Kamervraag 2026Z16475

De antwoorden op vragen over de contacten van de minister van OCW met vertegenwoordigers van de Moslim Studenten Associatie

Ingediend 24 juli 2026
Beantwoord 7 september 2026 (na 45 dagen)
Indieners Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21)
Beantwoord door Enneüs Heerma (CDA), Letschert
Onderwerpen hoger onderwijs onderwijs en wetenschap
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z16475.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2962.html
1. Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2026Z13085
2. Carel Brendel, d.d. 29-07-2015, NIDA Rotterdam is geen islamitisch CDA, maar eerder een islamistische AKP, NIDA Rotterdam is geen islamitisch CDA, maar eerder een islamistische AKP
3. Kamerstuk 35 228, nr. 5, p.36
4. Florence Bergeaud-Blackler, Le frérisme et ses réseaux, Odile Jacob Parijs 2023, in het Duits verschenen als Kalifat nach Plan: Frérismus und seine Netzwerke in Europa, Schiler & Mücke Berlijn 2025
5. Ministère de l'Intérieur, d.d. 21-05-2025, Publication du rapport «Fr…
6. Ruud Koopmans, Heiko Heinisch, Florence Bergeaud-Blackler, Tommaso Virgili, Johan Fischer
7. Moslimbroeders, Actualisering van het toezichtonderzoek 2021.287 2025…
8. Kamerstuk 29 614, nr. 26, p.2
9. Carel Brendel, d.d. 26-11-2020, Organisatie Europese Moslimbroeders noemt FEMYSO als eigen instelling in document uit 2020
10. Carel Brendel, https://x.com/CarelBrendel/status/2074251001414955082
  • Vraag 1
    In uw antwoord op vraag 2 van de schriftelijke vragen van Boomsma en Nanninga over gesprekken met de Moslim Studenten Associatie (MSA)1 verwijst u naar de Nationale Moslimstudenten Enquête om te staven dat «veel moslimstudenten zich vaak niet thuis voelen op hun instelling» en deze peiling is gedaan in 2023/2024 op initiatief van en in samenwerking met de MSA en de moskeekoepel Stichting Platform Islamitische Organisaties Rijnmond (SPIOR) onder supervisie en eindredactie van een voormalig gemeenteraadslid bij NIDA, een voormalige islamitische partij (2013–2022) en beweging, waarvan verschillende leden functies hebben in organisaties van de Moslimbroederschap in Nederland2, zoals het «islamitisch kennis- en dawah-centrum» De Middenweg in Rotterdam.3 Meent u dat de ideologische achtergrond in het islamitische activisme van de personen onder wiens supervisie dit onderzoek is gedaan van belang is om de bevindingen te duiden en beoordelen? Zo nee, waarom niet?

    In vraag 2 van de set schriftelijke vragen waar de leden Boomsma en Nanninga aan refereren, vroegen de leden Boomsma en Nanninga wat de klachten van moslimstudenten zijn. Daarop heb ik onder andere geantwoord dat moslimstudenten zélf aangeven, op basis van een eigen enquête onder hun achterban, dat thuisgevoel in het onderwijs een belangrijk issue voor hen is. Dit onderzoek duid en beoordeel ik dan ook op die manier: dat het een weergave is van de ervaringen van moslimstudenten zelf. Onderzoek moet mijns inziens altijd in de context worden bezien waarin het gedaan is. Dat is niet uniek aan deze casus.

  • Vraag 2
    De Nationale Moslimstudenten Enquête concludeert dat Nederlandse onderwijsinstellingen nog te weinig inclusief zijn vanwege de beperkte beschikbaarheid van ruimten voor gebed en wassing, halal eetvoorzieningen of les- en examenroosters die rekening houden met islamitische feestdagen. Deelt u die conclusie? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

    Ik vind het als Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap belangrijk dat ons onderwijs een inclusieve en toegankelijke omgeving is voor alle studenten: een omgeving waarin elke student zich veilig en thuis voelt en wordt gezien, gehoord en ondersteund. We weten bovendien dat thuisgevoel van invloed kan zijn op studiesucces. In het Landelijk Kader Studentenwelzijn (2023–2030) is «sense of belonging» dan ook genoemd als één van de belangrijke pijlers. Via het Kader worden instellingen opgeroepen om passende faciliteiten te bieden voor studenten die bijdragen aan een inclusief studieklimaat. Het is en blijft aan onderwijsinstellingen zelf om te zorgen voor een omgeving waar studenten zo optimaal mogelijk kunnen leren en zich kunnen ontwikkelen, en op welke manier onderwijsinstellingen hier invulling aan geven.

  • Vraag 3
    Vindt u de beschikbaarheid van ruimten voor gebed, wassing, halal eetvoorzieningen of les- en examenroosters die rekening houden met islamitische feestdagen een taak of verantwoordelijkheid van een openbare en/of door de overheid gefinancierde universiteit of hogeschool in Nederland? Zo ja, waarom? Kunt u uw antwoord toelichten?

    Zie antwoord vraag 2.

  • Vraag 4
    Op de vraag wat u vindt van de bevindingen van onder andere de Franse sociologe en kenner van de Moslimbroederschap Florence Bergeaud-Blackler dat Forum of European Muslim Youth and Student Organisations (FEMYSO) en bij haar aangesloten verenigingen zoals MSA vooral zijn bedacht «om een hier geboren islamitische elite op te leiden die als missie heeft om een Europa te vormen dat sharia compatible» is en dat FEMYSO «hiertoe druk uitoefent op Europese instellingen terwijl het tegelijk profiteert van de subsidies van dezelfde instellingen», gaf u aan dat u niet bekend bent met dat onderzoek.4 Bent u bereid hier alsnog kennis van te nemen? Zo nee, waarom niet?

    Hier is kennis van genomen.

  • Vraag 5
    Bent u bekend met het Franse overheidsrapport Frères musulmans et islamisme politique en France5 dat werd opgesteld door een groep hoge ambtenaren in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, en in mei 2025 is verschenen? Zo nee, bent u bereid hier kennis van te nemen?

    Hier is kennis van genomen.

  • Vraag 6
    Op pagina 31 van dit rapport staat over FEMYSO bijvoorbeeld dat de organisatie wordt beschouwd als de «jongerentak van de CEM» en functioneert als «opleidingsstructuur voor de vorming van kaderleden voor de beweging met een hoog potentieel», waarbij het rapport de Council of European Muslims (CEM) beschrijft als de belangrijkste door de Broederschap opgerichte Europese koepelorganisatie en een centrale structuur van de Europese «broederistische» beweging. Heeft u hier kennis van genomen en bent u bereid dat te doen? Kunt u uw antwoord toelichten? Hoe beoordeelt u de bevindingen van dit rapport?

    Hier is kennis van genomen. Vooropgesteld moet worden dat organisaties internationaal kunnen verschillen in zowel structuur, omvang als activiteiten. Met deze reden kunnen de bevindingen van een buitenlands rapport niet worden gerelateerd aan de situatie in Nederland. Als Minister van OCW is het niet aan mij om te oordelen over de bevindingen van dit rapport en/of eventuele opvolging te geven hieraan.

  • Vraag 7
    Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de verschillende experts6 en inlichtingendiensten – zie bijvoorbeeld een rapport van maart 2026 van het Belgische Vast Comité van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten7 – die FEMYSO omschrijven als een onderdeel van het «hechte netwerk van verenigingen en organisaties dat de Moslimbroederschap heeft opgebouwd»? Zo nee, bent u bereid hier alsnog kennis van te nemen?

    Hier is kennis van genomen.

  • Vraag 8
    Het onderzoek van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken was voor de Franse president Macron aanleiding om aan te dringen op maatregelen; kunt u aangeven welke maatregelen zijn genomen naar aanleiding van dit onderzoek, of om andere redenen, met betrekking tot de invloed die de Moslimbroederschap of gelieerde organisaties proberen uit te oefenen? Ziet u aanleiding om zelf ook maatregelen te nemen?

    Het rapport heeft geleid tot de aankondiging van President Macron om de regering te vragen de bestaande wetgeving aan te scherpen met sancties waaronder een uitbreiding van de mogelijkheden om over te gaan tot ontbinding van donatiefondsen, de gedwongen overdracht van de activa van een ontbonden vereniging, en het bevriezen van activa. Er is tot op heden nog geen wetsvoorstel ingediend.
    Tevens heeft het Franse parlement op 22 januari jl. een resolutie aangenomen waarin de regering wordt gevraagd om de Moslimbroederschap aan te merken als terroristische organisatie op de EU-sanctielijst. De resolutie is niet onomstreden. Over eventuele lopende sanctietrajecten worden vanwege de vertrouwelijkheid en effectiviteit geen uitspraken gedaan. In algemene zin is een organisatie van rechtswege in Nederland verboden indien deze organisatie op de EU-terrorisme sanctielijst is geplaatst (artikel 2:20, vierde lid BW en artikel 10:123 BW indien het een buitenlandse corporatie betreft). Plaatsing op de EU-sanctielijst terrorisme is aan strenge voorwaarden verbonden en unanimiteit onder EU-lidstaten is vereist.
    Op 17 maart jl. heeft uw Kamer de motie van de leden Boon en Wilders (beiden PVV) aangenomen, die de regering verzoekt om de Moslimbroederschap en de daaraan gelieerde organisaties in Nederland te verbieden.8 Deze motie valt binnen de portefeuille van de Minister van Justitie en Veiligheid. Het verbieden van organisaties volgt in Nederland een civielrechtelijke procedure: de civiele rechter kan op verzoek van het Openbaar Ministerie een rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, verboden verklaren en ontbinden (artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek). Er wordt momenteel bezien of en met welke concrete gronden uitvoering kan worden gegeven aan de motie.

  • Vraag 9
    Op welke manier wordt in Nederland gemonitord of en in welke mate de Moslimbroederschap of gelieerde en/of vergelijkbare organisaties hier activiteiten ontplooien?

    Het kabinet blijft onverminderd oog houden voor zorgen over antidemocratische boodschappen of processen die ondermijnend kunnen zijn aan de democratische rechtsorde. Wanneer sprake is van strafbare feiten, zoals aanzetten tot haat, discriminatie, opruiing, intimidatie of vandalisme, dan is strafrechtelijk optreden in concrete gevallen mogelijk door de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Daarnaast kan de AIVD op basis van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 onderzoek doen naar personen of organisaties, waarbij het vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel de nationale veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat.

  • Vraag 10
    De Nederlandse expert op het gebied van islamisme Carel Brendel heeft erop gewezen dat de Council of European Muslims, die tot 2022 Federation of Islamic Organisations Europe (FIOE) heette en die volgens onder andere de AIVD de Europese koepelorganisatie is van de Moslimbroederschap8, FEMYSO zèlf ook heeft betiteld als een eigen instelling9. Hoe beoordeelt u dit? Ziet u nog steeds geen reden om aan te nemen dat deze banden bestaan of om dit nader te bekijken? Kunt u uw antwoord toelichten?

    Hier is kennis van genomen. Zie ook het antwoord onder vraag 9.

  • Vraag 11
    MSA ontving in juni jongstleden Altaf Husain, een vooraanstaande Amerikaanse moslimbroeder en voormalig voorzitter van de Muslim Student Association in de Verenigde Staten. Husain was betrokken bij de oprichting van MSA Nederland en is een regelmatig terugkerende spreker die waarschuwt tegen wat hij beschrijft als de gevaren van assimilatie10. Ziet u dit bezoek als een aanwijzing van mogelijke banden met de Moslimbroederschap dan wel gelieerde organisaties?

    Organisaties zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van hun activiteiten en kunnen deze vrijelijk organiseren binnen de daarvoor bestaande wet- en regelgeving. Het kabinet laat zich verder niet uit over eventuele interpretaties van een dergelijk bezoek. Zie ook het antwoord onder vraag 9.

  • Mededeling - 28 augustus 2026

    Op 24 juli 2026 hebben de leden Boomsma en Nanninga (beiden JA21) schriftelijke vragen gesteld over de antwoorden op vragen over de contacten met vertegenwoordigers van de Moslim Studenten Associatie. Tot mijn spijt is beantwoording binnen de gestelde termijn niet mogelijk, omdat de beantwoording interdepartementale afstemming vergt. Ik zal de vragen binnen de daarvoor geldende termijn van 6 weken beantwoorden.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2026Z16475
Volledige titel: De antwoorden op vragen over de contacten van de minister van OCW met vertegenwoordigers van de Moslim Studenten Associatie
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20252026-2962
Volledige titel: Antwoord op vragen van de leden Boomsma en Nanninga over de antwoorden op vragen over de contacten van de minister van OCW met vertegenwoordigers van de Moslim Studenten Associatie