Op 27 augustus 2025 is te ’s-Gravenhage het Verdrag tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de exploitatie van grensoverschrijdende koolwaterstoffenvelden in de Noordzee, met Bijlagen (Trb. 2025, 68) (hierna: het Verdrag) tot stand gekomen. Hoewel in het Verdrag de regeringen van beide Staten als partijen worden genoemd, zal het Verdrag tussen beide Staten gelden.
In de Noordzee ten noorden van de monding van de Eems zijn voorkomens van aardgas aangetoond (hierna: voorkomens) en bevinden zich vermoede, potentiële voorkomens van aardgas (hierna: prospects). Deze voorkomens en prospects bevinden zich in koolwaterstoffenvelden op circa 20 kilometer en verder ten noorden van Schiermonnikoog, Rottumerplaat en Borkum en liggen deels ook in de Nederlandse en Duitse territoriale zee. Zij maken deel uit van het «Gateway to the Ems» project, dat verwijst naar de desbetreffende locatie.Dit project omvat het gehele gebied waarbinnen deze kleine velden vallen, dus zowel die in het Nederlandse als die in het Duitse deel van de Noordzee, al dan niet «grensoverschrijdend».
De directe aanleiding voor het Verdrag is de wens van Nederland en Duitsland om het in de territoriale zee tussen 3 en 12 zeemijlen gelegen voorkomen in gasveld N05-A gezamenlijk tot exploitatie te brengen. Boven N05-A ligt het prospect N05-A-Noord eveneens in de territoriale zee tussen 3 en 12 zeemijlen. Het gaat hier in beide gevallen om «grensoverschrijdende» velden. Grensoverschrijdende velden zijn velden die zich uitstrekken aan beide zijden van de lijn die Nederland en Duitsland zijn overeengekomen in het op 24 oktober 2014 op de Eems tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende het gebruik en beheer van de territoriale zee van 3 tot 12 zeemijlen (Trb. 2014, 182) (hierna: Westereemsverdrag). Zoals bekend, bestaat tussen Nederland en Duitsland geen overeenstemming over de zijdelingse afbakening van de zeegrens tussen beide landen in de territoriale zee tussen 3 en 12 zeemijlen, nadat beide landen in overeenstemming met het op 10 december 1982 te Montego Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83 en Trb. 1984, 55) (hierna: VN-Zeerechtverdrag) hun territoriale zee hebben uitgebreid tot 12 zeemijlen uit de kust.1 Het Westereemsverdrag – niet zijnde een grensverdrag – bevat dan ook slechts een regeling voor de verdeling van bevoegdheden en toepasselijk recht.2 Het gebruik van de term «grensoverschrijdend» in de context van dit Verdrag moet dan ook in die betekenis worden gelezen.
Tussen Nederland en Duitsland bestaat ook geen overeenstemming over de voortdurende gelding van het op 1 december 1964 te Bonn tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de zijdelingse begrenzing van het continentale plat in de nabijheid van de kust (Trb. 1964, 184) (hierna: Verdrag van 1964), in relatie tot het Westereemsverdrag en de daarin vastgelegde (bevoegdheids)lijn, die overigens samenvalt met de begrenzing zoals vastgelegd in het Verdrag van 1964.3 Naar Nederlands inzicht is het Verdrag van 1964 voor zover het rechten betreft onder het op 29 april 1958 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake het continentale plateau (Trb. 1959, 126) nog immer van kracht.4 Wat Nederland betreft volgt daaruit dat de bepalingen van artikel 2 van het op 28 januari 1971 te Kopenhagen tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Duitse Bondsrepubliek inzake de begrenzing van het continentaal plat onder de Noordzee ( Trb. 1971, 53) (hierna: Verdrag van 1971) ook van toepassing zijn voor het treffen van een regeling voor de verdeling van grensoverschrijdende voorkomens van delfstoffen op het continentaal plat gelegen van 3 tot 12 zeemijlen uit de kust van beide landen. Duitsland deelt dat inzicht niet en stelt zich op het standpunt dat het Verdrag van 1964 zijn relevantie heeft verloren in het gebied tussen 3 en 12 zeemijlen vanwege de zeewaartse uitbreiding van de territoriale zee door beide landen tot 12 zeemijlen uit de kust en de totstandkoming van het Westereemsverdrag.
Gelet op dit verschil van inzicht tussen beide landen, en dat niettemin de wens bestaat om een regeling te treffen voor de gezamenlijke exploitatie van grensoverschrijdende koolwaterstoffenvelden in de territoriale zee tussen 3 en 12 zeemijlen, hebben Nederland en Duitsland besloten een nieuw opzichzelfstaand verdrag te sluiten, zonder afbreuk te doen aan de posities van beide partijen ten aanzien van de juridische betekenis van de Verdragen van 1964 en 1971, het verloop van de staatsgrens in de territoriale zee tussen 3 en 12 zeemijlen uit de kust en het verloop van de staatsgrens in de Eemsmonding.
Het Verdrag heeft uitsluitend ten doel een regeling te treffen voor de gezamenlijke exploitatie van grensoverschrijdende koolwaterstoffenvelden (in het bijzonder aardgas) in de territoriale zee tussen 3 en 12 zeemijlen, de verdeling van de verwachte reserves over de grondgebieden van beide Staten en de verdeling van de uit de exploitatie voortvloeiende kosten en opbrengsten. Dat betreft in eerste instantie het N05-A-veld maar het Verdrag is ook van toepassing op de exploitatie van andere koolwaterstoffenvelden in dit zeegebied die grensoverschrijdend zijn, zoals het mogelijk in een later stadium tot exploitatie te brengen prospect N05-A-Noord.
Aan Nederlandse zijde ligt het N05-A-veld in het gebied van de winningsvergunning die is verleend voor de blokken N04, N05 en N08 en aan Duitse zijde in het gebied van de winningsvergunning Geldsackplate. De geschatte produceerbare reserves in het N05-A-veld bedragen tussen de 2,9 en 7,5 miljard Nm3 aardgas waarvan naar huidige verwachting ongeveer 65% toekomt aan Nederland en 35% aan Duitsland. Indien gedurende de winning verkregen gegevens en inzichten daartoe aanleiding geven, dan voorziet het Verdrag erin dat deze verdeling kan worden aangepast. Van het eveneens grensoverschrijdende prospect N05-A-Noord wordt een productie van tussen de 1,5 en 5,7 miljard Nm3 verwacht. De verdeling daarvan wordt vastgesteld als tot winning wordt overgegaan. De inschatting is dat deze velden, samen met de andere omringende velden in het gebied, ongeveer 50 miljard Nm3 aardgas kunnen gaan opleveren over de komende 20 jaar.
Daarnaast kan niet uitgesloten worden dat er bij verdere exploratie andere geologische structuren met voorkomens van koolwaterstoffen worden aangetroffen, die zich geheel aan Nederlandse, dan wel geheel aan Duitse zijde van de overeengekomen lijn uit het Westereemsverdrag en het Verdrag van 1964 bevinden. Voor dergelijke voorkomens heeft dit Verdrag logischerwijs geen betekenis, omdat de daar te winnen koolwaterstoffen in hun geheel toekomen aan een van beide Staten en er derhalve geen verdeling van de te winnen hoeveelheden hoeft plaats te vinden. Bij verdere ontwikkeling kan echter ook blijken dat een dergelijke andere structuur in druk- en faseverbinding staat met een grensoverschrijdend veld. In dat geval kunnen gasmoleculen in deze velden zich over en weer grensoverschrijdend verplaatsen en kunnen deze niet separaat gewonnen worden. Deze structuren zijn dan onlosmakelijk met elkaar verbonden en zijn in het geheel een grensoverschrijdend veld dat volledig onder de werking van het Verdrag valt.
Grensoverschrijdende velden die geheel voorbij de buitengrenzen van de territoriale zee zijn gelegen en ook niet in verbinding staan met grensoverschrijdende velden gelegen tussen 3 en 12 zeemijlen, zoals de grensoverschrijdende velden N04-A en N04-C in blok N04, vallen niet onder de reikwijdte van dit Verdrag, maar onder bestaande regelingen op grond van het Verdrag van 1971 en het Verdrag van 1964. Over de toepassing van die verdragen op dergelijke velden bestaat geen verschil van opvatting tussen Nederland en Duitsland.
Van vergunninghouders wordt verlangd dat zij met een door de partijen goed te keuren voorstel komen voor de ligging en de omvang van de voorkomens in het te exploiteren grensoverschrijdende veld. Ook moeten zij aan partijen een voorstel doen voor de toedeling van de reserves aan de partijen. De mogelijkheid bestaat dat na verloop van tijd tijdens de exploitatie nieuw verkregen gegevens en inzichten een herziening rechtvaardigen van de aanvankelijk vastgestelde toedeling van de reserves, bijvoorbeeld als aan een zijde van de lijn meer reserves worden verwacht dan aanvankelijk werd verondersteld. Het uitgangspunt is te allen tijde dat de partijen en de vergunninghouders uiteindelijk het deel van de reserves krijgen, waartoe ze gerechtigd zijn en waar ze aanspraak op hebben. Dat de winning uit N05-A en de nabijgelegen grensoverschrijdende velden plaatsvindt vanaf een platform aan Nederlandse zijde is voor de verdeling van de reserves niet relevant. Een grensoverschrijdend gasveld wordt immers als een eenheid geëxploiteerd en de in totaliteit gewonnen hoeveelheden worden vervolgens verdeeld op basis van ieders toekomende rechten zoals is bepaald bij de vaststelling of een herziening van de verdeling van de reserves.
Onder de Nederlandse als ook onder de Duitse wetgeving wordt per gebied één (opsporings- of winnings)vergunning verleend. Daarin kunnen verschillende mijnbouwondernemingen een belang nemen en participeren als mede-vergunninghouder. Gezamenlijk worden zij aangeduid als de vergunninghouder. Aan Nederlandse zijde is de winningsvergunning voor de blokken N04, N05 en N08 op 24 juli 2019 verleend aan ONE-Dyas B.V. (hierna: ONE-Dyas) en Hansa Hydrocarbons Limited5 gezamenlijk.6 Op grond van artikel 93, eerste lid, van de Mijnbouwwet hebben de houders van de Nederlandse winningsvergunning met Energie Beheer Nederland (hierna: EBN) een mijnbouwovereenkomst gesloten voor de in de Mijnbouwwet voorgeschreven staatsdeelneming van EBN van 40%. De vergunning aan Duitse zijde is aan dezelfde ondernemingen verleend, met dien verstande dat Neptune Energy Germany B.V. aan Duitse zijde medevergunninghouder is in N05-A-Noord voor het gedeelte voorbij de 12-mijl-grens. Er is geen staatsdeelneming van EBN in het Duitse deel omdat de Mijnbouwwet daar niet van toepassing is.
Op basis van artikel 23, eerste lid, juncto artikel 42, tweede lid, van de Mijnbouwwet moet de houder van een winningsvergunning in Nederland, wanneer het voorkomen waaruit gewonnen wordt de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, met de vergunninghouder van het aangrenzende gebied een overeenkomst sluiten. Deze zogenaamde éénmakingsovereenkomst tussen vergunninghouders strekt ertoe dat de gezamenlijke exploitatie van een dergelijk voorkomen in onderlinge overeenstemming zal plaatsvinden. Op overeenkomstige wijze verplicht het Verdrag beide partijen ertoe van hun respectieve vergunninghouders te vereisen dat zij met elkaar een vergunninghoudersovereenkomst sluiten om de exploitatie van het grensoverschrijdend veld te regelen in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag. Deze overeenkomst dient aan de in het Verdrag gestelde inhoudelijke voorwaarden te voldoen en moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan de bevoegde autoriteiten van de partijen. Die voorwaarden worden verder toegelicht in paragraaf 4 (Artikelsgewijze toelichting). De exploitatie van het grensoverschrijdend veld wordt vervolgens als een eenheid uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag. De overeenkomst is door de bevoegde Nederlandse instantie op 27 augustus jl. goedgekeurd.
Overeenkomstig de hierboven in paragraaf 2 uiteengezette bevoegdheidsverdeling is de Nederlandse wet- en regelgeving integraal van toepassing in het Nederlandse bevoegdheidsgebied ten westen van de lijn zoals omschreven in het Westereemsverdrag en het Verdrag van 1964. Dat betekent dat het regime en alle voorschriften van de Mijnbouwwet en andere relevante wet- en regelgeving, zoals die van toepassing zijn op elke andere olie- en gaswinning uit Nederlandse velden, volledig en onverkort van toepassing zijn op de exploitatie van de grensoverschrijdende velden waar het Verdrag betrekking op heeft. De winning zal dan ook volledig plaatsvinden onder de waarborgen van de Mijnbouwwet ten aanzien van veiligheid en milieu. Staatstoezicht op de mijnen ziet op basis van artikel 127 van de Mijnbouwwet toe op de naleving van de bij en krachtens die wet gestelde regels. De gaswinning door de Nederlandse vergunninghouder moet conform artikel 34, eerste lid, van de Mijnbouwwet plaatsvinden overeenkomstig een winningsplan. Het winningsplan geeft concreet inzicht in de wijze waarop de winning wordt uitgevoerd, de verwachte hoeveelheden en de effecten van de winning op gezondheid, veiligheid en milieu. Het winningsplan dient te voldoen aan de eisen genoemd in artikel 35 van de Mijnbouwwet. Op 1 juni 2022 heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat instemming verleend aan het door ONE-Dyas op 23 september 2020 ingediende winningsplan voor het gasveld N05-A dat ook betrekking heeft op de nog niet aangeboorde prospects N05-A-Noord en Tanzaniet-Oost.7 Daarmee heeft ONE-Dyas toestemming verkregen om gas te produceren uit de beschreven koolwaterstoffenvelden, met inachtneming van de maximaal te produceren volumes; voor N05-A is dat 7,5 miljard Nm3, voor N05-A-Noord 5,7 miljard Nm3 en voor Tanzaniet-Oost 1,0 miljard Nm3.
Ook voor wat betreft de door de Nederlandse vergunninghouders aan de Nederlandse Staat af te dragen belastingen en specifieke mijnbouwafdrachten is de Nederlandse wet- en regelgeving van toepassing. Naast vennootschapsbelasting op basis van de Nederlandse belastingwetgeving zijn zij, evenals iedere andere houder van een winningsvergunning, jaarlijks afdrachten uit hoofde van de Mijnbouwwet verschuldigd.
Het buiten gebruik stellen, het verwijderen conform een verwijderingsplan en het eventueel hergebruiken van mijnbouwwerken en installaties (in het Verdrag samengevat onder de term ontmanteling) wordt eveneens beheerst door de bij en krachtens de Mijnbouwwet gestelde regels.
Het Verdrag betreft verplichtingen tussen Staten, maar bevat naar het oordeel van de regering een ieder verbindende bepalingen in de zin van de artikelen 93 en 94 Grondwet, die aan rechtssubjecten rechten en/of bevoegdheden toekennen dan wel verplichtingen opleggen. Het betreft artikel 10, artikel 14, eerste en tweede lid, artikel 15, eerste en tweede lid, artikel 16 en de onderdelen 2 tot en met 6 van Bijlage 1, Bijlage 2, artikel 17, eerste lid, artikel 18, tweede lid, artikel 19, artikel 20 en artikel 22 van het Verdrag.
Artikel 10 (belastingheffing) creëert de mogelijke verplichting voor de vergunninghouders tot het betalen van belasting die door partijen overeenkomstig hun nationale wetgeving kan worden opgelegd. Artikel 14, eerste en tweede lid en artikel 15, eerste en tweede lid creëren de verplichting voor vergunninghouders met betrekking tot het sluiten van een vergunninghoudersovereenkomst en bepalen de daarin op te nemen specificaties en voorstellen. Artikel 16, de onderdelen 2 tot en met 6 van Bijlage 1 en Bijlage 2 zien op het inschakelen van een deskundige aan wie vervolgens diverse rechten en/of bevoegdheden toekomen. Artikel 17, eerste lid en artikel 18, tweede lid verplichten vergunninghouders om regelingen overeen te komen voor de effectieve exploitatie van koolwaterstoffen door natuurlijke of rechtspersonen met een exploratie- of exploitatievergunning in het grensoverschrijdend veld. Op grond van artikel 19 wordt een uitvoerder van het eenheidsgebied aangesteld. Artikel 20 betreft het ontwikkelingsplan die de uitvoerder van het eenheidsgebied voor goedkeuring aan de bevoegde organen van partijen dient voor te leggen. Artikel 22 creëert de verplichting wijzigingen van dat ontwikkelingsplan ter goedkeuring in te dienen.
Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft zal het Verdrag, gezien zijn aard, alleen voor het Europese deel van Nederland gelden. Voor de buiten Nederland gelegen delen van het Koninkrijk heeft het Verdrag geen praktische betekenis.
De afzonderlijke bepalingen van het Verdrag en de Bijlagen worden – voor zover noodzakelijk – hierna toegelicht.
Preambule
In de preambule wordt naar de verschillende verdragen verwezen die in het kader van het Verdrag relevant zijn en onderdeel uitmaken van de context ervan. In voorgaande paragrafen van deze toelichting is hier al op ingegaan. Tot de voor de context van dit Verdrag relevante verdragen behoren ook het op 8 april 1960 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (Trb. 1960, 69) (hierna: het Eems-Dollardverdrag) en de op 14 mei 1962 te Bennekom tot stand gekomen Aanvullende Overeenkomst bij het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1962, 54) (hierna: Aanvullende Overeenkomst van 1962). De voor dit Verdrag relevante lijn begint immers op de noordelijke begrenzing van het Eems-Dollardverdragsgebied op het eindpunt van de lijn («punt c») opgenomen in de Aanvullende Overeenkomst van 1962.8
Ook zijn verwijzingen opgenomen naar de gezamenlijke verklaring van de deelstaat Nedersaksen en de vergunninghouders (Duitsland)9 en de gemaakte afspraken in het Akkoord voor de Noordzee (Nederland)10. In essentie komen deze erop neer dat er onder dit Verdrag niet meer gas zal worden gewonnen dan nodig is om te kunnen voldoen aan de binnenlandse vraag naar aardgas in respectievelijk Duitsland en Nederland en dat de gaswinning er slechts toe dient om de import van aardgas zoveel mogelijk te beperken.
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In de onderdelen 1 en 10 worden de begrippen «vergunning», respectievelijk «vergunninghouder» omschreven. De reikwijdte van deze begrippen strekt zich uit tot de staatsdeelneming van EBN. EBN is krachtens artikel 93, eerste lid, van de Mijnbouwwet verplicht om met de houder van een winningsvergunning een mijnbouwovereenkomst te sluiten. Op grond van deze overeenkomst is EBN geautoriseerd om met de vergunninghouder samen te werken in de mijnbouwactiviteiten die onder een winningsvergunning worden verricht. Hoewel EBN geen medehouder van de winningsvergunning is, beschikt zij dus wel over een vergunning in de bredere betekenis die daaraan in onderdeel 1 is gegeven en is zij daarom samen met de «echte» medehouders van de vergunning vergunninghouder in de zin van onderdeel 10. Daardoor is EBN ook verplicht om de «vergunninghoudersovereenkomst» aan te gaan als bedoeld in onderdeel 11.
De begrippen «ontmantelen» en «ontmanteling» die worden gebruikt in de onderdelen 3 en 5 en in artikel 12 omvatten het buiten werking zijn, het verwijderen, alsmede het eventueel hergebruik van een mijnbouwwerk, als bedoeld in de artikelen 44 e.v. van de Mijnbouwwet.
Het «ontwikkelingsplan» als omschreven in onderdeel 4 betreft voor de Nederlandse situatie het winningsplan als bedoeld in artikel 34 van de Mijnbouwwet, dat aan alle voorschriften van de Mijnbouwwet dient te voldoen. Bij besluit van 1 juni 2022 (DGKE-WO/V-3247) heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat instemming verleend aan het door ONE-Dyas ingediende winningsplan als genoemd in paragraaf 3 van deze toelichting.
Het begrip «exploitatie» in onderdeel 5 omvat alle activiteiten die worden uitgevoerd nadat een voorkomen van koolwaterstoffen en het grensoverschrijdend karakter daarvan door middel van exploratie zijn aangetoond en tot exploitatie wordt besloten, maar niet de exploratie zelf. Exploratieactiviteiten kunnen aan weerszijden van de lijn zelfstandig worden uitgevoerd door een mijnbouwonderneming die verwachtingen heeft omtrent de aanwezigheid van een voorkomen van koolwaterstoffen, ook als dat een mogelijk grensoverschrijdend voorkomen betreft. Het is onnodig en voor een voortvarende exploratie zelfs ongewenst om een mijnbouwonderneming daarin afhankelijk te maken van de medewerking van een mijnbouwonderneming aan de andere zijde van de lijn. Pas nadat een voorkomen en het grensoverschrijdende karakter daarvan zijn komen vast te staan en besloten wordt tot gezamenlijke winning, dienen partijen en vergunninghouders regelingen te treffen voor de gezamenlijke winning en de verdeling van de aangetroffen hoeveelheid koolwaterstoffen met inachtneming van ieders aanspraak op die koolwaterstoffen. Het is aan de desbetreffende vergunninghouders om bij de totstandkoming van de vergunninghoudersovereenkomst afspraken te maken over eventuele compensatie van de kosten van exploratie die door een van hen zijn gemaakt. Op overeenkomstige wijze volgt uit artikel 2 van het Verdrag van 1971 dat partijen pas wanneer een grensoverschrijdend voorkomen van delfstoffen is vastgesteld een regeling moeten treffen met het oog op de gezamenlijke exploitatie ervan.
Met de in onderdeel 7 genoemde «andere stoffen die tezamen met dergelijke koolwaterstoffen gewonnen worden» worden in de terminologie van artikel 11, eerste lid, van de Mijnbouwwet de andere delfstoffen bedoeld die onvermijdelijk meekomen met de winning van de delfstoffen waarvoor de vergunning is verleend.
Onderdeel 16 bevat de definitie van het begrip «grensoverschrijdend(e) veld(en)», dat bepalend is voor de reikwijdte van het Verdrag. Dat begrip ziet in de eerste plaats op velden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in de territoriale zee van de partijen tussen 3 en 12 zeemijlen en die zich uitstrekken aan beide zijden van de in onderdeel 12 gedefinieerde lijn. Daarnaast is vastgelegd dat ook velden – al dan niet zelf grensoverschrijdend of niet gelegen in de territoriale zee tussen 3 en 12 zeemijlen –, die geologisch in druk- of faseverbinding staan met de eerste categorie velden onder de reikwijdte van het Verdrag vallen. In paragraaf 2 is dit al toegelicht. Het begrip «lijn» is in onderdeel 12 gedefinieerd als de lijn die is overeengekomen in artikel 6 van het Westereemsverdrag en artikel 1 van het Verdrag van 1964. Door te verwijzen naar de beide verdragen kan er ook geen misverstand ontstaan over de bevoegdheidsverdeling tussen Nederland en Duitsland en het toepasselijk recht ten aanzien van (onderdelen van) grensoverschrijdende velden die zich eventueel voorbij de buitengrens van 12 zeemijlen van de territoriale zee uitstrekken. De lijn van het Westereemsverdrag eindigt immers in het punt E1, zoals vastgelegd in het Verdrag van 1964, maar op grond van datzelfde verdrag loopt de grens tussen het Nederlandse en Duitse deel van het continentale plat in de Noordzee vanaf dat punt verder naar punt E2 tot punt E3.
Ter verdere verduidelijking van het begrip «grensoverschrijdende put» in onderdeel 17 wordt opgemerkt dat het gaat om een boring vanaf het platform naar en in het grensoverschrijdende veld die dient om de zich daarin bevindende voorkomens van aardgas te winnen en naar het platform te brengen, waarna deze na behandeling verder getransporteerd worden. Omdat het in de omschrijving gaat om een put vanaf het platform naar een veld dat grensoverschrijdend is, maakt het niet uit of de put zelf ook al dan niet grensoverschrijdend is. Een put van het platform dat aan Nederlandse kant staat naar het Nederlandse deel van het grensoverschrijdende veld valt dus ook onder dit begrip.
Artikel 2 Reikwijdte en doelstelling
Het eerste lid van artikel 2 legt de reikwijdte en de doelstelling van het Verdrag vast. De hierboven toegelichte definities van de begrippen «grensoverschrijdend(e) veld(en)» en «exploitatie» zijn hiervoor bepalend. Het tweede en derde lid van dit artikel bevatten voorbehouden ten aanzien van het rechtsstandpunt van beide partijen met betrekking tot de juridische betekenis van de Verdragen van 1964 en 1971 en het verloop van de staatsgrens in de territoriale zee tussen 3 en 12 zeemijlen uit de kust en in de Eemsmonding. De formulering van deze twee bepalingen komt overeen met de formuleringen die zijn opgenomen in de artikelen 4 en 5 van het Westereemsverdrag en in artikel 46, eerste lid, van het Eems-Dollardverdrag.11 Zoals hierboven uiteengezet zou dit Verdrag – gelet op het feit dat de posities van Nederland en Duitsland ten aanzien van de gelding van het Verdrag van 1964 en het verloop van de staatsgrens te zeer uiteen lopen om tot een vergelijk te komen – zonder deze voorbehouden niet tot stand hebben kunnen komen. De voorbehouden blijven onverminderd van belang voor onderwerpen die (eventueel) niet onder het bereik van dit Verdrag vallen of waarin dit Verdrag niet voorziet. Ten aanzien van die onderwerpen zal Nederland – voor zover relevant – blijven handelen vanuit haar eigen rechtsopvatting.
Artikel 3 Rechtsmacht
Artikel 3, eerste lid, bevestigt – in aanvulling op de in artikel 2 uiteengezette voorbehouden – dat de bepalingen van het Verdrag geen afbreuk doen aan de soevereiniteit, de soevereine rechten en/of de rechtsmacht die partijen ingevolge het internationaal recht hebben in hun territoriale zee en/of aangrenzende of exclusieve economische zone. Alhoewel de bepaling verwijst naar het internationaal recht in het algemeen, betreft dit in het bijzonder rechten en verplichtingen op grond van het VN-Zeerechtverdrag (Trb. 1983, 83), waarbij zowel Nederland en Duitsland partij zijn.
Artikel 3, tweede lid, legt de bevoegdheidsverdeling tussen de partijen aan weerszijden van de lijn vast. Wat betreft de verdeling van bevoegdheden en het toepasselijk recht in relatie tot de gezamenlijke exploitatie van grensoverschrijdende velden sluit het Verdrag aan bij de afspraken die zijn vastgelegd in het Westereemsverdrag en het Verdrag van 1964.12 De in artikel 6 van het Westereemsverdrag en de in artikel 1 van het Verdrag van 1964 gedefinieerde lijnen vormen ook het uitgangspunt voor de bevoegdheidsverdeling op grond van dit Verdrag. Dienovereenkomstig bepaalt artikel 3, tweede lid, van het Verdrag dat op alle installaties ten westen van die lijn uitsluitend het recht van het Koninkrijk der Nederlanden van toepassing is en ten oosten van die lijn uitsluitend het recht van de Bondsrepubliek Duitsland. Specifiek betekent dit in het Nederlandse bevoegdheidsgebied de bepalingen van de Mijnbouwwet en de andere relevante wet- en regelgeving integraal van toepassing zijn.
Artikel 4 Vergunning
Omdat grensoverschrijdende koolwaterstoffenvelden in gezamenlijkheid worden geëxploiteerd, is het van belang dat de vergunningverlening aan weerszijden in goed onderling overleg en zoveel mogelijk gecoördineerd en parallel verloopt en ook in de tijd op elkaar is afgestemd. Partijen spreken af dat zij zich daartoe zullen inzetten, vanzelfsprekend met inachtneming van hun respectieve wet- en regelgeving. Met een gecoördineerde vergunningverlening wordt ook voorkomen dat er onnodig veel tijdsverschil zou ontstaan tussen de momenten waarop aan weerszijden de benodigde vergunningen worden verleend, hetgeen tot vertraging van de exploitatie zou kunnen leiden.
Bij een grensoverschrijdend project is het evident dat partijen elkaars belangen bij dat project respecteren. Het tweede lid bepaalt daarom dat verleende vergunningen die betrekking hebben op een grensoverschrijdend project niet door een van de partijen kunnen worden gewijzigd, aan een ander kunnen worden verleend of op een ander kunnen worden overgedragen zonder voorafgaand overleg en terdege rekening houdend met de belangen van de andere partij. Opdat niet over iedere kleinere wijziging voorafgaand overleg gevoerd moet worden, is bepaald dat het moet gaan om wijzigingen die de belangen van de andere partij wezenlijk kunnen schaden.
Specifiek voor grensoverschrijdende putten regelt het derde lid dat, zolang partijen niet anders zijn overgekomen, er geen rechten aan anderen mogen worden verleend die leiden tot hun (mede)eigendom van een dergelijke put. Dat eigendom is voorbehouden aan de bestaande vergunninghouders. Met de toekenning van dergelijke rechten aan anderen zou immers inbreuk kunnen worden gemaakt op de in de vergunninghoudersovereenkomst gemaakte afspraken.
Artikel 5 Gezondheid, veiligheid en milieu
Op de exploitatie van grensoverschrijdende velden zijn aan Nederlandse zijde de voorschriften ter zake van gezondheid, veiligheid en milieu van toepassing. Voor het gedeelte van die velden die zich op het aan Duitsland toekomende deel bevinden, gelden de daar ter zake geldende voorschriften. Beide partijen hebben zowel ieder voor zich als gezamenlijk belang bij naleving van hun respectieve voorschriften. Artikel 5 legt daarom in de eerste vier leden aan beide partijen en de toezichthoudende autoriteiten van partijen de verplichting op om bij grensoverschrijdende projecten op de genoemde terreinen nauw samen te werken, de toezichthoudende werkzaamheden van hun inspecteurs te vergemakkelijken en met elkaar te overleggen over inspecties en de resultaten daarvan.
Het derde lid strekt er onder meer toe te verzekeren dat de inspecteurs van de bevoegde autoriteiten van beide partijen tijdens elke fase in een grensoverschrijdend project toegang hebben tot alle relevante informatie en fysieke toegang tot elke installatie die betrekking heeft op een grensoverschrijdend project ongeacht waar die zich bevindt. De door Duitsland aangewezen inspecteurs hebben aan de Nederlandse zijde van de lijn en op Nederlands grondgebied echter geen toezichthoudende bevoegdheid en opsporingsbevoegdheid. Deze bevoegdheden komen voor het Nederlandse deel uitsluitend toe aan de inspecteurs van het Staatstoezicht op de mijnen. En vice versa hebben Nederlandse inspecteurs geen bevoegdheden aan Duitse zijde van de lijn op Duits grondgebied. In het belang van de naleving van de respectieve normen en voorschriften op het terrein van gezondheid, veiligheid en milieu verplicht het vierde lid inspecteurs van de bevoegde autoriteiten van beide partijen er toe bij hun optreden samen te werken en te overleggen.
Het vijfde lid geeft inspecteurs van de bevoegde autoriteiten van beide partijen de bevoegdheid om in bepaalde situaties zonder voorafgaande consultatie en overleg met inspecteurs van de andere partij bepaalde of alle activiteiten in een grensoverschrijdend project onmiddellijk geheel of gedeeltelijk stil te leggen. Het gaat dan om situaties waarin de tijd en de omstandigheden voorafgaand overleg tussen inspecteurs van beide partijen verhinderen en de inspecteur in kwestie direct ingrijpen noodzakelijk en wenselijk acht (1) ter voorkoming van een ongeval dat kan leiden tot levensgevaar of ernstig lichamelijk letsel of (2) indien het ongeval zich reeds heeft voorgedaan, ter minimalisering van de gevolgen ervan, in het bijzonder als die zouden kunnen leiden tot levensgevaar of ernstig lichamelijk letsel. Vereist is dat een dergelijk optreden onverwijld en gemotiveerd wordt gerapporteerd aan de bevoegde autoriteiten van beide partijen. Zij overleggen vervolgens over de maatregelen die getroffen kunnen en moeten worden en de mogelijkheden om de stilgelegde activiteiten op een veilige manier te kunnen hervatten.
Artikel 6 Radiocommunicatie en artikel 7 Meetsystemen en inspectie
Ten aanzien van andere onderwerpen dan gezondheid, veiligheid en milieu is eveneens onderling overleg en afstemming tussen de bevoegde autoriteiten van partijen nodig. Dat betreft naast de installatie, het gebruik, de toegang tot, de goedkeuring en de inspectie van apparatuur voor radiocommunicatie ook meetsystemen die van gemeenschappelijk belang zijn. Nauwkeurige meting van de hoeveelheden koolwaterstoffen die uit het veld afkomstig zijn, is niet alleen van belang voor de feitelijke verdeling van de gewonnen hoeveelheden tussen partijen en vergunninghouders maar, gelet op de financiële belangen van beide partijen, ook voor de heffing van belastingen en mijnbouwafdrachten door partijen, zoals is geregeld in artikel 10. Gelet op de wederzijdse belangen hebben inspecteurs van de bevoegde autoriteiten van beide partijen recht op toegang tot elkaars meetsystemen en op elkaars grondgebied. Bevoegdheden hebben de inspecteurs uiteraard slechts op het onder de rechtsmacht van hun land vallende deel van het grensoverschrijdend veld.
Artikel 8 Noodgevallen
In samenhang met het vijfde lid van artikel 5 dat een specifieke voorziening bevat voor optreden in situaties met ernstige risico’s op of van een ongeval, bepaalt dit artikel dat het Verdrag de uitoefening van bevoegdheden van partijen bij andere noodgevallen onverlet laat. In die situaties wordt er zo spoedig mogelijk overleg gevoerd om te komen tot passende en gezamenlijk te treffen maatregelen die zijn afgestemd op het gezamenlijk belang bij het grensoverschrijdende project.
Artikel 9 Uitwisseling van informatie
Gelet op de wens en het belang van partijen om grensoverschrijdende projecten gezamenlijk tot ontwikkeling te brengen en uit te voeren, dienen partijen elkaar op de hoogte te stellen van relevante ontwikkelingen op het gebied van dergelijke projecten. Eveneens dienen zij elkaar informatie en gegevens te verstrekken over de mogelijkheden en de feitelijke uitvoering van opsporing en winning van koolwaterstoffen in deze projecten. Wat betreft de wettelijke beperkingen inzake openbaarmaking en gebruik van informatie waar in dit artikel naar wordt verwezen, geldt in het bijzonder paragraaf 7.2 van het Mijnbouwbesluit. Daarin zijn regels gesteld ten aanzien van de vertrouwelijkheid en openbaarmaking van gegevens die vergunninghouders op basis van de Mijnbouwwet en het Mijnbouwbesluit moeten verstrekken aan de Minister van Klimaat en Groene Groei. Gegevens die door vergunninghouders zijn verstrekt, blijven ook in het kader van dit artikel vertrouwelijk en worden pas openbaar na het verstrijken van de in genoemde paragraaf bepaalde termijnen.
Artikel 10 Belastingheffing
Bij de heffing van belastingen en specifieke mijnbouwafdrachten is het uitgangspunt dat elke partij mag heffen van de (mede)houder(s) van de door de betreffende partij verleende winningsvergunning over ieders aandeel in de exploitatie van een grensoverschrijdend veld. Uiteraard zijn de vergunninghouders aan beide zijden onderworpen aan de in Duitsland respectievelijk in Nederland geldende belastingwetten en andere wet- en regelgeving. Het op 12 april 2012 in Berlijn tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen ( Trb. 2012, 123), zoals gewijzigd bij het Protocol van 11 januari 2016 (Trb. 2016, 19), het Protocol van 24 maart 2021 ( Trb. 2021, 43) en het Protocol van 14 april 2025 ( Trb. 2025, 37) bevat voorzieningen ter voorkoming van dubbele belasting en het ontgaan van belasting. De verdeling van de reserves in het veld is tevens de basis voor de verdeling van de opbrengsten en kosten van de winning, waaronder de aanleg, het gebruik, het onderhoud en uiteindelijk het verwijderen van installaties (platform), infrastructuur (pijpleidingen) en putten. Over het resultaat van opbrengsten en kosten worden door de Nederlandse en Duitse overheden afzonderlijk belastingen en specifieke mijnbouwafdrachten geheven volgens het geldende belastingverdrag en de nationale wet- en regelgeving. De heffing van de specifieke mijnbouwafdrachten (oppervlakterecht, cijns en winstaandeel) die de Nederlandse houders van winningsvergunningen aan de Nederlandse staat verschuldigd zijn, vindt plaats op grond van de bepalingen van hoofdstuk 5 van de Mijnbouwwet.
Artikel 11 Voortzetting van het gebruik en beëindiging
Om koolwaterstoffen te mogen winnen, is een winningsvergunning vereist. Artikel 11 bevat voorzieningen die de continuïteit van een grensoverschrijdend project waarborgen wanneer een vergunning afloopt of is afgelopen, is of zal worden ingetrokken of is of zal worden teruggegeven. Het eerste lid waarborgt dat, wanneer een vergunninghouder vraagt om verlenging van zijn aflopende vergunning of om een nieuwe of gewijzigde vergunning, de verantwoordelijke autoriteit zal meewerken aan die verlenging, verlening of wijziging. Vanzelfsprekend geldt ook hier de toepasselijkheid van de nationale wet- en regelgeving.
Indien de vergunninghouder niet om verlenging van zijn aflopende of afgelopen vergunning verzoekt of wanneer de vergunning is of wordt ingetrokken of teruggegeven, dan zal de bevoegde autoriteit, zoals is bepaald in het tweede lid, in overleg met de bevoegde autoriteit van de andere partij en met inachtneming van de respectieve wet- en regelgeving, een nieuwe vergunning verlenen teneinde het grensoverschrijdende project te kunnen voortzetten.
Artikel 12 Ontmanteling
Het buiten gebruik stellen, het verwijderen en het eventueel hergebruiken van installaties (in dit Verdrag samengevat onder het begrip ontmantelen) wordt aan Nederlandse zijde gereguleerd door de daaraan bij en krachtens de Mijnbouwwet gestelde regels. Omdat die ook bij grensoverschrijdende projecten volledig van toepassing zijn, hoeven in het Verdrag aan ontmanteling geen nadere regels te worden gesteld. Ook gelden de aan de Nederlandse vergunninghouders uit hoofde van de Mijnbouwwet opgelegde verplichtingen tot het stellen van financiële zekerheid voor de nakoming van hun verwijderingsverplichtingen (paragraaf 5.2.4. van de Mijnbouwwet). Omdat het grensoverschrijdende projecten betreft met belangen aan weerszijde, moeten de bevoegde autoriteiten van beide partijen elkaar in kennis stellen van de methoden, normen en tijdsplanning voor buitengebruikstelling, verwijdering en eventueel hergebruik van installaties.
Artikel 13 Exploitatie als een eenheidsgebied en vergunningen en artikel 14 Overeenkomst tussen de vergunninghouders.
Zoals aan het einde van paragraaf 2 van deze toelichting is aangegeven, schrijft artikel 13 voor dat de exploitatie van een grensoverschrijdend veld als een eenheid wordt uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag. Dit voorschrift en het gegeven dat bij de exploitatie verschillende (groepen van) vergunninghouders zijn betrokken, leidt tot de verplichting in het eerste lid van artikel 14 dat iedere partij van zijn (mede-)vergunninghouders eist dat zij met de (mede-)vergunninghouders van de andere partij overeenkomsten sluiten ter regulering van de gezamenlijke exploitatie van het betreffende grensoverschrijdende veld. Het betreft vergunninghoudersovereenkomsten waarvan het in de olie- en gaswereld bij grensoverschrijdende velden gebruikelijk is dat zij worden gesloten. Zo verplicht de Mijnbouwwet een Nederlandse vergunninghouder om met de rechthebbende in het aangrenzende gebied een overeenkomst te sluiten als het te winnen voorkomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt. Het doel is dat de winning in onderlinge overeenstemming zal geschieden. Het Verdrag regelt op overeenkomstige wijze dat de Duitse en Nederlandse vergunninghouders vergelijkbare overeenkomsten sluiten. Deze in paragraaf 2 reeds beschreven vergunninghoudersovereenkomsten moeten een juiste toedeling verzekeren van de in een grensoverschrijdende veld aanwezige hoeveelheid koolwaterstoffen aan de partijen en aan de vergunninghouders, alsmede een juiste verdeling van de kosten, opbrengsten en verantwoordelijkheden. Dit is een wezenlijk onderdeel van het Verdrag. Om te waarborgen dat de vergunningshoudersovereenkomst een goede uitvoering is van de bepalingen van het Verdrag dienen de bevoegde autoriteiten van partijen er bij de goedkeuring van de vergunninghoudersovereenkomst op toe te zien dat die overeenkomst bepalingen bevat die ertoe strekken dat in geval van conflict tussen de vergunningshoudersovereenkomst en het Verdrag de bepalingen van het Verdrag prevaleren.
Het tweede lid van artikel 14 vereist dat dergelijke overeenkomsten, alsmede voorstellen tot wijziging of afwijking in de toepassing daarvan de goedkeuring van de bevoegde autoriteiten van beide partijen behoeven. Bij uitblijven van de goedkeuring langer dan 60 dagen nadat de bevoegde autoriteiten van de partijen het voorstel ter goedkeuring hebben ontvangen, wordt deze goedkeuring geacht stilzwijgend te zijn verleend. Deze stilzwijgende goedkeuring vindt niet plaats indien de bevoegde autoriteiten van een van de partijen binnen 60 dagen nadat zij het voorstel ter goedkeuring hebben ontvangen de vergunninghouders van het tegendeel in kennis hebben gesteld.
Gelet op het wezenlijke belang van de verdeling van de reserves bepaalt het derde lid van artikel 14 dat partijen overeenstemming moeten hebben over de verdeling van de reserves over hun grondgebieden voordat de bevoegde autoriteiten van partijen individueel tot goedkeuring van de vergunninghoudersovereenkomst overgaan. De goedkeuring van de vergunninghoudersovereenkomst dient in dit opzicht gecoördineerd plaats te vinden. Dat laat uiteraard onverlet dat ook over de overige onderdelen van de vergunninghoudersovereenkomst onderlinge afstemming kan plaatsvinden.
Artikel 15 Vaststelling en verdeling van reserves
De Duitse en de Nederlandse (mede)vergunninghouders die de vergunninghoudersovereenkomst sluiten, moeten het onderling eens worden over de ligging, omvang en karakteristieken van het grensoverschrijdend veld waarop hun overeenkomst van toepassing is, alsmede over de gerechtigdheid van de verdragspartijen met betrekking tot de reserves. De vaststelling van deze onderwerpen is echter voorbehouden aan de bevoegde autoriteiten van partijen. Het eerste lid voorziet er in dat de vergunninghouders in hun overeenkomst aan de bevoegde autoriteiten voorstellen doen voor de vaststelling van de in dat lid genoemde onderwerpen. Dit leidt ertoe dat de bevoegde autoriteiten van de partijen bij de beoordeling ter goedkeuring van de vergunninghoudersovereenkomst op grond artikel 14, tweede lid, in het bijzonder vaststellen dat en hoe de in het eerste lid van artikel 15 genoemde onderwerpen zijn geregeld.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat in de vergunninghoudersovereenkomst wordt vastgelegd (1) dat de vaststelling van de in het eerste lid genoemde onderwerpen gedurende de looptijd van de vergunninghoudersovereenkomst zal blijven gelden, dan wel (2) de procedure en een tijdschema voor een herziening van die vaststelling. Het laatste is in de praktijk het meest gebruikelijk en wenselijk en geldt voor onderhavige vergunningshoudersovereenkomst. Op enig moment tijdens de looptijd van de winning kunnen er immers aanwijzingen komen dat een andere verdeling van de reserves dan die ten tijde van de goedkeuring van de vergunninghoudersovereenkomst is vastgesteld meer recht doet aan de actuele situatie. Voor die situatie kan de vergunninghoudersovereenkomst voorzien in een procedure voor een herziening van de oorspronkelijke verdeling (redeterminatie) en een nieuwe vaststelling van de verdeling. Zowel de vergunninghouders als de partijen, samen of afzonderlijk, kunnen, bijvoorbeeld op basis van gedurende de winning beschikbaar gekomen gegevens en inzichten, de wens uitspreken om tot een herziening te komen van de vaststelling van de aanwezige hoeveelheid en de toedeling van de reserves in een grensoverschrijdend veld. Zij kunnen dan de uitvoerder verzoeken daartoe voorstellen te doen. Onder welke omstandigheden en op welke wijze een dergelijke herziening van de vaststelling kan plaatsvinden, wordt bepaald in de tussen de vergunninghouders gesloten en door de bevoegde autoriteiten van beide partijen goedgekeurde vergunninghoudersovereenkomst. De vergunninghoudersovereenkomst dient in alle gevallen te voorzien in een geschillenregeling als vergunninghouders het onderling niet eens worden.
Artikel 16 Vaststelling en deskundigenprocedure
Indien een partij of beide partijen er binnen de gestelde termijn van 60 dagen nadat de vergunninghoudersovereenkomst ter goedkeuring aan hen is voorgelegd niet in slaagt of slagen tot goedkeuring van de voorgestelde vaststelling of herziening van de vaststelling van de in het eerste lid van artikel 15 genoemde onderwerpen te komen, voorziet dit artikel in de benoeming van een onafhankelijke deskundige die een voor beide partijen bindend besluit kan nemen. In de Bijlagen zijn de wijze van benoeming van de deskundige en de door hem bij het uitvoeren van zijn opdracht in acht te nemen voorwaarden vastgelegd.
Artikel 17 Uitbreiding naar gebied met vergunning en artikel 18 Uitbreiding naar gebied zonder vergunning
De situatie kan zich voordoen dat na het sluiten en goedkeuren van de vergunninghoudersovereenkomst en na vaststelling van de in het eerste lid van artikel 15 genoemde onderwerpen de grenzen van een grensoverschrijdend koolwaterstoffenveld ruimer blijken te liggen dan eerder is aangenomen en dat deze zich uitstrekken naar een aangrenzend gebied. Dat kan een binnen de betrokken winningsvergunning vallend gebied betreffen. In dat geval hoeft de winningsvergunning niet te worden aangepast en zijn nadere regelingen met andere vergunninghouders niet nodig. Winning mag immers plaatsvinden binnen het gehele gebied waar de winningsvergunning voor geldt. Hooguit moet het ontwikkelingsplan of de verdeling van de reserves opnieuw worden vastgesteld als daartoe aanleiding is. Maar het kan ook gaan om een buiten de betrokken winningsvergunning vallend gebied waar al dan niet een aan een ander verleende opsporings- of winningsvergunning op rust. Voor deze situaties bevatten deze artikelen verplichtingen voor partijen om van de houders van vergunningen voor het grensoverschrijdend veld te vereisen dat zij nadere, door partijen goed te keuren regelingen treffen voor de effectieve exploitatie van de koolwaterstoffen in het gebied. Die kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het maken van aanvullende afspraken met vergunninghouders van het aangrenzende gebied. Ook kan het voor partijen nodig zijn om voor het nieuwe gebied nieuwe vergunningen aan te bieden en te verlenen in welk geval ook aanvullende regelingen nodig zijn. Ook dan kan een herziening van het ontwikkelingsplan of de vastgestelde verdeling van de reserves nodig zijn. Omdat voor dergelijke onvoorziene omstandigheden op voorhand geen allesomvattende eenduidige regelingen kunnen worden voorgeschreven, zal in zich voordoende situaties van geval tot geval moeten worden bezien wat voor de verdere exploitatie van het grensoverschrijdende veld nodig is met inachtneming van de respectieve wet- en regelgeving.
Artikel 19 Uitvoerder van het eenheidsgebied
Dit artikel bepaalt dat de (mede-)vergunninghouders met het oog op de exploitatie van een grensoverschrijdend veld één van hen aanwijzen als uitvoerder van de eenheid. Die treedt namens hen op in alle aangelegenheden die met de exploitatie van het desbetreffende veld te maken hebben. De uitvoerder is tevens degene en de enige die de feitelijke werkzaamheden die verband houden met de winning daadwerkelijk uitvoert of daartoe opdracht verleent. Benoeming en eventuele wijziging van de uitvoerder dient de goedkeuring van de bevoegde autoriteiten van beide partijen te verkrijgen voor zover dat vereist is door hun respectieve wet- en regelgeving. In Nederland is de procedure voor aanwijzing en goedkeuring van een uitvoerder vastgelegd in artikel 22 van de Mijnbouwwet. In de winningsvergunning die op 24 juli 2019 is verleend aan ONE-Dyas B.V. en Hansa Hydrocarbons Ltd. is ONE-Dyas B.V. aangewezen als uitvoerder. Ook in de vergunninghoudersovereenkomst voor het grensoverschrijdende gasveld N05-A is ONE-Dyas B.V. aangewezen als uitvoerder.
Artikel 20 Ontwikkelingsplan: Exploitatie van een grensoverschrijdend veld en artikel 22 Gebruik van een installatie binnen een eenheidsgebied voor de exploitatie van een ander veld
Aan Nederlandse zijde dient de gaswinning conform artikel 34, eerste lid, van de Mijnbouwwet plaats te vinden overeenkomstig een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurd winningsplan. Dat plan wordt in het Verdrag aangeduid als ontwikkelingsplan dat de goedkeuring van de bevoegde autoriteiten van de partijen behoeft overeenkomstig hun respectieve wet- en regelgeving. Het winningsplan dient te voldoen aan de eisen die zijn genoemd in artikel 35 van de Mijnbouwwet en geeft concreet inzicht in de wijze waarop de winning wordt uitgevoerd en wat de effecten daarvan zijn. Op 1 juni 2022 heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat instemming verleend aan het door ONE-Dyas op 23 september 2020 ingediende winningsplan voor het gasveld N05-A dat ook betrekking heeft op de nog niet aangeboorde prospects N05-A-Noord en Tanzaniet-Oost. Andere activiteiten, zoals de exploitatie van een ander, al dan niet grensoverschrijdend, gasveld vanaf het platform of met een installatie anderszins, kunnen gevolgen hebben voor de exploitatie van het grensoverschrijdende koolwaterstoffenveld waarop het door de bevoegde autoriteiten van de partijen goedgekeurde ontwikkelingsplan betrekking heeft. Eventuele door die andere activiteiten veroorzaakte noodzakelijke wijzigingen van het ontwikkelingsplan dienen ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de bevoegde autoriteiten van de partijen die deze wijziging zullen toetsen op mogelijke negatieve invloed op de exploitatie van het grensoverschrijdende gasveld, in welk geval zij daarover afspraken zullen moeten maken.
Artikel 21 Aanvang van de winning
Om te waarborgen dat aan alle vereisten voor een veilige en verantwoorde winning is voldaan en partijen hebben ingestemd met de voorwaarden waaronder de winning en de verdeling van de gewonnen hoeveelheden plaatsvindt, mag niet eerder met de winning worden begonnen dan nadat de bevoegde autoriteiten van partijen aan weerszijden de daarvoor benodigde vergunningen hebben verleend. Ook zullen de bevoegde autoriteiten van partijen alvorens de winning uit hoofde van de verleende vergunningen een aanvang kan nemen de vergunninghoudersovereenkomst, de uitvoerder van de eenheid en het ontwikkelingsplan moeten hebben goedgekeurd.
Artikel 23 Beëindiging van de winning
Op enig moment zullen de uit een koolwaterstoffenveld te winnen hoeveelheden koolwaterstoffen uitgeput raken, niet meer economisch winbaar zijn of zal om andere redenen worden besloten de winning te beëindigen. Waar het een grensoverschrijdend veld betreft, zullen partijen in samenspraak met de vergunninghouders tot overeenstemming en afspraken moeten komen voor het moment waarop de winning definitief wordt beëindigd en welk tijdpad en procedures moeten worden gevolgd om daar te komen.
Artikel 24 Vergunningen
Zonder putten vanaf het platform naar en in het grensoverschrijdende koolwaterstoffenveld is de exploitatie van dat veld niet mogelijk. Die putten kunnen zelf al dan niet grensoverschrijdend zijn. Wanneer de partijen het eens zijn over de aanleg en het gebruik van een dergelijke put, dan zullen zij daarvoor met inachtneming van hun respectieve wet- en regelgeving de vereiste vergunningen verlenen. Indien slechts een van de partijen een vergunning hoeft te verlenen, vindt over de verlening en de eventuele weigering van die vergunning vooraf overleg plaats met de andere partij.
Artikel 25 Consultatie en artikel 26 Arbitrage
De artikelen 25 en 26 bevatten een geschillenbeslechtingsregeling. Artikel 25 voorziet allereerst in onderhandelingen tussen de partijen. Zo nodig is arbitrage mogelijk. Daartoe bevat artikel 26 een regeling waarin verwezen wordt naar het Facultatieve Reglement voor Arbitrage van het Permanent Hof van Arbitrage. Ook de verdere vormgeving van een eventuele arbitrageprocedure is vastgelegd in deze bepaling. Deze regeling komt in grote mate overeen met de geschillenbeslechtingsprocedure zoals overeengekomen in het Westereemsverdrag en eerdere bilaterale verdragen met Duitsland.13
Artikel 27 Bijlagen, artikel 28 Wijzigingen en beëindiging en artikel 29 Inwerkingtreding en voorlopige toepassing
Deze artikelen bevatten de voor een bilateraal verdrag gebruikelijke slotbepalingen.
Artikel 29, tweede lid, voorziet in de mogelijkheid van voorlopige toepassing van het Verdrag vanaf de datum van ondertekening of op enig moment daarna. Voorlopige toepassing is in het algemeen belang van de gaswinning, de energievoorziening, de leveringszekerheid en het beperken van de importafhankelijkheid in Nederland en Duitsland. Het past in het Nederlandse beleid ten aanzien van het versnellen van de gaswinning op de Noordzee. In zijn brief van 15 juli 2022 aan de Tweede Kamer over het versnellingsplan gaswinning Noordzee duidt de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat het gasveld N05-A in het gaswinningsproject N05 als voorbeeld van het versneld ontwikkelen van een aangetoond gasveld14. De Staatssecretaris heeft al eerder besloten om voor dit gaswinningsproject de vergunningen te verlenen15. Voor de daadwerkelijke gaswinning zijn ook Duitse vergunningen nodig, omdat de gasvelden zich ook onder Duits grondgebied bevinden. In dat kader is een overeenkomst gesloten tussen ONE-Dyas en de deelstaat Nedersaksen, waarin is afgesproken om een versnelde vergunningenprocedure te doorlopen voor de gaswinning. Bij ondertekening van het Verdrag heeft het Koninkrijk der Nederlanden de Bondsrepubliek Duitsland verklaard het Verdrag voorlopig toe te zullen gaan passen. De Bondsrepubliek Duitsland heeft vooralsnog geen verklaring betreffende voorlopige toepassing overgelegd.
De Bijlagen zijn integrerend onderdeel van het Verdrag. Beide zijn aan te merken als uitvoerend van aard. Verdragen tot wijziging van (een van) de Bijlagen behoeven op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel f, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen geen parlementaire goedkeuring, tenzij de Staten-Generaal zich thans het recht tot goedkeuring terzake voorbehouden.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer
De Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen
Voor de vergunninghouders en de partijen is het van belang vast te stellen wat de omvang en de karakteristieken van een grensoverschrijdend veld zijn, hoeveel gas een grensoverschrijdend veld bevat en welk deel hiervan aan de (mede)vergunninghouders en aan de partijen toekomt. Derhalve voorziet het Verdrag er in artikel 15 in dat de vergunninghouders ten behoeve van de vaststelling van deze onderwerpen aan de partijen voorstellen doen en dat deze vervolgens door de partijen worden vastgesteld en op gezette tijden en volgens bepaalde procedures kunnen worden herzien. Indien de partijen op basis van de ontvangen voorstellen binnen 60 dagen, of binnen een andere nader overeengekomen termijn, nadat zij de voorstellen hebben ontvangen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over een vaststelling of een herziene vaststelling, dan wordt het conflict voorgelegd aan een onafhankelijke deskundige. De benoeming en handelwijze van de deskundige, alsmede de procedure en de termijnen om tot een definitieve en bindende beslissing te komen, zijn geregeld in de Bijlagen.
Om de onafhankelijkheid te waarborgen, dient de deskundige voor de aanvaarding van zijn of haar benoeming een verklaring te ondertekenen die is opgesteld volgens het voorgeschreven model. Indien de deskundige gebruik maakt van de mogelijkheid om medewerkers aan te stellen, dan dienen zij ook een dergelijke verklaring af te leggen. In Bijlage 2 zijn hiertoe modelverklaringen opgenomen die de gewenste onafhankelijkheid waarborgen.