Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 juni 2026
Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van mevrouw Müller (VVD) in haar rol als begrotingsrapporteur naar aanleiding van de analyse van het jaarverslag en de Slotwet van Klimaat en Groene Groei 2025.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S. van Veldhoven-van der Meer
1
Kunt u ingaan op de consequenties van de onderuitputting van diverse beleidsinstrumenten, zoals de DEI+, de regelingen voor groene waterstof en investeringsregelingen voor verduurzaming van de industrie, voor het realiseren van de ambities van het kabinet?
Antwoord
Een aanzienlijk deel van de onderuitputting van de beleidsinstrumenten betreft middelen uit het Klimaat- en Energiefonds (KEF) en Nationaal Groeifonds (NGF) welke terugvloeien naar het betreffende fonds en dus beschikbaar blijven voor de ambities van het kabinet. Het gaat hier bijvoorbeeld ook om de middelen voor de DEI+ vergassing van reststromen en groene waterstof.
2
U heeft toegezegd de informatie over de uitgaven van de toegekende Klimaatfondsmiddelen aan andere departementen te verbeteren. Kunt u hierbij ook helder maken wat er gebeurt met de middelen die niet tot besteding komen?
Antwoord
Middelen uit het Klimaat- en energiefonds (KEF) die niet zijn besteed, vloeien terug naar het KEF. Dit is vastgelegd in de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds. Hierdoor blijven de middelen beschikbaar in het KEF voor nieuwe voorstellen. Besluitvorming over nieuwe voorstellen en besteding van deze middelen vindt plaats via het eerstvolgende reguliere besluitvormingsmoment.
3
Ziet u mogelijkheden om bij de budgettering en systematiek van de SDE-regelingen beter te anticiperen op de hoogte van de energieprijzen? Zo ja, wat bent u voornemens te gaan doen?
Antwoord
De uitgaven voor de SDE-regelingen zijn afhankelijk van volatiele energie- en CO2-prijzen en zijn daardoor moeilijk te voorspellen. Tijdens de voorjaarsbesluitvorming wordt de raming van de SDE-uitgaven geactualiseerd en wordt het indicatieve openstellingsbudget voor het volgende jaar gecommuniceerd, waarbij rekening wordt gehouden met de beschikbare middelen.
De SDE++ biedt bedrijven benodigde zekerheid in deze volatiele markt door een vaste opbrengst per geproduceerde eenheid duurzame energie te garanderen.
De verwachte energieprijzen waarmee de uitgaven worden berekend zijn gebaseerd op onafhankelijk advies van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). In de raming van de SDE-uitgaven houd ik rekening met een buffer om extra uitgaven door prijsdalingen op te kunnen vangen, en bestaat de begrotingsreserve duurzame energie om grote tegenvallers te dekken. Daarnaast ben ik voornemens om te onderzoeken hoe de ramingssystematiek van de SDE-regelingen verbeterd kan worden en welke maatregelen kunnen bijdragen aan een betere beheersbaarheid van de SDE-uitgaven. De conclusies en aanbevelingen van dit onderzoek zal ik met de Kamer delen.
4
Bent u bereid om in de voortgangsrapportages netcongestie inzichtelijk te maken wat het langjarig pad met einddoelen en tussendoelen is en om de realisaties hier tegen af te zetten, zodat duidelijk is of de voortgang op schema loopt?
Antwoord
Netcongestie kent diverse oorzaken, knelpunten en deeloplossingen die elkaar over en weer beïnvloeden. Verlichting van netcongestie vereist een veelzijdige aanpak op alle fronten, variërend van omvangrijke fysieke uitbreiding van de infrastructuur van het hoog-, midden- en laagspanningsnet tot aanpassingen in regelgeving en gedrag om opwek en verbruik over de dag en de seizoenen beter op elkaar af te stemmen. De aanpak van netcongestie omvat dan ook een groot aantal concrete acties die in samenhang leiden tot zoveel mogelijk verlichting van de congestie. Daarbij weten we niet alles en zijn niet alle ontwikkelingen te voorspellen. Dit maakt het moeilijk om vooraf het effect in te schatten van concrete acties en maatregelen. De aanpak van netcongestie kent daarom geen definitieve marsroute maar is een levend programma dat aan de hand van ontwikkelingen, resultaten en opgedane ervaringen wordt aangevuld en bijgestuurd. Daarbij geldt dat congestieproblematiek, hoewel die in het hele land speelt, bij uitstek een locatie-specifiek karakter heeft, met per gebied verschillende knelpunten en mogelijke oplossingen. Hierdoor is de landelijke kwantitatieve voortgang die de voortgangsrapportages inzichtelijk maakt (realisatie van infrastructuur, wachtrijen, aantallen flexibele contracten e.d.) van beperkte betekenis voor huishoudens of bedrijven in een specifiek gebied.
5
Kunt u aangeven hoeveel geld er in 2025 is besteed aan het verhelpen van netcongestie? Is dat naar uw inzicht voldoende? Bent u voornemens om voor de komende jaren meer geld hiervoor vrij te maken en zo ja, hoeveel?
Antwoord
Naast middelen voor apparaat en onderzoeken is in 2025 circa € 30,3 mln uitgegeven de Flex-e regeling. In 2026 is hiervoor € 28,9 mln gereserveerd. Met de Flex-e worden bedrijven en instellingen gestimuleerd om hun elektriciteitsgebruik te flexibiliseren. Voor de voortzetting en uitbreiding met een «XL»-onderdeel (met hogere steunbedragen voor de energie-intensieve industrie) is een reservering opgenomen in het Klimaatfonds die met een toekomstig Meerjarenprogramma meegenomen wordt in het beoordelingsproces. De inschatting is dat in totaal € 198,9 miljoen nodig is voor de jaren 2027 tot en met 2030. Hiervoor is een reservering opgenomen in het Meerjarenprogramma van het Klimaat- en energiefonds1. Veel acties en uitgaven, ook door andere ministeries dan EZK, die ten goede komen aan de vermindering van netcongestie zijn onderdeel van beleid en programma’s met een bredere doelstelling waarbinnen netcongestie vooral een te overwinnen uitdaging is, zoals verduurzaming van de industrie, de uitrol van laadinfrastructuur voor elektrisch vervoer en versnelling van de woningbouw.
6
Hoe is het kabinet voornemens de ambities op het gebied van kernenergie uit te werken binnen de bestaande middelen in het Klimaatfonds?
Antwoord
In de Kamerbrief van mei 2025 (Kamerstukken II, 2024/25, 32 645, nr.156) is een eerste bandbreedte van de totale investeringsomvang van twee nieuwe, grootschalige kerncentrales toegelicht (€ 20–30 miljard, exclusief financieringslasten) gebaseerd op de technische haalbaarheidsstudies. Het kabinet stelt een overheidssteunpakket voor dat uitgaat van volledig publieke financiering in de eerste fase van het project en sluit daarbij de optie voor private financiering (vanuit de kapitaalmarkt, of vanuit de opdrachtnemer voor het project) op een later moment niet uit. Op een later moment zal de Kamer geïnformeerd worden over het overheidssteunpakket.
7
Hoe gaat u invulling geven aan de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer, zoals verwoord in de brief van de Rekenkamer van 5 november 2025 aan de toenmalig Minister van Klimaat en Groene Groei?
Antwoord
De Algemene Rekenkamer heeft deze zelfde brief op 1 oktober 2025 verstuurd aan de Minister van Klimaat en Groene Groei. De aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer betroffen de parlementaire betrokkenheid, de financiering, het publiek belang en het beheer van de beleidsdeelneming Nucleaire Energie Organisatie Nederland B.V. (NEO NL). Het kabinet heeft op 17 oktober 2025 de Staten-Generaal per brief geïnformeerd over de voorgenomen oprichting van NEO NL onder het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) en de daarbij horende kapitaalstorting2. In die brief heeft het kabinet per aanbeveling aangegeven hoe daaraan invulling wordt gegeven. De Staten-Generaal is op 16 februari 2026 geïnformeerd over de oprichting van NEO NL B.V.3.
8
Hoe gaat u om met de middelen in het Klimaatfonds die nog beschikbaar zijn voor de maatwerkaanpak?
Antwoord
De beschikbare middelen voor de maatwerkaanpak verduurzaming industrie zijn deels gereserveerd voor bedrijven waarmee een Joint Letter of Intent (JLoI) is getekend. De resterende middelen (zie Kamerstuk 36 800 M, nr. 4) zijn beschikbaar voor een beperkt aantal bedrijven waarmee tot nog toe geen JLoI is getekend maar waarmee de gesprekken nog gaande zijn (zie Kamerstuk 29 826, nr. 260), ook in samenhang met de bredere ontwikkeling van de betreffende clusters.
9
Kunt u een actueel overzicht geven van de stand van zaken van de maatwerktrajecten: hoeveel maatwerktrajecten lopen er nog en waarom lopen trajecten achter op de verwachting? Hoe verhoudt dit zich tot de afspraak in het coalitieakkoord om door te gaan met de bestaande maatwerkafspraken en om nieuwe maatwerkafspraken te richten op clusters of gebieden?
Antwoord
Op de lopende maatwerktrajecten is het afgelopen jaar goede voortgang geboekt. Op 18 december jl. is het eerste deel van de maatwerkafspraak met Cosun getekend voor met name de verduurzaming van de locatie Vierverlaten (zie Kamerstuk 29 826, nr. 278). Inmiddels is het eerste grote project gestart. Het tweede deel van de maatwerkafspraak is nu voorzien voor het eerste kwartaal van 2027. Met Tata Steel Nederland is op 29 september 2025 een JLoI getekend (zie Kamerstuk 29 826, nr. 266) en wordt nu gewerkt aan een maatwerkafspraak. Met Alco Energy Rotterdam is op 11 maart 2026 een JLoI getekend (zie Kamerstuk 29 826, nr. 280). De maatwerkafspraak is voorzien voor het eerste kwartaal van 2027 met een voorinvestering in 2026. Met Zeeland Refinery wordt nog gesproken over een JLoI. Dit proces kost onder meer tijd vanwege aanpassingen in de eigendomsverhoudingen. Met AnQore is op 9 juli 2025 een JLoI getekend (zie Kamerstuk 29 826, nr. 262). De uitwerking van deze JLoI en de gesprekken van OCI hangen nauw samen met de bredere ontwikkelingen in het cluster Chemelot. Over de planvorming voor Chemelot wordt de Kamer separaat geïnformeerd. De uitvoering van de maatwerkafspraken met Nobian (zie Kamerstuk 29 826 nr. 219) heeft vertraging opgelopen vanwege onder meer knelpunten rond stof en de vergunningsverlening. Het CCS project van Yara dat als onderdeel van de maatwerkaanpak subsidie heeft ontvangen project is in uitvoering. De opening is voorzien in september 2026. De complexiteit om tot afspraken te komen heeft vaak ook te maken met afhankelijkheden buiten het bedrijf onder meer met andere bedrijven in het cluster. Mede om die reden wordt nu ook nadrukkelijker naar de clusters als geheel gekeken om tot afspraken te komen. De Kamer wordt daar nader over geïnformeerd als deze aanpak concreter gemaakt kan worden.
10
Wat is het tijdspad van de Minister om het streefdoel van 28,8 megaton CO2 voor de industrie in 2030 te halen?
Antwoord
We gaan met volle kracht aan het werk om de klimaatdoelen te halen, zo ook het streefdoel voor de industrie. Het doel voor 2030 wordt lastig, maar we houden de ambitie wel vast. Voor effectieve verduurzaming van de industrie én behoud van een gelijk Europees speelveld, voeren we beleid voor de transitie zo veel mogelijk op EU- en internationaal niveau, zonder onnodige nationale koppen. We sluiten dus zoveel mogelijk aan bij de Europese aanpak, o.a. met een stabiel ETS en met Europese vraagstimulatie. Indien nodig nemen we in het voorjaar aanvullende nationaal geborgde maatregelen om het doel van 2040 te halen. Daarbij hebben we oog voor betaalbaarheid en handelingsperspectief.