Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over het Rapport van de Algemene Rekenkamer Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (Kamerstuk 36 945 XXIII, nr. 2).
De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Zwinkels
De griffier van de commissie, Nava
Vragen en antwoorden
1
Kunt u toelichten hoe u voorkomt dat een positief oordeel over rechtmatige besteding wordt gepresenteerd als antwoord op de vraag van de Algemene Rekenkamer wat met klimaat- en energiemiddelen daadwerkelijk is bereikt?
Antwoord
Het kabinet streeft voor alle klimaat- en energiemiddelen zowel rechtmatige als doelmatige en doeltreffende besteding na. Het Klimaat- en energiefonds (KEF) is één van de instrumenten van de rijksoverheid om de klimaatdoelen te realiseren. Jaarlijks wordt in de Klimaat- en energienota inzicht gegeven in de voortgang van het klimaat- en energiebeleid op basis van de doorrekening van de Klimaat- en energieverkenning (KEV) van PBL.
Voor de maatregelen die vanuit het KEF worden gefinancierd geldt dat deze worden geëvalueerd conform de verplichte periodieke evaluaties. Deze resultaten bieden inzicht in hoeverre het beoogde instrument doeltreffend en doelmatig is.
2
Erkent u dat de Algemene Rekenkamer constateert dat het nauwelijks te volgen is wat het kabinet heeft bereikt met activiteiten die uit het Klimaatfonds worden gefinancierd?
3
Kunt u bevestigen dat de Algemene Rekenkamer bij KGG alle financiële oordelen positief acht, maar bij het Klimaatfonds geen financieel oordeel geeft omdat de financiële verantwoordingsinformatie in het fonds nul is?
Antwoord 2 en 3
De Algemene Rekenkamer constateert in het verantwoordingsonderzoek dat het KEF een overhevelingsfonds is en daardoor geen eigen verplichtingen, uitgaven en ontvangsten heeft. Dit klopt. Het fonds hevelt middelen over naar de uitvoerende departementen. De verantwoording van deze middelen vindt daarom niet plaats op het KEF maar op het departementale jaarverslag van het ontvangende departement. Om meer inzicht te geven zal het kabinet vanaf volgend jaar (in aanvulling op de informatie uit de verschillende departementale jaarverslagen) in de Rijksbrede Klimaatfondsbijlage van het Jaarverslag Klimaatfonds de realisatie en onderuitputting van klimaatfondsmaatregelen op andere begrotingen duidelijker tonen, zodat deze informatie op één plek beschikbaar is en de verantwoording transparanter wordt.
De Algemene Rekenkamer geeft geen financieel oordeel bij het Jaarverslag Klimaatfonds, omdat uiteindelijke besteding van de middelen op de departementale begroting plaatsvindt. In de begroting van het fonds en het Meerjarenprogramma wordt toegelicht naar welke departementale begroting de middelen overgeheveld worden, alsook de inhoudelijke toelichting per maatregel waarom tot toekenning van de middelen is besloten.
Ter aanvulling verwijs ik graag naar mijn bestuurlijke reactie op het Verantwoordingsonderzoek 2025 KGG1.
4
Kunt u aangeven welke investering nodig is voor levensduurverlenging van Borssele en welk deel daarvan publiek wordt gedragen?
Antwoord
Elektriciteits-Produktiemaatschappij Zuid-Nederland (EPZ) voert op dit moment haalbaarheidsstudies uit voor bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale Borssele en ontvangt daarvoor subsidie vanuit het Rijk. Uit deze studies zal moeten blijken of bedrijfsduurverlenging na 2033 veilig mogelijk is en welke investeringen daarvoor nodig zijn. Op dit moment is dus nog niet bekend welke investeringen voor bedrijfsduurverlenging nodig zijn.
Wanneer EPZ besluit om de vergunning voor bedrijfsduurverlenging aan te vragen en de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) deze vergunning verleent, is het vervolgens aan de aandeelhouders om de investeringsbeslissing te nemen. Deze beslissing wordt voorzien in 2029.
5
Kunt u toelichten welke acties uit het Landelijk Actieprogramma Netcongestie in 2025 aantoonbaar hebben geleid tot extra transportcapaciteit of kortere wachtrijen?
Antwoord
Het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) kent drie actielijnen die gezamenlijk leiden tot verlichting van netcongestie en het terugdringen van de wachtrijen. Dit wordt gerealiseerd door een combinatie van acties en inzet van partijen en is daarmee niet kwantitatief te koppelen aan individuele acties. In de actielijn Beter Benutten zijn de afgelopen jaren nieuwe flexibele contractvormen ontwikkeld waarmee het bestaande net effectiever wordt benut. Het afsluiten van een snel toenemend aantal van deze contracten heeft in 2025 geleid tot de beschikbaarheid van extra transportcapaciteit. Dit is goed zichtbaar in de provincie Zeeland waar in 2025 flex-contracten zijn gesloten met Air Liquide en Lion Storage waardoor direct ruimte vrij kwam om partijen op de wachtrij aan te sluiten. De LAN-voortgangsrapportage2 laat onder meer zien dat het aantal afgesloten Blokstroomcontracten is verdrievoudigd ten opzichte van 2024 (van 41 naar 142) en dat bijna honderd keer meer vermogen is gecontracteerd met een capaciteitsbeperkingscontract voor afname. Desondanks moet de uitrol van flex-contracten nog fors worden opgeschaald. Daartoe worden momenteel meerdere doorbraken uit het Aansluitoffensief3 gerealiseerd. Met de actielijn Sneller Bouwen worden doorlooptijden voor de realisatie van elektriciteitsinfrastructuur verkort, waardoor de fysieke capaciteit van het net wordt vergroot. Ieder gerealiseerd project in het laag-, midden- of hoogspanningsnet draagt bij aan extra transportcapaciteit en het aansluiten van partijen op de wachtrij. De actielijn Slimmer Inzicht is ondersteunend aan de andere actielijnen. Scherper inzicht in de daadwerkelijke en toekomstige belasting van het net is essentieel om uitbreiding te prioriteren en beschikbare ruimte op het net te benutten door het sluiten van flexibele contracten.
6
Waarom heeft u de consequenties van het inzetten van reservecapaciteit tegen netcongestie nog niet onderzocht of niet aan de Rekenkamer beschikbaar gesteld?
Antwoord
Afgelopen jaar heeft het kabinet een onderzoek laten uitvoeren door expertisebureau Det Norske Veritas (DNV) naar de mogelijkheden voor het zwaarder belasten van het elektriciteitsnet, waaronder de inzet van de reservecapaciteit. Dit onderzoeksrapport is in april 2026 afgerond, gedeeld met de Kamer en openbaar gepubliceerd. Hiermee is het ook voor de Rekenkamer beschikbaar gekomen. In de begeleidende Kamerbrief zijn de belangrijkste uitkomsten en geplande vervolgstappen gedeeld.4
7
Kunt u de uitgaven van 6.071,3 miljoen euro, de ontvangsten van 4.161,3 miljoen euro en verplichtingen van 33.720,1 miljoen euro uitsplitsen naar artikel, instrument en belangrijkste beleidsdoel?
Antwoord
In het Jaarverslag van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei 2025 [Kamerstuk 36 945 XXIII] staat op pagina 46 tabel 6 Budgettaire gevolgen van beleid. Deze tabel geeft de uitsplitsing van de uitgaven en ontvangsten weer. Op pagina 49 zijn de verplichtingen toegelicht. De bijbehorende beleidsdoelen staan nader opgenomen in de Begroting Klimaat en Groene Groei 2025.
8
Welk deel van de verplichtingen van 33.720,1 miljoen euro betreft de lening aan Energie Beheer Nederland voor het vullen van gasopslagen, en onder welke voorwaarden is deze lening verstrekt?
Antwoord
Eind 2025 heeft de Minister van KGG instemming verleend en subsidie toegekend aan EBN voor het vullen van de gasopslagen Bergermeer, Norg en Grijpskerk tot maximaal 80 TWh, indien de markt dit onvoldoende doet. Hiervoor heeft EBN een lening van maximaal 21,6 miljard euro ontvangen. De lening die ter beschikking wordt gesteld dient voor (a) de aankoop van het te vullen gas en (b) liquiditeitssteun om aan margin calls5, bij beurshandel te kunnen voldoen. De kredietfaciliteit loopt af op 30 april 2027 en dient uiterlijk op die datum terugbetaald te zijn. Voor de financieringskosten (rente) is een marktconforme premie vastgesteld die aan EBN wordt doorbelast. De rente vastgesteld aan de hand van de EC-referentierente die door de Europese Commissie wordt vastgesteld als representatieve basisrente voor markttransacties. EBN betaalt naast deze (variabele) vergoeding over de bedragen die het daadwerkelijk van de Staat zal lenen (de rente), ook een (vaste) vergoeding voor het beschikbaar stellen van de leenfaciliteit (een zogenaamde commitment fee).
9
Kunt u uitleggen waarom bij de Miljoenennota 2025 4.496 miljoen euro aan KGG-uitgaven was geraamd, terwijl de realisatie uiteindelijk 6.071 miljoen euro bedroeg?
Antwoord
Het verschil tussen de bij de Miljoenennota 2025 geraamde KGG-uitgaven van € 4.499 miljoen en de uiteindelijke realisatie van € 6.701 miljoen wordt veroorzaakt door diverse mutaties gedurende het begrotingsjaar, maar vooral door de tegenvaller binnen het SDE-domein van per saldo € 1,7 miljard. Deze tegenvaller werd veroorzaakt door een lagere energieprijs dan geraamd, waardoor een hogere subsidie nodig is om de onrendabele top te dekken. De verschillen zijn ook te zien in tabel 6 Budgettaire gevolgen van beleid vanaf pagina 46 in het jaarverslag. Alle mutaties worden toegelicht in de verschillende begrotingsstukken.
10
Kunt u de drie grootste wijzigingen in de KGG-uitgaven in 2025 toelichten, te weten herverkaveling naar KGG van 4.580 miljoen euro, de SDE-tegenvaller van 2.517 miljoen euro en kasschuiven Nationaal Groeifonds van – 310 miljoen euro?
Antwoord
De herverkaveling van KGG is de oprichting van de begroting van Klimaat en Groene Groei, dit is dus een wijziging van een lege begroting naar de middelen die van de EZK-begroting zijn overgeheveld om de nieuwe KGG-begroting te vullen.
De tegenvaller SDE is ontstaan door lagere energieprijzen, waardoor een hoger subsidiebedrag nodig was om de onrendabele top voor energieproducerende bedrijven te compenseren.
De kasschuiven van het Nationaal Groeifonds (NGF) zijn gedaan omdat de uitgaven voor de projecten Groenvermogen van de Nederlandse economie, Circulair Plastics, Biobased Circular en NieuweWarmteNu in latere jaren verwacht werden.
11
Waarom heeft u bij de SDE-regelingen onvoldoende rekening gehouden met het risico dat lagere energieprijzen tot hogere subsidie-uitgaven zouden leiden, terwijl de Algemene Rekenkamer daar eerder op had gewezen?
Antwoord
Omdat de SDE-regelingen afhankelijk zijn van volatiele energieprijzen, laten de subsidie-uitgaven voor de regelingen zich moeilijk voorspellen. In de raming van de SDE-uitgaven is rekening gehouden met een buffer om prijsfluctuaties op te kunnen vangen (prijsrisicobuffer), en daarnaast bestaat de begrotingsreserve duurzame energie om tegenvallers te kunnen dekken. Bij het afgelopen voorjaar heeft het kabinet er voor gekozen om de prijsrisicobuffer te verhogen, zodat eventuele hogere subsidie-uitgaven in de toekomst beter kunnen worden opgevangen.
12
Kan de regering de SDE-tegenvaller van 2.517 miljoen euro uitsplitsen naar SDE, SDE+, SDE++ en type technologie?
Antwoord
De tegenvaller is gedekt uit de begrotingsreserve duurzame energie. Deze reserve bestaat uit onbesteed gebleven middelen uit eerdere jaren en is juist bedoeld om dergelijke fluctuaties op te vangen, zodat de betaalbaarheid voor belastingbetalers gewaarborgd blijft. De onttrekking uit de begrotingsreserve is opgebouwd uit uitgaven voor de verschillende SDE-regelingen en een onttrekking voor kolenmaatregelen:
• SDE: € 556.891.000
• SDE+: € 1.462.848.000
• SDE++: € 1.055.000
• Kolenmaatregelen: € 497.100.000
De uitgaven voor de verschillende SDE-regelingen zijn verdeeld over meer dan 170 verschillende categorieën. Het gros van de uitgaven gaat naar technieken voor hernieuwbare elektriciteit, zoals wind op land en zon-pv projecten, waarbij voor de SDE+-regeling geldt dat ook een substantieel deel van de uitgaven naar biomassatechnieken gaat.
Omdat de kolenmaatregelen niet in het verwachte jaar waren uitbetaald, waren de gereserveerde middelen in de reserve gestort. Omdat de verwachting was dat er dit jaar wel een uitbetaling zou plaatsvinden, zijn de middelen weer uit de reserve onttrokken.
13
Welke lessen trekt u uit het feit dat lagere energieprijzen in 2025 direct tot fors hogere SDE-uitgaven leidden, in relatie tot betaalbaarheid voor belastingbetalers?
Antwoord
De tegenvaller is gedekt uit de begrotingsreserve duurzame energie. Deze reserve bestaat uit onbesteed gebleven middelen uit eerdere jaren en is juist bedoeld om dergelijke fluctuaties op te vangen. Dit onderstreept het nut van de begrotingsreserve.
14
Kunt u uitleggen welke projecten onder Groenvermogen van de Nederlandse economie en NieuweWarmteNu geraakt zijn door de kasschuif van 310 miljoen euro naar latere jaren?
Antwoord
De kasschuif van € 310 miljoen binnen het Nationaal Groeifonds bij KGG heeft betrekking op de programma’s GroenvermogenNL (€ 165 mln.) en Nieuwe Warmte Nu (€ 30 mln.), naast Biobased Circular (€ 27,5 mln.) en Circular Plastics NL (€ 87,4 mln.).
15
Wat betekent de kasschuif van 310 miljoen euro uit het Nationaal Groeifonds concreet voor planning, mijlpalen en beoogde resultaten van de betrokken KGG-projecten?
Antwoord
De kasschuif van € 310 miljoen uit het Nationaal Groeifonds hangt voor de betrokken KGG-projecten voornamelijk samen met een gewijzigde fasering van uitgaven en leidt niet in alle gevallen tot een aanpassing van de programmadoelstellingen.
Voor GroenvermogenNL is de kasschuif het gevolg van een langere doorlooptijd bij de publicatie van subsidieregelingen, onder meer vanwege benodigde afstemming en goedkeuring door de Europese Commissie. Hierdoor vinden uitgaven later plaats dan oorspronkelijk geraamd, zonder dat dit naar verwachting gevolgen heeft voor de beoogde mijlpalen en resultaten.
Voor Biobased Circular (BBC) en Circular Plastics NL (CPNL) hangt de kasschuif samen met iets een langere doorlooptijd van open calls dan bij de start van de programma’s ingeschat. Dit heeft geen impact op de KPI’s en mijlpalen. Bij CPNL speelt daarnaast mee dat een deel van het beschikbare budget voor demonstratieprojecten niet kon worden toegekend, omdat projecten onvoldoende haalbaar bleken onder de huidige marktomstandigheden. De impact op de KPI’s, mijlpalen en beoogde resultaten is naar verwachting beperkt.
Voor Nieuwe Warmte Nu (NWN), dat subsidie verstrekt voor innovatie en versnelling van collectieve warmtesystemen, is de kasschuif mede het gevolg van vertragingen bij diverse projecten binnen het programma. Uit een tussentijdse evaluatie blijkt dat ongeveer de helft van de projecten vertraging heeft opgelopen. Dit heeft gevolgen voor de planning en het behalen van de programmamijlpalen. Daarnaast is een aantal projecten niet doorgegaan, waardoor naar verwachting circa 16% van de oorspronkelijk beoogde warmtenetaansluitingen niet wordt gerealiseerd. Om zoveel mogelijk van de beoogde resultaten alsnog te behalen, is bij het Nationaal Groeifonds een voorstel ingediend voor verlenging van het programma en herbestemming van middelen binnen de bestaande financiële kaders. De adviescommissie adviseert hierover aan de fondsbeheerders, die vervolgens een besluit nemen. De Tweede Kamer wordt hierover nader geïnformeerd in de aangekondigde Kamerbrief over collectieve warmte, waarin ook het evaluatierapport wordt meegestuurd.
16
Kunt u voortaan onderscheid maken tussen onderuitputting door vertraging, onderuitputting door lagere kosten en onderuitputting door het niet doorgaan van maatregelen?
Antwoord
Het jaarverslag is opgesteld conform de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV) en ingericht op het toelichten van individuele mutaties. Onderuitputting wordt toegelicht in de gelijknamige paragraaf in hoofdstuk 3 Beleidsprioriteiten (Jaarverslag Klimaat en Groene Groei 2025, pagina 28–29), waar per maatregel context wordt gegeven over de oorzaak.
17
Kunt u de in 2025 gezette stappen voor de bouw van twee tot vier nieuwe kerncentrales uitsplitsen naar planning, besluitvorming, kostenraming, aanbesteding en risicoverdeling?
Antwoord
In 2025 zijn veel voorbereidende stappen gezet voor de bouw van twee nieuwe, grootschalige kerncentrales. De uitgevoerde «third party review» (TPR) op de technische haalbaarheidsstudies heeft qua planning laten zien dat de tijdlijn om in 2035 de eerste centrale operationeel te hebben niet realistisch was, realisatie eind jaren ’30 lijkt op zijn vroegst haalbaar, maar kent nog steeds onzekerheden. Een dergelijk complex en langdurig proces als de bouw van kerncentrales kent veel onzekerheden. Het proces laat zich op de korte termijn (2–3 jaar) plannen, verder vooruitkijken is door die onzekerheden ingewikkeld. De TPR heeft daarnaast ook een bandbreedte gepresenteerd van de kosten van twee nieuwe kerncentrales (20 tot 30 miljard). Om stappen te kunnen zetten in de besluitvorming is in 2025 de systeemstudie gepubliceerd van TNO over de kosten van een systeem met kernenergie ten opzichte van een systeem zonder kernenergie6. Daarnaast is een eerste beeld gegeven van een mogelijke financieringsstructuur en inkoopprocedure en is het voorstel tot de oprichting van beleidsdeelneming NEO NL gedaan. Risicoverdeling wordt gezien als onderdeel van de financieringsstructuur en de contractonderhandelingen met de technologieleveranciers, binnen die werksporen wordt hieraan verder gewerkt. In het kader van het locatieonderzoek is de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau gepubliceerd en heeft de heer Knops als gebiedsverbinder Kernenergie Zeeland zijn tweede advies uitgebracht in juli 2025.7 Ik streef ernaar om voor het zomerreces een voortgangsbrief over kernenergie aan uw Kamer te sturen. Ook zal de heer Knops medio 2026 een nieuw advies uitbrengen.
18
Kunt u toelichten welke verplichtingen in 2025 zijn aangegaan voor NEO NL en welke toekomstige kasuitgaven daaruit volgen?
Antwoord
In 2025 was NEO NL nog geen beleidsdeelneming, maar een projectorganisatie binnen het Ministerie van KGG. Er zijn in de periode voorafgaand aan de verzelfstandiging nog geen langjarige verplichtingen aangegaan voor NEO NL. Bij oprichting is voorzien in de financiering van NEO NL t/m 2027. Voor de jaren daarna is nog geen besluit genomen over de financiering van NEO NL.
19
Welke informatie ontvangt de Kamer in 2026 om te beoordelen of kernenergiegelden doelmatig worden ingezet, los van de vraag of de uitgaven rechtmatig zijn geboekt?
Antwoord
De middelen die voor kernenergie worden ingezet zijn aangevraagd uit het Klimaat- en energiefonds (KEF) door middel van fiches waarin de doelmatigheid nauwkeurig wordt onderbouwd. Deze fiches worden ook gepubliceerd bij de betreffende meerjarenprogramma's van het KEF. In het jaarverslag en in de voortgangsbrieven over kernenergie wordt op de resultaten van de uitgaven ingegaan.
In 2025 heb ik de Kamer geïnformeerd over de doelmatigheid van investeringen in kernenergie onder andere met de TNO systeemstudie over de kosten van een systeem met kernenergie ten opzichte van een systeem zonder kernenergie8. Hieruit blijkt dat het op systeemniveau doelmatig is om in kernenergie te investeren.
Ik zal de Kamer blijven informeren over de doelmatigheid van investeringen in kernenergie. Bij het finale investeringsbesluit, na de selectie van de technologieleverancier en de bijbehorende onderhandelingen met deze leverancier, zal ik de Kamer uiteraard betrekken in de besluitvorming. Een onderbouwing van de doelmatigheid van de investering zal hier onderdeel van zijn.
20
Kunt u per van de 26 hoogspanningsprojecten aangeven wat de planning, huidige status, belangrijkste belemmering en verwachte bijdrage aan netcongestiereductie is?
Antwoord
De Kamer wordt voor de zomer over de projectenaanpak geïnformeerd middels een Kamerbrief. De update op projectniveau van de 26 projecten in de projectenaanpak zal later dit jaar volgen in het Projectenboek Nationale energie-infrastructuurprojecten in Nederland 20269.
21
Kunt u aangeven welke onderdelen van het rapport betrekking hebben op KGG als zelfstandig ministerie in 2025 en welke verantwoordelijkheden inmiddels zijn overgegaan naar EZK na het aantreden van het kabinet-Jetten op 23 februari 2026?
Antwoord
De bevindingen in het Verantwoordingsonderzoek hebben betrekking op de verantwoordelijkheden van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei in 2025, toen KGG een zelfstandig ministerie was.
Sinds het aantreden van het kabinet-Jetten zijn de verantwoordelijkheden waarop het onderzoek ziet niet overgegaan naar EZK. De bevindingen in het rapport hebben daarom nog steeds betrekking op de begroting van KGG. De beleidsverantwoordelijkheid voor de begroting van KGG blijft bij de Minister van KGG, voor zover het gaat om inhoudelijk beleid en beleidsdoelstellingen.
22
Welke bewindspersoon is op dit moment verantwoordelijk voor de opvolging van de Rekenkamerbevindingen over KGG, nu het Ministerie van KGG is opgeheven en is opgegaan in EZK?
Antwoord
De verantwoordelijkheid voor de opvolging van de AR bevindingen ten aanzien van de bedrijfsvoering ligt bij de Minister van EZK. De onvolkomenheden en aandachtspunten in de bedrijfsvoering hebben betrekking op het gezamenlijke ambtelijke apparaat en vallen daarmee onder de verantwoordelijkheid van de Minister van EZK.
De beleidsverantwoordelijkheid voor het beleidsdomein en de begroting KGG blijft bij de Minister van KGG, voor zover het gaat om inhoudelijk beleid en beleidsdoelstellingen.
23
Welke concrete verbeteringen voert de regering in het Jaarverslag Klimaatfonds 2026 door om te zorgen dat de Kamer per maatregel kan zien welk bedrag is besteed, door welk departement, op welk begrotingsartikel en met welk resultaat?
Antwoord
Doordat het KEF een overhevelingsfonds is, zijn de fondsmiddelen verspreid over meerdere departementale begrotingen en jaarverslagen. Het fonds draagt zelf geen beleidsverantwoordelijkheid voor de besteding van de fondsmiddelen op de departementale begroting. Als concrete verbetering zal er in het volgende jaarverslag van het KEF ook de stand van de ontwerpbegroting, de financiële realisatie en onderuitputting van de overgehevelde middelen duidelijker getoond worden zodat deze informatie op één centrale plek wordt gepresenteerd10. Het beleidsdepartement blijft verantwoordelijk voor inzicht in het uiteindelijke beleidsresultaat.
24
Kunt u bevestigen dat sinds 2022 in totaal 48 miljard euro op de begroting van het Klimaatfonds is gezet, waarvan 24,9 miljard euro is overgeheveld naar departementen, 0,8 miljard euro is teruggevloeid, 2,7 miljard euro is onttrokken en 21,2 miljard euro resteert?
Antwoord
Ja, sinds 2022 is er in totaal € 48,6 mld. op de begroting van het KEF gezet. Oorspronkelijk bevatte het fonds € 35 mld. In totaal is er tot het MJP 2026 € 24,9 mld uit het KEF overgeheveld naar departementen. De terugboekingen van departementale begrotingen bedragen in totaal € 980 mln. Verder is er een aantal keer middelen toegevoegd aan het fonds. Deze toevoegingen bestaan uit Loon-en prijsbijstellingen (€ 4,1 mld) en de ophoging voor perceel kernenergie (€ 9,5 mld). Tot slot is € 3,7 mld onttrokken ter dekking van het generale beeld (oplossen van diverse budgettaire problematiek).
Na verrekening van alle posten tot MJP 2026 resteert er nog € 21,2 mld in het KEF. Na de voorgenomen overhevelingen van de Voorjaarsnota 2026 en de nota van wijziging op het KEF van vrijdag 21 mei jl. resteert er nog hiermee € 20,1 mld. in het KEF.
Zie tabel hieronder voor een totaaloverzicht van de overhevelingen, toevoegingen en onttrekkingen in het KEF. De laatste stand van deze tabel wordt in de begroting, het jaarverslag en het MJP opgenomen.

25
Kan de regering toelichten welk deel van de resterende 21,2 miljard euro al juridisch, bestuurlijk of beleidsmatig is vastgelegd en welk deel nog vrij besteedbaar is?
Antwoord
Op vrijdag 21 mei jl. is de nota van wijziging op het KEF gepubliceerd, ten behoeve van dekking voor de energieschokmaatregelen en waterstof. Er resteert hiermee € 20,1 mld. in het KEF. Al deze resterende middelen zijn nog niet juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden. Hiervan is pas sprake na overheveling naar departementale begrotingen en autorisatie op deze begrotingsstukken van het parlement.
In het fonds is € 6,6 mld onder voorwaarden toegekend of gereserveerd. Deze middelen zijn nog niet juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden, maar hier wordt beleidsmatig wel al rekening mee gehouden – het betreft bijvoorbeeld gereserveerde middelen voor de productie van waterstof, of budget gereserveerd voor de maatwerkaanpak industrie.
In totaal is € 13,4 mld. nog niet bestemd voor een specifieke maatregel. Deze middelen vallen vooral onder het perceel kernenergie. Deze middelen zijn nog vrij besteedbaar binnen dat perceel, al geldt voor kernenergie dat deze middelen nodig zullen zijn voor de bouw van twee grootschalige kerncentrales.
26
Hoe verklaart u dat van de resterende middelen 13,6 miljard euro nog niet bestemd is, en wanneer wordt de Kamer hierover per perceel geïnformeerd?
Antwoord
Het KEF loopt tot en met 2030 en heeft als doel het meerjarig beschikbaar stellen van middelen voor klimaat- en energiemaatregelen. Middelen kunnen wel in het fonds zijn opgenomen voor specifieke doeleinden, bijvoorbeeld de reserveringen voor waterstof of de middelen opgenomen in het perceel Kernenergie (waarvan € 13,1 mld nog niet bestemd is). De laatstgenoemde is benodigd voor de bouw van de nieuwe kerncentrales, maar specifieke invulling hiervan zal gedurende komende jaren plaatsvinden. Jaarlijks worden middelen aan maatregelen toegekend of gereserveerd binnen het fonds bij VJN en MJN en wordt de Kamer hierover (per perceel) geïnformeerd middels het Meerjarenprogramma van het KEF.
27
Kunt u per jaar sinds 2022 uitsplitsen welke middelen uit het Klimaatfonds zijn overgeheveld, teruggevloeid, onttrokken of doorgeschoven?
Antwoord
Zie de tabel bij vraag 24 voor een totaaloverzicht van de KEF-middelen die zijn overgeheveld, teruggevloeid of onttrokken. Deze tabel wordt ook opgenomen in het jaarverslag en in bijlage 1 van de begroting KEF staat per maatregel uitgesplitst wat is overgeheveld en/of terugvloeit11. Het doorschuiven van KEF-middelen kan zowel plaatsvinden binnen de KEF-begroting als op de departementale begrotingen. De uitsplitsing van kasschuiven wordt op de KEF-begroting weergegeven en toegelicht per perceel. Voor kasschuiven op overgehevelde middelen is het ontvangende departement zelf verantwoordelijk voor de toelichting via de departementale begroting.
28
Welke concrete maatregelen zijn geraakt door de verlaging van de begroting van het Klimaatfonds met 600 miljoen euro bij de Voorjaarsnota 2025?
Antwoord
De verlaging van de begroting van het Klimaat- en Energiefonds (KEF) met 600 miljoen euro bij de Voorjaarsnota 2025 heeft geen concrete maatregelen geraakt12. Dekking is gehaald uit de vrije ruimte van de percelen kernenergie (€ 400 mln.), energie-infrastructuur (€ 41 mln.), vroege fase opschaling (€ 72 mln.), verduurzaming industrie en innovatie mkb (€ 58 mln.) en verduurzaming gebouwde omgeving (€ 29 mln.).
29
Hoe voorkomt u dat middelen voor kernenergie opnieuw worden verschoven of gebruikt voor generieke dekking, zoals bij de Klimaatfondsombuiging van 600 miljoen euro is gebeurd?
Antwoord
Uitgangspunt is dat de middelen binnen het KEF ingezet worden voor maatregelen die bijdragen aan de doelstellingen van de Klimaatwet. Het is echter mogelijk dat er andere urgente prioriteiten zijn op het gebied van klimaat en energie waarvoor dekking nodig is, zoals de betaalbaarheid van energie in 202513. Dit wordt dan voorgesteld door het kabinet bij Voorjaarsnota of Miljoenennota, waarna parlementaire goedkeuring wordt gevraagd.
30
Welke middelen zijn als gevolg van het regeerprogramma-Schoof verschoven van waterstof naar kernenergie, uitgesplitst naar jaar en maatregel?
Antwoord
Naar aanleiding van het Hoofdlijnenakkoord van kabinet Schoof is in 2025 € 9,5 mld. toegevoegd aan de vrije ruimte van het perceel kernenergie. Verder is € 1,2 mld. onttrokken op de ontwikkeling van groene waterstof en batterijen. De onttrekking is naar rato doorgevoerd op alle maatregelen die te maken hebben met groene waterstof of batterijen, zowel op toegekende als gereserveerde maatregelen:

31
Kunt u een totaaloverzicht geven van de zes percelen van het Klimaatfonds, met per perceel het toegekende bedrag, het overgehevelde bedrag, de realisatie, onderuitputting en resterende middelen?
Antwoord
In bijlage 1 van de begroting van het KEF voor het jaar 2026 staan per perceel alle toekenningen en daarmee overhevelingen naar het ontvangende departement uitgesplitst14. Het KEF is een overhevelingsfonds waardoor de realisatie en onderuitputting van fondsmiddelen op de departementale begroting van het ontvangende en beleidsverantwoordelijke departement staat. Onderstaande tabel geeft de resterende middelen per perceel na de uitgaven van de Voorjaarsnota en de nota van wijziging van 21 mei jl. Een specifiekere tabel met de uitgaven per perceel is te vinden in de Meerjarenprogramma’s15, voor en na ieder perceelhoofdstuk.
|
Ontwerp-MJP 2027 (bedragen in € 1.000) |
Resterende middelen |
|---|---|
|
Klimaatfonds totaal |
13.081.388 |
|
1. Kernenergie |
13.079.762 |
|
2. CO2-vrije gascentrales |
0 |
|
3. Energie-infrastructuur |
70 |
|
4. Vroege fase opschaling |
1.125 |
|
5. Verduurzaming industrie |
415 |
|
6. Gebouwde omgeving |
16 |
32
Kunt u bevestigen dat zeven departementen betrokken zijn bij uitvoering van beleid met Klimaatfondsmiddelen, en per departement aangeven wie politiek verantwoordelijk is voor resultaten en rechtmatigheid?
Antwoord
Er zijn vijf (voorheen zeven) departementen die tot nu toe middelen hebben ontvangen uit het KEF voor maatregelen op het gebied van klimaat en energie. Dit betreft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK, voorheen: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening), het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK, voorheen: de ministeries Economische Zaken en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei), het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W), het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). De Ministers van EZK, I&W, KGG, LVVN, OCW, de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de Staatssecretarissen van I&W, KGG en LVVN zijn politiek verantwoordelijk voor de uitvoering van deze maatregelen en verantwoording over de besteding van de ontvangen middelen. Daar waar het gaat over middelen die inmiddels zijn besteed, hebben de afgelopen jaren ook de voorgangers van deze bewindspersonen betrokkenheid gehad bij de besteding van middelen uit het KEF. Conform de ministeriële verantwoordelijkheid gaat die verantwoordelijkheid bij een kabinetswissel over naar de zittende bewindspersoon.
33
Waarom is bij het perceel kernenergie voor een toelichting in elk geval verwijzing nodig naar jaarverslagen van KGG, IenW en VWS, en hoe gaat de regering dit voor de Kamer eenvoudiger navolgbaar maken?
Antwoord
Voor de uitvoering van het beleid t.a.v. kernenergie zijn de departementen van KGG, I&W en VWS samen verantwoordelijk. KGG is verantwoordelijk voor het bredere kernenergiebeleid, waaronder de bouw van de nieuwe kerncentrales. I&W is onder andere verantwoordelijk voor het beleid t.a.v. de veiligheid, de opslag van kernafval en de ontmanteling. Tot slot is VWS verantwoordelijk voor de gezondheidseffecten en de verspreiding van jodiumtabletten. Eens per half jaar wordt een integrale voortgangsbrief over kernenergie naar de Kamer verstuurd, de inzet is dit voor de zomer 2026 ook te doen.
34
Kunt u per kernenergiemaatregel uit het Klimaatfonds aangeven waar de realisatie in 2025 is verantwoord en welk meetbaar resultaat is geboekt?
Antwoord
De maatregelen op het perceel kernenergie zijn onderdeel van de begrotingen van KGG, I&W en VWS. Deze departementen zijn dan alle drie ook verantwoordelijk voor het opnemen van de gerealiseerde uitgaven van de middelen die zij hebben gekregen uit het KEF. De bouw van de kerncentrales zit nog in de voorbereidende fase. Voor de gezette stappen in 2025 zie het antwoord op vraag 17. Voor de opbouw van de nucleaire kennisinfrastructuur zijn er wel meetbare uitkomsten, er is:
– een Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) Kernenergie opgezet die in 2026 is opengesteld met als doel innovaties in het bedrijfsleven te stimuleren;
– een Nationaal onderzoeksprogramma kernenergie opgesteld dat in 2025 is opengesteld via een call for proposals. Hierover zal NWO in 2026 een financieringsbesluit nemen;
– drie leerstoelen op het gebied van kernenergie bij de TU Delft gefinancierd en inmiddels alle drie ingevuld; en,
– de Nuclear Academy heeft samen met mbo-instellingen en hbo-instellingen een nucleaire keuzedeel en nucleaire minor ontwikkeld. Het keuzedeel wordt nu al aangeboden door mbo-instellingen Nova College en Scalda en HZ University of Applied Sciences biedt de minor nucleaire technologie aan.
35
Kunt u voor het verantwoordingsjaar 2025 per Klimaatfondsmaatregel aangeven of het resultaat volledig, deels of niet navolgbaar is in departementale jaarverslagen?
36
Bent u bereid bij een eventuele opvolger of wijziging van de Tijdelijke wet Klimaatfonds expliciete verantwoordingsvereisten voor beleidsresultaten op te nemen?
37
Welke aanvullende verantwoordingsinformatie acht u nodig om het budgetrecht van de Kamer bij een overhevelingsfonds als het Klimaatfonds daadwerkelijk uitvoerbaar te maken?
Antwoord 35 t/m 37
Aangezien de ontvangende beleidsdepartementen verantwoordelijk zijn voor het opnemen van de gerealiseerde uitgaven van de middelen, worden deze in de verschillende jaarverslagen weergegeven. Om de besteding van KEF-middelen transparanter te maken en te centreren zal er in het volgende jaarverslag van specifiek het KEF in de bijlage de stand van de ontwerpbegroting, de realisatie en onderuitputting duidelijker getoond worden zodat deze informatie op één centrale plek wordt gepresenteerd16. De informatie in het jaarverslag KEF is in overeenstemming met de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV) en de Comptabiliteitswet (CW) 2016. De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de voorschriften en beoordeelt welke informatie nodig is zodat de Tweede Kamer in staat is het budgetrecht uit te oefenen. Bij de evaluatie van het KEF zal aandacht worden geschonken aan de verantwoording over uitgaven van het KEF. Deze evaluatie wordt in de loop van 2027 afgerond.
38
Bent u bereid elke Klimaatfondsmaatregel een unieke maatregelcode te geven die in alle begrotingen, jaarverslagen, subsidiebeschikkingen en voortgangsrapportages hetzelfde blijft?
Antwoord
Door de manier van rapportering in de begrotingsstukken is het niet mogelijk een unieke maatregelcode mee te geven op de departementale begrotingen. Voor een overzicht van de Rijksbrede verdeling van KEF-middelen is daarom bij de fondsbegroting 2026 bijlage 2 opgenomen. Om de besteding van KEF-middelen transparanter te maken en te centreren zal er in het volgende jaarverslag van specifiek het KEF in de bijlage de stand van de ontwerpbegroting, de realisatie en onderuitputting duidelijker getoond worden zodat deze informatie op één centrale plek wordt gepresenteerd17.
39
Bent u bereid bij elke kasschuif voortaan expliciet te melden wat dit betekent voor CO2-reductie, energiezekerheid, industriebeleid en uitvoeringsplanning?
Antwoord
Kasschuiven worden doorgevoerd vanwege nieuwe/actuele inzichten op de ramingen. Dit hoeft niet van invloed te zijn op het beoogde beleidsdoel. Indien wel sprake is van een significante wijziging van het beleidsdoel wordt dat toegelicht bij de specifieke kasschuif in de begrotingsstukken tijdens het lopende begrotingsjaar. De begroting waarop de kasschuif plaatsvindt geeft een toelichting op de reden van de kasschuif.
40
Hoe weegt u voor decharge het verschil tussen een positief oordeel over rechtmatigheid bij KGG en het ontbreken van een financieel oordeel over het Klimaatfonds zelf?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 2.
41
Waarom heeft u bij het Klimaatfonds niet gekozen voor extra ADR-controles per maatregel, zoals volgens de Rekenkamer bij het Nationaal Groeifonds gebeurt?
42
Bent u bereid vanaf het verantwoordingsjaar 2026 alsnog extra ADR-controles te laten uitvoeren op elke Klimaatfondsmaatregel boven 100 miljoen euro?
Antwoord 41 en 42
Omwille van leesbaarheid van de begrotingsstukken heeft het Ministerie van Financiën bij Voorjaarsnota 2025 voorgesteld de uitgaven van begrotingsfondsen alleen nog te vermelden op de begrotingstukken van het afkomstige fonds18. Op de begrotingsstukken van departementen staan hierdoor KEF-maatregelen tussen reguliere departementale maatregelen. De ADR voert controles uit op departementale begrotingen voor zowel fonds- als reguliere middelen, waardoor aanvullende controles op KEF-middelen tot dubbellingen zouden kunnen leiden. Bovendien ligt de beleidsverantwoordelijkheid bij de departementen waardoor een aanvullende toetsing van rechtmatigheid en doelmatigheid door de ADR op de KEF-begrotingsstukken niet van toegevoegde waarde is. Bij de evaluatie van het KEF zal aandacht worden geschonken aan de verantwoording over uitgaven van het KEF. Deze evaluatie wordt in de loop van 2027 afgerond.
43
Hoe gaat u voorkomen dat Klimaatfondsgeld in de grotere massa van ontvangende begrotingsartikelen verdwijnt zonder afzonderlijke controle op rechtmatigheid, doelmatigheid en resultaat?
Antwoord
Alle voorstellen die worden ingediend bij het Klimaatfonds worden uitgebreid en zorgvuldig beoordeeld op de criteria additionaliteit, doelmatigheid, doeltreffendheid en uitvoerbaarheid. Middelen mogen alleen worden uitgegeven op de wijze waarop de ministeries van EZK en Financiën een positieve beoordeling hebben gedaan. De directe monitoring over het resultaat vindt plaats op de betreffende begroting van het vakdepartement.
44
Welke concrete aanpassingen voert u door zodat de bedragen in de Klimaatfondsbijlage eenvoudig aansluiten op bedragen in de jaarverslagen van ontvangende ministeries?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 23.
45
Kunt u een tabel sturen met alle aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer in dit rapport, de kabinetsreactie daarop, de verantwoordelijke bewindspersoon, de deadline en het moment waarop de Kamer voortgangsinformatie ontvangt?
Antwoord
|
Aanbeveling |
Kabinetsreactie |
BWP |
Deadline |
Voortgangsinformatie |
|---|---|---|---|---|
|
Klimaatfonds |
||||
|
1. Zorg dat het parlement goed wordt geïnformeerd over het geheel aan uitgaven en resultaten van het klimaatfonds, zodat het zijn budgetrecht kan uitoefenen. |
U constateert dat het Klimaatfonds zelf geen financiële administratie heeft en dat andere departementen verantwoorden over de verplichtingen en uitgaven van het Klimaatfonds. Het kabinet herkent deze conclusie. Het Klimaat- en energiefonds is een verdeelfonds van waaruit middelen kunnen worden overgeheveld naar departementale begrotingen. Ik wil hierbij benadrukken dat het Ministerie van EZK in het (ontwerp)-Meerjarenprogramma Klimaatfonds een overzicht bijhoudt met welke middelen aan welk departement en onder welke voorwaarden worden toegekend en het parlement hierover met Voorjaarsnota en Prinsjesdag informeert. Dit overzicht wordt periodiek bijgewerkt en bijgehouden door het Ministerie van EZK. De verantwoording in het Jaarverslag Klimaatfonds vindt plaats conform de Rijksbegrotingsvoorschriften. Deze laat geen verantwoording zien over de middelen die reeds zijn toegekend en overgeheveld naar begrotingen van andere departementen. De verantwoording over de overgehevelde middelen verloopt, conform de Comptabiliteitswet, via de jaarverslagen van de betreffende departementen. Ik herken het geschetste risico over de verantwoording, omdat in de betreffende jaarverslagen niet altijd expliciet wordt aangegeven of maatregelen zijn bekostigd uit het Klimaatfonds en de titels van maatregelen kunnen afwijken van de titels die worden gebruikt in het Meerjarenprogramma en het Jaarverslag Klimaatfonds. Om meer inzicht te geven zal ik het kabinet vanaf volgend jaar (in aanvulling op de informatie uit de verschillende departementale jaarverslagen) in de Rijksbrede Klimaatfondsbijlage van het Jaarverslag Klimaatfonds de realisatie en onderuitputting van klimaatfondsmaatregelen op andere begrotingen duidelijker tonen, zodat deze informatie op één plek beschikbaar is en de verantwoording transparanter wordt. |
MKGG |
Jaar-verslag KEF 2026 |
In het volgende jaarverslag zal de Rijksbrede Klimaatfondsbijlage ook de standen van de ontwerpbegroting, de realisatie en onderuitputting duidelijker tonen zodat deze informatie op één centrale plek wordt gepresenteerd. |
|
2. Zorg voor een beter navolgbare verantwoording van beleidsresultaten (door te voorzien in een duidelijke en unieke codering van maatregelen). |
MKGG |
Jaar-verslag KEF 2026 |
In het volgende jaarverslag zal de rijksbrede Klimaatfondsbijlage ook de standen van de ontwerpbegroting, de realisatie en onderuitputting duidelijker tonen zodat deze informatie op één centrale plek wordt gepresenteerd. |
|
|
Hoogspanningsnet |
||||
|
1. Leg lessen uit evaluaties explicieter vast in de eigen bedrijfsvoering, zodat het lerend vermogen in de organisatie wordt versterkt, waardoor de crisisvoorbereiding continu verbetert. |
Het waarborgen van de leveringszekerheid van energie is één van mijn kerntaken. De veiligheid en weerbaarheid van het hoogspanningsnet heeft dan ook mijn prioriteit. De AR heeft de veiligheid van het hoogspanningsnet onderzocht en ik ben blij te lezen dat u constateert dat TenneT en mijn ministerie goed zijn voorbereid op incidenten. Gelet op de geopolitieke ontwikkelingen heb ik continu aandacht voor de weerbaarheid van vitale energie-infrastructuur. Ik herken uw constatering dat gedurende de afgelopen jaren in wet- en regelgeving meer aandacht is voor nieuwe dreigingen, waaronder cybersecurity, terroristische en militair-hybride dreiging. Conform uw bevindingen inventariseer ik samen met TenneT en andere vitale sectorpartijen actief risico’s en breng ik mitigerende maatregelen in kaart. Met de inwerkingtreding van de Energiewet en de implementatie van de Cyberbeveiligingswet (Cbw) en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke) voor de energiesector zal het wetgevend kader voor risicomanagement dit jaar verder versterkt worden. Goed voorbereid zijn op incidenten is een essentiële randvoorwaarde voor een weerbaar energiesysteem. U concludeert dat de crisisaanpak goed staat beschreven in diverse crisisplannen en bent positief over de crisispreventie en – voorbereidingen van TenneT, Autoriteit Consumenten Markt (ACM) en mijn ministerie. De geleerde lessen uit oefeningen worden meegenomen in de beleidspraktijk, onder andere middels de periodieke herijking van de crisisplannen. U stelt terecht dat deze doorwerking van geleerde lessen in beleid voor u onvoldoende navolgbaar is, omdat een centrale administratie van de evaluaties van oefeningen ontbreekt. Ik zal dit interne proces de komende periode herijken, in lijn met uw advies om het bedrijfsvoeringsproces op dit punt aan te scherpen. |
MKGG |
Vanaf 1-1-2027 |
Crisisoefeningen en de daaruit geleerde lessen worden vanaf 2026 structureel geëvalueerd, gemonitord en vastgelegd door het Departementaal Crisiscentrum. |
|
2. Verbeter de toepassing van lessen uit evaluaties in de eigen bedrijfsvoering, omdat het niet altijd navolgbaar is hoe aanbevelingen worden toegepast in nieuwe procesbeschrijvingen en/of beleid. Daardoor is niet duidelijk hoe geleerde lessen worden benut en wordt het institutioneel geheugen onvoldoende zichtbaar opgebouwd. |
MKGG |
Vanaf 1-1-2027 |
Crisisoefeningen en de daaruit geleerde lessen worden vanaf 2026 structureel geëvalueerd, gemonitord en vastgelegd door het Departementaal Crisiscentrum. |
|
|
Beleidsevaluaties (Periodieke Rapportage Klimaatbeleid) |
||||
|
Geen aanbeveling, maar de AR concludeert dat de Tweede Kamer nog weinig gebruikmaakt van de periodieke rapportages. |
Het doet mij deugd dat u concludeert dat de Periodieke Rapportage Klimaatbeleid voldeed aan de eisen en van goede kwaliteit was. U geeft aan dat de evaluatie niet alleen op de gevolgde processen ziet maar ook goed inzicht geeft in beleidsresultaten. U constateert tegelijkertijd dat de Tweede Kamer deze en andere evaluaties nog weinig gebruikt in debatten. Ik onderschrijf uw punt dat deze (en andere) evaluaties meer in het debat over klimaatbeleid gebruikt zou(den) kunnen worden. |
MKGG |
– |
|
|
Terugblik Energiebesparingsplicht ll |
||||
|
VO 2025: Geen aanbeveling, maar de AR wijst het parlement erop dat normeren, toezicht en handhaving ook beleidsinstrumenten zijn om doelen te bereiken en dat extra geld niet voor alle problemen een oplossing is. Aanbevelingen uit het gepubliceerde rapport 21-11-24: (voor dit rapport is tevens een afzonderlijke kabinetsreactie opgesteld). Neem verantwoordelijkheid voor een doeltreffende en doelmatige aanpak van de energiebesparingsplicht: 1. Ontwikkel scenario’s voor een verbeterde energiebesparingsplicht en maak hieruit een onderbouwde keuze. Realiseer onder andere een deugdelijke en consistentie informatievergaring om zicht te krijgen op de omvang van de doelgroep en op toezichtresultaten. – Ook dienen de ondergrenzen, vóór een bedrijf onder de energiebesparingsplicht valt, te worden heroverwogen. Daarbij is het zaak dat kosten van handhaving en baten qua energiereductie beter in evenwicht zijn. |
Het rapport is een diepgaande studie naar de energiebesparingsplicht in de periode 2008–2023. Sinds een aantal jaren terug hebben zich nationaal, Europees en wereldwijd ontwikkelingen voorgedaan die de kijk op het belang van energiebesparing in Nederland drastisch hebben veranderd. De plicht is daarom in 2023 aangescherpt om de naleving te bevorderen, het toezicht te versterken en de informatievergaring te optimaliseren. Sindsdien is de naleving significant verbeterd en de toezichthouders hebben sinds 2022 expertise en capaciteit opgebouwd om meer controles uit te voeren, maar ook om de doelgroep met het advies bij te staan. Ook zijn de energiegegevens van de netbeheerders vanaf 2025 beschikbaar voor het toezicht. U concludeert dat handhaving van de energiebesparingsplicht waarschijnlijk duurder is en mogelijk minder doelmatig dan andere ingrepen om energie te besparen. Er wordt voor deze conclusie uitgegaan van 100% fysieke controles van bedrijven en instellingen in 4 jaar die als doel zouden zijn geformuleerd. Aan 100% fysieke controles zijn hoge kosten verbonden, dat vindt het kabinet daarom niet wenselijk. Het is belangrijk om te benadrukken dat in de praktijk omgevingsdiensten informatiegestuurd te werk gaan en de controles dan ook niet alleen maar fysieke bezoeken inhouden. Komende tijd wordt samen met de bevoegde gezagen en de omgevingsdiensten gewerkt aan de toezichtsnorm waarbij de balans tussen de kosten en opbrengsten van toezicht centraal staat. In het onderzoek geeft u aan dat de energiebesparingsplicht het enige normerende instrument is, naast meerdere stimulerende instrumenten. In dat licht is het belangrijk om juist op de versterking van deze norm in te zetten. Dit wordt o.a. gedaan door middel van afspraken met de omgevingsdiensten, kennisdeling, expertiseopbouw en de informatievoorziening. Hier maakt het kabinet middelen voor vrij. Naast het beschikbaar maken van de financiering voor de bovengenoemde doelen, wordt ook ingezet op de verlichting van administratieve lasten voor de doelgroep. De aanbevelingen van de AR neemt het kabinet ter harte en worden in de actualisatieronde 2027 meegenomen. |
MKGG |
Uitgevoerd |
De Kamer wordt vóór de zomer geïnformeerd. |
|
2. Maak het voor bedrijven gemakkelijk en overzichtelijk om aan de energiebesparingsplicht te voldoen. Bijvoorbeeld door het verbeteren van informatie- en dienstverlening aan hen. Maar ook door het aanpakken van overlappende regelgeving of het versterken van het eLoket van RVO, waar bedrijven en instellingen informatie moeten aanleveren om aan de informatieplicht te voldoen. |
MKGG |
Uitgevoerd, inwerkingtreding geactualiseerde energiebesparingsplicht in juli 2027 |
De Kamer wordt vóór de zomer geïnformeerd. |
|
|
3. Overleg met het bevoegd gezag (zoals provincies en gemeenten, bijvoorbeeld via het IPO en de VNG) over het gewenste en realistische toezicht, alsmede de beschikbaar te stellen mensen en middelen. Toezichtscenario’s en risicogericht toezicht per doelgroep kunnen hierbij worden meegenomen. |
Eind 2028 |
Eind 2026 wordt de Kamer over de voortgang geïnformeerd. |
||
|
4. Achterblijvende resultaten van de energiebesparingsplicht hebben mogelijk gevolgen voor het behalen van Europese doelstellingen. Maak daarom tijdig een inschatting van het risico dat doelstellingen niet behaald worden, en neem zo nodig aanvullende of andere maatregelen. |
Uitgevoerd, inwerkingtreding geactualiseerde energiebesparingsplicht juli 2027 |
De Kamer wordt vóór de zomer geïnformeerd. |
||
|
5. Maak heldere afspraken met de bewindspersonen bij IenW over de aansluiting tussen mensen en middelen en de beleidsambitities voor toezicht en over verbetering van het stelsel waarbinnen het toezicht op de Energiebesparingsplicht is georganiseerd. |
Eind 2028 |
Eind 2026 wordt de Kamer over de voortgang geïnformeerd. |
||