| Ingediend | 11 juni 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 30 juni 2026 (na 19 dagen) |
| Indieners | Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP) |
| Beantwoord door | Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
| Onderwerpen | organisatie en beleid zorg en gezondheid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z12782.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2431.html |
Ja, ik ben bekend met het signaal dat jonge mantelzorgers ernstig belast kunnen raken. Niet alleen door de zorgtaken die deze jongeren hebben, maar ook doordat ze zich zorgen maken over het gezinslid voor wie zij zorgen of omdat zij een zorgtekort in het gezin ervaren.
Ja, ik ben bekend met de recent verschenen publicatie van het SCP2 waaruit naar voren komt dat het aandeel jongeren (18–34-jarigen) dat ernstige belasting ervaart bij hun mantelzorgtaken tussen 2014 en 2024 toegenomen is van ongeveer 6% tot circa 12% van het totaal aantal mantelzorgers in deze leeftijdscategorie. Eerder onderzoek van het SCP3 liet daarnaast zien dat ongeveer een kwart van de 16–24-jarigen voor een naaste met gezondheidsproblemen zorgt.
Er zijn mij geen prognoses bekend specifiek gericht op het aantal jongeren dat mantelzorg verleent. Wel zijn er prognoses beschikbaar over de verhouding tussen het potentiële aantal mantelzorgvragers en het potentiële aantal mantelzorggevers in de tijd. Zo is in de deelstudie «Demografische en andere uitdagingen voor de Wmo 2015» van het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 20154 een prognose over deze verhouding opgenomen en met uw Kamer gedeeld.
In de beeldvorming rondom mantelzorg zijn jonge mantelzorgers, en de specifieke uitdagingen waarmee zij bijvoorbeeld in het onderwijs te maken hebben, niet voor iedereen even zichtbaar. Juist daarom is in de Mantelzorgagenda 2023–20265 specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers om zo meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren.
Ik herken dat het krijgen van ondersteuning of maatwerk af kan hangen van wie je als student in het vervolgonderwijs daarvoor treft. Onlangs heeft het Ministerie van OCW onderzoek laten uitvoeren naar hoe onderwijsinstellingen in het hbo en wo maatwerk verlenen aan studenten met een ondersteuningsvraag.6 Daarbij is ook gekeken naar mantelzorgers. Hoewel veel instellingen hier beleid op hebben geformuleerd en deze studenten tegemoet komen, blijkt uit het onderzoek ook dat er grote verschillen zijn in deze ondersteuning. Het onderzoeksbureau constateert dat deze lijken voort te komen uit de manier waarop instellingen organisatorisch zijn ingericht, en/of historisch gegroeid en/of cultureel bepaald. In de beleidsreactie op het onderzoek heeft de Minister van OCW aangekondigd dat ze grondig gaat kijken naar hoe het systeem nu is ingericht en samen met onderwijsinstellingen gaat bezien hoe deze verschillen verkleind kunnen worden.7 Hierbij zal afgewogen moeten worden hoe maatwerk en meer uniformiteit zich tot elkaar verhouden, wat instellingen zelf hieraan kunnen doen en welke wettelijke kaders hierbij passend zijn.
Voor het middelbaar beroepsonderwijs heeft de Minister van OCW via de Verbeteragenda passend onderwijs mbo (2020–2025) gewerkt aan het verbeteren van de ondersteuning en begeleiding van studenten met een ondersteuningsbehoefte. De komende periode zet de Minister van OCW zich in om de informatievoorziening over de op de onderwijsinstelling aangeboden ondersteuning te verbeteren. Zowel studenten als onderwijsmedewerkers moeten de ondersteuningsmogelijkheden kennen en de weg ernaar weten te vinden. Ook ga ik een aantal ongewenste verschillen in de (financiële) ondersteuning tussen instellingen verkleinen.
Het mbo-studentenfonds en het Studentenondersteuningsfonds in het hbo en wo bieden financiële ondersteuning aan studenten die als gevolg van bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen8. Onder bijzondere omstandigheden worden onder andere bijzondere familieomstandigheden verstaan, waar mantelzorg ook onder kan vallen. Instellingen bepalen zelf de reikwijdte hiervan. Ook kunnen instellingen maatwerkvoorzieningen treffen: aanpassingen die een student met ondersteuningsvraag nodig heeft om succesvol de opleiding te kunnen afronden, zoals flexibilisering van het onderwijs. Tevens geldt dat bij het afgeven van een bindend studieadvies instellingen in het vervolgonderwijs verplicht zijn om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de student.
In zowel het mbo als in het hbo en wo kan mantelzorg worden aangemerkt als een bijzondere familieomstandigheid, waarvoor instellingen maatwerkvoorzieningen dan wel financiële voorzieningen kunnen treffen. Over het algemeen zijn onderwijsinstellingen daar goed mee bekend. Wel ziet de Minister van OCW ruimte voor verbetering daar waar het gaat om de verschillen tussen instellingen in het verlenen van maatwerk en financiële ondersteuning voor verschillende groepen studenten, waaronder mantelzorgers. Zoals toegelicht in antwoord 5 wordt aankomende tijd daarom samen met onderwijsinstellingen verkend hoe de verschillen tussen instellingen in het hbo en wo in het voorzien in maatwerk verkleind kunnen worden en welke wettelijke kaders hierbij passend bij zijn.9 Dit heeft ook betrekking op studenten die mantelzorg verlenen in het onderwijs.
Ja, ik vind het zeker belangrijk dat mijn ministerie met deze jongeren (en organisaties die zich hard voor hen maken) spreekt om te kijken waar beleid nog verder verbeterd kan worden. Ik heb onlangs een afspraak ingepland met MantelzorgNL om met studenten met mantelzorgtaken in gesprek te gaan. Naar aanleiding van de motie-Krul10 is eerder ook gesproken met MantelzorgNL over de ondersteuning van studenten met mantelzorgtaken in het onderwijs.11Ook worden ervaringen en signalen van studenten met mantelzorgtaken opgehaald en betrokken bij beleid door partijen gefinancierd door het Ministerie van OCW, zoals het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO).
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 7 bestaan er reeds (financiële) ondersteuningsmogelijkheden voor instellingen en zijn die ook bekend bij hen. In de praktijk bestaat dé mantelzorger echter niet en zit daar ook juist de uitdaging voor instellingen om per individueel geval gepast maatwerk te bieden. Met financiering van het Ministerie van OCW heeft ECIO, in samenwerking met Strategische Alliantie Jonge Mantelzorger en MantelzorgNL, een model ontwikkeld om instellingen én mantelzorgers te informeren over ondersteuningsmogelijkheden voor mantelzorgers. Dit model biedt een raamwerk voor samenwerking tussen onderwijsinstellingen en studerende mantelzorgers, om als leidraad te dienen voor het bieden van de nodige ondersteuning. Ook het programma studentenwelzijn (STIJN) voorziet instellingen in het mbo, hbo en wo van praktische tools voor onderwijsprofessionals die behulpzaam zijn kunnen zijn bij de ondersteuning van studerende mantelzorgers.
Naast de reeds bestaande ondersteuningsmogelijkheden voor studenten beschrijf ik in mijn antwoord op vraag 5 de stappen die ik aanvullend nog neem.
Ja, ik ben het met u eens dat we moeten voorkomen dat bezuinigingen in de zorg leiden tot overbelasting van jonge mantelzorgers. In de Mantelzorgagenda 2023–2026 is specifieke aandacht voor jonge mantelzorgers en zijn verschillende maatregelen opgenomen om jonge mantelzorgers beter te ondersteunen. Om meer bewustwording over jonge mantelzorgers te creëren, is in de communicatiecampagne «Zien dat zij er voor iemand Zijn», speciale aandacht voor deze doelgroep. Daarnaast faciliteren we de Strategische Alliantie Jonge Mantelzorg en Stichting JMZ Pro voor het uitvoeren van een programma dat zich richt op meer bekendheid en betere ondersteuning van jonge mantelzorgers, bijvoorbeeld met het project Jonge Mantelzorgvriendelijke School. Met het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg12 zet ik daarnaast in op het versterken van het ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers om zo overbelasting tegen te gaan.