Kamerstuk 36945-K-5

Lijst van vragen en antwoorden over het Jaarverslag Defensiematerieelbegrotingsfonds 2025 (Kamerstuk 36945-K-1)

Dossier: Jaarverslag en slotwet Defensiematerieelbegrotingsfonds 2025

Gepubliceerd: 9 juni 2026
Indiener(s): Jan Paternotte (D66)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36945-K-5.html
ID: 36945-K-5

Nr. 5 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 9 juni 2026

De vaste commissie voor Defensie heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Defensie over de brief van 20 mei 2026 over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Defensiematerieelbegrotingsfonds (Kamerstuk 36 945 K, nr. 2).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 december 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Paternotte

Adjunct-griffier van de commissie, Manten

Vragen en antwoorden

1.

Welke prijsstijgingen door de onvolkomen defensiemarkt hebben geleid tot het bijstellen of verlaten van investeringsprojecten?

In algemene zin stijgen alle prijzen van aan Defensie gerelateerde goederen en diensten. Het kan voorkomen dat de kosten op dit moment door specifieke prijsstijgingen toenemen, bijvoorbeeld door ontwikkelingskosten of een overspannen defensiemarkt. Over de aanschaf van wapensystemen worden contractuele afspraken gemaakt met leveranciers. Daarnaast bestaan er mogelijkheden om orders te bundelen en om steeds meer samen te werken met andere landen bij de verwerving van wapensystemen, waardoor betere prijsafspraken mogelijk zijn.

De begroting van Defensie groeit mee met de ontwikkeling van het bbp. Op die manier blijft geborgd dat het percentage van Defensie-uitgaven als percentage van het bbp niet daalt. Uit de extra middelen die Defensie ontvangt, moet Defensie zelf de kosten voor de loon- en prijsontwikkeling dekken. Op deze wijze houdt Defensie rekening met prijsstijgingen bij alle projecten.

2.

Kort-cyclische innovatieprojecten worden versneld opgestart met als doel een versnelde realisatie: kunt u een schatting maken hoeveel extra kosten dit met zich meebrengt?

Uit de uitvoering is gebleken dat binnen de Defensieonderdelen aanvullende begeleidingscapaciteit nodig is om kort-cyclische innovatieprojecten tijdig te initiëren, begeleiden en tot toepassing te brengen. Daarom is met ingang van 2025 structureel € 4,5 miljoen per jaar beschikbaar gesteld voor extra project- en begeleidingscapaciteit. Dit budget maakt het mogelijk om projectleiders aan te nemen die deze projecten initiëren, begeleiden en helpen versneld tot realisatie te brengen.

3.

Hoeveel materieel is in 2025 geleverd aan Oekraïne vanuit Nederlandse voorraden en welk deel is inmiddels vervangen?

De waarde van de leveringen uit de Nederlandse voorraden aan Oekraïne in 2025 is ongeveer 500 miljoen. Defensie werkt hard om deze voorraden zo snel mogelijk aan te vullen, maar heeft hierbij te maken met de duur van verwervingstrajecten, nieuwe behoeftes, leveringstijden en krapte op de defensiemarkt. Uw Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de stand van zaken omtrent leveringen aan Oekraïne, meest recentelijk op 27 februari 2026 (Kamerstuk 22 054, nr. 479). Voor de levering en vervanging van militaire goederen door het Ministerie van Defensie en de industrie aan Oekraïne blijft de operationele veiligheid evenwel leidend in de afweging om informatie al dan niet openbaar te maken.

4.

Hoeveel kosten aan onderhoud van defensievastgoed zijn doorgeschoven naar latere jaren?

Er zijn geen onderhoudskosten voor defensievastgoed doorgeschoven naar latere jaren. In 2025 is € 93,0 miljoen extra budget vrijgemaakt, dat is ingezet voor aanvullend onderhoud aan defensievastgoed.

5.

Wat is de verwachte termijn waarop beveiliging van militair materieel weer op orde is?

Afgelopen jaar is hard gewerkt aan zichtbare en niet zichtbare maatregelen om de fysieke beveiliging van militaire objecten, inclusief het militair materieel dat zich op die objecten bevindt, te verbeteren. De doelstelling van het integrale verbeterplan is om eind 2028 een significante structurele versterking van de beveiligingsketen te realiseren.

De Algemene Rekenkamer heeft expliciet geadviseerd een risicogerichte benadering toe te passen. We zullen dit verwerken in het bestaande plan van aanpak.

6.

Wat zijn de verwachte kosten voor het realiseren van goede infrastructuur rondom defensievastgoed zoals kazernes?

Op dit moment kunnen we geen inschatting geven van de verwachte kosten voor de realisatie van deze infrastructuur. Infrastructuur op defensielocaties, zoals het aansluiten van een hoofdpoort op een openbare weg, wordt meegenomen in de financiële raming van een defensielocatie. Infrastructuur buiten defensieterrein valt niet onder de primaire verantwoordelijkheid van Defensie. Voor hoofdnetten ligt deze verantwoordelijkheid bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat; voor het onderliggend wegennet zijn gemeenten en provincies de behoeftesteller. Defensie voert hierover gesprekken met andere ministeries en mede-overheden.

7.

Kunt u de stijgende exploitatielasten van IT, die voortkomen uit het programma GrIT, specificeren?

In 2025 zijn de uitgaven voor de instandhouding van IT hoger uitgekomen dan in 2024 en hoger dan geraamd in de ontwerpbegroting. Deze stijging hangt onder meer samen met de aanschaf van hardware voor nieuwe functionaliteiten binnen het programma Grensverleggende IT (GrIT). De nieuwe IT kent meer functionaliteiten dan de oude situatie, wat leidt tot hogere exploitatielasten.

De hiermee samenhangende exploitatielasten waren reeds binnen de begroting van Defensie voorzien. Ten tijde van de ontwerpbegroting waren de hiervoor bestemde middelen echter op een ander begrotingsonderdeel opgenomen. Bij de tweede suppletoire begroting zijn deze middelen budgetneutraal overgeheveld naar het instandhoudingsbudget van IT. Hierdoor ontstaat in het jaarverslag een verschil tussen de realisatie en de ontwerpbegroting, omdat daarin wordt vergeleken met de oorspronkelijke begrotingsstand

8.

Welke materieelprojecten hebben in 2025 de grootste vertraging opgelopen?

De realisatie van een project kan door verschillende factoren vertragen. Vanwege de bescherming van haar operationele en veiligheidsbelangen communiceert Defensie in principe niet openbaar over levertijden. Uw Kamer is met het Defensie Projectenoverzicht (DPO) 2026 (vertrouwelijk) geïnformeerd over de belangrijke wijzigingen op de materieelprojecten en de actuele projectplanningen (Kamerstuk 27 830, nr. 489 van 20 mei 2026). Zo is de datum van de oplevering van het eerste Anti-Submarine Warfare (ASW)-fregat naar achteren geschoven door een noodzakelijke aanpassing in het scheepsontwerp. Daarnaast loopt bijvoorbeeld de ontwikkeling van de Advanced Anti-Radiation Guided Missile-Extended Range (AARGM-ER) vertraging op door uitdagingen in de ontwikkeling van de software en loop het project «Midlife Update (MLU) Bushmaster» uit doordat de contractering op een later moment plaatsvindt dan initieel gepland.

9.

Welke gevolgen hebben deze vertragingen voor de operationele gereedheid?

Wanneer eenheden later over nieuw of vervangend materieel beschikken, kan dit gevolgen hebben voor de inzetbaarheid en de geoefendheid doordat het materieel later beschikbaar komt voor opleiding, training en operationele inzet.

Defensie neemt maatregelen om vertragingen zo goed als mogelijk te voorkomen. Zo onderhoudt Defensie gedurende de looptijd van een project nauw contact met de leverancier om eventuele vertraging tijdig te signaleren en adresseren, en lopen verschillende initiatieven om de materieelverwerving te versnellen. Bijvoorbeeld door vaker materieel «van de plank» te verwerven, de projectcapaciteit te vergroten en in te zetten op de gezamenlijke inkoop met partnerlanden. Ook zet Defensie op de langere termijn in op het vergroten van de productie- en leveringszekerheid in Nederland en Europa, in lijn met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie.

Tegelijkertijd geldt dat de gestegen mondiale vraag naar militair materieel en de schaarste van kritieke grondstoffen in toenemende mate leiden tot risico’s voor de tijdige realisatie van materieelprojecten. Wanneer vertragingen zich voordoen en leiden tot de latere levering van het materieel zet Defensie zich in om de impact te mitigeren. Dit gebeurt onder andere door het huidige materieel langer in stand te houden of te kijken naar mogelijke alternatieve capaciteiten die een vergelijkbaar effect kunnen bereiken om de gevolgen voor de operationele gereedheid te beperken.

Over de voortgang van materieelprojecten wordt uw Kamer geïnformeerd via het Defensie Projectenoverzicht (DPO). De eventuele impact op de operationele gereedheid is verwerkt in de vertrouwelijke bijlage van de Stand van Defensie, waarin Defensie onder meer rapporteert over de materiële gereedheid.

10.

Welke voortgang is geboekt bij de versterking van munitievoorraden?

Defensie investeert in de ophoging van de inzetvoorraden en de opslagcapaciteit van munitie. Met het programma «Aanvullen inzetvoorraden munitie» verhoogt Defensie stapsgewijs haar voorraden. In 2025 en begin 2026 zijn contracten gesloten voor aanvullende bestellingen van verschillende munitiesoorten. Ook heeft Defensie in deze periode verschillende deelleveringen ontvangen, waaronder zes soorten van Battle Decisive Munitions (BDM) en diverse soorten non-BDM, zoals handgranaten en klein kaliber munitie.

Defensie trekt lessen uit de oorlogsvoering in en militaire steun aan Oekraïne om de juiste investeringen zo snel mogelijk te kunnen doen, ook voor munitie. Defensie houdt hierbij rekening met de langere levertijden en latere leveringen als gevolg van de sterk toegenomen wereldwijde vraag. Vanwege de bescherming van haar operationele en veiligheidsbelangen doet Defensie geen openbare uitspraak over de munitievoorraden. Uw Kamer wordt in de vertrouwelijke bijlage van de Stand van Defensie geïnformeerd over de voortgang van de realisatie van de inzetvoorraden.

11.

Welke effecten heeft het industriebeleid gehad op de Nederlandse productiecapaciteit?

Het is op dit moment nog te vroeg om harde conclusies te trekken over het directe effect van het industriebeleid op de Nederlandse productiecapaciteit. Het versterken van industriële capaciteit vraagt tijd en investeringen werken doorgaans met vertraging door.

Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) zet het kabinet in op gerichte versterking van de Nederlandse defensiesector, onder meer via investeringen in Nederlandse sterktegebieden en de maritieme sector, en door het verbeteren van samenwerking tussen Defensie, bedrijven en kennisinstellingen.

Het onderzoek naar de Nederlandse defensietechnologische en industriële basis, dat in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken is uitgevoerd, laat wel een positieve ontwikkeling zien in de sector, waaronder groei in werkgelegenheid en een toename van de omzet van circa € 8 miljard in 2024 naar circa € 10,2 miljard in 2025.

Deze ontwikkeling kan niet direct worden toegeschreven aan één beleidsmaatregel, maar geeft wel vertrouwen dat de ingezette koers bijdraagt aaneen sterkere defensiesector. Met de verdere uitvoering van de D-SII en het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie wordt de komende jaren verder ingezet op het vergroten van de productiecapaciteit en het versterken van de Nederlandse en Europese defensie-industrie.

12.

Welke aanvullende maatregelen zijn nodig om toekomstige NAVO-capaciteitsdoelstellingen tijdig te realiseren?

Met de Kamerbrief financiële en personele consequenties NAVO-capaciteitsdoelstellingen is uw Kamer in 2025 geïnformeerd over het feit dat om volledig invulling te geven aan de NAVO-capaciteitsdoelstellingen, gebaseerd op volumepeil bbp 2025, minimaal 3,5% van het bbp nodig is.

Concrete stappen die nodig zijn voor het tijdig invullen van de huidige NAVO-capaciteitsdoelstellingen worden toegelicht in de uitkomst van de tweejaarlijkse NATO Defence Capability Review. Een samenvatting van dit rapport wordt zoals gebruikelijk gedeeld met uw kamer, deze wordt verwacht na het zomerreces. De plannen van dit kabinet om de NAVO-capaciteitsdoelstellingen te realiseren worden toegelicht in de Defensienota 2026.

13.

Kunt u de stand van zaken toelichten met betrekking tot de verwerving van de AWACS-radarvliegtuigen? Met welke landen wordt deze verwerving gezamenlijk vormgegeven, en wanneer verwacht u de eerste vliegtuigen operationeel in dienst te kunnen nemen?

Op dit moment kan Defensie geen nadere details geven over de voortgang of specificaties van de verwerving, aangezien de besluitvorming binnen de NAVO nog gaande is. Defensie informeert uw Kamer uiterlijk in Q4 2026 via een updatebrief, conform de Kamerbrief over de jaarplanning van Kamerstukken Defensie 2026 (Kamerstuk 36 800 X, nr. 23).

De verwerving van de AWACS-vliegtuigen wordt gezamenlijk vormgegeven met de volgende landen: België, Duitsland, Denemarken, Zweden, Canada, Luxemburg, Noorwegen, Letland en Roemenië.

Op dit moment is nog geen definitieve planning beschikbaar, maar het uitgangspunt is nog steeds dat de huidige toestellen uiterlijk 2035 stoppen met vliegen en de nieuwe toestellen dan inzetbaar zijn.