De uitzending van ‘De Nieuwe Wereld’ getiteld ‘Effectief Corona-middel systematisch geblokkeerd’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitzending van «De Nieuwe Wereld», getiteld «Effectief Corona-middel systematisch geblokkeerd»?1
Is het correct dat de heer Koornstra, zoals hij in deze uitzending beweert, samen met hoogleraren langs is geweest in het Torentje bij premier Rutte en zijn topambtenaren en met hen heeft gesproken over het middel «lidocaïne» dat toen mogelijk (zeer) effectief leek te zijn bij de behandeling van ernstige gevallen van Corona? Wanneer was dit gesprek? Wie waren erbij? Is er een gespreksverslag van dit gesprek gemaakt dat naar de Tweede Kamer kan worden gestuurd?
Bent u bereid bij de heer Feike Sijbesma na te vragen (en hierover aan de Kamer te rapporteren) of de heer Sijbesma, op dat moment onder andere bestuursvoorzitter bij DSM en lid van de Raad van Toezicht van het World Economic Forum, zoals de heer Koornstra in dit interview beweert, inderdaad, tegen de heer Koornstra en een groep hoogleraren toen (2020 vermoedelijk) heeft gezegd, over de inzet van dit medicijn, geparafraseerd, «Ik denk niet dat dit gaat lukken, er is besloten, in de wereld, dat alles wat hoop geeft op medicijnen nu even de kop moet worden ingedrukt, want het is belangrijker dat iedereen nu een vaccinatie krijgt en de dollartekens in de ogen van de farmacie zijn ook best groot» en indien de heer Sijbesma woorden van deze strekking inderdaad heeft geuit tegen de heer Koornstra door «wie in de wereld» dat dan is besloten? Mocht u daartoe niet bereid zijn, waarom niet? Is het, uit het oogpunt van volksgezondheid, niet heel belangrijk te achterhalen of er wellicht inderdaad ergens «in de wereld» een «machtscentrum» is die hoopgevende medicijnen «de kop in kan drukken» ten koste van de volksgezondheid maar ten gunste van de winst van farmaceuten?
Kan de Kamer (indien de heer Koornstra hiervoor vanzelfsprekend toestemming geeft) de brief van u ontvangen waar de heer Koornstra (in minuut 6) naar verwijst en waarin het Ministerie van VWS heeft laten weten, aldus de heer Koornstra, dat dit middel – lidocaïne – niet geschikt zou zijn voor de behandeling van Corona?
Kunt u navragen bij de heer Gommers of de heer Koornstra, na het ontvangen van deze afwijzingsbrief, inderdaad contact opgenomen heeft met de heer Gommers en of de heer Gommers toen, geparafraseerd, tegen de heer Koornstra over dit medicijn inderdaad heeft gezegd: «Het zou best eens kunnen werken, maar het is lastig, want we volgen nu een narratief»? Zou u, indien de heer Gommers dit inderdaad gezegd heeft, wellicht kunnen navragen op welk «narratief» de heer Gommers doelde?
Is het correct dat dit middel, «lidocaïne», inmiddels met succes wordt gebruikt voor de behandeling van long-covid?2
Is het, medisch gezien, logisch of te verwachten dat een middel dat succesvol is bij de behandeling van long-covid ook effectief zou kunnen zijn bij de behandeling van Covid?
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke term van drie weken beantwoorden?
Het aantal spoedritten van Ambulance Oost |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Is het correct dat het aantal spoedritten van Ambulance Oost (deze aantallen kunnen worden teruggevonden in de jaarverslagen van Ambulance Oost) ten opzichte van het jaar 2019 in de daaropvolgende vijf jaren is gestegen met respectievelijk 1 (2020), 22 (2021), 41 (2022), 40 (2023) en 47 (2024) procent? Indien dit niet het geval is, wat zijn dan wel de correcte percentages?
Op basis van de jaarrapportages van Ambulance Oost (regio Twente) zijn dit inderdaad de cumulatieve stijgingspercentages van de A1-inzetten. Ambulancezorg Nederland rapporteert in het jaarlijkse Sectorkompas Ambulancezorg het aantal inzetten per veiligheidsregio. De cijfers in de jaarrapportages van Ambulance Oost wijken iets af vanwege een andere selectie, maar in de kern komen de aantallen overeen. Op basis van de Sectorkompassen van de afgelopen jaren gelden onderstaande cijfers voor de regio Twente.
15.582
15.824
19.046
22.217
22.001
23.238
(incl. A0)
Aantal A1-inzetten (% groei t.o.v. jaar ervoor)
1,6%
20,4%
16,6%
– 1,0%
5,6%
Aantal A1-inzetten (% cumulatieve groei t.o.v. 2019)
1,6%
22,2%
42,6%
41,2%
49,1%
Hoe verklaart u deze plotseling sterke toename van het aantal spoedritten sinds 2021?
Tot halverwege 2021 bestond bij Ambulance Oost de werkwijze om bij meerinzetten (het sturen van tweede, derde, enz. auto naar eenzelfde incident) de tweede en eventueel daaropvolgende auto’s een A2-urgentie te geven. Vanaf de tweede helft van 2021 is deze werkwijze aangepast en krijgen de meerinzetten dezelfde urgentie als de eerste ambulance; dit betreft altijd A1 (of A0). Dit heeft als gevolg een stijging van het aantal A1-inzetten en een daling van het aantal A2-inzetten.
Het aantal A1-inzetten in 2021 en 2022 is daarom fors hoger dan in 2020; daarna volgt min of meer stabilisatie. Wanneer we de productie van A1-inzetten en A2-inzetten samen nemen en dit naast de ontwikkeling in Nederland plaatsen, zijn er dan ook geen opvallende verschillen te zien.
Onderstaande tabel geeft de som van A1- en A2-inzetten in regio Twente en in Nederland weer:
Figuur 1: Procentuele groei A1- en A2-inzetten per jaar voor regio Twente en Nederland
Is het correct dat het aantal zorgconsulten van Ambulance Oost (deze aantallen kunnen worden teruggevonden in de jaarverslagen van Ambulance Oost) ten opzichte van het jaar 2019 in de daaropvolgende vijf jaren is gestegen met respectievelijk 4 (2020), 24 (2021), 45 (2022), 47 (2023) en 51 (2024) procent? Indien dit niet het geval is, wat zijn dan wel de correcte percentages?
Dat klopt, dat zijn inderdaad de cumulatieve stijgingspercentages voor Ambulance Oost. In onderstaande tabel staat het aantal mobiele zorgconsulten in de regio Twente weergegeven.
8.622
8.998
10.706
12.530
12.715
13.048
Aantal mobiele zorgconsulten (% groei t.o.v. jaar ervoor)
4,4%
19,0%
17,0%
1,5%
2,6%
Aantal mobiele zorgconsulten (% cumulatieve groei t.o.v. 2019)
4,4%
24,2%
45,3%
47,5%
51,3%
Hoe verklaart u deze plotseling sterke toename van het aantal zorgconsulten sinds 2021?
In de rest van Nederland is deze stijging ook te zien in 2021 en 2022. Dit gaat dus om een landelijke trend waarop de regio Twente geen uitzondering vormt. In onderstaande tabel is het overzicht te zien van het aantal mobiele zorgconsulten in Nederland. Over deze landelijke ontwikkeling heb ik recent verslag gedaan in de Kamerbrief acute zorg d.d. 15 september 2025.1
303.822
301.015
336.691
388.797
393.368
417.204
Aantal mobiele zorgconsulten (% groei t.o.v. jaar ervoor)
– 0,9%
11,9%
15,5%
1,2%
6,1%
Aantal mobiele zorgconsulten (% cumulatieve groei t.o.v. 2019)
– 0,9%
10,8%
28,0%
29,5%
37,3%
Figuur 2: Groei in % mobiele zorgconsulten per jaar voor regio Twente en in Nederland
Het bericht 'Deense spermadonor gaf kankergen door aan minstens 197 nakomelingen in heel Europa' |
|
Harry Bevers (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Deense spermadonor gaf kankergen door aan minstens 197 nakomelingen in heel Europa»?1
Ja.
Wat vindt u van de weigering van de European Sperm Bank (ESB) om nakomelingen op te sporen die mogelijk drager zijn van de genetische afwijking, aangezien dit bedrijf in Nederland gevestigd en actief is?
De European Sperm Bank (ESB) beschikt zelf niet over informatie over de identiteit, verblijfplaats, en/of contactgegevens van nakomelingen. De ESB is verantwoordelijk voor het informeren van de fertiliteitsklinieken die het betreffende donorzaad gebruiken of hebben gebruikt. Dit is vastgelegd in de Europese richtlijn Weefsels en Cellen2, waarin staat dat in het geval van een ernstig ongewenst voorval, dit altijd gemeld moet worden in het kader van traceerbaarheid van betrokkenen en het voorkomen van verdere schade. Nederland heeft deze richtlijn geïmplementeerd in de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal (Wvkl). Op grond van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), rust vervolgens op fertiliteitsklinieken de verplichting hun patiënten te informeren indien er een genetische afwijking bij de donor is geconstateerd. De fertiliteitsklinieken zijn immers verantwoordelijk voor de behandelingen, het bijhouden van de medische dossiers en het onderhouden van contact met hun patiënten. Deze informatieverstrekking moet actief en aansluitend bij de richtlijn «Informeren van familieleden bij erfelijke aandoeningen» van de Vereniging Klinische Genetica Nederland (VKGN) plaatsvinden, zoals vastgelegd in de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb).
Aanvullend op bovengenoemde verplichtingen, heeft de ESB op zijn website informatie gepubliceerd over de recente casus van de Deense donor met de TP53-mutatie, waarbij ouders de mogelijkheid wordt geboden rechtstreeks contact met ESB op te nemen voor nadere informatie.3 De Deense donor met de TP53-mutatie is overigens niet gebruikt bij behandelingen in Nederlandse fertiliteitsklinieken.
Kunt u aangeven of juridische stappen mogelijk zijn om een dergelijk bedrijf genoemde informatie te laten verstrekken en zo ja, welke? Zo nee, welke opties ziet u om deze alsnog mogelijk te maken?
De ESB heeft geen informatie over nakomelingen omdat vrouwen niet behandeld worden door de ESB, maar door fertiliteitsklinieken, die een behandelrelatie hebben met de vrouw. Daarom zijn juridische stappen in dit kader niet van toepassing. In mijn antwoord op vraag 2 heb ik toegelicht dat de ESB verplicht is de fertiliteitsklinieken te informeren bij een genetische afwijking bij een donor en dat de fertiliteitsklinieken de betreffende patiënten op de hoogte moeten stellen. Daarnaast wordt bij een ernstige genetische afwijking bij een buitenlandse donor van wie het sperma in een Nederlandse fertiliteitskliniek is gebruikt, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) geïnformeerd. Dat gebeurt met een zogenoemde Rapid Alert Tissue and Cells-melding (RATC).4 Vervolgens vraagt de IGJ bij de nationale autoriteit in kwestie5 op aan welke klinieken het sperma is gedistribueerd, zodat de IGJ steekproefsgewijs kan controleren of klinieken zijn gestopt met gebruik van deze donor en betrokkenen hebben geïnformeerd.
Het gebruik van anonieme donoren is in Nederland verboden, maar in hoeverre is het nog steeds mogelijk dat sperma van Nederlandse donoren door ESB wordt geëxporteerd naar het buitenland en wel ingezet wordt voor (anonieme) donatie?
Een donor kan in Nederland niet anoniem doneren. Juridisch is het mogelijk dat het materiaal van donoren die in Nederland doneren, wordt geëxporteerd naar landen waar anonieme donatie mogelijk is. Echter, in de praktijk geeft de ESB altijd de identiteit van de donor vrij als de bank in Nederland gedoneerd sperma naar het buitenland exporteert. De niet-anonimiteit van de donor wordt vastgelegd in het donorcontract dat de ESB afsluit met de donor. Deze informatie staat op het donorprofiel op de website zodat dit ook bekend is voor wensouders als zij een donor uitkiezen. Het type donorprofiel (anoniem of niet-anoniem) is vastgelegd en kan niet worden gewijzigd. In reactie op de motie Bikker (CU)6, is eerder aangegeven dat optimaal uitvoering kan worden gegeven aan de geest van de motie met een nadere regeling op grond van het wetsvoorstel zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl).7 De Wzl biedt de mogelijkheid om in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) bepaalde gebruiksdoelen (bijvoorbeeld fertiliteitsbehandelingen met anoniem gedoneerde eicellen of sperma) te verbieden. De Wzl is momenteel in behandeling bij de Tweede Kamer.
Hoe verhoudt dit zich tot de met algemene stemmen aangenomen motie die oproept tot ontmoediging van massadonatie?2
Ik vind net als de Kamer, anonieme donatie onwenselijk, en dat geldt ook voor het veelvuldig gebruik van sperma van één donor om grote aantallen nakomelingen te verwekken. Met de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb) is geborgd dat donoren niet meer anoniem kunnen donoren en bij niet meer dan 12 vrouwen gebruikt mogen worden in Nederlandse klinieken. Daarmee zijn anonieme donatie en «massadonatie» binnen Nederland niet mogelijk. Helaas geldt dit niet altijd voor het gebruik van donorsperma in internationaal verband. Zo is anonieme donatie nog altijd mogelijk in een aantal landen. En hoewel bijna alle landen een limiet hanteren voor het aantal nakomelingen van een donor binnen dat land, kan het totaal aantal nakomelingen flink oplopen als dat sperma van diezelfde donor in meerdere landen wordt gebruikt.
Ik breng daarom – in lijn met de genoemde motie van Van Dijk (SGP)9 – in kaart hoe massadonatie actief kan worden ontmoedigd. Zoals eerder is toegezegd zal ik de Tweede Kamer in het eerste kwartaal van dit jaar informeren over mogelijke maatregelen.10
Kunt u aangeven in hoeverre er in Europees verband ruimte ontstaat voor maatregelen en meer specifiek een maximering van het aantal nakomelingen per donor?
In Europa ontstaat in toenemende mate aandacht voor de noodzaak van maatregelen rondom het maximeren van het aantal nakomelingen per donor. Nederland pleit in diverse Europese gremia voor een Europees maximum per donor en de inrichting van een EU-breed donorregister waarmee zowel massadonatie als anonieme donatie kan worden tegengegaan.
Tegelijkertijd moet worden erkend dat Europese afspraken of regelgeving op dit terrein op korte termijn niet waarschijnlijk zijn. De opvattingen over donorconceptie in het algemeen en anonimiteit van donoren lopen binnen de verschillende lidstaten sterk uiteen en behoren tot de nationale bevoegdheden. Dit maakt regelgeving op EU-niveau niet vanzelfsprekend.
Desondanks neemt de gevoelde urgentie toe. Recente gebeurtenissen, zoals de «Kjeld-casus», de brede media-aandacht hiervoor en internationale initiatieven zoals het pleidooi van verschillende Noord-Europese ethiekraden11 versterken de noodzaak voor het debat over een internationaal maximum van het aantal nakomelingen per donor. Ook de European Society of Human Reproduction and Embryology (ESHRE) benadrukt het belang van het vaststellen van een maximumaantal in Europa en ziet meerwaarde in de ontwikkeling van een Europees donorregister. Hoewel deze ontwikkelingen wijzen op een groeiend draagvlak voor Europese samenwerking op dit onderwerp, geldt dat een concrete uitwerking en invoering van een Europees maximum (en donorregister) een lastig proces zal zijn dat naar verwachting jaren in beslag zal nemen.
Deelt u de mening dat, naast de wet- en regelgeving, bedrijven zich ook zeer bewust moeten zijn van de grote mate van zorgvuldigheid die in Nederland verwacht wordt als het gaat om een gevoelig onderwerp als massadonatie bij spermadonoren? Bent u bereid om ervoor te zorgen dat bedrijven zich hier meer bewust van zijn?3
Ja, ik deel die mening. Onze wet- en regelgeving is als het ware de uitkomst van maatschappelijke discussies over spermadonatie en donorconceptie in onze samenleving. Met wet- en regelgeving kan echter niet alles opgelost worden. Met onze nationale wet- en regelgeving op dit terrein hebben we geen invloed buiten onze landsgrenzen. Ook kunnen wensouders in zee gaan met een donor in de privésfeer of naar het buitenland reizen voor een behandeling met donorgameten. Donoren kunnen bovendien ook in het buitenland doneren. Ik vind het daarom van belang dat fertiliteitsklinieken, spermabanken, wensouders en donoren zelf ook verantwoordelijkheid nemen voor de (maatschappelijke) gevolgen van hun handelen. Daarom heb ik in gesprek met deze partijen aandacht voor het belang van een zorgvuldige praktijk van donorconceptie en de verantwoordelijkheid die zij hiervoor hebben.
Fraude in de mondzorg in de Wlz door Vitadent |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van EenVandaag van 10 december 2025?1
Ja.
Was u ervan op de hoogte dat dit soort praktijken plaatsvinden?
Het is mij bekend dat Wlz-uitvoerders aangeven dat het ontbreken van doelmatigheidsnormen rondom mondzorg in de Wlz de controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van deze declaraties complex maakt. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft dat geconstateerd in het rapport «De kosten van onze langdurige zorg in 2024» dat ik op 16 december 20252 aan uw Kamer heb verzonden. Momenteel bestaan er geen richtlijnen ten aanzien van de duur en het aantal behandelingen bij Wlz-cliënten, waardoor Wlz-uitvoerders momenteel lastig kunnen concluderen of sprake is van eventuele overbehandeling. De NZa heeft gepleit voor het opstellen van richtlijnen door de tandartsen en het verwerken daarvan in regelgeving. Het is in eerste instantie de sector zelf die deze richtlijnen moet ontwikkelen, maar daarnaast roept de NZa de Wlz-uitvoerders op om met elkaar in gesprek te gaan en daarbij te verkennen of het mogelijk is om in gezamenlijkheid tot doelmatigheidsnormen te komen, of anderszins te komen tot een gezamenlijke aanpak ten aanzien van mogelijk onterechte declaraties mondzorg in de Wlz.
Erkent u dat het bij deze declaraties gaat om ondoelmatige én onrechtmatige zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Geleverde zorg moet verantwoord en doelmatig zijn en geleverd worden door personen die daartoe bevoegd zijn. Van belang is dat er sprake is van multidisciplinair overleg over de mondzorg tussen de medewerkers van het verpleeghuis en de tandartsenpraktijken. Daarbij is doelmatigheid van de verleende mondzorg ook een onderwerp van gesprek. Alleen daadwerkelijk geleverde zorg die voldoet aan de daaraan gestelde eisen, mag worden gedeclareerd. De basis voor de te leveren zorg ligt vast in het (mond)zorgplan. Declaraties worden gecontroleerd door de Wlz-uitvoerders. Op basis van de uitzending kan ik geen antwoord geven op de vraag of in dit geval sprake is van ondoelmatige of onrechtmatige zorg.
Hoe kan het dat commerciële partijen uren van onbevoegden op naam van de algemeen gegevensbeheer zorgverleners, de agb-code, van een tandarts declareren?
De NZa heeft beleidsregels opgesteld over het declareren van geleverde uren. Alle partijen moeten daaraan voldoen. Onbevoegden mogen geen uren declareren. Wel is het zo dat preventie-assistenten een aantal werkzaamheden zelfstandig mogen uitoefenen, maar de basis daarvan ligt vast in het mondzorgplan onder verantwoordelijkheid van de tandarts. De Wlz-uitvoerders controleren deze werkwijze.
Is er toezicht op misbruik van Wlz-gelden, oftewel het bewust stoppen met het leveren van mondzorg, of het onbevoegd dan wel niet volgens de geldende standaarden leveren daarvan (maar wel geld ontvangen daarvoor via de dagprijs) in het verpleeghuis?
De dagelijkse mondzorg (o.a. (hulp bij) tandenpoetsen) behoort tot de dagelijkse zorg en wordt geleverd door de medewerkers van het verpleeghuis. Alle zorg – dus ook de tandheelkundige zorg – moet voldoen aan de daartoe geldende wet- en regelgeving. Ik heb geen signalen dat verpleeghuizen stoppen met het leveren van mondzorg of tandheelkundige zorg. Wat ik wel zie, is dat steeds vaker de tandheelkundige zorg geleverd wordt in de vorm van mobiele tandartsenbussen en/of op de kamers van de bewoners van het verpleeghuis. Dat kan naar mijn idee passende zorg zijn – mits voldaan wordt aan alle daaraan te stellen eisen – en er is geen sprake van misbruik van Wlz-gelden. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg die mondzorgprofessionals leveren. Hiernaast houdt de NZa toezicht op professionele bedrijfsvoering en goed bestuur van zorgaanbieders.
Als tijdens een bezoek blijkt dat de mondzorg niet in orde is, zal de IGJ een organisatie aanzetten/verplichten te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en veldnormen ten aanzien van mondzorg.
Hoe is het mogelijk dat mondverzorging (bijv. kunstgebit reinigen) behorend bij de ADL tegen 207 euro gedeclareerd wordt als mondzorg? Hoe oordeelt u hierover?
Het in rekening brengen van mondverzorging via de bekostiging van mondzorg is niet toegestaan. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft prestaties voor mondzorg waarin dit ook duidelijk staat beschreven. Als wordt aangetoond dat een zorgaanbieder mondverzorging uitvoert en daarvoor prestaties mondzorg in rekening brengt, is het aan de Zorgkantoren en eventueel de toezichthouder (NZa) om hiertegen op te treden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat gebitscontroles bij deze kwetsbare groep verpleeghuisbewoners in elk geval bij Vitadent werden uitgevoerd door preventieassistenten in plaats van tandartsen?
De NZa stelt op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) prestaties met bijbehorende tarieven vast. Er is daarbij sprake van functionele bekostiging, hetgeen betekent dat de NZa niet oplegt wie deze zorg mag leveren. De NZa gaat er daarbij wel vanuit dat de uitvoerende zorgaanbieder bevoegd en bekwaam is. Een gebitscontrole is niet als voorbehouden handeling opgenomen in de Wet BIG en mag in beginsel dus ook door niet BIG-geregistreerd zorgverleners worden uitgevoerd. In dit geval is de gebitscontrole dus niet voorbehouden aan tandartsen en mag die ook uitgevoerd worden door andere zorgverleners. De basis van de verrichtingen ligt vast in het mondzorgplan onder verantwoordelijkheid van de tandarts.
Hoe oordeelt u over het bericht dat controles soms in een keukenstoel werden uitgevoerd en niet in een gewone tandartsstoel?
De huidige richtlijn voor mondzorg pleit ervoor tandheelkundige handelingen in een tandartsomgeving te laten plaatsvinden. Er is geen harde norm of regel die zegt dat dit moet. Uitgangspunt is dat tandartszorg geleverd wordt in een ruimte waarin tandartszorg geboden kan worden. Dit kan ook een mobiele praktijkruimte zijn.
Uitgangspunt is ook dat – als het in het voordeel is van de cliënt – een uitzondering gemaakt kan worden en de tandartszorg wel op de eigen kamer plaatsvindt. Dit omdat een verplaatsing naar een behandelkamer voor veel mensen die Wlz-zorg in een verpleeghuissetting ontvangen, fysiek en/of psychisch belastend kan zijn. Behandeling in de vertrouwde omgeving is dan vaak de minst ingrijpende en meest passende vorm van zorg, waarbij er uiteraard grenzen zijn aan de mogelijkheden om dat ter plekke te doen. Vooralsnog ben ik van mening dat de huidige regelgeving afdoende is om excessen tegen te gaan.
Of de mondzorg in dit geval op een verantwoorde manier werd uitgevoerd hangt dus af van de context.
Is er toezicht op verpleeghuizen die het leveren van mondzorg staken of terugschroeven, en zijn hier overzichten van?
Bij de IGJ is geen informatie bekend over verpleeghuizen die mondzorg staken of terugschroeven, anders dan de recente berichtgeving in de media.
Bent u het eens met de conclusie dat mondzorg in deze situaties in de laatste levensfase gestaakt wordt, met alle mogelijke implicaties voor de gezondheid van dien?
Ik ben van mening dat er geen sprake is van zorg die achterwege blijft, maar van zorg die op een andere wijze wordt geleverd, bijvoorbeeld in de vorm van mobiele tandartsenbussen en/of op de kamers van de bewoners van het verpleeghuis.
Kunt u aangeven hoe groot de vergoeding (binnen het Wlz-tarief) voor tandzorg in een verpleeghuis is?
Alle kosten (m.u.v. het honorarium tandarts, de techniekkosten en de kosten voor narcose) die een zorgaanbieder moet maken om de mondzorg voor hun eigen cliënten te faciliteren zitten in het door de NZa vastgestelde tarief voor een zorgzwaartepakket (ZZP) verdisconteerd. Deze kosten zijn niet separaat geoormerkt en daardoor niet gespecificeerd in beeld. Ze zitten dus wel in het tarief, maar onbekend is hoeveel.
Hoeveel geld van het budget wordt «verdiend» als deze zorg achterwege blijft?
In het antwoord op vraag 11 heb ik aangegeven dat de kosten die zijn opgenomen in het ZZP-tarief niet gespecificeerd en daarmee zijn deze vragen niet te beantwoorden. Daarnaast ben ik van mening dat er geen sprake is van zorg die achterwege blijft, maar van zorg die op een andere wijze wordt geleverd.
Heeft u inzicht hoeveel geld het in het geheel betreft door deze praktijken? Zo niet, bent u bereid dit te gaan onderzoeken, en op welke manier?
Zie antwoord vraag 12.
Welke acties gaat u nemen om dit in de toekomst te voorkomen?
Er bestaan meerdere richtlijnen specifiek gericht op de mondzorg. Dit zijn onder andere:
Verder is er de standaard wet- en regelgeving in de zorg en het Generiek Kompas «Samen werken aan kwaliteit van bestaan». De IGJ heeft op basis van de bestaande richtlijnen en wet- en regelgeving een toetsingskader opgesteld voor mondzorg in de verpleeghuizen en een toetsingskader voor taakdelegatie in de mondzorg.
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven heeft de NZa recent gepleit voor het opstellen van richtlijnen door de tandartsen en het verwerken daarvan in regelgeving. Het is in eerste instantie de sector zelf die deze richtlijnen moet ontwikkelen, maar daarnaast roept de NZa de Wlz-uitvoerders op om met elkaar in gesprek te gaan en daarbij te verkennen of het mogelijk is om in gezamenlijkheid tot doelmatigheidsnormen te komen, of anderszins te komen tot een gezamenlijke aanpak ten aanzien van mogelijk onterechte declaraties mondzorg in de Wlz. Ik ondersteun deze oproep van de NZa.
Hoe oordeelt u over de constatering dat er te weinig normen zijn voor het leveren van tandzorg aan deze kwetsbare groep?
Zie antwoord vraag 14.
Kan gesteld worden dat er wordt gehandeld in strijd met de Wlz, aangezien verpleeghuizen worden betaald tandartsen te faciliteren? Indien dat geld aantoonbaar niet daaraan wordt uitgegeven, wat zijn dan de consequenties? Moet dit geld teruggegeven worden?
In het Wlz-tarief zit ook een component opgenomen om de tandheelkundige zorg voor cliënten die verblijven in een instelling die ook de behandeling levert te kunnen bekostigen. Zoals in het antwoord op vraag 11 is aangewezen is dat bedrag niet separaat geoormerkt. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 is het afhankelijk van de context of de geboden zorg op de kamer van de bewoners verantwoord is.
Heeft u inzicht in de manier waarop mond- en tandzorg in het algemeen geleverd wordt in verpleeghuizen?
In 2015, 2016 en 2017 voerde de IGJ themabezoeken uit in verpleeghuizen gericht op mondzorg. Uit deze bezoeken kwamen over het algemeen positieve bevindingen. De inspectie bracht over deze bezoeken een factsheet uit en deelde deze met het veld.
De inspectie ontving afgelopen jaren een beperkt aantal meldingen over mond- en tandzorg in verpleeghuizen. Deze meldingen gaven in die periode geen aanleiding tot het intensiveren van het toezicht op de mondzorg in verpleeghuizen. De huidige aandacht en signalen geven hier wel aanleiding toe.
Kunt u aangeven wat er in werking is gezet sinds de vorige uitzending van EenVandaag over dit onderwerp, op 18 september 2025?
Ik bespreek dit signaal regelmatig in overleg met brancheorganisaties van aanbieders, zorgkantoren, IGJ en NZa. Ook de NZa heeft in een recent rapport (zie antwoord op vraag 2) aandacht gevraagd voor het ontwikkelen van doelmatigheidsnormen.
Nicotinesticks |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met nicotinesticks zonder tabak, zoals de Levia-sticks van Philip Morris en de Veo-sticks van British American Tobacco die sinds 2024 op de Nederlandse markt zijn verschenen?
Ja.
Bent u bekend met de recente kennisnotitie van het RIVM1 waarin wordt geconcludeerd dat deze nicotinesticks de advieswaarden voor maximale nicotine-emissie tot wel 25 keer overschrijden, en daarmee potentieel ernstige gezondheidsrisico’s opleveren?
Ja.
Wat is uw reactie op dit rapport van het RIVM?
Het RIVM heeft van VWS de opdracht gekregen een risicobeoordeling uit te voeren van nicotineproducten zonder tabak (NZT) die geïnhaleerd worden. Uit deze beoordeling blijkt dat de gemeten nicotinesticks de door het RIVM geadviseerde maximale nicotine emissie tot wel 25 keer overschrijden.2 Daarom wordt een ministeriële regeling voorbereid die een maximum stelt aan het nicotinegehalte van nicotinesticks, waarbij de waarden uit het adviesrapport van het RIVM worden overgenomen. Het voorstel voor de regeling wordt naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026 voor internetconsultatie gepubliceerd.
Deelt u de zorg dat deze producten, mede door het gebruik van smaakstoffen, extra aantrekkelijk zijn voor jongeren en niet-rokers, en daarmee kunnen bijdragen aan een nicotineverslaving onder de jeugd?
Ik deel de zorg dat de smaakstoffen in nicotinesticks deze producten extra aantrekkelijk maken voor jongeren en niet-rokers om te beginnen met het gebruik van deze producten. Dit vergroot het risico op een nicotineverslaving en kan een opstap vormen naar andere tabaksproducten, met alle gezondheidsrisico’s van dien.
Kunt u toelichten hoe de overheid momenteel de jeugd en andere kwetsbare groepen beschermt tegen de risico’s van deze nicotinesticks, mede in het licht van het feit dat vapes met smaakjes inmiddels wél verboden zijn?
Jongeren en kwetsbare groepen worden beschermd door verschillende maatregelen die van toepassing zijn op NZT. Zo geldt een leeftijdsgrens voor verkoop vanaf 18 jaar, mogen NZT net als tabaksproducten op steeds minder plekken worden verkocht, geldt een verbod op marketing en online verkoop en mag je NZT niet gebruiken op locaties waar een rookverbod geldt. Deze maatregelen hebben het doel om de blootstelling aan tabaksproducten en aanverwante producten voor minderjarigen te verminderen en het gebruik te ontmoedigen. Daarnaast is de eerdergenoemde ministeriële regeling in voorbereiding, waarin de advieswaarden van het RIVM voor het maximale nicotinegehalte zullen worden overgenomen.3 Naar verwachting zullen nicotinesticks door deze regeling veel onaantrekkelijker worden.
Vallen nicotinesticks zonder tabak op dit moment volledig onder de Tabaks- en rookwarenwet? Zo ja, welke concrete producteisen en handhavingsinstrumenten gelden er op dit moment voor deze producten? Zo nee, wat zijn dan de handhavingsmogelijkheden voor?
Sinds 1 januari 2025 gelden grotendeels dezelfde regels voor NZT als voor tabaksproducten en andere aanverwante producten4, met uitzondering van de verpakkingseisen. De NVWA neemt bij de geldende regels de NZT in haar toezicht mee. Momenteel is de eerdergenoemde ministeriële regeling in voorbereiding, waarmee producteisen aan het maximale nicotinegehalte worden gesteld voor nicotinesticks.
Kunt u aangeven welke aanvullende maatregelen u bereid bent te nemen om te voorkomen dat nicotinesticks verder aan populariteit winnen, in het bijzonder onder jongeren?
Zoals gemeld werk ik momenteel aan een ministeriële regeling ten aanzien van dit product. Deze regeling schrijft een maximaal gehalte nicotine voor met als doel het minder aantrekkelijk maken van nicotinesticks. Dit nicotinegehalte is zeer laag en niet verslavend. Dit voorkomt dat deze producten aan populariteit winnen en draagt bij aan het ontmoedigen van het gebruik.
Op welke wijze wordt de inhoud en impact van de RIVM-kennisnotitie over nicotinesticks door de overheid gecommuniceerd richting de tabaksindustrie en richting verkopers?
Er is in beginsel geen contact vanuit de overheid met de tabaksindustrie, voortvloeiend uit de verplichtingen uit artikel 5, derde lid, van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging. De tabaksindustrie en verkopers kunnen zelf kennis nemen van het rapport via openbare informatie, bijvoorbeeld de website van het RIVM.
Bent u bekend met de marketing van tabaksfabrikanten die deze sticks verkopen als een minder schadelijke optie voor roken?
Ja.
Hoe voorkomt de overheid dat de tabaksindustrie via het zogenaamde «harm-reduction»-narratief het tabaksontmoedigingsbeleid vertraagt of ondermijnt?
We proberen dit narratief te voorkomen door onder andere door onafhankelijk onderzoek door het RIVM naar de risicobeoordeling van nicotinesticks en de maximale aanbevolen hoeveelheid nicotine.5, 6 Deze wetenschappelijke rapporten weerleggen het «harm-reduction»-narratief van de tabaksindustrie en ondersteunen het tabaksontmoedigingsbeleid. Er is in beginsel geen contact vanuit de overheid met de tabaksindustrie, voortvloeiend uit de verplichtingen uit artikel 5, derde lid, van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, om te voorkomen dat de tabaksindustrie het tabaksontmoedigingsbeleid kan beïnvloeden. Daarnaast is het eerder beschreven pakket aan maatregelen van toepassing op NZT, waaronder een marketing- en online verkoopverbod, wat het tabaksontmoedigingsbeleid ondersteunt.
Kunt u uiteenzetten hoe Nederland zich op dit moment verhoudt tot de Europese wetgeving omtrent nicotineproducten zonder tabak, en welke ruimte er is voor nationale aanscherping van regels?
Nicotinesticks vallen momenteel niet onder de Europese Tabaksproductenrichtlijn (TPD). Hierdoor kan Nederland via een ministeriële regeling eisen stellen aan ingrediënten van NZT, waaronder de maximale hoeveelheid nicotine. Voor producten die wel onder de TPD vallen, zoals normale sigaretten of e-sigaretten, is dit beperkt mogelijk, omdat het nationaal beperken of verbieden van producten die aan de regels van de TPD voldoen niet is toegestaan voor aspecten die door de TPD geregeld worden. Op 21 maart 2025 heeft Nederland samen met 11 andere lidstaten Eurocommissaris Várhelyi, middels een brief, opgeroepen nieuwe nicotineproducten onder Europese regelgeving te brengen en hier strenge regels aan te stellen, bijvoorbeeld met betrekking tot smaakjes en het nicotinegehalte.7 Inmiddels is duidelijk dat de Europese Commissie komend jaar verdere stappen zal zetten ten aanzien van de herziening van de TPD. Dat houd ik nauwlettend in de gaten.
Waarom worden verhitte nicotineproducten zonder tabak op dit moment nog steeds anders behandeld dan reguliere sigaretten en shag als het gaat om accijns, verkooppunten en verpakkingsvoorschriften?
Per 1 januari 2025 is een wetswijziging in werking getreden waardoor NZT onder de Tabaks- en rookwarenwet vallen.8 Hierdoor gelden voor deze producten grotendeels dezelfde regels als voor andere tabaksproducten, inclusief de verkooppuntbeperkingen. Er zijn nog geen verpakkingsvoorschriften van toepassing. Het invoeren van verpakkingsvoorschriften heeft momenteel geen prioriteit, omdat de nicotinesticks naar verwachting door de eerdergenoemde ministeriële regeling, die eisen aan het nicotinegehalte van NZT stelt, veel onaantrekkelijker worden. Wat betreft de accijns hangt het af van de inhoud van het verhitte nicotineproduct hoe het product wordt behandeld. Nicotineproducten die geen tabak bevatten maar wel voldoen aan de andere voorwaarden voor rooktabak, in de zin van de Wet op de accijns, worden belast met accijns. Indien zij niet voldoen aan die voorwaarden worden de producten in principe niet belast met accijns. Dat komt omdat ze in dat geval buiten de reikwijdte van de Wet op de accijns vallen. Omdat de Wet op de accijns een uitwerking is van Europese regelgeving, moet op Europees niveau geregeld worden dat deze producten wel met accijns belast kunnen worden. Op dit moment wordt de Europese richtlijn tabaksaccijns (TTD) herzien en zet Nederland zich in voor de mogelijkheid om accijns te heffen op alle nicotineproducten die op dit moment niet binnen de reikwijdte van de TTD vallen.
Bent u bereid om nicotinesticks volledig gelijk te stellen aan sigaretten en shag in de regelgeving, zodat voor deze producten dezelfde restricties gelden ten aanzien van accijns, verpakkingen, verkooppunten en reclame? Zo nee, waarom niet?
Voor NZT gelden al veelal dezelfde maatregelen als voor andere tabaksproducten, waaronder de leeftijdsgrens, verminderen van verkooppunten, verbod op marketing en online verkoop en rookverboden. Nederland zet zich bij de herziening van de TTD in voor de mogelijkheid om accijns te heffen op nicotineproducten die op dit moment niet binnen de reikwijdte van de TTD vallen. Het stellen van verpakkingseisen of het verbieden van smaken voor NZT heeft nu geen prioriteit, omdat de nicotinesticks naar verwachting door de eerdergenoemde ministeriële regeling die eisen aan het nicotinegehalte van NZT stelt, veel onaantrekkelijker worden.
Waarom zijn nicotinesticks op dit moment aanzienlijk goedkoper dan reguliere tabaksproducten, en acht u dit prijsverschil wenselijk gezien het grote risico op instroom van jonge gebruikers?
Het is niet wenselijk dat nicotinesticks goedkoper zijn dan andere tabaksproducten, omdat dit de drempel voor het gebruik van nicotinesticks verlaagt. Als er geen accijns op nicotinesticks wordt geheven, kan dat bijdragen aan het prijsverschil. Over nicotinesticks met tabak wordt op dit moment accijns geheven. Ook over nicotinesticks die geen tabak bevatten wordt accijns geheven, in het geval de sticks voldoen aan de overige voorwaarden voor rooktabak in de zin van de Wet op de accijns. Als de sticks niet aan die overige voorwaarden voldoen, vallen zij buiten de reikwijdte van de Wet op de accijns en zijn zij dus niet belast met accijns. Nederland zou graag over alle nicotinesticks accijns heffen, maar hiervoor is een aanpassing van de TTD nodig. Op het moment vinden onderhandelingen voor een herziening van deze richtlijn plaats. De Nederlandse inzet is onder andere het verbreden van de reikwijdte van de TTD, zodat over meer tabaks- en tabaksgerelateerde producten accijns kan worden geheven.9 Hiernaast is de verwachting dat het gebruik voldoende wordt ontmoedigd wanneer de eerder genoemde ministeriële regeling wordt ingevoerd.
Deelt u de opvatting dat producten waarvan het RIVM vaststelt dat zij de gezondheidskundige advieswaarden voor nicotine-emissie fors overschrijden, in feite als onveilig moeten worden beschouwd? Zo ja, waarom zijn deze producten dan nog steeds niet van de markt gehaald?
Ik deel de opvatting dat de producten die de advieswaarden voor nicotine-emissie overschrijden als onveilig moeten worden beschouwd. Zoals eerder genoemd is de ministeriële regeling in voorbereiding, waarbij een maximum aan het nicotinegehalte gesteld wordt van nicotinesticks. Naar verwachting zal het voorstel in het eerste kwartaal van 2026 ter internetconsultatie komen.
Hoe reflecteert u op de opkomst van vapes in Nederland?
De opkomst van vapes laat zien dat nieuwe tabaks- en nicotineproducten snel populair kunnen worden, vooral onder jongeren. Dit heeft effecten die indruisen tegen de ambitie van een rookvrije generatie, namelijk nicotineverslaving en vaak ook gebruik van andere tabaksproducten. Daarom is het van belang onverminderd alert te blijven op de opkomst van nieuwe producten en deze tijdig te reguleren om het gebruik zo veel mogelijk te ontmoedigen.
Ziet u paralellen tussen de opkomst van vapes en de opkomst van nicotinesticks?
Beide producten worden aantrekkelijk gemaakt voor jongeren en niet-rokers door het toevoegen van smaken, de lage prijs en het «harm-reduction»-narratief van de industrie. Daarom geldt ook voor NZT het eerder genoemde pakket aan maatregelen en is de ministeriële regeling in voorbereiding om het gebruik te ontmoedigen en jongeren en niet-rokers te beschermen.
Welke lessen trekt u uit de opkomst van vapes en kan u toepassen op de opkomst van nicotinesticks?
Belangrijke lessen zijn dat vroege regulering, verkoopbeperkingen en producteisen kunnen helpen om de aantrekkelijkheid en toegankelijkheid van de producten te verminderen om het gebruik onder jongeren en niet-rokers te ontmoedigen. Dit alles zetten we dus nu in gang.
Anti-verstikkers/-verslikkers |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met anti-verstikkers/-verslikkers zoals ChokeBuddy en LifeVac1 en de waarschuwing van de Food- and Drug Administration (FDA) om dit soort instrumenten niet te gebruiken voordat de gevestigde methodes als de Heimlichgreep zijn toegepast?
Ik ben bekend met de anti-verstikkers/-verslikkers en de waarschuwing van de FDA hierover. Het is belangrijk dat burgers eerst de gevestigde methodes toepassen bij verstikking of verslikking, zoals wordt geadviseerd in de Richtlijnen Reanimatie van de Nederlandse Reanimatie Raad2.
Zijn LifeVac en ChokeBuddy veilig te gebruiken?
De LifeVac en de ChokeBuddy zijn medische hulpmiddelen. Dit betekent dat deze producten moeten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving voor medische hulpmiddelen; de Medical Device Regulation (MDR). Als een product hieraan voldoet, ontvangt het een CE-markering, waarna het in de Europese Unie in de handel mag worden gebracht. De MDR stelt hoge kwaliteits- en veiligheidseisen aan medische hulpmiddelen, en deze worden geclassificeerd in risicoklassen: I, IIa, IIb en III. Hulpmiddelen in risicoklasse II en III ontvangen een CE-certificaat na externe beoordeling door een beoordelingsinstantie, zogeheten notified body, waarna het product een CE-markering mag krijgen. De IGJ ziet dat deze anti-verstikkers/-verslikkers door fabrikanten meestal op de markt worden gebracht als medische hulpmiddelen van risicoklasse I. Voor deze risicoklasse is de fabrikant er zelf verantwoordelijk voor dat het product voldoet aan de geldende wet- en regelgeving. Hiervoor ontvangt de fabrikant overigens geen CE-certificaat, maar mag de fabrikant wel een CE-markering op het product aanbrengen. De IGJ onderzoekt of deze producten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Er zijn overigens tot nu toe geen meldingen van incidenten met deze producten ontvangen van burgers of zorgverleners.
Wat is de beste manier van handelen als iemand zich verslikt?
De recent gepubliceerde Richtlijnen Reanimatie van de Nederlandse Reanimatie Raad adviseert hoe te handelen wanneer iemand zich verslikt of verstikt.
Waar zijn de claims op gebaseerd dat ze MHRA, FDA-geregistreerd en CE-gemarkeerd (LifeVac) en CE-gecertificeerd en medisch goedgekeurd (ChokeBuddy) zijn?
Voor risicoklasse I medische hulpmiddelen geldt dat de fabrikant zelf de verantwoordelijkheid draagt dat het medisch hulpmiddel voldoet aan de geldende wet- en regelgeving. Een fabrikant stelt in dat geval een Verklaring van Overeenstemming op, en plaatst de CE-markering op het medisch hulpmiddel. Hiervoor moet de fabrikant kunnen aantonen dat er een passende conformiteitsbeoordeling is uitgevoerd. Op deze manier verklaart de fabrikant dat het hulpmiddel voldoet aan de geldende kwaliteits- en veiligheidsbepalingen van de MDR. Ik heb geen zicht op hoe de certificering, inclusief onderliggende claims, in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk tot stand is gekomen. Wel ben ik bekend met de waarschuwingsbrieven die de FDA heeft verstuurd aan de fabrikanten van deze producten, waarin zij aangeeft dat deze producten niet de juiste goedkeuring hebben om in de handel gebracht te worden.
Wat is het CE-certificaat van Sungo Global/Sungo Europe B.V. op de website van ChokeBuddy waard?2 Is dit bedrijf bevoegd om veiligheidscertificaten uit te geven?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, is een CE-certificaat voor medische hulpmiddelen van klasse I niet noodzakelijk om aan te tonen dat deze voldoen aan de MDR. De IGJ herkent de term «CE-medisch certificaat» op de website niet. Daarom is de IGJ een onderzoek gestart.
Bent u ermee bekend dat de FDA actief dit soort producten uit de markt aan het halen is en import van niet-geautoriseerde anti-verstikkers tegenhoudt?
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat de FDA waarschuwingsbrieven heeft verstuurd aan de fabrikanten van een aantal van deze hulpmiddelen. Daarnaast heeft de FDA gepubliceerd dat deze producten niet op de Amerikaanse markt in de handel mogen worden gebracht.
Wat is uw reactie op de onveilige anti-verstikkers/-verslikkers en de manier waarop de schijn wordt gewekt dat ze een erkend medisch hulpmiddel zijn?
Het is belangrijk dat burgers altijd de aanbevolen methoden toepassen zoals in de Nederlandse Richtlijnen en in de internationale richtlijnen geadviseerd worden, zoals te vinden op websites van het Rode Kruis en Huisarts.nl. Dit betekent dat deze hulpmiddelen niet de eerste keuze zijn bij verslikking of verstikking. Verder verwijs ik graag naar mijn antwoorden op vraag 4 en 5 met betrekking tot de markttoelating van medische hulpmiddelen.
Wilt u de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) onderzoek laten doen naar de veiligheid van anti-verstikkers/-verslikkers?
De IGJ houdt toezicht op fabrikanten, gemachtigden, importeurs en distributeurs van medische hulpmiddelen die in Nederland gevestigd zijn en deze producten in de handel brengen of op de Europese markt aanbieden. Als een product wel op de Nederlandse markt wordt aangeboden, maar de verantwoordelijke marktdeelnemer niet in Nederland is gevestigd, werkt de IGJ samen met de bevoegde autoriteiten in de andere lidstaten van de Europese Unie. Zoals eerder aangegeven is de IGJ een onderzoek gestart. Als uit dit onderzoek blijkt dat producten niet voldoen aan de geldende wet- en regelgeving, kan de IGJ passende maatregelen nemen. De IGJ bepaalt deze maatregelen aan de hand van het interventiebeleid MDR/IVDR. Het interventiebeleid MDR/IVDR is een openbaar document en is gepubliceerd op de website van de IGJ. https://www.igj.nl/documenten/2022/03/17/interventiebeleid-mdr-ivdr
Welke stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen dat onveilige anti-verstikkers/-verslikkers niet verspreid worden? Bent u eventueel bereid deze instrumenten van de markt te halen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen gaat u nemen tegen de bedrijven die deze anti-verstikkers/-verslikkers verkopen en ten onrechte claimen dat ze veilig zijn?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht dat steeds meer tbs’ers wachten op plek in een kliniek en hiervoor schadevergoeding ontvangen |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Steeds meer tbs’ers wachten op plek in kliniek en krijgen schadevergoeding» van de NOS van 6 december 2025?1
Ja.
Hoe lang blijft u nog vasthouden aan het falende tbs-stelsel dat inmiddels structureel vastgelopen is, terwijl de samenleving wél opdraait voor de fors oplopende kosten, wachttijden, capaciteitstekorten en bureaucratische chaos? Erkent u dat dit stelsel niet meer te verdedigen is en dat we het gewoon moeten afschaffen?
Nee, deze mening deel ik niet. Het behandelen van ter beschikking gestelden in een hoog beveiligde kliniek draagt bij aan een veilige samenleving. Na een tbs-behandeling ligt de zeer ernstige recidive laag, op 3% na twee jaar en op 9% na tien jaar (tbs-gestelden uitgestroomd met voorwaardelijke beëindiging tussen 2008 en 2021).2 Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) heeft dit onderzocht. Het afschaffen van tbs zou leiden tot meer recidive omdat deze groep justitiabelen dan onbehandeld vrij komt na een gevangenisstraf, met mogelijk nieuwe strafbare feiten met nieuwe slachtoffers tot gevolg. Kortom, ik sta achter het tbs-stelsel en wil het juist versterken zodat het ook op de lange termijn goed blijft functioneren (zie mijn antwoord op vraag 6).
Bent u bereid te onderzoeken op welke wijze de huidige krankzinnige schadevergoedingen aan tbs-veroordeelden, die bij het grote publiek volstrekt onbegrijpelijk zijn, in zijn geheel kunnen worden afgeschaft?
Nee. Het betalen van een passantenvergoeding is verplicht volgens jurisprudentie van de Hoge Raad en van het Europese Hof van de Rechten van de Mens. Het Europese Hof stelt dat de wachttijd voor plaatsing in een tbs-kliniek niet te lang mag zijn, omdat het een serieuze uitholling zou zijn van het recht op vrijheid (artikel 5, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Op basis van deze uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het verblijf in een gevangenis langer dan vier maanden in afwachting van plaatsing in een tbs-kliniek, onrechtmatig is. De norm van vier maanden is daarna bij wet bepaald in artikel 6.3. Wet Forensische Zorg. Indien plaatsing binnen vier maanden niet lukt, kan de tbs-gestelde aanspraak maken op een passantenvergoeding. De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming stelt de hoogte van de vergoeding vast.3
Deelt u de mening dat het tijd wordt te erkennen dat het onhoudbaar is dat daders zich kunnen onttrekken aan een gewone gevangenisstraf door een beroep op ontoerekeningsvatbaarheid en dat het hoog tijd is om deze schulduitsluitingsgrond af te schaffen zodat ook deze daders simpelweg worden gestraft in plaats van te worden beloond met een tbs-maatregel?
Nee, deze mening deel ik niet. De tbs-maatregel is een combinatie van straf en zorg voor daders met complexe problematiek, die door de rechter geheel of gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar worden verklaard. Met de tbs-maatregel onttrekken daders zich niet aan een gewone gevangenisstraf, maar kunnen zij intensief voor hun stoornis worden behandeld. Bovendien hebben rechters de mogelijkheid om een combinatievonnis op te leggen, waarbij een gevangenisstraf en een tbs-maatregel worden gecombineerd.
Deelt u de mening dat de tbs-maatregel in de praktijk is verworden tot een strategisch instrument van tbs-advocaten, dat wordt ingezet wanneer vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging niet binnen bereik ligt en dat dit strategisch gebruik ertoe bijdraagt dat rechters de tbs-maatregel steeds vaker opleggen?
Nee, deze mening deel ik niet. Ik heb veel vertrouwen in het vermogen van rechters om zich eigenstandig een oordeel te vormen, op basis van objectieve deskundigenadviezen van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) over een mogelijke ernstige stoornis of gebrekkige ontwikkeling bij de verdachte.
Wat bent u op korte termijn van plan om te voorkomen dat de kosten fors blijven oplopen?
De huidige situatie waarin ruim 260 tbs-gestelden in een gevangenis wachten op een plek in een tbs kliniek en een passantenvergoeding ontvangen is onwenselijk. Het aantal passanten is het afgelopen jaar toegenomen, evenals de wachttijd. Hierdoor is ook de hoogte van de schadevergoedingen gestegen omdat passanten langer moeten wachten op een plek in een tbs kliniek. Voor de veiligheid van de samenleving en een goede behandeling is het van belang dat tbs-gestelden tijdig in een tbs kliniek worden geplaatst.
Hiermee worden rechterlijke uitspraken adequaat uitgevoerd, en kunnen tbs-gestelden zo snel mogelijk worden behandeld.
Om de capaciteitsdruk binnen de tbs het hoofd te bieden, wordt de komende jaren ingezet op uitbreiden van circa 200 extra plekken op het hoogste beveiligingsniveau. Hiervoor zijn de benodigde middelen gereserveerd.4 De realisatie van deze uitbreidingen is wel afhankelijk van onder meer vergunningen, maatschappelijk draagvlak, en voldoende personeel. Daarnaast zet ik in op het verbeteren van de doorstroom zodat dat tbs-gestelden niet langer dan nodig op de hoog beveiligde plekken verblijven. Ondanks deze inspanningen zal de capaciteitsdruk in de tbs niet op korte termijn worden opgelost.
De uitvoering van de motie Dijk c.s. over één periodieke tandartscontrole per jaar vanuit het basispakket vergoeden |
|
Sarah Dobbe , Jimmy Dijk |
|
Bruijn |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Lager inkomen of opleiding? Grotere kans op kiespijn en kunstgebit»?1
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) monitort de mondgezondheid in Nederland en ziet dat de meeste Nederlanders (73% in 2023) hun mondgezondheid als goed ervaren, maar er zijn verschillen tussen sociaaleconomische groepen, waarbij lagere groepen het minder goed ervaren.2 De (financiële) toegankelijkheid van de mondzorg en het belang van preventieve mondzorg, zoals twee keer per dag poetsen met fluor, verdienen daarom aandacht.
Hoe kijkt u naar het feit dat één op de vijf mensen met een laag inkomen de tandarts mijdt vanwege de kosten?
We zien helaas dat circa 640.000 Nederlanders om financiële redenen niet regelmatig naar de tandarts gaan. Dit is natuurlijk onwenselijk, omdat dit kan leiden tot mondziekten en grotere problemen met de gezondheid. Ik merk op dat de financiële redenen vaak samengaan met andere redenen om de mondzorg te mijden (en dat het vaak begint met goede preventieve mondzorg). Het is daarom belangrijk dat een volgend kabinet de problematiek integraal bekijkt, waaronder de financiële toegankelijkheid van de mondzorg, en daarin keuzes maakt.
Deelt u de mening dat het een bizarre situatie is dat mondzorg nog steeds wordt behandeld als een luxeproduct, door het niet uit de basisverzekering te financieren, terwijl het enorm belangrijk is voor de mondgezondheid, de bredere gezondheid, de arbeidsparticipatie en het welzijn van mensen?
Ik deel noch de mening dat mondzorg «een luxeproduct» is, noch dat de mondzorg zo behandeld wordt. Ik ben wel van mening dat we moeten voorkomen dat we grote kostbare en minder gerichte maatregelen, zoals pakketmaatregelen, om de problemen bij een relatief kleine groep op te lossen. De gehele mondzorg in het basispakket heeft gevolgen voor de betaalbaarheid van de zorg en de zorgpremie, terwijl het gewenste effect «minder ongewenste zorgmijding», maar beperkt wordt behaald. Ik heb uw Kamer daarom op 10 december een brief gestuurd met daarin mogelijke gerichtere maatregelen3 ter overweging aan het volgende kabinet.
Zo ja, bent u bereid om mondzorg voortaan uit de basisverzekering te vergoeden? Zo nee, waarom hecht u zo weinig belang aan het belang van goede mondzorg voor iedereen?
Ik begrijp de vraag vanuit uw Kamer om meer mondzorg vanuit het basispakket te vergoeden. Ook ik hecht er veel waarde aan dat mensen in Nederland een goede mondgezondheid hebben. Het uitbreiden van het pakket met meer mondzorg is echter, zoals ik hierboven heb genoemd, een grote maatregel. Het Zorginstituut Nederland (hierna: Zorginstituut) is daarom gevraagd om te adviseren over een passende aanspraak op mondzorg. Uw Kamer is eerder geïnformeerd over de fases en de tijdlijnen van dit adviestraject.4 , 5
Daarnaast heb ik, mede gezien de roep om de aanspraak op mondzorg uit te breiden, aan het Zorginstituut gevraagd om versneld te toetsen of mondzorg voor volwassenen in beginsel voldoet aan de wettelijke criteria van de Zvw, een zogenaamde principiële toets. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd in mijn brief van dd. 10 december 2025. Het Zorginstituut heeft geconcludeerd dat op preventie gerichte mondzorg in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. De op behandeling gerichte mondzorg voldoet in principe wel aan het ingangscriterium van de Zvw. Dit betekent niet dat het Zorginstituut nu al adviseert om op behandeling gerichte mondzorg in het pakket op te nemen. Om te bepalen welke mondzorg eventueel passend is voor het pakket weegt het Zorginstituut namelijk naast de wettelijke criteria ook de maatschappelijke pakketcriteria mee. Bovendien is besluitvorming over het uitbreiden van het pakket aan een volgend kabinet.
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van met een zeer brede meerderheid aangenomen motie Dijk c.s., die de regering verzocht «om één periodieke controle per jaar vanuit het basispakket te vergoeden, en de kosten te dekken door actieve fraudebestrijding in de zorg en door zo spoedig mogelijk nieuwe medisch specialisten alleen nog in loondienst te nemen»?2
Ik heb in mijn brief van dd. 10 december 2025 toegelicht hoe ik de motie Dijk c.s. heb afgedaan. De voorgestelde dekking om (nieuwe) medisch specialisten in loondienst te brengen, is zeer onzeker vanwege de benodigde wetgeving die ingrijpt in eigendom. Deze is moeilijk te onderbouwen en moeilijk uitvoerbaar. Daarbij is er al een opdracht om op de beloning van medisch specialisten 150 miljoen te besparen.7Deze maatregel hangt daar mee samen. Bovendien heeft het Zorginstituut geconcludeerd dat de op preventie gerichte mondzorg zonder medische indicatie in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. Opname in het basispakket van de periodieke controle is dan ook vooralsnog niet aan de orde. Tot slot blijkt uit onderzoek dat circa 40% van de mensen na een tandartscontrole nog aanvullende (curatieve) mondzorg nodig hebben.8
Eén periodieke controle vergoeden vanuit het basispakket biedt daarom geen (volledige) oplossing voor de mensen die om financiële redenen de tandarts vermijden.
Waarom schreef u in antwoord op feitelijke vragen over deze motie dat het «aan het nieuwe kabinet [is] om te bezien of opname in het basispakket wenselijk is en hoe deze extra uitgaven financieel gedekt worden»?3 Waarom voert u dit besluit van een ruime Kamermeerderheid niet gewoon uit, aangezien deze motie heel duidelijk was over de opdracht en de financiële dekking daarvan?
In bovengenoemde brief aan uw Kamer heb ik toegelicht waarom ik de motie heb afgedaan. Ik zal dat normaals kort toelichten: De voorgestelde dekking om (nieuwe) medisch specialisten in loondienst te brengen, is zeer onzeker vanwege de benodigde wetgeving die ingrijpt in eigendom. Deze is moeilijk te onderbouwen en moeilijk uitvoerbaar. Daarbij is er al een opdracht om op de beloning van medisch specialisten 150 miljoen te besparen. Deze maatregel hangt daar mee samen. Bovendien heeft het Zorginstituut geconcludeerd dat de op preventie gerichte mondzorg zonder medische indicatie in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. Opname in het basispakket van de periodieke controle is dan ook vooralsnog niet aan de orde. Tot slot blijkt uit onderzoek dat circa 40% van de mensen na een tandartscontrole nog aanvullende (curatieve) mondzorg nodig hebben. Eén periodieke controle vergoeden vanuit het basispakket biedt daarom geen (volledige) oplossing voor de mensen die om financiële redenen de tandarts vermijden.
Herinnert u zich de uitspraak van Minister-President Schoof tijdens de algemene beschouwingen «U heeft gelijk: die motie is aangenomen en heeft daarmee ook een duidelijk signaal afgegeven. We zullen de motie ter hand nemen – dat is logisch – en het op zo’n manier aanpakken dat het volgende kabinet alle bouwstenen heeft om hiermee verder te gaan. Op die manier hoop ik iets van beweging te krijgen.»? Is het kabinet inmiddels wel bereid om te erkennen dat de Kamer niet demissionair is en aangenomen moties niet kunnen worden overlaten aan het volgende kabinet?
Ja, dat herinner ik mij. Ik heb dan ook, zoals de Minister-President aangaf, de motie serieus in overweging genomen. Het was om bovengenoemde redenen niet haalbaar om de motie uit te voeren. Dit neemt niet weg dat ik het signaal dat er mensen zijn die om financiële redenen de tandarts mijden serieus neem. Ik zet mij nog steeds in om voor deze groep mensen tot een oplossing te komen.
Bent u bereid om deze vragen één voor één en voor de begrotingsbehandeling VWS te beantwoorden?
Ja.
Zorgwekkende toename van kinderobesitas |
|
Renilde Huizenga (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit het AD «Jong kind met ernstig overgewicht «wordt gemiddeld maar 39 jaar oud»: artsen slaan alarm om groeiende groep» van 9 december?1 En bent u bekend met het Panteia-rapport «Monitor Kindermarketing»2, waarin wordt gesteld dat kinderen nog steeds veelvuldig worden blootgesteld aan marketing voor ongezond eten?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Herkent u de signalen van kinderartsen over de alarmerende stijging van overgewicht en (ernstige) obesitas bij kinderen (0–18 jaar)? Erkent u de ernstige gezondheidsrisico’s hiervan, zoals leververvetting en diabetes type 2?
Overgewicht en obesitas bij kinderen kennen inderdaad grote gezondheidsrisico’s, zoals de kinderartsen benoemen en uit onderzoek blijkt.3
De CBS-cijfers over de afgelopen vijf jaar (2020–2024) laten zien dat, voor zowel de groep kinderen van 4 tot en met 11 jaar als voor de groep van 12 tot en met 17 jaar, de prevalentie van overgewicht (BMI ≥ 25) en obesitas (BMI ≥ 30) niet significant gestegen is.4
Over een langere periode (tussen 1990 en 2024) is het percentage kinderen en jongeren met overgewicht significant gestegen. Het percentage kinderen en jongeren met obesitas is over die periode niet significant veranderd.
De cijfers tonen nog steeds een te hoog voorkomen van overgewicht, maar de stijging lijkt de laatste jaren minder ernstig dan voorzien.
Hoe kijkt u naar de observatie dat de omgeving kinderen zo ziek maakt dat er de afgelopen vier jaar vijf keer zo vaak is ingegrepen met gewichtsverminderende of eetlustremmende medicatie?
Bij de behandeling van overgewicht en obesitas is het van belang om eerst de onderliggende oorzaken van het overgewicht in kaart te brengen. Op basis daarvan bepalen artsen samen met het kind en de ouders welke vorm van ondersteuning en interventie het meest passend is. Dit gebeurt vanuit een ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas met aanbod uit zowel het medisch als sociaal domein. In de behandelrichtlijnen staat dat (tijdelijke) inzet van medicatie bij kinderen kan worden overwogen, in aanvulling op een Gecombineerde Leefstijl Interventie (GLI). Medicatie is echter nooit de enige noch eerste oplossing.
De observatie van kinderartsen ten aanzien van de «omgeving» is reden tot zorg en tot een breed beeld op alle onderliggende factoren met betrekking tot o.a. voeding en bewegen. Het RIVM heeft hieromtrent een overzicht van determinanten die samenhangen met ongezonde voeding en bewegen.5
Hoe kijkt u naar de cijfers uit het persbericht dat van de € 1,6 miljard die voedselbedrijven jaarlijks besteden aan reclame in totaal 80% gaat naar reclame voor ongezonde producten? Deelt u de zorg dat kindermarketing voor ongezond voedsel toeneemt, zowel in de online als de fysieke omgeving van kinderen?
Deze cijfers zijn ook vermeld in de Monitor Marketing voor Voedingsproducten.6 Bij het aanbieden van deze monitor aan uw Kamer was reeds aangegeven dat het gerapporteerde bedrag van € 1,6 miljard door deskundigen als zeer plausibel werd beoordeeld.7 Daarmee ga ik ervan uit dat de bedragen een redelijk betrouwbaar beeld geven van de werkelijke marketingbestedingen.
In de Monitor Kindermarketing van Voedingsproducten 2024 blijkt dat op onderdelen de kindermarketing van ongezonde voedingsproducten toeneemt.8 De uitkomsten van de monitor bevestigen dat het van belang is om wettelijke beperkingen in te voeren tegen marketing van ongezonde voeding gericht op kinderen.
Wat is uw reactie op het signaal dat kinderartsen in grote steden (Amsterdam, Rotterdam en Den Bosch) een forse toename van patiënten en een verdubbeling van de wachtlijsten zien? Deelt u de zorg dat de zorgcapaciteit voor deze kwetsbare groep onder druk staat?
Ik neem deze signalen serieus. Als kinderen op jonge leeftijd al obesitas of diabetes mellitus type 2 hebben, hebben ze ook meer gezondheidsrisico’s op latere leeftijd. Daarom is er een breed preventiebeleid met een pakket aan maatregelen, waarmee ingezet wordt op het voorkomen en tegengaan van overgewicht en het stimuleren van bijvoorbeeld gezonde (voedsel)keuzes. Dit doe ik – samen met verschillende partijen – vanuit de samenhangende preventiestrategie, waarin ik mij richt op de verschillende leefomgevingen van kinderen en jongeren om daar de gezonde keuze de vanzelfsprekende keuze te maken.
Daarnaast zetten we vanuit het Integraal Zorgakkoord (IZA) al enige jaren in op preventie en op de samenwerking tussen het zorgdomein en het sociaal domein. Deze «beweging naar de voorkant» is verder uitgewerkt in het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), en vanuit het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) versterken we deze beweging. Hiermee kunnen we onze inzet op de ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas de komende jaren intensiveren. Op deze manier investeren we in een langdurig systeem waarin altijd eerst gekeken wordt naar onderliggende oorzaken, voorkomen we onnodige medicalisering (en bijkomende kosten) en helpen we kinderen en gezinnen door in te zetten op een duurzame behandeling.
Hoe geeft u invulling aan de zorgplicht van de overheid om de kindergezondheid te beschermen? Welke stappen zet u om actiever in te grijpen via wetgeving, bijvoorbeeld door gezonde voeding relatief goedkoper te maken of kindermarketing voor ongezonde voeding en dranken te verbieden?
De overheid heeft een wettelijke taak te handelen in het belang van het kind en hun gezondheid te beschermen.9 Daarom werk ik aan een wetsvoorstel voor het stellen van regels ten aanzien van kindermarketing voor ongezonde voedingsmiddelen. Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger op basis van de aanbevelingen van Berenschot10 het voornemen uitgesproken om via een wetsvoorstel ruimte te creëren voor het nemen van maatregelen met betrekking tot het voedselaanbod in omgevingen waar veel kinderen en jongeren komen, zoals rondom scholen. De aard en reikwijdte van een dergelijk voorstel worden op dit moment verkend.
Ik vind het belangrijk om op te merken dat beide maatregelen niet op zichzelf staan maar passen binnen een breed pakket aan maatregelen om overgewicht terug te dringen. Daaronder valt ook de productverbetering (minder zout, suiker en vet in producten) en belastingmaatregelen zoals een gedifferentieerde verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, evenals de inzet van preventieprogramma’s als Gezonde School en Gezonde Kinderopvang en de inzet van passende zorg en ondersteuning.
Er is geen wetgeving in de maak om gezonde voeding relatief goedkoper te maken. Wel is er door SEO onderzoek gedaan naar het afschaffen van de BTW op groente en fruit.11 De conclusie van dat onderzoek is dat bij een dergelijke maatregel ernstige twijfel bestaat over de juridische houdbaarheid en uitvoerbaarheid. Ook zouden de gezondheidseffecten beperkt zijn en zou de maatregel vooral voordelig uitpakken voor hogere inkomensgroepen. Het aanpassen van het BTW-tarief lijkt dus geen geschikt instrument om gezonde voeding voor iedereen toegankelijker te maken. Ook worden gesprekken gevoerd met de voedingsindustrie en supermarkten om naast of vooruitlopend op wetgeving afspraken te maken met betrekking tot verkoop, aanbod en reclame.
Bent u bereid het advies in het Panteia-rapport over te nemen om de definitie van marketing «gericht op kinderen» in de regelgeving te verbreden? Erkent u dat de huidige definitie te veel ontsnappingsmogelijkheden biedt, waardoor kinderen in de praktijk alsnog worden blootgesteld aan marketing voor ongezonde voeding?
In het Panteia-rapport wordt geadviseerd om voor een betere definitie van «kindgericht» te zorgen.12 Bij wetgeving is het van belang dat de juridische afbakening duidelijk en uitvoerbaar is. Daarom richt het nu voorbereide wetsvoorstel zich op marketingtechnieken die veelvuldig gebruikt worden bij kinderen of waar kinderen met name gevoelig voor zijn. Er worden enkele marketingtechnieken verboden, gelet op het effect van deze technieken op kinderen, ongeacht of in een specifiek geval daadwerkelijk sprake is van marketing die zich tot kinderen richt. Zodoende wordt voorkomen dat per geval discussie kan ontstaan of sprake is van marketing gericht op kinderen.
Vindt u het niet onwenselijk dat de invoering van een wettelijk verbod op kindermarketing voor ongezonde voeding keer op keer vertraging oploopt? Zo ja, kunt u aangeven wanneer het wetsvoorstel naar de Kamer wordt gestuurd?
Bij een wetgevingstraject is het van essentieel belang dat processen zorgvuldig worden doorlopen opdat wetgeving zelf zorgvuldig is, effectief, uitvoerbaar en handhaafbaar. Hiertoe zijn toetsen en consultaties van belang.
Mijn inzet is om het concept-wetsvoorstel op korte termijn klaar te maken voor de internetconsultatie. Andere stappen in het proces bestaan uit o.a. toezicht- en handhaafbaarheidstoetsen, een regeldruktoets, notificatie bij de Europese Commissie en advisering door de Raad van State. Daarna wordt het wetsvoorstel behandeld in achtereenvolgens de Tweede Kamer en Eerste Kamer.
Welke inzet pleegt u om tot Europese afspraken te komen gericht op het verbieden van kindermarketing voor ongezonde voeding en dranken, zowel in de online als de fysieke omgeving van kinderen?
Wij volgen de Europese ontwikkelingen nauwlettend. Daarnaast nemen we via de Wereldgezondheidsorganisatie en UNICEF ook deel aan bijeenkomsten en gesprekken over dit thema.
Hoe gaat u gehoor geven aan de dringende oproep van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) tot een «stevig preventiebeleid»? Welke concrete maatregelen neemt u om de omgeving van het kind gezonder te maken?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat naast gezond eten ook sporten en bewegen belangrijk is om overgewicht te voorkomen en fysiek en mentaal sterker te worden? Welke aanvullende maatregelen op het gebied van sporten en bewegen liggen voor naar aanleiding van deze zorgwekkende berichtgeving?
Ja, bewegen en sport maken onderdeel uit van de aanpak van overgewicht. Kinderen en jongeren die nu actief zijn, hebben de rest van hun leven baat bij de positieve fysieke, mentale en sociale effecten van bewegen en sport. Ik vind het van belang dat kinderen in aanraking komen met goed en divers aanbod, waarbij het uitproberen van verschillende sport- en beweegvormen (sterk) aangemoedigd wordt. In de Kamerbrief «Toekomstig sportbeleid» van december 202513 schets ik mijn ambitie en aanpak om de jeugd meer te laten sporten en bewegen. Deze inzet is georganiseerd langs drie pijlers:
Ook zijn bewegen en sport belangrijke onderdelen van de eerdergenoemde samenhangende preventiestrategie. Zo zorgen we ervoor dat schoolbestuurders meer kennis krijgen over hoe zij leerlingen tijdens en na de schooldag kunnen activeren. Verder investeren we ook in gezonde schoolpleinen: met een extra impuls in 2025 voor de subsidie «Gezonde Schoolpleinen» kunnen 100 beweegvriendelijke schoolpleinen gerealiseerd worden. Deze pleinen nodigen uit tot buiten spelen en bewegen in een natuurlijke omgeving.
Tot slot stimuleer ik gemeenten om, via de inzet van een functionaris onder de Brede Regeling Combinatiefuncties (zoals een buurtsportcoach of beweegcoach), specifiek aandacht te besteden aan groepen die achterblijven met bewegen.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan een eerstvolgende debat kinderobesitas dan wel het WGO Jeugd beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Veelgebruikt verdovingsmiddel lijkt effectief bij long covid: 80 procent van patiënten knapt op’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veelgebruikt verdovingsmiddel lijkt effectief bij long covid: 80 procent van patiënten knapt op» en het gepubliceerde onderzoek in eClinicalMedicine?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u dit onderzoek?
Het is niet aan mij om (resultaten van) onderzoeken inhoudelijk te beoordelen, dat is aan de instanties die daarvoor bevoegd zijn. Omdat dit een apotheekbereiding betreft, zijn de zorgverzekeraars aan zet om te beoordelen of dit geneesmiddel vergoed kan worden.
Leveren de behandelingen in de PAIS-expertisecentra resultaten op die in aanmerking komen voor vergoeding?
Zie antwoord vraag 2.
Welke procedure geldt er om een veelbelovend medicijn of behandeling te laten vergoeden? Wat is gemiddeld de tijdspanne van deze procedure tussen start en toelating?
Indien het een geregistreerd geneesmiddel betreft, zijn er twee routes mogelijk voor vergoeding vanuit het basispakket:
Als uitzondering op de open instroom bestaat er voor geneesmiddelen met onevenredig hoge kosten per jaar of per behandeling de zogenoemde geneesmiddelensluis. Hierbij plaatst de Minister van VWS het geneesmiddel in deze tijdelijke sluis (en dus buiten het basispakket), zodat Zorginstituut Nederland zich eerst kan uitspreken over de pakketwaardigheid. Het gaat hierbij om een beoordeling van, naast stand wetenschap en praktijk, de vaste pakketcriteria kosteneffectiviteit, uitvoerbaarheid en noodzakelijkheid. Na een positief advies van het Zorginstituut en, indien nodig, een onderhandeling door de Minister van VWS over een verlaagde prijs, kan het geneesmiddel dan uit de sluis gehaald worden en instromen in het basispakket.
Op deze procedures bestaan twee uitzonderingen.
Het is lastig om in het algemeen aan te geven hoeveel tijd een vergoedingsprocedure kost, omdat dit sterk varieert per geneesmiddel en route. Het proces neemt doorgaans enkele weken tot enkele maanden in beslag. Voor inzicht in de doorlooptijden van sluisgeneesmiddelen en extramurale geneesmiddelen met een onderhandeladvies, die gemiddeld het langst duren, is het Dashboard Doorlooptijden Geneesmiddelen beschikbaar.2
Is er nog een verschil tussen al langer bestaande ziektes en nieuwe ziektes als het gaat om voldoende bewijs om een behandeling te vergoeden?
Het onderscheid tussen al langer bestaande (of gediagnosticeerde) aandoeningen en nieuwere aandoeningen is voor de beoordeling van het bewijs niet relevant. Wel kan in de maatschappelijke weging van het Zorginstituut (als onderdeel van een pakketadvies) worden meegenomen of sprake is van een zogenoemde onvervulde behandelbehoefte (unmet medical need).
Hoe beoordeelt u de lengte van procedures voor een nieuwe ziekte met veel patiënten, aangezien de vrees bestaat voor een langdurig proces van toelating en vergoeding?
De duur van procedures voor toelating en vergoeding verschilt per situatie en is afhankelijk van onder meer de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs. Ik heb uiteraard begrip voor de uitzichtloosheid en daarmee wanhoop van patiënten met een aandoening, zoals post-Covid, waarvoor (nog) geen (effectieve) behandeling bestaat en ik kan de hoop die een (observationele) studie met positieve resultaten teweegbrengt dan ook goed volgen. Ook begrijp ik goed de wens om de beoordeling zo snel mogelijk te laten verlopen. Maar ik hecht er sterk aan dat de procedures voor toelating en vergoeding, altijd en dus ook in dit geval, zorgvuldig worden doorlopen. Deze procedures zijn er niet voor niets en bewaken dat alle patiënten in Nederland, nu én in de toekomst, kunnen beschikken over toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare (geneesmiddelen-)zorg. Overigens wil ik benadrukken dat iedereen die betrokken is bij het beoordelingsproces oog heeft voor het belang van de patiënt en niemand onnodig voor vertraagde toegang wil zorgen. Elke patiënt, met welke aandoening dan ook, moet erop kunnen rekenen dat nieuwe geneesmiddelen volgens vaste procedures, en volgens vaste criteria, beoordeeld worden, door onafhankelijke experts, en met inspraakmogelijkheden voor belanghebbenden.
Ik heb overigens begrepen dat de zorgverzekeraars de vergoedingsaanvraag inmiddels in behandeling hebben.3
Zijn er momenteel manieren om de procedure naar vergoeding te versnellen? Zo ja, welke zijn dit? Zo nee, bent u van mening dat voor sommige nieuwe ziektes het gewenst is dat er vaart wordt gemaakt met toelating tot het basispakket, als er nog helemaal geen effectieve behandeling voorhanden is?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over postcovid (en andere PAIS) dat begin januari gepland staat?
Ik heb getracht deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Onderzoek naar nieuwe behandeloptie voor long-COVID |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met een recente studie waarin een nieuwe behandelstrategie voor long-COVID is onderzocht en waarin aanzienlijke verbeteringen bij deelnemers werden gerapporteerd?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u deze studie? En hoe beoordeelt u de veelbelovende resultaten die de studie laat zien?
Het is niet aan mij om (resultaten van) studies inhoudelijk te beoordelen, dat is aan de instanties die daarvoor bevoegd zijn. Omdat dit een apotheekbereiding betreft, zijn de zorgverzekeraars aan zet om te beoordelen of dit geneesmiddel vergoed kan worden.
Deelt u de opvatting dat long-COVID een groot maatschappelijk en economisch probleem is, onder meer door arbeidsverzuim, uitval en stijgende zorgkosten, en dat elk onderzoek naar mogelijke behandelopties daarom maatschappelijk relevant is?
Onderzoek naar behandeling van post-covid vind ik relevant. Er is nog veel onbekend over de aandoening. Langzaam leren we meer, bijvoorbeeld over het voorkomen van PEM (post-exertionele malaise) en POTS (posturaal orthostatisch tachycardie syndroom).
Ik vind het belangrijk dat patiënten met post-covid en andere PAIS (post-acuut infectieus syndroom) erkend en herkend worden in de zorg en in het welzijnsdomein. Voldoende kennis opdoen en delen is daarvoor van belang. Wat betreft post-covid financieren we daarom vanuit het Ministerie van VWS via ZonMw biomedisch en klinisch onderzoek naar post-covid en subsidiëren we de kennisinfrastructuur rondom onderzoek en zorg (Post-Covid Netwerk Nederland). Verder subsidiëren we nazorgorganisatie stichting C-support en ondersteunen we expertisecentra voor post-covid. Langdurige financiering is aan het nieuwe Kabinet.
Hoe beoordeelt u, in het licht van de maatschappelijke relevantie en de betrokkenheid van academische centra als Amsterdam UMC, het feit dat deze studie grotendeels met eigen middelen van een zelfstandige kliniek is uitgevoerd, zonder publieke of externe steun?
Ik waardeer het zeer dat onderzoekers zich inzetten voor het ontwikkelen en onderzoeken van nieuwe therapieën voor post-covid. Ik heb daarom ook budget beschikbaar gesteld voor een subsidieprogramma via ZonMw en deze onderzoekers daar eerder ook op gewezen.
Hoe beoordeelt u het feit dat zorgverzekeraars tot op heden geen gehoor geven aan verzoeken tot vergoeding van deze behandeling, ondanks de positieve signalen uit het onderzoek?
Ik heb begrepen dat de zorgverzekeraars de vergoedingsaanvraag inmiddels in behandeling hebben.2 Het gaat hier om een niet-geregistreerd middel, namelijk een apotheekbereiding. Het is daarom aan de zorgverzekeraars om een vergoedingsaanvraag te beoordelen. Zij beoordelen dan gezamenlijk of sprake is van zogenoemde rationele farmacotherapie. Rationele farmacotherapie is een behandeling met een geneesmiddel in een voor de patiënt geschikte vorm, waarvan de werkzaamheid en effectiviteit door wetenschappelijk onderzoek is vastgesteld en die ook het meest economisch is voor de zorgverzekering. Dit is een voorwaarde om in het basispakket opgenomen te kunnen worden.
Deelt u de mening dat onderzoek met een grotere patiëntengroep wenselijk is? En zo ja, kunt u toezeggen om onderzoeksfinanciering beschikbaar te stellen voor vervolgonderzoek naar deze en andere kansrijke behandelstrategieën voor long-COVID?
Ik kan geen uitspraak doen over de benodigde data, dat is aan de partijen die daarover gaan.
Bent u bereid een tijdelijke voorziening te treffen waarmee long-COVID-patiënten met een dringende hulpvraag toegang krijgen tot deze nieuwe behandelstrategie?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. Ik heb uiteraard begrip voor de uitzichtloosheid en daarmee wanhoop van patiënten met een aandoening, zoals post-covid, waarvoor (nog) geen (effectieve) behandeling bestaat en ik kan de hoop die een (observationele) studie met positieve resultaten teweegbrengt dan ook goed volgen. Ook begrijp ik de wens om zo snel mogelijk toegang te krijgen goed.
Tegelijkertijd hecht ik er sterk aan dat de procedures voor toelating en vergoeding altijd, en dus ook in dit geval, zorgvuldig worden doorlopen. Deze procedures zijn er niet voor niets en bewaken dat alle patiënten in Nederland, nu én in de toekomst, kunnen beschikken over toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare (geneesmiddelen-)zorg. Overigens wil ik benadrukken dat iedereen die betrokken is bij het beoordelingsproces oog heeft voor het belang van de patiënt en niemand onnodig voor vertraagde toegang wil zorgen. Elke patiënt, met welke aandoening dan ook, moet erop kunnen rekenen dat nieuwe geneesmiddelen volgens vaste procedures, en volgens vaste criteria, beoordeeld worden, door onafhankelijke experts, en met inspraakmogelijkheden voor belanghebbenden.
Wilt u toezeggen de Kamer te informeren over de bereidheid tot financiering en de beleidsmatige inbedding van eventuele vervolgstudies?
Zoals in het antwoord op vraag 3 aangeven is een besluit over langdurige financiering aan het nieuwe Kabinet. Daarnaast wil ik de uitkomsten van lopende onderzoekstrajecten afwachten, voordat ik u kan informeren over eventuele vervolgstudies. Uiteraard ben ik bereid uw Kamer over deze uitkomsten informeren.
De nieuwe richtlijnen van de Gezondheidsraad waarin gesteld wordt dat Nederlanders plantaardiger moeten gaan eten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bruijn , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Gezondheidsraad adviseert om onder andere de consumptie van rood vlees terug te brengen tot maximaal 200 gram per week en om plantaardige voeding de norm te maken omdat dit gezonder zou zijn voor mensen en beter voor het milieu?1
Uiteraard ben ik bekend met het advies van de Gezondheidsraad waar u naar verwijst. In dit advies staat niet dat plantaardige voeding de norm moet worden gemaakt. Wel adviseert de Gezondheidsraad, net als in 2015, op basis van de evaluatie van de wetenschappelijke literatuur ten aanzien van gezondheid een meer plantaardig en minder dierlijk voedingspatroon. De Gezondheidsraad stelt dat een verschuiving naar een meer plantaardig voedingspatroon gunstig is voor de (volks)gezondheid. Bovendien heeft het een lagere milieu-impact. De richtlijn voor rood vlees (zoals rundvlees en varkensvlees) is inderdaad maximaal 200 gram per week.
Wat is uw op deze nieuwe richtlijnen van de Gezondheidsraad?
Ik laat een inhoudelijke appreciatie van het advies aan het nieuwe kabinet, zoals aangegeven in mijn brief van 4 december 2025.2
Wat is volgens u de definitie van «een gezond dieet», aangezien binnen de voedingswetenschappen er veelvuldig discussie is over wat een dieet gezond maakt?
Binnen en zeker ook buiten de voedingswetenschappen, bestaat discussie over wat een dieet (in de zin van een voedingspatroon) gezond maakt. De wetenschap staat niet stil, en het is goed dat er discussie is over de verschillende inzichten. Ik vind het belangrijk dat de Gezondheidsraad periodiek de stand van de wetenschap voor voeding op een rij zet en uitzoekt voor welke relaties tussen voedingsmiddelen en chronische ziekten er een sterk wetenschappelijk bewijs is. Juist vanwege de vele discussies kan het namelijk onduidelijk zijn waarover er wel wetenschappelijke consensus bestaat. Het uitgebrachte advies biedt helderheid en geeft daarmee een eenduidige basis voor de actualisatie van de Schijf van Vijf. In de Schijf van Vijf staan producten die goed zijn voor je gezondheid en die zorgen voor genoeg energie en de voedingsstoffen die je lichaam nodig heeft. Dat is belangrijk voor nu, maar ook voor de gezondheid in de toekomst. Dat is dan ook de hierbij gehanteerde definitie van een gezond dieet.
Welke concrete maatregelen overweegt u naar aanleiding van het feit dat de Gezondheidsraad oproept tot «krachtig overheidsbeleid» om plantaardige voeding de norm te maken?
De inhoudelijke appreciatie van het advies en de uitwerking van eventuele concrete maatregelen wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd in mijn brief van 4 december 2025.
Deelt u de mening dat er in de voedingswetenschap nog altijd geen consensus bestaat over wat gezond en ongezond is – door onder andere de complexiteit van het menselijk lichaam en uiteenlopende onderzoeksresultaten – en daarom voorzichtigheid geboden is bij het normatief voorschrijven van eetpatronen aan de gehele bevolking?
Ik deel uw mening dat het menselijk lichaam complex is en er uiteenlopende onderzoeksresultaten bestaan, ook binnen de voedingswetenschap. De Gezondheidsraad heeft in haar advies op basis van onderzoek, dat voldeed aan vooraf vastgestelde kwaliteitseisen, de totale stand van de wetenschap met betrekking tot eiwitbronnen beschreven. De Gezondheidsraad trekt geen conclusies op basis van individuele onderzoeken. Voor de productgroepen waarvoor richtlijnen zijn opgesteld, is een sterk bewijs voor een effect of verband. Wanneer geen consensus bestaat binnen de voedingswetenschap over een bepaalde productgroep en het gezondheidseffect, bijvoorbeeld wanneer er onvoldoende (goed) onderzoek beschikbaar is, dan staat dit helder beschreven in het advies.
Voorzichtigheid is geboden bij het adviseren over eetpatronen aan de gehele bevolking. Juist daarom hecht ik veel waarde aan dit Gezondheidsraadsadvies, waarbij de wetenschappelijke onderzoeken zorgvuldig zijn afgewogen om zo te komen tot deze richtlijnen. De Richtlijnen goede voeding noch de Schijf van Vijf zijn normatieve voorschriften. Iedereen kan zijn of haar eigen keuzes maken, mede op basis van de betrouwbare informatie van het Voedingscentrum.
Bent u bekend met het feit dat, om het eiwittekort als gevolg van het eten van minder rood vlees aan te vullen, de Gezondheidsraad het eten van peulvruchten adviseert?
De Gezondheidsraad adviseert om 250 gram bereide peulvruchten per week te eten. Dit is afgeleid van de hoeveelheid waarbij in onderzoek een verlaging van het risico op coronaire hartziekten wordt gezien. Het advies om peulvruchten te eten staat op zichzelf en los van de richtlijn over rood vlees.
De Schijf van Vijf van het Voedingscentrum houdt rekening met zowel de Richtlijnen goede voeding als met wat iemand nodig heeft aan voedingsstoffen (zoals eiwitten) en energie. Het Voedingscentrum is momenteel bezig met de doorontwikkeling van de Schijf van Vijf, waarin de herziene Richtlijnen goede voeding worden meegenomen.
Bent u op de hoogte van verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat plantaardige eiwitten minder goed worden opgenomen door het menselijk lichaam?
Ja. Gemiddeld genomen, worden eiwitten uit dierlijke voedingsmiddelen beter opgenomen door het lichaam dan uit plantaardige producten.
Het Gezondheidsraadsadvies Gezonde eiwittransitie3 onderzocht de gevolgen voor de gezondheid van de verschuiving naar een voedingspatroon met 60% plantaardige en 40% dierlijke eiwitten. Dat advies concludeert dat bij de algemene bevolking sprake is van een ruim voldoende inname van eiwit. Hierdoor leidt een verschuiving naar een meer plantaardig en minder dierlijk voedingspatroon (60% plantaardig, 40% dierlijk) op bevolkingsniveau niet tot problemen in de voorziening van eiwit en essentiële aminozuren.
Bent u bekend met de aanbeveling van de Gezondheidsraad in dit advies om elke dag een handje pinda’s te eten?
Ik ben bekend met het advies van de Gezondheidsraad om 15–30 gram noten per dag te eten, en daarbij te variëren tussen soorten, waaronder pinda’s.
Bent u op de hoogte van verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat er in pinda’s veelvuldig anti-nutriënten aanwezig zijn, zoals lectinen, die de opname van essentiële vitamines en mineralen – bijvoorbeeld zink en calcium – blokkeren?
Ja, pinda’s kunnen lectine bevatten. Bij het opstellen van het advies Richtlijnen goede voeding zijn geen aandachtspunten naar voren gekomen over effecten van lectine in pinda’s. Het advies van de Gezondheidsraad om te variëren tussen nootsoorten (waaronder pinda’s) is onder andere gunstig om eventuele mogelijke nadelige effecten van lectine in bepaalde noten te verminderen.
Bent u bekend met verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat onbewerkt rood vlees nutriënten bevat die buitengewoon goed door het menselijk lichaam opgenomen kunnen worden?
Ja, zowel rood als wit vlees leveren gunstige voedingsstoffen, waaronder eiwit, ijzer, selenium, zink en de vitamines B1, B2, B3, B6 en B12. Dit staat ook in het Gezondheidsraadadvies genoemd.
Bent u bekend met verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat er in onbewerkt rood vlees essentiële micronutriënten te vinden zijn, die in veel mindere mate voorkomen in plantaardige voeding?
Een aantal vitaminen en mineralen (micronutriënten) komt inderdaad meer voor in (rood en wit) vlees dan in plantaardige voeding. Andersom komen in plantaardige producten weer bepaalde micronutriënten voor die nauwelijks in vlees of andere dierlijke producten zitten, denk aan vitamine C.
Bent u bekend met verschillende onderzoeken uit de voedingswetenschap waaruit blijkt dat dierlijke voeding een hogere nutriëntendichtheid heeft dan plantaardige voeding?
Nutriëntendichtheid verwijst naar de relatieve hoeveelheid (gunstige) voedingsstoffen in een voedingsmiddel in verhouding tot het aantal calorieën. Gezien plantaardige producten zoals groente en fruit, veelal veel voedingsstoffen (zoals vitaminen, mineralen, vezels) en weinig calorieën bevatten, is de nutriëntdichtheid van de meeste plantaardige voeding hoog. Ook dierlijke voeding kan een hoge nutriëntdichtheid hebben, denk aan (magere) zuivel, ei of mager vlees. Het geschetste verschil in nutriëntendichtheid tussen enerzijds dierlijke voeding en anderzijds plantaardige voeding herken ik niet.
Hoe waarborgt u dat wetenschappelijke advisering, in dit geval door de Gezondheidsraad, onafhankelijk blijft van politieke ideologieën, activistische stromingen en commerciële lobbygroepen?
Een advies van de Gezondheidsraad is gebaseerd op een onbevooroordeelde en transparante weging van wetenschappelijke gegevens. De Gezondheidsraad onderschrijft een code om oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling tegen te gaan. Kandidaat-commissieleden moeten aan de hand van een uitvoerige belangenverklaring inzicht geven in hun mogelijke (financiële) belangen, persoonlijke relaties, reputatiemanagement en extern gefinancierd onderzoek. Het bestuur van de Gezondheidsraad beoordeelt vervolgens of deze belangen het lidmaatschap in de weg staan.
Hoe kunt u uitsluiten dat de richtlijn van de Gezondheidsraad wordt beïnvloed door belangenorganisaties, NGO’s of internationale agenda’s die zijn gericht op het verminderen van de vleesconsumptie, bijvoorbeeld omdat het verminderen van de vleesconsumptie «goed voor het klimaat» zou zijn?
In aanvulling op antwoord 13, zijn de Richtlijnen goede voeding opgesteld door een multidisciplinaire commissie (Commissie Voeding) die zorgvuldig is samengesteld. De belangenverklaringen van de leden van de commissie zijn in te zien op de website van de Gezondheidsraad. Deze belangenverklaringen vormen geen aanleiding om te veronderstellen dat de opstellers van dit advies op welke manier dan ook zijn beïnvloed.
Ook hield de Gezondheidsraad in het voorjaar een openbare commentaarronde voor concepten van achtergronddocumenten behorende bij dit deeladvies van de Richtlijnen goede voeding. De ontvangen commentaren en de reactie daarop zijn in te zien op de website van de Gezondheidsraad. Op deze wijze is het transparant en inzichtelijk wat de input is geweest van o.a. belangenorganisaties en hoe de Gezondheidsraad om is gegaan met deze input.
Welke mogelijke gevolgen ziet u voor de volksgezondheid met betrekking tot risico’s op tekorten aan bepaalde voedingsstoffen in het menselijk dieet bij sterk plantaardige diëten?
Om optimaal te kunnen functioneren is het belangrijk om voldoende voedingsstoffen binnen te krijgen. De Gezondheidsraad heeft in zijn advies Gezonde eiwittransitie onder andere onderzocht of een plantaardiger dieet mogelijk tekorten aan bepaalde voedingstoffen zou opleveren. In het advies wordt geconcludeerd dat het mogelijk is om een sterker plantaardig dieet (60% plantaardige eiwitten) in te vullen zonder dat tekorten aan voedingsstoffen ontstaan. Hierbij wordt wat betreft dierlijke eiwitbronnen uitgegaan van een voedingspatroon waarbij de consumptie van vlees wordt verlaagd en niet meer vis en zuivel wordt geconsumeerd dan wordt geadviseerd. Voor het verhogen van de inname van plantaardige eiwitbronnen wordt geadviseerd om meer peulvruchten en noten te eten en te variëren met eiwitbronnen. Ik zie voor de algemene bevolking geen risico’s op tekorten, wanneer bij de invulling van het dieet de Richtlijnen goede voeding wordt gevolgd.
Welke economische gevolgen voorziet u voor de Nederlandse boeren als deze adviezen beleidsmatig worden gevolgd?
De inhoudelijke appreciatie van het Gezondheidsraadadvies laat ik aan een volgend kabinet. Indien gekozen wordt voor beleidswijzigingen, kunnen de economische gevolgen hiervan in kaart worden gebracht.
Wanneer is volgens u de grens bereikt tussen het bevorderen van volksgezondheid en individuele keuzevrijheid?
Ik hecht sterk aan individuele keuzevrijheid: mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. Een onafhankelijk goed onderbouwd advies vergroot de (geïnformeerde) keuzevrijheid, zeker als dit voor alle Nederlanders toegankelijker wordt gemaakt via voorlichting van het Voedingscentrum, zoals met de Schijf van Vijf. Er is geen sprake van beperking van de keuzevrijheid.
Deelt u de mening dat iemands voedseldieet uiteindelijk een persoonlijke verantwoordelijkheid is en dat het onwenselijk is dat de staat overgaat tot nudging – bijvoorbeeld middels accijnzen – en andere vormen van gedragssturing om de consumptie van dierlijke eiwitten te verminderen?
Ik deel de mening dat wat je eet en drinkt, je eigen persoonlijke verantwoordelijkheid is. Het staat eenieder vrij om zelf te kiezen hoe, wat en wanneer hij of zij eet en drinkt. We zien wel dat de voedselomgeving veel ongezonde voedselkeuzes stimuleert. Daarmee is het voor mensen minder makkelijk om gezonde (en duurzame) voedselkeuzes te maken. De overheid heeft de taak om de volksgezondheid te bevorderen, en kan op basis van deze taak bepaalde keuzes ontmoedigen. Accijnzen zijn slechts van toepassing op tabak en alcohol.
Deelt u de opvatting dat de vrijheid om vlees te eten te allen tijde gewaarborgd moet blijven?
Zie antwoord op vraag 18.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze wordt gewaarborgd dat in de aangekondigde update van de Schijf van Vijf – een veelvuldig gebruikt instrument in het basisonderwijs – uitsluitend wetenschappelijk onderbouwde gezondheidsinformatie wordt opgenomen, en dat er daarbij geen sprake zal zijn van ideologisch of activistisch gedreven gedragssturing, bijvoorbeeld door jonge kinderen aan te leren dat het eten van rood vlees slecht zou zijn voor henzelf of voor de planeet?
De Schijf van Vijf vormt de praktische vertaalslag van de Richtlijnen goede voeding en houdt daarnaast rekening met onder andere de energiebehoefte en het behalen van voedingsnormen4. De Schijf van Vijf is wetenschappelijk onderbouwd.
Deelt u de mening dat gezondheidsadviezen uitsluitend op gezondheidsinformatie moeten worden gebaseerd en dat het dus nooit zo kan zijn dat gezondheidsadviezen (deels) worden gebaseerd op overwegingen die te maken hebben met klimaatbeleid?
Ik ben van mening dat gezondheidsadviezen onderbouwd moeten zijn met wetenschappelijke onafhankelijke informatie met betrekking tot gezondheid. De preventie van chronische ziekten in de Nederlandse bevolking is het hoofddoel van de Richtlijnen goede voeding. Voor de gezondheid van toekomstige generaties is het belangrijk dat ook op de langere termijn voldoende gezond en veilig voedsel beschikbaar is. Dit is voor een groot deel afhankelijk van het milieu, daarom is hier in de Richtlijnen goede voeding ook aandacht aan besteed.
Bent u bekend met de zogenaamde «eiwittransitie»?2 Hoe zou u de «eiwittransitie» zelf in het kort omschrijven?
Ja, met de eiwittransitie wordt de verandering van een consumptiepatroon bedoeld, waarbij in verhouding minder dierlijke en meer plantaardige eiwitten worden geconsumeerd, in vergelijking met ons huidige consumptiepatroon.
Is zo’n «eiwittransitie» volgens u noodzakelijk? En zo ja, waarom?
Uit het Gezondheidsraadadvies blijkt dat een meer plantaardig en minder dierlijk voedingspatroon gunstig is voor de volksgezondheid, omdat dit het risico op chronische ziekten verlaagt. Daarnaast is volgens de Gezondheidsraad een meer plantaardig voedingspatroon van belang om te zorgen dat toekomstige generaties eveneens kunnen kiezen voor gezond voedsel, vanwege de lagere ecologische voetafdruk. Dit onderschrijft de relevantie van de eiwittransitie.
Maakt dit advies van de Gezondheidsraad onderdeel uit van deze «eiwittransitie»? Met andere woorden, is een van de doelen van dit advies van de Gezondheidsraad om bij te dragen aan de «eiwittransitie»?
Nee, het doel van dit advies is de Richtlijnen goede voeding te actualiseren naar aanleiding van de stand van de wetenschap.6
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja, dat heb ik gedaan.
Het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Tieman , Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024?1
Erkent u de conclusie dat de hoogste normoverschrijdingen in het grondwater worden gevonden bij bestrijdingsmiddelen en PFAS? Zo nee, op welke wetenschappelijke consensus baseert u zich dan (graag bronvermelding gebruiken)?
Bent u het ermee eens dat het vervuilen van grondwater een ernstige bedreiging vormt voor de drinkwatervoorziening en de natuur? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Welke effecten heeft de normoverschrijding, de aanwezigheid en de stapeling van schadelijke stoffen in ons milieu en voedsel mogelijk op de gezondheid van mensen, op korte en lange termijn en vindt u deze effecten verantwoord?
Kunt u in euro's een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die deze schadelijke stoffen en normoverschrijdingen veroorzaken? Zo nee, kunt u die zo snel mogelijk in kaart laten brengen?
Hoe beoordeelt u het feit dat in 96% van het ondiepe grondwater één of meerdere milieuvreemde stoffen worden aangetroffen, waarbij in 85% van de gevallen PFAS, en waarvan 70% de gehanteerde normen (vaak fors) overschrijdt?
Deelt u de zorgen uit het rapport, wanneer hierin gesproken wordt over «zorgwekkend hoge percentages van normoverschrijdingen in het diepere grondwater» als «een bedreiging voor de bereiding van drinkwater uit grondwater op basis van eenvoudige zuivering»?
Wat zegt dit alles volgens u over de effectiviteit van het huidige PFAS-beleid?
Ziet u voor de bescherming van de gezondheid van mensen, dieren en milieu en voor het blijven garanderen van schoon drinkwater reden voor meer snelheid en actie om PFAS en andere schadelijke stoffen beter aan te pakken? Zo ja, wat gaat u dan concreet doen op korte termijn en welke tijdlijn hoort daarbij? Zo nee, waarom niet?
Wat gaat u eraan doen om de hoeveelheid schadelijke stoffen minstens terug te brengen onder de normen? Welk tijdpad hoort daarbij?
Wat gaat u op korte termijn concreet doen om richting burgers de transparantie te vergroten over deze schadelijke stoffen en de aanwezigheid daarvan in producten/middelen en uiteindelijk onze leefomgeving? Welk tijdpad hoort daarbij?
Deelt u de zorg dat bestrijdingsmiddelen en PFAS ook in 18% van diepere grondwaterlagen worden teruggevonden, waar drinkwater wordt gewonnen? Welke risico’s ziet u hiervoor op de langere termijn voor de gezondheid, de natuur en het milieu en waar baseert u uw inzichten precies op (graag bronnen vermelden)?
Waarom lukt het ondanks bestaande regelgeving nog steeds niet om normoverschrijdingen van bestrijdingsmiddelen terug te dringen? Waar schiet het beleid tekort, wat gaat u precies beter doen en wanneer gaat u dat doen?
Kunt u een uitputtende opsomming geven van alle aanbevelingen en conclusies uit onafhankelijke evaluaties die het ministerie in het verleden heeft ontvangen als het gaat om beleid met betrekking tot bestrijdingsmiddelen? Kunt u daarbij per punt aangeven wat u er wel of niet mee heeft gedaan?
Heeft u ook gelezen dat het rapport ook concludeert dat op grond van de grote verschillen in percentages van normoverschrijdingen tussen enerzijds medische stoffen en anderzijds bestrijdingsmiddelen en PFAS het voor de hand ligt om ter verbetering van de grondwaterkwaliteit het accent te leggen op maatregelen gericht op bestrijdingsmiddelen en PFAS? Erkent u die feiten en welke acties verbindt u aan die conclusie?
Bent u het ermee eens dat het, gezien die feiten, duidelijk onwenselijk is dat bestrijdingsmiddelen met PFAS worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Erkent u – tegen de achtergrond dat Nederland in Europa de officiële positie heeft dat we snel een verbod op PFAS willen, juist omdat het onwenselijk is dat het overal in ons milieu en lichaam terecht komt – dat door het gebruik van PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen alsnog PFAS overal in onze bodem, milieu en lichaam terecht kan komen? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Hoe beoordeelt u het risico voor de gezondheid van mens en dier, als PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen steeds in ons voedsel terechtkomen en zo schadelijke stoffen zich in ons lichaam opstapelen, ook gezien het feit dat de meeste Nederlanders nu al te veel PFAS in hun bloed hebben?
Kunt u uitleggen waarom PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen (PFAS-pesticiden) nog altijd op de markt mogen blijven, terwijl bekend is dat PFAS persistent, toxisch en nauwelijks afbreekbaar zijn?
Bent u als eindverantwoordelijke voor gezondheid bereid om ook voor een verbod op PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen te pleiten, naar voorbeeld van landen als Denemarken? Zo nee, waarom kan Denemarken het wel en waarom beschermt u de gezondheid van onze burgers niet?
Bent u bereid het gebruik van bestrijdingsmiddelen waar PFAS in zitten op zijn minst te verbieden in grondwaterbeschermingsgebieden?
Hoe waarborgt u dat Nederland gaat voldoen aan de KRW-doelen, nu Europa hierin naar alle waarschijnlijkheid ook PFAS-grensnormen gaat opnemen?
Bent u bereid om de monitoring van PFAS en bestrijdingsmiddelen uit te breiden, zoals aanbevolen in het rapport? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om – gezien het feit dat bij meerdere bedrijven is geconstateerd dat ze goochelen met uitstootcijfers en informatie achterhouden (zoals bij CFS) – meer regie te nemen en meer in te zetten op onafhankelijk, continu, fijnmazig en zoveel mogelijk real time meten van gevaarlijke stoffen en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar te maken, zodat de controle hierop en de toegang tot wat in de omgeving aan stoffen wordt uitgestoten verbeterd wordt en minder afhankelijk is van bedrijven (ook in lijn met motie-Teunissen c.s., Kamerstuk 28 089, nr. 302)?
Wanneer wordt aan de toezegging voldaan, inclusief de beloofde vervolgstappen, zoals geuit in de Voortgangsbrief Industrie en Omwonenden (Kamerstuk 28 089, nr. 335) dat eind dit jaar alle onderzoeksresultaten voortvloeiend uit het rapport en actieagenda Industrie en Omwonenden integraal zouden worden gewogen en gedeeld met de Kamer, samen met een tijdpad van mogelijke
acties die hieruit voortvloeien?
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk één voor één beantwoorden?
De behandeling van patiënten met Ehlers-Dantos. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van de Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten die het Ministerie van VWS en de Kamer vragen om zo spoedig mogelijk in actie te komen voor duizenden patiënten die geen, of onvoldoende hulp krijgen? Zo ja, herkent u de signalen en wat heeft u tot nu toe gedaan?
Ik ben bekend met de oproep van de Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten en ik neem hun zorgen serieus. De toegankelijkheid van zorg voor patiënten met zeldzame aandoeningen vind ik belangrijk. In het kader van deze oproep heb ik bij verschillende partijen navraag gedaan naar de actuele situatie.
Is bekend hoeveel mensen in Nederland het (hypermobiele) Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) hebben? Hoe is de verdeling naar geslacht?
Het is niet bekend hoeveel mensen in Nederland het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) hebben, noch wat de verdeling naar geslacht is. Er bestaat geen landelijke registratie en er zijn geen betrouwbare nationale prevalentiegegevens beschikbaar.
In de internationale literatuur lopen prevalentieschattingen sterk uiteen, variërend van ongeveer 1 op de 500 tot 1 op de 5.000 personen. Deze verschillen hangen samen met methodologische keuzes, variatie in gebruikte databronnen en verschillen in gehanteerde diagnostische criteria. Hierdoor zijn deze cijfers beperkt vergelijkbaar en niet zonder meer te vertalen naar de Nederlandse situatie.
Hoeveel van hen hebben geen of onvoldoende toegang tot noodzakelijke zorg?
Het is niet bekend welk aandeel van de mensen met het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) momenteel geen of onvoldoende zorg ontvangt. Voor deze specifieke doelgroep worden geen landelijke wachtlijsten bijgehouden en er zijn geen systematische gegevens beschikbaar over zorggebruik of zorgtoegang.
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) en Zorgverzekeraars Nederland geven bij navraag aan dat bij hen geen signalen bekend zijn van onvoldoende toegang tot noodzakelijke zorg voor deze patiëntengroep.
Tegelijkertijd geeft het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC, aan dat hoewel exacte aantallen ontbreken, zowel klinische ervaring als signalen uit patiëntenorganisaties erop wijzen dat een deel van de patiënten in de praktijk onvoldoende toegang heeft tot passende zorg. Deze signalen betreffen met name tijdige diagnostiek, doorverwijzing naar gespecialiseerde zorg en de beschikbaarheid van multidisciplinaire behandeling.
Klopt het dat er nauwelijks artsen zijn met specifieke expertise op het gebied van hEDS en HSD? Hoe kan dit?
Er is in Nederland een beperkt aantal artsen die zich via onderzoek en wetenschappelijke expertise specifiek hebben toegelegd op het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) en Hypermobility Spectrum Disorder (HSD). Het betreft aandoeningen met een relatief beperkte patiëntengroep; uitgaande van een prevalentie van circa 1 op de 5.000 personen gaat het naar schatting om ongeveer 3.600 patiënten in Nederland. In Nederland zijn meer dan 7.000 zeldzame aandoeningen erkend. Hierdoor is de beschikbare onderzoeks- en expertisecapaciteit per afzonderlijke aandoening beperkt en bestaan slechts voor een deel van deze aandoeningen gespecialiseerde expertisecentra of onderzoeksgroepen.
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) geeft aan dat voor behandeling specifieke expertise in veel gevallen niet nodig is. Afhankelijk van de zorgvraag kunnen patiënten, op verwijzing van de huisarts of medisch specialist, bij reguliere revalidatie-instellingen terecht voor behandeling van klachten zoals pijn, vermoeidheid en functionele beperkingen.
Het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC geeft desondanks dat er behoefte is aan meer specifieke expertise. Zij stelt daarbij dat dit samenhangt met het ontbreken van duidelijke afspraken over waar de zorg voor hEDS en HSD structureel is belegd binnen de zorgketen. De zorg bevindt zich op het snijvlak van meerdere disciplines, zonder eenduidige verantwoordelijkheid, wat leidt tot versnippering en belemmeringen in de borging van expertise.
De door het expertisecentrum genoemde onduidelijkheid acht ik onwenselijk. Goede en toegankelijke zorg moet voor alle patiënten beschikbaar zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is. In dat kader zal mijn ministerie in gesprek gaan met Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten om te bespreken wat deze ontwikkeling nu in de weg staat.
Klopt het dat het Erasmus MC het enige academische expertisecentrum is dat zich op hEDS en HSD richt? Klopt het ook dat de wachtlijsten langer zijn dan een jaar en het academische expertisecentrum uitsluitend is voor diagnostiek in de derdelijnszorg? En dat er slechts enkele revalidatieartsen zijn, maar zij wachtlijsten hebben van soms meer dan vijf jaar?
Het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC is momenteel het enige academische expertisecentrum in Nederland dat zich specifiek richt op het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) en Hypermobility Spectrum Disorder (HSD). De zorg binnen dit centrum betreft derdelijnszorg en is primair diagnostisch van aard, aangevuld met advisering richting vervolgzorg in de eerste en tweede lijn.
Het expertisecentrum geeft aan dat de wachttijden voor deze specialistische diagnostiek langer dan een jaar bedragen.
Voor revalidatieartsen met specifieke expertise gericht op hEDS en HSD geldt eveneens dat het om een beperkt aantal zorgverleners gaat en dat wachttijden per regio en instelling sterk kunnen verschillen. Uitspraken over exacte wachttijden, waaronder wachttijden van meerdere jaren, zijn bij het ontbreken van landelijke gegevens niet te onderbouwen.
Niet alle mensen met hEDS of HSD hebben specialistische zorg nodig. Een deel kan volstaan met zelfzorg of begeleiding in de eerste lijn. Indien nodig kunnen patiënten, op verwijzing, terecht bij reguliere revalidatie-instellingen voor behandeling van klachten zoals pijn, vermoeidheid en functionele beperkingen, aldus de VRA.
Bent u het eens met de analyse van de Ehlers-Dantos-patiëntenvereniging dat er in Nederland geen multidisciplinaire aanpak is en ondanks dat internationaal de kennis en ontwikkeling toenemen, patiënten in Nederland hier nauwelijks profijt van hebben? Herkent u hun zorgen dat de problemen alleen maar groter worden?
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) geeft aan zich niet te herkennen in het beeld dat de zorg voor deze patiëntengroep niet wordt georganiseerd. Vanuit de revalidatiegeneeskunde wordt aangegeven dat multidisciplinaire zorg binnen bestaande zorgstructuren mogelijk is.
Tegelijkertijd geeft het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC aan de analyse van de patiëntenvereniging te delen dat er geen structureel ingerichte multidisciplinaire aanpak bestaat voor hEDS en HSD. Het expertisecentrum herkent tevens de zorg dat de problematiek zonder structurele oplossingen kan toenemen.
Goede en toegankelijke zorg moet voor alle patiënten beschikbaar zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is. In dat kader zal mijn ministerie in gesprek gaan met Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten om te bespreken wat deze ontwikkeling nu in de weg staat.
Bent u ermee bekend dat revalidatiezorg vanaf 2026 niet meer wordt vergoed door (de meeste) zorgverzekeraars? Kunt u schetsen welke gevolgen dat heeft voor deze groep patiënten?
Ik heb hierover navraag gedaan bij Zorgverzekeraars Nederland. Zij geven aan dit beeld niet te herkennen. De zorg zoals revalidatieartsen die plegen te bieden blijft onderdeel van het vergoede pakket.
In uw vraag wordt vermoedelijk verwezen naar berichtgeving van zorgverzekeraar CZ. CZ heeft aangegeven vanaf 2026 medisch specialistische revalidatie alleen te vergoeden indien deze plaatsvindt in een revalidatiecentrum of ziekenhuis waar minimaal twee revalidatieartsen werkzaam zijn. CZ geeft aan dit van belang te vinden om intake en behandeling op één plek te laten plaatsvinden binnen een multidisciplinaire setting.
Kunt u verklaren waarom de zorg en hulp aan deze patiënten zo slecht toegankelijk is? Wat is uw verantwoordelijkheid hierin en welke verantwoordelijkheid hebben zorgverzekeraars?
Uit het contact met Zorgverzekeraars Nederland blijkt dat bij hen geen signalen bekend zijn dat de zorg voor patiënten met een indicatie voor revalidatiezorg slecht toegankelijk is.
Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en zijn verplicht ervoor te zorgen dat verzekerde zorg in voldoende mate beschikbaar is.
Bent u bereid om voor het einde van 2025 samen met zorgverzekeraars te zorgen voor duidelijkheid over de vergoedingen?
De onderhandelingen over inkoopcontracten lopen momenteel. Zorgverzekeraars zijn op grond van beleidsregels van de NZa verplicht hun verzekerden te informeren over de gevolgen hiervan voor de vergoedingen. Er moet altijd duidelijkheid zijn over de vergoeding van verzekerde zorg. Verzekerden kunnen daarnaast contact opnemen met hun zorgverzekeraar voor nadere informatie.
Deelt u de mening dat de andere problemen zoals wachtlijsten, gebrek aan expertise en kennis ook dienen te worden opgelost? Bent u bereid samen met de patiëntenvereniging, revalidatieartsen en andere deskundigen om tafel te gaan en een plan te maken voor een multidisciplinaire aanpak met oplossingen voor de korte en de lange termijn? Zo ja, op welke termijn gaat u hiermee beginnen? Zo nee, waarom niet?
Passende zorg moet voor alle patiënten toegankelijk zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is.
Vanuit het ministerie zal naar aanleiding van de gestelde vragen contact opgenomen worden met de patiëntenorganisatie om te bespreken welke belemmeringen bestaan om tot afspraken te komen over taken en verantwoordelijkheden binnen het zorgpad.
Kunt u deze vragen met spoed behandelen en uiterlijk in de week van 15 december 2025 de antwoorden aan de Kamer sturen?
Dit is helaas niet gelukt. De afstemming met verschillende partijen, waaronder de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen en Zorgverzekeraars Nederland, heeft meer tijd in beslag genomen.
Het artikel 'In deze stad wordt nu de meeste cocaïne gebruikt, en het is niet Amsterdam' |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente publicaties over het rioolwateronderzoek waaruit blijkt dat Leeuwarden momenteel de hoogste concentratie cocaïnegebruik van Nederland kent, en dat ook het gebruik van amfetamine daar fors is gestegen?1
Ja.
Bent u het er mee eens dat drugsgebruik niet normaal en ongezond is, en bovendien de onderwereld spekt en de samenleving verpest doordat het leidt tot criminele ondermijning, explosies en liquidaties? Bent u bereid dit in de stelligste en meest expliciete termen te veroordelen?
Ja. Drugsgebruik past niet binnen een normale, gezonde leefstijl en brengt altijd gezondheidsrisico’s met zich mee. Criminele netwerken verdienen aan het gebruik van drugs. Dit betekent omgekeerd dat drugsgebruik bijdraagt aan de instandhouding van een crimineel verdienmodel. Dit schadelijke aspect van drugsgebruik wordt benadrukt in de campagne «Drugs raakt ons allemaal» waarmee de afgelopen maanden in uitvoering van de motie Bikker over een landelijke campagne veel jongeren zijn bereikt.2 Deze inzet op bewustwording en preventie laat onverlet dat mensen met verslavingsproblematiek tijdig passende ondersteuning kunnen krijgen wanneer dat nodig is.
Hoe duidt u de in het artikel geschetste ontwikkeling in het licht van de landelijke aanpak tegen drugscriminaliteit en -gebruik? Ziet u hierin een trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken?
Dit kabinet zet in op het terugdringen van drugscriminaliteit en drugsgebruik. Ik neem signalen die op een trend in de andere richting lijken te wijzen dan ook serieus. In dit geval wil ik echter wel opmerken dat op basis van dit artikel slechts beperkt conclusies kunnen worden getrokken over de landelijke aanpak van drugscriminaliteit en drugsgebruik.
In algemene zin geldt dat rioolwatermetingen een waardevolle aanvulling kunnen zijn op andere onderzoeken naar drugsgebruik. Een lokale meting, zoals in Leeuwarden, biedt een indicatie van het gebruik van drugs in een bepaald onderzoeksgebied. De uitkomsten van rioolwatermetingen vereisen dan ook altijd een (lokale) kwalitatieve duiding. De toename kan het gevolg zijn van meer gebruik door een kleine groep gebruikers, hetzelfde gebruik door een grotere groep gebruikers of een hogere zuiverheid van de gebruikte drugs. Op basis van de huidige gegevens zie ik geen duidelijke trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken, maar wel een bevestiging dat blijvende inzet op preventie noodzakelijk is.
Welke verklaringen heeft u voor het feit dat juist Leeuwarden zo slecht scoort? Speelt de beschikbaarheid van drugs, de aanwezigheid van criminele netwerken of andere sociaaleconomische factoren hierbij een rol?
Leeuwarden heeft, net als veel grote steden in Nederland, te maken met (drugs)criminaliteit. In vergelijking met steden van vergelijkbare grootte scoort Leeuwarden niet beter of slechter. Onderzoekers Pieter Tops en Edward Van der Torre stellen in hun rapport «Leeuwarder Ondermijning» uit 2023 dat criminele netwerken actief zijn in de stad.3 Volgens hen zijn dit geen lokale, maar uit de Randstad afkomstige netwerken die in heel Nederland en ook in het buitenland actief zijn. Deze netwerken maken gebruik van de goede infrastructuur in Nederland, ook in Noord-Nederland. Daarnaast biedt het uitgestrekte, relatief dunbevolkte Friese platteland mogelijkheden om illegaal drugs te produceren en op te slaan.
Net als in andere Nederlandse gemeenten maken slechte sociaaleconomische omstandigheden mensen kwetsbaar voor criminaliteit en uitbuiting. Doordat Leeuwarden een centrumgemeente is, bevindt zich hier een relatief groot aantal kwetsbare personen. Bovendien leeft een groot gedeelte van de inwoners van de stad rondom het sociaal minimum en is er sprake van generatiearmoede. Financiële problemen gaan vaak gepaard met schuldenproblematiek en een slechte gezondheid. Daarnaast heeft Leeuwarden een centrumfunctie voor het uitgaansleven in de regio. Dit kunnen verklaringen zijn voor een relatief hoger gebruik van drugs, met name in het weekend. Het laat ook zien dat de aanpak van drugscriminaliteit én het terugdringen van drugsgebruik kennis van de lokale situatie en een lokale aanpak vergt.
Wordt er op dit moment voldoende ingezet op preventie en handhaving in regio’s buiten de Randstad, zoals Friesland? Zo ja, kunt u toelichten welke maatregelen daar specifiek worden genomen?
Het nationale beleid ten aanzien van drugsgebruik is landelijk uniform en richt zich op preventie, gezondheidsbescherming en het bieden van toegankelijke hulp aan mensen die problemen ervaren met middelengebruik. Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals hierbij ondersteunen. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport (VWS) het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, die een gemeente helpt bij het schrijven van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid.
De gemeente Leeuwarden heeft een lokaal gezondheidsbeleid «Samen Gezond» en geeft uitvoering aan het Preventie- en Handhavingsplan Drugs, Alcohol & Tabak. Eén van de concrete uitwerkingen is de implementatie van Opgroeien in een Kansrijke Omgeving (OKO). OKO is een landelijk preventieprogramma van het Trimbos en het Nederlands Jeugdinstituut dat dit jaar is gestart. Momenteel loopt er een OKO-monitor op het voortgezet onderwijs, is er een pilotinterventie «Pauzesport» opgestart en zijn er interactieve ouderavonden in ontwikkeling. Preventie van middelengebruik vraagt om een aanpak voor de lange termijn en een integrale benadering. De gemeente Leeuwarden werkt daarom nauw samen met ketenpartners zoals de GGD Fryslân, Verslavingszorg Noord-Nederland en diverse welzijnsorganisaties. Daarnaast maken Friese gemeentes onderdeel uit van het provinciale samenwerkingsverband «Nuchtere Fries», als onderdeel van de Friese Preventieaanpak.
Aan de hand van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) wordt in Leeuwarden-Oost gewerkt aan het doorbreken van intergenerationele armoede en het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid. Het lange termijn doel is om dit tot een gebied te maken waar kinderen kansrijk kunnen opgroeien, zonder armoede. Hierop wordt ingezet via de pijlers gezondheid, wonen, leren en werken, de thema’s leefbaarheid en veiligheid worden integraal in deze pijlers meegenomen. Via dit programma, dat een horizon heeft van twintig jaar, zet de gemeente Leeuwarden sterk in op het vergroten van perspectief van de bewoners en een vermindering van de invloed van criminelen op deze wijken.
Leeuwarden neemt deel aan het landelijke programma Preventie met Gezag (PmG) van JenV. De gemeente heeft PmG gepositioneerd binnen het eigen programma Leeuwarden-Oost. Met PmG Leeuwarden-Oost werken preventieve en justitiële partners samen om jongeren/jongvolwassenen (8–27 jaar) uit de criminaliteit te houden en te halen. Dit wordt op verschillende manieren gedaan. De PmG-partners zetten hun expertise in vanuit hun kerntaken en we versterken de onderlinge samenwerking waardoor zo effectief mogelijk kan worden gewerkt.
Jongeren op scholen in Leeuwarden-Oost worden weerbaarder tegen ondermijnende criminaliteit dankzij een geïntegreerd aanbod van Halt en Jongerenwerk. Daarnaast worden jongeren, indien nodig, individueel begeleid. Hierbij wordt gebruik gemaakt van interventies die vanuit het NPLV-programma Leeuwarden-Oost worden ingezet. Ten slotte versterkt de gemeente Leeuwarden de samenwerking tussen de PmG-partners en het netwerk binnen Leeuwarden-Oost. Hierdoor kennen de professionals elkaar inmiddels goed en weten zij wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit bevordert efficiëntie en de benutting van verschillende expertises. Het meest belangrijk is dat dit ook de ondersteuning van jongeren ten goede komt.
De aanpak van ondermijning is in de gemeente Leeuwarden geprioriteerd. Vanuit de aanpak wordt een extra impuls gegeven aan het tegengaan van ondermijning (preventie), de bestrijding ervan (repressie) en het creëren van bewustwording en weerbaarheid. Hiervoor heeft de gemeenteraad een incidenteel budget beschikbaar gesteld van € 600.000 voor de periode 2025–2027. Naar aanleiding van de extra impuls wordt actief ingezet op de toepassing van de wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (Bibob) en het intensiveren van bestuurlijke controles door een interventieteam ondermijning. Deze interventies leiden onder andere regelmatig tot de sluiting van drugspanden door burgemeester van Leeuwarden op grond van art. 13b Opiumwet.
Bent u het er mee eens dat de strijd tegen de drugsproblematiek en de criminele ondermijning die daarmee gepaard gaat, onmogelijk door gemeenten alleen kan worden opgelost?
Hier ben ik het mee eens.
Hoe wilt u gemeenten tegemoetkomen en ondersteunen om drugs en aanverwante ondermijning tegen te gaan? Welke intensivering zou daarvoor nodig zijn, en bent u bereid deze middelen uit te trekken?
Het kabinet ondersteunt gemeenten bij de aanpak van drugsgebruik en de daarmee samenhangende criminaliteit binnen bestaande landelijke kaders. Zoals in het antwoord op vraag 5 is toegelicht worden gemeenten ondersteund via GGD’en, preventiecoalities en regionale zorgaanbieders. Daarnaast bieden landelijk gefinancierde kennisinstellingen, zoals het Trimbos-instituut en Verslavingskunde Nederland hierbij concrete handvatten.
Voor de aanpak van ondermijnende, georganiseerde criminaliteit worden gemeenten onder andere ondersteund door het Landelijke Informatie en Expertisecentrum (LIEC), de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Het RIEC-Noord Nederland is actief in de regio Leeuwarden en biedt de gemeente ondersteuning bij analyse en advisering bij casuïstiek in de aanpak van ondermijning. Het RIEC-LIEC bestel wordt vanuit het Rijk gefinancierd. Meer specifiek gericht op de aanpak van jeugdcriminaliteit in gemeenten is PmG al genoemd. De eerste resultaten van dit programma zijn positief. Gelet op deze bestaande instrumenten en de huidige inzichten ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om de ondersteuning vanuit het Rijk te intensiveren.
Bent u bereid om, samen met gemeenten en politie, extra aandacht te geven aan de aanpak van drugsgebruik en -handel in Leeuwarden en vergelijkbare steden?
Zoals in antwoord 7 is aangegeven, zet dit kabinet vol in op de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit en het terugdringen van drugsgebruik. Hierbij stelt het kabinet middelen en instrumenten beschikbaar om het (lokale) gezag te equiperen deze problematiek aan te pakken. Het gaat hier in veel gevallen om een meerjarige, langdurige inzet. Er is goed contact met de gemeente Leeuwarden en vergelijkbare steden over de lokale situatie.
Hoe beoordeelt u het instrument van rioolwateronderzoek als middel om trends in drugsgebruik te monitoren? Overweegt u om dit structureel en landelijk uit te breiden, zodat er een vollediger beeld ontstaat?
In november 2023 hebben JenV en VWS opdracht gegeven aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Trimbos-instituut om een pilotstudie uit te voeren naar het gebruik van drugs door middel van rioolwateronderzoek. Dit onderzoek is op 5 november jl. gepubliceerd. De studie heeft uitgewezen dat rioolwateronderzoek een goede, objectieve aanvulling kan zijn op het landelijke beeld van drugsgebruik dat op basis van andere bronnen wordt samengesteld. De onderzoekers stellen dat één rioolwatermeting per jaar, ieder jaar op hetzelfde moment, voldoende is om het landelijke beeld te onderhouden. Meer metingen zijn niet nodig, omdat het drugsgebruik in Nederland volgens de metingen van het RIVM het hele jaar relatief constant is. Ik ben momenteel, samen met de Staatssecretaris van JPS, in gesprek met het RIVM en het Trimbos-instituut over de wijze waarop wij een vervolg willen geven aan deze pilot. De Staatssecretaris JPS en ik informeren uw Kamer hier zo spoedig mogelijk meer uitgebreid over.
Het gebruik van robots in de ouderenzorg |
|
Sarah Dobbe |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Regels voor robots in ouderenzorg nodig: «De menselijke maat moet gehandhaafd blijven»»?1
Het nieuwsitem geeft een beeld hoe de ouderenzorg zich ontwikkelt en welke vraagstukken er spelen als het gaat om innovatieve technologie.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots in de ouderenzorg alleen een aanvulling kan zijn op de inzet van zorgverleners als mensen dat zelf willen en dat ouderen dus de optie moeten houden van menselijke zorg?
Ja, daar ben ik het mee eens. Zoals in het HLO is beschreven kan slimme digitale ondersteuning directe voordelen bieden voor ouderen en zorgverleners. Robots kunnen een aanvulling zijn op de inzet van zorgverleners zodat zorgverleners tijd hebben om de intensieve zorg uit te blijven voeren. Ouderen behouden hierdoor de menselijke zorg.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots vooral nuttig kan zijn bij taken waarbij sociaal contact minder belangrijk is en veel minder voor zorgtaken die ook een belangrijke sociale functie hebben?
Ja, hier ben ik het mee eens. Robots moeten ingezet worden zodat mensen het mensenwerk kunnen doen.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots geen alternatief is voor een echte inzet op het oplossen van het personeelstekort in de zorg? Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de motie-Dobbe, die opriep «om een wervingscampagne op te zetten, vergelijkbaar met de wervingscampagne van Defensie, om mensen te werven om in de zorg te werken, en de Kamer hier voor de begrotingsbehandeling over te informeren»?2
Het inzetten van robots is één van de vele technologieën die wordt ingezet om het personeel in de zorg te ondersteunen om invulling te geven aan het personeelstekort. Daarbij kan inzet van technologie wel degelijk een bijdrage leveren aan het oplossen van het arbeidsmarktvraagstuk. Naast de voordelen op het gebied van personeel kan inzet van technologie de zorg ook aanvullen en zorgen voor betere ondersteuning aan de cliënt. Een voorbeeld is zorgrobot Tessa die al bij meer dan 175 zorgorganisaties wordt gebruikt. Tessa begeleidt cliënten verbaal en herinnert hen aan (zorg)taken zodat ze de taken ook uitvoeren wat hun zelfredzaamheid vergroot.
De motie-Dobbe roept op om een wervingscampagne in de zorg te starten. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor het brede arbeidsmarktbeleid in de zorg. Hij merkt op dat werving van personeel de verantwoordelijkheid is van werkgevers in zorg en welzijn. Het Ministerie van VWS is, in tegenstelling tot het Ministerie van Defensie, geen werkgever. Tevens zijn er in vele maatschappelijke sectoren personeelstekorten en acht hij het gelet daarop ook niet passend om een dergelijke grootschalige wervingscampagne vanuit het Ministerie van VWS op te zetten. Dit is in lijn met de brede arbeidsmarktagenda van dit kabinet, waarin voor de sectorale inzet juist de afstemming en samenwerking tussen sectoren wordt onderstreept 3.
Om deze redenen ziet de Minister van VWS af van de uitvoering van deze motie. Wel is hij, gelet op de urgentie van de personeelstekorten in de sector, bereid om te onderzoeken welke andere opties er zijn om met de beschikbare middelen invulling te geven aan de gedachte achter deze motie. In het AZWA is bijvoorbeeld afgesproken dat bestaande loopbaaninstrumenten die bijdragen aan de instroom, doorstroom en behoud van medewerkers geïntegreerd voortgezet worden. Hij zal uw Kamer voor de begrotingsbehandeling nader informeren over de uitkomst hiervan.
Bent u het ermee eens dat robots niet ingezet mogen worden voor zorg of ondersteuning bij ouderen tenzij deze goedgekeurde en getest zijn en ouderen nooit proefkonijn mogen zijn voor bedrijven? In hoeverre wordt dit nu gegarandeerd?
Robots moeten goedgekeurd en getest zijn voordat ze worden ingezet. Zo bestaat er Europese en Nederlandse normering voor zorgtechnologie. Veiligheid, privacy en betrouwbaarheid zijn absolute randvoorwaarden voor de inzet van zorgtechnologie. Ouderen mogen niet als proefkonijn dienen en onderzoek wordt getoetst bij regionale Medisch Ethische Toetsingscommissies.
Bent u het ermee eens dat, als robots worden ingezet voor ondersteuning, deze toegankelijk en betaalbaar moeten zijn voor iedereen en niet alleen voor mensen die geld hebben? In hoeverre wordt hier nu rekening mee gehouden?
Zorg moet altijd toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit zijn, dat geldt ook voor robots die worden ingezet in de zorg.
Bent u het ermee eens dat er regels nodig zijn om te bepalen wanneer robots verantwoord kunnen worden ingezet in de zorg?
De stelselverantwoordelijkheid van VWS reikt niet tot ontwikkelaars van zorgtechnologie. Daarnaast stelt de sector zelf kwaliteitskaders op voor de langdurige zorg, zoals in de ouderenzorg het Generiek Kompas «Samen werken aan kwaliteit van bestaan». Inzet van technologie is hier onderdeel van. Als er vanuit de zorgsector behoefte is om richtlijnen/ ethische regels aan te scherpen dan kan de zorgsector daartoe zelf het initiatief nemen.
Welke stappen worden momenteel gezet om regels op te stellen voor de inzet van robots in de ouderenzorg? In hoeverre wordt daarbij ook rekening gehouden met het feit dat commerciële producenten van zorgrobots niet altijd dezelfde belangen hebben als de ouderen en zorgverleners die deze gebruiken?
Ik ben niet bekend met regels die op dit moment worden ontwikkeld voor de inzet van robots in de ouderenzorg. Wel worden door organisaties zoals Vilans handvaten aan de sector aangeboden om digitaal hybride zorgtechnologie goed te organiseren.
Het toenemende aantal hiv-diagnoses |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u onze zorgen over de trendbreuk dat het aantal hiv-diagnoses niet meer afneemt en zelfs stijgt in de komende jaren?
Ja, ik deel uw zorgen. Het aantal nieuwe hiv-diagnoses daalt al een aantal jaar niet meer. Stichting hiv monitoring geeft op basis van haar berekeningen aan dat het aantal nieuwe diagnoses de komende jaren mogelijk zelfs weer zal stijgen.
Welke stappen gaat u ondernemen om juist Nederlanders met een laag inkomen, een migratieachtergrond en/of die gebruik maken van geestelijke gezondheidszorg met een verhoogde kans op een hiv-diagnose en die nu minder gebruik maken van PrEP, te helpen?
Op 28 november jl. gaf ik in mijn brief1 aan uw Kamer aan dat ik mij zorgen maak om groepen die meer kans hebben op een hiv-infectie, bijvoorbeeld vanwege een lager inkomen, een migratieachtergrond en/of psychische problemen. Voor deze groepen is de zorg door GGD’en vanuit de Regeling Aanvullende Seksuele Gezondheidszorg (ASG-regeling) bedoeld, maar nog niet iedereen wordt bereikt. Daarom wil ik meer zicht krijgen op drempels die mensen ervaren om met hun soa-gerelateerde vragen of klachten naar de GGD of huisarts te gaan, zodat deze drempels kunnen worden verlaagd of weggenomen. Ik werk hierin samen met het RIVM, Soa Aids Nederland en enkele coördinerende GGD’en.
Ondertussen blijf ik Soa Aids Nederland ondersteunen om mensen die baat kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Soa Aids Nederland richt zich hierbij ook specifiek op groepen met minder toegang tot soa- en PrEP-zorg.
Waarom maakt u PrEP-zorg niet gratis toegankelijk voor risicogroepen?
Het preventieve hiv-medicijn PrEP (Pre-Expositie Profylaxe) levert een onmisbare bijdrage aan het tegengaan van hiv en de ambitie om Nederland naar 0 nieuwe hiv-infecties te brengen. PrEP-zorg bij de GGD’en is gratis voor personen met een verhoogd risico op hiv. Deze zorg bestaat uit de soa-testen die horen bij PrEP, de reguliere behandeling na een positieve soa-uitslag en de begeleiding bij het (correct) gebruiken van PrEP door een zorgprofessional. De PrEP-medicatie moeten mensen zelf betalen. Het dagelijks gebruiken van PrEP kost ongeveer tussen de € 16 en € 30 per maand. Door PrEP-gebruikers deze kosten zelf te laten dragen, kunnen de GGD’en meer mensen helpen met PrEP-zorg. De evaluatie van het RIVM laat zien dat de overgang van de tijdelijke PrEP-pilot naar het structurele PrEP-programma de toegankelijkheid en flexibiliteit van PrEP-zorg aanzienlijk heeft vergroot. Het aantal nieuwe PrEP-deelnemers is toegenomen van 468 in het tweede kwartaal van 2024 naar 968 in het tweede kwartaal van 2025. Het totaal aantal mensen dat PrEP-zorg krijgt, is gestegen van 8.500 in juli 2024 naar 11.762 in juli 2025.
Deelt u de oproep van Soa Aids Nederland om te investeren in betere toegang tot PrEP, zonder wachtlijsten en financiële drempels? Zo nee, waarom niet?
Sinds augustus 2024 wordt PrEP-zorg regulier aangeboden door GGD’en in plaats van in een pilot. Deze overgang van pilot naar regulier programma ging onder andere gepaard met een structurele extra investering van 1 miljoen euro per jaar. Sindsdien is het aantal wachtenden voor PrEP-zorg bij de GGD’en afgenomen. Zoals in mijn brief van 28 november jl. genoemd, krijgen de GGD’en per 2027 middelen vanuit het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA). Dit zal naar verwachting helpen om de wachttijden te verminderen per 2028.
Daarnaast ondersteun ik Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging om mensen die baat kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Soa Aids Nederland biedt betrouwbare informatie over seksuele gezondheid, hiv, soa’s, condoomgebruik en PrEP met een breed palet aan interventies en ondersteunende activiteiten zoals online keuzehulpen, websites, infolijnen en deskundigheidsbevordering van professionals. Dit jaar zal Soa Aids Nederland op het platform Sense.info meer en extra aandacht besteden aan het onderwerp PrEP. Soa Aids Nederland lanceert dit jaar ook een campagne voor en door transpersonen om hen te informeren over PrEP en, in geval van risico op hiv, PrEP gebruik te stimuleren. Ook GGD’en informeren personen met een verhoogd risico op hiv over (correct gebruik van) PrEP en over (laagdrempelige) hiv-testen.
Omdat PrEP niet de enige manier is om hiv te voorkomen, start ik dit jaar een campagne om condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.2
Kunt u concreet toelichten wat u gaat doen ter promotie van PrEP, zodat meer mensen weten dat het een veilige manier is om hiv te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verklaart u de afname in de bereidheid om PrEP te gebruiken?
Uit de evaluatie van het RIVM over het gewijzigd PrEP-beleid blijkt géén afname in de bereidheid om PrEP te gebruiken. Wel is een lichte verschuiving van dagelijks naar intermitterend gebruik zichtbaar. Er is geen wetenschappelijk onderzoek beschikbaar over de bereidheid om PrEP te gebruiken. GGD’en, het RIVM, Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging geven aan dat mensen het dagelijks slikken van de PrEP-medicatie, of het steeds rekening moeten houden met eventuele seksuele activiteit (bij zogenaamd event-driven gebruik) soms belastend vinden.
Waarom is er in het PrEP-programma voor gekozen om deelnemers zelf hun medicatie te laten halen bij de apotheek? Werkt dit niet drempelverhogend?
Dit is allereerst nodig om de veiligheid beter te borgen. Apothekers controleren op onjuist gebruik en de werking van PrEP in combinatie met andere medicijnen. Het is dus van belang dat apothekers op de hoogte zijn van het PrEP-gebruik van hun cliënten. Daarnaast is landelijke inkoop van PrEP en distributie via de GGD’en niet conform staatssteunregels, omdat er geen sprake is van marktfalen. Bovendien kunnen en willen apothekers deze zorg ook bieden.
Er zijn mogelijkheden om, indien gewenst, gebruik te maken van een online apotheek. Een online apotheek biedt meer anonimiteit en kan daardoor als laagdrempeliger worden ervaren. Overigens blijkt uit de evaluatie van het RIVM over het gewijzigd PrEP-beleid niet dat het zelf afhalen van de medicatie heeft geleid tot een verminderde toegang tot PrEP.
Bent u van mening dat het huidige beleid afdoende is om iedereen in staat te stellen om keuzes te maken over de eigen seksualiteit, zoals u in uw brief als doel stelt? Zo nee, waarom niet?
In ieder geval is het mijn ambitie, om iedereen in staat te stellen keuzes te maken over de eigen seksualiteit. Daarvoor zet ik mij samen met partners in het veld volop in. Op diverse manieren, zoals omschreven in de beleidsvisie op seksuele gezondheid3, wordt dan ook hard aan dit doel gewerkt. Er gaan gelukkig veel dingen goed. Nederland heeft van oudsher een stevige infrastructuur voor seksuele gezondheid, met laagdrempelige en goede soa- en seksualiteitszorg via huisartsen, GGD’en en tweedelijnszorg. Voor de meeste mensen is er goede toegang tot anticonceptie. Er is goede monitoring van soa’s en hiv en een toegankelijk aanbod aan betrouwbare informatiebronnen en ondersteuningsmogelijkheden over anticonceptie, soa’s en seksualiteit. Nederland is internationaal koploper in relationele en seksuele vorming, waardoor jongeren, passend bij hun leeftijd, kennis en vaardigheden opdoen om bewuste en veilige keuzes te maken.4
Ik zie echter ook de nodige uitdagingen. De GGD’en staan al lange tijd onder druk en kunnen niet iedereen die dit nodig heeft aanvullende soa-zorg bieden. Het aantal nieuwe hiv-diagnoses daalt al een aantal jaar op rij niet meer en zal mogelijk de komende jaren gaan stijgen. Het gebruik van condooms neemt af. En onder bepaalde groepen heteroseksuele jongeren neemt gonorroe toe. Tot slot maak ik me grote zorgen om de negatieve invloed van mis- en desinformatie over bijvoorbeeld relationele en seksuele vorming.
Welke concrete maatregelen neemt u om dit streven te behalen?
In mijn brief van 28 november jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de acties die ik in gang heb gezet, bovenop bestaande activiteiten. Het gaat om de volgende acties:
Kunt u nader toelichten hoe het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) gaat bijdragen aan betere en toegankelijke PrEP-zorg, waar u in uw brief naar refereert?
In mijn brief van 28 november jl. informeerde ik uw Kamer over de extra middelen vanuit het AZWA voor de ASG-regeling en de PrEP-zorg. Dankzij het AZWA komt er vanaf 2027 budget beschikbaar voor de ASG-regeling, waaronder PrEP-zorg. Vanaf 2028 betekent dit ook een verbetering ten opzichte van de beschikbare middelen zoals deze vóór de 10% korting op de ASG-SPUK bestonden. Met deze extra middelen kunnen GGD’en wachttijden verkorten, meer mensen PrEP-zorg bieden en/of meer investeren in outreach en de verbetering van de samenwerking met ketenpartners.
Onderdeel van de afspraken in het AZWA over samenwerking op het snijvlak van het zorgdomein en het sociaal domein is ook de ontwikkeling van een ketenaanpak seksuele gezondheid. Daarin werken professionals vanuit verschillende domeinen samen om mensen met (een risico op) een seksuele gezondheidsachterstand tijdig te signaleren en hen hulp en ondersteuning te bieden.
In mijn antwoord op vraag 9 gaf ik aan dat ik, aanvullend op het huidige beleid, extra actie onderneem om de druk op de soa- en PrEP-zorg te verminderen, waaronder promotie van condoomgebruik en de verbetering van de samenwerking tussen huisartsen en GGD’en.
Wat gaat u er concreet aan doen om de lange wachtlijsten voor PrEP-zorg in te korten?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe wilt u meer zicht krijgen op de drempels die mensen ervaren om zorg omtrent soa’s op te zoeken?
De soa-zorg die door GGD’en wordt geboden vanuit de ASG-regeling is aanvullend op de huisartsenzorg. GGD’en constateren een grotere vraag naar soa-zorg dan zij op basis van de beschikbare financiële middelen kunnen bieden. Er is eerder dit jaar besloten om in de ASG-regeling te verduidelijken dat de soa-zorg bedoeld is voor personen uit specifieke doelgroepen die een verhoogd risico lopen op soa’s en een drempel tot de reguliere zorg hebben.
In de praktijk blijkt het soms lastig voor GGD’en om te bepalen in hoeverre iemand een drempel tot de reguliere zorg ervaart. Bovendien geven GGD’en aan nog niet alle mensen te bereiken waarvoor de ASG-regeling juist bedoeld is. Daarom heb ik het RIVM gevraagd onderzoek te doen naar drempels die mensen tot soa-zorg kunnen ervaren. Wat kenmerkt deze groep? En wat maakt dat zij een drempel tot reguliere (huisartsen)zorg of aanvullende soa-zorg ervaren? Wat is er nodig om deze drempels te verminderen of weg te nemen? Het RIVM werkt in dit onderzoek samen met Soa Aids Nederland en enkele GGD’en.
Wat gaat u concreet doen om het kennisniveau omtrent SOA’s en condoomgebruik bij jongeren die lager en middelbaar zijn opgeleid te verhogen en het stigma en taboe rondom PrEP te verlagen?
Ik ondersteun Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging om mensen die baat kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Binnen de activiteiten van Soa Aids Nederland is specifiek aandacht voor jongeren op het praktijkonderwijs of het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Zo zijn alle websites, waaronder sense.info (speciaal gericht op jongeren), doorgelicht en herschreven naar B1-taalniveau om ervoor te zorgen dat de taal voor iedereen begrijpelijk is. De projectweek Lang Leve de Liefde wordt ingezet bij mbo-instellingen. En Soa Aids Nederland is actief op sociale media, waarbij op een visuele en toegankelijke manier allerlei vragen rond seksuele gezondheid aan bod komen.
Ook GGD’en informeren personen met een verhoogde kans op hiv, waaronder jongeren, over (correct gebruik van) PrEP en over (laagdrempelige) hiv-testen. Jongeren kunnen met al hun vragen over seksualiteit en relaties terecht bij Sense: via de website wordt informatie gegeven en jongeren kunnen appen, bellen, chatten of langskomen op het sense-spreekuur.
Zoals aangegeven in mijn brief van 28 november jl. start ik in 2026 met verschillende activiteiten voor jongeren om het gebruik van condooms te promoten.
Tot slot is er in het onderwijs, ook op het speciaal onderwijs en mbo, aandacht voor relationele en seksuele vorming, waaronder het maken van gezonde en veilige keuzes om soa te voorkomen en om de regie op een kinderwens te vergroten.
Het artikel 'Tweede Kamer zaait twijfel over abortuszorg met twee aangenomen moties' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Becking , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er op dit moment onderhandeld wordt tussen de Raad en het Europees Parlement over de Richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten?1
Ja, dat klopt.
Kunt u de Nederlandse positie in de Raad ten aanzien van die richtlijn toelichten? Kunt u specifieke toelichting geven op het Nederlandse standpunt ten aanzien van artikel 9(3) die betrekking heeft op de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg voor slachtoffers?
De Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel voor herziening van de richtlijn is neergelegd in het BNC-fiche van 6 oktober 20232.
Met betrekking tot het Nederlandse standpunt ten aanzien van artikel 9 (3) is Nederland groot voorstander van het beschermen en ondersteunen van slachtoffers van seksueel geweld. Daaronder valt de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg en tevens toegang tot abortuszorg. Wij steunen het expliciet benoemen van toegang tot abortuszorg in de overweging bij artikel 9 (3) met een verwijzing naar het nationale recht. Het genoemde artikel en de bijbehorende overweging leiden niet tot harmonisering van wetgeving op EU-niveau.
Klopt het dat Nederland zich op ambtelijk niveau heeft uitgesproken tegen het opnemen van toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg voor slachtoffers in deze richtlijn en het expliciet benoemen van abortus in de overweging die correspondeert met dit artikel? Zo ja, waarom?
Nee, dat is niet correct. In het kader van de onderhandelingen en het meest recente voorstel van het Europese Parlement (hierna: EP) om abortus expliciet te noemen in de overweging bij artikel 9 (3), heeft Nederland aangegeven het voorstel van het EP te kunnen steunen mits wordt aangegeven dat dit een onderwerp is van nationaal recht. De juridische basis van deze richtlijn3 biedt geen grondslag om toegang tot gezondheidszorg, waaronder seksuele en reproductieve gezondheidszorg, te harmoniseren binnen de Europese Unie. Het expliciet benoemen van abortuszorg ligt echter gevoelig bij een aantal lidstaten. Nederland wil ook deze lidstaten aan boord houden om zo tot een onderhandelingsakkoord met betrekking tot een herziene richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten te komen. Daarom is de suggestie gedaan om aan te sluiten bij artikel 26 lid 2 van de reeds vastgestelde richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.4
Deelt u de mening dat Nederland als voorvechter van progressieve waarden juist voorop zou moeten lopen met het beschermen van slachtoffers van seksueel geweld, en dat toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidszorg, en specifiek abortuszorg daar een onlosmakelijk onderdeel van is?
Ja, deze mening deel ik.
Bent u bereid om dan wel op ambtelijk niveau, dan wel op ministerieel niveau van standpunt te veranderen ten aanzien van artikel 9(3) en de corresponderende overweging, in de richtlijn minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en het Deens voorzitterschap daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Nee, dat is niet nodig in het licht van bovenstaande beantwoording.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk, het liefst voor 10 december 2025 te beantwoorden?
Ik heb uw vragen conform uw verzoek voor 10 december 2025 beantwoord.
Het bericht 'Maagdelijkheidstests zijn in Zweden vanaf vandaag officieel verboden' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Maagdelijkheidstests zijn in Zweden vanaf vandaag officieel verboden»?1
Hoe bekijkt u deze maatregelen van de Zweedse regering die juist bedoeld zijn om vrouwen en meisjes te beschermen tegen schadelijke en onbewezen praktijken?
Kunt u bevestigen dat maagdelijkheidstests volgens de Nederlandse professionele standaard niet binnen de reguliere zorg thuishoren en dat artsen geacht worden deze verzoeken af te wijzen? Zijn er desondanks aanwijzingen dat dergelijke verzoeken toch worden gedaan bij huisartsen, gynaecologen of andere zorgprofessionals? Zo ja, kunt u aangeven wat de omvang hiervan is, hoe deze signalen momenteel worden geregistreerd of opgevolgd en of deze verzoeken aanleiding vormen voor toezicht door de IGJ? Indien geen cijfers beschikbaar zijn, bent u bereid hierover structurele monitoring te laten plaatsvinden?
Deelt u de mening dat maagdelijkheidstests geen enkele medische grondslag hebben en dat een dergelijke praktijk kan bijdragen aan het onderdrukken en controleren van meisjes en vrouwen? Zo ja, hoe wilt u dit toepassen in Nederland? Zo niet, waarom niet?
Is er recentelijk onderzoek gedaan in hoeverre maagdelijkheidstests voorkomen in Nederland in de privésfeer? Zo ja, kunt u de resultaten van dit onderzoek delen met de Kamer? Zo niet, bent u bereid om dit in kaart te laten brengen? Is het in Nederland op dit moment strafbaar om een maagdelijkheidstests uit te voeren of een maagdelijkheidsverklaring af te geven door niet-medische personen?
In Zweden wordt het ook strafbaar om geen melding te maken van gedwongen huwelijken en kindhuwelijken, in het licht hiervan hoe staat het met de uitvoering van de motie-Dral c.s. (Kamerstuk 31 015, nr. 293) die toeziet op een meldplicht?
Welke concrete stappen acht u op korte termijn haalbaar om ervoor te zorgen dat meisjes en vrouwen in Nederland niet langer worden geconfronteerd met pseudomedische claims, sociale druk of dwang rondom «maagdelijkheid», inclusief handhaving, voorlichting, regelgeving en mogelijke strafbaarstelling?
Welke stappen worden er op dit moment vanuit het kabinet nog meer ondernomen om meisjes en vrouwen in Nederland beter te beschermen tegen schadelijke praktijken die hun lichamelijke integriteit, autonomie en rechten aantasten?
Agressie in de zorg |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Is u bekend dat het Erasmus MC zich distantieert van een observatie, namelijk dat agressie in de zorg vaker voorkomt bij migrantenfamilies, gedaan door een IC-arts werkzaam in het Erasmus MC?1
Het is mij bekend dat het Erasmus MC zich distantieert van de uitspraak van een IC-arts dat agressie bij hen op de IC vaker voorkomt bij migrantenfamilies.
Hoe kan het Erasmus MC zich distantiëren van een waarneming verricht door een arts? Is het management van het Erasmus MC misschien ook dagelijks aanwezig op de IC en neemt het management daar zelf iets heel anders waar?
Het is aan het Erasmus MC om zich al dan niet te distantiëren van uitspraken van medewerkers en daar eventueel verantwoording over af te leggen. Ik heb geen inzicht in de afwegingen die in dit specifieke geval gemaakt zijn.
Vindt u het wenselijk dat het management van een ziekenhuis zich «distantieert» van waarnemingen die artsen verrichten? Begint een analyse, onderzoek en waarheidsvinding niet bij het doen van waarnemingen? Wordt deze waarheidsvinding niet geweld aan gedaan als het management van een ziekenhuis zich gaat «distantiëren» van waarnemingen? Zorgt dat er immers niet logischerwijs voor dat artsen zich niet langer zomaar vrij durven uit te spreken over datgene wat ze op de werkvloer zelf met hun eigen ogen zien en meemaken? Brengt een dergelijke (angst)cultuur daarmee de patiëntveiligheid uiteindelijk niet in gevaar?
Het is aan het management van een ziekenhuis om zorgvuldige afwegingen te maken bij het zich al dan niet distantiëren van publiekelijke uitspraken van medewerkers. Daar hoort ook bij dat zij inschatten wat de consequenties daarvan zijn en dat zij eventuele negatieve effecten voorkomen.
Uw analyse dat het zich distantiëren van uitspraken er toe leidt dat de waarheidsvinding geweld wordt aangedaan omdat het er logischerwijs toe leidt dat artsen zich niet meer vrij durven uit te spreken, er een angstcultuur ontstaat en de patiëntveiligheid in gevaar komt deel ik dan ook niet.
Wat gaat u hieraan doen? Bent u bereid hierover met het Erasmus MC in gesprek te gaan? Bent u bereid aan het Erasmus MC te vragen waarom (en op welke gronden, zijn er aanwijzingen, is er ook maar enig bewijs dat de gewraakte waarneming feitelijk onjuist is) het management zich blijkbaar geroepen voelt zich publiekelijk «te distantiëren» van een waarneming die is verricht door een arts die werkt in het Erasmus MC?
Ik ga niet over de specifieke communicatiebesluiten van een zorginstelling. Het management van het Erasmus MC is bevoegd om het eigen communicatiebeleid in te richten.