| Ingediend | 22 januari 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 9 maart 2026 (na 46 dagen) |
| Indieners | Maikel Boon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
| Beantwoord door | Moes |
| Onderwerpen | beroepsonderwijs onderwijs en wetenschap recht staatsrecht |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z01142.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1268.html |
Ja, ik ben bekend met het bericht uit de Telegraaf.2In de betreffende les verzorgde een gastspreker een bijdrage vanuit haar persoonlijke ervaringen en werd een deel van een documentaire getoond over het leven in de Palestijnse Gebieden. Aansluitend vond een klassengesprek plaats waarin studenten vragen stelden en met elkaar in gesprek gingen over het onderwerp.
Het onderwijs is bedoeld om studenten de mogelijkheid te bieden kritisch na te denken over complexe en soms polariserende onderwerpen en om een eigen mening te vormen. Het is niet de rol van docenten om studenten actief te sturen naar politieke acties of specifieke campagnes.
In de klas moet ruimte zijn om verschillende perspectieven te belichten en om dit te doen in een veilig leerklimaat. Het bevoegd gezag en de instelling zijn verantwoordelijk voor het waarborgen van deze veilige en pluriforme leeromgeving. In dit specifieke geval geeft ROC Nijmegen aan dat dit beter had gekund. Ik heb er vertrouwen in dat ROC Nijmegen de situatie goed oppakt en op basis van de evaluatie die de komende periode plaatsvindt, zal waarborgen dat bij volgende burgerschapslessen verschillende perspectieven worden belicht.
Het is onacceptabel wanneer in het onderwijs uitingen worden gedaan die kunnen leiden tot stigmatisering van groepen of die bijdragen aan een onveilig leerklimaat voor studenten. Antisemitisme hoort nergens thuis, in welke vorm dan ook, en zeker ook niet in het onderwijs.
Het staat docenten vrij om in hun eigen tijd activisme te bedrijven, binnen de kaders van de democratische rechtsstaat. Dat is vrijheid van meningsuiting.
Het kabinet deelt de opvatting dat antisemitisme aangepakt dient te worden. Er is geen ruimte voor antisemitisme in onze samenleving en op onze onderwijsinstellingen. De aanbevelingen uit het rapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding zijn van grote waarde voor de instellingbesturen en mijn ministerie.3 In het voorjaar zal vanuit betrokken ministeries een uitgebreide beleidsreactie op het rapport naar de Tweede Kamer worden verzonden, samen met de jaarlijkse actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030.»4
Het ministerie brengt tevens leermiddelen en trainingen gericht op het herkennen en ingrijpen bij antisemitisme en andere vormen van discriminatie actief onder de aandacht bij onderwijsinstellingen. Zo is de handreiking «omgaan met anti semitische incidenten»5 gepubliceerd. Het aanbod wordt onder meer via nieuwsbrieven, het Expertisepunt Burgerschap, Stichting School en Veiligheid en campagnes verspreid onder de instellingen. In het onderwijs moeten maatschappelijke en soms polariserende onderwerpen besproken kunnen worden; het oproepen tot politieke acties tijdens lestijd past daar niet bij.
Daarnaast dienen instellingen actief zorg te dragen voor (sociale) veiligheid, onder meer door duidelijke afspraken te maken over het professioneel handelen van docenten, door signalen serieus te nemen en waar nodig in te grijpen. Het is daarbij aan instellingen om, in het kader van goed werkgeverschap, passende maatregelen te treffen wanneer grenzen worden overschreden. Veiligheidsincidenten kunnen ook gemeld worden bij de Inspectie van het Onderwijs. Het College van Bestuur kan bij het vermoeden van een strafbaar feit aangifte doen bij de politie.
De verantwoordelijkheid voor sociale veiligheid volgt uit bestaande wet- en regelgeving. Op dit moment wordt gewerkt aan een wetsvoorstel om deze zorgplicht voor sociale veiligheid van instellingen in het vervolgonderwijs en onderzoek te verduidelijken en expliciteren, onder meer door randvoorwaarden te stellen aan het te voeren veiligheidsbeleid.
Ook stelt het wetsvoorstel Uitwerking burgerschapsopdracht WEB een helder kader: het bevoegd gezag moet zorgdragen voor een instellingscultuur die in lijn is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. In een dergelijke cultuur hebben antisemitisme en alle andere vormen van discriminatie geen plek.
Ik zie geen aanleiding om aanvullend landelijk vast te leggen dat docenten zich tijdens lestijd strikt neutraal moeten opstellen of om landelijke sancties in te voeren.
Op 22 januari 2026 hebben de leden Boon en Raijer (beiden PVV) schriftelijke vragen gesteld over antisemitisme en politieke indoctrinatie door een docente van het ROC. Tot mijn spijt is beantwoording binnen de gestelde termijn niet mogelijk vanwege de benodigde afstemming. Ik zal de vragen zo snel mogelijk beantwoorden.