Kamervraag 2018Z06857

De mogelijke strafbaarheid van het vechten voor Turkije in Syrië

Ingediend 12 april 2018
Beantwoord 1 juni 2018 (na 50 dagen)
Indieners Martijn van Helvert (CDA), Pieter Omtzigt (CDA)
Beantwoord door Ferdinand Grapperhaus (minister veiligheid en justitie) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD)
Onderwerpen recht staatsrecht
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2018Z06857.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20172018-2296.html
  • Vraag 1
    Heeft u kennisgenomen van het feit dat president Erdogan van Turkije gesproken heeft over het mobiliseren van dienstplichtigen onder andere om in Afrin te vechten?1

    Het Kabinet heeft kennisgenomen van de toespraak van President Erdogan van 24 februari jl. in Kahramanmaraş.

  • Vraag 2
    Klopt het dat de Turkse regering mobilisatieorders gegeven heeft aan dienstplichtigen en hen opgeroepen heeft om klaar te staan voor de strijd in Afrin? Hoe beoordeelt u dit, nu Turkije aangeeft ook andere gebieden in Syrië en Irak te willen veroveren?

    Nee, de Turkse regering heeft voor zover bekend geen mobilisatieorders uitgegeven.

  • Vraag 3
    Kunt u bevestigen dat het Turkse Ministerie van Defensie daartoe een lijst gepubliceerd heeft met namen van Turkse mannen?

    Er is voor zover bekend geen lijst gepubliceerd met namen van Turkse mannen die opgeroepen zouden zijn of worden voor de strijd in Afrin. Wel bestaat er een database van het Turkse Ministerie van Defensie waar alle Turkse mannen (die onder de dienstplichtwet vallen) individueel hun status kunnen raadplegen met betrekking tot de dienstplicht.

  • Vraag 4
    Realiseert u zich dat mannen die zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit hebben tot en met de leeftijd van 40 jaar opgeroepen kunnen worden, indien Turkije daadwerkelijk overgaat tot mobilisatie?

    Ja. Zoals bij het antwoord op vraag 2 gemeld, heeft de Turkse regering echter voor zover bekend geen mobilisatieorders uitgegeven.

  • Vraag 5
    Kunt u nagaan of er op de gepubliceerde lijst ook Turken met een Nederlands paspoort staan en of er ook actief dienende militairen bij de Nederlandse krijgsmacht of Nederlands politieagenten op staan?

    Zie het antwoord op vraag 3.

  • Vraag 6
    Herinnert u zich dat het openbaar ministerie in 2014 verklaarde dat deelname aan het gewapende conflict in Syrië en beginsel strafbaar is en het daarbij had over alle strijdende partijen?2

    Ja.

  • Vraag 7
    Is het strafbaar voor een Nederlander om mee te vechten met het Vrije Syrische Leger?

    Actieve deelname anders dan in opdracht van de overheid aan de strijd tegen IS in Irak en Syrië is in beginsel strafbaar. Voor Nederlanders en anderen die in Nederland hun woon- of verblijfadres hebben, geldt het Wetboek van Strafrecht ook over de landsgrenzen. Bepaalde handelingen in die gewapende strijd kunnen oorlogsmisdrijven zijn, maar ook commune misdrijven, zoals moord, doodslag, vrijheidsberoving of mishandeling. Of er ook reden is om zulke commune misdrijven te vervolgen, hangt af van de omstandigheden waaronder die misdrijven zijn gepleegd, bijvoorbeeld of het gebruikte geweld gerechtvaardigd is.

  • Vraag 8
    Hoe beoordeelt u de oproep van het Turkse Ministerie van Godsdienstzaken Diyanet aan Turkse moslims de gewapende jihad in Afrin te steunen?3

    Het kabinet spreekt zich niet uit over preken die in moskeeën in Turkije worden gehouden. Voor de kabinetsvisie op de vermeende jihadpreek die in tenminste één Nederlandse moskee zou zijn uitgesproken, verwijs ik u naar de beantwoording van de schriftelijke vragen over het mediabericht «Jihadpreek in Hoorn» (Kamerbrief Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 26 april 2018, kenmerk 2018–0000080658). De vrijheid van godsdienst is een groot goed in de Nederlandse rechtsstaat. Deze vrijheid mag echter niet misbruikt worden als dekmantel voor politieke uitspraken of om de strijd van een ander land te steunen.

  • Vraag 9
    Klopt het dat Turkije zelf dus de strijd in Syrië beschouwt als jihad?

    Turkije heeft als onderbouwing van het offensief in Afrin een beroep gedaan op het recht op zelfverdediging zoals vastgelegd in art. 51 van het VN Handvest.

  • Vraag 10
    Welke politieke en juridische consequenties heeft volgens u deze kwalificatie?

    Zie het antwoord op vraag 9.

  • Vraag 11
    Bent u bereid daarbij in te gaan op de Turkse dienstplicht, de mogelijke mobilisatie van Turkse Nederlanders, alsmede de «jihadpreek» voor Afrin die in tenminste één van de Diyanet moskeeën in Nederland gehouden zou zijn?, in relatie tot het Nederlandse strafrecht?

    Voor de antwoorden op vragen over dienstplicht en mobilisatie verwijs ik u naar de bovenstaande antwoorden.
    Voor de kabinetsvisie op de vermeende jihadpreek die in tenminste één Nederlandse moskee zou zijn uitgesproken, verwijs ik u naar de beantwoording van de schriftelijke vragen over het mediabericht «Jihadpreek in Hoorn» (Kamerbrief Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 26 april 2018, kenmerk 2018–0000080658). Het uitgangspunt is dat de overheid niet gaat over de inhoud van een preek, tenzij er sprake is van overschrijding van strafrechtelijke grenzen. In dat geval is het aan de politie en het Openbaar Ministerie om hier onderzoek naar te doen en tot mogelijke vervolging over te gaan. Uit de informatie die is ontvangen over de preek in Hoorn, blijkt dat er géén sprake is van een verdenking van strafbare feiten, zoals bijvoorbeeld het oproepen tot geweld.

  • Vraag 12
    Herinnert u zich het advies van de volkenrechtelijk adviseur aan de Nederlandse regering dat luidt: «Naar geldend internationaal recht is ingrijpen met militaire middelen in Syrië in de gegeven situatie onrechtmatig. Het VN Handvest verbiedt het gebruik van geweld (artikel 2, vierde lid). De enige uitzonderingen die het Handvest kent (mandaat van de Veiligheidsraad en zelfverdediging) zijn in de gegeven situatie niet van toepassing»?4

    Het betreffende advies van de extern volkenrechtelijk adviseur van de Minister van Buitenlandse Zaken is bekend.

  • Vraag 13
    Is de Turkse inval in Syrië rechtmatig of onrechtmatig?

    Een appreciatie van het Turkse offensief in de Afrin-regio en de Turkse onderbouwing van het beroep op het recht op zelfverdediging, is door het kabinet o.a. gedeeld in de Kamerbrief «Nederlandse inzet in Syrië» van 14 maart 2018 (referentie DEU-1502/2018).

  • Vraag 14
    Indien u de vraag over rechtmatigheid nog steeds niet kunt beantwoorden, wilt u dan advies vragen aan de extern volkenrechtelijk adviseur, nu Nederlanders zelfs opgeroepen zouden kunnen worden om mee te vechten? Waarom wel/niet?

    Deze vraag wordt afdoende beantwoord in de hierboven aangehaalde Kamerbrief van 14 maart 2018. Derhalve wordt externe advisering niet nodig geacht.

  • Vraag 15
    Is een Nederlands-Turkse man strafbaar als hij door Turkije wordt opgeroepen in het leger, dat doet en daar de orders van zijn superieuren uitvoert?

    Het in vreemde krijgsdienst treden is als zodanig niet strafbaar, tenzij er sprake is van het in dienst treden van de krijgsmacht van een land waarmee Nederland in oorlog is of op het punt staat in oorlog te raken. Leden van de krijgsmacht zijn gerechtigd om binnen de hen opgedragen taken en instructies, en uiteraard binnen de grenzen van het internationaal recht waaronder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten, geweld te gebruiken. Indien een persoon met zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit reeds als Nederlandse militair is aangesteld, mag hij alleen bij een andere mogendheid in dienst treden als hij daartoe gemachtigd is. Bij het ontbreken van een dergelijke machtiging kan de Nederlandse militair zich schuldig maken aan desertie (art. 100 lid 1 ahf/ond 1 WMSr). Tenzij sprake is van het plegen van strafbare feiten zoals omschreven in de Wet internationale misdrijven (oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, genocide) is een persoon met zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit dus in beginsel niet strafbaar als hij in Turkse krijgsdienst de opdrachten en bevelen van zijn leidinggevenden uitvoert. Een meer definitief antwoord kan niet worden gegeven, aangezien de uitkomst afhankelijk is van de aard en inhoud van de opdrachten en bevelen en de context waarin die worden uitgevoerd.

  • Vraag 16
    Wat moet een Nederlands/Turkse man doen indien hij opgeroepen wordt om in Syrië te gaan vechten?

    Het ligt niet op de weg van het kabinet om hier een adviserende rol in te spelen. Die afweging ligt bij de betrokkenen zelf.
    Specifiek voor Nederlandse defensiemedewerkers die tevens de Turkse nationaliteit hebben, geldt dat zij alleen kunnen voldoen aan een oproep om in Turkije de dienstplicht te vervullen als zij van Defensie (buitengewoon) verlof hebben gekregen en aldus (tijdelijk) zijn vrijgesteld van hun dienstverplichtingen in Nederland. Nederlandse defensiemedewerkers die tevens de Turkse nationaliteit bezitten, hebben overigens in het algemeen de Turkse dienstplicht afgekocht. Defensie voorziet deze defensiemedewerkers op grond van interne regelingen op hun verzoek van een lening tot afkoop van de Turkse dienstplicht.

  • Vraag 17
    Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat Turks-Nederlandse mannen, waaronder mogelijk zelfs Nederlandse militairen en Nederlands politieagenten, gemobiliseerd worden voor de strijd in Syrië en wellicht ook Irak? Wat kan de regering doen om dienstplichtige Nederlanders met ook de Turkse nationaliteit te beschermen tegen een dergelijke oproep en plicht?

    Het Kabinet heeft hier geen actieve rol. Betrokkenen moeten zelf de afweging maken of zij aan een oproep van de Turkse overheid gehoor geven. Daarbij bestaat de mogelijkheid om de Turkse dienstplicht af te kopen. Ik verwijs tevens naar mijn antwoord op vraag 16.

  • Vraag 18
    Kunt u deze vragen een voor een en binnen twee weken beantwoorden?

    Het is helaas niet mogelijk gebleken om deze vragen binnen twee weken te beantwoorden.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2018Z06857
Volledige titel: De mogelijke strafbaarheid van het vechten voor Turkije in Syrië
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20172018-2296
Volledige titel: Antwoord op vragen van de leden Van Helvert en Omtzigt over de mogelijke strafbaarheid van het vechten voor Turkije in Syrië