nu een cruiseschip. Daarnaast zijn maatregelen uit voorzorg genomen naar aanleiding van de uitbraak op de m/v Hondius. Alle opvarenden van de m/v Hondius zijn ofwel in isolatie in het ziekenhuis, ofwel in quarantaine op een daarvoor ingerichte quarantainelocatie, ofwel in thuisquarantaine. Zij worden strikt gemonitord: de GGD is in direct, dagelijks contact met deze personen.
Kunt u stap voor stap toelichten welke procedures in werking treden wanneer iemand besmet blijkt te zijn? Welke stappen moeten besmette mensen en hun omgeving doorlopen?
Als iemand besmet blijkt te zijn met het andesvirus en voor de infectie kenmerkende klachten ontwikkelt, wordt de desbetreffende persoon opgenomen in een academisch ziekenhuis. De GGD voert bron- en contactopsporing uit bij de besmette persoon en plaatst diens hoogrisicocontacten zo nodig uit voorzorg in thuisquarantaine. Diagnose van de besmette persoon wordt vastgesteld binnen een paar uur bij het RIVM dan wel het Erasmus MC. Bij bevestiging van de diagnose wordt de quarantaine tot zes weken na het laatste onbeschermde contact gecontinueerd.
Tijdens thuisquarantaine gaat iemand thuis (of ergens anders) in quarantaine: bij gezondheidsklachten moet men meteen de GGD bellen. De GGD begeleidt de personen in thuisquarantaine en geeft advies op maat. Het doel van thuisquarantaine is het bewaken van de gezondheid van de mensen in quarantaine en hun naasten, en het voorkomen van verspreiding van infectieziekten.
Welke behandelmogelijkheden zijn momenteel beschikbaar of in ontwikkeling voor besmette patiënten? Zijn die van toepassing op verschillende varianten van het virus?
Er is geen geregistreerde behandeling of (internationale) richtlijn voor andesvirus-infecties. Bij mensen die met ernstige ziekte door het andesvirus in het ziekenhuis worden opgenomen, is de behandeling vooral gericht op het ondersteunen van de ademhaling en het voorkomen van andere complicaties. Er zijn meerdere antivirale middelen die werkzaam zouden kunnen zijn. Voor sommige middelen zijn er data over in vitro gevoeligheid of uit dierproeven. Wat dat betekent voor behandeling van mensen is nog niet bekend. Er zijn echter zeer weinig data over het effect van antivirale middelen bij andesvirus-infecties bij mensen, omdat deze variant zelden voorkomt.
Wordt gewerkt aan de ontwikkeling van vaccins of andere preventieve maatregelen om besmetting met het Hantavirus te voorkomen? Zo ja, welke rol speelt Nederland hierin?
Er zijn meerdere vaccins in ontwikkeling tegen hantavirussen. Deze vaccins zijn allemaal nog in een premature ontwikkelingsfase, zodat er geen vaccins zijn, behoudens vaccins in China en Zuid-Korea tegen de daar circulerende hantavirussen. Deze worden daar bij risicogroepen ingezet en werken niet tegen het andesvirus.
In Nederland gelden algemene preventieve maatregelen tegen besmetting met de in Nederland voorkomende varianten van het hantavirus. Voor het andesvirus heeft het RIVM een richtlijn opgesteld: Andesvirusinfectie | LCI-richtlijn | LCI-richtlijnen.
Werkt Nederland op het vlak van vaccins samen met andere Europese landen en Europese instellingen? Zo ja, hoe ziet die samenwerking eruit?
Op EU-niveau wordt informatie uitgewisseld over welke medische tegenmaatregelen ingezet kunnen worden om de verspreiding van andesvirus tegen te gaan. Het gaat dan om onder meer persoonlijke beschermingsmiddelen, in combinatie met protocollen rondom het gebruik ervan. Ook wordt geïnventariseerd welke geneesmiddelen eventueel van meerwaarde zouden kunnen zijn voor bijvoorbeeld de behandeling van symptomen. Er zijn nog geen concrete stappen gezet op het gebied van vaccinontwikkeling.
Indien Nederland onderzoek naar vaccins mee financiert of faciliteert, welke voorwaarden zullen gesteld worden naar betaalbaarheid en beschikbaarheid van eventuele ontwikkelde vaccins?
Op dit moment is er geen specifiek onderzoek geïdentificeerd naar vaccins tegen het andesvirus waar vanuit Nederland of op EU-niveau financiering voor beschikbaar gesteld kan worden.
Welke internationale maatregelen worden genomen naar aanleiding van de huidige uitbraak van het Hantavirus en op welke manier draagt Nederland daaraan bij?
Nederland ondersteunt bij internationale uitbraken als die van het Hantavirus met het uitwisselen van kennis en informatie en het delen van ervaringen via de Health Security Committee, de ECDC en de WHO.
De bilaterale, Europese en internationale samenwerking is goed verlopen. Nederland is ook tevreden met de wijze waarop de WHO en de Europese Commissie de coördinatie hebben opgepakt. Nederland heeft via bilaterale samenwerking nauw samengewerkt met andere lidstaten, en dan met name Spanje. Dit gebeurde zowel via het postennetwerk als ook via het netwerk van het Health Security Committee (HSC). Op Europees niveau vonden bijna dagelijks bijeenkomsten plaats van dit comité onder voorzitterschap van de Europese Commissie. Ook zijn door de Europese Commissie bijeenkomsten georganiseerd met landen buiten de EU, die passagiers aan boord van de m/v Hondius hadden, om hen op de hoogte te stellen van de ontwikkelingen en eventuele vragen te beantwoorden. Het Europese Uniemechanisme voor civiele bescherming, en in het bijzonder het Emergency Response Coordination Centre van de Europese Commissie, organiseerde daarnaast diverse overleggen om overzicht te creëren in de verschillende repatriëringsacties van de EU-lidstaten.
Daarnaast heeft het RIVM het Europese Unie referentielaboratorium voor de publieke gezondheid op het gebied van knaagdier-overdraagbare infectieziekten gesteund met adviezen en materialen, zodat zij centraal weer laboratoria in andere EU-landen kunnen steunen en heeft het RIVM laboratoria in andere landen voorzien van protocollen.
Kunt u reflecteren op de huidige positie van het kabinet ten aanzien van het internationale pandemieverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)? In hoeverre verschilt de positie van dit kabinet ten aanzien van het pandemieverdrag van die van het vorige kabinet?
Het pandemieverdrag, waarover de onderhandelingen nog steeds gaande zijn, kan een belangrijke bijdrage leveren ten aanzien van het voorkomen van, en het vergroten van de paraatheid ten aanzien van uitbraken, ook die van virussen zoals het andesvirus. Het verdrag richt zich onder meer op het sneller delen van virusmateriaal en informatie tussen landen wereldwijd. Bij een situatie zoals die zich voordeed op het m/v Hondius, waarbij meerdere landen in Afrika en Europa betrokken zijn, kan dat bijdragen aan een beter begrip van de situatie. De bevestiging dat het hier ging om de andesvariant van het hantavirus werd al snel geleverd via een Zuid-Afrikaans laboratorium.
Het kabinet is van mening dat het pandemieverdrag een zinvolle bijdrage kan leveren aan pandemische paraatheid en hoopt daarom dat de definitieve tekst van het verdrag spoedig wordt afgerond. Deze virusuitbraak toont aan dat pandemische paraatheid onverminderd aandacht blijft vereisen.
In welke mate monitort Nederland virusuitbraken en opkomende infectieziekten in andere landen om vroeg geïnformeerd te zijn van mogelijke gezondheidsrisico’s door ziektes die zich naar Nederland zouden kunnen verspreiden?
De internationale samenwerking rond surveillance is door de COVID-19-pandemie versneld en afspraken over het leveren van data hebben ook hier een meer verplichtend karakter gekregen. Nederland is nauw aangesloten op het internationale systeem van monitoring en surveillance van infectieziekten. Het RIVM is nationaal contactpunt voor het ECDC en neemt deel aan Europese surveillanceprogramma’s voor infectieziekten, zoals surveillance van antimicrobiële resistentie (EARS-Net), influenza (griep) en voedsel-gerelateerde infecties. Het RIVM staat, mede via de programma’s en systemen van het ECDC en de WHO, in nauw contact met volksgezondheidsinstituten in het buitenland. Bij het RIVM worden infectieziektesignalen uit binnen- en buitenland wekelijks besproken tijdens het Signaleringsoverleg, waaraan ook GGD’en deelnemen. De signalen vormen de basis van de opschalingsstructuur om waar nodig bestrijdingsmaatregelen te nemen om verdere verspreiding te voorkomen.
Voor bepaalde ziekteverwekkers, die worden overgedragen door vectoren zoals teken, muggen, knutten en zandvliegen of via voedsel (zoals Salmonella), is het RIVM door de Europese Commissie benoemd tot Europees referentie laboratorium (EURL) voor publieke gezondheid. Binnen deze referentienetwerken vindt veel uitwisseling plaats van kennis en nieuwe ontwikkelingen.
Ook neemt het RIVM deel aan Europese projecten betreffende gezamenlijke versterking van diagnostiek, surveillance/uitbraakdetectie, het delen van data en pandemische paraatheid. Dit gebeurt vaak vanuit de One Health-benadering. De WHO heeft binnen het RIVM meerdere zogenaamde samenwerkingscentra (Collaborating Centres) aangewezen die verschillende WHO-activiteiten ondersteunen. Hierin werken internationale partijen samen op het gebied van onder meer pokken, ziekteverwekkers in voedsel, antimicrobiële resistentie en water. Daarnaast is het RIVM WHO Collaborating Centre op het gebied van «laboratory preparedness and response to high risk pathogens and biorisk» en heeft het in die hoedanigheid de benodigde netwerken voor laboratorium signalering, expertise uitwisseling en ondersteunt het bij internationale uitbraken, bijvoorbeeld door referentiebepalingen, confirmatie van diagnostiek of het aanleveren van monsters. Tevens ondersteunt het RIVM de WHO bij de implementatie van de Internationale Gezondheidsregeling (IHR).
Welke bijdrage levert Nederland aan internationaal onderzoek om te voorkomen dat lokale uitbraken zich ontwikkelen tot mondiale gezondheidscrises en om behandelingen of preventieve maatregelen voor dergelijke gezondheidsrisico’s te ontwikkelen?
Nederland levert een belangrijke bijdrage aan internationaal onderzoek om te voorkomen dat lokale uitbraken zich ontwikkelen tot mondiale gezondheidscrises. De kern daarvan is dat Nederland internationale samenwerking, surveillance, kennisuitwisseling en financiering inzet om gezondheidscrises beter te voorkomen en te beheersen. Nederland heeft een kabinetsbrede Mondiale Gezondheidsstrategie vastgesteld waarin extra nadruk ligt op versterking van gezondheidssystemen wereldwijd en voorbereiding op toekomstige pandemieën. Er gaat extra aandacht naar de gezondheidseffecten van klimaatverandering, omdat die nieuwe infectie- en gezondheidsrisico’s kunnen vergroten. Het RIVM is betrokken bij Europese partnerschapsprogramma's en internationale onderzoeksprojecten, dat zich richt op pandemische paraatheid, en faciliteert daarnaast ook onderzoek naar infectieziekten en deelt kennis met andere partijen om effectieve preventie en behandeling te waarborgen. Het RIVM verzamelt en deelt tevens data over infectieziekten om deel te nemen aan internationale «datasharing» initiatieven die ook voor onderzoeksdoeleinden gebruikt worden. Deze initiatieven zijn cruciaal voor het voorkomen van uitbraken en het verbeteren van de gezondheidssamenwerking wereldwijd.
Ook heeft Nederland in de afgelopen jaren financieel bijgedragen aan het internationale pandemiefonds, dat zich richt op het versterken van preventie en paraatheid in met name ontwikkelingslanden, en aan CEPI, het internationale onderzoekcollectief dat onder meer vaccinontwikkeling bevordert rondom ernstige infectieziekten.
Kunt u reflecteren op de staat van de wereldwijde pandemische paraatheid en de gevolgen daarvan voor gezondheidsrisico’s in Nederland, inclusief Caraïbisch Nederland?
De COVID-19-pandemie heeft geleid tot een versterking van de nationale en internationale surveillance en samenwerkingsstructuren, die ervoor moeten zorgen dat grootschalige uitbraken voorkomen worden, en als ze voorkomen, dat ze snel gesignaleerd worden en dat de wereld beter voorbereid is ze in gezamenlijkheid te bestrijden. Nederland heeft daarin een actieve rol en stelt expertise beschikbaar.
De EU heeft de afgelopen jaren in de wetgeving, samenwerkingsverbanden en coördinatie versterkt op het gebied van pandemische paraatheid en respons en er is meer samenwerking en informatie- en data-uitwisseling op het gebied van hoogrisicopathogenen en bioriskmanagement. Op WHO-niveau is in 2024 naar aanleiding van de COVID-19-pandemie de Internationale gezondheidsregeling gewijzigd, die binnenkort aan de Staten-Generaal ter goedkeuring zal worden voorgelegd. Ook de onderhandelingen over een specifieke bijlage bij het WHO-pandemieverdrag bevinden zich in een vergevorderd stadium.
Door deze versterkingen en initiatieven zijn de mondiale structuren op het vlak van pandemische paraatheid robuuster geworden. Dat neemt niet weg dat lidstaten individueel verantwoordelijk zijn en blijven voor het op peil houden van hun pandemische preventie, paraatheid en respons.
Met betrekking tot de pandemische paraatheid en de bestrijding van infectieziekten hebben in Caribisch Nederland de vier landen overeenstemming bereikt over de verdere ontwikkeling van de Dutch Caribbean Public Health Expertise Network (DuCaPHEN). Daarmee wordt de gezamenlijke inzet voor kennisuitwisseling en regionale coördinatie op het gebied van volksgezondheid versterkt. De landen hebben bovendien herbevestigd dat zij blijven streven naar geharmoniseerde wet- en regelgeving op het gebied van volksgezondheid in het Caribische deel van het Koninkrijk. De vier landen nemen stappen om de crisisparaatheid te verbeteren, wat cruciaal is om het Koninkrijk effectief en gecoördineerd op gezondheidscrises te laten reageren.
Welke rol ziet deze regering voor zichzelf in de versterking van mondiale samenwerking op het gebied van infectieziektebestrijding en pandemische paraatheid?
De regering zet zich onverminderd in voor het versterken van mondiale samenwerking op het gebied van infectieziektebestrijding en pandemische paraatheid. Dit doet zij door een actieve opstelling in de onderhandelingen rondom het pandemieverdrag alsook door actief bij te dragen aan verdere versterking en verbetering van de EU-samenwerking op het vlak van ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen. Ook voert Nederland de Mondiale Gezondheidsstrategie uit, waar onder meer pandemische paraatheid en het versterken van de mondiale gezondheidsarchitectuur kernthema’s zijn, en draagt zij in multilaterale fora actief bij aan de verbetering van de mondiale gezondheidsarchitectuur, waarbij de samenwerking tussen overheidsinstellingen, niet-gouvernementele organisaties, fondsen en andere partners beter op elkaar afgestemd moet worden.
Het oplopende medicijntekort |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tekort dreigt op te lopen»?1
Ja.
Klopt het dat steeds meer fabrikanten stoppen met de productie van goedkope medicijnen in Nederland?
Nee, dat klopt niet. Er zijn in Nederland ongeveer 36 geneesmiddelenfabrikanten. Het kabinet heeft geen duidelijke aanwijzingen voor een afnemende trend in het aantal fabrikanten dat generieke geneesmiddelen in Nederland produceert. Wel ontvangt het kabinet signalen dat het bedrijfsmodel van deze fabrikanten onder druk staat. Deze signalen neemt het kabinet zeer serieus.
Het kabinet heeft geen informatie over het totaal aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert. Dit is bedrijfsvertrouwelijke informatie. Een fabrikant is niet hetzelfde als een handelsvergunninghouder. Een fabrikant produceert het geneesmiddel, terwijl de handelsvergunningshouder verantwoordelijk is voor het op de markt brengen en leveren ervan. Het aantal handelsvergunningshouders zegt iets over de verschraling van de markt.
De marktconcentratie van handelsvergunninghouders neemt toe, zoals te lezen in het nieuwsartikel waarnaar verwezen wordt. Onderzoek van de Stichting Farmaceutische Kengetallen2 laat zien dat er per generiek geneesmiddel in 2024 minder handelsvergunninghouders actief zijn op de Nederlandse markt dan in 2014. Ook neemt de marktconcentratie in het algemeen toe: steeds vaker is het marktaandeel van de grootste handelsvergunninghouder veel groter dan het marktaandeel van andere leveranciers.
Verschraling van het aantal handelsvergunninghouders is onwenselijk. Ten eerste kunnen tekorten eerder ontstaan. Het terugtrekken van de handelsvergunningshouders kan namelijk minder goed opgevangen worden door de op de markt overgebleven handelsvergunningshouders. Ook bestaat het risico dat de laatste leverancier stopt. In dat geval is het geregistreerde geneesmiddel niet meer beschikbaar voor Nederlandse patiënten. Bij geneesmiddelen waar geen vraag meer naar is, is dat geen probleem. Maar voor een deel van deze geneesmiddelen bestaat nog wel medische behoefte. In die gevallen is het verdwijnen van het laatste geregistreerde geneesmiddel problematisch.
Het kabinet spant zich in om te stimuleren dat deze geneesmiddelen in Nederland in de handel blijven. Binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is hierover een afspraak gemaakt met koepels van zorgaanbieders, zorgprofessionals, zorgverzekeraars en leveranciers. De partijen zetten zich samen in om te voorkomen dat het niet meer op de markt brengen van geneesmiddelen (doorhaling van registraties) leidt tot onwenselijke verschraling van aanbod. Tegelijkertijd onderzoekt het kabinet maatregelen om in urgente gevallen zelf actie te ondernemen om registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal gestopte fabrikanten in de afgelopen 10 jaar?
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet geen informatie over het aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het kabinet interpreteert uw vraag als het aantal handelsvergunninghouders dat de afgelopen tien jaar een geneesmiddel definitief uit de handel heeft genomen.
Het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten rapporteert hier jaarlijks over sinds 2017. Dit aantal is over de tijd redelijk constant gebleven, namelijk rond de driehonderd meldingen per jaar, met uitzonderingen in 2017 (87 meldingen) en 2021 (227 meldingen). Sinds 2017 heeft het Meldpunt 2.488 meldingen ontvangen dat een geneesmiddel definitief uit de handel wordt genomen.3
Zoals eerder vermeld hoeft het verdwijnen van een registratie geen negatieve impact te hebben op patiënten, bijvoorbeeld omdat ondertussen een betere behandeling beschikbaar is. Waar dit wel het geval is, werkt het kabinet binnen het AZWA en met eigen beleid aan oplossingsrichtingen.
Klopt het dat de twintig meest gebruikte medicijnen in veel gevallen maar twee of drie producenten hebben? Zo ja, wat vindt u daar van?
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet heeft geen informatie over het aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het aantal handelsvergunninghouders per geneesmiddel is wel openbaar. Van de twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen hebben er vijf geneesmiddelen drie of minder handelsvergunninghouders. Eén van de twintig geneesmiddelen heeft slechts één handelsvergunningshouder. In veruit de meeste gevallen zijn er drie of meer handelsvergunningshouders voor de twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen.
Onderschrijft u de woorden van apothekersvereniging LEF dat dit beangstigend is voor de mensen die deze medicijnen nodig hebben?
In het vorige antwoord is gesteld dat in veruit de meeste gevallen er drie of meer handelsvergunningshouders zijn voor de twintig meest gebruikte geneesmiddelen. Desondanks is het begrijpelijk dat patiënten zich ongerust voelen als er wel maar weinig leveranciers zijn die hun geneesmiddel in Nederland leveren. Ik heb hierover gesproken met apothekersvereniging Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) en hen gevraagd om data over verschraling van de markt met mij te delen. Daarnaast onderzoekt het kabinet samen met partijen om onwenselijke verschraling van het aanbod te voorkomen en registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Wat gaat u doen om het medicijntekort op te lossen?
Het kabinet heeft zich gecommitteerd om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen en de leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren. Want ondanks dat het aantal geneesmiddeltekorten voor het tweede jaar op rij gedaald, blijft het geneesmiddeltekort een hardnekkig probleem dat veel patiënten raakt.
Op 1 april 2026 is de Kamer geïnformeerd over de kabinetsaanpak.4 Het kabinet zet maatregelen in om tekorten zo veel mogelijk te voorkomen, voorbereid te zijn op leveringsonderbrekingen en tekorten op te lossen als ze er zijn. Het kabinet werkt onder meer met het veld aan de herziening van het prijs- en vergoedingssysteem, het inkoopbeleid en het preferentiebeleid om tekorten te voorkomen. Ook zet het kabinet samen met betrokken partijen zich via het AZWA in op het verbeteren van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van geneesmiddelen. Binnen de Europese Unie wordt gewerkt om de productie binnen Europa te stimuleren en toegang tot kritieke geneesmiddelen te verbeteren. Daar werkt het kabinet langs de hierboven geschetste lijnen aan door.
Het eerlijke verhaal is dat geneesmiddelentekorten geen snelle oplossing kennen. Het kabinet kan niet uitsluiten dat geneesmiddelentekorten ontstaan. Want de geneesmiddelenketen is internationaal verweven en complex. En, net als Nederland, hebben ook andere landen te maken met medicijntekorten. Daarnaast zijn gegevens over tekorten verspreid over de keten en soms commercieel gevoelig en hebben partijen uit de geneesmiddelenketen uiteenlopende belangen. Dat bemoeilijkt het komen tot oplossingen en vraagt dus om een zorgvuldige en volhoudende aanpak.
Heeft u zicht op hoeveel extra zorgkosten ontstaan doordat patiënten moeten overstappen op alternatieve geneesmiddelen, bijvoorbeeld door extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames of aanvullende behandelingen?
Nee, het kabinet beschikt niet over deze cijfers, maar acht dat wel van belang. Daarom is één van de afspraken binnen het AZWA om te onderzoeken wat de impact is van tekorten op de zorg, waaronder de relatie met de patiënt, de kosten en de werkzaamheden van zorgverleners. Het kabinet neemt hierin het voortouw en pakt dit voortvarend op met alle betrokken partijen.
Hoe beoordeelt u het feit dat generieke geneesmiddelen slechts circa 0,45 procent van de totale zorguitgaven uitmaken, terwijl volgens betrokken partijen juist op deze middelen extreem wordt bezuinigd?
Het kabinet herkent het beeld dat op generieke geneesmiddelen extreem wordt bezuinigd niet. Ook herkent het kabinet het genoemde percentage van 0,45% van het totale zorgbudget niet. Voor de gehele zorgsector geldt wel dat de budgettaire houdbaarheid al geruime tijd de aandacht heeft en voorlopig zal houden. Dit heeft bijvoorbeeld geleid tot taakstellingen van het vorige en het huidige kabinet op zelfzorggeneesmiddelen. Dat zijn doorgaans generieke geneesmiddelen.
Vanwege genoemde budgettaire houdbaarheid hebben zorgverzekeraars de taak geneesmiddelen doelmatig in te kopen, net als zij bij andere verzekerde zorg doen. Het preferentiebeleid maakt het voor zorgverzekeraars mogelijk om rechtstreeks bij leveranciers tenders uit te zetten. De leverancier die voldoet aan de inkoopcriteria en die het beste aanbod doet, wint de tender en daarmee een gegarandeerde afzetmarkt voor de looptijd van de overeenkomst. Kortom, zorgverzekeraars kunnen nooit een lagere prijs bedingen dan leveranciers bereid zijn te bieden. Om beter in kaart te brengen wat de kosten en baten van het preferentiebeleid zijn, bijvoorbeeld voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen, laat het kabinet op verzoek van de Kamer een onafhankelijke evaluatie uitvoeren. Deze evaluatie wordt eind van het jaar met de Kamer gedeeld.
Bent u bereid met zorgverzekeraars, apothekersorganisaties en fabrikanten in gesprek te gaan over aanpassing van het preferentiebeleid om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bereid om, in eerste instantie met zorgverzekeraars, in gesprek te gaan om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen in hun inkoopbeleid. Ook worden de uitkomsten van de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid besproken met betrokken partijen.
Het bericht dat minima noodzakelijke mondzorg mijden vanwege de kosten |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tandarts Ruud ziet wanhoop bij minima, maar straks kunnen zij bij hem terecht: «Iedereen heeft zelfde verhaal»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Nederlanders met een smalle beurs noodzakelijke mondzorg uitstellen omdat zij bang zijn de rekening van de tandarts niet te kunnen betalen?
Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts, 82% bezoekt minimaal een keer per jaar de tandarts. Daar zitten dus ook mensen met een smalle beurs tussen. Voor veel mensen, en ook mensen met een smalle beurs, is mondzorg financieel toegankelijk. Bijvoorbeeld via aanvullende verzekeringen of, specifiek voor minima, een gemeentepolis. Tegelijkertijd is er een groep van naar schatting 640.000 volwassenen die om financiële redenen afzien van mondzorg. Het kabinet vindt dat een pijnlijke situatie.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen in Nederland met tandpijn rondlopen en uit financiële wanhoop hun toevlucht nemen tot onverantwoorde noodoplossingen, zoals het smeren van sambal op het tandvlees, in plaats van tijdig naar de tandarts te kunnen gaan?
Het is zeer pijnlijk als mensen hun toevlucht nemen tot dergelijke noodoplossingen. Er is helaas geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige problematiek. Uit een verkenning2 naar gerichte regelingen voor minima blijkt namelijk dat deze allen de nodige uitdagingen kennen in het op een doelmatige manier bereiken van de beoogde doelgroep en ook dat deze regelingen de nodige financiële dekking vragen. Het kabinet heeft, gegeven de beschikbare financiële middelen, dan ook andere beleidskeuzes gemaakt.
Alhoewel het geen structurele en volledige oplossing is, is het kabinet wel voornemens om via de ontwikkelagenda van het AZWA een pilot rondom mondzorg voor minima uit te voeren. Hiervoor is 2 keer 5,5 miljoen euro gereserveerd.
Klopt het dat in 2024 64% van de volwassen verzekerden aanvullend verzekerd was voor mondzorg, maar dat daarmee nog niet duidelijk is hoeveel mensen geen aanvullende tandartsverzekering hebben omdat zij deze niet kunnen betalen? Kunt u dit beter in kaart brengen?
Het klopt dat in 2024 64% van de volwassenen een aanvullende verzekering voor mondzorg had. Dat wil niet zeggen dat de overige 36% van de volwassenen deze verzekering niet kunnen betalen. Er zijn ook mensen die bewust geen aanvullende tandartsverzekering afsluiten, bijvoorbeeld omdat zij weinig mondzorgkosten verwachten en/of de kosten zelf kunnen dragen. Het is niet bekend waarom mensen géén tandartsverzekering afsluiten en in hoeverre betaalbaarheid daar de reden van is. Naar schatting mijden 640.000 volwassenen mondzorg vanwege financiële redenen. Het kabinet ziet geen aanleiding dit verder in kaart te brengen.
Deelt u de mening dat noodzakelijke mondzorg geen luxe is, maar onderdeel is van zorg die voor Nederlanders betaalbaar en toegankelijk moet zijn?
Uiteraard deelt het kabinet het belang van noodzakelijke mondzorg. Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts en veel mensen kunnen de mondzorg zelf financieren of zich aanvullend hiervoor verzekeren. Voor veel mensen is mondzorg, gelukkig, toegankelijk. Er is helaas ook een groep voor wie dat niet geldt. Voor mensen met een lager inkomen kan de gemeentepolis, een zorgverzekering voor minima die altijd mondzorgdekking biedt, een optie zijn. Niet alle deelnemers van een gemeentepolis weten dat er een vergoeding voor mondzorgdekking in hun verzekerd pakket zit, dat biedt wellicht nog aanknopingspunten om de toegankelijkheid van mondzorg te verbeteren. Ook zijn er verschillende andere lokale regelingen of initiatieven. Deze initiatieven leveren een bijdrage aan het terugdringen van mondzorgmijding en het kabinet is deze partijen dus erkentelijk voor deze initiatieven. Tegelijkertijd ziet het kabinet dat deze initiatieven geen volledige oplossing kunnen bieden.
Hoe beoordeelt u het feit dat in Ridderkerk een lokale regeling nodig is waarbij minima met acute of urgente mondzorg terechtkunnen bij minimatandartsen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Vindt u het wenselijk dat noodzakelijke mondzorg voor minima afhankelijk wordt van lokale initiatieven, vrijwilligers, donaties, kerken, ondernemers en een beperkte gemeentelijke subsidie?
Alhoewel het kabinet deelt dat er een groep mensen is die om financiële redenen afzien van mondzorg, wordt de vermeende strekking dat mondzorg voor minima afhankelijk wordt van lokale initiatieven niet gedeeld. Via aanvullende verzekeringen of voor minima via een gemeentepolis is mondzorg voor een grote groep mensen financieel toegankelijk. Een gemeentepolis biedt altijd dekking voor mondzorg, al is dat niet altijd bij alle deelnemers bekend. Tegelijkertijd is er inderdaad een groep volwassenen voor wie mondzorg niet toegankelijk is en het kabinet is de diverse partijen zeer erkentelijk voor hun inspanningen om mondzorg voor deze groep verder toegankelijk te maken.
Wat doet u om te voorkomen dat kleine gebitsproblemen bij mensen met een laag inkomen uitgroeien tot ernstige pijnklachten, ontstekingen of abcessen?
Er is geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige problematiek. Uit een verkenning3 naar gerichte regelingen voor minima blijkt dat deze allen de nodige uitdagingen kennen in het op een doelmatige manier bereiken van de beoogde doelgroep en ook dat deze regelingen de nodige financiële dekking vragen. Het kabinet heeft, gegeven de beschikbare financiële middelen, andere beleidskeuzes gemaakt.
Alhoewel het geen structurele en volledige oplossing is, is het kabinet wel voornemens om via de ontwikkelagenda van het AZWA een pilot rondom mondzorg voor minima uit te voeren. Hiervoor is 2 maal 5,5 miljoen euro beschikbaar. De invulling van de pilot behoeft nog nadere uitwerking.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel (incl. Pakketbeheer) van 10 juni 2026, zodat de antwoorden bij het debat kunnen worden betrokken?
Ja.
Het intrekken en verdwijnen van Zivver-bestanden binnen dossiers in de jeugdbescherming |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat Zivver-bestanden en gedeelde documenten binnen dossiers van de jeugdbescherming achteraf worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt?1
Klopt het dat bestanden die via Zivver zijn verzonden door de verzender kunnen worden ingetrokken of verwijderd nadat deze reeds beschikbaar zijn gesteld aan betrokkenen?
Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar gebruikgemaakt van het intrekken of verwijderen van Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming, gecertificeerde instellingen of aanverwante organisaties?
Wordt geregistreerd welke documenten zijn ingetrokken, op welk moment dit is gebeurd en door wie daarvoor opdracht is gegeven?
Hoe wordt voorkomen dat relevante stukken uit dossiers verdwijnen terwijl ouders, kinderen, advocaten of rechters juist afhankelijk zijn van volledige dossierinzage?
Acht u het wenselijk dat documenten die onderdeel uitmaken van een dossier achteraf kunnen worden ingetrokken zonder onafhankelijke toetsing of kennisgeving aan alle betrokken partijen?
Welke wettelijke grondslag bestaat er voor het achteraf ontoegankelijk maken van reeds gedeelde dossierstukken?
Kunt u uitsluiten dat het intrekken van Zivver-bestanden wordt gebruikt om fouten, onvolledigheden of belastende informatie buiten beeld te houden?
Zijn er signalen bekend waarbij ouders of advocaten melding hebben gemaakt van verdwenen, gewijzigde of ingetrokken stukken binnen jeugdbeschermingsdossiers?
Hoe wordt de integriteit en volledigheid van digitale dossiers binnen de jeugdbescherming momenteel gewaarborgd?
Bestaat er een audittrail waaruit blijkt welke documenten zijn gedeeld, geopend, gewijzigd of ingetrokken? Zo ja, wie heeft toegang tot deze gegevens?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar het gebruik van Zivver en andere digitale systemen binnen de jeugdbescherming, specifiek gericht op dossierintegriteit en rechtsbescherming?
Deelt u de mening dat het achteraf verdwijnen van dossierstukken het vertrouwen in de jeugdbescherming ernstig schaadt en mogelijk gevolgen heeft voor eerlijke rechtsgang?
Welke maatregelen gaat u nemen om te garanderen dat eenmaal verstrekte dossierstukken niet ongemerkt kunnen verdwijnen uit procedures die ingrijpende gevolgen hebben voor kinderen en ouders?
Op basis van welke wettelijke bevoegdheid kunnen dossierstukken of gedeelde Zivver-bestanden binnen de jeugdbescherming worden ingetrokken, verwijderd of ontoegankelijk gemaakt zonder toestemming van alle procesbetrokkenen?
Hoe wordt gewaarborgd dat het intrekken of verwijderen van digitale dossierstukken geen afbreuk doet aan de bewijspositie, rechtsbescherming en het recht op volledige dossierinzage van ouders, kinderen en hun advocaten?
Het artikel 'Freedom of scientific inquiry: reclaiming space for controversy' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Freedom of scientific inquiry: reclaiming space for controversy» van professor Akiko Iwasaki in Nature Reviews Immunology (1 mei 2026), waarin zij pleit voor een open wetenschappelijk debat over vaccinatieschade en expliciet verwijst naar nieuw onderzoek naar het Post-Vaccinatie Syndroom (PVS)?
Hoe weegt u de oproep van deze vooraanstaande immunoloog om «onhandige vragen» over vaccinatie-bijwerkingen met wetenschappelijke integriteit te behandelen, in het licht van het huidige Nederlandse beleid waarin de specifieke ondersteuning voor deze groep (C-support) juist wordt afgebouwd?
Deelt u de visie van professor Iwasaki dat het ontkennen van de noodzaak voor gespecialiseerd onderzoek en debat de wetenschappelijke vooruitgang en het publieke vertrouwen schaadt, zeker nu preprints van onder andere de Yale LISTEN-studie duiden op unieke symptoomprofielen bij PVS-patiënten?
Erkent u dat de transitie van PVS-zorg naar het «reguliere veld» indruist tegen de internationale roep om juist meer specialistische aandacht en onderzoek naar de pathofysiologie van deze aandoening, zoals bepleit in Nature Reviews Immunology?
Bent u bereid om, in de geest van «vrijheid van wetenschappelijk onderzoek», de subsidie voor C-support te handhaven als de centrale plek waar in Nederland deze internationale nog volop in ontwikkeling zijnde kennis wordt verzameld en vertaald naar de Nederlandse patiëntenzorg?
Welke acties onderneemt u om te waarborgen dat Nederlandse zorgverleners niet vervallen in wat professor Iwasaki beschrijft als «politiek gekleurde evaluaties», maar patiënten met klachten na vaccinatie serieus nemen op basis van de meest recente, onafhankelijke internationale data?
Kunt u toezeggen dat u, conform de aanbevelingen in het genoemde artikel, ruimte creëert voor een structureel expertisecentrum waar ook «controversiële» post-acute aandoeningen zoals PVS zonder vooroordelen onderzocht en behandeld kunnen worden?
Toezeggingen over omzetplafonds in de GGZ. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 waarin de toenmalig Staatssecretaris stelde dat er een scenario zou worden verkend waarin het gebruik van omzetplafonds voor het deel van de cliëntenpopulatie die cruciale ggz nodig heeft, door zorgverzekeraars op termijn volledig of gedeeltelijk kan worden beëindigd en dat de Kamer hierover in voorjaar 2026 over zou worden geïnformeerd?1
Er wordt momenteel verkend op welke wijze de afhankelijkheid van omzetplafonds in de ggz kan worden verminderd. Deze verkenning wordt uitgewerkt in een routekaart voor passende ggz, waarbij de afbouw van omzetplafonds in samenhang wordt bezien met het ontwikkelen en verbeteren van alternatieve sturingsinstrumenten.
De routekaart moet daarmee de afhankelijkheid van omzetplafonds verkleinen en de sturing van zorgverzekeraars op de beweging van lichte naar zwaardere ggz versterken. Dit gebeurt onder andere door het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden op het gebied van informatievoorziening, kwaliteit en aanspraken. In aansluiting op de afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) moet dit er uiteindelijk toe bijdragen dat het zorgaanbod beter aansluit op de zorgvraag. Voor de zomer zal het kabinet de Kamer informeren over de stand van zaken.
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 met betrekking tot het actief toetsen door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wat de effecten van omzetplafonds zijn op zorgaanbieders die er mogelijk toe leiden dat beschikbare behandelcapaciteit in de cruciale ggz onbenut blijft en hier cijfermatige duiding bij te geven?
VWS en de NZa kiezen ervoor het toegezegde onderzoek naar de effecten van omzetplafonds in de ggz breed en grondig vorm te geven, zodat inzicht wordt verkregen in de samenhang tussen bijcontractering, zorgbemiddeling, behandelcapaciteit en wachtlijsten. Ook wordt hierbij gekeken of er sprake is van eventuele signalen over beschikbare maar mogelijk onbenutte capaciteit bij zorgaanbieders, bijvoorbeeld wanneer aanbieders via bijcontractering aangeven meer patiënten te kunnen behandelen. Wanneer een verzoek tot bijcontractering wordt afgewezen, moet immers aannemelijk zijn dat de zorgverzekeraar van oordeel is dat binnen de regio al voldoende passende zorg is ingekocht of beschikbaar is via zorgbemiddeling.
Juist omdat het onderzoek ziet op de feitelijke werking van bijcontractering en zorgbemiddeling in de praktijk, vraagt dit om een zorgvuldige analyse van data en processen bij alle zorgverzekeraars. Deze bredere aanpak vraagt aanvullende inzet en capaciteit, waarover VWS en de NZa momenteel in gesprek zijn. Het onderzoek zal naar verwachting binnenkort van start gaan.
Hebt u een overzicht bij welke aanbieders van GGZ-zorg er op dit moment voor 2026 reeds een opnamestop is of op korte termijn zal zijn voor verzekerden bij een of meer verzekeraars, omdat het omzetplafond reeds is bereikt? Kunt u aangeven welke verzekeraars, aanbieders en regio’s dit betreft?
Nee, het kabinet beschikt niet over een dergelijk landelijk overzicht van ggz-aanbieders met (dreigende) opnamestops in 2026 als gevolg van bereikte omzetplafonds, uitgesplitst naar verzekeraars, aanbieders en regio’s. Contractering en afspraken over omzetplafonds vinden plaats tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders, waarbij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) toeziet op de naleving van de zorgplicht. Het kabinet merkt hierbij op dat zorgverzekeraars, indien de door hen gecontracteerde capaciteit onvoldoende blijkt om aan hun zorgplicht te voldoen, verplicht zijn om aanvullende capaciteit te contracteren om alsnog aan deze zorgplicht te voldoen, voor zover dit mogelijk is gegeven de schaarste in de ggz. Daarnaast is de betreffende aanbieder verplicht de patiënt te wijzen op mogelijkheid van zorgbemiddeling in het geval dat een omzetplafond is bereik. De zorgverzekeraar kan de patiënt dan een alternatieve plek binnen de treeknorm aanbieden. Kan de zorgverzekeraar dat alternatief niet bieden, dan moet er worden bijgecontracteerd bij de oorspronkelijke aanbieder. Als het alternatief buiten het gecontracteerde aanbod van de polis valt, is de zorgverzekeraar verplicht volledige vergoeding te geven en geen eigen bijdrage voor de ongecontracteerde zorg in rekening te brengen.
Het bericht dat mensen in Dordrecht-West vaker longkanker krijgen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» van de GGD Zuid-Holland Zuid?1
Deelt u de mening dat het alarmerend is dat bij bewoners van Dordrecht-West longkanker zo vaak voorkomt?
Op hoeveel andere plekken in Nederland lopen bewoners gezondheidsrisico door luchtvervuiling door onder meer industrie?
Hoe gaat u de aanbevelingen van de GGD Zuid-Holland Zuid opvolgen, graag specificeren per aanbeveling?
Welke stappen worden er gezet om ervoor te zorgen dat de kans op longkanker in Dordrecht niet langer boven het landelijke gemiddelde blijft?
Welke stappen gaat u zetten om in het algemeen de kans op kanker in dit soort wijken, met veel luchtverontreiniging, te verlagen?
Batchnummers van de coronavaccins |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Waarom zijn (alleen) de batchnummers van de coronavaccins in dit overzicht1 niet opgenomen?
De Google Spreadsheet waarnaar wordt verwezen is géén publicatie van het Ministerie van VWS, maar is door een X-gebruiker opgesteld op basis van een document dat in het kader van de Wet open overheid (Woo) openbaar is gemaakt.2 Dit originele document bevat ook batchnummergegevens van coronavaccins.
Kunnen deze batchnummers alsnog worden toegevoegd aan dit overzicht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht ‘Mishandeling van ouderen onbelicht’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veilig Thuis is blij met meer meldingen, maar maakt zich om één groep zorgen: «Er gebeurt veel meer dan we nu zien»»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Deelt u de zorgen dat ouderenmishandeling vermoedelijk veel vaker voorkomt dan uit de officiële meldcijfers blijkt?
Voor een verbeterd inzicht is representatief onderzoek naar de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling noodzakelijk. Op dit moment voert de Universiteit Maastricht grootschalig onderzoek uit naar de omvang van ouderenmishandeling. De resultaten worden in de tweede helft van 2026 verwacht en zullen leiden tot een betrouwbare schatting van de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Het vermoeden van een discrepantie tussen de meldcijfers van Veilig Thuis en de werkelijke omvang is gebaseerd op een onderzoek van Regioplan (2018). Slechts een beperkt deel van de meldingen bij Veilig Thuis betreft ouderenmishandeling. Afgezet tegen de uitkomsten van Regioplan is het aantal meldingen van ouderenmishandeling bij Veilig Thuis laag. Er zijn tegelijkertijd geen actuelere onderzoeken bekend die wijzen op aanzienlijk hogere schattingen. Om die reden kan op dit moment niet met zekerheid worden vastgesteld hoe groot het verschil is tussen de officiële meldcijfers en de daadwerkelijke omvang van ouderenmishandeling.
Ik herken echter het vermoeden dat er sprake zou kunnen zijn van onderrapportage. Dat ouderenmishandeling moeilijk zichtbaar wordt hangt samen met verschillende factoren. Zo is er vaak sprake van schaamte en taboe, afhankelijkheid van de pleger, sociaal isolement en handelingsverlegenheid bij omstanders en professionals. Daarnaast zijn signalen van ouderenmishandeling in de praktijk vaak minder zichtbaar en minder eenduidig dan bij andere vormen van huiselijk geweld, waardoor herkenning lastiger kan zijn. Veranderingen in gedrag, gezondheid of zelfredzaamheid kunnen bijvoorbeeld ook het gevolg zijn van ouderdom, ziekte, dementie, eenzaamheid of medicatiegebruik. Hierdoor kan het lastiger zijn onderscheid te maken tussen kwetsbaarheid door veroudering en signalen van mishandeling.
Klopt het dat in 2025 bij Veilig Thuis slechts 4.800 meldingen van ouderenmishandeling zijn gedaan, terwijl wordt geschat dat jaarlijks meer dan 210.000 thuiswonende ouderen slachtoffer zijn van ouderenmishandeling?
Het meest recente grootschalige onderzoek van Regioplan (2018) geeft percentages van ouderenmishandeling. Op basis daarvan circuleren verschillende cijfers en schattingen over de omvang van het probleem. Het onderzoek van de Universiteit Maastricht zal bijdragen aan een actuelere schatting van de omvang van ouderenmishandeling in Nederland.
Hoe verklaart u dit grote verschil tussen het aantal vermoedelijke slachtoffers en het aantal meldingen?
Dit verschil hangt samen met het feit dat adviezen en meldingen bij Veilig Thuis laten zien wat daadwerkelijk in beeld komt, terwijl de verwachting is dat ouderenmishandeling in de praktijk vaker verborgen blijft en niet altijd wordt herkend of gemeld.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als ouderen die afhankelijk zijn van familie, mantelzorgers of andere naasten niet veilig zijn in hun eigen huis?
Ja, daar ben ik het mee eens. Kwetsbare ouderen moeten veilig kunnen zijn in hun eigen huis, ook wanneer zij afhankelijk zijn van familie, mantelzorgers of andere naasten.
Welke concrete maatregelen neemt u om ouderenmishandeling eerder te signaleren, met name bij thuiswonende 65-plussers die afhankelijk zijn van zorg, mantelzorg of financiële hulp?
Voor vroegsignalering is het belangrijk dat professionals toegerust zijn, signalen eerder herkennen, laagdrempelig advies inwinnen bij Veilig Thuis en er een goede samenwerking is tussen zorg, sociaal domein en veiligheidsketen.
Veilig Thuis biedt advies en ondersteuning aan zowel professionals als burgers, ook wanneer nog geen sprake is van acute onveiligheid of een formele melding. Steeds vaker weten professionals en burgers Veilig Thuis in een vroeg stadium te vinden voor advies, wat kan bijdragen aan het voorkomen van escalatie van situaties.
Daarnaast biedt Veilig Thuis informatie over ouderenmishandeling, de bijbehorende signalen en handelingsperspectief voor professionals en betrokkenen. Er zijn regionale voorbeelden waarbij men aansluit bij casuïstiekoverleggen over huiselijk geweld en ouderenmishandeling, waarin professionals uit zorg, sociaal domein en veiligheidsketen samenwerken. In dit soort samenwerkingen zetten professionals steeds vaker signaleringsinstrumenten in die helpen om ouderenmishandeling eerder te herkennen en bespreekbaar te maken.
Daarnaast organiseren regionale netwerken en samenwerkingsverbanden activiteiten waarin kennisdeling en bewustwording centraal staan. Veilig Thuis Gelderland-Zuid neemt bijvoorbeeld deel aan casuïstiekoverleggen over huiselijk geweld en ouderenmishandeling binnen regionale ziekenhuizen. Ook organiseren Veilig Thuis-organisaties bijeenkomsten, scholingen en andere activiteiten om het handelingsperspectief van professionals te versterken en de vroegsignalering van ouderenmishandeling te verbeteren. Daarnaast geven zij in onderwijs- en praktijkcontexten voorlichting en gastlessen om de kennis van (toekomstige) professionals over ouderenmishandeling te vergroten, zodat zij signalen herkennen en eerder kunnen ingrijpen.
Verder biedt Veilig Thuis telefonisch advies, gericht op het doorbreken van taboes en het bespreekbaar maken van ouderenmishandeling. Om drempels te verlagen is Veilig Thuis ook via de chat bereikbaar voor advies en ondersteuning. De chatfunctie wordt op dit moment verder doorontwikkeld met als doel deze 24/7 beschikbaar te maken, naar verwachting binnenkort.
Aanvullend is door het Landelijk Netwerk Veilig Thuis (LNVT) een signalenpagina over ouderenmishandeling gelanceerd. Deze pagina biedt informatie over het herkennen van signalen, mogelijke handelingsperspectieven en beschikbare ondersteuning en advisering.
Tot slot is er ook het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), bestaande uit medewerkers van Veilig Thuis-organisaties. Dit platform richt zich op kennisontwikkeling, deskundigheidsbevordering en het versterken van de aanpak van ouderenmishandeling.
In hoeverre worden huisartsen, wijkverpleegkundigen, thuiszorgmedewerkers, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners voldoende toegerust om signalen van ouderenmishandeling te herkennen en te melden?
Huisartsen, wijkverpleegkundigen, thuiszorgmedewerkers, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners vallen onder de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De wet verplicht deze beroepsgroepen om te werken met een vast stappenplan bij signalen van ouderenmishandeling.
Binnen dit kader worden professionals in de zorg toegerust om signalen te herkennen en te handelen. De meldcode bevat onder meer de stappen van signaleren, overleg met collega’s, en het inwinnen van advies. In het stappenplan is expliciet opgenomen dat professionals advies kunnen vragen bij of melding kunnen doen bij Veilig Thuis. Voor de wijkverpleging is de richtlijn «Vermoeden van ouderenmishandeling» beschikbaar. Deze richtlijn helpt zorgverleners om alert te zijn, tijdig misstanden te signaleren en adequate maatregelen te nemen. In deze richtlijn wordt ook verwezen naar de meldcode. Aanvullend zijn er ook sectorgerichte trainingen waarin ouderenmishandeling als onderdeel van de bredere meldcode-aanpak wordt behandeld. Door deze combinatie van wettelijke verplichting en de beschikbaarheid van advies- en meldstructuren zoals Veilig Thuis, zijn eerstelijnszorgverleners in beginsel voldoende toegerust om signalen van ouderenmishandeling te herkennen en op te volgen.
Tot slot speelt de huisarts een grote rol in de signalering van ouderenmishandeling, omdat huisartsen regelmatig contact hebben met ouderen. Huisartsen zijn net zoals andere eerstelijnszorgverleners verplicht te werken volgens de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, waarin ouderenmishandeling nadrukkelijk wordt genoemd als een van de vormen van huiselijk geweld. Dat betekent dat zij de meldcode moeten kennen en handelen volgens de vijf stappen. Ook heeft de KNMG een podcast beschikbaar gesteld die specifiek ingaat op het herkennen en aanpakken van ouderenmishandeling. Verder is op de website van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) een themapagina ingericht waar informatie over ouderenmishandeling overzichtelijk is gebundeld. Ook heeft de LHV meegeschreven aan de vernieuwde Handreiking Kwetsbare Ouderen (februari 2025) waarin ouderenmishandeling eveneens aan bod komt.
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis signalen van ouderenmishandeling vaak pas ontvangt nadat de politie al betrokken is geweest?
Veilig Thuis signaleert dat situaties van ouderenmishandeling regelmatig in beeld komen wanneer de problematiek al is geëscaleerd. In sommige gevallen is daarbij al sprake geweest van acute onveiligheid waarbij inzet van politie noodzakelijk was. Tegelijkertijd is een ontwikkeling zichtbaar waarbij professionals steeds vaker in een eerder stadium advies vragen om signalen te bespreken, wat kan bijdragen aan vroegtijdiger ingrijpen en het voorkomen van verdere escalatie.
Wat zegt dit volgens u over de vroegsignalering door zorgverleners, gemeenten en andere betrokken instanties?
Het herkennen van ouderenmishandeling is complex, mede doordat de problematiek vaak geleidelijk ontstaat, afhankelijkheidsrelaties ingewikkeld zijn, mantelzorgers soms overbelast raken en ouderen terughoudend kunnen zijn om hulp of ondersteuning te vragen. Dat maakt dat er blijvende inzet nodig is op deskundigheidsbevordering, het gebruik van de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, bewustzijn rondom de adviesfunctie van Veilig Thuis en het bevorderen van korte lijnen tussen zorg, sociaal domein en veiligheidspartners.
Tegelijkertijd zijn er ook positieve ontwikkelingen zichtbaar. Professionals en burgers weten Veilig Thuis steeds beter te vinden voor advies, er is meer aandacht voor de veiligheid van ouderen en de samenwerking tussen betrokken organisaties neemt toe. Dat draagt bij aan het eerder bespreekbaar maken van signalen.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat ouderenmishandeling pas zichtbaar wordt wanneer de situatie al is geëscaleerd?
Ik deel het belang dat ouderenmishandeling zo vroeg mogelijk moet worden herkend, zodat kan worden voorkomen dat situaties pas in beeld komen wanneer ze al zijn geëscaleerd. Daarom blijft de inzet gericht op het versterken van vroegsignalering zoals omschreven bij vraag 6.
Herkent u de signalen dat financiële uitbuiting van ouderen voorkomt, bijvoorbeeld doordat kinderen de pinpas van hun ouders afpakken of druk uitoefenen rond testamenten?
Ja, deze meldingen komen voor.
Welke mogelijkheden zijn er op dit moment om financiële uitbuiting van ouderen eerder te herkennen en aan te pakken?
De huidige aanpak richt zich specifiek op bewustwording rondom financieel misbruik. Een goed voorbeeld hiervan is de «Lokale Allianties Veilig Financieel Ouder Worden», een samenwerking van notarissen, banken, ouderenmaatschappelijk werk en Veilig Thuis, gekenmerkt door korte lijnen en expertise. Vanuit VWS wordt samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gestimuleerd dat lokale allianties worden opgezet en versterkt. VWS neemt ook deel aan de Brede Alliantie Financieel Veilig Ouder Worden, waarin onder andere Veilig Thuis, ouderenbonden, diverse grootbanken, de VNG en het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) samenwerken aan preventie en aanpak van financieel misbruik.
Daarnaast is er een samenwerking tussen de grootbanken en Veilig Thuis om anoniem te overleggen en vinden binnen de banken trainingen plaats om op dit thema vroegtijdig te signaleren. De banken en Veilig Thuis hebben korte lijnen en melden ook bij Veilig Thuis als zij misstanden tegenkomen en vermoedens hebben van financiële uitbuiting. Veilig Thuis geeft eveneens breder voorlichting aan medewerkers van gemeenten over veilig financieel ouder worden.
Verder is in opdracht van VWS en de VNG een onderzoek uitgevoerd naar de succesfactoren van Lokale Allianties. Dit heeft geleid tot een toolbox met verschillende praktische instrumenten die gratis beschikbaar zijn op de website van huiselijkgeweld.nl. De toolbox stelt gemeenten en lokale partners in staat hun eigen aanpak van financieel misbruik te versterken door lokale allianties op te zetten. Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) zijn gemeenten verantwoordelijk voor het organiseren van een samenhangende aanpak van huiselijk geweld in hun lokale beleid, daar valt ook het vormgeven van een aanpak gericht op ouderenmishandeling onder.
Aanvullend stelt VWS de fysieke informatiebox «Financieel veilig ouder worden» beschikbaar, die kosteloos online kan worden aangevraagd en steeds beter vindbaar is. Het doel van de box is ouderen informeren en tijdig laten nadenken over de financiële kant van ouder worden, met vragen zoals: hoe regel ik mijn bankzaken goed en veilig? Wie geef ik inzage in mijn administratie als ik het zelf niet meer kan? Waar kan ik terecht als ik iets wil weten over financieel misbruik? De informatieboxen worden veel besteld door gemeenten die de boxen inzetten ter vergroting van het bewustzijn en eventuele vervolgstappen voor ouderen zelf.
Bent u bereid om samen met banken, notarissen, gemeenten, wijkteams en Veilig Thuis te bezien hoe financiële uitbuiting van ouderen sneller kan worden opgespoord?
Ja, wij werken hier al actief aan samen, onder meer binnen de Brede Alliantie Veilig Financieel Ouder Worden, waarin verschillende partijen kennis en signalen bundelen om financiële uitbuiting van ouderen eerder te herkennen en tegen te gaan. Vanuit die bestaande samenwerking zijn wij bereid om met de Brede Alliantie verder te bezien hoe signalering, bewustwording en opvolging nog effectiever kan worden ingericht. Zo zijn er recente ontwikkelingen bij banken, waarbij het onderwerp onder de aandacht wordt gebracht bij medewerkers om het bewustzijn rondom financieel misbruik te vergroten. Ook werken we binnen de alliantie aan de versterking van de onderlinge samenwerking tussen partijen. Een voorbeeld hiervan is een betere bereikbaarheid en samenwerking tussen de banken en Veilig Thuis, zodat ze elkaar sneller weten te vinden bij zorgen over de veiligheid of financiële situatie van een oudere.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat het aantal potentiële mantelzorgers niet meegroeit, terwijl de druk op mantelzorgers toeneemt?
Als gevolg van de vergrijzing stijgt het aantal ouderen met een zorgvraag. Het aantal (potentiële) zorgverleners, evenals het aantal (potentiële) mantelzorgers groeit niet mee. Dit kan leiden tot een toenemende druk op mantelzorgers, wat ook betekent dat het risico op overbelasting toeneemt. Ik vind het belangrijk dat mantelzorgers ondersteund worden om zo het risico op overbelasting te verkleinen. In de uitvoering van de Mantelzorgagenda 2023–2026 en, in aanvulling daarop, in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg heb ik dan ook specifieke aandacht voor het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers.
Deelt u de zorg dat overbelasting van mantelzorgers kan bijdragen aan ontspoorde mantelzorg en daarmee aan ouderenmishandeling?
Overbelasting en onmacht bij mantelzorgers kan leiden tot het overschrijden van grenzen. Zonder dat dit opzettelijk is kunnen er dan situaties ontstaan waarin sprake is van «ontspoorde» mantelzorg. Om te voorkomen dat mantelzorgers overbelast raken vind ik het belangrijk dat er passende ondersteuning is voor mantelzorgers.
Welke concrete ondersteuning krijgen mantelzorgers om te voorkomen dat overbelasting leidt tot onveilige situaties voor kwetsbare ouderen?
Een belangrijk doel van mantelzorgondersteuning is het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger. Daarmee heeft dit ook een preventieve werking op het voorkomen van «ontspoorde» mantelzorg. Gemeenten hebben vanuit de Wmo 2015 de taak om mantelzorgers te ondersteunen. Zij bieden verschillende vormen van mantelzorgondersteuning aan, omdat de ondersteuningsbehoefte van mantelzorgers verschilt per (mantelzorg)situatie. In de uitvoering van de Mantelzorgagenda 2023–2026 en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg is deze diversiteit in het ondersteuningsaanbod, volgens de acht vraaggebieden van mantelzorgers, daarom ook het uitgangspunt.
Bent u van mening dat gemeenten voldoende zicht hebben op overbelaste mantelzorgers en kwetsbare ouderen die thuis wonen?
Gemeenten hebben vanuit de Wmo 2015 een wettelijke taak in de ondersteuning van mantelzorgers en het bieden van maatschappelijke ondersteuning aan kwetsbare inwoners, waaronder ouderen die thuis wonen. In de praktijk verschilt de mate waarin gemeenten hier zicht op hebben en de wijze waarop zij dit organiseren, bijvoorbeeld afhankelijk van lokale samenwerkingsstructuren en netwerken.
Kunt u de Kamer voor het commissiedebat Ouderenzorg informeren over de ontwikkeling van het aantal meldingen van ouderenmishandeling in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar aard van de mishandeling, zoals fysieke mishandeling, psychische mishandeling, verwaarlozing en financiële uitbuiting? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de CBS-cijfers zijn in 2025 circa 2.600 meldingen van ouderenmishandeling (65+) bij Veilig Thuis geregistreerd. Het CBS maakt daarbij onderscheid tussen meldingen enerzijds en een bredere categorie registraties en contactmomenten anderzijds, waarin ook adviesvragen en andere vormen van contact rondom (vermoedens van) ouderenmishandeling zijn opgenomen.
Binnen deze meldingen is de volgende uitsplitsing naar aard van het geweld zichtbaar: 1.645 meldingen van psychische of emotionele mishandeling, 1.090 meldingen van fysieke mishandeling, 710 meldingen van financiële uitbuiting, 520 meldingen van verwaarlozing en 75 meldingen van seksueel misbruik.
Het hogere cijfer van circa 4.800 heeft betrekking op de bredere categorie registraties en contactmomenten rondom (vermoedens van) ouderenmishandeling, waaronder ook adviesvragen. Daarbij kan één casus meerdere contactmomenten of registraties omvatten, bijvoorbeeld een adviesvraag gevolgd door een melding of meerdere signalen binnen één situatie.
Op basis van de CBS-cijfers vanaf 2019 is zichtbaar dat het aantal geregistreerde meldingen van ouderenmishandeling in de meest recente jaren (2024–2025) iets hoger ligt dan aan het begin van de periode. Het CBS spreekt daarbij niet van een sterke stijging, maar van een lichte toename in geregistreerde meldingen over de tijd.
Bent u bereid om op korte termijn in overleg te treden met ouderenorganisaties en met een concreet actieplan te komen om ouderenmishandeling beter zichtbaar te maken, sneller te signaleren en harder aan te pakken, en de Kamer vóór het commissiedebat Ouderenzorg te informeren over de eerste stappen die hierin worden gezet?
De aanpak van ouderenmishandeling maakt onderdeel uit van de bredere inzet op huiselijk geweld. Binnen die inzet wordt al actief samengewerkt met ouderenorganisaties, onder andere via de Brede Alliantie. Het contact met deze organisaties is structureel en gericht op het ophalen van signalen uit de praktijk en het tegengaan van ouderenmishandeling. Daarnaast neemt VWS deel aan het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO), waar signalen en ervaringen uit de praktijk worden gedeeld.
Deze bestaande samenwerking en activiteiten worden onverminderd voortgezet, met blijvende aandacht voor het beter zichtbaar maken en eerder signaleren van ouderenmishandeling binnen de huidige structuren.
De overname van jeugdgezondheidszorg aan kinderen van asielzoekers door een commerciële zorgaanbieder. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in Medisch Contact over het verlies van de jeugdgezondheidszorg voor asielzoekerskinderen door GGD’en aan een commerciële zorgpartij en herkent u de daarin geuite zorgen over de continuïteit van zorg?1
Hoe rechtvaardigt u dat via aanbestedingen publieke gezondheidszorgtaken bij marktpartijen worden belegd, terwijl het uitgangspunt van het Nederlandse publieke gezondheidsstelsel juist is dat deze taken publiek, samenhangend en preventief worden georganiseerd, en hoe voorkomt u dat dit in de praktijk leidt tot uitholling van het publieke gezondheidsstelsel?
Is de gunning van de aanbesteding voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen inmiddels definitief en, zo ja, welke concrete randvoorwaarden zijn gesteld om te waarborgen dat de overgang van de huidige naar de nieuwe situatie zorgvuldig verloopt, in het bijzonder in de periode tussen het einde van de huidige uitvoering en de start van het nieuwe contract?
Op welke wijze is voorafgaand aan de gunning geverifieerd dat de nieuwe aanbieder daadwerkelijk kan voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien van kwaliteit, personele capaciteit, landelijke dekking en continuïteit van zorg, en kunt u toelichten hoe dit wordt beoordeeld? Hoe beoordeelt u de zorgen van de GGD en experts, mede gezien de eerdere ervaringen met dit bedrijf?2
Klopt het dat de Arts en Zorg Groep de aanbesteding vooral won vanwege het «forse prijsverschil»? Hoe kan het dat de prijs die het bedrijf op de zorg plakt, ongeveer een kwart lager zijn dan die van de GGD. Waarin zit precies dit prijsverschil?
Welke maatregelen worden genomen om het behoud van ervaren en deskundig personeel voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen te waarborgen, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheid)zorg, en hoe voorkomt u dat verlies van personeel leidt tot discontinuïteit en kwaliteitsverlies van zorg, zowel voor asielzoekerskinderen als in de jeugdgezondheidszorg in bredere zin, en dat dit doorwerkt in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe waarborgt u dat de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg voor asielzoekerskinderen niet alleen gedurende de overgang, maar ook structureel na implementatie op peil blijven, mede gelet op het feit dat het gaat om kinderen met een vluchtachtergrond die te maken hebben gehad met oorlog, geweld, vervolging of ontwrichting en vaak kampen met trauma’s en complexe gezondheidsproblematiek? Hoe wordt gewaarborgd dat de zorg in de periode tussen 1 oktober 2026 (waarin het contract met de GGD stopt) en juni 2027 (waarin het contract met de Arts en Zorg Groep aanvangt) geleverd blijft worden en van kwalitatief goed niveau is?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van de geleverde zorg en welke concrete interventiemogelijkheden heeft u indien blijkt dat de zorg niet aan de gestelde eisen voldoet, en hoe voorkomt u dat tekortkomingen in deze zorg doorwerken in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe reflecteert u op het feit dat de aanbesteding wordt gegund aan een partij, waarbij eerder op één van hun locaties is vastgesteld dat kinderen kampten met ondergewicht, angstklachten en gebrek aan privacy?
Hoe wordt er toezicht gehouden op (de kwaliteit van) de zorg die geleverd zal worden, zeker gelet op het feit dat de zorg verleend wordt aan kinderen die niet altijd de Nederlandse taal machtig zijn, evenals hun ouders? Kunt u beschrijven hoe het toezicht er in de praktijk uitziet? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Wat wordt er gedaan als blijkt dat deze zorg (ernstig) tekortschiet?