Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 juni 2026
Tijdens het wetgevingsoverleg over de wijziging van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp voor het jaar 2026 van 4 juni 2026 is door de Kamer verzocht om een brief over de relatie tussen terugkeerhubs en de BHO-begroting, voorafgaand aan het vervolg van dit overleg, op 11 juni 2026. Deze brief doe ik u bij deze toekomen, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken.
Om te komen tot een modern, humaan en toekomstbestendig asiel- en migratiesysteem dat irreguliere migratie effectief tegengaat, verkent het kabinet met prioriteit innovatieve oplossingen, zoals de realisatie van terugkeerhubs, binnen de grenzen van het internationaal recht en met borging van de mensenrechten van de betrokken migranten. Nederland doet dit binnen een kopgroep van EU-landen, met Duitsland, Oostenrijk, Denemarken en Griekenland. Een terugkeerhub maakt het mogelijk voor personen met een terugkeerbesluit om terug te keren naar een derde land waarmee een regeling of overeenkomst is getroffen, of via een transithub verder te reizen naar het land van terugkeer. Voor een dergelijke vorm van samenwerking bestaat een brede juridische grondslag na instemming door de Europese Raad van Ministers met het onderhandelakkoord over de Terugkeerverordening, waarover MinAenM uw kamer op 2 juni jl. informeerde.1 Het kabinet streeft ernaar voor het einde van het jaar met een concreet voorstel te komen, zoals vermeld in de kabinetsappreciatie van het Clingendael rapport «Grenzen Verleggen».2 Op dit moment bestaan er nog geen terugkeerhubs.
De ontwikkeling van terugkeerhubs beoogt het kabinet in te bedden in de brede relaties met de betreffende landen, die gebaseerd zijn op wederzijdse belangen. Om aan gebalanceerde partnerschappen te werken waarin ook oog is voor de belangen van de partner, zal ook BHOS-programmering worden ingezet om in de ontwikkelbelangen van de (beoogde) partners tegemoet te kunnen komen, waarbij de inzet wordt bezien in het licht van beleidsprioriteiten, zoals ook gebeurt binnen de context van reguliere partnerschappen waar migratie een onderdeel van is. Waar mogelijk sluiten we daarbij aan op bestaande EU-inzet. De behoeftestelling moet nog plaatsvinden. Daarom zal middeleninzet vanaf 2027 plaatsvinden. Dat hangt derhalve met name af van de behoeften van potentiële partnerlanden en kan dus ook andere thema’s dan migratie beslaan. Daarbij blijft het uitgangspunt dat ODA-financiering voldoet aan de OESO-DAC criteria voor ontwikkelingssamenwerking.
Momenteel wordt samen met de kopgroep van EU-landen een verkenning uitgevoerd naar potentiële partnerlanden. Dit is een sensitief en diplomatiek vertrouwelijk proces. In de besloten technische briefing over migratiepartnerschappen, recent toegezegd door de Minister van Asiel en Migratie in het Commissiedebat JBZ van 27 mei, zult u nader worden geïnformeerd over de stand van zaken.
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, S.W. Sjoerdsma