| Ingediend | 28 juli 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 8 september 2026 (na 42 dagen) |
| Indiener | Vicky Maeijer (PVV) |
| Beantwoord door | Sophie Hermans (VVD) |
| Onderwerpen | organisatie en beleid zorg en gezondheid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z16540.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2978.html |
Ja.
Het Ministerie van VWS spreekt niet van een naderend mondzorginfarct. De beschikbaarheid van voldoende mondzorgprofessionals vraagt blijvend aandacht. Uit onderzoek van het Capaciteitsorgaan blijkt dat er over het geheel een tekort wordt ervaren door de beroepsgroep, maar dat er sprake is van regionale verschillen. De vacaturegraad loopt uiteen van 5% in Noord-Holland tot 22% in Friesland. Het totaal aantal gepubliceerde online vacatures is toegenomen, maar het aantal langdurig openstaande vacatures neemt iets af. De parameter onvervulde vraag is ingeschat op 2,5%, dat is 1 procentpunt hoger vergeleken met de raming in 2022. Het Capaciteitsorgaan heeft deze ontwikkelingen ook meegenomen in het advies voor de benodigde instroom in de opleiding Tandheelkunde die op 19 december 2025 is uitgebracht. De geadviseerde instroom van het Capaciteitsorgaan is gebaseerd op de verwachte tekorten op de lange termijn, om in 2043 evenwicht te bereiken tussen de vraag naar en aanbod van tandartsen. Op dit moment wordt het advies van het Capaciteitsorgaan over de benodigde opleidingscapaciteit door de Ministeries van VWS en OCW bestudeerd. We verwachten u daar uiterlijk voor het einde van dit jaar over te informeren.
De KNMT heeft n.a.v. de berichtgeving in het AD ook kenbaar gemaakt aan het Ministerie van VWS bereid te zijn om mee te denken in mogelijke oplossingen voor knelpunten in het mondzorglandschap.
De bekostiging van de opleiding Tandheelkunde loopt via de begroting van het Ministerie van OCW. De afgelopen jaren is het financieel niet mogelijk gebleken om de adviezen voor wat betreft de opleiding Tandheelkunde volledig over te nemen. Zo is na het eerdere voornemen van het kabinet Rutte IV – om een deel van de uitbreiding te bekostigen door het verkorten van de opleidingsduur van zes naar vijf jaar – besloten om de bestaande opleidingsduur van 6 jaar te handhaven. Mede gezien de sterke weerstand vanuit de betrokken instellingen. Dit betekende concreet dat het aantal opleidingsplaatsen werd verhoogd met 31 in plaats van 86. Daarmee komt het totale aantal opleidingsplaatsen vanaf studiejaar 2026–2027 op 290. Voor de volledige reactie verwijs ik u naar de Kamerbrief van 17 maart 20252. In de meest recente raming adviseert het Capaciteitsorgaan 386 opleidingsplaatsen (+96). Op dit moment wordt het advies van het Capaciteitsorgaan nog bestudeerd. We verwachten u daar uiterlijk voor het einde van dit jaar over te informeren.
Nee, dat vind ik niet onwenselijk. Het kabinet vindt het belangrijk dat voldoende tandartsen beschikbaar zijn om goede en toegankelijke mondzorg te kunnen bieden. Buitenlands gediplomeerde tandartsen die bekwaam en bevoegd zijn leveren hieraan een belangrijke bijdrage. Buitenlands gediplomeerde tandartsen moeten een erkennings- en toelatingsprocedure op grond van de Wet BIG doorlopen bij het CIBG. Alleen als opleidingseisen, (werk)ervaring en taalvaardigheid voldoen aan de gestelde eisen, kunnen zij als tandarts aan de slag in de Nederlandse (mond)zorg. Hiermee worden de kwaliteit en patiëntveiligheid van de individuele beroepsbeoefenaar geborgd.
Buitenlands gediplomeerde tandartsen vormen naar verhouding een steeds groter aandeel van het totaal aantal tandartsen met een actieve BIG-registratie. Uit cijfers van het CIBG3 blijkt dat zowel het aantal Nederlandse tandartsen toeneemt als het aantal buitenlands gediplomeerde tandartsen. De laatste groep stijgt echter verhoudingsgewijs meer waardoor het aandeel buitenlands gediplomeerde tandartsen groter wordt. Tegelijkertijd is diversiteit onder zorgverleners essentieel voor het bieden van de best mogelijke zorg aan alle patiënten in een diverse samenleving.4
Op dit moment wordt het advies voor tandheelkunde door mij en het Ministerie van OCW bestudeerd en wordt bezien of en in hoeverre het mogelijk is om deze adviezen over te nemen, mede in het licht van de additionele middelen die hiervoor nodig zijn, namelijk 27,1 mln structureel. Het Capaciteitsorgaan adviseert de instroom in de opleiding Tandheelkunde te verhogen (+96) naar 386 opleidingsplaatsen. Conform de toezegging aan de Tweede Kamer streven de Minister van OCW en ik er naar om uiterlijk voor het einde van dit jaar duidelijkheid te geven of en hoe we opvolging kunnen geven aan de ramingen voor deze opleidingen.
Nee, ik deel deze observatie niet. Het werken als en met zzp’ers is en blijft mogelijk, ook in de zorg, zolang de arbeidsrelatie met de zzp’ers niet kwalificeert als arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst, hangt af van de omstandigheden van het geval. Deze wetgeving is niet gewijzigd.
Senior-tandartsen die hun werkzaamheden voortzetten na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd zijn van hoge toegevoegde waarde om de effecten van het tandartsentekort te verminderen. Hun expertise en vakkennis zijn belangrijk voor de continuïteit van zorg, vooral in praktijken waar het lastig is om nieuwe medewerkers aan te trekken. Daarnaast kunnen jongere generaties tandheelkundigen vaak veel van deze senioren leren.
Om meer zicht te krijgen op de mogelijkheden om zzp’ers in te huren in de zorg, kan de infographic over het inhuren van zzp in zorg en welzijn5 worden geraadpleegd. Met deze tool krijgen werknemers en werkgevers meer inzicht in hun rechtspositie. Ook op www.hetjuistecontract.nl is meer toelichting te vinden hierover. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan een nieuwe wet: de Zelfstandigenwet. De inbreng vanuit de diverse branches is besproken tijdens een stakeholdersessie met de zorg op 1 juli jl., en wordt meegenomen in de verdere uitwerking van deze wet. Het streven is deze wet per 1 januari 2028 in werking te laten treden.