Kamervraag 2026Z14877

De Kamerbrief ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof’

Ingediend 29 juni 2026
Beantwoord 1 juli 2026 (na 2 dagen)
Indiener Mona Keijzer
Beantwoord door van Essen
Onderwerpen landbouw natuur en milieu organisatie en beleid
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z14877.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2438.html
  • Vraag 1
    Kunt u per provincie aangeven hoeveel agrarische bedrijven binnen de voorgestelde bufferzones van 500 meter en 1 kilometer rondom Natura 2000-gebieden liggen?

    Deze cijfers zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp.1
    Voor de zones tot 500 meter gaat het in totaal (voor alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, exclusief grote wateren), over 3.077 agrarische bedrijven, 66 industriële bedrijven, en ca. 153.000 hectare landbouwgrond. De cijfers per gebied, ook voor zones tot 1.000 meter, zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM en bijbehorende databestanden.
    De uiteindelijke selectie van gebieden en vastgelegde begrenzing is uiteindelijk leidend voor de precieze hectares en bedrijfsaantallen die in de zones zullen vallen.

  • Vraag 2
    Kunt u per provincie aangeven hoeveel andere bedrijven binnen deze bufferzones liggen, uitgesplitst naar sector?

    Zie antwoord vraag 1.

  • Vraag 3
    Hoeveel hectare landbouwgrond komt binnen deze bufferzones te liggen?

    Zie antwoord vraag 1.

  • Vraag 4
    Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket extra maatregelen moet nemen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten extensiveren? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten verplaatsen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket uiteindelijk zullen stoppen?

    Het kabinet kiest voor een aanpak gebaseerd op duidelijke normen en kaders, waarbinnen ondernemers de ruimte krijgen om zelf te kiezen op welke wijze ze hieraan willen voldoen (mogelijkheden uit trappetje van Remkes: innoveren, extensiveren, verplaatsen, omschakelen of stoppen). Dit betekent dat op voorhand niet te zeggen is hoeveel bedrijven welke ontwikkelrichting kiezen. Wel is het de verwachting dat bijna alle veehouderijen aanpassingen moeten doen binnen hun bedrijfsvoering en ook in de akkerbouw zullen aanpassingen nodig zijn. De mate waarin en de manier waarop is afhankelijk van de huidige bedrijfsvoering, de locatie van het bedrijf en de keuze in ontwikkelrichting van de ondernemer. Met de aanpak van het kabinet komt de vergunningverlening juist weer in beweging en gaat Nederland stapsgewijs van het slot.

  • Vraag 5
    Hoeveel andere bedrijven verwacht u dat door dit pakket worden beperkt in hun bedrijfsvoering of vergunningverlening?

    Zie antwoord vraag 4.

  • Vraag 6
    Hoeveel bedrijven krijgen te maken met een stapeling van maatregelen, zoals bufferzones, emissieplafonds, grondgebondenheid en aanvullende gebiedseisen?

    Het is niet te zeggen om hoeveel bedrijven dit precies gaat, aangezien dit afhankelijk is van de specifieke bedrijfssituatie. Generieke maatregelen, zoals bedrijfsspecifieke emissienormen en grondgebondenheid, gelden in heel Nederland. Binnen de uiteindelijke begrenzing van zones rond Natura 2000-gebieden en in kwetsbare watergebieden worden daarnaast aanvullend gebiedsgerichte maatregelen getroffen. Hier is ook aanvullende gebiedsgerichte ondersteuning beschikbaar om het ook voor deze boeren behapbaar te houden.

  • Vraag 7
    Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor woningbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor landbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor industrie? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor infrastructuur?

    Voor de projecten waar u naar verwijst, is hoofdzakelijk de provincie het bevoegd gezag voor vergunningverlening. Ik heb geen overzicht van de lopende of nieuwe aanvragen bij de provincies, en kan daarom geen exacte aantallen noemen.
    Het aantal vergunningen dat daadwerkelijk wordt verleend, hangt bovendien af van factoren die per aanvraag verschillen, waaronder de specifieke situatie van het project en de staat van de natuur in het betreffende gebied.
    Dit geldt ook voor het aantal woningbouwprojecten dat vooruitlopend op de invoering van de rekenkundige ondergrens doorgang kan vinden. Het effect van de ondergrens werkt per project verschillend uit, afhankelijk van de afstand tot het betreffende Natura 2000-gebied.
    Ik kan dan ook geen betrouwbare prognose geven van het aantal vergunningen, woningen of bedrijven dat hiermee gemoeid is, uitgesplitst naar sector of peildatum.

  • Vraag 8
    Hoeveel woningbouwprojecten kunnen volgens u voor invoering van de rekenkundige ondergrens alsnog doorgaan?

    Zie antwoord vraag 7.

  • Vraag 9
    Hoeveel woningen levert dit pakket voor 1 januari 2028 daadwerkelijk op?

    Zie antwoord vraag 7.

  • Vraag 10
    Hoeveel bedrijven kunnen tot eind 2027 geen vergunning krijgen om hun bedrijf uit te breiden of te verduurzamen?

    Zie antwoord vraag 7.

  • Vraag 11
    Welke maatregelen neemt u om vergunningverlening weer op gang te brengen zolang de rekenkundige ondergrens nog niet is ingevoerd?

    We verwachten dat op korte termijn per Natura 2000-gebied een plan wordt opgesteld waarmee additionaliteit kan worden onderbouwd. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Parallel hieraan wordt met voorrang gezorgd dat verduurzaming versneld doorgang kan vinden.

  • Vraag 12
    Waarom kiest u ervoor de rekenkundige ondergrens pas uiterlijk eind 2027 in te voeren?

    Het kabinet wil de ondergrens zo snel mogelijk invoeren, maar uiterlijk eind 2027. Voor een verantwoorde invoering zijn echter ook beheersmaatregelen nodig. Alle deposities onder de rekenkundige ondergrens tellen bij elkaar op en kunnen lokaal voor een toename van depositie zorgen. Daarom is onder andere geadviseerd door de wetenschappers Arthur Petersen en Chris Backes om flankerend beleid in te voeren. Als kabinet volgen we deze adviezen. Het uitwerken en borgen van deze beheersmaatregelen pakken we met urgentie op, maar dit kost wel tijd.
    Daarnaast wordt de technische en praktische werking van de rekenkundige ondergrens nog nader uitgewerkt.

  • Vraag 13
    Welke juridische, technische en wetenschappelijke belemmeringen maken een eerdere invoering onmogelijk?

    Zie antwoord vraag 12.

  • Vraag 14
    Heeft u onderzocht wat invoering van een rekenkundige ondergrens van 1 mol zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?

    Op 4 juli 2024 heeft het Interprovinciaal Overleg (IPO) de Interbestuurlijke Verkenning Rekenkundige Ondergrens opgeleverd.2 Daarin is ook een impactanalyse voor verschillende sectoren in opgenomen. De verwachting is dat vooral PAS-melders, de woningbouw, en kleine projecten geholpen zullen worden.

  • Vraag 15
    Heeft u onderzocht wat een bestuurlijke drempelwaarde, vergelijkbaar met de Duitse systematiek, zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen?

    De mogelijkheden voor een drempelwaarde zijn ook betrokken bij de hierboven genoemde verkenning van IPO. Als de beheersmaatregelen voor de rekenkundige ondergrens eind 2027 nog onvoldoende geborgd blijken, zal het kabinet gaan inzetten op de invoering van gebieds-specifieke drempelwaardes

  • Vraag 16
    Hoeveel PAS-melders verwacht u voor eind 2027 daadwerkelijk te legaliseren?

    Het Programma Maatwerk PAS-melders biedt verschillende oplossingsrichtingen waarmee de PAS-melder weer in een legale situatie terechtkomt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met ondersteuning van een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij de bedrijfsspecifieke situatie past. Het programma streeft ernaar om voor elke PAS-melder uiterlijk in maart 2028 een oplossing in beeld te hebben. De oplossing hoeft in maart 2028 nog niet volledig geïmplementeerd te zijn, de ondersteuning vanuit Rijk en provincies loopt door tot en met 2030 zodat er ruimte is voor de implementatie van de oplossing en het traject van vergunningverlening.

  • Vraag 17
    Welke extra maatregelen neemt u om PAS-melders voor invoering van de rekenkundige ondergrens sneller duidelijkheid te geven?

    Met de invoering van de rekenkundige ondergrens zal een deel van de PAS-melders een oplossing hebben, omdat zij met hun gehele activiteit binnen deze grens blijven. Zij krijgen geen vergunning, maar er komt wél een einde aan hun onzekerheid. Voor de andere PAS-melder presenteert het programma andere oplossingsrichtingen. Om het maatwerkprogramma extra slagkracht te geven, wordt er € 350 miljoen extra vrijgemaakt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij hen past.

  • Vraag 18
    Op basis van welke wetenschappelijke onderzoeken is gekozen voor bufferzones van 500 meter en 1 kilometer?

    Het nut en de noodzaak van zoneringsbeleid is terug te lezen in publicaties van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).3 De cijfermatige onderbouwing van de zones is gebaseerd op de cijfers uit de bijpassende kennisnotitie van het RIVM4. Daarnaast zijn verschillende wetenschappelijke onderzoeken benut om inzichtelijk te maken welke afstanden passend zijn om druk vanuit agrarische activiteiten en grondgebruik op het Natura 2000-gebied te beperken. Denk daarbij aan verspreiding van nutriënten via het bodem- en watersysteem, of de verspreiding van schadelijke stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen via drift, water, atmosferische depositie of via ongewervelden. De passende afstand verschilt per drukfactor en hangt samen met de knelpunten die in de natuurdoelanalyses per gebied opkomen. Daarmee is 500 meter naar voren gekomen als minimale afstand om breed aan het verminderen van drukfactoren op Natura 2000-gebieden te voldoen.

  • Vraag 19
    Bent u bereid deze onderzoeken met de Kamer te delen?

    Deze onderzoeken zijn reeds openbaar, zie hiervoor de links in de voetnoten bij de beantwoording van de vorige vraag.

  • Vraag 20
    Bent u bekend met het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam waaruit blijkt dat ongeveer 90 procent van de uitgestoten stikstof in hogere luchtlagen terechtkomt en elders neerslaat, terwijl van de circa 10 procent die binnen 500 meter neerslaat, het grootste deel al binnen 100 meter van de bron terechtkomt? Waarom kiest het kabinet desondanks voor bufferzones van 500 meter en één kilometer?1

    Dat onderzoek is bij mij bekend. Het onderzoek bevestigt eerdere bevindingen van het RIVM dat dichtbij de bron de meeste stikstof per hectare neerslaat en dat die bijdrage langzaam afneemt naarmate de afstand groter wordt. Ook op meer dan 100 meter kunnen emissiebronnen echter nog tot veel stikstofdepositie leiden, zeker als we kijken naar de optelsom van alle bijdragen per hectare. Uit ander onderzoek van het RIVM6 blijkt dat tot 1.000 meter van het gebied, stikstofmaatregelen ongeveer 2,5x effectiever zijn dan generieke maatregelen.

  • Vraag 21
    Waarom kiest u voor generieke bufferzones rond Natura 2000-gebieden, terwijl de problemen per natuurgebied verschillen?

    De komende periode gaat het kabinet aan de slag met de verdere uitwerking van de zoneringsaanpak. Daarbij worden enerzijds instructieregels uitgewerkt, waaronder over de breedte van de zones. Deze vormen de ruggengraat van het Rijk om te komen tot een zoneringsaanpak. Anderzijds krijgen gebieden de mogelijkheid om tot 1 januari 2028 met een gebiedseigen oplossing te komen die gelijk is in doelbereik, financiën en juridische borging. Dit kan bijvoorbeeld vormgegeven worden via een omwisselbesluit. Daarbij zoekt het kabinet een balans tussen een gelijk speelveld en ruimte bieden voor gebiedseigen oplossingen. In beide gevallen is er daarbij ruimte voor provinciale doorvertaling van de landelijke beleidsvoornemens en kaders naar specifieke Natura2000-gebieden.
    Allereerst maakt het kabinet onderscheid tussen gebieden waar zonering geen nut en noodzaak heeft, waar wordt ingezet op een 500 meter zone en waar wordt ingezet op een 1.000 meter zone. Een deel van de instructieregels zal ook afwegingsruimte bevatten binnen kaders. Daar is sprake van voor:

  • Vraag 22
    Heeft u onderzocht wat kleinere, gebiedsgerichte bufferzones of zones van maximaal 250 meter zouden betekenen voor natuurherstel en vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?

    Uit de reflectie van PBL, RIVM, Deltares en Wageningen University and Research (WUR) op het MCEN pakket7 met zones van 250 meter is naar voren gekomen dat deze afstanden onvoldoende doen om achteruitgang te stoppen. Deze afstanden zijn niet passend bij een integraal pakket aan gebiedsgerichte maatregelen dat nodig is om druk vanuit de landbouw op Natura 2000-gebieden zo veel mogelijk te verzachten. Daarnaast zorgen zones van 250 meter voor meer uitdagingen op het gebied van grondmobiliteit en het mogelijk maken van een volwaardige extensieve bedrijfsvoering voor bedrijven met percelen in de zones. Daarbij is er ook een afweging te maken. In kleinere zones zal er een grotere opgave liggen in de zone zelf. Deze opgave is dusdanig dat er niet tot nauwelijks ruimte is voor landbouw in de zone. Een grotere zone dan 250 meter raakt meer bedrijven. Tegelijkertijd blijft er hierdoor ruimte voor extensieve vormen van landbouw.

  • Vraag 23
    Klopt het dat de huidige AERIUS-systematiek en de bestaande natuurdoelanalyses voorlopig blijven gelden en dat de Kritische Depositiewaarde daardoor in de praktijk voorlopig een belangrijke rol blijft spelen bij vergunningverlening?

    Dat klopt. Bij toestemmingverlening zal de best beschikbare wetenschappelijke kennis benut blijven worden, dat verlangt de rechter ook van ons.

  • Vraag 24
    Wat verandert er morgen concreet voor een ondernemer die een natuurvergunning aanvraagt ten opzichte van de situatie voor deze Kamerbrief?

    Met de kabinetsaanpak zetten we de essentiële stappen om vergunningverlening weer stapsgewijs mogelijk te maken. Het vraagt nadere uitwerking voordat er in de praktijk weer meer vergunningen kunnen worden verleend. Daar gaan we mee aan de slag.

  • Vraag 25
    Op basis van welke juridische adviezen verwacht u dat de nieuwe systematiek beter standhoudt bij de rechter dan de huidige?

    Het kabinet kiest voor een omvangrijk pakket met juridisch geborgde maatregelen waar nodig. Het gaat bijvoorbeeld om de bedrijfsspecifieke emissienormen, wettelijke doelstellingen en de regels op zonering. Met daarbij aandacht voor monitoring en bijsturing. Dit is niet gebaseerd op een nieuwe systematiek, maar bouwt voort op de inzet van het vorige kabinet en het advies dat de Landsadvocaat toentertijd heeft gegeven. Daarbij benadrukt de Landsadvocaat onder meer het belang van een goede borging van maatregelen.

  • Vraag 26
    Kunt u uitsluiten dat de maatregelen uit dit pakket ertoe leiden dat boeren hun veestapel moeten verkleinen?

    Dat kan ik niet uitsluiten. Dit maatregelpakket zal van sommige veehouderijen ingrijpende besluiten vragen, bijvoorbeeld van intensieve melkveebedrijven om aan de grondgebondenheidsnorm te voldoen. Hierbij hebben deze ondernemers afhankelijk van de situatie verschillende mogelijkheden, zoals het kopen of pachten van extra grond, het aangaan van samenwerking met akkerbouwers in de omgeving, of het verminderen van het aantal dieren. Het kabinet treft flankerende maatregelen om boeren hierbij te ondersteunen.

  • Vraag 27
    Indien u dat niet kunt uitsluiten, hoeveel boeren verwacht u dat hierdoor minder dieren zullen moeten houden?

    Omdat ondernemers verschillende ontwikkelrichtingen hebben om aan de verschillende normen te voldoen, is het op voorhand niet te zeggen hoeveel boeren hierdoor minder dieren zullen gaan houden. Het kabinet biedt brede ondersteuning gericht op de verschillende ontwikkelrichtingen.

  • Vraag 28
    Heeft het kabinet berekend met hoeveel koeien, varkens en kippen de Nederlandse veestapel als gevolg van dit pakket zal afnemen? Zo ja, wilt u deze berekeningen met de Kamer delen?

    Het kabinet zet in op het verlagen van de emissies op bedrijfsniveau via doelsturing. Met stalaanpassingen en managementmaatregelen is er in deze sectoren nog veel emissiereductie te realiseren. Omdat het kabinet niet het onmogelijke wil vragen van ondernemers, zijn deze normen gebaseerd op het technisch reductiepotentieel. Dat betekent ook dat hiermee niet de gehele opgave gerealiseerd kan worden. Daarom zet het kabinet ook in op aanvullende generieke reductiemaatregelen, waaronder vrijwillige beëindiging, extensivering en afroming. Het resultaat van deze maatregelen is onder andere afhankelijk van de deelname bereidheid en van de dynamiek op de markt. Een exacte inschatting van het gevolg voor het aantal dieren in de verschillende sectoren is daarom op voorhand niet te maken.

  • Vraag 29
    Klopt het dat ondernemers die willen investeren in emissiereducerende technieken daarvoor vaak eerst een natuurvergunning nodig hebben?

    Met het voorliggende pakket vertrouw ik erop dat natuurvergunningen voor verduurzamingsprojecten op korte termijn weer verleend kunnen worden. Vooruitlopend op reguliere toestemmingeverlening werkt het kabinet met voorrang aan het versneld mogelijk maken van verduurzaming. Hierbij wordt gekeken naar onder andere de passende maatregel als instrument. Daarnaast bespreekt het Rijk met provincies welke routes zij zien voor toestemming voor verduurzamingactiviteiten. Zo wordt verduurzaming weer een onderdeel van de oplossing.
    Het is afhankelijk van de maatregel of nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Zo zullen voor managementmaatregelen over het algemeen geen nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Voor stalmaatregelen is dat vaak wel het geval. Daarvoor kan toestemmingverlening weer in gebieden waar het pakket behoud van de natuur borgt. Waar dat niet het geval is, kan de passende maatregel worden ingezet om toch de verduurzaming doorgang te laten vinden, dan is geen natuurvergunning nodig.

  • Vraag 30
    Hoe voorkomt u dat bedrijven die willen investeren en verduurzamen opnieuw vastlopen doordat zij geen natuurvergunning kunnen krijgen?

    Zie antwoord vraag 29.

  • Vraag 31
    Hoeveel verschillende landelijke en gebiedsgerichte regels krijgen agrarische ondernemers als gevolg van dit pakket? Acht u dit een vereenvoudiging van het stikstofbeleid?

    Het is nog niet definitief vast te stellen hoeveel verschillende regels precies uit dit pakket volgen, omdat nog niet alle regels volledig zijn vastgesteld. Het is niet waarschijnlijk dat het pakket direct leidt tot een vereenvoudiging van het stikstofbeleid, maar er zijn wel onderdelen die leiden tot vereenvoudiging, zoals het verhogen van de rekenkundige ondergrens. Tevens biedt het ondernemers meer duidelijkheid over wat er van hen verwacht wordt, onder meer met de bedrijfsspecifieke emissienormen en de grondgebondenheidsnorm. Agrarische ondernemers kunnen binnen deze kaders en met de beschikbare ondersteuning keuzes maken die passen bij hen als ondernemer, bij hun bedrijf en bij de omgeving van het bedrijf. Bij het inrichten van het pakket wordt rekening gehouden met bestaande regelgeving en het zo eenvoudig mogelijk houden van de wet- en regelgeving.

  • Vraag 32
    Heeft het kabinet onderzocht wat de stapeling van al deze maatregelen betekent voor een gemiddeld agrarisch bedrijf? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?

    Het kabinet realiseert zich dat het maatregelpakket veel impact kan hebben op agrarische bedrijven, ook in termen van het verdienvermogen. Met breed ondersteuningsbeleid gaat dit kabinet naast de ondernemer staan en wordt er ondersteuning geboden voor de verschillende ontwikkelrichtingen. PBL, WUR en RIVM zullen het maatregelpakket beoordelen, onder meer op emissiereductie en sociaaleconomische aspecten. Onderdeel van de reflectie van de kennisinstellingen op sociaaleconomische aspecten van het beleid is ook een inschatting van het effect van het pakket op het verdienvermogen van de agrarische sector. We hebben de kennisinstellingen verzocht om hun reflecties gereed te hebben vóór de behandeling van de LVVN-begroting in de Tweede Kamer.
    Voor de wettelijke borging van verschillende maatregelen is het daarnaast noodzakelijk om de sociaaleconomische gevolgen goed in beeld te hebben.

  • Vraag 33
    Kunt u per maatregel aangeven welke bedoeld is om vergunningverlening weer op gang te brengen en welke bedoeld is om de landbouwsector structureel te veranderen?

    De maatregelen in de aanpak vormen één samenhangend geheel. De bedrijfsspecifieke emissienormen in de landbouw werken alleen met genoeg ondersteunende maatregelen. De zoneringsaanpak rond Natura 2000-gebieden werkt alleen als extensivering ook mogelijk wordt gemaakt. De stap naar extensivering en verduurzaming is alleen mogelijk als dat economisch loont, en als ook de hele keten meedoet. En ruimte voor vergunningverlening ontstaat alleen als de natuur op orde komt. Daarmee zijn alle onderdelen van de aanpak nodig om de vergunningverlening weer op gang te brengen. Tegelijkertijd kijken we naar de synergie van het pakket met andere opgaven, door bijvoorbeeld ook gewasbescherming, dierwaardigheid en klimaat mee te nemen.

  • Vraag 34
    Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de Nederlandse voedselproductie, voedselzekerheid en de afhankelijkheid van voedselimport? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?

    In Nederland is er een ruim, divers en voor de meeste mensen betaalbaar aanbod van voedsel. Dit is het resultaat van voedselproductie hier en de invoer van voedsel uit landen die onderdeel zijn van de Europese Unie, alsook van daarbuiten. Juist de combinatie van eigen productie en de mogelijkheden voor import maakt dat we voedselzeker zijn. Ondanks dat de samenstelling mogelijk verandert, zet dit kabinet zich in voor een toekomstbestendige landbouwsector die een duurzame bijdrage levert aan voedselzekerheid in Nederland en elders, ook op de langere termijn. De Staatssecretaris werkt aan een Voedselzekerheidsagenda en zal de Kamer spoedig informeren over de contouren en het proces.

  • Vraag 35
    Kunt u garanderen dat ondernemers die de komende jaren investeren om aan alle nieuwe regels te voldoen, niet later alsnog worden geconfronteerd met extra beperkingen of een generieke korting op productierechten?
  • Vraag 36
    Wanneer is voor het kabinet de vrijwillige aanpak niet langer voldoende? Welke criteria hanteert u om over te gaan tot dwingende maatregelen?
  • Vraag 37
    Kunt u uitsluiten dat ondernemers uiteindelijk worden gedwongen hun bedrijf of veestapel te verkleinen als de gestelde doelen niet worden gehaald?
  • Vraag 38
    Bent u zich ervan bewust dat de mogelijkheid van dwingende maatregelen en voortdurende onzekerheid grote gevolgen kan hebben voor de waarde en financierbaarheid van agrarische bedrijven? Heeft u dit onderzocht?
  • Vraag 39
    Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de bereidheid van banken en andere financiers om agrarische bedrijven te financieren? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?

    Voor boeren, banken en financiers heeft de juridische onzekerheid over vergunningverlening afgelopen jaren geleid tot een terughoudendheid om te investeren in de doorontwikkeling van agrarische bedrijven. Vergunningen zijn een belangrijke randvoorwaarde om financiering te verstrekken aan agrarische bedrijven. Eind vorig jaar gaf bijvoorbeeld de Rabobank aan dat er in de landbouw vooral is geïnvesteerd in grond, en minder in innovaties zoals technieken of nieuwe stallen. Het kabinet heeft het vertrouwen dat door dit pakket de vergunningverlening weer op gang komt, net als de investeringen in deze sector.

  • Vraag 40
    Bent u bereid deze vragen, gelet op het debat over de Samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof van 1 juli 2026, voor aanvang van dat debat te beantwoorden?

    Ja.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2026Z14877
Volledige titel: De Kamerbrief ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof’
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20252026-2438
Volledige titel: Antwoord op vragen van het lid Keijzer over de Kamerbrief met de Samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof