Kamerstuk 36744-46

Reactie op de moties van de leden Flach (Kamerstuk 36 744-31), Wendel en Neijenhuis (Kamerstuk 36744-32) over parlementair proces wetsvoorstel aanpassing Regeling dienstverlening aan huis (Rdah)

Dossier: Wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten vanwege aanpassing van de Regeling dienstverlening aan huis (Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis)

Gepubliceerd: 18 juni 2026
Indiener(s): Hans Vijlbrief (D66)
Onderwerpen: organisatie en beleid werk
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36744-46.html
ID: 36744-46

Nr. 46 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 juni 2026

Aanleiding wetsvoorstel

Op 30 maart 2023 oordeelde de Centrale Raad van Beroep1 (hierna Centrale Raad) dat pgb-zorgverleners die minder dan vier dagen per week werken onder de huidige Regeling dienstverlening aan huis (Rdah) niet mogen worden uitgesloten van de werknemersverzekeringen. Dit leidt namelijk tot ongeoorloofde ongelijke behandeling van vrouwen. Met het wetsvoorstel aanpassing Rdah geeft de regering uitvoering aan de uitspraak van de Centrale Raad en wordt de rechtspositie van de betreffende groep pgb-zorgverleners verbeterd. De SVB ondersteunt de meeste budgethouders bij de extra werkgeverstaken. Tevens ontvangen deze budgethouders (tijdelijk) financiële compensatie voor de aanvullende werkgeverslasten.

Gezien de aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad was er bij alle betrokken departementen en uitvoeringsorganisaties een gevoel van urgentie om hier zo snel als mogelijk uitvoering aan te geven. Het betreft een uitspraak van de hoogste bestuursrechter in Nederland, en de uitspraak vormt daarmee een duidelijk en finaal oordeel waaraan moet worden voldaan. Daarom is een wetsvoorstel voorbereid om dit zo spoedig mogelijk in gang te zetten. In het proces van voorbereiding van het wetsvoorstel werd duidelijk dat het eerst mogelijke moment van inwerkingtreding voor de uitvoering 1 januari 2026 was. Daarop is in het voorstel ingezet en zijn er voorbereidingen voor getroffen. Dit leek ook lang een ambitieus maar haalbaar tijdpad voor het wetsvoorstel. Uiteindelijk bleek het tijdpad toch niet haalbaar, waardoor het parlement voor voldongen feiten werd geplaatst. De regering betreurt hoe het proces gelopen is. Op de geleerde lessen wordt verderop in deze brief ingegaan.

Bij de plenaire behandeling (die uiteindelijk begin dit jaar plaatsvond) zijn een aantal moties aangenomen, waaronder de motie van het Kamerlid Flach2 (SGP) en de motie van de Kamerleden Wendel (VVD) en Neijenhuis (D66)3. In deze moties wordt de regering verzocht onderzoek te doen naar, en lering te trekken uit, het doorlopen parlementair proces en de wijze waarop het parlement voor voldongen feiten is geplaatst.

Daarnaast wordt verzocht adequate maatregelen te treffen om herhaling te voorkomen. Met deze brief geef ik, mede namens de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, invulling aan beide moties.

Verloop wetsvoorstel

Alvorens in te gaan op de geleerde lessen, is het van belang de context en tijdlijn van dit wetstraject te schetsen. Daarbij speelt de spanning tussen de duur van het wetgevingsproces en de tijd die uitvoeringsorganisaties nodig hebben voor implementatie van een wet een belangrijke rol. Een zorgvuldig wetstraject duurt, mede door consultatie, toetsing en parlementaire behandeling, gemiddeld twee jaar. Dit proces waarborgt de kwaliteit van wetgeving, maar sluit niet altijd aan bij de (politieke) urgentie. Tegelijkertijd vergt de voorbereiding van de uitvoering, door toenemende complexiteit en digitalisering, vaak een jaar of langer. Dit kan leiden tot dilemma’s. Vanuit een zorgvuldig wetgevingsproces bezien, wordt de voorbereiding van de uitvoering pas gestart na afronding van het wetstraject. In de praktijk zou dit bij veel trajecten echter leiden tot een doorlooptijd van minimaal drie jaar waar niet altijd ruimte voor is. Daarom wordt in voorkomende gevallen eerder gestart met de voorbereiding van de implementatie.

Alle betrokken departementen en uitvoeringsorganisaties hebben rondom dit wetsvoorstel urgentie gevoeld vanwege de uitspraak van de hoogste bestuursrechter en het belang van het opheffen van ongeoorloofde discriminatie van vrouwen en de bescherming van werknemers. De betrokken partijen wilden ook graag prioriteit geven aan het beëindigen van de buitenwettelijke uitvoering die er is door het uitvoeren van de uitspraak.

De betrokken organisaties hebben zich daarom ingezet om de invoeringsdatum van 1 januari 2026 te halen. Het was een krap en ambitieus tijdspad, zowel voor de uitvoering als voor de parlementaire behandeling, maar leek lange tijd haalbaar en realistisch. Met die gedachte is begin 2025 opdracht verstrekt aan de betrokken uitvoeringsorganisaties om de ICT-systemen te wijzigen en is het wetsvoorstel op 13 mei 2025 ingediend bij uw Kamer.4 Deze opdracht heeft ertoe geleid dat de uitvoering in september 2025 onomkeerbare stappen had gezet in het proces van invoering van de beoogde wetswijzigingen. Te lang is toen gedacht dat het wetsvoorstel alsnog tijdig behandeld kon worden om te voorkomen dat bij het herstellen van de ene buitenwettelijke situatie (na de uitspraak van de CRvB) een andere buitenwettelijke situatie zou ontstaan. Dat is helaas niet gelukt en dat had anders gemoeten.

Geleerde lessen

Het informeren – en meenemen van uw Kamer had eerder gemoeten. Reflecterend hadden regering en de uitvoering hier scherper op moeten zijn en realistischer moeten plannen, zeker toen duidelijk werd dat er een verkiezingsreces voor de Tweede Kamer zou zijn in het najaar. In dit proces had op het moment dat de uitvoering voornemens was onomkeerbare stappen te zetten, dit door de betrokken departementen gemeld moeten worden aan uw Kamer. Dit, zodat de Kamer in een eerder stadium de mogelijkheid had gehad hierop te reageren en indien gewenst hierop te kunnen acteren. Uw Kamer is echter pas in november 2025, met het verzoek tot spoedige behandeling van het wetsvoorstel, per brief5 hierover geïnformeerd. Dat was echt te laat.

De afgelopen periode is het parlementaire proces, meer specifiek hoe het gelopen is, in verschillende ambtelijke overleggen geagendeerd en besproken. Dit met als doel geleerde lessen binnen de brede rijksoverheid te delen en daarmee te borgen. Om het proces, zoals het is gelopen, zo breed mogelijk te delen, zijn ook interdepartementale overleggen benut. Hierbij is het belang besproken uw Kamer in dergelijke dossiers tijdig mee te nemen, bijvoorbeeld middels technische briefings en hierin duidelijk te maken welke deadlines er zijn om tijdige inwerkingtreding te kunnen waarborgen. En ook om daarbij aan te geven welke rol het parlement daarin kan spelen. Zo moeten uitvoeringskaders vaak al ruim van te voren duidelijk zijn. Het meenemen van uw Kamer in dergelijke complexiteit is dan ook cruciaal.

Tot slot

Deze casus onderstreept andermaal het belang van de trialoog tussen het parlement, de ministeries en uitvoeringsorganisaties. Zowel het tijdig opvolging geven aan rechterlijke uitspraken als een goede uitvoering en parlementaire behandeling zijn allemaal belangrijk. Als medewetgever dient uw Kamer voldoende ruimte te hebben zich uit te spreken over wetsvoorstellen.

Het is aan de regering om daarvoor te zorgen en om te zorgen voor goede en tijdige informatievoorziening aan de Kamer. Waaronder: 1) het duidelijk vermelden van de «go en no-go»-momenten ten aanzien van de implementatie door de uitvoeringsorganisaties, en 2) het inrichten van een duidelijke «governance-structuur» bij een wetsvoorstel dat meerdere departementen en uitvoeringsorganisaties raakt. Daarbij is het van belang uw Kamer goed mee te nemen in de achtergrond van het wetsvoorstel, hoe het wetsvoorstel wordt geïnterpreteerd en wat de consequenties zijn voor zowel de burgers als de uitvoering wanneer de behandeling wordt uitgesteld en vertraagd.

Mede namens de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief