| Ingediend | 16 juli 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 25 augustus 2026 (na 40 dagen) |
| Indiener | Tamara ten Hove (PVV) |
| Beantwoord door | Derk Boswijk (CDA) |
| Onderwerpen | defensie internationaal |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z16269.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2757.html |
Ja.
Ja. Op 11 juni jl. heb ik op de brief van de vaste commissie voor Defensie mijn reactie gegeven (Kamerstukken II 2025/26, 31 936, nr. 1297; kenmerk 2026D28894).
In de brief van de vaste commissie voor Defensie werd gerefereerd aan een burgerbrief met daarin hoofdzakelijk een verwijzing naar het genoemde artikel. In mijn eerdergenoemde brief van 11 juni jl. heb ik daarop mijn reactie gegeven.
De vaste commissie voor Defensie heeft verzocht om een reactie op het genoemde artikel. In mijn brief van 11 juni jl. heb ik hierop gereageerd. Daarnaast is hierover ook gesproken tijdens het notaoverleg Veteranen met de vaste commissie voor Defensie op 22 juni jl. Ik herken dan ook niet het beeld dat het verzoek van de Kamer om inlichtingen niet zou zijn gehonoreerd. De door de Kamer gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, zijn de door de Kamer gevraagde inlichtingen verstrekt.
Tijdens het notaoverleg Veteranen zijn aan de Minister van Defensie vragen gesteld die betrekking hebben op een voormalig medewerker van Defensie.
In algemene zin dient het kabinet bij het verstrekken van inlichtingen aan de Staten-Generaal die betrekking hebben op een individuele burger, rekening houden met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals bepaald in artikel 10 van de Grondwet.
Voor zover de vragen geen betrekking hadden op privacygevoelige gegevens, heeft de Minister deze – mede in relatie tot een motie over hetzelfde onderwerp – achteraf schriftelijk beantwoord. Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
In aanvulling op mijn antwoord op vraag 6 merk ik op dat de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg Veteranen van 22 juni jl. heeft toegelicht dat zij het in eerste instantie niet opportuun achtte om in het parlement in te gaan op een individuele casus waarbij Defensie door betrokkene is gedagvaard, aangezien dit het proces bij de rechter zou kunnen beïnvloeden.
Ten aanzien van het vermeend vervalsen van het medisch dossier heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in het hoger beroep de defensiearts een maatregel van waarschuwing opgelegd. Daarbij geeft het Centraal Tuchtcollege aan: «Het Centraal Tuchtcollege ziet overigens geen enkel aanknopingspunt voor de suggestie van klager dat er sprake is van een moedwillige vervalsing of kwaad opzet van [de defensiearts]».
De tuchtklachten ten aanzien van een andere defensiearts over een verwijderingsverzoek zijn gedeeltelijk gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel. Daarbij is aangegeven door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: «het is het college duidelijk geworden dat [de defensiearts] zeer prudent en zorgvuldig te werk heeft willen gaan bij de afhandeling van het verwijderingsverzoek in de gegeven situatie. Zij was op de hoogte van de relevante wet- en regelgeving en heeft zorgvuldig willen zijn, maar is daarbij niet uitgegaan van de juiste maatstaf.»
Defensie heeft als bestuursorgaan over deze tuchtrechtelijke procedures tegen het handelen van de twee defensie-artsen niet afzonderlijk excuses aangeboden en ziet na de uitkomst van deze tuchtrechtelijke procedures hier ook geen verdere aanleiding toe. Met betrokkene zijn twee vaststellingsovereenkomsten gesloten, waarbij finale kwijting is overeengekomen.
Zie het antwoord op vraag 8.
Defensie en, vervolgens drie (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder twee (voormalig) defensieartsen, zijn in 2025 gezamenlijk aansprakelijk gesteld voor een vermeende gemiste carrière in de burgerluchtvaart. Daarom is besloten gezamenlijk verweer te voeren. Gebruikelijk is dat de Staat in dit soort procedures vertegenwoordigd wordt door de Landsadvocaat. Defensie en de (voormalig) defensiemedewerkers hebben deze aansprakelijkheid van de hand gewezen. Defensie heeft onlangs schriftelijk verweer ingediend bij de rechtbank Den Haag.
De tuchtklachten waren gericht tegen het handelen van defensieartsen. In die tuchtrechtprocedures stond het individuele handelen van de defensieartsen centraal, en was Defensie geen partij.
Defensie is op dit moment, samen met drie (voormalig) defensiemedewerkers gedaagde – en dus partij – in de gestarte dagvaardingsprocedure. Bij de tuchtrechtzaken gericht tegen de artsen was Defensie geen partij.
Op basis van deze vraag is mij niet duidelijk waarop de veronderstelling is gebaseerd dat Defensie «zwijgcontracten» zou aanwenden. Mijn ambtsvoorganger heeft in reactie op de aangehaalde (en vervallen) motie uit 2019 het volgende aangegeven (Handelingen II 2018/19, nr. 51, item 4):
Deze uitspraak is gedaan in de context van het rapport van de Commissie-Giebels uit 2018. Deze commissie deed onderzoek naar de sociaal veilige werkomgeving bij Defensie. Een van de aanbevelingen van de Commissie-Giebels was om meer duidelijkheid te geven over de «zwijgplicht» tijdens een intern onderzoek. In dit kader heeft de Kamer via de motie-Kerstens verzocht om «voor eens en altijd duidelijk te maken dat het bij het melden van misstanden en calamiteiten onder druk laten ondertekenen van geheimhoudingsverklaringen niet aan de orde is» (Kamerstukken II 2018/19, 35 000 X, nr. 118).
In navolging hierop is de Aanwijzing SG 989 «Interne onderzoeken» aangepast, waarover de Kamer op 10 februari 2020 per brief is geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35 300 X, nr. 54). De aanwijzing geeft aan dat betrokkenen bij het onderzoek vertrouwelijk moeten omgaan met verkregen informatie. Als betrokkenen gedurende het interne onderzoek met elkaar spreken over het onderzoek, kan dit namelijk de authenticiteit van de verklaringen beïnvloeden, hetgeen de kwaliteit van het onderzoek niet ten goede komt. Echter, dit mag er niet toe leiden dat een betrokkene ervan wordt weerhouden om aangifte te doen, informatie te delen met zijn raadsman en/of vertrouwenspersoon of contact te zoeken met andere officiële instanties, zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid, het Huis voor Klokkenluiders, de Nationale ombudsman of andere externe toezichthouders.
Ik herken mij niet in het geschetste beeld dat Defensie zwijgcontracten zou hebben aangewend tegen (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder betrokkene.
Zie het antwoord op vraag 14.
Zie het antwoord op vraag 14.
Zie het antwoord op vraag 14.
Ik herken mij niet in het beeld dat er e-mails zouden zijn achtergehouden.
Defensiemedewerkers hebben een personeelsdossier, en zorgverleners houden conform de daarvoor geldende wettelijke verplichting een medisch dossier bij. Bij uitzondering kan daarnaast sprake zijn van een aanvullend dossier, zoals een onderzoeksdossier in het geval van een intern onderzoek.
Defensiemedewerkers zijn ermee bekend dat Defensie, met inachtneming van de AVG, persoonsgegevens bijhoudt, zoals dat gebruikelijk is bij het bijhouden van personeelsdossiers. Daarnaast is Defensie wettelijk verplicht medische dossiers van (oud-)medewerkers bij te houden. Medewerkers en oud-medewerkers van Defensie kunnen hun personeelsdossier en medisch dossier desgewenst opvragen.
Onderzoekdossiers, zoals beschreven bij vraag 19, zijn uitsluitend toegankelijk voor het bevoegd gezag of geautoriseerde functionarissen. Betrokkenen kunnen verzoeken om afschriften van die delen van een onderzoeksdossier die rechtstreeks op hen betrekking hebben.
Defensie heeft volledige medewerking verleend aan het onderzoek van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid. Defensie heeft de informatie aangeleverd waar door de Onderzoeksraad Integriteit Overheid om is verzocht.
Defensie heeft per brief van 29 januari 2021 hierover met betrokkene gecorrespondeerd en deze vragen geadresseerd. Het recht van inzage op grond van de AVG is van toepassing. Indien een verzoek wordt ingediend vindt beoordeling plaats conform de vigerende wet- en regelgeving waaronder de beperkingen in artikel 13 AVG zoals de rechten en vrijheden van anderen.
Defensie is niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie over betrokkene.
Zie het antwoord op vraag 22.
Zoals aangegeven bij vraag 23, is Defensie niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie over betrokkene. Ieder verzoek van een rechtbank zal worden beoordeeld op grond van geldende wet- en regelgeving.
Zoals mijn ambtsvoorganger in reactie op Kamervragen van 8 november 2019 (Aanhangsel van de Handelingen II 2019/20, nr. 926) voor de volledigheid heeft opgemerkt, zijn met betrokkene naar aanleiding van het rapport van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) afspraken gemaakt om hem te rehabiliteren. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. In 2017 is met betrokkene een tweede vaststellingsovereenkomst gesloten. Over de inhoud van deze overeenkomsten doe ik verder geen mededelingen. Daarmee is de Tweede Kamer niet onjuist geïnformeerd.
Zoals wordt toegelicht in het antwoord op vraag 26, zijn met betrokkene twee vaststellingsovereenkomsten gesloten. De Tweede Kamer is daarover niet onjuist geïnformeerd.
Ik kan hier niet op ingaan. In zijn algemeenheid vindt mediation plaats onder afgesproken geheimhouding van alle partijen die bij die mediation betrokken zijn.
Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (2026D33530, Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn (ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt geen medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie heeft opgesteld.
Naast deze loggingen in het medisch dossier wordt ook een loggingsbestand aangelegd van alle gebruikers die inzage hebben gehad in het dossier. Dit bestand is in 2010 wel volledig bijgehouden maar bij de systeemmigratie in het weekend van 4 maart 2011 is het deel van 16 april 2010 tot 26 november 2010 achtergebleven in de brondatabase. Voorafgaand en achteraf is een back-up gemaakt van alle bestanden. Deze bestanden worden over het algemeen slechts 28 dagen bewaard. In die periode is, ondanks gebruikers- en acceptatietesten, het verlies aan informatie niet aan het licht gekomen.
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn (ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt er geen medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie opstelt. Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen.
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over deze hypothetische situatie.
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over deze hypothetische situatie.
Zie het antwoord op vraag 29.
Ja, zie bijlage.
Nee. Sinds 25 juni 2021 maakt Defensie gebruik van een nieuw digitaal patiëntendossier. Hierin heeft de arts de mogelijkheid om een privéaantekening te maken die alleen inzichtelijk is voor de arts die deze aantekening maakt. Deze aantekening maakt geen onderdeel uit van het medisch dossier en mag niet worden gebruikt voor informatie die van belang is voor het verlenen van goede zorg. Het systeem biedt daarnaast de opties: openbare aantekening en aantekening voor specialisme (bijvoorbeeld alleen voor cardiologen). Deze beide aantekeningen maken wel onderdeel uit van het patiëntendossier. Door deze mogelijkheden is het gebruiken van de aantekening van «consult» voor een dergelijke aantekening niet meer nodig.
De Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg (Wabvpz) regelt in artikel 15e logging en specifiek welke loggingsinformatie moet worden opgenomen in een afschrift. De bepalingen rondom elektronische afschrift/inzage en logging zijn op 1 juli 2020 in werking getreden.17 Het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders bepaalt in artikel 5 dat de logging van het systeem voldoet aan het bepaalde in NEN 7513 en regelt de bewaartermijn. In juli 201918 is bepaald dat de logging als bedoeld in het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders, ten minste 5 jaar moet worden bewaard vanaf het moment dat de logregel wordt geschreven.
NEN 7513 is niet apart certificeerbaar, NEN 7510 wel. NEN 7513 specificeert een gemeenschappelijk kader voor de logging van persoonlijke gezondheidsinformatie aan de hand van toegangs- en zoekgebeurtenissen. De NEN 7510 betreft eisen voor informatiebeveiliging van zorginformatiesystemen.
In het Defensie beveiligingsbeleid zijn de normen van de NEN 7513 en NEN 7510 opgenomen. Het eerstelijns zorgbedrijf van Defensie alsmede de beheerorganisatie zijn NEN 7510 gecertificeerd. Het huidige digitale patiëntendossier is geaccrediteerd door de Beveiligingsautoriteit van Defensie en voldoet daarmee aan het Defensie beveiligingsbeleid vanaf ingebruikname.
Er worden periodieke controles uitgevoerd. Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met medische persoonsgegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA). Jaarlijks worden de jaarverslagen van de interne toezichthouders naar de Kamer gestuurd.
Zie het antwoord op vraag 36.
De richtlijn «Omgaan met medische gegevens» is opgesteld door de artsenfederatie KNMG en beschrijft op welke wijze artsen, met inachtneming van hun beroepsgeheim, medische gegevens mogen verzamelen, opslaan, uitwisselen of anderszins mogen gebruiken.
De KNMG-richtlijn is juridisch gezien een vorm van zelfregulering binnen de beroepsgroep en geldt ook voor defensieartsen. De gedragsnormen uit deze richtlijn zijn daarmee gericht op individuele artsen. Het professionele handelen van een individuele arts wordt door de medische tuchtrechter beoordeeld, waarbij de normen uit de beroepsgroep vaak gebruikt worden.
Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met (medische) gegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA).
Zie het antwoord op vraag 38.
Tijdens het notaoverleg Veteranen op 22 juni jl. werd gerefereerd aan «het rapport van het Huis voor Klokkenluiders over financiële fraude bij 336-suadron en joyriding met Defensievliegtuigen».
Voor zover de vraag betrekking heeft op het interne onderzoek over vermeende misstanden op vliegbasis Eindhoven met betrekking tot declaraties en privégebruik van defensiemiddelen, heeft de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg gereageerd dat de rapporten in 2016 naar de Kamer zijn verstuurd. Hierbij gaat het om beide delen van het interne onderzoeksrapport van Defensie die op 29 november 2016 naar de Kamer zijn verstuurd (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52).
Zie het antwoord op vraag 40. Eerder heeft de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) – de voorganger van het Huis voor Klokkenluiders – onderzoek gedaan naar meldingen van een vermoeden van een misstand op vliegbasis Eindhoven. Over de conclusies en adviezen van de OIO en de reacties van Defensie, is de Kamer geïnformeerd (zie o.a. Kamerstukken II 2014/15, 34 000 X, nrs. 88 en 94; Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nrs. 8 en 51; Aanhangsel van de Handelingen II 2016/17, nr. 1001).
Zie het antwoord op de vragen 40 en 41.
Zie het antwoord op de vragen 40 t/m 42.
Artikel 78 van de Wet militair tuchtrecht bepaalt dat de commandant die kennisneemt van een gedraging van een militair die naar zijn oordeel een strafbaar feit betreft, verplicht is daarvan aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee (KMar). In de praktijk is het gebruikelijk dat de commandant bij een (vermoeden van een) strafbaar feit daarover advies inwint bij bijvoorbeeld een juridisch adviseur van de eenheid, voordat contact wordt opgenomen met de KMar en/of het Openbaar Ministerie (OM). Indien twijfel bestaat of sprake is van een (vermoeden van een) strafbaar feit wordt dit ter beoordeling voorgelegd aan de KMar en/of het OM en beslist het OM welke stappen genomen worden. Dit bespreken en melden van een (vermoeden van een) strafbaar feit wordt in spreektaal «aangifte doen» genoemd.
Niet altijd is voor de KMar en/of het OM meteen duidelijk dat een geconstateerde gedraging een strafbaar feit betreft en niet altijd wordt direct aangifte gedaan. Soms wordt Defensie gevraagd om zaken zelf nader (administratief) uit te zoeken en deze informatie ter beoordeling voor te leggen.
In het onderhavige geval heeft de commandant vliegbasis Eindhoven op de genoemde datum overleg gehad met de KMar. Dit had betrekking op een op die dag door haar ontvangen melding van een vermoeden van misstanden, mogelijke declaratiefraude. In dit geval is naar aanleiding van deze melding niet overgegaan tot het opnemen van een aangifte. In overleg met de KMar is de commandant vliegbasis Eindhoven overgegaan tot een intern Defensieonderzoek. Wel is geregistreerd dat de commandant hierover een gesprek heeft gevoerd bij de KMar.
Dit is vermeld bij de datum 5 juli 2016 in de tijdlijn die is opgenomen in het rapport dat naar aanleiding van het interne onderzoek is opgesteld. Dit rapport is aan uw Kamer aangeboden op 29 november 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52)
Nee, er is geen proces-verbaal, want er is geen aangifte opgenomen.
Nu er geen aangifte is opgenomen, is deze ontkenning een verklaring naar waarheid.
Nee. Er was en is geen aanleiding om aangifte te doen.
Meldingen worden in vertrouwen bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID) en de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) gemaakt. Inhoudelijke informatie over individuele meldingen of informatie die herleidbaar is naar een melder of beschuldigde wordt alleen gedeeld met functionarissen die een directe rol hebben in de behandeling van de betreffende melding. Algemene informatie over aantallen meldingen zijn terug te vinden in de gepubliceerde jaarverslagen integriteit van Defensie.
U ontvangt de antwoorden op de vragen voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit.