Ernstig geweld tegen gevangenispersoneel in PI Heerhugowaard |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een cipier in de PI Heerhugowaard is gestoken en gegijzeld door een gedetineerde, waarna een arrestatieteam moest ingrijpen?1
Ja.
Erkent u dat dit incident voor de zoveelste keer laat zien dat gevangenispersoneel onvoldoende wordt beschermd tegen extreem gewelddadige gedetineerden binnen Nederlandse penitentiaire inrichtingen?
Geweld tegen gevangenispersoneel is onacceptabel. Mijn gedachten gaan uit naar de medewerkster die het slachtoffer was van dit geweldsincident, diens naasten en naar de andere personeelsleden.
Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar het geweldsincident. Wanneer er lessen te trekken zijn, gebeurt dat ook.
Kunt u aangeven welk voorwerp of wapen bij deze steekpartij is gebruikt en of hierbij sprake was van contrabande of een zelfgemaakt steekwapen (shank)?
Inmiddels is bekend dat het voorwerp wat is gebruikt om geweld toe te passen een scherf van een bord is geweest. Dat betekent dat het een zelfgemaakt steekwapen betreft en er geen sprake was van contrabande.
Indien sprake was van contrabande, hoe kan het dat een gedetineerde binnen een inrichting onder verantwoordelijkheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen over een steekwapen kon beschikken?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u inzicht geven in de hoeveelheid aangetroffen contrabande (zoals steekwapens, drugs en telefoons) in de PI Heerhugowaard in de afgelopen drie jaar en hoe deze cijfers zich verhouden tot andere penitentiaire inrichtingen?
In figuur 1, 2 en wordt een beeld gegeven van de hoeveelheid aangetroffen contrabande in penitentiaire inrichtingen in Nederland voor respectievelijk 2023, 2024 en 2025.2 Per tabel zijn de cijfers die zien op PI Heerhugowaard met geel uitgelicht.
Ten aanzien van de cijfers in onderstaande overzichten hecht ik eraan om de volgende context mee te geven. Uit het afzetten van PI Heerhugowaard tegen andere penitentiaire inrichtingen kunnen niet direct conclusies getrokken worden. Zo bestaat er een verschil in grootte tussen PI’s en regimes. Daarbij hecht ik eraan te benadrukken dat niet alle aangetroffen contrabande bij gedetineerden terechtkomen. Veel wordt onderschept voordat het een gedetineerde bereikt.
Figuur 1. Totaal geregistreerde contrabande GW 2023
Figuur 2. aangetroffen contrabande GW 2024
Figuur 3. aangetroffen contrabande GW 2025
Hoe kan het dat een gedetineerde binnen een inrichting die onder verantwoordelijkheid valt van de Dienst Justitiële Inrichtingen, wederom in staat is personeel te verwonden en langdurig te gijzelen?
De realiteit is helaas dat incidenten met deze doelgroep nooit zijn uit te sluiten. Zowel naar de gijzeling in PI Vught van 5 december 2025 als naar dit incident in de PI Heerhugowaard wordt onderzoek gedaan door de politie. Ook laat DJI zelf onderzoeken verrichten naar beide incidenten. Het onderzoek naar de gijzeling in Vught zal naar verwachting voor de zomer zijn afgerond. Van het onderzoek naar de gijzeling in PI Heerhugowaard is nog onbekend wanneer dit onderzoek zal worden afgerond. Bij relevante ontwikkelingen wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Waarom worden gedetineerden met een bekend agressief, instabiel of gevaarlijk profiel kennelijk niet structureel gescheiden of onder een zwaarder beveiligingsregime geplaatst?
Een gedetineerde wordt geplaatst op een regime passend bij de veiligheidsrisico’s. Zo wordt bij de plaatsing van een gedetineerden een risicoprofiel opgesteld, waarbij naar meerdere aspecten wordt gekeken, zoals de kenmerken en achtergronden van het delict en overige beschikbare informatie van het Openbaar Ministerie en de politie. Waar nodig wordt er aanvullend gekeken naar het risicoprofiel door de Detentie Intelligence Unit (DIU), bestaande uit DJI, politie en OM.
Indien individuele veiligheidsmaatregelen op een reguliere afdeling niet voldoende zijn, kan DJI, op basis van relevante informatie van OM en politie, een gedetineerde plaatsen in een strenger regime zoals een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) als wordt voldaan aan de daarvoor geldende eisen. Een dergelijk incident wordt meegenomen in deze afweging en kan aanleiding geven tot plaatsing in een strenger regiem. Elk jaar wordt beoordeeld of het verblijf van een gedetineerde in een AIT verlengd wordt met een jaar. DJI beoordeelt dat op basis van concrete en actuele informatie van de organisatie zelf, de politie en het OM.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat geweld tegen gevangenispersoneel steeds opnieuw plaatsvindt zonder dat dit leidt tot zichtbare aanscherping van regime, toezicht en sancties?
Net als uw Kamer vind ik geweld tegen gevangenispersoneel onacceptabel. DJI heeft aangifte gedaan. De betrokken gedetineerde is disciplinair gestraft en overgeplaatst. Ook wordt er onderzoek verricht. Alle inzet is erop gericht om dit in de toekomst zo goed als mogelijk te voorkomen. Waar nodig zullen aanvullende maatregelen worden getroffen.
Welke concrete maatregelen gaat u per direct nemen om te waarborgen dat personeel in gevangenissen veilig zijn werk kan doen en kunt u garanderen dat dit niet opnieuw wordt afgedaan met onderzoek en woorden zonder gevolgen?
DJI investeert structureel in de weerbaarheid en veiligheid van hun medewerkers middels trainingen en opleidingen. Daarnaast is voor het personeel DJI, die in de privésfeer wordt bedreigd als gevolg van werkzaamheden voor DJI, de afdeling Personeelsbeveiliging beschikbaar. Deze afdeling valt onder de verantwoordelijkheid van de Beveiligingscoördinator (BVC) DJI en geeft uitvoering aan de werkgeversverantwoordelijk binnen het Stelsel Bewaken en Beveiligen. De medewerkers van deze afdeling zorgen voor een 24/7 bereikbaarheid. DJI zet zich onvermoeibaar in voor een veilige werkomgeving waarin medewerkers hun werk met vertrouwen en waardigheid kunnen uitvoeren.
Zoals in de beantwoording van vraag 6 aangegeven is de realiteit echter ook dat incidenten met deze doelgroep nooit zijn uit te sluiten. Alle inzet is erop gericht om deze incidenten in de toekomst te voorkomen. Daarom wordt onderzoek verricht naar beide incidenten. Wanneer hier lessen uit getrokken kunnen worden, zal dit zeker gebeuren. Ik houd dit nauwlettend in de gaten, want veiligheid van personeel staat voorop.
De ongewenste vreemdeling S.A. (34) uit Hoorn die verdacht wordt van huiselijk geweld en verkrachting en mogelijk snel vrijkomt |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ongewenste vreemdeling (34), verdacht van huiselijk geweld en verkrachting, komt mogelijk snel vrij: «Meerdere vrouwen zijn Hoorn ontvlucht en elders gaan wonen»»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat deze 34-jarige S.A. uit Irak al sinds 2023 door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is aangemerkt als ongewenste vreemdeling, maar al die tijd gewoon vrij in Nederland heeft kunnen rondlopen en nu zelfs terechtstaat voor meerdere gevallen van huiselijk geweld en verkrachting? Waarom is deze man na de ongewenstverklaring in 2023 niet onmiddellijk uitgezet?
Zoals uw Kamer bekend is, kan over individuele zaken geen nadere informatie worden verstrekt. In algemene zin hecht ik eraan te benadrukken dat de terugkeer van criminele vreemdelingen prioriteit heeft in het vertrekbeleid. De vervolging van strafbare feiten is de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. Door de toezichthoudende organisaties, zoals de politie, KMar en DTenV, wordt waar mogelijk vreemdelingenbewaring opgelegd.
Wat gaat u concreet doen om S.A. zo snel mogelijk uit Nederland te verwijderen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat meerdere vrouwen uit Hoorn hun woonplaats hebben moeten ontvluchten en elders in Nederland zijn gaan wonen uit angst voor deze verdachte? Hoeveel vrouwen hebben aangifte gedaan?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de angst en onveiligheid onder de vrouwen in Hoorn en omstreken?
Vrouwen moeten overal in Nederland veilig zijn, zowel in hun privéomgeving als in de openbare ruimte. De komende jaren zet het kabinet zich onder regie van de Minister van Langdurige zorg, Jeugd en Sport in om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden, samen met gemeenten en de betrokken uitvoeringsorganisaties.
Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om strafbare feiten te onderzoeken en, waar mogelijk, een verdachte aan te houden en te vervolgen. Het is niet aan de Minister van Asiel en Migratie om bemoeienis te hebben met de wijze waarop iemand strafrechtelijk is vervolgd.
Wanneer vreemdelingen strafbare feiten plegen, is het van belang dat de vreemdelingrechtelijke consequenties hiervan worden bezien. Het uitgangspunt van het openbare-ordebeleid is dat vreemdelingen die (ernstige) misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland. Na een afwijzend besluit of een intrekking van de IND start de DT&V het terugkeerproces. Dit kan ook vanuit strafdetentie of (aansluitend in) vreemdelingenbewaring.
Bent u het eens met de stelling dat Nederlandse vrouwen niet langer de dupe mogen worden van het falende vreemdelingenbeleid waarbij seksuele roofdieren jarenlang vrij kunnen rondlopen?
Het kabinet gebruikt alle juridische mogelijkheden die er zijn om strafbare feiten te bestraffen, vreemdelingendetetentie in te zetten en te werken aan terugkeer ook vanuit strafdetentie.
Hoeveel ongewenste vreemdelingen met een strafblad of serieuze verdenkingen van zedendelicten lopen er op dit moment vrij rond in Nederland? Kunt u dit per jaar en per nationaliteit specificeren?
Die gegevens zijn niet uit de registratiesystemen te herleiden.
Bent u bereid om per direct een volledige asielstop in te voeren, zodat er geen nieuwe seksuele roofdieren meer ons land worden binnen gelaten en Nederlandse vrouwen en meisjes eindelijk weer veilig kunnen zijn?
Zoals uw Kamer bekend is, is het uitgangspunt van het openbare-ordebeleid dat vreemdelingen die (ernstige) misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland.
Het bericht ‘Hackers persen Odido af na datalek en eisen een miljoen euro losgeld’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers persen Odido af na datalek en eisen een miljoen euro losgeld»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het verdienmodel van cybercriminelen voor een groot deel draait op het afpersen van slachtoffers, onder dreiging van het publiceren van gestolen data of het voor eeuwig versleutelen van systemen?
De modus operandi van cybercriminelen waarbij slachtoffers worden afgeperst onder dreiging van het publiceren van gestolen data of versleuteling is bekend.2
Vindt u dat het toegeven aan dit soort afpersing het verdienmodel van cybercriminelen in stand houdt? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot de bescherming van slachtoffers, die hun persoonlijke data in handen van criminelen zien verdwijnen als een getroffen organisatie niet betaalt?
Slachtoffer worden van ransomware en dit soort afpersing kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging is aan de getroffen organisatie, maar het dringende advies vanuit de overheid blijft: geen losgeld betalen. Het betalen van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen weer toegankelijk maken of gestolen data niet doorverkopen aan andere criminelen. Het uitbetalen van losgeld houdt bovendien het verdienmodel van criminelen in stand. En lokt daarmee mogelijk nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uit.
Er kan zich spanning voordoen tussen het belang van een individueel slachtoffer om op de korte termijn schade te beperken en het bredere maatschappelijke belang om het totaal aantal (potentiële) slachtoffers te verminderen en het verdienmodel van criminelen niet in stand te houden. Het is vooral belangrijk dat getroffen personen informatie krijgen over de risico’s die zij lopen en wat zij daartegen kunnen doen. Mensen die vermoeden dat ze slachtoffer zijn geworden van de diefstal van hun gegevens, kunnen op de site van de politie controleren3 of hun data in handen van criminelen is gevallen.
Klopt het dat het voor een getroffen organisatie logisch kan lijken om losgeld te betalen (op basis van de belofte van daders dat gestolen data niet gepubliceerd worden of versleutelde systemen worden vrijgegeven), maar dat dit de samenleving als geheel juist meer kan kosten, omdat het verdienmodel van cybercriminelen in stand gehouden wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier kan de samenleving volgens u dit dilemma oplossen?
Slachtoffer worden van dergelijke afperspraktijken kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting hun klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging ligt bij de getroffen organisatie, maar het dringende advies van de overheid blijft om geen losgeld te betalen. Betaling van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen herstellen, gestolen data verwijderen of ervan afzien deze openbaar te maken of door te verkopen aan andere criminelen. Daarnaast houdt het betalen van losgeld het verdienmodel van cybercriminelen in stand. De opbrengsten worden veelal ingezet voor verdere, geavanceerde cyberaanvallen, waarmee nieuwe slachtoffers worden gemaakt. Dit kan bovendien nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uitlokken.
Staat u nog steeds achter het advies van de overheid aan organisaties om geen losgeld aan hackers te betalen? Op welke expertkennis baseert u dat advies?
Ja, zie de antwoorden op de voorgaande vragen. Dit sluit aan bij het inzicht en advies van de politie en het OM.
Zou een verbod op het betalen van losgeld aan hackers de samenleving als geheel ten goede kunnen komen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Wat zijn volgens u de voor- en nadelen van een dergelijk verbod?
We willen organisaties die slachtoffer zijn geworden van een ransomware aanval niet criminaliseren. Er kan zich spanning voordoen tussen het belang van een individueel slachtoffer om op de korte termijn schade te beperken en het bredere maatschappelijke belang om het totaal aantal (potentiële) slachtoffers te verminderen en het verdienmodel van criminelen niet in stand te houden. Zolang die spanning niet eenduidig kan worden opgelost wordt – net als in de meeste EU landen – dringend geadviseerd om geen losgeld te betalen, in plaats van een wettelijk verbod. Daarnaast wordt ingezet op preventie, meldplichten bij toezichthouders en gerichte informatie aan individuen wier gegevens zijn getroffen.
Kan een verbod op het betalen van losgeld ook dienen als extra prikkel voor organisaties om extra werk te maken van cyberweerbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Het huidige wettelijke kader (Telecommunicatiewet, Wbni, de AVG en de aankomende Cyberbeveiligingswet) verplicht organisaties om serieus werk te maken van cyberweerbaarheid. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2 is daarbij het dringende advies om geen losgeld te betalen. Er kunnen situaties voorkomen waarbij toch een andere afweging wordt gemaakt door een organisatie. Om deze reden achten wij een volledig wettelijk verbod onwenselijk.
Welke extra prikkels en instrumenten kunt u inzetten om ervoor te zorgen dat organisaties te dwingen hun cyberweerbaarheid serieus te nemen? Denkt u dat boetes hier een effectief middel voor kunnen zijn? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het huidige wettelijke kader (Telecommunicatiewet, Wbni en AVG) biedt de nodige handhavende bevoegdheden om in te grijpen bij vastgestelde onregelmatigheden. Ingrijpen kan bijvoorbeeld door het bevestigen van normen, het geven van waarschuwingen, stilleggen van verwerkingen van persoonsgegevens of het opleggen van boetes. Onder de zorgplicht van de Telecommunicatiewet moeten organisaties passende technische en organisatorische maatregelen nemen om beveiligingsrisico’s te beheersen. Hieronder vallen ook risico’s met betrekking tot diensten zoals een klantsysteem. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur houdt toezicht op de Telecomwet en de Autoriteit Persoonsgegevens houdt toezicht op de AVG.
Daarnaast wordt met de aankomende implementatie van de Cyberbeveiligingswet (Cbw) een impuls gegeven aan de wettelijke verplichtingen voor essentiële en belangrijke entiteiten om maatregelen te nemen die bijdragen aan hun eigen cyberweerbaarheid. Ook is er sprake van een meldplicht bij significante incidenten. De verplichtingen uit de Cbw worden gehandhaafd door de bevoegde toezichthouders/autoriteiten. Organisaties worden onderworpen aan een beveiligingsscan en audit, en kunnen een aanwijzing, de verplichting tot het openbaar maken van een overtreding, een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete opgelegd krijgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
ja.
Het bericht ‘Odido-datalek erger dan gemeld, ook burgerservicenummers gelekt’. |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL waarin wordt gemeld dat bij telecomprovider Odido een grootschalig datalek heeft plaatsgevonden en dat hierbij, anders dan eerder door het bedrijf gecommuniceerd, ook burgerservicenummers (BSN) zijn gelekt?1
Ja
Hoe beoordeelt u de ernst van het incident, in het bijzonder het lekken van BSN, vanuit het perspectief van de bescherming van fundamentele rechten van burgers en hoe ingrijpend beoordeelt u de impact op burgers?
De schaal van dit datalek, de hoeveelheid getroffen burgers en de soms gevoelige aard van de gelekte gegevens maken dit tot een bijzondere situatie. Het maakt duidelijk dat datalekken grote gevolgen kunnen hebben. Zonder iets te willen of kunnen zeggen over de oorzaken van het onderhavige datalek, maakt dit in meer algemene zin duidelijk dat een goede beveiliging van persoonsgegevens zoals vereist in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) pure noodzaak is en een cruciaal onderdeel van de bedrijfsprocessen moet zijn. De gevraagde beoordeling van dit datalek is uiteindelijk aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als onafhankelijke toezichthouders. Daarnaast doet de politie onder leiding van het Landelijk Parket een strafrechtelijk onderzoek naar de aanval en de daders.
De gelekte gegevens waaronder ook het BSN zijn niet direct bruikbaar voor fraudeurs om zelfstandig fraude op naam van gedupeerden te plegen. Criminelen gebruiken de gegevens vooral om phishingaanvallen uit te voeren en gedupeerden te verleiden om op een link te klikken of nog meer gegevens prijs te geven.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties adviseert niet om paspoorten of identiteitskaarten te vernieuwen. Er zijn alleen paspoortnummers gelekt. Alleen met die informatie kunnen criminelen niet zelfstandig fraude plegen. Zij kunnen die informatie echter wel gebruiken voor bijvoorbeeld gerichte phishingaanvallen. Met behulp van de gestolen informatie proberen ze dan om zo betrouwbaar mogelijk te lijken en in te spelen op het gevoel van burgers met als doel om meer informatie te ontfutselen of burgers te verleiden op een link, button of QR-code te klikken.
In hoeverre acht u daarbij het recht op privacy en gegevensbescherming geschonden, nu (oud-)klanten van Odido buiten hun eigen schuld risico lopen op misbruik van hun persoonsgegevens?
In algemene zin is een datalek een inbreuk in verband met het recht op persoonsgegevens. Of, en zo ja in hoeverre, de privacy en het recht op gegevensbescherming van betrokken in deze concrete zaak zijn geschonden, is niet aan het kabinet om te beoordelen. Dit is aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als toezichthouders of in voorkomende gevallen aan de rechter om te beoordelen.
Hoe beoordeelt u het advies aan Odido om geen losgeld te betalen, gelet op de huidige situatie waarin de hackersgroep Shinyhunters is overgegaan tot publicatie van gestolen persoonsgegevens, met mogelijke ernstige gevolgen voor de (oud-)klanten van Odido?2
Het besluit van Odido om geen losgeld te betalen sluit aan bij de visie van het kabinet. Slachtoffer worden van dergelijke afperspraktijken kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting hun klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging ligt bij de getroffen organisatie, maar het dringende advies van de overheid blijft om geen losgeld te betalen. Betaling van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen herstellen, gestolen data verwijderen of ervan afzien deze openbaar te maken of door te verkopen aan andere criminelen. Daarnaast houdt het betalen van losgeld het verdienmodel van cybercriminelen in stand. De opbrengsten worden veelal ingezet voor verdere, geavanceerde cyberaanvallen, waarmee nieuwe slachtoffers worden gemaakt. Dit kan bovendien nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uitlokken.
Kunt u aangeven welke opsporingsprioriteit wordt gegeven aan het strafrechtelijk onderzoek dat is gestart door het Openbaar Ministerie en ligt daarbij ook een rol voor de digitale recherche?
Het OM gaat over de opsporingsprioriteit. De politie is onder gezag van het Openbaar Ministerie een opsporingsonderzoek gestart. Een team van het Team High Tech Crime, dat gespecialiseerd is in dit soort cybercriminaliteit, doet onderzoek naar het incident.
Welke rol ziet u bij het ondersteunen en informeren van burgers van wie persoonsgegevens door cybercriminelen zijn gepubliceerd en acht u het huidige instrumentarium hiervoor toereikend?
De overheid geeft praktische tips om de digitale weerbaarheid van burgers te vergroten. Zo hebben burgers de mogelijkheid om websites zoals veiliginternetten.nl en die van het NCSC te raadplegen waar veel informatie en adviezen worden gegeven over hoe ze zich online kunnen beschermen en over de basisprincipes van digitale weerbaarheid. Via Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) kan er melding worden gedaan van fraude, hier is ook een specifieke pagina over de Odido hack. Daarnaast zal het kabinet met een reactie komen in lijn met de gedane toezegging door de Staatssecretaris van Economische Zaken – digitale economie en soevereiniteit en de aangenomen motie van het lid Rajokowski die opriep tot een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken.3
Ziet u aanleiding om het strafrechtelijk kader of de opsporingscapaciteit op het terrein van hacks en digitale afpersing te versterken, bijvoorbeeld door intensivering van de digitale recherche van de politie of door aanpassing van wet- en regelgeving?
Door het Ministerie van Justitie en Veiligheid worden met de politie en het OM worden gesprekken gevoerd over wat er nodig is om de aanpak van online criminaliteit een stap verder te brengen, daarin zullen de recente incidenten zoals de hacks bij Clinical Diagnostics en Odido worden meegenomen.
In het coalitieakkoord is verder aangekondigd dat de strafmaxima voor zware cyberdelicten zullen worden verhoogd. Bij de nadere beleidsuitwerking hiervan zal ook aandacht worden besteed aan deze recente incidenten.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voorafgaand aan de behandeling van de Cyberbeveiligingswet?
Dit is helaas niet gelukt.
Het artikel ‘Politie stapte in stilte af van algoritme dat kans op misdaad in buurten zou voorspellen’ |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Politie stapte in stilte af van algoritme dat kans op misdaad in buurten zou voorspellen»?1
Ja.
Op basis van welke wettelijke grondslag werd dit predictive-policing-systeem toegepast en kunt u aangeven welke specifieke bevoegdheden hierdoor feitelijk werden uitgebreid?
Het Criminaliteits Anticipatie Systeem (hierna: CAS) vergaarde zelf geen gegevens. De gegevens waren afkomstig van eerder gedane aangiften van burgers en ondernemers. Daarnaast werd tot en met 2022 gebruik gemaakt van omgevingsvariabelen2 van het CBS. De omgevingsvariabelen van het CBS waren geaggregeerd op wijkniveau en bevatten geen persoonsgegevens.
De wettelijke basis voor het verkrijgen van aangiftegegevens door de politie is vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering (Sv). Artikel 161 Sv geeft iedere burger de bevoegdheid om aangifte te doen van een begaan strafbaar feit. Artikel 163 Sv verplicht de politie om de aangifte van een burger in ontvangst te nemen. De politie verkrijgt de gegevens dus op basis van deze wettelijke ontvangstplicht.
Artikel 8 van de Wet politiegegevens vormde de grondslag voor de verwerking van bovenstaande gegevens met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak.
Er is daarom geen sprake geweest van uitbreiding van bevoegdheden.
In hoeveel gevallen zijn burgers gecontroleerd of benaderd zonder concrete verdenking maar uitsluitend vanwege een verhoogd risicogebied of risicoscore?
De uitkomsten van het CAS gaven een waarschijnlijkheidsindicatie op een criminaliteitsthema in een gebied, nooit op een persoon of bevolkingsgroep.
Bovendien vereisen individuele controles een eigen wettelijke grondslag en kunnen deze niet op alleen een risicoscore worden gebaseerd. Er was dus altijd een concrete aanleiding, op basis van aanvullende en actuele informatie en een menselijk oordeel nodig, voordat dit leidde tot concrete inzet van de politie.
Klopt het dat bij het criminaliteitsanticipatiesysteem (CAS) geen eenduidige doelen, meetbare succescriteria en formele kwaliteitsstandaarden waren vastgesteld? Zo ja, waarom is het systeem, en daarmee predictive policing als methode, desondanks langdurig gebruikt om de aanpak van veelvoorkomende criminaliteit in bepaalde buurten te verbeteren?
In het algemeen geldt dat het moeilijk is om de resultaten van preventieve maatregelen te meten. CAS is destijds ingezet vanuit de verwachting dat de beschikbare politiecapaciteit gerichter kon worden ingezet als er meer informatie beschikbaar was over veelvoorkomende criminaliteit in een bepaalde woonwijk. CAS heeft daar in verschillende teams een positieve bijdrage aan geleverd. Er was echter onduidelijkheid over de exacte operationele meerwaarde van CAS.
Anderhalf jaar geleden is de politie gestart met de verdere professionalisering van haar AI-Governance, waaronder de doorlopende toetsing van de kwaliteit (juridisch, technisch en ethisch) van haar algoritmes en AI-systemen. Na zorgvuldige afweging en volgens de genoemde professionaliseringsslagen binnen de politie is gebleken dat de voor CAS geformuleerde criteria niet meer voldeden aan de normen die tegenwoordig worden gehanteerd. Er is daarom geconcludeerd dat de benodigde inspanningen voor het oplossen van de tekortkomingen niet opwegen tegen de baten. In de laatste alinea van mijn antwoord op vraag 10 geef meer uitleg over deze professionaliseringsslag.
Zijn er vanuit betrokken partijen, zoals bijvoorbeeld mensenrechtenorganisaties of burgers, bij de inzet van het CAS signalen gekomen dat dit systeem discriminatie in de hand werkt? Zo ja, welke signalen waren dat?
De politie heeft geen signalen ontvangen dat er daadwerkelijk sprake was van discriminatie. Er zijn wel zorgen geuit. Zo waarschuwde Amnesty International er voor dat CAS bestaande vooroordelen in de maatschappij zou kunnen overnemen en versterken. Ook vond Amnesty dat het onduidelijk was hoe het systeem tot bepaalde voorspellingen kwam, dat het koppelen van grote hoeveelheden data uit verschillende bronnen een vorm van onrechtmatige massasurveillance is en dat het onduidelijk was wat deze vorm van «predictive policing» daadwerkelijk bijdroeg aan de veiligheid.
In hoeverre kunt u uitsluiten dat in bepaalde wijken waarbij een relatief hoog percentage bewoners met migratieachtergrond woont vaker onderwerp zijn geweest van toezicht door dit systeem?
CAS was geen toezichtsysteem maar ondersteunde de basisteams bij het in kaart brengen van criminaliteit in hun werkgebied. Het is wel mogelijk dat de uitkomst van de analyses van CAS aanleiding heeft gegeven voor intensiever toezicht in een bepaalde woonwijk. Het aantal aangiften van strafbare feiten en het soort strafbare feiten vormden de basis voor de waarschijnlijkheidsindicatie op een bepaald criminaliteitsthema in die wijk.
Bent u ervan op de hoogte dat mensenrechtenorganisaties, waaronder Amnesty International, al geruime tijd ernstige zorgen uiten over de discriminatoire en mensenrechtelijke risico’s van predictive policing-systemen? Zo ja, waarom is er desondanks voor gekozen om dit systeem gedurende tien jaar in stand te houden?2
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Er is voor gekozen het CAS te gebruiken om gerichtere inzet tegen veelvoorkomende criminaliteit mogelijk te maken. Het CAS heeft daar in verschillende teams een positieve bijdrage aan gegeven door de informatiepositie rondom de inzet van mensen en middelen te versterken. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 gaven de uitkomsten van het CAS een waarschijnlijkheidsindicatie op een criminaliteitsthema in een gebied, nooit op een persoon of bevolkingsgroep.
In die periode van 10 jaar is, mede naar aanleiding van die geuite zorgen, het algoritme meerdere malen aangepast. In mijn antwoord op vraag 4 omschrijf ik uitgebreider wat de overwegingen van de politie waren om te stoppen met CAS.
Deelt u de opvatting dat predictive-policing-systemen die racisme of discriminatie in de hand werken, uitgesloten moeten zijn binnen de Nederlandse politie?
Ja.
Kunt u garanderen dat dergelijke algoritmische systemen die leiden tot etnisch profileren of indirecte discriminatie niet worden ingezet?
Etnisch profileren is verboden. De inzet van systemen die (in)directe discriminatie veroorzaken is niet toegestaan. Toepassing van algoritmische systemen vereist aantoonbare rechtmatigheid en noodzakelijkheid, voorafgaande risicoanalyses, toetsing op vooringenomenheid en strikte waarborgen. Mocht in de praktijk blijken dat een bepaald algoritme toch tot vertekende, oneerlijke of zelfs discriminerende uitkomsten leidt, dan is de verwerking onrechtmatig.
Bent u bereid maatregelen te nemen om het gebruik van dergelijke systemen te beperken of te verbieden? Zo nee, waarom niet?
De Europese AI-verordening (2024) biedt een specifiek en duidelijk wettelijk kader als het gaat om AI-systemen. Ik zie op dit moment geen noodzaak om aanvullend op dit wettelijk kader maatregelen te nemen. De AI-verordening kent een risicogebaseerde aanpak waarbij AI-systemen worden onderverdeeld in een aantal categorieën, onder andere de «hoog risico» categorie en de «onaanvaardbaar risico» categorie. Toepassingen die in de laatstgenoemde categorie vallen zijn op basis van de AI-verordening verboden.
De inzet van systemen voor risicobeoordelingen van natuurlijke personen met het oog op het plegen van strafbare feiten, uitsluitend op basis van profilering van de persoon of op basis van een beoordeling van persoonlijkheidseigenschappen en kenmerken, valt in de «onaanvaardbaar risico» categorie. De politie mag zo’n systeem dus niet gebruiken.
Systemen die bedoeld zijn om het plegen van een strafbaar feit of recidive te voorspellen, vallen in de hoog risico categorie. Aan systemen in deze categorie worden extra, zeer strenge eisen gesteld en de inzet van zo’n systeem moet omkleed worden met waarborgen. Hierbij valt te denken aan eisen met betrekking tot risicobeheer, kwaliteit en relevantie van datasets, technische documentatie en registratie, transparantie, menselijk toezicht, nauwkeurigheid en beveiliging.
De politie toetst de kwaliteit van haar algoritmes en AI-systemen via een intern kwaliteits- en risicoproces. Hiermee verkrijgt zij inzicht in eventuele risico’s en de maatregelen die hierop te treffen zijn. De politie voert dit proces uit op al haar algoritmes en AI-systemen die (hoog) risicovol zijn. Dit voert de politie ook getrapt uit voor oudere algoritmes en AI-systemen. De trajecten waarin dit al heeft plaatsgevonden en die openbaar kunnen worden, staan gepubliceerd in het Algoritmeregister.
Het bericht ‘Man mishandelt buschauffeur omdat hij geen taxiservice krijgt’ |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Man mishandelt buschauffeur omdat hij geen taxiservice krijgt»?1
Deelt u de mening dat agressie en geweld tegen OV-personeel en reizigers volstrekt onacceptabel is en dat zij veilig hun werk moeten kunnen doen dan wel veilig moeten kunnen reizen?
Ziet u aanknopingspunten om OV-personeel – dat ook werkzaam is ten behoeve van een publieke taak – net zo te beschermen als op p.11 in het Regeerakkoord met hulpverleners wordt beoogd? («Veiligheid begint dichtbij: in je eigen huis, straat of buurt. Veiligheid betekent zonder angst naar huis kunnen, weten dat hulp komt als je die nodig hebt en erop kunnen vertrouwen dat regels voor iedereen gelden. Maar we zien nu te vaak geweld op straat. Hulpverleners worden belaagd. Aangiften blijven te lang liggen. Wij willen een land waarin criminelen niet vrijuit gaan en waar gezag wordt gerespecteerd»).
Hoeveel meldingen van agressie en geweld tegen OV-personeel zijn in de afgelopen vijf jaar geregistreerd en kunt u deze cijfers uitsplitsen naar vervoersmodaliteit (bus, tram, metro, trein) en naar aard van het incident?
In hoeveel van deze gevallen heeft geweld tegen OV-personeel geleid tot strafrechtelijke vervolging en veroordeling? Acht u de huidige strafrechtelijke afdoening afdoende afschrikwekkend? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Welke aanvullende maatregelen overweegt u om de veiligheid van OV-personeel en reizigers structureel te verbeteren?
Ziet u bijvoorbeeld mogelijkheden om strafbare feiten tegen de lichamelijke integriteit van OV-personeel en reizigers in vervoersmiddelen en op bus-, tram- en treinstations als gekwalificeerde delicten aan te merken, zodat zwaardere strafrechtelijke sancties, eventueel met een minimumstraf, kunnen worden opgelegd en het openbaar ministerie aan dat gekwalificeerde karakter gebonden is?
Bent u daarnaast bereid te onderzoeken of, naast de vigerende CBb-jurisprudentie waarin vervoersverboden als civielrechtelijk worden aangemerkt, een publiekrechtelijk levenslang en tijdelijk maar langdurig landelijk toepasbaar OV-verbod toegevoegde waarde kan hebben voor personen die zich schuldig maken aan geweld of aantasting van de lichamelijke integriteit van OV-personeel en medereizigers, zowel in als buiten vervoersmiddelen? Onder welke omstandigheden wel of niet?
In welke mate kan de ernst van het gevolg van de aantasting van de persoonlijke integriteit van OV-personeel en reizigers door molest of anderszins daarbij medebepalend zijn?
Ziet u meerwaarde in een strafrechtelijke grondslag waardoor een rechter in voorkomende gevallen een levenslang of tijdelijk, maar langjarig OV-verbod als bijkomende straf zou kunnen opleggen? Bijvoorbeeld omdat de duur van een OV-verbod eventueel langer kan zijn?
Ziet u mogelijkheden om de overtredingen van een OV-verbod, opgelegd door een boa, een politieagent of een rechter, strafrechtelijk zwaarder te sanctioneren?
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op naleving van bestaande civiel- en/of publiekrechtelijke vervoersverboden door vervoerders, boa's en politie? Acht u dit systeem voldoende effectief en handhaafbaar? Zo nee, welke verbetermogelijkheden ziet u?
De noodkreet van de BES-eilanden over veiligheid |
|
Heera Dijk (D66) |
|
David van Weel (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de oproep vanuit de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) tot structurele versterking van de justitieketen in Caribisch Nederland?1
Ja.
Herkent u de situatie zoals deze door de gezaghebbers van Saba, Bonaire en Sint-Eustatius wordt geschetst en wat is uw reactie op de drie concrete oproepen zoals deze zijn opgenomen in het bericht richting de beide Kamers en richting het kabinet?
Wij herkennen de situatie zoals geschetst door de gezaghebbers van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Vanuit onze eigen verantwoordelijkheden onderhouden wij in verschillende overlegstructuren nauw contact met onze diensten en de bestuurders in Caribisch Nederland (CN).
In de brief wordt aandacht gevraagd voor de personele en materiële tekorten bij de uitvoerende diensten in CN, onder andere bij het Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN). In dit kader kan gemeld worden dat de Nationale Politie nauw met KPCN en de andere politiekorpsen in het Caribisch deel van het Koninkrijk samenwerkt. Zo wordt sinds februari 2025 KPCN tijdelijk ondersteund door de Nationale Politie en de KMar om de bezetting van primair de noodhulp op Bonaire te vergroten. Op zijn beurt ondersteunt KPCN de KMar op Saba en Sint Eustatius bij de controles op de aankomsten en afvaarten van de ferries. Onlangs zijn de afspraken hierover verlengd tot begin 2027. Voor een verdere toelichting op de personele bezetting, waaronder die van de overige genoemde diensten, verwijzen wij graag naar vraag 3.
In hun brief vragen de gezaghebbers ook aandacht voor een betere onderlinge samenwerking tussen KMar, KPCN, Douane en Kustwacht. De genoemde diensten werken regelmatig met elkaar samen, op zowel strategisch niveau als operationeel. Dat manifesteert zich bijvoorbeeld in de Multidisciplinaire Maritieme Hub Bonaire (MMHB), waarin ook het Openbaar lichaam Bonaire participeert. De MMHB geeft invulling aan integraal maritiem toezicht rondom Bonaire. In algemene zin zullen wij de algehele samenwerking van onze diensten, onder meer met het oog op een zo goed mogelijke informatiepositie, blijven bevorderen, met inachtneming van hun mogelijkheden en respectievelijke bevoegd- en verantwoordelijkheden. Zowel waar het de onderlinge samenwerking betreft, als die met andere (al dan niet lokale) diensten. Daarnaast wordt de samenwerking verder verdiept door gezamenlijke leertrajecten en kennisdeling, bijvoorbeeld door de start van een gezamenlijke opleiding van aspiranten voor de Kustwacht Caribisch Gebied en KPCN in augustus 2026.
Wat is de meest recente stand van zaken met betrekking tot de personele bezetting van politie-, justitie- en veiligheidspersoneel op de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba), uitgedrukt in fulltime-equivalent (fte), bezette versus openstaande vacatures en de verhouding tot de beleidsdoelstelling?
De personele bezetting van KPCN, KMar, Douane Caribisch Nederland (Douane CN) en de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland (JICN), wordt onderstaand uiteengezet uitgedrukt in fulltime-equivalent (fte). De verhouding tussen bezette versus openstaande vacatures en de verhouding tot de beleidsdoelstelling wordt daarbij steeds aangegeven. Voor alle onderstaande gegevens is peildatum 31 december 2025 aangehouden.
Voor alle bovengenoemde diensten geldt dat 100% bezetting het streven blijft. Om KPCN in staat te stellen om zijn taken in de afdelingen basispolitiezorg en opsporing conform de beleidsdoelstellingen uit te kunnen voeren, wordt het korps tijdelijk ondersteund met 10 fte van de Nationale Politie en 2 fte van de KMar. Deze ondersteuning loopt minimaal tot Q2 2027. Met de BES-claim wordt de formatie van de KMar in Caribisch Nederland uitgebreid. Dit proces is reeds in gang gezet, afgelopen maand is een nieuwe initiële opleiding voor personeel van de Rijksdienst Caribisch Nederland-collega’s (RCN) gestart. In de komende jaren zal de KMar verder invulling geven aan de personele uitbreiding.
Bij de JICN zat de vacatureruimte in december jl. met name in de beveiliging. De in- en uitstroom van personeel is echter een continu proces. Daarom wordt er actief geworven om openstaande vacatures zo snel als mogelijk op te vullen.
De vacatureruimte bij de Douane CN is op dit moment bijna weer ingevuld. Daarnaast wordt verzocht om uitbreiding van de formatie. De beleidsdoelstellingen uit de Rijksbegroting voor Douane CN richten zich op professionalisering, het versterken van de uitvoeringskwaliteit en het moderniseren van systemen en organisatie. Douane CN sluit hierop aan door actief te investeren in personeelsontwikkeling, risicogericht toezicht en procesverbetering, evenals in de werving van nieuw personeel om de capaciteit te versterken. Daarnaast wordt de samenwerking binnen de keten geoptimaliseerd om toezicht en handhaving efficiënter en meer in lijn met de Nederlandse uitvoeringsstandaarden te organiseren. Deze inzet draagt gezamenlijk bij aan het realiseren van de rijksbrede opgave om de uitvoeringskwaliteit structureel te verbeteren.
Welke concrete stappen heeft het u al gezet of gepland om het structurele personeelstekort bij het Korps Politie Caribisch Nederland en de Douane op de BES-eilanden aan te pakken?
Voor KPCN geldt dat er sinds 2023 intensief gewerkt wordt aan het opleiden van nieuwe politiemensen voor het korps. Daarbij zijn de volgende maatregelen genomen, dan wel zullen de volgende maatregelen genomen worden:
Naast de opleiding van nieuwe collega’s wordt er permanent geworven voor reeds ervaren collega’s uit andere delen van het Koninkrijk. In 2025 stroomden op deze wijze 12 fte in.
De tijdelijke ondersteuning vanuit de Nationale Politie en de KMar, die in de eerste plaats de basispolitiezorg op Bonaire borgt, wordt ook benut om de recent ingestroomde collega’s en aspiranten te begeleiden waarmee hun leerproces in de praktijk wordt gecontinueerd.
Douane CN is in 2025 gestart met een intensief werving- en selectie traject dat voorspoedig verloopt. Medio maart 2026 is de eerste instroom van 12 nieuwe medewerkers voor structurele inzet. De vacatureruimte (zie vraag 3) komt daarmee in april 2026 op 2 fte. Daarnaast komt er per 1 mei 2026 8 fte tijdelijke extra bijstand vanuit Douane Nederland bij. Deze bijstand richt zich op Fysiek Toezicht en Risicomanagement. Momenteel wordt gekeken of en welke aanvullende menskracht nodig is.
Welke informatie heeft u over de omvang en aard van de wapenproblematiek op de BES-eilanden, en welke maatregelen worden overwogen?
De afgelopen tijd zijn meermaals signalen ontvangen dat de problematiek omtrent vuurwapenbezit en -gebruik is toegenomen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De Raad voor de Rechtshandhaving wijst in haar rapport «Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024» naar de meest recent verschenen criminaliteitsbeeldanalyse Caribisch Nederland 2020–2024. Sinds 2024 is er een stijging te zien van vuurwapengeweld op Bonaire. Volgens de Criminaliteitsbeeldanalyse zijn er op Bonaire twee groepen bezitters van vuurwapens te onderscheiden. De eerste groep bestaat uit jonge mannen die een vuurwapen zien als statussymbool, de tweede groep bestaat uit mensen die zich in het criminele milieu begeven.2
Tegen deze achtergrond acht de Douane het essentieel dat de beschermingstaak expliciet wordt betrokken bij de aanpak van de vuurwapenproblematiek. De Douane zet daarom in op het verder versterken van risicogerichte controles op goederenstromen, het intensiveren van informatiegestuurd toezicht en het versterken van de samenwerking met ketenpartners zoals politie, Koninklijke Marechaussee, Kustwacht en het Openbaar Ministerie. Op deze manier wordt beoogd de illegale invoer van vuurwapens en onderdelen daarvan zo effectief mogelijk te voorkomen en te bestrijden.
Recent zijn de politiekorpsen van Aruba, Curaçao, Caribisch Nederland en Sint Maarten samen met de Openbare Ministeries een gezamenlijke actie gestart om illegale vuurwapens vrijwillig te laten inleveren. Personen die in het bezit zijn van een illegaal vuurwapen krijgen de mogelijkheid dit vrijwillig in te leveren zonder strafrechtelijke gevolgen voor overtreding van de wapenwetgeving. Na afloop van de actieperiode zullen gerichte controles en opsporingsacties volgen om illegaal wapenbezit verder aan te pakken.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) financiert ook het RIEC Caribisch Nederland (CN) dat het tegengaan van vuurwapens meeneemt in de bredere ondermijningsaanpak. Samen met de relevante partners wordt binnen het RIEC-verband gewerkt om controles uit te voeren in de havens op Bonaire om een bijdrage te leveren aan het bestrijden van vuurwapensmokkel.
Overwegende dat de gezaghebbers stellen dat de Douane haar inzet momenteel primair op inning van accijnzen en belastingen richt en minder op veiligheidsvraagstukken, kunt u toelichten hoe de taakverdeling en prioriteiten van de Douane worden afgestemd op veiligheidsrisico’s en welke maatregelen nodig zijn om eventuele lacunes in grensbewaking en criminaliteitsbestrijding te dichten?
Douane CN zet in op het versterken van de beschermingstaak, onder meer door de inzet van een adviseur Ondermijning en door intensievere samenwerking en informatie-uitwisseling met ketenpartners. Hiermee wordt beoogd eventuele lacunes in grensbewaking en criminaliteitsbestrijding verder te verkleinen.
Daarbij werkt Douane CN volgens het Handhavingsplan Douane Nederland, waarbij de veiligheidsrisico’s worden meegewogen en een risico-gestuurde aanpak leidend is.
De afgelopen jaren is geïnvesteerd in Douane CN en is de formatie uitgebreid. Tegelijkertijd is de externe opgave toegenomen door onder meer bevolkingsgroei, toenemende logistieke stromen en ontwikkelingen in de veiligheidscontext. Dit vraagt om scherpe prioritering in de inzet van capaciteit. Het kabinet neemt het signaal van de gezaghebbers dat de bezetting van de dienst tegen een ondergrens kan aanlopen serieus. Recent zijn twaalf nieuwe medewerkers ingestroomd. Zij doorlopen momenteel een opleiding en zullen na afronding daarvan volledig inzetbaar zijn.
Overwegende dat de gezaghebbers aangeven dat het gewenste en acceptabele niveau van rechtsbescherming in Caribisch Nederland onder druk staat, Welke concrete stappen onderneemt het kabinet om de rechtsbescherming en toegang tot rechtspraak voor inwoners van de BES-eilanden te garanderen op een niveau dat gelijkwaardig is aan Europees Nederland?
Toegang tot het recht, waarvan toegang tot rechtspraak onderdeel is, is een basisvoorwaarde voor een goed functionerende rechtsstaat. Dat uitgangspunt geldt onverminderd voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Een significante en concrete stap in het verbeteren van de toegang tot het recht voor burgers in Caribisch Nederland is de introductie van het Lokèt Hurídiko /Legal Desk. Hiertoe is in oktober 2025 door JenV en BZK de Stichting voor rechtshulp en gelijke behandeling BES opgericht. Deze stichting zal, vergelijkbaar met het Juridisch Loket in het Europese deel van Nederland, burgers op Bonaire (Lokèt Hurídiko) en Sint Eustatius en Saba (Legal Desk) voorzien van gratis en laagdrempelig toegankelijke eerstelijns rechtshulp. Daarnaast is de dienstverlening van de stichting ook specifiek gericht op hulp en ondersteuning bij discriminatie en kwesties die te maken hebben met gelijke behandeling. De stichting werkt momenteel aan de inrichting van de voorzieningen op de drie eilanden. Verwacht wordt dat de dienstverlening in de loop van 2026 op gang zal komen.
Vanaf 1 januari 2026 is de Wet bescherming tegen discriminatie op de BES in werking getreden. Hierdoor is de gelijkebehandelingswetgeving zoals we die kennen in het Europese deel van Nederland ook van toepassing op inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Als onderdeel van deze wet krijgt het College voor Rechten van de Mens ook een oordelende taak in Caribisch Nederland. Dit houdt concreet in dat inwoners van de BES-eilanden het College voor Rechten van de Mens kunnen verzoeken om te beoordelen of er in juridische zin in een specifieke situatie sprake is geweest van discriminatie. Lokèt Hurídiko/Legal Desk kan burgers bijstaan bij een dergelijke procedure.
Naast bovenstaande is er ook aandacht voor de gesubsidieerde rechtsbijstand. De afgelopen tijd zijn in samenwerking met de Raad voor Rechtsbijstand de eerste maatregelen genomen om voor mensen met minder draagkracht de toegang tot (tweedelijns) rechtsbijstand te verbeteren. Zo is de inkomensnorm die geldt voor de Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES (Wkrb) beleidsmatig aangepast. Momenteel wordt gekeken naar de verbetering van de vergoedingen voor advocaten die burgers op basis van de Wkrb. bijstaan. Voor de langere termijn zal aandacht zijn voor verdere versterkingen van het systeem en onderhoud aan de bestaande wetgeving, waarbij bijvoorbeeld ook aandacht zal zijn voor mediation. In dit kader is recent subsidie verstrekt om de bestaande pilot mediation in strafzaken op beperkte schaal uit te breiden naar civiele zaken.
Welke opvolging is er tot op heden gegeven aan het rapport «Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024» van de Raad voor de Rechtshandhaving?
Vanuit het Ministerie van JenV is er de afgelopen tijd gewerkt aan de beleidsagenda voor Caribisch Nederland 2026–2030 (beleidsagenda). In deze beleidsagenda worden nadrukkelijk de aanbevelingen van de Raad voor de Rechtshandhaving zoals benoemd in het rapport «Staat van de rechtshandhaving Caribisch Nederland 2024» (Staat 2024) meegenomen. De beleidsagenda is op 31 maart jongstleden met uw Kamer gedeeld.
Het bericht ‘Klokkenluiders slaan alarm over massale fouten in vonnissen: onschuldigen in cel gegooid en daders ontlopen hun straf’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend het bericht «Klokkenluiders slaan alarm over massale fouten in vonnissen: onschuldigen in cel gegooid en daders ontlopen hun straf»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat er mogelijk 50.000 gevallen zijn waarin signalen waren over foutieve tenaamstellingen in onherroepelijke vonnissen en hoe verhoudt dit tot de 876 strafzaken die tot nu toe bekend waren?
Het in de mediaberichtgeving aangegeven aantal zaken herken ik niet. In eerdere brieven aan uw Kamer is toegelicht dat de rechtspraak jaarlijks uitspraak doet in ruim 85.000 strafzaken en dat verreweg in de meeste zaken de straf op de juiste naam wordt opgelegd.2 Daarnaast is uiteengezet dat de Matching Autoriteit van de Justitiële Informatiedienst (Justid) jaarlijks voor meer dan 175.000 personen de leidende administratieve identiteit vaststelt en dat in ongeveer 14.000 gevallen per jaar een extra beoordeling nodig is. Deze cijfers zien op identiteitsvaststelling en correcties in het proces en zijn niet één-op-één te vertalen naar naamfouten in strafvonnissen.
De problematiek waar de grootste risico’s voor burgers en voor de uitvoering van straffen zitten, betreft de gevallen waarin na het onherroepelijk worden van een strafvonnis, blijkt dat er signalen zijn dat er een probleem is met de vastgestelde identiteit en daardoor een mogelijk onjuiste tenaamstelling. Daarover is aan uw Kamer gemeld dat dit zich gemiddeld zo’n 50 keer per jaar voordoet.
In hoeveel gevallen is tot nu toe bekend dat een straf geheel of gedeeltelijk aan de onjuiste persoon ten uitvoer is gelegd? Om welke delicten ging dit?
In de brief van 10 november 2025 informeerde mijn ambtsvoorganger uw Kamer over vier extra gevallen waarin sprake is van een foutieve tenaamstelling in een vonnis.3 Het ging in deze zaken om het opzettelijk gebruik maken van een vals ID-bewijs (rijbewijs), poging tot diefstal in vereniging met inbraak, diefstal in vereniging en mishandeling en openlijke geweldspleging. In twee van deze gevallen zijn personen tijdens het controleren van hun identiteit kort gedetineerd geweest. Nadat kon worden vastgesteld dat het niet ging om de betreffende dader, zijn zij in vrijheid gesteld. Ook de andere twee zaken zijn toegevoegd aan de lijst van zaken die ter correctie van de gegevens worden getoetst en behandeld.
In hoeveel gevallen zijn daders onterecht vrijuit gegaan als gevolg van de foutieve tenaamstellingen? Om welke delicten ging dit?
Zoals ik u in de Kamerbrief van 10 november 2025 heb laten weten bleek uit de op dit moment nog lopende toetsing en afhandeling van de geregistreerde zaken op basis van het toetsings- en handelingskader, dat er sprake is van in elk geval één situatie waarin een straf niet ten uitvoer is gelegd als gevolg van een foutief te naam gesteld vonnis.4 In deze zaak kon het vonnis niet worden betekend als gevolg van onvindbaarheid en staat de veroordeelde om die reden gesignaleerd.
In z’n algemeenheid geldt dat zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een foutieve tenaamstelling leidt tot het risico dat een straf niet ten uitvoer is gelegd, dat signaal met ketenpartners – zoals het openbaar ministerie – wordt opgepakt. Mocht blijken van niet ten uitvoer gebrachte straffen, dan bezien de betrokken organisaties of alsnog tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan.
Hoelang zijn de daders die vrijuit zijn gegaan als gevolg van de foutieve tenaamstellingen al op vrije voeten en welke acties bent u voornemens te ondernemen om deze groep alsnog hun straf te laten ondergaan?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om aanvullend onderzoek te doen naar de signalen dat de aantallen van onjuiste tenaamstellingen mogelijk veel groter zijn dan eerder was onderzocht?
Justid doet momenteel aanvullend onderzoek naar de vraag of en in hoeverre ook andere historische zaken nog kunnen worden achterhaald.
Wat vindt u ervan dat medewerkers zich niet vrij hebben gevoeld te kunnen praten met de onderzoekers van de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk en acht u aanvullend onderzoek naar zowel de aard, ernst en omvang van de fouten en de werkcultuur passend? Zo ja/nee, waarom?
Recent is door de Auditdienst Rijk (ADR) een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de vraag waarom het vraagstuk over de foutieve tenaamstelling van reeds onherroepelijke vonnissen in de afgelopen jaren onopgelost is gebleven. De ADR heeft verschillende oorzaken geconstateerd. Een ervan is dat medewerkers die het probleem aankaartten onvoldoende gehoord werden. De ADR deed 18 aanbevelingen voor maatregelen om de kans te vergroten dat in de toekomst sneller op onvolkomenheden wordt gereageerd. In de brief van 19 december 2025 is aangegeven dat de aanbevelingen van de ADR worden uitgevoerd. Inmiddels zijn de acties voortvarend en zorgvuldig opgepakt. Zo wordt er bijvoorbeeld voor gezorgd dat er binnen Justid meer oog is voor zorgen van medewerkers en dat drempels voor meldingen van medewerkers worden weggenomen.
Gelet hierop is aanvullend (onafhankelijk) onderzoek naar sociale veiligheid en de bescherming van melders niet nodig.
Kunt u deze vragen binnen drie weken afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Een grote crimineel (Lysander de R.) die naar een regulier detentieregime is afgeschaald |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onrust in gevangenis Heerhugowaard: motorbende-leider wil wraak»?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving.
Klopt het dat Lysander de R. recent in een regulier regime is geplaatst?
Ik ga niet in op individuele casussen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 15.
Hoe kan het dat een gedetineerde die bekend staat als het «bajesbeest» en de «schrik van Zaanstad» en in meerdere Penitentiaire Inrichtingen een schrikbewind voerde, al enige tijd op een reguliere afdeling is geplaatst?
Ik ga niet in op de situatie rondom individuele gedetineerden. Ik beantwoord de vragen daarom in algemene zin.
In het algemeen geldt dat de selectiefunctionarissen van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) namens mij beslissen waar en in welk regime een gedetineerde wordt geplaatst. Gedetineerden worden geplaatst op een regime dat passend is bij de veiligheidsrisico’s. Bij de eerste plaatsing van een gedetineerde wordt een risicoprofiel vastgesteld waarbij naar meerdere aspecten wordt gekeken, zoals de kenmerken en achtergronden van het delict en overige beschikbare informatie van het Openbaar Ministerie en de politie. Het uitgangspunt is dat een gedetineerde wordt geplaatst in een normaal beveiligde inrichting of afdeling en dat gedetineerden enkel aan beperkingen mogen worden onderworpen indien dit voor het doel van de vrijheidsbeneming of in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting noodzakelijk is. Wanneer individuele veiligheidsmaatregelen niet afdoende zijn om gestelde risico’s te beperken, kan plaatsing in de Afdeling Intensief Toezicht (AIT) of de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) aan de orde zijn.
Plaatsing op een AIT of in een EBI wordt zorgvuldig gewogen conform de procedure uit artikel 26 Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (Rspog). Elke twaalf maanden wordt getoetst of nog steeds wordt voldaan aan de plaatsingscriteria en wordt beoordeeld of het verblijf van een gedetineerde in AIT of EBI wordt verlengd voor wederom een jaar. DJI beoordeelt dat op basis van concrete, betrouwbare en actuele informatie van de organisatie zelf en/of het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV), het Landelijk Bureau Inlichtingen en veiligheid (LBIV) en de Detentie Intelligence Unit (DIU) bestaande uit politie, OM en DJI. Deze informatieproducten dragen bij aan plaatsingsbeslissingen en het treffen van aanvullende veiligheidsmaatregelen waar nodig.
Waarom is deze gedetineerde al langer dan een jaar uit de Afdeling Intensief Toezicht geplaatst?
Zoals ik eerder aangaf ga ik niet in op de situatie rondom individuele gedetineerden. Wanneer een gedetineerde in de AIT verblijft, wordt elke twaalf maanden beoordeeld of dit verblijf wordt verlengd met wederom twaalf maanden. DJI beoordeelt dat op basis van concrete, betrouwbare en actuele informatie.
Wanneer niet wordt voldaan aan de plaatsingscriteria van de AIT zal het verblijf daar niet worden verlengd en vindt afschaling naar een lager beveiligingsniveau plaats, al dan niet met individuele maatregelen.2
Waarom wordt een gedetineerde, die evident en aantoonbaar betrokken is bij voortgezet crimineel handelen uit detentie, in een Penitentiaire Inrichting (Zuyderbosch) geplaatst waar in 2025 maar liefst 31 keer communicatiemiddelen zijn aangetroffen bij gedetineerden?
In algemene zin wordt door de Selectiefunctionaris, volgens het proces zoals beschreven in antwoord 3, een keuze gemaakt voor een passende plaatsing van een gedetineerde. In die afweging wordt ook meegenomen welke PI geschikt is voor het huisvesten van de gedetineerde. De Selectiefunctionaris kijkt in eerste instantie naar de woonplaats van de gedetineerde voorafgaand aan detentie in verband met bezoek en naar eventuele contra-indicaties voor plaatsing in een bepaalde PI (zoals bij welke andere gedetineerden de gedetineerde niet kan worden geplaatst). Daarnaast is het relevant in welk arrondissement de strafvervolging plaatsvindt.3 Het plaatsen van een gedetineerde is het resultaat van een zorgvuldig en weloverwogen proces.
Op welke wijze worden bij het afbouwen van toezichtsmaatregelen op basis van de lijst gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico, feiten betrokken zoals het leiding geven vanuit detentie aan een motorclub zoals MC Hardliners, het oprichten daarvan en leider zijn van een dergelijke criminele organisatie?
Bij de afweging om toezichtsmaatregelen al dan niet af te bouwen wordt alle relevante informatie betrokken. Als bij deze afweging blijkt dat er mogelijke risico’s voor de orde en veiligheid van de inrichting of de samenleving zijn, heeft de vestigingsdirecteur de mogelijkheid om individuele (toezicht)maatregelen op te leggen en toezichtsmaatregelen juist niet af te bouwen. Ook in deze afweging maakt DJI gebruik van actuele, betrouwbare en concrete informatie.
Op welke wijze worden de B- en C-grond uit artikel 13 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden gewogen indien sprake is van een gedetineerde die aantoonbaar vanuit detentie crimineel handelen heeft voortgezet en een leidende rol heeft bij een criminele organisatie zoals een motorclub?
Lidmaatschap van een criminele organisatie leidt niet automatisch tot plaatsing in een AIT. De wijze waarop de B- en C-grond uit artikel 13 Rspog (plaatsing in de AIT) worden gewogen is een zorgvuldig proces dat wordt uitgevoerd door de selectiefunctionaris van DJI waarbij informatie wordt meegenomen van de organisatie zelf en/of de Detentie Intelligence Unit (DIU) bestaande uit politie, OM en DJI. Dit wordt elke twaalf maanden getoetst indien een gedetineerde geplaatst is in een AIT.4
Hoe kan er geen sprake zijn van een hoog risico op aanhoudende ongeoorloofde contacten met de buitenwereld met een maatschappelijk ontwrichtend karakter indien een gedetineerde hoogstwaarschijnlijk betrokken is bij ernstige bedreigingen jegens een burgemeester?
Zoals eerder aangegeven ga ik niet in op individuele casussen, daarmee ook niet op een individuele toetsing.
Indien de feiten als genoemd in vragen 4, 5 en 6 zich zouden voordoen: waarom zit zo een gedetineerde dan niet in de Extra Beveiligde Inrichting?
In algemene zin geldt dat plaatsing op een strenger regime plaatsvindt, zoals de AIT of de EBI, indien wordt voldaan aan de geldende plaatsing criteria.
Dit wordt per individuele gedetineerde bepaald op basis van actuele informatie zoals bij de antwoord 3 uiteen is gezet.
Waarom kan een gedetineerde in aanmerking komen voor fasering als de voorwaardelijke invrijheidsstelling door de rechter is ingetrokken?
Wanneer de voorwaarden van een voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.) worden geschonden, kan het OM besluiten de v.i. te herroepen. In dat geval wordt de gedetineerde opnieuw in een penitentiaire inrichting geplaatst om het resterende deel van de opgelegde vrijheidsstraf alsnog uit te zitten.
Na deze terugplaatsing kan een gedetineerde onder omstandigheden afhankelijk van de duur van het strafrestant alsnog in aanmerking komen voor fasering binnen het detentiestelsel. Fasering vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de inrichting en op basis van een besluit van DJI. Het maakt onderdeel uit van het detentie- en re-integratiebeleid en is gericht op een gecontroleerde en verantwoorde terugkeer in de samenleving, met als doel het verminderen van recidive.
De mogelijkheid tot fasering betekent echter niet dat de eerdere schending van de v.i. zonder gevolgen blijft. De gedetineerde verblijft eerst opnieuw in een penitentiaire inrichting en moet laten zien dat hij of zij zich houdt aan de geldende regels en voorwaarden. De inrichting (DJI) bepaalt, op basis van het detentie- en re-integratieplan (D&R-plan) en het gedrag tijdens detentie, of en wanneer re-integratiestappen zoals fasering passend zijn. Pas wanneer uit gedrag, risicobeoordelingen en het detentieverloop blijkt dat een volgende stap verantwoord is, kan fasering worden overwogen.
Waarom kan een gedetineerde in aanmerking komen voor meer vrijheden indien hij betrokken is bij feiten zoals genoemd in de vragen 4, 5 en 6?
Herroeping van een v.i. betekent niet automatisch dat detentiefasering en resocialisatie ter voorbereiding op een goede terugkeer is uitgesloten.
Detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling zijn twee verschillende dingen. Detentiefasering vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de PI en op basis van een besluit van DJI. Het OM beslist over het verlenen en herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het in aanmerking komen van meer vrijheden tijdens de detentie past binnen een traject van detentiefasering en resocialisatie.
Wanneer gaat u inzien dat criminele kopstukken er alles aan zullen doen om in lagere detentieregimes terecht te komen?
DJI is zich zeer bewust dat gedetineerden bij voorkeur geplaatst worden in lagere beveiligde regimes en beslist zeer zorgvuldig, samen met betrokken partijen, of plaatsing in een lager regime verantwoord is. Een goede informatie-uitwisseling én analyse ten aanzien van gedetineerden zijn daarbij cruciaal. Zoals in het antwoord bij vraag 3 aangegeven beschikt elke PI over een BIV en is er landelijk LBIV. Samen met de DIU zorgen zij voor gezamenlijke analyse van relevante data van het OM, de politie en DJI. Deze informatieproducten dragen bij aan plaatsingsbeslissingen en het treffen van aanvullende veiligheidsmaatregelen waar nodig.
Wat gaat u de samenleving precies uitleggen indien een gedetineerde zoals Lysander de R. vanuit detentie wederom de samenleving vrees zal aanjagen en mogelijk ernstige strafbare feiten zal laten plegen?
Wanneer er een risico is op voortgezet crimineel handelen vanuit detentie zullen passende maatregelen genomen worden. Per situatie wordt gekeken wat de meest geschikte maatregelen zijn, dat kan variëren van toezichtsmaatregelen op de contacten met buiten tot overplaatsing naar een zwaarder detentieregime, zoals de EBI of de AIT. Alle inzet is erop gericht om ook tijdens de detentie de samenleving te beschermen tegen (hoog)risicogedetineerden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk 1 maart 2026 beantwoorden?
Deze Kamervragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Indien u bij beantwoording op sommige vragen zult antwoorden dat u «niet ingaat op individuele gevallen», kunt u daarbij dan uitgebreid motiveren waarom u niet op individuele gevallen kunt ingaan terwijl de uitvoering van strafrechtelijke vonnissen rechtstreeks onder uw verantwoordelijkheid valt?
Als Staatssecretaris is het mijn primaire taak om algemeen beleid en wetgeving te vormen en uit te voeren. Het beoordelen van individuele gevallen is voorbehouden aan de daarvoor aangewezen instanties, zoals uitvoeringsorganisaties en het OM.
De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (WJSG) regelt hoe justitie en het OM omgaan met strafrechtelijke gegevens, waaronder tenuitvoerleggingsinformatie. Er zijn specifieke beleidsregels in WJSG voor de verstrekking van deze tenuitvoerleggingsgegevens aan derden. Het delen van deze informatie is gebonden aan wettelijke grondslagen. Daarnaast kan informatie omtrent de plaatsing leiden tot extra druk en bedreiging van de medewerkers van DJI.
Om uw Kamer te voorzien van (voor zover mogelijk) volledige en juiste informatie om haar democratische controletaak uit te voeren heeft mijn ambtsvoorganger daarom het aanbod gedaan van een vertrouwelijke briefing, onder andere over het proces dat wordt doorlopen bij plaatsing van hoogrisicogedetineerden, in de laatste voortgangsbrief over de aanpak georganiseerde criminaliteit tijdens detentie van 23 januari jl.5 om u hierover nader te laten informeren door DJI.
Structureel falen bij de behandeling van meldingen van sextortion en zedenzaken |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten in onder meer Tubantia, Omroep Gelderland, Dagblad van het Noorden en De Telegraaf over de zaak rond Mark S., waarin meerdere slachtoffers aangeven herhaaldelijk aangifte te hebben gedaan maar niet serieus te zijn genomen?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving. Dergelijke zaken onderschrijven het belang van het versterken van de aanpak tegen online seksueel geweld.
Deelt u de opvatting dat wanneer meerdere meldingen over een langere periode binnenkomen over dezelfde persoon wegens seksuele afpersing of zedendelicten, dit automatisch moet leiden tot verscherpte beoordeling, verdiepend onderzoek, centrale coördinatie en escalatie? Zo ja, hoe is dit geborgd? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat de politie onderzoekt wat haar rol in deze zaak precies is geweest, of er gedaan is wat de slachtoffers van de politie hadden mogen verwachten en of de politie anders had moeten handelen.
Ik deel de opvatting dat het van groot belang is dat de politie verbindingen kan leggen tussen verschillende meldingen over (online) seksuele misdrijven die over een langere periode binnenkomen en wijzen naar eenzelfde persoon. De teams opsporing seksuele misdrijven (voorheen aangeduid als zedenteams) van de politie zijn belast met de opsporing van seksuele misdrijven, zowel in de offline wereld als online. Zij werken regio-overstijgend samen en hebben periodiek landelijk overleg met elkaar waardoor de lijnen tussen de teams uit de verschillende politie-eenheden kort zijn. Verder dienen alle meldingen van (online) seksuele misdrijven voor advies voorgelegd te worden aan de frontoffices van de teams seksuele misdrijven. De frontoffice beoordeelt de melding vervolgens, waarbij gekeken wordt naar spoedhandelingen, slachtofferbehoeften en passende interventies.
Om de mogelijkheid van eventuele seriematigheid bij een melding van een (online) seksueel misdrijf te onderzoeken, kan de politie op dit moment alleen handmatig in de politiesystemen zoeken naar bijvoorbeeld personen, telefoonnummers of IP-adressen. De politie zet daarom in op het vereenvoudigen van werkinstructies en het blijvend onder de aandacht brengen van de werkafspraken voor meldingen van (online) seksuele misdrijven zodat er beter geregistreerd en doorverwezen wordt naar voornoemde frontoffices. Bovendien wordt er gewerkt aan de inzet van nieuwe technologie bij de beoordeling van meldingen. Tegelijkertijd benadrukt de politie echter dat er meer nodig is om seksuele misdrijven, zeker als deze (deels) online plaatsvinden, effectief op te sporen en daders te pakken. De benodigde verbeteringen zien toe op meer dan een andere behandeling en analyse van meldingen.
De toename in meldingen van sextortion is zeer zorgelijk. Het onderstreept de urgentie om de aanpak van online seksueel geweld te versterken. Door de digitalisering van de samenleving hebben veiligheidsvraagstukken steeds vaker een hybride of volledig online karakter. Deze trend is ook zichtbaar ten aanzien van seksuele misdrijven. In de Wet seksuele misdrijven, die op 1 juli 2024 in werking is getreden, is het uitgangspunt verankerd dat online en offline seksueel misbruik even strafwaardig is.2 Ook zijn er meer vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, ook online, strafbaar gesteld. De politie wijst erop dat online seksuele misdrijven een andere manier van opsporen vragen dan fysieke seksuele misdrijven, omdat de opsporing ervan per definitie regio-overstijgend is, er veelal geen verdachte bekend is en er vaak meerdere slachtoffers gemaakt worden. Omdat bewijsverzameling vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt dit bovendien om andere specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en analisten. Daarnaast kan, zoals hierboven vermeld, de inzet van nieuwe technologische middelen helpen bij het in kaart brengen van eventuele seriematigheid in de meldingen.
De opsporing van online seksuele misdrijven heeft de volle aandacht van de politie. Zo is er recent een verkenning uitgevoerd naar wat er nodig is om de opsporing op dit punt te versterken. De politie ziet kansen in het meer multidisciplinair gaan werken, dat wil zeggen meer datagedreven en intel-gestuurd en met behulp van analysetools. Tegelijkertijd blijft de professionele beoordeling van meldingen van seksuele misdrijven door gespecialiseerde politiemedewerkers van groot belang, bijvoorbeeld bij het signaleren van «rode vlaggen» en de opvang en verwijzing van slachtoffers naar hulpverlening. Deze inzichten zullen worden betrokken bij de gesprekken die ik met de politie voer over de uitwerking van de ambitie uit het coalitieakkoord om meer zedenrechercheurs op te leiden.
Bestaat er binnen de politie een landelijk werkend systeem dat herhaalde meldingen tegen dezelfde persoon (bij verschillende eenheden) ook als eerdere aangiften niet tot vervolging hebben geleid automatisch signaleert en samenbrengt? Zo ja, hoe wordt voorkomen dat signalen desondanks gefragmenteerd blijven en dus ongezien met alle gevolgen voor slachtoffers? Zo nee, acht u dat verantwoord bij ernstige zedendelicten? En (hoe) bent u bereid om dat in overleg me de politieleiding te veranderen?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er binnen de politie specifieke en eenduidige richtlijnen voor de behandeling van herhaalde aangiften van minderjarige slachtoffers van seksuele afpersing, mede gelet op hun kwetsbare positie? Zo nee, waarom ontbreken deze en welke maatregelen worden genomen om deze alsnog vast te stellen? Zo ja, worden deze richtlijnen in de praktijk nageleefd?
Seksuele afdreiging (sextortion) is geen aparte strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht. Het is een vorm van misbruik van seksueel beeldmateriaal waarbij vaak sprake is van diverse strafbare feiten, waaronder verkrachting, aanranding en kinderpornografie, maar ook commune delicten zoals afpersing, afdreiging, bedreiging etc.
In haar interne werkinstructie gebiedsgebonden politie bij seksuele delicten besteedt de politie onder andere aandacht aan de bejegening van minderjarige slachtoffers bij meldingen van misbruik van seksueel beeldmateriaal.3 In het algemeen geldt voor meldingen van misbruik van seksueel beeldmateriaal dat in bepaalde situaties de inzet van een gespecialiseerde zedenrechercheur noodzakelijk of wenselijk kan zijn, terwijl in andere situaties een wijkagent bijvoorbeeld sneller en effectiever kan handelen. Daar waar het een minderjarig slachtoffer betreft en er bijvoorbeeld sprake is van dwang of een meer dan gering leeftijdsverschil tussen dader en slachtoffer, ligt de opsporing altijd bij de teams opsporing seksuele misdrijven.
Met betrekking tot het aspect van het herkennen van eventuele seriematigheid ten aanzien van meldingen van misbruik van seksueel beeldmateriaal verwijs ik naar het antwoord op vragen 2 en 3.
Kunt u uiteenzetten welke criteria worden gehanteerd bij de keuze om in zedenzaken te volstaan met een zogenoemd «stopgesprek»? Wordt daarbij standaard een risicotaxatie uitgevoerd? Wordt standaard onderzocht of er mogelijk meerdere slachtoffers zijn? Vindt structurele monitoring plaats? Indien dit niet het geval is, waarom wordt dit instrument dan toegepast bij (ernstige) verdenkingen?
Bij (online) seksuele misdrijven bestaat de mogelijkheid van een mededelingsgesprek, waarbij de politie de beschuldigde mededeelt dat er melding over hem/haar is gedaan. Hiertoe wordt alleen overgegaan indien een slachtoffer de politie expliciet verzoekt om de pleger te informeren en dit gebeurt alleen na overleg met de hulpofficier van justitie. De politie heeft de effectiviteit van het mededelingsgesprek recent intern laten onderzoeken. Uitkomst daarvan was dat het merendeel van de slachtoffers die kiezen voor een mededelingsgesprek hier tevreden over zijn.
Verder beoordeelt de politie of ambtshalve opsporen een optie is bij elke melding die na triage door de frontoffice van een team opsporing seksuele misdrijven in behandeling is genomen en niet leidt tot een aangifte. Het in beeld krijgen van eventuele seriematigheid is hierbij een van de redenen om (ambtshalve) juist wel opsporing in te stellen. Gezien het voorgaande zie ik geen aanleiding om nader onderzoek te doen naar de effectiviteit van het mededelingsgesprek.
Volledigheidshalve merk ik nog op dat de politie de behoeften van een slachtoffer in kaart brengt, ook wanneer er geen aangifte wordt gedaan en er ambtshalve geen onderzoek volgt. Zodoende kunnen slachtoffers toch geholpen worden met een alternatief gericht op hulp, veiligheid en herstel.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de effectiviteit van stopgesprekken in zedenzaken, met name bij seksuele afpersing en digitale uitbuiting? Zo nee, waarom niet en waarom wordt een dergelijk ingrijpend instrument zonder onderbouwde effectiviteitsanalyse dan ingezet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe wordt binnen de politie geborgd dat slachtoffers van sextortion niet secundair worden gecriminaliseerd wanneer zij onder dwang seksueel beeldmateriaal hebben vervaardigd? Bestaan hier expliciete instructies voor? Zo nee, vindt u dat die er moeten komen?
Het kan voorkomen dat slachtoffers van (online) seksuele misdrijven zelf (onder dwang) ook strafbare feiten plegen. Dit betreft complexe situaties waarin slachtofferschap en daderschap door elkaar lopen. Het vraagt enerzijds om een trauma-sensitieve bejegening van de betrokkene (die zowel slachtoffer als verdachte is) en anderzijds om de nodige zorgvuldigheid met het oog op het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Voor deze afweging bestaat geen blauwdruk. De politie bepaalt per geval hoe zij omgaat met de situatie en doet dit altijd in nauw overleg met en onder het gezag van de betrokken officier van justitie. Dit past bij de professionele ruimte van de politie om operationele afwegingen te maken en het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om, indien nodig, nadere afspraken te maken.
Klopt het dat slachtoffers van zedendelicten bij het doen van aangifte nog altijd worden ontmoedigd, weggestuurd met de opmerking «negeer het» of geconfronteerd met hoge bewijsdrempels voordat tot onderzoek wordt overgegaan? Zo nee, waar blijkt dat uit?
De politie heeft de afgelopen jaren gewerkt aan het verbeteren van de wijze waarop zedenrechercheurs, en andere agenten die betrokken zijn bij een melding, slachtoffers van een seksueel misdrijf bejegenen. Doel van de verbeteringen is het meer aansluiten bij de (informatie)behoefte van de individuele melder en het voorkomen dat slachtoffers zich door de politie gestuurd voelen om geen aangifte te doen.
Een belangrijke ontwikkeling betreft de komst van de frontoffices van de teams opsporing seksuele misdrijven. Zoals vermeld in het antwoord op vragen 2 en 3 dienen alle meldingen van seksuele misdrijven voor advies te worden voorgelegd aan deze frontoffices. De politiemedewerkers die binnen de frontoffices werken, zijn opgeleid om in gesprek te gaan met slachtoffers van seksueel misbruik en op een sensitieve manier in kaart te brengen wat hen is overkomen. Ze vormen een beeld van de strafbaarheid van de feiten en van de verwachtingen, vragen en behoeften van het slachtoffer. Bij behoefte kunnen zij het slachtoffer verwijzen naar bijvoorbeeld herstelvoorzieningen, Veilig Thuis, Slachtofferhulp Nederland, Centrum Seksueel Geweld en Offlimits. Een andere verbetering betreft het niet meer standaard aanbieden van het informatieve gesprek en de bedenktijd bij het doen van aangifte. In plaats daarvan wordt informatie aangeboden op een manier die past bij de behoeften van het slachtoffer, bijvoorbeeld telefonisch tijdens het eerste contact met de politie, door melders te wijzen op de vindplaats van informatie (website, brochure, videoanimatie) of in een persoonlijk informatief gesprek met een zedenrechercheur. Bovendien is de bedenktijd bij het doen van aangifte een recht van het slachtoffer en geen plicht. Er kan direct aangifte gedaan worden als een slachtoffer dat wil. Door de informatie op maat aan te bieden, wordt voorkomen dat een slachtoffer meer belast wordt dan nodig en/of zich ontmoedigd voelt om aangifte te doen.
Hoewel het in de praktijk nog niet in alle gevallen lukt om voldoende rekening te houden met de wensen en behoeften van slachtoffers, concludeerde de Inspectie van Justitie en Veiligheid in 2024 dat de politie haar werkwijze aantoonbaar heeft verbeterd en meer oog heeft voor het slachtofferbelang.
De bejegening van slachtoffers van (online) seksuele misdrijven heeft verder een duidelijke plek gekregen binnen de vakontwikkeling. Zo is naar aanleiding van een onderzoek van de Inspectie van Justitie en Veiligheid uit 20204 de vakspecialistische opleiding Handelen in Zedenzaken aangepast. Ook is er in het kader van de implementatie van de Wet seksuele misdrijven nadrukkelijk aandacht geweest voor de bejegening van slachtoffers doordat er aan ruim 25.000 medewerkers (zowel bij de zedenteams als onder andere aan de medewerkers in de basisteams, regionale service centra, meldkamers en opsporingsdiensten) een specifieke leermodule Bejegening beschikbaar is gesteld. Daarnaast is de werkinstructie gebiedsgebonden politie aangepast met het oog op de bejegening van slachtoffers van een seksueel misdrijf en het voorkomen van victim blaming en secundaire victimisatie, aangezien het vaak agenten in de basisteams zijn die als eerste in aanraking komen met een melding.
Ten slotte wijs ik naast voornoemde ontwikkelingen binnen de politieorganisatie nog op de ontwikkeling van een gezamenlijke aanpak van multidisciplinaire triage en regie. De politie heeft samen met het Centrum Seksueel Geweld, Veilig Thuis, Slachtofferhulp Nederland, Perspectief Herstelbemiddeling en het Openbaar Ministerie het initiatief genomen om ondersteuning aan slachtoffers van seksueel geweld te verbeteren. Het doel van deze gezamenlijke aanpak is om ervoor te zorgen dat alle slachtoffers van seksueel geweld en mensen uit hun (in)directe omgeving weten waar zij terecht kunnen en zo min mogelijk belast worden met het (onnodig) opnieuw doen van hun verhaal, hetzelfde aanbod krijgen, goed worden doorverwezen en dus op de juiste plek terecht komen, een vast aanspreekpunt hebben en de informatie en best passende inzet ontvangen op het gebied van veiligheid, (straf)recht, (medische) hulp en herstel, ongeacht de plek waar zij het eerste contact hebben. Om dit te bewerkstelligen bestaat de gezamenlijke aanpak uit een nieuwe werkwijze met drie kernelementen: een goed afgestemd en georganiseerd eerste contact, een dagelijks multidisciplinair triage-overleg en een passende vorm van regie voor elke casus door de inzet van een regiehouder. De samenwerking is in de afgelopen maanden in de praktijk getest in de regio’s Den Haag en Oost-Brabant. Medio 2026 zullen de resultaten van de resultaat- en effectmeting evenals de uitvoeringstoets bekend worden.
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van sextortion en digitale seksuele uitbuiting de afgelopen drie jaar zijn gedaan, hoeveel daarvan minderjarigen betroffen en in hoeveel gevallen sprake was van meerdere meldingen tegen dezelfde verdachte? Hoeveel van deze meldingen zijn uiteindelijk opgepakt?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 4, is seksuele afdreiging (sextortion) geen aparte strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht. Het is een vorm van misbruik van seksueel beeldmateriaal waarbij vaak sprake is van diverse strafbare feiten. Hierdoor wordt seksuele afdreiging (sextortion) als zodanig niet door de politie geregistreerd. Meer in het algemeen kan worden opgemerkt dat het aantal geregistreerde online seksuele misdrijven door de politie in 2025 met 46% steeg (ten opzichte van 2024) naar bijna 3.100 registraties5, waarvan in 1383 gevallen aangifte werd gedaan. Ter vergelijking; in 2023 werden er 1747 incidenten geregistreerd, waarvan in 722 gevallen aangifte werd gedaan. Bij ongeveer de helft van de registraties gaat het om een minderjarig slachtoffer. De politie kan, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 2 en 3, op basis van de geregistreerde meldingen niet aangeven in hoeveel gevallen er sprake is van meerdere meldingen die wijzen naar eenzelfde persoon (seriematigheid).
Ook Offlimits ziet het aantal hulpvragen over online seksueel grensoverschrijdend gedrag en misbruik de laatste jaren stijgen (van 5.543 in 2023 naar 9.281 in 2025). Een groot deel daarvan gaat over seksuele afdreiging (sextortion) (2.723 in 2025), waarbij ongeveer een derde van de hulpvragen afkomstig is van een minderjarige. Wel neemt het aandeel hulpvragen over seksuele afdreiging (sextortion) op het totaal af (van 43% in 2023 naar 29% in 2025). Een mogelijke verklaring hiervoor is een verschuiving in de manier waarop seksuele afdreiging vorm krijgt. Offlimits ziet steeds vaker gevallen waarbij het misbruik van seksueel beeldmateriaal niet draait om geld of het verkrijgen van extra seksueel beeldmateriaal, maar om het afdwingen of behouden van contact. Seksuele afdreiging (sextortion) wordt dan ingezet als middel om macht en controle uit te oefenen, waarbij de vormen en motieven steeds diverser worden. Hierbij kan gedacht worden aan afdreiging met ander materiaal, zoals pestvideo’s en vernedergroepen, maar ook de dynamieken uit de COM-groepen.
Acht u de huidige capaciteit en digitale expertise van de zedenrecherche toereikend in verhouding tot de toename van online seksuele uitbuiting? Zo nee, welke acties worden het komende jaar ondernomen om dit te verbeteren?
De opsporing en vervolging van online seksuele misdrijven is onderdeel van een bredere aanpak, waarbij ingezet wordt op preventie, slachtofferondersteuning en informatievoorziening, en een bestuursrechtelijke en strafrechtelijke aanpak. Dit kabinet blijft, samen met maatschappelijke partners en bedrijven, inzetten op een integrale aanpak waarin aandacht is voor zowel een online veilige wereld als het bijstaan van slachtoffers.
Met betrekking tot de politie is de formatie van de teams opsporing seksuele misdrijven de afgelopen jaren flink uitgebreid om de werkvoorraden terug te dringen en de verwachte stijging van het aantal meldingen en aangiften als gevolg van de invoering van de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024 te kunnen opvangen.6 Ook dit kabinet zet in op het opleiden van meer zedenrechercheurs. Tegelijkertijd zien we dat door de pensioenuitstroom (relatief veel ervaren politiemedewerkers stromen uit) en de krappe arbeidsmarkt, het een uitdaging blijft om de bezetting van de teams opsporing seksuele misdrijven op peil te houden. De politie werkt voortdurend aan de werving en selectie van zedenrechercheurs en zoekt hierbij ook naar alternatieve mogelijkheden, zoals de instroom van specialistische zij-instromers met kennis van (online) seksuele misdrijven. Het is echter onvermijdelijk dat er gezien de druk op de teams opsporing seksuele misdrijven keuzes gemaakt moeten worden ten aanzien van de inzet van de beschikbare opsporingscapaciteit.
Met betrekking tot de digitale expertise van de zedenrecherche verwijs ik naar het antwoord op vragen 2 en 3.
Deelt u de opvatting dat «slachtoffers centraal» alleen betekenis heeft als herhaalde meldingen automatisch leiden tot verdiepend onderzoek, ook wanneer bewijscomplexiteit groot is? Hoe kan dit uitgangspunt concreet geborgd worden in beleid en uitvoering?
Een goede, efficiënte en effectieve aanpak van (online) seksuele misdrijven is van groot belang omdat elk slachtoffer van seksueel geweld alle bescherming, begeleiding en ondersteuning verdient die hij of zij nodig heeft. Zoals toegelicht in het antwoord op vragen 2 en 3 deel ik de opvatting dat het van groot belang is dat de politie verbindingen kan leggen tussen verschillende meldingen over (online) seksuele misdrijven die over een langere periode binnenkomen en wijzen naar eenzelfde persoon. De benodigde verbeteringen binnen de politieorganisatie zien daarbij toe op meer dan een andere behandeling en analyse van meldingen, zeker daar waar het gaat om seksuele misdrijven die (deels) online plaatsvinden. Online seksuele misdrijven vragen een andere manier van opsporen van de politie dan fysieke seksuele misdrijven. De inzichten hieromtrent zullen worden betrokken bij de gesprekken die ik met de politie voer over de uitwerking van de ambitie uit het coalitieakkoord om meer zedenrechercheurs op te leiden.
Welke concrete maatregelen gaat u ondernemen ten aanzien van langdurige sextortionzaken, gericht op: verplichte patroonherkenning, escalatie bij herhaalde meldingen, versterkte bescherming van minderjarigen, en het voorkomen van secundaire victimisatie?
Zie antwoord vraag 11.
Toezichtrapport 83 |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Is het correct dat de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) op pagina 9 van Toezichtrapport 83 het volgende schrijft: «De CTIVD heeft door middel van zelfstandig onderzoek in de systemen van de AIVD vastgesteld dat binnen de onderzoeksperiode personen onderwerp van onderzoek zijn geweest die kritiek hadden geuit op het coronabeleid.»?
De parlementaire enquêtecommissie van de Tweede Kamer heeft de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) verzocht te verkennen of er aanleiding is om onderzoek te doen naar het handelen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gericht op critici van en protest tegen coronabeleid.
De CTIVD vat op pagina 3 het volgende samen: «De CTIVD heeft vastgesteld dat het louter uiten van coronakritiek in geen enkel geval aanleiding is geweest onderzoek te doen. In alle gevallen was er sprake van een vermoeden van een dergelijk gevaar dat voortkwam uit uitspraken of gedragingen. Deze uitspraken of gedragingen waren bijvoorbeeld gericht op geweld, het verspreiden van angst of desinformatie, het zaaien van haat of een combinatie van het voorgaande. Gezien het felt dat de diensten een taak hebben om vast te stellen of een vermoedelijke dreiging voor de nationale veiligheid, de democratische rechtsorde of defensiebelangen zich ook daadwerkelijk voordoet, waren er gegronde redenen om deze personen te onderzoeken.»
Op pagina 19 concludeert de CTIVD De diensten hebben de wettelijke taak om onderzoek doen naar personen die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, democratische rechtsorde of voor defensiebelangen. Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat in de onderzoeksperiode anti-overheids-extremisme onderdeel uitmaakte van deze taak. In dat kader hebben de diensten ook onderzoek gedaan naar personen, waarbij ook personen zijn onderzocht die zich kritisch hebben uitgelaten over het coronabeleid. Bij geen van deze personen was die kritiek als zodanig de aanleiding om een onderzoek te starten of bevoegdheden in te zetten.»
Wat vindt u hiervan? Is het wenselijk, in een (formeel) vrije en open samenleving, dat kritische burgers door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) in de gaten worden gehouden simpelweg omdat ze kritisch zijn op het regeringsbeleid?
Dit wordt niet door de CTIVD geconcludeerd. Zie antwoord op vraag 1.
Is het correct dat de CTIVD in dit rapport concludeert dat coronacritici onderzocht mogen worden door de inlichtingendiensten als hun kritiek wordt gezien als een vorm van «desinformatie» of een «complottheorie»?
Nee, zie ook het antwoord op vraag 1. Daarnaast benoemt de CTIVD dat de diensten personen in onderzoek nam, enkel wanneer zij aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormden voor de nationale veiligheid, de democratische rechtsorde of voor defensiebelangen, zoals wettelijk vastgesteld in de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) 2017.
Kunt u een lijst verschaffen met beweringen van coronacritici die door de inlichtingendiensten worden gezien als «desinformatie» of een «complottheorie» en daarmee een onderzoek door de inlichtingendienst naar de Nederlandse burger die die kritiek uit kan rechtvaardigen?
De AIVD kan onderzoek doen zoals beschreven in de WIV 2017. Het is casusafhankelijk of dit in een individueel geval aan de orde is en over de werkwijze die daarbij wordt gehanteerd kan vanwege dezelfde WIV 2017 geen mededeling worden gedaan.
Bent u van mening dat een machtig internationaal netwerk dat gebruik maakt van (seksuele) chantage als drukmiddel (bijvoorbeeld het netwerk van Jeffrey Epstein) een gevaar kan opleveren voor onze democratische rechtsorde?
Er is sprake van een dreiging voor de democratische rechtsorde wanneer de democratische rechtstaat en de open samenleving onder druk staat. Of er sprake is van een gevaar voor de democratische rechtsorde is afhankelijk van de daadwerkelijke gedragingen die worden ondernomen en welke intenties daar achter zitten.
Verricht de AIVD onderzoek naar dit soort netwerken in het algemeen en het netwerk van Epstein in het bijzonder? Zo nee, waarom niet?
Vanwege de WIV 2017 kan ik, in het openbaar geen uitspraken doen over al dan niet lopende onderzoeken bij de diensten.
Zou de AIVD, wat u betreft, onderzoek moeten doen naar dit soort internationale machtsnetwerken die een gevaar kunnen vormen voor onze democratische rechtsorde? Meer specifiek: zou de AIVD niet veel en veel beter onderzoek kunnen gaan doen naar bijvoorbeeld het netwerk van Epstein en de mogelijk corrumperende werking daarvan op onze democratie in plaats van kritische burgers die waarschuwen voor dit soort netwerken (van kwaadaardige elites welteverstaan) te onderzoeken omdat deze kritische burgers daarmee «complottheorieën» aanhangen en een «kwaadaardig elite-narratief» verspreiden?
De AIVD kan, op basis de WIV 2017, onderzoek verrichten met betrekking tot alle organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de nationale veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat.
De aanhouding van een man in de binnenstad van Tiel wegens het zwaaien met een wapen vanuit een woningraam |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Man aangehouden in Tielse binnenstad, zou met wapen uit raam hebben gezwaaid»?1
Ja.
Klopt het dat in de woning van betrokkene zowel een vuurwapen als een luchtdrukwapen zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen?
Volgens berichtgeving in de media is bij de aanhouding een wapen aangetroffen. Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om in het kader van het lopende onderzoek vast te stellen welke voorwerpen precies zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen.
Heeft de politie signalen of meldingen ontvangen dat het wapen vanuit de woning is gericht in de richting van de vrouweningang van de Stichting Ahmet Yesevi Moskee in Tiel? Zo ja, wordt dit betrokken bij het strafrechtelijk onderzoek en de duiding van het incident?
De politie en het OM doen onderzoek naar de feiten en omstandigheden van het incident. Daarbij worden meldingen, signalen en andere relevante informatie betrokken bij het onderzoek. Over de inhoud en de voortgang van een lopend strafrechtelijk onderzoek worden geen nadere mededelingen gedaan.
Wordt in het onderzoek expliciet bezien of sprake is van een mogelijk haatmotief of gerichte intimidatie van een religieuze instelling, en welke maatregelen zijn genomen om de veiligheid van bezoekers van de moskee te waarborgen?
De politie en het OM onderzoek doen onderzoek naar de feiten en omstandigheden van het incident. Indien er aanwijzingen zijn dat een discriminerend aspect een rol kan hebben gespeeld, wordt dit conform de Aanwijzing discriminatie betrokken bij het opsporingsonderzoek.2 Hierbij wordt, gelet op de ernst en de impact op de samenleving en de openbare orde, prioriteit gegeven aan de strafrechtelijke aanpak.
De verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheidssituatie ligt primair bij de burgemeester, in samenspraak met politie en het OM. Op basis van de lokale situatie en actuele dreigingsinformatie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zullen er passende maatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag.
Het bericht ‘Hamas heeft ook bij Nederlandse hulporganisaties zoals Oxfam Novib stevige vinger in de pap’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hamas heeft ook bij Nederlandse hulporganisaties zoals Oxfam Novib stevige vinger in de pap»?1
Ja.
Klopt het dat Nederlands belastinggeld mogelijk bij Hamas terecht is gekomen zoals NGO Monitor, een Israëlische waakhond, stelt? Zo ja, hoe groot acht u de kans dat dit is gebeurd en hoe beoordeelt u dit feit? Zo nee, wat is er volgens uw informatie wel gebeurd?
Er is geen informatie voorhanden die de aantijgingen van NGO Monitor steunt.
Het kabinet heeft vertrouwen in de neutraliteit en onafhankelijkheid van het werk van partnerorganisaties waar Nederland mee werkt. Dit zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke contexten als Gaza waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties, op orde zijn. Dat geldt ook voor de genoemde organisaties in het NGO Monitor rapport. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Bij elke subsidieaanvraag wordt er opnieuw op toegezien dat deze due diligence-processen (nog steeds) op orde zijn. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor2, 3 en de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO Monitor.4, 5
Deelt u de mening dat het niet de bedoeling kan zijn dat terroristische organisaties zoals Hamas, al dan niet indirect, gefinancierd worden met Nederlands belastinggeld? Zo nee, waarom niet?
Ja.
In het coalitieakkoord «Aan de slag» is afgesproken dat er tevens wordt ingezet op samenwerking met andere hulporganisaties in de regio. Welke kansen ziet u om de hulpverlening te diversificeren en bent u bereid om hiermee aan de slag te gaan? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft zich inzetten voor humanitaire hulp in de regio, en zet daarbij in op de ondersteuning van verschillende professionele hulporganisaties, waaronder de Verenigde Naties, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de Dutch Relief Alliance. Nederland ondersteunt deze organisaties met ongeoormerkte, flexibel inzetbare bijdragen. Dit stelt de organisaties in staat snel, wendbaar en doelgericht hulp te bieden, óók in de Palestijnse gebieden. Daarnaast steunt Nederland ook crisis-specifieke fondsen, namelijk de Country-Based Pooled Funds (CBPF’s), waarmee de VN snel en gecoördineerd steun kan verlenen aan hulporganisaties die in een door crisis getroffen gebied actief zijn, waaronder ook in de Palestijnse gebieden. Via deze fondsen worden middelen gealloceerd aan partners die bekend zijn met de context, zoals (internationale) ngo's, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de VN.
Kunt u een overzicht geven van de totale financiële middelen die in de afgelopen vijf jaar vanuit Nederland via de Dutch Relief Alliance (DRA) beschikbaar zijn gesteld voor hulpverlening in de Gazastrook?
Ja.
1. Gaza Humanitarian Joint response project 2021
25-06-2021 – 24-12-2021
EUR 2 mln.
2. Gaza Humanitarian Joint response project 2023–2024
14-10-2023 – 13-10-2024
EUR 7 mln.
3. Gaza Humanitarian Joint response project 2025
24-01-2025 – 23-10-2025
EUR 3 mln.
4. Gaza Humanitarian Joint response project 2025–2026
24-10-2025 – 23-07-2026
EUR 3 mln. (is nog lopend)
Project nummer 2 was een DRA response voor 2 miljoen euro waarop de DRA op 14 november 2023 een aanvullende bijdrage van 5 miljoen euro ontving van de Nederlandse overheid. Dit betreft een totaalbedrag van 7 miljoen euro en niet 10 miljoen euro zoals wordt vermeld in het rapport van «NGO Monitor».
Welke bedragen zijn er voor de komende jaren begroot of reeds gereserveerd voor de uitvoering van projecten door de DRA in de Gazastrook?
Zie antwoord op vraag 5. Behalve het deels nog uit te voeren project nummer 4, zijn er voor de komende jaren geen fondsen begroot of gereserveerd voor de uitvoering van projecten door DRA in de Gazastrook. Het subsidiebeleidskader Humanitaire Hulp 2022–2026 waarmee de DRA gefinancierd wordt loopt in 2026 af. Ik ben voornemens medio dit jaar een nieuw kader te publiceren voor de periode 2027–2031. Subsidies uit dit kader zullen onder andere ten goede komen aan de DRA. Op basis van de hoogste noden, bepaalt de DRA zelf waar deze ongeoormerkte, flexibele bijdragen worden ingezet.
Bent u bereid om, mede naar aanleiding van het rapport van NGO Monitor, zorg te dragen voor een striktere en onafhankelijke screening van de partners binnen de DRA om te voorkomen dat hulpfondsen bij aan Hamas gelieerde organisaties terechtkomen?
Nee. Zie antwoord op vraag 2
Wat is uw reactie op de bevinding dat de door Nederland gefinancierde niet-gouvernementele organisatie (ngo)'s significant meer berichten op sociale media plaatsen over Israël dan over alle andere wereldconflicten samen?
Het is aan de ngo’s om zelfstandig keuzes te maken over hun publieke communicatie, waaronder het al dan niet plaatsen van berichten op sociale media. Die ruimte is een fundamenteel onderdeel van hun onafhankelijkheid en valt onder de vrijheid van meningsuiting. Het ministerie kan alleen afspraken maken met ngo’s over de publieke communicatie rond door Nederland gefinancierde specifieke activiteiten.
Het bericht 'Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat een dergelijk groot aandeel jongeren in deze regio’s in aanraking komt met georganiseerde criminaliteit?
Ja, het rekruteren van jongeren voor de georganiseerde criminaliteit is een ernstige zaak. De bestrijding hiervan neem ik zeer serieus.
Hoe duidt u deze cijfers specifiek voor Groningen en Drenthe, mede in het licht van de bredere aanpak van ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland?
De provincies Groningen en Drenthe worden, net als andere regio’s in Nederland, geconfronteerd met ondermijnende criminaliteit. De cijfers onderstrepen het belang van de strijd die het kabinet voert tegen ondermijnende criminaliteit in heel het land.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maakt met de Landelijke jeugdmonitor2 per gemeente inzichtelijk hoeveel jongeren in aanraking komen met criminaliteit. Deze monitor laat zien dat het aandeel jeugdige verdachten (12–23 jaar) erg verschilt per gemeente. Uit de data blijkt dat in de gemeente Groningen het aantal verdachte jongeren vergelijkbaar is met de Randstad. In Drenthe is het aantal verdachte jongeren gemiddeld ten opzichte van andere delen van Nederland (Landelijke jeugdmonitor 2025). Uit een vergelijkende analyse van het dashboard «Zicht op ondermijning»3 blijkt dat respectievelijk 55% en 63% van alle gemeenten in Nederland hoger scoren op het gebied van jonge aanwas dan de gemeenten in Groningen en Drenthe (data uit 2023).
Beschikt u over vergelijkbare regionale cijfers voor andere delen van Nederland, en hoe verhouden de signalen uit Groningen en Drenthe zich tot de rest van het land?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verklaart u dat juist in Groningen en Drenthe dergelijke hoge percentages worden gemeten, en ziet u hier specifieke regionale risicofactoren, zoals beperkte handhavingscapaciteit en een ontstaan waterbedeffect voor ondermijnende criminaliteit in die regio’s?
Specifiek in Noord-Groningen zijn de percentages jeugdige verdachten iets hoger dan in de meeste andere gebieden in Nederland. Mogelijke oorzaken zijn de aantrekkingskracht van een omvangrijk buitengebied met enkele zeehavens, een luchthaven en een goede ontsluiting over weg, water en spoor, ook richting Duitsland en de Scandinavische landen. Er is op basis van de beschikbare data geen relatie te leggen met de beschikbare handhavingscapaciteit. Ook duiden de beschikbare data niet op een waterbedeffect.
Kunt u aangeven welke concrete resultaten de huidige landelijke aanpak van jeugdige betrokkenheid bij ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland de afgelopen drie jaar heeft opgeleverd?
De gemeenten Groningen en Leeuwarden nemen deel aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en Preventie met Gezag. De inzet van Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. Binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid wordt gewerkt aan problemen op het gebied van onderwijs, armoede, gezondheid, wonen en veiligheid.
Tussen 2018 en 2024 verbeterde de leefbaarheid in de NPLV-gebieden iets sterker dan landelijk. Hierbij gaat het om verbeteringen in de fysieke omgeving, woningvoorraad, voorzieningen, sociale samenhang, overlast en onveiligheid. De bereikte resultaten zijn beschreven in de voortgangsrapportage van het NPLV4.
In hoeverre maakt de preventie van jeugdige betrokkenheid bij georganiseerde en ondermijnende criminaliteit expliciet onderdeel uit van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid in Groningen en welke concrete resultaten zijn tot dusver bereikt in de betrokken gebieden?
Zie antwoord vraag 6.
Acht u de politiecapaciteit, preventieve inzet en ketensamenwerking tussen gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Groningen en Drenthe toereikend om ronselpraktijken onder jongeren tijdig te signaleren en effectief tegen te gaan? Hoe is de rolverdeling binnen deze samenwerking vormgegeven, hoe wordt deze gemonitord, en waarop baseert u uw oordeel over de effectiviteit daarvan?
De gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Noord-Nederland werken er hard aan om ervoor te zorgen dat ronselpraktijken onder jongeren tijdig en effectief gesignaleerd worden. Zo wordt binnen de Drentse aanpak Ondermijning, de Regionale aanpak Ondermijning en binnen het RIEC Noord-Nederland aandacht besteed aan de aanpak rondom uitbuiting van jongeren. Het Openbaar Ministerie probeert daarbij de verbinding te versterken in de aanpak van jeugdgroepen. Bijvoorbeeld op gemeenteniveau, maar ook richting de verschillende basisteams van de politie over de districten heen.
In de gemeenten die deelnemen aan Preventie met Gezag wordt de inzet van politie en OM geïntensiveerd. In Groningen betekent dit dat er vanuit het OM extra capaciteit wordt ingezet en dat er prioriteit wordt gegeven aan de betreffende zaken. De politie traint de medewerkers op onderwerpen als drugs, preventie en ondermijning.
Het CBS levert jaarlijks een update van de monitor op de criminaliteitsdata in de wijken. Deze resultaten worden jaarlijks beknopt gerapporteerd in de voortgangsrapportage aanpak ondermijnende criminaliteit5.
Welke preventieve programma’s zijn in Groningen en Drenthe beschikbaar om jongeren weerbaarder te maken tegen criminele uitbuiting, en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Naast het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en de aanpak Preventie met Gezag maken de provincies Groningen en Drenthe ook gebruik van gelden uit de Regiodeals. De Regiodeal Eemsdelta richt zich onder meer op het voorkomen van jeugdcriminaliteit, het realiseren van weerbare dorpen en op meer samenwerking tussen gemeenten, scholen, politie en welzijn. Met de impuls van de Regiodeals worden de regio’s krachtiger gemaakt doordat de samenwerking tussen overheden en organisaties in de regio’s wordt versterkt.
Samen met de wetenschap wordt de effectiviteit van interventies onderzocht, waarbij landelijke trends in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek in beeld worden gebracht. De resultaten worden beschreven in de jaarlijkse voortgangsrapportages NPLV, Preventie met Gezag en de voortgangsrapportages van de regiodeals.
Op welke wijze vindt afstemming plaats met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de rol van scholen in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid van leerlingen bij georganiseerde criminaliteit?
Scholen hebben ook een rol in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid bij (georganiseerde) criminaliteit, maar scholen kunnen dit niet alleen. Zij werken daarin intensief samen met onder meer de politie en het jeugdwerk. Om dat te stimuleren werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid nauw samen met andere departementen, waaronder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bijvoorbeeld binnen het programma Preventie met Gezag. Veel gemeenten zetten binnen dit programma in op het versterken van een veilig leerklimaat. Al tien gemeenten hebben in het kader van Preventie met Gezag veiligheidsconvenanten afgesloten met in totaal 113 verschillende po-, vo- en mbo-scholen zodat politie, jeugdwerk en leerplicht nauw samenwerken om jongeren in beeld te hebben en te begeleiden.
Verder hebben scholen zelf ook een zorgplicht voor de veiligheid op school. Met het Wetsvoorstel «vrij en veilig onderwijs» scherpt het kabinet die zorgplicht aan. Het doel is dat scholen beter zicht krijgen op de veiligheid op school, betere begeleiding bieden bij onveiligheid, bijvoorbeeld door de aanstelling van een vertrouwenspersoon, en hun veiligheidsbeleid jaarlijks evalueren.
Bent u bereid te onderzoeken of scholen in Groningen en Drenthe extra ondersteuning nodig hebben bij burgerschapsvorming, digitale weerbaarheid en het herkennen van signalen van crimineel ronselen?
De gemeenten en scholen in Noord-Nederland hebben een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om (het voorkomen van) jeugdproblematiek. Daarbij krijgen zij goede ondersteuning en ligt er reeds een regionale aanpak voor Noord-Nederland. Wat het kabinet betreft is een nieuwe aanpak of aanvullende ondersteuning niet noodzakelijk.
Zo krijgt Stichting School & Veiligheid een subsidie om scholen te ondersteunen bij het werken aan een veilig schoolklimaat, bijvoorbeeld met ondersteuning op het gebied van samenwerking tussen onderwijs, politie en gemeente en op het gebied van gegevensdeling. Ook kunnen scholen individueel ondersteuning krijgen via het adviespunt van Stichting School & Veiligheid.
Vanuit het netwerk School & Veiligheid binnen de aanpak Preventie met Gezag wisselen gemeenten en scholen ervaringen met elkaar uit. Daarnaast is er het Expertisepunt Burgerschap, waar scholen terecht kunnen voor actuele informatie, tips en inspiratie over het vormgeven van burgerschapsonderwijs. De bovengenoemde ondersteuning is gratis en toegankelijk voor alle scholen in Nederland. Tot slot moedigt het kabinet scholen aan om alvast aan de slag te gaan met de geactualiseerde kerndoelen met specifiek aandacht voor digitale geletterdheid en mediawijsheid wordt besteed.
De gemeenten Groningen en Leeuwarden werken met ondersteuning vanuit Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid aan een geconcentreerde en intensieve aanpak ter voorkoming van jeugdcriminaliteit en een verbeterde leefomgeving. Het RIEC Noord-Nederland heeft met ondersteuning vanuit mijn ministerie een aanpak voor jonge aanwas ontwikkeld. Voor versterking van de regio maakt Noord-Nederland gebruik van Regiodeals. Hierdoor is er voldoende ondersteuning aanwezig.
Bent u bereid om te bezien of voor Noord-Nederland een gerichte, integrale en regionaal toegesneden aanpak nodig is waarin veiligheid, onderwijs en preventie nadrukkelijk worden verbonden, en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 11.
De beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam ter zake een advocaat die verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Raad van Discipline van 19 januari 2026?1
Ja.
Hoe vaak is sinds de totstandkoming van artikel 60ab van de Advocatenwet een schorsing uitgesproken en hoe vaak is een voorlopige voorziening toegewezen zoals is gebeurd op 19 januari 2026?
Ter beantwoording van deze vraag heb ik, via de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA), gegevens opgevraagd bij de Stichting Ondersteuning Tuchtcolleges Advocatuur.
Sinds de inwerkingtreding van het huidig artikel 60ab Advocatenwet zijn er in totaal bij de verschillende Raden van discipline 32 zaken geweest waarbij een verzoek op grond van artikel 60ab Advocatenwet, dan wel een verzoek op grond van artikelen 60ab én 60b Advocatenwet, is toegewezen. In 18 van deze 32 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd, in 10 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en is een voorlopige voorziening getroffen en in 4 zaken is enkel een voorlopige voorziening getroffen.
Sinds de inwerkingtreding van het huidig artikel 60ab Advocatenwet zijn er bij het Hof van discipline 4 zaken geweest waarbij een verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet is toegewezen. In 3 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en in 1 zaak om een ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en is een voorlopige voorziening getroffen.
Wat vindt u ervan dat een advocaat tegen wie een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit bestaat, namelijk deelname aan een criminele organisatie, werkzaamheden als advocaat kan verrichten terwijl de strafzaak nog loopt?
In de zaak waar naar wordt gevraagd is een onafhankelijke tuchtrechter tot het oordeel gekomen dat de schorsing van de advocaat in de uitoefening van zijn advocatenpraktijk op grond van artikel 60ab, eerste lid, Advocatenwet niet langer kan worden gerechtvaardigd en is in de zaak een voorlopige voorziening getroffen. Als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid laat ik mij niet uit over individuele zaken.
In het algemeen kan ik zeggen dat voor iedereen in Nederland die verdacht wordt van het begaan van een strafbaar feit, geldt dat diegene onschuldig wordt geacht totdat het tegendeel is bewezen.
Voorts wijs ik uw Kamer erop dat er verschillende maatregelen zijn getroffen om voortgezet crimineel handelen in detentie tegen te gaan en advocaten te beschermen. Uw kamer is op 23 januari 2026 geïnformeerd over de voortgang hieromtrent.2
Wat vindt u ervan dat een advocaat die verdacht wordt van het doorgeven van boodschappen vanuit de Extra Beveiligde Inrichting zijn werkzaamheden als advocaat weer kan hervatten en dus ook gebruik kan maken van de bescherming die een advocaat geniet?
Ik laat mij niet uit over individuele zaken. In zijn algemeenheid merk ik op dat voor iedere verdachte in Nederland de onschuldpresumptie geldt. Alle advocaten in Nederland hebben bepaalde plichten, maar ook rechten, zoals het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht beschermt de vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt en is van belang voor een goede uitoefening van het beroep advocaat.
Hoe kan een advocaat die verdacht wordt van een zeer ernstig strafbaar feit volgens u voldoen aan alle kernwaarden die gelden voor de advocatuur?
Zoals in de antwoorden hierboven is gezegd, laat ik mij niet uit over individuele zaken. In het algemeen kan ik zeggen dat alle advocaten in Nederland de kernwaarden als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, Advocatenwet in acht moeten nemen. De lokale deken houdt in zijn arrondissement onder meer toezicht op de naleving van de verplichtingen op grond van de Advocatenwet. Op grond van artikel 46 Advocatenwet zijn alle advocaten aan tuchtrechtspraak onderworpen onder meer voor het handelen in strijd met de in dat artikel omschreven betamelijkheidsnorm en de Advocatenwet. De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan artikel 46 Advocatenwet. Zoals hierboven ook genoemd, wordt iedere verdachte in Nederland onschuldig geacht totdat het tegendeel is bewezen.
Kunt u toelichten of er op een andere manier wordt beslist op een verzoek tot opheffing van een schorsing ex artikel 60ab van de Advocatenwet na de voorziene wijziging van de Advocatenwet waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur wordt geïntroduceerd?
In het conceptwetsvoorstel waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur (OTA) wordt geïntroduceerd, is voorzien dat de OTA de bevoegdheid krijgt om, op grond van de artikelen 60ab, 60b en 60c Advocatenwet, diverse ordemaatregelen te verzoeken aan de tuchtrechter. Ik kan niet zeggen of deze voorziene wijziging zal leiden tot een andere manier van beslissen door de tuchtrechter op verzoeken op grond van artikel 60abAdvocatenwet. Het is aan de tuchtrechter om elke zaak op zijn eigen merites te beoordelen.
De dodelijke mishandeling van een 23-jarige student door extreemlinkse militanten in Lyon |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de 23-jarige Franse student Quentin op 12 februari 2026 in Lyon zwaar is mishandeld door een groep extreemlinkse militanten en op 14 februari aan zijn verwondingen is overleden?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat dit incident niet beschreven kan worden als geweld tussen politieke groeperingen, gelet op het feit dat Quentin alleen was en belaagd werd door circa 25 militanten? Zo ja, deelt u de opvatting dat lynching een accuratere benaming is voor het incident?
Het is verschrikkelijk wat er in Lyon is gebeurd. Het is echter niet aan mij om inhoudelijke uitspraken te doen over een lopend strafrechtelijk onderzoek in Frankrijk.
Deelt u de kwalificatie van de Franse Minister van Justitie Gérald Darmanin dat Quentin «onmiskenbaar door ultra-links» is gedood?2 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de dodelijke aanval op Quentin past in een breder patroon gericht geweld vanuit extreemlinkse hoek?3, 4 Zo nee, waarom niet?
In de extreemlinkse beweging is antifascisme een prominent thema dat kan leiden tot acties tegen politieke tegenstanders. Over het algemeen is de geweldsbereidheid binnen de links-extremistische beweging in Nederland beperkt en lijkt deze ook niet toe te nemen. In landen met een radicalere antifascistische beweging kan ook sprake zijn van geweld tegen politieke tegenstanders.
Bent u bereid het dreigingsniveau ten aanzien van links-extremistisch geweld opnieuw te laten beoordelen in het licht van het Europese patroon van dodelijk extreemlinks geweld? Zo nee, waarom niet?
De NCTV rapporteert twee keer per jaar in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) over de terroristische en gewelddadig extremistische dreiging voor Nederland, de belangen die daardoor kunnen worden aangetast en de weerbaarheid tegen deze dreiging. Hieraan ligt onderzoek ten grondslag naar alle vormen van terrorisme en gewelddadig extremisme, ongeacht ideologische signatuur.
In 2018 is in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid onderzoek gedaan naar links-extremistische groeperingen in Nederland.5 In dit onderzoek werd geconcludeerd dat buitenwettelijke handelingen zoals gewelds- en vermogensdelicten nadrukkelijk tot de modus operandi van sommige links-extremistische groepen behoren. Het onderzoek stelt tevens dat verhoudingsgewijs de meeste links-extremistische groeperingen zich manifesteren op de thema’s antifascisme en mensenrechten.
De meest recente dreigingsbeelden geven op dit moment geen aanleiding om opnieuw specifiek onderzoek te doen naar het radicaliseringsproces van links-extremistische groeperingen. De links-extremistische scene in Nederland bestaat voornamelijk uit anarchisten en communisten. In het DTN van december 2025 constateert de NCTV dat het georganiseerde links-extremisme in Nederland al langere tijd gefragmenteerd, klein in omvang en ideologisch divers is. Ook wordt in het DTN van december 2025 stilgestaan bij de geweldsbereid van de links-extremistische actiescene in omringende landen. In het DTN wordt beschreven dat de linkse actiescene in andere landen vaak radicaler is dan in Nederland, waarbij links-extremisten daar sneller geneigd zouden zijn om geweld te gebruiken dan hier. In Nederland is de geweldsbereidheid binnen zowel de links-extremistische beweging beperkt en deze lijkt ook niet toe te nemen. Daarbij is het belangrijk om te constateren dat de omvang van geweldbereide links-extremisten in landen als Duitsland, Frankrijk of Italië niet in verhouding staat tot Nederland. In Duitsland gaat het bijvoorbeeld om ruim 11.000 personen. In Nederland gaat het hooguit om enkele tientallen insurrectionele of geweldsbereide anarchisten.
In de afgelopen jaren zijn personen afkomstig uit het buitenland in toenemende mate onderdeel gaan uitmaken van de Nederlandse scene. Radicalere buitenlandse activisten kunnen zich afkeren van de – in hun ogen gematigde Nederlandse protestcultuur – en op zoek gaan naar gelijkgestemden. Dit heeft echter tot op heden niet geleid tot een toegenomen geweldsbereidheid van links-extremisten in Nederland. Vanzelfsprekend houdt NCTV de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en rapporteert over ontwikkelingen in de dreiging in het eerstvolgende DTN.
Bent u bekend met het feit dat de term «Antifa» in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (december 2025) niet één keer voorkomt, terwijl Antifa-gelieerde groeperingen in meerdere Europese landen aantoonbaar betrokken zijn bij zwaar geweld tegen personen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) te verzoeken in het eerstvolgende Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland expliciet aandacht te besteden aan gewelddadige extreemlinkse groeperingen in Europa en mogelijke spillover-effecten naar Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer kan de Kamer de toegezegde brief verwachten over de uitvoering van de motie-De Vos c.s. (Kamerstuk 36 800, nr. 47) inzake het aanmerken van Antifa als terroristische organisatie, die vóór het kerstreces van 2025 zou worden toegezonden?
Uw Kamer heeft op 18 september 2025 de motie van het lid De Vos (FvD) c.s. aangenomen die verzoekt «Antifa» in Nederland als terroristische organisatie aan te merken.6 Het is verschrikkelijk wat er in Lyon is gebeurd. Het is niet aan mij om daar inhoudelijke uitspraken over te doen. Ik beoog uw Kamer zo spoedig mogelijk over de afhandeling van de motie te informeren.
Is de dodelijke aanval in Lyon voor u aanleiding om de uitvoering van bovengenoemde, door een Kamermeerderheid aangenomen, motie te versnellen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat buitenlandse extreemlinkse militanten naar Nederland reizen om hier geweld te plegen?
In zijn algemeenheid geldt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij het beoordelen van verblijfsaanvragen alert is op signalen die kunnen wijzen op een mogelijke dreiging voor de nationale veiligheid. De IND deelt zulke signalen, binnen de geldende wettelijke kaders, met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de politie.
Indien blijkt dat een vreemdeling een bedreiging voor de openbare of nationale veiligheid vormt zal de IND de mogelijkheden bezien om deze persoon te weren.
Daarnaast staan de Nederlandse politie en andere overheidspartners in voortdurend contact met buitenlandse partners. Hierbij kunnen ook signalen worden gewisseld over dat mogelijk gewelddadige extremisten over landgrenzen zullen reizen.
Bent u bekend met het feit dat een van de verdachten van de dodelijke aanval op Quentin een parlementair medewerker is van La France Insoumise-Kamerlid Raphaël Arnault, wiens partij in het Europees Parlement aangesloten is bij de Linkse Fractie – waar tevens twee Nederlandse partijen bij zijn aangesloten, te weten de Socialistische Partij en de Partij voor de Dieren?5
Ja.
Bent u tevens bekend met het feit dat Arnault zelf medeoprichter is van de wegens gewelddadig activisme ontbonden groepering La Jeune Garde?6
Ja.
Wat concludeert u hieruit over de houding ten opzichte van het gebruik van geweld binnen extreemlinkse kringen?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vragen 5, 6 en 7. De linkse actiescene is in omringende landen vaak radicaler dan in Nederland, waarbij links-extremisten daar sneller geneigd zijn geweld te gebruiken dan hier.
Het bericht 'Eindelijk PTSS-erkenning voor brandweer maar regeling voelt als mager compromis' |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eindelijk PTSS-erkenning voor brandweer, maar regeling voelt als mager compromis»?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja. Het akkoord op deze regeling en de inhoud is een aangelegenheid tussen de werkgevers en de betrokken bonden als vertegenwoordigers van de werknemers. Het is dan ook niet aan mij om dit bericht te opiniëren.
Kunt u toelichten hoe dit bericht zich verhoudt tot het aangenomen amendement-Mutluer/Van Nispen, dat beoogt te komen tot een gelijkwaardige en uniforme landelijke ondersteuning en regeling voor brandweerlieden met PTSS, waarvoor 1,75 miljoen euro is vrijgemaakt?2
Deze middelen zijn toegekend aan de regio’s om uniforme landelijke ondersteuning mogelijk te maken. Hiermee is er uitvoering gegeven aan dit amendement.
Kunt u gespecificeerd uiteenzetten wat er met deze middelen is gebeurd? Waaraan zijn ze concreet besteed?
De veiligheidsregio’s geven aan dat er jaarlijks € 48.102,52 per veiligheidsregio beschikbaar is voor de uitvoering van de landelijke regeling PTSS. Dit budget is volgens de regio’s specifiek bedoeld om binnen regio’s extra (HR) capaciteit vrij te maken ter ondersteuning van medewerkers (0,5 fte).
Jaarlijks gaat een bedrag van € 561.273,- richting het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (hierna: NIPV) voor de coördinatie van de landelijke uitvoering de van de regeling PTSS. De veiligheidsregio’s hebben mij laten weten dat zij deze middelen als volgt besteden:
Welke PTSS-regeling is voorts per 1 januari 2026 ingevoerd? Kunt u de kernonderdelen van deze regeling beschrijven? Is deze regeling zowel voor brandweerlieden als voor vrijwilligers begrijpelijk, uitvoerbaar en snel toegankelijk?
De 25 veiligheidsregio’s, als werkgevers van de brandweer, zijn recent gekomen tot éen gemeenschappelijke aanpak voor ondersteuning en begeleiding bij mentale klachten als PTSS. Een belangrijk onderdeel van deze aanpak is de «Regeling erkenning en aanspraken PTSS als beroepsziekte» die per 1 februari 2026 is ingevoerd.
De veiligheidsregio’s hebben aangegeven dat deze regeling niet op zichzelf staat, maar onderdeel uitmaakt van een breder pakket aan maatregelen waarbij vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap de focus op preventie ligt. Mocht desondanks sprake zijn van beroepsgerelateerde PTSS, dan liggen aanspraken nu vast in één regeling. Volgens de veiligheidsregio’s is met de regeling PTSS het stroomlijnen, uniformeren en professionaliseren van het proces geregeld wanneer een medewerker of vrijwilliger zich met PTSS-klachten meldt bij de veiligheidsregio. Dit om te komen tot gelijkwaardige aanspraken voor zowel (beroeps)medewerkers als brandweervrijwilligers bij alle veiligheidsregio’s.
Onderdeel hiervan zijn aanvullende afspraken met betrekking tot loondoorbetaling en aanvulling op het loon bij arbeidsongeschiktheid, óók voor vrijwilligers. Voor wat betreft de aanvulling op de WIA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst is voor vrijwilligers eenzelfde aanspraak in de regeling PTSS opgenomen.
Indien een medewerker de dienst verlaat met PTSS, kan aanspraak worden gemaakt op vergoeding van medische kosten. Voorafgaand aan de AOW-gerechtigde leeftijd wordt een afspraak vastgelegd over finale kwijting. Dit voorkomt een openeinderegeling en onnodige regeldruk voor zowel medewerker als werkgever. Ook is in de regeling een gemaximeerde vergoeding van andere dan medische kosten (zoals huishoudelijke hulp, kinderopvang, vervoer) opgenomen voor medewerkers en vrijwilligers.
Bij de totstandkoming van de regeling PTSS is nagedacht over een vorm van terugwerkende kracht. Een aanvraag voor aanspraken op grond van de regeling PTSS kan, als in de vijf jaren voor de inwerkingtreding sprake is geweest van kosten. Dit om medewerkers die afgelopen jaren met klachten hebben rondgelopen tegemoet te treden.
Overlegpartners spraken af de regeling PTSS te evalueren. Daarbij wordt ook bezien in hoeverre de regeling in de praktijk begrijpelijk, uitvoerbaar en snel toegankelijk is. Evaluatie volgt drie jaar na inwerkingtreding of zoveel eerder dan nodig.
Tot slot verwijs ik u voor de volledige regeling graag naar de website3 van de Werkgeversvereniging Samenwerkende Veiligheidsregio’s (hierna: WVSV).
Klopt het dat in tegenstelling tot regelingen voor politie en defensie, in de PTSS-regeling voor brandweerpersoneel geen recht op automatische immateriële schadevergoeding (smartengeld) is opgenomen en dat de hoogte van eventuele vergoeding afhankelijk blijft van de specifieke veiligheidsregio (25 regio’s)? Zo ja, waarom is hiervan afgeweken en welke overwegingen hebben tot deze keuze geleid? Zo nee, waarom niet?
Ja, het klopt dat er in de PTSS-regeling voor het brandweerpersoneel geen recht op automatische immateriële schadevergoeding (smartengeld) is opgenomen. De betrokken overlegpartners, te weten de werkgevers- de 25 veiligheidsregio’s- en de bonden als vertegenwoordiging van deze werknemers zijn hiertoe gezamenlijk gekomen.
In het nieuwe stelsel beroepsgerelateerde gezondheidsklachten van politie staat zorg, het herstel en de re-integratie van de medewerker centraal. Zodra een politiemedewerker zich meldt met beroepsgerelateerde gezondheidsklachten, en deze meer dan 1% beroepsgerelateerd zijn, ontvangt de politiemedewerker direct de benodigde begeleiding, zorg en gerichte vergoedingen. Bij het bereiken van de medische eindsituatie start het proces van de afhandeling van resterende schade (immateriële vergoeding). Hierbij geldt een drempel dat de klachten 51% of meer beroepsgerelateerd moeten zijn.
De veiligheidsregio’s geven aan dat de regeling voor veiligheidsregio’s is opgezet als een werkgeversvoorziening vanuit het oogpunt van goed werkgeverschap, niet als een aansprakelijkheids- of schadevergoedingsregeling. De regeling beoogt de zorg voor medewerkers met een beroepsgerelateerde PTSS collectief te regelen en bevat uitsluitend materiële aanspraken.
Mocht sprake zijn van (immateriële) schade dan is compensatie mogelijk via een aansprakelijkstellingsprocedure. Deze procedure kan parallel lopen aan vergoeding conform de Regeling PTSS. De veiligheidsregio’s wijzen er daarbij op dat de regeling zelf landelijk uniform is; verschillen tussen de 25 veiligheidsregio’s zitten niet in de regeling, maar alleen buiten de regeling (bijvoorbeeld bij civielrechtelijke aansprakelijkstelling).
Bent u het ermee eens dat hierdoor rechtsongelijkheid kan ontstaan? Zo ja, welke maatregelen treft u om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ik herken dat er verschillen bestaan in arbeidsvoorwaarden tussen verschillende beroepsgroepen, zoals bijvoorbeeld politie, defensie, brandweer en ambulancezorg die mede tot stand zijn gekomen op basis van verschillen tussen de taken, verantwoordelijkheden en organisatievormen van deze beroepsgroepen. Deze arbeidsvoorwaarden zijn per beroepsgroep tot stand gekomen in overleg tussen de sociale partners.
Ik sta voor goede zorg voor brandweermensen in Nederland. De 25 veiligheidsregio’s als werkgevers van de brandweer zijn recent gekomen tot een gemeenschappelijke aanpak voor ondersteuning en begeleiding bij mentale klachten als PTSS. Dit betekent concreet dat er een einde is gekomen aan een versnipperde aanpak en het niet bestaan van een landelijke regeling. Daar ben ik blij mee.
Het akkoord op deze regeling en de inhoud is een aangelegenheid tussen de werkgevers en de betrokken bonden als vertegenwoordigers van de werknemers. Vanuit de ervaring vanuit mijn verantwoordelijkheid richting politiepersoneel weet ik hoe belangrijk goede afspraken zijn voor het behoud en inzetbaarheid van personeel. Ik moedig betrokken partijen en diverse beroepsgroepen aan om van elkaar te blijven leren daar waar dit kan. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid zal ik blijven bezien hoe hier het beste in te ondersteunen.
In hoeverre is de financiering zoals voorzien in het amendement-Mutluer/Van Nispen, toereikend voor de daadwerkelijke uitvoering van een landelijke regeling? Welke signalen ontvangt u van veiligheidsregio’s over uitvoerbaarheid en kosten? Wat is er (financieel) nodig om te komen tot een regeling die daadwerkelijk uniform en gelijkwaardig is, inclusief een vorm van immateriële schadevergoeding?
De regeling is in werking getreden per 1 februari 2026. De regio’s hebben bij mij aangegeven dat het nu nog te vroeg is om iets te kunnen zeggen over de uitvoerbaarheid en de kosten. Er zal periodiek geëvalueerd worden hoe de regeling en de uitvoering hiervan verlopen.
Met deze regeling wordt met name uniformiteit en gelijkwaardigheid beoogd daar waar het gaat om alle 25 veiligheidsregio’s en de uitwerking van deze regeling voor zowel beroeps- als vrijwillige brandweerlieden. Als u hier doelt op andere beroepsgroepen, verwijs ik u graag naar mijn beantwoording hierboven onder vraag 6. Evaluatie van- en afspraken met betrekking tot de regeling, waaronder bijvoorbeeld vormen van vergoedingen, zijn onderdeel van gesprek tussen de overlegpartijen, de werkgevers en de bonden. Vanuit de veiligheidsregio’s wordt jaarlijks een (financiële) verantwoording van de besteding van de bijdrage vanuit het ministerie (c.q. opvolging van het amendement Mutluer/Van Nispen4) opgesteld.
Welke activiteiten onderneemt u om ervoor te zorgen dat ook vrijwilligers binnen de veiligheidsregio’s op gelijke wijze kunnen profiteren van de regeling en dat eventuele praktische belemmeringen bij hun toegang tot ondersteuning worden weggenomen?
Goede zorg voor brandweermensen, zowel beroeps- als vrijwillige brandweerlieden in Nederland, acht ik van groot belang. Ik heb direct naar aanleiding van serieuze signalen in 2024 aandacht gevraagd voor goede zorg voor brandweermensen: zowel voor beroeps- als vrijwilligers. Dit heb ik gedaan in het Veiligheidsberaad, waar alle Algemeen Besturen van de veiligheidsregio’s als de werkgevers van de brandweer door de voorzitter veiligheidsregio’s vertegenwoordigd zijn.
De regeling en de inhoud daarvan is primair een aangelegenheid tussen de werkgevers en de bonden. Bij de totstandkoming en onderhandelingen over de regeling is ook specifieke aandacht geweest voor de vrijwilligers en hier zijn specifieke artikelen over opgenomen in de regeling. De onlangs ingevoerde regeling geldt dan ook voor zowel beroepsmedewerkers als vrijwilligers, waardoor, zo geven de veiligheidsregio’s mij aan, vrijwilligers nu een gelijke behandeling krijgen. Daarbij zal uit de evaluatie naar voren komen of en hoe dit tot uiting komt en of aanvullende stappen nodig zijn. Indien ik signalen ontvang van praktische belemmeringen bij toegang tot ondersteuning van zowel beroeps- als vrijwillige brandweerlieden zal ik dit onder de aandacht brengen in gesprek met de betrokken partijen.
De AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Kan de Tweede Kamer, vertrouwelijk, inzage krijgen in de lijst met namen van journalisten die door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) worden ingezet als agent? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de wettelijke plicht tot geheimhouding worden er geen uitspraken gedaan die raken aan bronnen, het actuele kennisniveau en de modus operandi van de diensten. Bronbescherming is een van de hoogste prioriteiten van de diensten, en is ook van toepassing op de inzet van agenten. Voor de veiligheid van agenten doen wij geen uitspraken over bijvoorbeeld aantallen en identiteit. De diensten kunnen hun wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitoefenen. Het geven van inzicht daarin gaat ten koste van het goed functioneren van de diensten en daarmee ten koste van de bescherming van de nationale veiligheid.
In algemene zin geldt voor de parlementaire controle op de geheime aspecten van de taakuitvoering van de diensten dat door uw Kamer de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) is ingesteld. Over de door de CIVD behandelde onderwerpen en de verstrekte inlichtingen worden geen uitspraken gedaan.
Indien de Kamer, zelfs niet op vertrouwelijke basis (!), de lijst met namen van journalisten die door de AIVD als agent worden ingezet mag inzien, ondermijnt dit dan niet het vertrouwen in de journalistiek en dus onze democratie?
Nee.
De journalistiek is een onmisbare pijler van de democratie. Ik benadruk het belang van de journalistieke onafhankelijkheid. Dit belang komt duidelijk naar voren bij de inzet van journalisten als agent door de diensten, bijvoorbeeld door te toetsen aan specifieke veiligheidsrisico's en hogere toestemmingsvereisten. Zoals opgenomen in de memorie van toelichting bij de Wiv 2017, vervult ook journalistieke bronbescherming een essentiële rol in een democratische samenleving.1 De journalist als agent is in de Wiv 2017, gelet op de belangrijke functie in onze rechtsstaat, als bijzondere categorie opgenomen. Daarom wordt hiervoor – net als voor een aantal andere maatschappelijke functies en verschoningsgerechtigden – apart beleid met extra waarborgen gehanteerd. Dit aparte beleid is er juist omdat Nederland een democratische rechtstaat is. Ik hecht er waarde aan om te benadrukken dat de diensten er juist zijn om ondermijning van diezelfde democratische rechtsstaat en gevaren voor de nationale veiligheid tegen te gaan.
Wie heeft, behalve de AIVD zelf, kennis van de lijst met namen van journalisten die door de AIVD worden ingezet als agent?
Gelet op de wettelijke plicht tot geheimhouding worden er geen uitspraken gedaan die raken aan bronnen, het actuele kennisniveau en de modus operandi van de diensten. Bronbescherming is een van de hoogste prioriteiten van de diensten, en is ook van toepassing op de inzet van agenten. Voor de veiligheid van agenten doen wij geen uitspraken over bijvoorbeeld aantallen, identiteit en de kring van personen die bekend zijn met de identiteit van de bron. De diensten kunnen hun wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitoefenen. Het geven van inzicht daarin gaat ten koste van het goed functioneren van de diensten en daarmee ten koste van de bescherming van de nationale veiligheid.
Het bericht ‘Hack bij Odido, gegevens miljoenen klanten in handen van criminelen’ |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over de cyberaanval bij Odido waarbij gegevens van circa 6,2 miljoen accounts zijn buitgemaakt door criminelen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de omvang en ernst van dit datalek, mede gezien het feit dat ook gevoelige persoonsgegevens, zoals identiteitsdocumentnummers en rekeningnummers, mogelijk zijn gelekt?
De schaal van dit datalek, de hoeveelheid getroffen burgers en de soms gevoelige aard van de gelekte persoonsgegevens maken dit tot een bijzondere situatie. Het maakt duidelijk dat datalekken grote gevolgen kunnen hebben. Zonder iets te willen of kunnen zeggen over de oorzaken van het onderhavige datalek, maakt dit in meer algemene zin duidelijk dat een goede bescherming van persoonsgegevens zoals onder meer vereist in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) noodzakelijk is en een integraal onderdeel moet zijn van primaire bedrijfsprocessen. De gevraagde beoordeling van dit datalek is uiteindelijk aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als onafhankelijke toezichthouders. Daarnaast doet de politie onder leiding van het Landelijk Parket onderzoek naar de aanval en de daders.
In hoeverre heeft deze cyberaanval gevolgen voor de digitale veiligheid en weerbaarheid van Nederland, gezien de maatschappelijke rol van telecomproviders?
De AP heeft laten weten geen informatie te verstrekken over individuele zaken. In zijn algemeenheid houdt de AP bij omvangrijke datalekken onder meer toezicht op de naleving van de meldplicht datalekken en onderzoekt daarbij ook de beveiliging ten tijde van het lek en genomen vervolgstappen. Maar ook andere aspecten die specifiek zijn voor de datalekzaak kunnen door de AP worden onderzocht. Daarbij wordt ook rekening gehouden met signalen uit openbare bronnen en signalen uit klachten die de AP heeft ontvangen.
De AP beschikt over voldoende handhavende bevoegdheden vanuit de AVG om in te grijpen wanneer een (voorgenomen) verwerking van persoonsgegevens niet rechtmatig, behoorlijk en/of transparant plaatsvindt. Bijvoorbeeld door het bevestigen van normen, het geven van waarschuwingen, stilleggen van verwerkingen of het opleggen van boetes.
Hoe beoordeelt u het risico dat de bij Odido gestolen persoonsgegevens in de toekomst alsnog openbaar worden gemaakt, en welke gevolgen kan dit hebben voor de veiligheid en privacy van betrokken burgers?
De bij Odido gestolen persoonsgegevens zijn inmiddels gepubliceerd.2 In algemene zin geldt dat een dergelijke grootschalige publicatie in ieder geval het risico verhoogt op diverse vormen van oplichting en fraude zoals gerichte phishing en social engineering. Onder andere Odido, Veiliginternetten.nl, de politie en de AP communiceren naar aanleiding van het datalek actief waarvoor gestolen gegevens kunnen worden misbruikt en geven tips om gevolgen van het datalek zoveel mogelijk tegen te gaan.3
Heeft Odido het datalek tijdig gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens en andere relevante instanties, en bent u op de hoogte van eventuele lopende onderzoeken?
De AP heeft laten weten dat Odido het datalek tijdig heeft gemeld bij de AP. Odido geeft aan daarnaast proactief relevante overheidsinstanties, waaronder de RDI, te hebben geïnformeerd. De RDI is op basis van de verkregen informatie mogelijke vervolgstappen aan het onderzoeken. De AP meldt op haar website dat zij aanleiding ziet om tot formeel onderzoek over te gaan.4
Is er volgens uw inschatting sprake van nalatigheid of onvoldoende naleving van de Europese privacy- en beveiligingsverplichtingen, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), door Odido?
Het is niet aan het kabinet om dit te beoordelen. Dit is in eerste instantie aan de AP. De taken en bevoegdheden om op te treden tegen overtredingen zijn vastgelegd in de AVG. De AP kan daartoe handhaven, advies verstrekken, samenwerken met andere toezichthoudende autoriteiten en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. De AP toetst daarnaast of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels.
Welke risico’s lopen getroffen klanten en acht u de door Odido genomen maatregelen voldoende om deze risico’s te beperken?
Zie het antwoord op de vraag 4. De vraag of Odido voldoende maatregelen heeft genomen om te voldoen aan de zorgplicht uit de Telecommunicatiewet en de AVG is aan de toezichthouders om te beoordelen.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan telecomproviders ten aanzien van cyberbeveiliging en gegevensbescherming en voldoen deze volgens u nog aan de huidige dreigingscontext?
Het toepasselijke normenkader stelt de strikte vereisten die noodzakelijk zijn voor een goede bescherming in een steeds veranderende dreigingscontext. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 valt Odido onder de zorgplicht van de Telecommunicatiewet. Onder de zorgplicht dienen aanbieders passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om risico’s voor de beveiliging van hun netwerken of diensten te beheersen. Dit moet zorgen voor een veiligheidsniveau dat is afgestemd op risico's die zich voordoen. De RDI ziet toe op de naleving van de vereisten van deze zorgplicht.
Daarnaast zijn telecomproviders gebonden aan de AVG, waaronder de beginselen van behoorlijke gegevensverwerking. Het beginsel van dataminimalisatie houdt bijvoorbeeld in dat organisaties alleen persoonsgegevens mogen verzamelen en verwerken die strikt noodzakelijk zijn voor een vooraf bepaald, specifiek doel. Op verwerkingsverantwoordelijken rust daarnaast de verplichting om passende technische en organisatorische maatregelen te treffen om persoonsgegevens te beveiligen. Deze beveiligingsmaatregelen dienen een op de risico’s voor de rechten en vrijheden van personen afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen en rekening te houden met de stand van de techniek, alsook met de aard, omvang, context en doeleinden van de verwerking. Het waarborgen van passend bewustzijn van de beveiligingsrisico's bij personen die toegang hebben tot de te verwerken gegevens is daarbij van belang. Verwerkingsverantwoordelijken dienen hun beveiligingsmaatregelen doorlopend te evalueren en zo nodig aan te passen aan nieuwe risico’s, waaronder nieuwe cyberdreigingen. Op grond van de AVG fungeert de Functionaris gegevensbescherming (FG) als onafhankelijk adviseur en ziet toe op de naleving van het gegevensbeschermingsrecht waaronder de te nemen maatregelen.
Het Nationaal Cyber Security Centrum staat rond actuele kwetsbaarheden en cyberdreigingen in nauw contact met partners binnen de telecomsector en werkt onder meer samen via het telecomgerichte Information Sharing and Analysis Center (ISAC).
EZK werkt samen met de telecomoperators in het Nationaal Continuïteit Overleg Telecom (NCOT) om gezamenlijk aan de continuïteit van de telecomdienstverlening te werken in het kader van de huidige dreiging.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen of toezichtmaatregelen te treffen richting telecomproviders om grootschalige datalekken te voorkomen?
Op dit moment ziet de Staatssecretaris van Economische Zaken geen aanleiding om aanvullende eisen te stellen richting telecomproviders om grootschalige datalekken te voorkomen. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 8 zijn onder de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Telecomwet en de AVG, organisaties zelf verantwoordelijk voor het nemen van passende maatregelen om, mede gelet op de huidige dreigingscontext, (grootschalige) datalekken te voorkomen. Het is aan de toezichthouders om daarop toe te zien en in dit verband de nodige toezichtmaatregelen te treffen. Dit is niet aan mij als bewindspersoon.
Welke rol ziet u voor de overheid bij het ondersteunen van bedrijven en burgers bij het beperken van schade na grootschalige datalekken?
De AP ziet als onafhankelijke toezichthouder toe op de naleving van de AVG en kan handhavend optreden wanneer organisaties tekortschieten. Daarnaast heeft de toezichthouder een belangrijke rol in voorlichting. Door het geven van uitleg, richtsnoeren en praktische handvatten ondersteunt de toezichthouder organisaties en burgers bij de toepassing van de AVG en het uitoefenen van hun rechten.
Ook Veiliginternetten.nl geeft adviezen in deze casus. Dit is een publiek-private website om neutrale informatie over digitale veiligheid te verstrekken aan burgers. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) deelt via openbare kanalen diverse adviezen en richtlijnen over cybersecurity, zoals beveiligingsadviezen, dreigingsinformatie en maatregelen om digitale incidenten te voorkomen of te beperken. Het Ministerie van EZK verstrekt jaarlijks via Mijn Cyberweerbare Zaak subsidie aan kleinere mkb’ers ter versterking van hun digitale weerbaarheid.
Mensen die vermoeden dat ze slachtoffer zijn geworden van diefstal van hun gegevens kunnen op de site van de politie controleren of hun data in handen is gevallen van criminelen.
Acht u de oproep van Odido aan klanten om «extra alert» te zijn voldoende, of ziet u een verantwoordelijkheid voor aanvullende beschermingsmaatregelen richting getroffen klanten?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 8, stelt het toepasselijke normenkader, in het bijzonder de AVG, de nodige strikte vereisten. De AP ziet toe op de naleving van dat kader.
Bestaan er landelijke richtlijnen of protocollen voor ondersteuning van burgers die slachtoffer zijn van grootschalige datalekken waarbij identiteitsgegevens zijn buitgemaakt? Zo ja, worden deze in dit geval toegepast?
Het handelingskader voor slachtoffers van datalekken wordt vormgegeven door de AVG. De AVG verplicht verwerkingsverantwoordelijke organisaties om betrokkenen te informeren over een «hoog risico» datalek. De wijze waarop betrokkenen in lijn met de AVG dienen te worden geïnformeerd, wordt uitgewerkt in richtsnoeren van het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB). Het is aan de AP om daarop toe te zien. Tevens heeft de AP op grond van de AVG de eigen wettelijke taak om voorlichting te geven aan burgers over hun rechten en handelingsmogelijkheden uit hoofde van de AVG bij datalekken. De website van de AP biedt een overzicht van mogelijkheden voor betrokkenen bij een datalek.
Daarnaast zal het kabinet met een reactie komen in lijn met de gedane toezegging door de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit en de aangenomen motie van het lid Rajkowski die opriep voor een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken en de gedane toezegging5.
Op welke wijze houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht op de opvolging van dit incident, en beschikt de toezichthouder volgens u over voldoende bevoegdheden en capaciteit om effectief toezicht te houden bij grootschalige datalekken?
Welke lessen trekt u uit dit incident voor het beleid richting de markt op het gebied van de weerbaarheid van organisaties die grote hoeveelheden persoonsgegevens verwerken?
Zie het antwoord op vraag 2.
De oproep van MiGreat tot het aangaan van schijnhuwelijken |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van niet-gouvernementele organisatie (ngo) MiGreat om schijnhuwelijken aan te gaan om een verblijfsvergunning te krijgen?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het aangaan van een schijnhuwelijk met het oog op verblijfsrecht huwelijksfraude is en dus strafbaar is?
Het aangaan van een schijnhuwelijk met als doel verblijfsrecht verkrijgen is in strijd met het vreemdelingenrecht. Indien sprake is van een schijnhuwelijk kan de IND bestuursrechtelijk optreden, bijvoorbeeld door afwijzing of intrekking van een verblijfsvergunning.
Strafbaarheid kan aan de orde zijn als daarbij strafbare handelingen worden gepleegd, zoals valsheid in geschrifte of het opzettelijk faciliteren van illegaal verblijf. Of in een concreet geval sprake is van een strafbaar feit, is in eerste instantie aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de strafrechter.
Bent u bereid alles op alles te zetten om huwelijksfraude tegen te gaan en, als hiervan sprake is, verblijfsvergunningen en/of paspoorten onmiddellijk met terugwerkende kracht in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het onacceptabel dat schijnhuwelijken met als doel het verkrijgen van verblijfsrecht plaats kunnen vinden. Ik zet mij er dan ook voor in om dit tegen te gaan.
Op het moment dat de IND aanwijzingen heeft dat sprake is van een schijnhuwelijk, kan de verblijfsaanvraag worden afgewezen of kunnen verleende verblijfsrechten, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met terugwerkende kracht worden ingetrokken. Hiervoor moet de IND vaststellen dat het huwelijk of partnerschap uitsluitend is aangegaan met het doel verblijfrecht te verkrijgen. Dit gebeurt of basis van verklaringen van betrokken, informatie van gemeenten, en bevindingen uit onderzoek. Veelal wordt de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) van de politie gevraagd een onderzoek (adrescontrole) in te stellen. Indien het Nederlanderschap is verkregen op basis van onjuiste gegevens kan door de IND worden bezien of intrekking daarvan aan de orde is, binnen de kaders van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Daarvoor moet worden vastgesteld dat het Nederlanderschap is verkregen op basis van fraude, misleiding of het achterhouden van relevante informatie. De IND stelt hiervoor een dossier op met de relevante feiten en bewijsstukken en beoordeelt of aan de wettelijke voorwaarden voor intrekking is voldaan. Voor de benodigde informatie en verificatie werkt de IND samen met gemeenten, bijvoorbeeld ten aanzien van gegevens uit de Basisregistratie Personen. Daarnaast kan informatie worden betrokken van andere ketenpartners, zoals de politie of toezichthoudende instanties. Daarnaast doet de IND na constatering van een schijnhuwelijk aangifte bij de politie. Dit kan leiden tot strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke fraude of valsheid in geschrifte.
Bent u het eens met de stelling dat het publiekelijk oproepen tot het plegen van een strafbaar feit strafbaar is? Zo ja, doet het Openbaar Ministerie onderzoek naar deze oproep?
In algemene zin is het publiekelijk aanzetten tot het plegen van strafbare feiten strafbaar (art. 131 Wetboek van Strafrecht (Sr)). Of een concrete uiting daaronder valt, hangt af van de precieze inhoud, context en vergt juridische beoordeling.
Het is aan het Openbaar Ministerie om zelfstandig te besluiten of er aanleiding bestaat om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Over eventuele lopende onderzoeken worden in beginsel door het kabinet geen publieke uitspraken gedaan. Ik hecht er wel aan te benadrukken dat ik de betreffende oproep van MiGreat afkeurenswaardig vind en dat ik dit aan MiGreat kenbaar heb gemaakt.
Hoe beoordeelt u de ANBI-status (Algemeen Nut Beogende Instelling) die deze ngo geniet, gelet op de strafbare oproep en het nalaten van het voldoen aan de wettelijk verplichte jaarverslagen, zoals beschreven in het artikel van NieuwRechts?2
Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.
In zijn algemeenheid geldt dat een instelling op verzoek kan worden aangemerkt als ANBI indien de instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut beoogt. Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën3 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn verschillende doelen die als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kunnen worden als algemeen nuttig. Het betreft objectieve criteria.
Het beoordelen van het recht op (behoud van) de ANBI-status aan de hand van de daarvoor bij wet gestelde voorwaarden is wettelijk voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst.4 Voor wat betreft intrekking van de ANBI-status is de inspecteur gebonden aan een limitatief aantal gronden.5 Intrekking vindt plaats ingeval een instelling niet langer voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de ANBI-status of als niet wordt voldaan aan de zogenoemde integriteitstoets.
Een van de wettelijke voorwaarden is dat de instelling via internetinformatie met betrekking tot haar functioneren openbaar maakt.6 Indien de inspecteur constateert dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, wordt in de praktijk in de regel eerst een hersteltermijn geboden. Als de instelling na afloop van die termijn de benodigde informatie niet openbaar heeft gemaakt, wordt haar ANBI-status ingetrokken.
De integriteitstoets houdt in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf. Een overtreding van wet- en regelgeving kan dus pas fiscale gevolgen hebben op het moment dat deze strafrechtelijk is afgedaan. De inspecteur van de Belastingdienst kan en mag immers niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten.7
De integriteitstoets brengt ook met zich dat de ANBI-status wordt ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.8 Dit mede gelet op de neutrale toetsing of sprake is van algemeen nuttige activiteiten.
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn an sich geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
Bent u bereid om, in overleg met de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, de ANBI-status te onderzoeken en deze in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.