Ontvangen 22 januari 2026
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
Na artikel VII wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt ten behoeve van een verzekerde als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Zorgverzekeringswet die een vergoeding ontvangt in de vorm van een Zvw-pgb als bedoeld in artikel 13a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet gedurende een periode van ten minste twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel een bedrag ter beschikking indien het loon dat de zorgverlener na aftrek van de loonbelasting als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de loonbelasting 1964 als gevolg van deze wet in de praktijk ontvangt lager is dan het inkomen uit werk en woning na aftrek van de inkomstenbelasting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 dat deze zorgverlener op de dag voor inwerkingtreding van deze wet ontving voor dezelfde zorg of dienst.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de compensatie van verzekerden, bedoeld in het eerste lid.
Met dit amendement wil de indiener een oplossing regelen voor houders van een persoonsgebonden budget (pgb) die hogere loonkosten ondervinden als gevolg van de Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis (Wet aanpassing Rdah) maar deze niet kunnen verrekenen in het tarief dat zij hanteren voor hun zorgverlener. De indiener stelt met dit amendement voor dat er ook in de wet duidelijkheid wordt geboden over de tijdelijke compensatie van pgb-houders in relatie tot de Regeling dienstverlening aan huis. Deze compensatie is slechts voor twee jaar. Indien bij het aflopen van deze termijn geconcludeerd wordt dat langdurige of structurele compensatie noodzakelijk is, dan wil de indiener bewerkstelligen dat hiertoe snel en goed kan worden overgegaan. Dit amendement regelt daartoe de benodigde grondslag.
Als gevolg van de Wet aanpassing Rdah zullen pgb-houders veel werkgeversverplichtingen erbij krijgen die zij nu nog niet hebben. Hoewel hiermee uitvoering gegeven wordt aan een rechterlijke uitspraak, betekent dit een verhoging van de financiële en administratieve lasten voor pgb-houders. In sommige gevallen kan die best fors zijn.
Voor budgethouders die een pgb ontvangen op grond van artikel 13a van de Zorgverzekeringswet (Zvw-pgb), geldt dat zij gehouden zijn aan maximumtarieven die door hun verzekeraar worden gehanteerd. Deze tarieven worden niet altijd aangepast aan de hand van de Wet aanpassing rdah, waardoor deze pgb-houders de extra werkgeverslasten niet kunnen verrekenen in het tarief dat zij hanteren, nog los van het feit of zij de middelen daarvoor hebben. De extra werkgeverslasten gaan daarmee ten laste van het netto-uurloon van de zorgverlener. De indiener vindt dit onwenselijk, met name in gevallen waarbij het maximumtarief van de verzekeraar onder het tarief ligt dat bij algemene maatregel van bestuur door de regering wordt vastgesteld. Daarom stelt indiener met dit amendement voor de mogelijkheid te bieden voor tijdelijke compensatie.
Neijenhuis