| Ingediend | 24 juli 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 7 september 2026 (na 45 dagen) |
| Indieners | Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
| Beantwoord door | Enneüs Heerma (CDA), Letschert |
| Onderwerpen | hoger onderwijs onderwijs en wetenschap |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z16475.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2962.html |
In vraag 2 van de set schriftelijke vragen waar de leden Boomsma en Nanninga aan refereren, vroegen de leden Boomsma en Nanninga wat de klachten van moslimstudenten zijn. Daarop heb ik onder andere geantwoord dat moslimstudenten zélf aangeven, op basis van een eigen enquête onder hun achterban, dat thuisgevoel in het onderwijs een belangrijk issue voor hen is. Dit onderzoek duid en beoordeel ik dan ook op die manier: dat het een weergave is van de ervaringen van moslimstudenten zelf. Onderzoek moet mijns inziens altijd in de context worden bezien waarin het gedaan is. Dat is niet uniek aan deze casus.
Ik vind het als Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap belangrijk dat ons onderwijs een inclusieve en toegankelijke omgeving is voor alle studenten: een omgeving waarin elke student zich veilig en thuis voelt en wordt gezien, gehoord en ondersteund. We weten bovendien dat thuisgevoel van invloed kan zijn op studiesucces. In het Landelijk Kader Studentenwelzijn (2023–2030) is «sense of belonging» dan ook genoemd als één van de belangrijke pijlers. Via het Kader worden instellingen opgeroepen om passende faciliteiten te bieden voor studenten die bijdragen aan een inclusief studieklimaat. Het is en blijft aan onderwijsinstellingen zelf om te zorgen voor een omgeving waar studenten zo optimaal mogelijk kunnen leren en zich kunnen ontwikkelen, en op welke manier onderwijsinstellingen hier invulling aan geven.
Zie antwoord vraag 2.
Hier is kennis van genomen.
Hier is kennis van genomen.
Hier is kennis van genomen. Vooropgesteld moet worden dat organisaties internationaal kunnen verschillen in zowel structuur, omvang als activiteiten. Met deze reden kunnen de bevindingen van een buitenlands rapport niet worden gerelateerd aan de situatie in Nederland. Als Minister van OCW is het niet aan mij om te oordelen over de bevindingen van dit rapport en/of eventuele opvolging te geven hieraan.
Hier is kennis van genomen.
Het rapport heeft geleid tot de aankondiging van President Macron om de regering te vragen de bestaande wetgeving aan te scherpen met sancties waaronder een uitbreiding van de mogelijkheden om over te gaan tot ontbinding van donatiefondsen, de gedwongen overdracht van de activa van een ontbonden vereniging, en het bevriezen van activa. Er is tot op heden nog geen wetsvoorstel ingediend.
Tevens heeft het Franse parlement op 22 januari jl. een resolutie aangenomen waarin de regering wordt gevraagd om de Moslimbroederschap aan te merken als terroristische organisatie op de EU-sanctielijst. De resolutie is niet onomstreden. Over eventuele lopende sanctietrajecten worden vanwege de vertrouwelijkheid en effectiviteit geen uitspraken gedaan. In algemene zin is een organisatie van rechtswege in Nederland verboden indien deze organisatie op de EU-terrorisme sanctielijst is geplaatst (artikel 2:20, vierde lid BW en artikel 10:123 BW indien het een buitenlandse corporatie betreft). Plaatsing op de EU-sanctielijst terrorisme is aan strenge voorwaarden verbonden en unanimiteit onder EU-lidstaten is vereist.
Op 17 maart jl. heeft uw Kamer de motie van de leden Boon en Wilders (beiden PVV) aangenomen, die de regering verzoekt om de Moslimbroederschap en de daaraan gelieerde organisaties in Nederland te verbieden.8 Deze motie valt binnen de portefeuille van de Minister van Justitie en Veiligheid. Het verbieden van organisaties volgt in Nederland een civielrechtelijke procedure: de civiele rechter kan op verzoek van het Openbaar Ministerie een rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, verboden verklaren en ontbinden (artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek). Er wordt momenteel bezien of en met welke concrete gronden uitvoering kan worden gegeven aan de motie.
Het kabinet blijft onverminderd oog houden voor zorgen over antidemocratische boodschappen of processen die ondermijnend kunnen zijn aan de democratische rechtsorde. Wanneer sprake is van strafbare feiten, zoals aanzetten tot haat, discriminatie, opruiing, intimidatie of vandalisme, dan is strafrechtelijk optreden in concrete gevallen mogelijk door de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Daarnaast kan de AIVD op basis van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 onderzoek doen naar personen of organisaties, waarbij het vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel de nationale veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat.
Hier is kennis van genomen. Zie ook het antwoord onder vraag 9.
Organisaties zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van hun activiteiten en kunnen deze vrijelijk organiseren binnen de daarvoor bestaande wet- en regelgeving. Het kabinet laat zich verder niet uit over eventuele interpretaties van een dergelijk bezoek. Zie ook het antwoord onder vraag 9.
Op 24 juli 2026 hebben de leden Boomsma en Nanninga (beiden JA21) schriftelijke vragen gesteld over de antwoorden op vragen over de contacten met vertegenwoordigers van de Moslim Studenten Associatie. Tot mijn spijt is beantwoording binnen de gestelde termijn niet mogelijk, omdat de beantwoording interdepartementale afstemming vergt. Ik zal de vragen binnen de daarvoor geldende termijn van 6 weken beantwoorden.