Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Koninkrijksrelaties heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Algemene Rekenkamer over de brief van 20 mei 2026 inzake het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij Koninkrijksrelaties en het BES-fonds (Kamerstuk 36 945 IV, nr. 2).
De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Biekman
De griffier van de commissie, Hessing-Puts
Vraag 1
Hoe uitzonderlijk is het dat er binnen het Koninkrijk geen strategische voorraden aanwezig zijn voor voedsel en drinkwater?
In 2022 hebben wij een focusonderzoek gepubliceerd naar de omvang van strategische voorraden in Europees Nederland. In Europees Nederland wordt voldoende eigen voedsel en (drink)water geproduceerd mocht een noodsituatie zich voordoen. Hierdoor is het in Europees Nederland van minder groot belang om strategische voorraden aan te houden. Caribisch Nederland is afhankelijker van import, daarom is er een grotere noodzaak voor strategische voorraden. Wij hebben geen onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van strategische voorraden op de andere landen binnen het Koninkrijk.
Vraag 2
Welke van de vier categorieën: voedsel, drinkwater, brandstof of medicijnen, vormt volgens de Algemene Rekenkamer het grootste risico?
Wij constateren in ons onderzoek dat er geen strategische voorraden zijn. Wel zien we dat er in de reguliere voorraad voldoende medicijnen en brandstof aanwezig zijn. Omdat dit geen strategische voorraden zijn, is het desondanks mogelijk dat op het moment van het uitbreken van een crisis bijvoorbeeld de brandstof voorraad toch relatief laag is. Voor (drink)water en voedsel is de reguliere voorraad beperkt. Ook constateren we dat brandstof cruciaal is in de toeleveringsketen van (strategische) voorraden. Wanneer er bijvoorbeeld een tekort aan brandstof ontstaat, zorgt dit ook voor problemen in de elektriciteitslevering. Dat leidt vervolgens tot problemen bij de (drink)waterproductie en het opslaan van voedsel en medicijnen. Wij bevelen het kabinet daarom aan om strategische voorraden aan te leggen, met extra nadruk op (drink)water en voedsel, juist omdat deze beide ook in de reguliere voorraad beperkt aanwezig zijn.
Vraag 3
Hoe snel verwacht de Algemene Rekenkamer maatschappelijke problemen wanneer de aanvoer naar de eilanden stilvalt?
Dat kunnen wij op basis van ons onderzoek niet vaststellen. We constateren in ons onderzoek wel dat er bijvoorbeeld op Saba voor 1 dag aan reguliere voorraad (drink)water is en op alle 3 de eilanden een reguliere voorraad aan vers voedsel is voor 1 tot 3 weken. Een verstoring in de aanvoer kan dus al snel leiden tot tekorten en bijvoorbeeld lege schappen in de supermarkt.
Vraag 4
Heeft de Algemene Rekenkamer signalen gezien dat private partijen zelf voorbereid zijn op langdurige verstoringen?
Wij hebben in ons onderzoek gesproken met verschillende private partijen. Veel van de voorraden die wij hebben beschreven liggen bij private partijen. Wij hebben zelf echter geen onderzoek gedaan naar de vraag of (alle) private partijen zelf voorbereid zijn op langdurige storingen.
Vraag 5
Welke internationale normen heeft de Algemene Rekenkamer gebruikt voor de normen van 7 of 10 dagen voorraad?
Er zijn geen eigen normen van de departementen en/of de 3 openbare lichamen voor strategische voorraden. Daarom hebben wij ons gebaseerd op (internationale) normen voor strategische voorraden. Voor de norm van 7 dagen voedsel hebben wij ons gebaseerd op normen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), VN-Vluchtelingenorganisatie (UNHCR), Sphere en EU-richtlijnen. Voor de norm van 10 dagen aan (drink)water hebben wij gebruik gemaakt van normen die het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) handhaaft.
Vraag 6
Hoe beoordeelt de Algemene Rekenkamer de huidige crisisbestendigheid van Bonaire, Saba en Sint-Eustatius ten opzichte van vergelijkbare eilandgebieden?
Op basis van ons onderzoek kunnen wij deze vraag niet beantwoorden. Wij hebben in ons onderzoek niet gekeken naar de bredere crisisbeheersing en deze ook niet vergeleken met andere eilandgebieden. Wij hebben gekeken naar de aanwezigheid en omvang van strategische voorraden en de afspraken die hierover zijn gemaakt.
Vraag 7
Heeft de Algemene Rekenkamer aanwijzingen dat verantwoordelijkheden momenteel tussen ministeries blijven liggen?
Wij hebben in ons onderzoek geen aanwijzingen gevonden dat verantwoordelijkheden tussen ministeries blijven liggen. Wel constateren we dat er geen duidelijke afspraken zijn tussen de rijksoverheid, private partijen, vitale sectoren en openbare lichamen over wie waar verantwoordelijk voor is waar het gaat om strategische voorraden. We zien dat in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de rolverdeling. Dit terwijl een heldere verantwoordelijkheidsverdeling en coordinatie, zeker gezien de ketenafhankelijkheid, van groot belang is voor het borgen van (strategische) voorraden.
Vraag 8
Waarom lukt het volgens de Algemene Rekenkamer nog steeds niet om een compleet overzicht van bijzondere uitkeringen te verkrijgen?
Wij constateren in dit opvolgonderzoek naar bijzondere uitkeringen aan Caribisch Nederland dat de Minister, net als in 2021, geen compleet en kloppend overzicht heeft van de bijzondere uitkeringen. Wij hebben in dit onderzoek enkel gekeken naar de opvolging van aanbevelingen uit het onderzoek van destijds, en hebben dus niet gekeken naar verklaringen achter waarom het de Minister niet lukt om een compleet overzicht van bijzondere uitkeringen te verkrijgen.
Vraag 9
Welke kwetsbaarheid vraagt volgens de Algemene Rekenkamer op korte termijn de meeste aandacht van het kabinet? Welke aanbeveling uit het rapport heeft volgens de Algemene Rekenkamer de hoogste urgentie?
Wij doen in ons onderzoek naar strategische voorraden twee aanbevelingen die we van even groot belang achten, omdat deze met elkaar samenhangen. Op korte termijn is belangrijk dat het kabinet gezamenlijk bepaalt welk niveau van strategische voorraden in Caribisch Nederland wenselijk is, om dit vervolgens vast te leggen en te bepalen wie waarvoor verantwoordelijk is. Daarnaast bevelen wij het kabinet aan te zorgen voor een voorraad voedsel en (drink)water (met bijbehorende opslagcapaciteit) die voldoet aan die vastgestelde normen.