Verheerlijking van grensoverschrijdende drugscriminaliteit en ondermijnende criminaliteit in Limburg |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat in Limburg drugscriminaliteit niet alleen toeneemt, maar zelfs openlijk wordt verheerlijkt, onder meer door het in brand steken van auto’s en het verspreiden van beelden daarvan op sociale media?1
Ik ben bekend met het bericht en deel de mening dat zware criminaliteit onacceptabel is en een ontwrichtend effect kan hebben op de samenleving als geheel en daarmee ook op jongeren.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat zware criminaliteit wordt gevierd en verheerlijkt en dat dit een ontwrichtend effect heeft op de samenleving en met name op jongeren?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u de signalen van de politie dat criminelen in grensregio’s steeds brutaler opereren en zich kennelijk onaantastbaar wanen?
Ik neem deze signalen zeer serieus. Daarom investeren we ook in de gezamenlijke aanpak van de politie, het Openbaar Ministerie, de Koninklijke Marechaussee, de douane en de gemeenten in de grensregio’s. Daarnaast is de intensieve samenwerking met België en Duitsland daarin belangrijk. Criminelen maken namelijk bewust gebruik van de voordelen van de grens, bijvoorbeeld door hun activiteiten te spreiden over Nederland, België en Duitsland, wat de opsporing bemoeilijkt. Dit is onacceptabel. Daarom is in Limburg op 9 februari jl. een intentieverklaring getekend tussen de Nederlandse, Belgische en Duitse politiediensten en de Koninklijke Marechaussee voor de verdere ontwikkeling van een gecoördineerde en toekomstbestendige Euregionale politieoperatie, om zo structureel samen te werken om de veiligheid in de Euregio te versterken.
Klopt het dat de samenwerking tussen Nederland, België en Duitsland nog steeds tekortschiet, waardoor criminelen bewust gebruikmaken van grenzen om opsporing te ontwijken en, zo ja, waarom is dit probleem nog altijd niet opgelost? Welke knelpunten zijn er?
Criminaliteit stopt niet bij landsgrenzen. Criminele netwerken maken bewust misbruik van de landsgrenzen, door de verschillen tussen Nederland, België en Duitsland in wetgeving, bevoegdheden en systemen te benutten. Op sommige vlakken hebben de grenzen namelijk een belemmerend effect op de samenwerking tussen de landen. Bijvoorbeeld in de opsporing. Hier heeft de grens voor de politie een vertragend effect, onder meer vanwege een verschil in regelgeving ten aanzien van het bewaren en delen van gegevens, rechtshulpverzoeken en beperktere mogelijkheden van de inzet van bijvoorbeeld taps. Belangrijke gegevens zijn zo niet direct toegankelijk, waardoor criminelen direct na een misdrijf een voorsprong hebben. Ook tijdens het verdere onderzoek zijn mogelijkheden beperkt doordat (vluchtige) data niet meer beschikbaar zijn of pas na langere tijd in het bezit komen van de onderzoekers.
Daarom treedt Nederland, juist in nauwe samenwerking met de grensregio’s en ook overkoepelend met de centrale regeringen in België en Duitsland, ferm op tegen criminele netwerken die bewust misbruik maken van de landsgrenzen. Onderdeel van de samenwerking bij het aanpakken en voorkomen van ondermijnende criminaliteit in de grensregio is de inzet van het Euregionaal Informatie en Expertisecentrum (EURIEC). Via het EURIEC wordt samengewerkt met België en Duitsland (deelstaat Noordrijn-Westfalen). Het EURIEC ondersteunt bij concrete casuïstiek met een internationale component. Het primaire doel is daarbij om te voorkomen dat criminelen, die aan de ene kant van de grens effectief worden geweerd om in de legale wereld zaken te doen, aan de andere kant van de grens ongestoord hun criminelen activiteiten kunnen voortzetten. Het EURIEC doet dat door nauwe samenwerking tussen de Nederlandse RIEC’s, de Belgische ARIEC’s (equivalent van de Nederlandse RIEC’s) en Duitse partners.
Verder staat ook de Nederlandse politie in nauw contact met hun Belgische en Duitse collega’s in de aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit. Met de buurlanden wordt intensief operationeel samengewerkt. Hiervoor bestaat onder andere het Benelux-politieverdrag, waarin is geregeld dat politiegegevens kunnen worden gedeeld en grensoverschrijdende bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend. Met Duitsland is de grensoverschrijdende politiesamenwerking geregeld in het Verdrag van Enschede uit 2005.
De operationele grensoverschrijdende politiesamenwerking vindt onder meer plaats door de inzet van grensoverschrijdende politieteams met Duitsland, gezamenlijke patrouilles en controles met België en in het Euregionaal politie-informatie-uitwisselingscentrum (EPICC). Regelmatig vindt op operationeel niveau overleg plaats in de zogenoemde burenoverleggen, een samenwerkingsformat tussen lokale politiechefs van grensregio’s.
Sneller informatie delen over grensoverschrijdende veiligheidsproblemen en gezamenlijk actie ondernemen is als ambitie opgenomen in het Benelux jaarplan van 2026. Dit jaarplan heeft als doel om grensbreed de effectiviteit van de politiesamenwerking tussen Nederland, België en Luxemburg verder te versterken.
Hoe kan het dat jongeren massaal betrokken raken bij en worden beïnvloed door deze georganiseerde criminaliteit en erkent u dat hier sprake is van een zorgwekkende normalisering van criminaliteit onder jongeren?
Elke jongere die geronseld wordt voor de georganiseerde criminaliteit is er één te veel. Met veruit de meeste jongeren in Nederland gaat het echter goed en uit de data blijkt dat de jeugdcriminaliteit de afgelopen twintig jaar stevig is gedaald. Er is dus geen sprake van normalisering van criminaliteit.
Feit is wel dat jeugdcriminaliteit zich momenteel concentreert onder een specifieke groep jongeren met een opeenstapeling van risicofactoren. Met name jongeren in kwetsbare posities komen soms in aanraking met negatieve rolmodellen die criminaliteit verheerlijken. Bij die jongeren in kwetsbare posities is het dan ook cruciaal om hen weerbaar te maken tegen de verleiding van de georganiseerde criminaliteit. Bijvoorbeeld via sociale media en muziek, door hen een beter toekomstperspectief te bieden.
Mede daarom zet ik met Keerpunt in op een veilig en laagdrempelig hulpplatform waar jongeren professionele hulp krijgen wanneer zij crimineel uitgebuit worden. Keerpunt is bedoeld voor jongeren die vastzitten in de criminaliteit, of hier kwetsbaar voor zijn en niet zelfstandig een uitweg weten te vinden. Om te voorkomen dat jongeren met criminaliteit in aanraking komen, daarin afglijden of doorgroeien zetten we in op kansrijke en bewezen effectieve interventies, zoals de gedragsinterventie «Alleen jij bepaalt wie je bent» (AJB). AJB is een effectief bewezen gedragsinterventie waarbij positieve rolmodellen en sport als middel worden ingezet om te voorkomen dat jongeren afglijden in de criminaliteit en is landelijk beschikbaar. Tenslotte zet ik met Preventie met Gezag in op het wegnemen van de voedingsbodem voor georganiseerde criminaliteit in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Dit doe ik door samen met gemeenten, justitie- en zorgpartners kansen te bieden aan jongeren die vatbaar zijn voor criminaliteit en tegelijkertijd grenzen te stellen aan crimineel gedrag. Bijvoorbeeld door de inzet van jongerenwerk. Jongerenwerkers hebben een goed beeld van de jongeren in hun wijk en kunnen problematisch gedrag van kwetsbare jongeren op school, straat of online vroegtijdig signaleren en snel doorverwijzen naar de juiste hulp.
Welke concrete maatregelen neemt u om het verheerlijken van criminaliteit, bijvoorbeeld via sociale media en muziek, tegen te gaan en acht u het nodig om hier harder tegen op te treden?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het feit dat verboden motorbendes zoals Hells Angels, Bandidos en Satudarah opnieuw aan invloed lijken te winnen doordat leden vrijkomen en opnieuw actief worden?
Eind 2025 is het WODC-onderzoek naar de precieze effecten van de civiele verboden op Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’s) in Nederland gepubliceerd tezamen met een beleidsreactie.2 Hieruit blijkt dat de invloed van OMG’s in de openbare ruimte sterk is afgenomen, vergeleken met de start van de OMG-aanpak in 2012. OMG-leden zijn over het algemeen minder zichtbaar geworden in het publieke domein en daarnaast zijn er de afgelopen jaren tientallen clubhuizen gesloten en clubgerelateerde evenementen voorkomen. Dit heeft verder bijgedragen aan de verminderde zichtbaarheid van (verboden) OMG’s.
Dat OMG’s als gevolg van de integrale aanpak en civiele verboden minder zichtbaar zijn in de openbare ruimte, is een resultaat dat we moeten vasthouden. In de beleidsreactie op het WODC-onderzoek is te lezen dat mijn ambtsvoorganger afspraken heeft gemaakt met partners uit het RIEC-LIEC samenwerkingsverband om zich te blijven inzetten op het handhaven van de civiele verboden van verboden motorclubs en op hun leden. Zij mogen immers geen vrijplaats worden geboden en zowel de overheid als de maatschappij moeten ten alle tijde weerbaar tegen hen zijn.
Tegelijkertijd krijg ik ook signalen dat OMG’s hier en daar actiever lijken te worden, en dit is een zorgelijke ontwikkeling. We houden deze motorbendes nauwlettend in de gaten en de lokale driehoek grijpt in waar dit kan. Daarnaast ontvang ik jaarlijks van de politie een fenomeenbeeld op dit thema, dat ook wordt verrijkt door de partners uit het RIEC-LIEC samenwerkingsverband, zodat we tijdig kunnen opschalen indien de situatie hierom vraagt. Dit onderwerp blijft dus onder mijn aandacht en over deze ontwikkeling blijf ik met de relevante partners in gesprek.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat criminelen in staat zijn om jongeren in te zetten en tegelijkertijd openlijk hun activiteiten te verheerlijken zonder dat daar zichtbaar hard tegen wordt opgetreden?
Het is onaanvaardbaar dat jongeren worden gerekruteerd door de georganiseerde criminaliteit, ook via sociale media, en ik deel de mening dat daar hard tegen moet worden opgetreden.
Welke concrete extra maatregelen gaat u nemen om de ondermijnende criminaliteit in Limburg hard aan te pakken en wat gaat er nu daadwerkelijk veranderen ten opzichte van de huidige aanpak?
Politie en justitie hebben de grensregio’s onder controle. Zoals eerder bij vraag 4 beschreven, wordt samen met België en Duitsland hard opgetreden tegen criminele samenwerkingsverbanden. Zo is de politie-eenheid Limburg bezig met het verkennen van een Euregionale Politiealliantie, waarvoor het op 9 februari jl. een intentieverklaring heeft getekend met hun politieburen in België en Duitsland. De ambitie van een dergelijke Euregionale Politiealliantie is om de duurzame en structurele samenwerking tussen de politiediensten in de Euregio te versterken. Daarmee houden politie en justitie nu en in de toekomst de grensregio’s onder controle.
Wat is er volgens u op dit moment nodig om ervoor te zorgen dat in grensregio’s als Limburg weer duidelijk wordt dat politie en justitie de controle hebben, in plaats van criminele netwerken die zich onaantastbaar wanen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen nog vóór het commissiedebat over criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit van donderdag 19 maart 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden daarbij kunnen worden betrokken?
Dat is helaas niet mogelijk gebleken.
Het bericht 'Odido-routers stuurden klantgegevens naar Amerikaans AI-bedrijf' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat telecomprovider Odido zonder medeweten van klanten MAC-adressen en apparaatnamen uit consumentenrouters heeft doorgestuurd naar een Amerikaans AI-bedrijf?1
Ja.
Kunt u toelichten in hoeverre MAC-adressen en apparaatnamen volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) als persoonsgegevens kunnen worden beschouwd?
Alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon kan een persoonsgegeven zijn (artikel 4, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, AVG). Ook een MAC-adres of een apparaatnaam kan als persoonsgegeven worden beschouwd.
Hoe beoordeelt u de privacyrisico’s van het verzamelen en delen van deze gegevens, omdat daarmee mogelijk ook huishoudens kunnen worden herkend of gevolgd?
Het is van belang dat persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die rechtmatig, behoorlijk en transparant is. Een verwerking is bijvoorbeeld rechtmatig, als er toestemming voor is gegeven, een gerechtvaardigd belang is of als de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst. Het is niet aan het kabinet binnen het stelsel van de AVG om in te gaan op individuele gevallen, maar in eerste instantie aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De taken en bevoegdheden om op te treden tegen overtredingen zijn vastgelegd in de AVG. De AP kan daartoe handhavend optreden, advies verstrekken en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. Zij toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze gegevens naar een Amerikaans AI-bedrijf zijn doorgestuurd?
Doorgifte van persoonsgegevens naar een bedrijf dat buiten de Europese Economische Ruimte (EER) is gevestigd is op grond van de AVG alleen toegestaan onder voorwaarden. Persoonsgegevens mogen alleen buiten de EER worden verwerkt in overeenstemming met de voorwaarden voor dergelijke doorgiften die zijn vastgelegd in hoofdstuk V van de AVG. Bijvoorbeeld als de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen of dat er door het bedrijf passende waarborgen zijn genomen. Of in deze casus wel of geen grondslag was voor het al dan niet delen van deze gegevens buiten de EER, evenals de vraag of de waarborgen van hoofdstuk V van de AVG in acht zijn genomen, is niet aan het kabinet om te beoordelen, maar aan de toezichthouder. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Deelt u de opvatting van de Autoriteit Persoonsgegevens dat MAC-adressen kunnen worden beschouwd als persoonsgegevens? Zo ja, welke eisen gelden voor het verzamelen en delen van deze gegevens door telecomproviders?
Ja. Zie het antwoord op vraag 2. De AVG geeft algemene regels voor de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders.
Welke risico’s ziet u voor de privacy en veiligheid van burgers wanneer grote hoeveelheden metadata over wifi-netwerken en apparaten worden verzameld en mogelijk gecombineerd met andere datasets?
Dat hangt af van de omstandigheden van het geval. Een risico dat volgt uit het niet naleven van de AVG is in ieder geval dat de betrokkenen hun rechten niet (volledig) kunnen uitoefenen. Denk hierbij aan het inzien, corrigeren, of verwijderen van hun eigen persoonsgegevens.
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken bij deze kwestie en wordt onderzocht of Odido de privacyregels heeft nageleefd?
De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido. Het is aan de AP om opheldering te vragen aan Odido.
Welke stappen verwacht u van Odido richting klanten, bijvoorbeeld om hen te informeren over welke gegevens zijn gedeeld en welke maatregelen worden genomen om dit in de toekomst te voorkomen?
Dit is niet aan het kabinet, maar in eerste instantie aan de AP. De AP toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. In zijn algemeenheid hangt het van meerdere factoren af. Onder andere de vraag of er een grondslag is voor het verwerken van deze gegevens en, indien er sprake is van doorgifte buiten de EER, of de waarborgen van de AVG in acht zijn genomen.
Ziet u aanleiding om strengere eisen te stellen aan telecomproviders die AI-diensten gebruiken, zodat gegevens van gebruikers beter worden beschermd en transparanter wordt omgegaan met dataverzameling?
Nee. De AVG geeft duidelijke regels voor de bescherming van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders. Ook de AI-verordening kent een duidelijke set van regels. Er is wel aanleiding om het gesprek te voeren met het veld, waaronder telecomaanbieders, over de bescherming van persoonsgegevens in de praktijk. Vervolgens zal dit betrokken worden bij het voornemen om de toepassing van de AVG in Nederland tegen het licht te houden.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voor 23 maart 2026 vanwege het wetgevingsoverleg over de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?
Dat is helaas niet gelukt.
Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers»?1
Ja.
Deelt u de mening dat met spoed onderzocht moet worden tot welke gegevens de hackers toegang hebben/hadden?
Ja, deze mening deel ik en dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd.
Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is op 29 januari jl. door Ivanti op de hoogte gesteld van kwetsbaarheden in Ivanti Endpoint Manager Mobile (EPMM) en doet technisch onderzoek2. Ivanti EPMM is een softwareplatform dat door verschillende organisaties wordt gebruikt om mobiele apparaten centraal te beheren en te beveiligen. Uw Kamer is op 27 februari 2026 geïnformeerd omtrent de organisaties die door de kwetsbaarheid in Ivanti EPMM zijn getroffen.3 De Justitiële ICT Organisatie (JIO), de IT-leverancier van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), heeft een extern expertisebureau de opdracht gegeven technisch/forensisch onderzoek uit te voeren. Waar nodig doen zij dit met specialistische adviespartijen.
De uitkomsten van de onderzoeken zijn nog niet bekend. Indien sprake is van relevante ontwikkelingen zal de Kamer worden geïnformeerd.
Hoe kan het dan zo zijn dat de u aangeeft dat het geen reden is om aan te nemen dat medewerkers onveilig zouden zijn, terwijl ook voormalig gevangenisdirecteur Klaas Brandsma aangeeft dat medewerkers van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) lopen extra risico op chantage en afpersing?
De informatie waar toegang tot is verkregen betreft persoonsgegevens van medewerkers zoals namen, emailadressen, telefoonnummers en locatiegegevens. In algemene zin geldt dat de aard van de werkzaamheden van DJI maakt dat medewerkers mogelijk een aanvullend risico lopen op chantage en afpersing indien dergelijke gegevens bij derden bekend raken. Vanwege dit risico vind ik het dan ook erg belangrijk dat waar nodig veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Dit alles heeft uiteraard impact op de medewerkers van DJI. DJI houdt samen met JIO alsmede met partners uit de keten nauwlettend in de gaten welke eventuele gevolgen de onbevoegde toegang heeft voor de DJI-medewerkers. Daaruit volgt dat er op dit moment geen signalen zijn dat er sprake is van eventuele gevolgen voor de veiligheid van de DJI medewerkers.
Op basis van de voorlopige uitkomsten van het forensisch onderzoek heeft het NCSC een handelingsperspectief opgesteld dat op 16 februari 2026 is gedeeld met DJI. DJI heeft hierop in samenwerking met JIO en NCSC direct maatregelen getroffen die zowel zien op de techniek als op de monitoring van (cyber)dreigingen. Daarover communiceert DJI periodiek naar alle medewerkers. Daarnaast heeft DJI de medewerkers voorzien van een handelingskader, waaronder een oproep tot extra alertheid en instructies hoe om te gaan locatiegegevens.
Zijn DJI-medewerkers van de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) ook getroffen?
Zoals in de beantwoording van vraag één is aangegeven, wordt er momenteel onderzoek gedaan naar de precieze omvang van de daadwerkelijke onbevoegde toegang tot devices die draaien op Ivanti. Vanuit het oogpunt van de veiligheid van de medewerkers kan ik niet verder ingaan op welke medewerkers dit onderzoek ziet. Uit voorzorg heeft DJI breed alle medewerkers van een handelingskader voorzien.
Bent u van mening dat het datalek mogelijk invloed kan hebben op behoud van het huidige personeel en de aanwerving van nieuw personeel? Welke maatregelen gaat u nemen om het getroffen personeel tegemoet te komen?
Ik ben me zeer bewust van welke impact deze situatie kan hebben op de medewerkers van DJI. De effecten hiervan op de werving van nieuw personeel zijn onvoorspelbaar. Dergelijke onbevoegd toegang tot systemen heeft impact op medewerkers, met name op hen die al werkzaam zijn voor DJI. Het kan tot vragen leiden over het uitvoeren van de werkzaamheden en mogelijk ook tot gevoelens van onzekerheid, met name over de veiligheid. Daarom is het van belang dat er maatregelen zijn genomen zoals het periodiek informeren van de medewerkers. Ten aanzien van de maatregelen verwijs ik u naar de beantwoording bij vraag drie.
Welke extra maatregelen gaat u nemen om dergelijke scenario’s in de toekomst te voorkomen?
De eerste prioriteit ligt bij de veiligheid van de medewerkers en het afronden van het onderzoek. Nadat het onderzoek is afgerond zal een evaluatie en oorzakenanalyse plaatsvinden om te komen tot potentiële verbeteringen.
Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van de onderzoeken die op dit moment lopen. Zoals bij de beantwoording van vraag drie is aangegeven houdt DJI samen met partners uit de keten nauwlettend in de gaten welke eventuele gevolgen de onbevoegde toegang heeft voor de DJI medewerkers. Indien nodig worden aanvullende maatregelen getroffen.
Het bericht ‘Leeuwarden kampt met drugsoverlast en dakloosheid. ‘We kunnen dit niet accepteren’’ |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Drugsoverlast en dakloosheid in Leeuwarden. «We kunnen dit niet accepteren»»1 in het Nederlands Dagblad van 2 maart 2026?
Ja.
Hoe verklaart u de toename van het drugsgebruik, specifiek in Leeuwarden? Valt deze toename te koppelen aan het niet effectief opsporen en invorderen van cocaïne in onze havens? Zo nee, waarom niet?
Leeuwarden heeft, net als veel grote steden in Nederland, te maken met (drugs)criminaliteit. In vergelijking met steden van vergelijkbare grootte scoort Leeuwarden niet beter of slechter. In algemene zin geldt dat rioolwatermetingen een waardevolle aanvulling kunnen zijn op andere onderzoeken naar drugsgebruik. Een lokale meting, zoals in Leeuwarden, biedt een indicatie van het gebruik van drugs in een bepaald onderzoeksgebied. De uitkomsten van rioolwatermetingen vereisen dan ook altijd een (lokale) kwalitatieve duiding. De toename kan het gevolg zijn van meer gebruik door een kleine groep gebruikers, hetzelfde gebruik door een grotere groep gebruikers of een hogere zuiverheid van de gebruikte drugs. Op basis van de huidige gegevens zie ik geen duidelijke trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken, maar wel een bevestiging dat blijvende inzet op preventie noodzakelijk is.
Onderzoekers Pieter Tops en Edward Van der Torre stellen in hun rapport «Leeuwarder Ondermijning» uit 2023 dat criminele netwerken actief zijn in de stad.2 Volgens hen zijn dit geen lokale, maar uit de Randstad afkomstige netwerken die in heel Nederland en ook in het buitenland actief zijn. Deze netwerken maken gebruik van de goede infrastructuur in Nederland, ook in Noord-Nederland. Daarnaast biedt het uitgestrekte, relatief dunbevolkte Friese platteland mogelijkheden om illegaal drugs te produceren en op te slaan. Net als in andere Nederlandse gemeenten maken slechte sociaaleconomische omstandigheden mensen kwetsbaar voor criminaliteit en uitbuiting. Doordat Leeuwarden een centrumgemeente is, bevindt zich hier een relatief groot aantal kwetsbare personen. Bovendien leeft een groot gedeelte van de inwoners van de stad rondom het sociaal minimum en is er sprake van generatiearmoede. Financiële problemen gaan vaak gepaard met schuldenproblematiek en een slechte gezondheid. Daarnaast heeft Leeuwarden een centrumfunctie voor het uitgaansleven in de regio. Dit kunnen verklaringen zijn voor een relatief hoger gebruik van drugs, met name in het weekend. Het laat ook zien dat de aanpak van drugscriminaliteit én het terugdringen van drugsgebruik kennis van de lokale situatie en een lokale aanpak vergt. Het drugsgebruik in Leeuwarden is met andere woorden niet direct en enkel te koppelen aan het opsporen en invorderen van cocaïne in onze havens.
Welke toename en trends ziet u in het gebruik van legale structuren door ondermijnende bendes, specifiek ingezet voor de drugshandel? Kunt u specifiek per onderdeel aangeven waarop deze vermoedens gebaseerd zijn en welke middelen daartegen momenteel ingezet worden?
Nederland heeft als handelsland internationaal een unieke positie als knooppunt in logistiek, transport, financiële dienstverlening en digitale infrastructuur, waarbij tussen (inter)nationale partners veel gegevens en goederen worden uitgewisseld. Criminelen maken hiervan misbruik voor hun drugshandel. Zo worden leegstaande schuren van boeren misbruikt voor de productie van drugs, wordt illegaal meegelift op transportlijnen en wordt vastgoed aangekocht voor criminele activiteiten of het witwassen van crimineel verdiend vermogen.
Als breder fundament onder de bestrijding van ondermijning door georganiseerde criminaliteit is het in ontwikkeling zijnde Dreigingsbeeld Ondermijning Nederland (DON) straks van grote waarde. Dit dreigingsbeeld richt zich op de ondermijnende effecten die het gevolg zijn van georganiseerde criminaliteit, welke systeemkwetsbaarden ondermijning in de hand werken, welke infrastructuren kwetsbaar zijn voor crimineel misbruik en brengt in beeld waar maatschappelijke schade optreedt. Daarmee geeft het DON ook inzicht welke publieke en private partijen voor de aanpak (nog meer) moeten worden gemobiliseerd. Om meer inzicht te krijgen in de aard en omvang van criminaliteit tegen het bedrijfsleven, is in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven (MCB) geherintroduceerd. Naar verwachting wordt eind dit jaar daarvan de eerste editie opgeleverd. Op basis van onder meer die informatie kunnen we de inzet tegen ondermijnende criminaliteit specifieker richten.
In de tussentijd zitten de partners en ik echter niet stil. Om criminele inmenging in legale economische sectoren en structuren tegen te gaan, wordt zowel specifiek als breder ingezet op het weerbaar maken van ondernemers tegen ondermijnende criminaliteit.
Binnen het mainportsprogramma wordt op de grote logistieke knooppunten, zoals de havens van Rotterdam, Vlissingen/Terneuzen, het Noordzeekanaalgebied, de luchthaven Schiphol en de bloemenveiling nauw samengewerkt tussen publieke en private organisaties om barrières op te werpen tegen georganiseerde criminaliteit en organisaties minder kwetsbaar te maken voor criminele inmenging en misbruik.
In de halfjaarbrief ondermijnende criminaliteit van 10 juni 20253 ben ik uitgebreid ingegaan op mijn aanpak voor een weerbare economie, en de aanpak van criminele geldstromen. De gezamenlijke inspanningen van de financiële sector en overheidspartners om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan, voorkomen dat de financiële sector misbruikt wordt door criminelen voor het uitvoeren van criminele transacties en het witwassen van criminele verdiensten. Binnen criminele geldstromen wordt het anti-witwasbeleid mede gebaseerd op het National Risk Asssessment Witwassen, dat witwasrisico’s identificeert. U bent over de voortgang van het witwasbeleid geïnformeerd door de Minister van Financiën, mede namens mij, in december vorig jaar.4
Omdat criminelen de opgeworpen barrières binnen de financiële sector proberen te omzeilen met een eigen systeem van ondergronds bankieren, ligt binnen de aanpak van criminele geldstromen ook nadrukkelijk focus op de aanpak van ondergronds bankieren, mede op basis van een WODC-onderzoek naar dit onderwerp5. Over de opvolging van dit onderzoek bent u op 2 februari door mijn voorganger, mede namens de Minister van Financiën, geïnformeerd.6 Op basis van de WODC-bevindingen en nadere gesprekken met partners zal ik mij bij de aanpak van ondergronds bankieren specifiek richten op het aanpakken van:
Ik zal de Kamer via de voortgangsbrieven over de nieuwe anti-witwasaanpak en ondermijning op de hoogte houden.
Meer algemeen wordt vanuit het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) publiek-privaat samengewerkt en uitvoering gegeven aan het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026.7 Zo zijn er in de agrarische sector vertrouwenspersonen aangesteld en loopt het project Veilig Buitengebied, worden in de transportsector actiedagen georganiseerd voor de preventieve en repressieve aanpak van criminele inmenging en is voor het tegengaan van crimineel gebruik van vastgoed de poortwachtersfunctie versterkt. Naast deze maatregelen zijn de Platforms Veilig Ondernemen (PVO’s) actief in alle regio’s om ondernemers bewust te maken van de risico’s die zij lopen en praktisch handelingsperspectief te bieden om hun personeel en bedrijfsvorming weerbaar te maken tegen criminele inmenging. Naar aanleiding van een eerdere motie van Lid Mutluer (GroenLinks-PvdA) is een handreiking kwetsbare branches opgesteld en het project Weerbare branches gestart vanuit MKB-Nederland, VNO-NCW en PVO-Nederland.8 Komend jaar wordt samen met publieke en private partners gewerkt aan het nieuwe Actieprogramma Veilig Ondernemen 2027–2030, waarin ook de resultaten van de MCB zullen worden meegenomen.
Welke extra landelijke middelen worden ter ondersteuning aangeboden aan gemeentes als Leeuwarden?
Het kabinet ondersteunt gemeenten bij de aanpak van drugsgebruik en de daarmee samenhangende criminaliteit binnen bestaande landelijke kaders. Het nationale beleid ten aanzien van drugsgebruik is landelijk uniform en richt zich op preventie, gezondheidsbescherming en het bieden van toegankelijke hulp aan mensen die problemen ervaren met middelengebruik. Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals hierbij ondersteunen. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport (VWS) het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, die een gemeente helpt bij het ontwikkelen van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid.
Voor de aanpak van ondermijnende, georganiseerde criminaliteit worden gemeenten verder onder andere ondersteund door het Landelijke Informatie en Expertisecentrum (LIEC), de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Het RIEC-Noord Nederland is actief in de regio Leeuwarden en biedt de gemeente ondersteuning bij analyse en advisering bij casuïstiek in de aanpak van ondermijning. Het RIEC/LIEC bestel wordt gefinancierd door de Rijksoverheid.
Leeuwarden neemt bovendien deel aan het landelijke programma Preventie met Gezag (PmG) van JenV. De gemeente heeft PmG gepositioneerd binnen het eigen programma Leeuwarden-Oost. Met PmG Leeuwarden-Oost werken preventieve en justitiële partners samen om jongeren/jongvolwassenen (8–27 jaar) uit de criminaliteit te halen en te houden. Dit wordt op verschillende manieren gedaan.
Jongeren op scholen in Leeuwarden-Oost worden weerbaarder tegen ondermijnende criminaliteit dankzij een geïntegreerd aanbod van Halt en Jongerenwerk. Daarnaast worden jongeren, indien nodig, individueel begeleid.
Ten slotte versterkt de gemeente Leeuwarden de samenwerking tussen de PmG-partners en het netwerk binnen Leeuwarden-Oost. Hierdoor weten professionals elkaar inmiddels goed te vinden en weten zij wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit bevordert efficiëntie en de benutting van verschillende expertises. Het meest belangrijk is dat dit de ondersteuning van jongeren ten goede komt.
Bent u het met de leden eens dat er een direct verband bestaat tussen normalisatie van softdrugs en de toename van het gebruik en de normalisatie van harddrugs?
Er is sprake van normalisering wanneer drugs goed beschikbaar zijn, veel jongeren ermee experimenteren, gebruik sociaal geaccepteerd wordt en zichtbaar is in popcultuur en het dagelijks leven. Uit recent onderzoek in Noord-Brabant9 blijkt dat vooral cannabisgebruik aan deze kenmerken voldoet; harddrugsgebruik niet. Hoewel het in dit onderzoek niet om landelijke gegevens gaat valt gezien de omvang van het onderzoek wel te verwachten dat het landelijke beeld er niet heel anders uit ziet. Uit de trends in drugsgebruik die al jaren worden bijgehouden in de Nationale Drug Monitor blijkt niet dat een toename van het gebruik van één middel automatisch leidt tot een toename van het gebruik van andere middelen. Zo zien we afgelopen jaren een lichte stijging in het XTC-gebruik, maar ook een daling in het lachgasgebruik, terwijl het cannabisgebruik relatief stabiel gelijk blijft. Zo bezien lijkt er geen verband te bestaan tussen het gebruik van softdrugs als cannabis enerzijds en het gebruik van harddrugs als XTC anderzijds. Waarschijnlijk spelen gedeelde onderliggende factoren – zoals genetische aanleg, psychologische kenmerken en sociale of omgevingsinvloeden – een belangrijker rol bij zowel softdrugs- als harddrugsgebruik.
Bent u het met de leden eens dat de normalisatie van harddrugs onwenselijk is en zeer schadelijke maatschappelijke gevolgen met zich meebrengt, in het bijzonder voor jongeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, daar is het kabinet het mee eens. Drugsgebruik past niet binnen een normale, gezonde leefstijl en brengt altijd gezondheidsrisico’s met zich mee. Daarnaast verdienen criminele netwerken veel geld aan het gebruik van drugs. Drugshandel is het dominante verdienmodel van deze criminele netwerken. Dit betekent omgekeerd dat drugsgebruik bijdraagt aan de instandhouding van een criminele industrie. Mede om deze redenen is normalisering van harddrugsgebruik onwenselijk.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om drugshandel van/door minderjarigen te bestrijden. Welke digitale opsporingsmiddelen is de Minister bereid daarvoor in te zetten?
Voor het eerste deel van de vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Voor de bestrijding van drugshandel kan de politie onder gezag van het Openbaar Ministerie (bijzondere) opsporingsbevoegdheden inzetten die zij wettelijk tot hun beschikking hebben. Er is een aantal mogelijkheden om onderzoek te doen naar online illegale activiteiten. Zo zijn er bij de politie (digitaal) rechercheurs die OSINT (open source intelligence)-onderzoeken kunnen doen op het internet. Zij verrichten onderzoek in publiek toegankelijke bronnen door het verzamelen en analyseren van informatie. Indien er geautomatiseerde werken en/of gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen na toestemming van het Openbaar Ministerie (OM), (digitaal) rechercheurs en data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren. Indien er sprake is van betalingen in virtuele valuta kan er ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel.
Verder kunnen politie en OM onder specifieke voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens vorderen bij aanbieders van communicatiediensten.
Ten aanzien van online illegale content kunnen toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en Politie, wanneer zij dergelijke inhoud tegenkomen, daarvan melding maken bij hostingsdiensten en online platforms. Dit is dezelfde mogelijkheid als die individuele personen hebben op grond van artikel 16, eerste lid, van de Digital Services Act (DSA). De DSA verplicht deze online aanbieders om illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij er kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. In Nederland is de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De Europese Commissie houdt primair toezicht op naleving van de DSA door zeer grote online platforms en zeer grote onlinezoekmachines.
Strafrechtelijk kan de officier van justitie in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken (artikel 125p Sv). In het geval aan aanbieder buiten Nederland is gevestigd, zal een bevel via een internationaal rechtshulpverzoek uitgevaardigd moeten worden.
Kunt u aangeven hoe u uitvoering geeft aan de eerdere landelijke ambitie om dakloosheid uiterlijk in 2030 sterk terug te dringen, en of deze doelstelling nog steeds geldt?
De doelstelling om uiterlijk in 2030 dakloosheid te beëindigen, geldt nog steeds. Met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (2023–2030) geeft het kabinet invulling aan die doelstelling. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport gaat, met de bestaande middelen die hier structureel voor zijn gereserveerd en in samenwerking met alle andere betrokken partijen, onverminderd aan de slag met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Wilt u deze vragen uiterlijk vrijdag 13 maart beantwoorden?
Ik heb hiernaar gestreefd, maar dat is helaas net niet gelukt.
Het bericht ‘Hackers persen Odido af na datalek en eisen een miljoen euro losgeld’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers persen Odido af na datalek en eisen een miljoen euro losgeld»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het verdienmodel van cybercriminelen voor een groot deel draait op het afpersen van slachtoffers, onder dreiging van het publiceren van gestolen data of het voor eeuwig versleutelen van systemen?
De modus operandi van cybercriminelen waarbij slachtoffers worden afgeperst onder dreiging van het publiceren van gestolen data of versleuteling is bekend.2
Vindt u dat het toegeven aan dit soort afpersing het verdienmodel van cybercriminelen in stand houdt? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot de bescherming van slachtoffers, die hun persoonlijke data in handen van criminelen zien verdwijnen als een getroffen organisatie niet betaalt?
Slachtoffer worden van ransomware en dit soort afpersing kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging is aan de getroffen organisatie, maar het dringende advies vanuit de overheid blijft: geen losgeld betalen. Het betalen van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen weer toegankelijk maken of gestolen data niet doorverkopen aan andere criminelen. Het uitbetalen van losgeld houdt bovendien het verdienmodel van criminelen in stand. En lokt daarmee mogelijk nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uit.
Er kan zich spanning voordoen tussen het belang van een individueel slachtoffer om op de korte termijn schade te beperken en het bredere maatschappelijke belang om het totaal aantal (potentiële) slachtoffers te verminderen en het verdienmodel van criminelen niet in stand te houden. Het is vooral belangrijk dat getroffen personen informatie krijgen over de risico’s die zij lopen en wat zij daartegen kunnen doen. Mensen die vermoeden dat ze slachtoffer zijn geworden van de diefstal van hun gegevens, kunnen op de site van de politie controleren3 of hun data in handen van criminelen is gevallen.
Klopt het dat het voor een getroffen organisatie logisch kan lijken om losgeld te betalen (op basis van de belofte van daders dat gestolen data niet gepubliceerd worden of versleutelde systemen worden vrijgegeven), maar dat dit de samenleving als geheel juist meer kan kosten, omdat het verdienmodel van cybercriminelen in stand gehouden wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier kan de samenleving volgens u dit dilemma oplossen?
Slachtoffer worden van dergelijke afperspraktijken kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting hun klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging ligt bij de getroffen organisatie, maar het dringende advies van de overheid blijft om geen losgeld te betalen. Betaling van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen herstellen, gestolen data verwijderen of ervan afzien deze openbaar te maken of door te verkopen aan andere criminelen. Daarnaast houdt het betalen van losgeld het verdienmodel van cybercriminelen in stand. De opbrengsten worden veelal ingezet voor verdere, geavanceerde cyberaanvallen, waarmee nieuwe slachtoffers worden gemaakt. Dit kan bovendien nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uitlokken.
Staat u nog steeds achter het advies van de overheid aan organisaties om geen losgeld aan hackers te betalen? Op welke expertkennis baseert u dat advies?
Ja, zie de antwoorden op de voorgaande vragen. Dit sluit aan bij het inzicht en advies van de politie en het OM.
Zou een verbod op het betalen van losgeld aan hackers de samenleving als geheel ten goede kunnen komen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Wat zijn volgens u de voor- en nadelen van een dergelijk verbod?
We willen organisaties die slachtoffer zijn geworden van een ransomware aanval niet criminaliseren. Er kan zich spanning voordoen tussen het belang van een individueel slachtoffer om op de korte termijn schade te beperken en het bredere maatschappelijke belang om het totaal aantal (potentiële) slachtoffers te verminderen en het verdienmodel van criminelen niet in stand te houden. Zolang die spanning niet eenduidig kan worden opgelost wordt – net als in de meeste EU landen – dringend geadviseerd om geen losgeld te betalen, in plaats van een wettelijk verbod. Daarnaast wordt ingezet op preventie, meldplichten bij toezichthouders en gerichte informatie aan individuen wier gegevens zijn getroffen.
Kan een verbod op het betalen van losgeld ook dienen als extra prikkel voor organisaties om extra werk te maken van cyberweerbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Het huidige wettelijke kader (Telecommunicatiewet, Wbni, de AVG en de aankomende Cyberbeveiligingswet) verplicht organisaties om serieus werk te maken van cyberweerbaarheid. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2 is daarbij het dringende advies om geen losgeld te betalen. Er kunnen situaties voorkomen waarbij toch een andere afweging wordt gemaakt door een organisatie. Om deze reden achten wij een volledig wettelijk verbod onwenselijk.
Welke extra prikkels en instrumenten kunt u inzetten om ervoor te zorgen dat organisaties te dwingen hun cyberweerbaarheid serieus te nemen? Denkt u dat boetes hier een effectief middel voor kunnen zijn? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het huidige wettelijke kader (Telecommunicatiewet, Wbni en AVG) biedt de nodige handhavende bevoegdheden om in te grijpen bij vastgestelde onregelmatigheden. Ingrijpen kan bijvoorbeeld door het bevestigen van normen, het geven van waarschuwingen, stilleggen van verwerkingen van persoonsgegevens of het opleggen van boetes. Onder de zorgplicht van de Telecommunicatiewet moeten organisaties passende technische en organisatorische maatregelen nemen om beveiligingsrisico’s te beheersen. Hieronder vallen ook risico’s met betrekking tot diensten zoals een klantsysteem. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur houdt toezicht op de Telecomwet en de Autoriteit Persoonsgegevens houdt toezicht op de AVG.
Daarnaast wordt met de aankomende implementatie van de Cyberbeveiligingswet (Cbw) een impuls gegeven aan de wettelijke verplichtingen voor essentiële en belangrijke entiteiten om maatregelen te nemen die bijdragen aan hun eigen cyberweerbaarheid. Ook is er sprake van een meldplicht bij significante incidenten. De verplichtingen uit de Cbw worden gehandhaafd door de bevoegde toezichthouders/autoriteiten. Organisaties worden onderworpen aan een beveiligingsscan en audit, en kunnen een aanwijzing, de verplichting tot het openbaar maken van een overtreding, een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete opgelegd krijgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
ja.
Het bericht ‘Odido-datalek erger dan gemeld, ook burgerservicenummers gelekt’. |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL waarin wordt gemeld dat bij telecomprovider Odido een grootschalig datalek heeft plaatsgevonden en dat hierbij, anders dan eerder door het bedrijf gecommuniceerd, ook burgerservicenummers (BSN) zijn gelekt?1
Ja
Hoe beoordeelt u de ernst van het incident, in het bijzonder het lekken van BSN, vanuit het perspectief van de bescherming van fundamentele rechten van burgers en hoe ingrijpend beoordeelt u de impact op burgers?
De schaal van dit datalek, de hoeveelheid getroffen burgers en de soms gevoelige aard van de gelekte gegevens maken dit tot een bijzondere situatie. Het maakt duidelijk dat datalekken grote gevolgen kunnen hebben. Zonder iets te willen of kunnen zeggen over de oorzaken van het onderhavige datalek, maakt dit in meer algemene zin duidelijk dat een goede beveiliging van persoonsgegevens zoals vereist in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) pure noodzaak is en een cruciaal onderdeel van de bedrijfsprocessen moet zijn. De gevraagde beoordeling van dit datalek is uiteindelijk aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als onafhankelijke toezichthouders. Daarnaast doet de politie onder leiding van het Landelijk Parket een strafrechtelijk onderzoek naar de aanval en de daders.
De gelekte gegevens waaronder ook het BSN zijn niet direct bruikbaar voor fraudeurs om zelfstandig fraude op naam van gedupeerden te plegen. Criminelen gebruiken de gegevens vooral om phishingaanvallen uit te voeren en gedupeerden te verleiden om op een link te klikken of nog meer gegevens prijs te geven.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties adviseert niet om paspoorten of identiteitskaarten te vernieuwen. Er zijn alleen paspoortnummers gelekt. Alleen met die informatie kunnen criminelen niet zelfstandig fraude plegen. Zij kunnen die informatie echter wel gebruiken voor bijvoorbeeld gerichte phishingaanvallen. Met behulp van de gestolen informatie proberen ze dan om zo betrouwbaar mogelijk te lijken en in te spelen op het gevoel van burgers met als doel om meer informatie te ontfutselen of burgers te verleiden op een link, button of QR-code te klikken.
In hoeverre acht u daarbij het recht op privacy en gegevensbescherming geschonden, nu (oud-)klanten van Odido buiten hun eigen schuld risico lopen op misbruik van hun persoonsgegevens?
In algemene zin is een datalek een inbreuk in verband met het recht op persoonsgegevens. Of, en zo ja in hoeverre, de privacy en het recht op gegevensbescherming van betrokken in deze concrete zaak zijn geschonden, is niet aan het kabinet om te beoordelen. Dit is aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als toezichthouders of in voorkomende gevallen aan de rechter om te beoordelen.
Hoe beoordeelt u het advies aan Odido om geen losgeld te betalen, gelet op de huidige situatie waarin de hackersgroep Shinyhunters is overgegaan tot publicatie van gestolen persoonsgegevens, met mogelijke ernstige gevolgen voor de (oud-)klanten van Odido?2
Het besluit van Odido om geen losgeld te betalen sluit aan bij de visie van het kabinet. Slachtoffer worden van dergelijke afperspraktijken kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting hun klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging ligt bij de getroffen organisatie, maar het dringende advies van de overheid blijft om geen losgeld te betalen. Betaling van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen herstellen, gestolen data verwijderen of ervan afzien deze openbaar te maken of door te verkopen aan andere criminelen. Daarnaast houdt het betalen van losgeld het verdienmodel van cybercriminelen in stand. De opbrengsten worden veelal ingezet voor verdere, geavanceerde cyberaanvallen, waarmee nieuwe slachtoffers worden gemaakt. Dit kan bovendien nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uitlokken.
Kunt u aangeven welke opsporingsprioriteit wordt gegeven aan het strafrechtelijk onderzoek dat is gestart door het Openbaar Ministerie en ligt daarbij ook een rol voor de digitale recherche?
Het OM gaat over de opsporingsprioriteit. De politie is onder gezag van het Openbaar Ministerie een opsporingsonderzoek gestart. Een team van het Team High Tech Crime, dat gespecialiseerd is in dit soort cybercriminaliteit, doet onderzoek naar het incident.
Welke rol ziet u bij het ondersteunen en informeren van burgers van wie persoonsgegevens door cybercriminelen zijn gepubliceerd en acht u het huidige instrumentarium hiervoor toereikend?
De overheid geeft praktische tips om de digitale weerbaarheid van burgers te vergroten. Zo hebben burgers de mogelijkheid om websites zoals veiliginternetten.nl en die van het NCSC te raadplegen waar veel informatie en adviezen worden gegeven over hoe ze zich online kunnen beschermen en over de basisprincipes van digitale weerbaarheid. Via Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) kan er melding worden gedaan van fraude, hier is ook een specifieke pagina over de Odido hack. Daarnaast zal het kabinet met een reactie komen in lijn met de gedane toezegging door de Staatssecretaris van Economische Zaken – digitale economie en soevereiniteit en de aangenomen motie van het lid Rajokowski die opriep tot een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken.3
Ziet u aanleiding om het strafrechtelijk kader of de opsporingscapaciteit op het terrein van hacks en digitale afpersing te versterken, bijvoorbeeld door intensivering van de digitale recherche van de politie of door aanpassing van wet- en regelgeving?
Door het Ministerie van Justitie en Veiligheid worden met de politie en het OM worden gesprekken gevoerd over wat er nodig is om de aanpak van online criminaliteit een stap verder te brengen, daarin zullen de recente incidenten zoals de hacks bij Clinical Diagnostics en Odido worden meegenomen.
In het coalitieakkoord is verder aangekondigd dat de strafmaxima voor zware cyberdelicten zullen worden verhoogd. Bij de nadere beleidsuitwerking hiervan zal ook aandacht worden besteed aan deze recente incidenten.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voorafgaand aan de behandeling van de Cyberbeveiligingswet?
Dit is helaas niet gelukt.
De beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam ter zake een advocaat die verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Raad van Discipline van 19 januari 2026?1
Ja.
Hoe vaak is sinds de totstandkoming van artikel 60ab van de Advocatenwet een schorsing uitgesproken en hoe vaak is een voorlopige voorziening toegewezen zoals is gebeurd op 19 januari 2026?
Ter beantwoording van deze vraag heb ik, via de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA), gegevens opgevraagd bij de Stichting Ondersteuning Tuchtcolleges Advocatuur.
Sinds de inwerkingtreding van het huidig artikel 60ab Advocatenwet zijn er in totaal bij de verschillende Raden van discipline 32 zaken geweest waarbij een verzoek op grond van artikel 60ab Advocatenwet, dan wel een verzoek op grond van artikelen 60ab én 60b Advocatenwet, is toegewezen. In 18 van deze 32 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd, in 10 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en is een voorlopige voorziening getroffen en in 4 zaken is enkel een voorlopige voorziening getroffen.
Sinds de inwerkingtreding van het huidig artikel 60ab Advocatenwet zijn er bij het Hof van discipline 4 zaken geweest waarbij een verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet is toegewezen. In 3 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en in 1 zaak om een ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en is een voorlopige voorziening getroffen.
Wat vindt u ervan dat een advocaat tegen wie een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit bestaat, namelijk deelname aan een criminele organisatie, werkzaamheden als advocaat kan verrichten terwijl de strafzaak nog loopt?
In de zaak waar naar wordt gevraagd is een onafhankelijke tuchtrechter tot het oordeel gekomen dat de schorsing van de advocaat in de uitoefening van zijn advocatenpraktijk op grond van artikel 60ab, eerste lid, Advocatenwet niet langer kan worden gerechtvaardigd en is in de zaak een voorlopige voorziening getroffen. Als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid laat ik mij niet uit over individuele zaken.
In het algemeen kan ik zeggen dat voor iedereen in Nederland die verdacht wordt van het begaan van een strafbaar feit, geldt dat diegene onschuldig wordt geacht totdat het tegendeel is bewezen.
Voorts wijs ik uw Kamer erop dat er verschillende maatregelen zijn getroffen om voortgezet crimineel handelen in detentie tegen te gaan en advocaten te beschermen. Uw kamer is op 23 januari 2026 geïnformeerd over de voortgang hieromtrent.2
Wat vindt u ervan dat een advocaat die verdacht wordt van het doorgeven van boodschappen vanuit de Extra Beveiligde Inrichting zijn werkzaamheden als advocaat weer kan hervatten en dus ook gebruik kan maken van de bescherming die een advocaat geniet?
Ik laat mij niet uit over individuele zaken. In zijn algemeenheid merk ik op dat voor iedere verdachte in Nederland de onschuldpresumptie geldt. Alle advocaten in Nederland hebben bepaalde plichten, maar ook rechten, zoals het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht beschermt de vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt en is van belang voor een goede uitoefening van het beroep advocaat.
Hoe kan een advocaat die verdacht wordt van een zeer ernstig strafbaar feit volgens u voldoen aan alle kernwaarden die gelden voor de advocatuur?
Zoals in de antwoorden hierboven is gezegd, laat ik mij niet uit over individuele zaken. In het algemeen kan ik zeggen dat alle advocaten in Nederland de kernwaarden als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, Advocatenwet in acht moeten nemen. De lokale deken houdt in zijn arrondissement onder meer toezicht op de naleving van de verplichtingen op grond van de Advocatenwet. Op grond van artikel 46 Advocatenwet zijn alle advocaten aan tuchtrechtspraak onderworpen onder meer voor het handelen in strijd met de in dat artikel omschreven betamelijkheidsnorm en de Advocatenwet. De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan artikel 46 Advocatenwet. Zoals hierboven ook genoemd, wordt iedere verdachte in Nederland onschuldig geacht totdat het tegendeel is bewezen.
Kunt u toelichten of er op een andere manier wordt beslist op een verzoek tot opheffing van een schorsing ex artikel 60ab van de Advocatenwet na de voorziene wijziging van de Advocatenwet waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur wordt geïntroduceerd?
In het conceptwetsvoorstel waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur (OTA) wordt geïntroduceerd, is voorzien dat de OTA de bevoegdheid krijgt om, op grond van de artikelen 60ab, 60b en 60c Advocatenwet, diverse ordemaatregelen te verzoeken aan de tuchtrechter. Ik kan niet zeggen of deze voorziene wijziging zal leiden tot een andere manier van beslissen door de tuchtrechter op verzoeken op grond van artikel 60abAdvocatenwet. Het is aan de tuchtrechter om elke zaak op zijn eigen merites te beoordelen.
Het bericht 'Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Becking , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat een dergelijk groot aandeel jongeren in deze regio’s in aanraking komt met georganiseerde criminaliteit?
Ja, het rekruteren van jongeren voor de georganiseerde criminaliteit is een ernstige zaak. De bestrijding hiervan neem ik zeer serieus.
Hoe duidt u deze cijfers specifiek voor Groningen en Drenthe, mede in het licht van de bredere aanpak van ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland?
De provincies Groningen en Drenthe worden, net als andere regio’s in Nederland, geconfronteerd met ondermijnende criminaliteit. De cijfers onderstrepen het belang van de strijd die het kabinet voert tegen ondermijnende criminaliteit in heel het land.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maakt met de Landelijke jeugdmonitor2 per gemeente inzichtelijk hoeveel jongeren in aanraking komen met criminaliteit. Deze monitor laat zien dat het aandeel jeugdige verdachten (12–23 jaar) erg verschilt per gemeente. Uit de data blijkt dat in de gemeente Groningen het aantal verdachte jongeren vergelijkbaar is met de Randstad. In Drenthe is het aantal verdachte jongeren gemiddeld ten opzichte van andere delen van Nederland (Landelijke jeugdmonitor 2025). Uit een vergelijkende analyse van het dashboard «Zicht op ondermijning»3 blijkt dat respectievelijk 55% en 63% van alle gemeenten in Nederland hoger scoren op het gebied van jonge aanwas dan de gemeenten in Groningen en Drenthe (data uit 2023).
Beschikt u over vergelijkbare regionale cijfers voor andere delen van Nederland, en hoe verhouden de signalen uit Groningen en Drenthe zich tot de rest van het land?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verklaart u dat juist in Groningen en Drenthe dergelijke hoge percentages worden gemeten, en ziet u hier specifieke regionale risicofactoren, zoals beperkte handhavingscapaciteit en een ontstaan waterbedeffect voor ondermijnende criminaliteit in die regio’s?
Specifiek in Noord-Groningen zijn de percentages jeugdige verdachten iets hoger dan in de meeste andere gebieden in Nederland. Mogelijke oorzaken zijn de aantrekkingskracht van een omvangrijk buitengebied met enkele zeehavens, een luchthaven en een goede ontsluiting over weg, water en spoor, ook richting Duitsland en de Scandinavische landen. Er is op basis van de beschikbare data geen relatie te leggen met de beschikbare handhavingscapaciteit. Ook duiden de beschikbare data niet op een waterbedeffect.
Kunt u aangeven welke concrete resultaten de huidige landelijke aanpak van jeugdige betrokkenheid bij ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland de afgelopen drie jaar heeft opgeleverd?
De gemeenten Groningen en Leeuwarden nemen deel aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en Preventie met Gezag. De inzet van Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. Binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid wordt gewerkt aan problemen op het gebied van onderwijs, armoede, gezondheid, wonen en veiligheid.
Tussen 2018 en 2024 verbeterde de leefbaarheid in de NPLV-gebieden iets sterker dan landelijk. Hierbij gaat het om verbeteringen in de fysieke omgeving, woningvoorraad, voorzieningen, sociale samenhang, overlast en onveiligheid. De bereikte resultaten zijn beschreven in de voortgangsrapportage van het NPLV4.
In hoeverre maakt de preventie van jeugdige betrokkenheid bij georganiseerde en ondermijnende criminaliteit expliciet onderdeel uit van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid in Groningen en welke concrete resultaten zijn tot dusver bereikt in de betrokken gebieden?
Zie antwoord vraag 6.
Acht u de politiecapaciteit, preventieve inzet en ketensamenwerking tussen gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Groningen en Drenthe toereikend om ronselpraktijken onder jongeren tijdig te signaleren en effectief tegen te gaan? Hoe is de rolverdeling binnen deze samenwerking vormgegeven, hoe wordt deze gemonitord, en waarop baseert u uw oordeel over de effectiviteit daarvan?
De gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Noord-Nederland werken er hard aan om ervoor te zorgen dat ronselpraktijken onder jongeren tijdig en effectief gesignaleerd worden. Zo wordt binnen de Drentse aanpak Ondermijning, de Regionale aanpak Ondermijning en binnen het RIEC Noord-Nederland aandacht besteed aan de aanpak rondom uitbuiting van jongeren. Het Openbaar Ministerie probeert daarbij de verbinding te versterken in de aanpak van jeugdgroepen. Bijvoorbeeld op gemeenteniveau, maar ook richting de verschillende basisteams van de politie over de districten heen.
In de gemeenten die deelnemen aan Preventie met Gezag wordt de inzet van politie en OM geïntensiveerd. In Groningen betekent dit dat er vanuit het OM extra capaciteit wordt ingezet en dat er prioriteit wordt gegeven aan de betreffende zaken. De politie traint de medewerkers op onderwerpen als drugs, preventie en ondermijning.
Het CBS levert jaarlijks een update van de monitor op de criminaliteitsdata in de wijken. Deze resultaten worden jaarlijks beknopt gerapporteerd in de voortgangsrapportage aanpak ondermijnende criminaliteit5.
Welke preventieve programma’s zijn in Groningen en Drenthe beschikbaar om jongeren weerbaarder te maken tegen criminele uitbuiting, en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Naast het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en de aanpak Preventie met Gezag maken de provincies Groningen en Drenthe ook gebruik van gelden uit de Regiodeals. De Regiodeal Eemsdelta richt zich onder meer op het voorkomen van jeugdcriminaliteit, het realiseren van weerbare dorpen en op meer samenwerking tussen gemeenten, scholen, politie en welzijn. Met de impuls van de Regiodeals worden de regio’s krachtiger gemaakt doordat de samenwerking tussen overheden en organisaties in de regio’s wordt versterkt.
Samen met de wetenschap wordt de effectiviteit van interventies onderzocht, waarbij landelijke trends in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek in beeld worden gebracht. De resultaten worden beschreven in de jaarlijkse voortgangsrapportages NPLV, Preventie met Gezag en de voortgangsrapportages van de regiodeals.
Op welke wijze vindt afstemming plaats met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de rol van scholen in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid van leerlingen bij georganiseerde criminaliteit?
Scholen hebben ook een rol in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid bij (georganiseerde) criminaliteit, maar scholen kunnen dit niet alleen. Zij werken daarin intensief samen met onder meer de politie en het jeugdwerk. Om dat te stimuleren werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid nauw samen met andere departementen, waaronder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bijvoorbeeld binnen het programma Preventie met Gezag. Veel gemeenten zetten binnen dit programma in op het versterken van een veilig leerklimaat. Al tien gemeenten hebben in het kader van Preventie met Gezag veiligheidsconvenanten afgesloten met in totaal 113 verschillende po-, vo- en mbo-scholen zodat politie, jeugdwerk en leerplicht nauw samenwerken om jongeren in beeld te hebben en te begeleiden.
Verder hebben scholen zelf ook een zorgplicht voor de veiligheid op school. Met het Wetsvoorstel «vrij en veilig onderwijs» scherpt het kabinet die zorgplicht aan. Het doel is dat scholen beter zicht krijgen op de veiligheid op school, betere begeleiding bieden bij onveiligheid, bijvoorbeeld door de aanstelling van een vertrouwenspersoon, en hun veiligheidsbeleid jaarlijks evalueren.
Bent u bereid te onderzoeken of scholen in Groningen en Drenthe extra ondersteuning nodig hebben bij burgerschapsvorming, digitale weerbaarheid en het herkennen van signalen van crimineel ronselen?
De gemeenten en scholen in Noord-Nederland hebben een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om (het voorkomen van) jeugdproblematiek. Daarbij krijgen zij goede ondersteuning en ligt er reeds een regionale aanpak voor Noord-Nederland. Wat het kabinet betreft is een nieuwe aanpak of aanvullende ondersteuning niet noodzakelijk.
Zo krijgt Stichting School & Veiligheid een subsidie om scholen te ondersteunen bij het werken aan een veilig schoolklimaat, bijvoorbeeld met ondersteuning op het gebied van samenwerking tussen onderwijs, politie en gemeente en op het gebied van gegevensdeling. Ook kunnen scholen individueel ondersteuning krijgen via het adviespunt van Stichting School & Veiligheid.
Vanuit het netwerk School & Veiligheid binnen de aanpak Preventie met Gezag wisselen gemeenten en scholen ervaringen met elkaar uit. Daarnaast is er het Expertisepunt Burgerschap, waar scholen terecht kunnen voor actuele informatie, tips en inspiratie over het vormgeven van burgerschapsonderwijs. De bovengenoemde ondersteuning is gratis en toegankelijk voor alle scholen in Nederland. Tot slot moedigt het kabinet scholen aan om alvast aan de slag te gaan met de geactualiseerde kerndoelen met specifiek aandacht voor digitale geletterdheid en mediawijsheid wordt besteed.
De gemeenten Groningen en Leeuwarden werken met ondersteuning vanuit Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid aan een geconcentreerde en intensieve aanpak ter voorkoming van jeugdcriminaliteit en een verbeterde leefomgeving. Het RIEC Noord-Nederland heeft met ondersteuning vanuit mijn ministerie een aanpak voor jonge aanwas ontwikkeld. Voor versterking van de regio maakt Noord-Nederland gebruik van Regiodeals. Hierdoor is er voldoende ondersteuning aanwezig.
Bent u bereid om te bezien of voor Noord-Nederland een gerichte, integrale en regionaal toegesneden aanpak nodig is waarin veiligheid, onderwijs en preventie nadrukkelijk worden verbonden, en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht ‘Hack bij Odido, gegevens miljoenen klanten in handen van criminelen’ |
|
Jan Schoonis (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
van Marum , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over de cyberaanval bij Odido waarbij gegevens van circa 6,2 miljoen accounts zijn buitgemaakt door criminelen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de omvang en ernst van dit datalek, mede gezien het feit dat ook gevoelige persoonsgegevens, zoals identiteitsdocumentnummers en rekeningnummers, mogelijk zijn gelekt?
De schaal van dit datalek, de hoeveelheid getroffen burgers en de soms gevoelige aard van de gelekte persoonsgegevens maken dit tot een bijzondere situatie. Het maakt duidelijk dat datalekken grote gevolgen kunnen hebben. Zonder iets te willen of kunnen zeggen over de oorzaken van het onderhavige datalek, maakt dit in meer algemene zin duidelijk dat een goede bescherming van persoonsgegevens zoals onder meer vereist in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) noodzakelijk is en een integraal onderdeel moet zijn van primaire bedrijfsprocessen. De gevraagde beoordeling van dit datalek is uiteindelijk aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als onafhankelijke toezichthouders. Daarnaast doet de politie onder leiding van het Landelijk Parket onderzoek naar de aanval en de daders.
In hoeverre heeft deze cyberaanval gevolgen voor de digitale veiligheid en weerbaarheid van Nederland, gezien de maatschappelijke rol van telecomproviders?
De AP heeft laten weten geen informatie te verstrekken over individuele zaken. In zijn algemeenheid houdt de AP bij omvangrijke datalekken onder meer toezicht op de naleving van de meldplicht datalekken en onderzoekt daarbij ook de beveiliging ten tijde van het lek en genomen vervolgstappen. Maar ook andere aspecten die specifiek zijn voor de datalekzaak kunnen door de AP worden onderzocht. Daarbij wordt ook rekening gehouden met signalen uit openbare bronnen en signalen uit klachten die de AP heeft ontvangen.
De AP beschikt over voldoende handhavende bevoegdheden vanuit de AVG om in te grijpen wanneer een (voorgenomen) verwerking van persoonsgegevens niet rechtmatig, behoorlijk en/of transparant plaatsvindt. Bijvoorbeeld door het bevestigen van normen, het geven van waarschuwingen, stilleggen van verwerkingen of het opleggen van boetes.
Hoe beoordeelt u het risico dat de bij Odido gestolen persoonsgegevens in de toekomst alsnog openbaar worden gemaakt, en welke gevolgen kan dit hebben voor de veiligheid en privacy van betrokken burgers?
De bij Odido gestolen persoonsgegevens zijn inmiddels gepubliceerd.2 In algemene zin geldt dat een dergelijke grootschalige publicatie in ieder geval het risico verhoogt op diverse vormen van oplichting en fraude zoals gerichte phishing en social engineering. Onder andere Odido, Veiliginternetten.nl, de politie en de AP communiceren naar aanleiding van het datalek actief waarvoor gestolen gegevens kunnen worden misbruikt en geven tips om gevolgen van het datalek zoveel mogelijk tegen te gaan.3
Heeft Odido het datalek tijdig gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens en andere relevante instanties, en bent u op de hoogte van eventuele lopende onderzoeken?
De AP heeft laten weten dat Odido het datalek tijdig heeft gemeld bij de AP. Odido geeft aan daarnaast proactief relevante overheidsinstanties, waaronder de RDI, te hebben geïnformeerd. De RDI is op basis van de verkregen informatie mogelijke vervolgstappen aan het onderzoeken. De AP meldt op haar website dat zij aanleiding ziet om tot formeel onderzoek over te gaan.4
Is er volgens uw inschatting sprake van nalatigheid of onvoldoende naleving van de Europese privacy- en beveiligingsverplichtingen, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), door Odido?
Het is niet aan het kabinet om dit te beoordelen. Dit is in eerste instantie aan de AP. De taken en bevoegdheden om op te treden tegen overtredingen zijn vastgelegd in de AVG. De AP kan daartoe handhaven, advies verstrekken, samenwerken met andere toezichthoudende autoriteiten en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. De AP toetst daarnaast of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels.
Welke risico’s lopen getroffen klanten en acht u de door Odido genomen maatregelen voldoende om deze risico’s te beperken?
Zie het antwoord op de vraag 4. De vraag of Odido voldoende maatregelen heeft genomen om te voldoen aan de zorgplicht uit de Telecommunicatiewet en de AVG is aan de toezichthouders om te beoordelen.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan telecomproviders ten aanzien van cyberbeveiliging en gegevensbescherming en voldoen deze volgens u nog aan de huidige dreigingscontext?
Het toepasselijke normenkader stelt de strikte vereisten die noodzakelijk zijn voor een goede bescherming in een steeds veranderende dreigingscontext. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 valt Odido onder de zorgplicht van de Telecommunicatiewet. Onder de zorgplicht dienen aanbieders passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om risico’s voor de beveiliging van hun netwerken of diensten te beheersen. Dit moet zorgen voor een veiligheidsniveau dat is afgestemd op risico's die zich voordoen. De RDI ziet toe op de naleving van de vereisten van deze zorgplicht.
Daarnaast zijn telecomproviders gebonden aan de AVG, waaronder de beginselen van behoorlijke gegevensverwerking. Het beginsel van dataminimalisatie houdt bijvoorbeeld in dat organisaties alleen persoonsgegevens mogen verzamelen en verwerken die strikt noodzakelijk zijn voor een vooraf bepaald, specifiek doel. Op verwerkingsverantwoordelijken rust daarnaast de verplichting om passende technische en organisatorische maatregelen te treffen om persoonsgegevens te beveiligen. Deze beveiligingsmaatregelen dienen een op de risico’s voor de rechten en vrijheden van personen afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen en rekening te houden met de stand van de techniek, alsook met de aard, omvang, context en doeleinden van de verwerking. Het waarborgen van passend bewustzijn van de beveiligingsrisico's bij personen die toegang hebben tot de te verwerken gegevens is daarbij van belang. Verwerkingsverantwoordelijken dienen hun beveiligingsmaatregelen doorlopend te evalueren en zo nodig aan te passen aan nieuwe risico’s, waaronder nieuwe cyberdreigingen. Op grond van de AVG fungeert de Functionaris gegevensbescherming (FG) als onafhankelijk adviseur en ziet toe op de naleving van het gegevensbeschermingsrecht waaronder de te nemen maatregelen.
Het Nationaal Cyber Security Centrum staat rond actuele kwetsbaarheden en cyberdreigingen in nauw contact met partners binnen de telecomsector en werkt onder meer samen via het telecomgerichte Information Sharing and Analysis Center (ISAC).
EZK werkt samen met de telecomoperators in het Nationaal Continuïteit Overleg Telecom (NCOT) om gezamenlijk aan de continuïteit van de telecomdienstverlening te werken in het kader van de huidige dreiging.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen of toezichtmaatregelen te treffen richting telecomproviders om grootschalige datalekken te voorkomen?
Op dit moment ziet de Staatssecretaris van Economische Zaken geen aanleiding om aanvullende eisen te stellen richting telecomproviders om grootschalige datalekken te voorkomen. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 8 zijn onder de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Telecomwet en de AVG, organisaties zelf verantwoordelijk voor het nemen van passende maatregelen om, mede gelet op de huidige dreigingscontext, (grootschalige) datalekken te voorkomen. Het is aan de toezichthouders om daarop toe te zien en in dit verband de nodige toezichtmaatregelen te treffen. Dit is niet aan mij als bewindspersoon.
Welke rol ziet u voor de overheid bij het ondersteunen van bedrijven en burgers bij het beperken van schade na grootschalige datalekken?
De AP ziet als onafhankelijke toezichthouder toe op de naleving van de AVG en kan handhavend optreden wanneer organisaties tekortschieten. Daarnaast heeft de toezichthouder een belangrijke rol in voorlichting. Door het geven van uitleg, richtsnoeren en praktische handvatten ondersteunt de toezichthouder organisaties en burgers bij de toepassing van de AVG en het uitoefenen van hun rechten.
Ook Veiliginternetten.nl geeft adviezen in deze casus. Dit is een publiek-private website om neutrale informatie over digitale veiligheid te verstrekken aan burgers. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) deelt via openbare kanalen diverse adviezen en richtlijnen over cybersecurity, zoals beveiligingsadviezen, dreigingsinformatie en maatregelen om digitale incidenten te voorkomen of te beperken. Het Ministerie van EZK verstrekt jaarlijks via Mijn Cyberweerbare Zaak subsidie aan kleinere mkb’ers ter versterking van hun digitale weerbaarheid.
Mensen die vermoeden dat ze slachtoffer zijn geworden van diefstal van hun gegevens kunnen op de site van de politie controleren of hun data in handen is gevallen van criminelen.
Acht u de oproep van Odido aan klanten om «extra alert» te zijn voldoende, of ziet u een verantwoordelijkheid voor aanvullende beschermingsmaatregelen richting getroffen klanten?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 8, stelt het toepasselijke normenkader, in het bijzonder de AVG, de nodige strikte vereisten. De AP ziet toe op de naleving van dat kader.
Bestaan er landelijke richtlijnen of protocollen voor ondersteuning van burgers die slachtoffer zijn van grootschalige datalekken waarbij identiteitsgegevens zijn buitgemaakt? Zo ja, worden deze in dit geval toegepast?
Het handelingskader voor slachtoffers van datalekken wordt vormgegeven door de AVG. De AVG verplicht verwerkingsverantwoordelijke organisaties om betrokkenen te informeren over een «hoog risico» datalek. De wijze waarop betrokkenen in lijn met de AVG dienen te worden geïnformeerd, wordt uitgewerkt in richtsnoeren van het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB). Het is aan de AP om daarop toe te zien. Tevens heeft de AP op grond van de AVG de eigen wettelijke taak om voorlichting te geven aan burgers over hun rechten en handelingsmogelijkheden uit hoofde van de AVG bij datalekken. De website van de AP biedt een overzicht van mogelijkheden voor betrokkenen bij een datalek.
Daarnaast zal het kabinet met een reactie komen in lijn met de gedane toezegging door de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit en de aangenomen motie van het lid Rajkowski die opriep voor een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken en de gedane toezegging5.
Op welke wijze houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht op de opvolging van dit incident, en beschikt de toezichthouder volgens u over voldoende bevoegdheden en capaciteit om effectief toezicht te houden bij grootschalige datalekken?
Welke lessen trekt u uit dit incident voor het beleid richting de markt op het gebied van de weerbaarheid van organisaties die grote hoeveelheden persoonsgegevens verwerken?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is er op dit moment sprake van sectorale uitzonderingsposities binnen de goederenhandel?
Nee, er zijn geen generieke uitzonderingen voor specifieke sectoren op het verbod om contante betalingen voor transacties voor de aan- of verkoop van goederen boven de 3.000 euro (hierna: het verbod). In overleg met de toezichthouder Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI) is wel afgesproken om voor aankopen van goederen buiten de Europese Unie een uitzondering te maken bij de handhaving. Deze uitzondering is gemaakt naar aanleiding van zorgen uit de sector, waarna ik de Eerste Kamer bij de wetsbehandeling heb toegezegd om samen met de toezichthouder te bezien of er in het toezicht mogelijk disproportionele gevolgen weggenomen kunnen worden. De uitzondering komt hieraan deels tegemoet. Hierbij stuur ik u een afschrift van mijn brief aan de Eerste Kamer.
Zijn er wat u betreft sectoren die vanwege het verbod op contante verkopen boven de 3.000 euro een verslechtering van hun concurrentiepositie ondervinden ten opzichte van Europese buurlanden?
Na afloop van het debat in de Eerste Kamer over het verbod heb ik de sectoren die hun knelpunten bij de leden van de Eerste Kamer hadden aangekaart, opgeroepen om zich te melden. Met vertegenwoordigers uit deze sectoren is vervolgens gesproken. De sectoren die knelpunten zeggen te ondervinden zijn de voertuigen-, onderdelen- en metaalsector waar partijen uit Afrika, Zuid-Amerika en Oost-Europa vaak contant betalen. Zij schetsten dat zij in Nederland transacties verrichten voor de verkoop van hun waren, in hoge sommen contant geld met partijen binnen en buiten de EU. Zij wezen op het risico dat deze buitenlandse partijen na invoering van het verbod zouden uitwijken naar andere landen, zoals Duitsland, waar nu geen verbod geldt. Daarnaast stelden partijen uit de scheepvaart dat zij soms genoodzaakt zijn om in het buitenland ter plekke aankopen contant te doen.
Kunt u aangeven waarom er niet is gekozen voor uitzonderingsposities voor sectoren die gevoelig zijn voor een verslechtering van hun concurrentiepositie bij een verbod op contante betalingen boven de 3.000 euro?
Aan de hand van het afwegingskader zoals geschetst in de brief aan de Eerste Kamer zouden uitzonderingen voor deze sectoren zorgen voor ondermijning van de wet en voor slechte handhaafbaarheid. Ten eerste zou een uitzondering juist de sectoren met hoog witwasrisico betreffen, terwijl de wet juist beoogt om witwassen aan te pakken. Ten tweede is een bredere uitzondering niet handhaafbaar, omdat de toezichthouder moeilijk kan verifiëren of een transactie daadwerkelijk met een buitenlandse partij plaats heeft gevonden. Hierdoor zouden constructies kunnen worden opgetuigd om het verbod te omzeilen en zou het risico op misbruik fors toenemen. Ten derde sluit een uitzondering niet aan op de Europese antiwitwasverordening, die vanaf juli 2027 een algemene limiet instelt. Deze Europese limiet biedt geen ruimte voor sectorale uitzonderingen binnen de EU. Daarom wordt alleen een uitzondering gemaakt voor aankopen buiten de EU, waarbij het witwasrisico lager is, de toezichthouder de handhaafbaarheid kan waarborgen en waar vanaf juli 2027 geen Europese regelgeving voor geldt.
Wat heeft u gedaan om de nadelige effecten voor Nederlandse sectoren die te maken hebben met contante betalingen bij verkoop zoveel mogelijk te minimaliseren?
Er zijn gesprekken gevoerd met de sectoren en toezichthouder DFEI om mogelijke uitzonderingen te verkennen. Hierbij is de sectoren gevraagd om voorbeelden aan te dragen van situaties waarin zij knelpunten ervaren. De voorbeelden bedroegen veelal transacties die een hoog risico op witwassen vormen, terwijl de wet juist witwassen moet aanpakken. De werkbare en uitlegbare uitzondering die is gevonden betreft aankopen buiten de EU. Voor verkooptransacties is geen uitzondering mogelijk gebleken op basis van de bij het antwoord op vraag 3 geschetste overwegingen.
Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2026 ervaren exportbedrijven volgens hun eigen signalen «gigantische problemen». Kunt u zich deze dreiging voor de bedrijfsvoering voorstellen en was u hiervan op de hoogte?
Het is mij bekend dat partijen die handeldrijven met partijen uit het buitenland en daarbij gebruik maken van hoge sommen contant geld geraakt worden door deze wet. Voor deze sectoren is dat vervelend. Deze consequenties zijn tijdens de Kamerbehandelingen van het verbod besproken. Met name tijdens het debat met de Eerste Kamer is hier uitvoerig bij stil gestaan. Tegelijkertijd kwam in het debat ook aan de orde dat juist deze sectoren uit onderzoek naar voren komen als sectoren waarin sprake is van een hoog risico op witwassen. Het zou de effectiviteit van de wet onderuit halen om hiervoor uitzonderingen te maken.
Hoe rechtvaardigt u dat de wet is ingevoerd zonder dat er voor de exportverkopen een werkbaar alternatief of uitzondering is gecreëerd?
De strekking van het verbod laat geen ruimte voor uitzonderingen bij exportverkopen vanwege het hoge witwasrisico en onvoldoende mogelijkheid tot handhaafbaarheid. Een uitzondering zou een flinke maas in de wet veroorzaken en misbruik in de hand werken.
Volgens de sector is er in uw reactie van 19 december 2025 voor gekozen om enkel een handreiking te doen op het gebied van aankopen buiten de EU, is deze lezing correct?
Ja, de uitzondering die in het toezicht wordt gemaakt betreft aankopen buiten de EU. Zie de antwoorden hierboven en het afschrift van mijn brief aan de Eerste Kamer.
Bent u ervan op de hoogte dat het kernprobleem voor de exportsector in Nederland niet ligt bij de aankoop van goederen, maar juist bij de verkoop aan handelaren uit landen waar een digitale betaalinfrastructuur simpelweg niet bestaat of onbetrouwbaar is?
Ja, dat is bekend. Er is door enkele sectoren gewezen op transacties met partijen uit landen zonder goed werkend digitaal betaalsysteem. Tegelijkertijd is het vanwege de reeds genoemde overwegingen onwenselijk om generieke uitzonderingen te maken.
Bent u bereid verder met de exportsector (en andere kwetsbare sectoren) in gesprek te gaan over maatregelen om de nadelige effecten van het verbod op contante betalingen boven de 3.000 euro te beperken?
Er hebben reeds gesprekken met de sectoren plaatsgevonden. Binnen het huidige wettelijk kader is geen bredere uitzondering mogelijk is. De wet regelt dat binnen drie jaar na inwerkingtreding van de wet een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk aan de Staten-Generaal wordt gestuurd. Hierin zal ook worden stilgestaan bij eventuele nadelige effecten. Daarover kan dan het debat plaatsvinden.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden
Ja.
De bekladding van de El Houda Moskee in Brunssum |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de El Houda Moskee in Brunssum in de nacht van 13 op 14 februari 2026 is beklad met anti-islamitische teksten?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het bekladden van een gebedshuis met anti-islamitische teksten niet alleen vernieling is, maar tevens een vorm van intimidatie en mogelijk een haatmisdrijf? Wordt een mogelijk discriminatoir of islamofoob motief expliciet meegenomen in het politieonderzoek?
Dergelijke incidenten zijn ernstig en onacceptabel. Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland zijn of haar geloof vrij en veilig kan belijden, zonder te worden geconfronteerd met intimidatie of vernieling van religieuze gebouwen.
Het bekladden van gebouwen, waaronder gebedshuizen, is strafbaar wanneer sprake is van vernieling.2 Wanneer dergelijke uitingen gericht zijn tegen een groep mensen vanwege bijvoorbeeld hun godsdienst, kan sprake zijn van strafbare feiten met discriminatoir aspect.3
Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) om in individuele gevallen te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of een discriminatoir motief onderdeel uitmaakt van het delict. Indien bij aangiften aanwijzingen bestaan voor een dergelijk motief, wordt dit conform de Aanwijzing discriminatie betrokken bij het opsporingsonderzoek.4
Welke concrete maatregelen worden lokaal en landelijk genomen om moskeeën beter te beschermen tegen dit soort incidenten? Wordt daarbij specifiek rekening gehouden met periodes van verhoogde spanning of maatschappelijke onrust?
De verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheidssituatie ligt primair bij de lokale driehoek van burgemeester, politie en het OM. Daarnaast houden de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de dreiging nauwlettend in de gaten. Op basis van de lokale situatie en actuele dreigingsinformatie zullen er passende maatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag.
Over specifieke maatregelen die door politie en OM worden genomen, worden in het algemeen geen mededelingen gedaan, omdat dit vaak betrekking heeft op operationele en veiligheidsgevoelige informatie.
Deelt u de mening dat, zoals uit het recente rapport van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme blijkt, discriminerende uitlatingen in het publieke en politieke debat kunnen bijdragen aan het normaliseren van haat en discriminatie tegen onder meer moslims, en dat dit klimaat een voedingsbodem vormt voor incidenten zoals de bekladding van de El Houda Moskee in Brunssum? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor bewindspersonen en Kamerleden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt discriminatie en haat jegens groepen in de samenleving onaanvaardbaar. Het is van belang dat in het publieke debat respectvol met elkaar wordt omgegaan en dat discriminatie en haat duidelijk worden afgekeurd.
Tegelijkertijd kan bij individuele incidenten niet zonder meer een direct verband worden gelegd met uitingen in het publieke of politieke debat. Binnen de democratische rechtsstaat geldt het uitgangspunt van vrijheid van meningsuiting, waarbij de grenzen worden bepaald door de wet. Wanneer uitingen strafbaar zijn, kan daartegen worden opgetreden door politie en OM.
Bent u bereid om, in overleg met gemeenten en politie, aanvullende preventieve maatregelen te treffen ter bescherming van islamitische gebedshuizen, zoals structureel contact met moskeebesturen, zichtbare surveillance of ondersteuning bij beveiligingsmaatregelen?
Het nemen van beveiligingsmaatregelen vanuit de overheid voor religieuze instellingen gebeurt altijd op basis van actuele dreigingsinformatie van de politie en/of inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Dit gebeurt onder het lokaal bevoegd gezag en is een aanvulling op wat deze instellingen al doen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. Indien de dreiging en risico daartoe aanleiding geven, zullen er beveiligingsmaatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag.
Daarnaast onderhouden gemeenten, politie en religieuze instellingen in veel gevallen reeds contact over veiligheidsvraagstukken.
Ook het kabinet hecht waarde aan het onderhouden van contact met gemeenschappen en maatschappelijke organisaties.
Hoe beoordeelt u het effect van dergelijke incidenten op het veiligheidsgevoel binnen islamitische gemeenschappen?
Incidenten die gericht zijn tegen religieuze instellingen kunnen een grote impact hebben op het veiligheidsgevoel van betrokken gemeenschappen. Het bekladden van een gebedshuis kan gevoelens van onveiligheid, kwetsbaarheid en verdriet oproepen bij bezoekers en omwonenden.
Het is daarom van belang dat dergelijke incidenten serieus worden genomen, dat meldingen en aangiften worden onderzocht en dat lokale autoriteiten waar nodig in contact staan met de betrokken gemeenschap.
Bent u bereid om in de komende voortgangsrapportage met betrekking tot discriminatie expliciet aandacht te besteden aan geweld en vernielingen gericht tegen religieuze instellingen, waaronder moskeeën?
In rapportages over discriminatie wordt aandacht besteed aan ontwikkelingen op basis van gegevens van onder andere de politie en andere betrokken organisaties. De politie registreert en analyseert incidenten met een mogelijk discriminatoir karakter, waaronder incidenten bij religieuze instellingen, en deze worden actief gemonitord en opgevolgd. Tegelijkertijd geldt dat deze incidenten niet als afzonderlijke, eenduidig afgebakende categorie worden geregistreerd. Daardoor kan geen volledig en sluitend overzicht worden gegeven van incidenten met een discriminatoir aspect specifiek gericht tegen religieuze instellingen.
Het bericht 'Belgische topcrimineel Anthony ‘Het genie’ H. blijft in Nederlandse cel: rechter vindt gevangenissen bij onze zuiderburen te slecht’ |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belgische topcrimineel Anthony «Het genie» H. blijft in Nederlandse cel: rechter vindt gevangenissen bij onze zuiderburen te slecht»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze Belgische topcrimineel overgeleverd zou moeten worden naar België? België verzoekt tot overlevering van zijn eigen onderdaan, waarom zou je dit als Nederland willen tegenhouden?
De uitspraak waaraan gerefereerd wordt in het nieuwsbericht betreft een tussenuitspraak en is geen definitief oordeel. Het past mij niet om mij te mengen in een zaak die onder de rechter is of daar een oordeel over te geven. Wel kan ik in algemene zin het volgende opmerken.
Binnen de Europese Unie (EU) is overlevering mogelijk. Middels een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) kan een EU-lidstaat verzoeken om de overlevering van de verdachte van een misdrijf of een veroordeelde. Een EAB is gebaseerd op het Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: Kaderbesluit EAB), dat in Nederland geïmplementeerd is in de Overleveringswet. De Internationale Rechtshulpkamer (IRK) van de rechtbank Amsterdam is als enige in Nederland bevoegd om te oordelen over inkomende overleveringsverzoeken. De IRK beslist per individueel geval of de opgeëiste persoon kan worden overgeleverd en toetst hierbij het EAB aan de bepalingen van het Kaderbesluit EAB en de Overleveringswet. Onderdeel van die toets is dat de uitvoering van een EAB niet tot gevolg mag hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen wordt aangetast. De situatie in de Nederlandse gevangenissen is geen onderdeel van die toets.
Deelt u de stelling dat het kan toch niet zo zijn dat terwijl er in Nederland een nijpend tekort is aan cellen, overlevering naar het buurland België wordt geblokkeerd? Bent u het ermee eens dat België een fatsoenlijk land is? Of wordt België nu gezien als een derdewereldland en/of als geen volwaardige EU-lidstaat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de rechtbank van Amsterdam in haar oordeelsvorming de huidige noodmaatregelen, zoals deze op dit moment in het Nederlandse gevangenisstelsel van toepassing zijn, een factor kan zijn tot overlevering?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt op deze manier Nederland niet een soort dependance voor het gevangenhouden van Belgische criminelen? En waarom moet de Nederlandse belastingbetaler hiervoor opdraaien?
Jaarlijks vinden er vele overleveringen naar België plaats. Daarbij worden altijd garanties opgevraagd bij de Belgische autoriteiten ten aanzien van de Belgische detentieomstandigheden. Tot op heden hebben de detentieomstandigheden in België er niet toe geleid dat er geen gevolg werd gegeven aan een EAB.
Welke mogelijkheden heeft u om sturing te geven aan overleveringen, nu er tegen de uitspraak van de internationale rechtshulpkamer geen hoger beroep openstaat?
Het is een grondwettelijk en rechtsstatelijk uitgangspunt dat de rechtspraak onafhankelijk en onpartijdig is. Ik heb dan ook geen mogelijkheden om sturing te geven aan de IRK en dit zou ook niet passend zijn.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat het commissiedebat over gevangeniswezen zal plaatsvinden?
Ja.
Het bericht ‘Honderden Nederlandse kinderen slachtoffer van website voor afpersers’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van RTL Nieuws waaruit blijkt dat een website actief is waarop persoonsgegevens van honderden Nederlanders, waaronder kinderen, staan met als doel om met deze persoonsgegevens de betrokkene af te persen en/of en intimideren?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat een dergelijke website, dat evident is ingericht om de persoonlijke levenssfeer van personen waaronder minderjarigen te schenden, per direct offline gehaald zou moeten worden?
Het misbruiken van persoonsgegevens met afpersing en intimidatie als doel is een zeer ernstig probleem, in het bijzonder in het geval van minderjarigen. Misbruik van persoonsgegevens kan een ingrijpend effect hebben op het slachtoffer en heeft vaak grote gevolgen. Misbruik van persoonsgegevens en de verspreiding van (schadelijke) illegale content online is een complex probleem. Door het grensoverschrijdende karakter en de anonimiteit en snelheid die het internet gebruikers biedt, vormt het aanpakken van kwalijke websites een uitdaging voor de handhaving. Online dienen mensen zich net zo goed aan de regels te houden als offline. Het huidige instrumentarium is erop gericht om de veiligheid van de online omgeving te vergroten en dergelijke schendingen van de persoonlijke levenssfeer van personen tegen te gaan. Allereerst wordt zelfregulatie door de internetsector gestimuleerd. Vanuit de sector zijn er meerdere initiatieven, zoals de Gedragscode Abusebestrijding en de Gedragscode Notice and Take Down, om schadelijke content tegen te gaan. Daarnaast zijn er bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en civielrechtelijke mogelijkheden. Ook is doxing sinds 1 januari 2024 strafbaar gesteld (artikel 285d Wetboek van Strafrecht). Dit artikel maakt het ongevraagd verzamelen, verspreiden of openbaar maken van persoonsgegevens met het doel iemand te intimideren of lastig te vallen strafbaar.
De verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van online aanbieders van tussenhandeldiensten is gereguleerd via de digitaledienstenverordening (Digital Services Act – DSA). Deze EU-verordening bevat diverse zorgvuldigheidsverplichtingen die onder meer moeten helpen om illegale content tegen te gaan. Zo moet er bij een melding van illegale content prompt actie worden ondernomen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is in Nederland de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door online aanbieders die in Nederland zijn gevestigd. De ACM werkt voor het toezicht en de handhaving op de DSA, waar nodig, samen met de Europese Commissie en andere lidstaten.
Strafrechtelijk heeft de officier van justitie de mogelijkheid om in specifieke gevallen een aanbieder van een communicatiedienst te bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken. In het geval van buitenlandse online aanbieders dient gebruik te worden gemaakt van een rechtshulpverzoek. Dit is vaak tijdrovend, omdat de verantwoordelijke hostingpartij niet altijd kan worden achterhaald en/of worden bereikt. De uitkomst ervan is afhankelijk van de medewerking van het land waaraan het verzoek is gericht. Indien een online aanbieder geen gevolg geeft aan bevelen van de officier van justitie, dan voorziet het strafrecht in de mogelijkheid tot strafvervolging van de aanbieder voor het strafbaar feit dat is begaan. Omdat strafrechtelijk optreden vaak complex en tijdrovend is, en gezien het internationale component afhankelijk is van de bereidheid tot coöperatie van andere landen, zet de politie ook in op alternatieve mogelijkheden, zoals naming and shaming en preventie.2
De Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) is de toezichthouder op de naleving van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). De AP beoordeelt uit eigen beweging dan wel op verzoek of in voorkomende gevallen wordt voldaan aan de AVG. Wanneer de AP een overtreding constateert, kan de AP een bestuurlijke boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzetten van gegevensverwerkingen.
Personen kunnen zich ook tot de civiele rechter wenden. Oordeelt deze dat de betreffende content onrechtmatig is, bijvoorbeeld wegens onbevoegd gebruik van persoonsgegevens, dan kan de civiele rechter verwijdering daarvan bevelen.
Om slachtoffers laagdrempelige hulp en een handelingsperspectief te bieden, faciliteert het Ministerie van Justitie en Veiligheid Stichting Offlimits. Via de hulplijn van Offlimits kunnen slachtoffers illegale online content melden. Offlimits beoordeelt deze meldingen en kan, indien sprake is van illegale content, melding doen bij de desbetreffende internettussenpersoon via wie de content beschikbaar is. Offlimits is door de ACM op grond van de DSA aangewezen als betrouwbare flagger.
Klopt het dat deze website al geruime tijd bekend is bij politie? Zo ja, welke concrete acties zijn sindsdien ondernomen om de website offline te halen of de hostingprovider(s) op te sporen?
De politie doet geen mededelingen over lopende onderzoeken.
In het algemeen zijn er, zoals in het antwoord op vraag twee aangegeven, verschillende maatregelen die hostingproviders, de ACM, AP, de politie en het Openbaar Ministerie (OM) kunnen nemen om een website met illegale content offline te krijgen en/of om de hostingproviders van een website op te sporen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag twee, kan de handhaving bij hostingproviders in het buitenland uitdagend zijn vanwege jurisdictie, omdat medewerking mede afhankelijk is van het land waar de dienst is gevestigd.
Hoeveel aangiften zijn bij de politie bekend die direct te relateren zijn aan deze specifieke website? Wat gebeurt er met deze aangiften? Hoe worden de slachtoffers geïnformeerd over de voortgang van de behandeling van deze aangiften?
De politie doet geen mededelingen over lopende onderzoeken.
Slachtoffers worden in het algemeen via MijnSlachtofferzaak.nl op de hoogte gehouden over de voortgang van de behandeling van hun aangifte. Met MijnSlachtofferzaak biedt de overheid slachtoffers en nabestaanden één plek waar zij alle berichten over de zaak kunnen inzien. In dit online dossier treft een slachtoffer alle informatie van de politie over de zaak, en ook het OM, Slachtofferhulp Nederland en Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) informeren hier slachtoffers. Tenslotte informeert ook Schadefonds Geweldsmisdrijven het slachtoffer op MijnSlachtofferzaak over een eventuele tegemoetkoming.
Hoe ziet de internationale samenwerking eruit bij dergelijke verwerpelijke websites die door hostingbedrijven worden gerund buiten Nederland?
De aanpak van bad hosting is zeer complex en tijdrovend vanwege het internationale en volatiele karakter van de hostingindustrie. Al jaren werken de Nederlandse politie, het Openbaar Ministerie en verschillende publieke en private partners samen om de netwerken van hosting providers op te schonen. Vanaf de tweede helft van 2025 is dit ook een speerpunt geworden van het European Cybercrime Centre (EC3) van Europol. Steeds meer landen sluiten aan bij de zogeheten brede bestrijding van schadelijke hosting. Voor strafrechtelijke samenwerking gelden internationale verdragen. Informatie uit het buitenland wordt verkregen op basis van rechtshulpverzoeken, al dan niet voorafgaand aan een bevriezingsbevel.
Daarnaast wordt binnen het project Cleannetworks in samenwerking met de Stichting Nationale Beheersorganisatie Internet Providers (NBIP) het project en de Gedragscode Abusebestrijding verder gestimuleerd op Europees niveau. Voor dit project heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid een Europese subsidie toegekend gekregen. Hierover bent u eerder in de Kamerbrief Integrale aanpak cybercrime geïnformeerd. Binnen het project is de verdere uitbreiding en focus op de Europese markt een belangrijk onderdeel. Misbruik van de digitale infrastructuur is immers grensoverschrijdend en alleen door ons ook buiten de Nederlandse markt te richten kan het meer gericht worden tegengegaan. Hiermee streeft de overheid naar een gelijk speelveld van de sector binnen de EU met dezelfde voorwaarden en voorkomt oneerlijke concurrentie voor de Nederlandse sector.
Kunt u aangeven of en zo ja welke juridische of technische belemmeringen bestaan om de hostingpartij te dwingen een website waar strafbare feiten op plaatsvinden offline te halen?
In het algemeen is het lastig voor Nederlandse autoriteiten om een buitenlandse website die gehost wordt in het buitenland, offline te krijgen. Dit kan bijvoorbeeld komen omdat niet bekend is welke hostingdienst erachter zit of niet bekend is waar de hostingdienst gevestigd is. Hierover bent u ook geïnformeerd in Kamerbrief «Voortgang integrale aanpak cybercrime» in het onderdeel over de verkenning naar de aanpak van bad hosting.3 Deze verkenning is gezamenlijk met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat uitgevoerd. In deze verkenning is gekeken naar maatregelen die kunnen worden genomen tegen malafide hosters. Uw Kamer wordt vóór de zomer nader geïnformeerd over de aanpak bad hosting middels een voortgangsbrief over dit onderwerp.
Wordt er door politie proactief gemonitord op websites of platforms waar doxing plaatsvindt, vergelijkbaar met de aanpak bij kinderporno of terrorisme? Waarom wel of waarom niet?
Anders dan bij kinderpornografisch materiaal en terroristische content vindt door de politie en het Openbaar Ministerie niet structureel intensief onderzoek plaats naar doxing. Doxing komt vaak op naar aanleiding van concrete gebeurtenissen en valt onder de generieke opsporing. Kinderpornografisch materiaal en terroristische content zijn anders van omvang en aard. Daar wordt permanent strafrechtelijk op ingezet met onder meer specialistische teams.4 Een permanente inzet op alle strafbare feiten is met het oog op beschikbare capaciteit binnen de opsporing niet mogelijk. Daarin moeten keuzes worden gemaakt.
Voor kinderpornografisch materiaal en terroristische content geldt bovendien dat de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), op basis van Europese en nationale wetgeving de bevoegdheid heeft om bestuursrechtelijk op te treden tegen kinderpornografisch materiaal en terroristische content. De ATKM is zodoende bevoegd een aanbieder van een hostingdienst het bevel te geven het desbetreffende materiaal ontoegankelijk te maken binnen één respectievelijk twaalf uur. De ATKM doet hiervoor zelf actief onderzoek en beoordeelt daarnaast online content aan de hand van meldingen.
Wanneer de politie een melding of aangifte van doxing ontvangt met voldoende aanknopingspunten kan er een opsporingsonderzoek worden opgestart. Het is dan ook positief dat de aanpak van doxing per 1 januari 2024 is versterkt door de strafbaarstelling hiervan in artikel 285d van het Wetboek van Strafrecht. Ook kan de officier van justitie, krachtens artikel 125p Wetboek van Strafvordering, aanbieders van communicatiediensten bevelen strafbare content (waaronder doxing), ontoegankelijk te laten maken.
Acht u het wenselijk om het delict «doxing» zwaarder te gaan vervolgen, zeker wanneer het om minderjarigen gaat en het leidt tot seksuele intimidatie en ernstige psychische schade?
Het OM is verantwoordelijk voor de vervolging van strafzaken. Bij het bepalen van de strafeis kan er door het OM rekening worden gehouden met strafverzwarende omstandigheden. In de Richtlijn voor strafvordering doxing van het OM wordt er onder andere rekening gehouden met de gevolgen voor slachtoffers. Naast doxing kan er sprake zijn van een andere strafbare gedraging. Het is aan het OM om te besluiten of en op basis van welke gronden vervolging plaatsvindt.
Welke extra stappen bent u bereid te nemen om kinderen online beter te beschermen tegen dit soort extreme vormen van digitale intimidatie?
Kinderen kunnen zich niet altijd zelfstandig beschermen en weerbaar opstellen in de online omgeving. Er worden verschillende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de digitale leefomgeving van kinderen veilig(er) wordt en hun rechten geborgd en versterkt worden. Dit gebeurt samen met Europese partners, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, ouders, verzorgers en kinderen. De maatregelen richten zich niet alleen op kinderen en ouders, maar ook op ontwikkelaars en aanbieders van online diensten en producten, en op professionals in de zorg en in het onderwijs. De voormalig Staatssecretaris van BZK heeft uw Kamer hierover op 4 september 2025 een brief gezonden waarin de strategie voor online kinderrechten is neergelegd.5 Deze strategie wordt jaarlijks geactualiseerd; de verwachting is dat voor het zomerreces een nieuwe brief volgt.
Verkeerde taxaties door goudwisselkantoor |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht Consumentenprogramma Kassa: Goudwisselkantoor taxeert ver onder de waarde van de NOS?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat consumenten op deze wijze worden opgelicht?
Het is onwenselijk voor mensen als zij op basis van hun informatiepositie benadeeld worden bij de handel in goud. Mensen die goud willen verkopen doen er goed aan zich eerst zorgvuldig te oriënteren en voldoende informatie in te winnen voordat zij een overeenkomst sluiten voor de verkoop van goud.
In hoeverre bent u van mening dat er sprake is van een functionerende vrije markt wanneer de prijsvorming zo afhankelijk is van willekeur?
In beginsel is de goudmarkt een goed functionerende markt. Goud is een homogeen product met een internationaal vastgestelde referentieprijs. Die prijs is transparant en voor iedereen in te zien. Het is wel zo dat de hoeveelheid en kwaliteit van het goud dat bijvoorbeeld in een sieraad zit voor mensen moeilijk te bepalen is. Het kan daardoor voorkomen dat er een verschil in informatiepositie is tussen verkoper en inkoper. Dit kan voor mensen nadelig uitpakken als zij hun goud willen verkopen.
Mensen hebben echter de mogelijkheid om hun sieraden bij verschillende (online) inkooppunten te laten taxeren, en het product te verkopen aan de hoogste bieder. Zowel fysiek als online zijn er hierbij voldoende verschillende aanbieders die met elkaar concurreren en (kosteloos) taxatie en inkoop van goud aanbieden. Het is dus verstandig als mensen meerdere partijen met elkaar vergelijken als zij goud willen verkopen.
Deelt u de mening dat een eerlijke prijsvorming in deze markt in de weg wordt gezeten door een groot verschil in informatiepositie en dat regulering daartoe wenselijk is?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom is de handel van goud in Nederland nog niet gereguleerd?
Er zijn wel degelijk regels van toepassing op de handel in goud in Nederland. Het is van belang onderscheid te maken tussen het scenario waarin mensen goud kopen of goud verkopen.
Nederland kent verschillende regels die consumenten beschermen bij de aankoop van goud.
Zo beschermt de Waarborgwet kopers van edelmetalen voorwerpen zoals goud, zilver en platina. Voordat edelmetalen voorwerpen verkocht mogen worden in Nederland, moeten deze gecontroleerd worden. Hiermee wordt nagegaan of deze echt van goud, zilver of platina zijn en wat het gehalte daarvan is. Voor de meeste consumenten zelf is dat namelijk moeilijk te beoordelen. Na een geslaagde keuring krijgen deze voorwerpen een keurteken, waarna ondernemers deze op de markt mogen brengen.
Daarnaast worden consumenten beschermd door de regels in het consumentenrecht wanneer ze iets kopen. Op grond van deze regels mogen handelaren consumenten niet misleiden, bijvoorbeeld over de prijs of waarde, en mogen zij geen agressieve verkooptechnieken gebruiken. Wanneer handelaren deze regels overtreden, kan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) handhavend optreden.
Wanneer mensen goud aan handelaren verkopen zijn deze regels niet van toepassing, maar kunnen er wel andere middelen zijn om een overeenkomst terug te draaien. Zo kunnen mensen een overeenkomst vernietigen op grond van dwaling als ze op basis van een verkeerde voorstelling van zaken een overeenkomst zijn aangegaan die ze anders niet waren aangegaan. Daarnaast kan een overeenkomst worden vernietigd op grond van bedrog indien de wederpartij bewust verkeerde informatie geeft of informatie verzwijgt.
Wat is het verschil tussen de Nederlandse markt voor goudinkoop en de Franse, waar er wel sprake is van regulering door de overheid?
Het grootste verschil tussen de Nederlandse en de Franse wetgeving voor goudinkoop zijn de aanvullende eisen voor handelaren. Zo bevat de Franse wetgeving sinds 2011 hogere vereisten rondom de transparantie en traceerbaarheid van goudaankopen en een bedenktijd voor consumenten van 48 uur. De regels in Frankrijk beschermen consumenten echter niet op het punt van de prijsvorming. Deze regels werden geïmplementeerd als reactie op een grote toename in de vraag naar goud en tijdelijke goudwisselkantoren waarbij problemen als heling, witwassen en gebrekkige administratie veel voorkomend waren.
Wat is er nodig om de consumentenbescherming voor de markt voor goudinkoop, net zoals in Frankrijk en België, te verbeteren?
Op dit moment zie ik onvoldoende aanleiding om aanvullende stappen te nemen voor aanvullende regelgeving voor goudhandel. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 5 en 6 biedt Nederlandse regelgeving bescherming aan consumenten bij de aankoop van goud, zoals via de genoemde waarborgregeling en het consumentenrecht. Wie misleid wordt bij de handel in goud kan op grond van dwaling of bedrog de overeenkomst vernietigen. Een persoon die goud verkoopt heeft dus mogelijkheden om eventuele misleiding aan te pakken.
Welke stappen gaat u ondernemen om consumenten beter te beschermen tegen goudwisselbedrijven die oneerlijk handelen?
Zie antwoord vraag 7.
Het artikel ‘Snelgroeiende autonome AI-assistent is een ‘disaster waiting to happen’’. |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Snelgroeiende autonome AI-assistent is een «disaster waiting to happen»»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit artikel.
Deelt u de zorgen van experts dat steeds autonomer opererende AI-assistenten risico’s vormen voor veiligheid, privacy, menselijke controle en mentale gezondheid? En kunt u daarbij aangeven welke risico’s u het meest urgent acht?
Ja, die zorgen deel ik. In de Verzamelbrief van 18 december 20252 heeft de voormalig Staatssecretaris Digitalisering en Koninkrijksrelaties uw Kamer geïnformeerd over de resultaten van de forecast «Zicht op de Digitale Toekomst», welke TNO heeft ontwikkeld op zijn verzoek. TNO heeft daarin ook gekeken naar de impact van autonomer opererende AI-assistenten («Agentic AI») op publieke waarden zoals privacy, autonomie en democratie. Een risico is bijvoorbeeld dat gebruikers de controle verliezen op wat AI-assistenten doen. Daarnaast verzamelt en verwerkt het veel persoonlijke gegevens van gebruikers. Omdat deze AI-assistenten zelfstandig werken is het voor gebruikers moeilijk te overzien welke data waar terechtkomt en wat er met die data gebeurt. Een ander risico is dat het niet meer scherp wordt wie verantwoordelijk is voor de handelingen van de AI-assistent. Ook op het gebied van privacy en (cyber)veiligheid zijn er risico’s. Dat geldt met name voor de meer experimentele vormen van AI-assistenten waar in het artikel naar verwezen wordt, en waar ook de Autoriteit Persoonsgegevens recent voor heeft gewaarschuwd.3 Op het moment dat autonome AI-assistenten breed toegang krijgen tot talrijke apps en informatiebronnen, dan kan het misgaan doordat bijvoorbeeld accounts worden overgenomen, hacks worden gezet, of toegang worden verkregen tot privacy gevoelige gegevens (datalekken).
Acht u het wenselijk dat AI-systemen zelfstandig handelingen, zoals het doen van aankopen en het aangaan van contracten, kunnen verrichten namens gebruikers?
De wenselijkheid van dit soort autonomere AI-toepassingen hangt samen met de wijze waarop en het domein waarin deze worden ingezet. Bij iedere toepassing is het daarbij in beginsel de vraag in hoeverre de inzet rechtmatig en proportioneel is en in lijn met bestaande wet- en regelgeving. Ook is van belang dat duidelijk is wie verantwoordelijk is voor de handelingen die een AI-systeem namens een gebruiker verricht en dat er voldoende waarborgen bestaan op het gebied van bijvoorbeeld transparantie, controleerbaarheid en de bescherming van (andere) publieke waarden. Uiteraard vind ik het daarbij van belang om de ontwikkelingen op het gebied van AI, zoals agentic AI en autonomere AI-systemen, nauwgezet te volgen en hierin ook in Europees verband op te trekken, bijvoorbeeld via de Europese AI Board en andere relevante EU-gremia.
Zo ja, kunt u aangeven welke toepassingen het kabinet maatschappelijk gezien wenselijk en/of acceptabel vindt, en welke niet?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre is het huidige Nederlandse en Europese toezichtkader (waaronder de AI Act) toereikend om risico’s van autonome AI-systemen die zelfstandig taken uitvoeren te ondervangen?
De AI-verordening reguleert autonome AI-systemen zoals AI-assistenten op verschillende manieren. Ten eerste zullen alle AI-assistenten die in gevoelige hoog risico toepassingsgebieden of producten worden ingezet aan de strenge eisen uit de AI-verordening moeten voldoen. De AI-verordening noemt expliciet welke gebieden of producten dit zijn. Dit gaat bijvoorbeeld om een AI-assistent die leerlingen in het onderwijs beoordeelt of een AI-assistent die gebruikt wordt als een medisch hulpmiddel. Eén van de eisen aan deze hoog risico AI-systemen is dat risico’s beoordeeld en gemitigeerd moeten worden. Als dat niet kan, mag het AI-systeem niet voor die risicovolle toepassing ingezet worden. Hiermee worden de gezondheid, veiligheid en grondrechten van mensen beschermd.
Ten tweede worden er eisen gesteld aan autonome AI-systemen die worden ontworpen om directe interacties met mensen te hebben, bijvoorbeeld als ze zelfstandig e-mails uit kunnen sturen of reacties kunnen plaatsen op het internet. De aanbieder van een dergelijk AI-systeem moet ervoor zorgen dat het duidelijk is dat men contact met een AI-systeem heeft, en niet met een mens.
Ten slotte worden er onder de AI-verordening ook eisen gesteld aan de modellen voor algemene doeleinden die de basis vormen van deze autonome AI-systemen. Als deze modellen capaciteiten met een grote impact hebben, bijvoorbeeld door negatieve effecten op publieke gezondheid, veiligheid, fundamentele rechten of de maatschappij als geheel, dan moeten de aanbieders van deze modellen systeemrisico’s in kaart brengen en mitigeren. Capaciteiten zoals vergaande autonomie en het kunnen interacteren met andere hardware en software kunnen mogelijk voor systeemrisico’s zorgen.
Naast de AI-verordening, is ook de digitaledienstenverordening (DSA) mogelijk relevant. De digitaledienstenverordening verplicht zeer grote online platforms- en zoekmachines om de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, te beoordelen en te beperken. Dergelijke risico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op grondrechten, de burgerdialoog en verkiezingsprocessen, minderjarigen of het lichamelijke en geestelijke welzijn van personen. Zulke risico's kunnen bijvoorbeeld ontstaan door het niet-authentieke gebruik van de dienst, zoals het aanmaken van nepaccounts, het gebruik van bots en andere geautomatiseerde of gedeeltelijk geautomatiseerde gedragingen. Dit kan leiden tot een snelle en wijdverbreide verspreiding onder het publiek van informatie die illegale inhoud bevat of onverenigbaar is met de algemene voorwaarden van een onlineplatform of onlinezoekmachine, en die bijdraagt aan desinformatiecampagnes. Het is mogelijk dat de risico’s van de inzet van autonome AI-systemen binnen zeer grote onlineplatforms langs deze weg moeten worden aangepakt.
Welke definitie van verantwoorde AI (innovaties) hanteert het kabinet? En in hoeverre passen AI-assistenten daarin?
AI-innovaties zijn verantwoord als ze voldoen aan geldende wet- en regelgeving (zoals de AI-verordening, de digitaledienstenverordening en andere wettelijke kaders die van toepassing kunnen zijn) en zijn ontwikkeld op een manier waardoor ze geen voorzienbare negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid, veiligheid en grondrechten van mensen.
AI-assistenten kunnen ook op een manier ontwikkeld en gebruikt worden dat ze betrouwbaar en mensgericht zijn. Het is van belang dat zowel ontwikkelaars als gebruikers van AI-assistenten zich bewust zijn van de mogelijke risico’s van de technologie in verschillende contexten en hier robuuste maatregelen voor nemen. Aan de ene kant gaat dit om maatregelen om voorzienbare risico’s bij de ontwikkeling van het AI-systeem zo veel mogelijk by design te ontwikkelen, maar ook om maatregelen om een systeem stop te zetten of aan te passen zodra onvoorziene risico’s zich voordoen. Wetgeving zoals de AI-verordening biedt hier kaders voor, onder andere door te bepalen welke toepassingen van AI-assistenten gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid, veiligheid en grondrechten van mensen. Toezichthouders, zoals de AP4 en RDI, monitoren risico’s van ontwikkelingen op het gebied van AI en delen best practices voor de aanbieders van deze technologie om hun systemen op een verantwoorde manier te ontwikkelen.
Kunt u aangeven of het naar uw inzicht wenselijk is dat er vanuit de overheid gebruik gemaakt wordt van autonome AI-assistenten? En op welke vlakken gebeurt dit al? Onder welke voorwaarden wordt dit toegestaan en hoe wordt hierop toegezien in de praktijk?
De wenselijkheid van autonome AI-assistenten is afhankelijk van de context waarbinnen de AI-systemen worden ingezet. Het is vanzelfsprekend dat de inzet ervan gebeurt in lijn met bestaande regelgeving, zoals de AI-verordening, de AVG in het geval er persoonsgegevens worden verwerkt, en andere relevante (sectorale) wetgeving. Op al deze wettelijke kaders is of wordt toezicht ingericht. Voor overheden geldt daarbij sinds april 2025 het overheidsbrede standpunt generatieve AI, wat ook van toepassing is op autonomere vormen van AI, zoals AI-agenten.5 Vooraf dienen overheden daarbij altijd een impactassessment (zoals bijvoorbeeld een gegevensbeschermingseffectbeoordeling of een Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes (IAMA)) te hebben uitgevoerd en dient duidelijk te zijn welk maatschappelijk doel precies wordt gediend met de inzet. De in 2025 – in opdracht van BZK – uitgevoerde overheidsbrede monitor generatieve AI laat een duidelijke toename van het aantal generatieve AI-toepassingen zien, maar daarin zijn nog geen tekenen van (veelvuldig) gebruik van autonomere AI-assistenten.6 Als onderdeel van de AI-prioriteit binnen de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) wordt er voor de Nederlandse overheid gewerkt aan een visie op taalmodellen en aan een herijking van het overheidsbrede standpunt generatieve AI en bijbehorende handreiking.7 Hierbij worden ook de ontwikkelingen op het gebied van autonome (of agentic) AI nadrukkelijk meegenomen. Deze zullen nog dit jaar met uw Kamer worden gedeeld.
Hoe wordt op dit moment geborgd dat er in kritieke infrastructuur, in sectoren als defensie, de zorg en de overheid zelf, altijd sprake blijft van «meaningful human control» (ofwel «human in the loop») bij het gebruik van autonome AI-assistenten?
In algemene zin hangt de mate van menselijke tussenkomst sterk af van het risico en de mogelijke impact van de toepassing van AI. Onder de AI-verordening worden er eisen gesteld aan onder andere hoog risico AI-systemen die als veiligheidscomponent in de kritieke infrastructuur worden gebruikt, hoog risico AI als medisch product of veiligheidscomponent daarvan en hoog risico AI in gevoelige overheidsgebieden, zoals het toekennen van toeslagen of in de rechtshandhaving. Voor alle hoog risico AI-systemen moet er menselijk toezicht («human in the loop») uitgeoefend kunnen worden. Dit houdt onder andere in dat men de capaciteiten van het systeem moet begrijpen en de werking ervan moet kunnen monitoren. Ook moet het systeem stopgezet kunnen worden. De mate van deze menselijke controle is contextafhankelijk: des te groter het risico, des te steviger het menselijk toezicht moet zijn.
Als het specifiek gaat om dergelijke AI-systemen in het Defensiedomein is menselijke controle noodzakelijk om het oordeelsvermogen van de mens voor AI-systemen te behouden, zodat deze conform het (internationaal) recht kunnen worden gebruikt. In Nederland worden nieuwe middelen en strijdmethoden door de Adviescommissie Internationaal Recht en Conventioneel Wapengebruik (AIRCW) getoetst aan het internationaal recht. De Minister van Defensie besluit op basis van het advies al dan niet goedkeuring te verlenen voor gebruik door de krijgsmacht.
Als het specifiek om de zorg gaat rust vanuit de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) de plicht op zorgaanbieders om medische hulpmiddelen, inclusief AI, te gebruiken die veilig en kwalitatief goed zijn. Individuele zorgverleners zijn vanuit de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) verplicht om bij hun werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen. Dit betekent onder meer dat de zorgverlener altijd eindverantwoordelijk blijft voor medische beslissingen en niet blindelings op AI-systemen mag vertrouwen. Bij het gebruik van autonome AI-systemen zal het systeem dus ook ontworpen moeten worden met deze waarborgen als randvoorwaarden. De Minister van VWS is in de brief over innovatie in de beroepsuitoefening8 van 9 december jl. uitgebreid ingegaan op de acties die worden ondernomen bij het gebruik van AI in de beroepsuitoefening in de zorg.
Wanneer autonome AI-assistenten bijvoorbeeld door overheden worden ingezet in het kader van (algoritmische) besluitvorming, dient daarbij altijd sprake te zijn van betekenisvolle menselijke tussenkomst. Daarbij geldt voor de overheid in het geval van een besluit ook de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). Deze bevat de algemene regels waaraan de overheid moet voldoen bij het nemen van besluiten, onder meer met het oog op transparantie, kenbaarheid en uitlegbaarheid van besluiten. De regels zijn techniekonafhankelijk opgesteld en normeren ook algoritmische besluitvorming en daarmee ook de inzet van AI.
Daarnaast werkt de overheid aan de ontwikkeling van een integraal wegingskader voor de verantwoorde inzet van AI, waarin expliciet aandacht wordt besteed aan het waarborgen van autonomie van AI-systemen, het bevorderen van mensgerichte toepassingen, het inrichten van robuuste terugvalopties ten behoeve van continuïteit, en de zorgvuldige afweging of en in welke gevallen AI -bijvoorbeeld in de vorm van AI-assistenten – passend is. Daarbij geldt in het bijzonder dat binnen de publieke dienstverlening het behoud van betekenisvol menselijk contact met burgers en bedrijven leidend is, en dat steeds nauwgezet wordt beoordeeld welke (repetitieve) taken verantwoord door AI kunnen worden ondersteund of overgenomen. Dit integraal wegingskader wordt ontwikkeld in het kader van de NDS, en de conceptversie is voorzien voor dit jaar (na enkele pilots ermee).
Welke andere waarborgen (vangrails) zijn naar uw verwachting nog nodig om hier goed mee om te gaan, voor zowel overheid als samenleving, en is bijsturing mogelijk?
Het is bij nieuwe technologische ontwikkelingen, waaronder autonomie AI-assistenten, belangrijk om goed te kijken naar de waarborgen die nodig zijn om hier goed mee om te gaan. Bijvoorbeeld door het principe van ethics-by-design toe te passen zodat publieke waarden zoals privacy, transparantie, autonomie en non-discriminatie al vanaf het begin worden meegenomen. Ik zet mij ervoor in om te zorgen dat publieke waarden gewaarborgd worden, ook bij nieuwe technologische ontwikkelingen zoals quantum en autonome AI-assistenten. Verder merk ik graag op dat binnen de NDS overheden gezamenlijk aan verantwoord en succesvol ontwikkelen van AI-toepassingen werken. Bijkomend doel is om AI breder inzetbaar te maken waardoor de impact en succes van AI groter wordt. Gelet op die bredere inzetbaarheid en de verwachte impact wordt binnen de AI-opschalingsfaciliteit voor overheden een afwegingskader voor het opschalen van AI ontwikkeld, zodat zorgvuldig kan worden gekeken naar de inzet van AI in relatie tot wet- en regelgeving en ethisch verantwoord gebruik. Dit afwegingskader wordt later in 2026 gepubliceerd. Tot slot zou ik ook voorzichtigheid willen bepleiten. Bij experimentele vormen van autonome AI-assistenten zoals OpenClaw is het belangrijk om nu vooral zeer terughoudend te zijn en deze niet te gebruiken op systemen met privacygevoelige of vertrouwelijke gegevens, zoals ook de Autoriteit Persoonsgegevens heeft opgeroepen.9
Het bericht 'Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de inval van de Franse autoriteiten in een kantoor van het sociale mediaplatform X?
Het is niet aan ons om de inval van de Franse autoriteiten te beoordelen. Het kabinet doet geen uitspraken over specifieke (strafrechtelijke) onderzoeken. Dit geldt ook voor (strafrechtelijke) onderzoeken die in het buitenland plaatsvinden.
Hoe plaatst u deze inval in het bredere onderzoek van het Franse OM en Interpol naar de de AI-chatbot Grok, seksuele deepfakes, het in bezit hebben en verspreiden van seksueel kindermisbruikmateriaal en holocaustontkenning op X?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van plan steun uit te spreken voor dit onderzoek en eventuele maatregelen op Europees niveau toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet gaat ervan uit dat het Franse Openbaar Ministerie en Interpol de juiste gronden hebben om een dergelijk onderzoek te starten en eventuele vervolgstappen te overwegen. Zie het antwoord op vraag 2.
Onder de Digital Service Act (DSA) wordt X aangemerkt als zeer groot online platform. Bij zeer grote online platforms heeft de Europese Commissie de primaire bevoegdheid voor het toezicht op en de handhaving van de DSA. De Europese Commissie is hier dus aan zet en zij is op 26 januari jl., naar aanleiding van de berichtgeving over AI-chatbot Grok, een onderzoek gestart.2 Als de Europese Commissie concludeert dat X de DSA heeft overtreden, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete, net zoals de Europese Commissie dat begin december 2025 al heeft gedaan jegens X.
Maakt X zich naar uw inzicht ook schuldig aan strafbare feiten door politieke inmenging te faciliteren, algoritmen aan te passen, data illegaal te verzamelen, en de AI-chatbot Grok seksuele deepfakes en kindermisbruikmateriaal te laten genereren?
Het is niet aan ons als bewindspersonen om dat te beoordelen. Zie de antwoorden op de vragen 2–4.
Als blijkt dat X (vermoedelijk) tegen de Nederlandse wet- en regelgeving handelt, welke mogelijkheden heeft u om tegen het bedrijf op te treden?
Bij de beantwoording van deze vraag gaan wij in op de meest relevante wetgeving die in Nederland van toepassing is, omdat op dit moment niet duidelijk is wat de exacte aanleiding is voor de Franse inval bij X en welke regelgeving X volgens het Franse OM zou hebben geschonden.
Strafrechtelijk kan in Nederland de officier van justitie op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om strafbare online content ontoegankelijk te maken. Een dergelijk bevel kan, kort gezegd, worden gegeven als sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, ter beëindiging van dat strafbare feit en/of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Van deze mogelijkheid wordt beperkt gebruik gemaakt, omdat de politie en het Openbaar Ministerie ook gebruik kunnen maken van verwijderverzoeken op basis van de zelfreguleringsmogelijkheden. Deze zijn in de praktijk vaak sneller. Een aanbieder die niet voldoet aan een dergelijk bevel onder 125p Sv kan strafrechtelijk aansprakelijk zijn (artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht).
De Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) is bevoegd om aanbieders van communicatiediensten die in Nederland zijn gevestigd of die beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op Nederlands grondgebied hebben opgeslagen, te verplichten om dergelijk materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Als aanbieders van communicatiediensten niet aan deze verplichting voldoen, kan de ATKM bestuursrechtelijk handhaven. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10% van de jaarlijkse omzet van de onderneming. Als en voor zover X kwalificeert als aanbieder van communicatiediensten en het beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op Nederlands grondgebied heeft opgeslagen, zou de ATKM daartegen mogelijk kunnen optreden tegen de verspreiding van het materiaal.
Daarnaast hebben gebruikers van X de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, een gerechtelijke procedure te starten.
Ook is de DSA in Nederland van toepassing. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 4, is in het geval van X de Europese Commissie op grond van de DSA primair bevoegd om handhavend op te treden ten aanzien van de DSA en niet de ACM (de Nederlandse toezichthouder op de DSA). Wel heeft de ACM, als nationale toezichthouder, de mogelijkheid om een signaal af te geven richting de Europese Commissie en/of de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging van X. In dit geval is dat de Ierse toezichthouder, omdat het Europese hoofdkantoor van X is gevestigd in Ierland.
De Europese Commissie kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en onder andere sancties opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet in het voorgaande boekjaar. Daarnaast kunnen zij een last onder dwangsom opleggen.
Op grond van artikel 82 DSA kan de Europese Commissie als ultimum remedium, onder strikte voorwaarden, de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging van de betrokken aanbieder van het zeer grote onlineplatform, verzoeken om op te treden krachtens artikel 51, derde lid van de DSA en de bevoegde gerechtelijke autoriteit van zijn lidstaat vragen de toegang tot het platform tijdelijk te beperken. Zoals hierboven vermeld, is in het geval van X de Ierse toezichthouder de bevoegde digitaledienstencoördinator.
Op welke manier draagt u bij aan onderzoeken en juridische stappen die worden gezet door de Europese Commissie en EU-lidstaten? Zo niet, ziet u mogelijkheden om expertise te verlenen aan deze acties?
Indien de vraag betrekking heeft op de handhavingsprocedure tegen X door de Europese Commissie onder de DSA, dan geldt dat zij in de verordening de bevoegdheden toegekend heeft gekregen die nodig zijn voor effectief toezicht en handhaving.
Op nationaal niveau hebben we de Autoriteit Consument en Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens ook voorzien van de bevoegdheden die zij nodig hebben om onderzoeken te kunnen verrichten en juridische stappen te zetten.
Bij de uitvoering van hun taak zijn toezichthouders onafhankelijk. Het past dan niet als wij ons mengen in onderzoeken of juridische stappen. Dit geldt ook voor onderzoeken en juridische stappen die door toezichthouders in het buitenland worden gezet. Mochten de toezichthouders echter om hulp vragen dan sta ik daar uiteraard welwillend tegenover, mits het hun onafhankelijkheid niet schaadt. Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, geldt in algemene zin dat de ACM goed contact onderhoudt met de Europese Commissie en andere lidstaten en, indien relevant, signalen kan delen ook wanneer een aanbieder niet in Nederland is gevestigd.
Kunt u reflecteren op het besluit van het kantoor van de Franse openbaar aanklager om van X af te stappen? Ziet u dit als een terechte en effectieve reactie op de recente ontwikkelingen?
Het kabinet treedt niet in besluiten van buitenlandse opsporingsautoriteiten of het openbaar ministerie. Het is aan de Franse autoriteiten om in het kader van hun eigen onderzoek afwegingen te maken over hun werkwijze en eventuele maatregelen.
Ontvangen Nederlandse autoriteiten eveneens klachten over de AI-chatbot Grok? Zo ja, hoe veel? Geven deze klachten aanleiding om ook in Nederland juridische stappen te zetten tegen X?
Recent hebben wij u geïnformeerd over het standpunt van het kabinet omtrent de verontrustende toename aan «deepnudes» via applicaties zoals GROK en de grote impact die dit heeft op slachtoffers en hun omgeving. Hierin staat voorop dat wij dit zeer onwenselijk vinden.3
Slachtoffers kunnen bij verschillende organisaties, zoals Slachtofferhulp Nederland (SHN), Centrum Seksueel Geweld (CSG) en Offlimits, terecht voor hulp. Als het slachtoffer overweegt een melding te maken of aangifte te doen, kan deze terecht bij de politie. Genoemde hulporganisaties kunnen slachtoffers hierover informeren of hierbij ondersteunen.
Bij bovengenoemde hulporganisaties is niet bekend of er ook Nederlanders zijn die slachtoffer zijn geworden van de AI-naaktbeelden, die specifiek met de AI-Chatbot Grok zijn gegenereerd. Dit komt omdat bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij SHN en CSG, in de registratie geen onderscheid wordt gemaakt naar misbruik van echt dan wel AI-gegenereerd beeldmateriaal. Bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij Offlimits, wordt in de registratie wel onderscheid gemaakt tussen echt en AI-gegenereerd beeldmateriaal, maar wordt niet geregistreerd met welke specifieke AI-applicatie, zoals bijvoorbeeld de AI-chatbot Grok, de afbeeldingen zijn gegenereerd.
De politie heeft in de afgelopen twee maanden wel een toename gezien in de hoeveelheid meldingen die vanuit platforms wordt gedaan over uploads naar AI-chatbot Grok. Mogelijk zijn er slachtoffers die zelf melding hebben gedaan bij de politie, maar dit is niet goed uit de registratie te halen, omdat de melding onder verschillende delictsoorten kan worden geregistreerd.
Bovenstaande geeft vooralsnog geen aanleiding om ook in Nederland juridische stappen te zetten tegen X.
Bent u voornemens om naar aanleiding van het Franse onderzoek en recente berichtgeving2 over democratische ondermijning als gevolg van X om ook van het platform af te stappen? Waarom wel of niet?
Het bereiken en informeren van zoveel mogelijk mensen, juist ook groepen die via traditionele media minder goed kunnen worden bereikt, en hen in staat stellen kennis te nemen van overheidsinformatie, weegt zwaar. Daarom kiezen wij altijd voor een mix aan online en offline kanalen. Dagelijks maken miljoenen Nederlanders gebruik van sociale media, waaronder het platform X. Het platform is daarmee voor de rijksoverheid een belangrijk middel om veel mensen te bereiken en informeren.
We zijn continu op zoek naar de juiste manier hoe we inwoners kunnen bereiken. In die zoektocht hebben de ontwikkelingen op sociale media, waaronder X, onze aandacht.
Kunt u, om de afhankelijkheid van X voor overheidscommunicatie te doorbreken, toezeggen dat overheidscommunicatie voortaan op alle veelgebruikte alternatieve media én op de eigen overheidswebsites plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
De rijksoverheid verkent doorlopend mogelijkheden en middelen waarmee zoveel mogelijk mensen kunnen worden bereikt. Sociale mediaplatformen en andere (nieuwe) kanalen maken hiervan onderdeel uit. Afhankelijk van de doelgroep en het onderwerp worden ook veelgebruikte kanalen als LinkedIn en Instagram ingezet. Daarnaast wordt via social.overheid.nl gewerkt aan het ontwikkelen van een eigen sociale mediaplatform waar Mastodon draait op een overheidsserver en waar geen gebruik wordt gemaakt van schadelijke algoritmes en de privacy van de gebruikers wordt beschermd. Momenteel is de Staatssecretaris van Economische Zaken al aanwezig op Mastodon. Ook hoeven mensen geen account aan te maken om overheidsinformatie te kunnen lezen. We verkennen daarnaast de aanwezigheid op BlueSky, waar sinds het aantreden van het nieuwe kabinet al meerdere bewindspersonen actief op zijn. Het is op dit moment echter met het oog op bereik nog geen volwaardig alternatief voor de omvangrijkste sociale mediaplatforms.
De rijksoverheid biedt (beleids)informatie in beginsel altijd op de eigen websites aan zodat mensen vrij toegang hebben tot de informatie van de rijksoverheid.
Heeft u reeds gekeken naar de mogelijkheid om alternatieve communicatieplatforms voor X te gebruiken, zoals toegezegd tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 2025?3
Zie het antwoord op vraag 11.
Wat zijn de uiterlijke consequenties voor X als het platform willens en wetens blijft handelen tegen de Europese wet- en regelgeving in, en als dit blijkt uit de lopende onderzoeken? Bent u bereid in het uiterste geval te pleiten voor een Europees verbod op het platform?
Met betrekking tot de vraag hoe nationaal kan worden opgetreden indien X willens en wetens handelt tegen de Europese wet- en regelgeving, verwijzen wij naar het antwoord op vraag 6.
Indien de vraag betrekking heeft op de overtreding van de DSA, dan kan de Europese Commissie onder meer een boete opleggen ter hoogte van 6% van de wereldwijde jaaromzet van X. Daarnaast kan ze een dwangsom opleggen of aanbieders onder verscherpt toezicht plaatsen. In bijzondere uiterste gevallen, die in dit geval niet aan de orde zijn, kan er ook een tijdelijke blokkade van een dienst worden ingesteld.
Een Europees verbod op het platform is op dit moment niet aan de orde. Vooralsnog vertrouwt het kabinet erop dat de Europese Commissie via handhaving van de DSA de noodzakelijke wijzigingen kan afdwingen om voor naleving te zorgen. Omdat handhaving van de DSA door sommige landen wordt verbonden aan de geopolitiek is het zaak dat de lidstaten laten blijven dat zij de Europese Commissie steunen in het verrichten van diens taken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en uiterlijk in de week van 2 maart 2026 beantwoorden, nog voordat het gesprek van de commissie Digitale Zaken met een vertegenwoordiging van de Europese Commissie is voorzien?4
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht 'Jongeren vatbaar voor ‘snel geld’' |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongeren vatbaar voor «snel geld»», waarin wordt beschreven hoe jongeren via sociale media worden geronseld voor criminele activiteiten?1
Ja.
Deelt u de zorg dat met name kwetsbare jongeren, waaronder jongeren die al in beeld zijn of zouden moeten zijn bij jeugdzorg of wijkteams, extra vatbaar zijn voor deze vorm van online ronseling?
Ik deel de zorgen over de vatbaarheid van kwetsbare jongeren om (online) geronseld te worden. Jongeren en jongvolwassenen in een kwetsbare positie, zoals jongeren met een licht verstandelijke beperking, hebben een verhoogd risico om in te gaan op verzoeken. Veel jongeren overzien de langetermijngevolgen van hun acties nog niet goed. Dit maakt het des te belangrijker dat jongeren, ook online, weerbaar zijn voor dit soort praktijken. Dit vraagt ook om een combinatie van mediawijsheid, alsmede betrokkenheid van ouders bij de online activiteiten van hun kinderen.
In hoeverre heeft u gezamenlijk zicht op de omvang van online ronseling van minderjarigen voor criminele activiteiten?
Er is momenteel, bijvoorbeeld bij jeugdzorg of lokale wijkteams, geen gezamenlijk zicht op hoeveel jongeren online worden geronseld. Ronselaars hoeven slechts één oproep te plaatsen om grote aantallen jongeren te bereiken. Daarbij komt dat jongeren zelf terughoudend zijn in het melden van criminele uitbuiting bij de politie of andere instanties. Daarom wordt door het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) een onderzoek uitgevoerd naar de meldingsbereidheid van slachtoffers van criminele uitbuiting. De eerste inzichten uit dit onderzoek worden in de zomer van 2026 opgeleverd en gedeeld met gemeenten en andere partners binnen het preventieveld via bijvoorbeeld de digitale vindplaats van Preventie met Gezag (PmG) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV).
Daarnaast financiert het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanuit PmG het online hulpportaal «Keerpunt». Keerpunt biedt online hulpverlening aan jongeren die het slachtoffer zijn van criminele uitbuiting of vastzitten in de criminaliteit. Ook kunnen mensen uit de omgeving van een jongere bij Keerpunt terecht wanneer zij zich over diegene zorgen maken. Uit het jaarrapport van Keerpunt blijkt dat online rekrutering met name via sociale media platformen zoals Snapchat, Telegram en Instagram plaatsvindt. Het specifieke aantal is, zoals eerder benoemd, echter onbekend.
Om meer inzicht te krijgen in de modus operandi van online rekruteren wordt op dit moment in opdracht van JenV en het CKM een cyclisch onderzoek uitgevoerd op Telegram en Snapchat. Inzichten uit dit onderzoek worden omgezet naar een handzame factsheet en worden halfjaarlijks gedeeld met de gemeenten, zorg-, sociaal en veiligheidspartners en opsporingsdiensten. De eerste landelijke factsheet wordt voor de zomer van 2026 verwacht.
Klopt het dat jongeren vaak beginnen met ogenschijnlijk kleine en laagdrempelige klusjes, maar vervolgens via druk, chantage en intimidatie worden vastgezet in zwaardere criminaliteit?
Landelijke cijfermatige onderbouwing van deze aanname ontbreekt. De eerdergenoemde onderzoeken zullen hier meer zicht op geven.
In hoeverre is het huidige jeugdzorgstelsel zó ingericht dat signalen van criminele verleiding, online ronseling en normvervaging bij jongeren structureel en tijdig worden opgepikt en welke randvoorwaarden (zoals informatie-uitwisseling, capaciteit en expertise) spelen daarbij een rol?
Het jeugdzorgstelsel is gedecentraliseerd, waarbij gemeenten op basis van de jeugdwet volledig verantwoordelijk zijn voor de organisatie van alle jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. De uitvoering gebeurt door het inkopen van zorg bij jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen of via lokale wijkteams.
Bij bewustwording over en het signaleren van normvervaging en afglijden van jongeren in een kwetsbare positie naar criminaliteit, spelen de werkgevers in het jeugdzorgstel een belangrijke rol, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de (bij)scholing en professionalisering van hun werknemers die jongeren begeleiden.
Jeugdprofessionals worden hierbij onder andere geholpen door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Onlangs heeft het CCV voor professionals een lijst met «rode vlaggen» gepubliceerd. In deze lijst staan risicosignalen, zowel in de online als offline wereld, die erop kunnen wijzen dat een jongere afglijdt naar de criminaliteit.
In hoeverre worden jeugdzorgprofessionals en andere betrokken hulpverleners structureel geschoold in het herkennen van signalen van criminele uitbuiting en online ronseling van jongeren en in hoeverre wordt daarbij aangesloten bij bestaande expertise en werkwijzen, zoals die zijn ontwikkeld in de aanpak van loverboys en mensenhandel?
In het kader van het Actieplan Samen tegen Mensenhandel werken Defence for Children-ECPAT, Rode Kruis en FIER aan meer inzicht en bewustwording bij professionals gericht op de signalering en bewustwording van jeugdige slachtoffers van mensenhandel. Door middel van een campagne, (#GeenBuit) e-learning (BUIT) en een verdiepende (maatwerk) training zijn in totaal circa 200.000 professionals bereikt in de jeugdzorg, de migratieketen, politie, welzijn en onderwijs. Sinds april 2025 is aanvullend ingezet op bewustwording en signalering van mensenhandel op scholen (het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs) onder de noemer «Uitbuiting (niet) op school». Het aanbod bestaat uit een maatwerktraining, toolkit en vernieuwde signalenkaart.
Deze interventies zijn onderdeel van de brede aanpak van mensenhandel, gecoördineerd vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zo richt de eerder genoemde interventie die zorgt voor inzicht en bewustwording bij professionals op het gebied van jeugdige slachtoffers van mensenhandel zich op zowel criminele uitbuiting als seksuele uitbuiting. Op deze manier wordt aansluiting gezocht bij bestaande expertise en werkwijzen.
Hoe is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd tussen politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk wanneer signalen bestaan dat jongeren online worden benaderd voor criminele activiteiten en waar worden in de praktijk knelpunten ervaren?
Gemeenten geven lokaal invulling aan de samenwerking tussen partijen als politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk. Afhankelijk van de lokale verschillen is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd. Een goede samenwerking en uitwisseling van signalen van bovenstaande partijen is belangrijk om preventief en repressief signalen van ronselen te herkennen.
PmG draagt bij aan het versterken van de lokale domein-overstijgende samenwerking tussen het sociaal domein (gemeenten, zorg- en onderwijspartners) en justitiepartners op het gebied van preventie. Doel is hierbij om te voorkomen dat jongeren in aanraking komen met justitie danwel doorgroeien in de criminaliteit. In iedere PmG-gemeente vinden er multidisciplinaire casusoverleggen plaats, bijvoorbeeld signaal-overleggen op scholen in het kader van de veiligheid rond en om school in gemeenten, (preventieve) persoonsgerichte aanpakken en/of aanpak van complexe problematiek in een Zorg- en Veiligheidshuis. Afhankelijk van de casuïstiek sluiten verschillende partners aan, zoals jongerenwerkers, school, politie, reclassering en gemeente.
Het is belangrijk om tijdig signalen te delen om verder afglijden te voorkomen. Om die reden wordt in opdracht van de Minister van Justitie en Veiligheid gewerkt aan een handreiking om gemeenten meer houvast te geven bij het organiseren van vroegsignalering die rechtmatig, zorgvuldig en met oog voor de rechten van jongeren en hun ouders wordt uitgevoerd. De verwachting is dat deze in de eerste helft van 2026 gereed zal zijn en beschikbaar komt voor alle gemeenten.
In antwoord op Kamervragen ten behoeve van het schriftelijk overleg Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september 2025 is op het punt van het delen van informatie uitgebreid ingegaan.2
Acht u de huidige strafrechtelijke mogelijkheden en handhavingsinstrumenten voldoende effectief om ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten op te sporen en hard aan te pakken? Zo nee, waar schieten deze volgens u tekort?
Voor zover ik nu kan bezien, voldoen het strafrecht en de handhaving in de aanpak van criminele ronselaars. Mij zijn geen signalen bekend dat het strafrechtelijk kader in concrete gevallen niet toereikend is om personen die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten strafrechtelijk aan te pakken. Het OM en de politie bevestigen het beeld dat zij over voldoende handvatten beschikken om de daders die zich hieraan schuldig maken op te sporen en aan te pakken. Belangrijk is dat de Officier van Justitie per geval bepaalt voor welke feiten vervolging kan worden ingesteld, aan de hand van de individuele omstandigheden.
Ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten kunnen zich schuldig maken aan criminele uitbuiting, een vorm van mensenhandel die strafbaar is gesteld in artikel 273f, vijfde lid, onder e, Sr, waar specifiek de «uitbuiting van een persoon bij het verrichten van strafbare activiteiten» is opgenomen. Criminele uitbuiting houdt in dat iemand wordt gedwongen tot het begaan van strafbare feiten. Voor mensenhandel is steeds vereist dat de ronselaar of opdrachtgever de intentie had om de jongere bij het uitvoeren van het strafbare feit uit te buiten. Of sprake is van criminele uitbuiting hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval, waarbij wordt gekeken naar de aard en duur van de strafbare activiteit, de beperkingen voor de betrokkene en (in mindere mate) het economische voordeel van degene die de jongere heeft aangezet tot het plegen van het strafbare feit.
Afhankelijk van de omstandigheden zijn er daarnaast verschillende mogelijkheden om deze groep strafrechtelijk aan te pakken. Een ronselaar of opdrachtgever kan een minderjarige opzettelijk uitlokken tot het plegen van een strafbaar feit en is strafbaar als de minderjarige ook daadwerkelijk overgaat tot uitvoering. Een minderjarige kan bijvoorbeeld tegen betaling een explosief in de nabijheid van een woning plaatsen; dan kan sprake zijn van het uitlokken van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met gevaar voor personen of goederen, strafbaar op grond van artikel 157 in verbinding met artikel 47 Sr. Ook het proberen uitlokken van een minderjarige tot het plegen van een misdrijf, ongeacht of het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is strafbaar op grond van artikel 46a Sr.
Hoe wordt voorkomen dat geronselde minderjarigen primair repressief worden benaderd, terwijl onderliggende problematiek zoals armoede, schulden, gezinsproblematiek of perspectiefloosheid onbehandeld blijft?
Het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en PmG zetten in op het mitigeren van risicofactoren en het bevorderen van beschermende factoren om te voorkomen dat jongeren in een kwetsbare positie met criminaliteit in aanraking komen, afglijden of doorgroeien in de criminaliteit. Dit doen we in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Dit wordt gecombineerd met het stellen van grenzen die aan jongeren die dreigen in de criminaliteit te belanden danwel doorgroeien. De inzet van PmG sluit aan op de inzet vanuit het NPLV, waar langjarig wordt ingezet op het tegengaan van armoede, het vergroten van de gezondheid en het creëren van veilige en leefbare wijken. De lessen van het NPLV worden breder gedeeld met andere gemeenten. Zie ook de Kamervragen zoals eerder benoemd.3
Acht u het wenselijk om preventieve campagnes en opsporingsmethoden, zoals het inzetten van (digitale) lokmiddelen door politie en gemeenten, landelijk te versterken en structureel te maken?
De auteurs van het landelijk kwaliteitskader «Effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit» concluderen dat er weinig tot geen wetenschappelijk bewijs is dat universele voorlichtings- en educatieprogramma’s bijdragen aan het voorkomen van criminaliteit onder jongeren, terwijl de kans op schadelijke effecten relatief groot is.4 Daarom is terughoudendheid bij de inzet van (brede) campagnes op zijn plaats.
Lokmiddelen zijn zware opsporingsmiddelen. Het werken met een lokmiddel of lokpersoon is complex en vergt veel capaciteit. Bovendien bestaat het risico dat bij de inzet van lokmiddelen de grens tussen lokken en uitlokken wordt overschreden. Vanuit proportionaliteit en subsidiariteit zetten opsporingsdiensten ze daarom terughoudend in, vooral wanneer andere methoden onvoldoende resultaat opleveren.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige wet- en regelgeving binnen zowel het strafrecht als de jeugdzorg voldoende ruimte biedt voor vroegtijdig ingrijpen en de Kamer hierover te informeren?
We hebben momenteel voldoende instrumenten in handen om samen te kunnen werken, zowel aan de preventieve als aan de strafrechtelijke kant. Gemeenten zetten in om zo vroeg mogelijk kinderen, jongeren en gezinnen in een kwetsbare positie kansen te bieden. Waar nodig bieden zij passende jeugdhulp. Denk hierbij bijvoorbeeld aan opvoedondersteuning aan ouders en forensische jeugdhulp aan jeugdigen. Het is aan gemeenten om te zorgen voor voldoende passend aanbod. Professionals kunnen bij de keuze voor een passende interventies o.a. gebruik maken van de Richtlijn Ernstige gedragsproblemen.5
Het strafrecht wordt pas ingezet op het moment dat er een strafrechtelijk feit is begaan. In geval van vroegsignalering is hier geen sprake van. Politie kan wel signalen opvangen dat jongeren afglijden in de criminaliteit. Zij kunnen ook samenwerken met scholen of (preventief) doorverwijzen naar jeugdhulp, gemeenten en reclassering. Ik werk voortdurend aan de verbetering van deze samenwerking, bijvoorbeeld door knelpunten in de gegevensdeling tussen gemeenten en justitiepartners op te lossen met de Taskforce Gegevensdeling.
Het bericht 'Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis», en de daarin geschetste ontwikkelingen in de drugssmokkel?1
Ja.
Kunt u toelichten welke exacte kilo-cijfers de Douane in 2025 heeft gerapporteerd voor onderschepte cocaïne en cannabis, en hoe deze cijfers zich verhouden tot die van 2024 en 2023?
De Douane heeft de volgende exacte kilo-cijfers gerapporteerd.2
Jaartal
Cocaïne (in kg)
Cannabis (in kg)
2025
24.457
65.532
2024
37.642
14.492
2023
59.141
3.832
Kunt u aangeven welke achterliggende oorzaken u ziet voor de sterke toename van cannabisonderscheppingen in 2025, en in hoeverre de legalisatie van cannabis in landen als Canada, de Verenigde Staten en Thailand hieraan heeft bijgedragen?
De toename van cannabisonderscheppingen uit niet-Europese landen wordt al enkele jaren waargenomen. In opdracht van de politie is daarom een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoeksrapport, met de titel «Het gras is groener aan de overkant. De grootschalige illegale import van en handel in niet-Europese hennep», werd op 22 januari jl. gepubliceerd.
De politie ziet de (gedeeltelijke) legalisatie van hennepteelt en recreatieve consumptie in deze landen als de oorzaak van illegale overproductie uit de legale teelt. Deze teelt is bedoeld voor de lokale markt, maar wordt door criminele netwerken met een winstoogmerk ook gebruikt voor de illegale export. Deze is lucratief, met name voor de Europese markt, door de relatief lage prijzen en het hoge THC-gehalte van deze cannabis. De internationale handel in cannabis is overeenkomstig het Enkelvoudige Verdrag van de Verenigde Naties uit 1961 niet toegestaan. Hoewel de genoemde landen export ook niet toestaan, negeren criminelen deze verboden. Thailand heeft sinds 2025 de legalisering van cannabis grotendeels weer teruggedraaid. Het is daar alleen nog mogelijk om cannabis te gebruiken wanneer hiervoor een doktersrecept is verstrekt.
Welke maatregelen neemt u in 2026 om de gesignaleerde toename van cannabissmokkel vanuit legaal producerende landen tegen te gaan, en hoe worden deze maatregelen afgestemd met de betrokken producentenlanden?
Er vindt op verschillende niveaus een dialoog plaats met Canada en de Verenigde Staten om de cannabissmokkel vanuit deze landen terug te dringen. Zo hebben Nederland en België op 29 januari jl., als uitgaand waarnemer van de North American Drug Dialogue (NADD), op hoog ambtelijk niveau aandacht gevraagd voor de smokkel van cannabis vanuit Noord-Amerika. De NADD is een samenwerkingsverband tussen de VS, Canada en Mexico om drugssmokkel tegen te gaan. Op 23 april vindt in de horizontale EU-raadswerkgroep ten aanzien van drugs (HDG) de EU-VS-dialoog plaats. In de HDG hebben zowel de Ministeries van Volksgezondheid als van Binnenlandse Zaken/Veiligheid van de lidstaten zitting. De trans-Atlantische samenwerking op het gebied van cannabissmokkel staat op de agenda van de dialoog.
Op basis van het onderzoek dat in opdracht van de Nederlandse politie was uitgezet (zie antwoord3, is eind 2025 op voorspraak van de Nederlandse politie het onderwerp «cannabisimport uit Noord-Amerika» opgenomen in het operationele actieplan Cannabis, Cocaïne en Heroïne van het multidisciplinaire samenwerkingsplatform tegen georganiseerde criminaliteit (EMPACT). Nederland heeft ten aanzien van dit nieuwe actiepunt de leiding op zich genomen. Op deze manier blijft Nederland in Europees verband de komende jaren de aandacht vragen voor dit onderwerp.
De Nederlandse politie en Douane bespreken deze problematiek met hun partners. Zowel op operationeel niveau in de samenwerking vanuit het Hit and Run Cargo (HARC) Team in de haven van Rotterdam als tijdens werkbezoeken. Een politiedelegatie bracht in februari 2025 tegen deze achtergrond een bezoek aan Canada. Bij dit bezoek is gevraagd om strenger op te treden tegen de illegale export vanuit Canada.
De Douane is op dit moment bezig met het verder ontwikkelen van de samenwerking met de Canadese autoriteiten, onder andere gericht op het tegengaan van cannabis die naar Europa komt. De Nederlandse Douane deelt al jaren informatie met de Amerikaanse Douane, hetgeen regelmatig tot bevindingen heeft geleid, zowel in Nederland als de VS. Daarnaast start in februari 2026 een Nederlandse Douane-attaché op het National Targeting Centre (NTC) in Washington D.C. Deze attaché zal een belangrijke rol spelen in het verder verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen de VS, Nederland en alle andere landen die op het NTC een analist hebben geplaatst.
Hiernaast zijn er in verschillende landen in Latijns-Amerika Douane-attachés of politie-liaisons geplaatst gericht op het tegengaan van drugssmokkel; o.a. in Brazilië, Panama en Peru. Concrete effecten hiervan zijn het sluiten van Douaneverdragen en MoU’s met verschillende prioritaire landen, waaronder uitwisseling van operationele informatie plaatsvindt.
De samenwerking met Thailand heeft minder prioriteit. In Thailand werd vorig jaar de legalisatie van cannabis uit 2022 teruggedraaid. De verwachting is dat cannabissmokkel uit Thailand zal teruglopen.
Kunt u een overzicht geven van de belangrijkste smokkelroutes die door de Douane en opsporingsdiensten zijn vastgesteld voor cocaïne en cannabis, en wat de belangrijkste veranderingen zijn ten opzichte van voorgaande jaren?
Latijns-Amerika blijft het belangrijkste herkomstgebied van cocaïne. Wel zien we een diversificatie in zowel smokkelroutes als smokkelmethodes. Twee vangsten in Amsterdam afkomstig uit Ghana wijzen erop dat de rol van West-Afrika in de internationale drugshandel groeit. De cocaïne gaat in dat geval vanuit Latijns-Amerika via West-Afrika naar Europa. Het beeld wordt verder versterkt door gegevens van het UNODC waarin te zien is dat de afgelopen jaren recordhoeveelheden cocaïne door West-Afrikaanse landen in beslag worden genomen. Daarnaast worden er minder kilo’s cocaïne per vondst aangetroffen, wat erop wijst dat criminelen mogelijk aan risicospreiding doen.
Naast een verschuiving in smokkelroutes waarschuwen Europol en European Union Drugs Agency (EUDA), maar ook het Maritime Analysis and Operations Centre – Narcotics (MAOC-N), voor een verschuiving in smokkelmethodes. Europese landen zien namelijk in toenemende mate smokkel via drop-off en onderzeeboten, privéluchtvaart en het inwassen of chemisch camoufleren van cocaïne. Zie het antwoord op vraag 7 en 8.
Net als Nederland zien de ons omringende landen (Duitsland, België) en ook Spanje dezelfde stijgende trend in cannabis afkomstig uit Canada, VS en Thailand. De smokkel vindt zowel maritiem als via lucht plaats.
Welke internationale samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld met Canada, de Verenigde Staten, Thailand en EU-partners) zijn er momenteel gericht op het tegengaan van cannabis- en cocaïnesmokkel, en wat is het concrete effect van deze samenwerkingen tot nu toe?
Zie het antwoord op vraag 4.
In hoeverre duidt de daling van cocaïneonderscheppingen in 2025 volgens u op veranderingen in smokkelmethoden en -routes door criminele netwerken, en welke concrete aanwijzingen heeft u dat deze netwerken hun werkwijze hebben aangepast?
Zoals ook blijkt uit het rapport van Europol veranderen strategieën van criminele netwerken in de cocaïnehandel voortdurend.4 De havens van Antwerpen, Hamburg en Rotterdam zijn traditioneel de belangrijkste toegangspoorten voor grootschalige cocaïnehandel naar Europa. Dankzij de barrières die de Douane, politie en andere partners in deze havens hebben opgeworpen en de lancering van de Europese Havenalliantie, zijn de cocaïne-inbeslagnames in deze drie havens aanzienlijk gedaald (in Antwerpen is in 2025 een lichte stijging waargenomen ten opzichte van 2024, maar een grote daling ten opzichte van de vangsten cocaïne in 2023). Het is waarschijnlijk dat sommige criminele netwerken hun activiteiten naar andere Europese havens hebben verplaatst, zoals blijkt uit de toegenomen inbeslagnames in verschillende andere havens in de EU. Het is ook waarschijnlijk dat criminele netwerken steeds vaker gebruik maken van luchtvervoer, inclusief zowel luchtvracht als post en pakketten, om maritieme havens te vermijden. In vraag 8 ga ik verder in op welke nieuwe smokkelmethoden de Douane heeft waargenomen.
Tot slot merk ik op dat ondanks veranderingen in smokkelmethoden, in de haven van Rotterdam nog steeds de meeste cocaïnevangsten worden gedaan. Daarom blijven we ook daar volop inzetten om drugssmokkel tegen te gaan. In de eerste maanden van 2026 zijn in de Rotterdamse haven wederom een aantal zendingen cocaïne inbeslaggenomen, waaronder een grote vangst van 4.830 kilo.
Welke nieuwe smokkelmethoden (zoals drop-offs op zee of het verbergen van drugs in reguliere handelsgoederen) zijn in 2025 door de Douane waargenomen, en welke risicoanalyse is daarop gemaakt?
Het maakt criminelen niet uit welke Europese haven zij gebruiken voor de smokkel van drugs. Binnen Nederland werden in de haven van Amsterdam twee zendingen van in totaal 4.712 kilo cocaïne onderschept, afkomstig uit West-Afrika en verstopt in een lading hout. De Douane reageert hierop door in de haven van Amsterdam een vaste scan te plaatsen, en onderzoekt de mogelijkheden voor het plaatsen van een inspectieloods. In samenwerking met lokale partners wordt het cameratoezicht verder versterkt. In kleinere zeehavens is de Douane ook alert op drugssmokkel en wordt er samengewerkt met de Koninklijke Marechaussee, politie en Kustwacht.
Steeds meer Europese douanediensten signaleren een toename van het aantal drop-offs, oftewel het overboord gooien van drugs in zee of het overslaan op kleinere (vissers)schepen. In Nederland signaleerde de Douane in 2025 één drop-off, ter hoogte van Vlissingen. Begin 2026 zijn pakketten met zo’n 750 kilo hennep aangespoeld op het strand van Terschelling, mogelijk ging het om een mislukte drop-off. Douaniers worden speciaal getraind om drop-offs snel te herkennen en veilig en adequaat te handelen indien nodig.
Ook werd in Europees verband gesignaleerd dat criminelen in 2025 in toenemende mate gebruik maakten van onderzeeboten om cocaïne rechtstreeks vanuit Latijns-Amerika naar Europese landen als Spanje en Portugal te vervoeren. Elf onderzeeboten werden daar in beslag genomen. In Nederland is tot dusver nog geen smokkel via onderzeeboten gesignaleerd.
Daarnaast zijn er in Europees verband signalen van smokkel via privéluchtvaart en het inwassen of chemisch camoufleren van cocaïne. Daarom voert de Nederlandse Douane in 2026 meer controles uit op de privéluchtvaart, met als belangrijkste doel de risico’s op drugssmokkel beter in kaart te brengen.
De Douane heeft diverse mogelijkheden om ingewassen cocaïne op te sporen. Dat gebeurt zowel via detectiemiddelen tijdens controles als via uitgebreide tests in het Douane-laboratorium. Bij het inwassen wordt dragermateriaal zoals textiel/kleding geweekt in een vloeistof waarin cocaïne is opgelost. Vervolgens wordt de vloeistof verdampt en blijft de cocaïne achter in het materiaal, om het er op een later moment weer uit te wassen met behulp van een oplosmiddel.
Verder zetten we in om het chemisch camoufleren van cocaïne beter te kunnen detecteren. Bij chemisch camoufleren wordt cocaïne op moleculair niveau aan een dragermateriaal gehecht en daarmee gecamoufleerd. In een extractie-lab moet de cocaïne dan worden gescheiden van het dragermateriaal. Met het Nederlands Forensisch Instituut en de politie werkt de Douane samen om de detectiemiddelen nog verder te verbeteren. Zo wordt er nieuwe apparatuur aangeschaft en getest.5
Kunt u reageren op de constatering dat Nederland steeds vaker fungeert als doorvoerland naar Europa voor cannabis die legaal is geproduceerd in landen waar wietteelt is toegestaan en welke beleidsopties worden onderzocht om dit tegen te gaan?
De politie6 geeft aan dat de betrokkenheid van Nederlandse drugscriminelen verder reikt dan niet-Europese cannabis. Het gaat veelal om polydrugshandelaren, die al langer in de drugshandel actief zijn. Naast niet-Europese cannabis handelen ze ook in Europese hennep, synthetische drugs, heroïne en cocaïne, inclusief de import. Er is hierbij geen sprake van een specialisme, maar meer van opportunisme. Criminelen zoeken immers altijd naar manieren om snel geld te verdienen. We blijven daarom inzetten op het tegengaan van drugssmokkel als geheel en onderzoeken geen beleidsopties die specifiek op cannabis gericht zijn. Daarbij worden uiteraard wel accenten gelegd als er (nieuwe) ontwikkelingen in de drugssmokkelmethodes worden geconstateerd. Zo wordt de samenwerking met Canada en de VS geïntensiveerd om cannabissmokkel tegen te gaan en start in februari 2026 een Nederlandse Douane-attaché in Washington.
Welke veranderingen in prioritering en strafmaat acht u noodzakelijk bij de aanpak van cannabissmokkel, gezien de lagere straffen en de mogelijke verschuiving van criminele netwerken van cocaïne naar cannabis?
Veel van de barrières die we opwerpen om drugssmokkel te bemoeilijken en de pakkans te vergroten, maken geen onderscheid tussen soorten drugssmokkel. Douane en politie houden de veranderingen in modus operandi van criminelen altijd in de gaten en spelen daarop in.
Op dit moment is een aanpassing van de strafmaat voor cannabissmokkel niet aan de orde. Het gelijk trekken van de strafmaat voor het smokkelen van Lijst I en II middelen zou namelijk een complete herziening van de systematiek van de Opiumwet betekenen. In mei 2024 heeft het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring Drugs op verzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en naar aanleiding van de Motie van Nispen – waarin hij de regering verzoekt te onderzoeken of de huidige omgang met typen drugs en de indeling in lijsten nog wel objectief wetenschappelijk te rechtvaardigen is – een rapport opgeleverd. Hierin onderschrijven zij de uitkomsten van een eerder onderzoek «Drugs in lijsten: rapport Expertcommissie Lijstensystematiek Opiumwet» dat er geen overwegende voordelen aanwijsbaar zijn voor het wijzigen van de bestaande systematiek van twee lijsten.
Kunt u aangeven in hoeverre de daling van de onderschepte hoeveelheid cocaïne in 2025 (mede) het gevolg kan zijn van een verschuiving in toezicht- en handhavingsprioriteiten, waarbij relatief meer aandacht is uitgegaan naar cannabissmokkel, en bestaat het risico dat er evenveel cocaïne Nederland binnenkomt maar deze minder vaak wordt onderschept?
Er is geen sprake van een verschuiving in toezicht- en handhavingsprioriteiten, waarbij relatief meer aandacht is uitgegaan naar cannabissmokkel. In 2025 werden bijvoorbeeld (nog) meer douanecontroles uitgevoerd, mede gericht op onderschepping van cocaïne, in Rotterdam dan in 2024.
Bent u bekend met het bericht ««Ik was net een spaghettisliert»: verslaafde inbreker ontdekt in de gevangenis crystal meth, crack en viagra»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat drugs in de gevangenis zelfs meer verkrijgbaar zou zijn dan buiten de gevangenis?
Laat ik voorop stellen dat het onacceptabel is dat drugs in gevangenissen terecht komt. De invoer van drugs in de justitiële inrichtingen is strafbaar. Voor het verhandelen of het bezit van drugs gelden dezelfde strafrechtelijke normen als buiten de gevangenis. Voor het gevangenispersoneel maar ook voor gedetineerden zelf brengt het veiligheidsrisico’s met zich mee wanneer dit in de Penitentiaire Inrichtingen (PI) voorkomt. Daarom hanteert DJI een zerotolerancebeleid en wordt er stevig opgetreden.
Hoe is het volgens u mogelijk dat op grote schaal drugs in gevangenissen terecht komen, ondanks strenge controles?
DJI werkt hard om contrabande, waaronder drugs, te voorkomen.
Met een gelaagd proces wordt er op de volgende wijze op contrabande gecontroleerd:
Ondanks deze controles komt er drugs de gevangenissen in. Veel wordt onderschept voordat het een gedetineerde bereikt. Dit zijn bijvoorbeeld contrabande die zijn aangetroffen bij fouillering na bezoek, een controle na deelname aan een buitenactiviteit, controles van de post en gedetecteerde drones.
Mede daarom is de aanpak om contrabande tegen te gaan geïntensiveerd en is er momenteel een taskforce actief om contrabande in PI’s verder tegen te gaan. De taskforce volgt op een aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Ellian2. Bij een zestal PI’s worden minimaal zes maanden lang geïntensiveerde controles toegepast. De Kamer wordt overeenkomstig de motie hierover uiterlijk september 2026 geïnformeerd.
Deelt u de mening dat het problematisch is dat zelfs in gevangenissen drugsgebruik veelvuldig voorkomt en deelt u ook de mening dat hiervoor een passende straf zou moeten gelden?
Ik deel de mening dat het problematisch is wanneer drugs voorkomen in PI’s. De invoer en het verhandelen van drugs in de justitiële inrichtingen is strafbaar, en heeft bij constatering altijd consequenties. Tevens levert het veiligheidsrisico’s op als het gaat om de gezondheid van gedetineerden en medewerkers, en beïnvloeding van gedrag in negatieve zin. Wanneer drugsgebruik voorkomt, en dit herleidbaar is naar een gedetineerde, beslist de vestigingsdirecteur welke disciplinaire straf wordt opgelegd. In regimes waar het toetsingskader promoveren en degraderen geldt, wordt de gedetineerde gedegradeerd naar het basisprogramma. In regimes waar het toetsingskader niet geldt wordt op maat gesanctioneerd. Wanneer drugsinvoer herleidbaar is naar een bezoeker of «invoerder», wordt aangifte gedaan wat kan leiden tot strafrechtelijke sancties. Dit geldt ook voor bezit.
Wat zijn de consequenties als een gedetineerde wordt betrapt op het binnensmokkelen of gebruiken van drugs?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Worden volgens u voldoende maatregelen genomen om verslavingszorg aan te bieden aan gedetineerden die dat nodig hebben en in hoeverre is hierover voldoende kennis aanwezig bij het gevangenispersoneel?
Binnen de Penitentiaire Inrichtingen is verslavingszorg beschikbaar. Het medisch personeel bestaat uit BIG-geregistreerde professionals met kennis van verslavingszorg. Indien de zorgvraag het aanbod van een PI overstijgt kan forensische zorg worden ingezet. Dit is aanvullende ambulante zorg, die wordt ingekocht bij forensische zorgaanbieders, met het doel de kans op terugval in drugsgebruik en hiermee gepaard gaand crimineel handelen te verkleinen. Ook is er aandacht voor scholing voor met name de psychologen binnen PI’s. Tevens zijn er trainingen beschikbaar voor de medewerkers van de inrichtingen via het online leerportaal op het gebied van verslaving.
In hoeverre wordt (jaarlijks) onderzoek gedaan naar drugsgebruik en drugsinvoer in Nederlandse gevangenissen?
Aangetroffen contrabande, waaronder drugs, worden jaarlijks door DJI gepubliceerd.3 Verder worden er steekproefsgewijs urinecontroles uitgevoerd bij justitiabelen. DJI ontvangt de uitslagen van deze urinecontroles van het laboratorium die de controles uitvoert. Verder wordt er momenteel geen gericht onderzoek gedaan naar drugsgebruik- en invoer in Nederlandse gevangenissen. Ik bekijk of en wat de mogelijkheden zijn om drugsgebruik- en invoer in gevangenissen beter in kaart te brengen en wat daarvan de toegevoegde waarde is.
Hoe staat het met het experiment van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) om met nieuwe technologie synthetische drugs te kunnen opsporen?
Ontwikkelingen op de drugsmarkt volgen elkaar snel op en het opsporen van nieuwe psychoactieve stoffen (zoals synthetische cannabinoïden)
is moeilijk. De meeste van deze synthetische drugs worden namelijk niet gedetecteerd door bijvoorbeeld urinecontroles. Daarom investeert DJI in aanvullende detectie en laboratoriumanalyse. De afgelopen jaren is in meerdere inrichtingen geëxperimenteerd met nieuwe detectietechnologie voor sporenanalyse van verdachte materialen. De eerste resultaten zijn positief. Op basis daarvan schaalt DJI gefaseerd op: inrichtingen kunnen verdachte monsters centraal laten analyseren bij daartoe ingerichte testlocaties.
Hoeveel beschikkingen in het gevangeniswezen zijn in 2024 en 2025 opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs in de gevangenis?
In 2024 zijn er in het gevangeniswezen en vreemdelingenbewaring 3.155 beschikkingen opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs, in 2025 ging het om 3.548 beschikkingen.
Zijn er signalen bekend dat er nog steeds veel nieuwe psychoactieve stoffen in gevangenissen in Nederland worden gebruikt, zoals Spice en andere preparaten waarin synthetische cannabinoïden zijn verwerkt? Heeft u daar een beeld van? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te doen?
Zoals genoemd in het antwoord bij vraag 8 volgen de ontwikkelingen op de drugsmarkt elkaar snel op en is en blijft het lastig om synthetische drugs op te sporen, maar investeert DJI daarom in op aanvullende detectie en laboratoriumanalyse. Dit is nog steeds een grote uitdaging. Voor de vraag over onderzoek verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Kan de aanpak van gevangenissen in andere landen leerzaam zijn voor Nederland als het gaat om het aanpakken van drugsgebruik? Zo ja, welke specifieke ervaringen of ontwikkelingen zijn dat?
Op Europees niveau is er vanuit de European Union Drugs Agency (EUDA) al langere tijd aandacht voor de monitoring en behandeling van drugs in gevangenissen. Vanuit Nederland is er nog ruimte voor verbetering als het gaat om monitoring en de aanpak van drugsgebruik in detentie. Van andere landen valt dan ook zeker nog te leren. Er wordt bezien welke mogelijkheden er zijn om de aanpak en zorg rondom drugs te verbeteren in PI’s Voorbeelden en ervaringen uit andere landen worden hierin meegenomen.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voor het commissiedebat over drugsbeleid en het commissiedebat over gevangeniswezen, beiden gepland op 26 februari 2026?
Diplomafraude in de jeugdzorg |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: «Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen»«?1
Ja.
Deelt u de ernstige zorgen over de omvang van de diplomafraude in de jeugdzorg, waarbij volgens Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) mogelijk circa 800 personen werkzaam zijn met een vervalst ervaringscertificaat (EVC) en een deel van hen kwetsbare kinderen ronselt voor criminele activiteiten?
Ja. Het is onacceptabel dat onbekwame mensen zorg verlenen, zeker aan kinderen en jongeren in kwetsbare situaties. Iedereen die zorg of hulp ontvangt moet ervan uit kunnen gaan dat zorgverleners over de juiste kwalificaties beschikken. Fraude en criminaliteit in de zorg zijn ernstig, onaanvaardbaar en moeten stevig worden aangepakt.
Hoe wordt concreet gecontroleerd of de EVC’s waarmee huidige professionals werken authentiek zijn en niet frauduleus verkregen? Wie is hiervoor verantwoordelijk, en welke bevoegdheden zijn daarvoor beschikbaar?
Uit de steekproef van SKJ blijkt bij 18 van de 22 EVC-aanbieders onregelmatigheden in de EVC-trajecten voor te komen. Daarom heb ik vorig jaar met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek. Hiermee heeft SKJ de steekproef kunnen financieren en kunnen starten met het onderzoek van andere EVC-dossiers. Het Nationaal Kenniscentrum EVC (NKC) fungeert als toezichthouder van het EVC-stelsel. Het NKC verleent de erkenning als EVC-aanbieder aan een organisatie en ziet toe op de kwaliteit van EVC. Vervolgens is het aan werkgevers om te controleren dat werknemers beschikken over de juiste kwalificaties en bevoegdheden.
De resultaten van de steekproef worden in het antwoord op vraag 5 besproken. Ik ben in gesprek met SKJ en betrokken partijen over het vervolg hiervan.
Welke verantwoordelijkheid neemt het kabinet, vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor de jeugdzorg, voor het voorkomen en opsporen van diplomafraude, en welke concrete maatregelen zijn genomen of worden overwogen?
Registratie in het kwaliteitsregister Jeugd kon tot en met vorig jaar op basis van een diploma (onderwijsroute) en op basis van een EVC-certificaat (arbeidsmarktroute). De bijbehorende EVC-standaard is begin januari 2026 door de standaardeigenaren2 ingetrokken op basis van de uitkomsten van de steekproef van SKJ. De registratieroute op basis van EVC is daarmee geen mogelijkheid meer.
In de onderwijsroute heeft de Minister van OCW, vanuit diens stelselverantwoordelijkheid voor het formeel onderwijs, in juni 2025 alle onderwijsinstellingen opgeroepen om permanent terughoudend te zijn met het verlenen van vrijstellingen op basis van EVC-certificaten. Daarnaast heeft Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in 2025 een tool opgeleverd waarmee werkgevers op de website van DUO eenvoudig kunnen controleren of een mbo-, hbo- of wo-diploma echt is.
De arbeidsmarktroute is met het EVC-stelsel privaat georganiseerd. Vanuit diens stelselverantwoordelijkheid heeft de Minister van VWS vorig jaar met de collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten. Ook is toen extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. Voor het jeugddomein wil ik dat wettelijk verankeren door de vergewisplicht in te voeren. De internetconsultatie hiertoe is gepland in april. Tenslotte heb ik met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek.
Hoeveel kinderen en jongeren staan naar schatting gemiddeld onder begeleiding of toezicht van de circa 800 personen die mogelijk met een nepdiploma werkzaam zijn (geweest) in de jeugdzorg?
SKJ heeft de data van de 274 onderzochte EVC-dossiers uit de steekproef geëxtrapoleerd naar de hoog risico EVC-dossiers onder het totale aantal van 65.000 geregistreerden in het register. Dat leidt tot de inschatting van het aantal van 800 dossiers waar SKJ in dit artikel over rept. Het is niet bekend hoeveel mensen er daadwerkelijk in totaal op basis van een frauduleus EVC-certificaat geregistreerd staan en hoeveel daarvan werkzaam zijn in de jeugdhulp. Dat laat onverlet dat ik het van groot belang vind dat de jeugdsector kan rusten op een betrouwbaar systeem waarin professionals met de juiste ervaring op een betrouwbare en veilige manier aan het werk kunnen en zijn. Hierover ben ik met de betrokken partijen in gesprek.
Deelt u de zorgen over de veiligheid en het welzijn van deze kwetsbare kinderen en jongeren en heeft u zicht op de schade die is veroorzaakt door deze circa 800 personen?
Schade aan jeugdigen vanwege fraude in de jeugdhulp is onacceptabel. Ik vind het zorgelijk dat onbekwame mensen zorg verlenen aan jeugdigen in kwetsbare situaties. De kwaliteit en veiligheid van zorg aan kinderen en hun gezinnen moeten gewaarborgd zijn. Meerdere partijen in de sector hebben hierin een rol: werkgevers moeten de competenties van professionals toetsen, de SKJ registreert professionals die aan kwaliteitseisen moeten voldoen en de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Waar kunnen jeugdzorgorganisaties, professionals en bestuurders terecht als zij concrete zorgen of signalen hebben over medewerkers die jongeren ronselen voor criminaliteit, zoals prostitutie, drugshandel of andere vormen van georganiseerde misdaad?
Deze partijen kunnen hun vermoedens online of telefonisch melden bij Meld misdaad anoniem of bij het centrale meldpunt zorgfraude op de website van de Nederlandse Zorgautoriteit. Bij zorgen over de kwaliteit van zorg kan een melding worden gedaan bij het Landelijk Meldpunt Zorg. Tenslotte kan men ook aangifte doen bij de politie.
Acht u de huidige meldpunten en instanties (zoals IGJ, SKJ en/of politie) voldoende toegerust om dergelijke signalen snel, deskundig en veilig op te pakken?
Omdat het EVC-stelsel geen direct toezicht vanuit de overheid kent, hebben instanties zoals de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) geen formele rol. Wel hebben zij een belangrijke rol gespeeld bij het signaleren en agenderen van de EVC-problematiek. Bij strafrechtelijke overtredingen kan de strafrechtketen, waaronder de Politie, een rol spelen.
Per 1 januari 2025 heeft de Stichting Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ) de wettelijke taak gekregen signalen van zorgfraude te bundelen en delen met toezichthouders en opsporingsdiensten. Alle gemeenten zijn verplicht vermoedens van zorgfraude bij het IKZ te melden. Dankzij de wettelijke grondslag van het IKZ is doelmatige gegevensdeling tussen onderlinge instanties eenvoudiger. Dit versterkt de aanpak van fraude in de zorg.
Het Nationaal Kenniscentrum EVC is de toezichthouder van het EVC-stelsel, maar heeft onvoldoende handhavingsmogelijkheden. Daarom hebben de EVC-standaardeigenaren de EVC-standaard voor het jeugddomein ingetrokken. Dit is een ingrijpende, maar noodzakelijke stap. De jeugdzorgsector werkt nu aan een beter systeem opdat mensen met de juiste ervaring op een betrouwbare en veilige manier aan het werk kunnen en zijn in de jeugdzorg. Hierover ben ik met de sector in gesprek.
Hebben deze instanties voldoende doorzettingsmacht om direct in te grijpen wanneer sprake is van ernstige risico’s voor jongeren, bijvoorbeeld door tijdelijke schorsing, verscherpt toezicht of het uit het register verwijderen van betrokken professionals?
Zie mijn antwoord op vraag 8.
Welke stappen zijn tot nu toe gezet richting personen die bewust met een vervalst diploma in de jeugdzorg zijn gaan werken en staan deze in verhouding tot de ernst van de mogelijke schade?
De SKJ is momenteel bezig met de aangifte tegen EVC-bureaus waar ernstige onregelmatigheden in de EVC-dossiers zijn geconstateerd. SKJ beziet nog of ook aangifte tegen individuele personen kan worden gedaan. Van de groep geregistreerden bij wie onrechtmatigheden in hun EVC-dossiers is gevonden, is de registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd inmiddels doorgehaald. Dat betekent dat zij niet langer inzetbaar zijn voor taken in de jeugdhulp die vanwege o.a. complexiteit en risiconiveau de inzet van een geregistreerde professional eisen.
Worden deze personen uitsluitend administratief uit het register verwijderd, of wordt ook gekeken naar strafrechtelijke vervolging en beroepsverboden?
Doorhaling van een registratie in het Kwaliteitsregister is niet slechts een administratieve verwijdering. Professionals die in het register staan ingeschreven mogen voorbehouden taken uitvoeren in risicovolle en complexe casussen, conform het Kwaliteitskader Jeugd. Bij doorhaling is voor iedereen, in het publiek te raadplegen register, zichtbaar welke professionals niet langer aan de eisen voldoen om deze taken uit te mogen voeren. Dat is daarmee een zorgvuldig proces. Behalve doorhaling van de registratie, is SKJ in het proces van aangifte doen tegen EVC-bureaus met als doel strafrechtelijke vervolging, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 10. Het Openbaar Ministerie kan in een strafrechtelijk proces als onderdeel van de straf een beroepsverbod eisen.
Hoe beoordeelt u het feit dat SKJ aangeeft onvoldoende middelen te hebben om nader onderzoek te doen naar mogelijk frauduleuze registraties, terwijl toezicht op kwaliteit, toetsing en scholing van jeugdzorgprofessionals tot haar kerntaken behoort en welke stappen neemt u om dit op te lossen?
Jeugdigen en ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat geboden jeugdhulp van goede kwaliteit is. De steekproef en het vervolgdossieronderzoek komen bovenop de reguliere taken van SKJ. Daarom heb ik vorig jaar met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor dit EVC-dossieronderzoek. Hiermee heeft SKJ de steekproef kunnen financieren en kunnen starten met het onderzoek van andere EVC-dossiers. Ik ben in gesprek met SKJ en betrokken partijen over het vervolg.
Acht u het wenselijk dat toezicht op EVC-aanbieders en de controle op diploma’s in de zorg grotendeels privaat is georganiseerd en niet onder direct overheidstoezicht valt ondanks dat dit tot deze misstanden heeft geleid?
Het kabinet acht overheidstoezicht op private EVC-aanbieders een onvoldoende oplossing om de huidige misstanden aan te pakken en te voorkomen. Het is allereerst aan werkgevers om te controleren of werknemers beschikken over de juiste kwalificaties en bevoegdheden. Examencommissies van onderwijsinstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het beoordelen of iemand voldoende kennis en kunde heeft om in aanmerking te komen voor een vrijstelling van een (deel van een) examen. De focus moet daarom liggen op werkgevers en onderwijsinstellingen die deze expertise en verantwoordelijkheden hebben, en niet op het al dan niet publiek toezien op een privaat stelsel. De sociale partners in de jeugdzorg nemen hierin hun verantwoordelijkheid en hebben besloten, na onderzoek naar de kwaliteit van de vakbekwaamheidsbewijzen op basis van EVC-trajecten, te stoppen met erkenning van deze bewijsstukken.
Deelt u de zorg dat personen met slechte intenties zich, nu de jeugdzorg strenger wordt, mogelijk verplaatsen naar andere zorgsectoren waar EVC’s nog wel worden erkend, zoals de wijkverpleging of gehandicaptenzorg?
Ik deel die zorg. Daarom heeft de Minister van VWS vorig jaar met collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten, vanwege de signalen van fraude. Ik roep ook de veldpartijen in andere zorgsectoren op kritisch te kijken naar de kwaliteit van EVC-certificaten en in hoeverre deze kan worden geborgd, net zoals de sociale partners in de jeugdzorg hebben gedaan.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat deze problematiek zich verplaatst naar andere delen van de zorg, en om kwetsbare cliënten daar eveneens beter te beschermen?
Zoals in antwoord 14 aangegeven is vorig jaar een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken met professionals op basis van EVC-certificaten. Er is extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. De Minister van VWS beziet samen met de Ministers van OCW, SZW en JenV welke aanvullende maatregelen noodzakelijk en effectief zijn. Zij zullen de Kamer hier binnenkort over informeren.
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het WGO Jeugd beantwoorden?
Ja.