Kamervraag 2017Z00660

Een onderzoek naar Europese vrouwen in IS-gebied

Ingediend 19 januari 2017
Beantwoord 23 februari 2017 (na 35 dagen)
Indiener Ahmed Marcouch (PvdA)
Beantwoord door Ard van der Steur (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA)
Onderwerpen openbare orde en veiligheid terrorisme
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2017Z00660.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20162017-1262.html
  • Vraag 1
    Kent u de berichten «Jihadonderzoeker UvA uitte zelf steun voor strijders van IS» en «Aicha: cyberjihadist én wetenschapper»1 en kent u het onderzoek «Chatting about marriage with female migrants to Syria»?2

    Ja.

  • Vraag 2
    Kende u het genoemde onderzoek al voordat deze berichten daarover bekend werden? Zo ja, heeft het onderzoek uw meningsvorming over de rol van Nederlandse vrouwen in IS-gebied op enige wijze beïnvloed? Zo ja, op welke wijze?

    Het onderzoek was het Kabinet, vooraf aan de berichtgeving hieromtrent, niet bekend en heeft geen invloed gehad op beleid. De onderzoekers in kwestie zijn niet betrokken bij ons beleid.

  • Vraag 3
    Is het onderzoek van enige invloed geweest op uw beleid? Zijn de onderzoekers op enige andere wijze betrokken geweest bij uw beleid op het terrein van radicalisering, jihadisme of bestrijding van terrorisme? Zo ja, op welke wijze?

    Zie antwoord vraag 2.

  • Vraag 4
    Is het genoemde onderzoek in rechtszaken gebruikt ter verdediging van vrouwen die uit IS-gebied naar Nederland terugkeerden? Zo ja, hoe vaak is dat gebeurd? Zo nee, acht u het mogelijk dat dit wel kan gaan gebeuren?

    Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat het geen kennis heeft van het gebruik van dit onderzoek door de verdediging in de rechtszaal. Het is aan de rechter om af te wegen hoeveel waarde het onderzoek in een rechtszaak heeft. Daar kan de Minister van Veiligheid en Justitie niet over oordelen. Dat geldt niet alleen voor dit onderzoek, maar voor elk onderzoek dat door het Openbaar Ministerie of door de verdediging wordt voorgelegd in een rechtszaak.

  • Vraag 5
    Deelt u de mening dat indien een onderzoek in een rechtszaal gebruikt wordt de rechter in de gelegenheid moet zijn de uitkomsten van dat onderzoek naar waarde te schatten? Zo ja, waarom deelt u die mening en acht u dat in dit geval mogelijk? Zo nee, waarom niet?

    Zie antwoord vraag 4.

  • Vraag 6
    Deelt u de mening dat gezien wat er in beide berichten over het genoemde onderzoek wordt geschreven er op zijn minst onduidelijkheid kan bestaan over de conclusie dat een «substantieel deel» van de vrouwen die zich bij IS hebben aangesloten geen interesse in deelname aan de gewelddadige jihad of het maken van propaganda daarvoor tonen? Zo ja, waarom deelt u die conclusie en wat zegt dat over de waarde van het onderzoek in een rechtszaak? Zo nee, waarom niet?

    Zie antwoord vraag 4.

  • Vraag 7
    Deelt u de mening van het openbaar ministerie (OM) dat de genoemde UvA-studie niet gebruikt zal worden in onderzoeken naar jihadgangers? Zo ja, waarom deelt u die mening van het OM? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?

    Het is aan het Openbaar Ministerie om te af te wegen welke informatie wordt gebruikt bij onderzoeken naar jihadgangers.

  • Vraag 8
    Is het voor u op enige wijze verifieerbaar of de in het onderzoek genoemde 22 «private chattings» daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en of dat daadwerkelijk Nederlandse vrouwen in IS-gebied betrof? Zo ja, op welke wijze?

    Nee, dat is voor het kabinet niet verifieerbaar.

  • Vraag 9
    Kunt de Kamer op de hoogte stellen van de uitkomsten van het onderzoek dat het bestuur van de UvA laat doen naar de in het onderzoek gebruikte methode?

    Zoals in antwoord op vragen van de leden van de CDA-fractie (2017Z00567) is aangegeven, bestaat binnen de academische wereld een voortdurend wetenschappelijk debat, ook over onderzoek en methode. Zo organiseert de UvA een reflectie van een commissie van externe deskundigen op het betreffende onderzoek alsmede over dit type kwalitatief onderzoek in het algemeen naar moeilijk benaderbare doelgroepen. Deze reflectie heeft ook tot doel het wetenschappelijk debat over dit type onderzoek te stimuleren. Het is niet de rol van de overheid om uw Kamer daar over te informeren.

  • Mededeling - 10 februari 2017

    Hierbij bericht ik u, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dat de schriftelijke vragen van het lid Marcouch (PvdA) over een onderzoek naar Europese vrouwen in IS-gebied (ingezonden 19 januari 2017) niet binnen de gebruikelijke termijn kunnen worden beantwoord, aangezien nog niet alle benodigde informatie ontvangen is. Ik streef ernaar de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2017Z00660
Volledige titel: Een onderzoek naar Europese vrouwen in IS-gebied
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20162017-1262
Volledige titel: Antwoord op vragen van het lid Marcouch over het bericht ‘Jihadonderzoeker UvA uitte zelf steun voor strijders van IS’ en over een onderzoek naar Europese vrouwen in IS-gebied