Kamerstuk 36560-VIII-1

Jaarverslag Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2023

Dossier: Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2023

Gepubliceerd: 15 mei 2024
Indiener(s): Mariƫlle Paul (VVD)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36560-VIII-1.html
ID: 36560-VIII-1

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP (VIII)

Ontvangen 15 mei 2024

Vergaderjaar 2023–2024

GEREALISEERDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Gerealiseerde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 miljoen).Totaal € 55.122,88

Figuur 2 Gerealiseerde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x € 1 miljoen).Totaal € 2.024,24

A. ALGEMEEN

1 1. Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

Aan de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bieden de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) over het jaar 2023 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 2.37 en 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verzoeken wij de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs decharge te verlenen over het in het jaar 2023 gevoerde financiële beheer.

Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 7.14 van de Comptabiliteitswet 2016 een rapport op. Dit rapport wordt op grond van artikel 7.15 van de Comptabiliteitswet 2016 door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Algemene Rekenkamer over:

  • 1. het gevoerde begrotingsbeheer, financieel beheer, materiële bedrijfsvoering en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk;

  • 2. de centrale administratie van de schatkist van het Rijk van het Ministerie van Financiën;

  • 3. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • 4. de totstandkoming van de niet-financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • 5. de financiële verantwoordingsinformatie in het Financieel jaarverslag van het Rijk.

Bij het besluit tot dechargeverlening worden verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken betrokken:

  • 1. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2023;

  • 2. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • 3. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • 4. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel jaarverslag van het Rijk, over 2023 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten over 2023, alsmede over de saldibalans over 2023 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken Slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en WetenschapRobbertDijkgraaf

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs,MariëllePaul

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de Voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. Leeswijzer

Het departementaal jaarverslag 2023 bestaat uit de volgende onderdelen:

  • een algemeen deel;

  • het beleidsverslag;

  • de jaarrekening;

  • de bijlagen.

De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs is verantwoordelijk voor artikel 1 (primair onderwijs), artikel 3 (voortgezet onderwijs), artikel 9 (arbeidsmarkt- en personeelsbeleid) en Leven Lang Ontwikkelen. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor de overige artikelen. De verdeling van de beleidsterreinen tussen de Ministers en de Staatssecretaris is vastgelegd in de portefeuilleverdeling van Kabinet Rutte IV.

Algemeen deel

Het Algemeen deel bevat de aanbieding van het departementaal jaarverslag, het verzoek tot dechargeverlening en deze leeswijzer.

Grondslagen voor de vastlegging en de waardering

De verslaggevingsregels en waarderingsgrondslagen die van toepassing zijn op de in dit jaarverslag opgenomen financiële overzichten zijn ontleend aan de Comptabiliteitswet 2016 en de daaruit voortvloeiende regelgeving, waaronder de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2024 en de Regeling agentschappen. Voor de departementale begrotingsadministratie wordt het verplichtingen-kasstelsel toegepast en voor de baten-lasten agentschappen het baten-lastenstelsel.

Groeiparagraaf

Ten opzichte van het jaarverslag 2022 zijn, conform de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2024, de volgende wijzigingen aangebracht:

  • bijlage Focusonderwerp Financieel Jaarverslag Rijk (FJR) 2023

    De Tweede Kamer heeft het kabinet verzocht om bij de verantwoording over het jaar 2023 aandacht te besteden aan resultaatbereik in relatie tot onderuitputting, als gevolg van bijvoorbeeld arbeidskrapte.

    In de bijlage wordt een overzicht gegeven van de specifieke onderuitputting in 2023 per begrotingsartikel, zowel in miljoenen euro’s als in percentage van de vastgestelde begroting 2023;

  • ongekend onrechthet onderdeel beleidsprioriteiten bevat een rapportage zoals bedoeld in de brief van de Minister-President d.d. 26 juni 2023 (Kamerstuk II 2022/23, 35510, nr. 135). Daarin is aan de desbetreffende bewindspersonen verzocht te rapporteren over het vervolg op het rapport "Ongekend onrecht";

  • saldibalans

    • In de saldibalans is onder balanspost 14 Andere verplichtingen het subkopje "Niet uit de balans blijkende financiële risico's voortkomend uit lopende juridische procedures" opgenomen;

    • om de toelichting van de mutaties van bestemmingsfondsen en -reserves beter aan te sluiten op de balans voor resultaatbestemming is in de jaarverantwoordingen van de agentschappen een wijziging doorgevoerd. De resultaatbestemming wordt voortaan in een afzonderlijk overzicht gepresenteerd en opgenomen onder de staat van baten en lasten. De in de staat van baten en lasten opgenomen regels «Mutatie Pok/ Wau gelden» en «Saldo van baten en lasten na resultaatbestemming» komen hierdoor te vervallen.

Informatie in begroting, jaarverslag en andere relevante publicaties

De begroting en het jaarverslag zijn compacte documenten en toegespitst op de financiële informatie. Door ook in te gaan op de niet-financiële informatie, kan meer inzicht worden gegeven in de impact van het beleid en de publieke middelen die daarvoor worden ingezet.

Om de impact van ons beleid zichtbaar te maken in de begroting en later ook hierover te verantwoorden in het jaarverslag, wordt de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) gebruikt. Daarnaast wordt met beleidsindicatoren de voortgang van beleid thematisch en per sector in beeld gebracht via OCW in Cijfers. Het gaat daarbij om de kwantitatieve en kwalitatieve resultaten van monitoring en evaluatie van beleid. In de begroting en het jaarverslag worden de belangrijkste uitkomsten op de beleidsprioriteiten die in de beleidsagenda/beleidsverslag zijn opgenomen weergegeven.

In de begroting 2023 is een eerste stap gezet naar een nieuwe aanpak voor het rapporteren over de voortgang van beleid. Het betreft momenteel een overgangsfase, waarbij zowel de nieuwe aanpak voor rapportage over beleid én het beleid verder wordt uitgekristalliseerd. In de nieuwe aanpak wordt kwantitatieve en kwalitatieve informatie geïntegreerd in de beleidsagenda. De beleidsartikelen presenteren de kengetallen in de vorm van tabellen. De huidige set aan kengetallen is geëvalueerd en alleen bruikbare en relevante kengetallen zijn opgenomen in de begroting van 2023.

Deze nieuwe aanpak voor rapportage over het beleid kan in de begroting van OCW voor 2024 voor het eerst in de hele cyclus worden toegepast. In de tussenliggende periode wordt de informatievoorziening hiertoe op OCW in Cijfers verder doorontwikkeld.

Onderstaand schema geeft grafisch een totaalbeeld van welke informatie en verantwoording van het OCW-beleid gedurende een begrotingscyclus aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.

Figuur 3 Schematische weergave van de informatie aan de Tweede Kamer gedurende de begrotingscyclus

Figuur 3 geeft door middel van een schematische weergave de informatie aan de Tweede Kamer  gedurende de begrotingscyclus weer. De volgende informatiebronnen worden tussen Prinsjesdag en Verantwoordingsdag verstuurd naar de Tweede Kamer: Begroting, Begrotingsinfo op www.ocwincijfers.nl, Jaarwerkplan van het Onderwijs, Cultuurmonitor, Erfgoedmonitor, Mediamonitor, Eerste suppletoire begroting, Tweede suppletoire begroting, Jaarverslag, Verantwoordingsinfo op www.ocwincijfers.nl en Onderwijsverslag.

Hieronder volgt een nadere toelichting bij het schema.

Op Prinsjesdag ontvangt de Tweede Kamer de begroting van het Ministerie van OCW. Op OCW in cijfers worden onder andere de doelen uit de Beleidsagenda thematisch en per sector weergegeven. Ook is de internationale positie van het Nederlandse onderwijs in te zien en zijn de belangrijkste onderzoeksresultaten van «Education at a Glance» opgenomen, de jaarlijkse publicatie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Daarnaast geeft deze website met de infographic «Onderwijsmonitor» inzicht in de prestaties van het onderwijs. Voor cultuur & media, wetenschap en emancipatie wordt met een beknopte set indicatoren een beeld van de kwaliteit en prestaties gegeven.

Samen met de cultuursector verzamelt de Boekmanstichting via de Cultuurmonitor data en analyses over cultuur in Nederland, rapporteert ze over langlopende trends en agendeert ze op actuele ontwikkelingen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) maakt de Erfgoedmonitor. Relevant voor het mediabeleid is onder meer de Mediamonitor van het Commissariaat voor de Media.

De Inspectie van het Onderwijs heeft een belangrijke rol in het onderwijsstelsel als toezichtshouder, maar ook als leverancier van beleidsinformatie. Jaarlijks verschijnt de Staat van het Onderwijs (Kamerstukken II 2022/23, 36200 VIII, nr. 221), waarin beschreven wordt wat goed gaat en wat er beter kan in het onderwijs. Over de financiële positie van publiek bekostigde onderwijsinstellingen verschijnt jaarlijks een brief (Kamerstukken II 2023/24, 33495, nr. 124).

Gedurende het jaar wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de begrotingsuitvoering door middel van de Eerste Suppletoire Begroting (Voorjaarsnota) en de Tweede Suppletoire Begroting (Najaarsnota).

Ook worden gedurende het jaar allerlei beleidsdocumenten zoals actieplannen, beleidsdocumenten, beleidsevaluaties en beleidsdoorlichtingen naar de Tweede Kamer gestuurd. Wetsvoorstellen worden ter behandeling aangeboden en algemene maatregelen van bestuur worden voorgehangen. Over verschillende beleidsterreinen worden brieven naar de Tweede Kamer gestuurd, onder andere ter nadere uitwerking van de beleidsagenda en de begroting. Hierover vindt vaak separaat overleg met het parlement plaats. De actieplannen geven voor de verschillende beleidsterreinen een beeld van het beleid. Beleidsdoorlichtingen en andere evaluaties verschaffen inzicht in de effectiviteit van beleid.

De derde woensdag in mei is Verantwoordingsdag. De Tweede Kamer ontvangt dan het jaarverslag van het Ministerie van OCW, en de laatste stand van zaken van de voortgang op de begrotingsdoelen en ambities zoals opgenomen in het Beleidsverslag. Ook wordt het Onderwijsverslag aan de Tweede Kamer toegestuurd.

Beleidsverslag

Het beleidsverslag kent de volgende onderdelen:

  • de beleidsprioriteiten;

  • de beleidsartikelen;

  • de niet-beleidsartikelen;

  • de bedrijfsvoeringparagraaf.

De beleidsprioriteiten

In het onderdeel over de Beleidsprioriteiten blikken we terug op de activiteiten die hebben plaatsgevonden in 2023. Hierbij wordt per beleidsterrein aangegeven welke concrete stappen zijn genomen, inclusief de relevante beleidsindicatoren. Deze beleidsindicatoren zijn in overeenstemming met de beleidsprioriteiten zoals vastgesteld in de begroting voor 2023, en deze zijn te herleiden binnen de zeven hoofddoelen zoals geformuleerd in de Beleidsagenda van dat jaar. Daarnaast zijn enkele beleidsindicatoren opgenomen die een realisatie laten zien gedurende het kalenderjaar 2023.

Verder bevat het beleidsverslag een overzicht coronasteunmaatregelen, een budgettair overzicht Oekraïne, de strategische evaluatie agenda, een overzicht van risicoregelingen en de openbaarheidsparagraaf.

De beleidsartikelen

De beleidsartikelen bestaan uit de volgende onderdelen:

  • een algemene doelstelling met een toelichting daarop;

  • een passage gewijd aan de verantwoordelijkheid van de Ministers;

  • relevante kengetallen;

  • de beleidsconclusies;

  • de tabel budgettaire gevolgen van beleid;

  • een toelichting op de financiële instrumenten.

Tabel «budgettaire gevolgen van beleid»

De tabel «budgettaire gevolgen van beleid» bevat een vaste indeling naar soorten financiële instrumenten volgens de Rijksbegrotingsvoorschriften. In de kolom «Vastgestelde begroting» is de stand weergegeven van de ontwerpbegroting (derde dinsdag van september) plus de mutaties die bij een nota van wijziging, amendement of motie ten opzichte van de ontwerpbegroting (dus na de derde dinsdag van september, maar voor de mutaties eerste suppletoire begroting) zijn aangebracht.

Relatie verplichtingen versus uitgaven

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid staan naast de uitgaven en de ontvangstenmutaties ook verplichtingenmutaties. Bij de verplichtingen wordt ook aangegeven welk deel garantieverplichtingen betreft. Het gaat hier met name om zogenaamde garanties voor her- en nieuwbouw in het onderwijs in het kader van schatkistbankieren, kredietgaranties/verzekeringen in de cultuursector en de garanties voor de rekening courantlimieten die instellingen aanhouden bij het Ministerie van Financiën. Bij kredietgaranties/verzekeringen moet gedacht worden aan een indemniteitsregeling voor kunstvoorwerpen die op uitleenbasis in een Nederlands museum zijn tentoongesteld.

Toelichting financiële instrumenten

In de toelichting op de financiële instrumenten zoals opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid worden de voornaamste verschillen verklaard tussen de oorspronkelijke begroting en de realisatie. De kasuitgaven zijn voor deze toelichting leidend. In het algemeen is er in de begroting sprake van een vaste verhouding tussen de verplichtingen en uitgaven die gerelateerd zijn aan het bekostigingsmoment voor scholen/instellingen. Er geldt daarom alleen een aanvullende, aparte toelichting voor de verplichtingenmutaties als er sprake is van een opmerkelijk verschil met de uitgavenmutaties. Hiervoor wordt het procentuele realisatieverschil bij de verplichtingen vergeleken met het procentuele realisatieverschil bij de uitgaven. En als het verschil tussen deze percentages meer dan 10 bedraagt, dan worden de verplichtingenmutaties apart toegelicht.

In de toelichting op de financiële instrumenten wordt daarnaast toegelicht waarvoor de instrumenten bedoeld waren. Hierbij wordt aangesloten bij de toelichting uit de begroting. Indien relevant, wordt op bondige wijze ingegaan op verschillen tussen de budgettaire raming en de realisatie in het verslagjaar. Voor de toe te lichten instrumenten wordt een keuze gemaakt op basis van financieel belang en/of politieke relevantie. Als norm voor financieel belang geldt de voorgeschreven staffel uit de Rijksbegrotingsvoorschriften.

De niet-beleidsartikelen

Er zijn twee zogenaamde niet-beleidsartikelen:

  • 1. op artikel 91 (Nominaal en onvoorzien) wordt een overzicht gegeven van de verdelingen van tijdelijk geparkeerde middelen, zoals de loon- en prijsbijstelling;

  • 2. op artikel 95 (Apparaat Kerndepartement) worden de apparaatsuitgaven van het kerndepartement, de apparaatskosten van de inspecties en adviesraden, baten-lastenagentschappen en een aantal zbo's en rwt's verantwoord.

De bedrijfsvoeringparagraaf

In de bedrijfsvoeringparagraaf wordt verslag gedaan over de bedrijfsvoering. De paragraaf bevat tevens de mededeling bedrijfsvoering. Deze heeft betrekking op het financieel- en materieel beheer en de daarvoor bijgehouden administraties.

Jaarrekening

De jaarrekening bevat de departementale verantwoordingsstaat, de samenvattende verantwoordingsstaat agentschappen, de jaarverantwoording van de agentschappen Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), het Nationaal Archief (NA), de saldibalans en de publicatie Wet normering topinkomens (WNT)-verantwoording.

Bijlagen

De volgende bijlagen zijn opgenomen:

  • toezichtrelaties rechtspersonen met een wettelijke taak en zelfstandige bestuursorganen;

  • Afgerond evaluatie- en overig onderzoek;

  • externe inhuur;

  • financieel beeld van het onderwijs - landelijk en per sector;

  • rijksuitgaven Caribisch Nederland;

  • moties en toezeggingen;

  • Nationaal Groeifonds;

  • focusonderwerp Financieel Jaarverslag Rijk 2023.

B. HET BELEIDSVERSLAG

3. Beleidsprioriteiten

Inleiding

De basis echt op orde krijgen. Met die ambitie ging het kabinet aan de slag op veel van de beleidsterreinen van onderwijs, cultuur en wetenschap. In het tweede jaar van het kabinet werden verschillende plannen concreter en gingen nieuwe wetten in.

Onderwijs, cultuur en wetenschap zijn de zuurstof voor onze samenleving. Ze kunnen maatschappelijke verschillen kleiner maken, helpen ons om de grote opgaven van de samenleving aan te pakken, bieden nieuwe inzichten en zorgen voor verbinding en begrip.

Primair en voortgezet onderwijs

Tegelijkertijd staat het ministerie voor grote opgaven. Het lerarentekort is nog steeds te groot, er moeten nog veel arbeidskrachten opgeleid worden en basisvaardigheden moeten in het gehele onderwijs beter. Daar zijn het afgelopen jaar belangrijke initiatieven voor uitgevoerd. Zo hebben we een Realisatie-Eenheid Lerarentekort ingesteld. En met het Masterplan Basisvaardigheden hebben we als doel dat iedere leerling zich voldoende ontwikkelt op lezen, schrijven en rekenen om echt mee te kunnen doen.

Middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs

Het Nederlandse onderwijsstelsel heeft een brede waaier aan gelijkwaardige opleidingsmogelijkheden voor iedereen. In 2023 is gewerkt aan meer kansengelijkheid en een stevigere positie en meer waardering voor het beroepsonderwijs en het mbo. Onder andere met het Stagepact, waarin afspraken zijn gemaakt over betere stagebegeleiding, uitbannen van stagediscriminatie, voldoende stageplekken en een passende vergoeding. Ook zijn terugbetaalvoorwaarden van mbo-studenten voor de studiefinanciering gelijkgetrokken met hbo- en wo-studenten. Ook zijn er maatregelen genomen om de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt en kansengelijkheid te verbeteren. Dit wordt onder andere gerealiseerd met betere loopbaanbegeleiding, onderzoek naar meer sturende maatregelen op studentstromen, het stimuleren van samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven. Tevens worden studenten, werkenden en werkzoekenden gestimuleerd om zich een leven lang te ontwikkelen. Tot slot is medio 2023 het wetsvoorstel «Wet internationalisering in balans» aangeboden ter advisering aan de Onderwijsraad. Met dit voorstel wordt gewerkt aan gerichte interventies om de intrinsieke waarde van internationalisering te kunnen behouden en de kwaliteit en toegankelijkheid van het hoger onderwijs te waarborgen.

Onderzoek en wetenschap

Dit kabinet heeft fors investeringen gedaan in onderzoek en wetenschap, onder andere met het Fonds voor Onderzoek en Wetenschap. Gedurende tien jaar wordt € 5 miljard extra geïnvesteerd en daarbovenop komt er structureel € 700 miljoen per jaar bij, voor vervolgonderwijs en wetenschap. Hoger onderwijs, onderzoek en wetenschap kunnen namelijk de maatschappij alleen blijven voorzien van baanbrekend onderzoek, kwalitatief hoogstaand onderwijs, inzicht in maatschappelijke oplossingen en brede duurzame welvaart als er sprake is van een gezond en sterk fundament. De afgelopen jaren is een start gemaakt met het verstevigen van dat fundament, zo slaagt OCW er samen met het hele hoger onderwijs en onderzoeksveld in om meer rust en ruimte te realiseren na jaren van tekorten en hoge werkdruk. Voor de kwaliteit van het onderwijs, de positie van de wetenschap, het concurrentievermogen van onze economie en in het bijzonder voor de mensen die werkzaam zijn in onderwijs en wetenschap blijft het nodig hier de komende jaren in te investeren.

Sociale veiligheid en gelijke behandeling

Het is ongelooflijk belangrijk dat iedereen zichzelf kan zijn, hun werk veilig kan doen en veilig onderwijs kan volgen, waar dan ook. Dat is goed voor ieder persoonlijk en ook voor wat je als team of organisatie kunt bereiken. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft zich op veel terreinen ingezet voor meer veiligheid, inclusiviteit, diversiteit en gelijke behandeling, zowel op sociaal gebied als op institutioneel niveau. Belangrijk is de aanpassing in 2023 van artikel 1 van de Grondwet, waarmee handicap en seksuele gerichtheid zijn toegevoegd aan het artikel als specifieke gronden voor gelijke behandeling. Andere maatregelen zijn een eerste inventarisatie van de mogelijkheid om non-binaire geslachtsvermelding in te voeren, het voorbereiden van het wetsvoorstel dat strekt tot het schrappen van de geslachtsvermelding op de Nederlandse identiteitskaart en een eerste verkenning naar de consequenties van de invoering van meerouderschap en -gezag. Er is gelukkig steeds meer aandacht voor sociale veiligheid. Zo is de positie van journalisten en wetenschappers versterkt. Door onze inzet op PersVeilig ondersteunen we journalisten die als gevolg van hun werk in een onveilige situatie terecht komen. Daarnaast is er veel aandacht geweest voor welzijn en sociale veiligheid op scholen, voor leerlingen, studenten en docenten. Verder is er ook ingezet om binnen de cultuur- en mediasector problemen rond sociale veiligheid aan te pakken.

Cultuur en media

Op het terrein van cultuur en media was een eerlijke betaling voor makers in de culturele sector een speerpunt, en hebben we voorbereidingen getroffen voor de nieuwe BIS-subsidies. Daarnaast zijn er stappen gezet ten aanzien van het versterken van de lokale publieke omroepen en de commissie Van Geel onderzocht de landelijke publieke omroep. Hiermee hebben we verder gewerkt aan een medialandschap dat klaar is voor de toekomst.

Met het ministerie sluiten we ook aan bij andere belangrijke ontwikkelingen in de samenleving. Na de excuses van het kabinet in 2022 startte afgelopen jaar het Herdenkingsjaar Slavernijverleden. Vanuit OCW wordt aan verschillende initiatieven ondersteuning geboden, zoals publieksvoorlichting en samenwerking met en financiële ondersteuning van het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis. Ook hebben we de Uitvoeringsagenda Klimaat & Energie gepresenteerd. Tot slot heeft het ministerie haar beleidsprioriteiten ook internationaal ingezet, specifiek in Caribisch Nederland en met de Caribische landen van het Koninkrijk der Nederlanden.

Uitwerking

In de begroting 2023 werden in de beleidsagenda de plannen en de beoogde resultaten uiteengezet aan de hand van zeven hoofdthema’s. Deze thema’s correspondeerden ook met de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) van het Ministerie van OCW. Aanvullend op deze hoofdthema’s heeft het kabinet toegezegd om in de beleidsprioriteiten van het jaarverslag een terugkoppeling te geven over het vervolg op het rapport Ongekend Onrecht op het beleidsterrein van OCW.

1.  Een sterke basis en hoge kwaliteit

Het was en is onze eerste prioriteit om de basisvaardigheden te verbeteren. Er is in 2023 geïnvesteerd in de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek. Het streven is om over de gehele linie in het primair en voortgezet onderwijs en in het middelbaar beroepsonderwijs de prestaties te verbeteren. Het doel daarbij was, dat iedere leerling en student datgene leert wat hij of zij nodig heeft om zich staande te houden in de maatschappij.

Masterplan Basisvaardigheden primair en voortgezet onderwijs

In het coalitieakkoord is € 1 miljard aan structurele middelen opgenomen om de onderwijskwaliteit te versterken. Een onderdeel hiervan is het Masterplan Basisvaardigheden, waarover de Tweede Kamer op 28 november 2023 is geïnformeerd. Met het Masterplan Basisvaardigheden is ingezet op het verbeteren van de leergebieden taal, rekenen-wiskunde, burgerschap en digitale geletterdheid.

In het kader van het Masterplan Basisvaardigheden zijn in 2023 ruim drieduizend scholen aan de slag gegaan met de subsidie verbetering basisvaardigheden. Een deel daarvan is eind 2022 al begonnen. Scholen met het oordeel onvoldoende of zeer zwak kregen bij het verdelen van de subsidie voorrang; bij 152 zogenaamde prioriteitsscholen is de subsidie toegekend in 2023. De veertien onderwijscoördinatoren die in dienst zijn bij OCW bieden ondersteuning aan scholen die subsidie ontvangen. Zij helpen scholen evidence-informed te werken en de onderwijskwaliteit te verbeteren, waarbij de regie bij de school blijft. Eind 2023 kregen 260 scholen individuele ondersteuning, daarnaast zijn er vier startbijeenkomsten georganiseerd voor ruim 600 scholen. Van deze ruim 600 scholen hebben 215 scholen zich aangemeld voor één van de door de onderwijscoördinatoren begeleide leernetwerken.

De concept-kerndoelen taal en rekenen-wiskunde zijn volgens planning in september 2023 gepresenteerd. Deze verduidelijking van de kerndoelen helpt scholen om focus aan te brengen in het schoolcurriculum. Daarnaast heeft OCW in november 2023 voor het eerst de Monitor Basisvaardigheden uitgebracht die een geïntegreerd beeld geeft van de prestaties van leerlingen op de vier basisvaardigheden.

Basisvaardigheden en het mbo

Voor jongeren waarvan de basisvaardigheden nog niet op niveau zijn is het mbo de laatste mogelijkheid om die op het minimaal benodigde niveau te krijgen, een startkwalificatie te behalen en zo goed mee te kunnen komen in de maatschappij en op de arbeidsmarkt.

Er is in 2023 onderzoek gedaan naar het onderwijs in basisvaardigheden en burgerschap in het mbo en de achtergrond van de docenten die hierin les geven. De resultaten uit het onderzoeksrapport geven aanleiding om de kwaliteit van docenten basisvaardigheden te versterken. Ten slotte is met betrekking tot burgerschap het adviesrapport «Burgerschapsonderwijs in een veranderende samenleving» opgesteld. Het rapport gaat over advies van een expertgroep van docenten, lerarenopleiders en onderzoekers over de kwalificatie-eisen voor burgerschapsonderwijs in het mbo.

Leesbevordering

In 2023 is ingezet op een geïntensiveerde samenwerking op leesbevordering door onderwijs en cultuur. In 2023 is besloten om via het Masterplan Basisvaardigheden in totaal € 74 miljoen voor de schooljaren 2023/24 tot en met 2025/26 te investeren in de samenwerking tussen bibliotheken en het onderwijs, door de Bibliotheek op School op het po, vo, mbo en hbo en wo en BoekStart in de kinderopvang. Het geld komt via de bibliotheken ten goede aan scholen met een hoog percentage leerlingen die een risico op achterstand hebben (po, vmbo, pro, mbo en lerarenopleidingen). Zij kunnen voor drie jaar een samenwerking met de regionale bibliotheek opzetten of hun bestaande samenwerking voor drie jaar verlengen en door ontwikkelen. Daarnaast zijn er in 2023 extra middelen aangewend voor de ondersteuning van initiatieven die door verschillende organisaties, zoals bibliotheken, worden ingezet omwille van de leesbevordering.

Gezond en sterk fundament hoger onderwijs en wetenschap

Hoger onderwijs en wetenschap kan de maatschappij blijven voorzien van baanbrekend onderzoek, kwalitatief hoogstaand onderwijs, inzicht in maatschappelijke oplossingen en brede duurzame welvaart als er sprake is van een gezond en sterk fundament. De Voortgangsbrief bestuursakkoord en beleidsbrief hoger onderwijs en wetenschap van 12 juli 2023 laat zien hoe OCW samen met het hele hoger onderwijs en onderzoeksveld erin slaagt om rust en ruimte te realiseren na jaren van tekorten en hoge werkdruk. We zien het aandeel vaste dienstverbanden onder het wetenschappelijke personeel van universiteiten stijgen. Verder kunnen er ook, middels subsidies de Summit Grant (gepubliceerd op 28 februari), zeer waardevolle wetenschapsprojecten langjarig worden ondersteund. Het advies van de commissie starters- en stimuleringsbeurzen, onze reactie hierop en die van de universiteitsbesturen zijn een sterke basis om de uitvoering van de starters- en stimuleringsbeurzen vorm te geven. Daarnaast is ook in 2023 €200 miljoen structureel aan sectorplanmiddelen toegekend om de samenwerking en profilering tussen en binnen universiteiten op domeinniveau (bèta, techniek, sociale & geesteswetenschappen, medische & gezondheidswetenschappen) te stimuleren. In juli 2023 is het nieuwe SIA-convenant ondertekend, een verdere versterking van het praktijkgericht onderzoek. In het begin van 2023 is het Regieorgaan Open Science NL opgericht onder NWO, met als doel om toegankelijke onderzoeksresultaten de norm te maken. Een van de doelstellingen is om peer reviewed wetenschappelijke artikelen voor iedereen gratis toegankelijk te maken, wat nu in 89% van de artikelen het geval is.

Daarnaast is de bescherming van onze kennis belangrijk om de waarde ervan te versterken. Universiteiten en hogescholen implementeren de maatregelen uit de Nationale Leidraad Kennisveiligheid. In 2023 heeft een nulmeting in de vorm van een audit plaatsgevonden. Het sectorbeeld is met een beleidsreactie aangeboden aan de Tweede Kamer.

Tot slot is medio 2023 het wetsvoorstel ‘Wet internationalisering in balans’ in internetconsultatie gebracht en, na verwerking van de uitkomsten van de consultatie en de uitvoeringstoetsen, aangeboden ter advisering aan de Onderwijsraad. In dit voorstel wordt gewerkt aan gerichte interventies op het gebied van taal, fixus en regie om de intrinsieke waarde van internationalisering te kunnen behouden en de kwaliteit en toegankelijkheid van het hoger onderwijs te waarborgen.

Digitalisering

De inzet van digitale technologie is niet meer weg te denken uit de klas in het funderend onderwijs. OCW wil de kansen benutten, zoals aansprekend onderwijs op maat en verlaging van de werkdruk van leraren door betere digitale ondersteuning. Met verschillende programma’s zoals Impuls Open Leermateriaal, Edu-V, Digitaal Veilig Onderwijs en Npuls wordt gewerkt aan een veilig, toekomstbestendig en kwalitatief hoog digitaal (leer)materiaal voor het primair-, voortgezet onderwijs en het mbo.

2. Iedereen gelijke kansen

Veel is ingezet in 2023 om de kansengelijkheid te vergroten, zodat iedereen in Nederland een goed bestaan heeft ongeacht achtergrond. Iedere leerling en student moet kansen krijgen om diens volledige potentie optimaal te benutten zodat ze mee kunnen (blijven) doen in de maatschappij.

Extra investeringen voor kansengelijkheid in het primair en voortgezet onderwijs

Met het coalitieakkoord is € 1 miljard aan structurele middelen geïnvesteerd in kansen voor leerlingen in het funderend onderwijs, ongeacht hun achtergrond, het inkomen of de opleiding van hun ouders. Het doel van deze investeringen is om de onderwijskansen voor leerlingen minder afhankelijk te laten zijn van hun thuissituatie en beter aan te laten sluiten bij hun capaciteiten. Ook tien jaar na het behalen van het vo-diploma blijft er een verschil zichtbaar op grond van de opleiding van de ouders. Dit verschil is in de jaren tot 2022 niet kleiner geworden. In de Visiebrief Kansengelijkheid heeft het kabinet maatregelen aangekondigd, onder andere om de kwaliteit en het bereik van voor- en vroegschoolse educatie te verbeteren en om via het programma School & Omgeving een verlengde en verrijkte schooldag te bieden aan leerlingen.

School en Omgeving en Schoolmaaltijden in primair en voortgezet onderwijs

Vanuit het programma School & Omgeving (S&O) kregen ruim 100.000 leerlingen verspreid over Nederland een verlengde en verrijkte schooldag waarin ruimte is voor onder andere huiswerkbegeleiding, sport en cultuur. Vijf coalities krijgen het geld voor S&O via de interdepartementale Specifieke Uitkering (SPUK) Kansrijke Wijk, waarmee middelen van SZW en OCW gebundeld worden toegekend aan de focusgebieden. De overige middelen worden aan coalities verstrekt middels een subsidie aan scholen. Verder maken meer dan één op de vijf scholen (totaal: 1870 scholen) gebruik van het programma Schoolmaaltijden. Uit het onderzoek naar de opbrengsten van Schoolmaaltijden blijkt dat een ruime meerderheid van de deelnemende kinderen met minder honger in de klas zit, zich beter kan concentreren, gezonder en gevarieerder eet en het grootste deel van de gezinnen minder financiële stress ervaart.

Maatschappelijke diensttijd (MDT)

MDT is er voor alle jongeren in de leeftijd van 12-30 jaar. Tot en met 2023 hebben ruim 100.000 jongeren een MDT-traject gedaan en zich gedurende zes maanden voor minimaal 80 uur ingezet. Het aanbod van MDT is divers en sluit aan bij de interesses van de jongeren en gaat langs de drie pijlers van MDT: talentontwikkeling, iets vrijwillig doen voor een ander en het ontmoeten van mensen buiten hun eigen leefwereld. Subsidie voor MDT wordt aangevraagd door een partnerschap. De bekendheid van MDT bij scholen is in 2023 vergroot en er is gezorgd voor ondersteuning aan scholen bij de integratie in het onderwijsprogramma. Wanneer MDT wordt aangeboden binnen het onderwijsprogramma is het vaak in het kader van burgerschap of loopbaanoriëntatie –en begeleiding. Op dit moment zijn er zo’n 200 partnerschappen actief, waarvan ruim 2.000 formele samenwerkingspartners en zijn een veelvoud aan informele partners betrokken. Er zijn 19 regionale samenwerkingsverbanden gevormd in 2023 om een passend aanbod te faciliteren.

Extra investeringen in leerroutes vo, mbo, hbo en wo

De periode 2014-2022 zijn er verschillende experimenten uitgevoerd om de aansluiting en samenwerking tussen het vmbo, mbo en hbo te verbeteren. In 2023 is het rapport ‘Doorlopende leerroutes vmbo-mbo 2014-2022’ gepubliceerd waarin de eindevaluatie van deze experimenten staan. Dit rapport bevat de eindmeting monitor vakmanschap-, technologie- en beroepsroutes. Verschillende samenwerkingsinitiatieven van vmbo-scholen en mbo-instellingen hebben in de periode 2014-2022 de ruimte gekregen om doorlopende leerroutes vorm te geven in de vakmanschapsroutes (vmbo-mbo 2), technologieroutes (vmbo-mbo 3) en beroepsroutes (vmbo-mbo 4). Deze experimenten lagen o.a. aan de basis van de Wet doorlopende leerroutes vmbo-mbo die in 2020 in werking is getreden. Met deze wetgeving kunnen vmbo-scholen en mbo-instellingen eenvoudiger doorlopende leerroutes op zetten. Ook financiert het Ministerie van OCW hbo- en wo-instellingen om de regionale samenwerking met het vo en mbo te verbeteren en zo de doorstroom te verbeteren. In de periode 2018-2021 hebben hbo- en wo-instellingen hiervoor € 32,1 miljoen ontvangen en voor de periode 2022-2025 35,2 miljoen. Voor de besteding van middelen hebben instellingen Regionale Ambitieplannen (RAP) opgesteld, die beschrijven op welke wijze zij samen met het mbo en het vo de regionale samenwerking verbeteren.

Tegengaan stagediscriminatie mbo, hbo en wo

Stages moeten voor iedere student een veilige eerste kennismaking zijn met het werkveld. Er is geen ruimte voor discriminatie of uitsluiting. In begin 2023 is het Stagepact MBO 2023-2027 ondertekend door 16 partijen. In het Stagepact zijn afspraken gemaakt over betere stagebegeleiding, uitbannen van stagediscriminatie, voldoende stageplekken en een passende vergoeding. Scholen, leerbedrijven en de ondertekenaars van het stagepact zijn aan de slag met de implementatie van het stagepact. Met betrekking tot stagediscriminatie start een kopgroep van onderwijsteams op scholen en leerbedrijven in het schooljaar 2023-2024 met stage-matching en zijn alle scholen bezig om een toegankelijk meldpunt voor stagediscriminatie in te richten. Over de voortgang hiervan zal jaarlijks gerapporteerd worden, dit is namelijk pas het begin en er zijn nog vervolgstappen die we moeten maken.

Ook in het hbo en wo is het tegengaan van stagediscriminatie een topprioriteit en om die reden onderdeel van het bestuursakkoord dat het Ministerie van OCW met hbo- en wo-instellingen heeft afgesloten. Als uitwerking hiervan heeft het Ministerie van OCW in 2022 samen met het onderwijs- en werkveld het Manifest tegen stagediscriminatie opgesteld om stagediscriminatie uit te bannen. In 2023 zijn activiteiten verricht onder andere op de bewustwording en activering omtrent dit thema in het veld. Daarnaast vindt er kennisverzameling en -uitwisseling plaats omtrent effectieve interventies in het onderwijs.

Herinvoering basisbeurs mbo, hbo en wo

De basisbeurs is in 2023 opnieuw ingevoerd en de aanvullende beurs in het hbo en wo is verbreed. Daarnaast zijn maatregelen genomen om niet-gebruik van de aanvullende beurs tegen te gaan. Mbo’ers krijgen dezelfde terugbetaalvoorwaarden als hbo’ers en wo’ers, en de bijverdiengrens in het hoger onderwijs wordt afgeschaft. Tenslotte komt er een tegemoetkoming voor studenten die geen basisbeurs hebben gehad.

3. Lerarenstrategie

De lerarenstrategie heeft als doel om voldoende leraren en schoolleiders op te leiden, die met plezier werken in het onderwijs, goed opgeleid zijn en hun vak bijhouden. In 2023 is het onderwijsakkoord Samen voor het beste onderwijs, dat in april 2022 met sociale partners gesloten werd, verder uitgevoerd. Hiervoor is circa € 1,5 miljard geïnvesteerd in het funderend onderwijs. Deze investeringen zijn gebruikt voor het dichten van de loonkloof tussen het po en vo, het verlagen van de werkdruk in het vo en voor extra uren voor onderwijspersoneel om zich te professionaliseren en te ontwikkelen. Door deze maatregelen wordt het werken in het onderwijs een aantrekkelijk perspectief.

In 2023 is de uitvoering gestart van het werkplan Samen voor het beste onderwijs dat in december 2022 is opgesteld, samen met de sectororganisaties.1Het doel hiervan is om meer focus en slagkracht te realiseren voor de lerarenstrategie. In 2023 zijn 27 voorloper onderwijsregio’s en 2 onderwijsregio’s in oprichting gevormd. De Realisatie-Eenheid (RE) is van start gegaan en ondersteunt de vorming van de regio’s en draagt bij aan kennisdeling. De aanpak van tekorten in de G5 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere) is in 2020 geïntensiveerd. Hiervoor zijn voor een periode van vier jaar convenanten afgesloten en is per jaar € 31,6 miljoen beschikbaar. Deze convenanten lopen in augustus 2024 af. Eind 2023 is besloten de convenanten met anderhalf jaar te verlengen. Met deze verlenging wordt er op tijd duidelijkheid gegeven aan de deelnemers in de G5 op een manier die past bij de demissionaire status van het kabinet. De verlenging vindt plaats  binnen de context van de vorming van onderwijsregio’s. Daarnaast wordt er gewerkt aan het verbeteren van het strategisch personeelsbeleid en het verbeteren van de sturingsinformatie.

Er wordt samengewerkt met lerarenopleidingen, scholen en leraren aan duidelijkere eisen en grotere focus op didactische vaardigheden rond lezen, rekenen en schrijven bij lerarenopleidingen. Bij de Nationale Groeifondscommissie is in 2023 een aanvraag ingediend voor de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (NAPL). Deze middelen zijn deels voorwaardelijk en deels onvoorwaardelijk toegekend. Deze middelen kunnen vanaf 2024 door het ministerie besteed worden en geven een serieuze impuls aan de professionalisering van leraren. De subsidieregeling zij-instroom heeft gezorgd voor 2285 zij-instromers, een stijging van 15% ten opzichte van 2022. Voor het opleiden van onderwijsondersteunend personeel tot leraar in het po zijn 563 aanvragen toegekend, dit waren er minder dan verwacht. Er kon ook voor het eerst subsidie worden aangevraagd voor het opleiden van onderwijsondersteunend personeel tot leraar in het vo, deze is 125 keer toegekend.

In 2023 is ook gedragsonderzoek gedaan om inzicht te krijgen in mogelijkheden om de instroom in de opleidingen te vergroten. Hieruit is gebleken dat het behulpzaam is om scholieren te laten ervaren hoe het leraarschap is. De resultaten en aanbevelingen van dit onderzoek zijn en worden ingezet in de verdere communicatiestrategie en campagnes.

4. Gezonde arbeidsmarkt

Iedereen is nodig op de arbeidsmarkt. In 2023 is ingezet op het verminderen van de vraag naar arbeid, het vergroten van het arbeidsaanbod en het verbeteren van de match tussen vraag en aanbod. Verschillende maatregelen hebben bijgedragen aan het bevorderen van Leven Lang Ontwikkelen (LLO), het stimuleren van meer uren werken en het verbeteren van de aansluiting tussen opleiding en arbeidsmarkt.

Aanpak opleiden vakmensen en speerpunten mbo

Met onder meer de Werkagenda MBO en de Kamerbrief versterking aansluiting onderwijs arbeidsmarkt van december 2023, heeft het ministerie verschillende acties uitgewerkt met als doel om de aansluiting van het onderwijs met de arbeidsmarkt te verbeten.

Studenten maken een passende studiekeuze uit een kansrijk opleidingsaanbod

Hiertoe wordt er onder andere gewerkt aan betere loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB). Hier wordt van 2023 t/m 2027 jaarlijks € 32 miljoen aan besteed. Aanvullend wordt er door de sector gewerkt aan de aanpak kansrijk opleiden om de macrodoelmatigheid verder te verbeteren, dit wordt sinds 2023 financieel ondersteund door OCW. Voor het hbo en wo is de regeling macrodoelmatig opleidingsaanbod (het beoordelingskader voor nieuwe te bekostigen opleidingen) herzien. Daarmee wordt onder andere gestimuleerd dat vernieuwing van het onderwijs zoveel mogelijk via het bestaande opleidingsaanbod plaatsvindt, evenals meer samenwerking en afstemming tussen instellingen. Tevens is OCW in 2023 gestart met een onderzoek naar het effect van meer sturende maatregelen op studentstromen, zoals financiële prikkels voor opleidingen voor de maatschappelijke opgaven, baangaranties of numerus fixus.

OCW stimuleert samenwerking, zowel tussen onderwijssectoren als tussen onderwijs en bedrijfsleven

De subsidieregeling ‘versterking aansluiting beroepsonderwijskolom’ is in 2023 van start gegaan en focust zich op het verlagen van drempels voor studenten die een opleiding in tekortsectoren willen doen. Verschillende regio’s gaan onderzoeken of baangaranties afgegeven kunnen worden voor de betreffende sectoren.

Studenten leren relevante vaardigheden en kennis voor de toekomstige beroepspraktijk (en samenleving), op school en in de praktijk.

In 2023 is het Stagepact mbo afgesloten en werken hogescholen aan de uitvoering van de investering van € 30 miljoen. Deze investering is gericht op de hbo-opleidingen in tekortsectoren, om onder andere de instroom verder te verhogen en de uitval en switch te verlagen.

Studenten, werkenden en werkzoekenden worden gestimuleerd om zich een leven lang te ontwikkelenIn 2023 is gewerkt aan de doorontwikkeling van het online platform Leeroverzicht, waar opleidingsmogelijkheden en financiële regelingen daarvoor te vinden zijn. Ook is de LLO Katalysator van start gegaan, die werkgevers en onderwijsinstellingen stimuleert om samen te werken aan passend scholingsaanbod. De onderwijsagenda LLO is in 2023 opgesteld om het makkelijker te maken om in latere fases van je leven bij- en omscholing te volgen. Hier is een groeiende vraag naar en de agenda kan zowel in publieke als private opleiders voorzien.

Regionale samenwerking vmbo-mbo-hbo

In 2023 heeft het kabinet € 45 miljoen toegekend aan hogescholen die te maken hebben met dalende studentenaantallen als gevolg van demografische krimp. De selectie van opleidingen waaraan middelen zijn toegekend vond plaats op basis van een plan dat de Vereniging Hogescholen (VH) heeft opgesteld. De middelen zijn erop gericht om te voorkomen dat hogescholen nu al opleidingen moeten stopzetten vanwege een dalend studentenaantal. Voor een oplossing voor deze opleidingen op de lange termijn lopen gesprekken met de sector. Verder werken we op basis van de uitkomsten van de Toekomstverkenning middelbaar beroepsonderwijs, hoger onderwijs en wetenschap, en het Interdepartementaal Beleidsonderzoek MBO aan een aanpak krimp.

Gelijke positie vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt

We hebben in samenwerking met SZW verschillende stappen gezet om de verdeling van arbeids- en zorgtaken te verbeteren en de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt te versterken. Zoals het implementeren van de EU-Richtlijn loontransparantie in wetgeving en het opzetten van een pilot voor vrouwen met een migratieachtergrond in een afhankelijkheidssituatie in gesloten gemeenschappen. Verder is er zowel in de private als in de publieke sector ingezet op het verhogen van de evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende posities. Dit is gedaan middels de lancering van het Diversiteitsportaal van de SER, de monitor en het dashboard ‘Genderdiversiteit in de top van de (semi-)publieke sector’ en de organisatie van de conferentie ‘Genderdiversiteit in de top’ in september 2023. Daarnaast is in 2023 gestart met de financiering van acht allianties van maatschappelijke organisaties om de komende vijf jaar te werken aan verschillende emancipatiedoelstellingen.

Arbeidsmarkt culturele en creatieve sector

Om de zwakke positie van mensen op de arbeidsmarkt in de culturele en creatieve sector te verbeteren, is er een breed pakket aan maatregelen nodig, zo wordt geconstateerd in het SER-Advies Passie gewaardeerd. Het eerlijk belonen van makers in de culturele en creatieve sector is deze kabinetsperiode een van de speerpunten van het beleid. De Rijkscultuurfondsen, bis-instellingen en musea binnen de Erfgoedwet krijgen daarom in totaal € 36,4 miljoen extra voor fair pay. In november 2023 is de Kamerbrief over de verdeling van de fair pay middelen bekend gemaakt.

5. Sociale veiligheid en gelijke behandeling

In 2023 is ingezet om de veiligheid, toegankelijkheid en inclusiviteit van scholen, culturele instellingen, media-instellingen en onderzoeksinstellingen te waarborgen. Gelijkwaardigheid is de norm en er is veel aandacht voor de sociale veiligheid en gelijke behandeling van iedereen. Er is gestreefd om het welzijn te versterken van leerlingen, studenten en medewerkers waarbij racisme en discriminatie wordt tegengegaan.

Sociale veiligheid in het primair en voortgezet onderwijs

Met ingang van het schooljaar 2022/2023 is het toezicht van de Inspectie van het Onderwijs op sociale veiligheid geïntensiveerd. Daarnaast is in 2023 een wegwijzerwebsite gelanceerd, die leerlingen, ouders en personeel naar de juiste expertise- of meldpunt verwijst. Hierdoor kunnen deze drie groepen hun positie versterken. Verder is medio 2023 het wetsvoorstel 'vrij en veilig onderwijs’ in internetconsulatie gebracht. Dit voorstel regelt: i) de uitbreiding van de monitor sociale veiligheid voor leerlingen; ii) de verplichting en extra eisen ten aanzien van de vertrouwenspersoon; iii) de versterking van het klachtenstelsel; iv) de uitbreiding van de meld- overleg- en aangifteplicht zedenmisdrijven naar seksuele intimidatie door meerderjarigen; en v) de verplichting voor scholen om het veiligheidsbeleid jaarlijks te evalueren. Tot slot werd het wetvoorstel toezicht op informeel onderwijs geïntroduceerd, zodat kan worden opgetreden tegen signalen dat er wordt aangezet tot haat, geweld of discriminatie.

Vernieuwde monitor sociale veiligheid mbo

De Monitor Integrale Veiligheid MBO 2023 is in december gepubliceerd. De monitor geeft inzicht in het gevoel van veiligheid van studenten en medewerkers in het mbo en de rol van mbo-instellingen.

Divers talent in hoger onderwijs en onderzoek

Op 8 juni 2023 is de integrale aanpak sociale veiligheid in het hoger onderwijs gepubliceerd. De aanpak bestaat onder meer uit de toevoeging van een zorgplicht voor de sociale veiligheid van studenten in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) en een uitbreiding van de meld-, overleg- en aangifteplicht zedenmisdrijven in de WHW.

Ten slotte vinden we het belangrijk dat onderwijs- en onderzoeksinstellingen veilig, toegankelijk en inclusief zijn. Daarom hebben we een integraal plan voor sociale veiligheid opgesteld en onderzoek naar zelfcensuur laten uitvoeren in 2023, waarbij het maatschappelijke vertrouwen in de wetenschap geborgd dient te blijven.

Acceptatie, gelijke behandeling en veiligheid van lhbtiq+ personen

In 2023 is artikel 1 van de Grondwet aangepast en zijn handicap en seksuele gerichtheid toegevoegd aan het artikel als specifieke gronden voor gelijke behandeling. Verder is er een inventarisatie gedaan naar de impact, kosten en maatschappelijke behoefte van de invoering van een non-binaire geslachtsvermelding. Tevens is het wetsvoorstel dat strekt tot het schrappen van de geslachtsvermelding op de Nederlandse identiteitskaart in voorbereiding. Tenslotte is een eerste verkenning gedaan naar de consequenties van de invoering van meerouderschap en -gezag. Sinds de verduidelijking van de burgerschapswet in 2021 wordt ook in het kader van burgerschap expliciet gewezen op het belang van kennis van en respect voor verschillen in seksuele gerichtheid en op een schoolomgeving waarin iedereen zich veilig en geaccepteerd voelt ongeacht dergelijke verschillen. Ook breder vraagt de burgerschapswet aandacht voor de waarden vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Dit is in 2023 verder doorgezet.

Voorkomen en bestrijden seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld

In 2023 is het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld gepubliceerd en is gestart met de uitvoering. Daarin zijn maatregelen genomen op het gebied van communicatie, wetgeving en onderzoek, en zijn diverse maatschappelijke initiatieven ondersteund ten behoeve van een cultuurverandering. Daarnaast is de voortgang van het actieprogramma gepubliceerd en is een reactie gegeven op de publieksmonitor seksueel grensoverschrijdend gedrag. In het actieprogramma zijn tevens de activiteiten van de regeringscommissaris opgenomen en is in de Procesbrief Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld aangegeven welke acties en brieven de Kamer tot en met het eerste kwartaal van 2024 kan verwachten. Daarnaast is grensoverschrijdend gedrag in 2023 een belangrijk en urgent thema geweest binnen de culturele creatieve sector en media. Specifiek binnen de media sector heeft de Onderzoekscommissie Gedrag en Cultuur Omroepen onderzoek gedaan naar grensoverschrijdend binnen de publieke omroep.

6. Herstel, vernieuwing en groei in de culturele en creatieve sector

Het jaar 2023 stond in het teken van de uitwerking van de plannen uit het coalitieakkoord en de Meerjarenbrief cultuur - De kracht van creativiteit. Het kabinet investeert € 170 miljoen structureel extra in cultuur om herstel, vernieuwing en groei weer mogelijk te maken. Die € 170 miljoen zijn voor blijvende investeringen die de positie van cultuur en makers versterken en zorgen voor toegankelijkheid en kwaliteit in het hele land.

De coronapandemie vroeg om een periode van rust en ruimte voor herstel. Dit komt terug in deuitgangspunten voor de cultuursubsidies voor de landelijke culturele basisinfrastructuur voor de periode 2025-2028, die in juni 2023 bekend zijn gemaakt. Uitgangspunten voor de omgang met de culturele sector zijn continuïteit, ademruimte en vertrouwen. De belangrijkste beoordelingscriteria voor de basisinfrastructuur zijn: artistieke kwaliteit, maatschappelijke betekenis, toegankelijkheid, regionale spreiding en gezonde bedrijfsvoering.

Eind 2023 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel invoeren investeringsverplichting Nederlands cultureel audiovisueel aanbod dat ingaat per 2024. Grote streamingdiensten die in Nederland actief zijn, moeten 5% van hun jaaromzet investeren in Nederlandse audiovisuele producties zoals series, films en documentaires.

Archieven zijn belangrijke bronnen voor burgers, journalisten, onderzoekers en de overheid. Ze vormen het geheugen van de samenleving. Voor een goede uitvoering van de gemoderniseerde Archiefwet is in november 2021 een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend. Naar aanleiding van vragen uit de Tweede Kamer heeft dit in juli 2023 geleid tot wijziging van de wet op een aantal punten, waarover opnieuw vragen zijn gesteld.

Tenslotte ontving de Tweede Kamer op medio 2023 de beleidsreactie op de beleidsdoorlichting Erfgoed. De beleidsreactie gaat in op de doorlichting van de Erfgoedwet, gebouwd en groen erfgoed, erfgoed en leefomgeving, archeologie, roerend erfgoed, immaterieel erfgoed en digitalisering.

Bibliotheken

In november 2023 is de stand van zaken gepubliceerd aangaande de versterking van het stelsel van openbare bibliotheken. Van de 342 gemeenten hebben 148 gemeenten een aanvraag ingediend voor in totaal 209 bibliotheeklocaties en voorziet deze maatregel in een grote behoefte. De maatregel biedt gemeenten een unieke kans het bibliotheekwerk te versterken en te verbeteren. Het heeft het gesprek en de ideeontwikkeling over de functie van de bibliotheek in de lokale situatie op gang gezet en versnelt daardoor de realisatie van plannen van gemeenten en bibliotheken. De plannen zijn o.a. om de openbare bibliotheek op zoveel mogelijk plaatsen terugbrengen, als plek waar mensen kunnen lezen, leren en elkaar ontmoeten. De investering in bibliotheken komt ook de basisvaardigheden ten goede omdat het de leesbevordering stimuleert.

7. Versterking van het lokale en landelijke medialandschap

Omdat een onafhankelijke, kritische en gedegen journalistiek van fundamenteel belang is voor de samenleving en de democratie heeft het kabinet in 2023 een bedrag van € 14 miljoen geïnvesteerd in de onderzoeksjournalistiek en de pers-veiligheid en vrijheid. Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (SvdJ) en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (FBJP) faciliteren de journalistiek met financiële middelen, inhoudelijke expertise en begeleiding. Voor beide fondsen geldt dat er steun beschikbaar is voor journalisten, als ook voor individuen, mediaorganisaties en samenwerkingsverbanden die zowel voor publieke als private media werken. Het SvdJ is in 2023 gestart met de subsidieregeling incubator, waarin gezamenlijk met de journalistieke sector vraagstukken en knelpunten in de onderzoeksjournalistiek worden uitgewerkt om tot oplossingen voor de gedeelde problematiek te komen.

Voor lokale omroepen is op 30 mei 2023 de visiebrief lokale omroepenmet de Tweede Kamer gedeeld waarin maatregelen zijn aangekondigd om het fundament onder lokale omroepen fors te verstevigen. In 2023 heeft het kabinet een bedrag van € 16 miljoen geïnvesteerd om te zorgen voor meer professionaliteit en kwaliteit van de lokale omroepen. Een stand van zaken over de genoemde visiebrief is op 19 december 2023 naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarnaast is er extra in de samenwerking tussen publieke omroepen geïnvesteerd op landelijk, regionaal en lokaal niveau en in private regionale en lokale journalistieke organisaties.

Over de landelijke publieke omroep heeft het adviescollege Van Geel op 25 september 2023 zijn eindrapport Eenheid in Veelzijdigheid opgeleverd. Het doel hiervan was het komen tot nieuwe legitimatiecriteria voor de publieke omroep, waarbij de belangen van eigentijdsheid, kwaliteit, pluriformiteit en maatschappelijk draagvlag gewaarborgd blijven. Het rapport doet 50 aanbevelingen over alle elementen van de publieke omroep waarmee een volgend kabinet aan de slag kan.

Ongekend onrecht

Voor de ministeries die het aangaat, zoals OCW, bevat het onderdeel beleidsprioriteiten een rapportage over het vervolg op het rapport Ongekend onrecht. Er wordt uitsluitend ingegaan op de punten uit het rapport waar de Tweede Kamer van heeft verzocht verantwoording voor af te leggen in het jaarverslag 2023. Vanuit OCW wordt er veel nadruk gelegd op de opvolging van het rapport waarbij er verschillende plannen en activiteiten worden uitgevoerd.

In het kader van de hersteloperatie toeslagen worden publieke schulden van gedupeerde ouders in de toeslagenaffaire kwijtgescholden waarbij dit ook geldt voor de huidige partner van de ouder. In 2023 is er € 52,6 miljoen aan DUO-schulden kwijtgescholden bij gedupeerden. Daarnaast zijn de ov-bedrijven in 2023 voor een bedrag van € 5,1 miljoen gecompenseerd voor de ov-boetes die bij gedupeerden zijn kwijtgescholden. Zodra een ouder zich meldt bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen worden de gegevens van de ouder en diens partner met DUO gedeeld. DUO pauzeert op dat moment de inning van studieschulden. Zodra bekend is dat een ouder gedupeerd is, wordt dit omgezet naar een kwijtschelding. Bij ouders die niet-gedupeerd zijn wordt de inning weer hervat, dat geldt ook voor de partner. Bij het hervatten van de inning wordt altijd contact gezocht met de ouder.

Verder heeft in 2023 het OCW Programma tegen Discriminatie en Racisme gewerkt aan het uitvoeren van de Agenda tegen Discriminatie en Racisme die op 12 oktober 2022 aan de Tweede Kamer is gestuurd. Daarbij zijn verschillende interne en externe projecten gestart om de ambities uit de Agenda te realiseren, op alle OCW-terreinen.

Ook is het Intersectioneel Netwerk Co-creatie (INC) van start gegaan. INC is erop gericht om adviezen op te halen bij experts op het gebied van discriminatie en racisme in het onderwijs, de wetenschap, de media en de kunst & cultuursector. Dit netwerk zal OCW de komende jaren gevraagd en ongevraagd adviseren. We hebben ingezet op het versterken van de interdepartementale samenwerking om discriminatie en racisme zowel binnen als buiten de overheid tegen te gaan. DUO organiseert in samenwerking met het College voor de Rechten van de Mens cursussen en bijeenkomsten met betrekking tot discriminatie en racisme.

Daarnaast zijn de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) en het Nationaal Archief (NA) in 2023 begonnen met een pilot om een Stand van de Uitvoering uit te brengen. Zij hebben voor een pilot gekozen omdat ‘de Stand’ een nieuwe werkwijze is die ook om een andere denkwijze vraagt en zij willen graag de ruimte om daarmee te oefenen. Het streven is dat de RCE en het NA de pilot in 2024 opvolgen met een Stand die ze aan de Tweede Kamer aanbieden.

Ook vinden bij DUO maatwerkplaatsen (een netwerk van professionals) plaats rondom complexe vraagstukken en casuïstiek. Bij het bestuursdepartement wordt momenteel een verkenning gedaan naar de mogelijkheden voor maatwerkplaatsen. Hierin wordt onderzocht op welke manier, onder welke voorwaarden en in welke vorm dit effectief zou kunnen zijn. In mei 2023 is er een kamerbrief gestuurd waarin ‘meer maatwerk in de uitvoering van studiefinanciering’ uitgebreid wordt toegelicht. Zo zijn er ambassadeurs maatwerk binnen DUO, die helpen maatwerk binnen DUO te versterken in het werkproces van hun afdeling.

Ten slotte is in december 2022 de lijst met geïnventariseerde hardvochtigheden definitief gemaakt bij OCW. Het programma OCW Open is aan de slag gegaan met de niet-hardvochtige casussen, omdat dit nog steeds serieuze signalen zijn dat er aan OCW beleid is getwijfeld. Er is in april 2023 toegezegd2 de Kamer te informeren over de voortgang van deze potentiële knelpunten bij het programma. Het programma heeft de indieners van de casussen benaderd, zodat de motivatie hierachter besproken kon worden. Ook werden er naar mogelijke vervolgstappen gekeken zoals een aanpassing in het beleid of in de informatievoorziening.

OCW hecht veel waarde aan een correcte opvolging van het rapport op de OCW-beleidsterreinen. In het afgelopen jaar zijn er belangrijke stappen gezet. OCW zal, net als in het afgelopen jaar, zich in de toekomst blijven inzetten voor een goede opvolging van het rapport.

Coronasteunmaatregelen

Tabel 1 Overzicht coronasteunmaatregelen (bedragen x € 1 miljoen)

Maatregel

Verplichtingen 2023

Uitgaven 2023

Relevante Kamerstukken

Aanpak van de jeugdwerkloosheid

0,0

0,1

(Kamerstukken II 2020/21, 35682, nr. 2), Kamerstukken II 2021/22, 36120 VIII, nr. 2

Nationaal Programma Onderwijs

1.014,6

1.269,6

(Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 185), (Kamerstukken II 2022/23, 36250 VIII, nr. 2)

Ventilatie

129,8

129,8

(Kamerstukken II 2021/22, 36022 VIII, nr. 2), (Kamerstukken 2021/22, 36082 VIII, nr. 2)

Zelftesten

1,7

1,7

(Kamerstukken II 2020/21, 35739, nr. 2), (Kamerstukken II 2020/21, 35806, nr. 2), (Kamerstukken II 2021/22, 36022 VIII, nr. 2)

Aanpak van de jeugdwerkloosheid

Het kabinet heeft besloten om te investeren in loopbaangesprekken met kwetsbare jongeren, om hiermee de kans op werkloosheid te verkleinen.

Nationaal Programma Onderwijs

In de Kamerbrief over Nationaal Programma Onderwijs: steunprogramma voor herstel en perspectief (Kamerstukken II 2020/21, 35570 VIII, nr. 185) is vermeld dat er de voor € 8,5 miljard wordt geïnvesteerd in het gehele onderwijs. Het doel hiervan is om leerlingen en studenten te helpen hun gaven en talenten tot bloei te brengen, ondanks de coronacrisis en de gevolgen daarvan voor het onderwijs. Bij de start van het NP Onderwijs is aangegeven dat het de bedoeling is dat scholen de extra middelen besteden in de schooljaren 2021/2022 en 2022/2023. Per brief van 25 februari 2022 over Bijsturing NP Onderwijs: verdeling middelen en verlenging van de bestedingstermijn (Kamerstukken 2021/2022, 35925 VIII, nr 155) is aangegeven dat scholen de middelen die zij ontvangen voor schooljaar 2022/2023 ook in schooljaar 2023/2024 en in schooljaar 2024/2025 kunnen besteden aan de interventies van de menukaart. Daarom zijn er middelen naar 2023 tot en met 2025 geschoven, zodat de ondersteuning aan scholen en de monitoring gedurende de gehele looptijd van het NP Onderwijs in stand kan worden gehouden.

Ventilatie

Voor optimale leerprestaties is het belangrijk dat scholen zo verantwoordelijk mogelijk fysiek onderwijs kunnen blijven organiseren. Goede luchtkwaliteit maakt hier onderdeel van uit, om het risico op COVID-19 besmettingen te verkleinen. Daarnaast dient onderwijspersoneel les te geven onder goede arbeidsomstandigheden, goede luchtkwaliteit is hierbij van groot belang.

Zelftesten

Met de inzet van zelftesten in het onderwijs kan een belangrijke bijdrage worden geleverd aan continuering van (fysiek) onderwijs, wat van belang is om onderwijsachterstanden te voorkomen, voor het psychisch welbevinden van leerlingen en studenten, en voor arbeidsparticipatie van ouders.

Budgettair overzicht Oekraïne

Tabel 2 Budgettair overzicht Oekraïne (bedragen x € 1.000)

Maatregel

Verplichtingen 2023

Uitgaven 2023

Ontvangsten 2023

Relevante Kamerstukken

Bekostiging nieuwkomers

190.740

166.940

0

Kamerstukken II 2021/22, 19637, nr. 2887, Kamerstukken II 2021/22, 36165, nr. 1

LOWAN

400

400

0

Kamerstukken II 2021/22, 19637, nr. 2887

Oekraïne leerlingvervoer

0

0

0

Kamerstukken II 2021/22, 19637, nr. 2887, Kamerstukken II 2021/22, 36165, nr. 1

Oekraïne huisvesting/noodlocaties

405

24.072

0

Kamerstukken II 2021/22, 19637, nr. 2887, Kamerstukken II 2021/22, 36165, nr. 1

Voorschoolse educatie

9.675

9.675

0

Kamerstukken II 2022/23, 36200, nr. 2

Steun behoud Oekraïense cultuur

3.375

3.375

0

Kamerstukken II 2022/23, 36435 VIII, nr. 2

Toelichting per maatregel

Bekostiging nieuwkomers

Scholen in zowel het primair als het voortgezet onderwijs waar nieuwkomers uit Oekraïne les krijgen, komen in aanmerking voor nieuwkomersbekostiging.

LOWAN

De ondersteuningsorganisatie voor het nieuwkomersonderwijs (LOWAN) ontvangt extra middelen om scholen te ondersteunen om kinderen uit Oekraïne zo snel mogelijk les te kunnen geven.

Oekraïne leerlingenvervoer

Gemeenten ontvangen middelen om het leerlingenvervoer voor nieuwkomersonderwijs te organiseren.

Oekraïne huisvesting/noodlocaties

Gemeenten ontvangen middelen om extra onderwijshuisvesting te regelen waar de bestaande onderwijshuisvesting niet toereikend is om de Oekraïense leerlingen op te vangen.

Voorschoolse educatie

Oekraïense kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar krijgen nu nog geen onderwijs, maar zullen naar alle waarschijnlijkheid wel met een taalachterstand het onderwijs instromen. Om dit te voorkomen ontvangen gemeenten extra middelen voor het organiseren van voorschoolse educatie aan deze doelgroep. Voor 2023 is er vanuit het ministerie van OCW circa € 13,7 miljoen beschikbaar om hierin te voorzien.

Steun behoud Oekraïense cultuur

Dit betreft een overboeking van het ministerie van Buitenlandse Zaken aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van in totaal € 4,4 miljoen voor Oekraïense cultuur voor financiering van kennisopbouw en samenwerking in programma’s o.a. voor collectiebehoud, herstel van erfgoed en ruimtelijke architectuur in Oekraïne en behoud van talent en professioneel niveau van Oekraïense (uitvoerende) kunstenaars via culturele instellingen, Rijksdienst Cultureel Erfgoed en de rijkscultuurfondsen.

Strategische Evaluatie Agenda

Tabel 3 Realisatie periodieke rapportages / beleidsdoorlichtingen

Thema

Art.

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

Kamerstuk

IBO Onderwijsachterstandenbeleid

1

X

      

https://archief.rijksbegroting.nl/system/files/12/ibo-onderwijsachterstandenbeleid-eindrapport-een-duwtje-de-rug.pdf

IBO Deeltijdwerk

9

   

X

   

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/04/29/ibo-deeltijdwerk

Lerarenbeleid primair en voortgezet onderwijs

9

    

X

  

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/05/31/strategische-evaluatie-lerarenbeleid-primair-en-voortgezet-onderwijs-2013-2020

IBO Onderwijshuisvesting

1,3

    

X

  

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/03/12/ibo-onderwijshuisvesting-funderend-onderwijs-een-vak-apart-een-toekomstbestendig-onderwijshuisvestingsstelsel

IBO Sturing op Onderwijskwaliteit

1,3

     

X

 

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/12/12/bijlage-rapport-koersen-op-kwaliteit-en-kansengelijkheid-ibo-sturing-op-kwaliteit-van-onderwijs

Strategische evaluatie kansengelijkheid

1,3

      

X

In uitvoering

Beleidsdoorlichting emancipatiebeleid

25

 

X

     

Beleidsdoorlichting emancipatiebeleid - artikel 25 begroting OCW (rijksbegroting.nl)

Stelselrapportage hoger onderwijs en wetenschap: analyse van verdeling middelen onderwijs en onderzoek over wetenschapsdomeinen

16

      

X

Kamerbrief met reactie op motie over verdeling middelen onderwijs en onderzoek | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl

Stelselrapportage hoger onderwijs en wetenschap: ruimte voor divers talent (onderzoek naar academische zelfcensuur in hoger onderwijs en wetenschap)

16

      

X

Uitvoering motie van het lid van der Woude c.s. over zelfcensuur in wetenschap en hoger onderwijs | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl

Stelselrapportage hoger onderwijs en wetenschap: ruimte voor divers talent (Midtermevaluatie actieplan diversiteit)

16

      

X

Midterm-evaluatie Nationaal Actieplan voor meer Diversiteit en Inclusie in het hoger onderwijs en onderzoek | Rapport | Rijksoverheid.nl

IBO MBO

4

      

X

Samen gericht opleiden voor wendbare vakmensen IBO Toekomstbestendigheid van het mbo | Rapport | Rijksoverheid.nl

Evaluatie Nationaal Programma Onderwijs mbo en ho

4, 16

   

X

X

X

X

3e rapport macromonitor NP Onderwijs mbo-ho | Rapport | Rijksoverheid.nl

        

Tabellenrapportage 4e voortgangsmeting Implementatiemonitor NPO | Rapport | Rijksoverheid.nl

        

Implementatiemonitor NPO Vierde tussenmeting | Rapport | Rijksoverheid.nl

Monitor Integrale Veiligheid

4

      

X

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2023Z20594&did=2023D50505

Herstel, vernieuwing en groei in de culturele en creatieve sector

14

     

X

 

https://open.overheid.nl/documenten/ronl-3696e752cd8ba25841809a0f4f98241a3607104e/pdf

Versterking van het lokale en landelijke medialandschap

15

     

X

 

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2022/10/25/eindrapport-terugblik-beleidsdoorlichting-artikel-15-media-2014-2020/eindrapport-terugblik-beleidsdoorlichting-artikel-15-media-2014-2020.pdf

Toelichting

IBO MBO

Het IBO brengt beleidsopties in kaart voor het toekomstbestendig houden van het mbo, gezien de demografische krimp en de dynamische veranderingen op de arbeidsmarkt en in de samenleving. Hieruit komen zes uitdagingen voor de sector naar voren gezien deze ontwikkelingen:

  • 1. extra aandacht voor specifieke groepen voor het voorkomen van uitval;

  • 2. Op- en doorstroom: verbeter de warme overdracht voor studenten die willen op- en doorstromen.;

  • 3. Krimp: zorg dat onderwijs en bedrijfsleven gericht sturen op aanbod in de regio;

  • 4. Studiekeuze: zet in op een kansrijke toekomst door te sturen op aanbod en het gebruik van arbeidsmarktinformatie bij studiekeuze;

  • 5. Arbeidsmarkt: zorg dat opleidingen beter kunnen aansluiten op veranderingen op de arbeidsmarkt;

  • 6. Samenleving: zet in op basisvaardigheden en verbeter de zelfredzaamheid van studenten.

Stelselrapportage hoger onderwijs en wetenschap: wetenschap

1.         Naar aanleiding van de motie Van der Woude en Van der Graaf heeft het Rathenau Instituut een analyse gemaakt van de verdeling van onderzoeks- en onderwijsmiddelen over alfa, bèta, gamma en (technisch-) medische wetenschap in Nederland en andere landen. Hieruit blijkt dat Nederland internationaal gezien relatief veel publieke middelen in medisch onderzoek investeert. Er is een toename zichtbaar in de absolute investeringen in alle domeinen.

2.        Onderzoek zelfcensuur: aanleiding van dit onderzoek is de motie van het lid Van der Woude c.s. waarin de regering wordt verzocht om te laten onderzoeken of zelfcensuur en beperking van diversiteit van perspectieven in de wetenschap en het hoger onderwijs een rol spelen. De conclusie van het onderzoek is dat de ruime meerderheid van onderzoekers, docenten en studenten zich ‘in geen enkele mate’ of maximaal ‘in beperkte mate’ beperkt voelt om zich vrij te uiten. Echter, in elk van deze drie groepen bestaan aanzienlijke minderheden die zich wél in redelijke tot zeer sterke mate beperkt voelen om zich vrij te uiten. De onderzoekers doen aanbevelingen op twee hoofdlijnen. De eerste is om de academische basis te versterken om zelfcensuur te voorkomen, waaronder het vergroten van de aandacht voor debatvaardigheden in curricula en het verbeteren van de vindbaarheid en verduidelijken van de werking en consequenties van meld- en klachtenprocedures. De tweede hoofdlijn betreft de opvolging van incidenten van intimidatie en geweld om ervoor te zorgen dat deze niet tot toekomstige zelfcensuur leiden.

3.         Het nationaal actieplan voor meer diversiteit en inclusie in het hoger onderwijs en onderzoek is in 2020 ondertekend. Het onderzoek is een mid-termevaluatie van de relevantie van de doelen van het actieplan, de effectiviteit en de voorgang ervan. Het onderzoek concludeert dat de doelen van het actieplan herijkt en geconcretiseerd moeten worden. Dit is mede nodig om de effectiviteit te verhogen.

Stelselrapportage hoger onderwijs en wetenschap: hoger onderwijs

In 2023 zijn twee grote onderzoeken uitgevoerd, een stelselrapportage en een Toekomstverkenning. De eerste kijkt terug naar het beleid van de afgelopen jaren en haar effecten en de tweede kijkt juist vooruit naar de toekomst. Beide zijn onderdeel van het proces om tot een betere onderbouwing van ons beleid te komen en zowel inzichten uit het verleden als toekomstperspectief te integreren. In 2023 is tevens voor de laatste keer de Monitor beleidsmaatregelen aan de Tweede Kamer aangeboden, omdat vanaf 2024 gewerkt zal worden met een jaarlijks Trendrapport om de ontwikkelingen en trends inzichtelijk te maken.

Toegankelijkheid en kansengelijkheid

Ten aanzien van toegankelijkheid staat de vraag centraal in welke mate iedereen die hiertoe gekwalificeerd is, de kans heeft om het hoger onderwijs met succes te betreden en te doorlopen zonder dat er sprake is van formele of informele factoren die dat kunnen belemmeren, en hoe het beleid op dit terrein heeft gewerkt. De belangrijkste conclusie is dat de formele toegankelijkheid van het hoger onderwijs goed is, ook als Nederland vergeleken wordt met de ons omringende landen. De deelname aan het hoger onderwijs in Nederland is hoog (56 procent 25-34 jarige), met relatief veel eerstegeneratiestudenten (40 procent). Hoge deelname is een indicatie van een toegankelijk stelsel. Het studiefinancieringsstelsel zorgt ervoor dat financiële drempels worden verminderd. Aan de andere kant is de ervaren aansluiting op het hoger onderwijs niet altijd optimaal en de studieprogressie verschilt tussen groepen. Om deze reden is er de laatste tien jaren veel aandacht in beleid geweest voor het bevorderen van een goede en weloverwogen studiekeuze met als doel de student op de juiste plek te krijgen en de binding tussen student en opleiding te verbeteren. In de stelselrapportage wordt geconstateerd dat er rondom toegankelijkheid geen substantiële toe- of afname zichtbaar is van uitval of switch of een verbetering van rendementen. Daarnaast blijft  en het studentwelzijn een aandachtspunt.

Kwaliteit van het onderwijs

Bij kwaliteit wordt de verantwoordelijkheid van de overheid beschreven als de zorg voor de juiste randvoorwaarden (wetgeving en financiering), de zorg voor het borgen van de kwaliteit (NVAO en Inspectie van het Onderwijs) en om de (verbetering van) onderwijskwaliteit te stimuleren. De Rijksmiddelen zijn toereikend voor het bieden van kwalitatief goed onderwijs door de instellingen.3NVAO stelt vast dat de onderwijskwaliteit stabiel zeer goed is. Het accreditatiestelsel functioneert in grote lijnen adequaat en vervult zijn belangrijkste maatschappelijke taak. Ook zijn studenten over het algemeen tevreden over hun docenten en de kwaliteit van het onderwijs. Niet onverwacht werd die kwaliteit, met name in het begin van de COVID19-pandemie, lager beoordeeld. Er is in de loop van de tijd een toenemende verantwoordelijkheid voor kwaliteitszorg (op maat) bij de sectoren en instellingen zelf neergelegd. Het gevoerde beleid rondom het stimuleren van onderwijskwaliteit en het blijvend afstemmen van het onderwijs op maatschappelijke ontwikkelingen heeft tot aantoonbare resultaten geleid. Zo heeft een (sterk) stijgend percentage docenten een onderwijskwalificatie behaald en draagt het Comeniusprogramma bij aan hun plezier en motivatie. In de stelselrapportage wordt wel aandacht gevraagd voor het zorgvuldig volgen van ontwikkelingen op het gebied van sociale veiligheid en academische vrijheid, zorg dragen dat toezichtkaders voor kwaliteit actueel blijven, dat het gesprek over wat kwaliteit is blijvend gevoerd wordt en op die manier zorg dragen dat kwaliteitsopvattingen ook in de toekomst aansluiten bij de (veranderende) praktijk.

Doelmatigheid van het hogeronderwijsstelsel

Doelmatigheid gaat over het onderwijsaanbod, over het studierendement en over de toedeling en besteding van financiële middelen. Het onderwijsaanbod wordt in de stelselrapportage als doelmatig gezien als sprake is van een effectieve manier van organiseren van onderwijsaanbod, met aandacht voor bestaand en nieuw aanbod, geografische spreiding en arbeidsmarkteffecten. Dat betekent onder andere dat er geen overbodige dubbelingen van het aanbod zijn en dat het onderwijsaanbod aansluit bij de behoefte van arbeidsmarkt en samenleving. Voor het eerste blijkt de regelgeving rond de macrodoelmatigheidstoets van de CDHO effectief. Voor het tweede geeft de stelselrapportage aan dat de aansluiting op de arbeidsmarkt voor het merendeel van de opleidingen goed is. Wel is in verschillende sectoren (met name in de zorg, het onderwijs en de techniek) sprake van duurzame personeelstekorten. Het is niet vast te stellen in hoeverre dit aan de effectiviteit van het macrodoelmatigheidsbeleid ligt of aan de impact van externe factoren, zoals economische en demografische ontwikkelingen. Het doelmatigheidsbeleid heeft de afgelopen jaren bijgedragen aan veranderingen in het aanbod van opleidingen, waaronder de groei van de associate degree opleidingen en hbo-mastersopleidingen en meer spreiding in het hbo-onderwijsaanbod en de bachelorrendementen in het hoger onderwijs zijn nagenoeg stabiel. Bij de financiële doelmatigheid wordt geconcludeerd in de Stelselrapportage dat de inzet van publieke middelen in 2021, via de bekostiging, toereikend is voor het verzorgen van onderwijs aan de hogescholen en universiteiten, maar niet toereikend voor onderzoek. De invoering van het leenstelsel is een doelmatige ingreep geweest die de toegankelijkheid van het hoger onderwijs niet substantieel heeft aangetast, met uitzondering van een daling van de instroom van mbo-studenten.

Aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt

Het is in het belang van zowel de student als de samenleving dat het hoger onderwijs goed aansluit op de behoeften van de arbeidsmarkt, en studenten zich goed oriënteren op het beroep en werkveld zodat zij een weloverwogen studiekeuze kunnen maken. Een weloverwogen studiekeuze wordt bevorderd door goede studiekeuze informatie en loopbaanoriëntatie en -begeleiding. Vanuit de overheid wordt er al jarenlang stimulerend beleid gevoerd om meer mensen op te leiden voor de tekortsectoren gezondheidszorg, bètatechniek en onderwijs. Bij deze drie sectoren is er sprake van een structureel personeelstekort waardoor het de brede welvaart kan schaden. Ook het beleid rond Leven Lang Ontwikkelen (LLO) is ondersteund met een breed palet aan instrumenten in wet- en regelgeving, financiële prikkels en informatievoorziening om de doelstellingen van LLO te bereiken. Sommige maatregelen voor het hoger onderwijs zijn veelbelovend en zijn/worden wettelijk verankerd (experiment leeruitkomsten), andere zijn nog te nieuw om al aantoonbare resultaten te kunnen hebben. Evaluaties van het beleid laten echter zien dat de aanpakken nog niet tot de gewenste resultaten hebben geleid. Belangrijk is dat het tekortsectorenbeleid en ook het LLO-beleid moeten worden bezien binnen de context van maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen, die van invloed zijn op de (opleidings)keuzes die studenten en werkenden maken. In hoeverre de beperkte resultaten te maken hebben met de ingezette beleidsinstrumenten en/of het speelveld waarin ze worden ingezet kan niet worden vastgesteld.

Internationalisering

Bij internationalisering is gekeken naar verschillende aspecten: de inkomende en uitgaande student- en stafmobiliteit, internationalisation at home, de stayrate en de opleidingstaal. De eerste conclusie is dat de toestroom van internationale studenten in Nederland hoog is, en niet in evenwicht is met uitgaande Nederlandse studenten. Voor elke 6 internationale studenten die hier komen studeren gaat er één Nederlandse student voor een diploma in het buitenland studeren. Uit de stelselrapportage ontstaat het beeld dat er op dit moment nog weinig aantoonbare problemen zijn voor de toegankelijkheid van het hoger onderwijs voor Nederlandse studenten.4 Desondanks kan onder de huidige groei van het aantal binnenkomende internationale studenten die toegankelijkheid in de toekomst wel in het gedrang komen.5

Governance

Governance gaat over medezeggenschap, goed bestuur en toezicht. Ten aanzien het functioneren van de medezeggenschap wordt in de meest recente tweejaarlijkse monitor medezeggenschap uit 2022 geconcludeerd dat de facilitering vanuit instellingen beter geregeld is dan voorheen, maar dat wel aandacht nodig is voor de facilitering voor opleidingscommissies. Het algemene beeld van de stelselrapportage wat betreft de doeltreffendheid van het gevoerde beleid op governance is positief met twee aandachtpunten voor de toekomst. Ten eerste wordt er op gewezen dat belangrijke actoren in de hoger onderwijs governance (medezeggenschap en raad van toezicht) veranderen. De vraag die vervolgens wordt gesteld is welke gevolgen dit heeft voor het veronderstelde en delicate evenwicht in de checks en balances. De mate waarin deze verschuivingen passen bij de sturingsfilosofie van het ministerie kan nader worden bezien. Ten tweede is de WHW, bezien als reguleringsinstrument van de governance, uit 1992 en er gaan regelmatig geluiden op dat deze wet toe is aan een herziening.

Overzicht van risicoregelingen

Tabel 4 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

Uitstaande Garanties 2022

Verleend 2023

Vervallen 2023

Uitstaande garanties 2023

Garantie-plafond

Totaal plafond

Totaalstand risicovoorziening

7

Bouwleningen aan Academische Ziekenhuizen

113.084

€ -

12.709

100.375

176.631

14

Indemniteits-regeling

251.713

497.546

554.845

194.413

450.000

Totaal

 

364.797

497.546

567.554

294.788

626.631

Totaal

 

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Voor de Academische Ziekenhuizen is de garantieregeling sinds 1991 niet meer van kracht, met uitzondering van enkele op dat moment in gang gezette bouwprojecten. Sinds 1996 worden geen garanties meer verstrekt. Deze leningen hebben gemiddeld een looptijd van 40 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2035 volledig hebben plaatsgevonden.

De Indemniteitsregeling heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het realiseren van tentoonstellingen van bijzonder belang of het tentoonstellen van bijzondere bruiklenen in Nederland door het beperken van de verzekeringskosten van musea. De garantstelling van het Rijk voor schade of verlies tot de eerste 30 procent van de verzekerde waarde (indemniteitsgarantie) van kunstwerken, verlaagt de verzekeringskosten van musea. Het risico is ook te verzekeren op de markt, maar de kosten zijn dan hoger, waardoor er minder budget voor tentoonstellingen overblijft. Daarnaast blijkt dat een indemniteitsgarantie ook als internationaal keurmerk fungeert: buitenlandse publieke en private eigenaren van museale objecten hechten aan de garantstelling vanuit het Rijk. Risicobeheersende maatregelen betreffen onder meer dat alleen erkende musea een aanvraag mogen doen op de indemniteitsregeling bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed die deze aanvraag, mede op basis van een risico-inventarisatie en -analyse, toetst. Per 1 januari 2023 is het plafond van de indemniteitsregeling verhoogd naar € 450 miljoen (Stcrt. 2022, 32562). Het proces voor verhoging is conform het beleidskader risicoregelingen verlopen.

Tabel 5 Overzicht achterborgstellingen (bedragen x € 1.000.000)

Omschrijving

2022

2023

Achterborgstelling

347

373,7

Toelichting

Het Nationaal Restauratiefonds (NRF) verstrekt hypothecaire leningen aan monumenteigenaren van rijksmonumenten om restauraties uit te voeren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen laagrentende hypothecaire leningen uit het revolving fund en aanvullende financieringen om de gehele restauratieopgave gefinancierd te krijgen. De Achterborgovereenkomst NRF, en de garantie van het Ministerie van OCW, zien alleen toe op de aanvullende financiering. Door deze garantie kan het NRF financiering tegen een lagere rente aantrekken. Deze lagere rente wordt doorgerekend aan de monumenteigenaren zodat deze eigenaren gestimuleerd worden hun monument te restaureren. De limiet van de achterborg garantieregeling is met € 120 miljoen verhoogd naar € 500 miljoen, zodat eigenaren ook in de toekomst aanvullende financiering kunnen krijgen (Kamerstukken 2022/23, 32156, nr. 123). Aangezien er een algemeen belang is (gebouwen van nationaal belang) waar een individu lasten van ervaart (hoge onderhoudskosten, beperkte mogelijkheden tot modernisering, dure oplossingen voor bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen), wordt gebruik gemaakt van ondersteunende maatregelen. Door middel van deze regeling wordt cultureel erfgoed in stand gehouden en wordt tegelijkertijd minder gebruik gemaakt van de subsidie die het NRF ook uitbetaald.

De Achterborg kan in werking treden en tot daadwerkelijke kasverplichtingen komen, wanneer de eigenaren van rijksmonumenten op grote schaal niet meer in staat zijn aan de rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen en het eigen vermogen van het NRF is uitgeput. Dit eigen vermogen (voornamelijk vanuit Revolverende Fondsen) is momenteel ruim voldoende voor de dekking van de uitstaande leningen onder de Achterborg.

Openbaarheidsparagraaf

Openbaarheidsparagraaf

Het Ministerie van OCW heeft in 2022, in het kader van verbetering van de informatiehuishouding en het transparanter maken van de organisatie, naast de reeds lopende trajecten, nieuwe initiatieven in gang gezet. Dit mede naar aanleiding van het verschijnen van het rapport Ongekend Onrecht en de inwerkingtreding van de Wet open overheid (Stb. 2021, 499 en Stb. 2021, 500) op 1 mei 2022.

Binnen het ministerie zijn deze ontwikkelingen ondergebracht bij het programma OCW Open dat vier jaar lang werkt aan de opdrachten die voortkomen uit de kabinetsreacties op de rapporten Ongekend Onrecht, Werk aan Uitvoering en Klem tussen balie en beleid (Kamerstukken II 2020/21, 35510, nr. 2, 29362, nr. 290 en 35387, nr. 2). Er wordt binnen dit programma gewerkt met een aantal deelprogramma’s, waaronder Informatievoorziening.

Vanuit het deelprogramma Informatievoorziening wordt gewerkt aan een transparanter OCW. Door middel van het bieden en regelen van kaders, instructies en ondersteuning, wordt de organisatie in staat gesteld om voornemens, toezeggingen, afspraken en (wettelijke) verplichtingen op het gebied van informatieverstrekking waar te maken. Dit deelprogramma bestaat uit verschillende actielijnen. De status en voortgang wordt hierna per actielijn toegelicht.6

Actielijn: Het actief openbaarmaken van beslisnota’s

Eén van die actielijnen is de implementatie van de interdepartementale beleidslijn om beslisnota’s bij Kamerstukken actief openbaar te maken (Kamerstukken II 2020/21, 28362, nr. 56). In een beslisnota zijn de overwegingen, alternatieven, relevante feiten en risico’s op een rij gezet voor de bewindspersoon. Door bij Kamerstukken deze beslisnota’s bij te voegen wordt het inzichtelijk en navolgbaar op welke manier beslissingen zijn gemaakt. Sinds 1 juli 2021 worden beslisnota’s bij Kamerstukken over wetgeving en beleidsvorming meegestuurd naar de Kamer en sinds Prinsjesdag 2022 geldt dit voor alle Kamerstukken. Deze manier van werken is inmiddels succesvol geïmplementeerd in de werkwijze van de verschillende beleidsdirecties. Naast werkafspraken en werkwijzen is er tevens voor het zomerreces een nieuwe technische voorziening ingericht waardoor beleidsmedewerkers eigenstandig een beslisnota  kunnen anonimiseren zodat deze geschikt is voor openbaarmaking. Met de introductie van deze werkwijze blijft de directie WJZ vanuit Team Openbaarheid advies geven op vragen die medewerkers hebben rond het openbaar maken van beslisnota’s en het toepassen van uitzonderingsgronden. Wat opvalt is dat waar bij de start van deze werkwijze veel en allerlei soorten vragen binnen kwamen, komen inmiddels alleen nog enkele, ingewikkelde vragen terecht bij het team Openbaarheid. Ook de functionaliteit begint ingeburgerd te raken, waarbij we alert zijn op vragen en verzoeken tot aanvullende ondersteuning.

Actielijn: Implementatie van de Woo – Passieve en Actieve Openbaarmaking

Een tweede actielijn binnen het deelprogramma informatievoorziening betreft de concernbrede implementatie van de Wet open overheid (Woo). Per 1 mei jl. is deze wet in werking getreden, met uitzondering van de actieve openbaarmakingsplicht voor specifiek in de wet genoemde documenten. Sinds die datum wordt uitvoering gegeven aan het inwerking getreden deel van de Woo.

Passieve Openbaarmaking (afhandelen van Woo-verzoeken)

Team Openbaarheid behandelt alle Woo-informatieverzoeken voor het bestuursdepartement en coördineert alle verzoeken gericht aan de buitendiensten. Uit de invoeringstoets die het Ministerie van Binnenlandse zaken heeft laten uitvoeren door SEO, blijkt dat het aantal Woo informatieverzoeken rijksbreed toeneemt in aantal en omvang. Dit geldt ook voor de Woo-informatieverzoeken aan het Ministerie van OCW. Om die reden is het team openbaarheid uitgebreid. Kwantitatieve informatie over 2023 wordt afzonderlijk gerapporteerd in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk. Tevens is een concernbrede afvaardiging van Woo-juristen gezamenlijk projectmatig aan de slag om te experimenteren of, hoe en in welke mate de vanuit het Ministerie van BZK ter afname beschikbaar gekomen Woo-Hulptooling voor de interne bedrijfsvoering van het Ministerie van OCW bijdraagt aan een versnelling in afhandeling van de Woo-verzoeken, met behoud van kwaliteit. De eerste resultaten zijn positief, de verwachting is begin 2024 een afgewogen beslissing te nemen over het al dan niet afnemen van deze software.

Actieve Openbaarmaking (van informatiecategorieën)De implementatie van de Woo houdt ook in dat uitvoering wordt gegeven aan de inspanningsverplichting om informatie actief openbaar te maken. De Woo verplicht het ministerie om overheidsinformatie uit eigen beweging openbaar te maken. Het gaat om een resultaatsverplichting om bepaalde informatiecategorieën bij ontvangst of opstellen binnen een bepaalde termijn actief openbaar te maken en om een inspanningsplicht om andere overheidsinformatie openbaar te maken. De inspanningsplicht geldt sinds 1 mei 2022. De resultaatsverplichting treedt gefaseerd in werking en loopt samen met de realisatie van de Woo-index7(waar alle geopenbaarde informatie op gepubliceerd moet worden. Acht van de zeventien informatiecategorieën die het ministerie straks onder de Woo actief openbaar moet maken, maakt het ministerie nu al uit eigen beweging openbaar. Het gaat dan onder meer om ontwerpen van algemeen verbindende voorschriften, bepaalde adviezen en onderzoeksrapporten en de inhoud van informatieverzoeken. De inspanningen zijn nu gericht op de technische aansluiting via de Woo-index en het herijken van processen binnen het ministerie, opdat ontvangen en opgestelde documenten die onder de actieve openbaarmakingsverplichting vallen, straks tijdig worden gepubliceerd via de Woo-Index.

Momenteel wordt vanuit de interne bedrijfsvoering concernbreed samengewerkt aan het realiseren van de passende inhoudelijk/technische voorziening om actieve publicatie van de informatiecategorieën mogelijk te maken. Tevens wordt er interdepartementaal effectief samengewerkt om tot een generiek Rijkspublicatieplatform te komen. Met dit generiek en gezamenlijk platform willen de betreffende departementen hun publicatielacune, die ontstaan is doordat de PLOOI publicatieomgeving een Woo-Index is geworden, oplossen. De verwachting is om in februari 2024 een eindadvies richting beslissers af te geven om daarna tot realisatie over te gaan. Het Ministerie van OCW ligt bij al deze ontwikkelingen op schema en volgt de interdepartementale voortgang op de voet.

Conform de Woo is een contactpersoon aangesteld voor het Ministerie van OCW waar burgers, bedrijven en instellingen terecht kunnen voor vragen over de beschikbaarheid van overheidsinformatie.

Actielijn: Realisatie en inrichting van Woo-Dashboards

OCW is aangehaakt bij de kopgroep voor het voorbereiden en komen tot afspraken tot het gaan hanteren van departementaal overstijgende Woo-Dashboards. Deze Dashboards verwerken alle gegevens rond de Woo en geven daarmee een accuraat en compleet beeld van hoe het staat met de openbaarmaking. Het streven is om gezamenlijk tot een effectieve en haalbare eenduidigheid te komen hoe een dergelijk dashboard in de praktijk vertaald kan worden naar de interne bedrijfsvoering.

4. Beleidsartikelen

4.1 Beleidsartikel 1 Primair onderwijs

A. Algemene doelstelling

Het primair onderwijs zorgt dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van primair onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen
Tabel 6 Kengetallen

Kengetal

  

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod1

%

 

0,10%

0,12%

0,12%

0,11%

0,12%

PM

Aantallen

 

1.525

1.771

1.751

1.677

1.710

PM

2

Aandeel leerlingen dat de referentieniveaus lezen, taal en rekenen haalt2

Lezen

1F

98%

98%

n.v.t.

98%

98%

 

2F

75%

78%

n.v.t.

73%

74%

Taalverzorging

1F

96%

97%

n.v.t.

97%

97%

 

2F

59%

60%

n.v.t.

62%

63%

Rekenen

1F

93%

94%

n.v.t.

93%

93%

 

1S

49%

47%

n.v.t.

42%

45%

3

Aandeel startende leraren dat een begeleidingsprogramma heeft gevolgd3

  

80%

87%

87%

87%

90%

90%

4

Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt4

  

97%

n.v.t.

98%

97%

 
X Noot
1

De cijfers bestaan uit po en (v)so. Het betreft het aantal leerlingen dat 3 of meer maanden niet naar school gaat, gebaseerd op de leerplichttelling. Niet bekend is of een passend aanbod voor onderwijs en/of zorg is gedaan. De leerplichttellingen vinden in het najaar plaats.Cijfers voor 2023 worden in het voorjaar van 2024 verwacht.

X Noot
2

Bron: 2018: Kamerstukken II 2018/2019, 31293, nr. 422. De opgenomen cijfers betreffen het aandeel basisschoolleerlingen in schooljaar 2017-2018.2020: De kengetallen op de referentieniveaus worden gebaseerd op de eindtoetsgegevens. De eindtoets is vanwege de scholensluiting door COVID-19 niet afgenomen, dus er zijn geen cijfers voor 2020.2021: Omwille van onvoldoende vergelijkbaarheid van de toetsresultaten in 2021 zijn de data uit dit jaar niet opgenomen in het jaarverslag. Zie: Kamerstukken II 2020/2021, 31293, nr. 581 en Kamerstukken II 2021/2022, 31293, nr. 608.

X Noot
3

Begeleiding van beginnende leraren, 2023.Bij de loopbaanmonitor van 2019 zijn twee zaken gewijzigd.Er wordt niet naar opleiding gekeken maar naar sector en er wordt niet naar cohort gekeken maar naar peiljaar. Alle cijfers zijn nu aangepast naar peiljaar en sector.

X Noot
4

Dit kengetal wordt normaal gesproken tweejaarlijks gemeten. De monitor voor 2024 is met een jaar uitgesteld. Deze cijfers zullen zodoende later beschikbaar komen.

Tabel 7 Leerlingen primair onderwijs op basis van leerlingaantal op 1 oktober (aantallen x 1.000)1
  

2019

2020

2021

2022

2023

Leerlingen basisonderwijs

 

1.396,5

1.386,0

1.370,8

1366,9

1.357,4

Leerlingen trekkende bevolking

2

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Subtotaal3

1.396,9

1.386,4

1.371,2

1367,3

1.357,8

Leerlingen in het speciaal basisonderwijs

35,7

35,7

35,4

35,1

33,9

Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs

69,8

70,2

71,6

73,5

73,6

Totaal PO3

1.502,4

1.492,3

1.478,2

1.475,9

1.465,4

X Noot
1

Bron: DUO 1cijferbestand

X Noot
2

Dit zijn leerlingen van de rijdende scholen en van de school voor varende kleuters.

X Noot
3

(Sub)totalen geven een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

Er zijn twee tabellen: de tot 2023 gebruikelijke tabel op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober (bovenstaande tabel) en vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging 2023 een nieuwe tabel (onderstaande tabel) op basis van het aantal leerlingen op 1 februari.

In verband met de vereenvoudiging bekostiging primair onderwijs (po) per 2023 zal 1 februari voortaan de teldatum voor de bekostiging zijn. Vanaf Begroting 2024 wordt alleen nog de tabel gebruikt op basis van het leerlingaantal op 1 februari.

Tabel 8 Leerlingen primair onderwijs op basis van leerlingaantal op 1 februari (aantallen x 1.000)1
  

2019

2020

2021

2022

2023

Leerlingen basisonderwijs

    

1.425,3

1.425,9

Leerlingen trekkende bevolking

2

   

0,4

0,4

Subtotaal3

   

1.425,7

1.426,3

Leerlingen in het speciaal basisonderwijs

  

37,0

36,4

Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs

  

73,5

75,0

Totaal PO3

  

1.536,2

1.537,8

X Noot
1

Bron: DUO 1cijferbestand

X Noot
2

Dit zijn leerlingen van de rijdende scholen en van de school voor varende kleuters.

X Noot
3

(Sub)totalen geven een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

Tabel 9 Uitgaven per leerling op basis van leerlingaantal op 1 oktober (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

20231

Primair onderwijs2

7,8

8,2

9,0

10,5

10,8

X Noot
1

In dit jaarverslag is het bedrag per leerling gebaseerd op het leerlingaantal op 1 oktober, omdat dat in de begroting van 2023 ook het geval was. Vanaf 2023 wordt de bekostiging echter verstrekt o.b.v. het leerlingaantal op 1 februari. Indien uitgegaan wordt van het leerlingaantal op 1 februari, is het bedrag per leerling 2023 € 10,4k. Vanaf 2024 wordt de gehele begrotingscyclus gebaseerd op het leerlingaantal op 1 februari.

X Noot
2

In tegenstelling tot Begroting 2023 wordt geen verdere uitsplitsing gemaakt in «bekostiging» en «exclusief ondersteuningsmiddelen». De uitgaven voor de reguliere bekostiging en de uitgaven als ondersteuningsmiddel zijn in de bekostigingssystematiek geïntegreerd tot één financiële stroom.

C. Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar grotendeels conform de in de begroting gestelde doelen. De belangrijkste beleidsconclusies zijn opgenomen in het onderdeel beleidsprioriteiten.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 10 Budgettaire gevolgen van beleid van artikel 1 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

12.054.624

12.603.439

14.333.769

22.261.087

16.243.532

14.379.335

1.864.197

         

Uitgaven

11.759.120

12.226.291

13.308.561

15.434.003

16.025.198

15.202.216

822.982

         

Bekostiging

11.144.415

11.432.864

12.293.701

14.464.959

14.695.315

13.904.257

791.058

Bekostiging po-instellingen

10.803.308

11.076.356

11.391.680

12.939.474

13.750.489

12.927.456

823.033

Bekostiging Caribisch Nederland

18.969

19.959

23.566

28.918

30.132

25.982

4.150

Prestatiebox

296.983

295.031

252.850

0

0

0

Aanvullende bekostiging

25.155

14.856

14.634

159.420

181.100

222.119

‒ 41.019

Aanpak lerarentekort G5

26.662

30.660

31.569

31.569

31.605

‒ 36

Aanvullende bekostiging NP Onderwijs

580.311

1.305.578

702.025

697.095

4.930

Subsidies (regelingen)

88.316

214.053

384.356

233.526

466.761

331.344

135.417

Onderwijsvoorziening jonggehandicapten

24.500

21.237

23.400

24.400

31.720

24.473

7.247

Nederlands onderwijs buitenland

12.513

12.239

12.095

12.064

11.698

13.739

‒ 2.041

Basis voor Presteren (School aan Zet en Bèta Techniek)

720

0

0

0

0

0

0

Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

12.664

13.102

13.479

14.764

15.755

16.525

‒ 770

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

0

115.835

74.455

54

0

0

0

Extra hulp voor de klas

0

0

201.838

0

0

0

0

School en omgeving

0

0

0

20.733

100.316

56.700

43.616

Basisvaardigheden

 

0

0

0

108.661

196.706

155.643

41.063

Nationaal Groeifonds

0

0

0

0

0

3.988

‒ 3.988

NGF Open Leermateriaal

0

0

0

0

0

0

0

NGF Digitaal Onderwijs

0

0

0

0

2.166

0

2.166

Schoolmaaltijden

0

0

0

0

37.952

0

37.952

Overige subsidies

37.919

51.640

59.089

52.850

70.448

60.276

10.172

Opdrachten

4.756

7.772

7.456

15.667

12.314

49.833

‒ 37.519

Opdrachten

4.756

7.772

5.299

11.372

11.357

39.833

‒ 28.476

Zelftesten

0

0

2.157

4.295

957

10.000

‒ 9.043

Bijdrage aan agentschappen

41.663

39.448

37.899

40.642

44.603

36.595

8.008

Dienst Uitvoering Onderwijs

41.663

39.448

37.899

40.642

44.603

36.595

8.008

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

17.625

17.375

15.732

13.379

13.968

13.846

122

Stichting Vervangingsfonds en Participatiefonds

16.225

15.975

13.672

10.800

11.202

11.202

0

UWV

1.400

1.400

2.060

2.579

2.766

2.644

122

Bijdrage aan medeoverheden

462.345

514.779

569.417

665.830

792.237

866.147

‒ 73.910

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

462.345

509.159

520.716

536.651

565.371

536.653

28.718

Caribisch Nederland

0

5.620

6.573

9.297

15.395

22.317

‒ 6.922

Scholenprogramma Groningen

0

0

3.000

3.000

3.000

3.089

‒ 89

Nationaal Programma Onderwijs

0

0

39.128

93.907

54.779

54.773

6

Ventilatie in scholen

0

0

0

8.775

129.333

76.415

52.918

SPUK vve Oekraïne

0

0

0

0

9.675

13.700

‒ 4.025

SPUK huisvesting noodlocaties Oekraïne PO

0

0

0

14.200

14.684

159.000

‒ 144.316

Overig

0

0

0

0

0

200

‒ 200

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

0

0

0

0

0

194

‒ 194

Brede Scholen

0

0

0

0

0

194

‒ 194

         

Ontvangsten

29.049

26.681

37.634

26.363

7.795

9.208

‒ 1.413

Tabel 11 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
    

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

12.054.624

12.603.439

14.333.769

22.261.087

16.243.532

14.379.335

1.864.197

waarvan garantieverplichtingen

15.837

4.389

4.086

24.498

‒ 5.203

0

‒ 5.203

waarvan overige verplichtingen

12.038.787

12.599.050

14.329.683

22.236.589

16.248.735

14.379.335

1.869.400

E. Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de aangegane verplichtingen is in 2023 € 1,9 miljard hoger dan begroot. De verlaging van de garantieverplichtingen met € 5,2 miljoen is het gevolg van aflossingen leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

De realisatie op de uitgaven in 2023 is € 0,8 miljard hoger dan oorspronkelijk begroot. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenrealisaties betreft € 1,0 miljard. Dit wordt veroorzaakt doordat een verplichting die wordt aangegaan, niet altijd leidt tot kasuitgaven in hetzelfde jaar. In 2023 zijn ten opzichte van de vastgestelde begroting extra verplichtingen aangegaan voor een deel van de uitgaven in 2024, zoals de ontvangen loon- en prijsbijstelling 2023 die verwerkt is in de bekostiging (€ 729,8 miljoen voor 2023 en € 734,4 miljoen voor 2024).

Bekostiging

Schoolbesturen in het primair onderwijs ontvangen bekostiging van het Rijk via de lumpsum. De realisatie op de bekostiging is € 791,0 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. De belangrijkste oorzaak is de toevoeging van loon- en prijsbijstelling van € 729,8 miljoen. Daarnaast is € 113,6 miljoen aan bekostiging voor nieuwkomers uit Oekraïne en overige landen toegevoegd ten opzichte van de vastgestelde begroting. Het bedrag bestaat uit overlopende verplichtingen uit 2022 (van respectievelijk € 37,1 en € 14,0 miljoen) en extra uitgaven in 2023 (van € 29,6 en € 33,0 miljoen) voor beiden groepen nieuwkomers.

Verder valt de realisatie op de aanvullende bekostiging € 41,0 miljoen lager uit dan begroot. Dit wordt vooral verklaard door een extensivering op het budget voor leesbevordering o.a. in het kader van de rijksbrede dekkingsopgave van € 25,9 miljoen en twee overboekingen van in totaal € 26,4 miljoen van het budget voor leesbevordering naar artikel 14 (Cultuur). Hiertegenover staan een aantal toevoegingen ten opzichte van de vastgestelde begroting. Ten eerste de loonbijstelling van € 7,4 miljoen. Ten tweede de intensivering van het budget voor hoogbegaafden met € 2,5 miljoen (n.a.v. de toepassing van de generieke korting op de beskostiging aan samenwerkingsverbanden). Tenslotte geldt voor de regeling hoogbegaafden dat er sprake was van een tegenvaller van € 1,3 miljoen.

Subsidies

Om de realisatie van verschillende beleidsdoelstellingen te bewerkstelligen, worden subsidies verstrekt. De grootste subsidieregelingen zijn voor School en Omgeving en voor het versterken van basisvaardigheden. De realisatie op de subsidies is € 135,4 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door:

  • de extra investering van € 38,0 miljoen ten behoeve van het verzorgen van schoolmaaltijden in het primair onderwijs;

  • een herverdeling van € 42,0 miljoen tussen artikel 1 (Primair onderwijs) en artikel 3 (Voortgezet onderwijs) voor de subsidieregeling basisvaardigheden, omdat het bedrag per leerling in het primair en voortgezet onderwijs (vo) gelijk is getrokken;

  • de extra investering van € 43,6 miljoen vanuit het coalitieakkoord om de kansengelijkheid te bevorderen via de subsidieregeling School en Omgeving. Daarbij heeft een voortijdige betaling in 2023 (in plaats van in 2024 en in 2025) geleid tot meer uitgaven op dit budget dan was beoogd. Deze voortijdige betaling wordt met de voorjaarsnota van 2024 in de budgetstanden voor School en Omgeving rechtgezet.

Opdrachten

Door middel van opdrachten worden beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken uitgevoerd. Onder dit instrument vallen middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken, zoals voor het Nationaal Programma (NP) Onderwijs en het Nationaal Groeifonds.

De realisatie is € 37,5 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Dit wordt met name veroorzaakt doordat de uitgaven voor zelftesten € 9,0 miljoen lager zijn dan begroot. Daarnaast worden de lagere uitgaven van € 13,2 miljoen in het kader van het NP Onderwijs veroorzaakt doordat het programma zich in de afrondende fase bevindt. Tenslotte leiden verschillende overboekingen naar andere directies of departementen tot een lagere realisatie dan in de oorspronkelijk vastgestelde begroting, zoals overboekingen aan DUS-i van in totaal € 3,1 miljoen t.b.v. de uitvoeringskosten van de verschillende regelingen.

Bijdrage aan medeoverheden

Onder de bijdrage aan medeoverheden vallen de specifieke uitkeringen aan gemeenten. De realisatie is € 73,9 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Dit heeft meerdere oorzaken die hieronder worden toegelicht.

Gemeenten ontvangen van het Ministerie van OCW middelen voor onderwijsachterstandenbeleid. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid bestaat uit meerdere instrumenten, waaronder voor- en vroegschoolse educatie, schakelklassen en zomerscholen. De realisatie hierop is € 28,7 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Dit wordt vooral veroorzaakt door de ontvangen loonbijstelling.

De realisatie op de specifieke uitkering Huisvesting Noodlocaties is € 144,3 miljoen lager dan begroot. Dat wordt verklaard doordat gemeenten minder aanvragen hebben gedaan voor de specifieke uitkering voor huisvesting van noodlocaties voor leerlingen uit Oekraïne dan er budget beschikbaar was.

De hogere uitgaven van € 52,9 miljoen voor de maatwerkregeling ventilatie in scholen wordt verklaard doordat de aanvraagtermijn van de subsidieregeling was verlengd van 2022 naar 2023. Daardoor is de realisatie hoger dan in de oorspronkelijke begroting was opgenomen.

4.2 Beleidsartikel 3 Voortgezet onderwijs

A. Algemene doelstelling

Het voortgezet onderwijs zorgt ervoor dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een voortgezet onderwijsstelsel dat zodanig functioneert, dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het voortgezet onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke onderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen
Tabel 12 Kengetallen

Kengetal

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod1

%

0,18%

0,19%

0,18%

0,15%

0,16%

 

Aantallen

1.828

1.912

1.755

1.420

1.531

 

2

Aandeel zittenblijvers2

 

5,71%

5,91%

3,32%

5,97%

6,10%

 

3

Aandeel lessen dat gegeven wordt door bevoegde en benoembare leraren3

 

95,9%

96,0%

96,4%

96,3%

96%

 

4

Aandeel startende leraren dat een begeleidingsprogramma heeft gevolgd4

 

86%

86%

89%

90%

89%

91%

5

Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt5

 

97%

n.v.t.

98%

97%

 

6

Aantal vsv’ers6

 

25.666

27.067

22.766

24.480

30.617

 

7

Meer leerlingen doen eindexamen in vakken op hoger niveau7

 

1,54%

1,80%

1,58%

1,89%

1,96%

X Noot
1

Het betreft het aantal leerlingen dat 3 of meer maanden niet naar school gaat, gebaseerd op de leerplichttelling. Niet bekend is of een passend aanbod voor onderwijs en/of zorg is gedaan. De cijfers bestaan uit het vo en zijn exclusief voortgezet speciaal onderwijs (vso). De leerplichttellingen vinden in het najaar plaats.Cijfers voor 2023 worden in het voorjaar van 2024 verwacht.

X Noot
2

Cijfers hebben betrekking op het aandeel zittenblijvers t.o.v. het schooljaar daarvoor. Bijvoorbeeld: in de kolom 2022 gaat het om het aandeel zittenblijvers in het schooljaar 2022/2023 t.o.v. het vorige schooljaar 2021/2022. Cijfers voor 2023 worden in het voorjaar van 2024 verwacht.

X Noot
3

vakken en bevoegdheden in het vo, peildatum 1 oktober 2022, CenterData, december 2023.

X Noot
4

Begeleiding van beginnende leraren, 2023.Bij de loopbaanmonitor van 2019 zijn twee zaken gewijzigd.Er wordt niet naar opleiding gekeken maar naar sector en er wordt niet naar cohort gekeken maar naar peiljaar. Alle cijfers zijn nu aangepast naar peiljaar en sector.

X Noot
5

: Veiligheidsbeleid en Veiligheidsbeleving in het primair en voortgezet onderwijs. Dit kengetal wordt normaal gesproken tweejaarlijks gemeten. De monitor voor 2024 is met een jaar uitgesteld. Deze cijfers zullen zodoende later beschikbaar komen.

X Noot
6

Dashboard voortijdig schoolverlaten. Nieuwe voortijdige schoolverlaters (vsv’ers) zijn jongeren van 12 tot 23 jaar die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten in het studiejaar vanuit het vo of middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Het voorlaatste jaar is aangepast aan de definitieve cijfers, het laatste jaar betreft voorlopige cijfers. De cijfers voor 2023 zullen eind februari 2024 beschikbaar komen.

X Noot
7

In 2021 is de manier waarop dit kengetal wordt berekend in de Examenmonitor verbeterd. Ook de examenkandidaten uit het vso die extraneus doen op reguliere vo-scholen worden meegenomen in de berekening.

Tabel 13 Leerlingen voortgezet onderwijs (aantallen x 1.000)1
 

20192

2020

2021

2022

2023

1

Totaal aantal ingeschreven leerlingen (aantallen x 1.000)3

956,8

937,0

934,2

941,6

948,1

 

Nader te verdelen in:

     
 

vmbo/havo/vwo leerjaar 1-2

376,8

372,3

378

387,8

392,1

 

vmbo leerjaar 3-4

201,5

190,5

184,5

187,2

191,4

 

havo/vwo leerjaar 3

94,2

93,5

91,5

91,4

93,2

 

havo/vwo vanaf leerjaar 4

248,6

248,2

245,9

241,1

235,2

 

pro alle jaren

29,3

29,8

29,7

29,1

28,9

 

voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) vo

6,4

2,8

4,5

5

7,3

2

Totaal aantal scholen

650

648

645

641

640

3

Gemiddeld aantal leerlingen per school

1.472

1.446

1.448

1.469

1.481

X Noot
1

Bron: DUO, 1cijferbestand.

X Noot
2

Deze aantallen zijn gebaseerd op de voorlopige telling op de teldatum.

X Noot
3

Op de teldatum.

Tabel 14 Uitgaven per leerling (bedragen x € 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

Voortgezet onderwijs1

9,2

9,5

10,7

11,5

12,7

X Noot
1

In tegenstelling tot Begroting 2023 wordt geen verdere uitsplitsing gemaakt in «bekostiging» en «exclusief ondersteuningsmiddelen». De uitgaven voor de reguliere bekostiging en de uitgaven als ondersteuningsmiddel zijn in de bekostigingssystematiek geïntegreerd tot één financiële stroom.

C. Beleidsconclusies

De belangrijkste beleidsconclusies zijn opgenomen in het onderdeel beleidsprioriteiten.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 15 Budgettaire gevolgen van beleid van artikel 3 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

 

9.533.455

9.265.679

10.858.044

11.033.861

11.656.203

10.531.562

1.124.641

         

Uitgaven

9.009.949

9.135.685

10.076.767

10.858.519

11.467.260

11.179.889

287.371

         

Bekostiging

8.817.242

8.837.248

9.643.928

10.361.148

10.861.632

10.261.445

600.187

Hoofdbekostiging

 

8.487.843

8.495.386

8.832.871

9.240.276

10.115.579

9.523.239

592.340

 

Bekostiging Voortgezet Onderwijs lumpsum

8.471.508

8.477.175

8.812.231

9.215.501

10.092.145

9.502.339

589.806

 

Bekostiging Caribisch Nederland

16.335

18.211

20.640

24.775

23.434

20.900

2.534

Aanvullende bekostiging

16.258

18.157

811.057

1.120.872

746.053

738.206

7.847

 

Resultaatafhankelijke bekostiging vsv voor VO-scholen

16.258

18.157

16.820

9.013

8.811

8.557

254

 

Aanvullende regeling strategisch personeelsbeleid, begeleiding starters en thuiszitters

0

0

109.923

489.717

119.640

113.187

6.453

 

Aanvullende regelingen leerlingendaling

0

0

4.513

4.513

4.530

4.540

‒ 10

 

Aanvullende bekostiging Nationaal Programma Onderwijs

0

0

679.801

617.629

613.072

611.922

1.150

Prestatiebox

313.141

323.705

0

0

0

0

0

 

Regeling prestatiebox Voortgezet Onderwijs

313.141

323.705

0

0

0

0

0

Subsidies (regelingen)

79.509

180.305

275.846

291.407

406.821

556.369

‒ 149.548

Stichting Kennisnet (basissubsidie) PO, VO, MBO

19.774

19.240

21.240

24.161

35.303

24.625

10.678

Pilots zomerscholen

8.152

6.933

4.704

2.551

3.236

9.267

‒ 6.031

Nieuwe leerweg

0

9.337

8.944

8.071

6.386

10.241

‒ 3.855

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

0

94.146

69.795

94

0

0

0

Extra hulp voor de klas

0

0

112.001

0

0

0

0

Regeling Heterogene brugklassen

0

0

0

68.618

4.800

21.250

‒ 16.450

Basisvaardigheden

0

0

0

113.598

125.876

176.138

‒ 50.262

Nationaal groeifonds

0

0

0

0

0

6.984

‒ 6.984

Maatschappelijke diensttijd

0

0

0

0

92.757

203.392

‒ 110.635

School en Omgeving

0

0

0

13.269

30.227

0

30.227

NGF Ontwikkelkracht

0

0

0

0

3.758

0

3.758

Schoolmaaltijden

0

0

0

0

24.194

0

24.194

Overige subsidies

51.583

50.649

59.162

61.045

80.284

104.472

‒ 24.188

Opdrachten

4.936

7.630

12.174

9.892

20.561

54.615

‒ 34.054

In- en uitbesteding

4.936

7.630

8.128

8.409

11.301

44.615

‒ 33.314

Zelftesten

0

0

4.046

1.483

402

10.000

‒ 9.598

MDT opdrachten

 

0

0

0

0

8.858

0

8.858

Bijdrage aan agentschappen

52.840

56.180

65.074

69.674

73.418

64.494

8.924

Dienst Uitvoering Onderwijs

52.840

56.180

65.074

69.674

73.418

64.494

8.924

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

55.207

54.103

54.532

56.661

60.084

48.651

11.433

ZBO: College voor Toetsen en Examens

11.619

10.541

11.553

12.569

13.004

4.573

8.431

SLOA: onderwijs ondersteunende instellingen PO/VO/MBO (incl. examens)

43.588

43.562

42.979

44.092

47.080

44.078

3.002

Bijdrage aan medeoverheden

0

0

25.016

69.505

44.411

194.019

‒ 149.608

Nationaal Programma onderwijs

0

0

25.016

60.038

35.023

35.019

4

SPUK huisvesting noodlocaties VO

0

0

0

9.467

9.388

159.000

‒ 149.612

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

215

219

197

232

333

296

37

GRAZ (ECML) en PISA

215

219

197

232

333

296

37

Garantie-uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

Garantie-uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

         

Ontvangsten

8.855

6.507

7.152

8.407

7.275

7.391

‒ 116

Tabel 16 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

 

9.533.455

9.265.679

10.858.044

11.033.861

11.656.203

10.531.562

1.124.641

waarvan garantieverplichtingen

87.747

40.312

51.912

1.884

25.182

0

25.182

waarvan overige verplichtingen

9.445.708

9.225.367

10.806.132

11.031.977

11.631.021

10.531.562

1.099.459

E. Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie op de overige verplichtingen is € 1,1 miljard hoger dan begroot. De ophoging van de garantieverplichtingen ter hoogte van € 25,2 miljoen is het gevolg van leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

De realisatie van de uitgaven in 2023 is € 287,4 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. Het verschil tussen de verplichtingen- en uitgavenrealisaties betreft € 188,9 miljoen. Dit wordt vooral veroorzaakt doordat in 2023 niet alleen de uitgaven in 2023 zijn verplicht, maar ook een deel van de uitgaven voor 2024. Een voorbeeld is de subsidieregeling basisvaardigheden die in 2023 meerjarig is verplicht en de ontvangen loon- en prijsbijstelling 2023 die is verwerkt in de bekostiging voor 2024.

Bekostiging

Schoolbesturen in het voortgezet onderwijs ontvangen bekostiging van het Rijk via de lumpsum. De realisatie op de bekostiging is € 600,2 miljoen hoger dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. De belangrijkste oorzaak is de toevoeging van loon- en prijsbijstelling van € 530,6 miljoen. Verder is € 42,9 miljoen aan extra bekostiging voor nieuwkomers uit Oekraïne en overige landen toegevoegd. Ook is € 21,6 miljoen aan extra middelen toegevoegd, omdat de referentieraming 2023 een stijging van het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs raamde.

De regeling sterk techniekonderwijs valt onder het instrument bekostiging. In 2023 is € 85,7 miljoen gerealiseerd op deze regeling. In de bekostiging is bijzondere aandacht voor verschillende groepen leerlingen (leerplus, eerste opvang nieuwkomers en internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs). Met de regeling functiemix VO Randstadregio's wordt rekening gehouden met randstedelijke problematiek. De realisatie op het leerplusarrangement was in 2023 € 53,7 miljoen. De realisatie op de eerste opvang nieuwkomers was € 291,3 miljoen en de realisatie op het internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs € 9,4 miljoen. De realisatie op de Regeling functiemix VO Randstadregio's was in 2023 € 73 miljoen. Zowel het budget als de realisatie van de genoemde aanvullende bekostigingsregelingen zijn opgenomen onder de regel Bekostiging Voortgezet Onderwijs lumpsum in de budgettaire tabel.

Subsidies

Om de realisatie van verschillende beleidsdoelstellingen te bewerkstelligen, worden subsidies verstrekt. De grootste subsidieregelingen zijn voor School en Omgeving, het versterken van basisvaardigheden en de maatschappelijke diensttijd. De realisatie op de subsidies is per saldo € 149,5 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door:

  • de extra investeringen van € 24,2 miljoen ten behoeve van het verzorgen van schoolmaaltijden in het voortgezet onderwijs;

  • de extra investeringen van € 30,2 miljoen vanuit het coalitieakkoord om de kansengelijkheid te bevorderen via de subsidieregeling School en Omgeving. Daarbij heeft een voortijdige betaling in 2023 (in plaats van in 2024 en in 2025) geleid tot meer uitgaven op dit budget dan was beoogd. Deze voortijdige betaling wordt met de voorjaarsnota van 2024 in de budgetstanden voor School en Omgeving rechtgezet;

  • minder uitgaven op de subsidieregeling brede brugklassen. Hierdoor is € 16,5 miljoen minder uitgegeven dan oorspronkelijk begroot;

  • minder uitgaven op subsidies voor onder andere de curriculumbijstelling en vrij en veilig onderwijs. Hierdoor is € 17,5 miljoen minder uitgegeven aan overige subsidies dan oorspronkelijk begroot;

  • een herverdeling van € 42 miljoen tussen artikel 3 (Voortgezet onderwijs) en artikel 1 (Primair onderwijs) voor de subsidieregeling basisvaardigheden, omdat het bedrag per leerling in het primair en voortgezet onderwijs gelijk is getrokken;

  • minder uitgaven op de subsidies in het kader van de maatschappelijke diensttijd. Hierdoor is € 89,6 miljoen minder uitgegeven dan oorspronkelijk begroot. Het resterende deel wordt verklaard door budgetoverboekingen naar het instrument opdrachten (€ 12,9 miljoen), VWS (€ 4,4 miljoen) en apparaatskosten (€ 3,7 miljoen).

Opdrachten

Door middel van opdrachten worden beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken uitgevoerd. Onder dit instrument vallen middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken zoals de ondersteuning voor zeer zwakke scholen, het monitoringsprogramma voor basisvaardigheden en middelen voor zelftesten. De realisatie op het instrument opdrachten is € 34,1 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Dit komt met name doordat de uitgaven voor onder andere de monitoring basisvaardigheden, veilig digitaal, de ondersteuning voor scholen voor het Masterplan basisvaardigheden en burgerschap € 17 miljoen lager zijn dan oorspronkelijk begroot. € 4,1 miljoen wordt verklaard door minder uitgaven voor het Nationaal GroeiFonds(NGF)-project Ontwikkelkracht. Deze middelen worden conform de systematiek van het NGF toegevoegd aan de begroting voor 2024. Verder zijn de uitgaven voor zelftesten € 9,6 miljoen lager dan eerder begroot.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

ZBO: College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) zorgt voor uitvoerende werkzaamheden met betrekking tot de centrale examens in het reguliere voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs, de volwassenen-educatie, de staatsexamens voor het voortgezet onderwijs en Nederlands als tweede taal (NT2). De realisatie op de bijdrage aan het CvTE is per saldo € 8,4 miljoen hoger dan de oorspronkelijke begroting. Dit komt met name doordat andere directies (Primair onderwijs en Middelbaar beroepsonderwijs) gedurende het jaar hun bijdrage aan het CvTE overboeken naar artikel 3 (Voortgezet onderwijs). Deze bijdrage begroten andere directies onder het eigen artikel. Daarnaast zijn de uitgaven aan het CvTE wel lager dan oorspronkelijk verwacht. Dit komt met name doordat er minder NT2-examens zijn afgenomen dan aanvankelijk was verwacht. Hierdoor waren de uitgaven hiervoor € 4,6 miljoen lager dan begroot.

SLOA: onderwijs ondersteunende instellingen primair-, voortgezet- en beroepsonderwijs en volwasseneducatie

Op 1 januari 2014 is de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013 (SLOA) (Stb. 2013, 438) in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidiëring van de wettelijke taken van Stichting Cito en Stichting Leerplanontwikkeling (SLO). De realisatie op de bijdrage aan Stichting Cito en SLO is € 3,0 miljoen hoger dan de oorspronkelijke begroting. Dit wordt met name verklaard door de toevoeging van € 2,5 miljoen aan loon- en prijsbijstelling.

Bijdrage aan medeoverheden

Onder de bijdrage aan medeoverheden vallen de specifieke uitkeringen aan gemeenten. De realisatie is € 149,6 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Dit wordt verklaard doordat gemeenten minder aanvragen hebben gedaan voor de specifieke uitkering voor huisvesting van noodlocaties voor leerlingen uit Oekraïne dan er budget beschikbaar was.

4.3 Beleidsartikel 4 Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

A. Algemene doelstelling

Het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat studenten hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Studenten worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van middelbaar onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele studenten en bij de behoeftes van de maatschappij. De sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) omvat het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en de volwasseneneducatie. Het middelbaar beroepsonderwijs heeft een belangrijke maatschappelijke en economische functie. Het is een leverancier van werknemers voor de arbeidsmarkt. Ook is het een schakel tussen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het middelbaar onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van aanvullende bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, kwaliteitsafspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen
Tabel 17 Kengetallen

Kengetal

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

Percentage studenten in het mbo dat zich uitgedaagd voelt1

38%

37%

37%

38%

40%

41%

2

Studenttevredenheid2

      
  

Cijfer opleiding

7,1

   
      

6,73

 

6,8

  

Cijfer instelling

6,7

   
      

6,53

 

6,6

  

Percentage tevreden over school en studie4

 

62%

 

 

X Noot
1

X Noot
2

Dit kengetal wordt tweejaarlijks gemeten.

X Noot
3

Vanwege een andere antwoordmogelijkheid bij de vragen zijn de cijfers niet vergelijkbaar met eerdere jaren.

X Noot
4

Vanwege een andere vraagstelling over de tevredenheid is het cijfer voor 2018 niet vergelijkbaar met eerdere jaren, en worden deze eerdere jaren niet getoond. Vanaf 2020 wordt deze vraag niet meer gesteld.

Tabel 18 Studenten middelbaar beroepsonderwijs (aantallen x 1.000)1
  

2019

2020

2021

2022

2023

1

Aantal studenten mbo (x 1.000 excl. vavo en vanaf 2018 inclusief groen onderwijs)2

498,6

506,1

500,2

483,5

469,4

 

Bol

370,8

379,0

377,9

346,9

329,5

 

Bbl

127,8

127,1

122,3

136,6

139,9

 

Vavo

8,4

6,4

6,7

7,1

8,1

2

Onderwijsuitgaven per mbo-student (x € 1.000)3

8,3

8,6

9,44

9,6

10,8

X Noot
1

Bron: DUO, 1cijferbestand. Het 1cijferbestand van DUO kan afwijken van de in voorgaande jaren gebruikte Referentieraming.

X Noot
2

(Sub)totalen geven een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

X Noot
3

De onderwijsuitgaven per student zijn berekend door de middelen voor het instrument bekostiging te delen door het ongewogen aantal mbo-studenten uit de referentieraming 2023.

X Noot
4

In 2021 is eenmalig de extra aanvraag subsidieregelingen uit het Nationaal Programma Onderwijs toegevoegd aan de berekening. De onderwijsuitgaven per student zijn in 2021 berekend door de middelen voor het instrument bekostiging plus de subsidieregelingen Inhaal- en ondersteuningsprogramma's (€ 33.471) en Extra hulp voor de klas (€ 102.647) te delen door het ongewogen aantal mbo-studenten (inclusief vavo) uit de referentieraming 2021. Dit is gedaan omdat beide regelingen in 2022 onderdeel uitmaken van de bekostiging en daarmee wordt de vergelijkbaarheid van de onderwijsuitgaven per student over de jaren heen vergroot.

C. Beleidsconclusies

De belangrijkste beleidsconclusies zijn opgenomen in het onderdeel beleidsprioriteiten. Om uitwerking te geven aan de ambities uit het huidige coalitieakkoord, heeft het Ministerie van OCW samen met studenten, docenten, mbo-instellingen, werkgevers, gemeenten onderwijskoepels en vakbonden rond het mbo de Werkagenda mbo en het Stagepact mbo ondertekend. De inzet richt zich op drie speerpunten:

  • 1. vergroten gelijke kansen;

  • 2. betere aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt;

  • 3. onderwijskwaliteit, onderzoek en innovatie.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 19 Budgettaire gevolgen van beleid van artikel 4 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

5.275.175

4.993.746

5.626.978

5.708.910

5.451.235

7.166.368

‒ 1.715.133

        

0

Uitgaven

4.654.063

4.864.049

5.313.781

5.399.566

5.812.453

5.541.718

270.735

        

0

Bekostiging

4.210.160

4.330.200

4.605.346

4.722.353

5.192.137

4.910.852

281.285

Hoofdbekostiging

3.678.920

3.777.137

4.021.039

4.264.008

4.270.396

3.969.535

300.861

Bekostiging mbo-instellingen

3.608.204

3.704.028

3.944.713

4.182.448

4.179.787

3.887.524

292.263

Bekostiging Caribisch Nederland

5.316

5.744

6.943

9.399

10.405

10.850

‒ 445

Bekostiging vavo

65.400

67.365

69.383

72.161

80.204

71.161

9.043

Kwaliteitsafspraken

417.800

440.000

457.867

341.147

803.757

803.757

0

Investeringsbudget

381.300

440.000

247.215

341.147

586.134

586.134

0

Resultaatsafhankelijk budget

36.500

0

210.652

0

217.623

217.623

0

Aanvullende bekostiging

113.440

113.063

126.440

117.198

117.984

137.560

‒ 19.576

Regionaal Investeringsfonds

21.676

21.010

19.637

21.742

21.629

44.324

‒ 22.695

Salarismix Randstadregio's

48.397

51.503

52.664

54.406

55.279

52.186

3.093

Regionaal programma

30.400

30.550

30.550

30.550

30.550

30.550

0

Tegemoetkoming schoolkosten mbo

10.000

10.000

0

0

0

0

0

Gelijke kansen

2.967

0

0

0

26

0

26

Begeleidingsgesprekken jeugdwerkloosheid

0

0

23.589

10.500

10.500

10.500

0

Subsidies (regelingen)

241.277

322.155

489.354

436.945

350.725

346.698

4.027

Subsidieregeling praktijkleren

204.048

213.500

306.279

311.558

264.064

240.092

23.972

Permanent leren

464

0

0

0

0

0

0

Leven Lang Ontwikkelen

0

3.895

5.225

6.114

1.985

2.059

‒ 74

Actieplan Laaggeletterdheid/Tel mee met taal

16.007

16.031

19.394

13.611

13.995

15.573

‒ 1.578

Doorstroom beroepskolom

0

0

0

0

9.660

25.000

‒ 15.340

Vakwedstrijden mbo

0

3.200

4.100

4.100

4.722

4.327

395

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

0

69.745

33.471

0

0

0

0

Extra hulp voor de klas

0

0

102.647

0

0

0

0

Maatschappelijke dienstijd

0

0

0

77.098

0

0

0

NGF Laaggeletterdheid

0

0

0

0

1.241

3.400

‒ 2.159

Loopbaanoriëntatie

3.234

3.275

1.782

1.523

34.624

34.455

169

Zelftesten

0

0

536

0

0

0

0

Overige subsidies

17.524

12.509

15.920

22.941

20.434

21.792

‒ 1.358

Opdrachten

8.238

5.039

9.796

12.723

9.480

32.356

‒ 22.876

In- en uitbesteding

3.590

5.039

7.137

12.472

9.381

22.706

‒ 13.325

Caribisch Nederland

4.648

0

0

0

0

0

0

Zelftesten

0

0

2.659

251

99

9.650

‒ 9.551

Bijdrage aan agentschappen

17.831

21.868

21.786

25.218

25.670

22.479

3.191

Dienst Uitvoering Onderwijs

15.539

19.758

19.281

22.644

22.566

19.233

3.333

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

2.292

2.110

2.505

2.574

3.104

3.246

‒ 142

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

54.998

61.156

61.213

66.683

84.789

89.446

‒ 4.657

College voor Toetsen en Examens

0

0

0

0

0

12.156

‒ 12.156

Wet SLOA

0

0

0

0

0

1.164

‒ 1.164

SBB

54.998

61.156

61.213

66.683

82.063

73.126

8.937

NWO Comenius

0

0

0

0

2.726

3.000

‒ 274

Bijdrage aan medeoverheden

121.559

123.631

126.286

135.644

149.652

139.887

9.765

RMC's

35.309

40.951

42.303

44.665

43.623

40.065

3.558

Educatie

60.356

62.174

63.560

70.622

85.462

80.622

4.840

Regionaal Programma

18.457

19.200

19.200

19.200

19.200

19.200

0

Caribisch Nederland

7.437

1.306

1.223

1.157

1.367

0

1.367

         

Ontvangsten

6.742

5.082

8.918

14.238

5.866

4.000

1.866

Tabel 20 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

 

5.275.175

4.993.746

5.626.978

5.708.910

5.451.235

7.166.368

‒ 1.715.133

waarvan garantieverplichtingen

‒ 7.208

107.437

13.509

69.018

34.669

0

34.669

waarvan overige verplichtingen

5.282.383

4.886.309

5.613.469

5.639.892

5.416.566

7.166.368

‒ 1.749.802

E. Toelichting op de financiële instrumenten

De totale realisatie van de verplichtingenuitgaven in 2023 is € 1,7 miljard lager dan begroot. In dit saldo zitten negatieve bijstellingen van totaal € 89,7 miljoen. Een negatieve bijstelling is het verlagen van een aangegane verplichting uit een eerder jaar. De totale ‒ € 89,7 miljoen bestaat voor ‒ € 35,3 miljoen uit vervallen garantieverplichtingen. Het overige bedrag betreft grotendeels een negatieve bijstelling op oudere verplichtingen bij de Maatschappelijke Diensttijd (hetgeen nu op artikel 3 (Voortgezet Onderwijs) staat).

De realisatie van de garantieverplichtingen ter hoogte van € 34,7 miljoen is het gevolg van leningen/rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. Deze leningen worden door middel van schatkistbankieren verstrekt. Het Ministerie van OCW staat voor deze leningen garant. Deze verplichtingen worden niet geraamd.

De realisatie op de overige verplichtingen wordt grotendeels verklaard doordat dit jaar nog geen verplichtingen zijn aangegaan voor de Regeling kwaliteitsafspraken 2024-2027. Deze regeling is pas medio maart 2023 gepubliceerd en de minister neemt in 2024 een beslissing over de kwaliteitsagenda’s die door de instellingen worden ingeleverd. Vanaf 2024 worden er pas verplichtingen aangegaan. Daardoor zijn de verplichtingen in 2023 voor deze regeling bij de 1e suppletoire begroting 2023 met bijna € 2,2 miljard verlaagd. Daarnaast wordt de realisatie op de overige verplichtingen ook verklaard door de toekenning van loon- en prijsbijstelling tranche 2023 van in totaal € 327 miljoen in 2023. Bij onder andere het instrument bekostiging mbo-instellingen wordt ook het effect van de loon- en prijsbijstelling over 2024 (€ 277 miljoen) in het jaar 2023 al verplicht.

De realisatie van de uitgaven 2023 ligt € 270,7 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De realisatie van de ontvangsten is € 1,9 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot.

Bekostiging

Hoofdbekostiging

Bekostiging mbo-instellingen

De rijksbijdrage die de mbo-instellingen ontvangen, is gebaseerd op de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). De bekostiging is nader uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit WEB.

Het landelijk budget dat beschikbaar is voor de mbo-instellingen wordt verdeeld in een budget voor entree-opleidingen en een budget voor de niveaus 2 t/m 4. Het budget voor de entree-opleidingen wordt verdeeld over de instellingen naar rato van het aantal ingeschreven studenten. Het budget voor de niveaus 2 t/m 4 wordt verdeeld naar rato van het aantal ingeschreven studenten en het aantal afgegeven diploma’s van elke instelling. De mate waarin een student meetelt is afhankelijk van de leerweg (beroepsopleidende leerweg (bol) of beroepsbegeleidende leerweg (bbl)) en de opleiding (de prijsfactor van de opleiding). De mate waarin een diploma meetelt is afhankelijk van het niveau en de vraag of de student al eerder een mbo-diploma heeft behaald. In 2023 is circa € 292 miljoen toegevoegd aan de lumpsum voor de mbo-instellingen. Deze stijging wordt grotendeels verklaard door de verdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2023 (€ 281 miljoen). Verder zijn middelen toegevoegd voor de fusie tussen ROC van Amsterdam en ROC TOP (circa € 11 miljoen).

Bekostiging Caribisch Nederland

Deze middelen zijn bedoeld om de instellingen in Caribisch Nederland via lumpsumbekostiging te financieren voor de studenten die middelbaar beroepsonderwijs volgen. Op Bonaire worden op alle vier mbo-niveaus opleidingen aangeboden.

Bekostiging vavo

De rijksbijdrage voor het verzorgen van het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) is voor 2023 beschikbaar gesteld op basis van het vanaf 2015 ingevoerde bekostigingsmodel voor het vavo. De verdeling van de beschikbare middelen voor 2023 heeft plaatsgevonden aan de hand van het aantal ingeschreven studenten op 1 oktober 2021, het aantal vakken dat door studenten met een voldoende is afgesloten en het aantal afgegeven diploma’s in het kalenderjaar 2021. In 2023 is circa € 9 miljoen toegevoegd aan het budget voor vavo-instellingen. De stijging wordt verklaard door de uitgekeerde loon- en prijsbijstelling tranche 2023 (€ 4,2 miljoen) en het verstrekken van reiskostenvergoeding aan studenten (€ 4,8 miljoen).

Kwaliteitsafspraken

Investeringsbudget

In 2023 is via de Regeling kwaliteitsafspraken 2023 een bedrag van € 586 miljoen als aanvullende bekostiging beschikbaar gesteld voor mbo-instellingen. De middelen werden voor twee derde deel verdeeld naar rato van de Rijksbijdrage van de instelling en voor een derde deel op basis van het aantal studenten dat op 1 oktober 2021 stond ingeschreven op een niveau-2 opleiding bij de instelling. Dit laatste is gedaan gezien de extra middelen die in 2023 voor niveau 2 aan de kwaliteitsmiddelen zijn toegevoegd.

Instellingen konden de middelen besteden aan het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs op de instelling of aan extra begeleiding voor studenten in de basisberoepsopleiding, gericht op de voor de instelling urgente thema’s. Daarbij is met de MBO Raad afgesproken dat instellingen de middelen zoveel mogelijk inzetten op de thema’s die in de in 2023 ondertekende Werkagenda mbo naar voren komen: kansengelijkheid, de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en kwaliteit, onderzoek & innovatie. Hoe instellingen de middelen hebben ingezet zal blijken uit de jaarverslagen van 2023 en de ingevulde XBRL-tool. Deze informatie komt eind van de zomer van 2024 beschikbaar.

Resultaatafhankelijk budget

In 2021 heeft de Minister van OCW, op basis van het advies van de commissie kwaliteitsafspraken mbo, besloten dat alle mbo-instellingen het resultaatafhankelijk budget over de jaren 2019 en 2020 ontvangen. In 2023 heeft eindbeoordeling plaatsgevonden over de gehele periode 2019–2022 en is besloten over het resultaatafhankelijk budget voor de jaren 2021 en 2022. Alle instellingen hebben hun resultaatafhankelijk budget ontvangen.

Aanvullende bekostiging

Regionaal investeringsfonds (RIF)

Met het RIF worden middelen beschikbaar gesteld voor duurzame publiek-private samenwerking (pps) van beroepsonderwijs, bedrijfsleven en regionale overheden. Mbo-instellingen kunnen een aanvraag doen voor bekostiging van een samenwerkingstraject dat leidt tot verbetering van de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt. De samenwerkingspartners dragen financieel voor 50 tot 67 procent bij. In 2023 is € 21,6 miljoen uitgekeerd. Dat is € 22,7 miljoen minder dan in de vastgestelde begroting staat. Dit wordt voornamelijk verklaard door een meerjarige kasschuif in de voorjaarsnota 2023 die de beschikbare middelen voor de RIF-regeling in overeenstemming bracht met het (verwachte) betalingsritme.

Salarismix Randstadregio’s

In het Actieplan Leerkracht van Nederland zijn afspraken vastgelegd over de ambities op het gebied van professionalisering en de versterking van de salarismix in de Randstadregio’s. Er zijn via de Regeling versterking van salarismix leraren middelbaar beroepsonderwijs in de Randstadregio’s, aanvullend op de lumpsum, structureel middelen beschikbaar gesteld om in deze regio’s tot een versterking van de salarismix te komen. In 2023 is circa € 3,1 miljoen toegevoegd aan het budget voor de loon- en prijsbijstelling tranche 2023. Al deze middelen zijn in 2023 aan de scholen uitgekeerd volgens de in de regeling vastgestelde verdeling. Met deze regeling stopt na 2023 in haar huidige vorm.

Regionaal programma

Scholen en gemeenten werken in 40 regio’s samen bij het tegengaan van voortijdig schoolverlaten. In 2020 heeft elke regio hiervoor een 4-jarig regionaal programma gemaakt waarmee maatregelen worden genomen om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan. In studiejaar 2021-2022 is het aantal voortijdig schoolverlaters fors gestegen. Minister Dijkgraaf heeft eind oktober 2023 het actieplan vsv naar de Tweede Kamer gestuurd om het aantal uitvallers terug te dringen tot maximaal 18.000 vsv’ers in 2026.

Voor de uitvoering van het regionaal programma was in 2023 in totaal € 49,8 miljoen beschikbaar. Hiervan is € 30,6 miljoen via de contactschool naar de regio gegaan en € 19,2 miljoen via de contactgemeente naar de Doorstroompunt-functie (voorheen RMC) van de gemeente (zie bijdrage aan medeoverheden).

Gelijke kansen

Als gevolg van een goedgekeurd bezwaar op een vaststellingssubsidie heeft een nabetaling van € 26.000 plaatsgevonden.

Extra begeleiding en nazorg (aanpak jeugdwerkloosheid)

In 2023 is € 10,5 miljoen verstrekt aan mbo-instellingen om mbo-studenten na diplomering begeleiding te bieden gericht op de overstap naar vervolgonderwijs of het vinden van werk. Dit wordt ook wel nazorg genoemd. In 2023 is het wetsvoorstel van school naar duurzaam werk in internetconsultatie gegaan. Hiermee wordt de taak voor het bieden van nazorg omgezet in een wettelijke taak voor het bieden van aanvullende loopbaanbegeleiding.

Subsidies

Praktijkleren

De subsidieregeling praktijkleren heeft tot doel werkgevers te stimuleren om praktijkleerplaatsen en werkleerplaatsen aan te bieden. Dankzij de regeling kunnen leerlingen, studenten of werknemers die een (beroeps)opleiding volgen, zich beter voorbereiden op de arbeidsmarkt en kunnen werkgevers beschikken over beter opgeleid personeel. De subsidieregeling is een tegemoetkoming voor de kosten die een werkgever maakt voor begeleiding van deze studenten of werknemers. In 2023 is voor de subsidieregeling praktijkleren in totaal € 264,1 miljoen gerealiseerd. Het reguliere deel van de subsidie betreft een bedrag van € 253,5 miljoen. Het grootste deel van het reguliere subsidiebudget (€ 246 miljoen) was bestemd voor het mbo en de overige middelen waren bestemd voor de compartimenten vmbo/pro/vso, hbo en wo (€ 7,5 miljoen). Daarnaast was een aanvullende subsidie van € 10,6 miljoen beschikbaar voor mbo-leerwerkplekken in de sectoren landbouw, horeca en recreatie.

Door de plafondsubsidie van het reguliere subsidiebudget hebben werkgevers in 2023 een lager bedrag per gerealiseerde werkplek ontvangen dan het maximale subsidiebedrag van € 2.700 per leerwerkplek. Dit was € 2.549 voor het mbo, € 584 voor het hbo en € 2.560 voor het wo. Voor het vmbo/pro/vso kon wel € 2.700 per leerwerkplek worden uitgekeerd.

Het aanvullende subsidiebudget is volledig uitgeput. Werkgevers die mbo-leerwerkplekken realiseerden in de sectoren landbouw, horeca en recreatie ontvingen additioneel op de reguliere subsidie een aanvullende toeslag van € 1.888 per gerealiseerde leerwerkplek.

In 2023 is circa € 26 miljoen aan de subsidieregeling praktijkleren toegevoegd. Deze middelen komen voort uit het toevoegen van loon- en prijsbijstelling tranche 2023 en de extra stijging van het aantal bbl-studenten. In de jaarlijkse doorrekening van de referentieraming 2023 steeg het aantal bbl-studenten ten opzichte van de vorige raming. Hierdoor is de regeling praktijkleren voor leerwerkbedrijven budgettair niet meer toereikend om het maximale bedrag van € 2.700 per leerwerkplek uit te keren, op basis van de verwachte aanvragen. Voor onder andere het jaar 2023 zijn extra middelen beschikbaar gesteld om dit budgettaire effect te compenseren.

Leven lang ontwikkelen

Het Ministerie van OCW werkt met andere departementen, sociale partners, onderwijsinstellingen en andere stakeholders aan het realiseren van een doorbraak op leven lang ontwikkelen. In 2023 zijn twee Kamerbrieven LLO naar de Kamer gestuurd die richting geven aan vervolgstappen. Met een Onderwijsagenda is weergegeven hoe het formele onderwijs stap voor stap toegankelijker gemaakt gaat worden voor LLO. In 2023 zijn de beschikbare OCW-middelen grotendeels ingezet voor een monitor flexibilisering en om randvoorwaarden voor LLO te verbeteren.

Actieplan laaggeletterdheid/Tel mee met Taal

De uitvoering van de aanpak van laaggeletterdheid loopt via het landelijke programma Tel mee met Taal dat door de Ministeries van OCW, SZW, VWS en BZK wordt uitgevoerd en gefinancierd. Met dit programma worden onder andere gemeenten, aanbieders van cursussen, werkgevers, bibliotheken en maatschappelijke organisaties ondersteund om laaggeletterden te herkennen, door te verwijzen en te scholen. In 2023 ging het om een programmabudget van € 15,6 miljoen, dat is weggezet via verschillende subsidies en opdrachten aan de hand van de tien maatregelen van het programma. Zo worden via de subsidieregeling Tel mee met Taal 2021-2024 ouders, werknemers en werkgevers geholpen om met hun basisvaardigheden aan de slag te gaan (€ 5,1 miljoen), ondersteunt stichting Lezen en Schrijven gemeenten bij de aanpak van basisvaardigheden (€ 7,1 miljoen) en is de campagne ‘Doe meer met Taal’ (€ 0,5 miljoen) live gegaan om meer mensen te bereiken.

Doorstroom beroepskolom

Het jaar 2023 was het eerste jaar waarin instellingen een aanvraag konden doen voor de regeling Versterking Aansluiting Beroepsonderwijskolom. Via de subsidieregeling wordt bijgedragen aan een betere aansluiting tussen vmbo/havo-mbo-hbo. Door middel van deze regeling wordt er gewerkt aan het verbeteren van de programmatische aansluiting van opleidingen en het ontwikkelen van een doorlopende begeleidingslijn voor studenten. De regeling richt zich op opleidingen voor tekortsectoren met een hoger dan gemiddeld percentage uitval en switch. Voor de regeling was in totaal voor 3 jaar € 150 miljoen beschikbaar, daarvan is € 9,7 miljoen in 2023 uitgegeven.

Vakwedstrijden mbo

De nationale vakwedstrijden hebben in maart 2023 op gebruikelijke wijze plaatsgevonden. In september 2023 vonden de internationale vakwedstrijden Euroskills plaats in Gdánsk. De vakwedstrijden bieden een platform aan studenten om te excelleren en laten aan een breed publiek zien wat vakgericht onderwijs en vakmanschap inhouden. De kosten van de organisatie van de nationale en internationale vakwedstrijden waren hoger dan beoogd, door onvoorzien en uitzonderlijk snel en sterk gestegen kosten. Mede om die reden is door de leden van de Tweede Kamer Van der Molen en El Yassini op 24 november 2022 een motie ingediend, waarin de regering is verzocht om vanwege de snel stijgende kosten middelen te reserveren voor de organisatie van (inter)nationale vakwedstrijden. Deze motie is aangenomen. De gevraagde middelen zijn gereserveerd en de subsidieplafonds zijn met terugwerkende kracht verhoogd.

LLO Collectief Laagopgeleiden en Laaggeletterden

In het voorjaar van 2023 zijn de geselecteerde pilotregio’s, te weten Zuidoost Brabant en Twente, aan de slag gegaan met hun kwartiermakersfase en uitvoeringsfase. Hiervoor is in totaal € 4,75 miljoen subsidie toegekend aan de pilotregio’s voor de looptijd van het project (2023-2025). Vanwege de looptijd van de pilotprojecten worden deze middelen in verschillende jaren besteed. In 2023 gaat het om € 1,7 miljoen, in 2024 € 2,3 miljoen en in 2025 € 584.000. Dit verklaart dat er een onderbesteding op deze post in de begroting van 2023 staat opgenomen. Deze middelen zijn doorgeschoven naar 2024. Er is op regionaal niveau een projectorganisatie opgezet en er zijn samenwerkingsafspraken gemaakt. Sinds de zomer van 2023 vinden er intakegesprekken plaats met laagopgeleide en/of laaggeletterde kandidaten die een maatwerkaanbod krijgen voor ondersteuning en scholing. Het landelijke projectleiderschap heeft aanvullend de samenwerking met landelijke partijen verstevigd door het instellen van een klankbordgroep. De gezamenlijke werkzaamheden op regionaal en landelijk niveau moeten ervoor zorgen dat de eerste kandidaten geholpen kunnen worden met hun basis- én vakvaardigheden om zo een betere positie op de arbeidsmarkt te verwerven.

Loopbaanoriëntatie (LOB)

In het kader van de werkagenda mbo 2023-2027 is onder meer met de Tijdelijke regeling aanvullende bekostiging LOB mbo 2023 geïnvesteerd in de verbetering en versterking van loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) in het mbo. De middelen zijn verder ingezet ten behoeve van betere studiekeuze- en arbeidsmarktvoorlichting via het portal KiesMBO met objectieve informatie over mbo-opleidingen, beroepen en arbeidsmarkt. Daarnaast zijn de middelen via het Expertisepunt LOB ingezet voor verbetering van de loopbaanbegeleiding in het mbo inclusief de overgangen vmbo-mbo-hbo.

Zelftesten

Vanaf april 2021 zijn er zelftesten beschikbaar gesteld aan studenten en medewerkers in het mbo en hoger onderwijs. Vanaf juni 2022 konden studenten en onderwijspersoneel zelftesten niet langer thuis laten bezorgen maar verliep de distributie alleen nog via onderwijslocaties. In 2023 vond nog een verrekening plaats voor kosten die in 2022 gemaakt zijn, overgebleven middelen zijn volgens gemaakte afspraken teruggeboekt naar het Ministerie van Financiën.

Overige subsidies

Hieronder vallen posten zoals ondersteuning Stichting Combo, Coöperatie Examens MBO U.A., Projectsubsidie Cyberveiligheid en de Kennispunten onderwijs & examinering en Burgerschap.

Opdrachten

In- en uitbesteding

Dit betreft middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken. Er is in totaal € 7,1 miljoen doorgeschoven naar 2024 vanwege uitstel van betalingen, voor het NGF-project Leeroverzicht en Skills (€ 4,9 miljoen) en voor het NP Onderwijs ( € 2,2 miljoen). Daarnaast is er € 4,3 miljoen overgeboekt voor de uitvoeringskosten van DUS-i en € 2,0 miljoen overgeheveld naar het instrument subsidies voor het masterplan basisvaardigheden.

Bijdragen aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel. De realisatie is in 2023 € 3,3 miljoen hoger dan de vastgestelde begroting doordat er meer uitvoeringskosten benodigd waren dan begroot.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft middelen ontvangen voor het uitvoeren van de Subsidieregeling praktijkleren.

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

Het CvTE is verantwoordelijk voor de examens voor rekenen en taal in het beroepsonderwijs en staatsexamens Nederlands als tweede taal. De realisatie is in 2023 € 12,2 miljoen lager dan de vastgestelde begroting. Dit komt doordat ten behoeve van het werkprogramma CvTE 2023 € 12,2 miljoen aan middelen zijn overgeboekt naar artikel 3 (Voortgezet onderwijs) en via dit artikel aan het CvTE is uitbetaald.

Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (SLOA)

De subsidieverlening voor Cito verloopt op basis van de Wet SLOA. De middelen worden ingezet voor het ontwikkelen van centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo door Cito. De realisatie in 2023 is € 1,2 miljoen lager dan de vastgestelde begroting. Dit komt grotendeels omdat er een overboeking heeft plaatsgevonden in 2023 van € 1,2 miljoen naar het onderdeel overige subsidies. Door een wijziging in het beleid voor rekenexamens worden de rekenexamens niet meer belegd bij Cito. In plaats daarvan worden deze middelen ingezet ter subsidiëring van de coöperatie waarbinnen rekenexamens door en voor de mbo-scholen worden gemaakt. Het overige deel is ingezet om o.a. extra uitvoeringskosten te bekostigen inzake de Nt2 staatsexamens.

Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

SBB heeft in 2023 middelen ontvangen voor de uitvoering van wettelijke taken. SBB onderhoudt onder andere de kwalificatiestructuur in het mbo. In 2023 heeft SBB voor diverse opleidingen de kwalificatiedossiers aangepast en geactualiseerd. Hier hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan. Op 14 februari 2023 hebben SBB, OCW en anderen het Stagepact mbo gesloten. Hierin staan o.a. afspraken over voldoende stages, het tegengaan van stagediscriminatie en het verbeteren van de kwaliteit van de begeleiding van stages. Na de ondertekening is SBB gestart met het uitvoeren van deze acties. 

In 2023 is circa € 8,9 miljoen toegevoegd aan het budget voor SBB. Deze stijging wordt grotendeels verklaard door de verdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2023 (€ 4,2 miljoen). Verder is er € 0,8 miljoen beschikbaar gesteld voor het beheer en ontwikkeling van de website KiesMBO en een bijdrage van SZW van € 1,0 miljoen voor het Actieplan Stages en leerbanen. Tevens heeft SBB vanaf 2023 structureel € 2,3 miljoen extra middelen ontvangen in verband met de ontreikendheid van de financiering voor de uitvoering van de wettelijke taken.

NWO:NRO-Programma’s MBO

In het kader van het versterken van de onderwijskwaliteit en het bevorderen van innovatie en onderzoek binnen het mbo worden vanaf 2023 middelen beschikbaar gesteld, onder andere voor de Nederlandse Onderwijspremie waarmee in 2023 in het mbo is gestart en waarvoor € 3,0 miljoen is uitgegeven. De Nederlandse Onderwijspremie is uitgereikt ter waardering van, en als impuls voor onderwijsvernieuwing en -verbetering van het mbo, hbo en wo. Met deze premie wordt waardering uitgesproken aan onderwijsteams die in de afgelopen vier jaar een onderwijsinitiatief hebben verbeterd of ontwikkeld dat heeft geleid tot een bijzondere prestatie in het mbo, hbo of wo. Qua uitvoering en resultaten hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan.

Bijdragen aan medeoverheden

Doorstroompunt-functie (Voorheen RMC-functie)

Gemeenten hebben met de Doorstroompunt-functie (voorheen RMC-functie) de taak om deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt te volgen van jongeren tot 23 jaar die (nog) geen startkwalificatie hebben. Het Doorstroompunt zorgt er samen met andere betrokken partijen in de regio voor dat deze jongeren worden begeleid naar school, zorg, werk of een combinatie daarvan. De financiering voor de uitvoering van het Doorstroompunt vindt plaats middels een specifieke uitkering. In 2023 is hiervoor een bedrag van € 43,6 miljoen uitgekeerd aan RMC-contactgemeenten.

Educatie

Sinds 1 januari 2015 wordt het educatiebudget per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een arbeidsmarktregio (via de 35 WEB-contactgemeenten). Gemeenten kregen in 2023 in totaal een budget van €85,5 miljoen om te besteden aan opleidingen Nederlandse taal, rekenen en digitale vaardigheden voor de doelgroepen van het educatie-aanbod. Deze opleidingen kunnen alleen worden aangeboden aan niet-inburgeringsplichtige personen van achttien jaar of ouder die ingezetene zijn van een gemeente. Gemeenten hebben voor de besteding van het budget bestedingsvrijheid om te bepalen aan welk type cursussen dit wordt besteed. Zo kunnen gemeenten opleidingen aanbieden die aansluiten bij de vraag van de diverse doelgroepen van de volwasseneneducatie. Alle gemeenten verzorgen opleidingen educatie. Uit de CBS monitor Landelijk Beeld Volwasseneneducatie en de beleidsmonitor Tel mee met Taal zien we dat gemeenten steeds meer zelf de regie gaan voeren op de aanpak van basisvaardigheden. Om gemeenten en betrokken partijen in deze regierol te ondersteunen en versterken bestaat er ook programmabudget van Tel mee met Taal 2020-2024 (€25 miljoen) naast de specifieke uitkering educatie. In 2023 is er €10,0 miljoen (coalitieakkoord) en €4,8 miljoen (LPO-middelen) toegevoegd aan het totale educatiebudget. Dit heeft het budget in 2023 van €70,6 naar €85,5 miljoen gebracht ten opzichte van 2022.

Regionaal programma

Voor de uitvoering van het regionaal programma voortijdig schoolverlaten en jongeren in een kwetsbare positie is in 2023 een bedrag van € 19,2 miljoen uitgekeerd. Dit is in de vorm van een specifieke uitkering aan Doorstroompunt-contactgemeenten verstrekt.

Caribisch Nederland

Aan de openbare lichamen in Caribisch Nederland wordt jaarlijks een bijzondere uitkering verstrekt voor de uitvoering van de Wet Sociale Kanstrajecten Jongeren BES (SKJ). Voor de samenwerking met Curaçao, Sint Maarten en Aruba worden middelen beschikbaar gesteld, bestemd voor het stimuleren van studeren in de regio en het bevorderen van voorzieningen in de regio, mede ten behoeve van de inwoners van Caribisch Nederland. De realisatie is in 2023 € 1,4 miljoen hoger dan de vastgestelde begroting. Dit wordt verklaard doordat de middelen voor de SKJ op het instrument bekostiging stonden. De SKJ is echter een bijdrage aan medeoverheden en wordt daarom op dat instrument gerealiseerd.

Ontvangsten

De ontvangsten van € 5,9 miljoen in 2023 zijn onder andere het gevolg van afrekeningen die betrekking hebben op subsidies en regelingen. De ontvangsten zijn in 2023 eenmalig met € 1,0 miljoen hoger door de bijdrage van gemeente Amsterdam aan de bestuursoverdracht van ROC TOP naar ROC van Amsterdam en Flevoland.

4.4 Beleidsartikelen 6 en 7 Hoger onderwijs

A. Algemene doelstelling

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele studenten, (wetenschappelijk) personeel en bij de behoefte van de maatschappij.

Financieren

De Minister financiert het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek door de bekostiging van de onderwijsinstellingen. Mede hierdoor wordt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen via de bekostiging en de inzet van andere instrumenten, zoals kwaliteitsafspraken, bestuurlijke afspraken, voorlichting en wet- en regelgeving.

Regisseren

De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hoger onderwijs vult de Minister in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. De kwaliteit van de individuele opleidingen in het hoger onderwijs wordt bewaakt met het accreditatiestelsel. Dit is belegd bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften en op de recht- en doelmatigheid. Zij ziet ook toe op de kwaliteit van het stelsel van hoger onderwijs, waaronder het accreditatiestelsel.

Kengetallen
Tabel 21 Kengetallen

Kengetal

    

2020-2021

2021-2022

2022-2023

1

Studenttevredenheid1

Hbo

   

3,65

3,65

3,65

Wo

   

3,89

3,88

3,91

   

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2

Percentage 25-64 jarigen (mbo/ho) dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven lang leren)2

 

19,1%

19,1%

19,5%

18,8%

26,6%

26,4%

  

2017/18

2018/19

2019/20

2020/21

2021/22

2022/23

3

Uitval 1e jaar3

Hbo

16,0%

15,5%

11,5%

11,5%

14,9%

16,2%

Wo

6,7%

7,0%

5,3%

6,4%

8,1%

7,1%

4

Bachelor rendement (n+1) van herinschrijvers na het eerste jaar3

Hbo

68,1%

69,0%

69,6%

71,0%

70,2%

70,3%

Wo

80,7%

81,2%

81,1%

81,9%

81,8%

81,1%

X Noot
1

Door aanpassing van de vragenlijst van de Nationale Studenten Enquête in 2020 zijn de recente resultaten niet te vergelijken met die uit voorgaande jaren en wordt 2020/21 als basisjaar voor toekomstige metingen genomen. Voor studiejaar 2020-2021 en later vermeldt het jaarverslag scores van 1 tot 5 (in plaats van percentages).

X Noot
2

De leeractiviteiten beslaan alle onderwijsactviteiten, niet alleen (formeel) onderwijs op mbo- of ho-niveau. In 2021 is er in de LFS een overgang geweest van huishoudenssteekproef (uitvragen van detailinformatie bij één persoon voor het hele huishouden) naar personensteekproef. De overgang naar personensteekproef geeft een accurater beeld weer, omdat huishoudleden niet altijd op de hoogte zijn van deelname aan cursussen door huisgenoten, waardoor onderschatting plaatsvindt. Dit verklaart ook waarom het percentage in 2021 een stuk hoger ligt dan voorgaande jaren. Het is dan ook niet mogelijk om het percentage 25-64 jarigen (mbo/ho) dat deelneemt aan een leeractiviteit in 2021 goed te vergelijken met de deelname in voorgaande jaren.

X Noot
3

Tabel 22 Studenten hoger onderwijs (aantallen x 1.000)

1

Ingeschreven studenten (inclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)

2019/201

2020/211

2021/221

2022/231

2023/24

 

hbo voltijd associate degree

8,7

11,2

12,1

12,8

15,1

 

hbo voltijd bachelor

396,8

415,3

412,6

398,1

380,0

 

hbo voltijd master

5,4

6,0

6,4

6,5

6,8

 

hbo deeltijd associate degree

5,2

6,4

7,6

8,2

9,0

 

hbo deeltijd bachelor

38,9

41,7

43,3

42,3

40,9

 

hbo deeltijd master

7,9

7,7

8,4

8,2

7,9

 

Totaal hbo

462,8

488,3

490,5

476,1

459,7

        
 

wo voltijd bachelor

191,4

205,3

212,4

215,7

217,9

 

wo voltijd master

108,8

118,8

124,7

121,4

119,3

 

wo deeltijd bachelor

1,5

1,6

1,7

1,5

1,5

 

wo deeltijd master

3,0

3,2

3,3

3,2

3,1

 

Totaal wo

304,8

328,9

342,1

341,9

341,8

        

2

Gediplomeerden (inclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)

20192

20202

20212

20222

 
 

hbo voltijd associate degree

1,4

2,1

2,6

3,1

3,1

 

hbo voltijd bachelor

62,0

61,7

64,5

60,3

62,8

 

hbo voltijd master

1,9

2,0

2,4

2,6

2,7

 

hbo deeltijd associate degree

0,9

1,1

1,5

1,8

2,1

 

hbo deeltijd bachelor

5,9

5,8

6,3

6,0

6,7

 

hbo deeltijd master

2,0

2,1

2,1

2,1

2,4

 

Totaal hbo

74,0

74,8

79,5

75,8

79,8

        
 

wo voltijd bachelor

35,4

37,5

39,1

38,6

43,1

 

wo voltijd master

44,4

45,1

50,2

50,1

52,0

 

wo deeltijd bachelor

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

 

wo deeltijd master

1,1

1,0

1,1

1,1

1,0

 

Totaal wo

81,1

83,8

90,5

89,9

96,3

        

3

Onderwijsuitgaven per student (Bedragen x € 1.000)3

 

2020

2021

2022

2023

 

hbo

 

8,2

8,3

8,6

9,8

 

wo

 

8,2

8,2

8,6

8,7

4

Wettelijk collegegeld (hbo en wo voltijd, bedragen x € 1)

   

2022/2023

2023/2024

     

2.209

2.314

X Noot
1

Bron: DUO, 1cijferhobestand

X Noot
2

Bron: DUO, 1cijferHO-bestand

X Noot
3

Onderwijsuitgaven per student zijn in constante prijzen 2023 (dat wil zeggen gecorrigeerd voor de uitgekeerde loon- en prijsbijstelling).

C. Beleidsconclusies

De belangrijkste beleidsconclusies zijn beschreven in het onderdeel beleidsprioriteiten.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 23 Budgettaire gevolgen beleid van artikel 6 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

3.552.945

3.773.125

5.101.522

4.462.152

4.780.237

4.447.496

332.741

         

Uitgaven

3.399.821

3.511.341

4.304.071

4.646.642

4.550.502

4.466.326

84.176

         

Bekostiging

3.310.594

3.420.261

4.191.140

4.611.819

4.476.273

4.412.912

63.361

 

Bekostiging onderwijsdeel

3.091.440

3.179.930

3.845.954

4.160.963

3.923.814

3.717.139

206.675

 

Bekostiging ontwerp en ontwikkeling

83.670

87.836

89.976

122.854

151.380

142.854

8.526

 

Studievoorschot kwaliteitsafspraken

119.966

144.911

251.645

325.170

362.399

342.879

19.520

 

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen

15.518

7.584

3.565

2.832

1.687

3.040

‒ 1.353

 

Fonds onderzoek en wetenschap

0

0

0

0

36.993

35.000

1.993

 

NGF Digitale impuls

0

0

0

0

0

45.000

‒ 45.000

 

NGF Katalysator

0

0

0

0

0

127.000

‒ 127.000

Subsidies (regelingen)

1.013

1.062

21.592

6.430

22.314

6.361

15.953

 

Tegemoetkoming 2e lerarenopleiding

0

0

323

525

578

2.638

‒ 2.060

 

Sneltesten

0

0

701

6

0

0

0

 

Overige subsidies

1.013

1.062

20.568

3.611

4.594

3.723

871

 

NGF Digitale impuls

0

0

0

1.388

14.370

0

14.370

 

NGF Katalysator

0

0

0

900

2.772

0

2.772

Bijdrage aan agentschappen

13.177

14.722

13.831

13.430

14.785

14.839

‒ 54

 

Dienst Uitvoering Onderwijs

13.177

14.722

13.831

13.430

14.785

14.839

‒ 54

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

75.037

75.296

77.508

14.963

37.130

32.214

4.916

 

NWO: Praktijkgericht onderzoek

60.813

60.515

63.075

0

0

0

0

 

NWO: Promotiebeurs voor leraren

9.292

10.144

10.371

10.705

11.346

10.705

641

 

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

4.932

4.637

4.062

4.258

5.959

5.009

950

 

NWO: NRO-programma HO

0

0

0

0

19.825

16.500

3.325

         

Ontvangsten

3.998

2.211

1.647

5.978

4.749

1.213

3.536

Tabel 24 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

3.552.945

3.773.125

5.101.522

4.462.152

4.780.237

4.447.496

332.741

waarvan garantieverplichtingen

10.580

‒ 2.703

2.126

46.658

27.018

0

27.018

waarvan overige verplichtingen

3.542.365

3.775.828

5.099.396

4.415.494

4.753.219

4.447.496

305.723

Tabel 25 Budgettaire gevolgen van beleid van artikel 7 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

5.422.362

5.730.555

6.809.694

6.974.377

7.860.906

6.742.221

1.118.685

         

Uitgaven

5.132.352

5.418.229

6.087.951

6.654.563

7.094.482

6.704.031

390.451

         

Bekostiging

5.101.096

5.386.198

6.034.531

6.620.129

7.067.562

6.651.912

415.650

 

Bekostiging onderwijsdeel

2.281.781

2.397.433

2.841.970

3.097.718

3.048.157

3.068.644

‒ 20.487

 

Bekostiging onderzoeksdeel

2.060.420

2.194.075

2.282.436

2.486.783

2.843.361

2.480.411

362.950

 

Bekostiging ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek

686.483

706.319

756.693

787.647

802.832

749.820

53.012

 

Studievoorschot kwaliteitsafspraken

72.412

88.371

153.432

197.981

220.982

209.037

11.945

 

Fonds Onderzoek en Wetenschap

0

0

0

50.000

152.230

144.000

8.230

Subsidies (regelingen)

3.675

3.659

44.339

21.651

21.408

24.966

‒ 3.558

 

Nuffic

0

0

13.985

11.880

10.569

11.113

‒ 544

 

Studiekeuze123

0

0

2.548

2.749

3.707

3.702

5

 

Vluchteling Studenten UAF

0

0

2.457

2.082

2.444

2.594

‒ 150

 

Studentenwelzijn (Ecio)

0

0

850

868

1.025

894

131

 

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)

0

0

265

325

321

280

41

 

Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)

0

0

249

255

279

263

16

 

Open en online onderwijs

1.840

1.844

1.639

1.879

483

2.112

‒ 1.629

 

Sneltesten

0

0

1.468

0

0

0

0

 

Overige subsidies

1.835

1.815

20.878

1.613

2.580

4.008

‒ 1.428

Opdrachten

2.536

3.105

6.380

9.930

2.669

24.167

‒ 21.498

 

Uitbesteding

2.536

3.105

2.369

2.752

2.538

3.817

‒ 1.279

 

Sneltesten

4.011

7.178

131

20.350

‒ 20.219

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

25.045

25.267

2.701

2.853

2.843

2.986

‒ 143

 

Europees Universitair Instituut Florence (EUI)

1.601

1.641

1.669

1.787

1.712

1.920

‒ 208

 

United Nations University (UNU)

982

1.010

1.032

1.066

1.131

1.066

65

 

Nuffic, SK123, UAF, Ecio, ISO en LSVb

22.462

22.616

0

0

0

0

0

         

Ontvangsten

9

15

790

398

4.633

16

4.617

Tabel 26 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

5.422.362

5.730.555

6.809.694

6.974.377

7.860.906

6.742.221

1.118.685

waarvan garantieverplichtingen

‒ 22.983

‒ 17.983

19.517

97.918

189.517

0

189.517

waarvan overige verplichtingen

5.445.345

5.748.538

6.790.177

6.876.459

7.671.389

6.742.221

929.168

E. Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de uitgaven 2023 ligt voor het hoger beroepsonderwijs (hbo) € 84,2 miljoen en voor het wetenschappelijk onderwijs (wo) € 390,5 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De realisatie van de ontvangsten is bij het hbo € 3,5 miljoen en voor het wo € 4,6 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De verschillen worden bij de toelichting op de financiële instrumenten verduidelijkt.

De realisatie van de verplichtingen 2023 ligt voor het hbo € 332,7 miljoen en voor het wo € 1.118,7 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. Dit betreft:

  • bijstelling van de verplichtingenraming omdat bij het instrument bekostiging de loon- en prijsbijstelling tranche 2023 voor zowel 2023 als 2024 in het jaar 2023 is verplicht (hbo € 506,1 en wo € 812,7 miljoen);

  • een toegepaste kasschuif naar latere jaren op de verplichtingen van de NGF-projecten (hbo ‒ € 82,0 miljoen);

  • bijstelling van de verplichtingenraming omdat de aanpassing van de studentenaantallen uit de referentieraming 2023 voor 2024 in het jaar 2023 verplicht is (hbo ‒ € 106,0 miljoen en wo € 137,3 miljoen);

  • garantieverplichtingen/rekening-courantkredieten aan hogescholen en universiteiten die in 2023 zijn aangegaan of vervallen en waar het Ministerie van OCW garant voor staat (hbo € 27,0 miljoen en wo € 189,5 miljoen);

  • ingeleverd budget voor Covid-zelftesten (wo ‒ € 20,2 miljoen) en ‒ € 13,1 miljoen aan overige mutaties en oorzaken (hbo ‒ € 6,0 miljoen en wo ‒ € 7,1 miljoen).

Bekostiging

De bekostiging van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs bestaat uit de hoofdbekostiging waarbij het experiment vraagfinanciering in het kader van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen afzonderlijk wordt bekostigd. De realisatie op bekostiging komt voor het hbo met € 63,4 miljoen en voor het wo met € 415,7 miljoen hoger uit dan begroot.

Dit betreft:

  • de verdeling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2023 (hbo € 250,7 miljoen en wo € 404,0 miljoen);

  • de overboeking van de NGF-projecten van het instrument bekostiging naar het instrument subsidies (hbo ‒ € 172,0 miljoen);

  • een meevaller op de regeling vraagfinanciering flexibel hoger onderwijs omdat de aanvragen/toekenning van vouchers door/aan hbo-instellingen achter blijft bij de verwachting/raming (hbo ‒ € 1,4 miljoen);

  • diverse overige kleine mutaties en oorzaken van in totaal ‒ € 2,1 miljoen.

Hoofdbekostiging

Universiteiten (wo) en hogescholen (hbo) ontvangen bekostiging voor onderwijs, onderzoek (wo) en ontwerp & ontwikkeling (hbo). De rijksbijdrage wordt jaarlijks aan de universiteiten en hogescholen toegekend als een lumpsum. De rijksbijdrage is gebaseerd op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). In het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage wordt berekend.

Onderwijsdeel (hbo en wo)

Universiteiten en hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege onderwijs. De rijksbijdrage is gebaseerd op de nominale studieduur van de opleiding en het volgen en succesvol afronden van één bachelor- en één masteropleiding. Het onderwijsdeel bestaat uit:

1. een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal ingeschreven bekostigde studenten en graden (diploma’s). Er zijn drie bekostigingsniveaus (laag, hoog en top);

2. een onderwijsopslag in bedragen: bedragen op basis van afspraken voor kwaliteit, kwetsbare opleidingen en bijzondere voorzieningen;

3. een onderwijsopslag in percentages.

Deel ontwerp en ontwikkeling (hbo) en onderzoeksdeel (wo)

Hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege ontwerp en ontwikkeling (praktijkgericht onderzoek). Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage vanwege het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Het onderzoeksdeel wo is gebaseerd op:

1. een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal bekostigde graden;

2. een deel promoties: gebaseerd op het aantal promoties leidend tot een proefschrift en het aantal ontwerperscertificaten;

3. een voorziening onderzoek in bedragen: bedragen op basis van afspraken over onder andere sectorplannen en zwaartekracht;

4. een voorziening onderzoek in percentages.

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek (wo)

De bekostiging van het onderwijs en onderzoek bij de acht academische ziekenhuizen loopt via de universiteiten. Hier kunnen studenten geneeskunde onderwijs volgen en praktijkervaring opdoen. De rijksbijdrage bestaat uit een deel dat is gebaseerd op het aantal ingeschreven studenten en graden, een procentueel deel en een bedrag vanwege rente en afschrijving (voor huisvesting).

Studievoorschot kwaliteitsafspraken (hbo en wo)

In het akkoord over het studievoorschot is afgesproken dat de middelen die beschikbaar komen door de invoering van het studievoorschot gekoppeld worden aan kwaliteitsafspraken. In het voorjaar 2019 zijn alle instellingen van start gegaan om, samen met de medezeggenschapsraad, te komen tot een plan voor de kwaliteitsafspraken. De plannen van de instellingen beslaan de periode van 2019 tot en met 2024 en zijn allemaal positief beoordeeld door de NVAO. Aan de hand van het advies van de NVAO is door de Minister besloten dat de plannen van de instellingen voldoende zijn om de studievoorschotmiddelen toegekend te krijgen voor de periode 2021 tot en met 2024. De toekenning van de middelen was in eerste instantie voorzien vanaf 2021. De beoordeling en besluitvorming leverde vanwege de coronamaatregelen echter vertraging op. Om ervoor te zorgen dat instellingen niet in financiële onzekerheid zouden verkeren en de instellingen konden blijven investeren in de kwaliteit van het hoger onderwijs, is besloten de kwaliteitsbekostiging, net als is gebeurd voor 2019 en 2020, ook voor 2021 toe te kennen met de reguliere rijksbijdrage in plaats van door kwaliteitsbekostiging. In 2022 en 2023 heeft de toekenning plaatsgevonden via de kwaliteitsbekostiging. Hiervoor is het Besluit kwaliteitsbekostiging hoger onderwijs aangepast.

Studievoorschotvouchers (hbo en wo)

In het coalitieakkoord is besloten tot de herinvoering van de basisbeurs in het hoger onderwijs. In de Hoofdlijnenbrief over de Studiefinanciering van 25 maart 2022 (Kamerstukken II 2021/22, 24724, nr. 176) is voorgesteld om binnen dat proces ook te komen tot een andere vormgeving van de studievoorschotvouchers. Daarmee geeft het kabinet ook gehoor aan de motie Van der Molen c.s. (Kamerstukken II 2019/20, 24724, nr. 172). Gezien deze andere vormgeving zijn vanuit beleidsmatig oogpunt de middelen voor de studievoorschotvouchers van artikel 6 en 7 toegevoegd aan artikel 11 (Studiefinanciering).

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (hbo)

Het doel van het experiment vraagfinanciering is om kennis op te doen over de effecten van meer maatwerk en vraaggerichtheid van het aanbod op de deelname en diplomering van volwassenen in het deeltijd- en duaal onderwijs. In het experiment maken studenten aanspraak op vouchers die zijn in te zetten bij bekostigde of niet bekostigde deelnemende opleidingen en hebben bekostigde instellingen meer mogelijkheden voor flexibiliteit en vraaggerichtheid. Het experiment is in 2016 gestart in de sector Techniek & ICT en vanaf september 2017 ook in een aantal opleidingen in de sector Zorg & Welzijn. Ook in 2018 zijn er nog een aantal nieuwe opleidingen toegetreden tot het experiment vraagfinanciering. Naar aanleiding van de tussenevaluatie (Kamerstukken II 2018/19, 31288, nr. 721) is in april 2019 besloten om de instroom van nieuwe studenten aan het experiment niet te verlengen per september 2019. Studenten die tot eind augustus 2019 zijn ingestroomd bij opleidingen die deelnemen aan het experiment vraagfinanciering kunnen tot het eind van het experiment (augustus 2024) aanspraak blijven maken op vouchers. De eindevaluatie van het experiment vraagfinanciering heeft in 2022 plaatsgevonden en de rapportage van die eindevaluatie is in 2023 aan de Tweede Kamer verzonden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 30 012, nr. 157). De realisatie op het experiment in 2023 is voor hbo € 1,4 miljoen lager dan oorspronkelijk begroot. Deze lagere realisatie is het gevolg van het feit dat het aantal aangevraagde vouchers in 2023 in het experiment vraagfinanciering lager uitkwam dan de raming.

Fonds voor Onderzoek en Wetenschap (wo)

In het coalitieakkoord is voor de komende tien jaar in totaal € 5,0 miljard beschikbaar gesteld voor een Fonds voor Onderzoek en Wetenschap. Uit dit fonds is er voor universiteiten ruimte om stimuleringsbeurzen toe te kennen aan reeds zittende of nieuw benoemde universitair hoofddocenten en hoogleraren op plaatsen in de organisatie waar de werkdruk het hoogst is. Voor de nadere uitwerking van de stimuleringsbeurzen zal er een werkgroep stimuleringsbeurzen komen, om de universiteiten te adviseren in hun beleid. In 2023 is € 152,2 miljoen aan de universiteiten ter beschikking gesteld om stimuleringsbeurzen toe te kennen.

Subsidies

Tegemoetkoming tweede lerarenopleiding (hbo)

De subsidieregeling tweede lerarenopleiding maakt het voor leraren financieel aantrekkelijker om een tweede lerarenopleiding (bachelor of master) te volgen die opleidt tot een bevoegdheid en waarvoor instellingscollegegeld moet worden betaald, indien zij geen aanspraak mogen of kunnen maken op een andere subsidieregeling. Voor de subsidie komen bijvoorbeeld leraren in aanmerking die na een eerdere opleiding moeizaam een baan kunnen vinden in het onderwijs en die geen aanspraak hebben op een regeling zoals de Lerarenbeurs of de subsidie voor zij-instromers. Ook leraren die na het onderwijs in een andere sector zijn gaan werken, maar terug willen naar het onderwijs en hiervoor een ander vak willen aanleren, kunnen voor deze subsidie in aanmerking komen. De subsidie tweede lerarenopleiding is vanaf het studiejaar 2020/2021 aan te vragen. Vanaf 2021/2022 is het subsidiebedrag verhoogd en is het mogelijk gemaakt om voor twee studiejaren in plaats van één jaar subsidie aan te vragen. In verband met het feit dat er minder beroep op de regeling werd gedaan dan geraamd, is er in 2023 € 2,1 miljoen minder uitgegeven.

Nationaal Groeifonds (NGF) project Digitaliseringsimpuls onderwijs NL (hbo)

Het doel van het programma digitaliseringsimpuls is om de kansen die digitalisering biedt aan het mbo, hbo en wo beter te benutten. Hierdoor zijn studenten vaardiger in een digitale wereld en kunnen docenten beter les geven. Het programma is opgeknipt in twee fases: fase 1 loopt van 2022 tot en met 2025 en fase 2 loopt van 2025 tot en met 2031. In 2023 is voor de opstart van dit programma € 4,4 miljoen aan subsidie verstrekt en voor fase 1 € 10,0 miljoen (Npuls). Het resterende deel van fase 1 is wel in 2023 verplicht, maar wordt in 2024 uitgekeerd. Hierdoor is ook € 38,7 miljoen aan middelen als onderuitputting afgeboekt van de begroting en conform de begrotingsregels meegenomen naar 2024 in de 100% Eindejaarsmarge van het investeringsplafond, zoals ook is opgenomen in de «veegbrief» bij de slotwet.

Nationaal Groeifonds (NGF) project Nationale Leven Lang Ontwikkelen (LLO) katalysator (hbo)

Met de nationale LLO-katalysator wordt een forse impuls gegeven aan de ontwikkeling van het bij-, op- en omscholingsaanbod. De middelen die gemoeid zijn met dit programma, zijn bedoeld voor de mbo-, hbo- en wo-instellingen. De precieze verdeling van de middelen dient nog uitgewerkt te worden. Voor de opstartfase is in 2023 een subsidie verstrekt van € 2,8 miljoen. De subsidieregelingen voor de zogenoemde Bouwstenen 2 en 3 worden in 2024 van kracht. Hierdoor is ook € 31,2 miljoen aan middelen als onderuitputting afgeboekt van de begroting en conform de begrotingsregels meegenomen naar 2024 in de 100% Eindejaarsmarge van het investeringsplafond, zoals ook is opgenomen in de «veegbrief» bij de slotwet.

Nuffic (wo)

Nuffic is het expertise- en dienstencentrum voor internationalisering in het Nederlandse onderwijs; van primair en voortgezet onderwijs tot beroepsgericht en hoger onderwijs en onderzoek. De afgelopen jaren heeft er een heroverweging plaatsgevonden van de subsidie aan Nuffic voor wat betreft de grondslag van de subsidie en de sturingsrelatie van het Ministerie van OCW richting Nuffic. Met het wetsvoorstel Wet wettelijke taken internationalisering onderwijs is een aantal taken van Nuffic in het kader van diplomawaardering, bevordering van de internationalisering en de advisering rondom beursverlening wettelijk geborgd. Door middel van aanpassing van de Wet subsidiering landelijke onderwijsondersteunende activiteiten (SLOA) is er een grondslag waarop subsidie aan Nuffic kan worden verstrekt voor haar wettelijke taken. Dit wetsvoorstel is op 1 oktober 2022 in werking getreden.

Tegelijkertijd is of wordt een aantal niet-wettelijke taken die Nuffic uitvoert of uitvoerde op het gebied van Internationalisering verlegd of afgebouwd. Zo wordt het Netherlands Education Support Offices (NESO) kantorennetwerk vanaf 2022 afgebouwd en verlegd. De NESO-kantoren worden deels vervangen door het netwerk van onderwijs- en wetenschapsattachés waarmee het Ministerie van OCW invulling geeft aan de Internationale Kennis- en Talentstrategie (IKT) die eind 2020 naar de Kamer is gestuurd. De middelen waarmee de NESO’s werden gefinancierd worden daarmee stapsgewijs ingezet via het postennet. Ook is een aantal dienstverlenende uitvoeringstaken van Nuffic op internationale beurzenprogramma's in 2023 overgeheveld naar de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) (€ 1,0 miljoen). En tenslotte was er, naast de toevoeging van de loon- en prijsbijstelling op het Nuffic-budget van € 0,7 miljoen, een meevaller van € 0,2 miljoen doordat een aantal activiteiten niet meer (kon) worden gerealiseerd of verlegd.

Studiekeuze 123 (wo)

De stichting Studiekeuze123 is door de Minister aangewezen als partij om objectieve, betrouwbare en vergelijkbare studiekeuze-informatie te verzamelen en te verspreiden en tevens onderzoek te doen naar studenttevredenheid en –betrokkenheid. Voor dit laatste organiseert de stichting jaarlijks de Nationale Studentenenquête.

Vluchteling Studenten UAF (wo)

UAF begeleidt en ondersteunt vluchtelingen die zich voorbereiden op een studie in het hoger onderwijs met als doel dat de aspirant-student kan starten met een passende studie die opleidt tot een diploma.

Studentenwelzijn (Ecio) (wo)

Het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (Ecio) bouwt aan inclusief onderwijs op tactisch, operationeel en strategisch niveau voor verdere professionalisering en verduurzaming van inclusief onderwijs en het versterken van het zelfvertrouwen van studenten met een ondersteuningsvraag. Onder andere, adviseert en ondersteunt Ecio universiteiten, hogescholen en het mbo om belemmeringen voor studenten met een functiebeperking en met een ondersteuningsbehoefte weg te nemen en hen succesvol te laten studeren en doorstromen naar de arbeidsmarkt. Ecio coördineert daarnaast bijvoorbeeld ook de bijeenkomsten van het Landelijk Netwerk en de Landelijke Werkgroep Studentenwelzijn.

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) en Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) (wo)

Het betreft hier de (structurele) subsidiëring van een tweetal organisaties die beleidsmatig activiteiten uitvoeren die betrekking hebben op de belangenbehartiging van studenten.

Open en online hoger onderwijs (wo)

De subsidieregeling open en online hoger onderwijs is bedoeld om instellingen passend bij hun profiel, te laten experimenteren met verschillende vormen van open en online onderwijs. Dit heeft twee doelen: het versterken van open en online onderwijs, en het stimuleren van delen, hergebruiken en (door)ontwikkelen van open leermateriaal in vakcommunity’s. Aan beide doelstellingen wordt veel aandacht besteed.

De subsidieregeling is per eind 2022 beëindigd. Op de lopende projecten wordt in 2023 en 2024 nog subsidie betaald, maar er zijn geen nieuwe projecten gestart, waardoor er ten opzichte van de ontwerpbegroting € 1,6 miljoen minder is besteed. De (lopende) projecten kennen een looptijd van maximaal 24 maanden en deze projecten ontvangen begeleiding van SURF. Naar verwachting zijn eind 2024 alle projecten afgerond. Deze projecten dragen bij aan de onderwijskwaliteit, de toegankelijkheid van onderwijsmateriaal en de toegankelijkheid van Nederlandse onderwijsinstellingen. De resultaten van de projecten van de instellingen dienen ook als belangrijke input voor de Kennisagenda van SURF.

Overige subsidies (hbo en wo)

Dit betreft afzonderlijk voor de sectoren hbo en wo overige toekenningen die gelijk dan wel kleiner zijn dan € 1,0 miljoen. Het gaat hier om middelen op basis van de afstudeerregeling, de subsidieregeling virtuele internationale samenwerkingsprojecten hoger onderwijs en ad-hoc projecten (uitgaven hbo € 4,6 miljoen en wo € 2,6 miljoen).

Opdrachten (wo)

Uitbesteding

Voor de beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor beleidsgerichte activiteiten/onderzoeken.

Distributie en zelftesten

Er zijn in 2023 nog opdrachten verstrekt voor fulfilment en distributie van zelftesten die door studenten zijn besteld via het daartoe ingerichte bestelportaal tot een bedrag van € 0,1 miljoen.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor de begrotingsartikelen 6 en 7.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s 

Promotiebeurs voor Leraren

Leraren in het po, vo, mbo, en hbo worden in staat gesteld om promotieonderzoek te verrichten dat uitmondt in een proefschrift. In 2023 is via het NWO aan 46 leraren een nieuwe beurs voor een periode van vijf jaar verstrekt.

Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek

Via het NWO wordt aan het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek een bijdrage verstrekt om onderzoek naar en vernieuwing in het hoger onderwijs uit te voeren, waaronder het Comeniusprogramma.

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

De NVAO is als onafhankelijke, binationale accreditatieorganisatie opgericht door de Nederlandse en Vlaamse overheid en geeft een deskundig en objectief oordeel over de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Dit betreft de bijdrage die de Nederlandse overheid rechtstreeks aan de NVAO vergoedt voor de uitvoering van haar taken. In 2023 zijn de kosten van de NVAO incidenteel gestegen door kantoorautomatisering en hogere personeelskosten door vervanging van langdurig zieke medewerkers. Gezien de kleine omvang van de organisatie van de NVAO kunnen deze kosten niet binnen de begroting opgevangen worden.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het betreft hier de (structurele) bijdragen aan organisaties die beleidsmatig prioritaire taken uitvoeren, ofwel activiteiten uitvoeren die betrekking hebben op de belangenbehartiging van studenten, ofwel taken uitvoeren die voortkomen uit verdragsrechtelijke verplichtingen.

Ontvangsten

De hogere realisatie in 2023 op de ontvangsten op het hbo (€ 3,5 miljoen) betreft:

  • de terugbetaling van een deel van de verstrekte subsidies in het kader van de tijdelijke coronabanen in het hoger onderwijs (€ 3,1 miljoen);

  • de terugbetaling van een deel van de overige verstrekte subsidies en bijdragen (€ 1,1 miljoen);

  • opgelegde bestuurlijke boetes voor onterecht verstrekte graden (€ 0,5 miljoen);

  • vervallen van de in 2022 vervroegd afgeloste vordering door de Hogeschool Zeeland (€ 1,2 miljoen).

De hogere realisatie in 2023 op de ontvangsten op het wo (€ 4,6 miljoen) betreft:

  • de terugbetaling van een deel van de verstrekte subsidies in het kader van de tijdelijke coronabanen in het hoger onderwijs (€ 4,1 miljoen);

  • de terugbetaling van een deel van de verstrekte subsidies in het kader van de corona-zelftesten (€ 0,5 miljoen).

4.5 Beleidsartikel 8 Internationaal beleid

A. Algemene doelstelling

Bevorderen van internationale samenwerking en uitwisseling ter ondersteuning en versterking van de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschap en ter verdere ontwikkeling van internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Stimuleren

Bij het uitvoeren van de algemene doelstelling ligt de nadruk op het zoveel mogelijk stimuleren en ondersteunen van instellingen en burgers om zich op een internationale omgeving te oriënteren. Daartoe zorgt de Minister vanuit de stelselverantwoordelijkheid voor de benodigde internationaal-bestuurlijke randvoorwaarden, bijvoorbeeld door afspraken te maken over wederzijdse beroepserkenning, kwaliteitszorg en grensverkeer en door de uitwisseling van best practices. De Minister opereert hierbij binnen multilaterale kaders als de Europese Unie, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de United Nations Educational, Scientific and Cultural Organisation (Unesco) en andere – vaak daarbij aangesloten – organisaties, alsmede via bilaterale contacten, verdragen, Memorandums of Understanding, et cetera. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van stimuleringsmaatregelen in de vorm van fondsen en beurzen en worden faciliterende en uitvoerende instanties gefinancierd, zoals Nuffic, Netherlands house for Education and Research (Neth-ER) en het Duitsland Instituut Amsterdam (DIA). De bevordering van internationale samenwerking is ondersteunend aan de beleidsdoelstellingen van het Ministerie van OCW. De voorgenomen activiteiten zijn dan ook voor een belangrijk deel opgenomen in de betreffende beleidsartikelen.

Indicatoren/kengetallen

Internationale – ondersteunende – maatregelen laten zich moeilijk vangen in «harde» cijfers en beleidsconclusies. In gevallen waar dit wel mogelijk is, bijvoorbeeld bij de bevordering van in- en uitgaande studiemobiliteit of bij de bevordering van culturele activiteiten in het buitenland, zijn relevante kengetallen te volgen op OCW in Cijfers.

C. Beleidsconclusies

De belangrijkste conclusies op het terrein van internationaal beleid worden beschreven in het onderdeel beleidsprioriteiten.

D. Budgettaire gevolgen beleid
Tabel 27 Budgettaire gevolgen van beleid van artikel 8 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

 

12.426

21.359

15.954

15.706

25.997

20.251

5.746

         

Uitgaven

 

12.678

12.810

18.688

19.737

20.802

20.250

552

         

Subsidies (regelingen)

179

207

6.706

7.780

8.192

8.059

133

Stichting Ons Erfdeel

0

0

185

185

185

185

0

Nuffic

0

0

906

971

988

999

‒ 11

Nationaal Agentschap Erasmus + Onderwijs & Training

0

0

3.153

4.089

4.337

4.089

248

Internationalisering Onderwijs

0

‒ 1

1.000

1.000

1.000

1.062

‒ 62

Duitsland Instituut Amsterdam (DIA)

0

0

803

820

868

786

82

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

0

0

600

599

667

625

42

Incidentele subsidies voor het uitwisselen van cultuur

114

134

50

25

0

157

‒ 157

Overige incidentele subsidies

65

74

9

91

147

156

‒ 9

Opdrachten

105

123

3.646

3.747

3.787

2.895

892

Opdrachten

0

7

3.646

3.747

3.787

2.895

892

Beleidsonderzoek en benchmarking

71

45

0

0

0

0

0

Incidentele Internationale activiteiten

34

71

0

0

0

0

0

EU-Voorzitterschap

0

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

11.883

11.974

7.856

7.730

8.343

8.816

‒ 473

OCW-vertegenwoordiging in het buitenland

0

0

0

0

0

0

0

Duitsland Instituut Amsterdam (DIA)

803

803

0

0

0

0

0

Stichting Nuffic

3.858

3.901

0

0

0

0

0

Nederlandse Taalunie

2.762

2.850

7.323

7.125

7.801

7.235

566

Europa College Brugge

30

30

30

30

30

32

‒ 2

Unesco

130

 

50

50

12

53

‒ 41

OESO CERI

81

83

85

86

90

92

‒ 2

Fulbright Center

368

368

368

420

410

383

27

Stichting Ons Erfdeel

185

185

0

0

0

0

0

Nationaal Agentschap Erasmus + Onderwijs & Training

3.066

3.154

0

0

0

0

0

EU-programma's en activiteiten

0

0

0

19

0

21

‒ 21

Netherlands house for Education and Research (Neth-ER)

600

600

0

0

0

0

0

Overige bijdragen

0

0

0

0

0

1.000

‒ 1.000

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

511

506

480

480

480

480

0

Vlaams-Nederlands huis DeBuren (Hoofdstuk V BuZa)

511

506

480

480

480

480

0

         

Ontvangsten

121

10

99

1.031

1

99

‒ 98

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Het verplichtingenbudget is met € 5,7 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Het betreft hier het verplichtingenbudget op het instrument opdrachten en op het instrument bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken. Het verschil is onder andere ontstaan door administratieve herstelboekingen van de verplichtingenramingen en vanwege het aangaan van meerjarige verplichtingen voor het verlengen van de dienstverleningsovereenkomst internationalisering primair en voortgezet onderwijs en het Vlaams-Nederlands huis DeBuren.

De realisatie van de uitgaven 2023 ligt € 0,6 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot.

Subsidies

Stichting Ons Erfdeel

De Vlaams-Nederlandse vereniging Ons Erfdeel wil context brengen bij kunst, taal, geschiedenis, literatuur en maatschappelijke ontwikkelingen uit de Lage Landen. Dit realiseert Ons Erfdeel door het uitbrengen van artikelen en boeken, het publiceren van het Franstalige tijdschrift Septentrion en het digitaal publiceren van artikelen op hun Nederlandstalige, Franstalige en Engelstalige websites.

Nuffic

Nuffic is het expertise- en dienstencentrum voor internationalisering in het Nederlandse onderwijs; van primair en voortgezet onderwijs tot beroepsgericht en hoger onderwijs en onderzoek. Nuffic ontvangt subsidie voor de uitvoering van de wettelijke taken op het gebied van internationalisering.

Nationaal Agentschap Erasmus+Het Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs en Training is samen met het Nationaal Agentschap Erasmus+ Jeugd belast met het beheer en de uitvoering van het EU programma Erasmus+ in Nederland. Nuffic is aangewezen als Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs en Training voor het nieuwe Erasmus+ programma.

Internationalisering onderwijsDeze middelen worden ingezet ten behoeve van de introductie, verankering en verdere ontwikkeling van internationalisering in het instellingsbeleid van scholen in het primair en voortgezet onderwijs middels de subsidieregeling internationalisering funderend onderwijs.

Duitsland Instituut Amsterdam (DIA)

Het Duitsland Instituut Amsterdam genereert en verspreidt kennis in Nederland over de ontwikkelingen in Duitsland op het raakvlak van onderwijs, wetenschap en maatschappij. Het instituut doet dat onder meer met behulp van wetenschappelijk onderzoek, onderwijsprojecten en voorlichtingsactiviteiten (cofinanciering met de Universiteit van Amsterdam (Uva) en de Deutsche Akademische Austausch Dienst (DAAD)). Daarnaast stimuleert het DIA het onderwijs in de Duitse taal in Nederland.

Neth-ER

De vereniging Neth-ER is opgericht door acht Nederlandse veldorganisaties werkzaam op de gebieden onderzoek, onderwijs en innovatie. Neth-ER ontvangt subsidie voor het informeren van het brede Nederlandse kennisveld over Europese beleidsontwikkelingen op het terrein van onderwijs en onderzoek.

Opdrachten

Dit betreft middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken, de uitvoering door Nuffic van de dienstverleningsovereenkomst dienstverleningsovereenkomst internationalisering primair en voortgezet onderwijs en uitvoeringskosten van de Dienst Uitvoering Subsidies Instellingen (DUS-I).

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

De Taalunie

De Taalunie ondersteunt de betrokken overheden in hun taalbeleid voor het Nederlands en maakt samenwerking, afstemming en uitwisseling mogelijk. Ook verzamelt, ontwikkelt en ontsluit de Taalunie kennis en informatie over het Nederlands met het oog op advies en dienstverlening aan sectoren, doelgroepen en individuele taalgebruiker.

Europa College Brugge

Europa College te Brugge is een post-universitaire opleiding voor onderzoek naar Europese eenwording, gefinancierd door de EU en EU-lidstaten.

UNESCO

Dit betreft middelen gereserveerd voor deelname aan diverse projecten in het kader van UNESCO, de VN-organisatie voor onderwijs, wetenschap, cultuur en communicatie en informatie. De middelen zijn bedoeld ter ondersteuning van de Nederlandse beleidsprioriteiten binnen UNESCO, bijvoorbeeld een tegemoetkoming voor de Nederlandse Goodwill Ambassador for the fight against discrimination and racism.

OESO CERI

Dit betreft de deelname aan diverse onderwijsprojecten en - onderzoeken in het kader van het Centre for Educational Research and Innovation (CERI), onderdeel van de OESO.

Fulbright Center

Verzorgt mobiliteitsprogramma’s voor het hoger onderwijs via beurzen voor uitwisseling met de Verenigde Staten (met bijdragen van de Amerikaanse regering).

Overige bijdragen

Het betreft de bijdrage van € 1,0 miljoen die structureel wordt ingezet voor de versterking van internationale neerlandistiek (Kamerstuk 2022/23, 36200-VIII, nr. 56) waarbij ingezet wordt op meerdere acties met de nadruk op het aanvullen van bestaande initiatieven en structuren. In 2023 zijn hiervoor de eerste stappen gezet en is een projectsubsidie verstrekt aan IVN voor de erste aanloop kosten.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Vlaams-Nederlands Huis deBuren

Het Vlaams-Nederlands Huis De Buren is in 2004 opgericht door de Nederlandse en Vlaamse regering als een culturele organisatie en als ruimte voor debat en reflectie (subsidiëring vindt plaats via het Ministerie van BZ).

Tabel 28 Homogene Groep Internationale Samenwerking (bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Primair onderwijs (artikel 1)

  

31.773

29.781

29.823

28.213

1.610

Voortgezet onderwijs (artikel 3)

  

10.297

9.592

9.606

9.087

519

Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

0

Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)

52.770

54.299

55.289

54.887

58.133

54.837

3.296

Internationaal beleid (artikel 8)

825

817

715

822

665

822

‒ 157

Cultuur (artikel 14)

4.617

4.617

5.934

6.017

8.920

5.523

3.397

Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)

454

454

454

454

454

454

0

Apparaatskosten (artikel 95)

144

148

589

2.405

2.539

3.305

‒ 766

Totaal

61.683

63.208

107.924

106.831

113.013

105.114

7.899

Toelichting

De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is sinds 1997 een budgettaire constructie binnen de Rijksbegroting. In de HGIS worden de uitgaven van de verschillende ministeries (Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023, 36201, nr. 1) gebundeld, waarmee de onderlinge samenhang geïllustreerd wordt. Dit bevordert de samenwerking en de afstemming tussen de betrokken ministeries. Bovenstaande tabel geeft een onderverdeling weer van de HGIS-middelen van het Ministerie van OCW per artikel. Vanaf 2021 geldt de asieltoerekening en daarom komen de kosten bij primair en voortgezet onderwijs erbij.

4.6 Beleidsartikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

A. Algemene doelstelling

De kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten en bij de behoefte van de maatschappij. De leraar en de schoolleider zijn daarbij cruciaal.

Financieren

De Minister draagt bij aan het lerarenbeleid op scholen door het (mee)financieren van (mogelijkheden tot) professionalisering. Dit gebeurt via aanvullende bekostiging en subsidies.

Stimuleren

De Ministers zijn verantwoordelijk voor het stelsel: borgen van de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het stelsel. De tekorten in het onderwijs vormen een risico voor de kwaliteit en toegankelijkheid. Daarom heeft de Minister voor Primair- en Voortgezet Onderwijs een Onderwijsakkoord gesloten met de sociale partners in het primair- en voortgezet onderwijs over het verbeteren van het salaris, verminderen van de werkdruk en de ontwikkeling van personeel (Kamerstukken II 2021/22, 35925 VIII, nr. 184). Daarnaast hebben de Ministers gezamelijk een lerarenstrategie uitgewerkt en naar de Kamer gestuurd om tekorten aan te pakken.

Regisseren

De Ministers dragen verantwoordelijkheid voor het borgen van de onderwijskwaliteit van scholen. Om deze verantwoordelijkheid waar te maken wordt een bijdrage geleverd aan het zorgen voor voldoende docenten van voldoende kwaliteit.

Kengetallen

De indicatoren voor het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid worden beschreven op OCW in Cijfers.

C. Beleidsconclusies

De belangrijkste beleidsconclusies worden beschreven in het onderdeel beleidsprioriteiten.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 29 Budgettaire gevolgen van beleid van artikel 9 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

178.784

173.761

153.039

190.290

171.494

220.407

‒ 48.913

        

Uitgaven

172.073

155.273

168.823

183.311

187.618

223.306

‒ 35.688

        

Bekostiging

29.242

38.305

40.442

44.111

39.473

46.621

‒ 7.148

Aanvullende bekostiging

29.242

38.305

40.442

44.111

39.473

46.621

‒ 7.148

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

29.242

38.305

40.442

44.111

39.473

46.621

‒ 7.148

Subsidies (regelingen)

136.960

111.566

123.184

133.281

142.052

169.495

‒ 27.443

Lerarenbeurs

77.559

50.094

58.087

65.386

61.127

62.717

‒ 1.590

Zij-instroom

42.540

40.901

42.901

47.652

67.834

62.924

4.910

Wet Beroep leraar en Lerarenregister

738

1.499

568

197

0

1.480

‒ 1.480

Regionale aanpak lerarentekort

 

17.779

15.831

18.416

10.253

39.949

‒ 29.696

Overige subsidies

16.123

1.293

5.797

1.630

2.838

2.425

413

Opdrachten

2.289

2.901

2.241

2.729

2.400

3.866

‒ 1.466

Opdrachten Divers

2.289

2.901

2.241

2.729

2.400

3.866

‒ 1.466

Bijdrage aan agentschappen

3.582

2.501

2.956

3.190

3.693

3.324

369

Dienst Uitvoering Onderwijs

3.582

2.501

2.956

3.190

3.693

3.324

369

         

Ontvangsten

8.307

6.409

6.842

5.241

6.249

6.500

‒ 251

E. Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de verplichtingen is € 48,9 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. In dit saldo zitten negatieve bijstellingen van totaal € -3,7 miljoen. Een negatieve bijstelling is het verlagen van een aangegane verplichting uit een eerder jaar. Het betreft hier negatieve bijstellingen op oudere verplichtingen binnen subsidies en opdrachten. Het verschil van €13,2 miljoen met de uitgaven wordt voornamelijk veroorzaakt door de overgang van de schooljaar naar kalenderjaar systematiek voor de Tegemoetkoming Kosten Opleidingsscholen. In eerdere jaren werd daarvoor in het lopende jaar ook verplicht voor een uitbetaling in het voorjaar van het volgende jaar, die nu is vervallen, waardoor er in 2023 minder verplichtingen zijn aangegaan.

De realisatie van de uitgaven 2023 is € 35,7 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Dit komt voornamelijk door de aanpassingen die bij de Eerste Suppletoire Begroting 2023 zijn doorgevoerd vanwege de invoering van de Onderwijsregio's. Daarbij is onder meer een kasschuif van 2023 naar latere jaren ten behoeve van de Subsidieregeling Onderwijspersoneel Opleiding tot Leraar (SOOL) toegepast, die een groot deel van de verlaging van de uitgaven verklaard. Ook zijn een aantal regelingen die normaal per schooljaar werden uitgekeerd verkort, om aan te sluiten op een systematiek per kalenderjaar van de Onderwijsregio's. Hierdoor zijn in 2023 minder uitgaven gerealiseerd dan in eerdere jaren gebruikelijk was. Daarnaast was er op veel subsidieregelingen enige onderuitputting.

Bekostiging

De realisatie op de bekostiging is € 7,1 miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Dit is het gevolg van de aanpassingen in de begroting ten behoeve van de Onderwijsregio's die bij de Eerste Suppletoire Begroting 2023 zijn doorgevoerd. Ook wordt een deel verklaard door een lagere groei van de studentenaantallen in Samen Opleiden, dan waar bij de begroting rekening mee is gehouden.

Subsidies

De realisatie op de subsidies is € 27,4  miljoen lager dan de oorspronkelijk vastgestelde begroting. Dit komt voornamelijk door de wijzigingen die zijn doorgevoerd bij de Eerste Suppletoire Begroting ten behoeve van de Onderwijsregio's. Daarnaast wordt dit veroorzaakt door een lagere realisatie op enkele subsidieregelingen, zoals bij de Tweede Suppletoire Begroting 2023 reeds grotendeels voorzien was. Verder is bij de Eerste Suppletiore Begroting 2023 het budget voor de Wet Beroep Leraar en Lerarenregister opgeheven, vanwege het afschaffen van het lerarenportfolio. De lagere realisatie op de Lerarenbeurs wordt veroorzaakt door intrekkingen later in het jaar door leraren waarvan de aanvraag was gehonoreerd.

4.7 Beleidsartikel 11 Studiefinanciering

A. Algemene doelstelling

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en in de beroepsopleidende leerweg de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Financieren

De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd; er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering van de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Indicatoren/kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over studiefinanciering wordt verwezen naar de website OCW in Cijfers.

C. Beleidsconclusies

Per studiejaar 2023/2024 is de basisbeurs in het hoger onderwijs opnieuw ingevoerd. Hiermee wil het kabinet gehoor geven aan de zorgen van de huidige generatie jongeren. Daarnaast is de bijverdiengrens in het mbo afgeschaft en worden de terugbetaalvoorwaarden in het mbo gelijkgetrokken met de voorwaarden zoals deze gelden voor studenten in het hoger onderwijs. Ook is de zogenoemde 1-februariregeling verruimd, om zo een mogelijke belemmering voor doorstromers uit het mbo naar het hbo weg te nemen.

Voor de volledigheid wordt benoemd dat, als onderdeel van de herinvoering van de basisbeurs in het hbo en wo, ook twee maatregelen zijn getroffen die geen impact hebben op de realisaties in 2023. Voor studenten in het hbo en wo met ouders die een laag- of middeninkomen verdienen, wordt de aanvullende beurs per 2024 uitgebreid. Daarnaast komt er vanaf 2025 een tegemoetkoming voor studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd.

Het kabinet heeft daarnaast de basisbeurs voor uitwonende studenten voor het studiejaar 2023/2024 met € 164,30 per maand verhoogd. Deze verhoging geldt voor de duur van één studiejaar en voor zowel mbo- als ho-studenten. Deze maatregel is onderdeel van de koopkrachtmaatregelen die het kabinet nodig achtte om de tijdelijk hoge inflatie het hoofd te bieden.

In het kader van de hersteloperatie toeslagen worden op dit artikel DUO-schulden van gedupeerde ouders in de toeslagenaffaire kwijtgescholden. Dit wordt ook gedaan voor de huidige partner van de ouder. In 2023 is er € 52,6 miljoen aan DUO-schulden kwijtgescholden bij gedupeerden. Daarnaast zijn de ov-bedrijven in 2023 voor een bedrag van € 5,1 miljoen gecompenseerd voor de ov-boetes die bij gedupeerden zijn kwijtgescholden.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 30 Budgettaire gevolgen van beleid van artikel 11 (bedragen x € 1.000)1
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

 

5.317.390

5.171.220

5.653.306

5.330.402

5.242.784

5.516.325

‒ 273.541

         

Uitgaven

 

5.317.390

5.171.220

5.653.306

5.330.402

5.242.784

5.516.325

‒ 273.541

         

Inkomensoverdracht

 

2.651.162

2.328.241

2.839.628

2.338.730

2.335.894

1.447.206

888.688

Basisbeurs gift ( R)

1.099.286

865.335

652.574

494.769

396.474

373.559

22.915

Aanvullende beurs gift ( R)

665.431

692.622

711.543

714.952

715.957

761.611

‒ 45.654

Reisvoorziening gift ( R)

790.046

666.540

1.054.939

904.442

1.020.478

296

1.020.182

Caribisch Nederland gift (R)

3.340

2.852

2.554

2.683

2.058

2.971

‒ 913

Studievoorschotvouchers (R)

0

0

0

46

583

9.152

‒ 8.569

Maatregelen herinvoeren basisbeurs

0

0

0

0

0

29.925

‒ 29.925

Overige uitgaven ( R)

93.059

100.892

418.018

221.838

200.344

269.692

‒ 69.348

Leningen

2.543.858

2.717.821

2.669.152

2.837.164

2.706.755

3.890.737

‒ 1.183.982

Basisbeurs prestatiebeurs (NR)

‒ 760.632

‒ 622.580

‒ 400.676

‒ 262.141

278.349

‒ 117.068

395.417

Aanvullende beurs prestatiebeurs (NR)

144.946

122.378

149.305

127.858

82.140

117.521

‒ 35.381

Reisvoorziening (NR)

175.475

161.344

170.083

182.661

249.169

147.994

101.175

Rentedragende lening (NR)

2.587.047

2.645.105

2.476.627

2.600.355

1.899.591

2.937.615

‒ 1.038.024

Collegegeldkrediet (NR)

332.520

303.414

228.999

161.364

180.340

352.580

‒ 172.240

Levenlanglerenkrediet (NR)

27.108

29.551

27.275

21.197

21.076

35.011

‒ 13.935

Caribisch Nederland Leningen (NR)

549

0

549

Maatregel herivoeren (NR)

0

0

0

0

0

362.000

‒ 362.000

Overige uitgaven (NR)

37.395

78.609

17.539

5.870

‒ 4.459

55.084

‒ 59.543

Bijdrage aan agentschappen

122.370

125.158

144.526

154.508

200.135

178.382

21.753

Dienst Uitvoering Onderwijs ( R)

122.370

125.158

144.526

154.508

200.135

178.382

21.753

         

Ontvangsten

 

914.341

1.051.508

1.136.446

1.233.544

1.504.908

1.233.363

271.545

Ontvangsten ( R)

119.190

97.386

82.150

69.047

88.034

71.588

16.446

Ontvangen rente ( R)

76.887

63.342

51.780

41.693

57.933

52.633

5.300

Overige ontvangsten ( R)

42.303

33.824

30.071

26.897

29.474

18.630

10.844

Ontvangsten Caribisch Nederland (R)

0

220

299

457

627

325

302

Ontvangsten (NR)

795.151

954.122

1.054.296

1.164.497

1.416.874

1.161.775

255.099

Terugontvangen hoofdsom (NR)

795.151

954.122

1.054.296

1.164.497

1.416.843

1.161.775

255.068

Ontvangsten Caribisch Nederland (NR)

31

0

31

X Noot
1

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant

Tabel 31 Indeling budgettaire gevolgen van beleid naar relevant en niet-relevant (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Relevante uitgaven:

2.773.532

2.453.399

2.984.154

2.493.238

2.536.029

1.625.588

910.441

Niet-relevante uitgaven:

2.543.858

2.717.821

2.669.152

2.837.162

2.706.755

3.890.737

‒ 1.183.982

Relevante ontvangsten:

119.190

97.386

82.150

69.048

88.034

71.588

16.446

Niet-relevante ontvangsten:

795.151

954.122

1.054.296

1.164.497

1.416.874

1.161.775

255.099

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het uitgavenplafond. Uitgangspunt in de begrotingsregels is dat uitgaven die relevant zijn voor het EMU-saldo ook relevant zijn voor het uitgavenplafond. Zoals opgenomen in Miljoenennota 2022 is de behandeling van prestatiebeurzen voor het EMU-saldo veranderd door gewijzigde inzichten van Eurostat en daarmee Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

De relevante uitgaven in dit jaarverslag worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift. In dit jaarverslag van OCW worden de prestatiebeursuitgaven als niet-relevant behandeld (zolang die nog niet zijn omgezet in een gift); in de weergave van het EMU-saldo worden zij wel als relevant weergegeven, middels een correctie op het EMU-saldo. Overige niet-relevante uitgaven zijn de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenplafond, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld.

De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.

De realisatie van de uitgaven lag in 2023 € 273,5 miljoen lager dan oorspronkelijk begroot. De relevante uitgaven vielen € 888,7 miljoen hoger uit dan begroot. Het grootste deel hiervan (€ 1.000,0 miljoen) komt door een ov-kasschuif waarbij uitgaven van 2024 naar 2023 zijn geschoven. De niet-relevante uitgaven waren € 1.184,0 miljoen lager dan begroot. Dit komt met name doordat studenten minder lenen dan geraamd. De realisatie van de ontvangsten is € 271,5 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De relevante ontvangsten waren € 16,4 miljoen hoger, en de niet-relevante ontvangsten € 255,1 miljoen hoger dan begroot.

De verschillen tussen de begrotingsramingen en de realisaties 2023 worden hierna bij de financiële instrumenten toegelicht.

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Met ingang van studiejaar 2023/2024 is de basisbeurs opnieuw ingevoerd in het hoger onderwijs. In de ontwerpbegroting 2023 waren de bedragen uit dit wetsvoorstel (met uitzondering van de tegemoetkoming en de studievoorschotvouchers) verwerkt in de hoofdbudgetten maatregelen herinvoering basisbeurs (R) en maatregelen herinvoering basisbeurs (NR). In dit jaarverslag is de realisatie van de bedragen van het wetsvoorstel wel toegerekend aan de verschillende financiële budgetten zoals de basisbeurs en de rentedragende leningen. Hierdoor zijn er op de hoofdbudgetten herinvoering basisbeurs (R en NR) geen uitgaven gerealiseerd en zijn op een aantal andere budgetten de mutaties veel hoger uitgevallen. Daardoor is het voor dit jaarverslag op een aantal budgettten niet mogelijk om een goede vergelijking te maken tussen realisatie en begroting. Het gaat voornamelijk om de budgetten Basisbeurs prestatiebeurs (NR) en Rentedragende lening (NR).

Inkomensoverdrachten

Basisbeurs

De basisbeurs is een algemene voorziening die er toe bijdraagt dat deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg (bol) financieel in staat worden gesteld om onderwijs te volgen in Nederland en daarbuiten. Met ingang van studiejaar 2023/2024 is het wetsvoorstel herinvoering basisbeurs in werking getreden. Deze wet regelt dat met ingang van dit studiejaar ook studenten op het hoger onderwijs (ho) weer een basisbeurs kunnen ontvangen.

Tabel 32 Totaal aantal studerenden met studiefinanciering12
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Studerenden met basisbeurs

230.111

222.092

220.960

207.888

655.956

212.000

443.956

bol

213.388

216.315

218.262

206.610

191.377

211.400

‒ 20.023

hbo

15.235

5.218

2.386

1.106

287.711

600

287.111

wo

1.488

559

312

172

176.868

0

176.868

Studenten zonder basisbeurs

547.147

585.572

589.106

591.727

139.157

615.500

‒ 476.343

bol

16.873

20.030

19.209

18.489

15.384

18.600

‒ 3.216

hbo

321.903

345.123

346.110

343.416

61.967

353.400

‒ 291.433

wo

208.371

220.419

223.787

229.822

61.806

243.500

‒ 181.694

Totaal

777.258

807.664

810.066

799.615

795.113

827.500

‒ 32.387

X Noot
1

Realisatiegegevens DUO

X Noot
2

De cijfers voor 2023 zijn op basis van de realisatie van september 2023 tot en met december 2023. In deze periode ontvingen ho-studenten weer een basisbeurs.

Toelichting

Uit de realisatiecijfers blijkt dat het totaal aantal studerenden met een basisbeurs in 2023 hoger lag dan geraamd: 443.956 meer ten opzichte van de ontwerpbegroting 2023. Dit komt doordat de raming voor 2023 uitging van een situatie zonder herinvoering van de basisbeurs en wordt hieronder nader toegelicht.

Bij bol zijn zowel het aantal studenten met een basisbeurs als het aantal studenten zonder basisbeurs lager gerealiseerd dan geraamd.

Zoals eerder toegelicht waren de gevolgen van de herinvoering van de basisbeurs bij de ontwerpbegroting 2023 nog niet doorvertaald naar de verschillende hoofdbudgetten en tabellen. Hierdoor zijn de gerealiseerde aantallen in bovenstaande tabel voor ho-studenten niet te vergelijken met de standen die in de ontwerpbegroting 2023 waren opgenomen. Ho-studenten die tot en met begroting 2023 te maken hebben gehad met het studievoorschot en dus geen basisbeurs ontvingen, zijn voor deze jaren nog opgenomen in de categorie «Studenten zonder basisbeurs». Bij de categorie studenten met basisbeurs zijn tot en met realisatie 2022 en ontwerpbegroting 2023 alleen de studenten opgenomen van voor het studievoorschot die nog recht hadden op een basisbeurs.

De ontwerpbegroting 2023 ging uit van de situatie zonder herinvoering van de basisbeurs. Daarom is een meer zinvolle vergelijking voor 2023 om te kijken met welke aantallen rekening werd gehouden bij het wetsvoorstel herinvoering basisbeurs. Dit waren 278.000 studenten met een basisbeurs voor het hbo en 167.000 voor het wo. Tabel 32 laat zien dat de realisatie iets hoger uitvalt dan is geraamd voor het wetvoorstel.

Tabel 33 Uitgaven basisbeurs gift (bedragen x € 1.000)1
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Uitbetaalde basisbeurs gift

83.145

84.597

80.777

70.975

71.252

95.755

‒ 24.503

bol

80.205

82.278

84.725

74.569

70.503

95.755

‒ 25.252

hbo

1.516

1.355

‒ 4.164

‒ 3.943

‒ 794

0

‒ 794

wo

1.424

963

216

349

1.543

0

1.543

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

1.016.141

780.739

571.797

423.795

325.221

277.803

47.418

bol

223.108

211.376

208.710

200.565

203.663

205.534

‒ 1.871

hbo

508.966

315.070

180.488

105.573

59.872

37.833

22.039

wo

284.067

254.293

182.599

117.657

61.686

34.436

27.250

Totaal

1.099.286

865.335

652.574

494.769

396.473

373.558

22.915

X Noot
1

Realisatiegegevens DUO

Toelichting

De relevante uitgaven aan de basisbeurs gift zijn in 2023 € 22,9 miljoen hoger dan geraamd. In de bol is er € 25,3 miljoen minder aan basisbeurs gift uitbetaald dan geraamd. Dit komt door lagere studentenaantallen dan geraamd. In 2023 is in de bol € 1,9 miljoen minder basisbeurs prestatiebeurs in gift omgezet dan geraamd.

De toekenningen als gift van basisbeurzen aan hbo-studenten zijn € 0,8 miljoen lager dan geraamd en de toekenningen aan wo-studenten zijn € 1,5 miljoen hoger dan geraamd. In het hoger onderwijs worden basisbeurzen als gift toegekend wanneer de student reeds aan de diploma-eis voldoet. In het hbo zijn de uitgaven aan basisbeurs gift negatief. Dit is het gevolg van de bijverdiengrenscontrole: studenten die teveel hebben verdiend moeten het bedrag boven de bijverdiengrens aan DUO terug betalen. Het gaat hier om de bijverdiengrenscontrole over inkomensjaar 2019 – sindsdien is de bijverdiengrenscontrole niet meer uitgevoerd en inmiddels is deze afgeschaft. In het ho is ten opzichte van de raming € 49,3 miljoen meer basisbeurs omgezet in gift. Zowel in het hbo als in het wo is er meer basisbeurs omgezet in gift dan geraamd. Het betreft hier basisbeurs omzettingen uit het oude basisbeursstelsel.

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de studie van hun kinderen. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studerenden een extra financiële belemmering te overwinnen. Om deze belemmering weg te nemen wordt aan hen een aanvullende beurs verstrekt waarvan de hoogte afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

Tabel 34 Totaal aantal studenten met een aanvullende beurs1
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

bol

108.074

108.264

112.674

107.367

98.992

111.200

‒ 12.208

hbo

88.969

89.602

96.185

93.884

88.755

97.500

‒ 8.745

wo

31.295

31.493

34.615

35.716

35.730

37.900

‒ 2.170

Totaal

228.338

229.359

243.474

236.967

223.477

246.600

‒ 23.123

X Noot
1

Realisatiegegevens DUO

Toelichting

Het aantal verstrekte aanvullende beurzen aan bol-studenten is in 2023 lager uitgevallen dan geraamd (12.208 minder). In het hbo en wo zijn er ook minder aanvullende beurzen verstrekt (10.915 minder).

Tabel 35 Uitgaven aanvullende beurs gift (bedragen x € 1.000)1
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Uitbetaalde aanvullende beurs gift

282.850

289.739

291.160

274.412

258.228

300.755

‒ 42.527

bol

229.322

231.259

237.829

221.687

204.678

245.376

‒ 40.698

hbo

41.841

45.783

41.342

39.090

39.153

42.664

‒ 3.511

wo

11.687

12.697

11.989

13.635

14.397

12.715

1.682

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

382.581

402.884

420.382

440.539

457.729

460.856

‒ 3.127

bol

151.285

141.841

140.435

137.396

144.419

137.183

7.236

hbo

167.652

191.368

205.943

221.883

221.699

237.431

‒ 15.732

wo

63.644

69.675

74.004

81.260

91.611

86.242

5.369

Totaal

665.431

692.622

711.542

714.951

715.957

761.611

‒ 45.654

X Noot
1

Realisatiegegevens DUO

Toelichting

De relevante uitgaven aan de aanvullende beurs gift zijn in 2023 € 45,5 miljoen lager dan geraamd. De toekenningen van aanvullende beurzen gift in de bol zijn in 2023 € 40,7 miljoen lager dan geraamd. Dit komt omdat het aantal bol-studenten lager is dan geraamd. De omzettingen van aanvullende beurs prestatiebeurs naar gift van bol-studenten zijn € 7,2 miljoen hoger dan geraamd.

In het hbo is er € 3,5 miljoen minder aan aanvullende beurs als gift uitbetaald dan geraamd en in het wo € 1,7 miljoen meer dan geraamd. In het hbo is ten opzichte van de raming € 15,7 miljoen minder aanvullende beurs omgezet in gift. In het wo is € 5,4 miljoen meer aanvullende beurs omgezet in gift.

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering, draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen.

Tabel 36 Aantal studenten met een reisvoorziening1
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Aantal gebruikers van het reisrecht

782.943

792.104

817.573

847.630

841.525

794.314

858.200

‒ 63.886

bol minderjarig

109.345

111.281

112.599

108.797

104.827

102.644

100.800

1.844

bol

215.032

216.548

218.779

220.292

209.045

192.237

213.400

‒ 21.163

ho

458.566

464.275

486.195

518.541

527.653

499.433

544.000

‒ 44.567

Aantal RBS

19.314

17.250

11.497

10.065

15.385

15.627

19.000

‒ 3.373

bol

2.992

2.605

1.378

839

1.684

1.764

2.600

‒ 836

ho

16.322

14.645

10.119

9.226

13.701

13.863

16.400

‒ 2.537

Totaal

802.257

809.354

829.070

857.695

856.910

809.941

877.200

‒ 67.259

X Noot
1

Realisatiegegevens DUO

Toelichting

Het aantal studenten dat gebruik heeft gemaakt van de reisvoorziening is in 2023 per saldo 63.886 lager dan begroot, waarbij de daling vooral veroorzaakt wordt door meerderjarige bol-studenten en ho-studenten. Het aantal studenten dat in 2023 een financiële vergoeding voor studeren in het buitenland, ofwel de reisvoorziening buitenland studerenden (RBS), ontving is 3.373 studenten lager dan geraamd. Dit komt door lagere aantallen in zowel de bol als het ho.

Tabel 37 Uitgaven reisvoorziening (bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Uitbetaalde reisvoorziening gift

89.552

92.663

91.316

95.082

99.738

101.290

‒ 1.552

bol

79.372

81.448

79.665

76.848

79.915

82.971

‒ 3.056

ho

10.179

11.215

11.651

18.234

19.823

18.319

1.504

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

654.992

688.227

719.640

750.327

774.497

804.380

‒ 29.883

bol

184.301

210.598

245.662

257.929

270.428

272.380

‒ 1.952

ho

470.691

477.629

473.978

492.398

504.069

532.000

‒ 27.931

Bijdrage studerenden aan OV-contract

‒ 912.228

‒ 972.683

‒ 1.015.081

‒ 1.058.864

‒ 1.157.949

‒ 1.082.211

‒ 75.738

bol

‒ 378.130

‒ 394.983

‒ 395.302

‒ 395.716

‒ 430.595

‒ 403.818

‒ 26.777

ho

‒ 534.098

‒ 577.701

‒ 619.779

‒ 663.148

‒ 727.354

‒ 678.393

‒ 48.961

Kosten contract OV-bedrijven

957.731

858.333

1.259.065

1.117.897

1.304.192

176.837

1.127.355

Totaal reisvoorziening

790.046

666.540

1.054.940

904.442

1.020.478

296

1.020.182

Toelichting

De relevante uitgaven aan de reisvoorziening zijn in 2023 in totaal € 1.020,2 miljoen hoger dan geraamd, grotendeels vanwege kasschuiven. Het bedrag aan reisvoorziening gift dat is uitbetaald is € 1,6 miljoen lager dan begroot. Dit betreft studenten die niet onder de prestatiebeurs vallen en daardoor de reisvoorziening als directe gift krijgen. De omzettingen van prestatiebeurs naar gift waren in 2023 lager dan begroot. De omzettingen voor de bol-studenten was € 2,0 miljoen lager dan geraamd, en voor de studenten hoger onderwijs € 27,9 miljoen lager.

Het hogere normbedrag voor de OV-studentenkaart zorgt voor lagere uitgaven op de post bijdrage van studerenden, omdat dit een negatieve, technische tegenboeking betreft waarmee relevante uitgaven aan vervoerders worden aangesloten op de prestatiebeurssystematiek voor studenten. In 2023 is er daardoor € 75,7 miljoen minder uitgegeven dan geraamd. Dit effect is per saldo groter dan het tegengestelde effect dat veroorzaakt wordt door de lagere studentenaantallen. De kosten voor het contract OV-bedrijven zijn € 1.127,4 miljoen hoger dan geraamd. Dit bedrag geeft een vertekend beeld vanwege diverse kasschuiven die na vaststelling van de begroting 2023 tot stand zijn gekomen. Deze kasschuif vindt plaats om het kasritme van de Staat te optimaliseren. Als gevolg van deze kasschuiven zijn de uitgaven in 2023 per saldo € 1.000,0 miljoen hoger dan bij de vastgestelde begroting. Deze uitgaven zijn naar voren geschoven uit 2024. De rest van de hogere uitgaven wordt veroorzaakt door de hogere prijs voor de OV-studentenkaart.

Studievoorschotvouchers

In de Wet herinvoering basisbeurs is de vormgeving van de studievoorschotvouchers met ingang van 1 september 2023 aangepast, zodat deze qua vormgeving gelijk is aan de tegemoetkoming voor leenstelselstudenten. De doelgroep van de studievoorschotvouchers is het hetzelfde gebleven – namelijk ho-studenten die in de studiejaren 2015-2016 tot en met 2018-2019 voor het eerst een opleiding met studiefinanciering zijn gaan doen en daarvoor binnen de diplomatermijn een diploma hebben behaald. Tot 1 september 2023 konden studenten gebruik maken van de oude regeling. De nieuwe regeling geldt met ingang van 1 januari 2025. De kosten voor de studievouchers zijn in 2023 € 8,6 miljoen lager dan geraamd. Het gebruik voor de nieuwe voucherregeling is naar verwachting hoger dan het gebruik voor de oude voucherregeling. Daardoor schuiven de uitgaven op naar achteren en is er in 2023 een lager bedrag gerealiseerd.

Overige uitgaven

De relevante overige uitgaven omvatten voornamelijk kwijtscheldingen, technische correcties tussen relevante- en niet-relevante uitgaven en de tegemoetkoming voor studenten in verband met corona. De realisatie 2023 bij relevante overige uitgaven is € 69,3 miljoen lager uitgevallen. Deze bijstelling is grotendeels het gevolg van de kwijtscheldingen van DUO-schulden in verband met de kinderopvangtoeslagenaffaire. In het kader van de kinderopvangtoeslagenaffaire worden ook de DUO-schulden bij ex-partners kwijtgescholden. Deze regeling zou in 2023 worden uitgevoerd, maar dat is uitgesteld naar 2024. Dit is het gevolg van vertraging aan de kant van uitvoering herstel toeslagen (UHT), de hersteloperatie duurt daardoor langer dan verwacht.

Leningen

Niet-relevante uitgaven zijn binnen dit jaarverslag uitgaven die niet relevant zijn voor het uitgavenplafond. In dit jaarverslag worden prestatiebeurzen, de rentedragende lening, het collegegeldkrediet en het levenlanglerenkrediet als niet-relevant gezien. In de weergave van het EMU-saldo worden prestatiebeurzen als relevant in beeld gebracht middels een correctie.

Basisbeurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Sinds het studiejaar 2023-2024 is de basisbeurs heringevoerd voor studenten in het hoger onderwijs.

Tabel 38 Uitgaven basisbeurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Uitbetaalde basisbeurs

287.270

256.278

236.669

238.201

687.025

277.188

409.837

bol

234.729

234.960

244.224

236.703

240.451

269.218

‒ 28.767

hbo

47.396

19.108

9.664

6.040

236.012

7.003

229.009

wo

5.145

2.210

2.090

1.498

213.851

967

212.884

Toeslagenaffaire

‒ 19.309

‒ 6.040

‒ 3.288

0

‒ 3.288

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

‒ 1.016.143

‒ 780.739

‒ 571.797

‒ 423.795

‒ 325.222

‒ 277.804

‒ 47.418

bol

‒ 223.110

‒ 211.376

‒ 208.710

‒ 200.565

‒ 203.664

‒ 205.535

1.871

hbo

‒ 508.966

‒ 315.070

‒ 180.488

‒ 105.573

‒ 59.872

‒ 37.833

‒ 22.039

wo

‒ 284.067

‒ 254.293

‒ 182.599

‒ 117.657

‒ 61.686

‒ 34.436

‒ 27.250

Naar lening omgezette basisbeurs prestatiebeurs

‒ 31.759

‒ 98.120

‒ 65.549

‒ 76.547

‒ 83.454

‒ 116.454

32.999

bol

‒ 3.348

‒ 15.484

‒ 4.811

‒ 7.067

‒ 10.775

‒ 9.235

‒ 1.541

hbo

‒ 15.119

‒ 60.976

‒ 43.120

‒ 53.851

‒ 63.958

‒ 83.462

19.504

wo

‒ 13.292

‒ 21.660

‒ 17.618

‒ 15.629

‒ 8.721

‒ 23.757

15.036

Totaal

‒ 760.632

‒ 622.580

‒ 400.677

‒ 262.141

278.349

‒ 117.070

395.418

Toelichting

In totaal is er in 2023 € 413,1 miljoen meer aan basisbeurs prestatiebeurs uitbetaald dan geraamd bij de ontwerpbegroting 2023. Dit komt wederom door de herinvoering van de basisbeurs in het hoger onderwijs en wordt hieronder nader toegelicht. In de bol is er € 28,8 miljoen minder uitgegeven dan begroot. Dit komt door lagere studentenaantallen met een basisbeurs dan verwacht. In het hbo is € 229,0 miljoen meer uitgegeven aan basisbeurs prestatiebeurs dan begroot. In het wo is € 212,9 miljoen meer uitgegeven dan begroot. Op deze post is er een tegenboeking van € 3,3 miljoen voor het kwijtschelden van basisbeurs prestatiebeurs als gevolg van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Deze uitgaven waren voor 2023 niet begroot.

De ontwerpbegroting 2023 ging in tabel 38 uit van de situatie zonder herinvoering van de basisbeurs. In het wetvoorstel waren de prestatiebeurs uitgaven aan basisbeurs, inclusief de koopkrachtmaatregel, geraamd op circa € 500 miljoen voor de vier maanden waarvoor deze in 2023 gold. Uitgaande van deze raming is er uiteindelijk in 2023 minder aan basisbeurzen in het ho uitbetaald dan begroot. Dit komt omdat, vooral in het hbo, minder studenten een uitwonende beurs ontvangen dan geraamd.

Het bedrag aan basisbeurs prestatiebeurs dat naar gift is omgezet in 2023 is € 47,4 miljoen lager dan begroot. Deze post bevat de niet-relevante tegenboeking van de relevante omzetting naar gift, die is toegelicht onder tabel 33. Het bedrag aan basisbeurs dat naar lening is omgezet in 2023 is € 33,0 miljoen hoger dan begroot. Dit is het gevolg van lagere omzettingen naar lening in het ho dan begroot.

Aanvullende beurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime.

Tabel 39 Uitgaven aanvullende beurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Uitbetaalde aanvullende beurs

538.180

559.371

596.875

604.904

585.702

624.860

‒ 39.158

bol

160.014

165.388

174.238

173.659

167.350

173.771

‒ 6.421

hbo

276.478

286.532

311.930

311.217

295.940

318.821

‒ 22.881

wo

101.688

107.451

117.362

122.042

123.586

132.268

‒ 8.682

Toeslagenaffaire

‒ 6.655

‒ 2.014

‒ 1.174

0

‒ 1.174

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

‒ 382.581

‒ 402.884

‒ 420.382

‒ 440.539

‒ 457.729

‒ 460.856

3.127

bol

‒ 151.285

‒ 141.841

‒ 140.435

‒ 137.396

‒ 144.419

‒ 137.183

‒ 7.236

hbo

‒ 167.652

‒ 191.368

‒ 205.943

‒ 221.883

‒ 221.699

‒ 237.431

15.732

wo

‒ 63.644

‒ 69.675

‒ 74.004

‒ 81.260

‒ 91.611

‒ 86.242

‒ 5.369

Naar lening omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

‒ 10.653

‒ 34.110

‒ 27.188

‒ 36.507

‒ 45.833

‒ 46.483

650

bol

‒ 2.058

‒ 9.192

‒ 3.988

‒ 5.967

‒ 9.840

‒ 7.814

‒ 2.025

hbo

‒ 4.536

‒ 19.109

‒ 17.048

‒ 22.528

‒ 26.587

‒ 27.989

1.402

wo

‒ 4.059

‒ 5.809

‒ 6.152

‒ 8.012

‒ 9.407

‒ 10.680

1.273

Totaal

144.946

122.378

149.305

127.857

82.140

117.521

‒ 35.381

Toelichting

In totaal is er in 2023 € 39,2 miljoen minder aan aanvullende beurs prestatiebeurs uitbetaald dan geraamd. In de bol is er € 6,4 miljoen minder uitgegeven dan begroot, in het hbo € 22,9 miljoen minder en in het wo is er € 8,7 miljoen minder uitbetaald aan aanvullende beurs prestatiebeurs dan begroot. Dit komt door lagere studentenaantallen met een aanvullende beurs dan verwacht. Op deze post is er een tegenboeking van € 1,2 miljoen voor het kwijtschelden van aanvullende beurs prestatiebeurs als gevolg van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Deze uitgaven waren voor 2023 niet begroot.

Het bedrag aan aanvullende beurs prestatiebeurs dat naar gift is omgezet in 2023 is € 3,1 miljoen hoger dan begroot. Deze post bevat de tegenboeking van de relevante omzetting naar gift, die is toegelicht onder tabel 35. Het bedrag aan aanvullende beurs dat naar lening is omgezet in 2023 is € 0,7 miljoen hoger dan begroot. Dit komt voornamelijk door meer omzettingen naar lening in het hbo en wo dan geraamd. In de bol is juist minder aanvullende beurs omgezet naar lening dan geraamd.

Reisvoorziening

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho hebben recht op een reisvoorziening onder het prestatiebeursregime.

Tabel 40 Uitgaven reisvoorziening prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Uitbetaalde reisvoorziening

843.509

894.126

922.301

974.266

1.073.503

1.004.374

69.129

bol

302.056

315.311

315.526

319.557

351.089

324.011

27.078

ho

541.453

578.814

613.831

657.260

724.129

680.363

43.766

Toeslagenaffaire

‒ 7.056

‒ 2.551

‒ 1.715

0

‒ 1.715

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

‒ 654.992

‒ 688.227

‒ 719.640

‒ 750.327

‒ 774.497

‒ 804.380

29.883

bol

‒ 184.301

‒ 210.598

‒ 245.662

‒ 257.929

‒ 270.428

‒ 272.380

1.952

ho

‒ 470.691

‒ 477.629

‒ 473.978

‒ 492.398

‒ 504.069

‒ 532.000

27.931

Naar lening omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

‒ 13.042

‒ 44.555

‒ 32.578

‒ 41.278

‒ 49.837

‒ 52.000

2.163

bol

‒ 1.514

‒ 8.082

‒ 2.781

‒ 4.300

‒ 6.998

‒ 7.000

2

ho

‒ 11.527

‒ 36.473

‒ 29.797

‒ 36.978

‒ 42.839

‒ 45.000

2.161

Totaal reisvoorziening

175.475

161.344

170.083

182.661

249.169

147.994

101.175

Toelichting

In totaal is in 2023 € 69,1 miljoen meer reisvoorziening prestatiebeurs uitbetaald dan geraamd. Dit is het gevolg van een hoger normbedrag. De uitgaven aan bol prestatiebeurs waren € 27,1 miljoen hoger, aan ho prestatiebeurs waren de uitgaven € 43,8 miljoen hoger. Op deze post is er een tegenboeking van € 1,7 miljoen voor het kwijtschelden van uitbetaalde reisvoorziening als gevolg van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Deze uitgaven waren voor 2023 niet begroot.

Het bedrag aan reisvoorziening dat naar gift is omgezet in 2023 is € 29,9 miljoen hoger dan begroot. Deze post bevat de tegenboeking van de relevante omzetting naar gift, die is toegelicht onder tabel 37. Het bedrag aan reisvoorziening dat naar lening is omgezet in 2023 is € 2,2 miljoen hoger dan begroot, het betreft hier een negatieve boekingsgang. Dit is het gevolg van lagere omzettingen naar lening in de bol en in het ho.

Leenfaciliteit

De leenmogelijkheden in de studiefinanciering stellen studerenden in staat om hun eigen bijdrage tegen relatief gunstige voorwaarden via de Rijksoverheid te financieren.

Tabel 41 Niet-relevante uitgaven leenfaciliteit (bedragen x € 1.000)1
   

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Rentedragende lening

2.587.048

2.645.105

2.476.627

2.600.353

1.899.591

2.937.615

‒ 1.038.024

Rentedragende lening

2.587.048

2.645.105

2.476.627

2.646.240

1.937.041

2.937.615

‒ 1.000.574

Toeslagenaffaire

‒ 45.887

‒ 37.450

0

‒ 37.450

Collegegeldkrediet

332.520

303.414

228.999

161.364

180.340

352.580

‒ 172.240

Collegegeldkrediet

332.520

303.414

228.999

164.119

182.050

352.580

‒ 170.530

Toeslagenaffaire

   

‒ 2.755

‒ 1.710

 

‒ 1.710

Levenlanglerenkrediet

27.109

29.551

27.275

21.197

21.076

35.011

‒ 13.935

Levenlanglerenkrediet

27.109

29.551

27.275

21.229

21.101

35.011

‒ 13.910

Toeslagenaffaire

‒ 32

‒ 25

0

‒ 25

Carbisch Nederland

549

0

549

Totaal

2.946.677

2.978.070

2.732.901

2.782.914

2.101.556

3.325.206

‒ 1.223.650

X Noot
1

Realisatiegegevens DUO

Toelichting

De uitgaven aan de rentedragende lening zijn in 2023 per saldo € 1.038,0 miljoen lager dan geraamd. In de ontwerpbegroting 2023 waren de gevolgen van minder leningen vanwege de herinvoering van de basisbeurs (geraamd op ‒ € 161,0 miljoen) niet op deze post meegenomen. Ook met deze correctie zijn de leningen fors lager dan geraamd. Voor zowel de bol als het in het hbo en wo wordt er minder geleend dan geraamd. Daarnaast vindt op deze post ook de tegenboeking plaats van kwijtscheldingen van DUO-schulden als gevolg van de kinderopvangtoeslagenaffaire (totaal ‒ € 37,5 miljoen).

De niet-relevante uitgaven aan collegegeldkrediet zijn lager gerealiseerd dan geraamd. In totaal is er € 172,2 miljoen minder collegegeldkrediet verstrekt. Er wordt door studenten fors minder gebruik gemaakt van het collegegeldkrediet dan geraamd en ook ten opzichte van eerdere jaren. De uitgaven aan het levenlanglerenkrediet zijn in 2023 € 13,9 miljoen lager dan geraamd. Er wordt minder gebruik gemaakt van het levenlanglerenkrediet ten opzichte van eerder jaren.

Bijdrage aan agentschappen

DUO is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

De gerealiseerde uitgaven liggen € 21,8 miljoen hoger dan in de oorspronkelijke begroting opgenomen. Allereerst waren de uitvoeringskosten voor de herinvoering van de basisbeurs niet meegenomen in deze post in de ontwerpbegroting van 2023. Daarnaast is de realisatie hoger uitgevallen door compliance kosten en een hoge LPO bijstelling.

Ontvangsten

Onder de relevante ontvangsten vallen de ontvangen rente, de overige ontvangsten en de ontvangsten Caribisch Nederland.

Tabel 42 Relevante ontvangsten (bedragen x € 1.000)
   

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Ontvangen rente

76.887

63.342

51.780

41.694

57.933

52.633

5.300

Overige ontvangsten

42.303

33.824

30.070

26.897

29.473

18.630

10.843

Renteloos voorschot en relevante rentedragende lening

1.212

1.034

1.075

844

598

986

‒ 388

Kortlopende vorderingen

41.091

32.790

28.995

26.053

24.271

17.644

6.627

Overige ontvangsten

    

4.604

0

4.604

Caribisch Nederland

 

220

299

457

627

325

302

Totaal relevante ontvangsten

119.190

97.386

82.149

69.048

88.034

71.588

16.445

Toelichting

In vergelijking met de raming is er in 2023 per saldo € 16,4 miljoen meer ontvangen dan geraamd. De rente op studieleningen is voor het eerst sinds jaren weer positief. Dit is zichtbaar in de hogere dan geraamde rente ontvangsten (€ 5,3 miljoen). Daarnaast zijn de ontvangsten op de kortlopende vorderingen en de overige ontvangsten hoger dan geraamd. De overige ontvangsten betreft balansposten die door DUO zijn teruggestort naar de OCW begroting.

De niet relevante ontvangsten bestaan uit de ontvangsten op de hoofdsom. Het terugbetalingssysteem van leningen is naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet of niet volledig terug te betalen.

In vergelijking met de raming is er in 2023 per saldo € 255,1 miljoen meer ontvangen op de hoofdsom dan geraamd. Dit komt voornamelijk doordat er meer vervroegd is afgelost dan geraamd. Het gaat dan om aflossingen bovenop de termijnontvangsten.

Tabel 43 Bedrag aan uitstaande leningen (bedragen x € 1 miljoen)1
 

2019

2020

2021

2022

2023

Leningen

22.222,5

23.867,0

25.266,0

26.803,7

27.423,7

Collegegeldkrediet

1.691,9

1.963,4

2.152,5

2.260,3

2.374,1

Levenlanglerenkrediet

50,5

78,9

103,8

117,6

127,5

Totaal

23.964,9

25.909,3

27.522,3

29.181,6

29.925,3

X Noot
1

Realisatiegegevens DUO

Toelichting

Tabel 43 geeft de vorderingsstanden aan het einde van het jaar weer. Het betreft de uitstaande leningen op oud-studenten en op actieve studenten, exclusief de uitgaven aan prestatiebeursleningen. Het totaal aan uitstaande leningen in 2023 is € 29,9 miljard. Het totaal aan uitstaande leningen is in 2023 gestegen met ongeveer € 0,7 miljard. Dit wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt doordat er steeds meer studenten onder het studievoorschot vallen die gemiddeld een hoger bedrag lenen. Ook is de rente voor het eerst sinds jaren weer positief, wat leidt tot hoge vorderingen. Daarnaast lossen studenten onder het studievoorschot in 35 jaar af, in het oude stelsel is dit 15 jaar. Daardoor staat een lening gemiddeld langer uit.

4.8 Beleidsartikel 12 Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

A. Algemene doelstelling

De tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt ervoor dat leerlingen vanaf 18 jaar in het voortgezet onderwijs (vo) en studenten aan een lerarenopleiding de financiële mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs in Nederland.

Financieren

De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd. De leerling (vo) of student (lerarenopleiding) kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming bestaande uit een maandelijkse basistoelage, een eventuele bijdrage in de schoolkosten en een eventuele bijdrage in het les- of cursusgeld.

Indicatoren/kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) wordt verwezen naar de website OCW in Cijfers.

C. Beleidsconclusies

Op dit artikel hebben zich qua uitvoering en resultaten in 2023 geen bijzonderheden voorgedaan.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 44 Budgettaire gevolgen van beleid van artikel 12 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

76.013

69.366

65.014

68.823

68.943

73.732

‒ 4.789

         

Uitgaven

76.013

69.366

65.014

68.823

68.943

73.732

‒ 4.789

         

Inkomensoverdrachten

73.608

66.781

62.351

66.074

66.022

70.948

‒ 4.926

 

Minderjarige studenten mbo (R)

12

10

3

0

0

0

0

 

Tegemoetkoming lerarenopleiding (tlo) (R)

3.847

3.568

3.796

3.676

3.316

3.985

‒ 669

 

Deeltijd vo (R)

2.558

1.953

1.733

1.821

2.279

1.836

443

 

Volwassenenonderwijs (vavo) (R)

4.920

5.132

4.715

4.788

4.945

6.196

‒ 1.251

 

Meerderjarige scholieren vo (R)

58.759

52.417

48.308

52.287

52.141

55.019

‒ 2.878

 

Meerderjarige scholieren vso (R)

3.510

3.701

3.796

3.502

3.341

3.912

‒ 571

Leningen

 

0

14

14

13

13

14

‒ 1

 

Omboeking van kortlopend naar langlopend (NR)

0

14

14

13

13

14

‒ 1

Bijdrage aan agentschappen

2.405

2.571

2.649

2.736

2.908

2.770

138

 

Dienst Uitvoering Onderwijs (R)

2.405

2.571

2.649

2.736

2.908

2.770

138

         

Ontvangsten

 

3.463

2.353

1.948

2.160

2.046

2.086

‒ 40

 

Minderjarige studenten mbo (R)

71

66

23

81

50

0

50

 

Tegemoetkoming lerarenopleiding en deeltijd vo (R)

327

285

189

290

261

189

72

 

Meerderjarige scholieren v(s)o en vavo (R)

3.065

2.002

1.736

1.789

1.735

1.897

‒ 162

E. Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de uitgaven 2023 ligt € 4,8 miljoen lager dan oorspronkelijk begroot.

Inkomensoverdrachten

De uitgaven aan inkomensoverdrachten bij de diverse WTOS-regelingen zijn in 2023 per saldo € 4,9 miljoen lager dan begroot. Dit betreft met name lagere uitgaven aan meerderjarige leerlingen in het voortgezet onderwijs en in het volwassenonderwijs. Dit is het gevolg van een lager aantal gebruikers dan geraamd.

Tabel 45 Aantal gebruikers per regeling1
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Aantal gebruikers tegemoetkoming lerarenopleiding en deeltijd vo

7.273

6.064

5.729

5.650

5.914

5.700

214

Aantal meerderjarige gebruikers v(so) en vavo

34.573

32.118

28.464

29.402

29.694

30.600

‒ 906

X Noot
1

Realisatiegegevens DUO

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

De gerealiseerde uitgaven in 2023 liggen € 0,1 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op terugbetalingen van teveel of onterecht verstrekte WTOS-uitkeringen. De ontvangsten bij de diverse onderdelen van de WTOS zijn in 2023 in totaal € 0,04 miljoen lager dan begroot.

4.9 Beleidsartikel 13 Lesgeld

A. Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Financieren

De Minister financiert een groot deel van de kosten voor het volgen van kwalitatief goed onderwijs, omdat de maatschappij baat heeft bij geschoolde burgers. Het individu heeft echter ook profijt van scholing en betaalt daarom lesgeld.

Kengetallen

In de Les- en cursusgeldwet is vastgelegd voor wie, wanneer en op welke wijze het lesgeld wordt vastgesteld. De hoogte van het lesgeld wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de algemene prijsontwikkeling. In onderstaande tabel staan de lesgeldbedragen (vastgesteld tot en met schooljaar 2023/2024) aangegeven.

Tabel 46 Lesgeldbedrag (bedragen x € 1)12
 

2018/19

2019/20

2020/21

2021/22

2022/23

2023/24

Lesgeld

1.155

1.168

1.202

608

1.239

1.357

X Noot
1

X Noot
2

Voor het studiejaar 2021-22 geldt een 50% korting op het lesgeld, cursusgeld en collegegeld vanwege Nationaal Programma Onderwijs maatregelen in verband met corona.

C. Beleidsconclusies

Op dit artikel hebben zich qua uitvoering en resultaten in 2023 geen bijzonderheden voorgedaan.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 47 Budgettaire gevolgen van beleid van artikel 13 (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

12.831

13.664

13.900

14.806

16.447

15.667

780

        

Uitgaven

12.831

13.664

13.900

14.806

16.447

15.667

780

        

Bijdrage aan agentschappen

12.831

13.664

13.900

14.806

16.447

15.667

780

Dienst Uitvoering Onderwijs

12.831

13.664

13.900

14.806

16.447

15.667

780

        

Ontvangsten

245.727

252.994

204.890

192.809

240.897

262.124

‒ 21.227

E. Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de uitgaven 2023 ligt € 0,8 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De realisatie van de ontvangsten 2023 is € 21,2 miljoen lager dan oorspronkelijk begroot.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel. De gerealiseerde uitgaven in 2023 liggen € 0,8 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot.

Ontvangsten

Door het betalen van lesgeld leveren studenten van 18 jaar en ouder een bijdrage aan de kosten van het onderwijs.

Tabel 48 Aantal lesgeldplichtigen1
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

bol/vo

214.336

219.566

219.258

200.658

184.507

212.400

‒ 27.893

X Noot
1

Realisatiegegevens DUO en Ramingsmodel SF

Toelichting

De realisatie van de ontvangsten 2023 ligt € 21,2 miljoen lager dan oorspronkelijk begroot. Dit komt voornamelijk doordat het aantal lesgeldplichtigen lager uitvalt dan geraamd. Het totaal aantal meerderjarige studenten aan de beroeps opleidende leerweg (bol) is lager uitgevallen dan was geraamd.

4.10 Beleidsartikel 14 Cultuur

A. Algemene doelstelling

Het bevorderen van een sterke, pluriforme, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige cultuursector en het zorgen voor het erfgoed.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De verantwoordelijkheid van de Minister is in de Wet op het specifiek cultuurbeleid verankerd. De Minister is verantwoordelijk voor het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen en sociaal en geografisch spreiden van cultuuruitingen. Overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid zijn daarbij leidend. Dit is aanvullend op het cultuuraanbod dat zonder betrokkenheid van de overheid tot stand komt. De Minister is ook verantwoordelijk voor de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Erfgoedwet en de Archiefwet.

Financieren

De Minister heeft een financierende rol door het bekostigen van de basisinfrastructuur cultuur en subsidiëring van specifieke (wettelijke) programma's en regelingen, onder meer op het gebied van erfgoed, kunsten en bibliotheken.

Stimuleren

De Minister heeft een stimulerende rol bij het versterken van de cultuursector door programma’s als cultuureducatie, leesbevordering en internationaal cultuurbeleid.

Regisseren

De Minister heeft een regisserende rol bij de uitvoering van en toezicht op het behoud en beheer van het erfgoed en (digitale) archieven. Dit betreft onder meer de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Erfgoedwet en de Archiefwet. Toezicht op naleving van de laatste twee wetten ligt bij de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) en de rijksgesubsidieerde musea zijn onder andere belast met de uitvoering van de Erfgoedwet. Het Nationaal Archief geeft uitvoering aan de Archiefwet.

Kengetallen
Tabel 49 Kengetallen

Kengetal1

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

Percentage van de bevolking 6 jaar en ouder dat voorstellingen, musea, kunsttentoonstellingen en bibliotheken heeft bezocht

89%

75%

86%

2

Percentage van de bevolking 6 jaar en ouder dat erfgoed heeft bezocht (anders dan in een museum)

63%

45%

64%

3

Percentage kinderen tussen 6-11 jaar dat voorstellingen, musea, kunsttentoonstellingen bibliotheken heeft bezocht

99%

94%

98%

4

Percentage kinderen tussen 12-19 jaar dat voorstellingen, musea, kunsttentoonstellingen en bibliotheken heeft bezocht

99%

89%

93%

X Noot
1

Bron: kerngetallen Cultuurbereik in procenten, alle respondenten, VTO 2012-2022. Maatwerktabel uit Vrijetijdsomnibus (VTO), op verzoek door de Boekmanstichting geleverd geleverd vooruitlopend op de publicatie via de Cultuurmonitor (). De gegevens zijn met terugwerkende kracht voor de gehele periode op een uniforme wijze herberekend waardoor lichte afwijkingen met eerdere publicatie mogelijk zijn. In 2020 is een aantal vragen anders geformuleerd, wat tot een lichte afwijking in de respons kan hebben geleid met eerdere jaren. In 2022 zijn een aantal antwoordcategorieën samengevoegd of komen te vervallen en is een andere vraagopzet gehanteerd voor bezoekfrequenties. Rondom het bezoek van voorstellingen en tentoonstellingen is daardoor mogelijk een trendbreuk ontstaan met eerdere jaren.

Cultuurbereik

Deze kengetallen geven de ontwikkelingen weer van het cultuurbereik. Daarmee zijn deze in lijn met de algemene doelstelling voor artikel 14; het bevorderen van de deelname aan cultuur. De gegevens over 2022 zijn de meest recente.

In 2022 is het teruggelopen bezoek aan voorstellingen, musea, kunsttentoonstellingen en bibliotheken dat in 2020 te zien was grotendeels hersteld. De lagere cijfers in 2020 zijn vooral toe te schrijven aan de beperkte toegang tot cultuur tijdens de coronapandemie. Voorstellingen, musea en bibliotheken werden in 2022 door 86% van de bevolking bezocht, waarmee het bijna op het niveau zit van voor de coronapandemie. Erfgoed (archieven, opgravingen, historische plekken en historische evenementen) werd door 64% van de mensen bezocht, wat zelfs iets hoger is dan voor de pandemie. Het is belangrijk dat iedereen al vroeg met cultuur in aanraking komt. Op basis van deze gegevens blijkt dat kinderen grotendeels nog veel in contact bleven met cultuur. Wel valt op dat de groep kinderen tussen 12 en 19 jaar dat voorstellingen, musea, kunsttentoonstellingen en bibliotheken bezocht met 93% in 2022 achterblijft bij de percentages van voor de coronapandemie, toen dit stabiel rond de 98 procent lag.

De kwantitatieve onderbouwing van de doelstellingen op basis van data, kwantitatieve en kwalitatieve informatie, (beleids)evaluaties en onderzoek worden zo compleet mogelijk op OCW in Cijfers gepubliceerd. Daarnaast brengt de Boekmanstichting met de Cultuurmonitor, in opdracht van het Ministerie van OCW, trends en ontwikkelingen in het culturele leven in Nederland in beeld. Een interactief dashboard biedt toegang tot een database met indicatoren over de Nederlandse cultuursector.

C. Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten zijn conform de verwachtingen in de begroting. Een uitgebreide toelichting op de behaalde resultaten wordt gegeven in het onderdeel beleidsprioriteiten en in de toelichting op de financiële instrumenten.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 50 Budgettaire gevolgen van beleid van artikel 14 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

564.102

2.864.257

1.132.743

1.149.980

770.632

641.444

129.188

         

Uitgaven

960.734

1.356.245

1.455.624

1.648.336

1.285.438

1.209.069

76.369

         

Bekostiging

829.903

1.110.322

1.187.118

1.042.439

1.022.574

1.014.984

7.590

Culturele basisinfrastructuur

448.841

672.278

631.782

548.019

518.380

511.750

6.630

 

Vierjaarlijkse instellingen

246.119

359.633

267.733

249.434

242.093

246.802

‒ 4.709

 

Vierjaarlijkse fondsen

202.722

312.645

364.049

298.585

276.287

264.948

11.339

Erfgoedwet

133.986

131.579

0

0

0

0

0

 

Huisvesting

87.088

88.524

0

0

0

0

0

 

Beheer en onderhoud collecties

46.898

43.055

0

0

0

0

0

Museale instellingen met een wettelijke taak

0

0

289.693

257.017

249.509

229.141

20.368

Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen

0

49.785

55.522

59.813

70.113

83.183

‒ 13.070

 

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen

0

23.100

23.867

24.761

37.611

52.731

‒ 15.120

 

Digitale openbare bibliotheken

0

14.674

19.118

22.026

18.599

17.426

1.173

 

Bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

0

12.011

12.537

13.026

13.903

13.026

877

Monumentenzorg

205.974

213.403

176.593

143.025

146.548

154.096

‒ 7.548

Archieven incl. Regionale Historische Centra

25.860

26.359

28.528

28.448

31.299

30.696

603

Flankerend beleid huisvesting

5.024

6.700

5.000

6.117

6.725

6.117

608

Cultuureducatie met Kwaliteit

10.218

10.218

0

0

0

1

‒ 1

Subsidies (regelingen)

71.099

179.056

200.934

324.986

128.190

91.929

36.261

Verbreden inzet cultuur

14.233

17.117

8.144

15.218

22.042

25.131

‒ 3.089

Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS)

8.319

8.337

9.069

8.963

12.111

9.445

2.666

Programma leesbevordering

3.427

3.900

4.137

16.910

20.724

13.049

7.675

Creatieve Industrie

2.397

2.161

1.661

2.098

1.876

1.894

‒ 18

Monumentenzorg

5.603

4.443

0

0

0

0

0

Erfgoed en ruimte

258

0

0

0

0

0

0

Erfgoed en fysieke leefomgeving

0

36

0

0

0

0

0

Programma ondernemerschap

0

0

0

0

0

0

0

Specifiek cultuurbeleid

36.862

143.062

169.976

273.326

67.589

40.679

26.910

Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

0

0

7.947

8.471

3.848

1.731

2.117

Opdrachten

14.308

17.972

22.727

200.163

24.350

24.087

263

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

1.139

1.342

920

1.212

1.413

1.967

‒ 554

Monumentenzorg

6.850

8.275

96

0

0

0

0

Archeologie

3.493

3.031

6

0

0

0

0

Erfgoed en ruimte

276

301

0

0

0

0

0

Erfgoed en fysieke leefomgeving

0

0

0

0

0

0

0

Opdrachten Rijksdienst

0

0

14.893

10.896

12.933

14.021

‒ 1.088

Overige opdrachten

2.550

5.023

6.812

188.055

10.004

8.099

1.905

Bijdrage aan agentschappen

42.496

45.971

43.088

52.249

60.986

49.668

11.318

Nationaal Archief

27.571

31.786

42.588

52.229

60.986

49.648

11.338

Nationaal Archief Programma

14.925

14.185

500

20

0

20

‒ 20

Bijdragen aan medeoverheden

0

0

0

26.634

47.464

26.500

20.964

Medeoverheden

0

0

0

26.634

47.464

26.500

20.964

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

2.928

2.924

1.757

1.865

1.874

1.901

‒ 27

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

2.928

2.924

1.757

1.865

1.874

1.901

‒ 27

         

Ontvangsten

4.376

5.447

17.158

90.447

26.300

4.537

21.763

Tabel 51 Uitsplitsing verplichtingen
       

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

 

564.102

2.864.257

1.132.743

1.149.980

770.632

641.444

129.188

waarvan garantieverplichtingen

8.404

‒ 114.750

198.957

‒ 11.864

‒ 38.244

0

‒ 38.244

waarvan overige verplichtingen

555.698

2.979.007

933.786

1.161.844

808.876

641.444

167.432

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen

De realisatie van de verplichtingen in 2023 is per saldo € 129,2 miljoen hoger dan was geraamd bij de vastgestelde begroting. In dit saldo zitten negatieve bijstellingen van totaal ‒ € 58,6 miljoen. Een negatieve bijstelling is het verlagen van een aangegane verplichting uit een eerder jaar. De totale ‒ € 58,6 miljoen bestaat voor ‒ € 57,3 miljoen uit vervallen garantieverplichtingen. Het overige bedrag betreft negatieve bijstellingen op oudere verplichtingen binnen subsidies en opdrachten. Dit bedrag is samengesteld uit een negatief saldo van verleende en vervallen garanties (€ 38,2 miljoen) en hogere gerealiseerde dan geraamde overige verplichtingen (€ 167,4 miljoen). Het verschil tussen de hogere overige verplichtingen ten opzichte van de hogere uitgaven (€ 76,4 miljoen) bedraagt afgerond € 91,1 miljoen. Het grootste deel van dit verschil is ontstaan door bijstellingen van de verplichtingen voor de culturele basisinfrastructuur en museale instellingen met een wettelijke taak in verband met loon- en prijsbijstelling 2023, die in 2023 is beschikt voor de jaren 2023 en 2024. Voor de museale instellingen met een wettelijke taak zijn daarbij ook hogere verplichtingen gerealiseerd als gevolg van aanpassingen in het huisvestingsstelsel met ingang van 2024. Daarnaast is een aantal andere meerjarige verplichtingen aangegaan, zoals voor leesbevordering, voor de Film Production Incentive via het Filmfonds en voor de specifieke uitkeringen Impuls Jongerencultuur 2023-2024.

Bekostiging

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse instellingen

Hier worden de subsidies verantwoord die aan instellingen zijn verstrekt in het kader van de culturele basisinfrastructuur 2021-2024. De besluiten over de culturele basisinfrastructuur voor de periode 2021-2024 zijn opgenomen in de Kamerbrief van 15 september 2020 (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 383). De gerealiseerde uitgaven zijn lager dan de raming. Dit wordt voor het grootste deel veroorzaakt door het saldo van een overboeking van bekostiging naar het instrument subsidies, en een verhoging van het budget door de extra prijsbijstelling 2022 en de loon- en prijsbijstelling over 2023. In 2023 hebben instellingen extra prijsbijstelling van 1,0 % en een loon- en prijsstelling van gemiddeld rond de 6% (indexatie) op hun subsidie ontvangen als een gedeeltelijke tegemoetkoming voor de gestegen inflatie. Deze mutaties zijn ook toegelicht in de 1e suppletoire begroting 2023 (Kamerstukken II 2022/23, 36350 VIII, nr. 2).

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse fondsen

De besluiten over de subsidies aan de zes cultuurfondsen, onderdeel van de culturele basisinfrastructuur, zijn te vinden in de bijlagen bij de Kamerbrief Besluitvorming culturele basisinfrastructuur 2021-2024 (Kamerstukken II 2020/21, 32820, nr. 383). De verantwoorde uitgaven in 2023 bestaan uit de subsidies die bedoeld zijn voor de uitvoering van regelingen voor vierjarige instellingensubsidies en de overige subsidieregelingen waarmee makers en instellingen op projectbasis kunnen worden ondersteund. De gerealiseerde uitgaven zijn hoger dan de raming. Dit wordt voor het grootste deel veroorzaakt door het saldo van een overboeking van bekostiging naar het instrument subsidies en een verhoging van het budget door de extra prijsbijstelling 2022 en de loon- en prijsbijstelling over 2023. Ook de fondsen hebben in 2023 extra prijsbijstelling van 1,0 % en een loon- en prijsstelling van gemiddeld 6,1% (indexatie) ontvangen als gedeeltelijke tegemoetkoming voor de gestegen inflatie. Deze mutaties zijn ook toegelicht in de 1e suppletoire begroting 2023 (Kamerstukken II 2022/23, 36350 VIII, nr. 2).

Museale instellingen met een wettelijke taak

Op basis van de Erfgoedwet (Stb. 2015, 511) zijn museale instellingen belast met de zorg voor het beheer van de museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen of verzamelingen. Hiervoor ontvingen deze instellingen met een wettelijke taak een structurele vergoeding. Voor de subsidiëring van deze taak zijn op grond van de regeling Beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 2016, 1220) middelen beschikbaar gesteld, waarbij onderscheid is gemaakt in enerzijds beheer en onderhoud van collecties en anderzijds huisvesting. Daarnaast ontvingen museale instellingen, op grond van dezelfde regeling, middelen voor hun publieksactiviteiten. De uitgaven zijn € 20,4 miljoen hoger dan was geraamd in de begroting. Dit is grotendeels het gevolg van de uitkering van loon- en prijsbijstelling, die bij de Eerste Suppletoire Begroting werd toegevoegd aan het budget.

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen, digitale openbare bibliotheek en bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

De Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) organiseert het openbare bibliotheekwerk als een netwerk van samenwerkende lokale en provinciale openbare bibliotheekvoorzieningen, waarbij de Koninklijke Bibliotheek (KB) een coördinerende rol vervult. In het netwerk verricht de KB als nationale bibliotheek van Nederland taken voor het stelsel als geheel, waaronder het beheer en de doorontwikkeling van de landelijke digitale openbare bibliotheek en de bibliotheekvoorziening voor personen met een leeshandicap. Voor de uitvoering van deze taken heeft de KB in 2023 een rijksbijdrage van in totaal € 73,5 miljoen ontvangen, waarvan onder andere € 24,0 miljoen voor landelijke stelseltaken en digitale infrastructuur, € 17,4 miljoen voor e-content en de online bibliotheek en € 13,0 miljoen voor de voorziening leesgehandicapten. De loon- en prijsbijstelling bedroeg in 2023 € 3,8 miljoen. Binnen het kader van de rijksbijdrage is in 2023 in totaal nog € 12,0 miljoen aan aanvullende middelen vanuit het coalitieakkoord aan de KB beschikbaar gesteld, voor de online bibliotheek en de digitale infrastructuur. Deze middelen worden besteed in nauwe samenspraak met het veld. Datzelfde geldt voor de € 1,6 miljoen die de KB in 2023 heeft ontvangen voor vier initiatieven in het kader van de werkagenda Werken aan Uitvoering (WaU). Voorts zijn binnen de rijksbijdrage nog enkele kleinere bedragen aan de KB overgemaakt, bedoeld voor Muziekweb, voor de Certificeringsorganisatie Bibliotheekwerk, Cultuur en Taal, voor kennisuitwisseling met Caribisch Nederland en ten behoeve van enkele incidentele projecten. De stand van zaken voor wat betreft het versterken van het stelsel van openbare bibliotheken is uitgewerkt in de Bibliotheekbrief van 24 november 2023 (Kamerstukken II 2023/24, 33846, nr. 71). De per saldo € 15,1 miljoen lagere uitgaven wordt grotendeels veroorzaakt door de overboeking bibliotheken van € 18,6 miljoen naar het financieel instrument bijdragen aan medeoverheden voor een op de toekomst gerichte bibliotheekvoorziening. Dit is reeds toegelicht in de suppletoire begroting Prinsjesdag (Kamerstukken II 2023/24, nr. 2).

Monumentenzorg

De Erfgoedwet is sinds 1 juli 2016 het juridisch kader voor de financiering van de monumentenzorg. Voor de instandhouding van rijksmonumenten werden ook in 2023 middelen beschikbaar gesteld via de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim) en de Woonhuisregeling. Het budget voor de Sim tot en met 2025 is opgehoogd met € 20 miljoen per jaar. Er is eenmalig € 15 miljoen beschikbaar gesteld voor een aantal urgente restauraties van grote monumenten. Op initiatief van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) is het Ontzorgingsprogramma Verduurzaming Monumenten gestart. Het doel van het programma is het stimuleren en begeleiden van eigenaren van rijksmonumenten bij het verduurzamen van hun monumentale panden. Met een eenmalige kapitaalstorting van € 7,5 miljoen aan het Nationaal Restauratiefonds is, zoals aangekondigd in de Kamerbrief over de Verkenning van het financieringsstelsel voor de monumentenzorg (Kamerstukken II 2022/23, 32156 nr. 123), het fonds versterkt van waaruit leningen worden verstrekt voor verduurzaming van niet-woonhuismonumenten.

Archieven inclusief Regionale Historische Centra

Het Ministerie van OCW draagt bij aan de kosten van bewaring en presentatie van de rijksarchieven uit de provincie door de Regionale Historische Centra, die in elke provinciehoofdstad met uitzondering van Zuid-Holland zijn gevestigd. Momenteel wordt de archiefwet gemoderniseerd. Op 11 april 2022 heeft de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een verslag uitgebracht over het wetsvoorstel tot modernisering van de Archiefwet 1995 (Kamerstukken II 2021/22, 35968, nr. 5), dat op 17 november 2021 is ingediend. In reactie op het Verslag van de Tweede Kamer zijn de nota naar aanleiding van het verslag(Kamerstukken II 2022/23, 35968, nr. 7) en Nota van Wijziging (Kamerstukken II 2022/23, 35968, nr. 8) bij de Tweede Kamer ingediend op 7 juli 2023. De antwoorden op de vragen uit het Nader Verslag Tweede Kamer van 10 oktober 2023 (Kamerstukken II 2023/24, 35968, nr. 9) zullen begin 2024 worden ingediend bij Tweede Kamer. De gemoderniseerde onderliggende regelgeving (Archiefbesluit en Archiefregeling) is op 15 december 2023 de (internet)consulatie- en de adviesfase in gegaan.

Flankerend beleid huisvesting

Het beschikbare budget is met een kapitaalstorting overgeboekt aan het Garantiefonds Rijksmusea, dat wordt aangehouden bij het Nationaal Restauratiefonds. Via dit fonds staat het Ministerie van OCW garant voor leningen van rijksmusea voor renovatie en/of nieuwbouw.

Cultuureducatie met Kwaliteit

Conform de begroting zijn de verantwoorde uitgaven in 2023 nul. De middelen voor cultuureducatie en museumbezoek in het primair onderwijs zijn eerder tot en met 2024 overgeboekt naar begrotingsartikel 1 (Primair onderwijs). Voor het begrotingsjaar 2023 bedroeg deze overboeking € 25,2 miljoen.

Subsidies

Verbreden inzet cultuur

In de periode 2021-2024 stimuleert het Programma Cultuurparticipatie cultuurdeelname voor mensen voor wie dit niet vanzelfsprekend is. Het gaat om actieve participatie zoals zelf dansen, muziek maken, vloggen, toneel spelen, schrijven of verhalen vertellen. Het Ministerie van OCW, het Fonds voor Cultuurparticipatie (FCP) en het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst (LKCA) werken samen in de uitvoering van programma. Aan de stichting Cultureel Jongeren Paspoort (CJP) is subsidie verleend voor een pilot voor een cultuurkaart met budget voor het middelbaar beroepsonderwijs. Het Ministerie van OCW ambieert een cultuursector die gelijkwaardig toegankelijk is voor iedereen, een evenwichtige afspiegeling van de samenleving vormt en ruimte biedt aan verschillende verhalen. Een sector waar iedereen een deel van zichzelf kan herkennen en waar iedereen zich welkom voelt. Hiervoor zijn initiatieven gestimuleerd op het gebied van inclusief aanbod, gelijke toegang en doorstroom, en een veilige en toegankelijke werkomgeving. Met de middelen uit het coalitieakkoord is de inzet op het stimuleren van de digitale transformatie in de culturele en creatieve sector versterkt. DEN, kennisinstituut voor cultuur en digitale transformatie, heeft projecten uitgevoerd om de sector met expertise en kennis te ondersteunen en stimuleert samenwerking zoals bij het gebruik van publieksdata. Daarnaast worden instellingen met een regeling gestimuleerd digitale technologie te gebruiken voor het versterken van de relatie met het publiek en draagt een scholingsregeling bij aan de ontwikkeling van vaardigheden en deskundigheid van het personeel. Met de middelen uit het coalitieakkoord is ook een extra impuls gegeven aan de uitvoering van de Nationale Strategie Digitaal Erfgoed. Via een regeling voor kleine erfgoedorganisaties en samenwerkingsverbanden wordt de drempel verlaagd om gebruik te maken van de gemeenschappelijke voorzieningen voor het verbinden van erfgoed. Daarnaast is een decentraal ondersteuningsnetwerk opgestart voor het verbeteren van de kwaliteit van erfgoedinformatie. Beide maatregelen dragen bij aan de digitale toegankelijkheid en het gebruik van erfgoed, archieven en collecties.

Internationaal cultuurbeleid (inclusief Homogene Groep Internationale Samenwerking) 

Het internationaal cultuurbeleid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Ministeries van OCW en BZ. Voor de verwezenlijking van de doelstellingen in de periode 2021-2024 is gekozen voor een meerjarige strategische inzet in 23 landen. Per land worden nadere afspraken gemaakt tussen betrokken spelers (o.a. diplomatieke posten, rijkscultuurfondsen en DutchCulture) over samenwerking en uitvoering. Door maatwerk per land worden cultuur en buitenlandprioriteiten met elkaar verbonden. In 2023 heeft het kabinet € 4,4 miljoen vrijgemaakt om de Oekraïense culturele sector te helpen. Met dit geld kon onder meer gewerkt worden aan bescherming en versterking van het cultureel erfgoed in Oekraïne, en werd een regeling opgezet om lokale kunstenaars in Oekraïne te ondersteunen. Daarnaast werden deze middelen ingezet om culturele makers kunstenaars die uit Oekraïne naar Nederland zijn gevlucht, tijdelijk te ondersteunen in de uitoefening van hun werkpraktijk.

Programma leesbevordering

In de culturele basisinfrastructuur 2025-2028 is structureel een bedrag voor leesbevordering en letteren beschikbaar van € 21,54 miljoen. Dit is bekend gemaakt in de Kamerbrief uitgangspunten cultuursubsidies 2025-2028. De letterensector draagt bij aan leesbevordering door middel van onder andere onderzoek en kennis, het aanbieden van inspirerend literair aanbod en literaire evenementen en campagnes. In 2023 zijn extra middelen aangewend voor initiatieven van diverse organisaties die het lezen bevorderen.

Creatieve Industrie

Ten laste van dit budget zijn uitgaven gedaan ten behoeve van de Creatieve Industrie. Dit is gebeurd in samenwerking met het Ministerie van EZK in het kader van het Topsectorenbeleid. Het Ministerie van OCW draagt bij aan de ontwikkeling en uitvoering van de kennis- en innovatieagenda van het Topteam Creatieve Industrie en aan de internationaliseringsagenda van dit Topteam. Daarnaast zijn middelen beschikbaar gesteld voor de ontwerpdisciplines zoals architectuur, vormgeving en digitale cultuur. In samenwerking met het Ministerie van BZK werd een architectuurprogramma gefinancierd. Dit Actieprogramma Ruimtelijk Ontwerp (Kamerstuk II 2020/21, 31535, nr. 12) is een meerjarig samenwerkingsprogramma waarbij de inzet van ontwerp en ontwerpend onderzoek bij opgaven in de fysieke leefomgeving gestimuleerd wordt.

Specifiek cultuurbeleid

Het in de oorspronkelijke begroting geraamde bedrag, bestemd voor diverse incidentele subsidies, is met name bij de Eerste Suppletoire Begroting verhoogd. Daarvan betrof € 19,1 miljoen een overboeking vanuit het financiële instrument Bekostiging voor het verbeteren van de honorering van werkenden en zzp-ers. Er zijn daarnaast middelen voor financiering van het cultuurplan van de landelijke publieke omroep (€ 5,0 miljoen) en voor tegemoetkoming aan overvraag bij subsidies voor maatschappelijke initiatieven rond de herdenking van het slavernijverleden (€ 5,3 miljoen). De middelen voor 2023 zijn conform de ramingen besteed aan subsidies voor onder meer ter stimulering en ondersteuning van de arbeidsmarktagenda, het herdenkingsjaar slavernijverleden, de aankoopregeling van het Mondriaan Fonds, het cultuurplan van de landelijke publieke omroep, beleidsinnovatie bibliotheken, het Revolverend Productiefonds bij Cultuur+Ondernemen, archeologie, erfgoed en fysieke leefomgeving, mobiel erfgoed, het project Slavernijverleden Digitaal van de Koninklijke Bibliotheek, het programma PONT de Publieke Ontwerppraktijk, het Holocaustmuseum en de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog. Uit de middelen voor de herdenking van het slavernijverleden is een meevaller ontstaan van € 2,4 miljoen. Tot slot is bijgedragen aan enkele kunstaankopen, via onttrekkingen aan het Museaal Aankoopfonds. In de saldibalans is bij de post begrotingsreserve voor het Museaal aankoopfonds een tabel opgenomen met de stand en de toevoegingen en onttrekkingen aan deze reserve. De belangrijkste mutaties zijn reeds toegelicht in de eerste suppletoire begroting 2023 (Kamerstukken II 2022/23, 36350 VIII, nr. 2).

Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

De middelen zijn door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verstrekt voor subsidies ter ondersteuning van het erfgoedveld in de domeinen archeologie, gebouwd-, roerend-, internationaal- en religieus erfgoed, cultuurlandschap en leefomgeving. Er is geïnvesteerd in kennis- en onderzoeksprogramma’s, de ondersteuning en infrastructuur voor erfgoed en informatie- en communicatietechniek. Vanuit Erfgoed Telt (Kamerstukken II 2017/18, 32820, nr. 248) is extra geïnvesteerd in (maritieme) archeologie, verduurzaming, curricula voor bouwspecialismen, kwaliteitsnormen, het ondersteunen van vrijwilligers en de implementatie van het Verdrag van Faro.

Opdrachten

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

Dit budget is bestemd voor beleidsonderzoek en -statistiek, evaluaties, visitatie/monitoring en versterking van de kennisbasis in de sector.

Opdrachten Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

De middelen zijn door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed besteed aan dezelfde onderwerpen als vermeld onder de kop ‘Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed’, maar dan voor uitgaven aan opdrachten. Ook is budget beschikbaar gesteld voor monumenten in het aardbevingsgebied in Groningen.

Overige opdrachten

Het budget is conform de ramingen besteed aan de cultuurkaart (€ 5 miljoen), de overeenkomst vergoeding uitleningen schoolbibliotheken 2023-2025 (€ 1,8 miljoen), de restitutie van oorlogskunst (€ 1 miljoen), opdrachten in het kader van het programma Discriminatie en Racisme (€ 0,8 miljoen inclusief opdrachten in het kader van het herdenkingsjaar Slavernijverleden) en allerlei kleine opdrachten voor onder meer communicatie, ICT en juridische kwesties.

Bijdrage aan agentschappen

Deze middelen betreffen de rijksbijdrage aan het Nationaal Archief. Het Nationaal Archief is belast met de uitvoering van de archiefwet en ondersteunt overheden om bewust om te gaan met de informatie die gemaakt wordt, informatie duurzaam te beheren en openbaar te maken. Het recht op informatie voor de burger staat daarbij centraal. De baten en lasten van deze dienst zijn apart in het jaarverslag opgenomen.

Bijdrage aan medeoverheden

Er zijn onder andere bijdragen gerealiseerd voor toekomstbestendige lokale bibliotheekvoorzieningen (€ 17,5 miljoen), de impuls jongerencultuur (€ 13,9 miljoen), het aardbevingsgebied in Groningen (€ 6,7 miljoen), Erfgoedpark Batavialand (€ 5,8 miljoen) en de impuls versterking regionale culturele infrastructuur (€ 2,0 miljoen). Ook ten behoeve van Caribisch Nederland zijn enkele bedragen uitgekeerd, voor het ondersteunen van cultuurcoaches en de doorontwikkeling van bibliotheken. De belangrijkste mutaties zijn reeds toegelicht in de suppletoire begroting Prinsjesdag (Kamerstukken II 2023/24, nr. 2).

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Naast prioriteiten die onder het financieel instrument Internationaal cultuurbeleid zijn genoemd, is Nederland aan een aantal verplichtingen gebonden en draagt Nederland bij aan de uitvoering van internationale verdragen. Dit geldt voor UNESCO erfgoedverdragen voor het werelderfgoed, het immaterieel erfgoed, de bescherming van cultureel erfgoed bij gewapend conflict, de bestrijding van illegale handel in cultuurgoederen en het cultuurverdrag voor de diversiteit van cultuuruitingen. Daarnaast is bijgedragen aan het Europees filmprogramma (Eurimages).

Ontvangsten

In 2023 is een bedrag van € 26,3 miljoen aan ontvangsten gerealiseerd. In de Ontwerpbegroting was rekening gehouden met € 4,5 miljoen. De raming is tweemaal verhoogd, met € 5,6 miljoen en € 8,5 miljoen, wat is toegelicht bij de Eerste (Kamerstukken II 2022/23, 36350 VIII, nr. 2) en Tweede Suppletoire Begroting (Kamerstukken II 2023/24, 36470 VIII, nr. 2). Alle tot en met de Tweede Suppletoire Begroting geraamde ontvangsten van € 18,7 miljoen zijn gerealiseerd. Dat de realisatie nog hoger is dan de raming bij de Tweede Suppletoire Begroting, komt met name door de ontvangst van € 6,7 miljoen als gevolg van de onttrekking van middelen aan de balanspost van het Nationaal Archief.

4.11 Beleidsartikel 15 Media

A. Algemene doelstelling

Het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod, dat toegankelijk blijft voor alle lagen van de bevolking.

B. Rol en verantwoordelijkheid

Media hebben een prominente rol in onze democratie en cultuur. Wat we zien, horen en lezen beïnvloedt ons beeld van de wereld en onze opvattingen. Daarom borgt de Minister vier publieke belangen in het mediabeleid waar hij verantwoordelijk voor is: onafhankelijkheid, verscheidenheid, kwaliteit en toegankelijkheid. De Minister heeft specifieke zorg voor het stelsel van landelijke, regionale en lokale publieke omroepen en de daarvoor relevante wet- en regelgeving. De Minister heeft naast een financierende rol vooral ook een regisserende rol.

Financieren

De Minister financiert de landelijke en regionale publieke omroep en enkele andere aan de omroep verbonden instellingen. De taakopdracht is wettelijk bepaald en het budget van de publieke omroep is vastgesteld met behoud van afstand tot de uitvoering en inhoud. Op basis van het concessiebeleidsplan (Kamerstukken II 2020/21, 32827, nr. 202) sluit de Minister elke vijf jaar een prestatieovereenkomst met de publieke omroep.

Stimuleren

Verder is de Minister verantwoordelijk voor instrumenten ter bevordering van culturele producties, documentaires, drama, kunst- en kinderprogramma's, het steunen en stimuleren van een onafhankelijke en kwalitatief goede journalistieke infrastructuur (Stichting Stimuleringsfonds voor de Journalistiek) en voor het bevorderen van mediawijsheid (NICAM en Mediawijzer.net).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de wetgeving ten aanzien van de taak en organisatie van de publieke omroep en voor wetgeving voor commerciële media. De regels voor commerciële omroepen vloeien voornamelijk voort uit Europese richtlijnen voor audiovisuele mediadiensten. Verder is de Minister als regisseur verantwoordelijk voor wetgeving met betrekking tot omroepdistributie. Het doel daarvan is de toegang tot een gevarieerd media-aanbod te bevorderen en te verzekeren.

Kengetallen
Tabel 52 Kengetallen1

Kengetal

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

Integraal bereik NPO (radio, tv, internet; Nederlanders 13+)2

85%

84%

84%

86%

84%

83%

X Noot
1

Kengetal 2022 wordt pas in het voorjaar na het afgesloten jaar gepubliceerd. Tot nu toe zijn dus enkel nog de cijfers van 2021 bekend en worden de cijfers van 2022 hoogstwaarschijnlijk in april/mei in de Terugblik NPO 2022 bekend.

X Noot
2

C. Beleidsconclusies

De belangrijkste conclusies op het terrein van media worden beschreven in het onderdeel beleidsprioriteiten.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 53 Budgettaire gevolgen van beleid van artikel 15 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

1.126.387

1.115.495

1.102.708

1.223.931

1.385.227

1.131.778

253.449

         

Uitgaven

1.038.789

1.084.670

1.085.355

1.179.246

1.275.747

1.128.228

147.519

         

Bekostiging

1.019.890

1.038.133

1.065.052

1.148.163

1.239.110

1.086.359

152.751

Publieke Omroep (omroepinstellingen)

881.620

957.505

959.698

1.015.534

1.136.015

1.019.783

116.232

Landelijke publieke omroep

731.822

807.438

806.592

852.640

957.046

857.430

99.616

Regionale omroep

149.798

150.067

153.106

162.894

178.969

162.353

16.616

Beheertaken landelijke publieke omroep

40.312

40.423

41.242

43.589

52.070

48.674

3.396

Stichting Omroep Muziek

16.766

16.708

17.047

18.017

19.978

18.187

1.791

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

23.546

23.715

24.195

25.572

32.092

30.487

1.605

Dotaties, bijdragen publieke omroep

13.781

14.029

14.715

8.707

12.323

10.962

1.361

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

2.272

2.220

2.765

2.709

3.081

2.386

695

Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO)

8.335

8.596

8.674

2.524

5.522

5.124

398

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

1.561

1.580

1.612

1.715

1.830

1.698

132

Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland (OLON)

1.613

0

0

0

0

0

0

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)

0

1.633

1.664

1.759

1.890

1.754

136

Dotatie/onttrekking Algemene Mediareserve (AMr)

83.808

25.742

48.996

79.855

38.169

6.090

32.079

Overige bekostiging media (uit rente AMr)

369

434

401

478

533

850

‒ 317

Subsidies (regelingen)

13.935

41.042

15.069

25.347

28.596

31.587

‒ 2.991

Steunfonds Lokale Informatievoorziening

0

28.168

5.428

0

0

0

0

Werk aan Uitvoering

0

0

0

3.375

0

6.335

‒ 6.335

Onderzoeksjournalistiek

0

0

0

0

9.955

9.326

629

Lokale journalistiek

0

0

0

10.509

13.749

11.810

1.939

Overige subsidies

13.935

12.874

9.641

11.463

4.892

4.116

776

Opdrachten

167

651

289

330

852

4.573

‒ 3.721

Opdrachten

167

651

289

330

852

4.573

‒ 3.721

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

4.736

4.782

4.879

5.332

7.110

5.640

1.470

Commissariaat voor de Media

4.736

4.782

4.879

5.332

7.110

5.640

1.470

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

61

62

66

74

79

69

10

Uitvoering internationale verdragen en contributies

61

62

66

74

79

69

10

         

Ontvangsten

 

172.003

156.886

193.339

207.000

210.260

134.235

76.025

Reclameopbrengsten

172.003

156.886

186.000

207.000

210.000

134.235

75.765

Overige ontvansten

0

0

7.339

0

260

0

260

E. Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de verplichtingen 2023 ligt € 253,4 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. Naast de hierna genoemde hogere uitgaven gaat het om een ophoging voor de aangegane verplichtingen 2024. Het budget in 2024 ligt hoger, het verplichtingenbudget 2023 is aangepast aan het uitgavenbudget 2024.

De realisatie van de uitgaven 2023 ligt € 147,5 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot, als gevolg van het desalderen van hogere dan geraamde ontvangsten, met name op de reclame-inkomsten (actualisatie opgenomen in de mediabegrotingsbrief 2023 € 40,3 miljoen en € 35,5 miljoen om aan te sluiten bij de werkelijke STER ontvangsten), toevoeging van de prijsindexeringen (€ 76,7 miljoen) en overige kleine mutaties.

De raming van de ontvangsten is met € 75,8 miljoen bijgesteld, als gevolg van hogere reclame-inkomsten dan verwacht ten opzichte van de oorspronkelijke begroting.

Bekostiging

Landelijke en regionale publieke omroep

De publieke omroep waarborgt een hoogwaardig en pluriform media-aanbod, dat toegankelijk en betaalbaar is voor alle lagen van de bevolking. Daarom bekostigt de Minister van OCW de landelijke publieke omroep. Mede vanwege Europese regels op het gebied van staatssteun, houdt de overheid greep op de aard en omvang van het takenpakket van de landelijke publieke omroep en bepaalt de overheid het budget van de publieke omroep.

De hogere uitgaven van de Landelijke Publieke Omroepen zijn het gevolg van de prijsindexering 2023 van € 56,5 miljoen. Verder is het budget verhoogd voor financiering grote sportevenementen (€ 43,5 miljoen) en een kasschuif van € 0,4 miljoen voor audiodescriptie van 2023 naar 2024 en verder.

De hogere uitgaven van de regionale omroepen zijn het gevolg van de prijsindexering 2023 van € 12,6 miljoen, toevoeging van € 0,9 miljoen huishoudensindexatie en toevoeging van de middelen voor Werk aan Uitvoering (WaU) van per saldo € 3,1 miljoen. De WaU middelen stonden oorspronkelijk op het instrument subsidies.

Stichting Omroep Muziek (SOM)

De SOM is door de Minister aangewezen als instelling voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren. Naast de reguliere activiteiten heeft de SOM in 2023 verder ingezet op het waarborgen van de kwaliteit, het versterken van zijn omroeptaak en het creëren van ruimte voor innovatie en talentontwikkeling om zo ook nieuwe doelgroepen te bereiken. De hogere uitgaven van de SOM zijn het gevolg van de prijsindexering 2023 van € 1,4 miljoen en toevoeging van middelen voor de huisvestingsproblematiek van € 0,4 miljoen.

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

Het NIBG is door de Minister aangewezen als instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief. Daarnaast voert het NIBG activiteiten uit op onder andere het terrein van digitaal erfgoed en onderwijs, worden via het museum van het NIBG collecties van onder meer het voormalig Persmuseum tentoongesteld aan het bredere publiek en neemt het NIBG zitting in meerdere samenwerkingsverbanden, zoals het Netwerk Mediawijsheid. De hogere uitgaven van het NIBG zijn het gevolg van de prijsindexering 2023 van € 1,6 miljoen.

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (SvdJ)

Het SvdJ is binnen het mediabeleid het instrument om de pluriformiteit van het journalistieke media-aanbod te stimuleren, zowel binnen pers en omroep als via het internet. De activiteiten van het fonds dragen bij aan innovatie van de journalistiek en aan stimulering van de journalistieke functie van de media in de samenleving. De hogere uitgaven van het SvdJ zijn het gevolg van een toevoeging van € 0,4 miljoen WaU middelen en € 0,3 miljoen als gevolg van prijsindexering 2023. De WaU middelen stonden oorspronkelijk op het instrument subsidies.

Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO)

De CoBO ondersteunt de documentaire-sector en participeert in audiovisuele coproductieprojecten waarin wordt deelgenomen door een of meer van de publieke instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep en de Vlaamse publieke omroep (VRT) en/of Duitse publieke omroepen en/of onafhankelijke filmproducenten en/of instellingen werkzaam op het gebied van de podiumkunsten. De hogere uitgaven van het CoBO zijn het gevolg van de prijsindexering 2023 van € 0,4 miljoen.

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

Het Mediawijsheid Expertisecentrum (Mediawijzer.net) bevordert een bewuste, kritische en actieve houding van burgers en instellingen in de samenleving waar media alom aanwezig zijn. Bij het huidige programma zijn de Koninklijke Bibliotheek, ECP-EPN, de publieke omroep (NTR), Kennisnet en het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG) betrokken. De hogere uitgaven zijn het gevolg van de prijsindexering 2023 van € 0,1 miljoen.

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)

NLPO ondersteunt lokale publieke omroepen op diverse terreinen om de sector verder te professionaliseren en om de kwaliteit van de producties van lokale omroepen te verbeteren.

De hogere uitgaven zijn het gevolg van de prijsindexering 2023 van € 0,1 miljoen.

Dotatie Algemene Mediareserve (AMr)

De AMr dient voor het opvangen van schommelingen bij zowel de uitgaven als de ontvangsten op het mediabudget. Hierdoor wordt in het ene jaar geld gedoteerd en in een ander jaar geld onttrokken aan de AMr. In 2023 is er € 38,2 miljoen toegevoegd aan de AMr. In de begroting was rekening gehouden met een toevoeging van € 6,1 miljoen. De mutatie in de post dotatie AMr van in totaal € 32,1 miljoen is het gevolg van:

  • financiering grote sportevenementen ( € 43,5 miljoen) aan de bekostiging van de landelijke publieke omroep toegevoegd;

  • hogere STER-inkomsten van € 75,8 miljoen ten opzichte van de oorspronkelijke begroting;

  • een overboeking van € 0,4 miljoen aan de Stichting Omroep Muziek voor noodzakelijk groot onderhoud en verduurzaming aan het monumentale pand;

  • het uitkeren van huishoudensindexatie aan de regionale omroepen € 0,9 miljoen;

  • diverse kleine mutaties per saldo € 0,2 miljoen;

  • lagere realisatie op de diverse instrumenten per saldo € 0,9 miljoen.

De liquiditeitsstand van de AMr heeft zich daarmee in 2023 als volgt ontwikkeld:

Tabel 54 Liquiditeitsstand AMr (bedragen x € 1.000)

Saldo AMr per 01-01-2023

150.612

Uitgaven en overige mutaties

272

Via begroting aan AMr toegevoegd, incl. hogere Sterinkomsten

38.169

Saldo AMr per 31-12-2023

189.053

Overige bekostiging Media

Ten laste van dit budget wordt onder meer het Nederlands Instituut voor Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM) betaald voor de uitvoering van de activiteiten welke nodig zijn voor het continueren en verbeteren van de kwaliteit van Kijkwijzer. Hiervan is € 0,3 miljoen bijgedragen door het Ministerie van VWS. Niet bestede middelen van € 0,6 miljoen zijn toegevoegd aan de AMr. Per saldo is er € 0,3 minder gerealiseerd.

Subsidies

Het instrument subsidies is voor 2023 gesplitst in budget voor overige subsidies, Werk aan Uitvoering, Lokale journalistiek en Onderzoeksjournalistiek.

Overige subsidies

Ten laste van dit budget worden de jaarlijkse subsidies verstrekt aan de Stichting Arbeidsmarkt-, Werkgelegenheids- en Opleidingsfonds voor de Omroep (AWO-fonds) voor diverse projecten op het gebied van arbeidsmarktontwikkeling, werkgelegenheid en opleiding. Daarnaast is nog budget beschikbaar voor incidentele subsidies op het gebied van de media. De hogere uitgaven van € 0,8 miljoen zijn per saldo het gevolg van:

  • verhoging voor het project «Versterking lokale journalistiek door samenwerking» van € 2,0 miljoen;

  • prijsindexering 2023 van € 0,3 miljoen;

  • niet bestede middelen van € 1,5 miljoen.

Werk aan Uitvoering

De middelen voor WaU (€ 6,3 miljoen) zijn gerealiseerd op de instrumenten van de Regionale Publieke Omroep, het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek en het Commissariaat voor de Media.

Lokale Journalistiek

Voor de versterking professionalisering en innovatie van de lokale publieke omroepen is € 1,9 miljoen meer gerealiseerd. De hogere uitgaven zijn het gevolg:

  • prijsindexering 2023 van € 0,8 miljoen;

  • overboeking naar het instrument overige subsidies voor verhoging van het project "Versterking lokale journalistiek door samenwerking' van € 2,0 miljoen;

  • overboeking van het instrument opdrachten van € 4,1 miljoen;

  • niet bestede middelen van € 1,0 miljoen.

OnderzoeksjournalistiekVoor onderzoeksjournalistiek is per saldo € 0,6 miljoen meer gerealiseerd. De hogere uitgaven zijn het gevolg van de prijsindexering 2023 van € 0,6 miljoen.

Opdrachten

Ten laste van dit budget zijn onder meer de uitgaven gedaan voor incidentele onderzoeksopdrachten. Per saldo is er € 3,7 miljoen minder gerealiseerd, dit is het gevolg van:

  • prijsindexering 2023 van € 0,3 miljoen;

  • Lokale omroep, € 0,4 miljoen uit eindejaarsmarge;

  • overboeking naar het instrument opdrachten € 4,2 miljoen voor lokale journalistiek;

  • Een deel van de realisatie van het budget voor het adviescollege op een ander budget € 0,2 miljoen;

  • niet bestede middelen van € 0,1 miljoen.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

De kerntaak van het Commissariaat voor de Media (CvdM) bestaat uit het uitoefenen van onafhankelijk toezicht op het handelen van de media-instellingen in Nederland en uit handhavend optreden ingeval de toepasselijke regelgeving niet in acht wordt genomen. De bevoegdheid om toezicht en handhaving uit te oefenen heeft betrekking op alle media-instellingen: publieke media-instellingen op landelijk en niet-landelijk, regionaal en lokaal niveau en commerciële media-instellingen op landelijk en niet-landelijk niveau. Het CvdM is tevens verantwoordelijk voor het metatoezicht op het NICAM. Daarnaast heeft het CvdM de taak erop toe te zien dat kabelexploitanten hun wettelijke verplichtingen nakomen tot doorgifte van de must carry-zenders. De hogere uitgaven zijn het gevolg van de prijsindexering 2023 van € 0,5 miljoen en toevoeging van de WaU middelen van € 1,0 miljoen. De WaU middelen stonden oorspronkelijk op het instrument subsidies.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Dit betreft de jaarlijkse contributie aan het European Audiovisual Observatory.

Ontvangsten

Deze betreffen met name de reclameopbrengsten van de STER. De werkelijke afdracht in 2023 is € 210,0 miljoen. Dit is € 75,8 miljoen hoger dan geraamd en komt door een actualisatie zoals opgenomen in de mediabegrotingsbrief 2023 van € 40,3 miljoen en € 35,5 miljoen om aan te sluiten bij de werkelijke STER ontvangsten). Op de overige ontvangsten is € 0,3 miljoen ontvangen.

4.12 Beleidsartikel 16 Onderzoek en wetenschapsbeleid

A. Algemene doelstelling

De algemene doelstelling is het scheppen van een internationaal concurrerende onderzoeksomgeving, die onderzoekers uitdaagt tot optimale wetenschappelijke prestaties en die goed aansluit op maatschappelijke behoeften.

De overkoepelende ambitie van het onderzoek en wetenschapsbeleid is het creëren van een sterk en duurzaam stelsel van hoger onderwijs en wetenschap, met een hoge kwaliteit onderwijs en onderzoek over de volle breedte, waarin kennisinstellingen en regio’s hun onderscheidende sterktes maximaal kunnen benutten.

De Minister heeft drie hoofddoelen geformuleerd om het stelsel toekomstbestendig te maken, namelijk:

  • 1. het versterken van het fundament;

  • 2. ruimte geven aan divers talent;

  • 3. het vergroten van de maatschappelijke impact van hoger onderwijs en onderzoek en de publieke erkenning ervan (Kamerstukken II 2021/22, 31288, nr. 964).

B. Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het stelsel van onderzoek en wetenschap.

De instrumenten die worden ingezet om de ambitie en hoofddoelen te behalen kunnen worden ingedeeld in drie complementaire rollen:

Financieren: de Minister bekostigt (belangrijke onderdelen van) het onderzoeks- en wetenschapsbestel, met als doel de instandhouding en het faciliteren van het stelsel. Instrumenten die hieronder vallen zijn o.a. de structurele hoofdbekostiging van instellingen, aanvullende bekostiging, sectorplannen, subsidies, bijdragen aan agentschappen, bijdragen aan internationale organisaties, matching van Horizon Europe, en nieuwe instrumenten zoals de stimuleringsbeurzen. Deze instrumenten dragen bij aan bijvoorbeeld het versterken van human capital (men is beter in staat talent op te leiden, aan te trekken en te behouden, waardoor er meer rust en ruimte is voor onderzoekers) en het versterken van de infrastructuur (hieronder vallen faciliteiten binnen instellingen, maar ook grote wetenschappelijke infrastructuren op internationaal niveau).

Stimuleren: de Minister stimuleert (gewenste ontwikkelingen binnen) het stelsel, bijvoorbeeld door middel van het aanjagen, stimuleren en faciliteren van strategische dialogen en het maken van afspraken met relevante partijen in het kennisecosysteem. De instrumenten om het stelsel te stimuleren dragen elk bij aan de ambitie en hoofddoelen via verschillende mechanismen. Belangrijke mechanismen zijn bijvoorbeeld het verbeteren kennisbenutting (denk aan open science) en het verbeteren van profilering en samenwerking (dit leidt tot vernieuwende consortia en projecten, een betere taakverdeling in het veld, enzovoorts).

Regisseren: de Minister schept voorwaarden voor het stelsel via bijvoorbeeld wet- en regelgeving en coördinerende activiteiten. Voorbeelden van dit soort voorwaarden zijn een klimaat waarin kennisinstellingen excellent onderzoek kunnen doen, kwaliteit en vernieuwend vermogen geborgd is, kennisinstellingen doelmatig functioneren en het wetenschapsbeleid op nationaal en internationaal niveau goed gepositioneerd is.

De Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op een efficiënte besteding van publieke middelen. In de monitoring en evaluatie zal naast doelmatigheid ook speciale aandacht gaan naar de mate waarin de instrumenten (individueel en op geaggregeerd niveau) bijdragen aan de ambitie en hoofddoelen en via welke mechanismen (doeltreffendheid) dit gebeurt.

Kengetallen
Tabel 55 Kengetallen

Kengetal

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

1

Positie qua budget kaderprogramma dat naar Nederland gaat1

6

6

6

6

6

4

4

2

Publieke investering in R&D als % bbp2

0,67

0,71

0,69

0,76

0,80

0,82

0,87

3

R&D-personeel (FTE) als ‰ van de totale beroepsbevolking3

16,6

17,1

17,3

17,9

18,5

19,5

PM

X Noot
1

H2020-dashboard. Vanaf 2022: OCWinCijfers.nl.

X Noot
2

Bbp-cijfers betreffen nominale cijfers van het Centraal Planbureau uit de Kerngegevenstabel CEP 2023, maart 2023.

X Noot
3

Cijfers 2022 zijn provisioneel, vaststelling en cijfers 2023 verwacht medio 2024.

C. Beleidsconclusies

Zoals beschreven in de beleidsprioriteiten zijn in 2023 samen met het onderzoek- en wetenschapsveld grote stappen gezet in de richting van de gestelde doelen uit de beleidsbrief uit 2022 (Kamerstukken II 2021/22 31288 nr 964). Daarnaast is met bijdragen aan verscheidene projecten binnen het Nationaal Groeifonds gewerkt aan het duurzame verdienvermogen van Nederland. Zo is voor Biotech Booster €1,7 miljoen toegekend en verstrekt voor de opbouw- en implementatiefase. Ook is een kansrijk voorstel ingediend voor Deltaplan Valorisatie 2032. Voor de revolutie van zelfdenkende moleculaire systemen is voor het opstarten van het Robotlab €4,5 miljoen aan subsidie verstrekt. De droom van een Einsteintelescoop in Zuid-Limburg wordt steeds meer werkelijkheid nu een Declaration of Intent op 26 september door Nederland, België en Noordrijn-Westfalen getekend is.

Een andere noemenswaardige mijlpaal is de stap richting een nieuw Nationaal Expertisecentrum Wetenschap en Samenleving (NEWS) (Kamerstukken II 2022/23 31288 nr 1033). Een nationaal, coördinerend expertisecentrum is het fundament om de sector in staat te stellen wetenschapscommunicatie te bevorderen en daarmee de afstand tussen wetenschap en samenleving te verkleinen. De komst van het expertisecentrum als fundament is een stap dichterbij.

Met het Fonds onderzoek en wetenschap ondersteunden we in 2023 de actieve deelname van Nederlandse publiek gefinancierde kennisinstellingen aan het EU-kaderprogramma voor Onderzoek en Innovatie (Horizon Europe), zonder dat de matchingsdruk verder oploopt, met als doel dat we als Nederland een zo groot mogelijk deel van de middelen van het EU-kaderprogramma naar Nederland laten gaan. Dit wordt weerspiegeld in het percentage van het EU-kaderprogramma dat naar Nederland gaat.

Ook op het vlak van kennisveiligheid zijn in 2023 veelbelovende stappen gemaakt. Zo is het ontwerpen van het wetsvoorstel screening kennisveiligheid van start gegaan. Voor de afbakening van de sensitieve technologieën die onder de werking van het wetsvoorstel kunnen gaan vallen, is in 2023 een vertrouwelijke conceptbeoordeling van de sensitiviteit van technologieën opgeleverd en afgestemd met onder meer het kennisveld. Daarnaast is in 2023 is de Europese en internationale samenwerking op kennisveiligheid versterkt. Hiervoor heeft Nederland onder andere bilaterale werkbezoek en EU- en bilaterale evenementen georganiseerd. Verder heeft Nederland gelobbyd voor EU-inzet op kennisveiligheid.

De overige belangrijke beleidsconclusies zijn opgenomen in het onderdeel beleidsprioriteiten.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 56 Budgettaire gevolgen van beleid van artikel 16 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

1.154.701

1.211.339

1.257.194

1.668.080

2.035.774

1.705.727

330.047

         

Uitgaven

1.250.760

1.149.725

1.193.537

1.438.626

1.687.994

1.601.116

86.878

         

Bekostiging

1.131.218

1.024.396

1.067.549

1.295.913

1.436.205

1.309.840

126.365

Hoofdbekostiging

719.555

605.335

643.328

668.560

757.304

684.255

73.049

NWO-wet en WHW

       
 

NWO

528.488

458.976

496.101

508.479

589.807

531.872

57.935

 

KNAW

92.728

94.764

96.271

100.842

106.633

98.111

8.522

 

KB

98.339

51.595

50.956

59.239

60.864

54.272

6.592

Aanvullende bekostiging

411.663

419.061

424.221

627.353

678.901

625.585

53.316

 

NWO Talentenontwikkeling

170.885

165.885

169.561

165.885

165.885

165.885

0

 

NWO praktijkgericht onderzoek

0

0

0

64.142

65.030

57.076

7.954

 

NWO STW

8.000

8.000

8.177

8.000

8.000

8.000

0

 

NWO Grootschalige researchinfrastructuur

85.380

55.380

56.608

55.380

55.380

55.380

0

 

NWO Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek

33.751

33.869

41.700

42.070

43.768

32.683

11.085

 

Poolonderzoek

3.147

3.147

3.217

3.147

3.147

3.147

0

 

Caribisch Nederland

2.500

2.500

2.555

2.500

2.500

2.500

0

 

NWO Fonds onderzoek en wetenschap

0

0

0

134.000

171.799

152.500

19.299

 

NWO Praktijk onderzoek en wetenschap

0

0

0

15.000

15.888

15.000

888

 

NWO NWA

108.000

150.280

142.403

137.229

147.504

133.414

14.090

Subsidies (regelingen)

21.918

23.575

23.750

28.407

52.283

84.202

‒ 31.919

Stichting NLBIF

550

566

566

0

0

0

0

Naturalis Biodiversity Center

6.265

6.513

6.668

7.525

8.509

7.489

1.020

BPRC

9.608

11.406

10.923

11.350

11.989

11.310

679

NCWT/NEMO

3.366

3.460

3.536

3.661

4.206

3.661

545

STT

221

221

231

239

254

239

15

Stichting AAP

1.032

1.032

1.084

1.124

1.192

1.124

68

Nationaal Groeifonds (Biotech Booster)

0

0

0

1.140

25.165

53.870

‒ 28.705

Nationale coördinatie

876

377

742

3.368

968

4.998

‒ 4.030

Subsidie Fonds onderzoek en wetenschap

0

0

0

0

0

1.511

‒ 1.511

Opdrachten

248

524

655

1.777

3.776

11.318

‒ 7.542

Opdrachten

248

524

655

1.777

3.085

518

2.567

Opdrachten Fonds onderzoek en wetenschap

0

0

0

0

691

10.800

‒ 10.109

Bijdrage aan agentschappen

918

1.317

1.513

1.048

80.397

87.761

‒ 7.364

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

918

1.317

1.513

1.048

964

911

53

RVO Fonds onderzoek en wetenschap

 

0

0

0

79.433

86.850

‒ 7.417

Bijdrage aan internationale organisaties

96.458

99.913

100.070

111.481

115.333

107.995

7.338

EMBC

941

1.228

1.333

1.240

1.241

1.317

‒ 76

EMBL

5.227

5.241

5.311

5.654

6.539

6.147

392

ESA

32.783

31.146

33.387

34.290

35.338

34.752

586

CERN

46.278

50.531

50.418

53.602

61.411

55.642

5.769

ESO

8.626

9.081

9.621

16.695

10.804

10.025

779

NTU/INL

2.603

2.686

0

0

0

112

‒ 112

         

Ontvangsten

1.375

154

78

0

148

101

47

Tabel 57 Uitsplitsing verplichtingen (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

 

1.154.701

1.211.339

1.257.194

1.668.080

2.035.774

1.705.727

330.047

waarvan garantieverplichtingen

‒ 981

‒ 1.030

‒ 1.083

‒ 1.137

‒ 1.195

0

‒ 1.195

waarvan overige verplichtingen

1.155.682

1.212.369

1.258.277

1.669.217

2.036.969

1.705.727

331.242

E. Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de verplichtingen ligt € 330 miljoen hoger, vooral door hogere verplichtingen op bekostiging. De hogere verplichtingen zijn het resultaat van de jaarlijkse verwerking van de loon- en prijsbijstelling. De loon- en prijsbijstelling wordt in het lopende jaar berekend, toegekend en vervolgens in de (aanvullende) Rijksbijdragebrieven verplicht voor zowel het lopende jaar als het aanstaande jaar.

De realisatie van de uitgaven in 2023 ligt € 86,9 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. Dit is het gevolg van de standaard systematiek van het toekennen van loon- en prijsbijstelling) gedurende het lopende jaar en overboekingen van andere departementen, bijvoorbeeld voor geplande maar incidentele bijdragen aan projecten, bijvoorbeeld aan NWA en NRO. Dit leidt vooral tot een hogere realisatie vanaf het instrument bekostiging.

Bekostiging

Het Ministerie van OCW bekostigt de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en de Koninklijke Bibliotheek (KB). De realisatie van de uitgaven via het instrument bekostiging is € 126,4 miljoen hoger dan het aanvankelijk begrote bedrag. Door het toekennen van de loon- en prijsbijstelling aan de NWO, de KNAW en de KB is de bekostiging met € 79,6 miljoen toegenomen. Interdepartementale overboekingen ten gunste aan NRO en NWA bedoeld voor diverse onderzoekscalls verklaren het grootste deel van de resterende hogere realisatie, tezamen met het overhevelen van de middelen voor de NWO Europese Partnerschappen naar het bekostigingsinstrument binnnen het Fonds Onderzoek en Wetenschap.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van de algemene doelstelling van het Onderzoek en Wetenschapsbeleid worden subsidies verstrekt aan stichtingen en centra met een specifieke rol in de kennisinfrastructuur. Het gaat hier onder andere om bijdragen aan:

  • Naturalis Biodiversity Center voor onderzoek naar biodiversiteit en instandhouding van de nationale grootschalige infrastructuur voor biodiversiteitsonderzoek;

  • Biomedical Primate Research Centre (BPRC) voor het primatenonderzoek en de huisvesting van primaten en subsidie aan de Stichting AAP voor het verzorgen van de opvang van de BPRC chimpansees;

  • Stichting Nationaal Centrum voor Wetenschap- en Techniekpromotie (NCWT) voor het beheren en ontwikkelen van NEMO Science Museum en NEMO Kennislink, het organiseren van het festival Weekend van de Wetenschap en het ondersteunen van gerelateerde landelijke activiteiten op het gebied van communicatie en educatie van wetenschap en technologie.

Daarnaast zijn er subsidies uitgekeerd ten behoeve van de Nationaal Groeifondsprojecten (NGF). Dit betreft de projecten Biotech Booster, Einstein Telescoop en Big Chemistry. In 2023 hebben niet alle voorziene subsidie-uitgaven zich gematerialiseerd, waardoor de budgetten niet volledig zijn aangewend. Een voorname oorzaak is dat een deel van de middelen voor de NGF-projecten pas in 2024 wordt uitgekeerd, namelijk in totaal € 28,7 miljoen. Op het project Biotech Booster is bijvoorbeeld € 18,0 miljoen minder gerealiseerd dan aanvankelijk begroot, dit bedrag is verschoven naar volgend jaar om het in lijn te brengen met de huidige verwachting rondom de kasuitgaven. Ten tijde van de Najaarsnota zijn voor de Einstein Telescoop en Big Chemistry (€ 8,0 miljoen) middelen als meevaller afgeboekt van de begroting en conform de begrotingsregels meegenomen naar 2024 in de 100% Eindejaarsmarge van het investeringsplafond. Op vergelijkbare wijze is bij Slotwet een openstaande verplichting voor € 2,7 miljoen verwerkt.

Opdrachten

Voor de beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor beleidsgericht onderzoek en evaluaties. Op het opdrachtenbudget is € 7,4 miljoen minder gerealiseerd dan aanvankelijk begroot.

Bijdrage aan agentschappen

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voert een opdracht uit voor het ondersteunen en stimuleren van een zo groot mogelijke Nederlandse participatie in het EU-Kaderprogramma voor Onderzoek en Innovatie ‘Horizon Europe’. Ook voert de RVO een opdracht uit rondom het Loket Kennisveiligheid. Dit loket heeft een adviesfunctie en een learning community waar informatie rondom kennisveiligheid beschikbaar wordt gemaakt. Op dit instrument is € 7,4 miljoen minder gerealiseerd dan begroot. Dit is het gevolg van realisaties op andere instrumenten, bijvoorbeeld voor Europese partnerschappen, die via bekostiging is gerealiseerd, en interdepartementale overboekingen, bijvoorbeeld aan Rijkskennisinstituten voor matchingskosten.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Hieronder vallen contributies aan de grote internationale onderzoeksorganisaties Engineering in Medicine and Biology Society (EMBC), European Molecular Biology Laboratory (EMBL), European Space agency (ESA), Conseil Européen pour la Recherche Nucléaire (CERN) en European Southern Observatory (ESO). Door deelname van Nederland aan deze intergouvernementele organisaties krijgen de Nederlandse wetenschappelijke onderzoekers toegang tot unieke grootschalige onderzoeksfaciliteiten en internationale netwerken van toponderzoekers. Deze deelname is van groot belang voor het functioneren van Nederlands nationale onderzoeksbestel. Op dit instrument is € 7,3 miljoen meer gerealiseerd dan aanvankelijk begroot.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen terugvorderingen bij instellingen en andere subsidieontvangers. Deze terugvorderingen zijn het gevolg van eindafrekeningen op in eerdere jaren toegekende subsidies. In 2023 is een aantal oudere subsidies verantwoord waar bij een enkele subsidieverantwoording sprake was van een overschot aan ontvangen subsidie. Dit overschot is conform afspraken teruggevorderd en betreft in totaal € 47 duizend meer dan oorspronkelijk geraamd.

4.13 Beleidsartikel 25 Emancipatie

A. Algemene doelstelling

Het realiseren van gendergelijkheid en gelijkheid wat betreft seksuele oriëntatie, genderidentiteit en geslacht in de Nederlandse samenleving. Dit dient te geschieden op in ieder geval de terreinen: onderwijs, veiligheid, gezondheid, arbeidsmarkt, media, politiek, recht en leefvormen.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De rol van de Minister is primair het wegnemen van belemmeringen voor gender- en lhbtiq+ gelijkheid (lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgender personen, intersekse personen en queer personen) en het bevorderen dat relevante wet- en regelgeving waar nodig wordt aangepast. Daarbij heeft de Minister, vaak samen met de maatschappelijke instellingen, een rol in het agenderen, coördineren, aanjagen en in het ontsluiten van kennis en expertise.

Financieren

De Minister biedt financiële ondersteuning aan maatschappelijke instellingen voor gender- en lhbtiq+ gelijkheid en het monitoren van ontwikkelingen in de samenleving.

Stimuleren

Het instrument dat de Minister ter beschikking heeft, is wet- en regelgeving, zoals de Subsidieregeling gender- en lhbti+-gelijkheid 2022-2027. Deze regeling voorziet in het verstrekken van instellingssubsidies aan strategische partnerschappen voor de realisatie van doelstellingen op gender- en lhbti+-gelijkheid. Daarnaast verstrekt de Minister projectsubsidies aan organisaties uit het maatschappelijk middenveld.

Regisseren

Gemeenten ontvangen via decentralisatie-uitkeringen een bijdrage voor de uitvoering van de samenwerkingsafspraken over versterking en uitvoering van het lokale beleid op het gebied van gendergelijkheid en lhbtiq+ gelijkheid. Verder vult de Minister de regisserende rol in door halfjaarlijkse bestuursgesprekken met instellingen over gender- en lhbti-gelijkheid. Daarnaast draagt de Minister bij aan internationale samenwerking met organisaties als Europese Unie, de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

Kengetallen
Tabel 58 Kengetallen

Kengetal

2017

2018

2019

2020

2021

2022

1

Economische zelfstandigheid van vrouwen

60,7%

62,5%

64,0%

64,4%

66,5%1

68,8%2

2

Financiële onafhankelijkheid van vrouwen

50,0%

51,6%

53,1%

53,7%

56,0%1

58,7%2

X Noot
1

Dit is het definitieve cijfer voor 2021.

X Noot
2

Dit is het voorlopige cijfer voor 2022. Het definitieve cijfer komt december 2024 uit.

C. Beleidsconclusies

Het Ministerie van OCW zet zich in op drie samenhangende thema’s waarop zich stevige knelpunten voordoen: arbeid, sociale veiligheid en genderdiversiteit en gelijke behandeling. Het bestaande beleid daarop is voortgezet. De belangrijkste beleidsconclusies op deze thema’s zijn genoemd in het onderdeel Beleidsprioriteiten.

Aanvullend kunnen nog de volgende ontwikkelingen worden gemeld:

Arbeid

Het Ministerie van OCW werkt samen met het Ministerie van SZW in de aanpak van de positie van vrouwen aan de basiskant van de arbeidsmarkt. Hiervoor lopen verschillende pilots binnen het programma Economische Veerkracht, waaronder projecten gericht op vrouwen in de bijstand of op vrouwen zonder werk en zonder uitkering. Binnen de subsidieronde ‘Economische Zelfstandigheid’ van het programma ‘Vakkundig aan het werk’ richt het project Zelfie! zich op de doorontwikkeling van een cultuur- en gendersensitieve begeleiding van laagopgeleide vrouwelijke statushouders. Een ander voorbeeld is een project binnen de Werkagenda Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA) (Kamerstukken II, 2021/22, 29544, nr. 1085) waarin vrouwelijke nareizigers met een migratieachtergrond door middel van een integrale aanpak worden begeleid naar duurzame participatie in de stad. Tot slot worden er projecten uitgevoerd gericht op vrouwen met een migratieachtergrond in een afhankelijkheidssituatie, onder andere met als doel het vergroten van kennis over geldzaken en het bieden van handvatten voor het verwerven van een inkomen door middel van trainingen en kennisoverdracht. Hier worden interventies toegepast en getest om emancipatie en (duurzame) participatie op de arbeidsmarkt te bevorderen.

Sociale Veiligheid en gelijke behandeling

Het Ministerie van OCW zet in op de acceptatie, gelijke behandeling en veiligheid van de lhbtiq+ gemeenschap. Zoals aangegeven in het coalitieakkoord is het Regenboogstembusakkoord hiervoor de basis. Het Regenboogstembusakkoord wordt zorgvuldig uitgevoerd met (initiatief)wetgeving en beleid. Voorbeelden hiervan zijn de aanpak van discriminerend geweld, het verbeteren van wetgeving zoals een expliciet verbod op lhbti-discriminatie in art. 1 van de Grondwet, het bevorderen van acceptatie op school, het bewerkstelligen van een transitieverlof vergelijkbaar met het zwangerschapsverlof en het tegengaan van onnodige sekseregistratie bij de overheid.

Onderwijs waarbij ieder kind gelijkwaardig behandeld wordt, gelijke kansen heeft en zich sociaal veilig voelt is een voorwaarde voor een samenleving die dit weerspiegelt. In 2023 is daarom subsidie verleend aan COC Nederland voor het project ‘Aan het begin van de regenboog’, waar Paarse Vrijdag onderdeel van vormt. Het aantal deelnemende scholen aan Paarse Vrijdag is dit jaar wederom gegroeid.

Het Ministeriw OCW zet in samenwerking met het Ministerie van VWS de ‘Alliantie Gelijk Spelen’ voort voor de duur van drie jaar. Hiermee bevorderen we, samen met maatschappelijke partners en andere stakeholders, de acceptatie van lhbtiq+ personen in de sport. Ook is dit jaar het Programma Ons voetbal is van iedereen (OVIVI) 2.0 gestart als gezamenlijk initiatief van de Ministeries van VWS, OCW, SZW en JenV en de KNVB. Met OVIVI 2.0 zetten we in op een effectieve aanpak van discriminatie en racisme in het voetbal, waarbij racisme en discriminatie (zoals antisemitische of homofobe uitingen, gedragingen of spreekkoren) op en rond de voetbalvelden niet wordt getolereerd. Tot slot is er gestart met een verkenning naar hoe vrijheid, gelijkwaardigheid en sociale veiligheid van gender- en seksediverse personen in de (top)sport gewaarborgd kan worden.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 59 Budgettaire gevolgen van beleid van artikel 25 (bedragen x € 1.000)
  

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

  

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

4.305

3.764

5.662

69.628

15.160

7.277

7.883

         

Uitgaven

12.540

12.014

14.057

15.328

19.953

20.241

‒ 288

         

Bekostiging

8.447

8.447

8.685

7.109

13.263

12.327

936

Kennisinfrastructuur

8.447

8.447

8.685

7.109

13.263

12.327

936

 

Gender- en lhbti-gelijkheid

8.447

8.447

8.685

7.109

13.263

12.327

936

Subsidies (regelingen)

3.278

2.333

4.631

6.929

4.680

3.332

1.348

Subsidieregeling emancipatie

0

52

0

0

0

0

0

 

lhbt

0

52

0

0

0

0

0

Subsidieregeling emancipatie 2011

600

41

0

6

0

0

0

 

Vrouwenemancipatie

234

41

0

0

0

0

0

 

lhbt

366

0

0

6

0

0

0

Subsidieregeling Gender- en lhbti-gelijkheid 2017-2022

2.678

2.240

4.631

6.923

0

0

0

Subsidieregeling Gender- en lhbti-gelijkheid 2017-2022

0

0

0

0

4.680

3.332

1.348

Opdrachten

815

1.234

741

1.290

2.010

2.773

‒ 763

 

Gender- en lhbti-gelijkheid

815

1.234

741

1.290

2.010

2.773

‒ 763

Bijdrage aan agentschappen

0

0

0

0

0

0

0

DUO

0

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan medeoverheden

0

0

0

0

0

1.809

‒ 1.809

Gemeentefonds Ministerie van BZK

0

0

0

0

0

1.809

‒ 1.809

         

Ontvangsten

150

35

0

355

183

0

183

E. Toelichting op de financiële instrumenten

De realisatie van de verplichtingen is € 7,9 miljoen hoger dan begroot.

De realisatie van de uitgaven in 2023 is € 0,3 miljoen lager dan oorspronkelijk begroot.

Bekostiging

De realisatie is in 2023 € 0,9 miljoen hoger dan begroot. Dit wordt onder andere veroozaakt door de hoogte van de uitgekeerde loon- prijsbijstelling en bijdragen van de Ministeries van SZW en BZK aan de allianties 'Gelijke representatie in de politiek'en «Verandering van binnenuit»

Subsidies

De hogere realisatie (€ 1,3 miljoen) is grotendeels te verklaren door de bijtelling loon- prijsbijstelling (€ 0,3 miljoen), bijdragen aan diverse projectsubsidies (€ 0,3 miljoen) en een verschuiving tussen de instrumenten (€ 0,7 miljoen). Voor de uitvoering van het programma tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld zijn middelen overgeheveld van het instrument opdrachten.

Opdrachten

De realisatie in 2023 is per saldo € 0,8 miljoen lager dan begroot.

Bijdrage aan medeoverheden

De realisatie in 2023 is per saldo € 1,8 miljoen lager dan begroot. Dit wordt veroorzaakt doordat middelen op dit instrument worden overgeboekt naar het gemeentefonds van het Ministerie van BZK. De programma's Regenboogsteden en Veilige Steden zijn in 2023 opnieuw gestart en hebben een looptijd tot en met 2026. In het kader hiervan is voor het programma Veilige Steden een bedrag van € 0,7 miljoen overgeboekt naar het gemeentefonds. In het kader van het programma Regenboogsteden is een bedrag van € 1,2 miljoen overgeboekt naar het gemeentefonds.

5. Niet-beleidsartikelen

5.1 Niet-beleidsartikel 91 Nog onverdeeld

Doel van dit artikel is het tijdelijk boeken van sector overschrijdende middelen. Zodra een exacte verdeling over de betrokken beleidsartikelen bekend is, worden de middelen naar deze artikelen overgeboekt. Het betreft:

  • loonbijstelling;

  • prijsbijstelling;

  • onvoorzien.

Op deze onderdelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 60 Budgettaire gevolgen artikel 91 (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

        

Uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

        

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

- programma

0

0

0

0

0

0

0

- apparaat

0

0

0

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

- programma

0

0

0

0

0

0

0

- apparaat

0

0

0

0

0

0

0

Onvoorzien

0

0

0

0

0

0

0

        

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties, NvW en ISB

5.2 Niet-beleidsartikel 95 Apparaat Kerndepartement

D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 61 A. Budgettaire gevolgen artikel 95 Apparaatsuitgaven Kerndepartement (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Verplichtingen

266.515

280.987

281.530

310.337

364.027

353.652

10.375

        

Uitgaven

266.317

280.933

281.554

306.653

367.257

351.652

15.605

        

Personele uitgaven

197.662

209.866

212.310

242.670

300.166

292.024

8.142

-eigen personeel

188.890

202.862

204.681

229.634

281.271

279.963

1.308

- inhuur externen

5.614

4.185

5.330

11.032

16.934

7.684

9.250

- overige personele uitgaven

3.158

2.819

2.299

2.004

1.961

4.377

‒ 2.416

Materiële uitgaven

67.336

69.661

67.740

62.408

65.183

59.628

5.555

- ICT

23.719

12.414

17.941

15.992

20.054

6.227

13.827

- bijdrage aan SSO's

15.926

22.553

22.088

26.246

21.641

22.161

‒ 520

- overige materiële uitgaven

27.691

34.694

27.711

20.170

23.488

31.240

‒ 7.752

Begrotingsreserve schatkistbankieren

1.319

1.406

1.504

1.575

1.908

0

1.908

        

Ontvangsten

1.980

3.192

3.653

2.590

2.933

567

2.366

X Noot
1

Stand inclusief amendementen, moties, NvW en ISB

E. Toelichting op de financiële instrumenten

Het Ministerie van OCW heeft de apparaatskosten technisch verdeeld naar instrumenten (Personeel en Materieel) op basis van de realisatiecijfers van voorgaande jaren. Het Ministerie van OCW stuurt op het totaal toegewezen budget aan de organisatieonderdelen en niet per instrument.

Verplichtingen

De verplichtingen voor de apparaatskosten van het Ministerie van OCW zijn in 2023 € 10,4 miljoen hoger dan de vastgestelde begroting. Dit is vooral het gevolg van loon- en prijsontwikkelingen en toegevoegde middelen voor de uitvoering van het Coalitieakoord.

Uitgaven

De uitgaven voor de apparaatskosten van het Ministerie van OCW zijn in 2023 € 15,6 miljoen hoger dan de vastgestelde begroting. Dit is het saldo van een groot aantal mutaties die grotendeels in de Suppletoire Begrotingen zijn toegelicht:

  • de personele uitgaven zijn per saldo € 8,1 miljoen hoger dan begroot. De materiële uitgaven zijn per saldo € 5,6 miljoen hoger dan begroot. Dit is vooral het gevolg van loon- en prijsontwikkelingen en toegevoegde middelen voor de uitvoering van het Coalitieakkoord;

  • de ontvangen risicopremie in 2023 bedraagt € 1,9 miljoen. Het Ministerie van OCW staat garant voor onderwijsinstellingen en rijksmusea die bij de Staat lenen (schatkistbankieren). Voor het risico dat het Ministerie van OCW hierdoor loopt, wordt een vergoeding (risicopremie) ontvangen. Deze premie wordt (via een desaldering) toegevoegd aan de begrotingsreserve schatkistbankieren. In de saldibalans is bij de post begrotingsreserve voor risicopremie garantstelling onderwijsinstellingen een tabel opgenomen met de stand en de toevoegingen en onttrekkingen aan de reserve.

Ontvangsten

De realisatie van de ontvangsten is in 2023 € 2,4 miljoen hoger dan geraamd. Voor € 1,9 miljoen betreft dit de risicopremie die het Ministerie van OCW ontvangt voor het garant staan voor onderwijsinstellingen en rijksmusea die bij de Staat lenen (schatkistbankieren). Voor € 0,5 miljoen betreft het een saldo van diverse kleine ontvangstenmutaties.

Tabel 62 B. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen en zelfstandige bestuursorganen/rechtspersonen met een wettelijke taak (bedragen x € 1 miljoen)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2019

2020

2021

2022

2023

2023

2023

Totaal apparaatsuitgaven Ministerie

266,3

280,9

281,6

306,7

367,3

351,7

15,6

Kerndepartement

154,7

160,8

168,0

182,1

213,7

230,9

‒ 17,2

Rijksdienst Cultureel Erfgoed

36,8

42,0

39,9

42,8

51,0

39,2

11,8

Inspectie van het Onderwijs

66,5

66,7

63,7

71,2

89,9

72,1

17,8

Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed

2,5

3,7

3,9

3,9

4,8

3,9

0,9

Onderwijsraad

2,4

2,4

2,2

2,4

2,5

2,5

0,0

Raad voor Cultuur

2,2

4,0

2,5

2,9

3,7

2,5

1,2

Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid

1,2

1,3

1,4

1,4

1,7

0,6

1,1

        

Totaal apparaatskosten agentschappen

360,0

366,0

399,2

430,8

504,6

392,4

112,3

Dienst Uitvoering Onderwijs

318,6

324,0

356,4

385,0

446,3

342,0

104,4

Nationaal Archief

41,4

42,0

42,8

45,8

58,3

50,4

7,9

        

Totaal apparaatskosten ZBO’s en RWT's

390,6

384,6

462,2

319,4

40.046,1

38.899,7

1.146,4

Stichting Cito1

33

31,6

1,4

Stichting SLO1

10,6

10,6

0,0

College voor Toetsen en Examens1

13,0

16,7

‒ 3,7

Nederlands Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

4,9

4,6

4,1

4,3

6

5

1,0

Landelijk Centrum Studiekeuze (voorheen Studiekeuze 123)1

2,8

PM2

3,2

0,0

Nationaal Agentschap Erasmus+1

4,1

4,3

‒ 0,2

Nuffic1

10,6

10,1

0,5

Netherlands house for Education and Research (Neth-er)1

0,7

0,7

0,0

Stichting Fonds voor de Podiumkunsten

7,9

7,1

6,6

7,4

PM2

5,7

0,0

Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie

3,5

5,6

6,1

5,9

PM2

4,3

0,0

Stichting Mondriaanfonds

3,2

3,5

5,1

6,5

PM2

4,3

0,0

Stichting Nederlands Filmfonds

4,5

4,9

5,1

6,1

PM2

4,8

0,0

Stichting Stimuleringsfonds Creatieve Industrie

2,6

2,8

3,6

4,1

PM2

2,8

0,0

Stichting Nederlands Letterenfonds

3,1

3,2

3,2

3,5

PM2

3,3

0,0

Bureau Architectenregister

0

0

1

1

PM2

1,1

0,0

Commissariaat voor de Media (CvdM)

4,9

4,8

4,9

5,3

6,1

5,6

0,5

Nederlandse Publieke Omroep (NPO)

2,4

2,6

2,7

2,9

PM2

3

0,0

Stichting Regionale Publieke Omroep (RPO)

1

1

1,2

1,8

PM2

4,9

0,0

Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW)

56,7

53,9

79,3

82,4

PM2

58,7

0,0

Koninklijke Bibliotheek (KB)

60,7

60,2

60,0

59,2

PM2

53,9

0,0

Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)

219,1

214,5

225,2

71,1

PM2

194,0

0,0

Stichting Participatiefonds

2,0

2,0

2,6

2,0

PM2

PM

0,0

Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

15,3

15,3

56,6

60,9

PM2

60,9

0,0

Stichting Vervangingsfonds3

2,7

2,7

2,0

2,7

PM2

PM

0,0

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

1

0,5

0,6

0,7

PM2

2,2

0,0

Instellingen die onder de Erfgoedwet vallen1

260,4

229,6

30,8

Bevoegde gezagsorganen primair onderwijs1

14.695,3

13.904,2

791,1

Bevoegde gezagsorganen voortgezet onderwijs1

10.115,6

9.523,2

592,4

Regionale opleidingscentra, argrarische opleidingscentra en vakinstellingen1

4.179,8

3.887,5

292,3

Instellingsbesturen hogescholen1

4.474,6

4.237,9

236,7

Instellingsbesturen universiteiten1

6.264,7

5.902,1

362,6

Academische ziekenhuizen1

802,8

749,8

53,0

X Noot
1

Deze organisaties zijn vanaf 2023 aan dit overzicht toegevoegd.

X Noot
2

De realisatie van de apparaatsuitgaven/kosten wordt vastgesteld op basis van het jaarverslag 2023. Deze is nog niet beschikbaar.

X Noot
3

Op 20 februari 2020 is een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer om de verplichte aansluiting bij het Vervangingsfonds af te schaffen. Op 14 September 2021 is het wetsvoorstel ‘’beëindiging vervangingsfonds en modernisering Participatiefonds’’ met algemene stemming aangenomen. Het Participatiefonds zal gedeeltelijk de taken van het Vervangingsfonds overnemen.

6. Bedrijfsvoeringsparagraaf

Inleiding

De bedrijfsvoering, inclusief het begrotingsbeheer, financieel beheer en de materiële bedrijfsvoering binnen het Ministerie van OCW, is op orde. De financiële overzichten geven een getrouw beeld van de uitkomsten van de begrotingsuitvoering.

Paragraaf 1 – Uitzonderingsrapportage

Rechtmatigheid

De verantwoording in het departementale jaarverslag is in overeenstemming met de begrotingswetten, de Europese regelgeving, Nederlandse wetten, algemene maatregelen van bestuur en in ministeriële regelingen opgenomen bepalingen. Voor de bepaling van fouten en onzekerheden is de rijksbrede normering toegepast. Rapporteren over onrechtmatigheden is verplicht als deze onrechtmatigheden meer bedragen dan de betreffende tolerantiegrens. Dit geldt voor beleidsartikel 9 (Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid) en artikel 95 (Kerndepartement Apparaat).

Bij het beleidsartikel 9 (Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid), bedraagt de tolerantiegrens voor fouten en onzekerheden in de aangegane verplichtingen € 17,1 miljoen. De tolerantiegrens wordt bij dit artikel licht overschreden. Dit wordt onder andere veroorzaakt doordat de ADR controle voor de bekostigings- en subsidie-instrumenten middels een statistische steekproef heeft uitgevoerd. De basisonnauwkeurigheid die voortvloeit uit deze gehanteerde steekproefmethode is € 9,5 miljoen.

De daadwerkelijke geconstateerde fouten en onzekerheden op beleidsartikel 9 vallen lager uit dan de rapporteringstolerantie en komen in totaal uit op € 7,8 miljoen. Dit betreft:

  • een onzekerheid ten aanzien van de rechtmatigheid van de aangegane verplichtingen van € 7,7 miljoen voor de Regeling Regionale aanpak personeelstekort (RAP-regeling). Deze onzekerheid heeft betrekking op het controlebeleid ten aanzien van deze regeling. Ondanks deze financiële onzekerheid heeft het ministerie wel op stelselniveau voldoende inzicht in uitvoering van de regeling. De regeling is geëindigd in 2023 en wordt niet verlengd.

  • Verder is er bij dit begrotingsartikel bij het inkopen een fout met betrekking tot de rechtmatigheid opgetreden van € 0,1 miljoen.

Bij artikel 95 (Apparaat Kerndepartement), bedraagt de tolerantiegrens voor fouten en onzekerheden in de uitgaven € 25,0 miljoen. De tolerantiegrens wordt bij dit artikel overschreden. De ADR heeft op basis van een steekproef onrechtmatigheden geconstateerd. De maximale fout betreft € 28,0 miljoen. De meest waarschijnlijke onzekerheid bedraagt € 5,2 miljoen.

Tabel 63 Overzicht overschrijdingen rapporteringstoleranties fouten en onzekerheden

(1) Rapporteringstolerantie

(2) Verantwoord bedrag in € (omvangsbasis)

(3) Rapporterings-tolerantie voor fouten en onzekerheden in €

(4) Bedrag aan fouten in €

(5) Bedrag aan onzekerheden in €

(6) Bedrag aan fouten en onzekerheden in €

(7) Percentage aan fouten en onzekerheden t.o.v. verantwoord bedrag = (6)/(2)*100%

Artikel 9 (Arbeidsmarkt- en personeelbeleid) verplichtingen

171,5 miljoen

17,1 miljoen

0,1 miljoen

7,7 miljoen

7,8 miljoen

1

Art 95 (Apparaat Kerndepartement) uitgaven/ontvangsten

370,2 miljoen

25,0 miljoen

5,2 miljoen

5,2 miljoen

1

X Noot
1

Conform de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV) is geen percentage opgenomen, omdat de meest waarschijnlijke fout lager is dan de tolerantiegrens.

Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie

Er zijn geen bijzonderheden te melden.

Begrotingsbeheer, financieel beheer en de materiële bedrijfsvoering

Beleid om misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies tegen te gaan De Auditdienst Rijk (ADR) concludeerde bij het Jaarverslag 2022 dat de aanpak van misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O) grotendeels op orde is, maar dat het op een viertal onderdelen nog te kort schoot.

Hierbij gaat het ten eerste om de bekostiging van nieuwkomers. Met het oog op de privacy, het beperken van administratieve lasten en de plotselinge hoge instroom van nieuwkomers heeft het Ministerie van OCW de bewijslast van nieuwkomers voor primair onderwijsinstellingen laten vervallen. De instellingen hoeven de leerlingen voor de aanvullende bekostiging niet meer op persoonsniveau te onderbouwen en administreren. Hierdoor heeft het Ministerie van OCW voor het primair onderwijs (PO) volgens de ADR onvoldoende inzicht in de relatie tussen de gevraagde bekostiging en de leerlingen waar de aanvraag betrekking op heeft. In het voortgezet onderwijs (VO) worden leerlingen vanuit de bij DUO aanwezige reguliere gegevens in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) ambtshalve aangewezen als nieuwkomers. In dit geval is er alleen gebrek aan inzicht bij de specifieke groep leerlingen waarvoor de instellingen zelf de datum van binnenkomst in Nederland vastleggen. De bewijslast voor deze regeling is met ingang van 2022 komen te vervallen. Door het vervallen van de bewijslast kan, indien een instelling zelf de datum binnenkomst in Nederland opgeeft, niet met zekerheid worden vastgesteld of de bekostigingsvoorwaarden zijn nageleefd. Het Ministerie van OCW werkt er hard aan om een structurele oplossing te creëren, waardoor weer zekerheid ontstaat in de juistheid van de bekostiging van deze leerlingen. Dit vergt echter enige doorlooptijd. In de tussenliggende periode voert het ministerie aanvullende analyses uit om de mate van onzekerheid te verkleinen, maar resteert nog wel een onzekerheid van € 207,5 miljoen bij PO en van € 122,5 miljoen bij VO.

Ten tweede signaleert de ADR dat het Ministerie van OCW een goed risicoanalysemodel heeft opgesteld voor subsidieregelingen aan onderwijsinstellingen, maar dat het ministerie nog te weinig aandacht heeft voor de monitoring van M&O risico’s. Wij hebben dit jaar ons proces van de M&O inventarisatie verbeterd, waarbij expliciet aandacht is geschonken aan het beter vastleggen van de werking van het M&O beleid en het ophalen van signalen van M&O bij de uitvoerders van de subsidieregelingen. In de paragraaf ‘Departementale checks subsidieregelingen’ gaan we hier dieper op in.

Ten derde is de ADR van mening dat het Ministerie van Onderwijs bij subsidieregelingen aan onderwijsinstellingen, waarbij het M&O risico als gemiddeld of hoog wordt ingeschat, ten onrechte de subsidie direct vaststelt op het moment van verlening. Wij hebben veelvuldig met de ADR, de Algemene Rekenkamer en met het Ministerie van Financiën overleg gevoerd over deze strikte interpretatie van het Uniform Subsidiekader. De uitkomst van deze overleggen is dat het ministerie van OCW vanaf oktober 2023 voor nieuwe subsidieregelingen aan onderwijsinstellingen deze alleen bij een onderbouwd laag M&O risico direct vaststelt. Voor reeds bestaande subsidieregelingen zal per regeling afgewogen worden of en zo ja wanneer de verstrekkingswijze aangepast kan worden.

Tenslotte constateerde de ADR dat uit hun reviews naar voren kwam dat de controleverklaringen bij een aantal subsidieverantwoordingen van niet-onderwijsinstellingen niet aan de eisen voldeden. Het Ministerie van OCW is inmiddels verbeteringen op dit proces aan het doorvoeren.

Autorisatiebeheer Dienst Uitvoering OnderwijsDe onvolkomenheid op het autorisatiebeheer van DUO staat al enkele jaren, doordat dit een complex en veelomvattend proces is dat tijd vraagt om in de volledige breedte op het gewenste niveau te brengen. Hierbij is geconstateerd dat DUO in 2022 belangrijke stappen heeft gezet om het autorisatiebeheer op orde te brengen. Zo heeft DUO automatisch toekennen en intrekken van rollen, waarin de autorisaties zijn opgenomen, via het principe van Role Based Access Control (RBAC) geïmplementeerd, en zijn alle applicaties en systemen geclassificeerd op Beschikbaarheid, Integriteit en Vertrouwelijkheid (BIV). In 2023 heeft DUO aan de hand hiervan risicogericht verbeteracties voor autorisatiebeheer opgepakt, om via de Plan Do Check Act-cyclus (PDCA-cyclus) dit op een steeds hoger niveau te krijgen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de verbetering van de autorisatiematrices van de systemen en de periodieke controles op de autorisaties.

Het belangrijkste aandachtspunt zijn de accounts met hoge rechten op de platformen waarop de applicaties en databases draaien. Het aantal accounts met hoge rechten is sterk verlaagd, maar dit is nog niet voor alle platformen afgerond. DUO-ICT gaat in 2024 Privileged Access Management (PAM)-tooling verder uitrollen zodat PAM eind 2024 geheel operationeel is. Deze tool zorgt er namelijk voor dat beheerders tijdelijk toegang krijgen en de autorisatie na de handeling automatisch weer wordt teruggetrokken. Zodoende zorgt deze tooling ervoor dat DUO-ICT op dit aspect structureel in control blijft. Parallel hieraan zal DUO-ICT doorgaan met het reduceren van de accounts met hoge rechten.

DUO heeft conform haar plan in 2023 verder gewerkt aan de onderstaande activiteiten om de interne beheersing op autorisatiebeheer op het gewenste niveau te krijgen en te houden. DUO zal eind april 2024 de volgende onderdelen conform plan uitgevoerd hebben, waardoor DUO voldoet aan haar kaders rondom autorisatiebeheer:

  • het aantoonbaar uitvoeren van de verschillende certificeringen van de systemen om daarmee de beveiliging te borgen conform de certificeringskalender via de Plan Do Check Act-cyclus (PDCA-cyclus);

  • het borgen van kennis van processen, methoden, technieken en voorschriften binnen de DUO-organisatie middels o.a. een e-learning platform (Plato) en het doen van kennisdeling en communicatie;

  • het borgen van de governance op het autorisatiebeheer met behulp van relevante managementinformatie en het aantoonbaar periodiek doorlopen en borgen van het beleid, de voorschriften, de certificeringen en de kwaliteitscontroles op het gebied van Autorisatiebeheer via de PDCA-cyclus.

IT-beheersmaatregelen Dienst Uitvoering OnderwijsVeel bedrijfsprocessen bij DUO zijn gedigitaliseerd en ondergebracht in een complex IT-landschap. In het verantwoordingsonderzoek uit 2021 van de Algemene Rekenkamer zijn tekortkomingen geconstateerd op verschillende aspecten van het IT-beheer. Deze tekortkomingen betroffen onder andere back-up en recovery, continuïteitsmanagement, wachtwoordbeheer en wijzigingsbeheer.

DUO is in 2023 verder gegaan met de structurele verbetering van het IT-beheer dat in 2022 is gestart. Hierdoor is het aantal IT-bevindingen in 2023 sterk gedaald ten opzichte van 2022. Door het structureel aan te pakken, heeft dit ook geleid tot verbetering van de samenwerking tussen de verschillende betrokken teams en het vergroten van het risicobewustzijn rondom informatiebeveiliging.

Op het gebied van het gebruikersbeheer is de grootste vooruitgang bereikt. De bevindingen van DUO voor het Oracle-platform zijn intussen bijna allemaal opgelost. Hierop draaien de databases voor de bekostiging van de onderwijsinstellingen. Andere bevindingen betreffen het iBMI platform, de Windows platformen, back-up en recovery, beveiliging van componenten, continuïteitsmanagement en SAP-beheer.

Om in control te komen en te blijven, is in 2023 gewerkt aan de uitvoering van de verbeterplannen en aan de verbetering van de Plan Do Check Act-cyclus. Deze is in december 2023 naar tevredenheid opgeleverd. DUO gaat in 2024 planmatig verder om het bestaan en de werking van de beheersmaatregelen rondom business continuïteit aan te kunnen tonen.

De gerealiseerde verbeteringen in de organisatie rondom de Configuration Management Database (CMDB) zorgen voor inzicht en overzicht van het asset management (gericht op alle aspecten van hardware, software en software licenties). Dit is essentieel om in control te blijven op het gebied van autorisatiebeheer en IT beheer. Er blijken verschillende vraagstukken complexer en tijdrovender dan oorspronkelijk ingeschat. De complexiteit wordt hierbij versterkt door de afhankelijkheid van derde partijen.

Om de resterende bevindingen op te lossen, zal DUO in 2024 blijvende aandacht en stevige sturing erop houden.

Begrotingsrealisatie door te vroege bevoorschotting

De rijksoverheid heeft een hybride verslaggevingsstelsel: een kas-verplichtingenstelsel en een baten-lastenstelsel. In de systematiek van het kasverplichtingenstelsel is de stelregel dat niet gerealiseerde budgetruimte aan het eind van het jaar terugvloeit naar het Ministerie van Financiën. Agentschappen werken binnen het baten-lastenstelsel, dat mogelijkheden geeft om financiële middelen aan te houden zolang dit niet bovenmatig is. Volgens de ADR stonden in het jaarverslag 2022 op de balans bij de agentschappen van het Ministerie van OCW bedragen die het gevolg waren van te hoge bevoorschotting. Het Ministerie van OCW heeft in 2023 hier nadrukkelijk aandacht aan gegeven. Op de momenten dat de 1e en 2e suppletoire wetten worden voorbereid, wordt voortaan scherper gekeken naar de (balans)posten die zijn bevoorschot en wordt er zo nodig afgerekend. In 2023 zijn de meeste posten afgewikkeld waar geen werk meer aan ten grondslag lag. Over een enkele post is nog overleg gaande om het beeld aan te scherpen of dit geld in 2024 nog benodigd is. Hiermee voldoet OCW aan de financiële kaders van het begrotingsbeheer.

Fraude & corruptierisico’s

Het Ministerie van OCW besteedt aandacht aan het voorkomen van fraude en het actief handelen mocht er onverhoopt toch fraude plaatsvinden. Er zijn in 2023 geen fraudemeldingen geweest die betrekking hebben op de interne (financiële) processen van het Ministerie van OCW. Maar het Ministerie van OCW blijft alert om fraude  te voorkomen.

De primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen, detecteren en reageren op  fraude – gerelateerd aan de financiële processen – is bij het Ministerie van OCW decentraal belegd bij de directies, diensten en agentschappen. De directie FEZ houdt toezicht op dit beheersstelsel.

Bij fraude kan er sprake zijn van interne fraude door ambtenaren of bestuurders van het Ministerie van OCW of externe fraude (jegens de overheid). Bij interne fraude betreft het medewerkers van het Ministerie met betrekking tot programmagelden (subsidies, uitkeringen, bijdragen, opdrachten, etc.) en apparaatsgelden (personele en materiële uitgaven). Bij externe fraude gaat het om fraude door derden en valt het onder misbruik en oneigenlijk gebruik. Zie hiervoor de nadere uitwerking onder de paragraaf «Misbruik en Oneigenlijk gebruik».

De belangrijkste materiële risico’s op fraude zijn te onderkennen bij:

  • inkoop- en aanbestedingstrajecten;

  • verstrekken en vaststellen van subsidies, verstrekken van studiefinanciering, lerarenbeurzen en registratie van diploma’s;

  • personele vergoedingen (zoals onterechte of te hoge declaraties), aannemen geschenken en diefstal;

  • doorbreking van interne beheersmaatregelen in financiële en betaalprocessen (zoals functievermenging, samenspanning, valsheid in geschrifte) door onvoldoende autorisatiebeheer en informatiebeveiliging.

Het algemene beeld van het Ministerie van  OCW op basis van beoordeling van ontvangen informatie is dat er voldoende aandacht wordt gegeven aan het voorkomen van fraude. In de diverse financiële processen zijn stappen ingebouwd om na te gaan of er per ongeluk dan wel met opzet oneigenlijke betalingen plaatsvinden ten gunste van eigen medewerkers, en hoe die te voorkomen.

Het Ministerie van OCW heeft de ADR gevraagd om in 2024 op basis van hun expertise op dit terrein, OCW te adviseren wat er nog kan worden ontwikkeld. Waar nodig zullen we frauderisico’s en -rapportages onderdeel maken van het departementale risicomanagement. Ook de adviezen voortkomend uit besprekingen in het Audit Committee, waaronder het inzetten van data-analyse en te hanteren normatiek, zullen hierbij worden meegenomen.

Misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O)

Op grond van de Comptabiliteitswet 2016 dienen ministeries in het kader van het M&O-beleid toe te zien op het financieel beheer van de verschillende geldstromen. Het Ministerie van OCW heeft als uitgangspunt regelgeving tot stand te brengen die zo min mogelijk gevoelig is voor fraude, misbruik of oneigenlijk gebruik. Jaarlijks worden de risico’s op M&O geïnventariseerd. Waar nodig wordt het voorlichtings-, controle-, sanctie- en/of evaluatiebeleid aangepast, daarbij de wenselijkheid en doelmatigheid van deze middelen in ogenschouw nemend.

Restrisico’s op M&O

In sommige gevallen zijn de getroffen beheersmaatregelen niet voldoende om M&O geheel uit te sluiten, bijvoorbeeld wanneer de kosten van de controles hoger zijn dan de baten, of wettelijke mogelijkheden begrensd zijn. Er is dan sprake van een restrisico, oftewel restant M&O. Dit is de gevoeligheid voor M&O die (bewust) overblijft nadat alle adequate maatregelen ten aanzien van voorlichting, controle, sanctie en evaluatie zijn getroffen.

Onderstaande tabel beschrijft per begrotingsartikel de geldstroom met restant M&O die overblijft na inzet van beheersmaatregelen als aan het betreffende begrotingsartikel een restant M&O kleeft groter dan € 1 miljoen.

Tevens is het totaal aan restrisico opgenomen van de geldstromen met een restant M&O groter dan € 1 miljoen als percentage van de totale uitgaven op artikelniveau.

Tabel 64 Restant Misbruik en Oneigenlijk gebruik

Omschrijving

Bedrag (x 1 miljoen)

Percentage restant M&O>1 mln (van de totale uitgave per artikel)

Artikel 11 Studiefinanciering

  

Aanvullende beurs

49,96

0,95%

Uitwonende beurzen

5,081

0,10%

Artikel 12 Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

  

Uitwonende beurzen

3,33

4,83%

X Noot
1

In dit bedrag zijn alleen de uitwonende beurs uitgaven opgenomen voor studenten met een buitenlands woonadres. Deze geldstroom is niet controleerbaar. Daarnaast is er nog een restant aan restrisico voor de uitgaven aan uitwonende beurs voor studenten met een Nederlands woonadres. Het is op dit moment niet mogelijk om dit restrisico te kwantificeren omdat de daartoe benodigde onderzoeksresultaten niet meer representatief zijn voor 2023: door onder andere de herinvoering van de basisbeurs is de populatie sterk veranderd ten opzichte van eerdere onderzoeken hiernaar. Dit restrisico is daarom niet opgenomen in de tabel.

Hieronder volgt een toelichting op de geldstromen met een restant M&O groter dan € 1 miljoen. Vervolgens wordt ook kort ingegaan op de signalen die aangeven dat specifiek controles op uitwonendheid disproportioneel vaak voorkomen bij studenten met een migratieachtergrond. Het onderzoek hiernaar loopt en de uitkomsten van deze onderzoeken worden betrokken bij zowel de toekomstige vormgeving van het beleid als de beheersing van de restrisico’s.

Aanvullende beurs

Studenten kunnen in aanmerking komen voor een aanvullende beurs. De hoogte van de aanvullende beurs hangt mede af van het ouderlijk inkomen. Van augustus tot en met december 2023 is de maximale aanvullende beurs voor een uitwonende mbo-student € 405,23 (en voor een thuiswonende mbo-student € 381,25 per maand). Voor ho-studenten in het studievoorschot bedraagt de aanvullende beurs maximaal € 430,27 per maand. Bij de herinvoering van de basisbeurs per 2023/2024 is de maximale aanvullende beurs gewijzigd naar € 416,00 per maand.

Wanneer ouders in Nederland wonen, is het risico op misbruik van de aanvullende beurs beperkt. De Belastingdienst beheert de inkomensgegevens vanuit het basisregister inkomen. DUO is bevoegd deze inkomensgegevens van de Belastingdienst te gebruiken en is ook afhankelijk van deze gegevens. In 2023 is totaal € 843,9 miljoen aan toekenning voor de aanvullende beurs verstrekt. Daarvan heeft € 62,4 miljoen betrekking op studenten met ouders in het buitenland. DUO vraagt de bewijsstukken bij de ouders zelf of bij de student op, maar de juistheid en volledigheid van het opgegeven buitenlands inkomen is niet volledig met zekerheid door DUO vast te stellen. Uitzondering hierop zijn de voormalige Nederlandse Antillen (€ 12,4 miljoen), waar dit wel mogelijk is. Hierdoor is er sprake van een restrisico bij studenten met een aanvullende beurs met ouders in het buitenland van € 49,96 miljoen.

Beurzen voor uitwonenden: Studiefinanciering en tegemoetkoming onderwijsbijdrage

Op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) komt een deel van de studerenden in aanmerking voor een hogere beurs wanneer ze uitwonend zijn. DUO kent op aanvraag een uitwonendenbeurs toe aan een mbo- of ho8-studerende indien de studerende op een ander adres woont dan zijn ouder(s). Deze studerende ontvangt in dat geval een toelage op de basisbeurs.

In 2023 bedraagt de basisbeurs voor een uitwonende mbo-student € 296,51 per maand (en voor een thuiswonende mbo-student € 90,85 per maand). Vanaf studiejaar 2023/2024 is de basisbeurs in het ho heringevoerd. De basisbeurs bedraagt tot en met december 2023 € 274,90 per maand voor een uitwonende ho-student en € 110,30 voor een thuiswonende ho-student.9 De totale uitgaven aan toekenningen uitwonendenbeurzen voor zowel mbo- als ho-studerenden bedroeg in 2023 € 453,8 miljoen (WSF 2000).

In het reguliere proces stelt DUO vast of een studerende aanspraak maakt op een uitwonendenbeurs door allereerst een controle uit te voeren of het geregistreerde adres in de Basisregistratie Personen (BRP) een ander adres is dan het BRP-adres van de ouder(s). Omdat niet alle studerenden daadwerkelijk wonen op het geregistreerde adres, voert DUO -aanvullend op de BRP-controle- een steekproefsgewijze controle uit of studenten feitelijk wonen op het opgegeven adres. Dit restrisico is voor 2023 niet betrouwbaar te kwantificeren omdat de populatie in 2023, onder andere door de herinvoering van de basisbeurs, sterk veranderd is ten opzichte van het laatste onderzoek hiernaar, waardoor de steekproef niet meer representatief is.

Het bovenstaande betreft studerenden die in Nederland wonen. Studenten met een woonadres in België of Duitsland, de grensbewoners, zijn uitgesloten van controle indien hun ouders op meer dan 120 km van de studieplaats van de student woonachtig zijn. Hiermee is een restant M&O gemoeid van € 0,71 miljoen. Dit bedrag is gebaseerd op controles voor de studiejaren 2019/2020. Bij studenten met een buitenlands woonadres buiten de grensgebieden wordt anders gecontroleerd. Er wordt gecontroleerd of de student aan de instelling in het buitenland is ingeschreven. Indien dat zo is, wordt aangenomen dat hij in het buitenland woonachtig is. Omdat er geen adrescontrole plaatsvindt, is er voor studerenden in het buitenland een (aanvaardbaar) restrisico. Het totale restrisico van de uitwonende beurzen bij artikel 11 is € 5,1 miljoen (0,10 procent).

De uitwonende basistoelage die op grond van de WTOS (regeling VO18+) aan een uitwonende scholier wordt verstrekt, bedroeg in 2023 € 291,62 per maand (en voor een thuiswonende scholier € 125,07). Bij de vaststelling van de tegemoetkoming scholieren (WTOS) wordt ook het adres van de leerling geverifieerd bij de BRP. De ouders verklaren dat de leerling uitwonend is. Het adres van de ouders wordt niet standaard gecontroleerd bij de BRP. Dit adres wordt alleen vastgelegd als het inkomensafhankelijke deel van de tegemoetkoming is aangevraagd. Bij verhuizing van de leerling wordt ook gecontroleerd. In totaal bestaat in het studiejaar 2022/2023 nog een restrisico van € 3,3 miljoen. Aangezien de totale uitgaven op grond van de WTOS lager zijn dan bij artikel 11 (Studiefinanciering), vormen de uitwonende beurzen ook hier een groter deel (4,8%).

Ontwikkelingen in 2023Medio 2023 waren er signalen in de media dat bij de controle van de uitwonendenbeurs studenten met een migratieachtergrond disproportioneel vaak in een beroeps- en bezwaarprocedure zaten. Naar aanleiding van deze berichtgeving lopen er diverse onderzoeken naar controleprocessen rondom de uitwonendenbeurs. Het gaat hierbij onder meer om een interne doorlichting van DUO van de controleprocessen rondom de uitwonendenbeurs, een extern onafhankelijk onderzoek van PricewaterhouseCoopers (PWC) naar deze controleprocessen en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) voert eveneens een onderzoek uit rondom de uitwonendencontrole van DUO. De uitkomsten hiervan zullen in 2024 bekend zijn. Het is daarom nu nog niet aan te geven welke beheersmaatregelen er in de toekomst gebruikt zullen gaan worden. Naar aanleiding van de signalen medio 2023 zijn de beheersmaatregelen, zoals die werden uitgevoerd met betrekking tot het feitelijk controleren of een student uitwonend is, halverwege 2023 stopgezet. De eerdergenoemde BRP-controle bleef in die tijd wel doorgang vinden. Na een periode is de uitwonendencontrole weer opgestart. Momenteel wordt er minder en aselect gecontroleerd of een student feitelijk uitwonend is. De selectie op grond waarvan DUO controles uitvoert of een student uitwonend is, geschiedt op dit moment zonder risico-indicatoren.

De verwachting is dat de herinvoering van de basisbeurs en de wijze waarop de uitwonendencontroles op dit moment worden vormgegeven, ervoor hebben gezorgd dat het restrisico is gestegen. Dit komt allereerst doordat de totale geldstroom van de uitgaven aan uitwonendenbeurs is toegenomen door de herinvoering van de basisbeurs. Daarnaast vermindert een aselecte steekproef de effectiviteit van de handhaving. Hierdoor is er sprake van een hoger restrisico. Dit risico kan op dit moment niet gekwantificeerd worden omdat er geen metingen gedaan zijn nadat de controleprocessen rondom de controle uitwonendenbeurs zijn veranderd.

Overige aspecten van de bedrijfsvoering

Er zijn geen bijzonderheden te melden.

Paragraaf 2 - Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen

Grote lopende ICT-projecten

Het Ministerie van OCW en de aan haar gerelateerde zbo’s kenden in 2023 zeven ICT-projecten groter dan €5 miljoen . Al deze projecten zijn al voor 2023 gestart. Het betreft 2 projecten bij de Koninklijke Bibliotheek, Emersa en Nieuw Digitaal Magazijn, die beide in 2023 afgerond zijn. De resterende 5 projecten lopen bij DUO, namelijk: Doorontwikkelen Applicatielandschap Bekostiging, Moderniseren BasisAdministratie Persoonsgegevens, Moderniseren Examens, Vervangen Legacy Innen en Vervangen Legacy Toekennen. De laatstgenoemde 2 zijn in heroriëntatie.

Al deze projecten zijn getoetst en voorzien van een oordeel van de Chief Information Officer (CIO) van het Ministerie van OCW. Moderniseren Examens en Doorontwikkelen Applicatielandschap Bekostiging zijn ook getoetst door het (rijksbrede) Adviescollege ICT-toetsing.

Van alle projecten wordt de stand van zaken openbaar gemaakt via het Rijks ICT-dashboard. Voor alle projecten geldt dat de centrale en decentrale CIO, Chief Information and Security Officers en privacyfunctionarissen adviseren over de risico’s. De risico's worden in beeld gebracht, decentraal door het betreffende dienstonderdeel, en centraal door het integrale risicobeeld en eerder genoemde CIO-oordelen.

Beleid en kaders worden concern-breed besproken in het OCW CIO-netwerk, het OCW CISO-netwerk en het OCW Chief Privacy Officer-netwerk (i.o.).

Gebruik open standaarden en open source software 

De Instructie Rijksdienst schrijft voor dat bij de aanschaf en ontwikkeling van ICT-diensten of ICT-producten in beginsel gebruik moet worden gemaakt van open standaarden van de lijst van het Forum Standaardisatie (www.forumstandaardisatie.nl). Valide afwijkingsgronden zijn opgenomen in de Instructie Rijksdienst. Indien er sprake is van een afwijking van de Instructie Rijksdienst, dan wordt dit gemotiveerd aangegeven. Bij het Ministerie van OCW zijn de CIO’s van de dienstonderdelen DUO, NA, Inspectie van het Onderwijs (IvhO), Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en Directie Organisatie en bedrijfsvoering (DOB) verantwoordelijk voor het naleven van deze instructie. De CIO’s van de dienstonderdelen werken samen in het CIO Netwerk. Hier worden afspraken gemaakt over de wijze waarop de dienstonderdelen invulling geven aan deze eis. De CIO’s van de dienstonderdelen informeren de departementale CIO over de naleving van de richtlijn. Op basis van deze informatie geeft de departementale CIO van OCW verantwoording over het gebruik van open standaarden en open source. Bij het Ministerie van OCW is in 2023 geen sprake geweest van afwijking van de Instructie Rijksdienst.

Betaalgedrag

Het streefpercentage voor tijdig betalen is 95% van alle facturen binnen 30 dagen na datum van ontvangst van de factuur. Het Ministerie van OCW voldoet al jarenlang aan de gestelde norm. Over 2023 is het percentage tijdig betalen bij het Ministerie van OCW uitgekomen op 96,8%.

Audit Committee

Conform de Regeling Audit Committees van het Rijk heeft in het jaar 2023 een tweejaarlijkse evaluatie van het Audit Committee (AC) plaatsgevonden. Het Ministerie van OCW heeft het evaluatieonderzoek verricht aan de hand van de regeling audit committees met als doel inzicht in de werking en doelbereik te krijgen. In algemene zin is het beeld dat het AC aan de eisen voldoet van de regeling audit committees, maar dat ontwikkeling nog mogelijk is. De leden zijn tevreden over het functioneren van het AC (werkwijze en inhoud). De belangrijkste observaties in de evaluatie gaan over verschillende onderwerpen.

Zo is het de bedoeling risicomanagement op de agenda te zetten en ook als uitgangspunt te nemen bij de agendering van stukken, waarbij niet alleen naar rechtmatigheid of financiële onderwerpen wordt gekeken, maar ook naar andere soorten risico’s.

Daarnaast wordt de inbreng van de huidige externe leden gewaardeerd en werkt prima. Er wordt wel aangegeven dat gastsprekers of een extern lid kunnen bijdragen aan een verdiepende en bredere inhoudelijke bespreking van onderwerpen.

De bespreking van bevindingen en onvolkomenheden in het AC werkt ook prima. Andere onderwerpen – minder vanuit de blik van ADR en AR – zijn ook interessant en nuttig zoals doelmatigheid, ICT, informatievoorziening en beveiliging, kunstmatige intelligentie en personeelsbeleid bij arbeidsmarktkrapte.

Tot slot heeft de bespreking geleid tot de beslissing om als eerste actiepunt het risicomanagementproces verder in te richten. Het Ministerie van OCW is al begonnen met het doorontwikkelen van het risicomanagementbeleid en de belangrijkste risico’s zullen voortaan periodiek worden besproken in het Audit Committee.

Departementale checks and balances subsidieregelingen

Het Ministerie van OCW heeft in 2023 verdere verbeteringen in het subsidieproces doorgevoerd. Zo zijn de bestaande formats voor risico-analyse en controlebeleid voor subsidieregelingen aan onderwijsinstellingen geëvalueerd en verbeterd. Daarnaast zijn in lijn met deze eerder genoemde formats ook formats risico-analyse en controlebeleid ontwikkeld voor subsidieregelingen aan ‘niet onderwijsinstellingen’. Voor alle formats geldt dat deze per 1 januari 2024 in gebruik zijn genomen en verplicht zijn gesteld voor alle nieuwe subsidieregelingen en voor alle wijzigingen op reeds bestaande subsidieregelingen. Verder hebben we een handreiking steekproef opgesteld om binnen het Ministerie van OCW handvatten te geven bij de steekproefsgewijze controle op de naleving van de subsidievoorwaarden- en verplichtingen.

Daarnaast is het proces voor de M&O-inventarisatie verbeterd. Zo kan door het gebruik van de nieuwe formats van risico-analyse en controlebeleid vóór de publicatie van de regeling de M&O-inventarisatie een dynamisch proces worden dat gedurende het gehele jaar plaatsvindt in plaats van jaarlijks in november. Vanaf oktober 2023 wordt aan de uitvoerders van de subsidieregelingen gevraagd om periodiek aan het Ministerie van OCW te rapporteren over signalen van M&O. Deze signalen worden betrokken bij de jaarlijkse evaluatie van de werking van het M&O-beleid per subsidieregeling. Tenslotte is ook de procesbeschrijving voor het opstellen van nieuwe subsidieregelingen doorgelicht en verbeterd. Deze procesbeschrijving wordt in het eerste kwartaal van 2024 geformaliseerd.

Normenkader financieel beheer zbo’s en rwt’s

Het normenkader financieel beheer maakt vast onderdeel uit van het toezichtkader zbo’s en rwt’s. Binnen het Ministerie van OCW is dit kader ook verankerd in een handreiking die handvatten biedt bij het reguliere toezicht op individuele zbo’s en het inrichten van het sturingsmodel (eigenaar, opdrachtgever en opdrachtnemer).

Paragraaf 3 - Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering

Datalekken bij het Ministerie van OCW en DUO

Er zijn 128 potentiële datalekken gemeld bij de interne datalekmeldpunten. Hiervan kwalificeerden 27 uiteindelijk niet als datalek. Dit brengt het totaal aantal daadwerkelijke datalekken op 101. Er zijn 17 datalekken gemeld aan betrokkenen en 11 aan de Autoriteit Persoonsgegevens.

De datalekken zijn uitgesplitst naar organisatieonderdelen.

Tabel 65 Datalekken uitgesplitst naar organisatieonderdelen
 

Gemiddelde datalekken

Waarvan geen datalek1

Waarvan wel een datlek2

Gemeld bij de AP3

Gemeld bij betrokkenen4

Totaal

128

27

101

11

17

Bestuursdepartement

17

4

13

4

3

DUO

78

23

55

5

6

Inspectie vh Onderwijs

26

0

26

2

7

Nationaal Archief

5

0

5

0

0

Rijsdienst voor Cultureel Erfgoed

2

0

2

0

1

X Noot
1

Een mogelijk datalek (toegang tot persoonsgegevens zonder dat dit mag of zonder dat dit de bedoeling is. Waarbij de oorzaak een inbreuk op de beveiliging van deze gegevens is. Ook het ongewenst vernietigen, verliezen, wijzigen of verstrekken van persoonsgegevens door zo’n inbreuk valt onder een datalek) moet intern gemeld worden, bij de afzonderlijke meldpunten bij de organisatieonderdelen van OCW.

X Noot
2

Dan vindt analyse plaats of het daadwerkelijk een datalek is en of het daadwerkelijk een datalek van OCW is.

X Noot
3

Indien sprake is van een risicovol datalek, dan is melding bij de Autoriteit Persoonsgegevens verplicht.

X Noot
4

Als er sprake is van een hoog risico datalek dan is ook melding bij de desbetreffende persoon nodig.

Qua totaalaantallen was er in 2023 sprake van een kleine afname van datalekken (101) t.o.v. 2022 (107). Op inhoud is er geen significante verschuiving in de soorten of oorzaken van datalekken geconstateerd. De aard van de datalekken wordt gemonitord om te bepalen of eventuele aanpassingen in processen noodzakelijk zijn. In 2023 is er een reeks van e-learnings, informatiebeveiliging en privacy ontwikkeld en gevolgd, dat het voorkomen, herkennen en melden van datalekken als belangrijke focus had.

C. JAARREKENING

8. Departementale verantwoordingsstaat

Tabel 66 Departementale verantwoordingsstaat 2023 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) (bedragen x € 1.000)
  

(1)

(2)

(3) = (2) - (1)

Art.

Omschrijving

Vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil realisatie en vastgestelde begroting

  

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

 

TOTAAL

52.953.242

53.253.766

1.665.440

56.088.598

55.122.878

2.024.243

3.135.356

1.869.112

358.803

        

0

0

0

 

Beleidsartikelen

52.599.590

52.902.114

1.664.873

55.724.571

54.755.621

2.021.310

3.124.981

1.853.507

356.437

01

Primair onderwijs

14.379.335

15.202.216

9.208

16.243.532

16.025.198

7.795

1.864.197

822.982

‒ 1.413

03

Voortgezet onderwijs

10.531.562

11.179.889

7.391

11.656.203

11.467.260

7.275

1.124.641

287.371

‒ 116

04

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

7.166.368

5.541.718

4.000

5.451.235

5.812.453

5.866

‒ 1.715.133

270.735

1.866

06

Hoger beroepsonderwijs

4.447.496

4.466.326

1.213

4.780.237

4.550.502

4.749

332.741

84.176

3.536

07

Wetenschappelijk onderwijs

6.742.221

6.704.031

16

7.860.906

7.094.482

4.633

1.118.685

390.451

4.617

08

Internationaal beleid

20.251

20.250

99

25.997

20.802

1

5.746

552

‒ 98

09

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

220.407

223.306

6.500

171.494

187.618

6.249

‒ 48.913

‒ 35.688

‒ 251

11

Studiefinanciering

5.516.325

5.516.325

1.233.363

5.242.784

5.242.784

1.504.908

‒ 273.541

‒ 273.541

271.545

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

73.732

73.732

2.086

68.943

68.943

2.046

‒ 4.789

‒ 4.789

‒ 40

13

Lesgelden

15.667

15.667

262.124

16.447

16.447

240.897

780

780

‒ 21.227

14

Cultuur

641.444

1.209.069

4.537

770.632

1.285.438

26.300

129.188

76.369

21.763

15

Media

1.131.778

1.128.228

134.235

1.385.227

1.275.747

210.260

253.449

147.519

76.025

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

1.705.727

1.601.116

101

2.035.774

1.687.994

148

330.047

86.878

47

25

Emancipatie

7.277

20.241

0

15.160

19.953

183

7.883

‒ 288

183

 

Niet-beleidsartikelen

353.652

351.652

567

364.027

367.257

2.933

10.375

15.605

2.366

91

Nog onverdeeld

0

0

0

0

0

0

0

0

0

95

Apparaat Kerndepartement

353.652

351.652

567

364.027

367.257

2.933

10.375

15.605

2.366

9. Samenvattende verantwoordingsstaat agentschappen

Tabel 67 Samenvattende verantwoordingsstaat 2023 inzake baten-lastenagentschappen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) (bedragen x € 1.000)
 

(1) Vastgestelde begroting

(2) Realisatie

(3) Verschil realisatie en vastgestelde begroting

(4) Realisatie 2022

Baten-lastenagentschap DUO

    

Totale baten

376.684

486.393

109.709

414.335

Totale lasten

376.684

486.184

109.500

414.647

Saldo van baten en lasten

0

209

209

‒ 312

     

Totale kapitaaluitgaven

79.700

88.376

8.676

65.061

Totale kapitaalontvangsten

47.700

37.770

‒ 9.930

25.100

     

Baten-lastenagentschap NA

    

Totale baten

52.185

62.099

9.914

54.512

Totale lasten

52.185

60.938

8.753

48.399

Saldo van baten en lasten

0

1.161

1.161

6.113

     

Totale kapitaaluitgaven

4.941

16.878

11.937

6.399

Totale kapitaalontvangsten

1.066

3.100

2.034

600

10. Jaarverantwoording agentschappen per 31 december 2023

10.1 Dienst Uitvoering Onderwijs

Inleiding

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van de Rijksoverheid voor het onderwijs. DUO levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten, examens, informatievoorziening alsmede diensten gericht op de verbetering van de verbinding tussen beleid en uitvoering, waarbij de burger en instellingen centraal worden gesteld. Daarnaast verricht DUO werkzaamheden voor overige departementen en derden. Onderdeel van DUO is de Shared Service Organisatie Noord waarbinnen het Inkoop Uitvoeringscentrum en het Overheidsdatacenter zijn ondergebracht, welke dienstverlening verricht onder meer voor het concern OCW en haar diensten en andere overheidsorganen.

Tabel 68 Staat van baten en lasten van het agentschap DUO (bedragen x € 1.000)
 

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

Realisatie t-1 (4)

Baten

    

- Omzet

376.684

485.261

108.577

414.009

waarvan omzet moederdepartement

294.581

391.319

96.738

332.798

waarvan omzet overige departementen

76.375

87.536

11.161

75.686

waarvan omzet derden

5.728

6.406

678

5.525

Rentebaten

0

1.132

1.132

147

Vrijval voorzieningen

0

0

0

179

Bijzondere baten

0

0

0

0

Totaal baten

376.684

486.393

109.709

414.335

     

Lasten

    

Apparaatskosten

341.972

446.326

104.354

384.984

- Personele kosten

240.659

310.360

69.701

263.248

waarvan eigen personeel

201.268

228.655

27.387

200.813

waarvan inhuur externen

32.049

69.750

37.701

53.530

waarvan overige personele kosten

7.342

11.955

4.613

8.905

- Materiële kosten

101.313

135.966

34.653

121.736

waarvan apparaat ICT

27.228

42.627

15.399

36.531

waarvan bijdrage aan SSO's

25.175

29.641

4.466

25.958

waarvan overige materiële kosten

48.910

63.698

14.788

59.247

Rentelasten

100

637

537

51

Afschrijvingskosten

33.012

33.483

471

28.522

- Materieel

13.000

13.092

92

11.809

waarvan apparaat ICT

12.500

12.606

106

11.281

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

500

486

‒ 14

528

- Immaterieel

20.012

20.391

379

16.713

Overige lasten

1.500

5.685

4.185

1.060

waarvan dotaties voorzieningen

1.500

5.685

4.185

1.060

waarvan bijzondere lasten

0

0

0

0

Totaal lasten

376.584

486.131

109.547

414.617

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

100

262

162

‒ 282

Agentschapsdeel Vpb-lasten

100

53

‒ 47

30

Saldo van baten en lasten

0

209

209

‒ 312

Tabel 69 Voorgestelde resultaatbestemming (bedragen x € 1.000)

Voorgestelde resultaatbestemming

Vastgestelde begroting

Realisatie

Verschil

Realisatie 2022

Toevoeging/ onttrekking:

    

- Pok/ WaU *

0

0

0

0

- Exploitatiereserve

0

209

‒ 209

‒ 312

Saldo van baten en lasten

0

209

‒ 209

‒ 312

Toelichting

DUO heeft een positief resultaat van € 0,2 miljoen gerealiseerd. Het positieve resultaat wordt toegevoegd aan het eigen vermogen. In onderstaande beschrijving wordt het resultaat nader toegelicht.

Baten

Omzet moederdepartement

Tabel 70 Omzet verantwoording agentschap DUO

Omzet moederdepartement (bedragen x € 1.000)

391.319

waarvan direct gerelateerd aan geleverde producten/diensten

 
 

waarvan productgroep/dienstengroep Bekostiging

53.690

 

waarvan productgroep/dienstengroep Studiefinanciering

136.196

 

waarvan productgroep/dienstengroep Examendiensten

44.571

 

waarvan productgroep/dienstengroep Basisregister

39.930

 

waarvan productgroep/dienstengroep Informatiediensten

13.035

 

waarvan productgroep/dienstengroep Overige taken

31.774

 

waarvan productgroep/dienstengroep Opdrachten

19.446

 

waarvan productgroep/dienstengroep Vervangingen LCM

47.412

 

waarvan productgroep/dienstengroep Shared Service Organisatie Noord

5.265

De omzet moederdepartement is € 96,7 miljoen hoger dan de oorspronkelijke begroting. Hieronder valt de dienstverlening vanuit de Shared Service Organisatie Noord voor € 5,3 miljoen verricht voor het moederdepartement en onder haar vallende diensten welke geen onderdeel was van de omzet in de Rijksbegroting. Daarnaast betreft het de looncompensatie 2023 van € 13,7 miljoen en bijstellingen in de (basis)dienstverlening welke per saldo € 53,1 miljoen belopen. Dit gaat om additionele middelen uit hoofde van WaU (€ 27,1 miljoen), werkzaamheden voortvloeiende uit het coalitieakkoord (€ 7,1 miljoen), additionele werkzaamheden op het gebied van compliance (€ 4,1 miljoen) en een tijdelijke uitbreiding van de werkzaamheden van de afname van schoolexamens (€ 8,6 miljoen). Ten slotte is de omzet uit hoofde van Life Cycle Management (LCM)hoger dan begroot (€ 6,2 miljoen). Verder zijn de opbrengsten uit de overige taken verder gestegen met circa € 8,8 miljoen en is € 12,2 miljoen ingezet ter dekking van de extra opdrachten. Daarnaast is nog eens € 3,6 miljoen extra ter beschikking gesteld voor de uitvoering van de werkplekdienstverlening ten behoeve van het departement.

De genoemde extra omzet van € 96,7 miljoen wordt voor € 5,3 miljoen gedekt vanuit middelen die OCW en de onder haar vallende diensten in hun eigen apparaatsbegroting hebben opgevoerd, € 38,5 miljoen gedekt vanuit de voorjaarsnota OCW en de overige € 52,9 miljoen vanuit middelen die reeds beschikbaar waren op de OCW-begroting.

Omzet overige departementen

Onder de omzet overige departementen (€ 87,5 miljoen) vallen onder meer de werkzaamheden in het kader van de Inburgeringstaak (€ 38,8 miljoen), het Landelijk Register Kinderopvang (€ 8,0 miljoen) en twee overige projecten (€ 0,9 miljoen) allen voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Verder vallen hieronder activiteiten voor de examens in het kader van de Wet financieel toezicht (Wft) (€ 2,1 miljoen) ten behoeve van het Ministerie van Financiën, de print- en couverteerwerkzaamheden die DUO uitvoert voor het Centraal Justitieel Incasso Bureau (€ 2,1 miljoen) ten behoeve van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Daarnaast genereert DUO omzet vanuit de activiteiten op het gebied van inkoopdiensten en datacenter-gerelateerde activiteiten van de Shared Service Organisatie Noord voor diverse ministeries (€ 34,8 miljoen). De afnemers zijn de Ministeries van Justitie en Veiligheid (€ 11,1 miljoen), Economische Zaken en Klimaat (€ 5,6 miljoen), Infrastructuur en Waterstaat (€ 0,7 miljoen), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (€ 13,0 miljoen), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (€ 3,5 miljoen), Financiën (€ 0,7 miljoen) en overige (€ 0,2 miljoen). Ten slotte valt hieronder de omzet voor detacheringen binnen de Rijksoverheid en overige werkzaamheden voor overige departementen (€ 0,8 miljoen).

De omzet overige departementen stijgt met € 11,2 miljoen ten opzichte van de oorspronkelijke begroting. Het betreft met name de dienstverlening van het Overheiddatacentrum van de Shared Service Organisatie Noord welke met € 9,6 miljoen is gestegen. Daarnaast is er sprake van een stijging van de dienstverlening aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid van € 1,1 miljoen en een stijging van € 0,5 miljoen uit hoofde van overige werkzaamheden voor overige departementen.

Omzet derden

De omzet derden (€ 6,4 miljoen) betreft onder andere de ontvangen examengelden van de kandidaten examens Nederlands als tweede taal en staatsexamen voortgezet onderwijs (€ 3,4 miljoen), inkoop- en housingactiviteiten binnen de Shared Service Organisatie Noord (€ 1,4 miljoen) en overige werkzaamheden voor derden binnen het domein onderwijs voortkomend uit OCW-beleidsmaatregelen en bedrijfsvoering DUO (€ 1,6 miljoen).

De stijging ten opzichte van de oorspronkelijke begroting bedraagt € 0,7 miljoen en heeft betrekking de overige werkzaamheden voor derden.

Rentebaten

De rentebaten van € 1,1 miljoen hebben betrekking op de ontvangen rente over het uitstaande rekening courant tegoed bij het Ministerie van Financiën.

Vrijval voorziening

De vrijval van de voorziening in 2023 is nihil.

Bijzondere baten

De bijzonder baten in 2023 zijn nihil.

Lasten

De apparaatskosten stijgen ten opzichte van de oorspronkelijke begroting met € 104,4 miljoen. De personele kosten zijn € 76,4 miljoen hoger dan begroot. De toename is het gevolg van de additionele werkzaamheden in de reguliere basisdienstverlening, WaU, het coalitieakkoord, compliance en de loonontwikkeling in 2023. Een deel van de personele inzet 2023 is geactiveerd en verantwoord onder immateriële vaste activa. Het gaat hier om gerealiseerde kosten ten behoeve van de ontwikkeling van software, systemen en applicaties. Deze zullen in de toekomst als afschrijvingskosten verantwoord worden. De materiële kosten zijn € 28,0 miljoen hoger dan begroot als gevolg van de eerder genoemde additionele werkzaamheden.

Rentelasten

De rentelasten van € 0,6 miljoen hebben betrekking op de leningen afgesloten ter financiering van de immateriële vaste activa. Dit betreffen met name door DUO zelf ontwikkelde software, systemen en applicaties.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten hebben betrekking op de materiële en immateriële vaste activa. De afschrijvingskosten zijn € 0,5 miljoen hoger dan initieel begroot.

Dotaties voorzieningen

De dotatie aan de voorzieningen bedraagt € 5,7 miljoen. De voorzieningen hebben betrekking op verplichtingen die voortvloeien uit regelingen vallend onder Sociaal Beleid Rijk, de cao en specifieke maatwerkafspraken binnen DUO. Deze voorzieningen hangen deels samen met de gewenste mobiliteit voor de komende jaren. De stijging ten opzichte van de begroting hangt samen met het opvoeren van de voorziening voor jubileumuitkeringen.

Tabel 71 Balans per 31 december 2023 (bedragen x € 1.000)
 

2023

2022

Activa

  

Vaste activa

175.171

141.775

Immateriële vaste activa

143.421

115.480

Materiële vaste activa

31.750

26.295

waarvan grond en gebouwen

0

0

waarvan installaties en inventarissen

31.751

26.295

waarvan projecten in uitvoering

0

0

waarvan overige materiële vaste activa

0

0

Vlottende activa

72.497

70.512

Voorraden en onderhanden projecten

607

584

Debiteuren

13.598

13.866

Overige vorderingen en overlopende activa

34.063

17.558

Liquide middelen

24.229

38.504

Totaal activa

247.668

212.287

   

Passiva

  

Eigen Vermogen

4.084

3.876

Pok/ WaU reserve

0

0

Exploitatiereserve

3.875

4.188

Onverdeeld resultaat

209

‒ 312

Voorzieningen

5.882

1.424

Langlopende schulden

90.167

77.693

Leningen bij het Ministerie van Financiën

90.167

77.693

Kortlopende schulden

147.535

129.294

Crediteuren

6.739

23.539

Belastingen en premies sociale lasten

159

0

Kortlopend deel leningen bij het Ministerie van Financiën

25.639

20.153

Overige schulden en overlopende passiva

114.998

85.602

Totaal passiva

247.668

212.287

Toelichting

Activa

Immateriële vaste activa

Onder de immateriële vaste activa zijn aangekochte software licenties, activa in ontwikkeling en zelfontwikkelde software opgenomen. De boekwaarde is toegenomen met € 27,9 miljoen ten opzichte van 2022 als gevolg van investeringen in het systeemlandschap (€ 44,3 miljoen) en Software en Licenties (€ 2,8 miljoen). Daarnaast is op de totale immateriële vaste activa € 19,2 miljoen afgeschreven. De voor activering in aanmerking komende projecten zijn als activa in ontwikkeling opgenomen. Het betreffen 89 (deel) projecten met een totale waarde van € 36,5 miljoen bestaande uit materiële en personele kosten. De waardering van de materiële kosten heeft plaatsgevonden tegen werkelijke kosten. De inzet van externe medewerkers is verantwoord tegen de werkelijke kosten en de inzet van interne medewerkers is verantwoord tegen de kosten zoals opgenomen in de handleiding overheidstarieven. De afschrijvingstermijn van de immateriële vaste activa bedraagt drie tot tien jaar conform de economische levensduur. De gewogen gemiddelde afschrijvingstermijn bedraagt per balansdatum 6,8 jaar.

Materiële vaste activa

Onder de materiële vaste activa is hardware en inventaris opgenomen. De boekwaarde van de materiële vaste activa is met € 5,5 miljoen toegenomen ten opzichte van 2022. Het investeringsniveau was in 2023 hoger dan de afschrijvingslast als gevolg van investeringen in het ICT domein. De afschrijvingstermijn van de materiële vaste activa bedraagt drie tot tien jaar conform de economische levensduur.

Voorraden

Dit betreffen de voorraden papier en kantoorartikelen.

Debiteuren

De debiteurenstand in 2023 bedraagt € 13,6 miljoen en ligt daarmee in lijn met de omvang van vorig jaar.

Onder de debiteuren is voor € 7,0 miljoen aan vorderingen op andere Ministeries opgenomen te weten; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap € 0,2 miljoen, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties € 4,4 miljoen, Ministerie van Justitie en Veiligheid € 1,1 miljoen, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat € 0,7 miljoen, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid € 0,1 miljoen, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat € 0,3 miljoen en Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport € 0,2 miljoen.

Overige vorderingen en overlopende activa

De post overige vorderingen en overlopende activa bedraagt in 2023 € 30,9 miljoen en is € 13,2 miljoen toegenomen ten opzichte van 2022. Onder deze post zijn bedragen opgenomen ten behoeve van softwarelicenties en onderhoudscontracten die in 2023 vooruit zijn betaald. De stijging is het gevolg van een aantal grote vooruitbetalingen in 2023 welke betrekking hebben op komende jaren.

Onder de post overige vorderingen en overlopende activa is voor € 1,1 miljoen aan vorderingen op andere Ministeries opgenomen te weten: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties € 0,8 miljoen, Ministerie van Justitie en Veiligheid € 0,1 miljoen en Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid € 0,2 miljoen.

Liquide middelen

De post liquide middelen bedraagt € 24,2 miljoen en is met € 14,3 miljoen gedaald ten opzichte van 2022. Dit als gevolg van de positieve operationele kasstroom van € 36,3 miljoen, de gepleegde investeringen van € 68,6 miljoen waar een lening van € 37,8 miljoen tegenover staat. Daarnaast is er € 19,8 miljoen afgelost op de leningen.

Passiva

Eigen vermogen

Het eigen vermogen DUO bedraagt na verwerking van het exploitatieresultaat 2023 € 4,1 miljoen. Het eigen vermogen bedraagt 1,0% van de gemiddelde omzet in de laatste drie jaar. Dit is onder het plafond van 5% van de gemiddelde omzet in de afgelopen drie jaar (€ 21,5 miljoen).

Voorzieningen

De voorzieningen bestaan uit verplichtingen in het kader van personeel (wachtgelden) € 0,5 miljoen en overige € 1,2 miljoen. Onder de overige voorzieningen zijn opgenomen de verplichtingen voortvloeiend uit afspraken in het kader van Sociaal Beleid Rijk en maatwerkafspraken binnen DUO. Daarnaast is in 2023 een voorziening gevormd voor uitkeringen jubilea van € 4,1 miljoen. Deze voorziening is op individueel niveau gevormd ten behoeve van toekomstige jubilea-uitkeringen. Bij de bepaling van de voorziening is rekening gehouden met het uitkeringspercentage van het salaris, verwachte salarisstijgingen, opgebouwde jaren, blijfkans en sterftekans. De voorziening is contact gemaakt tegen een disconteringsvoet van 2,72%. Uit de voorzieningen is € 1,2 miljoen onttrokken ten behoeve van de uitkeringen in 2023. Aan de voorziening is € 1,6 miljoen gedoteerd ten behoeve van nieuwe regelingen met name als gevolg van de gewenste mobiliteit en € 4,1 miljoen voor jubileauitkeringen.

Voorzieningen

Tabel 72 Voorzieningen (bedragen x € 1.000)
 

31-12-2022

Onttrekkingen

Dotaties

Vrijval

31-12-2023

Wachtgeld

287

‒ 472

677

0

492

Overige

1.137

‒ 754

869

0

1.252

Jubilea

4.138

0

4.138

Totaal voorzieningen

1.424

‒ 1.226

5.684

0

5.882

Leningen bij het Ministerie van Financiën

DUO heeft in 2023 wederom gebruik gemaakt van de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën. Het betreft leningen ten behoeve van vervangingen in het systeemlandschap. Van deze leningen is € 25,6 miljoen opgenomen onder het kortlopende deel leningen bij het Ministerie van Financiën, zijnde de aflossingverplichting 2024. Een bedrag van € 76,1 miljoen dient binnen vijf jaar afgelost te worden en het restantbedrag van € 14,1 miljoen heeft een looptijd langer dan vijf jaar.

Tabel 73 Overzicht leningen

Lening

Hoofdsom

Looptijd(in hele jaren)

Rente %

Begindatum

Einddatum

Aantal aflostermijnen

Openstaande leensom 31-12-2023

613954

18.360.000

8

2,28%

20-12-2023

20-12-2031

32

18.360.000

306977

1.230.000

6

2,31%

20-12-2023

20-12-2029

24

1.230.000

179333

18.180.000

4

2,45%

20-12-2023

20-12-2027

16

18.180.000

3904

9.500.000

8

2,54%

21-12-2022

23-12-2030

32

8.312.500

3903

4.500.000

6

2,50%

21-12-2022

21-12-2028

24

3.750.000

3901

11.100.000

4

2,47%

21-12-2022

21-12-2026

16

8.325.000

3702

23.500.000

8

0,00%

16-12-2021

17-12-2029

32

17.625.000

3701

2.500.000

6

0,00%

16-12-2021

16-12-2027

24

1.666.667

3700

11.000.000

4

0,00%

16-12-2021

16-12-2025

16

5.500.000

3540

2.000.000

6

0,00%

18-12-2020

18-12-2026

24

1.000.000

3539

5.000.000

4

0,00%

18-12-2020

18-12-2024

16

1.250.000

3538

21.000.000

8

0,00%

18-12-2020

18-12-2028

32

13.125.000

3361

8.310.000

4

0,00%

30-12-2019

2-1-2024

16

519.375

3360

13.700.000

10

0,01%

30-12-2019

31-12-2029

40

8.562.500

3167

16.800.000

10

0,57%

5-11-2018

6-11-2028

40

8.400.000

Totaal

166.680.000

     

115.806.042

Crediteuren

De crediteurenstand ultimo 2023 bedraagt € 6,7 miljoen. In 2022 was onder de post crediteuren een bedrag van € 19,4 miljoen aan nog te ontvangen facturen opgenomen, welke in 2023 onder de overige verplichtingen en overlopende passiva is verantwoord voor een bedrag van € 22,0 miljoen. De werkelijke mutatie in de post crediteuren ten opzichte van 2022 bedraagt derhalve een daling van € 2,7 miljoen.

Onder de post crediteuren is € 2,4 miljoen aan schulden aan andere ministeries opgenomen te weten: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap € 2,0 miljoen, Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties € 0,3 miljoen en Ministerie van Financiën € 0,1 miljoen.

Belastingen en premies sociale lasten

De post belastingen en premies heeft betrekking op nog af te dragen BTW.

Overige schulden en overlopende passiva

De balanspost overige verplichtingen en overlopende passiva van € 115,0 miljoen bestaat voor € 48,2 miljoen aan vooruit ontvangen middelen van het Ministerie van OCW. Het betreft middelen die DUO in het boekjaar 2023 of eerder heeft ontvangen maar waarvoor in het boekjaar nog geen prestatie is verricht. Op het moment dat de prestatie is geleverd, worden de ontvangsten als baten verantwoord. Het betreft hier doorlopende werkzaamheden die in 2024 zullen worden uitgevoerd. Hiervan heeft € 19,0 miljoen betrekking op diverse (doorlopende) werkzaamheden in het kader van Life Cycle Management, € 10,9 miljoen op werkzaamheden basisdienstverlening en € 18,3 miljoen op overige opdrachten.

Daarnaast zijn onder de overige schulden en overlopende passiva de opgebouwde rechten aan reservering individueel keuzebudget  en verlofrechten ultimo 2023 van het personeel in loondienst (€ 32,2 miljoen) opgenomen, nog te ontvangen facturen (€ 22,0 miljoen) en de overige te betalen bedragen (€ 12,2 miljoen). Tenslotte zijn onder deze post de in het verleden ontvangen investering specifieke financiële bijdragen van de ministeries verantwoord. Het betreft bijdragen die in het verleden de financiering van uitbreidingsinvesteringen mogelijk maakten. De onttrekking volgt het afschrijvingspatroon van de betrokken vaste activa en komt ten gunste van de afschrijvingskosten. De ultimo stand bedraagt € 0,4 miljoen waarvan € 0,2 miljoen een looptijd heeft van langer dan één jaar.

Niet uit de balans blijkende verplichtingen

De niet uit de balans blijkende verplichtingen bedragen eind 2023 circa € 149,7 miljoen (2022: € 149,1 miljoen). Het betreffen vooral contracten voor huisvesting (€ 109,5 miljoen), telecommunicatie en informatietechnologie (€ 31,6 miljoen) en support en abonementen (€ 8,5 miljoen). De volgende totaalbedragen vervallen binnen één jaar (€ 42,2 miljoen), respectievelijk vijf jaar (€ 78,2 miljoen) en later dan vijf jaar (€ 29,3 miljoen). Er is geen sprake van verplichtingen uit hoofde van langlopende leasecontracten per balansdatum.

Tabel 74 Kasstroomoverzicht over 2023 (bedragen x € 1.000)
  

Vastgestelde begroting (1)

Realisatie (2)

Verschil (3) = (2) - (1)

1.

Rekening courant RHB 1 januari +  depositorekeningen

17.519

38.504

20.985

 

totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

376.684

501.911

125.227

 

totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 341.972

‒ 465.580

‒ 123.608

2.

Totaal operationele kasstroom

34.712

36.331

1.619

 

totaal investeringen (-/-)

‒ 59.700

‒ 68.566

‒ 8.866

 

totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 59.700

‒ 68.566

‒ 8.866

 

eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

0

0

0

 

eenmalige storting door moederdepartement (+)

0

0

0

 

aflossingen op leningen (-/-)

‒ 20.000

‒ 19.810

190

 

beroep op leenfaciliteit (+)

47.700

37.770

‒ 9.930

4.

Totaal financieringskasstroom

27.700

17.960

‒ 9.740

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand  depositorekeningen (=1+2+3+4)

20.231

24.229

3.998

Toelichting

De positieve operationele kasstroom (€ 38,5 miljoen) is het saldo ontvangsten moederdepartement, overige departementen en derden (€ 501,9 miljoen). Hier staan uitgaven tegenover aan crediteuren en personeel (€ 465,6 miljoen). De investeringskasstroom van € 68,6 miljoen heeft betrekking op investeringen in het rekencentrum en software ten behoeve van de basisdienstverlening alsook investering in zelfontwikkelde software. Het betreft hier software voor de uitvoering van de reguliere dienstverlening binnen DUO. Voor deze investeringen is gebruik gemaakt van de leenfaciliteit voor een bedrag van € 37,8 miljoen. Ten slotte is een bedrag van € 19,8 miljoen afgelost op bestaande leningen. De afwijkin van de operationele kasstroom ten opzichte van de begroting laat zich verklaren door toegenomen volumes aan zowel omzet- als kostenzijde. 

Doelmatigheid

Basisindicatoren zijn de kostprijs en kwaliteit per product of dienst. DUO streeft er naar haar dienstverlening continu te verbeteren. De klanttevredenheid van het digitale kanaal is één van de al bestaande indicatoren die dit zichtbaar maken. DUO bevindt zich in een transitie van een organisatie met een complex systeemlandschap gebaseerd op ad hoc financiering, naar een wendbare ICT-gedreven organisatie waarin onderhoud, modernisering en vervanging structureel gefinancierd worden via Life Cycle Management. Met de invoering van deze LCM-systematiek gaat DUO van grote eenmalige projectinvesteringen naar structurele investeringen die over langere tijd afgeschreven worden. Dit is zichtbaar gemaakt door de post «vervangingskosten», zijnde de niet activeerbare ontwikkelkosten van de vervangingen en de post immateriële vaste activa welke de omvang van het ICT-landschap weerspiegelt.

DUO wil doelmatig zijn in het gebruik van ICT-systemen, door te sturen op een stabilisering en uiteindelijke daling van de omvang van haar ICT-landschap. Dit wil DUO bereiken door «slim» te moderniseren/ vervangen en daarmee te komen tot een onder architectuur ontwikkeld modern, simpel en kleiner ICT-landschap. Ook wil DUO sturen op de stabilisering van de kosten van onderhoud. Onder onderhoud wordt verstaan datgene wat nodig is voor instandhouding van de geautomatiseerde uitvoeringsprocessen. DUO wil dit gaan bereiken door (verouderde) systemen tijdig te moderniseren dan wel te vervangen. Daarnaast heeft DUO een indicator opgenomen voor het aantonen van doelmatigheid bij overhead.

Tabel 75 Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2023

Omschrijving Generiek Deel

Realisatie

Vastgestelde begroting

 

2020

2021

2022

2023

2023

Generiek Deel

     

Omzet per productgroep (pxq)

     

Omzet Bekostiging Instellingen

36,1

37,7

42,8

53,7

41,6

Omzet Studiefinanciering

96,5

95,3

106,7

136,2

99,1

Omzet Examendiensten1

16,2

34,9

33,3

44,6

28,3

Omzet Basisregister

31,2

35,5

33,4

39,9

31,7

Omzet Informatiediensten

10,3

7,1

10,3

13,0

10,4

Totaal basiscontract excl. LCM

190,3

210,5

226,5

287,4

211,0

      

Vervangingskosten

14,9

29,0

35,9

47,4

40,9

Kosten met betrekking tot onderhoud en beheer

30,9

34,2

44,5

43,7

34,9

Immateriële vaste activa (x1 mln.)

46,1

75,4

111,6

138,0

133,6

      

Overheadkosten t.o.v. de totale kosten (%)

23%

21%

22%

20%

20%

      

FTE

     

FTE-ARAR

2.459,1

2.567,7

2.719,0

2.961,5

2.735,0

FTE-Extern

397,4

403,6

480,9

510,2

222,0

      

Tarieven/uur

     

ICT gerelateerd

115,0

118,0

121,5

132,0

121,5

Overige uren

78,5

78,5

82,0

87,0

82,0

      

Saldo van baten en lasten (%)

100,8

100,0

100,0

100,0

100,0

      

Kwaliteitsindicatoren2

     

Klantcontact digitaal

7,3

7,1

6,7

6,6

6,5

Klantcontact traditioneel

7,4

6,9

7,4

7,8

7,0

X Noot
1

met ingang van 2020 is abstraheerd voor het onderdeel kostprijsmodel examens.

X Noot
2

met ingang van 2020 wordt gerapporteerd met één decimaal

Toelichting

Omzet/kostprijs per product: DUO aggregeert haar werkzaamheden in de going concern (basiscontract) naar vijf producten, te weten Bekostiging, Studiefinanciering, Examens, Registers en Informatiediensten. Streven voor de komende jaren is een verbeterde dienstverlening zichtbaar in de klanttevredenheid bij optimale inzet van middelen. De realisatie 2023 ligt € 76,4 miljoen hoger dan begroot. Dit met name als gevolg van loon- en prijsontwikkeling, WaU, de uitvoer van het coalitieakkoord, en de uitvoering examens Nederlands als tweede taal en het staatsexamen voortgezet onderwijs.

Vervangingskosten: De effecten van Life Cycle Management zijn inzichtelijk gemaakt door de niet activeerbare ontwikkelkosten van de vervangingen (vervangingskosten) van de immateriële vaste activa op te nemen.

Immateriële vaste activa en kosten met betrekking tot onderhoud en beheer: De omvang van het ICT-landschap wordt weerspiegeld in de balanspost immateriële vaste activa. Hierin is alle zelf ontwikkelde software opgenomen. Deze post zal de eerste jaren een stijging laten zien en vanaf 2027, afgezien van nieuwe taken, een vlakke lijn waarbij de autonome groei van het systeemlandschap is ondervangen en deze post zal stabiliseren rond de € 161,0 miljoen exclusief uitbreidingsinvesteringen als gevolg van nieuw beleid of afwaardering van bestaande systemen. Ook moet deze post worden gezien in relatie tot de indicator kosten met betrekking tot onderhoud en beheer. Door het tijdig en slim vervangen van het systeemlandschap streeft DUO (daar waar, volgens onderzoek Gartner 2018, normaliter sprake is van een autonome groei van circa zes procent) naar een gelijkblijvend onderhoud en beheer.

Overheadkosten t.o.v. de totale kosten (%): De indicator drukt de overhead uit als percentage van de totale kosten.

FTE totaal: De bezetting van ARAR is gestegen ten opzichte van 2022. Dit is met name het gevolg van WaU, de uitvoering van het coalitieakkoord en de groei op het projectenportfolio.

Projecttarief per uur: Het projecttarief (ICT gerelateerd) is € 132,00 per uur en met € 10,50 gestegen ten opzichte van 2022.

Meerwerktarief per uur: Het meerwerktarief is € 87,00 per uur en met € 5,00 gestegen ten opzichte van 2022.

Saldo baten en lasten: DUO begroot met een exploitatiesaldo van nul. Het positieve saldo van baten en lasten 2023 van € 0,2 miljoen bedraagt 0,0% van de baten.

Met het Ministerie van OCW is een set met indicatoren afgesproken, te weten: «Klanttevredenheid klantcontact digitaal» en 'Klanttevredenheid klantcontact traditioneel'.

Klanttevredenheid klantcontact digitaal: Over 2023 heeft deze indicator een score van 6,6 op een schaal van 0 tot 10. Over 2022 bedroeg de score 6,7 op een schaal van 0 tot 10.

Klanttevredenheid klantcontact traditioneel: Over 2023 heeft deze indicator een score van 7,8 op een schaal van 0 tot 10. Over 2022 bedroeg de score 7,4 op een schaal van 0 tot 10.

10.2 Nationaal Archief

Het Nationaal Archief (NA) beheert de archieven van de rijksoverheid en archieven van maatschappelijke organisaties en individuele personen die van nationaal belang zijn (geweest). In de depots ligt bijna duizend jaar geschiedenis van Nederland opgeslagen in archieven en in duizenden kaarten, tekeningen en foto’s. De missie van het Nationaal Archief is het dienen van ieders recht op informatie en het geven van inzicht in het verleden van ons land door inzet voor een sterk archiefbestel, een afgewogen beleid voor archiefwaardering en selectie en optimale zorg voor alle rijksarchieven en de nationale archiefcollectie in Den Haag te beheren en onsite en online te presenteren.

Nationaal Archief en Regionale Historische Centra

Op basis van de Archiefwet 1995 heeft de Minister van OCW een specifieke verantwoordelijkheid voor alle rijksarchiefbewaarplaatsen, zijnde het Nationaal Archief in Den Haag en elf rijksarchiefbewaarplaatsen in de provinciehoofdsteden. De archiefbewaarplaatsen in de provinciehoofdsteden maken deel uit van de Regionale Historische Centra (RHC’s). De RHC’s zijn zelfstandige openbare lichamen, die vanuit het Rijk en andere partners een financiële bijdrage ontvangen. Dit jaarverslag handelt alleen om de baten en lasten van het Nationaal Archief. De rijksbijdragen aan de afzonderlijke RHC’s zijn onderdeel van artikel 14 (Cultuur) van de begroting van het Ministerie van OCW.

Tabel 76 Staat van baten en lasten van het agentschap NA (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

(1) Vastgestelde begroting

(2) Realisatie

(3)=(2)-(1) Verschil realisatie en vastgestelde begroting

(4) Realisatie 2022

Baten

    

Omzet

52.185

61.402

9.217

54.460

waarvan omzet moederdepartement

47.085

59.568

12.483

52.814

waarvan omzet overige departementen

3.900

400

‒ 3.500

11

waarvan omzet derden

1.200

1.433

233

1.635

Rentebaten

0

571

571

52

Mutatie projectgelden

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

125

125

0

Bijzondere baten

0

1

1

0

Totaal baten

52.185

62.099

9.914

54.512

     

Lasten

    

Apparaatskosten

50.362

58.288

7.926

45.843

- Personele kosten

26.240

36.562

10.322

26.978

waarvan eigen personeel

22.740

26.999

4.259

21.008

waarvan inhuur externen

2.500

7.408

4.908

5.139

waarvan overige personele kosten

1.000

2.155

1.155

831

- Materiële kosten

24.122

21.726

‒ 2.396

18.865

waarvan apparaat ICT

1.200

2.093

893

786

waarvan bijdrage aan SSO’s

6.500

7.047

547

5.850

waarvan overige materiële kosten

16.422

12.586

‒ 3.836

12.229

Afschrijvingskosten

1.813

2.456

643

2.293

- Materieel

1.813

2.456

643

2.293

waarvan apparaat ICT

150

 

‒ 150

108

waarvan overige materiële afschrijvingskosten

1.663

2.456

793

2.185

- Immaterieel

0

0

0

0

Overige lasten

0

194

194

256

waarvan dotaties voorzieningen

0

0

0

256

waarvan bijzondere lasten

0

194

194

0

Rentelasten

10

‒ 10

7

Totaal lasten

52.185

60.938

8.753

48.399

     

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

0

1.161

1.161

6.113

Agentschapsdeel Vpb-lasten

0

0

0

0

     

Saldo van baten en lasten

0

1.161

1.161

6.113

Mutatie POK/WaU gelden*

0

0

0

0

Saldo van baten en lasten na resultaatbestemming *

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

De omzet van het moederdepartement over 2023 bedraagt € 59,6 miljoen. Hierin is ook een bijdrage opgenomen voor activiteiten in het kader van Werk aan Uitvoering (WaU-gelden) en De Oorlog voor de Rechter. De bijdrage voor verbetering van de informatiehuishouding (Open op Orde) is ook via OCW ontvangen.

De totale baten in 2023 zijn € 62,1 miljoen en € 9,9 miljoen hoger dan begroot.

De stijging van de baten ten opzichte van de begroting komt vooral doordat er projectmiddelen voor informatiehuishouding en Werk aan Uitvoering zijn opgenomen in het resultaat over 2023. Daarnaast is er een stijging door onder andere de loon- en prijsbijstellingen in 2023.

Het NA presenteert de doorbetalingen van gelden van OCW aan de regionale historische centra niet in de eigen omzet omdat het NA hierbij een kassiersfunctie vervult.

Omzet derden

De omzet derden is gestegen vanwege bijdragen van derden voor onder andere tentoonstellingen, archiefwerkzaamheden en doorbelastingen van gebruik van het gebouw. De bijdrage van de Provincie Zuid-Holland (€ 0,4 miljoen) is voor het beheer van de archieven Zuid-Holland.

Rentebaten

In de vastgestelde begroting is geen rekening gehouden met rentebaten omdat in de jaren voor 2023 over direct opneembare tegoeden bij het schatkistbankieren aanzienlijk minder rente werd vergoed. In 2023 is € 0,6 miljoen aan rentebaten ontvangen.

Tabel 77 Omzetverantwoording agentschap NA

Omzet moederdepartement (x € 1 miljoen)

59,6

waarvan direct gerelateerd aan geleverde producten/diensten

59,6

 

waarvan productgroep/dienstengroep Fysiek archief

13,7

 

waarvan productgroep/dienstengroep Digitaal archief

14,6

 

waarvan productgroep/dienstengroep Publiek

10,3

 

waarvan productgroep/dienstengroep Digitalisering

12,0

 

waarvan productgroep/dienstengroep Kennis en advies

9,1

Lasten

Apparaatskosten

De apparaatskosten bedragen € 58,3 miljoen en zijn circa € 7,9 miljoen hoger dan de begroting. De personele kosten nemen toe door een uitbreiding van de personele bezettingen en door cao-loonstijgingen. Er is meer uitgegeven aan de inhuur van extern personeel. Dit is met name inhuur voor specialistische (ict-)kennis.

Afschrijvingskosten

De afschrijving van de materiële vaste activa bedraagt € 2,5 miljoen en is € 0,6 miljoen hoger dan begroot.

Tabel 78 Balans per 31 december 2023 (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

Balans 2023

Balans 2022

Activa

  

Vaste activa

10.831

9.994

Materiële vaste activa

10.831

9.994

waarvan grond en gebouwen

559

621

waarvan installaties en inventarissen

10.208

9.285

waarvan projecten in uitvoering

  

waarvan overige materiële vaste activa

64

88

Immateriële vaste activa

  

Vlottende activa

18.981

25.799

Voorraden en onderhanden projecten

55

41

Debiteuren

269

1.023

Overige vorderingen en overlopende activa

1.924

1.025

Liquide middelen

16.732

23.710

Totaal activa

29.812

35.793

   

Passiva

  

Eigen Vermogen

3.595

8.079

Exploitatiereserve

2.435

1.966

Onverdeeld resultaat

1.161

6.113

Voorzieningen

131

256

Langlopende schulden

  

Leningen bij het Ministerie van Financiën

8.203

6.953

Investeringsbijdrage

0

0

Projectgelden

0

0

Kortlopende schulden

  

Investeringsbijdrage

0

0

Projectgelden

0

0

Crediteuren

1.710

1.531

Belastingen en premies sociale lasten

0

21

Kortlopend deel leningen bij het Ministerie van Financiën

1.850

1.167

Overige schulden en overlopende passiva

14.323

17.786

Totaal passiva

29.812

35.793

Toelichting

Activa

Vaste Activa

De post Installaties en Inventarissen is per saldo met € 1,0 miljoen toegenomen door investeringen en de afschrijvingen hierop.

Vlottende Activa

De vlottende activa dalen doordat de liquide middelen zijn afgenomen. Dit is een gevolg van terugbetalingen aan OCW van liquide middelen die op de balans stonden.

Tabel 79 Debiteuren (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2023

2022

Vorderingen op het moederdepartement

0

0

Vorderingen op overige departementen

234

738

Vorderingen op overige debiteuren

36

285

Stand per 31 december

270

1.023

Tabel 80 Overige vorderingen en overlopende activa (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2023

2022

Nog te ontvangen van moederdepartement

328

3

Nog te ontvangen op overige departementen

21

52

Nog te ontvangen van overige organisaties

1.575

970

Stand per 31 december

1.924

1.025

Liquide middelen

De liquide middelen bestaan uit de Rekening-Courant met de Rijkshoofdboekhouding (RHB) van het Ministerie van Financiën en een klein saldo kasmiddelen. De liquide middelen zijn afgenomen omdat het bestemmingsfonds voor huisvesting van de RHC’s in overleg met OCW geheel is afgebouwd in 2023. Dit bestemmingsfonds werd volledig in liquide middelen aangehouden.

Passiva

Eigen Vermogen

Het eigen vermogen bedraagt ultimo 2023 € 3,6 miljoen. Hiermee komt het eigen vermogen boven de maximumomvang van 5 procent van de gemiddelde jaaromzet, berekend over de laatste drie jaar.

Tabel 81 Overzicht vermogensontwikkeling over de jaren 2021 ‒ 2023 (bedragen x € 1.000)
 

2023

2022

2021

Eigen Vermogen

   

Saldo per 1 januari

8.079

5.157

4.176

Onverdeeld resultaat

1.161

6.113

2.995

Overige directe mutaties

   

Directe vermogensmutatie

   

Bijdrage door moederdepartement

   

Overige directe mutaties

‒ 5.644

‒ 3.191

‒ 2.014

Saldo per 31 december

3.596

8.079

5.157

De verdeling van het onverdeeld resultaat over 2023 komt tot uitdrukking in de jaarrekening 2024. Het plafond aan eigen vermogen dat het NA mag aanhouden van 5 procent van de gemiddelde jaaromzet over de afgelopen 3 jaar is € 2,7 miljoen. Omdat er € 3,6 miljoen aan eigen vermogen is, heeft het NA een surplus van € 0,9 miljoen. Dit surplus wordt aan OCW betaald in 2024.

Voorzieningen

De voorzieningen zijn 2023 afgenomen. Dit is het saldo van dotaties, onttrekkingen en vrijval van wachtgeldverplichtingen. Deze hebben betrekking op de voorziening voor verplichtingen aan oud-personeelsleden.

Tabel 82 Voorzieningen (bedragen x € 1.000)
  

Wachtgeld

Reorganisatie

Totaal

Stand 1 januari 2023

256

0

256

Dotatie

0

0

0

Onttrekking

0

0

0

Vrijval

125

0

125

Stand 31 december 2023

131

0

131

Langlopende schulden

De langlopende schulden nemen toe in 2023 vanwege leningen die zijn afgesloten bij het ministerie van Financiën. Deze werkwijze is passend bij de status van baten-lastenagentschap.

Kortlopende schulden

De crediteuren en nog te betalen bedragen zijn als volgt te specificeren:

Tabel 83 Crediteuren (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2023

2022

Schulden op het moederdepartement

225

218

Schulden op overige departementen

363

177

Schulden op overige crediteuren

1.122

1.137

Stand per 31 december

1.710

1.531

Tabel 84 Overige verplichtingen en overlopende passiva (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

2023

2022

Nog te betalen aan moederdepartement

8.862

13.956

Nog te betalen aan overige departementen

447

219

Nog te betalen aan overige organisaties

5.014

3.612

Stand per 31 december

14.323

17.787

Er waren in 2023 nog te betalen bedragen aan het moederdepartement, overige departementen en overige organisaties die een kortlopend karakter hebben. Het Nationaal Archief heeft eind 2021 een bijdrage ontvangen van OCW aan het meerjarige project De oorlog voor de rechter. Dit is in 2023 verder aangevuld met bijdragen van andere financiers. Het project is inmiddels gestart en met OCW zijn afspraken gemaakt over meerjarige financiering en bevoorschotting.

Leningen

Door het aangaan van nieuwe leningen en aflossingen zijn per saldo de leningen bij het Ministerie van Financiën ten behoeve van investeringen toegenomen in 2023.

Tabel 85 Overzicht leningen

lening

hoofdsom

looptijd (in hele jaren)

Rente %

Begindatum

Einddatum

aantal aflostermijnen

openstaande leensom31-12-2023

deel <1 jaar

deel >1 en <5 jaar

deel >5 jaar

L003684

950.000,00

5

0,00%

7-12-2021

7-12-2026

60

570.000

190.000

380.000

0

L003622

5.300.000,00

15

0,10%

25-6-2021

25-6-2036

60

4.416.667

353.333

1.413.333

2.650.000

L004035

1.200.000,00

3

3,06%

26-10-2023

26-10-2026

12

1.200.000

400.000

800.000

0

L004036

1.600.000,00

5

3,03%

26-10-2023

26-10-2028

20

1.600.000

320.000

1.280.000

0

L004037

300.000,00

10

3,26%

26-10-2023

26-10-2033

40

300.000

30.000

120.000

150.000

L003877

600.000,00

5

2,07%

30-11-2022

30-11-2027

20

480.000

120.000

360.000

0

L003624

1.250.000,00

5

0,00%

25-6-2021

25-6-2026

20

625.000

250.000

375.000

0

L003625

400.000,00

3

0,00%

25-6-2021

25-6-2024

12

66.667

66.667

0

0

L003623

600.000,00

10

0,00%

25-6-2021

25-6-2031

40

450.000

60.000

240.000

150.000

L003284

600.000,00

10

0,00%

16-7-2019

16-7-2029

40

345.000

60.000

240.000

45.000

L002083

1.000.000,00

10

2,00%

15-11-2012

15-11-2022

40

0

0

0

0

Tabel 86 Kasstroomoverzicht per 31 december 2023 (bedragen x € 1.000)
  

(1) Vastgestelde begroting

(2) Realisatie

(3)=(2)-(1) Verschil realisatie en vastgestelde begroting

1.

Rekening courant RHB 1 januari 2023 +  depositorekeningen

12.361

23.710

11.349

 

totaal ontvangsten operationele kasstroom (+)

52.185

63.753

11.568

 

totaal uitgaven operationele kasstroom (-/-)

‒ 50.362

‒ 56.953

‒ 6.591

2.

Totaal operationele kasstroom

1.823

6.799

4.976

 

totaal investeringen (-/-)

‒ 1.066

‒ 3.364

‒ 2.298

 

totaal boekwaarde desinvesteringen (+)

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

‒ 1.066

‒ 3.364

‒ 2.298

 

eenmalige uitkering aan moederdepartement (-/-)

‒ 2.828

‒ 12.347

‒ 9.519

 

eenmalige storting door moederdepartement (+)

 

aflossingen op leningen (-/-)

‒ 1.047

‒ 1.167

‒ 120

 

beroep op leenfaciliteit (+)

1.066

3.100

2.034

4.

Totaal financieringskasstroom

‒ 2.809

‒ 10.413

‒ 7.604

5.

Rekening courant RHB 31 december 2023 + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

10.309

16.732

6.423

Toelichting

In het kasstroomoverzicht wordt voor de operationele kasstroom een uitsplitsing gemaakt naar ontvangsten en uitgaven. De ontvangsten hebben betrekking op bijdragen van het moederdepartement, andere departementen, omzet derden en projectgelden. De uitgaven betreffen betalingen aan personeel en leveranciers voor de reguliere werkzaamheden, maar ook voor projecten.

De liquide middelen van het NA zijn in 2023 met circa € 7 miljoen afgenomen. Dit is het saldo van een toename die is veroorzaakt door het positieve resultaat en een afname vanwege terugbetalingen aan OCW in 2023. De terugbetalingen in 2023 hadden betrekking op surplus Eigen Vermogen eind 2022 en Huisvestingfonds voor de RHC's.

Tabel 87 Overzicht doelmatigheidsindicatoren per 31 december 2023

Omschrijving

Realisatie

Vastgestelde begroting

 

2020

2021

2022

2023

2023

Generiek Deel

     
      

Gemiddeld gewogen kostprijs per productgroep

     

- de (gem) prijs per m fysiek archief (capaciteit)

18

17

18

20

20

- de (gem) prijs per Terabyte digitaal archief

1.514

1.191

1.253

1.217

1.300

Gemiddeld gewogen uurtarief intern personeel

     

- primaire taken - activiteiten

61

58

61

63

60

Aantal fte

     

- formatie op lumpsum en projecten

197,82

221,78

275,15

303,40

220-240

- formatie Programma Digitale Taken rijksarchieven

0

0

0

0

0

Saldo baten en lasten

2.135.837

2.995.491

6.113.292

1.160.671

0

Ontwikkeling aantallen bezoekers

     

- bezoekers - tentoonstellingen

5.486

855

5.456

4.270

20.000

- onderwijs

2.427

1.348

4.931

5.263

13.000

- studiezaal - bezoekers

6.690

6.589

10.139

14.157

12.000

- studiezaal - raadplegingen archiefstukken

83.480

95.691

112.986

159.292

100.000

- Website Nationaal Archief

1.921.441

2.065.979

1.921.015

2.666.524

2.000.000

Cijfer bezoeker tevredenheid

7,5

n.v.t.

n.v.t.

  

Voldoen aan webrichtlijnen Rijk

***

***

***

***

***

Beschikbaarheid - bereikbaarheid organisatie

     

- fysieke dienstverlening; geopend:

     

- informatiecentrum en studiezaal

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

di t/m vr

- tentoonstelling

di t/m zo

di t/m zo

di t/m zo

di t/m zo

di t/m zo

- ontvangst schoolgroepen

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

ma t/m vr

- Digitale dienstverlening eDepot (basisdienstverlening)

     

- beschikbaarheid (%)

nvt

nvt

nvt

nvt

nvt

- helpdesk openingstijden op werkdagen

8:30–17:00

8:30–17:00

8:30–17:00

8:30–17:00

8:30–17:00

Toelichting

De kostprijzen per productgroep in de begroting 2023 zijn gebaseerd op het kostprijsmodel 2018.

Door uitbreiding van taken neemt de personele bezetting toe.

Het effect van de coronapandemie was terug te zien in het fors gedaalde aantal fysieke bezoekers in de laatste jaren, zowel van de tentoonstellingen als in het kader van onderwijs. Maar in 2023 neemt de dienstverlening over de gehele breedte toe. Bovendien is te zien dat het aantal bezoekers van de website fors is gestegen.

11. Saldibalans

Tabel 88 Saldibalans per 31 december 2023 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII)(bedragen x € 1.000)

Activa

31-12-2023

 

31-12-2022

 

Passiva

31-12-2023

 

31-12-2022

          

Intra-comptabele posten

       

1

Uitgaven ten laste van de begroting

55.122.872

 

53.198.552

2

Ontvangsten ten gunste van de begroting

2.024.243

 

1.790.561

3

Liquide middelen

248

 

267

     

4

Rekening-courant RHB

   

4a

Rekening-courant RHB

53.097.607

 

51.407.167

5

Rekening-courant RHB Begrotingsreserve

58.985

 

58.008

5a

Begrotingsreserves

58.985

 

58.008

6

Vorderingen buiten begrotingsverband

189

 

201

7

Schulden buiten begrotingsverband

1.459

 

1.291

8

Kas-transverschillen

        

Subtotaal intra-comptabel

55.182.294

 

53.257.028

Subtotaal intra-comptabel

55.182.294

 

53.257.028

          

Extra-comptabele posten

       

9

Openstaande rechten

193.943

 

193.130

9a

Tegenrekening openstaande rechten

193.943

 

193.130

10

Vorderingen

37.705.385

 

36.386.975

10a

Tegenrekening vorderingen

37.705.385

 

36.386.975

11a

Tegenrekening schulden

0

 

0

11

Schulden

0

 

0

12

Voorschotten

9.640.778

 

7.612.097

12a

Tegenrekening voorschotten

9.640.778

 

7.612.097

13a

Tegenrekening garantieverplichtingen

3.990.181

 

3.758.438

13

Garantieverplichtingen

3.990.181

 

3.758.438

14a

Tegenrekening andere verplichtingen

44.235.836

 

43.503.364

14

Andere verplichtingen

44.235.836

 

43.503.364

15

Deelnemingen

0

 

0

15a

Tegenrekening deelnemingen

0

 

0

Subtotaal extra-comptabel

95.766.123

 

91.454.004

Subtotaal extra-comptabel

95.766.123

 

91.454.004

          

Totaal

150.948.417

 

144.711.032

Totaal

150.948.417

 

144.711.032

Toelichting

1. en 2. Uitgaven/ontvangsten 2023

De uitgaven over 2023 zijn uitgekomen op € 55.122.871.693,20 en de ontvangsten op € 2.024.243.424,92. In de departementale jaarrekening komen de uitgaven uit op €55.122.872.000,00 en de ontvangsten op € 2.024.243.000,00. Het verschil tussen de werkelijke uitgaven en de realisatie volgens de departementale jaarrekening 2023 wordt veroorzaakt door de in deze rekening gehanteerde afrondingsregels.

3. Liquide middelen

De post Liquide middelen is opgebouwd uit het saldo bij de banken (gebaseerd op het laatste dagafschrift).

Tabel 89 Liquide middelen (bedragen x € 1.000)
  

Openstaand per 31-12-2023

Openstaand per 31-12-2022

Totaal liquide middelen

 

248

267

4. Rekening-courant Rijkshoofdboekhouding (RHB)

Op de rekening-courant wordt de financiële verhouding met het Ministerie van Financiën geadministreerd. Ook worden door middel van deze administratie de begrotingsuitgaven en ontvangsten met het Ministerie van Financiën afgewikkeld.

5. Rekening-Courant RHB Begrotingsreserve

Een begrotingsreserve is een geoormerkte meerjarige budgettaire voorziening die door een ministerie op een afzonderlijke rekening-courant bij het Ministerie van Financiën wordt aangehouden. Het gaat om een budgettaire voorziening of reserve binnen de Rijksbegroting. De reserve blijft meerjarig beschikbaar voor het doen van uitgaven in latere jaren. Voor de begrotingsreserve museaal aankoopfonds en de begrotingsreserve risicopremie garantstelling onderwijsinstellingen en rekening-courantlimieten die instellingen aanhouden bij het Ministerie van Financiën wordt een rekening-courant aangehouden bij het Ministerie van Financiën.

Tabel 90 Rekening-Courant RHB Begrotingsreserve (bedragen x € 1.000)

Naam begrotingsreserve

Saldo 1-1-2023

Toevoegingen 2023

Onttrekkingen 2023

Saldo 31-12-2023

Verwijzing naar begrotingsartikel

Museaal aankoopfonds

41.652

3.411

4.342

40.721

14

Risicopremie garantstelling onderwijsinstellingen

16.356

1.908

 

18.264

95

Totaal

58.008

5.319

4.342

58.985

 

Begrotingsreserve museaal aankoopfonds

In 1998 is het museaal aankoopfonds opgericht. Dit is een intra-comptabel fonds met het karakter van een interne reserverekening. Op deze rekening wordt bijgehouden hoeveel geld er voor kunstaankopen voor latere jaren beschikbaar is.

Reserve risicopremie garantstelling onderwijsinstellingen

In 2004 is de regeling Schatkistbankieren van kracht geworden. Instellingen kunnen bij het Ministerie van Financiën een schatkistlening aanvragen op basis van een strikte hypothecaire zekerheid of garantiestelling van de gemeenten. Het Ministerie van OCW staat garant voor deze leningen. Hiervoor ontvangt het Ministerie van OCW een risicopremie van 0,1 procentpunt per jaar gedurende de gehele looptijd van de schatkistlening. In verband met een herziening van de afspraken tussen de Ministeries van Financiën en OCW staat het Ministerie van OCW vanaf 2012 ook garant voor de rekening-courantlimieten die instellingen aanhouden bij het Ministerie van Financiën. Hiervoor ontvangt het Ministerie van OCW een risicopremie van 0,25 procentpunt van het uitstaande saldo. Beide risicopremies worden gestort in een begrotingsreserve.

Op deze rekening wordt bijgehouden hoeveel geld er voor eventuele tegenvallers voor latere jaren beschikbaar is. Dit is een intra-comptabele rekening met het karakter van een interne reserverekening.

6. Vorderingen buiten begrotingsverband

Tabel 91 Vorderingen buiten begrotingsverband (bedragen x € 1.000)
  

Openstaand per 31-12-2023

Te verrekenen personeel en voormalig personeel

 

189

Totaal

 

189

7. Schulden buiten begrotingsverband

Tabel 92 Schulden buiten begrotingsverband (bedragen x € 1.000)
  

Openstaand per 31-12-2023

Overig

 

1.459

Totaal

 

1.459

Bij de post overig gaat het om diverse posten zoals projecten van de Europese Unie (€ 0,6 miljoen), legaten (€ 0,2 miljoen), fondsen (€ 0,3 miljoen) en nog af te dragen btw (€ 0,1 miljoen).

9. Openstaande rechten

Tabel 93 Openstaande rechten (bedragen x € 1.000)
  

Openstaand per 31-12-2023

Lesgelden

 

193.943

Totaal

 

193.943

Het betreft hier de lesgeldvorderingen van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).

10. Vorderingen

De stand van de debiteuren per 31-12-2023 wordt als volgt gespecificeerd naar beleidsartikel en overige onderdelen:

Tabel 94 Stand debiteuren (bedragen x € 1.000)
  

Openstaand per 31-12-2023

Openstaand per 31-12-2022

1

Primair onderwijs

7.611

3.753

3

Voortgezet onderwijs

1.317

99

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

1.910

1.830

6

Hoger beroepsonderwijs

2.290

2.315

7

Wetenschappelijk onderwijs

125

162

8

Internationaal beleid

0

0

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

1.642

2.279

11

Studiefinanciering

37.648.808

36.326.632

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

1.598

5.341

13

Lesgelden

0

0

14

Cultuur

36.884

43.729

15

Media

0

0

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

120

105

25

Emancipatie

602

52

95

Apparaat Kerndepartement

2.478

678

Lening Bonaire

 

0

Totaal

37.705.385

36.386.975

De openstaande vorderingen van beleidsartikel 11 (Studiefinanciering) worden hieronder nader toegelicht.

Tabel 95 Specificatie debiteuren studiefinanciering (bedragen x € 1.000)
 

Openstaand per 31-12-2023

Openstaand per 31-12-2022

Direct opeisbaar

66.564

76.375

Kortlopende vorderingen

10.672

12.380

Ov vorderingen

55.892

63.995

   

Op termijn opeisbaar

37.582.244

36.250.257

Prestatiebeurs

7.657.001

7.068.669

Rentedragende lening

29.925.243

29.181.588

Eindtotaal

37.648.808

36.326.632

In de saldibalans zijn meerdere soorten debiteuren opgenomen. De kortlopende vorderingen betreffen vorderingen op studenten die onterecht studiefinanciering hebben ontvangen. De OV-vorderingen betreffen vorderingen op studenten als gevolg van onterecht gebruik van de reisvoorziening. De prestatiebeursleningen zijn leningen die in een gift worden omgezet als de student (debiteur) heeft voldaan aan de eerstejaars prestatienorm of een diploma heeft behaald binnen de diplomatermijn van 10 jaar. Op basis van historische cijfers is de ervaring dat circa 90% van de prestatiebeursleningen wordt omgezet in een gift. Hierdoor zijn ze niet als direct opeisbaar gemarkeerd. Van de rentedragende lening zit 35% van de rentedragende lening (€ 30,1 miljard) zit in de opbouwfase. Na afloop van de studiefinanciering vangt de twee jarige aanloopfase aan. Dit bedraag 24% van de rentedragende lening. In beide fases int DUO nog niets op deze vorderingen. Na deze fases start de aflosfase. 42% van de rentedragende lening zit in de aflosfase en zijn daarmee feitelijk opeisbaar. De studenten (inmiddels debiteuren) lossen de studieschuld in 15 jaar (oud stelsel) of in 35 jaar (nieuw stelsel) af. Hierdoor zijn ze als niet opeisbaar gemarkeerd.

De begroting van het Ministerie van OCW beleidsartikel 11 (Studiefinanciering) geeft inzicht in de raming van de ontvangsten van de komende vijf jaar. De totaal geraamde ontvangsten voor de komende vijf jaar bedraagt circa € 8 miljard. Dit betreft de periode 2024 tot en met 2028. Het totaal aan vorderingen is met ongeveer € 1,3 miljard gestegen. Dit wordt enerzijds veroorzaakt door hogere vorderingen aan leningen. Er vallen steeds meer studenten onder het studievoorschot die gemiddeld een hoger bedrag lenen. Ook is de rente voor het eerst sinds jaren weer positief, wat zorgt voor hogere vorderingen.  Daarnaast lossen studenten onder het studievoorschot in 35 jaar af, in het oude stelsel is dit 15 jaar. Daardoor staat een lening gemiddeld langer uit.  Anderzijds is ook de vordering aan prestatiebeurzen toegenomen. Deze toename wordt veroorzaakt door de herinvoering van de basisbeurs in het hbo en het wo, waardoor in 2023 meer prestatiebeurzen zijn verstrekt.

Tabel 96 Verloop van de vorderingen studiefinanciering (bedragen x € 1.000)
 

Openstaand per 31-12-2023

Openstaand per 31-12-2022

Openstaande bedragen per 01-01-2023

36.326.632

34.715.431

Mutatie bruto vorderingen

4.566.568

4.632.647

Omgezet in gift

‒ 1.557.448

‒ 1.600.139

Afgelost (ontvangen en verrekend)

‒ 1.634.069

‒ 1.336.333

Overige mutaties, w.o. buiten invordering en kwijtschelding

‒ 52.875

‒ 84.974

Totaal

37.648.808

36.326.632

De vorderingstand neemt toe doordat vorderingen worden uitbetaald of ingesteld.De vorderingstand neemt af doordat er wordt afgelost, doordat prestatieleningen worden omgezet in gift, en omdat vorderingen onder voorwaarden mogen of moeten worden afgeboekt.

12. Voorschotten

De stand van de voorschotten per 31-12-2023 wordt als volgt naar beleidsartikel gespecificeerd:

Tabel 97 Voorschotten naar beleidsartikel (bedragen x € 1.000)
  

Openstaand per 31-12-2023

Openstaand per 31-12-2022

1

Primair onderwijs

2.519.039

1.932.643

3

Voortgezet onderwijs

907.092

454.198

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

719.488

707.072

6

Hoger beroepsonderwijs

27.613

19.313

7

Wetenschappelijk onderwijs

29.067

35.832

8

Internationaal beleid

15.466

7.525

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

95.307

92.355

11

Studiefinanciering

2.229.511

2.083.639

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

0

0

13

Lesgelden

0

0

14

Cultuur

2.743.921

2.067.164

15

Media

152.968

92.141

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

179.230

66.760

25

Emancipatie

18.851

50.261

95

Apparaat Kerndepartement

3.225

3.194

Totaal

9.640.778

7.612.097

Het bedrag aan openstaande voorschotten bij beleidsartikel 11 (Studiefinanciering) betreft de voorlopige vergoeding van contractkosten aan de ov-bedrijven.

De stand van de voorschotten per 31-12-2023 wordt als volgt gespecificeerd naar vergoedingsjaar:

Tabel 98 Voorschotten naar vergoedingsjaar (bedragen x € 1.000)
 

Stand per 1-1-2023

Verstrekt 2023

Afgerekend 2023

Stand per 31-12-2023

2003

1.340

  

1.340

2004

21

  

21

2005

3.473

  

3.473

2006

2.750

  

2.750

2007

1.061

  

1.061

2008

5.761

  

5.761

2009

2.491

  

2.491

2010

2.556

 

500

2.056

2011

5.183

 

500

4.683

2012

6.200

 

18

6.182

2013

13.889

 

518

13.371

2014

19.089

 

84

19.005

2015

18.569

 

1.371

17.198

2016

23.055

 

7.939

15.116

2017

25.019

 

16.698

8.321

2018

48.991

 

27.585

21.406

2019

88.749

 

50.227

38.522

2020

836.253

 

523.650

312.603

2021

2.857.740

 

1.246.737

1.611.003

2022

3.649.907

 

498.066

3.151.841

2023

4.423.258

20.684

4.402.574

Totaal

7.612.097

4.423.258

2.394.577

9.640.778

13. Garantieverplichtingen

In het verleden zijn instellingen zelfstandig op de kapitaalmarkt leningen aangegaan ter financiering van bouwinvesteringen, onder garantiestelling van het Rijk richting de geldverschaffers voor de rente en aflossingsverplichtingen. De destijds vigerende garantieregelingen zijn inmiddels niet meer van kracht. Vanaf 2014 kunnen onderwijsinstellingen leningen afsluiten bij het Ministerie van Financiën in het kader van schatkistbankieren voor her- en nieuwbouw. Het bedrag van de garantieverplichtingen (nog openstaande rente en aflossingsverplichtingen op lopende leningen) is het theoretisch maximale risico dat het ministerie ultimo 2023 nog loopt in verband met garantiestellingen op bouwleningen en overige garantieleningen. In onderstaand overzicht zijn de ultimo 2023 openstaande garanties gespecificeerd opgenomen:

Tabel 99 Garantieverplichtingen (bedragen x € 1.000)
 

Openstaand per 31-12-2023

Openstaand per 31-12-2022

Bouwleningen aan academische ziekenhuizen

100.375

113.084

Bouwleningen aan scholen en instellingen vo

0

0

Garanties Cultuur

795.601

833.846

Garantie Vervangingsfonds

23.000

23.000

Garantie Participatiefonds

7.000

7.000

Garanties Onderzoek en wetenschapsbeleid

17.904

19.099

Garanties Wetenschappelijk Onderwijs

584.014

381.788

Garanties Hoger beroepsonderwijs

850.148

823.129

Garanties Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

860.961

826.293

Garanties Voortgezet onderwijs

598.554

573.372

Garanties Primair onderwijs

152.624

157.827

Totaal

3.990.181

3.758.438

Voor de academische ziekenhuizen is sinds 1991 de garantieregeling niet meer van kracht, met uitzondering van enkele op dat moment in gang gezette bouwprojecten. Sinds 1996 zijn geen garanties meer verstrekt. Deze leningen hebben gemiddeld een looptijd van 40 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2035 volledig hebben plaatsgevonden.

De uitstaande garanties bij Cultuur bedragen € 795,6 miljoen. Hiervan is € 568,1 miljoen verstrekt door het Nationaal Restauratiefonds, waarvan € 373,7 miljoen betrekking heeft op de achterborgovereenkomst en € 194,4 miljoen betreft een garantie onder de indemniteitsregeling. Voorts is er garantie verleend ad € 227,5 miljoen betrekking hebbende op de door het Ministerie van Financiën verstrekte geldleningen aan Cultuurinstellingen.

De uitstaande garanties participatie- en vervangingsfonds zijn het gevolg van het bestuurlijk akkoord dat in 2003 met de fondsen is gesloten en houden verband met garantstelling in verband met het schatkistbankieren.

De uitstaande garantie bij Onderzoek en Wetenschapsbeleid bedraagt € 17,9 miljoen. Dit betreft de garantie voor een lening van Stichting Biomedical Primate Research Center (BPRC) bij de Bank Nederlandse Gemeenten.

De uitstaande garanties bij Wetenschappelijk onderwijs (€ 584,0 miljoen), het Hoger beroepsonderwijs (€ 850,1 miljoen), het Beroepsonderwijs en (€ 861,0 miljoen), het Voortgezet onderwijs (€ 598,6 miljoen) en het Primair onderwijs (€ 152,6 miljoen) hebben betrekking op de door het Ministerie van Financiën verstrekte geldleningen en rekening-courantkredieten aan onderwijsinstellingen. De geldleningen in het wo, hbo en mbo worden verstrekt onder hypothecaire zekerheid; de geldleningen in het po en vo onder gemeentegarantie. Het risico voor het Ministerie van OCW is hierdoor beperkt. Voor de rekening-courantkredieten wordt geen zekerheid gevraagd. De garantstelling betreft de maximale roodstandfaciliteit. In de praktijk wordt dit zelden volledig benut. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen per onderwijssector.

Tabel 100 Opbouw garantstellingen onderwijsinstellingen (bedragen x € 1 miljoen)
 

Maximale k

Leningen

Wetenschappelijk onderwijs

214,8

369,2

Hoger onderwijs

256,2

593,9

Beroepsonderwijs en volwasseneducatie

256,1

604,9

Voortgezet onderwijs

186,0

412,6

Primair onderwijs

38,9

113,8

De opbouw van de stand van de garantieverplichtingen kan als volgt worden weergegeven:

Tabel 101 Openstaande garantieverplichtingen (bedragen x € 1.000)

Stand 1 januari 2023

3.758.438

Bij: Aangegane verplichtingen 2023

975.203

Af: Afgelopen garantie 2023

743.460

Af: Verrichte betalingen 2023

0

Af: Negatieve bijstellingen van aangegane garantieverplichtingen voor 2023

0

Stand 31 december 2023

3.990.181

14. Andere verplichtingen

De opbouw van de stand van de aangegane verplichtingen kan als volgt worden weergegeven:

Tabel 102 Andere verplichtingen (bedragen x € 1.000)

Stand 1 januari 2023

43.503.364

Bij: aangegaan 2023

55.855.344

  

Af: Tot betaling gekomen in 2023

55.122.872

Stand 31 december 2023

44.235.836

De specificatie van de openstaande verplichtingen per beleidsartikel ultimo 2022 is hieronder opgenomen.

Tabel 103 Andere verplichtingen naar beleidsartikel (bedragen x 1.000)

1

Primair onderwijs

15.085.162

3

Voortgezet onderwijs

9.095.172

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4.552.433

6

Hoger beroepsonderwijs

4.409.297

7

Wetenschappelijk onderwijs

7.037.431

8

Internationaal beleid

15.345

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

19.803

11

Studiefinanciering

0

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

0

13

Lesgelden

0

14

Cultuur

1.028.518

15

Media

1.195.165

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

1.736.786

25

Emancipatie

60.041

95

Apparaat Kerndepartement

683

Totaal

44.235.836

Niet uit de saldibalans blijkende bestuurlijke verplichtingen

Primair en Voortgezet onderwijs

Op 22 april 2022 is het onderwijsakkoord «samen voor het beste onderwijs» gesloten. Voor de meeste afspraken die voortkomen uit dit onderwijsakkoord zijn inmiddels cao-afspraken gemaakt en zijn de middelen al beschikt en betaald. Voor één afspraak uit het onderwijsakkoord zijn nog geen verplichtingen aangegaan voor het komend jaar. Sociale partners in het voortgezet onderwijs hebben afspraken gemaakt over professionele ontwikkeling van schoolleiders, waaronder de invoering van professionaliseringsmiddelen voor schoolleiders. Voor 2023 zijn de middelen van € 10,0 miljoen die jaarlijks beschikbaar zijn wel reeds uitgekeerd via projectsubsidies aan onder andere VOION. Vanaf 2024 wordt een geïndexeerd bedrag van € 10,6 miljoen voor dit doel toegevoegd aan de bekostiging voor scholen, zoals is afgestemd met de partners met wie het onderwijsakkoord is gesloten.

Vanuit de drie convenanten onderwijshuisvesting Saba, Bonaire en Sint Eustatius (Caribisch Nederland) is er in totaal $ 72,8 miljoen (US-dollars) beschikbaar. Hiervan is inmiddels $ 39,8 miljoen (US Dollars) betaald dan wel verplicht. Voor het restant, voor de jaren 2024 en verder, geldt dat er hiervoor bestuurlijke verplichtingen zijn aangegaan. Het gaat in totaal om een bedrag van $ 33,0 miljoen (US Dollars). Dat bedrag is nog niet juridisch verplicht en betreft derhalve een niet uit de saldibalans blijkende bestuurlijke verplichting.»

Middelbaar beroepsonderwijs

Op 14 februari 2023 is de werkagenda mbo «Samen werken aan talent» met de sector afgesloten. Onderdeel van de werkagenda is de vierde tranche van de regeling kwaliteitsafspraken mbo. Hiermee is een bedrag van in totaal € 3.757,0 miljoen bestuurlijk verplicht over de periode 2024 tot en met 2027. Van dit bedrag is ultimo 2023 een bedrag van € 192,0 miljoen juridisch verplicht en € 3.565,0 miljoen bestuurlijk verplicht. Het resterende bestuurlijk verplichte bedrag wordt in de periode 2024 tot en met 2027 daadwerkelijk juridisch verplicht. Het betreft de volgende bedragen in 2024 € 1.632,2 miljoen, in 2025 € 951,9 miljoen, in 2026 € 941,8 miljoen en in 2027 € 39,1 miljoen.

Hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs

In 2022 is het Bestuursakkoord 2022 hoger onderwijs en wetenschap afgesloten met de Vereniging Hogescholen en de Vereniging Universiteiten van Nederland. Hierin zijn afspraken gemaakt over onder andere starters- en stimuleringsbeurzen, sectorplannen en praktijkgericht onderzoek.In totaal is hiermee voor € 9,3 miljard (prijspeil 2022) bestuurlijk verplicht voor de periode 2022 ‒ 2031. Per ultimo 2023 zijn de bedragen voor jaren 2022-2024 betaald c.q. juridisch verplicht. Het nog bestuurlijk verplichte deel per ultimo 2023 bedraagt voor artikel 6 (HBO) € 929 miljoen, voor artikel 7 (WO) € 3.577 miljoen en artikel 16 (OWB) € 1.632 miljoen.

Erfgoed en Kunsten

In brieven aan een groot aantal gemeenten en provincies heeft het Ministerie van OCW in 2023 aangekondigd in de periode 2025-2028 jaarlijks maximaal € 15,2 miljoen te investeren in het programma Cultuureducatie met Kwaliteit. Hoeveel precies wordt beschikt hangt af van de inzet van medeoverheden: het ministerie legt maximaal evenveel in als de betreffende provincie of gemeente. De beschikkingen zijn eind 2023 nog niet verstuurd.

In 2023 is de Erfgoed Deal met een addendum verlengd tot en met 2025. Het Ministerie van OCW heeft zich met ondertekening bestuurlijk verplicht tot een bijdrage van € 12,5 miljoen. Daarvan was ultimo 2023 € 8 miljoen nog niet beschikt.

De provincie Groningen heeft in 2018 voor het onderhoud van rijksmonumenten in het aardbevingsgebied twee onderhoudsregelingen opgesteld en in uitvoering gebracht, conform het Erfgoedprogramma van de Nationaal Coördinator Groningen, het Ministerie van OCW, de provincie Groningen en de gemeenten in het aardbevingsgebied. Het gaat om de subsidieregeling Groot Onderhoud en Restauratie Rijksmonumenten Groningen en de subsidieregeling Regulier Onderhoud Rijksmonumenten Groningen. Aan de provincie is toegezegd dat vanuit het ministerie van OCW voor de periode 2023 ‒ 2025 jaarlijks € 3,5 miljoen beschikbaar zal worden gesteld voor deze twee regelingen. Voor de jaren 2024 en 2025 zijn nog geen beschikkingen verstuurd.

Aan de Europese commissie is een intentieverklaring verstuurd voor ondersteuning van de stichting Eurosonic Noorderslag bij de organisatie van de Music Moves Europe Awards (MMEA) in de periode 2025-2028 (referentie EAC/S13/2023). Het gaat om een bijdrage van € 0,1 miljoen per jaar.

In haar Kamerbrief over de Toekomst culturele basisinfrastructuur van 20 oktober 2022 heeft Staatssecretaris van Cultuur en Media aangekondigd om de € 2 miljoen per jaar voor versterking van de culturele infrastructuur in Flevoland, Friesland, Drenthe, Zeeland, Limburg en Overijssel, voort te zetten in de periode 2025-2028.

Tabel 104 Niet uit de saldibalans blijkende bestuurlijke verplichtingen - beleidsartikel 14 (bedragen x 1.000)

Onderwerp

Bestuurlijke partij

Bedrag eind 2023

CMK

divers

60.800

Erfgoed Deal

IPO en VNG

8.000

Monumenten aardbevingsgebied

provincie Groningen

7.000

MMEA 2025-2028

Europese cie / ESNS

400

Financiële impuls versterking van de culturele infrastructuur provincies

Provincies Flevoland, Friesland, Drenthe, Zeeland, Limburg en Overijssel

8.000

totaalbedrag artikel 14 directie E&K

 

78.200

Onderzoek & Wetenschapsbeleid

De subsidie aan Delta Climate Centre (DCC) is onderdeel van Wind in de zeilen: het compensatiepakket voor de provincie Zeeland vanwege het niet doorgaan van de verhuizing van de marinierskazerne. In een bestuursakkoord (zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-942429.pdf) tussen de staat en de provincie staat vastgelegd dat het Rijk de afgesproken prestaties moet leveren (prestatie is in dit geval vanuit OCW de financiële bijdrage) en anders in gebreke kan worden gesteld. Deze subsidie is dus tot het einde van de looptijd volledig bestuurlijk verplicht. Het betreft € 67,6 miljoen totaal voor de periode van 2024 tot en met 2030.

Het Ministerie van OCW heeft in 2023 met het Rijksvastgoedbedrijf en de Koninklijke Bibliotheek, het Literatuurmuseum en het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis afspraken gemaakt over de instandhoudingsopgave die rust op het pand waar de drie genoemde organisaties zijn gehuisvest. In deze bestuurlijke afspraak heeft het ministerie zich bestuurlijk gecommitteerd aan die instandhoudingsopgave, met als doel de risico’s voor de collectie van de Koninklijke Bibliotheek beheersbaar te houden. De resterende waarde van de bestuurlijke toezegging bedraagt maximaal €25,8 miljoen en beslaat de periode 2024 tot begin 2029.

Niet uit de saldibalans blijkende financiële risico’s voortkomend uit lopende juridische procedures.

Er loopt een rechtszaak van 222 schoolbesturen tegen de Staat/OCW die gaat over wel of niet te weinig ontvangen bekostiging door schoolbesturen vanwege een verandering van bekostigingssystematiek. Op 10 en 11 januari 2023 hebben de 222 schoolbesturen beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de beslissing op bezwaar van de Minister van OCW. De schoolbesturen stellen dat ze gezamenlijk € 251 miljoen te vorderen hebben van OCW.

Aanleiding voor de kwestie is de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging bekostiging primair onderwijs (Stb. 2021, 171). Als gevolg van deze wet wordt de bekostiging per 1 januari 2023 vastgesteld op kalenderjaarbasis in plaats van op schooljaarbasis. Daarnaast wordt de bekostiging uitgekeerd met een betaalritme waarin schoolbesturen maandelijks 1/12e van de totale bekostiging ontvangen. Dat is een verandering ten opzichte van daarvoor: tot 1 januari 2023 werd de bekostiging grotendeels verstrekt op basis van een «onevenredig betaalritme» (gebaseerd op 'schooljaar'), waarbij in de periode januari t/m juli 65,45% van de bekostiging voor personeelskosten wordt verstrekt en in de periode augustus t/m december 34,55%. Als gevolg van deze verandering in de bekostigingssystematiek zouden de schoolbesturen volgens hen 7,12% van de totale bekostiging voor personeelskosten in kalenderjaar 2022 mislopen en hierdoor gezamenlijk een schade lijden van ongeveer € 251 miljoen. OCW stelt dat de schoolbesturen in het primair onderwijs steeds 100% van de bekostiging voor personeelskosten hebben ontvangen. De zitting in deze zaak heeft plaatsgevonden op 15 februari 2024.  

12. WNT-verantwoording 2023 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII)

De Wet normering topinkomens (WNT) bepaalt dat de bezoldiging en eventuele ontslaguitkeringen van topfunctionarissen in de publieke en semi-publieke sector op naamsniveau vermeld moeten worden in het financieel jaarverslag. Deze publicatieplicht geldt tevens voor topfunctionarissen die bij een WNT-instelling geen - al dan niet fictieve - dienstbetrekking hebben of hadden. Daarnaast moeten van niet-topfunctionarissen de bezoldiging (zonder naamsvermelding) gepubliceerd worden indien deze het wettelijk bezoldigingsmaximum te boven gaan. Niet-topfunctionarissen zonder dienstverband vallen echter buiten de reikwijdte van de wet.

Voor dit departement heeft de publicatieplicht betrekking op onderstaande functionarissen. De bezoldigingsgegevens van de leden van de Top Management Groep zijn opgenomen in het jaarverslag van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het algemeen bezoldigingsmaximum bedraagt in 2023 € 223.000.

Naast de hier vermelde functionarissen zijn er geen andere functionarissen die in 2023 een bezoldiging boven het toepasselijke WNT-maximum hebben ontvangen, of waarvoor in eerdere jaren een vermelding op grond van de WOPT of de WNT heeft plaatsgevonden of had moeten plaatsvinden.

Er zijn in 2023 geen ontslaguitkeringen betaald die op grond van de WNT dienen te worden gerapporteerd. Er zijn in 2023 geen leidinggevende topfunctionarissen die op grond van de WNT in verband met de cumulatie van dienstbetrekkingen dienen te worden gerapporteerd.

Tabel 105 Bezoldiging van topfunctionarissen1

Naam instelling

Naam top-functionaris

Functie

Datum aanvang dienst-verband (indien van toepassing)

Datum einde dienst-verband (indien van toepassing)

Dienstverband in fte (+ omvang in 2022)

Op externe inhuur-basis (nee; <= 12 kalender-mnd; > 12 kalender-mnd)

Beloning + onkostenvergoedingen (belast)(+ bedrag in 2022)

Voorzieningen t.b.v. beloningen betaalbaar op termijn (+ bedrag in 2022)

Totale bezoldiging in 2023 (+ bedrag in 2022)

Individueel toepasselijk bezoldigings-maximum

Motivering (indien overschrijding)

CvTE

T.G.M. Bekker**

lid college

 

1-10-2023

       

CvTE

H. de Deugd**

lid college

         

CvTE

S.J. de Groot**

plv. lid college

1-10-2023

        

CvTE

A.M.L. Jansen**

lid college

         

CvTE

M.A. Jansen**

plv. lid college

         

CvTE

A. Kaim-Lammers

lid college

  

0,025 (0,025)

nee

2.627 (2.081)

n.v.t.

2.627 (2.081)

5.575

n.v.t.

CvTE

R.C. Leeftink**

plv. lid college

1-2-2023

        

CvTE

C.M.T. Peters

lid college

  

0,025 (0,025)

nee

1910 (0)

n.v.t.

1910 (0)

5.575

n.v.t.

CvTE

M. Scheepers**

plv. lid college

         

CvTE

W.B. Spoelstra**

lid college

         

CvTE

J.H. van der Vegt

voorzitter college

  

0,2 (0,20)

nee

28.872 (6.852)

n.v.t.

28.872 (6.852)

44.600

n.v.t.

CvTE

D. Wakker**

plv. lid college

1-12-2023

        

CvTE

C.W.M. Zandbergen**

plv. lid college

         

CvTE

Y. van Zijl**

lid college

         

CvTE

R.W. Zoutendijk**

plv. lid college

 

1-11-2023

       
X Noot
1

Voor topfunctionarissen met een bezoldiging van € 1.900 of minder wordt met ingang van de WNT-verantwoording over 2017 volstaan met de naam en functie van de topfunctionaris. Deze topfunctionarissen worden gemarkeerd met **) achter de naam. De overige kolommen van de tabel blijven leeg en worden uitgevlakt.

D. BIJLAGEN

Bijlage 1 Toezichtrelaties rechtspersonen met een wettelijke taak (rwt) en zelfstandige bestuursorganen (zbo)

Tabel 106 Overzichtstabel rwt's en zbo's van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (bedragen x € 1.000)

Naam ZBO/RWT

Begrote bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Gerealiseerde bijdrage moederdepartement aan ZBO/RWT

Begrote bijdrage overige departementen

Gerealiseerde bijdrage overige departementen

Bijzonderheden

ZBO's

Bedrag

Bedrag

Bedrag

Bedrag

Ja/Nee

Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+

70.148

79.039

0

0

nee