| Ingediend | 4 december 2025 |
|---|---|
| Beantwoord | 18 december 2025 (na 14 dagen) |
| Indiener | Ilana Rooderkerk (D66) |
| Beantwoord door | Becking |
| Onderwerpen | onderwijs en wetenschap organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2025Z21151.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-730.html |
Ja.
Ik deel de constatering dat meiden nog veel te vaak te maken krijgen met onderadvisering in het voorlopig schooladvies. Dat blijkt uit het onderzoek van DUO over onderadvisering bij meiden.3 Uit de jaarlijkse monitor van DUO over het schooladvies en de doorstroomtoets4 weten we dat onderadvisering in het voorlopig schooladvies speelt bij verschillende groepen. Het is niet acceptabel dat er nog steeds groepen leerlingen zijn die bij gelijke geschiktheid géén gelijk advies krijgen. En daarmee geen gelijke onderwijskansen.
Deze onderzoeken onderstrepen het belang van de doorstroomtoets en de maatregel bijstellen schooladvies voor kansengelijkheid in de overgang van po naar vo. Sinds de invoering van deze maatregel over bijstelling van het schooladvies, krijgt ca. 3 op de 4 leerlingen die op de toets hoger scoort dan het voorlopig schooladvies, een bijgesteld schooladvies.5
DUO doet geen uitspraken over de oorzaak van de toegenomen onderadvisering van meiden op grond van hun onderzoek. De onderzoekers geven aan dat hier verdiepend onderzoek voor nodig is.
OCW zet daarom in op kennisvergroting. Bijvoorbeeld door de leerloopbanen van leerlingen op langere termijn te volgen. En door in 2026 verdiepend onderzoek te starten naar de oorzaken van onderadvisering.6
Ik vertrouw op de professionaliteit van het team op de basisschool dat zich bezighoudt met de schooladviesprocedure. Zij wegen verschillende factoren om tot een gedegen schooladvies te komen. Eén van die factoren is de informatie die zij van ouders meekrijgen over de leerling. Onderzoek laat zien dat ouders goed en tijdig betrekken bij de stap van po naar vo zorgt voor een soepelere overgang voor leerlingen. Middels de Handreiking schooladvisering ondersteun ik scholen daarbij.7
Ja, ik ben bereid om dit te faciliteren.
Het probleem van onderadvisering wordt door de toets als objectief gegeven niet geheel opgelost, maar wel al voor een groot deel gecorrigeerd. Voor meiden geldt dat ten tijde van de laatste eindtoets in 2022 ca. 8500 meiden een bijgesteld advies kregen, terwijl dat steeg naar 21.000 meiden na de invoering van de doorstroomtoets en de maatregel bijstellen in 2023.
Dat meiden toch achterblijven in het definitieve advies, ondanks vergelijkbare scores op de toets, kan met verschillende factoren te maken hebben. Niet álle meiden die onderschat zijn, krijgen een bijgesteld advies. Maar bijvoorbeeld ook overadvisering van jongens zou kunnen meespelen. Dat er ook in het definitieve advies nog verschillen zijn, vind ik onwenselijk. En daarom zet ik in op kennisvergroting (zie antwoord8 en daarnaast op ondersteuning van scholen en leerkrachten bij de schooladviesprocedure, bijvoorbeeld met de Handreiking schooladvisering.9
Ik ben het eens met mijn ambtsvoorganger, dat meiden baat hebben bij de maatregel bijstellen. Zij doelde op het veel hogere aantal bijstellingen sinds de doorstroomtoets (zie vraag10 en op de cijfers over onderadvisering uit de jaarlijkse monitoring door DUO. Daaruit blijkt dat meiden baat hebben bij de maatregel, omdat zij vaker dan jongens te maken hebben met onderadvisering in het voorlopige schooladvies.11 In 2023 zagen we dat ondergeadviseerde meiden ook nog iets vaker dan ondergeadviseerde jongens daadwerkelijk een bijgesteld schooladvies krijgen.12
Ik ben het daar niet mee eens. Door de maatregel bijstellen schooladvies krijgen veel meer ondergeadviseerde leerlingen een advies dat past bij de vaardigheden die ze hebben laten zien op de toets. Het probleem van onderadvisering is daarmee nog niet opgelost, maar wel al voor een groot deel gecorrigeerd. Als deze maatregel niet zou worden toegepast, dan zou jaarlijks voor duizenden meiden (en jongens) het voorlopig schooladvies waarin zij zijn onderschat blijven staan.
Het is niet met zekerheid te zeggen, of de opstroomcijfers op zichzelf betekenen dat leerlingen in het schooladvies onderschat zijn. Echter, de jaarlijks terugkerende hogere mate van discrepantie tussen het voorlopig schooladvies en het toetsadvies bij meiden, is wel een indicatie dat er sprake is van structurele onderadvisering en dat meiden dus bij aanvang worden onderschat.
Voor sommige leerlingen is een directe weg richting een bepaalde onderwijssoort de meest passende route, waar andere leerlingen juist baat hebben bij stapelen of switchen. Ook vertellen opstroom- en afstroomcijfers niet het hele verhaal: niet alle leerlingen die zijn onderschat stromen «op». Leerlingen kunnen ook «afstromen» zonder dat er sprake was van overschatting, bijvoorbeeld wanneer een andere (meer praktische) onderwijssoort beter past bij hun wensen. De data over deze «wisselstroom» houden we goed in de gaten middels monitoring en evaluatie en analyseren we uitgebreider in het aangekondigde vervolgonderzoek naar leerloopbanen.
Ik deel deze analyse niet. De maatregel bijstellen schooladvies is nu twee jaar van toepassing geweest. Over het algemeen gesproken zien we dat veel meer leerlingen die op de toets laten zien meer uitdaging aan te kunnen, sinds de invoering van deze maatregel daadwerkelijk een bijgesteld advies krijgen. We zien daarbij verschillen tussen groepen leerlingen, hoe vaak zij voor een bijstelling in aanmerking komen en hoe vaak zij die ook daadwerkelijk krijgen.13 Maar voor alle groepen geldt dat zij nu veel vaker een bijgesteld advies krijgen, dan voorheen. Daarmee zorgt de maatregel voor eerlijkere kansen in de overgang van po naar vo.
Het is belangrijk om te kijken hoe de maatregel bijstellen schooladvies in de komende jaren in de praktijk uitpakt voor verschillende groepen leerlingen. Dat gebeurt in de evaluatie van de Wet doorstroomtoetsen po en het aangekondigde vervolgonderzoek naar leerloopbanen. Daarbij wordt ook gekeken naar analyses zoals die van de PO-raad, over verschillen tussen soorten gemeentes. Ik ben hier met de relevante partijen, zoals de PO-Raad en de Inspectie, over in gesprek.
Vormen van latere selectie zouden kunnen bijdragen aan het verminderen van de druk op het overgangsmoment van po naar vo, zowel voor leerkrachten en scholen als voor leerlingen en hun ouders. Dit is gebleken uit verschillende onderzoeken en rapporten, zoals het advies van de Onderwijsraad over «Later selecteren, beter differentiëren» en de daaropvolgende ex ante beleidsevaluatie «Doorstroom in een kansrijk stelsel».14
In die beleidsevaluatie is de aanbeveling gedaan om vooralsnog het huidige stelsel te behouden, en intussen meer kennis op te bouwen en verder te werken aan «reparatiemogelijkheden» om de nadelige effecten van vroege selectie te ondervangen. OCW zet om die reden in op kennisopbouw en kennisdeling op dit thema. Zo lopen er onder andere via het NRO verschillende leertrajecten. Daarnaast werk ik aan de verkenning naar een breder schooladvies, naar aanleiding van de motie Rooderkerk.
Scholen kunnen ondertussen in de organisatie van hun onderwijs al bewuste keuzes maken om vormen van latere selectie toe te passen. Bijvoorbeeld door tweejarige dakpanklassen aan te bieden.
Ja, ik ben bekend met de oproep van de PO-Raad. Het is niet haalbaar om uiterlijk in 2027 over te gaan op één landelijke doorstroomtoets, zoals ik ook aan uw kamer heb toegelicht tijdens het debat van 11 december jl. Het snelst mogelijke afnamemoment van één landelijke doorstroomtoets is 2029, waarvan hieronder het tijdpad is weergegeven. Het is goed om te weten dat aan deze versnelde invoering verschillende haken en ogen zitten die zorgvuldig moeten worden gewogen. Een stelselwijziging vraagt om beleidsontwikkeling, een wetswijziging, toetsontwikkeling en implementatie. Kortom, stappen waar geen versnelling op mogelijk is. Ook vind ik het belangrijk om te weten wat de wensen van scholen zijn als het gaat om de doorstroomtoets. Daarnaast is het van belang dat scholen zich goed kunnen voorbereiden en zij de komende jaren niet worden geconfronteerd met verandering op verandering. Dat neemt niet weg dat ik welwillend tegenover een mogelijke stelselovergang naar één doorstroomtoets sta. Binnen de mogelijkheden die er zijn zal ik mijn uiterste beste doen om het traject zo snel mogelijk te laten verlopen.
Q1 t/m Q2
Beleidsmatige voorbereiding
Besluit over stelselovergang
Q3 t/m Q4
Wetsvoorstel ontwerpen
Q1
Internetconsultatie
Q2
Advies Raad van State
Q3 t/m Q4
Indiening wetsvoorstel Tweede Kamer
Q1
Behandeling wetsvoorstel in Tweede Kamer
Q2
Behandeling wetsvoorstel in Eerste Kamer
Q3
Inwerkingtreding
Q1
Eerste afname één landelijke doorstroomtoets