Kamervraag 2013Z23541

De zaak De Roy van Zuydewijn

Ingediend 29 november 2013
Beantwoord 4 december 2013 (na 5 dagen)
Indieners Ronald van Raak , Bram van Ojik (GL), Alexander Pechtold (D66)
Beantwoord door Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD)
Onderwerpen bestuur koninklijk huis
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2013Z23541.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20132014-631.html
  • Vraag 1
    Wat is uw reactie op het artikel «»Ouders en zusters» de Roy van Zuydewijn ook onderzocht»?1

    Het document dat bij dit artikel is gepubliceerd, is sedert 15 april 2003 niet langer vertrouwelijk. Op 15 april 2003 verstrekte de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op basis van de Wet openbaarheid van bestuur een afschrift van dit document, tezamen met afschriften van andere documenten, aan de toenmalige advocaat van de heer E. de Roy van Zuydewijn die hierom had verzocht. Kort nadien zijn deze stukken eveneens verstrekt aan de vertegenwoordiger van de actualiteitenrubriek NOVA naar aanleiding van een verzoek op basis van de Wet openbaarheid van bestuur. Documenten die op basis van de Wet openbaarheid van bestuur worden verstrekt aan een verzoeker worden op basis van jurisprudentie van de Raad van State eveneens verstrekt aan andere verzoekers die op grond van deze wet om dezelfde stukken vragen. Gelet op de door u gestelde vragen zijn alle documenten die op 15 april 2003 zijn verstrekt aan de advocaat van de heer De Roy van Zuydewijn als bijlagen bij deze antwoorden gevoegd2. Deze documenten bevatten voor een belangrijk deel de antwoorden op deze vragen. Tevens worden hierbij nu, anders dan op 15 april 2003, de passages verstrekt die betrekking hebben op prins Bernhard die op 1 december 2004 overleed. Hij was op de hoogte van de relatie van de heer E. de Roy van Zuydewijn met zijn kleindochter. Prins Bernhard werd beveiligd en verkeerde als te beveiligen persoon in de positie DKDB informatie te vragen en van DKDB informatie te ontvangen met betrekking tot veiligheidsrisico’s. DKDB was bevoegd onderzoek te verrichten op basis van de Politiewet en prins Bernhard daarover te informeren op basis van de Circulaire Bewaking en beveiliging. Uit het onderzoek door DKDB naar de heer De Roy van Zuydewijn bleek dat er geen veiligheidsrisico’s waren. Enkele passages die betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer van nog in leven zijnde personen, vormen geen onderdeel van de bijlagen.

  • Vraag 2
    Bent u bekend met het genoemde vertrouwelijke document, het rapport over de rol van de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) betreffende de publicaties rondom Hare Hoogheid Prinses Margarita en de heer E.K.W. de Roy van Zuydewijn, opgesteld door het hoofd van de DKDB (HDKDB) op 4 maart 2003?

    Ja, zie het antwoord op vraag 1 en de bijlagen 2 en 21.

  • Vraag 3
    Wat is er, naast genoemde zaak, aan de orde geweest in het gesprek dat volgens het rapport eind november 2000 heeft plaatsgevonden?

    Het betrof een kennismaking tussen prins Bernhard en het plaatsvervangend hoofd DKDB. De bijlagen bevatten geen informatie over andere gespreksonderwerpen dan de genoemde zaak.

  • Vraag 4
    Wie waren aanwezig bij het gesprek eind november 2000?

    Uit de bijlagen blijkt dat prins Bernhard, het hoofd DKDB en het plaatsvervangend hoofd DKDB aanwezig waren.

  • Vraag 5
    Wie heeft opdracht gegeven tot dat gesprek?

    Uit de bijlagen blijkt niet of er al dan niet sprake was van een opdracht tot het kennismakingsgesprek en evenmin wie hiervan de eventuele opdrachtgever zou zijn geweest.

  • Vraag 6
    Wie waren op de hoogte van dat gesprek?

    Uit de bijlagen blijkt dat prins Bernhard, het hoofd DKDB en zijn plaatsvervanger aan het gesprek deelnamen.

  • Vraag 7
    Kunt u bevestigen dat tussen «gesprek gehad» en «tijdens dat gesprek kwam aan de orde [...]» Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard genoemd wordt in het weggelakte deel?

    Ja, zie bijlage 21.

  • Vraag 8
    Wie heeft opdracht gegeven tot het onderzoek uitgevoerd door de DKDB?

    Uit de bijlagen 2, 8, 15, 16, 20, 21 en 22 blijkt dat het hoofd DKDB de opdrachtgever was op basis van de wettelijke taak van de dienst. Prins Bernhard verkeerde als te beveiligen persoon in de positie DKDB om informatie te vragen over zijn veiligheid en daarover door DKDB ingelicht te worden. Tevens blijkt uit de bijlagen 15 en 16 dat de Minister van Justitie hierbij niet betrokken was. Dit is bevestigd in de brief aan de Tweede Kamer van 10 maart 2003 (Kamerstukken II 2002/3, 28 811, nr. 1, p. 6) en tijdens het debat in de Tweede Kamer op 12 maart 2003 (Handelingen II 2002/3, 48–3213). Uit het onderzoek bleek dat er geen veiligheidsrisico’s waren.

  • Vraag 9
    Wie waren op de hoogte van het onderzoek uitgevoerd door de DKDB?

    Uit de bijlagen 2, 8, 15, 16, 17, 20, 21 en 22 blijkt dat de afdeling Inlichtingen en Operatiën van de DKDB, de instanties die meewerkten aan het onderzoek (GBA, KvK, HKS-register en BVD), het hoofd DKDB, prins Bernhard en de directeur van het Kabinet der Koningin op enigerlei wijze op de hoogte waren. De Minister van Justitie was niet op de hoogte (zie antwoord op vraag 8).

  • Vraag 10
    Kunt u bevestigen dat het DKDB-onderzoek zich slechts beperkte tot het genoemde opvragen van persoonsgevens? Zo ja, wat was hier de reden van in relatie tot het in de brief van 10 maart 2004 genoemde reeds uitgevoerde onderzoek door de toenmalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (thans Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, AIVD)?

    Nee, het onderzoek omvatte ook gegevens over het bedrijf waarvan de heer De Roy van Zuydewijn eigenaar was (bijlage 3/4/5). Uit het onderzoek bleek dat er geen veiligheidsrisico’s waren.

  • Vraag 11
    Welke bijzonderheden bleken uit het oriënterende informatieonderzoek?

    Uit bijlage 2 blijkt dat deze bijzonderheden mede betrekking hadden op onduidelijkheden ten aanzien van adressen van bedrijven en personen. Niet in deze bijlage opgenomen is een passage die betrekking heeft op de persoonlijke levenssfeer van anderen dan de heer De Roy van Zuydewijn en zijn voormalige echtgenote. Uit het onderzoek bleek dat er geen veiligheidsrisico’s waren.

  • Vraag 12
    Kunt u uitsluiten dat na het DKDB-onderzoek verder onderzoek is gedaan naar de heer De Roy van Zuydewijn? Zo ja, waar blijkt dat uit? Indien u niet kunt uitsluiten dat er verder onderzoek is gedaan naar de heer De Roy van Zuydewijn, aan welke andere instanties dan de DKDB is opdracht gegeven om nader onderzoek te doen? Wat was de inhoud van de onderzoeken, binnen welke juridische kaders zijn deze uitgevoerd en welke resultaten hebben de onderzoeken opgeleverd?

    In de brief aan de Tweede Kamer van 10 maart 2003 is bevestigd dat de daarin genoemde onderzoeken zijn beëindigd (Kamerstukken II 2002/3, 28 811, nr. 1). Daarna heeft het Openbaar Ministerie enkele malen onderzoek verricht naar de heer De Roy van Zuydewijn. Deze onderzoeken vonden plaats op basis van het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht. Over de inhoud van deze onderzoeken heb ik geen informatie.

  • Vraag 13
    Welke juridische belemmeringen waren er binnen de taakstelling van de DKDB om nader onderzoek te initiëren?

    Zie het antwoord op vraag 12.

  • Vraag 14
    Op welke wijze is door HDKDB terugkoppeling gegeven op de schriftelijke rapportage van de DKDB?

    Uit de bijlagen 2, 6, 9, 10, 18 en 19 blijken de algemene en specifieke juridische belemmeringen nader onderzoek te initiëren nadat uit onderzoek was gebleken dat er geen veiligheidsrisico’s waren.

  • Vraag 15
    Hoe vaak en naar welke relaties van Principalen is eerder onderzoek gedaan? Wat waren de uitkomsten van die onderzoeken?

    Het hoofd DKDB heeft prins Bernhard mondeling omtrent de uitslag geïnformeerd zonder inhoudelijk op het rapport in te gaan (bijlage 22). Deze terugkoppeling aan een te beveiligen persoon over een op basis van de Politiewet verricht onderzoek is in overeenstemming met artikel 7.2.2. van de circulaire Bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten. Later heeft het hoofd DKDB eveneens de directeur van het Kabinet der Koningin over de rapportage geïnformeerd (bijlage 22). De Minister van Justitie is toen niet geïnformeerd (zie antwoord op vraag 8). Uit het onderzoek bleek dat er geen veiligheidsrisico’s waren.

  • Vraag 16
    Klopt het dat dergelijke onderzoeken geen standaard procedure zijn?

    Uit de bijlagen 2, 12, 15 en 17 blijkt dat naast het onderzoek naar de heer De Roy van Zuydewijn twee andere, vergelijkbare relaties zijn onderzocht. De bijlagen bevatten geen uitkomst van deze onderzoeken.

  • Vraag 17
    Bent u bereid om het genoemde onderzoeksrapport openbaar te maken?

    Voor de brief van 10 maart 2003 (Kamerstukken II 2002/3, 28 811, nr. 1, p. 7) verrichte DKDB onderzoeken naar potentiële verloofden zoals blijkt uit de bijlagen 2, 12, 15 en 17. Na deze brief zijn onderzoeken door de AIVD naar potentiële verloofden standaard procedure.

  • Vraag 18
    Hoe verklaart u dat uw ambtsvoorganger in de brief van 10 maart 2013 geen gewag heeft gemaakt van voornoemd rapport?

    Nee. Het rapport bevat gegevens met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer van de heer De Roy van Zuydewijn, zijn voormalige echtgenote en verschillende andere personen. Uit het onderzoek bleek dat er geen veiligheidsrisico’s waren.

  • Vraag 19
    Waarom heeft u tot op heden het betreffende rapport niet onder de aandacht gebracht?

    Het onderzoek en de uitkomsten hiervan zijn vermeld in de tweede alinea van pagina 6 in de brief van mijn voorganger aan de Tweede Kamer van 10 maart 2003 (Kamerstukken II 2002/3, 28811, nr. 1).

  • Vraag 20
    Is het onderzoek naar de heer De Roy van Zuydewijn formeel beëindigd? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot de in het artikel genoemde bewijzen van het tegendeel?

    Het bestaan van het rapport is bekendgemaakt tijdens de persconferentie van mijn voorganger op 5 maart 2003 en schriftelijk bevestigd in de brief aan de Tweede Kamer van 10 maart 2003. Nadere informatie over het rapport is op 15 april 2003 verstrekt door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op basis van de Wet openbaarheid van bestuur zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1.

  • Vraag 21
    Tot in welke graad van leden van het Koninklijk Huis wordt onderzoek gedaan naar relaties wanneer er een vermoeden is van een veiligheidsrisico?

    In de brief aan de Tweede Kamer van 10 maart 2003 is bevestigd dat de daarin genoemde onderzoeken zijn beëindigd (Kamerstukken II 2002/3, 28 811, nr.1). Daarna heeft het Openbaar Ministerie enkele malen onderzoek verricht naar de heer De Roy van Zuydewijn, zoals nader toegelicht in de antwoorden op de vragen 12 en 13.

  • Vraag 22
    Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de plenaire behandeling van de begroting van het ministerie van Algemene Zaken 2014 in de week van 2 december 2013?

    De instelling van een veiligheidsonderzoek wordt niet bepaald door een graad van verwantschap van leden van het koninklijk huis of de koninklijke familie maar door het karakter van een relatie die mogelijk toegang geeft tot het staatshoofd, zijn directe omgeving en andere te beveiligen personen.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2013Z23541
Volledige titel: De zaak De Roy van Zuydewijn
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20132014-631
Volledige titel: Antwoord op vragen van de leden Van Raak, Pechtold en Van Ojik over de zaak De Roy van Zuydewijn