| Ingediend | 22 juli 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 2 september 2026 (na 42 dagen) |
| Indiener | Tamara ten Hove (PVV) |
| Beantwoord door | van Essen |
| Onderwerpen | financiën landbouw organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z16437.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2921.html |
Ja.
Nee, die mening deel ik niet. Landbouwgronden worden door diverse grondeigenaren verpacht, zoals door terreinbeherende organisaties en overheden, maar ook door voormalige melkveehouders of akkerbouwers, landgoedeigenaren, verzekeringsmaatschappijen, kerken en andere (particuliere) eigenaren van landbouwgronden.
De voorwaarden waaraan door overheden voldaan moet worden bij het uitgeven van pachtgrond is in de jurisprudentie verder vormgegeven. Uit het Didam I-arrest (2021) volgt dat overheden objectieve, toetsbare en redelijke criteria moeten opstellen voor het selecteren van een nieuwe pachter in een openbare inschrijving. Particuliere verpachters zoals Natuurmonumenten en andere particuliere natuurbeheerders zijn niet gebonden aan de Didam I voorwaarden en hebben meer vrijheid in het bepalen op welke wijze zij hun gronden uitgeven.
Staatsbosbeheer is als overheidsorganisatie bij het verpachten van grond wel gebonden aan de Didam-I voorwaarden. Staatsbosbeheer hanteert onder andere criteria op het gebied van afstand, kennis en opleiding, certificaten, ervaring met agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) of met particulier natuurbeheer (SNL) en het meedoen aan ecoactiviteiten, omdat ze beheer van natuurpercelen over willen laten aan agrariërs die hier ervaring mee hebben en het ook in hun eigen bedrijfsvoering willen toepassen.
Dat beeld klopt niet. Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 2 is de regelgeving rond gunning van pacht voor overheden strenger dan voor andere organisaties en particulieren. Zowel overheden als andere organisaties vragen een marktconforme pachtprijs gekoppeld aan de beheervereisten op de natuurpercelen en er is dus geen sprake van een verkapte subsidie. Alleen de gunning zal door overheden via openbare inschrijving en zo nodig een puntensysteem worden vormgegeven. Bij Staatsbosbeheer zijn de criteria voor pacht van natuurpercelen mede gerelateerd aan de ervaring met natuurinclusieve landbouw.
Het klopt dat de berekening van de WUR voor de vergoedingen in de subsidieregeling Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000 overgangsgebieden is gebaseerd op een gemiddeld melkveehouderijbedrijf in de zone rond stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. Het gemiddelde bedrijf heeft 2 melkkoeien per hectare en berekend is dat bij 150 kg N/ha in productie- en bemestingsvolume dit teruggaat naar gemiddeld 1 melkkoe per hectare en bij 100 kg N/ha naar gemiddeld 0,7 melkkoe per hectare.
Ook biologische bedrijven kunnen gederfde inkomsten per hectare hebben doordat zij een stap zetten van gemiddeld 170 kg N/ha naar 150 of 100 kg N/ha, maar de inkomstenderving per hectare is minder dan voor een gangbare boer. Een deel van de aanvragers is inderdaad biologisch. Bij de Natura 2000 overgangsgebieden ging het om ca. 55% van de aanvragers bij de eerste openstelling. Hierover is uw Kamer geïnformeerd in de beantwoording van de vragen van de SGP.2 Na deze beantwoording heeft een aanscherping plaatsgevonden en zijn ook minimale reductievereisten opgenomen voor productie- en bemestingsvolume per hectare.
Nee, ik deel deze mening niet. In 2025 waren er 544 biologische melkveehouderijbedrijven (ca. 4,1%). Ongeveer een vijfde daarvan doet mee met de eerste openstelling van de regeling Samenwerking in veenweidegebieden en Natura 2000 overgangsgebieden. Daarnaast is subsidie via verpachten niet aan de orde, zie het antwoord bij vraag 2.
Deze regeling is tijdelijk (t/m 2028). Het is een bewuste keuze dat ook koplopers, zoals biologische bedrijven, in een samenwerkingsverband mee kunnen doen. De inschatting vooraf was dat koplopers de trekker zullen zijn van de samenwerkingsverbanden en daarin anderen ook meenemen.
Het doel bij stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden is de reductie van de veldemissies van ammoniak door extensivering van melkveehouderij- en akkerbouwbedrijven in en rond stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden en daarmee de biodiversiteit in en rond stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden te versterken. Door de extensievere bedrijfsvoering komt er meer ruimte op de percelen en op het bedrijf voor meer en zwaardere pakketten agrarisch natuur- en landschapsbeheer.
De rangschikking van de samenwerkingsverbanden hangt onder andere af van:
De monitoring van de effecten van deze regeling zal zich hier dan ook op richten. De verwachting is dat de doelen gehaald gaan worden, omdat alle deelnemende bedrijven een reductie bereiken in de veldemissies ammoniak en ongeveer de helft van de bedrijven van gangbare naar extensieve bedrijfsvoering omschakelen.
De analyse is deels juist, maar het was een bewuste keuze, zoals al in antwoord 5 is toegelicht. Ongeveer de helft van de deelnemers in de Natura 2000 overgangsgebieden is biologisch. Ook zij moeten nog een stap zetten van 170 kg N/ha naar 150 of 100 kg N/ha. Dat is minder gederfde inkomsten per hectare dan voor gangbare boeren. De biologische en gangbare boeren werken in de samenwerkingsverbanden juist samen om hun kennis en ervaring met extensieve landbouw te delen.
De subsidie is gericht op samenwerkingsverbanden waarin zowel koplopers als gangbare boeren kunnen zitten. Het is een bewust keuze geweest om koplopers aan deze tijdelijke regeling te laten deelnemen. De regeling is bij de tweede tranche al aangepast door op bedrijfsniveau ook minimale reductievereisten op te nemen. Er is nu geen aanleiding om de vergoedingensystematiek aan te passen.
Pacht is geen subsidie, want er wordt een marktconforme pachtprijs gevraagd, passend bij de beperkingen in het gebruik van de grond die worden gesteld. De gunning bij verpachten van natuurpercelen is aan de verpachter. Ik zal daarom geen verdere maatregelen nemen.
Ja.
De vragen van het lid Ten Hove (Groep Markuszower) over het bericht: «Voorbeeldboeren bedolven onder de subsidies» (kenmerk 2026Z16437; ingezonden 22 juli 2026) kunnen niet binnen de gebruikelijke termijn worden beantwoord. Voor de de benodigde afstemming is er meer tijd nodig voor beantwoorden van de vragen. Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk de antwoorden op de vragen doen toekomen.