Kamervraag 2016Z14814

Het bericht dat de vrouwenopvang onveilig is

Ingediend 15 juli 2016
Beantwoord 14 september 2016 (na 61 dagen)
Indieners Nine Kooiman (SP), Sadet Karabulut (SP)
Beantwoord door
Onderwerpen organisatie en beleid zorg en gezondheid
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2016Z14814.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20152016-3512.html
  • Vraag 1
    Hoe oordeelt u over de berichtgeving dat vrouwen die gevlucht zijn vanwege een gewelddadige partner liever naar huis teruggaan dan in de vrouwenopvang verblijven omdat ze zich thuis veiliger voelen dan in de vrouwenopvang?1

    De berichtgeving van De Monitor neem ik zeer serieus. Als het zo is dat iemand die vlucht vanwege zijn gewelddadige partner liever naar huis teruggaat dan in de vrouwenopvang verblijft omdat ze zich thuis veiliger voelen, dan is dat een zeer ernstige zaak. Het gaat hier om een beperkt aantal anonieme bronnen. Om na te gaan of het gaat om mogelijke incidenten of een structureel probleem, heb ik de Federatie Opvang (FO) en de VNG gevraagd of bij hen meer signalen over een angstcultuur zijn binnengekomen. Dat is niet het geval. Ik heb dergelijke signalen evenmin ontvangen.

  • Vraag 2
    Heeft u meldingen gekregen over angstculturen binnen vrouwenopvangorganisaties? Gaat u dit onderzoeken en hiertoe maatregelen nemen waar nodig? Zo neen, waarom niet?

    Zie antwoord vraag 1.

  • Vraag 3
    Is het waar dat in de vrouwenopvang veel gebruik wordt gemaakt van ongeschoolde vrijwilligers en flex-medewerkers? Bent u bereid dit te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo neen, waarom niet?

    De Wmo 2015 bevat een basisnorm van kwaliteit die zowel gemeente als instellingen bindt. Het is aan gemeenten om toezicht te houden op hun voorzieningen. De FO herkent het beeld dat voor de begeleiding veel vrijwilligers worden ingezet niet. De inzet van vrijwilligers is aanvullend aan de begeleiding van professionals. Ik zie daarom geen aanleiding hier nader onderzoek naar te doen.

  • Vraag 4
    Wat is uw reactie op de volgende uitspraak van een medewerker uit de vrouwenopvang: «We moeten van minuut tot minuut registreren wat we doen en dat gaat ten koste van de zorg die we kunnen leveren. Soms ben ik dagen achter de computer bezig. Bovendien zijn er veel wisselingen onder het personeel en worden dingen daardoor later opgepakt of gesignaleerd»? Wat gaat u doen om deze bureaucratie aan te pakken?

    Op 15 juni 2016 heb ik uw Kamer geïnformeerd over mijn aanpak in het kader van administratieve lasten en regeldruk in de jeugdhulp, langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning. Het is mijn ambitie om administratieve lasten tussen gemeenten en zorgaanbieders en de regeldruk onder professionals op de werkvloer te verminderen.
    In mijn streven naar merkbaar minder regeldruk zet ik in op twee trajecten. In vijf gemeenten organiseer ik «regeldruksessies», waar we samen met professionals, vertegenwoordigers van gemeenten, aanbieders, het CAK en de betrokken toezichthoudende instanties aan de slag gaan om overbodige regels te inventariseren. Daarnaast werkt Informatievoorziening Sociaal Domein (van gemeenten en aanbieders) aan standaardisering van administratieve werkprocessen. Zo zijn er nu drie uitvoeringsvarianten «van contract tot controle» met standaardartikelen beschikbaar voor gemeenten. Ik heb de VNG gevraagd mij medio september te berichten over de stand van zaken met betrekking tot het hanteren hiervan door gemeenten.

  • Vraag 5
    Wat is uw reactie op de volgende uitspraak van een medewerker uit de vrouwenopvang: «In mijn beleving is er in de afgelopen jaren extreem veel veranderd. Als iemand in volledige paniek naar me toekomt, moet ik eigenlijk zeggen: Kom morgen maar terug, ik heb om half 3 tijd voor je»? Wat gaat u hieraan doen?

    Zie antwoord vraag 4.

  • Vraag 6
    Is het waar dat de doorstroom naar begeleid wonen of zelfstandig wonen moeizaam verloopt omdat het aanbod in sommige gemeenten heel slecht is? Wat gaat u hieraan doen?

    Gemeenten hebben de mogelijkheid om vrouwen (die slachtoffer zijn van huiselijk geweld) met voorrang een huurwoning toe te wijzen. Dit kan op basis van de Huisvestingswet. In de huisvestingsverordening kunnen gemeenten bepalen dat vrouwen in deze situatie urgentie kunnen krijgen. Gemeenten die in de huisvestingsverordening urgente groepen hebben opgenomen, kunnen hier niet van afwijken en mogen bovendien geen bindingseisen aan deze groep stellen.
    Ik heb uw Kamer op 23 mei 2016 geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet omgaat met het rapport «van tehuis naar thuis» dat op 24 maart 2016 door het aanjaagteam langer zelfstandig wonen is gepresenteerd. Zoals in de reactie is aangegeven hebben met de herziene Woningwet gemeenten meer dan voorheen de mogelijkheid om afspraken te maken over het realiseren van voldoende betaalbare en geschikte woningen Daarnaast heeft het kabinet de afgelopen periode een aantal andere maatregelen genomen om de sociale huursector toegankelijker te maken voor haar doelgroep. Voorbeelden zijn het tegengaan van scheefwonen via de inkomensafhankelijke huurverhogingen, het passend toewijzen en de wet Doorstroming Huurmarkt 2015.
    Bij de doorstroom naar begeleid wonen gaat het niet alleen om betaalbare huurwoningen, maar ook om andere factoren zoals begeleiding en schuldenproblematiek. Om gemeenten te ondersteunen onderzoekt Platform31 momenteel op welke wijze gemeenten de doorstroom vanuit de maatschappelijke opvang en het beschermd wonen het beste kunnen bevorderen. Daarnaast zal het Rijk gemeenten en zorgaanbieders ondersteunen door het faciliteren van een ondersteuningsprogramma om een visie op wonen en zorg op te stellen.

  • Vraag 7
    Hoe oordeelt u over de berichtgeving dat veel vrouwen met schulden in de opvang terechtkomen en met meer schulden de vrouwenopvang verlaten?

    Er zijn mij geen cijfers bekend over het aantal vrouwen met schulden in de vrouwenopvang en of deze schulden groter zijn, wanneer deze vrouwen de opvang verlaten. Begeleiding bij financiële problematiek, bijvoorbeeld cliënten helpen om bij de gemeente een beroep te doen op schuldhulp, is vaak onderdeel van de hulpverlening in de vrouwenopvang. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de schuldhulpverlening. Daarbij dienen zij tot passende en integrale hulpverlening te komen, waar ook het oplossen van onderliggende problematiek deel van uit maakt. De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ondersteunt in 2016 en 2017 landelijke projecten van maatschappelijke organisaties gericht op het tegengaan van armoede- en schuldenproblematiek via een subsidieregeling. Op grond van deze regeling ontvangen Fier en de Federatie Opvang beide subsidie voor een project op het terrein van financiële zelfredzaamheid en schulden gericht op de doelgroep in de vrouwenopvang/geweld in afhankelijkheidsrelaties. Daarnaast werkt het kabinet aan diverse maatregelen die een meer stabiele financiële situatie van mensen met schulden en verbetering van de schuldhulpverlening bewerkstelligen. Zo wordt gewerkt aan wetgeving ter vereenvoudiging van de beslagvrije voet en het Besluit breed moratorium in de gemeentelijke schuldhulpverlening. Deze maatregelen dragen ook voor kwetsbare groepen zoals vrouwen in de vrouwenopvang bij aan verbetering van hun financiële positie.

  • Vraag 8
    Wat vindt u van de volgende situatie dat een jong meisje dat slachtoffer was van een loverboy, een schuld had van 5.000 euro en daardoor geen studiefinanciering kon aanvragen en dus niet naar school kan en een opleiding kan volgen? Welke maatregelen neemt u om jongeren als dit meisje te helpen?

    Ik wil allereerst benadrukken dat ook een jongere met schulden studiefinanciering kan aanvragen. Daar waar deze jongere voor zijn schuldenproblematiek wordt ondersteund vanuit de schuldhulpverlening kan dit wel belemmerend werken voor het ondersteuningstraject. Indien hij alleen studiefinanciering als inkomen heeft, heeft hij geen afloscapaciteit, waardoor het treffen van een betalingsregeling met de schuldeisers moeilijk kan worden. Een aanvraag studiefinanciering kan in die zin tot gevolg hebben dat de schuldhulpverlening door de gemeente wordt stopgezet. De ministeries van Onderwijs Cultuur en Wetenschap en Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn bekend met deze problematiek en zoeken samen met andere relevante partijen naar maatwerkoplossingen. Over dit traject bent u ook reeds eerder door hen geïnformeerd bij brief van 4 juli 2016 2.

  • Vraag 9
    Wat is uw reactie op de alarmerende berichten van vrouwenopvang Fier die grote zorgen heeft geuit over de ingewikkelde regelgeving waar vrouwen mee te maken hebben en aangeeft dat vrouwen en kinderen zelden in de standaardregels passen, waardoor velen tussen wal en schip terecht vallen?2

    Ik maak uit het bericht op dat Fier Fryslân haar zorgen heeft geuit bij de Nationale ombudsman en dat deze binnenkort het gesprek aangaat met de instelling over deze zorgen. Ik wacht de bevindingen van de Ombudsman af.

  • Vraag 10
    Wat is uw reactie op de zorgen van Fier die aangeeft dat ervan uitgegaan wordt dat vrouwen onderdak en eten krijgen, maar vaak vergeten wordt dat vrouwen die in een crisissituatie hun huis verlaten hebben te maken hebben met doorlopende kosten, waardoor het zak- en kleedgeld onvoldoende is? Wat gaat u hieraan doen?

    Daar waar het vrouwenopvang betreft geldt, zoals ook in het genoemde artikel wordt toegelicht, dat de eigen bijdrage per gemeente kan verschillen. Wel geldt dat landelijk is vastgelegd dat een cliënt altijd zak- en kleedgeld dient over te houden. Ook mogen in de vrouwenopvang geen andere eigen bijdragen voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 worden gevraagd. Indien zak- en kleedgeld voor een cliënt in haar situatie ontoereikend is, dan kan de cliënt dit bij de gemeente aangeven. In het kader van de Participatiewet is het een gemeentelijke verantwoordelijkheid om te beoordelen of de betrokkene in die situatie in aanmerking komt voor bijzondere bijstand (individueel maatwerk).

  • Vraag 11
    Hoe oordeelt u over de zorgen van Fier en de Federatie Opvang over alle verschillende regelingen waaronder vrouwen vallen en hierdoor niet uit de schulden komen en verder in de problemen raken omdat zij geen kans maken op voorzieningen die hen vooruit kunnen helpen? Kunt u uw antwoord toelichten?

    Zie antwoord vraag 7.

  • Vraag 12
    Hoe oordeelt u over de zorgen over de hoge eigen bijdrage die vrouwen moeten betalen als ze in de vrouwenopvang terechtkomen, omdat de gemeente vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 een te hoge eigen bijdrage vraagt? Wat gaat u hieraan doen?

    Om te borgen dat cliënten genoeg zak- en kleedgeld overhouden is in artikel 3.20 van het Uitvoeringsbesluit van de Wmo 2016 bepaald dat de cliënt in ieder geval een bedrag moet overhouden dat overeenkomt met het zogeheten «zak- en kleedgeld» vermeerderd met de standaardpremie (gecorrigeerd met de zorgtoeslag). Bij het antwoord op vraag 10 is aangegeven dat in geval van maatwerkvoorziening vrouwenopvang er geen sprake kan zijn van andere eigen bijdragen voor andere maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015.

  • Vraag 13
    Deelt u de mening dat vrouwen en kinderen niet onder de armoedegrens horen te leven en dat er per direct maatregelen getroffen moeten worden om deze vrouwen en kinderen te helpen? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen? Zo neen, hoe kunt u uitleggen dat u vrouwen en kinderen onder een bestaansminimum laat leven?

    In beginsel kunnen mensen die tijdelijk niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien een beroep doen op bijstand. Daarnaast geldt de regel in de Wmo dat cliënten altijd een bepaald bedrag aan «zak en kleedgeld» moeten kunnen overhouden. Verder kan de gemeentelijke schuldhulpverlening bijdragen aan een duurzame verbetering dan wel stabilisatie van de financiële situatie van cliënten.

  • Vraag 14
    Wat is uw visie op de situatie in de vrouwenopvang en welke maatregelen gaat u treffen om de genoemde problemen aan te pakken?

    Samen met de VNG en de FO volgen we de ontwikkelingen binnen de vrouwenopvang nauwlettend, onder andere in het kader van het project Regioaanpak Veilig Thuis. In dit project wordt onder andere een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden van verdere ambulantisering van de aanpak van geweld in huiselijke kring. In groepsgesprekken met deskundigen zullen de randvoorwaarden voor ambulantisering worden verkend. Tegelijk zal ook gekeken worden naar de randvoorwaarden van de groep slachtoffers die wel residentieel moeten worden opgevangen en in hoeverre daarbij vraag en aanbod op elkaar aansluiten. Deze gesprekken vinden plaats in de periode augustus – oktober 2016. Op basis van de uitkomsten ga ik samen met de VNG en de FO na of er en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn. Daarnaast heeft de Staatssecretaris van SZW uw Kamer reeds toegezegd samen met mijn departement in gesprek te gaan met de FO over de financiële zelfredzaamheid van vrouwen in de opvang. Daar zal de berichtgeving van De Monitor bij betrokken worden. Uw Kamer zal over de uitkomsten van deze gesprekken worden geïnformeerd.

  • Mededeling - 2 augustus 2016

    De vragen van de Kamerleden Kooiman (SP) en Karabulut (SP) over het bericht dat de vrouwenopvang onveilig is (2016Z14814) kunnen tot mijn spijt niet binnen de gebruikelijke termijn worden beantwoord. De reden van het uitstel is dat de afstemming ten behoeve van de beantwoording meer tijd vraagt. Ik zal u zo spoedig mogelijk de antwoorden op de Kamervragen doen toekomen, in elk geval voor het Algemeen Overleg over Geweld in Afhankelijkheidsrelaties van 15 september aanstaande.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2016Z14814
Volledige titel: Vragen van de leden Kooiman en Karabulut (beiden SP) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht dat de vrouwenopvang onveilig is (ingezonden 15 juli 2009).
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20152016-3512
Volledige titel: Vragen van de leden Kooiman en Karabulut (beiden SP) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht dat de vrouwenopvang onveilig is (ingezonden 15 juli 2009).