Kamervraag 2021Z22514

Het toekennen van het recht om het predicaat ‘Koninklijk’ te voeren aan ondernemingen aan wie het predicaat niet (langer) lijkt toe te komen

Ingediend 3 december 2021
Indiener Sylvana Simons (BIJ1)
Onderwerpen economie organisatie en beleid
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2021Z22514.html
  • Vraag 1
    Klopt het, dat de voorwaarden voor ondernemingen om in aanmerking te komen voor toekenning van het recht om het predicaat «Koninklijk» te voeren, staan beschreven in Koninklijke Beschikking nr. 33, daterend van 15 augustus 1988? Zo nee, waar staan deze voorwaarden dan beschreven?
  • Vraag 2
    Klopt het dat een onderneming enkel in aanmerking kan komen voor deze toekenning wanneer de bedrijfsvoering «onberispelijk» is? Hoe breed reikt deze definitie?
  • Vraag 3
    Wat gebeurt er als er ná toekenning van het recht om dit predicaat te mogen voeren, wordt vastgesteld dat er bij de betreffende onderneming niet (langer) sprake is van een onberispelijke bedrijfsvoering?
  • Vraag 4
    Kan het recht om het predicaat te voeren worden ingetrokken op basis van het gegeven dat een bedrijf niet (langer) aan de voorwaarden voor toekenning van het predicaat voldoet? Zo ja, welke persoon of welk orgaan controleert en handhaaft hierop?
  • Vraag 5
    Klopt het, dat de verplichtingen die komen kijken bij het recht van een onderneming om het predicaat «Koninklijk» te voeren, staan beschreven in Koninklijke Beschikking nr. 34, daterend van 15 augustus 1988? Zo nee, waar staan deze verplichtingen dan beschreven?
  • Vraag 6
    Klopt het dat het recht om het predicaat te voeren met de verplichting komt om «alles na te laten wat de reputatie van de gerechtigde zou kunnen schaden»? Hoe breed reikt die definitie?
  • Vraag 7
    Wordt er bij de toekenning van het recht om het predicaat te voeren bekeken of ondernemingen bewezen hebben in het verleden alles na te laten wat de reputatie van de onderneming zou kunnen schaden?
  • Vraag 8
    Wat is de exacte procedure die in werking treedt wanneer een onderneming, die het recht is toegekend om het predicaat te voeren, niet (langer) alles nalaat wat de reputatie van de gerechtigde zou kunnen schaden? Door wie kan het recht om het predicaat te voeren worden ontnomen? En door welke persoon of welk orgaan wordt gecontroleerd of een onderneming nog altijd aan deze voorwaarde voldoet?
  • Vraag 9
    Welke andere bepalingen gelden er als voorwaarde voor of verplichting bij de toekenning voor ondernemingen om het predicaat Koninklijk te mogen voeren?
  • Vraag 10
    Kan de Minister aangeven welke van de volgende daden, en het verzoek is om in de beantwoording op ieder van deze daden individueel in te gaan, volgens haar/hem passen binnen de definitie van een «onberispelijke bedrijfsvoering», dan wel binnen de definitie van de frase «alles nalaten wat de reputatie kan schaden»?
  • Vraag 11
    Aan hoeveel ondernemingen is, sinds 15 augustus 1988, het recht om het predicaat «Koninklijk» te voeren ontnomen? Aan welke ondernemingen is het recht ontnomen en om welke redenen was dit?
  • Vraag 12
    Is de Minister ervan op de hoogte dat in de afgelopen twintig jaar meerdere ondernemingen, die het recht hebben het predicaat te voeren, zich zeker schuldig hebben gemaakt aan ten minste één van de onder vraag 9 benoemde daden? Zo ja, wat is daarop haar/zijn reactie?
  • Vraag 13
    Is de Minister van mening dat het gepast is, zeker met oog op de voorwaarden en verplichtingen die komen kijken bij het recht om dit predicaat te dragen, om bedrijven, die zich schuldig maken aan één van de daden zoals beschreven onder vraag 9, een eervol Koninklijk predicaat toe te kennen?
  • Vraag 14
    Is de Minister bevoegd om aan bedrijven het recht om het predicaat te voeren te ontnemen? Zo ja, is de Minister bereid te controleren of ondernemingen, aan wie het recht is toegekend het predicaat te voeren, zich ook houden aan de voorwaarden en verplichtingen die daaraan verbonden zijn? En vervolgens dit predicaat te ontnemen aan de ondernemingen die niet aan de voorwaarden en verplichtingen voldoen?
  • Vraag 15
    Deelt de Minister met BIJ1 de mening dat het in de parlementaire democratie van 2021 niet past dat de Koning(in), zonder ministeriële tussenkomst, onderscheidingen kan verlenen buiten het Koninklijk Huis en haar/zijn Hofhouding? Zo ja, is de Minister voornemens om de status quo te veranderen? Zo nee, waarom niet?
  • Vraag 16
    Is de Minister van mening dat er tenminste een beroepsprocedure dient te worden ingesteld om het recht om het predicaat te voeren te ontnemen? Zo ja, is de Minister voornemens om een dergelijke beroepsprocedure te regelen? En hoe? Zo nee, waarom niet?
  • Mededeling - 14 december 2021

    Hierbij informeer ik u dat de beantwoording van de Kamervragen van het lid Simons (BIJ1) over het toekennen van het recht om het Predicaat Koninklijk te voeren aan ondernemingen aan wie het predicaat niet (langer) lijkt toe te komen (ingezonden op 3 december 2021, kenmerk 2021Z22514) niet binnen de gestelde termijn van drie weken mogelijk is, in verband met de benodigde interdepartementale afstemming. Ik streef ernaar de Kamervragen zo spoedig mogelijk in januari 2022 te beantwoorden.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2021Z22514
Volledige titel: Het toekennen van het recht om het predicaat ‘Koninklijk’ te voeren aan ondernemingen aan wie het predicaat niet (langer) lijkt toe te komen