Georganiseerd seksueel geweld |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie legt schokkend netwerk bloot in Nederland: vrouwen door hun partner bedwelmd, verkracht en gefilmd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het feit dat er in deze gevallen sprake is van samenwerking tussen meerdere verdachten die het beeldmateriaal binnen digitale netwerken met elkaar deelden, tips uitdelen en elkaar aanmoedigen, er sprake is van georganiseerd seksueel geweld?
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze zaak. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuur van 9 juni 2026 heb aangegeven waren er acht verdachten in beeld waarvan er vier toen zijn aangehouden. Inmiddels zitten deze vier verdachten niet meer vast, maar zij blijven wel verdachten. Het strafrechtelijk onderzoek is nog in volle gang. Wanneer er gewichtige ontwikkelingen zijn in het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoeksbelang zich hiertegen niet verzet zal ik uw Kamer, in lijn met mijn toezegging op 9 juni jl. om uw Kamer te informeren over de voortgang van deze zaak, hierover informeren.
Wanneer meerdere verdachten samenwerken, beeldmateriaal delen, elkaar tips geven en elkaar aanmoedigen bij het plegen van seksueel geweld, kan sprake zijn van georganiseerd seksueel geweld (zie ook het antwoord op vraag 5). het zo zou zijn dat er netwerken zijn waarbinnen vrouwen worden gedrogeerd en daarna worden verkracht is dat bijzonder schokkend. Als hiervan vervolgens ook beeldmateriaal zou worden gedeeld met anderen is dat natuurlijk extra kwalijk. Dit onderstreept het belang van grondig onderzoek naar de rol van alle betrokkenen bij strafbare feiten en van een effectieve strafrechtelijke aanpak daarvan.
Is er voldoende kennis over het fenomeen georganiseerd seksueel geweld en hoe andere landen dit fenomeen bestrijden?
De Nederlandse opsporingsdiensten werken, onder andere in EPMACT2-verband en in de Virtual Global Taskforce,3 nauw samen met een groot aantal buitenlandse opsprongsdiensten. In deze gremia wordt kennis en informatie over seksueel geweld gedeeld en besproken, in het bijzonder wanneer er aanwijzingen zijn die wijzen op stelselmatigheid of een georganiseerd verband.
Daarnaast werkt de politie in de aanpak van (online) seksuele misdrijven intensief samen met ketenpartners binnen het strafrecht en de hulpverlening. Met name tussen de specialistische teams binnen de politie (Teams Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme, Teams opsporing seksuele misdrijven en Teams Migratiecriminaliteit en Mensenhandel), en specifieke experts bij de ketenorganisaties vindt nauwe samenwerking en kennisdeling plaats. Ook hier geldt dat als er signalen zijn van stelselmatigheid, dit zal opvallen en aanleiding zal vormen voor nader onderzoek.
Zoals aangegeven in de beleidsbrief JenV, wil dit kabinet vanuit de envelop nationale veiligheid bestemd voor politie, een impuls geven aan de aanpak van online seksuele misdrijven.4 Ik zal uw Kamer in de JenV-ontwerpbegroting informeren over de nadere invulling van de middelen.
De politie is belast met de (digitale) opsporing. Het OM beoordeelt de uitkomsten daarvan aan de hand van het geldende juridisch kader. Bij het OM werken collega’s die gespecialiseerd zijn in seksuele misdrijven en collega’s die specifieke expertise hebben op gedigitaliseerde criminaliteit. Deze portefeuilles werken nauw met elkaar samen. De digitale ontwikkelingen en modus operandi op dit terrein gaan snel. Er wordt geïnvesteerd om deze dynamiek bij te benen.
Deelt u de mening dat georganiseerd seksueel geweld een andere aanpak behoeft dan individuele zedenzaken?
Ja, verschillende typen zaken vragen een andere benadering. Grootschalige zaken van seksueel geweld met een online component vragen bijvoorbeeld een andere manier van opsporen dan individuele zaken van fysiek seksueel geweld, omdat de opsporing ervan per definitie regio-overstijgend is, er veelal (aanvankelijk) geen verdachten bekend zijn en er meerdere slachtoffers worden gemaakt. Omdat bewijsvergaring vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt dit bovendien om andere specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en analisten.
Bij zowel individuele zedenzaken als grootschalige zedenzaken geldt dat het van groot belang is dat er sprake is van coördinatie en samenwerking met ketenpartners binnen het strafrecht, en met het zorg- en veiligheidsdomein (bijvoorbeeld Centrum Seksueel Geweld, Slachtofferhulp NL, reclassering), zodat de juiste hulp en ondersteuning kan worden geboden aan slachtoffers.
Bent u bereid met spoed te onderzoeken hoe georganiseerd seksueel geweld als zelfstandige categorie kan worden erkend en aangepakt?
Ja, ik zal conform mijn toezegging tijdens het Mondelinge Vragenuur van 9 juni jl., samen met de politie en het Openbaar Ministerie verkennen of georganiseerd seksueel misbruik een afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk vergt. Daarbij wordt bezien of de aard, omvang en kenmerken van deze problematiek aanleiding geven om deze als een zelfstandige categorie binnen beleid en opsporing te benaderen en welke eventuele vervolgstappen daarbij passend zijn. De Kamer wordt over de uitkomsten van deze verkenning geïnformeerd in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven voorafgaand het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 9 december 2026.
Bent u het ermee eens dat de verantwoordelijkheid nog te veel op de schouders van slachtoffers ligt wanneer digitale bedrijven pas in actie komen na melding van het slachtoffer? Hoort deze verantwoordelijkheid niet bij de bedrijven zelf te liggen?
Het kabinet is van mening dat online platforms en techbedrijven een belangrijke verantwoordelijkheid dragen bij het tegengaan van online seksueel misbruik.
De verantwoordelijkheid van tussenhandeldiensten, waaronder online platforms, is in de Europese Unie geharmoniseerd geregeld in de Digital Services Act (DSA). De Digital Services Act (DSA) bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten en online platforms, en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waaraan deze diensten moeten voldoen. Op grond van de DSA zijn tussenhandeldiensten in beginsel niet aansprakelijk voor de informatie die gebruikers via hun diensten verspreiden. Dat zijn de gebruikers zelf.
Echter, de DSA bepaalt ook dat hostingdiensten en online platforms het mogelijk moeten maken om illegale inhoud bij hen te melden. Wanneer ze een dergelijke melding ontvangen dan worden zij geacht om prompt actie te ondernemen en ingeval er sprake is van illegale inhoud om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen zij zich niet beroepen op de aansprakelijkheidsvrijstelling. De DSA bevat verschillende andere zorgvuldigheidsverplichtingen die beogen illegale inhoud tegen te gaan, zoals de verplichting om gebruikers die frequent illegale inhoud plaatsen, te schorsen.
Mijn ministerie zet zich in om de bestaande mogelijkheden onder de DSA te benutten zodat slachtoffers zo goed mogelijk worden geholpen. Zo ondersteunt mijn ministerie stichting Offlimits en Meld Online Discriminatie, die door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) op basis van de DSA zijn aangewezen als «betrouwbare flaggers». Hun meldingen moeten door hostingdiensten en online platforms met prioriteit worden behandeld.
De DSA betreft maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Dit biedt een belangrijke mogelijkheid om te bezien of aanvullende verplichtingen voor tussenhandeldiensten nodig zijn. De evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Bent u bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk waarin platformen verantwoordelijk worden gehouden voor het niet bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal? Welke lessen kan Nederland leren uit deze Online Safety Act?
Ja, ik ben bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk. De Online Safety Act 2023 verplicht alle bedrijven die onder de wet vallen, waaronder sociale-mediaplatforms, om snel en doeltreffend op te treden tegen strafbaar online misbruik. De wet legt alle technologieplatforms een wettelijke verplichting op om proactief de meest schadelijke illegale inhoud aan te pakken. Hieronder valt ook misbruik met intieme afbeeldingen.
Op grond van de wet moeten gebruikers- en zoekdiensten die onder de reikwijdte van de wet vallen de risico's van illegale inhoud op hun platforms beoordelen en passende systemen en processen invoeren om te voorkomen dat gebruikers met illegale inhoud worden geconfronteerd. Daarnaast moeten zij de tijd dat dergelijke inhoud online beschikbaar blijft tot een minimum beperken en deze snel verwijderen zodra zij hiervan op de hoogte zijn. Dit geldt ook voor misbruik met intieme afbeeldingen, dat binnen dit wettelijke kader is aangemerkt als een prioritaire vorm van «illegale schade».
«Ofcom», als onafhankelijke toezichthouder in het Verenigd Koninkrijk, heeft wettelijke gedragscodes (Codes of Practice) gepubliceerd waarin wordt uiteengezet welke maatregelen aanbieders kunnen nemen om aan deze verplichtingen te voldoen. Er bestaan handhavingsmechanismen om naleving af te dwingen. Wanneer bedrijven hun verplichtingen niet nakomen, beschikt Ofcom over handhavingsbevoegdheden, waaronder het opleggen van boetes tot 18 miljoen Britse pond of 10% van de in aanmerking komende wereldwijde omzet, afhankelijk van welk bedrag hoger is. In de ernstigste gevallen kan Ofcom de rechter verzoeken maatregelen te nemen om de toegang tot niet-conforme diensten in het Verenigd Koninkrijk te blokkeren. Onder bepaalde omstandigheden kan Ofcom bovendien strafrechtelijke vervolging instellen tegen leidinggevenden.
Daarnaast voert de regering van het Verenigd Koninkrijk via de Crime and Policing Act een nieuwe verplichting in voor technologieplatforms om intieme afbeeldingen die zonder toestemming zijn gedeeld zo snel mogelijk te verwijderen, en in ieder geval binnen 48 uur na een geldige melding van een gebruiker. Ook hierbij geldt dat bedrijven die niet aan deze verplichting voldoen, boetes kunnen krijgen tot 10% van hun wereldwijde omzet of, in de ernstigste gevallen, dat hun dienst in het Verenigd Koninkrijk kan worden geblokkeerd.
Het is van belang om de Britse ervaringen zorgvuldig te volgen en te evalueren. Binnen de Europese Unie geldt het kader van de Digital Services Act (DSA), dat grote online platforms eveneens verplicht om risico's op illegale content te beperken en daartegen op te treden. Nederland zet zich in voor een effectieve uitvoering en handhaving van deze regels.
Klopt het dat in het Verenigd Koninkrijk het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap waarin strafbare dingen gebeuren, strafbaar is gesteld?
Nee, uit navraag bij collega’s van het Britse Ministerie van Binnenlandse Zaken blijkt dat het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap op zichzelf niet strafbaar is onder het Britse recht. Strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat op basis van concrete strafbare gedragingen die binnen zo'n digitale gemeenschap worden verricht, en niet door het enkele lidmaatschap of passieve deelname.
Zo is het zonder toestemming delen van intieme afbeeldingen, waaronder gemanipuleerde of deepfake afbeeldingen, strafbaar. Daarnaast bestaan – net als in Nederland – strafbepalingen die zien op het opzettelijk vervaardigen of laten vervaardigen van een intieme afbeelding van een ander zonder diens toestemming. Ook kan strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaan wanneer iemand strafbare activiteiten binnen dergelijke groepen faciliteert of bevordert, bijvoorbeeld door een actieve rol te spelen bij het mogelijk maken van het delen of verspreiden van illegale content. Dit kan zich voordoen wanneer beheerders of moderatoren, terwijl zij op de hoogte zijn van strafbare activiteiten, handelingen verrichten die deze activiteiten ondersteunen of stimuleren, of wanneer personen zelf deelnemen aan de verspreiding van dergelijk materiaal.
Daarnaast kunnen algemene strafrechtelijke bepalingen, zoals medeplichtigheid, deelneming aan een samenspanning of strafbare feiten met betrekking tot de verspreiding van illegale content, van toepassing zijn. Welke bepalingen gelden, hangt af van de rol, kennis en intentie van de betrokkene.
Tot slot heeft de Britse regering aangegeven de operationele aanpak van deze risico's verder te versterken. Daarbij wordt onder meer ingezet op gespecialiseerde undercoverteams die online opereren, beschikken over technische expertise om ernstige daders op te sporen en kunnen infiltreren in online omgevingen waar dergelijke strafbare feiten plaatsvinden.
Ook de Nederlandse politie werkt, onder meer in EMPACT-verband, mee aan internationale undercoveroperaties, met gekwalificeerde medewerkers. Op deze manier wordt kennis en expertise van de Nederlandse opsporing vergroot en levert de politie een waardevolle bijdrage in internationale opsporingsonderzoeken.
Bent u bereid te onderzoeken of een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld bij kan dragen aan een betere strafrechtelijke aanpak van facilitatoren en passieve deelnemers door bijvoorbeeld het strafbaarstellen van enkel het deelnemen aan dit soort onlinegroepen?
Gelet op de bestaande strafbaarstellingen en strafverzwaringsgronden vind ik een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld niet nodig of wenselijk. Zo zijn in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht verschillende seksuele misdrijven opgenomen die bij seksueel geweld dat in georganiseerd verband wordt begaan van toepassing kunnen zijn, zoals vormen van aanranding en verkrachting. Daarbij is van belang dat niet alleen degenen die fysiek betrokken zijn bij de seksuele handelingen die worden verricht strafbaar kunnen zijn wegens betrokkenheid bij seksuele misdrijven. Dit kunnen bijvoorbeeld ook personen zijn die op afstand seksuele handelingen aansturen die een slachtoffer aan het eigen lichaam verricht of die een derde bij het slachtoffer verricht. Als dergelijke misdrijven door twee of meer verenigde personen worden gepleegd wordt het toepasselijke gevangenisstrafmaximum met drie jaar verhoogd (artikel 254, eerste lid, onder b, Sr). Ook zijn als medeplichtigen strafbaar degenen die behulpzaam zijn bij het plegen van een seksueel misdrijf of daartoe opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen (artikel 48 Sr). Degenen die het feit door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk uitlokken of daartoe een poging doen, zijn eveneens strafbaar (artikelen 47, eerste lid, onderdeel 2°, en 46a Sr). Verder is het vervaardigen, openbaar maken en verspreiden van beeldmateriaal van seksueel misbruik – zoals beeldmateriaal van een aanranding of verkrachting – afzonderlijk strafbaar gesteld (artikel 254ba, eerste lid, Sr). Tot slot is deelneming aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft om seksuele misdrijven te plegen, strafbaar op grond van artikel 140 Sr.
Het enkel passief deelnemen aan een online groep zal in de regel niet voldoende zijn voor strafbaarheid. Dat acht ik, hoe verwerpelijk het bestaan van deze groepen ook is, ook niet wenselijk. Voor strafbaarheid zal steeds enige actieve betrokkenheid bij een concreet strafbaar feit vereist zijn.
Wat is de stand van zaken van het wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten digitale groepen te kijken?
Op dit moment wordt gewerkt aan een wettelijke grondslag voor informatievergaring door de politie uit publiek toegankelijke bronnen voor het voorkomen of beëindigen van ernstige openbare-ordeverstoringen. De politie mag dan, binnen bepaalde waarborgen, ook gegevens vergaren als daarmee een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Een wetsvoorstel met die strekking ligt momenteel ter advisering voor bij de Afdeling advisering van de Raad van State. Dat wetsvoorstel ziet op het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen. Ondertussen wordt een tweede tranche van het wetsvoorstel, voor toegang tot besloten groepen, voorbereid. Het streven is om dat wetsvoorstel, dat de politie de bevoegdheid geeft om in besloten groepen te kijken, in de tweede helft van 2026 in consultatie te geven.
Bent u bereid in dit wetstraject ook mee te nemen welke bevoegdheden de politie nodig heeft om in besloten digitale groepen te kijken om georganiseerd seksueel geweld tegen te kunnen gaan?
Het wetsvoorstel ziet op informatievergaring ten behoeve van openbare-ordehandhaving. Om georganiseerd seksueel geweld te bestrijden is het inzetten van strafvorderlijke bevoegdheden passender dan de bevoegdheden gericht op het aanpakken van verstoringen van de openbare orde.
Wanneer sprake is van een concrete verdenking van een misdrijf (zoals een seksueel misdrijf), beschikken opsporingsinstanties reeds over verschillende bevoegdheden die digitale observatie in besloten digitale groepen mogelijk maken.
De politie beschikt op grond van artikel 3 Politiewet 2012 over de bevoegdheid voor kortdurende, niet-stelselmatige observaties. In geval van een concrete verdenking van een misdrijf, kan de officier van justitie op grond van de artikelen 126g en 126j Sv bevelen tot stelselmatige observatie of het stelselmatig inwinnen van informatie.
De toename van geweld, mishandeling, bedreiging en diefstal door migranten in de Amsterdamse Binnenstad |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Groepjes jongens stelen niet alleen, maar beroven, bedreigen en mishandelen ook: «alarm om steeds gewelddadigere dieven in Amsterdamse binnenstad»»?1
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Klokkenluider binnen politiekorps: «Criminele asielzoekers terroriseren Amsterdam»» van 25 augustus 2022?2
Ja.
Kunt u een reflectie geven op de oorzaken, gevolgen en de toename van deze problematiek over de afgelopen vier jaar? Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren getroffen om deze criminaliteit terug te dringen?
We zien niet alleen in de Amsterdamse binnenstad, maar ook in andere grote steden, een aanhoudend probleem van overlast en criminaliteit waar ook jonge asielzoekers bij betrokken zijn. Het gaat daarbij vaak om een mobiele groep overlastgevers, die overlast of criminaliteit pleegt in een andere gemeente dan waar zij zelf feitelijk verblijft.
Bureau Beke heeft eerder in opdracht van het WODC onderzocht welke factoren ten grondslag kunnen liggen aan verschillende vormen van overlast en crimineel gedrag door COA-bewoners. Dit onderzoeksrapport is eind vorig jaar gepubliceerd.
Bij brief van 22 mei jl. heb ik uw Kamer nader geïnformeerd over deze kwalitatieve onderzoeksbevindingen en de daaraan gerelateerde inzet vanuit het Rijk.3
Op lokaal niveau worden in Amsterdam ten aanzien van overlast verschillende bestuurlijke maatregelen ingezet, zoals cameratoezicht en de instelling van overlastgebieden, waarin gebiedsverboden kunnen worden opgelegd na het begaan van wets- of APV-overtredingen. Voor de politie heeft de overlast in het centrumgebied hoge prioriteit; er is extra toezicht ingericht in de winkelstraten en er wordt nauw samengewerkt met partners aan nieuwe interventies. Hierbij wordt veelvuldig operationeel afgestemd, waarbij signalen van ondernemers en beveiligers direct worden vertaald naar een gerichte politie-inzet. Daarnaast monitort de politie, en dan specifiek de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), de situatie nauwgezet om, in samenwerking met de IND en het COA, waar mogelijk direct maatregelen te treffen binnen de asielketen.
Bent u bereid om na te vragen bij de politie in Amsterdam centrum, waar vier jaar geleden deze noodklok werd geluid, om te onderzoeken, desnoods op basis van mogelijk anonieme vragen, hoe agenten aankijken tegen de situatie op dit moment, wat er aan maatregelen is genomen de afgelopen vier jaar, en wat er volgens hen aanvullend nodig is?
Zie antwoord vraag 3.
In 2022 stelden klokkenluiders bij de Amsterdamse politie dat zij hun handen vol hadden aan criminele asielzoekers uit Noord-Afrika, dat het bestrijden van deze criminaliteit zinloos was zolang daders niet werden uitgezet, en dat zij dit als zeer frustrerend ervoeren; wat kunt u, vier jaar later, zeggen tegen deze agenten om hun zorgen tegemoet te komen, en op welke concrete wijze is de situatie sindsdien verbeterd?
Het kabinet geeft hoge prioriteit aan de terugkeer van vertrekplichtige vreemdelingen. Daartoe worden langs meerdere sporen stappen gezet om het aantal vertrekken te verhogen. Voor gedwongen terugkeer is het essentieel dat vreemdelingen in beeld zijn bij de Nederlandse autoriteiten. Daarbij wordt, als dit nodig is, gebruik gemaakt van vreemdelingenbewaring. In 2025 is het aantal plekken voor vreemdelingenbewaring uitgebreid.
Medewerking van derde landen is cruciaal, zoals voor het afgeven van vervangende reisdocumenten. De laatste jaren heeft Nederland sterk ingezet op het verbeteren van de migratiesamenwerking met derde landen. Als gevolg hiervan is de terugkeersamenwerking met verschillende landen, waaronder landen in Noord-Afrika, verbeterd. Zo is er nu sprake van «zicht op uitzetting» naar Marokko en Algerije. Dit heeft ook ertoe geleid dat Nederland de laatste jaren meer vertrekplichtige vreemdelingen naar deze landen heeft kunnen uitzetten.
De nieuwe Terugkeerverordening moet de terugkeerprocedure versimpelen, administratieve lasten verminderen en zorgen voor een eenvoudiger en efficiënter Europees terugkeerproces. Daarnaast creëert de nieuwe terugkeerverordening meer gronden voor vreemdelingenbewaring, mogelijkheden om langere inreisverboden op te leggen en creëert het tevens mogelijkheden voor innovatieve oplossingen, bijvoorbeeld terugkeer- en transithubs.
Daarnaast is het kabinet bezig om bepaalde onderdelen van het Nederlandse terugkeersysteem te wijzigen. Enkele van de voorgestelde wijzigingen zijn opgenomen in de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring, die onlangs is aangenomen in de Tweede Kamer. Zo wordt in deze wet de mogelijkheid voor ongewenstverklaring van vreemdelingen verruimd. Ook maakt de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring het meewerken aan vertrek verplicht.
Hoeveel (uitgeprocedeerde) criminele asielzoekers zijn de afgelopen jaren per jaar vervolgd en hoeveel bestraft voor criminaliteit, van hoeveel criminele asielzoekers is als gevolg daarvan hun asielprocedure stopgezet en afgewezen en hoeveel criminele asielzoekers zijn uitgezet? Voor welk type misdrijven is in de praktijk besloten om asielprocedures stop te zetten en/of uit te zetten?
Voor een cijfermatig overzicht van het aantal verdachtenregistraties van COA-bewoners en de strafrechtelijke afdoeningen door het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak verwijs ik naar de zogeheten Incidentenmonitor van het WODC. Op 2 juli jl. is de rapportage over 2019–2025 door het WODC gepubliceerd.4
Wanneer vreemdelingen misdrijven plegen en hiervoor (onherroepelijk) veroordeeld zijn, toetst de IND op verblijfsrechtelijke consequenties. In 2025 werden 20 asielvergunningen ingetrokken en 110 asielaanvragen afgewezen op grond van de openbare orde.5
Bent u het met de indieners eens dat het cruciaal is dat asielzoekers die dergelijk crimineel gedrag vertonen de consequenties daarvan moeten (leren) vrezen om hen hiervan te weerhouden? In hoeverre vindt u dat de consequenties die zij op dit moment doorgaans ondervinden voldoende afschrikwekkend zijn? Kunt u dit toelichten?
Ja, ik ben het met de indieners eens dat asielzoekers die crimineel gedrag vertonen daarvan de consequenties moeten ondervinden. Een asielzoeker die een strafbaar feit pleegt, moet duidelijk merken dat het plegen van misdrijven direct strafrechtelijke gevolgen heeft (lik-op-stuk). Onder lik-op-stuk beleid wordt verstaan een snelle interventie na aanhouding van de verdachte tot en met de succesvolle tenuitvoerlegging van de straf. Dat zijn bij voorkeur de supersnelrechtzitting bij de politierechter, waarbij de verdachte binnen 72 uur na aanhouding vanuit de inverzekeringstelling wordt berecht en de snelrechtzitting bij de politierechter waarbij de verdachte binnen 17 dagen na aanhouding vanuit de bewaring wordt berecht. In beide situaties wordt een verdachte berecht vanuit de voorlopige hechtenis en kan de rechter bevelen dat de resterende straf direct aansluitend wordt uitgezeten.
Of de inzet van (super)snelrecht en directe tenuitvoerlegging van de sanctie (vaak een gevangenisstraf) mogelijk is, hangt af van de omstandigheden en is aan de officier van justitie.
Hoe vaak worden criminele asielzoekers die winkeldiefstallen plegen en werkloos geraakte arbeidsmigranten die overvallen of geweld plegen zoals beschreven in deze artikelen en die worden opgepakt door winkelaars en/of vervolgens door de politie, daadwerkelijk vervolgd?
Deze categorisering wordt door het Openbaar Ministerie niet cijfermatig bijgehouden.
Hoe vaak krijgen criminele asielzoekers die worden gepakt voor dergelijke misdrijven gestraft door een maatregel opgelegd door het asielzoekerscentrum (AZC)?
De opsporing en vervolging van strafbare feiten berusten primair bij de strafrechtketen en vallen niet onder de verantwoordelijkheid van het COA. Hoe vaak COA een maatregel oplegt die verband houdt met gedragingen van de bewoner buiten het AZC, wordt niet als categorie zodanig systematisch bijgehouden.
De IND beziet bij een onherroepelijke veroordeling altijd of verblijfsrechtelijke consequenties mogelijk zijn (bijvoorbeeld intrekking of weigering).
Klopt het dat politieteams in de Amsterdamse binnenstad destijds het overgrote deel van hun tijd kwijt waren aan criminele asielzoekers, zoals in 2022 werd gerapporteerd? Kunt u bij de betreffende politieteams nagaan welk deel van hun schaarse politietijd agenten momenteel kwijt zijn aan deze groepen criminelen in de Amsterdamse binnenstad, Ter Apel en Budel?
Deze vraag kan niet kwantitatief worden beantwoord, omdat de politie-inzet niet op deze wijze wordt geregistreerd.
Klopt het dat winkeliers SODA-boetes (Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling) van 181 euro uitsluitend kunnen opleggen aan Nederlands ingezetenen en dat arbeidsmigranten en asielzoekers daardoor buiten dit systeem vallen? Hoe verloopt dit incasso-systeem in de praktijk? Is het mogelijk om deze boetes ook op te leggen aan arbeidsmigranten en asielzoekers en wat zou daarvoor nodig zijn?
Nee, dat klopt niet. Arbeidsmigranten en asielzoekers worden eveneens door SODA aangeschreven op het bij SODA bekende adres. SODA ziet echter op landelijk niveau dat de groep arbeidsmigranten en asielzoekers moeilijk aan te spreken zijn op de schade die zij veroorzaken, omdat verhuizing vaak voorkomt en post ongeopend retour komt. Doordat deze groep moeilijk vindbaar is, is de verhaalbaarheid van vorderingen erg laag.
Dagvaarden is voor SODA vervolgens geen aantrekkelijke optie, omdat dan moet worden geïnvesteerd in het verhalen van een vordering waarvan de debiteur moeilijk vindbaar is. Dit heeft als gevolg dat de meldingsbereidheid bij ondernemers daalt.
Klopt het dat winkeliers die een SODA-boete opleggen van 181 euro zelf slechts 80 euro daarvan ontvangen? Zo ja, op welke gronden is deze verdeling bepaald en bent u bereid dit aandeel voor winkeliers te verhogen?
SODA werkt in de meeste gevallen voor ondernemers op basis van no cure no pay. In ongeveer 70% van de gevallen lukt het SODA de schade te verhalen. Tijdens de incassofase, de deurwaardersfase en gerechtelijke fase draagt SODA alle risico’s en kosten. Om deze werkzaamheden te mogen verrichten voldoet SODA aan de eisen van de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening. Bij deze werkzaamheden spant SODA zich in een zo hoog mogelijk percentage uit te keren aan ondernemers. Gemiddeld keert SODA, afhankelijk van de afspraken, 110 tot 130 euro uit aan de ondernemer.
De genoemde (circa) 80 euro raakt aan de gegarandeerde SODA-schadevergoeding voor ondernemers in Westerwolde.6 Mede naar aanleiding van de wens van ondernemers in Ter Apel voor één schadeloket, is voor ondernemers en bewoners in Ter Apel thans een separate schaderegeling opgezet.
Klopt het dat criminele asielzoekers winkeliers die hen aanspreken of aanhouden hen regelmatig bedreigen en foto’s van hen nemen? Hoe vaak zijn criminele asielzoekers vervolgd voor deze vormen van intimidatie, welke straffen staan daarop en welke straffen worden daarvoor zoal uitgedeeld?
De politie heeft laten weten de signalen over de toenemende agressie, intimidatie en het maken van foto’s van winkelpersoneel door winkeldieven, waaronder asielzoekers, in het kernwinkelgebied van Amsterdam in algemene zin te herkennen. Dit gedrag is volstrekt onacceptabel. Winkelpersoneel moet te allen tijde veilig zijn werk kunnen doen.
Deze categorieën van delicten worden door het Openbaar Ministerie niet apart cijfermatig bijgehouden.
Klopt het dat de landelijke Top X-lijst van overlastgevende asielzoekers inmiddels bijna 1.200 personen telt, waarvan de helft van Syrische afkomst is en meer dan een derde minderjarig? Klopt het voorts dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) over het algemeen niet worden geplaatst in procesbeschikbaarheidslocaties en dat de handhaving en toezichtlocatie (HTL) niet meer wordt gebruikt? Welke concrete interventies staan dan wel ter beschikking voor deze specifieke groepen en acht u die toereikend om overlastgevend en crimineel gedrag effectief aan te pakken?
Ja, dat klopt voor wat betreft de eerste en tweede deelvraag. De procesbeschikbaarheidslocatie, zoals deze bestond tijdens de procesbeschikbaarheidsaanpak, was ingericht voor een specifieke doelgroep waarbij kwetsbaren, waaronder minderjarigen, zijn uitgesloten van. In maart 2025 hebben het COA en Nidos besloten tot een (tijdelijke) plaatsingsstop van amv op de htl. Dit naar aanleiding van diverse incidenten waar amv bij betrokken waren. Van deze incidenten is melding gedaan bij de betrokken Inspecties en zijn er evaluatieverslagen opgesteld. In de evaluaties werd geconstateerd dat een aantal verbeteringen moet worden doorgevoerd, voordat de plaatsingsstop van amv opgeheven kan worden. Zie in dit verband ook de toelichting aan uw Kamer bij brief van 22 mei jl.7 Het COA en Nidos werken hangende deze tijdelijke plaatsingsstop voor amv op de htl in gezamenlijkheid aan een duurzaam, goed en veilig werk-, woon-en begeleidingsklimaat voor amv.
Verder kan het COA, in samenspraak met Nidos, een amv die ernstige overlast veroorzaakt, plaatsen in de Perspectief Opvang Nidos (PON). In de PON ontvangen jongeren intensieve begeleiding, waarbij zij werken aan hun gedrag en toekomstperspectief, zowel binnen als buiten Nederland. Ik werk met het COA en Nidos op dit moment aan een afspraak uit het coalitieakkoord over verlengde opvang en aanvullende begeleiding van asielzoekers van 18–21 jaar.
Welke specifieke strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke consequenties kunnen minderjarige asielzoekers die overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen in de praktijk ondervinden en hoe vaak zijn deze opgelegd? Voorziet de aangenomen motie-Boomsma over een landelijk actieplan voor jonge Syrische asielzoekers in voldoende uitvoerbare maatregelen voor amv’s, in het bijzonder waar het detentiemogelijkheden betreft (Kamerstuk 19 637, nr. 3413)? In hoeveel gevallen zijn de in de uitvoering van de motie voorgestelde acties daadwerkelijk opgelegd?
Waar het gaat om minderjarige vreemdelingen geldt dat het reguliere jeugdstrafrecht van toepassing is. Het toepasbaar instrumentarium uit het jeugdstrafrecht kent een pedagogisch uitgangspunt en zet daarmee ook in op verkleining van het risico op herhaling. Samen met de partners uit de vreemdelingenketen en de jeugdstrafrechtketen voert het Ministerie van Justitie en Veiligheid gesprekken over handvaten om dat toepasbaar instrumentarium ook zo goed mogelijk in te zetten voor deze doelgroep.
In de doorontwikkeling naar een landelijke tafel om mobiele overlastgevende en criminele vreemdelingen aan te pakken, wordt nadrukkelijk samengewerkt met de organisaties in de vreemdelingenketen en strafrechtketen om op die manier te borgen dat het beschikbare instrumentarium maximaal wordt ingezet. Zoals toegelicht in de brief van 2 juli jl.8 wordt thans de persoonsgerichte aanpak in Utrecht doorontwikkeld naar een landelijke tafel met het streven om zo spoedig mogelijk na het zomerreces operationeel te zijn.
Ondertussen blijft onverkort de werkafspraak van kracht dat de politie bij een strafbaar feit door een alleenstaande minderjarige vreemdeling voogdij-instelling Nidos informeert, zodat door de voogd van Nidos en de amv-mentor van het COA de begeleiding van de jeugdige waar nodig wordt aangescherpt. Zulke lokale interventies worden niet op centraal niveau geregistreerd.
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de nieuwe werkinstructie voor het Plan van Aanpak openstaande asielaanvragen een roulatiesysteem hanteert waarbij nationaliteiten periodiek worden afgewisseld om de belasting van de rechtspraak te spreiden? Maakt u in deze werkinstructie ruimte voor het prioritair (her)beoordelen van asielaanvragen en verblijfsvergunningen van (overlastgevende) Syriërs, mede in het licht van de aangenomen motie-Boomsma/Ceulemans over een taskforce terugkeer Syriërs (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 28)?
Voor de aanvragen die voor 12 juni 2026 zijn ingediend, is in een daartoe opgesteld plan van aanpak een onderverdeling in categorieën gemaakt ten behoeve van specialisatie of standaardisering bij de IND en daarmee een snellere behandeling van de aanvragen. U bent hierover bij brief van 5 juni jl. geïnformeerd. Het plan van aanpak ziet uitsluitend op het afdoen van openstaande aanvragen en niet op het herbeoordelen van reeds verleende vergunningen.
Er zal gestart worden met de categorie van personen uit landen waarvoor het niet zeer waarschijnlijk is dat hun aanvraag wordt ingewilligd op basis van het landenbeleid. Hierin worden de Syrische aanvragen met prioriteit meegenomen. De IND zal in tijdscohorten van ongeveer drie maanden werken, waarbij steeds wisselende nationaliteiten worden opgepakt. Syriërs maken standaard onderdeel uit van die tijdscohorten binnen de aanpak openstaande asielaanvragen. Zoals in de brief aangegeven, blijft de aanpak van overlastgevende asielzoekers de hoogste prioriteit houden. Deze groep gaat, net als voorheen het geval was, met een geprioriteerde procedure door het proces en staat daarmee los van dit plan van aanpak.
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans/Van der Plas die de regering verzocht vóór 1 mei 2026 de Kamer te informeren over concrete maatregelen tegen de overlast rondom azc Budel (Kamerstuk 19 637, nr. 3510). Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans die verzocht te zorgen voor beveiliging en/of ov-boa’s op de buslijnen en pendelbus tussen Emmen en Ter Apel (Kamerstuk 19 637, nr. 3531)? Welke concrete maatregelen zijn sindsdien genomen?
In dit verband wordt verwezen naar de recente brief over de uitwerking van de genoemde moties en voortgang van de maatregelen in de aanpak van overlast in het openbaar vervoer.9
In hoeverre is de situatie in Budel en op de buslijnen rond Ter Apel inmiddels verbeterd en zo niet, welke aanvullende stappen worden op korte termijn gezet?
Zie antwoord vraag 17.
Bent u het eens met de stelling dat het tijd is voor een grootschalige campagne waarbij politie, Openbaar Ministerie, IND en Dienst Justitiële Inrichtingen rond de tafel gaan om harde keuzes te maken om deze problematiek beter aan te pakken, daar tijd voor vrij te maken en waar mogelijk vast te zetten en vervolgens uit te zetten?
De burgemeester is lokaal eindverantwoordelijke voor de handhaving van de openbare orde en voert hierbij het operationele gezag over de politie.
Uitgangspunt is reeds dat bij strafbare feiten normerend wordt opgetreden. Dat vereist nauwe samenwerking tussen de vreemdelingenketen, strafrechtketen en lokale driehoek. Het vraagt voortdurende inspanning van alle betrokken partners om zich te committeren aan het maximaal toepassen van het beschikbare instrumentarium.
Voor verdachten moet duidelijk zijn dat het plegen van een misdrijf direct gevolgen heeft in de vorm van lik-op-stuk.
Daarbij geldt parallel dat de inzet van de vreemdelingenketen erop is gericht om de asielprocedures van overlastgevers snel- en slagvaardig af te doen, waarbij de IND na een onherroepelijke veroordeling altijd beziet of intrekking of weigering van een asielvergunning mogelijk is, en de DTenV direct na afwijzing voortvarend inzet op terugkeer naar land van herkomst of overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat meerdere mannen worden verdacht van het drogeren, verkrachten en filmen van vrouwen, waarbij beelden en informatie zouden zijn gedeeld binnen besloten online groepen?1
Ja.
Deelt u de zorg dat in het geval van samenwerking tussen verdachten, het uitwisselen van kennis over het drogeren van vrouwen en het delen van beeldmateriaal kenmerken vertoont van een georganiseerd patroon van seksueel geweld in plaats van uitsluitend individueel gepleegde zedendelicten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze zaak. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuur van 9 juni jl. heb aangegeven waren er acht verdachten in beeld waarvan er vier toen zijn aangehouden. Inmiddels zitten deze vier verdachten niet meer vast, maar zij blijven wel verdachten. Het strafrechtelijk onderzoek is nog in volle gang. Wanneer er gewichtige ontwikkelingen zijn in het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoeksbelang zich hiertegen niet verzet zal ik uw Kamer, in lijn met mijn toezegging op 9 juni jl. om uw Kamer te informeren over de voortgang van deze zaak, hierover informeren.
Wanneer meerdere verdachten samenwerken, beeldmateriaal delen, elkaar tips geven en elkaar aanmoedigen bij het plegen van seksueel geweld, kan sprake zijn van georganiseerd seksueel geweld (zie ook het antwoord op vraag 5). Als het zo zou zijn dat er netwerken zijn waarbinnen vrouwen worden gedrogeerd en daarna worden verkracht is dat bijzonder schokkend. Als hiervan vervolgens ook beeldmateriaal zou worden gedeeld met anderen is dat natuurlijk extra kwalijk. Dit onderstreept het belang van grondig onderzoek naar de rol van alle betrokkenen bij strafbare feiten en van een effectieve strafrechtelijke aanpak daarvan.
Kent u meer berichten met betrekking tot gelijkaardige verdenkingen? Zo ja, welke zijn dat?
De politie is in algemene zin bekend met dit fenomeen waarbij in digitale groepen kennis wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen om hen seksueel te misbruiken.
Eventuele meldingen of signalen over het drogeren van slachtoffers om hen seksueel te misbruiken en het filmen daarvan, worden door de politie en het Openbaar Ministerie zorgvuldig beoordeeld en, waar aangewezen, onderzocht. Zolang een strafrechtelijk onderzoek loopt kan de politie hierover geen mededelingen doen.
Beschikt u over informatie betreffende slachtoffers van georganiseerd seksueel geweld? Zo ja, waaruit bestaat die informatie? Hoe worden deze slachtoffers geholpen, bijvoorbeeld via Slachtofferhulp Nederland? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
De politie geeft aan meldingen te hebben ontvangen van slachtoffers die vermoeden dat zij zijn gedrogeerd en seksueel misbruikt door hun partner. Het onderzoek naar de in het artikel genoemde casus loopt, waarbij ook nadrukkelijk wordt onderzocht of verdachten gezamenlijk strafbare feiten hebben gepleegd. In het algemeen geldt dat wanneer de opsporingsdiensten een stelselmatigheid ontdekken of herkennen, dit altijd prioriteit krijgt bij de inzet van de opsporingscapaciteit. Dit is in lijn met het uitgangspunt dat de opsporingscapaciteit wordt ingezet daar waar een zo groot mogelijk maatschappelijk effect kan worden bereikt.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland geven kosteloos emotionele steun en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Zo heeft het Centrum Seksueel Geweld een speciale pagina met informatie over seksueel misbruik en wat slachtoffers kunnen doen als het hen overkomt. Offlimits helpt met het laten verwijderen van online illegaal materiaal en biedt hulp, advies en preventie op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik.
Acht u het wenselijk om onderzoek te laten doen naar het fenomeen van georganiseerd seksueel geweld en daarbij te bezien of het als afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk moet worden erkend? Zo ja, op welke wijze en termijn gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik zal conform mijn toezegging tijdens het Mondelinge Vragenuur van 9 juni jl., samen met de politie en het Openbaar Ministerie verkennen of georganiseerd seksueel misbruik een afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk vergt. Daarbij wordt bezien of de aard, omvang en kenmerken van deze problematiek aanleiding geven om deze als een zelfstandige categorie binnen beleid en opsporing te benaderen en welke eventuele vervolgstappen daarbij passend zijn. De Kamer wordt over de uitkomsten van deze verkenning geïnformeerd in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven voorafgaand het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 9 december 2026.
Bent u van oordeel dat de huidige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen voor het in georganiseerd verband plegen van seksuele misdrijven afdoende is om vroegtijdig in te kunnen grijpen ter voorkoming van ernstige zedenmisdrijven? Zo ja, aan welke voorbereidingshandelingen denkt u? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen deze voorbereidingshandelingen wel strafbaar worden gesteld?
Op grond van artikel 46 Sr zijn bepaalde handelingen strafbaar als deze worden gepleegd ter voorbereiding van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Dit geldt ook in geval van ernstige seksuele misdrijven zoals (gekwalificeerde) opzetverkrachting (artikel 243 Sr). Strafbare voorbereidingshandelingen zijn onder meer het opzettelijk verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen, stoffen of ruimten die zijn bestemd voor het begaan van een dergelijk misdrijf. In het geval van een drogeerverkrachting kan het aanschaffen van de middelen die worden gebruikt om het slachtoffer te drogeren bijvoorbeeld een strafbare voorbereidingshandeling zijn.
Daarbij is van belang dat er naast de genoemde strafbare voorbereiding meer strafbaarstellingen zijn op basis waarvan vroegtijdig strafrechtelijk kan worden ingegrepen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van seksuele misdrijven (artikel 140 Sr); in dat geval is voor strafbaarheid niet vereist dat al een aanvang is gemaakt met het plegen van die misdrijven. Ook de enkele poging een ander uit te lokken om een seksueel misdrijf te begaan is zelfstandig strafbaar (artikel 46a Sr).
Bent u bereid te onderzoeken of, naar analogie van artikel 141a van het Wetboek van Strafrecht inzake medeplichtigheid tot geweldpleging, aanvullende wettelijke mogelijkheden nodig zijn om opsporing van georganiseerd seksueel geweld in een vroeg stadium mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
De zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld vind ik niet nodig of wenselijk. In aanvulling op het antwoord op vraag 6 hierboven wijs ik erop dat in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht verschillende seksuele misdrijven zijn opgenomen die bij seksueel geweld dat in georganiseerd verband wordt begaan van toepassing kunnen zijn, zoals vormen van aanranding en verkrachting, en de voorbereiding van, poging tot en deelneming aan die misdrijven.
Daarbij is van belang dat niet alleen degenen die fysiek betrokken zijn bij de seksuele handelingen die worden verricht, strafbaar kunnen zijn wegens betrokkenheid bij seksuele misdrijven. Dit kunnen bijvoorbeeld ook personen zijn die op afstand seksuele handelingen aansturen die een slachtoffer aan het eigen lichaam verricht of die een derde bij het slachtoffer verricht. Als dergelijke misdrijven door twee of meer verenigde personen worden gepleegd wordt het toepasselijke gevangenisstrafmaximum met drie jaar verhoogd (artikel 254, eerste lid, onder b, Sr). Ook zijn als medeplichtigen strafbaar degenen die behulpzaam zijn bij het plegen van een seksueel misdrijf of daartoe opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen (artikel 48 Sr). Degenen die het feit door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk uitlokken of daartoe een poging doen, zijn – zoals hiervoor al aan de orde kwam – eveneens strafbaar (artikelen 47, eerste lid, onderdeel 2°, en 46a Sr).
Gelet op de bestaande strafbaarstellingen en strafverzwaringsgronden meen ik dat het huidige strafrechtelijk instrumentarium volstaat om ook in een vroegtijdig stadium krachtig op te treden tegen strafbaar handelen dat is gericht op seksueel misbruik.
Acht u de wettelijke bevoegdheden op grond waarvan de politie kan infiltreren in besloten online groepen waarin seksueel geweld wordt voorbereid, verheerlijkt, gefaciliteerd of gepleegd afdoende? Zo ja, waarom en hoe vaak maakt de politie in het verband van dergelijke online groepen gebruik van deze bevoegdheid? Zo nee, waarom niet? En indien niet, bent u van plan dat op korte termijn op te lossen zodat dit opsporingsmiddel hier wel kan worden ingezet?
In geval van een concrete verdenking van een misdrijf (waaronder een seksueel misdrijf), kan de officier van justitie op grond van de artikelen 126g en 126j Sv bevelen tot stelselmatige observatie of het stelselmatig inwinnen van informatie, ook in besloten digitale groepen. Inzet van deze bevoegdheden vindt alleen plaats wanneer dat noodzakelijk en proportioneel is, onder gezag van het Openbaar Ministerie en met inachtneming van de wettelijke waarborgen en rechterlijke toetsing waar vereist.
Over de frequentie van de toepassing van deze bevoegdheden kunnen geen gedetailleerde cijfers worden gedeeld. Deze inzet wordt selectief toegepast en cijfers daarover worden niet afzonderlijk en centraal openbaar gemaakt, mede vanwege het opsporingsbelang.
In hoeverre worden online platforms, hostingdiensten en beheerders van digitale gemeenschappen momenteel verantwoordelijk gehouden voor het signaleren, verwijderen en melden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en beelden van seksueel misbruik? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot de Online Safety Act in het Verenigd Koninkrijk?
De doelen van de DSA en de Online Safety Act zijn vergelijkbaar in het bevorderen van een veilige online omgeving door online aanbieders verplichtingen op te leggen die onder meer zien op effectieve moderatie en risicobeheersing. Verschillen zijn er ook, zoals in de benadering van de risicosturing en het toezichtsmodel.
De Digital Services Act (DSA) bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten en online platforms, en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waar deze diensten aan moeten voldoen. Hostingdiensten en online platforms dienen illegale online content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten, en riskeren zij zelf aansprakelijkheid. Kennis kan onder meer ontstaan door de ontvangst van een melding van illegale online content. Daarnaast legt de DSA aan tussenhandeldiensten zorgvuldigheidsverplichtingen op, zoals het inrichten van kennisgevings- en actiemechanismen, zodat het melden van illegale online content voor iedereen eenvoudig en toegankelijk is. De DSA betreft maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten.
Er kan sprake zijn van illegale online content in de zin van de DSA indien op het beeldmateriaal seksuele gedragingen van personen zichtbaar zijn die zelf geen toestemming hebben gegeven om die opnamen te maken dan wel te verspreiden (artikel 254ba Sr).
De Online Safety Act 2023 stelt een uitgebreid wettelijk kader vast voor online gebruikersdiensten (zoals sociale mediaplatforms en onlinefora) en zoekdiensten. Op grond van deze wet rusten op deze diensten duidelijke wettelijke verplichtingen om illegale content, waaronder het zonder toestemming verspreiden van intieme afbeeldingen, tegen te gaan.
Op basis van de wet moeten deze diensten proportionele systemen en processen inrichten om de risico's op illegale content, waaronder misbruik van intieme afbeeldingen zonder toestemming, te identificeren, te beperken en te beheersen. Dit omvat onder meer de verplichting om risicoanalyses uit te voeren, effectieve systemen voor contentmoderatie te implementeren en toegankelijke meld- en klachtenprocedures voor gebruikers in te richten. Platforms moeten daarnaast maatregelen treffen om te voorkomen dat gebruikers met illegale content worden geconfronteerd en dergelijke content, zodra zij daarvan kennis hebben, snel verwijderen.
Deze verplichtingen gelden voor de volledige werking van een dienst. In de praktijk betekent dit onder meer dat effectieve moderatie- en meldsystemen aanwezig moeten zijn voor de verschillende functies, onderdelen en gebruikersgemeenschappen van een platform. De wet is nadrukkelijk gebaseerd op een stelsel van systemen en processen. Van aanbieders wordt verwacht dat zij risico's op een integrale en proportionele wijze aanpakken, en niet uitsluitend reageren door afzonderlijke uitingen van illegale content achteraf te verwijderen.
Voor zoekdiensten gelden vergelijkbare verplichtingen. Zij moeten proportionele maatregelen treffen om te voorkomen dat gebruikers via zoekresultaten worden blootgesteld aan illegale content. Dit omvat onder meer het inrichten van systemen om dergelijke content in zoekindexen te identificeren en de kans te verkleinen dat gebruikers daarmee worden geconfronteerd, mede naar aanleiding van meldingen van gebruikers.
De Online Safety Act legt geen directe verplichtingen op aan hostingdiensten van derden of andere aanbieders van internetinfrastructuur. De wet kent de Britse toezichthouder «Ofcom» echter ruime handhavingsbevoegdheden toe wanneer gereguleerde platforms of zoekdiensten hun wettelijke verplichtingen niet nakomen. Zo kan Ofcom gebruikmaken van zogenoemde Business Disruption Measures door de rechter te verzoeken derden, zoals hostingdiensten, betalingsverwerkers of internetaanbieders, te verplichten hun dienstverlening aan een niet-conform platform te beëindigen of de toegang daartoe te beperken.
Samengevat legt de Online Safety Act 2023 de primaire verantwoordelijkheid bij gebruikersdiensten en zoekdiensten om de verspreiding van seksueel getinte afbeeldingen die zonder toestemming zijn gedeeld, te identificeren, te verwijderen en te beperken door middel van robuuste en proportionele systemen en processen. Hoewel hostingdiensten en andere aanbieders van internetinfrastructuur niet rechtstreeks aan deze verplichtingen zijn gebonden, kunnen zij via de handhavingsbevoegdheden van Ofcom indirect worden betrokken wanneer dat noodzakelijk is om naleving van de wet af te dwingen.
Acht u het wenselijk dat er aanvullende maatregelen komen om platforms verantwoordelijk te houden voor het proactief bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en andere vormen van online seksueel misbruik? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat de bestaande maatregelen afdoende zijn?
Op dit moment kan aan aanbieders van tussenhandeldiensten gelet op artikel 8 DSA geen algemene verplichting worden opgelegd tot monitoring van de door hen doorgegeven of opgeslagen informatie, noch tot actief onderzoek naar feiten of omstandigheden die duiden op illegale activiteiten. De DSA voorziet in maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Dit biedt een belangrijke mogelijkheid om te bezien of aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten nodig en wenselijk zijn. De evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Het kabinet acht het van groot belang dat aanbieders van diensten effectief optreden tegen de verspreiding van strafbaar materiaal. Nederland zet zich daarom in Europees verband in voor een juridisch kader waarmee aanbieders, binnen de grenzen van de grondrechten en met passende waarborgen, maatregelen treffen om de verspreiding van dit materiaal op hun diensten te voorkomen, op te sporen en te verwijderen.
Acht u het wenselijk om het bezit, bekijken of verspreiden van beelden waarin personen worden verkracht strafbaar te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en hoe kan deze praktijk dan via het bestaande strafrecht wel worden aangepakt?
Op grond van artikel 254ba Sr is het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een visuele weergave van seksueel aard van een ander strafbaar. Hetzelfde geldt voor het beschikken over een dergelijke visuele weergave die zo is vervaardigd of het openbaar maken hiervan. In geval van een verkrachting mag worden verondersteld dat het slachtoffer niet instemt met het maken van het beeldmateriaal en dat dit materiaal daarom wederrechtelijk is. Als de betrokkene minderjarig is, is het maken en verspreiden van een visuele weergave van seksuele handelingen van diegene altijd strafbaar, zelfs als de minderjarige vrijwillig betrokken is bij seksuele handelingen (artikel 252 Sr).
In dit verband kan in sommige gevallen ook relevant zijn de strafbaarstelling van het openbaar maken en verspreiden van beeldmateriaal van slachtoffers waarin het initiatiefvoorstel van de leden Straatman en Mutluer voorziet (Kamerstukken II 2022/23, 36 381, nr. 2). Ik volg de behandeling van dat wetsvoorstel door uw Kamer met interesse.
Bedreiging en intimidatie van christelijke asielzoekers in asielzoekerscentra |
|
Don Ceder (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Syrische christelijke bekeerlingen in het asielzoekerscentrum (azc) Vlissingen die na hun doop ernstig zouden zijn bedreigd, geïntimideerd en fysiek belaagd door medebewoners?1 Bent u bekend met de berichtgeving over een Iraans christelijk gezin in azc Bergschenhoek dat stelt al langere tijd te maken te hebben met religieuze intimidatie, bedreigingen en gevoelens van onveiligheid?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat asielzoekers die vanwege geloofsvervolging naar Nederland zijn gevlucht, juist in Nederlandse opvanglocaties opnieuw worden geconfronteerd met bedreigingen, intimidatie en druk vanwege hun christelijke geloof of bekering?
De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals verankerd in de Nederlandse Grondwet, geldt voor iedereen in Nederland, ook in de asielopvang. Tegen bedreiging en intimidatie van asielzoekers vanwege hun (bekering tot het) (christelijke) geloof moet daarom krachtig worden opgetreden. Uitgangspunt is dat iedere asielzoeker, ongeacht geloofsovertuiging, zich (sociaal) veilig moeten weten op de COA-locatie.
Klopt het dat er in het azc Vlissingen meldingen zijn gedaan van doodsbedreigingen, fysieke intimidatie en oproepen om christelijke bekeerlingen als afvalligen te behandelen? Welke acties zijn naar aanleiding van deze meldingen ondernomen?
Het klopt dat er op het azc Vlissingen sprake was van spanningen tussen bewoners waarbij religie een rol speelde. Zonder op de individuele casus in te gaan, kan ik in zijn algemeenheid aangeven dat wanneer op een locatie sprake is van onderlinge spanningen of een incident, het COA een feitenonderzoek doet en in gesprek gaat met de betrokken bewoners.
Bij signalen van onveiligheid zoekt het COA met bewoners naar een passende oplossing. Indien sprake is van (vermoedens) van strafbare feiten doet het COA melding en/of aangifte, of adviseert bewoners zelf om melding en/of aangifte te doen.
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van religieuze intimidatie, bedreiging, discriminatie of geweld tegen christelijke asielzoekers en bekeerlingen in de afgelopen vijf jaar bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de politie of andere instanties zijn geregistreerd? Bent u bereid deze cijfers, voor zover beschikbaar, met de Kamer te delen?
Jaarlijks publiceert het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum een overzicht van incidenten en verdachtenregistraties van misdrijven onder de COA-bewoners die betrokken zijn bij overlast of verdacht worden van een misdrijf. Op 2 juli jl. heeft het WODC de Incidentenmonitor over 2019–2025 gepubliceerd.3 Parallel publiceert het COA op haar website een overzicht van incidenten per locatie van het voorgaande jaar. In hoeverre de incidenten religieus van aard zijn, wordt echter niet systematisch geregistreerd.
N.a.v. de aangenomen motie van de leden Ceder en Van Dijk4 werkt mijn ministerie op dit moment in samenspraak met de strafrechtketen uit hoe religieus gemotiveerd geweld op COA-locaties beter inzichtelijk kan worden gemaakt. Ik verwacht na de zomer uw Kamer te informeren hoe dit vorm krijgt.
Welke specifieke maatregelen worden momenteel genomen om christelijke asielzoekers, bekeerlingen en andere religieuze minderheden binnen azc’s te beschermen tegen intimidatie, bedreiging en geweld?
Indien sprake is van (vermoedens) van strafbare feiten doet het COA melding en/of aangifte, of adviseert bewoners zelf om melding en/of aangifte te doen. Als opvangorganisatie heeft COA de bevoegdheid om maatregelen conform het Maatregelenbeleid COA op te leggen wanneer sprake is van overlast of overtreding van de huisregels, zoals discriminatie, intimidatie of geweld.
Hoe wordt binnen opvanglocaties vastgesteld of sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie, en welke protocollen gelden in dergelijke situaties?
Op basis van de tot nu toe bekende signalen, die incidenteel van aard zijn, herkent het COA zich niet in het beeld dat op locaties sprake is van systematische intimidatie of groepsdruk op basis van religie. Dat neemt niet weg dat op sommige locaties door incidenten die hebben plaatsgevonden, ook in relatie tot religie, het veiligheidsgevoel van bewoners onder druk kan staan. In aanvulling op de geldende kaders zoals toegelicht in antwoord 5, heeft COA naar aanleiding van eerdere berichtgeving over religieuze spanningen op opvanglocaties, alle COA-locaties nogmaals gevraagd extra alert te zijn op signalen van onrust tussen, of misstanden tegen, religieuze en/of etnische minderheden. De signalen worden de komende tijd gerichter gemonitord om te bezien of dit aanleiding geeft om de bestaande toerusting voor medewerkers te versterken.
Deelt u de opvatting dat bedreiging, intimidatie of geweld tegen medebewoners vanwege hun geloofsovertuiging niet kan worden afgedaan als slechts een onderlinge spanning of conflict tussen bewoners, maar een ernstige aantasting vormt van de vrijheid van godsdienst en de veiligheid binnen de opvang?
Ja, wanneer een asielzoeker vanwege zijn geloofsovertuiging wordt lastiggevallen, is dat een onwenselijke aantasting van de godsdienstvrijheid. Dat sluit niet uit dat daarbij sprake is van een complexer spanningsveld.
Kunt u toelichten hoe uitvoering wordt gegeven aan de eerder door de Kamer aangenomen motie van de leden Ceder en Diederik van Dijk waarin wordt opgeroepen om christelijke asielzoekers en bekeerlingen beter te beschermen tegen intimidatie en vervolging binnen opvanglocaties (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 39)? Welke concrete stappen zijn er inmiddels al gezet?
Mijn ministerie heeft recent een gesprek gevoerd met Stichting Gave om zo vanuit het maatschappelijk middenveld geïnformeerd te worden over signalen en aandachtspunten. Zoals benoemd in antwoord op vraag 6, heeft het COA naar aanleiding van eerdere berichtgeving over religieuze spanningen op opvanglocaties, alle COA-locaties nogmaals gevraagd extra alert te zijn op signalen van onrust tussen, of misstanden tegen, religieuze en/of etnische minderheden. COA is alert op dergelijke signalen. De komende tijd wordt in samenspraak tussen departement en COA bezien of dit aanleiding geeft om de bestaande toerusting voor medewerkers te versterken.
Wordt binnen het COA een zerotolerancebeleid gevoerd ten aanzien van bewoners die zich schuldig maken aan bedreiging, geweld, intimidatie of religieuze dwang richting medebewoners? Zo ja, hoe wordt dit beleid toegepast en gehandhaafd? Zo nee, waarom niet?
Elke bewoner van het COA wordt geïnformeerd over de huisregels. Daarin is onder meer opgenomen dat discriminatie, intimidatie en geweld niet is toegestaan. Uitgangspunt is dat het COA conform het maatregelenbeleid normerend optreedt jegens bewoners die zich niet aan de huisregels houden, waaronder discriminatie, intimidatie en geweld. Wanneer daarbij sprake is van een strafbaar feit, wordt melding of aangifte bij de politie gedaan door COA en/of worden bewoners gestimuleerd melding of aangifte te doen.
De normering vanuit het COA als opvang- en begeleidingsinstantie wordt in de praktijk soms bemoeilijkt, wanneer bijvoorbeeld medewerkers geen getuige zijn van een incident en betrokken bewoners naderhand een verschillend feitenrelaas aanvoeren. Bovendien kan negatief gedrag tegen kwetsbare doelgroepen in de opvang, waar ook christelijke asielzoekers toe behoren, soms heel subtiel plaatsvinden. Daarom blijft het doen van aangifte en/of melding door bewoners en COA van belang, om met de sterke arm ook langs de strafrechtelijke band gedrag te normeren.
Welke consequenties kunnen bewoners verwachten wanneer zij medebewoners bedreigen vanwege hun geloof, oproepen tot geweld tegen afvalligen, of zich schuldig maken aan religieuze intimidatie?
Uitgangspunt is dat een asielzoeker die wordt verdacht van een strafbaar feit, duidelijk moet merken dat het plegen van misdrijven direct strafrechtelijke gevolgen heeft (lik-op-stuk). Dit is in veel gevallen wel afhankelijk van het doen van aangifte. Wanneer vreemdelingen misdrijven plegen en hiervoor (onherroepelijk) veroordeeld zijn, toetst de IND op verblijfsrechtelijke consequenties.
Bent u bereid te onderzoeken of bewoners die zich schuldig maken aan ernstige bedreigingen, geweld of structurele intimidatie van geloofsgenoten sneller kunnen worden overgeplaatst naar een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) of anderszins zwaardere maatregelen opgelegd kunnen krijgen?
Het maatregelenbeleid bij het COA voor de HTL geeft thans al de ruimte om bij agressie en geweld tegen medewerkers, medebewoners en/ of derden met een (zeer) grote impact, zoals intimidatie op grond van iemands geloofsovertuiging, een HTL-maatregel op te leggen. Een dergelijke maatregel door het COA laat onverlet dat het bij dergelijke gedragingen primair van belang blijft dat strafrechtelijke opvolging plaatsvindt. Het COA gaat immers niet over vervolging en toepassing van het strafrecht. Ik zal voorts in samenspraak met COA bezien of de mogelijkheden die het staande kader dus reeds biedt, in de praktijk ook optimaal worden benut.
Hoe beoordeelt u de signalen uit Bergschenhoek dat een minderjarig meisje onder druk zou zijn gezet om moslim te worden, te bidden en een hoofddoek te dragen? Welke stappen worden genomen wanneer minderjarige kinderen in opvanglocaties worden geconfronteerd met dergelijke religieuze druk?
In eerdere berichtgeving5 is hierover reeds bekend gemaakt dat de politie in en rond de locatie meerdere meldingen van bedreiging en incidenten heeft onderzocht. Ik kan verder niet ingaan op dit individuele geval, maar hecht eraan nogmaals te benadrukken dat kwetsbare bewoners, minderjarigen in het bijzonder, recht hebben op een veilige opvang en dat het COA daarom bij signalen van intimidatie conform het Maatregelenbeleid optreedt.
Hoe waarborgt het COA dat bewoners die melding maken van religieuze intimidatie erop kunnen vertrouwen dat hun klachten onafhankelijk, zorgvuldig en zonder vooringenomenheid worden behandeld?
Het COA heeft een Klachtenregeling voor bewoners en derden. Bewoners van het COA worden hierover bij binnenkomst geïnformeerd. Iedere bewoner kan een klacht over zijn bejegening bij het COA indienen. Hiervoor zijn klachtenformulieren beschikbaar bij de infobalie op iedere locatie. Conform de Klachtenregeling wordt de klacht behandeld en beoordeeld door de locatiemanager, die zelf niet bij de klacht betrokken is. De afstand tot klager en beklaagde en de professionaliteit van de locatiemanager zorgen ervoor dat de klacht zorgvuldig en zonder vooringenomenheid behandeld wordt. Desgewenst kan de klacht ook door Juridische Zaken van het COA worden behandeld en beoordeeld. Na de beslissing op de klacht kan vervolgens de Nationale ombudsman om een oordeel worden verzocht.
Deelt u de mening dat Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om mensen die gevlucht zijn voor religieuze vervolging ook daadwerkelijk bescherming te bieden tegen vergelijkbare vormen van vervolging binnen de Nederlandse opvang? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen?
Ja, ik acht het onaanvaardbaar dat personen die gevlucht zijn uit vrees voor vervolging vanwege hun religieuze overtuiging, in Nederland opnieuw geïntimideerd of bedreigd worden. Inzet van dit kabinet is om daders sneller onder verscherpt toezicht te plaatsen en af te wijzen voor een verblijfsvergunning. In dat verband wordt nu met de vreemdelingenketen uitgewerkt hoe de vrijheidsbeperkende maatregel effectiever kan worden ingezet. Om ook verblijfsrechtelijke consequenties toe te passen, blijft COA in den brede het doen van aangifte stimuleren zodat daadwerkelijk strafrechtelijke opvolging kan plaatsvinden.
Bent u bereid op korte termijn met het COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties in gesprek te gaan om te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de veiligheid van christelijke asielzoekers en bekeerlingen in opvanglocaties te garanderen?
Mijn departement staat reeds in contact met COA, politie, gemeenten en vertegenwoordigers van christelijke vluchtelingenorganisaties. In de aanpak van overlast en criminaliteit door asielzoekers is bijzondere aandacht voor de bescherming van kwetsbare doelgroepen, waaronder bekeerlingen. Vanzelfsprekend zetten wij dit overleg voort.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en daarbij aangeven welke concrete acties op korte termijn worden ondernomen om herhaling van dergelijke situaties te voorkomen?
Ja, uw vragen geprobeerd zoveel als mogelijk aldus te beantwoorden.
Het bericht dat de dader van de kunstroof Assen in de gevangenis een kledinglijn opzet met gouden helm als logo |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dader kunstroof Assen zet in gevangenis kledinglijn op met gouden helm als logo»?1
Ik ben bekend met het bericht.
Wat vindt u ervan dat een gedetineerde een webshop kan oprichten en kennelijk kan exploiteren vanuit de gevangenis?
Ik deel de opvatting dat het niet past dat een gedetineerde vanuit zijn cel actief handelsactiviteiten ontplooit die zijn delict verheerlijken. Zolang daarmee echter geen verboden handelingen worden verricht of mogelijk gemaakt, de orde en veiligheid niet in gevaar komen of slachtoffers/benadeelden onrechtmatig in hun belangen worden geschaad, kunnen (ondernemings)activiteiten van gedetineerden niet algemeen worden beëindigd of verboden.
Daarnaast is het relevant om te benoemen dat het voeren van een legale commerciële activiteit door derden in relatie tot een gedetineerde buiten de inrichting in het algemeen niet bij wet verboden is. Ook is er geen wettelijke grondslag die alle commerciële uitingen verband houdend met het gepleegde delict verbiedt.
Wel zijn gedetineerde gebonden aan de communicatiebeperkingen die gelden binnen de inrichting. Ook telt gedrag van een gedetineerde dat de terugkeer in de samenleving eventueel tegenwerkt mee bij beslissingen over de rechten en vrijheden van de gedetineerde, zoals verlof of overplaatsing naar een regime met meer vrijheden.
Naar aanleiding van de motie-Ellian (Kamerstuk 24 587, nr. 883) zijn concrete stappen gezet om financiële transacties van en naar gedetineerden aan banden te leggen. Zo is de myTelio-applicatie buiten gebruik gesteld, kunnen gedetineerden onderling geen geld meer overmaken en kunnen transacties naar buiten alleen plaatsvinden onder opgave van reden. Daarnaast geldt dat het saldo op de rekening-courant van een gedetineerde maximaal € 250 mag bedragen. Geld overmaken gaat met tussenkomst van een medewerker van de PI. Op deze manier is het mogelijk toezicht te houden op transacties. Indien de medewerker van de PI naar aanleiding van een financiële transactie vermoedt dat er sprake is van voortgezet crimineel handelen, kan de medewerker een melding doen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV) van de desbetreffende PI.
Waarom mag een gedetineerde het postadres van de gevangenis gebruiken voor een webshop?
Het gebruik van het adres van een justitiële inrichting als vestigings- of postadres van een bedrijf is niet in lijn met de bestemming van die inrichting en past niet binnen het karakter van een justitiële inrichting. Het is echter aan de Kamer van Koophandel om te toetsen of een ondernemer bij een officiële inschrijving het opgegeven adres mag gebruiken.
Wat vindt u ervan dat iemand die procesafspraken maakt met het Openbaar Ministerie en altijd heeft gezwegen over zijn rol, een webshop opricht en/of daarbij betrokken is, met T-shirts over het strafbare feit dat hij heeft gepleegd?
Ik ga niet in op individuele gevallen. Verder verwijs ik naar de toelichting onder vraag 2.
Waarom is het oprichten van een rechtspersoon vanuit de gevangenis, of het betrokken zijn bij die oprichting daarvan, toegestaan?
De Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) bevat geen expliciete verbodsbepaling voor het voeren van een (online) onderneming vanuit detentie. Gedetineerden kunnen in beginsel een rechtspersoon oprichten of een onderneming starten of voortzetten. Het is uiteraard niet toegestaan om met een onderneming of rechtspersoon verboden activiteiten te ontplooien of een verboden doel na te streven. Zo is het oprichten van een organisatie die in strijd is met de openbare orde bij wet verboden.
Wat is er gebeurd sinds de toezegging van de toenmalig Minister in de Kamerbrief van 22 november 2021 dat het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden zou worden gelegd (Kamerstuk 29 911, nr. 339)?
In de Kamerbrief van 22 november 2021 (Kamerstukken 29 911, 29 279 en 24 587, nr. 339) schreef zoals bij vraag 4 is aangegeven dat de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming het oprichten van organisaties vanuit detentie aan banden wilde leggen dan wel verbieden voor gedetineerden die in de EBI of op een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) verblijven. In de voortgangsbrief van 13 juni 2022 (Kamerstuk 29 911, nr. 353) is de Kamer geïnformeerd over de uitkomst van dit onderzoek. Hierbij is aangegeven dat het complex is om een algemeen verbod op het oprichten van rechtspersonen vorm te geven, dat het bovendien al verboden is om een organisatie op te richten die in strijd is met de openbare orde, en dat een dergelijke maatregel op gespannen voet staat met het resocialisatiebeginsel. Om die redenen is destijds besloten hier niet verder op in te zetten.
Bent u bereid om het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden te leggen? Zo ja/nee, waarom?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 6, waarin ik heb uiteengezet waarom destijds is besloten niet in te zetten op een algemeen verbod op het oprichten van rechtspersonen vanuit detentie, en welke maatregelen sindsdien wel zijn getroffen ten aanzien van financiële transacties.
Gelet op de redenen die toen zijn aangevoerd zie ik op dit moment geen aanleiding om dat standpunt te herzien.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat gedetineerden niet betrokken kunnen zijn bij het exploiteren van ondernemingen terwijl zij hun straf ondergaan?
Zoals toegelicht in mijn antwoord op vragen 5 en 6 is er geen algemene grondslag om het exploiteren van ondernemingen door gedetineerden te verbieden. Wel bieden de Pbw en de huisregels de directeur de bevoegdheid om op te treden wanneer een gedetineerde beschikt over niet-toegestane communicatiemiddelen of wanneer zijn gedragingen de orde of veiligheid in gevaar brengen.
Daarnaast is, zoals toegelicht in antwoord 1, de financiële handelingsruimte van gedetineerden sinds 1 januari 2024 verder ingeperkt: het saldo op de rekening-courant is gemaximeerd op € 250 en transacties vinden plaats onder toezicht van medewerkers van de PI.
De noodverordening in Zandvoort en de overlast, intimidatie en geweldsincidenten op Nederlandse stranden |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Noodverordening moet «hufterigheid» in Zandvoort tegengaan. «Die meiden zijn net zo brutaal»» in de Volkskrant van 31 mei 2026?1
Ja.
Klopt het dat de burgemeester van Zandvoort een noodverordening heeft afgekondigd wegens ernstig overlastgevend gedrag na de Pinksterdagen, en dat ook het strand bij Nesselande in Rotterdam is aangewezen als veiligheidsrisicogebied?
Ja. De burgemeester van Zandvoort heeft op 29 mei tot en met 31 mei jl. en op 20 juni tot en met 22 juni jl. een noodverordening afgekondigd wegens incidenten zoals bedreigingen, mishandeling en openlijke geweldpleging. Het strand van Nesselande is door de burgemeester van Rotterdam aangewezen als veiligheidsrisicogebied voor de periode van 12 juni tot 1 oktober 2026.
Kunt u bevestigen dat strandpachters zijn geïntimideerd, een portier een stok in zijn gezicht kreeg, serveersters zijn lastiggevallen en twee strandpaviljoens daardoor eerder zijn gesloten?
De overlast en incidenten in Zandvoort en in andere strandgebieden hebben impact op de hele gemeenschap. Op donderdag 4 juni jl. ben ik op het strand van Zandvoort in gesprek gegaan met de burgemeester, ondernemers, politie, boa’s en het OM over de situatie. De strandpachters vertelden mij dat personeel is geïntimideerd, bespuugd of uitgescholden. De verhalen zijn indringend. Strandpachters voelden zich genoodzaakt eerder dicht te gaan of zelfs dicht te blijven, omdat de situatie niet meer veilig voelde. Dat is niet normaal. Zandvoort moet veilig en toegankelijk blijven.
Bent u in staat om cijfers aan te leveren over het jaarlijkse aantal vergelijkbare incidenten van intimidatie, bedreiging en geweld tegen ondernemers, personeel en bezoekers op stranden van de afgelopen tien jaar?
Bent u bereid om – gelet op de zware oververtegenwoordiging van mensen met een migratieachtergrond in de criminaliteitscijfers en het actuele maatschappelijke debat over migratie – in kaart te brengen wat de herkomst is van de daders van deze overlast- en geweldsincidenten?
Bent u bereid in dat overzicht niet alleen eerste en tweede generatie migranten op te nemen, maar ook derde en vierde generatie migranten, zodat een volledig beeld ontstaat?
Indien u deze gegevens niet paraat heeft, bent u dan bereid hier onderzoek naar te laten doen?
Indien het antwoord op bovenstaande vraag ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid een openbaar dashboard in te richten waarop per periode zichtbaar is hoeveel personen worden verdacht van geweldsmisdrijven, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht en herkomst, inclusief derde en vierde generatie migranten? Zo nee, waarom niet?
Waarom wordt er «weinig onderzoek» gedaan – aldus Ira Helsloot, de in het artikel genoemde hoogleraar besturen van veiligheid – naar de oorzaak van de overlast en het geweld? Waarom wordt dat onderzoek niet gedaan?
Bent u bereid alsnog onderzoek te laten doen naar de oorzaken van deze overlast, inclusief de migratieachtergrond van de daders? Zo nee, waarom niet?
Herkent u uit politieregistraties het beeld – alsook beschreven door bovenstaande hoogleraar – dat met name jongeren met een migratieachtergrond niet accepteren dat vrouwen schaars gekleed op het strand zitten?
Op basis van politieregistraties kunnen hier geen uitspraken over worden gedaan.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat vrouwen op een Nederlands strand worden lastiggevallen of geïntimideerd vanwege hun kleding of gedrag?
Ja. Het lastigvallen of intimideren van vrouwen, om welke reden dan ook en waar dan ook, is onaanvaardbaar.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat de vrijheid van vrouwen op het strand wordt ingeperkt door intimiderend gedrag van groepen jongeren?
Handhaving van de openbare orde is aan het lokaal gezag. Bestaande maatregelen die hiertoe kunnen bijdragen zijn zichtbare aanwezigheid van politie, boa’s, toezicht- en handhavingsteams, toepassing van Algemene Plaatselijke Verordening (APV)-instrumenten en gebiedsverboden, Halt-trajecten voor minderjarigen, lokale preventie (jeugdwerk, voorlichting, afspraken met strandexploitanten) en in het uiterste geval de inzet van de noodbevoegdheden. De afweging wat effectief en proportioneel is vindt plaats in de lokale driehoek.
Indien u die maatregelen nog niet heeft, op welke termijn komt u hiermee?
Zie antwoord vraag 14.
Welke gevolgen voor het beleid verbindt u aan de signalering van de burgemeester dat de overlastgevende groep steeds jonger wordt – soms 12 of 13 jaar – en een anti-autoritaire houding heeft?
Het is belangrijk dat de politie en het lokale gezag in staat zijn om de openbare orde op straat en in onze wijken goed te handhaven. En dat het gezag wordt gerespecteerd en dat we ons veilig voelen op straat en in onze buurt. De signalering dat overlastgevende groepen steeds jonger zijn, onderstreept het belang van een vroegere en integrale preventieve en doortastende inzet; een goede samenwerking tussen gemeenten, onderwijs, justitie, zorg en jongerenwerk. Het is daarbij aan de burgemeester om in samenwerking met andere (gemeentelijke) partners en het OM (voor zover het om strafbare feiten gaat) om (jeugd-)overlast aan te pakken. Vanuit het Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid zijn hiervoor verschillende handreikingen beschikbaar.
Hoeveel aanhoudingen en gebiedsverboden zijn er dit voorjaar landelijk opgelegd wegens strand- en uitgaansoverlast?
Aanhoudingen en gebiedsverboden in de context van strand- en uitgaansoverlast worden niet apart geregistreerd.
Acht u de huidige bevoegdheden van politie en handhaving toereikend om dit soort overlast aan te pakken?
Ik heb geen signalen dat de huidige bevoegdheden niet toereikend zijn om dit soort overlast aan te pakken. Strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen o.a. openlijke geweldpleging, mishandeling en bedreiging. Bestuursrechtelijk staan onder andere het noodbevel en de noodverordening, gebiedsverboden, cameratoezicht en aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied ter beschikking. Waar het minderjarigen betreft kan handhaving tevens bestaan uit het opleggen van Halt-trajecten en de inzet van het jeugdstrafrecht. De afweging wat nodig en proportioneel is vindt plaats in de lokale driehoek.
Zo nee, welke aanvullende bevoegdheden acht u nodig?
Zie antwoord vraag 18.
Bent u bereid bij geweld en intimidatie door minderjarigen ook de ouders aansprakelijk te stellen, mede gelet op de constatering dat ouders minder betrokken zijn?
Ouders kunnen niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor het gedrag van hun kinderen. Als het gaat om civiele aansprakelijkheid voor veroorzaakte schade zijn ouders aansprakelijk voor veroorzaakte schade door hun kinderen tot en met 13 jaar.5 Hierbij kunnen benadeelden een schadeclaim voegen in een eventuele strafzaak.
Ten aanzien van ouders of gezagsdragers van kinderen onder de 12 jaar heeft de burgemeester de bevoegdheid om rechtstreeks aan ouders het bevel te geven ervoor te zorgen dat kun kind zich niet onbegeleid op bepaalde plaatsen bevindt.6 De burgemeester kan in geval van overtreding van de APV een last onder dwangsom opleggen ter voorkoming van herhaalde overtreding.
Welke consequenties verbindt u aan herhaalde overlast voor de verblijfsstatus of het inburgeringstraject van daders, voor zover dit van toepassing is?
Het Europees Unierecht vereist dat, als een vreemdeling internationale bescherming nodig heeft, er sprake moet zijn van een ernstig misdrijf of een bijzonder ernstig misdrijf om de verblijfsvergunning te weigeren of in te trekken.
Wanneer vreemdelingen misdrijven plegen en hiervoor onherroepelijk veroordeeld zijn, beoordeelt de IND altijd of dit ook verblijfsrechtelijke gevolgen heeft. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de verblijfsduur van de vreemdeling en de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Na een weigering of intrekking van de verblijfsvergunning door de IND start de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) het terugkeerproces.
Deelt u de analyse dat het toenemende aantal overlast- en geweldsincidenten op publieke plaatsen mede samenhangt met de omvang en samenstelling van de immigratie van de afgelopen decennia?
De in de vraag genoemde analyse en de bijbehorende feitelijke onderbouwing zijn niet bekend. Het is daarom niet mogelijk de genoemde analyse te duiden.
Indien u deze analyse niet deelt, op welke gegevens baseert u dat?
Zie antwoord vraag 22.
Deelt u de mening dat de burger recht heeft op een veilig en onbezorgd strandbezoek, en dat de overheid op dit moment tekortschiet in het faciliteren hiervan?
Ik deel de mening dat iedere burger die het strand bezoekt dat veilig en onbezorgd moet kunnen doen. Ik heb geen signalen dat de huidige bevoegdheden van het lokaal gezag niet toereikend zijn om overlast aan te pakken.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en vóór het zomerreces te beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Harmen Krul (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat tabaksproducent Philip Morris in het Nederlandse wietexperiment is gestapt door deels eigenaar te worden van de grootste deelnemende teler?1
In het bericht wordt aangegeven dat een onderneming uit de tabaksindustrie indirect eigenaar zou worden van een teeltbedrijf dat deelneemt aan het Experiment gesloten coffeeshopketen (hierna: wietexperiment).
Over ontwikkelingen bij individuele deelnemers aan het wietexperiment kan het kabinet geen uitspraken doen. Wel kan in het algemeen het volgende worden aangegeven.
Het experiment is vormgegeven binnen een wettelijk kader2 waarin is vastgelegd aan welke eisen aangewezen telers moeten voldoen. Omstandigheden die voor de aanwijzing of instandhouding daarvan van belang kunnen zijn, worden beoordeeld op grond van het wettelijk kader. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf. Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Wel kan, indien daartoe aanleiding bestaat en de voorwaarden daarvoor zijn vervuld, een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) worden uitgevoerd. Een wijziging in de aandeelhoudersstructuur kan aanleiding zijn voor een onderzoek op grond van de Wet Bibob. Bovendien worden alle aangewezen telers elke twee à drie jaar getoetst middels een Bibob-onderzoek, conform de motie van de leden Michon-Derkzen en Bikker.3 Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek wordt beoordeeld welke gevolgen daaraan verbonden worden. Een uiterste consequentie is het intrekken van de aanwijzing.
Zijn er meer voorbeelden bekend waarin de tabaksindustrie investeert in de cannabismarkt, via telers, coffeeshops of het financieren van wetenschappelijk onderzoek?
Dat is niet bekend, daarover wordt geen informatie verzameld.
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak dit voorkomt en hoe de toenemende verwevenheid tussen de tabaksindustrie en de cannabismarkt er precies uit ziet?
Nee. Wel zullen beleidsmatig geleerde lessen van het wietexperiment – naast de onderzoeksresultaten over de effecten van de gesloten, gereguleerde cannabisketen die door het onafhankelijk onderzoeksconsortium4 worden opgesteld – onderdeel zijn van het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en ervaring met de tabaksindustrie onderdeel van dit gesprek is en zal moeten worden betrokken bij het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Deelt u de zorgen van experts dat deze ontwikkeling ervoor zal zorgen dat de agressieve verkoop- en lobbytechnieken van de tabaksindustrie worden gekopieerd naar de teelt en verkoop van wiet, zoals we ook hebben gezien bij vapes?
Het kabinet snapt de zorgen die hierover leven. De tabaksindustrie draagt niet bij aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende producten als tabak, sigaretten en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door marketing- en lobbyactiviteiten die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid.
Het wettelijk kader voor het wietexperiment bevat generieke eisen voor alle deelnemende telers, onder andere vanuit het oogpunt van preventie. Hieronder vallen een volledig reclameverbod, verpakkings- en etiketteringseisen en verplichte kwaliteitstesten door laboratoria. Daarnaast is ieder cannabisproduct voorzien van een bijsluiter met informatie over de effecten en risico’s van cannabisgebruik, inclusief tips om de risico’s van het gebruik van cannabis te beperken. Voor coffeeshops in de deelnemende gemeenten geldt bovendien de verplichting om hun personeel te scholen in het geven van voorlichting over cannabisgebruik en de daaraan verbonden risico’s en om bezoekers te verwijzen bij problematisch gebruik. Deze coffeeshops dienen ook voorlichtingsmateriaal over cannabisgebruik en de bijbehorende risico’s van gebruik beschikbaar te hebben. De Inspectie Justitie & Veiligheid en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit houden toezicht op de naleving van de eisen.
Deelt u de zorg dat hierdoor de kans groter wordt dat mensen bijvoorbeeld regelmatig gaan blowen én vapen, terwijl dit extra schadelijk is? Zo ja, hoe gaat u dat voorkomen?
Het is niet duidelijk dat dit een causaal verband betreft. Het doel van het kabinet is niet dat meer mensen cannabis gaan gebruiken. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen te voorkomen, zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4.
Ontwikkelingen in drugsgebruik en de houding van jongeren ten aanzien van drugs worden nauwlettend gevolgd via monitoring. Het Trimbos-instituut verricht doorlopend onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op drugsgebruik onder minderjarigen en jongeren.
Het is bekend dat drugsgebruik en normalisering doorgaans het resultaat zijn van een samenspel van verschillende factoren. Er is meestal niet één afzonderlijke oorzaak aan te wijzen. Het kabinet ondersteunt dit onderzoek, onder meer via financiering van het Trimbos-instituut, zodat trends en mogelijke risicofactoren op tijd in kaart worden gebracht.
Wat vindt u ervan dat een dochterbedrijf van Philip Morris wetenschappelijke artikelen financiert die zich richten op de vermeende voordelen van het gebruik van cannabis? Hoe vaak komt dit soort onderzoek gefinancierd door de tabaksindustrie voor?
Historisch gezien heeft de tabaksindustrie veel ervaring met het financieren van onderzoek dat aansluit bij haar belangen. Het kabinet vindt dit zeer onwenselijk en verwerpelijk. Niet omdat elk commercieel gefinancierd onderzoek automatisch onbetrouwbaar is, maar omdat de tabaksindustrie een lange geschiedenis heeft van strategisch omgaan met wetenschap. Onafhankelijk onderzoek is zeer belangrijk, zeker wanneer het gaat om de gezondheid van mensen. Het kabinet baseert dan ook geen beleid op onderzoeken die door de tabaksindustrie zijn gefinancierd.
Acht u het wenselijk dat ondernemingen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie een positie verwerven binnen het Nederlandse wietexperiment? Zo ja, waarom? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om dergelijke betrokkenheid te beperken?
Bij de opzet van het experiment is ervoor gekozen de markt vrij te laten aan telers en coffeeshops. Daarbij past dat elke legale commerciële partij die voldoet aan de gestelde eisen en criteria, in aanmerking kan komen voor een aanwijzing als teler. Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen zoveel mogelijk te voorkomen, zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4. Verder geldt dat het wettelijk kader geen bepaling bevat die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Het kabinet heeft daarom in het coalitieakkoord afgesproken om het wietexperiment voort te zetten, en, zoals in het wettelijk kader is vastgelegd ook te evalueren. Op basis van de uitkomsten worden de vervolgstappen bepaald.
Hoe verhoudt de betrokkenheid van de tabaksindustrie bij deelnemende telers zich volgens u tot de doelstellingen van het wietexperiment op het gebied van volksgezondheid, verslavingspreventie en het terugdringen van de illegale markt?
Het kabinet beoogt met het wietexperiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. De effecten worden inzichtelijk gemaakt door het onafhankelijk onderzoeksconsortium en zullen het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid verder brengen. Er zijn binnen het wietexperiment geen doelen geformuleerd ten aanzien van verslavingspreventie of het terugdringen van de illegale markt, het experiment is een exploratief onderzoek.
Bent u bereid te onderzoeken of, analoog aan artikel 5.3 van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, aanvullende waarborgen nodig zijn om invloed van de tabaksindustrie op het Nederlandse cannabisbeleid en het wietexperiment te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Artikel 5.3 van WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging is niet van toepassing op het wietexperiment. De reden hiervoor is dat cannabis(producten) niet als legale producten worden aangemerkt. De Wet Experiment gesloten coffeeshopketen regelt in essentie dat de aangewezen telers uitgezonderd zijn van de strafbaarstelling onder de Opiumwet, mits zij voldoen aan de in het wietexperiment opgenomen eisen. De cannabisproducten die geproduceerd worden binnen het wietexperiment blijven echter nog steeds onder de Opiumwet vallen en zijn daardoor nog steeds illegaal. Hieruit volgt dat de Tabaks- en rookwarenwet en de Tabaksproductenrichtlijn niet van toepassing zijn op de producten die binnen dit experiment worden verkocht. Daarbij past de conclusie dat internationale verplichtingen ook niet van toepassing zijn.
Dat neemt niet weg dat het kabinet de zorgen die hierover leven serieus neemt. De tabaksindustrie draagt niet bij aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende producten als tabak, sigaretten en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door marketing- en lobbyactiviteiten die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid. Naast de onderzoeksresultaten over de effecten van de gereguleerde cannabisketen die door het onafhankelijk onderzoeksconsortium in kaart worden gebracht, zijn ook de beleidsmatig geleerde lessen van belang voor het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en ervaring met de tabaksindustrie onderdeel van dit gesprek is en zal moeten worden betrokken bij het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Kunt u uitsluiten dat partijen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie via deelnemende telers invloed kunnen uitoefenen op de toekomstige vormgeving van het cannabisbeleid na afloop van het experiment? Zo nee, welke risico’s ziet u daarin?
De risico’s voor het uitoefenen van invloed op de toekomstige vormgeving van het cannabisbeleid acht het kabinet klein. Aangezien met name de onderzoeksresultaten over de effecten van de gesloten, gereguleerde cannabisketen die door het onafhankelijk onderzoeksconsortium in kaart worden gebracht en het eindverslag van de onafhankelijke begeleidingscommissie de basis hiervoor vormen.
Welke wettelijke en contractuele mogelijkheden bestaan er momenteel om eisen te stellen aan investeerders, aandeelhouders of uiteindelijk belanghebbenden van deelnemers aan het wietexperiment?
Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid te bezien of deze mogelijkheden moeten worden aangescherpt om betrokkenheid van de tabaksindustrie te voorkomen?
Nee. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding voor aanvullende regels. Naast de onderzoeksresultaten over de effecten van de gereguleerde cannabisketen die door het onafhankelijk onderzoeksconsortium in kaart worden gebracht, zijn ook de beleidsmatig geleerde lessen van belang voor het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Het kabinet is van mening dat de samenhang tussen het tabaks- en cannabisbeleid hier onderdeel van is en zal moeten worden betrokken bij het toekomstige cannabisbeleid.
Het artikel 'Verbijstering over webshop gouden helm-dief vanuit bajes: ’Een hele dikke middelvinger naar justitie’' |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre is het mogelijk om een verbod op te leggen aan gedetineerden die online een webshop runnen waarbij zij hun delict romantiseren?1
Het is niet passend dat een gedetineerde vanuit zijn cel actief handelsactiviteiten ontplooit die zijn delict verheerlijken. Zolang daarmee echter geen verboden handelingen worden verricht of mogelijk gemaakt, de orde en veiligheid niet in gevaar komen of slachtoffers/benadeelden onrechtmatig in hun belangen worden geschaad, kunnen (ondernemings)activiteiten van gedetineerden niet algemeen worden beëindigd of verboden.
Daarnaast is het relevant om te benoemen dat het voeren van een legale commerciële activiteit door derden in relatie tot een gedetineerde buiten de inrichting in het algemeen niet bij wet verboden is. Ook is er geen wettelijke grondslag die alle commerciële uitingen verband houdend met het gepleegde delict verbiedt.
Wel zijn gedetineerden gebonden aan de communicatiebeperkingen die gelden binnen de inrichting. Ook telt gedrag van een gedetineerde dat de terugkeer in de samenleving eventueel tegenwerkt mee bij beslissingen over de rechten en vrijheden van de gedetineerde, zoals verlof of overplaatsing naar een regime met meer vrijheden.
Naar aanleiding van de motie-Ellian (Kamerstuk 24 587, nr. 883) zijn concrete stappen gezet om financiële transacties van en naar gedetineerden aan banden te leggen. Zo is de myTelio-applicatie buiten gebruik gesteld, kunnen gedetineerden onderling geen geld meer overmaken en kunnen transacties naar buiten alleen plaatsvinden onder opgave van reden. Daarnaast geldt dat het saldo op de rekening-courant van een gedetineerde maximaal € 250 mag bedragen. Geld overmaken gaat met tussenkomst van een medewerker van de PI. Op deze manier is het mogelijk toezicht te houden op transacties. Indien de medewerker van de PI naar aanleiding van een financiële transactie vermoedt dat er sprake is van voortgezet crimineel handelen, kan de medewerker een melding doen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV) van de desbetreffende PI.
Wordt het adres van het Justitieel Centrum Schiphol daadwerkelijk gebruikt als postadres voor de webshop die handelt in «merchandise» van de Roemeense kunstroof? In hoeverre kan hiertegen worden opgetreden en in hoeverre gebeurt dit al in deze zaak?
Ik kan niet ingaan op individuele casussen. In zijn algemeenheid kan ik mededelen dat het gebruik van een penitentiaire inrichting (PI) als postadres voor een commercieel bedrijf niet in lijn is met de bestemming en het karakter van een justitiële inrichting. Het is echter aan de Kamer van Koophandel om te toetsen of een ondernemer bij een officiële inschrijving het opgegeven adres mag gebruiken.
In hoeverre is het mogelijk om opbrengsten van deze webshop te verhalen en in te zetten om een deel van de gemaakte kosten (zoals in het strafproces, het onderzoek, etc.) te dekken? Kan er worden ingegaan op hoe dat in deze specifieke zaak is gebeurd?
Ik ga niet in op individuele zaken. In algemeenheid geldt dat de mogelijkheid om opbrengsten die iemand met een strafbaar feit heeft behaald, af te romen via een ontnemingsmaatregel (art. 36e Sr) gericht is op wederrechtelijk verkregen voordeel. Of en in hoeverre dit per individuele casus toepasbaar is, hangt af van het verband tussen de opbrengsten en een gepleegd delict.
In beginsel worden de kosten van een strafproces, behoudens enkele uitzonderingen, niet verhaald op de verdachte.
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een einde te maken aan deze webshop? Zo niet, waarom niet?
Ik ga niet in op de specifieke casus. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 1 voor een overzicht van wat wel en niet mogelijk is.
De AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u de onderstaande simpele ja-nee-vragen ook met «Ja» of «Nee» beantwoorden? Zo nee, waarom lukt dat niet?
Waar dat kan, zal ik de vragen met ja of nee beantwoorden. Wanneer een nadere toelichting op zijn plaats is, zal ik die geven.
Kan de AIVD journalisten inzetten als «agent»? Ja of nee?1
Ja. Op grond van artikel 41 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) heeft de AIVD de bevoegdheid tot het inzetten van agenten. Een agent is een natuurlijk persoon die op basis van vrijwilligheid wordt ingezet en aangestuurd om gericht informatie te verzamelen die voor de taakuitvoering van de AIVD van belang is. De AIVD kan hiervoor iedereen benaderen, dus ook journalisten.
Bent u ermee bekend dat de voorloper van de AIVD, de BVD, in de Nederlandse media artikelen liet afdrukken die waren geschreven door de BVD?2
Ja.
Gebeurt dit nog steeds? Met andere woorden, worden er in de Nederlandse media door journalisten (of redacties) artikelen afgedrukt die eigenlijk afkomstig zijn van de AIVD? Ja of nee?
Nee. Als de AIVD iets publiekelijk aan de orde wil stellen doet de dienst dat door een publicatie, zoals het jaarverslag. Het onder voorwendsel laten plaatsen van een journalistiek artikel met als doel de publieke opinie of het openbare debat te beïnvloeden is niet aan de orde.
Oefent de AIVD op enige wijze invloed uit op datgene wat Nederlandse journalisten in de Nederlandse media zeggen of schrijven? Ja of nee?
Nee. De AIVD kan wel, bijvoorbeeld door middel van achtergrondgesprekken of het beantwoorden van vragen, nadere duiding geven aan journalisten op fenomenen die de AIVD onderzoekt. Dat gebeurt ook op verzoek van de journalist.
Los van of de AIVD wel of niet journalisten gebruikt om artikelen te laten verschijnen in de Nederlandse media, mag de AIVD dit doen? Met andere woorden heeft de AIVD hiervoor de juridische bevoegdheid? Ja of nee?
Nee. De Wiv 2017 voorziet niet specifiek in een dergelijke bevoegdheid.
Vindt u het «als onze hoeder van onze democratie» vanuit democratisch oogpunt acceptabel als een buitenlandse inlichtingendienst, in het geheim, dus zonder dat het duidelijk is dat deze buitenlandse inlichtingendienst erachter zit, Nederlandse journalisten gebruikt om in de Nederlandse media artikelen te plaatsen? Ja of nee?
Nee. De vrije pers is een pijler van onze democratische rechtsorde. Het is van wezenlijk belang dat journalisten onafhankelijk en op betrouwbare wijze hun werk kunnen doen.
Vindt u het «als onze hoeder van onze democratie» vanuit democratisch oogpunt acceptabel als onze eigen inlichtingendienst, de AIVD, in het geheim, dus zonder dat het duidelijk is dat de AIVD erachter zit, Nederlandse journalisten gebruikt om in de Nederlandse media artikelen te plaatsen? Ja of nee?
Nee. Zie mijn antwoorden op vraag 4 en 7.
Kunt u deze bovenstaande ja-nee-vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Politie vertelt waarom zo lang is gewacht met tonen video van schokkende aanval in Albert Heijn’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brute mishandeling van een 19-jarige jongen door Syrische terreurgroepen in de Albert Heijn Groningen op 21 januari 2026, waarbij circa tien mannen hem achtervolgden, tegen de grond werkten en bleven schoppen en slaan, ook nadat hij bewusteloos was?1
Ja.
Waarom heeft de politie de herkenbare beelden van de daders pas na een half jaar vrijgegeven via Opsporing Verzocht, terwijl twee verdachten al vroeg waren aangehouden en de overige daders maandenlang vrij rondliepen?
Deelt u de mening dat deze onacceptabele vertraging de daders de kans heeft gegeven om te vluchten of opnieuw geweld te plegen, en dat een directe publicatie van de beelden veel eerder tot arrestaties had geleid?
Waarom weigert de politie standaard bij geweld direct herkenbare beelden openbaar te maken, in plaats van de privacy van gewelddadige daders boven de veiligheid van burgers en winkelpersoneel te stellen?
Deelt u de mening dat beelden van geweldsincidenten onmiddellijk, het liefst dezelfde dag nog, vrijgegeven moeten worden?
Bent u bereid dit naar de politie te communiceren?
Wat gaat u doen tegen de groep Syriërs die al jaren Groningen en andere steden terroriseert?
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze mishandeling. Het veroorzaken van overlast en het plegen van strafbare feiten zijn onacceptabel. Voor het kabinet is het belangrijk dat het gevoel van veiligheid op straat blijft bestaan. Het is aan het bevoegd gezag om daarvoor zorg te dragen, en ik zet mij ten volle in om het daartoe in staat te stellen.
Bent u bereid om ongenadig hard op te treden tegen deze mensen, in plaats van de in het verleden opgelegde gebiedsverboden? Zo ja, waar laat u dat uit blijken?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat Syriërs in Syrië horen, helemaal nu, gezien het feit dat Syrië veilig is, en dat zij terug moeten naar hun eigen land in plaats van de veiligheid van Nederlanders te verzieken?
Tegen crimineel en overlast gevend gedrag moet altijd worden opgetreden, ongeacht de achtergrond van de daders.
Hoeveel Syriërs heeft u reeds begeleid naar de terugkeervliegtuigen in de eerste 100 dagen van dit kabinet?
De grootschalige handel in designerdrugs |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse bedrijven voor bijna twee miljard euro aan gevaarlijke designerdrugs uit India hebben geïmporteerd?1, 2
Ja, ik ben hiermee bekend.
Deelt u de ernstige zorgen over de omvang van deze handel, waarbij circa 153.000 kilo aan middelen is ingevoerd en met zeer hoge winstmarges wordt doorverkocht?
Ik ben geschrokken van de omvang van de handel in designerdrugs zoals geschetst in het artikel. Deze handel is enorm en zeer kwalijk en ik veroordeel deze handel ten zeerste. Het is uitermate schokkend dat er partijen zijn die dit soort – mogelijk levensgevaarlijke Í middelen aanbieden voor eigen financieel gewin. Ik zet mij ten volle in om politie en justitie in staat te stellen dit te bestrijden. Een belangrijke maatregel in deze strijd is de invoering van lijst IA op 1 juli 2025, een verbod op een drietal stofgroepen die zijn afgeleid van middelen die op lijst I van de Opiumwet staan. Binnenkort wordt via een AMvB een vierde stofgroep, de nitazenen, toegevoegd aan lijst IA.
In het door de media genoemde onderzoek wordt voornamelijk gerefereerd aan handel in middelen gedurende de periode van vóór de invoering van dit stofgroepenverbod. Deze middelen vielen destijds nog niet onder de Opiumwet, waardoor politie en justitie toen nog niet konden ingrijpen. Sinds de invoering van het stofgroepenverbod (lijst IA bij de Opiumwet) per 1 juli 2025 kunnen zij dit wél en is het aanbod in designerdrugs via websites als Funcaps.nl sterk afgenomen. Dat aanbod betrof voornamelijk stoffen voor recreatief gebruik zoals varianten van partydrug 3-mmc. We zien nu helaas een verschuiving van het aanbod naar namaak geneesmiddelen zoals designerbenzodiazepinen (namaak slaap- en kalmeringsmiddelen) of namaak pijnstillers. Deze middelen vallen niet onder de Opiumwet. Het is een grote uitdaging om dit aanbod effectief te bestrijden. Verkopers zoeken de randen van de wet op om hun verdienmodel in stand te houden.
De Minister van VWS en ik werken samen met de NVWA, IGJ, Politie en het OM aan een integrale aanpak om de online verkoop van (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs effectiever te bestrijden. In deze aanpak is aandacht voor wet- en regelgeving, maar ook voor bevoegdheden, capaciteit en (internationale) samenwerking. Uw Kamer is hierover recent geïnformeerd met de brief over (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs.3
Hoe beoordeelt u het morele aspect van deze handel, waarbij willens en wetens middelen worden verhandeld die in verband worden gebracht met verslaving, hersenschade en sterfte? Kunt u toezeggen dat u er van uw kant alles aan doet om politie en justitie in staat te stellen dit krachtig te bestrijden? Zo ja, wat bent u van plan om aanvullend te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de zorg dat de handel in designerdrugs mede wordt gefaciliteerd door het gebruik van bv-constructies die persoonlijke aansprakelijkheid afschermen, en welke mogelijkheden ziet u om natuurlijke personen achter deze constructies directer aansprakelijk te stellen en hun crimineel verkregen vermogen af te pakken?
Ik deel uw zorgen over de import van en handel in designerdrugs. Mede daarom is recent de Opiumwet aangescherpt, zodat meer middelen dan voorheen verboden zijn en verboden kunnen worden, en dat ook productie en handel daarin kan worden aangepakt. Het gebruik van bv-constructies voor legale handel, zoals de handel in deze middelen grotendeels was tot en met 1 juli 2025, is toegestaan.
Het overtreden van de Opiumwet en aanpalende wet- en regelgeving is een serieus misdrijf, waar het OM stevig tegen optreedt. In dit kader kunnen behalve natuurlijke personen ook rechtspersonen en hun bestuurders strafrechtelijk worden vervolgd. Dat kan leiden tot gevangenisstraffen, geldboetes en/of het ontnemen van vermogen.
Met de implementatie van de Europese Confiscatierichtlijn worden de mogelijkheden voor het afpakken van het crimineel verkregen vermogen verruimd. Zo kan vermogen straks ook worden afgepakt zonder strafrechtelijke veroordeling (NCBC-procedure4).
Zoals ook in het Dreigingsbeeld Ondermijning Nederland5 (DON) en in de Koersbrief6 beschreven is, worden legale infrastructuren misbruikt door criminelen om crimineel geld te verkrijgen, criminele activiteiten te verhullen of het criminele businessmodel te ondersteunen. Samen met verschillende partners, waaronder het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) kijken we naar systeemkwetsbaarheden in onze economie, en wordt er door EZK gewerkt aan een (wets)voorstel om de (poortwachters)rol van de Kamer van Koophandel te versterken.
In hoeverre acht u het huidige instrumentarium toereikend om te voorkomen dat producenten via kleine chemische aanpassingen de Opiumwet blijven omzeilen? Kunt u reflecteren op de effectiviteit van het per 1 juli 2025 ingevoerde groepenverbod en in hoeverre dit het «kat-en-muisspel» daadwerkelijk heeft doorbroken?
Het (online) aanbod van nieuwe psychoactieve stoffen (NPS) is de afgelopen periode aanzienlijk versmald. Tientallen stoffen die voorheen legaal konden worden verhandeld, zijn inmiddels strafbaar gesteld en daarmee uit het aanbod verdwenen. Zoals reeds benoemd blijven verkopers echter creatief in het vinden van manieren om hun verdienmodel in stand te houden. Er is sinds de invoering van het stofgroepenverbod wel een toename zichtbaar in het aanbod van namaak geneesmiddelen zoals de designerbenzodiazepinen (namaak slaap- en kalmeringsmiddelen) en namaak-pijnstillers.
Het op 1 juli 2025 ingevoerde stofgroepenverbod wordt binnen drie jaar na de inwerkingtreding uitgebreid geëvalueerd. Bij die evaluatie worden zowel de effecten op de volksgezondheid als de effecten op de productie en handel in kaart gebracht.
Deelt u de zorg dat nog altijd risicovolle middelen buiten het bereik van het groepenverbod vallen? Welke aanvullende aanscherpingen zijn wat u betreft nodig, en bent u bereid hier met spoed werk van te maken?
Binnenkort treedt een AMvB in werking waarmee een extra stofgroep, de nitazenen, wordt toegevoegd aan lijst IA van de Opiumwet. Nitazenen zijn een stofgroep synthetische opioïden die zeer potent en dus gevaarlijk zijn.
Zoals in het antwoord op vraag 3 toegelicht, blijft er een aanbod van middelen dat buiten het stofgroepenverbod valt. Dat betreft voornamelijk varianten van geneesmiddelen die onder de Geneesmiddelenwet vallen (zoals een variant van Tramadol) en van geneesmiddelen die al onder lijst II van de Opiumwet vallen (varianten van slaap- en kalmeringsmiddelen, designer benzo’s). De Kamer is over de aanpak van illegale handel in (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs geïnformeerd met een Kamerbrief.
Hoe beoordeelt u het dat na het sluiten van 43 websites de handel grotendeels doorgaat via buitenlandse websites en besloten kanalen, en welke aanvullende maatregelen zijn nodig om dat een halt toe stoppen?
Vanwege het grensoverschrijdende karakter van het internet wordt de aanpak van criminaliteitsfenomenen, zoals de illegale handel in drugs, bemoeilijkt. Het sluiten van websites is een belangrijke maatregel voor de korte termijn, maar biedt voor de lange termijn geen structurele oplossing omdat eigenaren van dit soort websites op andere domeinextensies of besloten kanalen doorgaan. De focus van de aanpak moet zich toespitsen op het oprollen van de netwerken achter deze websites. Dat is tijdrovend en arbeidsintensief opsporingsonderzoek.
Voor zover websites kwalificeren als tussenhandeldiensten waarop gebruikers online content kunnen plaatsen, zoals online platforms en online marktplaatsen, blijft de Digitale Services Act (DSA) van toepassing. De DSA hanteert een brede definitie van «illegale inhoud». Daaronder vallen naast illegale producten, bijvoorbeeld ook diensten en activiteiten die in strijd zijn met het Unierecht of het recht van een lidstaat. Hieronder valt ook de handel in illegale drugs. Op grond van de DSA zijn hostingdiensten, waaronder online platforms en online marktplaatsen, gehouden illegale content te verwijderen zodra zij hier kennis van krijgen. Doen zij dit niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Ook moeten online platforms gebruikers die frequent illegale inhoud plaatsen, schorsen. Online marktplaatsen moeten verder aan verschillende verplichtingen voldoen om ervoor te zorgen dat handelaren op hun platform traceerbaar zijn en dat zij hij het toepasselijke Unierecht naleven. Op de DSA wordt toezicht gehouden. De lidstaat van (Europese) vestiging bepaalt welke toezichthouder bevoegd is. Deze toezichthouders hebben evenwel niet de bevoegdheid om content offline te halen. Besloten kanalen en groepen vallen buiten de reikwijdte van de DSA. Er is sprake van beslotenheid als er effectief deurbeleid wordt gehanteerd.
Wanneer aangifte of melding wordt gedaan van strafbare online content, dan kunnen het Openbaar Ministerie en de politie een verwijderverzoek richten aan aanbieders van communicatiediensten om de betreffende online content offline te halen. Dit verzoek kan alleen worden gedaan als bekend is wie de aanbieder is van de content en waar die aanbieder is gevestigd, dat kan ook in het buitenland zijn. Soms komt het voor dat niet bekend is waar de illegale content precies staat. In die gevallen is het niet mogelijk een verwijderverzoek te doen. Indien een verwijderverzoek niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een (dwingend) bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken om een strafbaar feit te beëindigen of nieuwe feiten te voorkomen. In die gevallen waarin de content niet in Nederland staat maar in het buitenland, dan is het Openbaar Ministerie afhankelijk van samenwerking en medewerking van de daartoe bevoegde buitenlandse autoriteiten. Deze route leidt niet altijd tot het gewenste resultaat omdat niet met ieder land een rechtshulprelatie bestaat en het doen van dergelijke verzoeken vaak ook enige tijd vergt.
Het ontoegankelijk maken van online content en het gebruik van notice-and-actionmechanismen zijn belangrijke instrumenten, maar moeten worden gezien als onderdeel van een bredere aanpak. Omdat aanbieders kunnen uitwijken naar buitenlandse domeinen, besloten kanalen of nieuwe webshops, blijft het van belang om daarnaast in te zetten op strafrechtelijk onderzoek naar de aanbieders achter deze handel, financiële stromen, logistieke schakels en internationale aanvoerroutes.
Welke inzet pleegt u om deze handel internationaal, met name richting India, bij de bron aan te pakken? Wat gaan u en uw collega van Buitenlandse Zaken aanvullend doen om dit aan te pakken?
De internationale banden die zijn aangehaald bij de SYNDEC7 en de Commission on Narcotic Drugs van de VN worden actief gebruikt om het gesprek aan te gaan over de problematiek rondom de verkoop van designerdrugs. Hiermee wordt getracht een betere samenwerking te faciliteren tussen India en Nederland. Dit zal helpen met het in kaart brengen van de grootschalige legale en illegale aanvoerroutes van de chemische en farmaceutische industrie.
Deelt u de opvatting dat naast repressie ook een krachtige norm nodig is tegen drugsgebruik, en welke concrete maatregelen neemt u om het gebruik van designerdrugs actief te ontmoedigen, met name onder jongeren?
Ja, die opvatting deel ik. De sociale norm rondom een bepaalde gedraging is één van de belangrijkste voorspellers voor zo’n gedraging. Als we het gebruik van (designer-)drugs willen verminderen, is het van belang daarop in te zetten. De Minister van VWS en ik dragen deze norm vaak uit, in Kamerbrieven en debatten. Daarnaast werk ik met de Minister van VWS aan een voortzetting van de campagne die jongeren bewust moet maken van de negatieve gevolgen op de maatschappij en gezondheid van drugsgebruik. Hierover bent u door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geïnformeerd via de recente Verzamelbrief ontwikkeling drugsbeleid.
Een ernstig datalek binnen de EBI |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat vertrouwelijke dossierinformatie van een gedetineerde met een zware risicostatus zichtbaar is geweest voor een andere gedetineerde binnen de Extra Beveiligde Inrichting (EBI)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat juist binnen de zwaarst beveiligde inrichting van Nederland vertrouwelijke strafrechtelijke informatie kennelijk bij een andere gedetineerde terecht heeft kunnen komen?
Uit onderzoek naar het incident blijkt dat tijdens het volgen van de procedure sprake is geweest van een menselijke fout. Op basis van het onderzoek valt niet vast te stellen of daadwerkelijk inzage in vertrouwelijke informatie heeft plaatsgevonden. Dit moet echter te allen tijde worden voorkomen. DJI treft dan ook aanvullende maatregelen om de kans op herhaling te verkleinen. Zo is een extra controlestap in de procedure aangebracht die ziet op het uitschakelen van de laptop. Ook voert DJI daarnaast nog enkele technische verbeteringen door. Vanuit een veiligheidsoogpunt kan ik deze niet gedetailleerd delen.
Klopt het dat de voorgeschreven veiligheidsprocedures in dit geval niet zijn gevolgd? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Uit onderzoek is gebleken dat tijdens het volgen van deze procedure sprake is geweest van een menselijke fout. DJI treft maatregelen om de kans op herhaling te verkleinen.
De reguliere procedure is dat nadat een gedetineerde een dergelijke laptop heeft gebruikt, de laptop wordt uitgeschakeld. Door middel van het uitschakelen van de laptop wordt alle historie automatisch verwijderd en daarmee «geschoond». Pas daarna mag de laptop worden uitgegeven aan een andere gedetineerde.
Geeft dit incident aanleiding tot het herzien van de veiligheidsprocedures? Zo nee, waarom niet?
De resultaten van het onderzoek naar aanleiding van het incident geven aanleiding tot het treffen van maatregelen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1, betreft dit een extra controlestap.
Kan worden uitgesloten dat vertrouwelijke informatie van andere gedetineerden eveneens onbevoegd is ingezien? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het onderzoek valt niet vast te stellen of daadwerkelijk inzage in vertrouwelijke informatie van de betreffende gedetineerde heeft plaatsgevonden. Vanwege veiligheidsredenen kan niet verder worden ingegaan op de details van het onderzoek.
Er is nu geen aanleiding te vermoeden dat vergelijkbare incidenten zich eerder hebben voorgedaan.
Deelt u de mening dat een dergelijke blunder ernstige veiligheidsrisico’s met zich kan brengen voor lopende strafzaken, getuigen, slachtoffers, personeel en de openbare veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Ik wil voorop stellen dat ik het uiteraard betreur dat deze fout zich voor heeft kunnen doen. Zoals aangegeven in mijn vorige antwoord op vraag 5, valt op basis van het onderzoek niet vast te stellen of daadwerkelijke inzage in vertrouwelijke informatie heeft plaatsgevonden.
Het Openbaar Ministerie, de betrokken gedetineerde en diens advocaat zijn inmiddels geïnformeerd. Het onderzoek heeft in afstemming met hen plaatsgevonden. Bij het vermoeden van een datalek is vereist dat binnen 72 uur een melding hiervan wordt gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. DJI heeft dit gedaan. Door DJI wordt op basis van de onderzoeksresultaten bekeken of hier nog verdere actie op moet volgen.
Acht u het verantwoord dat gedetineerden met een zware risicostatus zonder toezicht toegang hebben tot apparatuur waarmee dergelijke fouten kennelijk kunnen ontstaan? Zo ja, waarom?
De laptops die aan gedetineerden worden uitgereikt betreffen stand alone laptops die uitsluitend over functionaliteiten beschikken om het strafdossier te raadplegen.
Op basis van een uitspraak van RSJ2 moeten OM en DJI bij omvangrijke dossiers digitale inzage faciliteren. Bovendien is het uitsluitend op papier verstrekken van het strafdossier bij omvangrijke dossiers niet uitvoerbaar vanwege de beheersingsproblematiek die daarbij komt kijken. Niet enkel op het gebied van logistiek (het veilig transporteren van dossier van OM naar gedetineerde, bij overplaatsingen en bij beëindiging van inzage) maar ook op het gebied van informatieveiligheid en fysieke veiligheid (denk aan brandlast op cel).
Bent u bereid te onderzoeken of dossierinzage voor hoogrisicogedetineerden voortaan uitsluitend onder toezicht en op papier dient plaats te vinden, zodat deze gedetineerden in zijn geheel geen toegang meer hebben tot laptops, waar wij al eerder voor hebben gepleit, en dit soort datalekken daardoor onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke disciplinaire, organisatorische of personele consequenties worden verbonden aan het niet naleven van de veiligheidsprocedures die tot dit incident hebben geleid? Gaat de toedracht van dit incident worden onderzocht op mogelijk opzettelijk handelen?
Ik ga niet in op individuele personele en disciplinaire kwesties.
Kunt u garanderen dat zich binnen de EBI momenteel geen vergelijkbare beveiligingslekken voordoen waardoor gedetineerden toegang kunnen krijgen tot informatie die niet voor hen bestemd is? Zo nee, waarom niet?
DJI zet zich onvermoeibaar in voor een veilige omgeving, zowel fysiek als digitaal. De extra maatregelen die worden genomen naar aanleiding van het onderzoek zullen hieraan bijdragen.
Dat bezuinigingen op zorg en sociale zekerheid een voedingsbodem vormen voor toename van populisme en opkomst van radicaal- en extreemrechts |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog dat de Partij voor de Dieren u tijdens het debat over de regeringsverklaring wees op de conclusies van de VN-rapporteur voor armoede, die adviseert om te investeren in publieke en sociale voorzieningen en dat niet te zien als een kostenpost, maar als een belangrijk instrument om je sociale weefsel en je democratische samenleving in stand te houden en extreemrechts geen kans te geven?
Ja.
Herinnert u zich nog dat u had toegezegd dit advies en andere onderzoeken waaruit blijkt dat bezuinigingen op sociale voorzieningen de voedingsbodem voor radicaal- en extreemrechts vergroten tot u te nemen?
Ja.
Wat neemt uw mee in uw beleid uit onderzoeken zoals die van Lattanzio en Savu (2022), Baccini en Sattler (2024), waaruit af te leiden is dat vooral populistische en radicaal rechtse partijen profiteren van bezuinigingen op het sociale stelsel, met name bij groepen in kwetsbare positie?1, 2
Het kabinet ziet het belang van een sterk en toekomstbestendig sociaal stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden vormgeven – ook met het oog op toekomstige generaties. Daarom kiest dit kabinet voor hervormingen én gerichte investeringen, zodat iedereen kan meedoen en we alle talent in de samenleving ondersteunen en benutten. Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over mogelijke verbanden tussen gevoerd beleid en electorale ontwikkelingen. Wel legt het kabinet verantwoording af over het gevoerde beleid, altijd met oog voor de kwetsbaarsten in onze samenleving.
Bent u inmiddels bekend met het VN-rapport van Speciaal rapporteur Extreme armoede en mensenrechten Olivier De Schutter met de titel «Promotion and protection of human rights: human rights questions, including alternative approaches for improving the effective enjoyment of human rights and fundamental freedoms» en de conclusies die de rapporteur eraan verbindt?3
Ja.
Bent u het eens met de VN-rapporteur dat het belangrijk is om te investeren in publieke en sociale voorzieningen, en dat niet te zien als een kostenpost, maar als een belangrijk instrument om je sociale weefsel en je democratische samenleving in stand te houden en radicaal- en extreemrechts geen kans te geven? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet deelt de visie dat investeren in publieke en sociale voorzieningen essentieel is voor een sterk sociaal weefsel en een democratische samenleving. Een toekomstbestendig stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden opbouwen, zorgt ervoor dat iedereen kan meedoen en dat we alle talent in onze samenleving benutten. Dat is precies waarom we kiezen voor hervormingen én gerichte investeringen. De basis hiervoor ligt in het coalitieakkoord, waarin onder andere is opgenomen dat wie niet kan werken, moet kunnen vertrouwen op een goed stelsel van sociale zekerheid. Tegelijkertijd is het tijd om keuzes te maken voor de middellange termijn, zodat we ook toekomstige generaties kunnen voorzien van een houdbaar en goed stelsel van sociale zekerheid.
Bent u het eens met de bevindingen van VN-rapporteur De Schutter dat sociale zekerheid een dam is tegen radicaal-rechts populisme? Zo nee, waar baseert u zich op?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u het eens met de bevindingen van de VN-rapporteur dat bezuinigingen op het sociale stelsel en verschuiving van collectieve bescherming naar risico’s voor individuen leiden tot gevoel van schaarste, onzekerheid, ongelijkheid en wantrouwen in de overheid, wat een vruchtbare bodem vormt voor radicaal-rechts? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Zie het antwoord op vraag 3.
Welke lessen trekt u uit de conclusies van de VN-rapporteur voor uw beleid in de toekomst om de voedingsbodem voor extreem en radicaalrechts weg te nemen? Welke stappen gaat u naar aanleiding hiervan zetten?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bekend met het pas verschenen boek De symfonie van onvrede: de opmars van radicaal rechts in Europa, geschreven door Catherine de Vries?
Ja.
Bent u het eens met de analyse dat de Nederlandse sociale zekerheid in de afgelopen decennia verschraald is door verschillende kabinetten? Zo nee, op basis van welke bronnen en cijfers stelt u dat?
Dit kabinet hecht grote waarde aan een sterk en toekomstbestendig sociaal stelsel, dat we samen met sociale partners en medeoverheden vormgeven – ook met het oog op toekomstige generaties. Daarom kiezen we voor hervormingen én gerichte investeringen, zodat iedereen kan meedoen en we alle talent in de samenleving ondersteunen en benutten. Met enige regelmaat verschijnen er publicaties die proberen een beschrijving te geven van langjarige veranderingen in de samenleving en in de verhouding tussen overheid en samenleving, of het nu gaat over sociale zekerheid of over klimaatbeleid. In zijn algemeenheid dragen dergelijke publicaties bij aan een levendig maatschappelijk debat over een veelheid aan fenomenen. Het is echter niet aan het kabinet om standpunten in dergelijke debatten in te nemen of standpunten van anderen te waarderen, anders dan door verantwoording af te leggen over het gevoerde kabinetsbeleid en de onderliggende gronden voor het gekozen kabinetsbeleid toe te lichten.
Herkent u zich in het oordeel van de Vries op bladzijde 58 dat «onder het vaandel van marktwerking en modernisering publieke taken werden verzelfstandigd of geprivatiseerd, terwijl de bestuurstaal verschoof van rechten en nabijheid naar doelmatigheid, contracten en controle»? Zo ja, hoe waardeert u deze verandering? Zo nee, waarom niet? Welke bronnen heeft u daarvoor?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u het eens met haar oordeel op dezelfde bladzijde dat «hierdoor de relatie tussen burgers en de overheid veranderde: meer benchmarks en verantwoordingsdruk, minder relatie en wederkerigheid»? Zo ja, hoe waardeert u deze verandering? Zo nee, waarom niet? Welke bronnen heeft u daarvoor?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe waardeert u de oplossingsrichting van De Vries om als overheid meer te gaan werken aan nabijheid (zie hoofdstuk 8)? Kunt u toelichten wat u daaruit meeneemt en hoe u dit gaat implementeren in het beleid?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat uit cijfers van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat met uw kabinet de sociale zekerheid en zorg de grootste bezuinigingsposten zijn, burgers grotere lasten dragen dan bedrijven, uitkeringsgerechtigden en langdurig zieken relatief zwaar worden geraakt door uw beleid, en grote vermogens en superrijken relatief worden ontzien?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat er veel maatschappelijke weerstand is over de keuzes van het kabinet om te bezuinigen op o.a. de WW, WIA en de zorg?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat ook uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar draagvlak voor klimaatbeleid blijkt dat mensen klimaatbeleid in meerderheid steunen, maar het niet rechtvaardig vinden dat de lasten vooral bij burgers terechtkomen, terwijl bedrijven worden ontzien? Erkent u dat mensen het belangrijk vinden dat lasten eerlijker verdeeld moeten worden? Wat is uw reactie daarop?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat mensen in dat licht de afschaffing CO2-heffing voor vervuilers, het in stand houden van fossiele subsidies, en miljarden uitgeven aan buitenlandse multinationals als Tata Steel onbegrijpelijk zouden kunnen vinden?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u zich ervan bewust dat uit onder andere de eerdergenoemde onderzoeken volgt dat de bezuinigingen op de sociale zekerheid en de zorg die het kabinet wil doorzetten, ertoe kunnen leiden dat de onvrede en onrust onder burgers in de samenleving worden vergroot?
Zie het antwoord op vraag 10.
Realiseert u zich dat uit onder andere eerdergenoemde onderzoeken volgt dat burgers door zulke bezuinigingsmaatregelen van het kabinet burgers in toenemende mate hun vertrouwen kunnen verliezen in de overheid en haar instituten, en gevoeliger kunnen worden voor populistisch en radicaal- en extreemrechts gedachtegoed? Zo nee, waar baseert u zich op?
Zie het antwoord op vraag 10.
Gezien de wetenschappelijke analyse (genoemd in het boek van De Vries, zie bladzijde 160) die wijst op de samenhang tussen ervaren verschraling en steun voor radicaal-rechtse partijen, waarom bezuinigt u dan toch op onder andere de WW en de WIA, en laat u superrijken en grote vermogens relatief met rust? Ziet u in dat u door het verschralen van de sociale zekerheid de voedingsbodem legt voor radicaal-rechts gedachtegoed, zoals ook De Vries beschrijft?
Zie het antwoord op vraag 10.
Ziet u bijvoorbeeld dat radicaal- en extreemrechts meteen gebruik maakt van de keuzes van uw kabinet om te bezuinigen op de zorg en sociale zekerheid, om mensen op te hitsen tegen onder andere vluchtelingen en de LHTBQIA+ gemeenschap en om onrust aan te wakkeren, waar de tweet van Eva Vlaardingerbroek (vlak na de presentatie van de plannen van uw kabinet) exemplarisch voor is?4
Zie het antwoord op vraag 10.
Welke lessen trekt u uit alle bovengenoemde onderzoeken en analyses voor uw beleid in de toekomst, om de voedingsbodem voor radicaal- en extreemrechts weg te nemen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat er alternatieve financieringsmogelijkheden zijn, die de lasten eerlijker leggen bij grote vermogens en grote vervuilers, in plaats van bij sociale zekerheid, zorg en werkende mensen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u, ook gezien de verschillende onderzoeken, bereid om niet verder te bezuinigen op de sociale zekerheid en zorg, maar om de lasten eerlijker te verdelen en meer geld op te halen bij grote vervuilers, grote vermogenden en de superrijken?
Zie het antwoord op vraag 10.
Kunt de vragen zo snel mogelijk en één voor één beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk en separaat beantwoord.
Het bericht ‘Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht van 29 mei jl. «Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze gebeurtenis?
Vernieling van een gebedshuis is ernstig en onacceptabel. Dergelijke incidenten raken niet alleen gebouwen, maar ook mensen. Ze veroorzaken gevoelens van onrust, angst en onveiligheid binnen gemeenschappen.
Deelt u de opvatting dat iedereen in Nederland, ongeacht geloofsovertuiging, zich veilig moet kunnen voelen in en rondom zijn of haar gebedshuis en dat aanvallen op moskeeën onaanvaardbaar zijn?
In Nederland moet iedereen zijn of haar geloof vrij en veilig kunnen belijden. De vrijheid van godsdienst is een grondwettelijk recht. Aanvallen op gebedshuizen, waaronder moskeeën, zijn onaanvaardbaar.
Vernieling van gebouwen, waaronder gebedshuizen, is strafbaar.2 Wanneer dergelijke strafbare feiten gericht zijn tegen een groep mensen vanwege bijvoorbeeld hun godsdienst, kan sprake zijn van strafbare feiten met een discriminatoir aspect.3
Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) om in individuele gevallen te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of een discriminatoir motief onderdeel uitmaakt van het delict. Indien bij aangiften aanwijzingen bestaan voor een dergelijk motief, kan dit worden betrokken in het opsporingsonderzoek conform de Aanwijzing discriminatie.4
Kunt u aangeven hoe de regering gereageerd heeft op deze aanslag? Is er contact geweest met het bestuur van de Mevlana-moskee?
De primaire verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheidssituatie en het contact met religieuze instellingen ligt bij het lokale gezag. De burgemeester van Rotterdam heeft direct na het incident contact opgenomen met het bestuur van de Mevlana-moskee om haar steun te betuigen en te bespreken welke ondersteuning passend is vanuit de gemeente. Zij heeft ook een oproep gedaan aan getuigen om zich te melden bij de politie.
Is er inmiddels meer bekend over de achtergrond en motieven van de daders?
Over de details van een lopend strafrechtelijk onderzoek worden geen uitspraken gedaan.
Kunt u aangeven hoe vaak in de afgelopen vijf jaar moskeeën, kerken, synagogen en andere gebedshuizen doelwit zijn geweest van vernieling, intimidatie of andere strafbare feiten? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jaar, type incident en religieuze instelling?
Op basis van de registratiepraktijk bij officiële meldinstanties is een uitsplitsing naar jaar, type incident en religieuze instelling niet beschikbaar.
Welke maatregelen bestaan momenteel om de veiligheid van gebedshuizen te vergroten en acht u deze maatregelen toereikend?
De verantwoordelijkheid voor het treffen van passende veiligheidsmaatregelen ligt op de eerste plaats bij deze instellingen zelf. De lokale driehoek kan aanvullende veiligheidsmaatregelen nemen als deze instellingen, redelijkerwijs op eigen kracht geen, of onvoldoende, weerstand kunnen bieden tegen de dreiging en het risico. Het treffen van aanvullende maatregelen gebeurt altijd op basis van actuele dreigingsinformatie en risicobeeld.
Vanwege veiligheidsoverwegingen worden over (specifieke) maatregelen publiekelijk geen mededelingen gedaan.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar dit incident en eventuele lessen die hieruit kunnen worden getrokken voor de bescherming van religieuze gemeenschappen in Nederland?
Het is primair aan het OM om te beoordelen wanneer en op welke wijze over (de afdoening van) individuele zaken kan worden gecommuniceerd. Indien het onderzoek tot uitkomsten leidt die van belang kunnen voor uw Kamer, zal ik er zorg voor dragen dat uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
De Blauwe Haven |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Welke handelingen en interventies heeft de korpsleiding vanaf juni 2024 verricht ten aanzien van De Blauwe Haven?
De korpsleiding heeft mij laten weten dat het eerste signaal over De Blauwe Haven hen in juni 2024 heeft bereikt. Dit signaal was ernstig, maar op dat moment nog onvoldoende concreet. In de periode daarna is om aanvullende informatie verzocht. Deze informatie is schriftelijk aangeleverd. Daaropvolgend is de korpschef geïnformeerd en heeft zij direct opdracht gegeven tot een intern oriënterend onderzoek door het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO).
Welke informatie bevatte het eerste signaal dat de korpsleiding in juni 2024 bereikte, op basis waarvan werd dit signaal als ernstig aangemerkt en welke concrete gegevens ontbraken volgens de korpsleiding waardoor niet direct een onderzoek of interventie is gestart?
In verband met de privacy van de melder en betrokkenen doe ik geen uitspraken over de inhoudelijke aspecten van dit eerste signaal.
Hoeveel personen hebben zich gedurende het onderzoek gemeld als mogelijk slachtoffer van grensoverschrijdend gedrag, aanranding of verkrachting binnen De Blauwe Haven, ongeacht of hun verklaring uiteindelijk formeel onderdeel is geworden van het onderzoek, en zijn er signalen ontvangen dat het aantal mogelijke slachtoffers aanzienlijk hoger ligt dan het aantal slachtoffers dat tot op heden publiekelijk bekend is gemaakt?
De politie heeft mij laten weten dat de medewerkers van het onderzoeksteam met tientallen mensen hebben gesproken, zowel melders als getuigen. In verband met de privacy van de melder en betrokkenen doe ik geen uitspraken over de inhoudelijke aspecten van meldingen.
Hoe kan worden vastgesteld dat het onderzoek een volledig beeld heeft opgeleverd, terwijl de politie zelf erkent dat personen terughoudend waren om formeel te verklaren?
Ik heb vertrouwen in de professionaliteit van het landelijk team interne onderzoeken (LTIO).
Erkent u dat medewerkers terughoudend kunnen zijn om melding te doen wanneer onderzoek plaatsvindt door een team dat onderdeel uitmaakt van dezelfde politieorganisatie als waartegen de meldingen zich richten? Zo ja, waarom is niet gekozen voor een volledig extern en onafhankelijk onderzoek?
Het landelijk team interne onderzoeken (LTIO) is een team dat is opgericht om eenheidsoverstijgende interne integriteitskwesties te onderzoeken. Ik heb vertrouwen in hun professionaliteit. Bij vermoedens van strafbare feiten neemt het LTIO contact op met het openbaar ministerie.
Waarom kiest u voor de formulering dat het onderzoek zich «niet per definitie» heeft beperkt tot drie personen, in plaats van helder uiteen te zetten wat de feitelijke scope van het onderzoek is geweest?
De politie heeft mij laten weten dat naar aanleiding van de signalen medewerkers van het onderzoeksteam met tientallen mensen hebben gesproken. Op basis hiervan zijn drie disciplinaire onderzoeken gestart. Ook is er één strafrechtelijk onderzoek gestart in opdracht van de officier van justitie.
Welke personen, functies, leidinggevenden, werkprocessen of cultuuraspecten binnen De Blauwe Haven zijn naast de drie disciplinaire onderzoeken onderzocht?
De politie heeft mij laten weten dat naar aanleiding van de signalen medewerkers van het onderzoeksteam met tientallen mensen hebben gesproken. Er is op geen enkele wijze onderscheid gemaakt tussen personen op basis van functies. Ik doe derhalve geen uitspraak over welke functies, leidinggevende, werkprocessen of cultuuraspecten direct of indirect onderdeel uitmaakten van het onderzoek.
Klopt het dat binnen het onderzoek naar De Blauwe Haven aanvankelijk signalen bestonden die betrekking hadden op zeven mogelijke verdachten en dat deze signalen onder meer betrekking hadden op aanranding, verkrachting, discriminatie, seksueel grensoverschrijdend gedrag, intimidatie, bedreiging en fraude? Zo ja, hoe zijn deze signalen onderzocht en wat is de afdoening per categorie geweest?
Alle signalen over betrokkenen zijn meegenomen in het onderzoek. In verband met de privacy van de melders en betrokkenen doe ik geen uitspraak over de inhoud en hoeveelheid meldingen.
Kunt u aangeven hoeveel signalen, meldingen, verklaringen en aangiften met betrekking tot aanranding, verkrachting, seksueel grensoverschrijdend gedrag, intimidatie, bedreiging, discriminatie en fraude gedurende het onderzoek zijn ontvangen, ongeacht of deze uiteindelijk formeel onderdeel zijn geworden van een disciplinair onderzoek?
De politie heeft mij laten weten dat naar aanleiding van de signalen medewerkers van het onderzoeksteam met tientallen mensen hebben gesproken. Ik doe geen uitspraak over de inhoudelijke aspecten van deze gesprekken.
Kunt u uitsluiten dat meldingen of signalen over mogelijk strafbare feiten binnen De Blauwe Haven uitsluitend disciplinair zijn afgehandeld zonder dat een beoordeling door het Openbaar Ministerie heeft plaatsgevonden? Zo nee, om hoeveel gevallen gaat het en welke feiten betroffen dit?
Zie het antwoord op vraag 6.
Acht u het handelen van de korpschef achteraf bezien volledig adequaat? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel? Zo nee, welke tekortkomingen constateert u?
De korpschef heeft direct nadat ze is geïnformeerd een onderzoek ingesteld. Dit vind ik een juiste handelingswijze.
Bent u bereid alsnog een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten door de Rijksrecherche? Zo nee, waarom niet?
De Rijksrecherche verricht onderzoeken in opdracht van het College van Procureurs-Generaal (OM), niet van de Minister van Justitie en Veiligheid.
Ik heb vertrouwen in de professionaliteit van het LTIO. Bij vermoedens van strafbare feiten neemt de politie contact op met het openbaar ministerie.
Bent u bereid een onafhankelijk extern meldpunt en onafhankelijke vertrouwenspersonen buiten de politiehiërarchie beschikbaar te stellen voor (oud-)medewerkers van De Blauwe Haven? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat politiemedewerkers die een melding willen maken hiertoe de gelegenheid hebben. Hiervoor heeft de politie een uitgebreid lokettenlandschap met onder meer een stelsel van vertrouwenspersonen, diverse meldpunten en de ombudsfunctionaris politie. Sinds 2023 is tevens het Sociaal Loket opgericht dat fungeert als centraal aanspreekpunt bij vragen en meldingen, die vervolgens worden doorgeleid naar het juiste loket in de organisatie.
Waarom zijn een onafhankelijk extern meldpunt en onafhankelijke vertrouwenspersonen niet expliciet als aanvullende maatregel aangewezen indien medewerkers zich niet veilig genoeg voelden om via de reguliere politiekanalen te verklaren?
Gedurende het onderzoek heeft het LTIO gebruik gemaakt van een «geheimhouder». Dit betekent dat melders zich anoniem konden melden bij de geheimhouder. Voor meer informatie over de werkzaamheden van de geheimhouder verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Coenradie van 29 mei jl.
Klopt het dat meerdere vermeende slachtoffers in het kader van De Blauwe Haven gesprekken hebben gevoerd met vertegenwoordigers van de Nederlandse Politiebond (NPB) over het doen van aangifte? Zo ja, welke opvolging is hieraan gegeven?
De politie heeft mij laten weten dat zij signalen hebben ontvangen dat dergelijke gesprekken met de NPB hebben plaatsgevonden. Zij zijn niet bekend met de inhoud van deze gesprekken.
Klopt het dat zogenoemde kluisverklaringen al bestonden of werden besproken voordat het LTIO-onderzoek formeel van start ging? Zo ja, wat was de aanleiding hiervoor en op welke wijze zijn deze verklaringen betrokken bij het onderzoek?
Gedurende het onderzoek heeft het LTIO gebruik gemaakt van een «geheimhouder». Dit betekent dat melders zich anoniem konden melden bij de geheimhouder. De korpsleiding heeft mij laten weten dat zich enkele personen bij deze geheimhouder hebben gemeld, waarop met hen een gesprek is gevoerd.
Zijn u signalen bekend dat medewerkers die melding wilden doen of een verklaring wilden afleggen zijn benaderd of geïntimideerd door verdachten, familieleden van verdachten of leidinggevenden? Zo ja, hoeveel van dergelijke signalen zijn ontvangen, wanneer heeft de korpsleiding hiervan kennisgenomen en welke maatregelen zijn naar aanleiding daarvan genomen?
De politie heeft mij laten weten dat enkele personen zich hebben gemeld bij het onderzoeksteam die intimidatie en bedreigingen hebben ervaren. Deze signalen zijn meegenomen door het onderzoeksteam.
Zijn u signalen bekend dat binnen De Blauwe Haven of aanverwante projecten werd gesproken over een zogenoemde «lijst» waarop medewerkers zouden staan die misstanden hadden gemeld of hierover vragen hadden gesteld? Zo ja, is onderzocht of een dergelijke lijst daadwerkelijk heeft bestaan en wat waren de bevindingen?
De politie heeft mij laten weten dat zij niet bekend zijn met een zogenoemde «lijst» met medewerkers die misstanden hebben gemeld.
Kunt u aangeven of er binnen het onderzoek aanwijzingen zijn aangetroffen voor een cultuur van angst, terughoudendheid of vrees voor repercussies onder medewerkers die melding wilden doen van misstanden? Zo ja, welke conclusies zijn hieruit getrokken?
De Blauwe Haven moet bij uitstek een omgeving zijn waar politiemensen onder veilige omstandigheden kunnen werken of re-integreren. De politie heeft geconstateerd dat er bij de Blauwe Haven in de loop der jaren een onwenselijke cultuur is ontstaan, waarbinnen sprake was van onwenselijke omgangsvormen. De korpsleiding is geschrokken van het beeld dat is ontstaan en heeft daarom ingegrepen. Naast drie disciplinaire trajecten zijn ook wijzigingen doorgevoerd bij de leiding van de Blauwe Haven.
Een verkeerd uitgegeven DSJ-laptop |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven aan wie de verkeerde laptop is uitgegeven? Is dat aan de gedetineerde die zich in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) bevindt, of is die laptop verstrekt aan de gedetineerde buiten de EBI?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Voor meer informatie over het incident verwijs ik naar de Kamerbrief van 29 mei jl.1.
Kunt u specificeren welke informatie beschikbaar was op de verkeerd uitgegeven laptop?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin kan ik zeggen dat de zogeheten DSJ-laptops uitsluitend toegang hebben tot het statisch strafdossier en over geen andere faciliteiten beschikken.
Is er een link tussen de strafzaken van beide gedetineerden? Hebben beide gedetineerden dezelfde advocaat? Of is er een zakelijke relatie tussen beide advocaten?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek.
Kunt u uitleg geven over de reguliere procedure waarbij de laptop automatisch wordt opgeschoond? Komt hier menselijk handelen aan te pas? Zo ja, wordt hier gecontroleerd welke medewerker hiervoor verantwoordelijk is?
De reguliere procedure is dat nadat een gedetineerde een dergelijke laptop heeft gebruikt, de laptop wordt uitgeschakeld. Door middel van het uitschakelen van de laptop wordt alle historie automatisch verwijderd en daarmee «geschoond». Pas daarna mag de laptop worden uitgegeven aan een andere gedetineerde. De procedure bevat controlestappen die door menselijk handelen moeten worden uitgevoerd. Dergelijke uitvoeringstaken zijn door de vestigingsdirecteur aan personeel toegewezen.
Hoe is het mogelijk dat deze laptop verkeerd is uitgegeven?
De reguliere procedure schrijft voor dat een DSJ-laptop na gebruik wordt uitgeschakeld, waardoor de historie automatisch wordt verwijderd.
Uit onderzoek naar het incident blijkt dat de procedure niet juist is gevolgd. DJI treft maatregelen om dit in de toekomst te voorkomen door extra controle in de procedure aan te brengen. Ook voert DJI daarnaast nog enkele technische verbeteringen door. Vanuit een veiligheidsoogpunt kan ik deze niet gedetailleerd delen.
Bent u voornemens de reguliere procedure aan te scherpen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat elk incident er één te veel is en onderzocht moet worden of het fysiek inzien van strafdossiers de norm moet zijn, nu ook al in januari jongstleden een kwetsbaarheid in deze laptops werd aangetroffen? Zo nee, dan in ieder geval wel voor gedetineerden in de EBI, daar zij een extra risico vormen?
Op basis van een uitspraak van RSJ2 moeten OM en DJI bij omvangrijke dossiers digitale inzage faciliteren. Bovendien is het uitsluitend op papier verstrekken van het strafdossier bij omvangrijke dossiers niet uitvoerbaar vanwege de beheersingsproblematiek die daarbij komt kijken. Niet enkel op het gebied van logistiek (het veilig transporteren van dossier van OM naar gedetineerde, bij overplaatsingen en bij beëindiging van inzage) maar ook op het gebied van informatieveiligheid en fysieke veiligheid (denk aan brandlast op cel).
Voor wat betreft de geconstateerde kwetsbaarheid in deze laptops in januari jl. kan ik stellen dat door een fout in de instelling van de software er een kans bestond dat de toegang tot het internet niet volledig was afgesloten. Om deze kwetsbaarheid te herstellen zijn alle laptops die in bruikleen waren gesteld direct ingenomen. Uit onderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat gedetineerden van deze kwetsbaarheid gebruik hebben gemaakt.
Om dit in de toekomst te voorkomen zijn de er aanvullende veiligheidsmaatregelen getroffen op het gebied van het testen en controleren van de apparatuur.3
Ernstige bijtincidenten met honden en preventieve maatregelen rond hoog-risicohonden |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de aanval door een hond op een 7-jarige jongen in Hilversum, waarbij het slachtoffer ernstig gewond is geraakt?1
Dat heb ik, ik ben zeer geschokt door dit incident. Mijn gedachten gaan uit naar het slachtoffer en de familie.
Kunt u aangeven hoeveel ernstige bijtincidenten met honden de afgelopen vijf jaar bekend zijn en in hoeveel gevallen daarbij kinderen betrokken waren?
Hier zijn helaas geen cijfers van beschikbaar. Dat is de reden waarom het Landelijk Meldpunt Hondenbeten begin dit jaar gelanceerd is om beter inzicht te krijgen in de aard en omvang van de incidenten.
Welke ontwikkelingen ziet u in het aantal meldingen van ernstige bijtincidenten met honden?
Ik lees deze vraag zo dat u doelt op de meldingen die zijn binnengekomen bij het Landelijk Meldpunt Hondenbeten. Dit meldpunt is in januari 2026 gelanceerd. Een eerste analyse van de data wordt momenteel uitgevoerd. Dan krijg ik een eerste beeld van de meldingen, maar is het nog te vroeg om uitspraken te doen over ontwikkelingen in het aantal meldingen van ernstige incidenten. Ik verwacht de resultaten van deze analyse voor het eerstvolgende debat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven met de Kamer te delen.
Deelt u de opvatting dat verantwoord hondenbezit vraagt om duidelijke verantwoordelijkheid van eigenaren, zeker wanneer sprake is van honden met een verhoogd risico op agressief gedrag?
Die opvatting deel ik. In het rapport «The Safe Dog project» (2019) en uit internationaal onderzoek komen eigenaar-gerelateerde factoren naar voren als de belangrijkste risicofactor bij het ontstaan van bijtincidenten. Ik vind het dan ook belangrijk dat mensen hun verantwoordelijkheid nemen als het om het houden van een huisdier gaat, en helemaal in het geval van honden die ernstig letsel kunnen veroorzaken.
Hoe beoordeelt u de werking van de huidige Nederlandse aanpak rond hoog-risicohonden en ernstige bijtincidenten?
In Nederland zijn adequate waarborgen ingesteld dat honden die ernstige incidenten veroorzaken niet zomaar terug de maatschappij in gaan. Als er sprake is van een ernstig incident waar de politie bij ingeschakeld is, wordt de hond in beslag genomen. Er volgt dan altijd een beoordeling van de hond en het incident. Op basis daarvan bepaalt de rechter wat er met de hond gebeurt. In ernstige gevallen kan worden besloten de hond in te laten slapen. Ook gemeenten hebben bevoegdheden om in te grijpen wanneer zich gevaarlijke situaties of bijtincidenten voordoen. Zij staan dicht bij de burger en kunnen daardoor inschatten wat in specifieke gevallen nodig is.
In hoeverre verschillen gemeentelijke beleidsregels en handhaving momenteel als het gaat om hoog-risicohonden en acht u deze verschillen wenselijk?
Een belangrijk deel van de bevoegdheden bij het opvolgen van bijtincidenten ligt bij de gemeenten. In de Model Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) is bijvoorbeeld de bevoegdheid opgenomen voor de burgemeester om een aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen in de openbare ruimte, dan wel op het eigen erf. Er kunnen daarnaast verschillen zijn in de mate waarin binnen gemeenten nadere beleidsregels zijn opgesteld rondom bijtincidenten. Sommige gemeenten hebben bijvoorbeeld een meldpunt opgezet, en/of aanvullende bevoegdheden rondom sancties na inbeslagname opgenomen. Ik kijk waar landelijke kaders eventuele ongewenste verschillen tussen gemeentelijk beleid weg kunnen nemen, zoals met de landelijke aanlijn- en muilkorfplicht. Daarnaast werk ik aan een bevoegdheid van burgermeesters om een aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen die ook buiten de gemeentegrenzen van toepassing is.
Welke mogelijkheden bestaan momenteel om eerder in te grijpen wanneer sprake is van signalen van gevaarlijk gedrag van honden of onverantwoord eigenaarschap?
Hier zijn verschillende mogelijkheden. Bij signalen van gevaarlijk gedrag heeft de burgemeester de bevoegdheid om een aanlijn- en muilkorfplicht of een last onder dwangsom op te leggen om erger te voorkomen. Ook kan lokaal een gedragstest of een verplichting worden opgelegd om een hondencursus te volgen, indien een gemeente dat heeft opgenomen in beleidsregels. Wanneer onverantwoord houderschap leidt tot verwaarlozing of mishandeling kan een houder via het strafrecht strafbaar worden gesteld of kunnen door het OM maatregelen worden opgelegd, zoals een houdverbod voor dieren, om de verwaarlozing aan te pakken. Het aanhitsen van honden is verboden en strafbaar. Wanneer mensen zorgen hebben over gevaarlijk gedrag van een hond in hun omgeving, en vinden dat er opvolging nodig is, kunnen ze daarvan melding doen bij de politie, of de gemeente.
Welke rol ziet u voor preventieve maatregelen, zoals gedragsbeoordelingen, trainingen voor eigenaren, socialisatie of aanvullende voorwaarden bij honden met een verhoogd risico?
Preventie maakt onderdeel uit van de maatregelen om bijtincidenten tegen te gaan. Ik werk aan een theoriecursus voor toekomstig hondeneigenaren, waarmee zij getraind worden in het veilig en verantwoord houden van honden. Ik deel de opvatting dat met name houders van honden die een verhoogd risico geven op het veroorzaken van een ernstig bijtincident een extra verantwoordelijkheid hebben. Om hier eventueel gericht actie op te kunnen ondernemen wordt op dit moment door een onderzoeksbureau gekeken naar de fysieke kenmerken, die in de literatuur geassocieerd worden met een verhoogd risico, en of deze kenmerken ook terugkomen in de Nederlandse populatie inbeslaggenomen honden.
Ook de bij het antwoord op vraag 6 genoemde landelijke aanlijn- en muilkorfplicht heeft een preventief karakter. Ik vind het belangrijk dat honden die deze maatregel opgelegd hebben gekregen in hun gemeente ook buiten gemeentegrenzen aangelijnd moeten blijven en een muilkorf moeten dragen.
Wordt momenteel voldoende ingezet op verantwoord fokken en voorlichting aan hondenbezitters om agressief gedrag zoveel mogelijk te voorkomen?
Er worden op verschillende fronten stappen gezet die zullen bijdragen aan het verantwoord fokken. Met de in vraag 8 genoemde cursus wordt beoogd dat alle hondeneigenaren straks de benodigde kennis hebben over het verantwoord en veilig houden van honden. Denk aan informatie over het veilig uitlaten van honden en hoe te handelen wanneer een incident plaatsvindt.
Voor honden fysieke kenmerken die worden geassocieerd met een verhoogd risico op een ernstig bijtincident is het daarnaast extra belangrijk dat er zorgvuldige fokkerij en goede socialisatie plaatsvindt, omdat dit ook belangrijke factoren zijn die het ontstaan van gevaarlijk gedrag beïnvloeden. Er zijn reeds verschillende nationale initiatieven die zich hiervoor inzetten, zoals Fairdog. Ook in EU-verband worden belangrijke stappen gezet voor betere fokkerijomstandigheden, zie de nieuwe EU-Verordening inzake welzijn en traceerbaarheid van honden en katten die recent is aangenomen en 2028 van toepassing wordt. In deze Verordening staan regels opgenomen die zien op geschikte huisvesting en leefomstandigheden, welzijn en traceerbaarheid. Deze regels gelden voor alle honden die worden gefokt in de EU, maar ook voor alle honden die van buiten de Unie worden geïmporteerd. Maar hoe dan ook: de belangrijkste verantwoordelijkheid ligt bij eigenaren zelf. Zeker bij dit soort honden moet je je van te voren afvragen of een hond past bij je leefomgeving en thuissituatie, en is het belangrijk dat je op zoek gaat naar een verantwoord gefokte hond.
Heeft u kennisgenomen van buitenlandse voorbeelden, zoals in Ierland, waar voor specifieke hoog-risicohonden aanvullende regels gelden zoals een muilkorf- en aanlijnplicht in de openbare ruimte?
Dat heb ik. Bij het uitwerken van beleid wordt literatuur en ervaringen die reeds zijn opgedaan in het buitenland meegenomen.
Welke lessen ziet u in dergelijke buitenlandse aanpakken voor Nederland waar het gaat om het voorkomen van ernstige bijtincidenten?
De contacten met andere lidstaten inzake hun aanpak van bijtincidenten zijn heel waardevol bij de uitwerking van de voorgestelde maatregelen in Nederland. Ik zie overeenkomsten bij (delen van) lidstaten als Duitsland en Zwitserland die al enige tijd ervaring hebben met een theoriecursus voor toekomstig hondeneigenaren. Ook kennen een aantal lidstaten voorwaarden voor het houden van aangewezen honden. We leren ook dat sommige ras specifieke maatregelen die men in het buitenland neemt, niet zorgen voor een afname in het aantal bijtincidenten zoals het verbieden van rassen.
In hoeverre acht u aanvullende landelijke kaders voor hoog-risicohonden, zoals duidelijke regels rond aanlijnen, muilkorven of verantwoordelijkheid van eigenaren, wenselijk of effectief?
Dat acht ik effectief, vandaar dat ik mij inzet voor een landelijk geldende aanlijn- en muilkorfplicht voor honden die hebben gebeten of zich gevaarlijk hebben gedragen, en een theoriecursus voor alle toekomstige hondeneigenaren.
Waar ziet u op dit moment de belangrijkste tekortkomingen in wet- en regelgeving of handhavingsmogelijkheden als het gaat om het voorkomen van ernstige bijtincidenten met honden?
Zoals aangegeven bij vraag 6 ligt een belangrijk deel van de handhavende bevoegdheid bij bijtincidenten bij gemeenten. Ik denk dat het goed is dat dit bij gemeenten ligt, omdat zij het beste kunnen inschatten wat er lokaal speelt en in specifieke gevallen nodig is. Dat kan niet op landelijk niveau. Ik zie echter wel op dit moment een praktische beperking, omdat de bevoegdheid om een aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen bij een hond die heeft gebeten of zich gevaarlijk gedraagt alleen geldt binnen de grenzen van een gemeente. Daarom werk ik aan de invoering van een wettelijke bevoegdheid voor burgemeesters om deze plicht op te leggen die vervolgens, voor de betreffende hond, in heel Nederland van toepassing is.
Om te bezien óf en waar er eventuele tekortkomingen zijn in wet- of regelgeving is echter een beter beeld van de aard en omvang van het probleem nodig. Het in januari gelanceerde Landelijk Meldpunt Hondenbeten is hiervoor ingericht.
De meldingen uit dit meldpunt worden alleen gebruikt voor analyse. Hoe meer bij het landelijk meldpunt wordt gemeld, hoe beter het beeld van de problematiek wordt. Ik roep dan ook iedereen op om gevaarlijke situaties of incidenten – naast melding bij de politie of gemeente voor meldingen die opvolging nodig hebben – te melden bij het landelijk meldpunt.
Welke mogelijkheden ziet u om deze tekortkomingen weg te nemen en de bescherming van omwonenden, voorbijgangers en in het bijzonder kinderen verder te versterken?
Zoals aangegeven bij vraag 13 is het van belang dat er eerst een beter beeld komt van de aard en omvang van het probleem. Ook noem ik de aangekondigde wettelijke bevoegdheid van burgermeesters om een landelijke aanlijn- en muilkorfplicht op te leggen.
Uit die maatregel blijkt ook hoe belangrijk het is dat gemeenten samenwerken en informatie met elkaar delen. Met dit doel is een aantal jaar geleden in opdracht van LVVN het Landelijk Honden Dossier opgericht, waar gemeenten gratis gebruik van kunnen maken. In dit systeem kunnen gemeentelijke handhavers informatie met elkaar delen en inzien of een bepaalde hond een maatregel opgelegd heeft gekregen in een naburige gemeente. Ook het samenwerkingsverband DierVizier biedt gemeenten een platform waarin het uitwisselen van ervaringen op dit vlak mogelijk is.
Hoe beoordeelt u de huidige mogelijkheden om op te treden tegen eigenaren van honden die ernstig letsel veroorzaken of betrokken zijn bij fatale incidenten? Acht u het bestaande instrumentarium voldoende effectief en afschrikwekkend?
Het huidige systeem biedt verschillende mogelijkheden om op te treden tegen eigenaren van honden die ernstig letsel veroorzaken of betrokken zijn bij dodelijke incidenten. Vanuit het strafrecht kan een eigenaar worden bestraft wanneer hij of zij onvoldoende controle houdt over een gevaarlijke hond. Hiervoor kan bijvoorbeeld een geldboete of een gevangenisstraf van maximaal zes maanden worden opgelegd. Daarnaast zijn sinds 1 januari 2024 de mogelijkheden uitgebreid door wetgeving, waardoor in ernstige gevallen ook een zelfstandig houdverbod kan worden opgelegd. Dit betekent dat iemand tijdelijk of langdurig geen dieren meer mag houden. Vanuit het bestuursrecht kunnen gemeenten daarnaast maatregelen nemen, zoals het in beslag nemen van de hond.
Deelt u de opvatting dat van eigenaren van honden die een verhoogd risico vormen voor hun omgeving een grotere verantwoordelijkheid mag worden verwacht en dat daar waar nodig passende consequenties tegenover moeten staan wanneer die verantwoordelijkheid onvoldoende wordt genomen?
Die opvatting deel ik. Zie hiervoor het antwoord op vraag 15.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van de aangekondigde maatregelen rondom hoog-risicohonden, waaronder het landelijk meldpunt, de ontwikkeling van een houdercursus en overige preventieve maatregelen?
De Kamer wordt hierover geïnformeerd in de Verzamelbrief Dieren buiten de Veehouderij, die u voor het Commissiedebat «dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 3 september ontvangt.
Welke resultaten zijn sinds de aankondiging van deze maatregelen bereikt en op welke wijze wordt gemonitord of deze daadwerkelijk bijdragen aan het terugdringen van ernstige bijtincidenten?
Dit zal worden meegenomen als onderdeel van de Verzamelbrief Dieren buiten de Veehouderij, die u voor het Commissiedebat «dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 3 september ontvangt.
Deelt u de opvatting dat de veiligheid van mensen en in het bijzonder van kinderen altijd voorop moet staan bij beleid rond hoog-risicohonden?
Elk bijtincident is er één teveel. Het staat dan ook voorop dat veiligheid van mens én dier het primaire doel van beleid rond bijtincidenten is. Het terugdringen van bijtincidenten kan echter niet alleen met het opleggen van strengere maatregelen. Ik blijf benadrukken dat mensen zich goed moeten realiseren wat voor hond ze in huis halen.
De praktische organisatie en naleving rond het Offerfeest 2026 |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over het toezicht tijdens het Offerfeest 2026?1
Ja. Een dergelijk nieuwsbericht wordt iedere jaar voorafgaand aan het Offerfeest gepubliceerd.
Kunt u toelichten welke lessen uit eerdere edities van het Offerfeest concreet zijn verwerkt in de aanpak voor 2026, zowel ten aanzien van dierenwelzijn als handhaving en preventie van overtredingen?
Het Offerfeest wordt jaarlijks voorbereid in een samenwerkingsverband van LVVN, NVWA, Vereniging van Zelfslachtende Slagers (VZS), VleesNL, Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) en politie. Na afloop volgt in dit verband een evaluatie, waarbij iedere organisatie de verbeterpunten meeneemt voor het procesverloop van het Offerfeest. Er is gewerkt aan een betere aansluiting tussen het aangeboden aantal te slachten dieren en de planning van de toezichtscapaciteit. Zo wordt voorkomen dat het slachthuis meer dieren aanvoert dan geslacht kunnen worden. Ook heeft de NVWA de afgelopen jaren haar toezicht in algemene zin versterkt door invoering van verscherpt toezicht en three strikes out. Herhaalde overtredingen en ook misdragingen jegens toezichthouders van voorgaande jaren worden beter meegewogen bij de keuze van te nemen maatregelen. Daarnaast zet ik mij in voor een herziening van het boetestelsel, met onder meer hogere en omzetgerelateerde boetes, zoals ik heb aangekondigd in mijn brief van 18 juni 2026 (Kamerstuk 33 835, nr. 262). Tot slot wordt door de NVWA op bedrijfsniveau na elk offerfeest een evaluatie uitgevoerd, die meeweegt in de toestemming en het toezicht voor het jaar erop. Zo kijkt de NVWA elk jaar waar het beter kan.
Gelet op het feit dat de NVWA meldt dat in 2025 een groter aandeel dieren bedwelmd is geslacht, welke factoren hebben volgens u aan deze ontwikkeling bijgedragen en ziet u mogelijkheden om deze ontwikkeling verder te versnellen?
In Nederland is bedwelmde slacht de wettelijke standaard. De redenen om een dier onbedwelmd ritueel dan wel bedwelmd te laten slachten zijn divers en niet eenduidig vast te stellen; dit kan samenhangen met keuzes van religieuze gemeenschappen, slachthuizen en afnemers, en met de praktische organisatie rondom het Offerfeest. Mijn inzet blijft gericht op een zorgvuldige uitvoering binnen de geldende wettelijke kaders, met toezicht door de NVWA op dierenwelzijn, diergezondheid, voedselveiligheid en hygiëne. Tegelijk wil ik mij, binnen de huidige wettelijke kaders inzetten om het aandeel onbedwelmde religieuze slacht verder terug te brengen. Ik zal daarover met de betrokken partijen, waaronder het CMO, in gesprek treden.
Deelt u de opvatting dat het voorkomen van vermijdbaar dierenleed altijd leidend moet zijn bij beleid rondom rituele slacht?
Dat deel ik. Het verbeteren van dierenwelzijn tijdens de onbedwelmde rituele slacht was in 2012 een belangrijk uitgangspunt van het Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten. In de evaluatie van het Convenant door Deloitte uit 2021 (Kamerstuk 28 286, nr. 1232) is geconcludeerd dat het Convenant doelmatig en doeltreffend functioneert in de praktijk en heeft geleid tot een verbetering van het dierenwelzijn ten opzichte van de nulmeting in 2014. Tegelijkertijd geldt dat rituele slacht zonder voorafgaande bedwelming binnen Europese regelgeving onder voorwaarden is toegestaan en beperking hiervan raakt aan de vrijheid van godsdienst. Daarom is de inzet erop gericht om binnen de geldende huidige wettelijke kaders de aantasting van het dierenwelzijn zo veel mogelijk te beperken. Dat gebeurt onder meer via aanvullende voorschriften in het Besluit houders van dieren, permanente aanwezigheid van de NVWA bij onbedwelmde rituele slacht en handhaving wanneer regelgeving niet wordt nageleefd.
Hoe beoordeelt u vanuit dierenwelzijnsperspectief het feit dat dieren bij onverdoofde slacht aantoonbaar langer bij bewustzijn kunnen blijven en daarbij meer stress en pijn ervaren?
De algemene wetenschappelijke opvatting is dat de halssnede bij een dier dat bij bewustzijn is pijn veroorzaakt en dat het dier stress ervaart in de periode tot het als gevolg van het verbloeden het bewustzijn verliest. Om die reden zijn in het convenant onbedwelmde slacht volgens religieuze riten concrete afspraken gemaakt om het welzijn van deze dieren te verbeteren. De normen uit het convenant die betrekking hebben op dierenwelzijn zijn opgenomen in het Besluit houders van dieren. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving en grijpt waar nodig in om het dierenwelzijn te waarborgen. Bij de totstandkoming van het convenant is ook een afweging gemaakt tussen dierenwelzijn en godsdienstvrijheid.
Bent u bekend met signalen van dierenartsen en dierenwelzijnsorganisaties dat dieren tijdens onverdoofde slacht langdurig worden gefixeerd, worden gekanteld in zogenoemde kantelboxen en in sommige gevallen herhaaldelijk moeten worden aangesneden voordat bewustzijnsverlies optreedt?2
Ik ben bekend met deze signalen. Het beeld dat dieren bij de onbedwelmde rituele slacht structureel langdurig worden gefixeerd, onjuist worden gekanteld of herhaaldelijk moeten worden aangesneden, herken ik echter niet. Fixatie en het gebruik van kantelapparatuur zijn aan strikte dierenwelzijnsvoorschriften gebonden en bij deze slacht is sprake van permanent toezicht door de NVWA. De NVWA ziet daarbij toe op de duur en wijze van fixatie, het gebruik van de apparatuur en een correcte uitvoering van de halssnede. Wanneer een handeling niet overeenkomstig de geldende voorschriften wordt uitgevoerd, grijpt de NVWA direct in en wordt waar nodig handhavend opgetreden. Er zijn geen aanwijzingen dat de dierenwelzijnsvoorschriften hierbij structureel niet worden nageleefd.
Hoe wordt tijdens het Offerfeest gecontroleerd dat dieren direct na de halssnede voldoende bewustzijnsverlies vertonen en welke maatregelen worden genomen wanneer dat niet het geval is?
Tijdens het Offerfeest worden niet alle dieren onbedwelmd geslacht. Uit de voorlopige cijfers blijkt dat tijdens het Offerfeest dit jaar 32% van de geslachte dieren onbedwelmd is geslacht en 68% van de dieren bedwelmd is geslacht. Bij bedwelmde slacht is er sprake van bewustzijnsverlies voordat de halssnede gezet wordt.
De NVWA ziet erop toe dat medewerkers van het slachthuis de controle op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid bij alle dieren die onbedwelmd geslacht worden, correct uitvoeren. De afwezigheid van corneareflex en ooglidreflex zijn betrouwbare indicatoren om te controleren op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid. Andere tekenen zijn de afwezigheid van ademhaling, een negatieve dreigtest of reactie op een toegediende pijnprikkel.3 De controle op tekenen van bewustzijn of gevoeligheid vindt plaats voordat het dier de fixatie verlaat, of in ieder geval na 35 seconden waarbij in geval van tekenen van bewustzijn de dieren bedwelmd moeten worden binnen 40 seconden na de halssnede.
Zoals in antwoord op vraag 6 aangegeven, wordt bij geconstateerde overtredingen handhavend opgetreden. Ook worden corrigerende maatregelen genomen zoals een directe aanwijzing tot nabedwelmen en/of het niet meer toestaan van onbedwelmd ritueel slachten.
Bent u bekend met wetenschappelijke kritiek op de zogenoemde waterbadmethode bij pluimvee, waarbij dieren wel bewegingsloos maar niet volledig buiten bewustzijn zouden zijn?3
Ik ben bekend met de wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp en de risico’s die worden geschetst ten aanzien van de waterbadmethode.
Hoe beoordeelt u het risico dat dieren bij toepassing van de waterbadmethode alsnog bij bewustzijn de halssnede ondergaan of levend in verdere slachtprocessen, zoals de broeibak, terechtkomen?
Het bedwelmen met de waterbadmethode is toegestaan op grond van Verordening (EG) nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. Voor het gebruik van het waterbad als bedwelmingsmethode zijn in deze verordening specifieke voorschriften vastgelegd.
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) houdt toezicht op de naleving van deze voorschriften tijdens de slacht. Een verbod op of beperking van een toegestane bedwelmings- of dodingsmethode kan alleen in Europees verband worden gerealiseerd. Ik heb mij eerder in Europees verband ingezet voor een verbod op de waterbadmethode, mede naar aanleiding van de aangekondigde herziening van Verordening (EG) nr. 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden. Ik zal mij hiervoor op daartoe geschikte momenten blijven inzetten. Ook wil ik na de zomer in gesprek met de sector om te kijken of er afspraken gemaakt kunnen worden om zaken op het gebied van dierenwelzijn in slachthuizen te verbeteren. Daarbij wil ik ook kijken naar bedwelmingsmethodes.
Deelt u de opvatting dat technieken waarbij dieren langdurig bij bewustzijn blijven, zichtbaar stress ervaren of hun eigen slachtproces meemaken, zo veel mogelijk moeten worden uitgebannen?
Ja. Ik vind dat dieren tijdens het houden, transporteren en doden zo min mogelijk stress, pijn en vermijdbaar lijden mogen ondervinden. Tegelijkertijd geldt dat de beoordeling van specifieke slacht- en bedwelmingsmethoden plaatsvindt binnen de bestaande nationale en Europese wettelijke kaders. Voor toegestane methoden gelden voorschriften die erop gericht zijn de aantasting van het dierenwelzijn zo veel mogelijk te beperken. De NVWA ziet toe op de naleving daarvan. Waar uit nieuwe wetenschappelijke inzichten of praktijkervaring blijkt dat verdere verbeteringen mogelijk zijn, ben ik bereid deze te betrekken bij de verdere ontwikkeling van het dierenwelzijnsbeleid, zowel nationaal als in Europees verband.
In hoeverre acht u het wenselijk dat uitzonderingen voor religieuze slachtmethoden telkens opnieuw worden verlengd, terwijl het maatschappelijke en politieke draagvlak voor verdere verbetering van dierenwelzijn groeit?
Ik onderken dat over dit onderwerp maatschappelijk en politiek debat bestaat. Dat debat over de wenselijkheid en reikwijdte van de uitzondering voor religieuze slachtmethoden kan vanzelfsprekend in de Kamer worden gevoerd. Zolang de huidige wettelijke kaders gelden, richt ik mij op een zorgvuldige uitvoering daarvan, het minimaliseren van dierenleed, de naleving van de voorschriften en toezicht door de NVWA.
Deelt u de opvatting dat de overheid een duidelijke norm moet uitdragen dat bedwelmde slacht de standaard is en het onverdoofd slachten of koken van dieren verboden hoort te zijn?
Dit wordt uitgedragen. In Nederland is namelijk bedwelmde slacht de wettelijke standaard. De mogelijkheid om, voor religieuze doeleinden, dieren zonder voorafgaande bedwelming aan te snijden vormt daarop een uitzondering die rechtstreeks voortvloeit uit de Verordening 1099/2009. Het aantal dieren dat in Nederland onbedwelmd ritueel wordt geslacht is beperkt in verhouding tot het totaal aantal geslachte dieren. Uiteraard zullen we blijven uitdragen dat bedwelmde slacht de norm is.
Welke aanvullende mogelijkheden ziet u om dierenwelzijn tijdens het Offerfeest verder te verbeteren en het aandeel onverdoofde slacht verder terug te dringen, bijvoorbeeld via reversibele bedwelming of strengere voorwaarden aan slachtmethoden?
De bestaande regelgeving, de gezamenlijke voorbereiding van het Offerfeest en het permanente toezicht door de NVWA hebben de afgelopen jaren tot verbeteringen ten aanzien van dierenwelzijn geleid. Tegelijk wil ik mij, binnen de huidige wettelijke kaders, inzetten om het aandeel onbedwelmde religieuze slacht verder terug te brengen. Ik zal daarover met de betrokken partijen, waaronder het CMO, in gesprek treden. Daarbij kan worden gedacht aan het in overleg met de betrokken partijen verder bevorderen van het gebruik van bedwelming bij religieuze slacht.
Bent u bereid om na afloop van het Offerfeest 2026 de aanpak te evalueren met de NVWA, gemeenten, slachthuizen en betrokken maatschappelijke en religieuze organisaties en de Kamer daarbij expliciet te informeren over mogelijkheden om het aandeel onverdoofde slacht verder terug te dringen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, vindt jaarlijks overleg plaats tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), vertegenwoordigers van slachthuizen en vertegenwoordigers van de betrokken religieuze gemeenschappen over het verloop van het Offerfeest. Tijdens deze evaluaties, maar ook in de overleggen in aanloop naar het Offerfeest, staat primair de correcte uitvoering van de geldende wettelijke voorschriften centraal ten aanzien van dierenwelzijn, diergezondheid en voedselveiligheid, evenals de capaciteit voor toezicht en communicatie rondom het Offerfeest. Daarbij wordt niet gesproken over het actief terugbrengen van het aandeel onbedwelmde rituele slacht. De cijfers over onbedwelmd ritueel geslachte dieren, waaronder aantallen per diercategorie en gegevens over nabedwelming, worden jaarlijks aan de Tweede Kamer verstrekt en, conform de toezegging T03706 van 11 juli 2023, ook aan de Eerste Kamer toegezonden.
Strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme |
|
Mona Keijzer , Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen gewijzigde motie van de leden Keijzer en Markuszower over het met grote spoed naar de Kamer sturen van het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State en het wetsvoorstel inzake de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme (Kamerstuk 23 432, nr. 662)?
Ja.
Kunt u toelichten waarom deze motie tot op heden nog niet is uitgevoerd en waarom het nader rapport en het wetsvoorstel nog niet aan de Tweede Kamer zijn toegezonden?
De Raad van State heeft op 30 maart jl. advies uitgebracht over het wetsvoorstel strafbaarstelling verheerlijken van terrorisme en openbare steunbetuiging aan terroristische organisaties. De afgelopen periode is benut om het advies van de Raad van State te verwerken. Inmiddels is dit gebeurd en zal het wetsvoorstel op zeer korte termijn – via het Kabinet van de Koning – bij uw Kamer worden ingediend.
Deelt u de opvatting dat spoedige behandeling van het wetsvoorstel, gelet op de maatschappelijke en nationale veiligheidsbelangen, noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die opvatting. Het wetsvoorstel beoogt aan deze belangen een bijdrage te leveren, door zowel het verheerlijken van de meest ernstige terroristische misdrijven als het in het openbaar betuigen van steun aan een terroristische organisatie strafbaar te stellen. Zo kunnen boodschappen die radicalisering en de gevaren die daarvan uitgaan – zoals het oproepen tot en later plegen van geweld – tot gevolg kunnen hebben, in een vroeg stadium strafrechtelijk worden geadresseerd.
Op welke uiterste datum verwacht u het nader rapport en het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer te sturen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid deze vragen binnen enkele dagen te beantwoorden?
Ja.
De zorgelijke AI-beelden die worden gemaakt van jonge vrouwen |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AI-pornovideo’s met downsyndroom op Instagram, X en Telegram»?1
Ja.
Hoe reageert u op dit bericht?
Wij vinden het zeer zorgwekkend dat dergelijke beelden van met name jonge vrouwen worden gemaakt en verspreid. Het vervaardigen van seksueel beeldmateriaal van minderjarigen of van meerderjarige personen zonder hun toestemming is strafbaar. Het mag duidelijk zijn dat dit soort strafbare feiten onacceptabel is en niet mag plaatsvinden. De impact en de gevolgen van dergelijke deepnudes kunnen voor slachtoffers en hun omgeving enorm zijn, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden. Daarnaast betreft het maken en verspreiden – buiten de huiselijke sfeer – van deepfakes (zoals bijvoorbeeld afbeeldingen die zijn bewerkt met een zogenaamde downsyndroomfilter) waarin persoonsgegevens zijn verwerkt zonder een verwerkingsgrondslag een schending van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Kunt u meer vertellen over de aard en de omvang van de AI-beelden die zijn gemaakt en verspreid van jonge vrouwen?
Het betreft non-consensueel gemanipuleerde of gegenereerde seksuele beelden van echte jonge vrouwen die via zowel open platforms als gesloten kanalen worden verspreid. Via een brede uitvraag bij de politie, Centrum Seksueel Geweld (CSG), Offlimits, de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), Slachtofferhulp Nederland, de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (NRM) en het Openbaar Ministerie (OM) is naar voren gekomen dat representatieve cijfers ontbreken in het geval van beelden waarbij sprake is van een combinatie van AI-gegenereerde naaktbeelden en digitale verminking, dan wel met de toevoeging van een beperking en/of het toepassen van een downsyndroomfilter.
Omdat in de registratiesystemen van de politie geen onderscheid wordt gemaakt tussen misbruik van seksueel beeldmateriaal en misbruik van beeldmateriaal dat met AI is gegenereerd, beschikt de politie niet over cijfers van het aantal seksuele deepfakes. De afgelopen maanden signaleert de politie wel een toename van platformmeldingen via NCMEC (het Amerikaanse National Center for Missing and Exploited Children) van online materiaal van seksueel kindermisbruik dat met AI is aangemaakt of bewerkt. Hierbij benadrukt de politie dat deze meldingen laten zien dat illegale content wordt gegenereerd, maar niet op basis van welke prompts dit is gebeurd. Dit maakt het voor de politie complex, in sommige gevallen zelfs onmogelijk, om vast te stellen wat een gebruiker precies heeft gedaan, of de prompt op basis van materiaal van echte personen is geweest en of de gebruiker bijvoorbeeld de intentie had om strafbaar materiaal te vervaardigen. Hierdoor is het lastig om de (strafrechtelijke) verwijtbaarheid aan te tonen. Daarnaast ontbreekt in zijn algemeenheid vaak veel noodzakelijke informatie bij de meldingen. De politie analyseert doorlopend de binnengekomen NCMEC-meldingen.
Het CSG geeft aan dat meldingen over dit soort beelden niet expliciet worden geregistreerd omdat mensen hen bellen in nood en hun beleid is om niet actief uit te vragen wat daarvan de achtergrond is, want dat is niet nodig voor het bieden van eerste psychische hulp. Het CSG krijgt in algemene zin een heel breed scala aan seksuele geweldsvormen binnen.
Offlimits ziet bij hun hulplijn dat AI gerelateerd online misbruik mensen van alle leeftijden en genders kan treffen. AI-gegenereerde naaktafbeeldingen worden niet alleen gebruikt voor seksuele doeleinden, maar worden ook ingezet om mensen te vernederen of in diskrediet te brengen. Offlimits ziet bij hun hulplijn dat naast seksuele deepfakes, AI ook wordt gebruikt om mensen te vervormen of esthetisch onaantrekkelijk te maken. Dit kan voor slachtoffers ingrijpende gevolgen hebben. Offlimits zag in 2025 een toename in het aantal meldingen van afbeeldingen gemaakt met AI. Zij hebben in dat jaar 291 keer gesprekken gevoerd over AI gegenereerd beeldmateriaal.2 Het gaat dan met name om cyberpesten en sextortion. Het werkelijke aantal zal hoger liggen omdat niet in alle gevallen duidelijk is dat het om dit soort afbeeldingen gaat. Offlimits geeft aan dat sprake is van een omvangrijk en groeiend probleem.
De ATKM heeft ten aanzien van het soort afbeeldingen waaraan wordt gerefereerd in het artikel van De Telegraaf geen concrete meldingen ontvangen. Slachtofferhulp Nederland kan geen uitspraak doen over de omvang van dit soort beelden omdat zij in hun registratiesysteem bij seksuele misdrijven geen onderscheid maken tussen AI gegenereerd en niet-AI-gegenereerd materiaal. Het OM en de NRM kunnen geen uitspraken doen omtrent de aard en omvang van dit soort AI-gegenereerde beelden.
Waar kunnen slachtoffers van de gemaakte AI-beelden terecht voor mentale of juridische ondersteuning? Hoe worden zij gewezen op deze mogelijkheden?
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties zoals Offlimits, Slachtofferhulp Nederland en het CSG. De routes daartoe verschillen, maar deze organisaties werken veel samen om zo de behoefte van slachtoffers het beste te dienen. Slachtoffers hebben grofweg drie hoofdbehoeftes. Bij het uitkomen van (of dreigen met) beelden hebben slachtoffers een hoge urgentie voor het verwijderen van het online materiaal.3 Als het materiaal wordt ingezet voor chantage, afpersing of dwang, is er behoefte aan veiligheid en juridische ondersteuning. Na de eerste angst en stress hebben slachtoffers behoefte aan psychische ondersteuning. Slachtoffers van dit soort feiten hebben vaak ook behoefte aan herstel van het veiligheidsgevoel in de digitale omgeving en van het geschaad zelfbeeld. Bovendien gaat online seksueel geweld vaak gepaard met fysiek seksueel geweld, wat medische en forensische inzet vraagt.
Slachtofferhulp Nederland, het CSG en Offlimits helpen slachtoffers elk kosteloos vanuit hun eigen expertise. Zij zijn bereikbaar via de telefoon, chat, e-mail, contactpagina’s en in sommige gevallen via fysieke inlooplocaties. Verder maken zij gebruik van publieksvoorlichting om het eigen en elkaars aanbod bekendheid te geven. Ook verwijzen ze aan elkaar door. In het geval van aangifte worden gegevens na toestemming van de aangever automatisch gedeeld met Slachtofferhulp Nederland, waarna medewerkers van Slachtofferhulp Nederland contact opnemen met het slachtoffer. Deze medewerkers kunnen professionele juridische begeleiding bieden, helpen bij het aanvragen van schadevergoeding maar ook laagdrempelige emotionele en praktische steun en lotgenotencontact organiseren. Het CSG krijgt veel verwijzingen van professionals uit zowel politie-, (huisartsen)zorg- en GGZ-ketens. Het CSG biedt bewezen effectieve psychologische hulp en kunnen GGZ-wachtlijsten overbruggen en medische en forensische zorg coördineren. Offlimits helpt als trusted flagger bij het verwijderen van beeldmateriaal en werkt veel samen met bijvoorbeeld scholen om kinderen en jongeren te bereiken.
Offlimits, het CSG, Fier en Fonds Slachtofferhulp vormen tot slot een consortium tegen online seksueel geweld. Fonds Slachtofferhulp faciliteert een chat waarin Offlimits, Fier en het CSG samenwerken waardoor laagdrempeliger en zo beter onderling wordt doorverwezen afhankelijk van wat nodig is.
Hoe wordt bij het informeren van de slachtoffers rekening gehouden met (digitale) toegankelijkheid zodat melden en hulp zoeken altijd laagdrempelig is?
Als het slachtoffer overweegt een melding te maken of aangifte te doen, kan deze terecht bij de politie. Slachtoffers kunnen daarnaast terecht bij verschillende organisaties, zie hiervoor de beantwoording van vraag 4.
Kunt u uitleggen hoe het Europese verbod op uitkleed-apps deze vorm van deepfakes bestrijdt of voorkomt? Hoe gaat het verbod er praktisch uitzien en hoe wordt het gehandhaafd?2
Met het Europees verbod als opgenomen in de AI-verordening wordt het in de handel brengen, het in gebruik stellen of het gebruik van een AI-systeem dat materiaal van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zonder toestemming genereert of bewerkt verboden. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd, is het op dit moment vooral mogelijk om in te grijpen als dergelijk materiaal al is vervaardigd.5 Met dit nieuwe verbod kan eerder worden opgetreden, namelijk al bij het aanbieden van een AI-systeem om het beeldmateriaal te vervaardigen. Het Europees verbod wordt in december dit jaar in heel de Europese Unie van kracht. Het kabinet zal de inrichting van het toezicht in Nederland op dit verbod meenemen in het lopende proces van de uitvoeringswet van de nieuwe AI-verordening.
Waarom hebben Meta en X pas na vragen van De Telegraaf de AI-beelden verwijderd? Wat kunt u doen om deze beelden zo snel mogelijk verwijderd te krijgen?
De genoemde partijen zijn onder de DSA aangewezen als zogeheten «zeer groot online platform» wat betekent dat zij moeten voldoen aan bijzondere verplichtingen onder de digitale dienstenverordening (Digital Services Act, DSA). In die hoedanigheid zijn Meta en X verplicht om systeemrisico’s die kunnen voortvloeien uit het verspreiden van seksuele deepfakes (deepnudes), te identificeren en te beperken. Ook moeten zij het voor gebruikers mogelijk maken om illegale inhoud op eenvoudige wijze te melden. Die meldingen moeten zij op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze beoordelen. Daarnaast kan de hulp van Offlimits, als trusted flagger onder de DSA, worden ingeschakeld bij het indienen van een verwijderverzoek. Het primaat van het DSA-toezicht op Meta en X als zeer grote online platformen ligt bij de Europese Commissie (EC). Als de EC concludeert dat een zeer groot platform de DSA niet naleeft, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete. Zo heeft de EC bijvoorbeeld in december 2025 een boete opgelegd aan X.6 Wij blijven als vanzelfsprekend onze steun uitspreken voor effectieve handhaving van de DSA door de EC.
Is er sprake van een gecoördineerd netwerk dat AI-beelden maakt van jonge vrouwen en ze afbeeldt met amputaties, letsel, of een zichtbare beperking?
Voor zover bekend circuleren op zowel het open internet als het dark web verzamelingen en op verzoek vervaardigde AI-beelden die zich richten op specifieke doelgroepen, waaronder beelden van jonge vrouwen met amputaties, letsel of een zichtbare beperking. Op dit moment zijn er echter geen concrete aanwijzingen voor een gecoördineerd netwerk of een achterliggende organisatievorm die deze content stelselmatig produceert of verspreidt.
Vindt u het voldoende dat Meta en X hun eigen onderzoek voeren naar wie deze AI-beelden maken en verspreiden? Weet u meer over de omvang en de aard van deze onderzoeken?
Platforms beschikken doorgaans over gegevens en technische mogelijkheden die hen in staat stellen onderzoek te doen naar de wijze waarop content op hun diensten wordt geüpload en verspreid. Daardoor kunnen zij in bepaalde gevallen achterhalen welke accounts betrokken zijn bij het uploaden of verspreiden van dergelijke beelden. Platforms kunnen vervolgens maatregelen treffen, zoals het verwijderen van content, het beperken van de verspreiding daarvan of het uitschakelen van accounts. De Europese Commissie kan bovendien, als primaire toezichthouder op zeer grote online platforms, op eigen initiatief een onderzoek starten naar vermeende inbreuken op de DSA.
Tegelijkertijd geldt dat intern onderzoek door de platforms niet altijd leidt tot identificatie van de personen die verantwoordelijk zijn voor het maken of verspreiden van de beelden. Er kan daarom niet in algemene zin worden gesteld dat uitsluitend intern onderzoek door platforms voldoende is om in beeld te brengen wie dergelijke beelden maken of verspreiden. Wij beschikken niet over nadere informatie over de omvang of de aard van de onderzoeken die Meta en X zelf uitvoeren naar de makers en verspreiders van dergelijke AI-beelden.
Kunt u ook onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren, waarbij wetenschappers toegang krijgen tot de algoritmes van deze techbedrijven om te controleren hoe deze AI-beelden zich verspreiden?
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld, vindt het kabinet het belangrijk dat er ook onafhankelijk onderzoek plaatsvindt naar contentmoderatie en de naleving van platformbeleid.7 Artikel 40 van de DSA voorziet in mogelijkheden voor zogenoemde erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms en zoekmachines. Dit maakt onderzoek mogelijk dat kan bijdragen aan het opsporen, vaststellen en begrijpen van systeemrisico’s en het beoordelen van de adequaatheid van risicobeperkende maatregelen. Om de status van «erkende onderzoeker» te krijgen moet een onderzoeker eerst een aanvraag indienen bij de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging, in Nederland is dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM).
Daarbij moeten onderzoekers aan een aantal criteria voldoen. Daarnaast verplicht artikel 40, twaalfde lid van de DSA zeer grote online platforms om onderzoekers onverwijld toegang te geven tot openbaar toegankelijke gegevens. Daar wordt op toegezien door de EC. In december 2025 heeft de EC bijvoorbeeld een boete opgelegd aan X, onder meer omdat X niet voldoet aan de verplichting om onderzoekers toegang te bieden tot de openbare gegevens van het platform.8
Welke instanties hebben de taak om toe te zien dat beelden van willekeurige mensen niet worden gebruikt om AI-beelden te maken van verminking en seksueel geweld? Kunt u uiteenzetten hoe deze instanties daartegen optreden?
Er zijn diverse instanties die werken aan de aanpak van seksuele deepfakes, waaronder de politie, het OM, de ATKM, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de EC, en de Autoriteit Consument & Markt (ACM).
De EC houdt op grond van de DSA toezicht op zeer grote online platformen zoals Meta en X. Zij kan als bevoegd toezichthouder onderzoeken instellen en, indien nodig, handhavend optreden. Daarbij kan zij boetes opleggen van maximaal 6% van de omzet van een platform. De ACM is de bevoegde Nederlandse toezichthouder op de DSA. De ACM heeft op grond van de DSA echter geen bevoegdheid om verwijderbevelen voor specifieke inhoud op te leggen. Wel kan de ACM op grond van de DSA handhaven wanneer online platforms of hostingproviders onvoldoende maatregelen treffen tegen illegale inhoud of wanneer hun procedures voor het afhandelen van meldingen niet op orde zijn. Daarvan kan sprake zijn wanneer een platform niet, onvoldoende gemotiveerd of niet tijdig reageert op meldingen van illegale inhoud door gebruikers of trusted flaggers, zoals Offlimits. De ACM roept daarnaast gebruikers op om zelf melding te doen bij het betreffende platform of de hostingdienst, bij de politie of een trusted flagger, zoals Offlimits. Deze meldingen zijn van belang om aan te tonen dat beelden zonder toestemming zijn vervaardigd of verspreid. Ook kunnen dergelijke meldingen aantonen dat een platform tekortschiet in de aanpak van illegale inhoud, waarna de ACM daarop kan handelen.
Het zonder toestemming van de afgebeelde vervaardigen of verspreiden van AI gegenereerde nepnaaktbeelden is strafbaar. De strafbaarstelling in artikel 254ba Wetboek van Strafrecht (Sr) omvat onder meer het zonder toestemming van de afgebeelde, vervaardigen van seksueel beeldmateriaal. Wanneer het materiaal van minderjarigen betreft is het kinderpornografisch materiaal en is het strafbaar op grond van artikel 252 Sr.
De officier van justitie kan op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om strafbare online content ontoegankelijk te maken. Een dergelijk bevel kan, kort gezegd, worden gegeven als sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, ter beëindiging van dat strafbare feit en/of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.
Voor illegale deepfakes die vallen onder de strafbaarstelling van de artikelen 252, 254ba en artikel 285d Sr is dit het geval. Van deze mogelijkheid wordt beperkt gebruik gemaakt, omdat de politie en het OM ook gebruik kunnen maken van verwijderverzoeken op basis van de meldmogelijkheden onder de DSA. Deze zijn in de praktijk vaak sneller. Een aanbieder die niet voldoet aan een dergelijk bevel onder 125p Sv kan strafrechtelijk aansprakelijk zijn (artikel 54a Sr).
Ten aanzien van kinderpornografisch materiaal is in Nederland de ATKM bevoegd om aanbieders van communicatiediensten die in Nederland zijn gevestigd of die beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op Nederlands grondgebied hebben opgeslagen, te verplichten om dergelijk materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Dit geldt ook voor AI gegenereerd materiaal. Als aanbieders van hostingdiensten niet aan deze verplichting voldoen, kan de ATKM bestuursrechtelijk handhaven. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming.
Tenslotte biedt de AVG mogelijkheden om illegale deepfakes tegen te gaan. Dit geldt bijvoorbeeld als een deepfake inbreuk maakt op de privacy van een er in afgebeelde persoon. Zo verbiedt de AVG het maken en verspreiden – buiten de huiselijke sfeer – van deepfakes waarin persoonsgegevens zijn verwerkt zonder een verwerkingsgrondslag. In de praktijk is daardoor een deepfake die zonder toestemming is gemaakt, zeker als daarin gevoelige (bijvoorbeeld seksuele) content is te zien, strijdig met de AVG. Het is aan de onafhankelijke toezichthouder op de AVG, de AP, om te beoordelen of zij in individuele gevallen een (rechtmatigheids)onderzoek doet en handhavend optreedt. Dan staan de toezichthouder maatregelen en sancties ter beschikking zoals een boete, een last onder dwangsom, een verwerkingsverbod of een berisping. Een complicerende factor kan daarbij zijn dat de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker niet altijd te achterhalen is (afhankelijk van de omstandigheden van het geval; het individu en/of het platform). Als uit het onderzoek blijkt dat er overtredingen zijn, kan de AP of andere autoriteit in de EU de verwerkingsverantwoordelijke aanbieders van onlinediensten in bepaalde gevallen bijvoorbeeld een verwerkingsverbod opleggen wat betreft het onrechtmatige materiaal.
Toezichthouders, politie en OM werken samen aan het identificeren van mogelijkheden om niet alleen de individuele gevallen waarin nudify apps zijn gebruikt voor het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal of nepnaaktbeelden zonder toestemming, maar juist ook de nudify apps zelf aan te pakken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat over digitale inclusie van 24 juni 2026 beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord. Dat is helaas niet gelukt voor het commissiedebat over digitale inclusie op 24 juni.