Kamerstuk 36945-J-6

Lijst van vragen en antwoorden over het Jaarverslag Deltafonds 2025 (Kamerstuk 36945-J-1)

Dossier: Jaarverslag en slotwet Deltafonds 2025

Gepubliceerd: 10 juni 2026
Indiener(s): Renilde Huizenga (D66)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36945-J-6.html
ID: 36945-J-6

Nr. 6 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 10 juni 2026

De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de brief van 20 mei 2026 over het Jaarverslag Deltafonds 2025 (Kamerstuk 36 945 J, nr. 1).

De Minister en Staatssecretaris hebben deze vragen beantwoord bij brief van 10 juni 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Huizenga

De griffier van de commissie, Schukkink

Vragen en antwoorden

Vraag 1

Hoe beoordeelt u de betrouwbaarheid van de begrotingsramingen binnen het Deltafonds, nu de realisatie in 2025 € 183,7 miljoen hoger uitviel dan voorzien door minder vertraging dan verwacht?

Antwoord 1

De afgelopen jaren hebben er op verschillende begrotingsmomenten steeds verschuivingen van budgetten voorgedaan op het Deltafonds. Bij de Voorjaarsnota 2025 is daarom, in het kader van een pilot met het Ministerie van Financiën, de overprogrammering verhoogd om te bezien of dit leidt tot betere uitputtingscijfers en daarmee tot een realistischere en robuustere begroting. Bij deze pilot is geen sprake geweest van het remmen in productie, oftewel de productie werd op stoom gehouden. Het op stoom houden van de productie lukt steeds beter, want op het Deltafonds is de realisatie in 2025 met € 320 miljoen gestegen ten opzichte van 2024. De hogere realisatie in 2025 geeft aan dat de ramingen op projectniveau steeds realistischer worden en beter aansluiten op het beschikbare budget.

Vraag 2

Welke lessen trekt u uit het feit dat meerdere projecten vertraging oplopen door vergunningprocedures en welke versnellingen acht u mogelijk binnen de bestaande wet- en regelgeving?

Antwoord 2

Bij enkele projecten is inderdaad vertraging ontstaan doordat vergunningverlening meer tijd kostte dan beoogd. De redenen waardoor vertraging kan ontstaan zijn divers, mede door de complexiteit van de projecten. Denk bijvoorbeeld aan het moeten doen van extra onderzoek, participatie vanuit de omgeving of capaciteitsknelpunten bij bevoegde gezagen. De wettelijke versnellings-mogelijkheden – waar indien mogelijk gebruik van wordt gemaakt – bieden dan ook niet altijd een oplossing.

Vraag 3

In hoeverre verwacht u dat de toegenomen kosten en vertragingen binnen het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) gevolgen hebben voor het doel om in 2050 alle primaire waterkeringen op orde te hebben?

Antwoord 3

Het effect hiervan wordt komende jaren gemonitord zodat in 2030 een besluit over eventueel aanvullende middelen om het wettelijk doel te halen kan worden genomen. Dat alle primaire keringen voor 2050 voldoen aan de norm is wettelijk vastgelegd. Daar staat het Ministerie van IenW samen met de waterschappen voor gesteld. Na de afronding van de eerste landelijke beoordelingsronde in 2023 ontstond een beter beeld van de totale opgave. Uit nadere analyses volgde dat de kosten en tijdsduur van projecten toegenomen zijn ten opzichte van de start van het HWBP in 2014.

Momenteel werkt het Ministerie van IenW samen met de waterschappen aan de herijking HWBP. Onderdeel hiervan zijn afspraken voor extra financiering voor de periode 2030–2036. Daarnaast zijn afspraken gemaakt om de productie te verhogen. Denk aan: een gezamenlijke strategie voor programmering en middelen, sterkere regie op programmaniveau, duidelijke afspraken aan de voorkant van projecten en een betere verdeling van risico’s en doelmatigheidsprikkels. Het effect hiervan wordt komende jaren gemonitord zodat in 2030 een besluit over eventueel aanvullende middelen om het wettelijk doel te halen kan worden genomen.