Verspreide berichten van burgerwachten in verschillende gemeenten. |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de burgerwachten die zijn opgezet in verschillende gemeenten in navolging van de protesten over de komst van noodopvang voor asielzoekers of statushouders, zoals bijvoorbeeld wordt beschreven in het artikel «Nagestaard, gefotografeerd en gewantrouwd»?1
Ja.
In hoeveel gemeenten zijn er inmiddels soortgelijke burgerwachten opgericht?
Er is geen landelijk beeld van het aantal gemeenten waarin er actieve burgerwachten of buurtpreventieteams zijn opgericht, aangezien er niet één centrale registratie van dergelijke lokale initiatieven bestaat.
Wanneer gaat dit gedrag van intimidatie over in bedreiging, stalking, laster of doxing en gaat het dus over strafbare feiten?
Een maatschappij waarin intimidatie wordt gebruikt als middel om je zin te krijgen is onaanvaardbaar. In algemene zin is het lastig aan te geven wanneer intimidatie overgaat in een strafbaar feit. Hierbij spelen de feiten en omstandigheden, de context en de vereisten van strafbare feiten als bedreiging, stalking, laster en doxing een rol. Het is aan de officier van justitie om te beoordelen wanneer het mogelijk en opportuun is om over te gaan tot vervolging voor een strafbaar feit en vervolgens aan de rechter om te bepalen of al dan niet sprake is van een strafbaar feit.
Is er al aangifte gedaan van dergelijke strafbare feiten door dit soort burgerwachten door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners?
In het registratiesysteem van de politie wordt niet systematisch vastgelegd of er een strafbaar feit is gepleegd door burgerwachten. Omdat een brede zoekslag naar mogelijke aangiften door vrijwilligers, buurtbewoners of opvangbewoners van dergelijke feiten zodoende niet kan worden uitgevoerd, kan deze vraag niet worden beantwoord.
Bent u van mening dat opvangbewoners weten wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten wanneer er strafbare feiten tegen hen worden gepleegd? Zo ja, waarom denkt u dat?
Om ervoor te zorgen dat personen die via de asielstroom nieuw in Nederland zijn op de hoogte zijn van de Nederlandse wetten en normen, wordt hier bij aankomst bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) basisinformatie over verstrekt. Daarnaast wordt door bijvoorbeeld Vluchtelingenwerk Nederland informatie verstrekt over de asielprocedure en daarmee samenhangende rechten en plichten. Indien sprake is van geweld of intimidatie kunnen asielzoekers terecht bij het COA voor ondersteuning, hulp en begeleiding.
Bent u van mening dat opvangbewoners de weg naar de politie kennen wanneer er sprake is van strafbare feiten? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat zij weten dat zij en waar zij aangifte kunnen doen van strafbare feiten?
Het COA voert met asielzoekers in de eerste twee weken van het verblijf op een opvanglocatie een rechten- en plichtengesprek. In dit gesprek worden de basisvoorwaarden, leefregels en gedragsnormen voor asielzoekers besproken. Daarnaast informeert het COA de asielzoeker over de Nederlandse rechtsstaat en de Grondwet. Indien een asielzoeker aangifte wil doen van een strafbaar feit, wordt deze doorverwezen naar de politie. Als er sprake is van geweld of intimidatie kunnen asielzoekers terecht bij het COA voor ondersteuning, hulp en begeleiding.
Bent u bekend met het incidentenbericht in Apeldoorn waarin werd gewaarschuwd voor een man die bij een basisschool stond en onterecht in verband werd gebracht met een noodopvanglocatie, die uiteindelijk een ouder bleek te zijn die zijn kind van school kwam halen?
Wij zijn bekend met de berichtgeving waarin melding wordt gemaakt van verschillende sociale mediaberichten, waaronder het bericht waar in deze vraag op wordt gedoeld. De beoordeling of in een individuele casus sprake is geweest van een strafbaar feit is niet aan het kabinet, maar in eerste instantie aan de politie en het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de rechter. Zonder op specifieke situaties in te kunnen gaan, geldt in zijn algemeenheid dat het van belang is dat men in geval van een verdachte situatie, of bij het vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd, de politie inschakelt. Het is nooit de bedoeling dat men voor eigen rechter gaat spelen.
Was hier mogelijk sprake van een strafbaar feit?
Zie antwoord vraag 7.
Wat vindt u ervan dat er op deze manier op mensen wordt «gejaagd»?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn gemeenten voldoende op de hoogte wanneer zij kunnen ingrijpen en zijn zij voldoende in staat dit te toen?
Als kabinet vinden we het belangrijk dat gemeenten die hun verantwoordelijkheid nemen om opvang te realiseren hierbij voldoende worden ondersteund. Als Minister van Asiel en Migratie ben ik daarbij altijd bereid om mee te denken met gemeenten en zal ik hierover het gesprek blijven voeren met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG). Daarnaast heeft de VNG een ondersteuningsteam ingericht, dat gemeenten op verzoek kan ondersteunen bij verschillende aspecten rondom een opvanglocatie.
Hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen uw ministerie en de gemeenten waar dit voorkomt om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kwam er uit deze gesprekken?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u op de hoogte van het feit dat ook vrijwilligers van asielzoekerscentra in sommige gemeenten geïntimideerd worden en zich niet veilig voelen om naar een opvanglocatie te gaan om te helpen? Hoe bent u van plan hen veilig te houden?
Vrijwilligerswerk is belangrijk en waardevol werk. Het is belangrijk dat vrijwilligers hun werk onder goede omstandigheden kunnen uitvoeren en het kan absoluut niet de bedoeling zijn dat vrijwilligers zich daarbij geïntimideerd of onveilig voelen. Het bewaken van de openbare orde is belegd bij het lokaal gezag en in gevallen waarin er sprake is van verstoring van de openbare orde is de burgemeester belast met de handhaving hiervan. Bij recente demonstraties hebben we gezien dat er veel op gemeenten af komt bij het openen en exploiteren van een asielzoekerscentrum. Als kabinet vinden we het belangrijk om kleine gemeenten hierbij te ondersteunen. De VNG heeft hierom een ondersteuningsteam opgericht, waarin kennis en expertise wordt gebundeld en dat gemeenten op verzoek ondersteunt bij verschillende aspecten rondom een opvanglocatie. Veiligheid van vrijwilligers maakt hier onderdeel van uit.
Wat is volgens u de rol van sociale media wanneer foutieve berichten over vermeende opvangbewoners online worden verspreid?
Online platforms zijn gebonden aan de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA). Deze verordening heeft als doel te zorgen voor een veilige, voorspelbare en betrouwbare online omgeving, waarin de verspreiding van illegale online inhoud en de maatschappelijke risico’s die de verspreiding van desinformatie of andere inhoud met zich kunnen brengen, worden aangepakt, en waarin de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrechten doeltreffend worden beschermd. Op grond van artikel 6 van de DSA, zijn hosting diensten – waaronder online platforms – niet aansprakelijk voor de informatie die afnemers van de dienst verstrekken, op voorwaarde dat zij geen kennis hebben van illegale activiteiten of van illegale inhoud die afnemers opslaan. Zodra zij die kennis wel krijgen, bijvoorbeeld door een melding, dan moeten zij prompt handelen om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Op grond van de DSA moeten online platforms een toegankelijk en gebruiksvriendelijk systeem hebben waarin gebruikers of derden melding kunnen doen van illegale inhoud. Het begrip illegale inhoud omvat alle informatie die indruist tegen het Unierecht of het recht van een lidstaat. Of daarvan sprake is, moet per geval beoordeeld worden. Opgemerkt zij echter dat niet alle «foutieve» berichten per definitie illegaal zijn. Een bericht waarin bijvoorbeeld ten onrechte wordt gesteld dat een bewoner van een opvanglocatie betrokken is geweest bij een incident kwalificeert vanwege die feitelijke onjuistheid niet meteen als illegale inhoud. Dat kan anders zijn wanneer het bericht bijvoorbeeld iemand opzettelijk en ten onrechte beschuldigt van een strafbaar feit, of wanneer het bericht aanzet tot haat, discriminatie of geweld.
Op grond van de DSA moeten online platforms verder een zorgvuldig beleid ten aanzien van inhoudsmoderatie opnemen in hun algemene voorwaarden en dat beleid ook zorgvuldig toepassen in de praktijk (artikel 14 van de DSA). Op hen rust bovendien de verplichting om gebruikers die frequent illegale inhoud verspreiden, te schorsen. De zogenaamde zeer grote online platforms- en zoekmachines, die als zodanig moeten worden aangewezen door de Europese Commissie, moeten verder ten minste één keer per jaar de zogeheten systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Deze verplichting geldt voor grote sociale mediadiensten zoals Facebook, Instagram en TikTok. Systeemrisico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en de eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de openbare veiligheid of de uitoefening van grondrechten.
Vindt u dat sociale media ervoor zouden moeten zorgen dat foutieve lasterberichten over mensen gefilterd moeten worden?
Laster is een vorm van illegale inhoud. Zoals hiervoor beschreven moeten online platforms prompt handelen om dergelijke inhoud te verwijderen zodra ze er kennis van krijgen. Artikel 8 van de DSA beperkt tegelijkertijd de ruimte om maatregelen op te leggen aan online platforms om onwettige inhoud of activiteiten op te sporen en daar preventief actie tegen te ondernemen door berichten te filteren. Artikel 8 van de DSA bepaalt dat aan dienstverleners geen verplichting wordt opgelegd tot monitoring van de door hen opgegeven of opgeslagen informatie of tot actief onderzoek naar feiten of omstandigheden die duiden op illegale activiteiten. Dit verbod beoogt de vrijheid van meningsuiting te beschermen. Indien sociale media en andere tussenhandeldiensten verplicht worden om illegale inhoud preventief te filteren dan is er een gerede kans dat zij uit voorzorg meer informatie gaan blokkeren of anderszins tegenhouden dan noodzakelijk.
Hoe zorgt u ervoor dat sociale media hier hun verantwoordelijkheid nemen?
Op de DSA wordt in Nederland toezicht gehouden door de Autoriteit Consument & Markt als DSA-coördinator en de Autoriteit Persoonsgegevens als andere bevoegde autoriteit. Op de zeer grote online platforms en zoekmachines houdt de Europese Commissie primair toezicht. Er lopen inmiddels diverse onderzoeken tegen verschillende sociale media, en in een aantal zaken zijn al zogenaamde preliminary findings van niet-naleving gepubliceerd. Zo worden sociale media waar nodig gedwongen om verantwoordelijkheid te nemen.
De aanpak van seksueel kindermisbruik in Nederland |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de verdenkingen van seksueel misbruik van minderjarige kinderen op een basisschool in Zoetermeer? Deelt u de opvatting dat deze zaak opnieuw duidelijk maakt welke verstrekkende gevolgen seksueel misbruik heeft voor slachtoffers, hun ouders en de betrokken gemeenschap?
Kunt u aangeven hoeveel minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik jaarlijks naar schatting buiten beeld blijven van politie en hulpinstanties, en welke concrete maatregelen u neemt om deze groep beter te bereiken?
Kunt u een overzicht geven van het aantal meldingen, aangiften, vervolgingen en veroordelingen wegens seksueel misbruik van minderjarigen in de afgelopen vijf jaar? Hoe beoordeelt u deze cijfers in verhouding tot de door experts en onderzoeksinstanties geschetste omvang van de problematiek?
Hoe reflecteert u op de bevinding van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat jaarlijks ten minste 20.000 Nederlandse mannen seksueel kindermisbruik plegen in het buitenland? Welke conclusies trekt u uit deze bevinding over de omvang van seksuele interesse in kinderen en het risico op seksueel misbruik door Nederlandse daders, zowel binnen als buiten Nederland?
Welke preventieve voorzieningen zijn momenteel beschikbaar voor personen die seksuele gevoelens richting minderjarigen ervaren en daarvoor hulp zoeken voordat zij strafbare feiten plegen? Is bekend hoeveel personen jaarlijks gebruik van deze voorzieningen en acht u het bereik hiervan voldoende gelet op de omvang van de problematiek die onder meer uit WODC-onderzoek naar voren komt?
Kunt u reflecteren op de conclusies van de Nationaal Rapporteur op het belang van vroegsignalering? In hoeverre zijn scholen, kinderopvangorganisaties, sportverenigingen en andere instellingen die met kinderen werken verplicht om medewerkers te scholen in het herkennen van signalen van seksueel misbruik? Kunt u een overzicht geven van alle bij u bekende preventieve maatregelen, en acht u deze voldoende?
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens minderjarigen de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis zijn binnengekomen en welk percentage daarvan heeft geleid tot nader onderzoek, hulpverlening of strafrechtelijke vervolging?
Kunt u reflecteren op de bevinding van de Nationaal Rapporteur dat slachtoffers van seksueel geweld vaak pas jaren na het misbruik melding maken? Welke aanvullende maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat kinderen eerder hulp kunnen zoeken en misbruik sneller wordt gesignaleerd en gestopt?
Beschikken de politie en gespecialiseerde zedenteams volgens u over voldoende capaciteit en expertise om meldingen van seksueel misbruik van kinderen tijdig te onderzoeken? Kunt u inzicht geven in de huidige wachttijden, achterstanden en personele capaciteit binnen de zedenketen?
Kunt u uiteenzetten welke concrete en meetbare doelstellingen het kabinet hanteert voor het terugdringen van seksueel kindermisbruik in Nederland? Welke indicatoren gebruikt u om vast te stellen of het beleid daadwerkelijk leidt tot minder slachtoffers?
De toename van explosies in woonwijken |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de recente explosies in Amsterdam, Breda, Poortugaal, Eindhoven en Spijkenisse en het beeld dat explosies in woonwijken steeds vaker voorkomen en zich op sommige locaties herhalen?
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving en ook met het beeld dat op sommige locaties persoonsgerichte aanslagen met explosieven in woonwijken zich herhalen.
Hoeveel explosies en pogingen daartoe hebben in de afgelopen tien jaar plaatsgevonden in woonwijken? Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, politieregio en naar (vermoedelijk) motief?
Vanaf 2023 nam het aantal aanslagen met explosieven enorm toe. Naar aanleiding van deze toename heeft de politie op centraal niveau een landelijke definitie vastgesteld en is het aantal aanslagen met explosieven op uniforme wijze vastgelegd. De aantallen worden door de politie uitgesplitst naar (pogingen tot) aanslagen op woningen, bedrijven, voertuigen, infrastructuren en een categorie «overige» (tabel 1). Ook wordt het aantal (pogingen tot) aanslagen per politie-eenheid bijgehouden (tabel 2). Het (vermoedelijke) motief van de aanslag wordt meestal later duidelijk, omdat dit meestal moet worden herleid uit verhoren of digitale gegevensdragers (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5). In diverse opsporingsonderzoeken is zicht verkregen op (vermoedelijke) motieven. Deze variëren van sociale en zakelijke tot criminele conflicten (bijvoorbeeld een rancuneuze ex-partner, conflicten tussen criminele jeugdgroepen, een ruzie over een partij drugs). Voor een groot deel van de (pogingen tot) aanslagen is het motief onbekend.
Jaar
(poging) Aanslag woning
(poging) Aanslag bedrijf
(poging) Aanslag voertuig
(poging) Aanslag infra
(poging) Aanslag overige
Totaal
2023
599
196
85
1
21
2024
1.122
230
152
1
38
2025
1.043
254
203
4
30
117
53
Dit zijn de cijfers van januari t/m juni 2026.
29
40
95
110
208
93
249
36
15
27
902
68
126
192
194
269
166
304
86
91
47
1.543
83
172
239
163
200
159
267
129
71
51
1.534
24
65
104
49
102
57
84
48
24
24
581
Dit zijn de cijfers van januari t/m juni 2026.
Hoe heeft het aantal explosies en pogingen daartoe in woonwijken zich in de afgelopen tien jaar ontwikkeld en welke mogelijke trend ziet u daarin voor de komende jaren? Kunt u daarbij aangeven welke factoren volgens politie, het Openbaar Ministerie en andere betrokken instanties bijdragen aan deze ontwikkeling?
Het aantal aanslagen met explosieven en pogingen daartoe wordt door de politie niet uitgesplitst op woonwijkniveau. Wel wordt het aantal (pogingen tot) aanslagen vastgelegd op het niveau van politie-eenheid (tabel 2) en het aantal (pogingen tot) aanslagen per objecttype (tabel 1).
Op landelijk niveau was in 2024 een aanzienlijke stijging van de aantallen ten opzichte van het jaar 2023 waarneembaar. In 2025 lag het aantal (pogingen tot) aanslagen iets lager dan in 2024. In de eerste zes maanden van 2026 zet deze daling door. Met 581 (pogingen tot) aanslagen met explosieven in Nederland zijn dit er 124 minder dan in de eerste zes maanden van 2025. Het Offensief tegen Explosies (hierna: Offensief) ligt daarmee op koers om in 2026 een afname van 10% te realiseren.1
De factoren die bijdragen aan de ontwikkeling van de explosieproblematiek zijn met name de brede beschikbaarheid van het middel (waaronder zwaar vuurwerk met flitspoeder), de opdrachtgevers en tussenpersonen die regelmatig buiten beeld blijven en de toegankelijke wijze waarop jongeren (veelal jongeren in een kwetsbare positie) worden gerekruteerd om aanslagen te plegen. De faciliterende rol en het anonieme en afgeschermde karakter van digitale platforms spelen een belangrijke rol bij het rekruteren van jongeren door opdrachtgevers en tussenpersonen ten behoeve van het plegen van aanslagen en bij de online handel in illegaal vuurwerk. Om deze redenen hebben de partners van het Offensief hun aandacht en samenwerking in 2026 met prioriteit op deze factoren gericht. De inzet op de andere onderdelen van de aanpak blijft hierbij ongewijzigd.
Hoe beoordeelt u de maatschappelijke impact van deze ontwikkeling op bewoners, in het bijzonder in buurten waar herhaaldelijk explosies plaatsvinden en gevoelens van onveiligheid langdurig aanwezig blijven?
De gevolgen van explosies zijn zeer ingrijpend voor slachtoffers, hun families, buurtbewoners en ondernemers, met soms zelfs dodelijke slachtoffers, ernstig letsel of enorme schade tot gevolg. Een explosie heeft dan ook een enorme impact op de veiligheidsgevoelens bij bewoners, omwonenden en andere burgers in en betrokkenen bij de getroffen wijken.
Ondanks de huidige daling blijven explosies een ernstig veiligheidsprobleem. Ik zet mij met het Offensief daarom onverminderd in voor een duurzame afname van het aantal aanslagen op woningen, bedrijven en voertuigen. Gemeenten worden vanuit het Offensief ondersteund bij een stevige lokale aanpak en bij de nazorg voor slachtoffers en omwonenden (zie hiertoe ook de beantwoording van de vragen 7 en 8).
Hoe verklaart u dat in meerdere gevallen in korte tijd opnieuw explosies konden plaatsvinden in dezelfde straat of directe omgeving, zoals recent in Breda, Poortugaal en Spijkenisse?
In geval van lokale veiligheidsproblematiek, zoals de explosies in Breda, Poortugaal en Spijkenisse, is het aan de veiligheidsdriehoek om op basis van de beschikbare feiten passend op te treden. Het achterhalen van het doelwit en het exacte motief achter incidenten met explosieven is voor de politie in de praktijk vaak complex. Betrokkenen zijn geregeld terughoudend in het verstrekken van informatie. Daarnaast bemoeilijkt de specifieke locatie, zoals een gedeeld portiek, soms het identificeren van het beoogde doelwit. Ook incidenten op basis van foutieve informatie, zoals persoons- of adresverwarring, komen voor, waardoor het daadwerkelijke motief vaak onduidelijk blijft. Deze specifieke factoren maken het lastig om de kans op een herhaalaanslag in te schatten.
De prioriteit van de politie in deze aanpak, ligt bij het direct opsporen en aanhouden van de uitvoerders en tussenpersonen. Dit vergroot de kans om tot de achterliggende opdrachtgevers te komen. En daarmee mogelijk bij het motief voor de aanslag. Technologische hulpmiddelen, zoals camera’s, worden ingezet om de effectiviteit van de opsporing te verhogen en eventuele herhaalaanslagen te voorkomen.
Beschikken gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie momenteel over een eenduidige werkwijze voor risicobeoordeling en opvolging na een eerste explosie om herhaling te voorkomen? Zo ja, hoe ziet die eruit en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Er bestaat geen eenduidige werkwijze voor risicobeoordeling en opvolging na een eerste explosie om herhaling te voorkomen. Dit komt omdat de lokale context waarin de aanslagen met explosieven plaatsvinden zeer divers is. De opvolging is afhankelijk van die context en vergt dus maatwerk. Wel wordt steeds per incident, op basis van de lokale context, beoordeeld welke maatregelen in dat specifieke geval genomen kunnen en zullen worden, bezien vanuit opportuniteit, subsidiariteit en aanwezige middelen. Op basis hiervan zet de burgemeester het bestuurlijk instrumentarium in (bijvoorbeeld sluiting van een woning of bedrijfslocatie), en besluiten de politie en het OM tot eventuele additionele maatregelen (bijvoorbeeld cameratoezicht of extra surveillance). In sommige gevallen is de NCTV betrokken in het kader van het Stelsel Bewaken en Beveiligen. De veiligheidscontext wordt onder andere bepaald door een inschatting van veiligheidsrisico’s door de politie. Andere factoren zijn ook van invloed op de in te zetten maatregelen, zoals de aanwezigheid van minderjarigen op locatie. Na een aantal dagen wordt binnen de driehoek beoordeeld of de maatregelen moeten worden aangepast, beëindigd of voortgezet.
Welke concrete maatregelen worden direct ingezet nadat sprake is van een explosie bij een woning, bijvoorbeeld op het gebied van beveiliging, toezicht, informatievoorziening en bescherming van bewoners en omwonenden?
Zoals is beschreven in het antwoord op vraag 6, is de inzet van maatregelen sterk afhankelijk van de lokale context. Ter ondersteuning van de bestuurlijke aanpak, heeft het Offensief op 6 november 2025 het «Landelijk handelingskader bij aanslagen met explosieven» gepubliceerd,2 dat is opgesteld door gemeenten, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de politie, het Openbaar Ministerie (OM), het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV), woningcorporaties en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het handelingskader is gebaseerd op ervaringen en best practices van deze partners. Het bevat praktische en juridische handvatten voor het opzetten van een effectieve aanpak bij aanslagen op woningen, bedrijfspanden en voertuigen. Per fase van een aanslag, vooraf preventief, bij dreiging van een (herhaal)aanslag, direct na een incident en nazorg, wordt in het handelingskader aandacht besteed aan bestuurlijke bevoegdheden, praktische handelingen, concrete maatregelen en zorg voor slachtoffers en omwonenden. Denk aan het inrichten van noodopvang en slachtofferhulp en tijdige, eenduidige informatieverschaffing. Het handelingskader belicht de complexe afwegingen die gepaard gaan met besluitvorming in dergelijke situaties.3
Welke juridische, bestuurlijke en operationele instrumenten hebben burgemeesters op dit moment om op te treden na een explosie en acht u dat instrumentarium toereikend?
In het, bij vraag 7 genoemde, «Landelijk handelingskader bij aanslagen met explosieven» is opgenomen welke juridische, bestuurlijke en operationele instrumenten burgemeesters momenteel hebben om op te treden bij een dreiging van en na een aanslag met explosieven. Daarnaast is het «Overzicht bestuurlijke bevoegdheden. Bij aanslagen op woningen, bedrijfspanden en voertuigen» gepubliceerd in 2025.4 Hierin wordt het bestuurlijk-juridisch instrumentarium van de burgemeester uiteengezet, dat ook na een explosie kan worden ingezet. In het overzicht wordt tevens inzicht gegeven in het overwegingskader en de voor- en nadelen van de inzet van de verschillende bevoegdheden. Dit overzicht is ook opgenomen in het landelijk handelingskader. Tot op heden heb ik geen signalen ontvangen dat burgemeesters niet uit de voeten kunnen met de huidige bevoegdheden.
Hoeveel explosiezaken zijn in de afgelopen tien jaar opgehelderd? Dat wil zeggen: hoe veel verdachten zijn aangehouden en in hoeveel zaken is het daadwerkelijk gekomen tot een veroordeling?
2023
219
2024
449
2025
472
20262
261
Het aantal ingezonden verdachten is niet gelijk aan het aantal aangehouden verdachten in dat jaar. Dit wordt verklaard door de tijd die tussen een aanhouding en inzending zit.
Dit zijn de cijfers van januari t/m juni 2026.
Vanaf 2023 is het aantal aanhoudingen voor en het aantal ingezonden verdachten van (pogingen tot) aanslagen met explosieven bijgehouden (tabel 3 en tabel 4). Het aantal ingezonden verdachten is niet gelijk aan het aantal aangehouden verdachten in datzelfde jaar. Dit wordt verklaard doordat bij opsporingsonderzoeken sprake is van een langere doorlooptijd tussen aanhouding en inzending. Het kan zo zijn dat het dossier van een verdachte die in 2024 is aangehouden in 2025 wordt ingezonden. Ook leidt niet elke aanhouding uiteindelijk tot een inzending, bijvoorbeeld in geval van onvoldoende bewijs. Tot op heden betreffen de geregistreerde, openbaar gemaakte, cijfers alleen politiegegevens. Het OM gaat in kaart brengen op welke manier zaken worden afgedaan, bijvoorbeeld via een sepot, een OM-strafbeschikking of een gerechtelijke zitting. Dit wordt meegenomen in de openbaarmaking van de cijfers over 2026. Het totaal aantal daadwerkelijke veroordelingen door de strafrechter voor een (poging) tot aanslagen met explosieven is niet bekend.
Acht u de huidige opsporings- en vervolgingscapaciteit binnen politie, forensische opsporing en het Openbaar Ministerie voldoende om explosiezaken snel en zichtbaar af te handelen? En zo ja, waar blijkt dat uit?
De explosieproblematiek is een van de prioriteiten van het OM en de politie. Hierbij wordt door politie en OM al enkele jaren gewerkt met een landelijke aanpak die in elke eenheid wordt toegepast. Er wordt voortdurend gewerkt aan een betere samenhang in de aanpak. Hoewel de beschikbare capaciteit van de politie en het OM verdeeld moet worden over een groot aantal veiligheidsdomeinen, gaat dit niet ten koste van de zaken waarin (pogingen tot) aanslagen met explosieven worden gepleegd.
Momenteel is er binnen de politie een landelijke coördinatietafel Explosievenproblematiek operationeel en is er een inventarisatie gemaakt van lopende activiteiten in alle eenheden. Er wordt in het hele land veel inzet gepleegd op de explosieproblematiek: van de recherche in basisteams tot aan de rechercheteams bij de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies (LO) en de Eenheid Landelijke Expertise en Operaties (LX). De opsporingsonderzoeken richten zich vaak op meerdere explosies en eventuele verbanden. De onderzoeken hebben de doelstelling ook de opdrachtgevers in beeld te krijgen en te vervolgen. De meeste aanhoudingen betreft uitvoerders. Diverse teams lukt het om bij meerdere (herhaal)explosies beter zicht te krijgen op plegers, medeplegers, tussenpersonen en opdrachtgevers en diverse aanhoudingen te verrichten. Dit is meestal alleen mogelijk naar aanleiding van onderzoek op basis van de inhoud van inbeslaggenomen digitale gegevensdragers zoals telefoons en laptops (zoals chats).
Hoe vaak waren in de afgelopen tien jaar minderjarigen of jongvolwassenen betrokken bij explosiezaken en welke inzichten bestaan over de rekrutering van jongeren voor dit type geweld?
Het aantal ingezonden verdachten is niet gelijk aan het aantal aangehouden verdachten in dat jaar. Dit wordt verklaard door de tijd die tussen een aanhouding en inzending zit.
Dit zijn de cijfers van januari t/m juni 2026.
Sinds de opkomst van de explosieproblematiek blijken bij veel incidenten minderjarigen of jongvolwassenen betrokken te zijn (tabel 4). De rekrutering van (jonge) uitvoerders verloopt deels via social media platforms en deels via sociale netwerken. Recent onderzoek van Politie & Wetenschap naar de rol van social media bij de betrokkenheid van jongeren bij zware en georganiseerde drugs- en geweldscriminaliteit laat zien dat rekrutering van jongeren voornamelijk via het (in)directe sociale netwerk plaatsvindt, waarbij online en offline in elkaar overlopen.5 Dit komt overeen met eerder onderzoek naar plegers van aanslagen met explosieven: betrokkenheid verloopt meestal via bekenden (familie, school- of buurtgenoten) en criminele klussen worden vooral via dat netwerk aangeboden, zowel off- als online.6 Uit het onderzoek van Politie & Wetenschap blijkt ook dat uit een representatieve streekproef van jongeren tussen de 16 en 27 jaar 80% aangaf nooit oproepen op sociale media gezien te hebben voor het plegen van een drugs- of geweldsdelict. Van de respondenten gaf 6,1% aan ooit te zijn benaderd.
In de opsporing en vervolging is er ook aandacht voor mogelijke uitbuiting van (jonge) uitvoerders. Een groot deel van deze, vaak minderjarige uitvoerders, verkeert in een kwetsbare positie en kunnen naast dader ook slachtoffer zijn. In verschillende onderzoeken wordt criminele uitbuiting ten laste gelegd aan de verdachten die de uitvoerders hebben ingeschakeld of aangestuurd.
Welke interventies worden ingezet om te voorkomen dat jongeren worden ingezet voor intimidatie, geweld en explosies en hoe wordt de effectiviteit van die aanpak beoordeeld?
Het kabinet investeert in de landelijke aanpak van jeugdcriminaliteit via de aanpak van High Impact Crimes (waaronder aanslagen met explosieven). Hierbij is specifieke aandacht voor het tegengaan van rekrutering voor criminele activiteiten zoals het plegen van aanslagen met explosieven. Hiervoor wordt er bij voorkeur ingezet op kansrijke en bewezen effectieve interventies die multimodaal zijn (gericht op meerdere risico- en beschermende factoren) en die langdurig met een mentor voor de jongeren wordt ingezet. Voorbeelden zijn de bewezen effectieve gedragsinterventie Alleen jij bepaalt wie je bent (AJB) en de kansrijke interventie Integrale Persoonsgerichte Toeleiding naar Arbeid (IPTA), waarbij bekende risicofactoren worden aangepakt en beschermende factoren worden gestimuleerd en daarmee jongeren kansen en perspectief biedt.
Daarnaast is er het programma Preventie met Gezag, structureel in 27 gemeenten en tot en met 2027 in 20 incidentele gemeenten. Deze inzet is gericht op het voorkomen dat jongeren met criminaliteit in aanraking komen, daarin terecht komen en doorgroeien. Zo worden justitiepartners als de reclassering en de Rechtspraak in het kader van PmG gefinancierd om te voorkomen dat jongeren worden ingezet door criminelen of zelf doorgroeien tot ronselaars. Politie en OM pakken bijvoorbeeld ronselaars en opdrachtgevers aan die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten. Deze vorm van mensenhandel is strafbaar gesteld in het wetboek van strafrecht artikel 273f. Ook is er binnen het programma aandacht voor de ondersteuning van jongeren die vastzitten in de criminaliteit of worden benaderd voor het plegen van criminele klussen. Hiervoor financiert mijn ministerie vanuit de online chat Keerpunt. Via Keerpunt kunnen jongeren anoniem chatten met een hulpverlener. Wanneer nodig wordt een jongere hulp aangeboden in zijn of haar regio.
Vanuit het Offensief wordt aangesloten bij lopende initiatieven en projecten en wordt de explosieproblematiek hierin opgenomen, voor zover daar specifiek aandacht voor nodig is. Via het Offensief is op scholen en sportclubs en aan de deelnemers van de gedragsinterventie AJB een extra workshop aangeboden om jongeren bewust te maken van de risico’s van (online) rekrutering voor en het plegen van een aanslag met explosieven. Daarnaast wordt communicatie ingezet om de kennis en bewustwording over dit onderwerp te vergroten.
Voor 2026 is het terugdringen van (jonge) uitvoerders een van de drie benoemde prioriteiten van het Offensief. Hiervoor worden gerichte acties, maatregelen en gedragsinterventies op elkaar afgestemd en ingezet met als doel het aantal uitvoerders terug te dringen en daarmee bij te dragen aan de bredere aanpak van jeugdcriminaliteit. Voor de inzet van gedragsinterventies voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit worden de richtlijnen vanuit het landelijk kwaliteitskader «effectieve interventies ter preventie van jeugdcriminaliteit»7 toegepast. Voor enkele acties wordt er samengewerkt met de wetenschap zodat de aanpak afgestemd is op de doelgroep en kan worden gemonitord ten behoeve van een effectieve aanpak. Er start bijvoorbeeld een pilot conflictbemiddeling om oplopende spanningen en conflicten tussen (groepen) jongeren tijdig te de-escaleren, wat zou moeten leiden tot minder excessieve geweldsincidenten waar jongeren bij betrokken zijn, waaronder het plegen van aanslagen met explosieven.
De effecten van deze, maar ook andere acties, maatregelen en gedragsinterventies worden op langere termijn zichtbaar. Het realiseren van effect, gedragsverandering en sociale ontwikkeling hebben tijd nodig, evenals de uitvoering van betrouwbaar effectiviteitsonderzoek. Hiervoor dient een aanpak of werkwijze (met jongeren) langdurig, integer en intensief te worden gemonitord.
Heeft u voldoende zicht op de herkomst, handel en verspreiding van de explosieve middelen die worden gebruikt bij deze incidenten?
Door de samenwerking met nationale en internationale partners en de uitvoering van opsporingsonderzoeken ontstaat er steeds beter zicht op de herkomst, handel en verspreiding van de explosieve middelen. De politie werkt aan een nieuwe analyse over handel en opslag van zwaar vuurwerk. Deze wordt in het najaar openbaar gemaakt en naar de Tweede Kamer gestuurd.
Het bericht 'Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Forse stijging meldingen huwelijksdwang en achterlating richting zomervakantie» van het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA)?1
Wat is uw reactie op de constatering dat het aantal meldingen van huwelijksdwang en achterlating in 2025 met 41 procent is gestegen ten opzichte van een jaar eerder? En op het feit dat begin juni 2026 al 74 meldingen zijn gedaan en dat het aantal meldingen in de eerste maanden van dit jaar 65 procent hoger lag dan een jaar eerder? Ziet u hierin vooral een betere vindbaarheid van hulp en meldpunten, een daadwerkelijke toename van de problematiek, of beide?
Kunt u de Kamer een overzicht geven van het aantal meldingen van huwelijksdwang, achterlating en combinaties daarvan in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, minderjarigheid/meerderjarigheid en of de betrokkene zich in Nederland of in het buitenland bevond?
Deelt u de zorg dat de periode vlak voor en tijdens de zomervakantie een verhoogd risico vormt, omdat jongeren onder druk kunnen worden meegenomen naar het buitenland, hun documenten kunnen worden afgenomen of zij niet mogen terugkeren naar Nederland?
Welke concrete extra maatregelen worden vóór en tijdens de zomervakantie genomen om huwelijksdwang en achterlating te voorkomen, met name richting jongeren, ouders, scholen, huisartsen, wijkteams, Veilig Thuis-organisaties en gemeenten?
Hoe wordt geborgd dat scholen, mentoren, leerplichtambtenaren en mbo-professionals weten welke signalen kunnen wijzen op huwelijksdwang of achterlating, zoals angst voor een vakantie, plotselinge afwezigheid, sterke controle door familie of geruchten over een gedwongen huwelijk?
Worden scholen en onderwijsinstellingen actief en landelijk geïnformeerd over wat zij moeten doen bij vermoedens van huwelijksdwang of achterlating voorafgaand aan de zomervakantie? Zo ja, op welke wijze en met welk bereik? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in de praktijk voldoende toegesneden op vermoedens van huwelijksdwang, achterlating en eergerelateerd geweld? Welke knelpunten ervaren professionals hierbij?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar advies gevraagd aan het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating door onderwijsprofessionals, gemeenten, Veilig Thuis, politie, zorgprofessionals en familieleden of vrienden?
Wat gebeurt er concreet wanneer een jongere of volwassene in het buitenland wordt achtergelaten en contact zoekt met Nederlandse instanties? Welke rol hebben ambassades, consulaten, gemeenten, Veilig Thuis en politie in zo’n situatie?
Hoe vaak is het de afgelopen vijf jaar gelukt om slachtoffers van achterlating of huwelijksdwang met ondersteuning van Nederlandse instanties terug te laten keren naar Nederland? In hoeveel gevallen is terugkeer niet gelukt, en wat waren daarvoor de belangrijkste redenen?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar aangifte gedaan van huwelijksdwang of aanverwante strafbare feiten en hoe vaak heeft dit geleid tot opsporing, vervolging of veroordeling?
Ziet u juridische of praktische knelpunten bij het strafrechtelijk aanpakken van daders wanneer dwang, achterlating of het gedwongen huwelijk deels in het buitenland plaatsvindt?
Wordt bij signalen van huwelijksdwang of achterlating standaard gekeken naar bredere risico’s van eergerelateerd geweld, psychische druk, controle, mishandeling of bedreiging binnen het gezin of de familiekring?
Bent u bereid om samen met het LKHA, Veilig Thuis, onderwijsinstellingen en gemeenten vóór iedere zomervakantie een terugkerende landelijke signaleringsaanpak te organiseren, zodat professionals en omstanders tijdig weten wat zij kunnen doen?
Bent u bereid de Kamer in het najaar te informeren over het aantal meldingen in de zomerperiode, de aard van deze meldingen, de opvolging daarvan en eventuele knelpunten in preventie, signalering, hulpverlening, terugkeer en strafrechtelijke aanpak?
Structurele financiering voor dierenhulp bij rampen |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
van Essen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de projectsubsidie vanuit de Ministeries van Justitie en Veiligheid (J&V) en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), verleend aan Stichting Dieren in Rampen ten behoeve van de uitvoering van de motie-Wassenberg (Kamerstuk 29 517, nr. 218) en motie-Wassenberg c.s. (Kamerstuk 29 517, nr. 249), loopt tot april 2027?
Deelt u de mening dat wanneer dieren niet zijn meegenomen in crisisplannen en hulpverlening, dit aantoonbaar leidt tot risico’s voor de veiligheid, bijvoorbeeld wanneer mensen weigeren te evacueren, terugkeren naar onveilige gebieden en extra risico’s nemen om hun dieren te redden?
Kunt u beschrijven wat de gevolgen kunnen zijn van vertraagde evacuaties en de vergrote druk op hulpdiensten die hieruit voortvloeit?
Deelt u de mening dat Stichting Dieren in Rampen een waardevolle bijdrage levert en kan blijven leveren aan het waarborgen en coördineren van professionele dierenhulp bij grootschalige incidenten, rampen en crises in nauwe aansluiting op de crisisbeheersing? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe dierenhulporganisaties worden betrokken bij de concrete regionale uitwerking van een hoofddoelstelling van ons Landelijk Crisisplan Natuurbranden: het redden van mensen en dieren, inclusief de overweging van ontruiming en evacuatie?
Kunt u aangeven hoe, in navolging van het Landelijk Crisisplan Natuurbranden, ook in andere (nieuwe) relevante crisis- en weerbaarheidsplannen wordt geborgd dat dieren en dierenhulpverleners expliciet worden opgenomen? Wordt Stichting Dieren in Rampen hierbij actief uitgenodigd om input te leveren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te komen met structurele en uitgebreidere financiering voor Stichting Dieren in Rampen, zodat opgebouwde kennis, infrastructuur en samenhang niet verloren gaan en de verdere integratie van dieren in de crisisstructuur kan worden voortgezet?
Bent u bereid het belang van dierenhulp als onderdeel van nationale weerbaarheid expliciet te erkennen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het bericht 'Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouwen die suïcide plegen, blijken opvallend vaak slachtoffer van huiselijk geweld»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen van Nederlandse deskundigen over het verband tussen huiselijk geweld en suïcide?
Uit een eerste onderzoek van de Universiteit Leiden en Forensische Artsen Rotterdam-Rijnmond (FARR) blijkt uit bijna 550 schouwverslagen van vrouwen die zijn overleden door suïcide, dat een significant deel van deze vrouwen ook zijn blootgesteld aan geweld. Deze eerste resultaten baren mij zorgen en zijn voor mij aanleiding om een driejarig vervolgonderzoek door de Universiteit Leiden mede te financieren, samen met de gemeenten Amsterdam en mogelijk ook Rotterdam. Ook ga ik in gesprek met de politie om te bezien hoe eventuele signalen van huiselijk geweld nu al – vooruitlopend op de uitkomsten van dit vervolgonderzoek – beter kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken.
Ieder jaar overlijden in Nederland ongeveer 1.800 mensen door suïcide, van wie ongeveer 1.200 mannen en 600 vrouwen.2 We weten ook dat huiselijk geweld en kindermishandeling in Nederland een groot probleem vormen. Naar schatting worden ongeveer 1,3 miljoen mensen van 16 jaar en ouder slachtoffer van huiselijk geweld.3 En dit huiselijk geweld kan leiden tot moord of doodslag, waarvan meestal vrouwen het slachtoffer zijn.4 Wat we nog niet goed weten is wat het verband is tussen suïcide, moord/doodslag en huiselijk geweld. Dit is tot nu toe nauwelijks systematisch onderzocht. We weten wel op basis van gesprekken met nabestaanden dat er slachtoffers zijn van huiselijk geweld die suïcide hebben gepleegd, om te ontsnappen aan hun uitzichtloze geweldssituatie of onder bedreiging door de geweldspleger. Ook zijn er zaken waarin de pleger van moord of doodslag het doet vóórkomen dat het slachtoffer suïcide heeft gepleegd. Maar hoe vaak dit alles in Nederland voorkomt is vooralsnog niet bekend. Hierdoor blijft dit verband tussen huiselijk geweld en (ogenschijnlijke) suïcide ook grotendeels onzichtbaar voor hulpverleners, forensisch artsen en de politie.
Met de financiering van het vervolgonderzoek kan het bestaande onderzoek worden opgeschaald naar landelijk niveau en kunnen de eerdere onderzoeksresultaten worden verrijkt met aanvullende data, waaronder die van de politie. Op basis van het vervolgonderzoek moet een scherper beeld komen van de mate waarin huiselijk geweld een rol speelt bij suïcides. Daarnaast kan dit onderzoek de basis vormen voor nieuwe richtlijnen, zodat hulpverleners, politie, forensisch artsen en pathologen signalen van suïcide als gevolg van huiselijk geweld beter kunnen herkennen. Zo kunnen zij beter inschatten of nader onderzoek nodig is in zaken waarin ogenschijnlijk sprake is van suïcide. Op basis daarvan kan onderbouwd antwoord gegeven worden op de vraag of het in deze zaken daadwerkelijk om suïcide gaat of dat er mogelijk ook anderen betrokken zijn bij het overlijden van het slachtoffer en een strafrechtelijk onderzoek nodig is.
Deze beoogde praktijkverbetering is ook relevant in het licht van het Wetsvoorstel inzake de Wet bestemming van lichamen van overledenen (Wblo). Dit wetsvoorstel verduidelijkt onder andere de bevoegdheden van politie en geeft de forensisch arts meer bevoegdheden om na overlijden onderzoek te doen.
Herkent u het beeld dat huiselijk geweld, psychische mishandeling, stalking en dwingende controle belangrijke risicofactoren zijn voor suïcidaliteit onder vrouwen? Zo ja, op welke manier wordt hiermee rekening gehouden in beleid en praktijk?
Ja, op basis van het voornoemde eerste onderzoek van de Universiteit Leiden en FARR en op basis van gesprekken met nabestaanden herken ik dat beeld. En ook in internationale wetenschappelijke literatuur wordt dit beeld bevestigd.5 De aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling is erop gericht om dit geweld te voorkomen, en als het plaatsvindt, om dit geweld te stoppen en verdere escalatie en dodelijk geweld (waaronder suïcide) te voorkomen. Daarbij is specifieke aandacht voor vormen van geweld die vaak minder zichtbaar zijn, zoals psychische mishandeling en dwingende controle. Het kabinet werkt aan verschillende maatregelen om de aanpak van deze vormen van geweld te versterken. Zo is op 29 juni 2026 een wetsvoorstel in internetconsultatie gebracht waarmee psychische mishandeling en dwingende controle strafbaar worden gesteld. Dit wetsvoorstel beoogt bij te dragen aan een betere herkenning en aanpak van deze vormen van geweld en biedt, naast de bestaande mogelijkheden, een aanvullend strafrechtelijk instrument om slachtoffers beter te beschermen en plegers van geweld aan te pakken. Samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en met gemeenten en betrokken organisaties en experts werk ik aan het versterken van de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling. Ik verwijs u onder meer naar de recente brief over de voortgang van de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling.6
Zijn er cijfers bekend waaruit blijkt in hoeveel gevallen van suïcide sprake was van (een voorgeschiedenis van) huiselijk geweld? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken hoe dit beter in beeld kan worden gebracht?
Nee, dit zal worden onderzocht door de Universiteit Leiden, zoals vermeld in het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid te bezien of de registratie van huiselijk geweld, suïcidepogingen en suïcides beter op elkaar kan worden aangesloten, zodat patronen eerder kunnen worden herkend en gerichter beleid kan worden ontwikkeld? Zo nee, waarom niet?
Bij suïcidepogingen komt de politie meestal niet ter plaatse; eventueel komen er wel hulpverleners bij. Met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zal ik bespreken of en hoe hulpverleners die in deze gevallen betrokken worden een eventueel verband tussen huiselijk geweld en de suïcidepoging zouden kunnen herkennen en wat mogelijk is op het gebied van registratie. Bij overlijdens vermoedelijk als gevolg van suïcide doen een forensisch arts en nagenoeg altijd de politie onderzoek. Zoals vermeld in antwoord op vraag 2 zal ik met de politie bespreken hoe eventuele signalen van huiselijk geweld beter kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken; ook registratie komt hierbij aan de orde.
Wat zijn op dit moment de mogelijkheden voor politie en het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen wanneer er aanwijzingen zijn dat huiselijk geweld, psychische mishandeling of dwingende controle hebben bijgedragen aan een suïcide?
Na een ogenschijnlijke suïcide doen een forensisch arts en nagenoeg altijd de politie onderzoek. Bij dit onderzoek kijkt de politie ook naar de context, mede op basis van wat er over de overledene bekend is in de politiesystemen. De forensisch arts kan contact opnemen met betrokken zorgverleners om navraag te doen over het medisch dossier. Uit dit onderzoek kunnen signalen naar voren komen die aanleiding geven tot het doen van strafrechtelijk onderzoek.
Het bovengenoemde vervolgonderzoek beoogt beter zicht te krijgen op de genoemde aanwijzingen. Vooruitlopend daarop zal ik met de politie in overleg treden hoe signalen van huiselijk geweld beter en eerder kunnen worden betrokken bij vermoedelijke suïcide-zaken.
Bent u bekend met het fenomeen «staged suicide», waarbij een overlijden ten onrechte als suïcide wordt aangemerkt terwijl sprake kan zijn van een misdrijf? Zo ja, in hoeverre komt dit volgens u voor in Nederland?
Ja, ik ben bekend met het fenomeen staged suicide en dit komt voor in Nederland. Ik verwacht met bovengenoemd vervolgonderzoek van de Universiteit Leiden een scherper beeld hiervan te kunnen krijgen.
Bent u bereid onderzoek te laten doen naar de aard en omvang van staged suicide in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie het antwoord op vraag 2.
In hoeverre kan het aangekondigde wetsvoorstel over de strafbaarstelling van psychisch geweld bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling mogelijk leidt tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide?
Met het wetsvoorstel met betrekking tot de verruiming van de strafbaarheid van psychisch geweld, in combinatie met beleidsmaatregelen zoals publiekscampagnes, deskundigheidsbevordering en verbetering van veiligheids- en risicotaxatie en dossiervorming, verwacht ik dat dwingende controle, psychische mishandeling en stalking beter strafrechtelijk kunnen worden aangepakt. Dit moet de betrokken organisaties extra handvatten bieden om deze vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling te stoppen, zodat slachtoffers in veiligheid kunnen leven en zodat plegers hun schadelijke gedrag stoppen. Zodoende zou dit wetsvoorstel kunnen bijdragen aan het voorkomen, signaleren en opsporen van situaties waarin langdurige psychische mishandeling kan leiden tot suïcide of waarbij sprake kan zijn van staged suicide.
Op welke wijze wordt binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als specifieke risicogroep?
In de vierde Landelijke Agenda Suïcidepreventie die op 24 maart jl. door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met uw Kamer is gedeeld7 is niet specifiek aandacht besteed aan slachtoffers van huiselijk geweld als risicogroep. Wel is er een aantal projecten binnen deze agenda waar vaker mensen te vinden zullen zijn die verhoogd risico lopen op overlijden door suïcide, zo mogelijk ook in verband met huiselijk geweld. Dat zijn: Sumona (het programma «suïcidepreventie, monitoring en nazorg» voor mensen die een poging tot suïcide hebben ondernomen), Ter Plekke (een programma voor first responders) en Regio’s (project waarin samenwerkingspartners worden geholpen om regionale vangnetten te creëren voor specifieke groepen).
113 Zelfmoordpreventie zal als onderdeel van het in antwoord op vraag 2 genoemde onderzoek van de Universiteit Leiden een onderzoek uitvoeren met de werktitel «Verborgen fataal geweld: mechanismen onderliggend aan de link tussen huiselijk geweld en suïcide». De planning is dat dit onderzoek in het voorjaar van 2027 gereed is. De bevindingen zullen op dat moment ook met behulp van een factsheet worden gepubliceerd en beschikbaar worden voor hulpverleners.
De voorgenomen aanscherping van de Wapenwet |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het kabinet de Wapenwet wil aanscherpen met onder meer psychologische en lichamelijke controles voor houders van een wapenverlof?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Erkent u dat houders van een wapenverlof reeds behoren tot de strengst gecontroleerde burgers van Nederland en zich moeten houden aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften?
Het stelsel rond legaal wapenbezit is in opzet stringent en legt aan (aanstaande) verlofhouders verplichtingen op. De Wet wapens en munitie (WWM) gaat er immers vanuit dat legaal wapenbezit en -gebruik risico’s voor anderen en de openbare orde en veiligheid met zich brengen en het veiligheidsgevoel van burgers kunnen aantasten. Om die reden zijn wapens dan ook bij uitgangspunt wettelijk verboden voor alle burgers. Zoals verankerd in de WWM, staat de overheid een vergunning voor een wapen alleen toe wanneer er sprake is van een redelijk belang en wanneer er geen vrees voor misbruik bestaat; dat laatste is één van de belangrijkste weigeringsgronden. Deze waarborgen worden in de praktijk vormgegeven via vergunningplichten, antecedenten- en betrouwbaarheidstoetsen, eisen aan veilige opslag en periodieke herbeoordelingen.
De stringente uitgangspunten van de wet zijn in de praktijk niet op alle onderdelen goed uitgewerkt. De Onderzoeksraad voor de Veiligheid heeft in 2011 gesignaleerd dat de toepassing van de criteria «redelijk belang» en «vrees voor misbruik» uiteenloopt en dat onvoldoende helder is welke feiten en omstandigheden bij die beoordeling zwaarder moeten wegen. Daarnaast zijn er zwakke plekken in stelsel en uitvoering benoemd en blijkt dat het stelsel in de praktijk als ontoegankelijk wordt ervaren. In 2022 is de e-screener opgeschort en is het WM32-formulier tijdelijk ingevoerd om de psychische gesteldheid te toetsen. Deze werkwijze is gebaseerd op zelfverklaring en referenten en heeft wel waarde heeft maar is geen toereikend instrument is voor het toetsen van de fysieke en psychische gesteldheid.2 In 2024 ontving uw kamer het verslag van kennistafels die zich hadden gebogen over suggesties voor een definitieve oplossing.3 Deze bevindingen worden meegenomen in de nadere uitwerking van de toetsen voor fysieke en psychische gesteldheid.
Kortom: ik erken dat verlofhouders zijn onderworpen aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften; die noodzakelijk zijn gelet op het uitgangspunt «wettelijk verboden voor alle burgers». Tegelijk constateer ik dat dit stelsel op onderdelen onvolledig, ineffectief, onduidelijk of juridisch ontoereikend is. Daarom werk ik aan verduidelijking en versterking van de toepassing van «redelijk belang» en «vrees voor misbruik», aan meer uniformiteit in de beoordeling, aan een robuustere toetsing van de fysieke en psychische geschiktheid die verder gaat dan zelfverklaring, en aan verbetering van de gebruikte instrumenten. Zo blijft de bescherming van de openbare orde en de veiligheid van burgers leidend en wordt deze in de praktijk beter geborgd.
Waarom kiest u ervoor opnieuw extra verplichtingen op te leggen aan legale jagers, sportschutters en verzamelaars, terwijl het illegale wapenbezit onder criminelen onverminderd groot blijft? Heeft u dan wel de prioriteiten op orde?
Dit is geen kwestie van óf-óf. De aanpak van illegaal wapenbezit en het borgen van een veilig en zorgvuldig stelsel voor legaal wapenbezit zijn twee verschillende maar beide noodzakelijke sporen.
Ik zet in op de aanpak van illegale wapens. Per 1 juli 2026 is de maximumgevangenisstraf voor onder meer het in strijd met de wet vervaardigen of voorhanden hebben van illegale wapens verdubbeld van 4 naar 8 jaar4. Politie en OM zetten hier hard op in: tijdens een recente landelijke actiedag zijn tientallen vuurwapens aangetroffen en 14 verdachten aangehouden. Daarnaast wordt gericht geïnvesteerd in preventie, onder meer via een educatief pakket op scholen over «life skills» zoals conflicthantering (Voel je veilig), om de weerbaarheid van jongeren te vergroten en wapenbezit te voorkomen.
Het stelsel voor legaal wapenbezit zoals uitgewerkt in de Wet wapens en munitie is een ander vraagstuk. In Nederland geldt een verbod op wapenbezit, via vergunningen kunnen daarop uitzonderingen worden gemaakt voor een beperkt aantal gerechtvaardigde toepassingen. Als overheid hebben we de verantwoordelijkheid om die uitzonderingen zó in te richten dat toepassingen daadwerkelijk gerechtvaardigd kunnen worden naar de samenleving en om te zorgen voor eisen en voorschriften die het risico op misbruik beperken. De verplichtingen voor verlofhouders zijn noodzakelijke waarborgen om de openbare orde en veiligheid te beschermen.
Klopt het dat politie en justitie nu al moeite hebben om alle bestaande controles en toezichtmaatregelen rond verlofhouders uit te voeren? Zo ja, waarom acht u verdere uitbreiding van het stelsel dan uitvoerbaar? Zo nee, waar blijkt dat uit?
De overheid heeft de verantwoordelijkheid om alleen vergunningen te verlenen aan personen indien toereikende eisen en voorschriften worden gesteld aan de aanvrager of houder van een vergunning en getoetst wordt of aan de eisen en voorschriften wordt voldaan. De overheid dient ook te voorzien in controle en toezicht op de personen en na te gaan of zij zich houden aan de eisen en voorschriften van de vergunning.
De aanpassingen voor nieuw beleid en wetgeving zijn erop gericht om heldere en eenduidige eisen en voorschriften te stellen aan aanvragers en houders van een wapenvergunning. Deze eisen en voorschriften zijn veelal een uitwerking van de uitgangspunten van de huidige wet- en regelgeving. Zo dient een aanvrager of houder van een wapenvergunning te worden getoetst op risicofactoren waaronder de psychische gesteldheid met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen, zoals voorgeschreven in de Circulaire wapens en munitie.
In aanloop naar nieuwe wetgeving wordt tussentijds gekeken naar, waar dat mogelijk is, het verlichten van de administratieve druk, digitalisering van het administratieve aanvraagproces wat ook voor de aanvragers en houders druk wegneemt, en het verbeteren van de gegevensuitwisseling tussen uitvoeringsdiensten. Het is de taak van de overheid om te bepalen wat een zinvolle en gerechtvaardigde toepassing is voor wapens door burgers en in welke gevallen we dus een uitzondering op het wapenverbod voor burgers willen toestaan. De lastenverzwaring voor uitvoeringsdiensten zal zo veel mogelijk worden beperkt door het opstellen van helder beleid op gerechtvaardigde toepassingen van de betrokken ministeries.
Op basis van welke concrete cijfers concludeert u dat psychologische en lichamelijke keuringen van alle verlofhouders daadwerkelijk zullen leiden tot een veiliger Nederland?
Het door de overheid verlenen van een wapenvergunning is een uitzondering op het algemene wapenverbod voor burgers. In de toekomst zal dit alleen gebeuren indien een psychologisch onderzoek bij aanvragers en houders is afgenomen. De overheid heeft immers een actieve plicht om ervoor te zorgen dat er enkel vergunningen worden verleend aan mensen die daar psychisch gezien op een verantwoorde manier mee om kunnen gaan. Steeds meer Europese landen stellen dergelijke psychologische onderzoeken verplicht aan aanvragers en houders van vergunningen.
Net als mijn voorganger, hanteer ik het uitgangspunt dat de overheid geen wapenvergunningen dient te verlenen aan personen met risicofactoren en dat hiertoe een psychologisch onderzoek moet worden doorlopen om vast te stellen of bij personen al dan niet indicaties van een risico aanwezig zijn.5 Het belang van de samenleving gaat altijd boven de aanvrager of houder van een wapenvergunning.
Waarom richt u zich op burgers die reeds bekend zijn bij de overheid, beschikken over een vergunning en zich al aan uitgebreide regels houden, in plaats van de aanpak van illegaal wapenbezit en vuurwapengeweld verder op te voeren?
Zoals toegelicht bij het antwoord bij vraag 3 is dit geen kwestie van óf-óf. De aanpak van criminaliteit en het borgen van een veilig en zorgvuldig stelsel voor legaal wapenbezit zijn twee verschillende maar beide noodzakelijke sporen.
De overheid heeft de verantwoordelijkheid om zorgvuldig en uitlegbaar beleid te maken bij het toestaan van uitzonderingen op het algemene verbod op wapens voor burgers. Dit betekent dat de beoogde toepassingen van de wapens gerechtvaardigd kunnen worden naar de samenleving en dat er toereikende eisen en voorschriften worden gesteld die het risico op misbruik beperken.
Deelt u de opvatting dat het wrang is dat legale verlofhouders opnieuw worden geconfronteerd met extra controles, keuringen en beperkingen, terwijl veel Nederlanders dagelijks zien dat vuurwapengeweld, straatterreur en ernstige criminaliteit door veelplegers een steeds groter probleem vormen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Welke problemen worden met deze maatregelen opgelost die niet reeds met de bestaande bevoegdheden, controles en screenings kunnen worden aangepakt?
In mijn brief van 17 juni jl. zijn de contouren van de nieuwe wet omschreven die de oorspronkelijke fundamenten van de wet beogen te herstellen en die de uitzonderingen op het verbod strikt, uitlegbaar en navolgbaar beogen te begrenzen. Zoals uit de Kamerbrief blijkt, gaat het over een stelselwijziging die invloed heeft op de uitgangspunten en de opbouw van de wet. De maatregelen in de stelselwijziging adresseren onder meer: het ontbreken van een toereikend instrument voor psychische beoordeling en het ontbreken van eisen aan fysieke geschiktheid; het (tegenwettelijk) neerleggen van de feitelijke beslissingsbevoegdheid bij verenigingen; ontbreken van verankerde bekwaamheidseisen (m.u.v. jacht); risico’s van thuisbewaring en transport; onvoldoende zicht en traceerbaarheid van munitie, en verhoging van gevaarzetting van wapens door technologische ontwikkelingen (zoals zware luchtdrukwapens); inconsistente regelgeving en gegevensuitwisseling; niet-kostendekkende uitvoering en wisselende kwaliteit bij uitvoeringsdiensten.
Bent u bereid af te zien van nieuwe lasten voor legale verlofhouders zolang niet is aangetoond dat de bestaande regelgeving onvoldoende is en zolang de handhaving van de huidige regels niet volledig op orde is? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 17 juni jl. beschrijf ik de noodzaak van nieuw beleid en wetgeving en een stelselherziening om de genoemde tekortkomingen te adresseren. Hierbij wordt zorgvuldig gewerkt: maatregelen worden uitgewerkt met uitvoeringstoetsen op proportionaliteit en haalbaarheid, en waar mogelijk worden knelpunten die geen wetswijziging vergen eerder aangepakt. Daarmee wordt zowel handhaving versterkt als regelgeving verbeterd.
Tevens staat in mijn brief van 17 juni jl. opgenomen dat het uitgangspunt voor wetgeving is dat degene die profijt heeft van de vergunning, de kosten die de overheid maakt voor de vergunningverlening, controle en toezicht dient te vergoeden. Eerder heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid aangegeven dat een kostendekkend stelsel gewenst is, zodat de financiële lasten niet bij de overheid liggen.6 Momenteel inventariseert een extern onderzoeksbureau de totale kosten van het stelsel en wordt er een onderbouwd kostprijsmodel ontwikkeld ten behoeve van het innen van onkostenvergoedingen.
Het bericht ‘Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD), Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hakenkruizen en vandalisme: grote zorgen bij moslimorganisaties na incidenten»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onacceptabel is dat burgers geïntimideerd worden met geweld, vandalisme en discriminerende symbolen?
Iedereen in Nederland moet zich veilig kunnen voelen en moet zijn of haar geloof vrij kunnen belijden, zonder geconfronteerd te worden met intimidatie, bedreiging of vernieling van religieuze gebouwen. Incidenten waarbij sprake is van geweld, vernieling of discriminerende uitingen zijn ernstig en onacceptabel. Wanneer dergelijke gedragingen gericht zijn tegen personen of groepen vanwege bijvoorbeeld hun godsdienst, kan sprake zijn van strafbare feiten met een discriminatoir aspect. Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) om in individuele gevallen te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of een discriminatoir motief onderdeel uitmaakt van het delict.
Herkent u het geschetste beeld dat er sprake lijkt te zijn van een toename van gewelds- en vandalisme-incidenten bij moskeeën?
Er bestaat geen afzonderlijke landelijke registratie waarin alle incidenten met geweld en/of vandalisme rond moskeeën als aparte categorie worden geregistreerd. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat sprake is van een structurele landelijke toename van gewelds- en vandalisme-incidenten specifiek gericht tegen moskeeën. Wel is bekend dat islamitische gemeenschappen en moskeeën in Nederland te maken krijgen met bedreigingen, discriminatie, vernielingen en andere vormen van intimidatie. Elk incident is er één te veel.
Gezien de hoeveelheid incidenten en de specifieke kenmerken ervan, in hoeverre is hier naar uw mening sprake van een patroon van gerichte aanvallen met een discriminerend karakter?
Bij incidenten waarbij mogelijk sprake is van een discriminatoir motief wordt dit nadrukkelijk betrokken bij de beoordeling en strafrechtelijke opvolging.
Op basis van de beschikbare informatie kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een landelijk patroon van aanvallen tegen moskeeën. Wel kunnen individuele incidenten een discriminerend karakter hebben en als zodanig worden onderzocht en aangepakt. Het is aan politie en OM om per individuele zaak onderzoek te doen naar de omstandigheden en eventuele motieven van de dader(s).
Wat gaat u doen om een voortzetting van de reeks incidenten tegen te gaan, daders aan te pakken en slachtoffers te beschermen?
De aanpak van geweld, discriminatie en intimidatie bestaat uit verschillende onderdelen. Politie en OM zetten zich in voor opsporing en vervolging van daders. Daarbij wordt, wanneer daar aanleiding toe bestaat, rekening gehouden met een mogelijk discriminatoir aspect.
In dat kader gaat mijn ministerie onder meer in gesprek met vertegenwoordigers van de moslimgemeenschap om signalen en ervaringen op te halen. Op basis van deze verkenning zal worden bezien welke eventuele aanvullende maatregelen of verbeteringen in de aanpak nodig zijn.
Verder werkt de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) momenteel aan een advies aan het kabinet voor een nationaal plan tegen moslimdiscriminatie. De uitkomsten daarvan zullen worden betrokken bij de verdere beleidsontwikkeling.
Heeft u veiligheidsmaatregelen getroffen naar aanleiding van de recente incidenten? Zo ja, welke?
De verantwoordelijkheid voor het treffen van passende veiligheidsmaatregelen ligt op de eerste plaats bij deze instellingen zelf. De lokale driehoek kan aanvullende veiligheidsmaatregelen nemen als deze instellingen, redelijkerwijs op eigen kracht geen, of onvoldoende, weerstand kunnen bieden tegen de dreiging en het risico. Het treffen van aanvullende maatregelen gebeurt altijd op basis van actuele dreigingsinformatie en het risicobeeld.
Vanwege veiligheidsoverwegingen worden nooit publiekelijk mededelingen gedaan over de precieze invulling van (specifieke) beveiligingsmaatregelen.
Bent u bereid om met de belangenorganisaties die hun zorgen hebben uitgesproken in gesprek te treden over wat er nodig is om de veiligheid en het gevoel van veiligheid te herstellen en moslimdiscriminatie tegen te gaan en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Het kabinet vindt het belangrijk om in gesprek te blijven met vertegenwoordigers van religieuze gemeenschappen en maatschappelijke organisaties over signalen uit de praktijk, ervaren veiligheid en de aanpak van discriminatie. Mijn ministerie voert daarnaast reeds gesprekken met de gemeenschappen om op te halen wat nodig is in de aanpak van geweld tegen moskeeën. Waar relevant worden de uitkomsten hiervan betrokken bij het beleid en de verdere aanpak van discriminatie en veiligheidsvraagstukken.
Kunt u uw reactie in het NOS-bericht, waarin u stelt dat u extra middelen voor de bescherming van moskeeën niet aan de orde acht, verder toelichten?
Een uitbreiding van middelen specifiek gericht op moskeeën acht het kabinet op dit moment niet noodzakelijk. Indien uit dreigingsanalyses of concrete risico’s blijkt dat aanvullende maatregelen nodig zijn, worden deze getroffen.
De beoordeling of aanvullende veiligheidsmaatregelen nodig zijn vindt plaats op basis van actuele dreigingsinformatie en het lokale veiligheidsbeeld. De verantwoordelijkheid voor het treffen van passende maatregelen ligt daarbij primair bij het lokale gezag.
Klopt het dat er geen centrale registratie bestaat van het aantal incidenten met geweld en/of vandalisme rond moskeeën?
Er bestaat geen afzonderlijke landelijke registratie waarin alle incidenten met geweld en/of vandalisme rond moskeeën als aparte categorie worden geregistreerd. Incidenten worden geregistreerd op basis van het gepleegde strafbare feit en eventuele discriminatieaspecten. Daarbij kan uit de registratie niet in alle gevallen worden afgeleid of een incident heeft plaatsgevonden bij een moskee of andere religieuze instelling.
Tot voor kort werd moslimdiscriminatie binnen de strafrechtelijke registraties onder de discriminatiegrond godsdienst geregistreerd. Inmiddels is moslimdiscriminatie als aparte categorie opgenomen in de registratie. De bestaande registraties bieden daarmee beter inzicht in incidenten waarbij sprake is van moslimdiscriminatie. Dit laat onverlet dat geen afzonderlijke landelijke registratie bestaat van alle incidenten met geweld en/of vandalisme gericht tegen moskeeën als object.
Bent u bereid blijvend te inventariseren hoe vaak dergelijke incidenten plaats hebben gevonden en plaatsvinden rond moskeeën en andere religieuze instellingen die geregeld doelwit van intimidatie zijn, zodat inzichtelijk kan worden of nadere veiligheidsmaatregelen nodig zijn?
Het kabinet vindt het belangrijk om de veiligheid van religieuze instellingen, waaronder moskeeën, blijvend aandacht te geven. Daarom verken ik momenteel hoe de aanpak van de veiligheid van moskeeën en andere islamitische instellingen verder kan worden versterkt. In dat kader gaat mijn ministerie onder meer in gesprek met vertegenwoordigers van de moslimgemeenschap om signalen, ervaringen en eventuele knelpunten op te halen.
Op basis van deze verkenning zal worden bezien op welke onderdelen versterking van de aanpak wenselijk is. Daarbij wordt ook betrokken of de bestaande instrumenten en werkwijzen toereikend zijn om de veiligheid van religieuze instellingen te waarborgen.
Het Centrum Seksueel Geweld als toegangspoort voor zedenzaken |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uiteenzetten hoe de huidige instroom van meldingen, aangiften en signalen van seksuele misdrijven verloopt en welke rol het Centrum Seksueel Geweld (CSG) daarin momenteel vervult?
Slachtoffers van seksuele misdrijven kunnen zich bij verschillende organisaties melden. Een groot deel van de slachtoffers die zich melden, meldt zich bij de politie. Daarnaast melden slachtoffers zich bij het Centrum Seksueel geweld (hierna: CSG) of Slachtofferhulp Nederland (SHN). Ook bij Veilig Thuis komen signalen van seksueel geweld binnen. Als een melding binnenkomt bij de politie dan verwijst de politie – indien daartoe aanleiding bestaat en het slachtoffer dit wenst – door naar CSG, SHN en Veilig Thuis. Een groot deel van de CSG aanmeldingen komt vanuit de politie. Het CSG biedt 24/7 professionele hulp aan slachtoffers van seksueel geweld en werkt daarin samen met artsen, verpleegkundigen, de politie en hulpverleners. Het CSG is operationeel op 16 locaties in Nederland en heeft daarmee een landelijke dekking, waarbij elke regionale CSG een samenwerkingsverband behelst van meerdere en variërende lokale instanties. Met deze lokale inbedding, de landelijke dekking en de specialistische kennis op het terrein van seksueel geweld, is het CSG een belangrijke netwerkpartner. Slachtoffers krijgen na aanmelding één vaste casemanager. Deze casemanager beoordeelt de situatie van het slachtoffer altijd op de noodzaak tot forensisch onderzoek (ten behoeve van een eventuele strafzaak), medische zorg, juridische ondersteuning en psychologische zorg en leidt toe naar deze zorg. Vervolgens biedt de casemanager de eerste periode na de melding traumagerichte begeleiding om het herstel te bevorderen, en coördineert de casemanager de ingezette multidisciplinaire zorg.
Indien het slachtoffer dit wenst kan het CSG doorverwijzen naar de politie voor het doen van aangifte of eerst doorverwijzen naar een slachtofferadvocaat of juridisch medewerker van SHN voor juridische ondersteuning bij het doen van aangifte. Dit geldt ook andersom: partners verwijzen het slachtoffer indien gewenst door naar het CSG. De behoefte van het slachtoffer is hierin leidend.
Hoe verloopt de samenwerking tussen het CSG, de politie, de zedenrecherche, het Openbaar Ministerie en Slachtofferhulp Nederland in de praktijk?
Het CSG is een samenwerkingsverband dat expertise bundelt uit zorg, strafrecht en veiligheid, waaronder de politie. De samenwerking tussen de in de vraag genoemde partijen is de afgelopen jaren geïntensiveerd. Uit het onderzoeksrapport «laagdrempelige hulp voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties» uit 2024 van het Verwey-Jonker instituut bleek dat – met het brede aanbod als het gaat om hulp en ondersteuning van onder meer slachtoffers van seksueel geweld – slachtoffers niet altijd goed weten waar zij terecht kunnen omdat het aanbod versnipperd is, de hulp niet altijd aansluit bij de behoeften van slachtoffers en slachtoffers vaak meerdere keren hun verhaal moeten doen voordat zij op de juiste plek terecht komen.1 Daarnaast bestaan er regionale verschillen als het gaat om de samenwerking, waardoor de geboden zorg en ondersteuning aan slachtoffers niet overal hetzelfde is.
Om de genoemde knelpunten weg te nemen, hebben de bij slachtoffers van seksueel geweld betrokken organisaties2 een position paper opgesteld met daarin de ambitie om te komen tot betere samenwerking. Om hieraan uitwerking te geven hebben de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in samenwerking met de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG), de organisaties gefaciliteerd bij het ontwikkelen van een «nieuwe» werkwijze onder de noemer «goed georganiseerd hulplandschap voor slachtoffers van seksueel geweld», kortgezegd «Gezamenlijke Aanpak triage en regie». De werkwijze – die is uitgewerkt door professionals van de betrokken organisaties – stelt de behoeften van slachtoffers en hun (in)directe omgeving centraal en ziet erop toe dat partijen samenwerken om te komen tot de meest passende inzet op het gebied van veiligheid, zorg (medisch, forensisch en/of psychologisch), herstel en ondersteuning in het strafproces. De werkwijze bestaat kort gezegd uit drie kernelementen:
De werkwijze is eind 2025 en begin 2026 in twee regio’s getest en ook geëvalueerd, zowel op uitvoerbaarheid als op proces. Het procesevaluatierapport is op 9 juli jl. aan uw Kamer aangeboden3. Uit de evaluatie blijkt dat de ontwikkelde werkwijze op basis van (internationaal) wetenschappelijk onderzoek positief kan bijdragen aan de mate waarin slachtoffers zich geholpen voelen. Uit het rapport blijkt ook dat de rollen en taken van het CSG, SHN en ook Veilig Thuis niet op alle punten helder zijn afgebakend en dat een overlap daarin een goede samenwerking tussen deze partijen in de weg kan staan bij de hulp aan slachtoffers. Dit najaar stuurt de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid u, mede namens de Minister voor Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, de beleidsreactie op dit rapport, tezamen met de door PricewaterhouseCoopers (hierna: PWC) opgestelde uitvoerbaarheidstoets. In deze brief zal uw Kamer ook worden geïnformeerd over de besluitvorming met betrekking tot een mogelijk landelijke uitrol van de werkwijze en de wijze waarop voornoemde knelpunten in de samenwerking zullen worden geadresseerd en opgelost.
Welke gegevens worden tussen deze organisaties gedeeld, welke ICT-koppelingen ondersteunen deze gegevensuitwisseling en welke juridische of praktische belemmeringen bestaan daarbij?
Doorgeleiding van slachtoffergegevens van de politie naar SHN gaat automatisch via het politiesysteem, mits het slachtoffer hier geen bezwaar tegen heeft. Slachtofferhulp kan een slachtoffer dan actief benaderen voor ondersteuning. De doorverwijzing vanuit politie naar CSG vindt plaats via fysiek en telefonisch contact, of door het slachtoffer te informeren over de mogelijkheid om zelf contact op te nemen met het CSG. Een praktische uitdaging is dat het CSG regionaal is georganiseerd en bestaat uit samenwerkingsverbanden van verschillende moederorganisaties, zoals ziekenhuis, GGD, Veilig Thuis of GGZ. Daardoor verschillen systemen en informatievoorziening tussen regio's. In het kader van de Gezamenlijke Aanpak wordt onderzocht hoe noodzakelijke gegevensuitwisseling toekomstbestendig en uniform kan worden ingericht binnen de geldende privacywetgeving.
Hoe beoordeelt u de huidige capaciteit binnen de zedenketen, mede in het licht van vacatures, ziekteverzuim, doorlooptijden, werkvoorraden en een mogelijk verdere stijging van de instroom?
Een efficiënte en effectieve aanpak van zedenzaken heeft prioriteit omdat elk slachtoffer van seksueel geweld de bescherming, begeleiding en ondersteuning verdient die hij of zij nodig heeft. De zaakstroom zeden is bovendien één van de geprioriteerde zaakstromen van het Bestuurlijke Ketenberaad Strafrechtketen (BKB).
Binnen de politie zijn de teams opsporing seksuele misdrijven (voorheen «zedenrecherche») belast met de aanpak van seksuele misdrijven. De huidige bezetting van deze teams (672 FTE) blijft achter bij de formatie (708 FTE).4 Afgelopen jaren zijn verschillende investeringen gedaan ten behoeve van het uitbreiden van de formatie om de werkvoorraden terug te dringen en de verwachte stijging van het aantal meldingen en aangiften mede als gevolg van de invoering van de Wet seksuele misdrijven te kunnen opvangen. Door de pensioenuitstroom en de krappe arbeidsmarkt blijft het evenwel een uitdaging om de personele bezetting op peil te houden.
Om de doorlooptijden in zedenzaken te verkorten hebben de ketenpartners samen gewerkt in het Actieplan Versterken Ketenaanpak Zedenzaken. Ten behoeve van dit plan zijn maatregelen voorgesteld en doorgevoerd die structureel moeten bijdragen aan het verkorten van doorlooptijden en aan verdere professionalisering van de aanpak van zedenzaken. Het gaat onder meer om het optimaliseren van werkprocessen binnen en tussen organisaties, het prioriteren van zedenzaken bij de zittingsplanning, betere sturing op capaciteit en prioritering en meer maatwerk door een passende en betekenisvolle afdoening voor slachtoffers – of dat nu een strafrechtelijke afdoening is, begeleiding naar hulpverlening of toepassing van herstelrecht.
Ondanks al deze inspanningen blijven de teams opsporing seksuele misdrijven onder druk staan. Niet alleen door de personele bezetting die achterblijft bij de formatie, maar ook de hogere instroom (+ 9%) en de meer complexere (online) onderzoeken zorgen ervoor dat de streefnormen/ doorlooptijden (nog) niet worden behaald.
Zoals in eerdere brieven gemeld5 bestaat voor het verkorten van de doorlooptijden – zeker in zedenzaken – geen eenvoudige oplossing, maar de resultaten over 2024 laten zien dat de gezamenlijke inspanning die de strafrechtketen de afgelopen jaren heeft verricht resultaat begint op te leveren. Zoals gemeld in de voortgangsbrief over de strafrechtketen van 16 december 2025 bevestigen de cijfers tot en met juni 2025 deze voorzichtige tendens.6 Dit ondanks de hogere instroom, die mede het gevolg lijkt van de (publiciteit rondom de) Wet Seksuele Misdrijven. De organisaties in de strafrechtketen blijven ook in 2026 via de structuur van het actieplan nauw samenwerken en zich inspannen om de gezamenlijke aanpak van zedenzaken verder te versterken.
Bent u het ermee eens dat een vorm van triage aan de voorkant noodzakelijk kan zijn om schaarse opsporingscapaciteit zo effectief mogelijk in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat een vorm van triage noodzakelijk is, niet alleen om opsporingscapaciteit zo effectief mogelijk in te zetten, maar bovenal om goed aan te kunnen sluiten bij de behoeften en verwachtingen van slachtoffers en hen het beste aanbod te bieden met het oog op wat zij nodig hebben.
Er vindt op dit moment al triage plaats bij de teams opsporing seksuele misdrijven van de politie. Deze teams beoordelen of een strafrechtelijke interventie, een alternatieve interventie of een combinatie hiervan – gehoord ook de wensen van het slachtoffer – het meest passend is in de concrete zaak. Daarbij wordt ook beoordeeld om welk strafbaar feit het gaat en of sprake is van spoed en/of acute onveiligheid. Ook factoren als «kansrijkheid», impact en capaciteit worden hierin meegewogen. Op deze manier wordt de schaarse opsporingscapaciteit daar ingezet, waar een strafrechtelijk proces ook echt passend, haalbaar en helpend lijkt te zijn.
Met het inrichten van de Gezamenlijke Aanpak Triage en Regie wordt deze strafrechtelijke triage niet vervangen, maar aangevuld met multidisciplinaire triage. Hierdoor kan naast strafrechtelijke interventies ook vroegtijdig worden gekeken naar passende zorg, herstel, bescherming en ondersteuning.
Is in het verleden onderzocht of het CSG een formele intake-, poortwachters- of triagefunctie kan vervullen voor meldingen van seksuele misdrijven? Zo ja, wat waren de uitkomsten?
In de afgelopen periode is naar aanleiding van geconstateerde knelpunten een nieuwe werkwijze ontwikkeld om de zorg en ondersteuning aan slachtoffers van seksueel geweld beter te organiseren. Zie ook het antwoord op vraag 2.
De werkwijze gaat ervan uit dat de verschillende voornoemde organisaties goed samenwerken en triëren, zodat het niet uitmaakt waar een slachtoffer zich meldt en het in alle gevallen goed geholpen wordt. Organisaties brengen elk hun eigen verantwoordelijkheid en kennis in op het gebied van strafrecht, veiligheid, ondersteuning, herstel en zorg. Zo wordt ook voorkomen dat medische, veiligheids- en strafrechtelijke aspecten los van elkaar worden beoordeeld. Eén partij hiervoor verantwoordelijk maken komt niet tegemoet aan de noodzaak om deze verschillende perspectieven/expertises bij elkaar te brengen. Daarnaast hebben politie en OM hun eigenstandige rol als het gaat om opsporing en vervolging.7
Welke wettelijke, organisatorische, financiële, privacyrechtelijke of andere belemmeringen staan een dergelijke rol van het CSG eventueel in de weg?
Zie antwoord vraag 6.
Welke voordelen en risico’s ziet u in een grotere rol van het CSG bij de beoordeling, doorgeleiding en prioritering van meldingen van seksuele misdrijven?
Het CSG is een samenwerkingsverband dat expertise bundelt uit zorg, strafrecht en veiligheid, waaronder de politie. Het CSG heeft geen rol in een betere selectie en doorgeleiding van zaken die zich lenen voor strafrechtelijke afdoening. Dit is in ons rechtsbestel voorbehouden aan de politie, in nauwe samenwerking met het openbaar ministerie (OM). Het slachtoffer kan hier desgewenst juridisch in worden ondersteund door een slachtofferadvocaat of een juridisch medewerker van SHN. Het is onwenselijk dat hulpverlenende organisaties deze rol zouden overnemen van de opsporingsinstanties en ik zie daar geen voordelen van. Wel heeft het CSG een belangrijke rol in het organiseren van de eventuele noodzakelijke medische zorg in de eerste 7 dagen na een incident en het veilig stellen van forensisch bewijs, alsook het herkennen en doorverwijzen in het geval van trauma en de behoefte aan (specialistische) psychologische zorg bij misbruik langer geleden.
Deelt u de opvatting dat niet iedere melding van seksueel grensoverschrijdend gedrag automatisch hoeft te leiden tot een strafrechtelijk traject, mits slachtoffers wel snel toegang houden tot passende zorg, ondersteuning en bescherming?
Ja. De huidige praktijk weerspiegelt deze opvatting ook. Er wordt ingezet op verdere versterking van dit uitgangspunt via de verbeterde samenwerking tussen voornoemde samenwerkingspartners.
Welke alternatieve routes naast strafvervolging bestaan er momenteel voor slachtoffers en hoe worden zij hierover geïnformeerd?
Na elke melding van een seksueel misdrijf wordt door de teams opsporing seksuele misdrijven aan de melder informatie verstrekt over het aangifteproces, de rechten van het slachtoffer en over de mogelijkheid van herstel(recht). Er zijn mogelijkheden voor slachtoffers bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven om een financiële tegemoetkoming aan te vragen, om ondersteuning te ontvangen van Perspectief Herstelbemiddeling, Slachtofferhulp Nederland, een slachtofferadvocaat of reguliere zorg (bijvoorbeeld doorgeleiding naar de GGZ). Binnen de werkwijze van de gezamenlijke aanpak informeert een casemanager of regiehouder slachtoffers over de mogelijkheden en zorgt voor afstemming tussen betrokken partijen.
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt welke behoeften slachtoffers hebben ten aanzien van zorg, herstel, bescherming en strafvervolging? Zo ja, hoe zien deze gegevens eruit?
Behoeften van slachtoffers kunnen verschillen en in elke zaak anders zijn. Uit het onlangs verschenen onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) «De behoeften van slachtoffers van misdrijven – een systematised review (2008–2025) van geuite slachtofferbehoeften» blijkt dat slachtoffers onder andere behoefte hebben aan erkenning, duidelijke informatie, passende ondersteuning en een eenvoudige toegang tot hulp8. Juist daarom is het van belang dat slachtoffers toegang hebben tot meerdere vormen van ondersteuning en dat niet uitsluitend vanuit een strafrechtelijk perspectief wordt gekeken. Het voornoemde onderzoeksrapport van het Verwey-Jonker instituut geeft inzicht in de belemmeringen die slachtoffers ervaren bij het vinden van de juiste hulp (en impliciet het doen van een melding). Wat blijkt is dat het voor slachtoffers vooral belangrijk is dat de professionals die zij tegenkomen begrijpen binnen welke context het misbruik of geweld heeft plaatsgevonden en dat zij niet telkens opnieuw hun verhaal hoeven doen.
De meeste slachtoffers doorlopen een aantal fasen in hun zoekgedrag. Zij proberen eerst door middel van gesprekken met hun omgeving en online informatie te vinden om te kunnen duiden wat hen is overkomen. Daarna gaan ze op zoek naar de juiste hulp waarna zij zich mogelijk ergens melden. Niet elk slachtoffer doorloopt deze drie fasen. Er is een groep slachtoffers die vrijwel meteen nadat zij te maken hebben gehad met misbruik of geweld hulp zoeken of aangifte doen. Dit zijn voornamelijk slachtoffers van geweld bij wie de pleger een onbekende is en waarbij er dus geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Er is echter een veel grotere groep slachtoffers die niet meteen hulp zoekt of aangifte doet. Voor hen is dit veelal een complex en langdurig proces dat weken, maanden of jaren in beslag kan nemen. Omdat slachtoffers zich op verschillende plekken kunnen melden zijn er geen cijfers te geven over het aantal slachtoffers dat wel informatie ontvangt of wordt begeleid, maar niet kiest voor het doen van aangifte.
In hoeveel gevallen kiezen slachtoffers uiteindelijk niet voor aangifte nadat zij informatie of begeleiding hebben ontvangen, zowel absoluut als procentueel?
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de opvatting dat voor sommige slachtoffers erkenning, hulpverlening of herstel belangrijker kan zijn dan een strafproces en hoe wordt hiermee binnen de zedenketen rekening gehouden?
Ja, die opvatting deel ik. Voor sommige slachtoffers is erkenning, traumagerichte begeleiding (waaronder psycho-educatie), behandeling, schadevergoeding, inzet van ervaringsdeskundigen en/-of lotgenoten of het herstelrecht belangrijker dan een strafproces. Herstelrecht kan worden ingezet in of naast het strafrecht. Als de toepassing van herstelrecht wenselijk wordt geacht in het kader van het strafproces is op grond van het Beleidskader Herstelrechtvoorzieningen gedurende het strafproces (hierna: Beleidskader) mediation in strafzaken de voorliggende voorziening. Herstelbemiddeling is daarnaast altijd mogelijk naast het strafproces bijvoorbeeld met inzet door Perspectief Herstelbemiddeling (PH). Herstelbemiddeling wordt door PH in toenemende mate ingezet.
Welke eerdere onderzoeken, pilots, evaluaties of beleidsinitiatieven zijn uitgevoerd naar centrale intake, triage of ketensamenwerking binnen de aanpak van seksuele misdrijven en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Zie het antwoord op vraag 6 en 7.
Zijn er internationale voorbeelden bekend waarbij gespecialiseerde centra zoals het CSG een centrale intakefunctie vervullen en welke lessen kunnen daaruit worden getrokken?
Ik heb navraag gedaan binnen het European Network on Victims’ Rights (ENVR). Daaruit blijkt dat er geen internationale voorbeelden zijn waarbij gespecialiseerde centra zoals het CSG een centrale intakefunctie vervullen. In het evaluatierapport van Regioplan/NSCR worden wel verschillende (internationale) onderzoeken aangehaald die ingaan op en een onderbouwing bieden voor verschillende onderdelen van de ontwikkelde werkwijze, waaronder een uniforme intake, triage en regie. De beleidsreactie op dit rapport wordt, tezamen met de door PWC opgestelde uitvoerbaarheidstoets, zoals ik in antwoord twee heb aangegeven, dit najaar aan uw Kamer aangeboden.
Deelt u de opvatting dat het CSG kan bijdragen aan een betere selectie en doorgeleiding van zaken die zich daadwerkelijk lenen voor strafrechtelijke afdoening? Zo ja, welke stappen zijn nodig om dit mogelijk te maken
Zie het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid samen met politie, Openbaar Ministerie, het CSG, Slachtofferhulp Nederland en zorgpartners een verkenning uit te voeren naar een toekomstbestendige inrichting van de zedenketen, waarbij specifiek wordt gekeken naar centrale intake, triage, digitalisering, gegevensuitwisseling en capaciteitsverdeling? Zo ja, binnen welk tijdspad kan de Kamer hierover worden geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals hierboven geschetst is reeds een nieuwe werkwijze ontwikkeld waar het CSG – naast andere partners – nauw bij betrokken is en een van de kernelementen multidisciplinaire triage betreft. Over de uitvoerbaarheid van een mogelijk landelijke uitrol van deze werkwijze, ook met het oog op gegevensdeling en privacy, zal de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid u, mede namens de Minister voor Langdurige zorg, Jeugd en Sport uw Kamer in het najaar informeren.
Het bericht ‘Sterke toename cryptobetalingen voor aankoop online kinderporno’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) dat het aantal en volume van cryptobetalingen voor online kinderporno toenemen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u aangeven hoe het aantal meldingen, onderzoeken en veroordelingen die voortkomen uit signalen over cryptobetalingen voor online kinderporno zich de afgelopen vijf jaar heeft ontwikkeld?
Deelt u de zorg dat de groei van cryptobetalingen voor online seksueel kindermisbruik laat zien dat criminelen steeds vaker gebruikmaken van internationale cryptonetwerken en aanbieders buiten het bereik van Europese toezichthouders en opsporingsdiensten?
Acht u de huidige capaciteit van de FIU, politie, Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) en het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme voldoende om de toenemende stroom van cryptogerelateerde signalen te analyseren en op te volgen?
Herkent u het beeld dat de FIU schetst dat sinds de invoering van het Europese vergunningenstelsel voor cryptodienstverleners minder informatie rechtstreeks in Nederland beschikbaar komt, en welke gevolgen heeft dit voor toezicht, opsporing en handhaving?
Welke lacunes of beperkingen zijn er in de huidige Europese regelgeving waardoor crypto-aanbieders nog steeds relatief eenvoudig diensten kunnen verlenen aan criminelen?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie te komen tot een intensievere en meer structurele uitwisseling van gegevens over verdachte cryptotransacties, specifiek gericht op seksueel kindermisbruik, mensenhandel, terrorismefinanciering en georganiseerde criminaliteit?
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een gezamenlijke aanpak van cryptodienstverleners en wisselkantoren die onvoldoende meewerken aan het voorkomen, melden en opsporen van ernstige criminaliteit?
Bent u bereid om met andere Europese lidstaten in gesprek te gaan om ervaringen uit te wisselen over de samenwerking met de FIU in het kader van onderscheppen van verdachte geldstromen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheden om informatie uit te wisselen tussen het strafrecht enerzijds en bestuursrecht anderzijds als het gaat om signalen die kunnen worden gekoppeld aan meldingen van seksueel geweld en kinderporno?
Herkent u de problemen waar de FIU op wijst bij het verkrijgen van informatie uit derde landen en jurisdicties waar cryptodienstverleners zijn gevestigd, en welke mogelijkheden ziet u om via de Europese Unie, de Financial Action Task Force (FATF) en andere internationale samenwerkingsverbanden de informatie-uitwisseling met deze landen te verbeteren?
Welke aanvullende maatregelen zijn volgens u in Nederland mogelijk, binnen de bestaande Europese regelgeving, om cryptobetalingen die verband houden met online seksueel kindermisbruik sneller te detecteren, te blokkeren en strafrechtelijk te onderzoeken?
De betrokkenheid van de tabaksindustrie bij het Nederlandse cannabisexperiment |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet»?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van dit bericht.
Gaat u ingrijpen of is dit een «markteffect» dat u niet kunt veranderen?
In het bericht wordt aangegeven dat een onderneming uit de tabaksindustrie indirect eigenaar zou worden van een teeltbedrijf dat deelneemt aan het Experiment gesloten coffeeshopketen (hierna: wietexperiment).
Over ontwikkelingen bij individuele deelnemers aan het wietexperiment kan het kabinet geen uitspraken doen. Wel kan in het algemeen het volgende worden aangegeven.
Het experiment is vormgegeven binnen een wettelijk kader2 waarin is vastgelegd aan welke eisen aangewezen telers moeten voldoen. Omstandigheden die voor de aanwijzing of instandhouding daarvan van belang kunnen zijn, worden beoordeeld op grond van het wettelijk kader. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf. Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Wel kan, indien daartoe aanleiding bestaat en de voorwaarden daarvoor zijn vervuld, een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) worden uitgevoerd. Een wijziging in de aandeelhoudersstructuur kan aanleiding zijn voor een onderzoek op grond van de Wet Bibob. Bovendien worden alle aangewezen telers elke twee à drie jaar getoetst middels een Bibob-onderzoek, conform de motie van de leden Michon-Derkzen en Bikker.3 Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek wordt beoordeeld welke gevolgen daaraan verbonden worden. Een uiterste consequentie is het intrekken van de aanwijzing.
Hoe kijkt u naar het feit dat een internationale tabaksgigant, die decennialang heeft verdiend aan nicotineverslaving, betrokken is geraakt bij één van de grootste telers binnen het Nederlandse cannabisexperiment?
Het kabinet snapt de zorgen die hierover leven. De tabaksindustrie draagt niet bij aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende producten als tabak, sigaretten en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door marketing- en lobbyactiviteiten die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid. Het wettelijk kader bevat generieke eisen voor alle deelnemende telers, onder andere vanuit het oogpunt van preventie.
Hieronder vallen een volledig reclameverbod, verpakkings- en etiketteringseisen en verplichte kwaliteitstesten door laboratoria. Daarnaast is ieder cannabisproduct voorzien van een bijsluiter met informatie over de effecten en risico’s van cannabisgebruik, inclusief adviezen om de risico’s van het gebruik van cannabis te beperken. Voor coffeeshops in de deelnemende gemeenten geldt bovendien de verplichting om hun personeel te scholen in het geven van voorlichting over cannabisgebruik en de daaraan verbonden risico’s en om bezoekers te verwijzen bij problematisch gebruik. Deze coffeeshops dienen ook voorlichtingsmateriaal over cannabisgebruik en de bijbehorende risico’s van gebruik beschikbaar te hebben. De Inspectie Justitie & Veiligheid, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de deelnemende experimentgemeenten houden toezicht op de naleving van de eisen door de telers en de coffeeshops.
In de afgelopen jaren hebben de commerciële strategieën van de tabaksindustrie jarenlang ernstige schade toegebracht aan de volksgezondheid door nieuwe gebruikers aan zich te binden, is dat voor u een doel bij het wietexperiment?
Nee, het aantrekken van nieuwe gebruikers behoort uitdrukkelijk niet tot de doelstellingen van het experiment. Het wietexperiment heeft tot doel te onderzoeken of een gereguleerde en op kwaliteit gecontroleerde productie en distributie van cannabis mogelijk is en welke effecten dit heeft op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Het wietexperiment is ook gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid.
Bestaan er momenteel specifieke waarborgen binnen het wietexperiment om te voorkomen dat partijen met een achtergrond in de tabaksindustrie invloed uitoefenen op productie, marketing, prijsstelling of productontwikkeling? Zo ja, welke zijn dat en acht u deze voldoende? Zo nee, waarom niet?
De Wet experiment gesloten coffeeshopketen bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Binnen de geldende wet- en regelgeving zijn wel generieke eisen opgenomen voor alle deelnemende telers, zoals onder antwoord 3 toegelicht.
Wilt u normalisering van wietgebruik? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom staat u dan toe dat een commerciële partij met een negatieve voorgeschiedenis daar wel aan bij gaat dragen?
Normalisering van cannabisgebruik vindt het kabinet onwenselijk. Het Nederlandse drugsbeleid is daarom gericht op het voorkomen van drugsgebruik, daaronder valt ook het gebruik van cannabis. Het gebruik van drugs is namelijk nooit zonder risico’s. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf.
Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Binnen de geldende wet- en regelgeving zijn wel generieke eisen opgenomen voor alle deelnemende telers, zoals onder antwoord 2 en 3 toegelicht.
Vindt u het verantwoord dat bedrijven uit een industrie waarvan uit recent onderzoek blijkt dat jeugdverslaving geen onbedoeld neveneffect, maar een expliciet onderdeel van het verdienmodel is, mogen deelnemen aan een experiment waarbij volksgezondheid expliciet een van de toetsingscriteria is? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?2
Het onderzoek waaraan u refereert bevestigt de ernstige zorgen over de werkwijze van de tabaks- en nicotine-industrie ten aanzien van jeugdigen. Het kabinet neemt die zorgen serieus. Bij de opzet van het experiment is ervoor gekozen dat elke legale commerciële partij die voldoet aan de gestelde eisen en criteria, in aanmerking kan komen voor een aanwijzing als teler. Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen zoveel mogelijk te voorkomen, zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en ervaring met de tabaksindustrie zal moeten worden betrokken bij het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Ziet u naast juridische-, gezondheids- en veiligheidsoverwegingen ook morele overwegingen bij het in stand houden van een wietexperiment? Zo ja, hoe verhouden die zich tot deze ontwikkeling?
Aan het gebruik van cannabis zijn altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Het kabinet heeft daarom in het coalitieakkoord afgesproken om het wietexperiment voort te zetten, en, zoals in het wettelijk kader is vastgelegd, ook te evalueren. Op basis van de uitkomsten worden de vervolgstappen bepaald.
Bent u van mening dat het onverantwoord is om het gebruik van cannabis verder te normaliseren, terwijl uit cijfers blijkt dat 42,6% van de 18-jarigen ooit cannabis heeft gebruikt en 23,7% dit in de afgelopen maand deed?3 Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit beleid vanuit het oogpunt van volksgezondheid en de bescherming van jongeren?
Het wietexperiment creëert uitsluitend een gereguleerde toevoer van cannabis naar de reeds bestaande coffeeshops. Het doel van het kabinet is niet dat meer mensen cannabis gaan gebruiken. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden. Om die reden zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3.
Ontwikkelingen in drugsgebruik en de houding van jongeren ten aanzien van drugs worden nauwlettend gevolgd via monitoring. Het Trimbos-instituut verricht doorlopend onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op drugsgebruik onder minderjarigen en jongeren. Het is bekend dat drugsgebruik en normalisering doorgaans het resultaat zijn van een samenspel van verschillende factoren. Er is meestal niet één afzonderlijke oorzaak aan te wijzen. Het kabinet ondersteunt dit onderzoek, onder meer via financiering van het Trimbos-instituut, zodat trends en mogelijke risicofactoren op tijd in kaart worden gebracht.
Moet het cannabisgebruik afnemen van u en welk effect beoogt u met het wietexperiment?
Het Nederlandse drugsbeleid is gericht op het voorkomen van drugsgebruik, daaronder valt ook het gebruik van cannabis. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Het kabinet wil vanwege deze risico’s niet dat door dit experiment meer mensen cannabis gaan gebruiken, maar beoogt met het experiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Deze effecten worden inzichtelijk gemaakt door het onafhankelijk onderzoeksconsortium6 en kunnen bijdragen aan het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Ook zullen beleidsmatig geleerde lessen van het wietexperiment onderdeel zijn van dit gesprek. Het kabinet is van mening dat de mogelijke invloed van de tabaksindustrie op de cannabismarkt hier onderdeel van is en zal moeten worden betrokken bij het toekomstige cannabisbeleid.
Kunt u met de huidige wetgeving tabaksproducenten weren of zijn aanvullende wettelijke beperkingen noodzakelijk om te voorkomen dat producenten van tabaksproducten ook actief worden op de Nederlandse cannabismarkt?
De Wet experiment gesloten coffeeshopketen bevat geen expliciete bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het wrang en zorgwekkend is dat bedrijven die jarenlang hebben geprofiteerd van nicotineverslaving nu hun verdienmodel verleggen naar cannabis, terwijl de overheid tegelijkertijd inzet op preventie en het terugdringen van middelengebruik? Zo ja, wordt het geen tijd om het wietexperiment in rook te laten opgaan en er een punt achter te zetten?
Nee. In het coalitieakkoord is afgesproken om het wietexperiment voort te zetten. Het kabinet beoogt met het experiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Deze effecten worden in kaart gebracht door het onafhankelijk onderzoeksconsortium. Het is belangrijk om van deze uitkomsten te leren; deze zullen het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid immers verder brengen.
Heeft u kennisgenomen van het artikel van de Telegraaf over «Broer van ernstig mishandeld meisje (6) Stadskanaal wil nooit meer iets met zijn moeder te maken»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de gerechtelijke uitspraak waarin wordt vastgesteld dat deze 14-jarige jongen slachtoffer is geweest van mishandeling, misbruik en een langdurig onveilige opvoedsituatie?2
Ja.
Welke concrete hulp ontvangt deze jongen op dit moment en welke organisatie voert de regie over zijn herstel en veiligheid?
Ieder kind verdient het om veilig op te groeien en de juiste zorg te ontvangen. Wanneer een kinderrechter heeft besloten tot een kinderbeschermingsmaatregel, is het aan de gecertificeerde instelling om vervolgens uitvoering daaraan te geven. Het is de verantwoordelijkheid van de gecertificeerde instelling om een plan van aanpak op te stellen, jeugdhulp in te zetten en zicht te houden op de veiligheid van het kind. Het is niet mijn rol om te oordelen over of te controleren hoe de uitvoering van specifieke kinderbeschermingsmaatregelen plaatsvindt.
Wie is eindverantwoordelijk voor de veiligheid van deze jongen en hoe wordt gecontroleerd of gemaakte veiligheidsafspraken daadwerkelijk worden nageleefd?
De gecertificeerde instelling is verantwoordelijk voor het zicht op de veiligheid van het kind.
Kan worden bevestigd dat deze jongen, ondanks de ernstige bevindingen van de rechter, nog steeds bij zijn vader verblijft? Op basis van welke veiligheidsafweging is dat gebeurd?
Zie het antwoord op vraag 3 en de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland.
Hebben onafhankelijke deskundigen beoordeeld dat verblijf bij de vader in het belang van deze jongen is? Zo ja, welke deskundigen waren daarbij betrokken en welke overwegingen lagen aan dat oordeel ten grondslag?
Zie het antwoord op vraag 3. Aanvullend daarop wijs ik erop dat de onafhankelijke kinderrechter zich over deze zaak heeft gebogen en een beslissing heeft genomen. Het is niet aan mij om daar uitspraken over te doen.
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) te verzoeken deze casus expliciet mee te nemen in het lopende onderzoek naar de opvolging van signalen van kindermishandeling en kindveiligheid?
Het is aan de IGJ en, waar passend, de Inspectie Justitie en Veiligheid om te beoordelen of en welk onderzoek nodig is. De IGJ is onafhankelijk in haar toezicht. Het is niet aan mij om onderzoek op te dragen.
Bent u bereid de IGJ specifiek te laten onderzoeken hoe signalen over deze jongen zijn opgepakt, welke instanties betrokken waren, wie de regie voerde en waarom niet eerder is ingegrepen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Deelt u de opvatting dat wanneer een rechter vaststelt dat een minderjarige slachtoffer is geweest van mishandeling en misbruik, maximale duidelijkheid nodig is over de vraag welke bescherming en begeleiding vervolgens wordt geboden?
De bescherming en begeleiding van kinderen op wie een kinderbeschermingsmaatregel van toepassing is, wordt uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. Dit is ook in dit geval aan de orde. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 3.
Bent u bereid bij de betrokken instanties op te vragen welke veiligheidsvoorwaarden zijn verbonden aan het verblijf van deze jongen bij zijn vader en de Kamer hierover te informeren?
Het is aan de betrokken uitvoeringsorganisaties om zorg te dragen voor het adviseren over, het besluiten over en het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen. Als stelselverantwoordelijke is het niet mijn rol om in casuïstiek te oordelen of te controleren.
Bent u bereid te laten toetsen of de huidige hulpverlening en veiligheidsmaatregelen passend zijn bij de ernst van de door de rechter vastgestelde feiten?
Ik verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3 en vraag 10.
Kunt u inzichtelijk maken welke instanties voorafgaand aan de rechterlijke uitspraak signalen hebben ontvangen over mishandeling, misbruik, verwaarlozing, schoolproblemen of andere veiligheidsrisico’s rond deze jongen?
Het is aan de inspecties om dit al dan niet mee te nemen in hun onderzoek naar de gebeurtenissen in Stadskanaal.
Bent u bereid een onafhankelijk feitenrelaas te laten opstellen van alle meldingen, interventies, risico-inschattingen en besluiten rondom deze jongen, zodat duidelijk wordt waar het stelsel heeft gefaald en welke verbeteringen noodzakelijk zijn?
Ik verwijs u naar de antwoorden op vragen 3, 10 en 12.
Welke bevoegdheden gaat u vanaf vandaag concreet inzetten om te controleren of deze jongen daadwerkelijk veilig is, passende hulp ontvangt en niet opnieuw tussen instanties uit beeld raakt?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3. Het is aan de betrokken gecertificeerde instelling om hiervoor zorg te dragen.
Wilt u deze vragen uiterlijk 19 juni 16.30 uur beantwoorden in het belang van het kind?
Ik heb de vragen zo snel als mogelijk beantwoord.
Het artikel ‘Waarom pakt de politie het misbruik van witte kentekenplaten niet aan?’ |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het AD-artikel «Waarom pakt de politie het misbruik van witte kentekenplaten niet aan?»1
Ja.
Klopt het dat bestuurders van auto’s met een buitenlands kenteken de wegenbelasting, BPM én APK-verplichtingen ontlopen?
In de motorrijtuigenbelasting (hierna: mrb) en de belasting op personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) geldt het uitgangspunt dat motorrijtuigen worden belast in de lidstaat waar de houder zijn gewone verblijfplaats heeft. Personen die hun gewone verblijfplaats buiten Nederland hebben, zoals toeristen en andere tijdelijke bezoekers, zijn vrijgesteld van Nederlandse mrb en bpm. Deze vrijstelling vloeit voort uit Richtlijn 83/182/EEG betreffende belastingvrijstellingen bij tijdelijke invoer van voertuigen.2 Deze richtlijn berust op wederkerigheid tussen de lidstaten. Evenzo betalen Nederlandse ingezetenen die tijdelijk in een andere lidstaat verblijven in beginsel hun voertuigbelastingen in Nederland en niet in de lidstaat die zij slechts tijdelijk bezoeken.
Voor de Nederlandse ingezetenen met een voertuig worden in de mrb en bpm twee groepen onderscheiden. De eerste groep betreft Nederlandse ingezetenen die op grond van de Wegenverkeerswet 1994 verplicht zijn hun voertuig in het Nederlandse kentekenregister in te schrijven. Die verplichting geldt voor iedere Nederlandse ingezetene die eigenaar of houder is van een motorrijtuig.3 Voor deze groep wordt de mrb automatisch geheven van degene op wiens naam het voertuig in het kentekenregister is geregistreerd.
De tweede groep betreft Nederlandse ingezetenen die gebruik maken van een in het buitenland geregistreerd voertuig dat eigendom is van een in het buitenland woonachtige of gevestigde persoon. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een buitenlandse huurauto of leaseauto, een voertuig van een buitenlandse werkgever of een voertuig dat ter beschikking is gesteld door een in het buitenland wonende eigenaar. Deze voertuigen zijn uitgezonderd van de Nederlandse kentekenregistratieplicht omdat zij zich bevinden in het zogenoemde «internationaal verkeer».4 Het gebruik van deze voertuigen is in Nederland niet aan een wettelijke termijn gebonden. Voor deze groep wordt de mrb en bpm geheven van degene die het motorrijtuig met buitenlands kenteken feitelijk gebruikt op de Nederlandse weg. De belastingaangifte daarvoor moet worden gedaan voorafgaand aan het gebruik van de Nederlandse weg.
Het is dus niet juist dat bestuurders van voertuigen met een buitenlands kenteken de mrb en bpm ontlopen. Wel is de handhaving van de verplichtingen voor de tweede groep complexer dan bij voertuigen die zijn opgenomen in het Nederlandse kentekenregister. Bij voertuigen met een Nederlands kenteken zijn de houder, het voertuig en het moment waarop de belastingplicht ontstaat rechtstreeks bekend uit het kentekenregister. Bij voertuigen met een buitenlands kenteken ontbreken deze gegevens. Als de belastingplichtige niet zelfstandig aangifte heeft gedaan, moet de belastinginspecteur vaststellen dat deze persoon het voertuig feitelijk ter beschikking heeft, dat gebruik wordt gemaakt van de Nederlandse weg en dat geen vrijstelling van toepassing is. Juist het vaststellen van deze feiten maakt de handhaving aanzienlijk arbeidsintensiever.
In dit verband wordt opgemerkt dat voor een voertuig met een buitenlands kenteken doorgaans motorrijtuigenbelasting is verschuldigd in de lidstaat waar het voertuig is geregistreerd. De veronderstelling dat met een buitenlands kenteken in het geheel geen belasting wordt betaald, is daarom onjuist. De potentiële fiscale voordelen van een buitenlands kenteken moeten in dat licht worden bezien. Bovendien kan het rijden met een buitenlands kenteken, als gevolg van het ontbreken van harmonisatie van de motorrijtuigenbelasting binnen de Europese Unie, leiden tot een dubbele fiscale last. Afhankelijk van de wijze waarop de verschillende lidstaten hun motorrijtuigenbelasting vormgeven, kan de heffing van motorrijtuigenbelasting in Nederland ertoe leiden dat voor hetzelfde voertuig tweemaal een belastingdruk ontstaat: in Nederland en in de lidstaat van registratie. Dergelijke situaties van dubbele belasting zijn, bij gebrek aan harmonisatie op Unieniveau, niet in strijd met het Unierecht.
Voor wat betreft voertuigen uit andere EU-lidstaten ontlopen deze de APK-plicht niet. Deze auto’s hebben namelijk een APK-plicht in het land van registratie. Elke lidstaat ziet erop toe dat voertuigen die in die lidstaat zijn geregistreerd, periodiek worden gekeurd door erkende controlecentra in die lidstaat. De minimale keuringsfrequentie is Europees vastgelegd.
Hoeveel boetes zijn de afgelopen vijf jaar uitgeschreven met betrekking tot voertuigen die te lang zijn blijven rijden met een buitenlands kenteken?
Het gaat hier om kentekenhouders met een buitenlands kenteken die Nederlands ingezetene zijn. Zij maken dus deel uit van de eerste groep zoals benoemd in het antwoord op vraag 2. In principe moet iemand zijn kenteken omzetten als hij of zij in Nederland komt wonen. Voor het strafrecht wordt, net als bij het omwisselen van een rijbewijs, aangesloten bij 185 dagen in Nederland geregistreerd of dat op een andere manier kan worden gereconstrueerd dat iemand al langer dan 185 dagen in Nederland woont. De reden hiervoor is dat op een andere manier niet kan worden aangetoond dat de betrokkene hier zijn of haar gewone verblijfplaats heeft en dan kan aangeven dat hij of zij nog steeds op en neer rijdt naar het land waar het voertuig vandaan komt en onder de uitzondering van het internationaal verkeer valt.
Onderstaande tabel bevat het aantal boetes van de feitcode waar het niet tijdig omzetten van een in het buitenland geregistreerd voertuig en het rijden met een Nederlands voertuig zonder geldig kenteken onder valt. Deze categorieën kunnen niet gesplitst worden. Kanttekening hierbij is dus dat de feitcode van de boete ziet op meer overtredingen dan alleen de overtreding voor het niet tijdig omzetten van een in het buitenland geregistreerd voertuig. Daarmee zijn onderstaande aantallen hoger dan het daadwerkelijke aantal feiten dat te lang is blijven rijden met een buitenlands kenteken.
3.067
3.428
1.811
7.677
4.259
Heeft u zicht op het aantal langdurig in Nederland verblijvende arbeidsmigranten die niet geregistreerd staan in de Basisregistratie Personen?
De 47% uit het aangehaalde onderzoek6 betreft een schatting van het aantal niet-geregistreerde migranten uit Midden- en Oost-Europa in 2009–2010 en stamt uit een tijd waarin de huidige Basisregistratie Personen (hierna: BRP) nog niet bestond. Het gaat hierbij om personen die destijds niet voorkwamen in de registers van de GBA (Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, met gegevens over inwoners van Nederland en uit Nederland geëmigreerden) en het UWV. Dus nee, deze verhouding is niet indicatie voor Nederland an sich. De wet BRP trad op 6 januari 2014 in werking en pas toen openden de RNI-loketten (Registratie Niet-Ingezetenen) waar niet-ingezetenen zich kunnen laten registreren in de BRP. Uitgifte van identificerende nummers aan niet-ingezetenen verliep voor die tijd via de Belastingdienst en was niet gekoppeld aan de BRP (destijds nog GBA).
Als we kijken naar het huidige BRP-stelsel zien we het volgende. Arbeidsmigranten schrijven zich over het algemeen in de BRP in als ingezetene of niet-ingezetene. Arbeidsmigranten die zich niet registeren, hebben geen BSN en betalen daarom het anoniementarief van 52% over hun salaris. Dit is een sterke financiële prikkel om in te schrijven.
Naar verwachting schrijft een gedeelte van de groep EU-gedetacheerden en arbeidsmigranten die illegaal of zwart werkt zich in het geheel niet in de BRP in als ingezetene of niet-ingezetene, omdat zij het BSN niet gebruiken voor werk. Hoe groot de groep exact is die zich niet inschrijft, is onbekend.
Bij langdurig verblijf in Nederland is de arbeidsmigrant verplicht zich als ingezetene te laten registreren.7 Dat gebeurt niet altijd, onder meer door illegale huisvesting, een gebrek aan kennis of omdat arbeidsmigranten dit zelf niet willen.8 In 2024 stonden 236.400 werkende EU-burgers (excl. Nederlanders) als niet-ingezetene in de BRP geregistreerd.
Een deel daarvan is terecht: het gaat onder meer om grenswerkers die in het buitenland wonen en om seizoenswerkers die kort in Nederland zijn en daarom is inschrijving als ingezetene niet vereist. Van deze groep werken zo’n 63.000 EU-burgers langer dan zes maanden aaneengesloten in Nederland, terwijl zij niet in Duitsland of België wonen (dit sluit grenswerkers uit). Zij hadden zich daarom vermoedelijk als ingezetene moeten inschrijven en zijn dus onjuist geregistreerd. Mogelijk is deze groep groter. Afgezet tegen de in totaal 728.600 EU-burgers die eind 2024 in Nederland werkten, gaat het om ten minste 8,6%. Het is belangrijk om hierbij te benoemen dat aantallen en percentages sterk afhankelijk zijn van de gehanteerde definitie van «de arbeidsmigrant.»
Het kabinet vindt het zicht op arbeidsmigranten essentieel. Daarom werkt de Staatssecretaris van BZK samen met de Minister van SZW aan een breed pakket aan maatregelen om de registratie van arbeidsmigranten in de BRP te verbeteren.9
Gelet op het feit dat volgens het rapport «Onderzoek opgave arbeidsmigratie in de provincie Zuid-Holland» het aantal niet geregistreerde arbeidsmigranten maar liefst 47% van het totaal zou kunnen zijn: is deze verhouding indicatief voor Nederland an sich?2
Zie antwoord vraag 4.
Welke criteria worden gebruikt om vast te stellen of er bij een auto sprake is van «duurzaam gebruik» in Nederland, waarbij een Nederlands kenteken verplicht is?
Duurzaam gebruik wordt in de Wegenverkeerswet 1994 niet gebruikt om te bepalen of iemand een Nederlands kenteken aan moet vragen. Om vast te stellen of iemand een Nederlands kenteken nodig heeft, of dat een uitzondering geldt, is de vraag of een voertuig zich in het internationale verkeer bevindt. Volgens het Verdrag inzake wegverkeer bevindt een voertuig zich in het internationale verkeer in Nederland wanneer een voertuig:
Cruciaal in deze definitie is wat het betekent waar iemand «gewoonlijk» zijn woonplaats heeft. Er moet dus worden aangetoond dat iemand in Nederland woonachtig is. Daarvoor kunnen de criteria worden gebruikt zoals BRP-registratie, waar iemand woont, waar iemand werkt, waar zijn gezin woont, hoe vaak iemand naar het buitenland gaat en of diegene daar nog een huis heeft.
In hoeverre is handhaving op «duurzaam gebruik» realistisch aangezien het langdurig, individueel, anderszins onopvallend gedrag betreft?
Het is inderdaad moeilijk aan te tonen dat iemand in Nederland woonachtig is. Dat zal vooral moeten blijken uit het verhoor van de verdachte. Iemand hoeft pas zijn kenteken om te wisselen als hij in Nederland woonachtig is, maar hier zijn geen harde handvatten voor waarop de handhavers kunnen acteren. Er zal dus per geval moeten worden gereconstrueerd aan de hand van de informatie die de handhavers hebben.
In hoeverre wordt handhaving bemoeilijkt door het feit dat voertuigregistratie, fiscale afhandeling en de signalering van overtredingen allemaal bij andere instanties liggen?
Het is met name complex om duidelijk te krijgen of een bestuurder in overtreding is. Dit moet per casus aangetoond worden door de betrokken instanties. Bij een staandehouding van een bestuurder van een voertuig met buitenlands kenteken op de Nederlandse weg door de politie, kan door de politie niet eenvoudig worden vastgesteld of de bestuurder voldoet aan alle wettelijke verplichtingen. De politie moet vaststellen of (1) de bestuurder feitelijk woonachtig is in Nederland (2) het voertuig zich rechtmatig in het internationaal verkeer bevindt of dat een Nederlands kenteken moet worden gevoerd en (3) of de verschuldigde belastingen zijn voldaan dan wel dat een fiscale vrijstelling van toepassing is. Deze aspecten vragen om nauwe samenwerking met betrokken instanties en zijn arbeidsintensief en bewerkelijk.
Bij wie ligt de bewijslast bij een mogelijke overtreding? Wanneer is het aannemelijk genoeg dat er sprake is van een voertuig met «duurzaam gebruik» om te handhaven op het kenteken?
In het strafrecht ligt de bewijslast bij politie en OM. Iemand is onschuldig totdat het tegendeel is bewezen. Er moet worden aangetoond dat iemand zijn kenteken had moeten omwisselen, omdat hij in Nederland woonachtig is.
Heeft u zicht op hoeveel geld de overheid misloopt door gebrekkige handhaving wat betreft het langdurig gebruik van buitenlandse kentekens?
Er zijn in de systemen van de Belastingdienst geen gegevens beschikbaar waarmee de omvang van eventuele misgelopen belastinginkomsten als gevolg van het gebruik van buitenlandse kentekens kan worden vastgesteld. Wel zijn de volgende gegevens beschikbaar.
In de periode 1 januari 2022 tot en met 25 juni 2026 zijn er 18.122 aangiften bij de Belastingdienst opgevoerd voor motorrijtuigen met buitenlandse kentekens. In deze periode zijn er ook 11.957 beëindigd, bijvoorbeeld omdat het motorrijtuig inmiddels een Nederlands kenteken heeft of niet meer in Nederland gebruik maakt van de weg. Op 25 juni 2026 zijn er 6.156 lopende aangiften voor de motorrijtuigenbelasting voor motorrijtuigen met buitenlandse kentekens.
Het aantal aangiften voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen ziet er als volgt uit:
2022
582
2023
559
2024
520
2025
479
2026 (tot 18 mei)
230
In de volgende tabel staat het aantal signalen dat de Belastingdienst heeft ontvangen sinds 2022 omtrent het gebruik van de Nederlandse weg door Nederlandse ingezetenen met een motorrijtuig met buitenlands kenteken, waarbij geen aangifte voor bpm of mrb is gedaan.
BPM
1.627
2.265
2.125
1.913
7.930
MRB
1.344
1.905
1.793
1.605
6.647
Is het mogelijk de handhavingsketen te stroomlijnen zonder extra administratieve lasten te creëren voor zowel bedrijven als overheidsinstanties?
In zowel het straf- als het bestuursrecht zal de handhaving en de bewijsbaarheid van de overtreding lastig blijven. Het is, zoals eerder benoemd, namelijk lastig om aan te tonen of iemand in Nederland woont of niet.
In hoeverre ziet u kansen om met ANPR-systemen en (bestaande) verkeerscamera’s signalering en dus handhaving te vereenvoudigen?
Het probleem zit hem niet in de handhaving en inzet van ANPR, maar op het kunnen aantonen dat iemand een Nederlands kenteken had moeten hebben. Daarom zullen de ministeries van IenW en Financiën, samen met het Ministerie van JenV en de betrokken ketenpartners, verkennen wat er nodig is om de handhaving te vereenvoudigen.».
Bent u bekend met het plan «Zo werkt arbeidsmigratie voor iedereen»?3
Ja.
Bent u bereid om uitvoering te geven aan het eerste punt onder hoofdstuk 2.1 waar gevraagd wordt om een dekkend registratiesysteem voor arbeidsmigranten, gekoppeld aan het BRP?
Dit kabinet zet in op een brede set aan maatregelen om de registratie van arbeidsmigranten te verbeteren en zo te zorgen voor een dekkend registratiesysteem. In de kamerbrief van 9 september 2025 is uw kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken omtrent de aanpak voor verbetering van de registratie van arbeidsmigranten.11 Er wordt gewerkt aan het verbeteren van de registratie door het Ministerie van BZK en het Ministerie van SZW. Het registreren van contactgegevens en tijdelijke verblijfsadressen in Nederland van niet-ingezetenen is een belangrijke maatregel om deze ongewenste situatie aan te pakken. Daarnaast wordt onder meer een bevorderings-, vergewis- en (optionele) meldplicht geïntroduceerd voor uitleners, met als beoogde inwerkingtreding 1 januari 2027.
Bent u het met ons eens dat een dergelijk systeem zou kunnen helpen bij de handhaving rondom het «duurzaam gebruik» van auto’s in Nederland die desondanks met een buitenlands kenteken blijven rijden?
Het is van belang dat iedereen die in Nederland woont in het BRP staat ingeschreven, zodat ze aangesproken kunnen worden op het registreren van hun voertuig in Nederland. Als je beter zicht hebt op wie in Nederland woont, draagt dat hieraan bij.
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Judith Buhler (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Ja, ik ben bekend met het artikel. Ik erken dat de combinatie van sociale media, gepersonaliseerde aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve aankopen kan vergroten.
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Ik deel de zorgen over manipulatieve ontwerpkeuzes bij sommige webshops. In dat kader zet het kabinet via de aangekondigde Digital Fairness Act (DFA) in op een verdere aanpak van dark patterns door het reeds bestaande verbod uit de Digital Services Act (DSA)2 over te nemen in het algemene consumentenrecht en het expliciet verbieden van specifieke dark patterns, zoals het emotioneel manipuleren van consumenten om bepaalde acties te verrichten3. Daarnaast is misleiding van consumenten reeds verboden onder het bestaande consumentenrecht. Of er sprake is van een overtreding is aan het oordeel van de toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM).
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Ik erken dat deze verkooptechnieken consumenten – en met name jongeren – kunnen aanzetten tot impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten. Dat is zorgelijk. TikTok geeft aan een leeftijdsgrens van 18 jaar te hanteren voor de Tiktokshop. Op grond van het consumentenrecht zijn misleidende praktijken – zoals misleidende aftelklokken en het onterecht claimen van schaarste- reeds verboden4. Monitoring en handhaving hiervan valt in Nederland onder de verantwoordelijkheid van ACM.
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
De ACM en de Europese Commissie houden toezicht op de naleving van de DSA. In het geval van «zeer grote online platforms» zoals Tiktok is dit primair de taak van de Europese Commissie. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op naleving van de AVG.
Voor een «zeer groot online platform» als Tiktok gelden op basis van de DSA de meest strenge eisen. Zo is TikTok verplicht om alle zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen en uit het gebruik van hun diensten te analyseren en beperken. Deze risicobeoordelingen moeten ten minste één keer per jaar worden uitgevoerd. Ook moet een beoordeling plaatsvinden voorafgaand aan de uitrol van functionaliteiten die waarschijnlijk kritieke gevolgen zullen hebben voor de vastgestelde systeem risico’s. Naar ik begrijp heeft TikTok voorafgaand aan de lancering van Tiktokshop contact gehad met de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op de zeer grote online platforms. Ik begrijp dat TikTok in dat kader ook een risicobeoordeling met de Europese Commissie heeft gedeeld en inmiddels de eerste systeem risicobeoordeling onder de DSA heeft uitgevoerd. Ook heeft TikTok desgevraagd aangegeven doorlopend contact te houden met nationale toezichthouders.
TikTok is niet gevestigd in Nederland, maar in Ierland. Hierdoor is het handhavingsperspectief van de ACM wanneer het gaat om optreden op basis van de DSA in deze casus beperkt. Dit is aan de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder. Wel werkt de ACM nauw samen met de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder, bijvoorbeeld door het verzamelen en doorsturen van ontvangen meldingen over Tiktok(shop). De ACM heeft naar aanleiding van de inwerkingtreding van de DSA extra capaciteit gekregen om haar taken uit te voeren.
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
De ACM heeft richting mij aangegeven actief te zullen toezien op de naleving van de relevante wet- en regelgeving, waaronder het monitoren van consumentenklachten en andere parameters die zij relevant acht. Ook de Europese Commissie houdt actief toezicht op de naleving van de DSA. Zo heeft de Europese Commissie in februari 2026 het voorlopig oordeel gepubliceerd dat het verslavende ontwerp op TikTok in strijd is met de DSA.5 De ACM staat in dit verband ook in nauw contact met de Europese Commissie en de Ierse toezichthouder op de DSA. Mochten hieruit bevindingen komen die van belang zijn voor het bredere beleid, dan zal ik de Kamer hierover informeren.
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Ik beschik niet over specifieke inzichten over de effecten van Tiktokshop in andere landen. Waar nodig werkt de ACM echter (in het kader van de DSA en consumentenwetgeving) samen met toezichthouders uit andere lidstaten.
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Momenteel biedt bestaande regelgeving – onder meer de DSA, de AVG en de consumentenwetgeving – al een stevig kader voor social-commerce platforms. Zo is TikTok in het kader van de DSA verplicht om jaarlijks systeemrisicobeoordelingen uit te voeren en moet het bedrijf voldoen aan regels met betrekking tot transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns). Van een dark pattern onder de DSA is sprake in het geval dat online platforms hun interface zodanig ontwerpen, organiseren of beheren dat zij de afnemers van hun dienst misleiden of manipuleren of hun vermogen om vrije en geïnformeerde beslissingen te nemen, anderszins wezenlijk verstoren of ondermijnen.
Daarbovenop biedt de DFA, die momenteel in Europees verband wordt ontwikkeld, een goede mogelijkheid om de bestaande consumentenregelgeving verder aan te scherpen. Hiermee zal aanvullende bescherming worden geboden aan consumenten online, met name voor kwetsbare groepen zoals jongeren. In dat kader zet ik mij actief in voor de opname van een verbod op verslavende ontwerptechnieken, meer controlemogelijkheden voor gebruikers en een verbod op dark patterns in het consumentenrecht. Met deze aanvullende regelgeving zal een nog stevigere basis worden gelegd voor de regulering van social-commerceplatforms.
Berichtgeving dat voormalig minister Brekelmans een operatie tegen Jos Leijdekkers heeft tegengehouden |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er een concreet plan1 lag om Jos Leijdekkers («Bolle Jos») aan te houden, maar dat deze operatie uiteindelijk niet is doorgegaan? Zo ja, waarom is hiervan afgezien?
Klopt de bewering2 dat voormalig Minister Brekelmans niet heeft ingestemd met een operatie om Jos Leijdekkers («Bolle Jos») aan te houden vanwege zorgen over zijn eigen veiligheid? Zo ja, welke rol hebben deze zorgen gespeeld bij de besluitvorming? Zo nee, wat is volgens u de feitelijke gang van zaken geweest?
Klopt het dat het besluit om de operatie niet uit te voeren heeft geleid tot aanzienlijke onvrede, discussie of consternatie binnen de betrokken organisaties? Zo ja, waar zag deze op? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat van bewindspersonen mag worden verwacht dat zij het algemeen belang en de veiligheid van de samenleving vooropstellen, ook wanneer besluiten mogelijk gevolgen hebben voor hun eigen veiligheid of beveiliging, en dat persoonlijke veiligheidszorgen nooit een reden mogen zijn om af te zien van de aanhouding van een van de meest gezochte criminelen van Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Zo kochten we joints, cocaïne en een wapen via Snapchat’ |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van KRO-NCRV’s Pointer, waaruit blijkt dat via Snapchat eenvoudig joints, cocaïne en een stroomstootwapen konden worden gekocht, ook met accounts die als minderjarig waren ingesteld?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat zelfs minderjarigen via platforms zoals Snapchat in aanraking kunnen komen met dealers en gemakkelijk drugs en wapens kunnen kopen?
Ja, die opvatting deel ik. Het is zorgelijk dat minderjarigen hiermee in aanraking komen en zij moeten hiertegen worden beschermd. Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 3, zijn online platforms, zoals Snapchat, ook verplicht om minderjarigen op hun dienst doeltreffend te beschermen.
Hoe beoordeelt u de verantwoordelijkheid van Snapchat om te voorkomen dat minderjarige gebruikers via zoekfuncties, aanbevelingssystemen en algoritmes richting illegale handel worden geleid?
Snapchat is aangewezen als «zeer groot online platform» onder de digitaledienstenverordening (de Digital Services Act, hierna de DSA). Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Artikel 28 van de DSA schrijft voor dat online platforms die toegankelijk zijn voor minderjarigen passende en evenredige maatregelen dienen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen. Welke maatregelen vereist zijn verschilt per dienst, afhankelijk van de specifieke risico’s die er spelen. Deze risicobeoordeling is nader toegelicht in de Richtsnoeren inzake maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en beveiliging voor minderjarigen online te waarborgen, gepubliceerd door de Europese Commissie.2
Als zeer groot online platform moet Snapchat daarnaast ten minste jaarlijks de zogenaamde systeemrisico’s beoordelen die voortvloeien uit de werking van haar dienst en de daaraan verbonden systemen – met inbegrip van algoritmische systemen – en uit het gebruik van haar dienst (artikel 34 DSA) en vervolgens passende maatregelen treffen om die risico’s te beperken (artikel 35 DSA). Deze systeemrisico’s omvatten onder meer eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten met betrekking tot de bescherming van minderjarigen. De getroffen maatregelen dienen redelijk, evenredig en doeltreffend te zijn.
In maart 2026 is de Europese Commissie, als primaire toezichthouder op de zeer grote online platformen onder de DSA, een onderzoek gestart naar kinderbescherming bij Snapchat.3 De Commissie werkt voor dat onderzoek samen met de ACM als digitaledienstencoördinator van het land waar Snapchat haar wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen.4 Dit onderzoek richt zich onder meer op de blootstelling van minderjarigen aan schadelijke inhoud en verkoop van illegale producten op Snapchat. Dit onderzoek loopt nog.
Welke mogelijkheden hebben de politie en het Openbaar Ministerie op dit moment om snel en streng op te treden tegen drugs- en wapenhandel via Snapchat en vergelijkbare platforms? En welke mogelijkheden biedt de Digital Services Act (DSA) daarin?
Voor wat betreft de DSA, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3. In aanvulling daarop, bevat artikel 16 van de DSA de verplichting voor hostingdiensten, waaronder online platforms, om te voorzien in kennisgevings- en actiemechanismen via welke personen of entiteiten illegale inhoud bij hen kunnen melden. Binnengekomen meldingen moeten op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze worden verwerkt. Ook de Politie en het OM maken gebruik van deze mechanismen om verwijderverzoeken in te dienen.
Indien een verwijderverzoek niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een verwijderbevel uitvaardigen om content ontoegankelijk te (laten) maken om een strafbaar feit te beëindigen of nieuwe feiten te voorkomen. Het OM kent verregaande zelfstandigheid en maakt per concreet geval een afweging over het instellen van strafrechtelijk onderzoek en de eventuele inzet van bevoegdheden.
Complicerende factor bij het aanpakken van deze problematiek, is dat de drugs- en wapenhandel op haar platform volgens Snapchat grotendeels plaatsvindt in privécommunicatie tussen gebruikers en niet op de publiek zichtbare onderdelen van het platform. Dit is relevant, omdat EU-(privacy)wetgeving en het communicatiegeheim zich verzetten tegen het proactief scannen van privécommunicatie van gebruikers.
Het optreden tegen schadelijke, wapen-, drugs- of vapegerelateerde inhoud in privécommunicatie wordt daardoor deels afhankelijk van meldingen. Immers, communicatie over strafbare feiten komt meestal pas aan het licht wanneer een gebruiker daar zélf melding van maakt of wanneer een telefoon door handhavingsinstanties in beslag kan worden genomen tijdens een onderzoek én kan worden gekraakt. Indien er gegevensdragers, zoals telefoons of computers, in beslag zijn genomen, kan de politie deze, na toestemming van de officier van justitie en een machtiging van een rechter-commissaris, onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren op strafbare gedragingen. In dergelijke gevallen kan, indien het lukt toegang te krijgen tot het apparaat, communicatie die verliep via een versleutelde berichtendienst (achteraf) worden uitgelezen.
In Europees verband wordt momenteel door een interdisciplinaire groep van experts gekeken naar technische mogelijkheden om, op een cyberveilige en privacy-vriendelijke manier, gericht toegang te verkrijgen tot end-to-end versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Het kabinet heeft hierover gecommuniceerd aan uw Kamer op 29 augustus 2025.5
Beschikt de politie over voldoende bevoegdheden om online handel in drugs en wapens via sociale media effectief op te sporen en aan te pakken?
De huidige wetgeving biedt een basis voor de aanpak van online handel in illegale middelen zoals drugs en wapens, maar kent uitdagingen die effectieve bestrijding moeilijk maken.
Politie, justitie en toezichthouders beschikken over een breed juridisch instrumentarium als het gaat om het tegengaan van illegale content op online platforms en opsporing van offline drugshandel. Wel ziet de Minister van Justitie en Veiligheid ernstige belemmeringen bij de handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten. De belangrijkste knelpunten liggen in het gebruik van versleutelde platforms en interpersoonlijke berichtendiensten (zie ook het antwoord op vraag 4), de complexe logistiek van post- en pakketzendingen en de schaarste aan capaciteit bij opsporingsdiensten en toezichthouders.
Daarom zijn wetgeving en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden alleen niet voldoende effectief. Om de aanpak te versterken, zet het kabinet dus in op het intensiveren van samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten en private partijen. Daarnaast onderzoekt het kabinet de mogelijkheden voor aanvullende wet- en regelgeving om de handhavingsmogelijkheden te versterken.
Bent u van mening dat Snapchat voldoende maatregelen neemt om minderjarigen te beschermen tegen de verkoop van drugs, wapens en andere illegale producten?
De berichtgeving over de verkoop van drugs, wapens en andere illegale producten via Snapchat vind ik zeer zorgelijk. Ik beschik echter over onvoldoende informatie om te beoordelen of Snapchat voldoet aan haar verplichting om minderjarigen doeltreffend te beschermen. Het vergaren van die informatie en het oordelen daarover is aan de Europese Commissie en de ACM, als toezichthouders op de DSA. Het onderzoek naar Snapchat loopt nog. Op de uitkomst daarvan kan ik niet vooruitlopen.
De Europese Commissie onderzoekt of Snap Inc. minderjarige gebruikers voldoende beschermt tegen onder meer de verkoop van illegale goederen. Welke rol speelt Nederland in dit Europese onderzoek?
De Autoriteit Consument & Markt (ACM) maakt deel uit van het onderzoeksteam dat door de Europese Commissie wordt geleid.6 De ACM is de digitaledienstencoördinator en voornaamste toezichthouder op de DSA in Nederland. De betrokkenheid van de ACM vloeit voort uit het feit dat Snapchat in Nederland haar wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen voor de DSA.
Snapchat stelt in reactie op het onderzoek dat illegale activiteiten verboden zijn en dat het in 2025 miljoenen drugsgerelateerde berichten heeft verwijderd en honderdduizenden accounts heeft geblokkeerd. Welke eisen worden op dit moment gesteld aan de controleerbaarheid van deze cijfers door toezichthouders?
Op grond van artikel 15 van de DSA zijn tussenhandeldiensten verplicht om ten minste jaarlijks transparantierapportages te publiceren over inhoudsmoderatie die zij toepassen, waaronder informatie over verwijderde inhoud en accounts.7 Ook moeten zij desgevraagd informatie verstrekken aan de bevoegde toezichthouders. Bij de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden op grond van de DSA handelen de toezichthouders volledig onafhankelijk. Ik heb dus geen zicht op eventuele eisen die zij stellen aan de controleerbaarheid van de door Snapchat verstrekte cijfers. Het spreekt echter voor zich dat de door Snapchat verstrekte informatie wel juist en controleerbaar moet zijn.
Welke maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de bevindingen van Pointer?
Het is aan de Europese Commissie en de ACM, als bevoegde toezichthouders op grond van de DSA, om te beoordelen of Snapchat haar verplichtingen naleeft en zo nodig handhavend op te treden. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 8, zijn de toezichthouders hierin volledig onafhankelijk. Op grond van de DSA blijven zij vrij van enige directe dan wel indirecte invloed en vragen of aanvaarden zij geen instructies van enige overheidsinstantie of particulier. Wel heb ik recent gesproken met Snapchat, waarbij ook deze casus ter sprake is gekomen. In dat gesprek heb ik het belang van de bescherming van minderjarigen benadrukt.
Welke mogelijkheden ziet u om sociale mediaplatforms sneller te verplichten om accounts die betrokken zijn bij drugshandel of wapenhandel te verwijderen?
Online platforms zijn verplicht om meldingen van illegale inhoud of accounts op tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze te verwerken op grond van de in de beantwoording van vraag 4 genoemde kennisgevings- en actiemechanismen. Dit kan betekenen dat zij gerapporteerde accounts schorsen of beëindigen. Een dergelijke schorsing is op grond van artikel 23 van de DSA ook verplicht in het geval van gebruikers die frequent illegale inhoud verstrekken. Meldingen van zogenaamde betrouwbare flaggers moeten met prioriteit worden afgehandeld.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de bredere aanpak van illegale handel via sociale media?
De Minister van Justitie en Veiligheid houdt de Kamer periodiek op de hoogte over de aanpak van illegale content zoals drugshandel. Verdere operationele informatie over de specifieke aanpak kan niet gedeeld worden.
Georganiseerd seksueel geweld |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie legt schokkend netwerk bloot in Nederland: vrouwen door hun partner bedwelmd, verkracht en gefilmd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het feit dat er in deze gevallen sprake is van samenwerking tussen meerdere verdachten die het beeldmateriaal binnen digitale netwerken met elkaar deelden, tips uitdelen en elkaar aanmoedigen, er sprake is van georganiseerd seksueel geweld?
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze zaak. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuur van 9 juni 2026 heb aangegeven waren er acht verdachten in beeld waarvan er vier toen zijn aangehouden. Inmiddels zitten deze vier verdachten niet meer vast, maar zij blijven wel verdachten. Het strafrechtelijk onderzoek is nog in volle gang. Wanneer er gewichtige ontwikkelingen zijn in het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoeksbelang zich hiertegen niet verzet zal ik uw Kamer, in lijn met mijn toezegging op 9 juni jl. om uw Kamer te informeren over de voortgang van deze zaak, hierover informeren.
Wanneer meerdere verdachten samenwerken, beeldmateriaal delen, elkaar tips geven en elkaar aanmoedigen bij het plegen van seksueel geweld, kan sprake zijn van georganiseerd seksueel geweld (zie ook het antwoord op vraag 5). het zo zou zijn dat er netwerken zijn waarbinnen vrouwen worden gedrogeerd en daarna worden verkracht is dat bijzonder schokkend. Als hiervan vervolgens ook beeldmateriaal zou worden gedeeld met anderen is dat natuurlijk extra kwalijk. Dit onderstreept het belang van grondig onderzoek naar de rol van alle betrokkenen bij strafbare feiten en van een effectieve strafrechtelijke aanpak daarvan.
Is er voldoende kennis over het fenomeen georganiseerd seksueel geweld en hoe andere landen dit fenomeen bestrijden?
De Nederlandse opsporingsdiensten werken, onder andere in EPMACT2-verband en in de Virtual Global Taskforce,3 nauw samen met een groot aantal buitenlandse opsprongsdiensten. In deze gremia wordt kennis en informatie over seksueel geweld gedeeld en besproken, in het bijzonder wanneer er aanwijzingen zijn die wijzen op stelselmatigheid of een georganiseerd verband.
Daarnaast werkt de politie in de aanpak van (online) seksuele misdrijven intensief samen met ketenpartners binnen het strafrecht en de hulpverlening. Met name tussen de specialistische teams binnen de politie (Teams Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme, Teams opsporing seksuele misdrijven en Teams Migratiecriminaliteit en Mensenhandel), en specifieke experts bij de ketenorganisaties vindt nauwe samenwerking en kennisdeling plaats. Ook hier geldt dat als er signalen zijn van stelselmatigheid, dit zal opvallen en aanleiding zal vormen voor nader onderzoek.
Zoals aangegeven in de beleidsbrief JenV, wil dit kabinet vanuit de envelop nationale veiligheid bestemd voor politie, een impuls geven aan de aanpak van online seksuele misdrijven.4 Ik zal uw Kamer in de JenV-ontwerpbegroting informeren over de nadere invulling van de middelen.
De politie is belast met de (digitale) opsporing. Het OM beoordeelt de uitkomsten daarvan aan de hand van het geldende juridisch kader. Bij het OM werken collega’s die gespecialiseerd zijn in seksuele misdrijven en collega’s die specifieke expertise hebben op gedigitaliseerde criminaliteit. Deze portefeuilles werken nauw met elkaar samen. De digitale ontwikkelingen en modus operandi op dit terrein gaan snel. Er wordt geïnvesteerd om deze dynamiek bij te benen.
Deelt u de mening dat georganiseerd seksueel geweld een andere aanpak behoeft dan individuele zedenzaken?
Ja, verschillende typen zaken vragen een andere benadering. Grootschalige zaken van seksueel geweld met een online component vragen bijvoorbeeld een andere manier van opsporen dan individuele zaken van fysiek seksueel geweld, omdat de opsporing ervan per definitie regio-overstijgend is, er veelal (aanvankelijk) geen verdachten bekend zijn en er meerdere slachtoffers worden gemaakt. Omdat bewijsvergaring vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt dit bovendien om andere specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en analisten.
Bij zowel individuele zedenzaken als grootschalige zedenzaken geldt dat het van groot belang is dat er sprake is van coördinatie en samenwerking met ketenpartners binnen het strafrecht, en met het zorg- en veiligheidsdomein (bijvoorbeeld Centrum Seksueel Geweld, Slachtofferhulp NL, reclassering), zodat de juiste hulp en ondersteuning kan worden geboden aan slachtoffers.
Bent u bereid met spoed te onderzoeken hoe georganiseerd seksueel geweld als zelfstandige categorie kan worden erkend en aangepakt?
Ja, ik zal conform mijn toezegging tijdens het Mondelinge Vragenuur van 9 juni jl., samen met de politie en het Openbaar Ministerie verkennen of georganiseerd seksueel misbruik een afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk vergt. Daarbij wordt bezien of de aard, omvang en kenmerken van deze problematiek aanleiding geven om deze als een zelfstandige categorie binnen beleid en opsporing te benaderen en welke eventuele vervolgstappen daarbij passend zijn. De Kamer wordt over de uitkomsten van deze verkenning geïnformeerd in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven voorafgaand het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 9 december 2026.
Bent u het ermee eens dat de verantwoordelijkheid nog te veel op de schouders van slachtoffers ligt wanneer digitale bedrijven pas in actie komen na melding van het slachtoffer? Hoort deze verantwoordelijkheid niet bij de bedrijven zelf te liggen?
Het kabinet is van mening dat online platforms en techbedrijven een belangrijke verantwoordelijkheid dragen bij het tegengaan van online seksueel misbruik.
De verantwoordelijkheid van tussenhandeldiensten, waaronder online platforms, is in de Europese Unie geharmoniseerd geregeld in de Digital Services Act (DSA). De Digital Services Act (DSA) bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten en online platforms, en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waaraan deze diensten moeten voldoen. Op grond van de DSA zijn tussenhandeldiensten in beginsel niet aansprakelijk voor de informatie die gebruikers via hun diensten verspreiden. Dat zijn de gebruikers zelf.
Echter, de DSA bepaalt ook dat hostingdiensten en online platforms het mogelijk moeten maken om illegale inhoud bij hen te melden. Wanneer ze een dergelijke melding ontvangen dan worden zij geacht om prompt actie te ondernemen en ingeval er sprake is van illegale inhoud om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen zij zich niet beroepen op de aansprakelijkheidsvrijstelling. De DSA bevat verschillende andere zorgvuldigheidsverplichtingen die beogen illegale inhoud tegen te gaan, zoals de verplichting om gebruikers die frequent illegale inhoud plaatsen, te schorsen.
Mijn ministerie zet zich in om de bestaande mogelijkheden onder de DSA te benutten zodat slachtoffers zo goed mogelijk worden geholpen. Zo ondersteunt mijn ministerie stichting Offlimits en Meld Online Discriminatie, die door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) op basis van de DSA zijn aangewezen als «betrouwbare flaggers». Hun meldingen moeten door hostingdiensten en online platforms met prioriteit worden behandeld.
De DSA betreft maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Dit biedt een belangrijke mogelijkheid om te bezien of aanvullende verplichtingen voor tussenhandeldiensten nodig zijn. De evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Bent u bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk waarin platformen verantwoordelijk worden gehouden voor het niet bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal? Welke lessen kan Nederland leren uit deze Online Safety Act?
Ja, ik ben bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk. De Online Safety Act 2023 verplicht alle bedrijven die onder de wet vallen, waaronder sociale-mediaplatforms, om snel en doeltreffend op te treden tegen strafbaar online misbruik. De wet legt alle technologieplatforms een wettelijke verplichting op om proactief de meest schadelijke illegale inhoud aan te pakken. Hieronder valt ook misbruik met intieme afbeeldingen.
Op grond van de wet moeten gebruikers- en zoekdiensten die onder de reikwijdte van de wet vallen de risico's van illegale inhoud op hun platforms beoordelen en passende systemen en processen invoeren om te voorkomen dat gebruikers met illegale inhoud worden geconfronteerd. Daarnaast moeten zij de tijd dat dergelijke inhoud online beschikbaar blijft tot een minimum beperken en deze snel verwijderen zodra zij hiervan op de hoogte zijn. Dit geldt ook voor misbruik met intieme afbeeldingen, dat binnen dit wettelijke kader is aangemerkt als een prioritaire vorm van «illegale schade».
«Ofcom», als onafhankelijke toezichthouder in het Verenigd Koninkrijk, heeft wettelijke gedragscodes (Codes of Practice) gepubliceerd waarin wordt uiteengezet welke maatregelen aanbieders kunnen nemen om aan deze verplichtingen te voldoen. Er bestaan handhavingsmechanismen om naleving af te dwingen. Wanneer bedrijven hun verplichtingen niet nakomen, beschikt Ofcom over handhavingsbevoegdheden, waaronder het opleggen van boetes tot 18 miljoen Britse pond of 10% van de in aanmerking komende wereldwijde omzet, afhankelijk van welk bedrag hoger is. In de ernstigste gevallen kan Ofcom de rechter verzoeken maatregelen te nemen om de toegang tot niet-conforme diensten in het Verenigd Koninkrijk te blokkeren. Onder bepaalde omstandigheden kan Ofcom bovendien strafrechtelijke vervolging instellen tegen leidinggevenden.
Daarnaast voert de regering van het Verenigd Koninkrijk via de Crime and Policing Act een nieuwe verplichting in voor technologieplatforms om intieme afbeeldingen die zonder toestemming zijn gedeeld zo snel mogelijk te verwijderen, en in ieder geval binnen 48 uur na een geldige melding van een gebruiker. Ook hierbij geldt dat bedrijven die niet aan deze verplichting voldoen, boetes kunnen krijgen tot 10% van hun wereldwijde omzet of, in de ernstigste gevallen, dat hun dienst in het Verenigd Koninkrijk kan worden geblokkeerd.
Het is van belang om de Britse ervaringen zorgvuldig te volgen en te evalueren. Binnen de Europese Unie geldt het kader van de Digital Services Act (DSA), dat grote online platforms eveneens verplicht om risico's op illegale content te beperken en daartegen op te treden. Nederland zet zich in voor een effectieve uitvoering en handhaving van deze regels.
Klopt het dat in het Verenigd Koninkrijk het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap waarin strafbare dingen gebeuren, strafbaar is gesteld?
Nee, uit navraag bij collega’s van het Britse Ministerie van Binnenlandse Zaken blijkt dat het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap op zichzelf niet strafbaar is onder het Britse recht. Strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat op basis van concrete strafbare gedragingen die binnen zo'n digitale gemeenschap worden verricht, en niet door het enkele lidmaatschap of passieve deelname.
Zo is het zonder toestemming delen van intieme afbeeldingen, waaronder gemanipuleerde of deepfake afbeeldingen, strafbaar. Daarnaast bestaan – net als in Nederland – strafbepalingen die zien op het opzettelijk vervaardigen of laten vervaardigen van een intieme afbeelding van een ander zonder diens toestemming. Ook kan strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaan wanneer iemand strafbare activiteiten binnen dergelijke groepen faciliteert of bevordert, bijvoorbeeld door een actieve rol te spelen bij het mogelijk maken van het delen of verspreiden van illegale content. Dit kan zich voordoen wanneer beheerders of moderatoren, terwijl zij op de hoogte zijn van strafbare activiteiten, handelingen verrichten die deze activiteiten ondersteunen of stimuleren, of wanneer personen zelf deelnemen aan de verspreiding van dergelijk materiaal.
Daarnaast kunnen algemene strafrechtelijke bepalingen, zoals medeplichtigheid, deelneming aan een samenspanning of strafbare feiten met betrekking tot de verspreiding van illegale content, van toepassing zijn. Welke bepalingen gelden, hangt af van de rol, kennis en intentie van de betrokkene.
Tot slot heeft de Britse regering aangegeven de operationele aanpak van deze risico's verder te versterken. Daarbij wordt onder meer ingezet op gespecialiseerde undercoverteams die online opereren, beschikken over technische expertise om ernstige daders op te sporen en kunnen infiltreren in online omgevingen waar dergelijke strafbare feiten plaatsvinden.
Ook de Nederlandse politie werkt, onder meer in EMPACT-verband, mee aan internationale undercoveroperaties, met gekwalificeerde medewerkers. Op deze manier wordt kennis en expertise van de Nederlandse opsporing vergroot en levert de politie een waardevolle bijdrage in internationale opsporingsonderzoeken.
Bent u bereid te onderzoeken of een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld bij kan dragen aan een betere strafrechtelijke aanpak van facilitatoren en passieve deelnemers door bijvoorbeeld het strafbaarstellen van enkel het deelnemen aan dit soort onlinegroepen?
Gelet op de bestaande strafbaarstellingen en strafverzwaringsgronden vind ik een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld niet nodig of wenselijk. Zo zijn in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht verschillende seksuele misdrijven opgenomen die bij seksueel geweld dat in georganiseerd verband wordt begaan van toepassing kunnen zijn, zoals vormen van aanranding en verkrachting. Daarbij is van belang dat niet alleen degenen die fysiek betrokken zijn bij de seksuele handelingen die worden verricht strafbaar kunnen zijn wegens betrokkenheid bij seksuele misdrijven. Dit kunnen bijvoorbeeld ook personen zijn die op afstand seksuele handelingen aansturen die een slachtoffer aan het eigen lichaam verricht of die een derde bij het slachtoffer verricht. Als dergelijke misdrijven door twee of meer verenigde personen worden gepleegd wordt het toepasselijke gevangenisstrafmaximum met drie jaar verhoogd (artikel 254, eerste lid, onder b, Sr). Ook zijn als medeplichtigen strafbaar degenen die behulpzaam zijn bij het plegen van een seksueel misdrijf of daartoe opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen (artikel 48 Sr). Degenen die het feit door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk uitlokken of daartoe een poging doen, zijn eveneens strafbaar (artikelen 47, eerste lid, onderdeel 2°, en 46a Sr). Verder is het vervaardigen, openbaar maken en verspreiden van beeldmateriaal van seksueel misbruik – zoals beeldmateriaal van een aanranding of verkrachting – afzonderlijk strafbaar gesteld (artikel 254ba, eerste lid, Sr). Tot slot is deelneming aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft om seksuele misdrijven te plegen, strafbaar op grond van artikel 140 Sr.
Het enkel passief deelnemen aan een online groep zal in de regel niet voldoende zijn voor strafbaarheid. Dat acht ik, hoe verwerpelijk het bestaan van deze groepen ook is, ook niet wenselijk. Voor strafbaarheid zal steeds enige actieve betrokkenheid bij een concreet strafbaar feit vereist zijn.
Wat is de stand van zaken van het wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten digitale groepen te kijken?
Op dit moment wordt gewerkt aan een wettelijke grondslag voor informatievergaring door de politie uit publiek toegankelijke bronnen voor het voorkomen of beëindigen van ernstige openbare-ordeverstoringen. De politie mag dan, binnen bepaalde waarborgen, ook gegevens vergaren als daarmee een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Een wetsvoorstel met die strekking ligt momenteel ter advisering voor bij de Afdeling advisering van de Raad van State. Dat wetsvoorstel ziet op het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen. Ondertussen wordt een tweede tranche van het wetsvoorstel, voor toegang tot besloten groepen, voorbereid. Het streven is om dat wetsvoorstel, dat de politie de bevoegdheid geeft om in besloten groepen te kijken, in de tweede helft van 2026 in consultatie te geven.
Bent u bereid in dit wetstraject ook mee te nemen welke bevoegdheden de politie nodig heeft om in besloten digitale groepen te kijken om georganiseerd seksueel geweld tegen te kunnen gaan?
Het wetsvoorstel ziet op informatievergaring ten behoeve van openbare-ordehandhaving. Om georganiseerd seksueel geweld te bestrijden is het inzetten van strafvorderlijke bevoegdheden passender dan de bevoegdheden gericht op het aanpakken van verstoringen van de openbare orde.
Wanneer sprake is van een concrete verdenking van een misdrijf (zoals een seksueel misdrijf), beschikken opsporingsinstanties reeds over verschillende bevoegdheden die digitale observatie in besloten digitale groepen mogelijk maken.
De politie beschikt op grond van artikel 3 Politiewet 2012 over de bevoegdheid voor kortdurende, niet-stelselmatige observaties. In geval van een concrete verdenking van een misdrijf, kan de officier van justitie op grond van de artikelen 126g en 126j Sv bevelen tot stelselmatige observatie of het stelselmatig inwinnen van informatie.
Het bericht dat de dader van de kunstroof Assen in de gevangenis een kledinglijn opzet met gouden helm als logo |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dader kunstroof Assen zet in gevangenis kledinglijn op met gouden helm als logo»?1
Ik ben bekend met het bericht.
Wat vindt u ervan dat een gedetineerde een webshop kan oprichten en kennelijk kan exploiteren vanuit de gevangenis?
Ik deel de opvatting dat het niet past dat een gedetineerde vanuit zijn cel actief handelsactiviteiten ontplooit die zijn delict verheerlijken. Zolang daarmee echter geen verboden handelingen worden verricht of mogelijk gemaakt, de orde en veiligheid niet in gevaar komen of slachtoffers/benadeelden onrechtmatig in hun belangen worden geschaad, kunnen (ondernemings)activiteiten van gedetineerden niet algemeen worden beëindigd of verboden.
Daarnaast is het relevant om te benoemen dat het voeren van een legale commerciële activiteit door derden in relatie tot een gedetineerde buiten de inrichting in het algemeen niet bij wet verboden is. Ook is er geen wettelijke grondslag die alle commerciële uitingen verband houdend met het gepleegde delict verbiedt.
Wel zijn gedetineerde gebonden aan de communicatiebeperkingen die gelden binnen de inrichting. Ook telt gedrag van een gedetineerde dat de terugkeer in de samenleving eventueel tegenwerkt mee bij beslissingen over de rechten en vrijheden van de gedetineerde, zoals verlof of overplaatsing naar een regime met meer vrijheden.
Naar aanleiding van de motie-Ellian (Kamerstuk 24 587, nr. 883) zijn concrete stappen gezet om financiële transacties van en naar gedetineerden aan banden te leggen. Zo is de myTelio-applicatie buiten gebruik gesteld, kunnen gedetineerden onderling geen geld meer overmaken en kunnen transacties naar buiten alleen plaatsvinden onder opgave van reden. Daarnaast geldt dat het saldo op de rekening-courant van een gedetineerde maximaal € 250 mag bedragen. Geld overmaken gaat met tussenkomst van een medewerker van de PI. Op deze manier is het mogelijk toezicht te houden op transacties. Indien de medewerker van de PI naar aanleiding van een financiële transactie vermoedt dat er sprake is van voortgezet crimineel handelen, kan de medewerker een melding doen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV) van de desbetreffende PI.
Waarom mag een gedetineerde het postadres van de gevangenis gebruiken voor een webshop?
Het gebruik van het adres van een justitiële inrichting als vestigings- of postadres van een bedrijf is niet in lijn met de bestemming van die inrichting en past niet binnen het karakter van een justitiële inrichting. Het is echter aan de Kamer van Koophandel om te toetsen of een ondernemer bij een officiële inschrijving het opgegeven adres mag gebruiken.
Wat vindt u ervan dat iemand die procesafspraken maakt met het Openbaar Ministerie en altijd heeft gezwegen over zijn rol, een webshop opricht en/of daarbij betrokken is, met T-shirts over het strafbare feit dat hij heeft gepleegd?
Ik ga niet in op individuele gevallen. Verder verwijs ik naar de toelichting onder vraag 2.
Waarom is het oprichten van een rechtspersoon vanuit de gevangenis, of het betrokken zijn bij die oprichting daarvan, toegestaan?
De Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) bevat geen expliciete verbodsbepaling voor het voeren van een (online) onderneming vanuit detentie. Gedetineerden kunnen in beginsel een rechtspersoon oprichten of een onderneming starten of voortzetten. Het is uiteraard niet toegestaan om met een onderneming of rechtspersoon verboden activiteiten te ontplooien of een verboden doel na te streven. Zo is het oprichten van een organisatie die in strijd is met de openbare orde bij wet verboden.
Wat is er gebeurd sinds de toezegging van de toenmalig Minister in de Kamerbrief van 22 november 2021 dat het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden zou worden gelegd (Kamerstuk 29 911, nr. 339)?
In de Kamerbrief van 22 november 2021 (Kamerstukken 29 911, 29 279 en 24 587, nr. 339) schreef zoals bij vraag 4 is aangegeven dat de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming het oprichten van organisaties vanuit detentie aan banden wilde leggen dan wel verbieden voor gedetineerden die in de EBI of op een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) verblijven. In de voortgangsbrief van 13 juni 2022 (Kamerstuk 29 911, nr. 353) is de Kamer geïnformeerd over de uitkomst van dit onderzoek. Hierbij is aangegeven dat het complex is om een algemeen verbod op het oprichten van rechtspersonen vorm te geven, dat het bovendien al verboden is om een organisatie op te richten die in strijd is met de openbare orde, en dat een dergelijke maatregel op gespannen voet staat met het resocialisatiebeginsel. Om die redenen is destijds besloten hier niet verder op in te zetten.
Bent u bereid om het oprichten van rechtspersonen vanuit de gevangenis aan banden te leggen? Zo ja/nee, waarom?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 6, waarin ik heb uiteengezet waarom destijds is besloten niet in te zetten op een algemeen verbod op het oprichten van rechtspersonen vanuit detentie, en welke maatregelen sindsdien wel zijn getroffen ten aanzien van financiële transacties.
Gelet op de redenen die toen zijn aangevoerd zie ik op dit moment geen aanleiding om dat standpunt te herzien.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat gedetineerden niet betrokken kunnen zijn bij het exploiteren van ondernemingen terwijl zij hun straf ondergaan?
Zoals toegelicht in mijn antwoord op vragen 5 en 6 is er geen algemene grondslag om het exploiteren van ondernemingen door gedetineerden te verbieden. Wel bieden de Pbw en de huisregels de directeur de bevoegdheid om op te treden wanneer een gedetineerde beschikt over niet-toegestane communicatiemiddelen of wanneer zijn gedragingen de orde of veiligheid in gevaar brengen.
Daarnaast is, zoals toegelicht in antwoord 1, de financiële handelingsruimte van gedetineerden sinds 1 januari 2024 verder ingeperkt: het saldo op de rekening-courant is gemaximeerd op € 250 en transacties vinden plaats onder toezicht van medewerkers van de PI.
De toename van geweld, mishandeling, bedreiging en diefstal door migranten in de Amsterdamse Binnenstad |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Groepjes jongens stelen niet alleen, maar beroven, bedreigen en mishandelen ook: «alarm om steeds gewelddadigere dieven in Amsterdamse binnenstad»»?1
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Klokkenluider binnen politiekorps: «Criminele asielzoekers terroriseren Amsterdam»» van 25 augustus 2022?2
Ja.
Kunt u een reflectie geven op de oorzaken, gevolgen en de toename van deze problematiek over de afgelopen vier jaar? Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren getroffen om deze criminaliteit terug te dringen?
We zien niet alleen in de Amsterdamse binnenstad, maar ook in andere grote steden, een aanhoudend probleem van overlast en criminaliteit waar ook jonge asielzoekers bij betrokken zijn. Het gaat daarbij vaak om een mobiele groep overlastgevers, die overlast of criminaliteit pleegt in een andere gemeente dan waar zij zelf feitelijk verblijft.
Bureau Beke heeft eerder in opdracht van het WODC onderzocht welke factoren ten grondslag kunnen liggen aan verschillende vormen van overlast en crimineel gedrag door COA-bewoners. Dit onderzoeksrapport is eind vorig jaar gepubliceerd.
Bij brief van 22 mei jl. heb ik uw Kamer nader geïnformeerd over deze kwalitatieve onderzoeksbevindingen en de daaraan gerelateerde inzet vanuit het Rijk.3
Op lokaal niveau worden in Amsterdam ten aanzien van overlast verschillende bestuurlijke maatregelen ingezet, zoals cameratoezicht en de instelling van overlastgebieden, waarin gebiedsverboden kunnen worden opgelegd na het begaan van wets- of APV-overtredingen. Voor de politie heeft de overlast in het centrumgebied hoge prioriteit; er is extra toezicht ingericht in de winkelstraten en er wordt nauw samengewerkt met partners aan nieuwe interventies. Hierbij wordt veelvuldig operationeel afgestemd, waarbij signalen van ondernemers en beveiligers direct worden vertaald naar een gerichte politie-inzet. Daarnaast monitort de politie, en dan specifiek de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), de situatie nauwgezet om, in samenwerking met de IND en het COA, waar mogelijk direct maatregelen te treffen binnen de asielketen.
Bent u bereid om na te vragen bij de politie in Amsterdam centrum, waar vier jaar geleden deze noodklok werd geluid, om te onderzoeken, desnoods op basis van mogelijk anonieme vragen, hoe agenten aankijken tegen de situatie op dit moment, wat er aan maatregelen is genomen de afgelopen vier jaar, en wat er volgens hen aanvullend nodig is?
Zie antwoord vraag 3.
In 2022 stelden klokkenluiders bij de Amsterdamse politie dat zij hun handen vol hadden aan criminele asielzoekers uit Noord-Afrika, dat het bestrijden van deze criminaliteit zinloos was zolang daders niet werden uitgezet, en dat zij dit als zeer frustrerend ervoeren; wat kunt u, vier jaar later, zeggen tegen deze agenten om hun zorgen tegemoet te komen, en op welke concrete wijze is de situatie sindsdien verbeterd?
Het kabinet geeft hoge prioriteit aan de terugkeer van vertrekplichtige vreemdelingen. Daartoe worden langs meerdere sporen stappen gezet om het aantal vertrekken te verhogen. Voor gedwongen terugkeer is het essentieel dat vreemdelingen in beeld zijn bij de Nederlandse autoriteiten. Daarbij wordt, als dit nodig is, gebruik gemaakt van vreemdelingenbewaring. In 2025 is het aantal plekken voor vreemdelingenbewaring uitgebreid.
Medewerking van derde landen is cruciaal, zoals voor het afgeven van vervangende reisdocumenten. De laatste jaren heeft Nederland sterk ingezet op het verbeteren van de migratiesamenwerking met derde landen. Als gevolg hiervan is de terugkeersamenwerking met verschillende landen, waaronder landen in Noord-Afrika, verbeterd. Zo is er nu sprake van «zicht op uitzetting» naar Marokko en Algerije. Dit heeft ook ertoe geleid dat Nederland de laatste jaren meer vertrekplichtige vreemdelingen naar deze landen heeft kunnen uitzetten.
De nieuwe Terugkeerverordening moet de terugkeerprocedure versimpelen, administratieve lasten verminderen en zorgen voor een eenvoudiger en efficiënter Europees terugkeerproces. Daarnaast creëert de nieuwe terugkeerverordening meer gronden voor vreemdelingenbewaring, mogelijkheden om langere inreisverboden op te leggen en creëert het tevens mogelijkheden voor innovatieve oplossingen, bijvoorbeeld terugkeer- en transithubs.
Daarnaast is het kabinet bezig om bepaalde onderdelen van het Nederlandse terugkeersysteem te wijzigen. Enkele van de voorgestelde wijzigingen zijn opgenomen in de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring, die onlangs is aangenomen in de Tweede Kamer. Zo wordt in deze wet de mogelijkheid voor ongewenstverklaring van vreemdelingen verruimd. Ook maakt de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring het meewerken aan vertrek verplicht.
Hoeveel (uitgeprocedeerde) criminele asielzoekers zijn de afgelopen jaren per jaar vervolgd en hoeveel bestraft voor criminaliteit, van hoeveel criminele asielzoekers is als gevolg daarvan hun asielprocedure stopgezet en afgewezen en hoeveel criminele asielzoekers zijn uitgezet? Voor welk type misdrijven is in de praktijk besloten om asielprocedures stop te zetten en/of uit te zetten?
Voor een cijfermatig overzicht van het aantal verdachtenregistraties van COA-bewoners en de strafrechtelijke afdoeningen door het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak verwijs ik naar de zogeheten Incidentenmonitor van het WODC. Op 2 juli jl. is de rapportage over 2019–2025 door het WODC gepubliceerd.4
Wanneer vreemdelingen misdrijven plegen en hiervoor (onherroepelijk) veroordeeld zijn, toetst de IND op verblijfsrechtelijke consequenties. In 2025 werden 20 asielvergunningen ingetrokken en 110 asielaanvragen afgewezen op grond van de openbare orde.5
Bent u het met de indieners eens dat het cruciaal is dat asielzoekers die dergelijk crimineel gedrag vertonen de consequenties daarvan moeten (leren) vrezen om hen hiervan te weerhouden? In hoeverre vindt u dat de consequenties die zij op dit moment doorgaans ondervinden voldoende afschrikwekkend zijn? Kunt u dit toelichten?
Ja, ik ben het met de indieners eens dat asielzoekers die crimineel gedrag vertonen daarvan de consequenties moeten ondervinden. Een asielzoeker die een strafbaar feit pleegt, moet duidelijk merken dat het plegen van misdrijven direct strafrechtelijke gevolgen heeft (lik-op-stuk). Onder lik-op-stuk beleid wordt verstaan een snelle interventie na aanhouding van de verdachte tot en met de succesvolle tenuitvoerlegging van de straf. Dat zijn bij voorkeur de supersnelrechtzitting bij de politierechter, waarbij de verdachte binnen 72 uur na aanhouding vanuit de inverzekeringstelling wordt berecht en de snelrechtzitting bij de politierechter waarbij de verdachte binnen 17 dagen na aanhouding vanuit de bewaring wordt berecht. In beide situaties wordt een verdachte berecht vanuit de voorlopige hechtenis en kan de rechter bevelen dat de resterende straf direct aansluitend wordt uitgezeten.
Of de inzet van (super)snelrecht en directe tenuitvoerlegging van de sanctie (vaak een gevangenisstraf) mogelijk is, hangt af van de omstandigheden en is aan de officier van justitie.
Hoe vaak worden criminele asielzoekers die winkeldiefstallen plegen en werkloos geraakte arbeidsmigranten die overvallen of geweld plegen zoals beschreven in deze artikelen en die worden opgepakt door winkelaars en/of vervolgens door de politie, daadwerkelijk vervolgd?
Deze categorisering wordt door het Openbaar Ministerie niet cijfermatig bijgehouden.
Hoe vaak krijgen criminele asielzoekers die worden gepakt voor dergelijke misdrijven gestraft door een maatregel opgelegd door het asielzoekerscentrum (AZC)?
De opsporing en vervolging van strafbare feiten berusten primair bij de strafrechtketen en vallen niet onder de verantwoordelijkheid van het COA. Hoe vaak COA een maatregel oplegt die verband houdt met gedragingen van de bewoner buiten het AZC, wordt niet als categorie zodanig systematisch bijgehouden.
De IND beziet bij een onherroepelijke veroordeling altijd of verblijfsrechtelijke consequenties mogelijk zijn (bijvoorbeeld intrekking of weigering).
Klopt het dat politieteams in de Amsterdamse binnenstad destijds het overgrote deel van hun tijd kwijt waren aan criminele asielzoekers, zoals in 2022 werd gerapporteerd? Kunt u bij de betreffende politieteams nagaan welk deel van hun schaarse politietijd agenten momenteel kwijt zijn aan deze groepen criminelen in de Amsterdamse binnenstad, Ter Apel en Budel?
Deze vraag kan niet kwantitatief worden beantwoord, omdat de politie-inzet niet op deze wijze wordt geregistreerd.
Klopt het dat winkeliers SODA-boetes (Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling) van 181 euro uitsluitend kunnen opleggen aan Nederlands ingezetenen en dat arbeidsmigranten en asielzoekers daardoor buiten dit systeem vallen? Hoe verloopt dit incasso-systeem in de praktijk? Is het mogelijk om deze boetes ook op te leggen aan arbeidsmigranten en asielzoekers en wat zou daarvoor nodig zijn?
Nee, dat klopt niet. Arbeidsmigranten en asielzoekers worden eveneens door SODA aangeschreven op het bij SODA bekende adres. SODA ziet echter op landelijk niveau dat de groep arbeidsmigranten en asielzoekers moeilijk aan te spreken zijn op de schade die zij veroorzaken, omdat verhuizing vaak voorkomt en post ongeopend retour komt. Doordat deze groep moeilijk vindbaar is, is de verhaalbaarheid van vorderingen erg laag.
Dagvaarden is voor SODA vervolgens geen aantrekkelijke optie, omdat dan moet worden geïnvesteerd in het verhalen van een vordering waarvan de debiteur moeilijk vindbaar is. Dit heeft als gevolg dat de meldingsbereidheid bij ondernemers daalt.
Klopt het dat winkeliers die een SODA-boete opleggen van 181 euro zelf slechts 80 euro daarvan ontvangen? Zo ja, op welke gronden is deze verdeling bepaald en bent u bereid dit aandeel voor winkeliers te verhogen?
SODA werkt in de meeste gevallen voor ondernemers op basis van no cure no pay. In ongeveer 70% van de gevallen lukt het SODA de schade te verhalen. Tijdens de incassofase, de deurwaardersfase en gerechtelijke fase draagt SODA alle risico’s en kosten. Om deze werkzaamheden te mogen verrichten voldoet SODA aan de eisen van de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening. Bij deze werkzaamheden spant SODA zich in een zo hoog mogelijk percentage uit te keren aan ondernemers. Gemiddeld keert SODA, afhankelijk van de afspraken, 110 tot 130 euro uit aan de ondernemer.
De genoemde (circa) 80 euro raakt aan de gegarandeerde SODA-schadevergoeding voor ondernemers in Westerwolde.6 Mede naar aanleiding van de wens van ondernemers in Ter Apel voor één schadeloket, is voor ondernemers en bewoners in Ter Apel thans een separate schaderegeling opgezet.
Klopt het dat criminele asielzoekers winkeliers die hen aanspreken of aanhouden hen regelmatig bedreigen en foto’s van hen nemen? Hoe vaak zijn criminele asielzoekers vervolgd voor deze vormen van intimidatie, welke straffen staan daarop en welke straffen worden daarvoor zoal uitgedeeld?
De politie heeft laten weten de signalen over de toenemende agressie, intimidatie en het maken van foto’s van winkelpersoneel door winkeldieven, waaronder asielzoekers, in het kernwinkelgebied van Amsterdam in algemene zin te herkennen. Dit gedrag is volstrekt onacceptabel. Winkelpersoneel moet te allen tijde veilig zijn werk kunnen doen.
Deze categorieën van delicten worden door het Openbaar Ministerie niet apart cijfermatig bijgehouden.
Klopt het dat de landelijke Top X-lijst van overlastgevende asielzoekers inmiddels bijna 1.200 personen telt, waarvan de helft van Syrische afkomst is en meer dan een derde minderjarig? Klopt het voorts dat alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) over het algemeen niet worden geplaatst in procesbeschikbaarheidslocaties en dat de handhaving en toezichtlocatie (HTL) niet meer wordt gebruikt? Welke concrete interventies staan dan wel ter beschikking voor deze specifieke groepen en acht u die toereikend om overlastgevend en crimineel gedrag effectief aan te pakken?
Ja, dat klopt voor wat betreft de eerste en tweede deelvraag. De procesbeschikbaarheidslocatie, zoals deze bestond tijdens de procesbeschikbaarheidsaanpak, was ingericht voor een specifieke doelgroep waarbij kwetsbaren, waaronder minderjarigen, zijn uitgesloten van. In maart 2025 hebben het COA en Nidos besloten tot een (tijdelijke) plaatsingsstop van amv op de htl. Dit naar aanleiding van diverse incidenten waar amv bij betrokken waren. Van deze incidenten is melding gedaan bij de betrokken Inspecties en zijn er evaluatieverslagen opgesteld. In de evaluaties werd geconstateerd dat een aantal verbeteringen moet worden doorgevoerd, voordat de plaatsingsstop van amv opgeheven kan worden. Zie in dit verband ook de toelichting aan uw Kamer bij brief van 22 mei jl.7 Het COA en Nidos werken hangende deze tijdelijke plaatsingsstop voor amv op de htl in gezamenlijkheid aan een duurzaam, goed en veilig werk-, woon-en begeleidingsklimaat voor amv.
Verder kan het COA, in samenspraak met Nidos, een amv die ernstige overlast veroorzaakt, plaatsen in de Perspectief Opvang Nidos (PON). In de PON ontvangen jongeren intensieve begeleiding, waarbij zij werken aan hun gedrag en toekomstperspectief, zowel binnen als buiten Nederland. Ik werk met het COA en Nidos op dit moment aan een afspraak uit het coalitieakkoord over verlengde opvang en aanvullende begeleiding van asielzoekers van 18–21 jaar.
Welke specifieke strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke consequenties kunnen minderjarige asielzoekers die overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen in de praktijk ondervinden en hoe vaak zijn deze opgelegd? Voorziet de aangenomen motie-Boomsma over een landelijk actieplan voor jonge Syrische asielzoekers in voldoende uitvoerbare maatregelen voor amv’s, in het bijzonder waar het detentiemogelijkheden betreft (Kamerstuk 19 637, nr. 3413)? In hoeveel gevallen zijn de in de uitvoering van de motie voorgestelde acties daadwerkelijk opgelegd?
Waar het gaat om minderjarige vreemdelingen geldt dat het reguliere jeugdstrafrecht van toepassing is. Het toepasbaar instrumentarium uit het jeugdstrafrecht kent een pedagogisch uitgangspunt en zet daarmee ook in op verkleining van het risico op herhaling. Samen met de partners uit de vreemdelingenketen en de jeugdstrafrechtketen voert het Ministerie van Justitie en Veiligheid gesprekken over handvaten om dat toepasbaar instrumentarium ook zo goed mogelijk in te zetten voor deze doelgroep.
In de doorontwikkeling naar een landelijke tafel om mobiele overlastgevende en criminele vreemdelingen aan te pakken, wordt nadrukkelijk samengewerkt met de organisaties in de vreemdelingenketen en strafrechtketen om op die manier te borgen dat het beschikbare instrumentarium maximaal wordt ingezet. Zoals toegelicht in de brief van 2 juli jl.8 wordt thans de persoonsgerichte aanpak in Utrecht doorontwikkeld naar een landelijke tafel met het streven om zo spoedig mogelijk na het zomerreces operationeel te zijn.
Ondertussen blijft onverkort de werkafspraak van kracht dat de politie bij een strafbaar feit door een alleenstaande minderjarige vreemdeling voogdij-instelling Nidos informeert, zodat door de voogd van Nidos en de amv-mentor van het COA de begeleiding van de jeugdige waar nodig wordt aangescherpt. Zulke lokale interventies worden niet op centraal niveau geregistreerd.
Klopt het dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in de nieuwe werkinstructie voor het Plan van Aanpak openstaande asielaanvragen een roulatiesysteem hanteert waarbij nationaliteiten periodiek worden afgewisseld om de belasting van de rechtspraak te spreiden? Maakt u in deze werkinstructie ruimte voor het prioritair (her)beoordelen van asielaanvragen en verblijfsvergunningen van (overlastgevende) Syriërs, mede in het licht van de aangenomen motie-Boomsma/Ceulemans over een taskforce terugkeer Syriërs (Kamerstuk 36 800 XX, nr. 28)?
Voor de aanvragen die voor 12 juni 2026 zijn ingediend, is in een daartoe opgesteld plan van aanpak een onderverdeling in categorieën gemaakt ten behoeve van specialisatie of standaardisering bij de IND en daarmee een snellere behandeling van de aanvragen. U bent hierover bij brief van 5 juni jl. geïnformeerd. Het plan van aanpak ziet uitsluitend op het afdoen van openstaande aanvragen en niet op het herbeoordelen van reeds verleende vergunningen.
Er zal gestart worden met de categorie van personen uit landen waarvoor het niet zeer waarschijnlijk is dat hun aanvraag wordt ingewilligd op basis van het landenbeleid. Hierin worden de Syrische aanvragen met prioriteit meegenomen. De IND zal in tijdscohorten van ongeveer drie maanden werken, waarbij steeds wisselende nationaliteiten worden opgepakt. Syriërs maken standaard onderdeel uit van die tijdscohorten binnen de aanpak openstaande asielaanvragen. Zoals in de brief aangegeven, blijft de aanpak van overlastgevende asielzoekers de hoogste prioriteit houden. Deze groep gaat, net als voorheen het geval was, met een geprioriteerde procedure door het proces en staat daarmee los van dit plan van aanpak.
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans/Van der Plas die de regering verzocht vóór 1 mei 2026 de Kamer te informeren over concrete maatregelen tegen de overlast rondom azc Budel (Kamerstuk 19 637, nr. 3510). Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Ceulemans die verzocht te zorgen voor beveiliging en/of ov-boa’s op de buslijnen en pendelbus tussen Emmen en Ter Apel (Kamerstuk 19 637, nr. 3531)? Welke concrete maatregelen zijn sindsdien genomen?
In dit verband wordt verwezen naar de recente brief over de uitwerking van de genoemde moties en voortgang van de maatregelen in de aanpak van overlast in het openbaar vervoer.9
In hoeverre is de situatie in Budel en op de buslijnen rond Ter Apel inmiddels verbeterd en zo niet, welke aanvullende stappen worden op korte termijn gezet?
Zie antwoord vraag 17.
Bent u het eens met de stelling dat het tijd is voor een grootschalige campagne waarbij politie, Openbaar Ministerie, IND en Dienst Justitiële Inrichtingen rond de tafel gaan om harde keuzes te maken om deze problematiek beter aan te pakken, daar tijd voor vrij te maken en waar mogelijk vast te zetten en vervolgens uit te zetten?
De burgemeester is lokaal eindverantwoordelijke voor de handhaving van de openbare orde en voert hierbij het operationele gezag over de politie.
Uitgangspunt is reeds dat bij strafbare feiten normerend wordt opgetreden. Dat vereist nauwe samenwerking tussen de vreemdelingenketen, strafrechtketen en lokale driehoek. Het vraagt voortdurende inspanning van alle betrokken partners om zich te committeren aan het maximaal toepassen van het beschikbare instrumentarium.
Voor verdachten moet duidelijk zijn dat het plegen van een misdrijf direct gevolgen heeft in de vorm van lik-op-stuk.
Daarbij geldt parallel dat de inzet van de vreemdelingenketen erop is gericht om de asielprocedures van overlastgevers snel- en slagvaardig af te doen, waarbij de IND na een onherroepelijke veroordeling altijd beziet of intrekking of weigering van een asielvergunning mogelijk is, en de DTenV direct na afwijzing voortvarend inzet op terugkeer naar land van herkomst of overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat meerdere mannen worden verdacht van het drogeren, verkrachten en filmen van vrouwen, waarbij beelden en informatie zouden zijn gedeeld binnen besloten online groepen?1
Ja.
Deelt u de zorg dat in het geval van samenwerking tussen verdachten, het uitwisselen van kennis over het drogeren van vrouwen en het delen van beeldmateriaal kenmerken vertoont van een georganiseerd patroon van seksueel geweld in plaats van uitsluitend individueel gepleegde zedendelicten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze zaak. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuur van 9 juni jl. heb aangegeven waren er acht verdachten in beeld waarvan er vier toen zijn aangehouden. Inmiddels zitten deze vier verdachten niet meer vast, maar zij blijven wel verdachten. Het strafrechtelijk onderzoek is nog in volle gang. Wanneer er gewichtige ontwikkelingen zijn in het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoeksbelang zich hiertegen niet verzet zal ik uw Kamer, in lijn met mijn toezegging op 9 juni jl. om uw Kamer te informeren over de voortgang van deze zaak, hierover informeren.
Wanneer meerdere verdachten samenwerken, beeldmateriaal delen, elkaar tips geven en elkaar aanmoedigen bij het plegen van seksueel geweld, kan sprake zijn van georganiseerd seksueel geweld (zie ook het antwoord op vraag 5). Als het zo zou zijn dat er netwerken zijn waarbinnen vrouwen worden gedrogeerd en daarna worden verkracht is dat bijzonder schokkend. Als hiervan vervolgens ook beeldmateriaal zou worden gedeeld met anderen is dat natuurlijk extra kwalijk. Dit onderstreept het belang van grondig onderzoek naar de rol van alle betrokkenen bij strafbare feiten en van een effectieve strafrechtelijke aanpak daarvan.
Kent u meer berichten met betrekking tot gelijkaardige verdenkingen? Zo ja, welke zijn dat?
De politie is in algemene zin bekend met dit fenomeen waarbij in digitale groepen kennis wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen om hen seksueel te misbruiken.
Eventuele meldingen of signalen over het drogeren van slachtoffers om hen seksueel te misbruiken en het filmen daarvan, worden door de politie en het Openbaar Ministerie zorgvuldig beoordeeld en, waar aangewezen, onderzocht. Zolang een strafrechtelijk onderzoek loopt kan de politie hierover geen mededelingen doen.
Beschikt u over informatie betreffende slachtoffers van georganiseerd seksueel geweld? Zo ja, waaruit bestaat die informatie? Hoe worden deze slachtoffers geholpen, bijvoorbeeld via Slachtofferhulp Nederland? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
De politie geeft aan meldingen te hebben ontvangen van slachtoffers die vermoeden dat zij zijn gedrogeerd en seksueel misbruikt door hun partner. Het onderzoek naar de in het artikel genoemde casus loopt, waarbij ook nadrukkelijk wordt onderzocht of verdachten gezamenlijk strafbare feiten hebben gepleegd. In het algemeen geldt dat wanneer de opsporingsdiensten een stelselmatigheid ontdekken of herkennen, dit altijd prioriteit krijgt bij de inzet van de opsporingscapaciteit. Dit is in lijn met het uitgangspunt dat de opsporingscapaciteit wordt ingezet daar waar een zo groot mogelijk maatschappelijk effect kan worden bereikt.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland geven kosteloos emotionele steun en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Zo heeft het Centrum Seksueel Geweld een speciale pagina met informatie over seksueel misbruik en wat slachtoffers kunnen doen als het hen overkomt. Offlimits helpt met het laten verwijderen van online illegaal materiaal en biedt hulp, advies en preventie op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik.
Acht u het wenselijk om onderzoek te laten doen naar het fenomeen van georganiseerd seksueel geweld en daarbij te bezien of het als afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk moet worden erkend? Zo ja, op welke wijze en termijn gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik zal conform mijn toezegging tijdens het Mondelinge Vragenuur van 9 juni jl., samen met de politie en het Openbaar Ministerie verkennen of georganiseerd seksueel misbruik een afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk vergt. Daarbij wordt bezien of de aard, omvang en kenmerken van deze problematiek aanleiding geven om deze als een zelfstandige categorie binnen beleid en opsporing te benaderen en welke eventuele vervolgstappen daarbij passend zijn. De Kamer wordt over de uitkomsten van deze verkenning geïnformeerd in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven voorafgaand het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 9 december 2026.
Bent u van oordeel dat de huidige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen voor het in georganiseerd verband plegen van seksuele misdrijven afdoende is om vroegtijdig in te kunnen grijpen ter voorkoming van ernstige zedenmisdrijven? Zo ja, aan welke voorbereidingshandelingen denkt u? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen deze voorbereidingshandelingen wel strafbaar worden gesteld?
Op grond van artikel 46 Sr zijn bepaalde handelingen strafbaar als deze worden gepleegd ter voorbereiding van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Dit geldt ook in geval van ernstige seksuele misdrijven zoals (gekwalificeerde) opzetverkrachting (artikel 243 Sr). Strafbare voorbereidingshandelingen zijn onder meer het opzettelijk verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen, stoffen of ruimten die zijn bestemd voor het begaan van een dergelijk misdrijf. In het geval van een drogeerverkrachting kan het aanschaffen van de middelen die worden gebruikt om het slachtoffer te drogeren bijvoorbeeld een strafbare voorbereidingshandeling zijn.
Daarbij is van belang dat er naast de genoemde strafbare voorbereiding meer strafbaarstellingen zijn op basis waarvan vroegtijdig strafrechtelijk kan worden ingegrepen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van seksuele misdrijven (artikel 140 Sr); in dat geval is voor strafbaarheid niet vereist dat al een aanvang is gemaakt met het plegen van die misdrijven. Ook de enkele poging een ander uit te lokken om een seksueel misdrijf te begaan is zelfstandig strafbaar (artikel 46a Sr).
Bent u bereid te onderzoeken of, naar analogie van artikel 141a van het Wetboek van Strafrecht inzake medeplichtigheid tot geweldpleging, aanvullende wettelijke mogelijkheden nodig zijn om opsporing van georganiseerd seksueel geweld in een vroeg stadium mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
De zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld vind ik niet nodig of wenselijk. In aanvulling op het antwoord op vraag 6 hierboven wijs ik erop dat in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht verschillende seksuele misdrijven zijn opgenomen die bij seksueel geweld dat in georganiseerd verband wordt begaan van toepassing kunnen zijn, zoals vormen van aanranding en verkrachting, en de voorbereiding van, poging tot en deelneming aan die misdrijven.
Daarbij is van belang dat niet alleen degenen die fysiek betrokken zijn bij de seksuele handelingen die worden verricht, strafbaar kunnen zijn wegens betrokkenheid bij seksuele misdrijven. Dit kunnen bijvoorbeeld ook personen zijn die op afstand seksuele handelingen aansturen die een slachtoffer aan het eigen lichaam verricht of die een derde bij het slachtoffer verricht. Als dergelijke misdrijven door twee of meer verenigde personen worden gepleegd wordt het toepasselijke gevangenisstrafmaximum met drie jaar verhoogd (artikel 254, eerste lid, onder b, Sr). Ook zijn als medeplichtigen strafbaar degenen die behulpzaam zijn bij het plegen van een seksueel misdrijf of daartoe opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen (artikel 48 Sr). Degenen die het feit door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk uitlokken of daartoe een poging doen, zijn – zoals hiervoor al aan de orde kwam – eveneens strafbaar (artikelen 47, eerste lid, onderdeel 2°, en 46a Sr).
Gelet op de bestaande strafbaarstellingen en strafverzwaringsgronden meen ik dat het huidige strafrechtelijk instrumentarium volstaat om ook in een vroegtijdig stadium krachtig op te treden tegen strafbaar handelen dat is gericht op seksueel misbruik.
Acht u de wettelijke bevoegdheden op grond waarvan de politie kan infiltreren in besloten online groepen waarin seksueel geweld wordt voorbereid, verheerlijkt, gefaciliteerd of gepleegd afdoende? Zo ja, waarom en hoe vaak maakt de politie in het verband van dergelijke online groepen gebruik van deze bevoegdheid? Zo nee, waarom niet? En indien niet, bent u van plan dat op korte termijn op te lossen zodat dit opsporingsmiddel hier wel kan worden ingezet?
In geval van een concrete verdenking van een misdrijf (waaronder een seksueel misdrijf), kan de officier van justitie op grond van de artikelen 126g en 126j Sv bevelen tot stelselmatige observatie of het stelselmatig inwinnen van informatie, ook in besloten digitale groepen. Inzet van deze bevoegdheden vindt alleen plaats wanneer dat noodzakelijk en proportioneel is, onder gezag van het Openbaar Ministerie en met inachtneming van de wettelijke waarborgen en rechterlijke toetsing waar vereist.
Over de frequentie van de toepassing van deze bevoegdheden kunnen geen gedetailleerde cijfers worden gedeeld. Deze inzet wordt selectief toegepast en cijfers daarover worden niet afzonderlijk en centraal openbaar gemaakt, mede vanwege het opsporingsbelang.
In hoeverre worden online platforms, hostingdiensten en beheerders van digitale gemeenschappen momenteel verantwoordelijk gehouden voor het signaleren, verwijderen en melden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en beelden van seksueel misbruik? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot de Online Safety Act in het Verenigd Koninkrijk?
De doelen van de DSA en de Online Safety Act zijn vergelijkbaar in het bevorderen van een veilige online omgeving door online aanbieders verplichtingen op te leggen die onder meer zien op effectieve moderatie en risicobeheersing. Verschillen zijn er ook, zoals in de benadering van de risicosturing en het toezichtsmodel.
De Digital Services Act (DSA) bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten en online platforms, en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waar deze diensten aan moeten voldoen. Hostingdiensten en online platforms dienen illegale online content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten, en riskeren zij zelf aansprakelijkheid. Kennis kan onder meer ontstaan door de ontvangst van een melding van illegale online content. Daarnaast legt de DSA aan tussenhandeldiensten zorgvuldigheidsverplichtingen op, zoals het inrichten van kennisgevings- en actiemechanismen, zodat het melden van illegale online content voor iedereen eenvoudig en toegankelijk is. De DSA betreft maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten.
Er kan sprake zijn van illegale online content in de zin van de DSA indien op het beeldmateriaal seksuele gedragingen van personen zichtbaar zijn die zelf geen toestemming hebben gegeven om die opnamen te maken dan wel te verspreiden (artikel 254ba Sr).
De Online Safety Act 2023 stelt een uitgebreid wettelijk kader vast voor online gebruikersdiensten (zoals sociale mediaplatforms en onlinefora) en zoekdiensten. Op grond van deze wet rusten op deze diensten duidelijke wettelijke verplichtingen om illegale content, waaronder het zonder toestemming verspreiden van intieme afbeeldingen, tegen te gaan.
Op basis van de wet moeten deze diensten proportionele systemen en processen inrichten om de risico's op illegale content, waaronder misbruik van intieme afbeeldingen zonder toestemming, te identificeren, te beperken en te beheersen. Dit omvat onder meer de verplichting om risicoanalyses uit te voeren, effectieve systemen voor contentmoderatie te implementeren en toegankelijke meld- en klachtenprocedures voor gebruikers in te richten. Platforms moeten daarnaast maatregelen treffen om te voorkomen dat gebruikers met illegale content worden geconfronteerd en dergelijke content, zodra zij daarvan kennis hebben, snel verwijderen.
Deze verplichtingen gelden voor de volledige werking van een dienst. In de praktijk betekent dit onder meer dat effectieve moderatie- en meldsystemen aanwezig moeten zijn voor de verschillende functies, onderdelen en gebruikersgemeenschappen van een platform. De wet is nadrukkelijk gebaseerd op een stelsel van systemen en processen. Van aanbieders wordt verwacht dat zij risico's op een integrale en proportionele wijze aanpakken, en niet uitsluitend reageren door afzonderlijke uitingen van illegale content achteraf te verwijderen.
Voor zoekdiensten gelden vergelijkbare verplichtingen. Zij moeten proportionele maatregelen treffen om te voorkomen dat gebruikers via zoekresultaten worden blootgesteld aan illegale content. Dit omvat onder meer het inrichten van systemen om dergelijke content in zoekindexen te identificeren en de kans te verkleinen dat gebruikers daarmee worden geconfronteerd, mede naar aanleiding van meldingen van gebruikers.
De Online Safety Act legt geen directe verplichtingen op aan hostingdiensten van derden of andere aanbieders van internetinfrastructuur. De wet kent de Britse toezichthouder «Ofcom» echter ruime handhavingsbevoegdheden toe wanneer gereguleerde platforms of zoekdiensten hun wettelijke verplichtingen niet nakomen. Zo kan Ofcom gebruikmaken van zogenoemde Business Disruption Measures door de rechter te verzoeken derden, zoals hostingdiensten, betalingsverwerkers of internetaanbieders, te verplichten hun dienstverlening aan een niet-conform platform te beëindigen of de toegang daartoe te beperken.
Samengevat legt de Online Safety Act 2023 de primaire verantwoordelijkheid bij gebruikersdiensten en zoekdiensten om de verspreiding van seksueel getinte afbeeldingen die zonder toestemming zijn gedeeld, te identificeren, te verwijderen en te beperken door middel van robuuste en proportionele systemen en processen. Hoewel hostingdiensten en andere aanbieders van internetinfrastructuur niet rechtstreeks aan deze verplichtingen zijn gebonden, kunnen zij via de handhavingsbevoegdheden van Ofcom indirect worden betrokken wanneer dat noodzakelijk is om naleving van de wet af te dwingen.
Acht u het wenselijk dat er aanvullende maatregelen komen om platforms verantwoordelijk te houden voor het proactief bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en andere vormen van online seksueel misbruik? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat de bestaande maatregelen afdoende zijn?
Op dit moment kan aan aanbieders van tussenhandeldiensten gelet op artikel 8 DSA geen algemene verplichting worden opgelegd tot monitoring van de door hen doorgegeven of opgeslagen informatie, noch tot actief onderzoek naar feiten of omstandigheden die duiden op illegale activiteiten. De DSA voorziet in maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Dit biedt een belangrijke mogelijkheid om te bezien of aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten nodig en wenselijk zijn. De evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Het kabinet acht het van groot belang dat aanbieders van diensten effectief optreden tegen de verspreiding van strafbaar materiaal. Nederland zet zich daarom in Europees verband in voor een juridisch kader waarmee aanbieders, binnen de grenzen van de grondrechten en met passende waarborgen, maatregelen treffen om de verspreiding van dit materiaal op hun diensten te voorkomen, op te sporen en te verwijderen.
Acht u het wenselijk om het bezit, bekijken of verspreiden van beelden waarin personen worden verkracht strafbaar te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en hoe kan deze praktijk dan via het bestaande strafrecht wel worden aangepakt?
Op grond van artikel 254ba Sr is het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een visuele weergave van seksueel aard van een ander strafbaar. Hetzelfde geldt voor het beschikken over een dergelijke visuele weergave die zo is vervaardigd of het openbaar maken hiervan. In geval van een verkrachting mag worden verondersteld dat het slachtoffer niet instemt met het maken van het beeldmateriaal en dat dit materiaal daarom wederrechtelijk is. Als de betrokkene minderjarig is, is het maken en verspreiden van een visuele weergave van seksuele handelingen van diegene altijd strafbaar, zelfs als de minderjarige vrijwillig betrokken is bij seksuele handelingen (artikel 252 Sr).
In dit verband kan in sommige gevallen ook relevant zijn de strafbaarstelling van het openbaar maken en verspreiden van beeldmateriaal van slachtoffers waarin het initiatiefvoorstel van de leden Straatman en Mutluer voorziet (Kamerstukken II 2022/23, 36 381, nr. 2). Ik volg de behandeling van dat wetsvoorstel door uw Kamer met interesse.