Kamerstuk 36410-XIII-14

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Dossier: Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (XIII) voor het jaar 2024

Gepubliceerd: 10 oktober 2023
Indiener(s): Jan Klink (VVD)
Onderwerpen: begroting financiƫn
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36410-XIII-14.html
ID: 36410-XIII-14

Nr. 14 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 10 oktober 2023

De vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen, voorzien van een inleiding, met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 2 oktober 2023 voorgelegd aan de Ministers van Economische Zaken en Klimaat en voor Klimaat en Energie en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat. Bij brief van 9oktober 2023 zijn ze door de Ministers van Economische Zaken en Klimaat en voor Klimaat en Energie en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Klink

De griffier van de commissie, Nava

Inleiding

Toezeggingen Commissiedebat Klimaat en Energie

Tijdens het Commissiedebat Klimaat en Energie van 27 september jl. heb ik (Minister voor Klimaat en Energie) toegezegd uw Kamer te informeren over het aflopen van ISDE-subsidie voor zon-PV en kleine windturbines, en over de overwegingen voor het al dan niet verlengen hiervan. Daarnaast heb ik aan het lid Erkens toegezegd om terug te komen op zonnepanelen en de SDE.

Afloop ISDE voor zon-PV en kleine windturbines

In 2019 is door Agnes Mulder (CDA) een amendement ingediend voor de ISDE, om met dit subsidie-instrument ook zon-PV en kleine windturbines te ondersteunen met als doel het mkb te helpen verduurzamen. Het amendement is in 2021 in werking getreden, voor een duur van 3 jaar met een totale reservering van € 100 miljoen. Eind dit jaar loopt het amendement af en naar verwachting zal dan ca. € 60 miljoen uitgegeven zijn. Er zijn geen middelen gereserveerd voor verlenging van het amendement.

Voor zon-PV zijn terugverdientijden inmiddels zo aantrekkelijk dat ISDE-subsidie niet meer nodig is om bedrijven tot een investering te verleiden. Investeringen in kleine windturbines komen echter zonder subsidie waarschijnlijk niet tot stand. Kleine windmolens wekken in verhouding tot moderne turbines namelijk weinig elektriciteit op, waardoor de inzet van middelen hiervoor minder doelmatig is. Tegelijkertijd bieden kleine windturbines met name voor boerenbedrijven een belangrijke kans om mee te doen met de energietransitie.

Om deze redenen is het in mijn ogen alleen verstandig om voor kleine windturbines verlenging van het ISDE-deel te overwegen. Daarom heb ik tijdens het commissiedebat Klimaat en Energie van 27 september jl. ook aangegeven dat ik overweeg bij Voorjaarsnota 2024 geld te reserveren voor het verlengen van ISDE-steun voor kleine windturbines. Voor de verlenging van enkel het ISDE-deel voor windturbines tot eind 2024 is € 5 miljoen nodig. Als deze verlenging per Voorjaarsnota 2024 geregeld wordt, dan kunnen bedrijven pas in de tweede helft van 2024 subsidie aanvragen voor kleine windturbines.

Zonnepanelen en de SDE

Bij nieuwe SDE++-beschikkingen worden zonnepanelen aangesloten op 50% van het piekvermogen; de vraag van het lid Erkens is of dat ook (juridisch) kan bij bestaande SDE++-beschikkingen en, indien dit mogelijk is, wat daar de kosten van zouden zijn. Het antwoord is dat dit niet kan bij bestaande SDE++-beschikkingen, want in het verleden afgegeven subsidiebeschikkingen kunnen niet eenzijdig worden aangepast. Dit is juridisch niet mogelijk, ook niet tegen een schadevergoeding. Er is wel een andere goede oplossing voorhanden. Een netbeheerder kan afspraken met producenten maken om tegen een vergoeding de productie te beperken op het moment dat congestie dreigt (congestiemanagement). Dit is op dit moment al mogelijk en wordt ook al in de praktijk toegepast. Op dit moment bepalen netbeheerders en producenten de financiële vergoeding per geval, in onderhandeling. Dat kost veel tijd en dat maakt het lastig deze oplossing grootschalig toe te passen. Netbeheerders en (de branchevereniging van) producenten werken nu samen aan meer standaardisatie, bijvoorbeeld in de vorm van een standaard prijsformule om de vergoeding te bepalen. Een producent wordt via de vergoeding dan gecompenseerd voor de inkomsten die hij mist doordat hij niet kan produceren. Het is de verwachting dat deze oplossing grootschaliger kan worden toegepast en kan leiden tot verlichting van de invoedingscongestie vanaf medio 2024. Ik zal uw Kamer begin volgend jaar informeren over de stand van zaken van deze oplossing, bij de Kamerbrief netcongestie. Aangezien het juridisch niet mogelijk is bestaande beschikkingen aan te passen, kan geen inschatting gemaakt worden van de kosten.

1

Hoe verhoudt het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) zich tot de eveneens op langetermijn gerichte investeringen van het Nationaal Groeifonds (NGF)?

Hoe verhouden de zeven uitgaven-maatregelen waaraan EZK binnen het HVP uitvoering geeft, te weten: AiNed, Groenvermogen Waterstof, Nationaal Onderwijslab, Quantum Delta NL, Health RI, Investeringssubsidie Duurzame Energie, Wind op Zee, zich tot de doelstellingen en uitgaven van het NGF? Is er sprake van nauwe complementariteit en synergie? Zo ja, welke? Welke andere brede effecten zullen deze HVP uitgaven-maatregelen hebben voor het langetermijn verdienvermogen en welke effecten zijn beoogd?

Antwoord

In het coalitieakkoord is opgenomen dat de Nederlandse inzet voor de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF) moest bestaan uit staand beleid. Dit betekent concreet dat er projecten zijn geselecteerd die nationaal reeds voorzien waren van dekking. Bij het opstellen van het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) is gekeken welk staand beleid aansloot bij de vereisten uit de HVF-verordening en zodoende opgevoerd konden worden als inzet voor het Nederlands HVP.

Er zijn vijf NGF-projecten (deels) onder de HVF opgevoerd, te weten AiNed, Groenvermogen Waterstof, Nationaal Onderwijslab, Quantum Delta NL en Health RI. Deze projecten dragen bij aan de doelstelling van het Nationaal Groeifonds (de versterking van ons duurzaam verdienvermogen op de lange termijn) en voldoen aan de vereisten van de HVF-verordening.

Omdat deze specifieke plannen zowel in het Nationaal Groeifonds zijn opgenomen als in het Nederlandse HVP als maatregelen staan, is er sprake van een hoge mate van coherentie van deze investeringen. Dit is ook logisch, omdat de doelstellingen van NGF en HVF grotendeels overeenkomen. Wel is er een knip gemaakt in de projecten omdat de HVF een horizon in 2026 heeft en de NGF-projecten een langere looptijd hebben.

2

Waaruit blijkt dat de Nederlandse economie in internationaal perspectief goed hersteld is?

Antwoord

De Nederlandse economie is sinds de coronacrisis hard gegroeid. Dit in tegenstelling tot de landen om ons heen. Zo is de Nederlandse economie sinds begin 2020 met 6,2% gegroeid. De Duitse economie groeide gedurende dezelfde periode met 0,2% en de Franse economie met 1,3%. Dit duidt op een sterk herstel van de Nederlandse economie in internationaal perspectief sinds de coronacrisis.

Dat gezegd hebbende zit Nederland momenteel wel in een technische recessie (twee kwartalen van economische krimp). Ook hebben we, net als andere landen, last van de hoge energieprijzen en arbeidstekorten. We zien daarbij ook dat de werkloosheid langzaam oploopt. Voor volgend jaar wordt nog wel economische groei geraamd van 1,4%. De sterke post-corona groei is dus wel afgevlakt, maar voor volgend jaar wordt nog wel economische groei van 1,4% geraamd.

3

Wat was de werkloosheid afgelopen jaar? Hoeveel bedrijven zijn er failliet gegaan? Kunt u aangeven wat de voornaamste reden is voor de faillissementen?

Antwoord

Volgens de nieuwste cijfers lag de werkloosheid in augustus 2023 op 3,6% van de totale beroepsbevolking. Volgens het CBS zijn er in 2022 2.145 bedrijven failliet verklaard. Dit is een historisch laag aantal. Sinds de start van de statistiek in 1981 was het aantal faillissementen alleen in 2021 nog lager. Toen bedroeg het aantal faillissementen 1.818. In 2023 zijn er t/m augustus 2.074 bedrijven failliet verklaard. De faillissementen lopen op. Al 16 maanden op rij is het aantal faillissementen hoger dan in dezelfde maand een jaar eerder. Verdere informatie is te vinden op de site van het CBS (https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/82242NED).

Uit de cijfers valt op te maken dat gedurende de coronacrisis het aantal faillissementen historisch gezien erg laag lag. Dit hangt waarschijnlijk samen met de steunpakketten die namens de overheid aangeboden werden. Een deel van de voorkomen faillissementen tijdens corona worden nu ingehaald. Verder is het ook waarschijnlijk dat het aantal faillissementen nu onder andere oploopt door terugvallende buitenlandse vraag, hogere inputprijzen, uitgestelde belastingen die terugbetaald moeten worden en hogere financieringskosten. Hoewel faillissementen voor betrokkenen pijnlijk zijn, is het voor een gezonde economische dynamiek wel van belang dat bedrijven die niet rendabel zijn, uiteindelijk stoppen. Alleen dan ontstaat er ruimte voor een gelijk speelveld voor gezonde bedrijven, nieuwe economische activiteiten en kan arbeid en kapitaal naar bedrijven en sectoren vloeien waar zij het meest meerwaarde leveren.

4

Door en in welk sectoren wordt het meeste geïnvesteerd? En wat is de aard van deze investeringen?

Antwoord

Binnen Nederland wordt het meeste geïnvesteerd in woningen, bedrijfsgebouwen, grond-, weg- en waterbouwkundige werken, machines en installaties, computerprogrammatuur en databanken en onderzoek en ontwikkeling. Het gros van deze investeringen wordt gedaan door vennootschappen, huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens. Het resterende deel van de investeringen wordt gedaan door de overheid. In sommige sectoren, zoals grond-, weg- en waterbouwkundige werken, investeert juist de overheid het meest. Dit is echter een uitzondering. Verdere informatie over investeringen is te vinden op de site van het CBS (https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84091NED/table).

5

U stelt dat de mate van valorisatie van wetenschappelijke kennis in Nederland ruimte kent voor verbetering. Hoe blijkt uit de begroting dat u valorisatie gaat verbeteren?

Antwoord

EZK is nauw betrokken bij het Groeifondsvoorstel Deltaplan Valorisatie dat door OCW in samenwerking met een breed consortium wordt ingediend. De Groeifondscommissie heeft geadviseerd voor dit voorstel is € 417 miljoen te reserveren. Toekenning van dit voorstel zou een grote impuls betekenen voor valorisatie in Nederland. De EZK-begroting bevat verder geen nieuwe middelen voor valorisatie. Wel wordt er vanuit bestaand beleid, zoals via projecten die gefinancierd worden vanuit het National Groeifonds, fors ingezet op valorisatie. Ook zetten we in op het richten van het bestaande innovatiebeleid op valorisatie. Hiertoe werken we onder andere aan het toegankelijker maken van de PPS-toeslag voor het mkb door deze aan te passen naar de nieuwe PPS-innovatieregeling. Ten slotte is er regelmatig contact met onder meer universiteiten, TO2-instellingen, hogescholen en de ROM’s over hoe valorisatie in Nederland kan worden verbeterd.

6

U stelt: «We zijn een land waar bedrijven zich graag vestigen en groeien.» Waarop baseert u feitelijk de bewering dat we een land zijn waar bedrijven zich graag vestigen en groeien, aangezien het tegendeel waar lijkt te zijn (afgelopen week alleen al vertrokken MSD, in de Eemshaven bedrijven en luidde ASML de noodklok)?

Antwoord

Uit data van het CBS1 blijkt dat het aantal bedrijven in Nederland groeit. Ten opzichte van 2010 is het aantal multinationals met meer dan 20 procent gegroeid. Het Nederlandse bedrijfsleven telde in 2021 ongeveer 25,1 duizend multinationals. Verder blijkt uit verschillende internationaal vergelijkende ranglijsten dat Nederland er in algemene zin ronduit goed voor staat. Nederland draait al jaren mee in de internationale top. In de IMD World Competitiveness Ranking 20232 staat Nederland op de vijfde plek. Overigens zijn ranglijsten, gegeven de verwerkingstijd, veelal gebaseerd op verouderde data. Momenteel wordt de Monitor Ondernemingsklimaat uitgewerkt, welke een periodiek, evenwichtig en zo actueel mogelijk beeld zal geven van de ontwikkelingen in het vestigings- en ondernemingsklimaat. De eerste versie zal in januari 2024 worden opgeleverd.

Een goed vestigings- en ondernemingsklimaat is geen vanzelfsprekendheid en verdient daarom voortdurend aandacht. Bedrijven hebben bovenal behoefte aan een stabiel (fiscaal) beleid. Verder zijn er onder andere tekorten op de arbeidsmarkt, netcongestie en gebrek aan ruimte waardoor het vestigingsklimaat onder druk staat. Daarvan getuigen ook de recente signalen van het bedrijfsleven zoals MSD, Eemshaven en ASML. Ik neem deze signalen uiterst serieus en onderneem daarom concrete acties om het vestigings- en ondernemingsklimaat te versterken. Daarbij sta ik in nauw contact met het bedrijfsleven en wil ik de «Impacttoets ondernemingsklimaat» inrichten voor strengere nationale invulling van Europese regelgeving (zogenaamde nationale koppen)3. Het doel van de impacttoets ondernemingsklimaat is om bij toekomstige wetgeving vooraf een inschatting te maken van de gevolgen van de strengere Nederlandse invulling van Europese regelgeving op de internationale concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven. Tegelijkertijd vernieuw ik het vestigings-en ondernemingsklimaat: basis op orde en focus op het stimuleren van bedrijfsactiviteiten die cruciaal zijn voor de transities en de weerbaarbaarheid van de economie.

7

Hoeveel van het Klimaatfonds is momenteel vrij besteedbaar? Hoeveel is gealloceerd voor innovatie? Hoe profiteren (innovatieve) Nederlandse bedrijven hiervan?

Antwoord

Zoals beschreven in het Meerjarenprogramma (MJP) Klimaatfonds 2024 heeft het kabinet, vooruitlopend op de instelling van het Klimaatfonds, in de proeve van begroting van 2023 reeds € 4,9 miljard aan middelen toegekend uit het Klimaatfonds. In de proeve van begroting voor 2024 is voor € 11,8 miljard beschikbaar gesteld. Hierbij is gewerkt volgens de uitgangspunten van het voorstel voor de instellingswet. Er resteert voor het MJP 2025 en verder nog € 21,1 miljard. Daarvan is € 15,3 miljard gereserveerd voor specifieke maatregelen vanaf 2025, waarover op zijn vroegst in het voorjaar van 2024 definitief wordt besloten. Het restant dat nog vrij te besteden is voor MJP 2025 of verder is op dit moment € 5,8 miljard. Dit bestaat voor een groot deel (circa € 4,7 miljard) uit de middelen die nog resteren in het perceel kernenergie. Dit is weergegeven in onderstaande tabel.

Bedragen (in €) (x € 1.000)

Beginstand Coalitieakkoord voor oprichting Klimaatfonds

35.000.000

Loon- en prijsbijstelling 2022

82.753

Loon- en prijsbijstelling 2023

1.867.024

Ophoging voorjaarsbesluitvorming Klimaat

807.500

Nieuw totaal Klimaatfonds

37.757.277

Overhevelingen Proeve van begroting 2023

– 4.853.350

Overhevelingen Proeve van begroting 2024

– 11.813.409

Restant voor MJP 2025 en verder

21.090.518

– Waarvan reserveringen voor 2025 en verder

– 15.336.832

– Waarvan nog niet bestemd

– 5.753.686

In het MJP 2024 is per perceel beschreven voor welke maatregelen toekenningen en reserveringen zijn opgenomen en waar de middelen terechtkomen. In totaal zijn er zes percelen: (1) kernenergie, (2) CO2-vrije gascentrales, (3) energie-infra, (4) vroege fase opschaling, (5) verduurzaming industrie en innovatie mkb en (6) verduurzaming gebouwde omgeving. Vanuit alle percelen gaan er middelen naar het opschalen en breed toepassen van innovaties. Het grootste deel van de middelen (met uitzondering van het perceel gebouwde omgeving) komt in eerste instantie terecht bij bedrijven. Hierbij kan het gaan om bedrijven die werken aan de energietransitie (bijvoorbeeld producenten van electrolysers en warmtebedrijven) of de industrie en mkb-bedrijven die zelf moeten verduurzamen (productieproces of gebouw). De middelen uit het perceel verduurzaming gebouwde omgeving komen voor het grootste deel direct bij huishoudens terecht, al kan het bedrijfsleven ook van een deel van die middelen gebruikmaken voor het verduurzamen van hun gebouwen (voor een warmtepomp of zonneboiler binnen de ISDE).

De meeste middelen voor innovatie komen uit de percelen energie-infra, vroege fase opschaling en verduurzaming industrie en innovatie mkb. Vanuit het perceel energie-infra wordt voorgesteld in totaal € 1.815,7 miljoen toe te kennen en € 1.773,4 miljoen te reserveren. Deze middelen zijn onder meer bedoeld voor warmte(distributie)netten, waterstofopslag, waterstofnetwerken op zee en laadinfrastructuur (voor wegvervoer, bouw en walstroom). Uit het perceel vroege fase opschaling wordt voorgesteld € 2.484,5 miljoen toe te kennen en € 6.570,6 miljoen te reserveren. Deze middelen zijn onder meer gericht op het stimuleren van waterstofproductie, waterstoftoepassing, vergassing, geothermie, recycling, biobased bouwen en de verduurzaming van zeevaartschepen via demonstratieregelingen. Vanuit het perceel verduurzaming industrie en innovatie mkb wordt voorgesteld € 1.158,9 miljoen toe te kennen en € 2.883,2 miljoen te reserveren. Dit is bedoeld voor de NIKI (Nationale Investeringsregeling Klimaatprojecten Industrie), eventuele maatwerksubsidies, de VEKI (Versnelde klimaatinvesteringen industrie), de EG-regeling (Energie-efficiëntie glastuinbouw) en haalbaarheidsstudies. De NIKI is een nieuwe regeling, om samen met eventuele maatwerksubsidies, de grootste industriële uitstoters te ondersteunen bij verduurzaming. De VEKI en EG-regeling zijn gericht op het innovatieve mkb.

8

Hoeveel van de eerste, tweede en derde ronde van het NGF is al uitgegeven c.q. juridisch verplicht? Wat is de status van de vierde ronde?

Antwoord

In de tabel hieronder is zichtbaar wat de laatste stand van zaken is van het Nationaal Groeifonds vanaf de eerste ronde, waarin de gevraagde onderverdeling (alsmede overige mutaties) zijn aangegeven. De (voorwaardelijke) toekenningen zijn juridisch verplicht.

De reserveringen (€ 3,1 miljard) vallen formeel onder de onverdeelde middelen. Er zijn echter wel bestuurlijke verwachtingen gewekt over deze middelen. Deze zijn daarom volgens het kabinet niet beschikbaar. Deels zijn reserveringen bedoeld voor volgende fases van langlopende projecten waaraan al middelen zijn toegekend. Daarnaast hebben de reserveringen betrekking op investeringsvoorstellen die nog onvoldoende zijn uitgewerkt om een (voorwaardelijke) toekenning te krijgen en derhalve nog aangepast moeten worden. Voor deze voorstellen wordt door departementen, in samenwerking met consortia van publiek-private partijen, thans gewerkt aan verbeterde plannen. Alle voorstellen waarvoor geheel of gedeeltelijk middelen zijn gereserveerd zullen opnieuw door de Adviescommissie Nationaal Groeifonds beoordeeld worden en ter besluitvorming worden voorgelegd aan het kabinet.

 

2021

2022

2023

2024

Totaal

Initieel budget

Ronde 1

Ronde 2

Ronde 3

 

20.000,0

           

Departementale route

       

11.608,6

Toegekend

752,3

3.356,5

356,1

 

4.464,9

Voorwaardelijk toegekend

44,0

2.416,8

1.574,5

 

4.035,3

Gereserveerd

335,8

870,0

1.902,6

 

3.108,4

           

Subsidieroute

         

Positief advies

   

168,1

 

168,1

           

Apparaatskosten

       

52,2

Overige mutaties

       

– 1,6

Loon- en prijsbijstelling 2022

 

697,1

     

Loon- en prijsbijstelling 2023

 

908,7

     

Verlaging Voorjaarsnota 2022

 

– 660,0

     

Verlaging APB 2023

   

– 381,0

   

Verlaging Voorjaarsnota 2023

   

– 451,4

   

Verlaging Miljoenennota 2024

     

– 115,0

 

Nog beschikbaar

       

8.169,5

Voor de definitief toegekende projecten worden al uitbetalingen gedaan door departementen. Omdat de NGF-projecten grote, meerjarige programma’s betreffen, die gefaseerd worden uitgevoerd, vinden de betalingen ook gefaseerd plaats. Eind 2022 was er bedrag van € 740 miljoen verplicht door de departementen en een bedrag van € 126 miljoen uitgegeven.

Voor de vierde en vijfde ronde is een bedrag van € 4 miljard per ronde beschikbaar. De communicatie over de vierde ronde start deze maand. Vanaf het voorjaar van 2024 kunnen nieuwe investeringsvoorstellen voor het fonds worden ingediend.

Binnen het nog beschikbare budget (€ 8,2 miljard) vallen ook de middelen voor het nog op te stellen investeringsprogramma voor het Caribisch deel van het Koninkrijk. Voor dit programma wordt maximaal € 200 miljoen vrijgemaakt.4

9

Zijn er middelen voor het kwaliteitsbudget voor energieopwekkingsprojecten in de begroting gereserveerd? Zo ja, onder welke post valt dit?

Antwoord

Er zijn verschillende middelen gereserveerd voor kwaliteit bij de inpassing van energieprojecten. Natuurinclusieve eisen in de lokale vergunningen voor wind en zon-PV zijn meegenomen in de berekeningen van de realisatiekosten die in de SDE++ worden vergoed (in 2023 voor wind en vanaf 2024 voor zowel wind als zon). Daarnaast heeft het kabinet € 500 miljoen gereserveerd voor gebiedsinvesteringen die de leefkwaliteit in de omgeving van aanlandlocaties van wind op zee moeten versterken. Ook is er € 220 miljoen gereserveerd in het Klimaatfonds voor aanvullende normering voor zon op dak. Carports met zon-pv projecten kunnen gebruik maken van de SDE-categorie zon-op-dak met een hoger basisbedrag dan zon op veld.

Het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NP RES) heeft onderzoek gedaan naar het realiseren van meer kwaliteit bij energieprojecten. Daaruit blijkt dat de bestaande regelingen niet bij iedereen bekend zijn en niet volledig worden benut. Op basis van deze bevindingen wil EZK inzetten op het beter ondersteunen van gemeenten en provincies bij het benutten van bestaande budgetten en regelingen.

Aanvullend laat EZK enkele concrete kwaliteitsverbeteringsmaatregelen doorrekenen, waarbij de nadruk ligt op multifunctioneel gebruik (agri-pv, wind en zon in combinatie met natuur) en het versterken van de natuur en biodiversiteit. Multifunctioneel gebruik is immers een belangrijke voorwaarde bij het inpassen van energie opwek in de beperkte Nederlandse ruimte, ook in de zogeheten Voorkeursvolgorde zon. Aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek en de genoemde doorrekeningen zal de Minister voor Klimaat en Energie bezien hoe deze kwaliteit verder geoperationaliseerd en geïnstrumenteerd kan worden, rekening houdend met de voorkeursvolgorde zon en natuurkwaliteitseisen. Hierover is EZK in gesprek met de natuur- en milieuorganisaties. De afronding van dit traject is eind dit jaar.

10

Hoeveel gas kan op de Noordzee worden gewonnen binnen de 1,5 graden doelstelling, zoals afgesproken in het Noordzeeakkoord?

Antwoord

In het Noordzeeakkoord gelden ten aanzien van gaswinning op de Noordzee de volgende twee afspraken:

  • 1. Dat het Nederlandse energie- en klimaatbeleid en daarbinnen het aardgasgebruik en -winning te allen tijde in lijn zal moeten zijn met de doelen van het Parijse klimaatakkoord. Dat wil zeggen, een maximale opwarming van de aarde ruim onder 2 graden en een streven om de maximale opwarming niet boven de 1,5 graden uit te laten komen.

  • 2. Dat de Nederlandse gaswinning op de Noordzee in ieder geval te allen tijde onder het niveau van de binnenlandse aardgasvraag blijft en dus slechts dient om import van nog meer buitenlands gas zoveel mogelijk te beperken.

De afspraken uit het Parijse klimaatakkoord zijn in Nederland vertaald in de aangescherpte Klimaatwet. Hierin is vastgelegd om in 2030 ten minste 55% minder CO2 uit te stoten ten opzichte van 1990. In het Coalitieakkoord is afgesproken om het klimaatbeleid te richten op een hogere opgave van circa 60% reductie, zodat het doel in de Klimaatwet (55% reductie) met zekerheid wordt gehaald.

Het TRANSFORM-scenario van TNO5 (gebaseerd op 55% emissiereductie in 2030 en CO2-neutraal in 2050) gaat uit van zo’n 25 miljard m3 gasconsumptie in 2030, 10 miljard m3 in 2040 en zo’n 5 miljard m3 in 2045. De gasproductie zou binnen die bandbreedte moeten blijven om aan bovenstaande doelstellingen te voldoen.

In 2022 was de gasproductie op de Noordzee 7,5 miljard m3. De verwachting van TNO is dat in het meest optimistische scenario de gasproductie op de Noordzee in 2030 nog een piek kan hebben van zo’n 13 miljard m3 om daarna richting 2045 gestaag te dalen naar een niveau van onder de 5 miljard m3 richting 2045. Deze verwachte productie past hiermee binnen de afspraken die gemaakt zijn in het klimaatakkoord van Parijs en blijft onder het niveau van de binnenlandse aardgasvraag.

11

Kunt u al aangeven welke sleuteltechnologieën in de nieuwe technologiestrategie zullen worden opgenomen? Kunt u aangeven op welke wijze deze sleuteltechnologieën worden geselecteerd? Wat is de rol van de bedrijven en kennisinstellingen hierbij?

Antwoord

Op dit moment werk ik aan de Nationale Technologiestrategie, waarbij we in de laatste fase zitten van het selecteren van prioritaire technologieën en inhoudelijk uitwerken van die technologieën in agenda’s. De Nationale Technologiestrategie bestaat uit een basislijst van 44 sleuteltechnologieën, waarvan er maximaal 10 als prioritair worden aangemerkt.

Zo’n 60 experts uit wetenschap en bedrijfsleven zijn betrokken geweest bij het samenstellen van de basislijst met 44 sleuteltechnologieën. Het prioriteren van technologieën doe ik op basis van 4 indicatoren: 1) bijdrage aan toekomstig verdienvermogen, 2) bijdrage aan maatschappelijke uitdagingen, 3) rol in nationale veiligheid en open strategische autonomie, en 4) de huidige positie van de technologie op gebied van wetenschap en R&D. We analyseren de technologieën niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief. Bij de kwantitatieve analyse waren Elsevier, TNO en NWO betrokken. De technologieën zijn kwalitatief geanalyseerd tijdens rondetafels, waar tientallen experts van bedrijven, investeerders, startups, universiteiten en kennisinstellingen aan deelnamen. Bij het uitwerken van de prioritaire technologieën in agenda’s werk ik nauw samen met verschillende experts binnen de betreffende technologie, bijvoorbeeld toonaangevende hoogleraren, relevante bedrijven, kennisinstellingen en investeerders.

12

Welke andere middelen dan het NGF heeft EZK tot haar beschikking? In hoeverre stelt het NGF EZK en bedrijven in staat om daadwerkelijk snel en wendbaar te opereren? Welke ruimte voor verbetering ziet u daar?

Antwoord

Naast het NGF zijn er diverse andere instrumenten die EZK tot haar beschikking heeft om onderzoek, ontwikkeling en innovatie te stimuleren. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen het specifieke en het generieke instrumentarium van EZK.

Onder het specifieke instrumentarium valt onder meer de vernieuwde PPS-innovatieregeling, waarmee publiek-private samenwerking in onderzoek wordt gestimuleerd, en ook de mkb-innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT-regeling) speciaal voor mkb. Beide instrumenten zijn gericht op het missiegedreven innovatiebeleid, waarin veel ruimte is voor sleuteltechnologieën. Het belangrijkste generieke instrumentarium ten behoeve van innovatie bestaat uit de WBSO en de Innovatiebox. Dit is zijn fiscale regelingen voor innovatieve bedrijven in Nederland waarmee R&D wordt gestimuleerd.

Daarnaast zijn er ook regelingen gericht op bedrijfsfinanciering gefinancierd vanuit het Toekomstfonds, bijvoorbeeld de Seed Capital-regeling (risicokapitaal). Hiermee worden starters in onder andere high tech sectoren ondersteund bij het verwerven van risicokapitaal. Voor projectfinanciering gericht op innovatieprojecten bestaat daarnaast het Innovatiekrediet. Specifiek voor sleuteltechnologieën geldt dat EZK en Invest-NL in 2022 samen het Deep Tech Fonds hebben gelanceerd (risicokapitaal).

Deze instrumenten zijn echter van een andere ordergrootte dan het Nationaal Groeifonds. Het Nationaal Groeifonds is het enige instrument van waaruit het kabinet kan investeren in grootschalige programma’s die gericht zijn op de versterking van een heel ecosysteem. De beschikbaarheid van deze middelen stelt bedrijven in staat om sneller en wendbaarder te opereren, en om clustervorming te versterken.

Om bedrijven in staat te stellen snel en wendbaar te opereren zijn daarnaast verschillende stappen gezet om de aanvraagprocedure van het Nationaal Groeifonds te verbeteren. Zo wordt er in de aankomende ronde gewerkt met een ruimere openstellingsperiode. Dit geeft geïnteresseerde partijen meer flexibiliteit en tijd om voorstellen uit te werken. Ook wordt ingezet op sterke ondersteuning en communicatie vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

13

Wat bedoelt u met «EZK zal haar private partners wijzen op het belang van samenwerking»?

Antwoord

EZK ondersteunt bedrijven in hun ambities om te verduurzamen, digitaliseren en hun positie in de internationale waardeketens te versterken, bijvoorbeeld via het Nationaal Groeifonds. Bedrijven kunnen zich daarmee sneller aanpassen aan de maatschappelijke eisen van de toekomst. Zo kunnen we onze welvaart ook in de toekomst behouden. Dat kunnen we echter als overheid niet alleen. We zijn in Nederland heel goed in samenwerken. De kwaliteit van de samenwerking tussen grote, kleinere en startende bedrijven, kennisinstellingen, overheden en andere belanghebbenden is een unieke kracht van Nederland. In die samenwerking gebeurt het, hier zit energie en daardoor ontstaan mooie dingen.

Er zijn vele voorbeelden te benoemen van hoe de overheid de samenwerking opzoekt. We zetten bijvoorbeeld in op intensivering van de samenwerking met kennis- en innovatiepartners, of met regionale partners op thema’s zoals het missiegedreven innovatiebeleid, verduurzaming van de industrie, scholing (Leven Lang Ontwikkelen) en digitalisering van het mkb. Of een ander voorbeeld: om voor mkb-ondernemers de toegang tot financiering te verbeteren ontwikkelt EZK met publieke en private partijen een financieringshub. Om de kracht van samenwerken beter te benutten zal EZK dan ook haar private partners wijzen op het belang van samenwerking.

14

Op welke wijze en op welke terreinen bent u voornemens vanuit eigen inkoop- en aanbestedingsbeleid zal EZK het goede voorbeeld geven?

Antwoord

Ik ben van mening dat niet alleen EZK, maar de gehele rijksoverheid een voorbeeldrol heeft te vervullen, met name op het gebied van maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI). Het belang van deze voorbeeldrol, die EZK uiteraard ook oppakt, is bekrachtigd in het Klimaatakkoord6 en via de Rijksinkoopstrategie Inkopen met impact.7 Hierin hebben de departementen gezamenlijk eisen voor MVI opgesteld die Rijksbreed worden toegepast. Zo was de rijksoverheid bijvoorbeeld de eerste die circulair kantoormeubilair heeft aanbesteed. Medeoverheden stellen hun eigen inkoopbeleid op. Steeds vaker stellen ook zij eisen ten aanzien van MVI.

15

Kunt u concrete voorbeelden noemen uit de recente historie waarin u bij bedrijfsovernames door statelijke actoren had willen ingrijpen? Is uw verwachting dat u met 100 miljoen in het beschermingsfonds economische veiligheid enige slagkracht heeft om bedrijfsovernames van statelijke actoren van bedrijven in strategische technologieën tegen te gaan?

Antwoord

In het recente verleden heeft EZK waar nodig op ad hoc basis ingegrepen bij verschillende bedrijfsovernames waarbij sprake was van een aanzienlijk risico voor de nationale veiligheid. Hierbij kunt u denken aan casussen als Mapper (mitigeren van gevolgen faillissement), Smart Photonics (scale-up met grote financieringsbehoefte) en LioniX (renderende onderneming die nieuwe strategische en stabiele aandeelhouders zocht).

Het is lastig in te schatten welke casussen en in welke omvang zich zullen aandienen. Mijn verwachting is dat het bedrag van € 100 miljoen de komende tijd voldoende zal zijn om de Beschermingsvoorziening effectief te kunnen inzetten. De voorziening is een laatste redmiddel wanneer de risico’s voor de nationale veiligheid niet adequaat te ondervangen zijn door het bestaande stelsel van investeringstoetsing of het vinden van alternatieve financiering in de markt. De hoogte van het benodigde bedrag van de vervangende investering door het kabinet zal marktconform zijn en afhankelijk van de specifieke casus. Om de financiële last voor het fonds te minimaliseren zal Invest-NL waar mogelijk op zoek gaan naar medefinanciers. Over twee jaar wordt in de evaluatie van de beschermingsvoorziening onderzocht of de voorziening effectief is.

16

Hoe geeft u concreet handen en voeten aan uw voornemen de R&D-uitgaven door bedrijven en kennisinstellingen te stimuleren en extra aandacht te vragen voor de benutting van kennis door het bedrijfsleven, in het bijzonder door startups en scale-ups?

Antwoord

Het kabinet investeert de komende 10 jaar € 500 miljoen in kennisinfrastructuur en investeert vanuit het Nationaal Groeifonds in kennisontwikkeling en innovatie. Cofinanciering door de private sector een belangrijk onderdeel van de Groeifondsinvesteringen. Benutting van kennis door het bedrijfsleven is een speerpunt van dit kabinet. Daarom heb ik samen met mijn collega van OCW een gezamenlijke visie op valorisatie en maatschappelijke impact naar uw Kamer gestuurd (zie Kamerstuk 33 009, nr. 117). Ook wordt er gewerkt aan het Groeifondsvoorstel Deltaplan Valorisatie, waarvoor € 417 miljoen is gereserveerd door de Groeifondscommissie.

Startups en scale-ups zorgen voor dynamiek en zijn essentieel om te komen tot het doel van 3% R&D-investeringen als percentage van het bbp. Een belangrijke reden dat de investeringen in Nederland in R&D relatief laag zijn is gelegen in de sectorstructuur (zie ook Kamerstuk 33 009, nr. 40). Startups en scale-ups starten vaak in de meer R&D-intensieve sectoren en zijn daarmee van belang om de 3%-doelstelling te realiseren. In heb uw Kamer geïnformeerd over mijn inzet om het Nederlandse startup-klimaat te versterken met de Kamerbrief startups en scale-ups als motor voor transities en groei (zie Kamerstuk 32 637, nr. 567).

17

Welke scherpe keuzes maakt u, heeft u in het kader van het Missiegedreven Innovatiebeleid kader gemaakt of voorziet u te gaan maken? Hoe waarborgt u in de nieuwe KIA’s een fair balance tussen de partners binnen de Triple Helix en dat ook de positie van bedrijven in de toekenning van subsidies gewaarborgd blijft met het oog op valorisatie van kennis uit de samenwerking tussen bedrijven en onderzoeksinstellingen? (pagina 20)

Antwoord

In het missiegedreven innovatiebeleid worden keuzes gemaakt binnen de daarvoor (publiek-privaat) opgestelde Kennis- en Innovatieagenda’s. Deze agenda’s zijn in lijn met de missies van de rijksoverheid (Kamerstuk 33 009, nr. 120) en de Nationale Technologiestrategie (NTS), die in ontwikkeling is. Voorbeelden van missies zijn: «de Nederlandse land- en tuinbouw integraal duurzaam in 2050» en «In 2030 is het deel van de mensen met een chronische ziekte of levenslange beperking dat naar wens en vermogen kan meedoen in de samenleving met 25% toegenomen.»

De prioriteiten binnen de NTS zijn gekozen op basis van de potentiële bijdrage van sleuteltechnologieën aan economisch verdienvermogen strategische autonomie, het oplossen van maatschappelijke uitdagingen, en de huidige positie; waar is Nederland goed in. De NTS zal de komende jaren een belangrijk afwegingskader zijn voor investeringen in sleuteltechnologieën en wordt komende winter opgeleverd.

Valorisatie en toepassing van innovatie is een belangrijk aandachtspunt voor het nieuwe Kennis- en Innovatieconvenant en de Kennis- en Innovatieagenda’s. Dat vereist goede deelname van bedrijven. Het instrumentarium is daarbij een belangrijke randvoorwaarde. We zetten in op het richten van het bestaande innovatie-instrumentarium op valorisatie.

We stimuleren de Topsectoren en de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) om met de nieuwe PPS-Innovatieregeling (voorheen PPS-Toeslag) scherpere keuzes te maken op de inzet van de middelen op de nieuwe KIA’s. Ook stimuleren we de TKI’s met de nieuwe PPS-Innovatieregeling om deze meer in te zetten op toepassingsgericht onderzoek, met betere aansluiting van het mkb.

18

Aan welke strategische agenda refereert u als u stelt dat «met de strategische agenda (...) het kabinet (werkt) aan een blijvend sterk ondernemingsklimaat met een focus op bedrijfsactiviteiten die cruciaal zijn voor de transities en de weerbaarbaarheid van de economie. Zo is EZK, onder andere, een monitor ondernemingsklimaat en een impacttoets voor «nationale koppen» op Europese regelgeving aan het uitwerken»? Kunt u meer vertellen over de inhoud ervan? En als u stelt «onder andere», welke andere maatregelen dan de hier genoemde heeft u voor ogen? Gaat u ook in gesprek met de sector zelf, zodat zij de pijnpunten op het gebied van het ondernemingsklimaat kunnen adresseren?

Antwoord

Op 14 oktober 2022 heb ik mijn Strategische agenda voor het ondernemingsklimaat in Nederland naar uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 32 637, nr. 513). Hierin vindt u een overzicht van alle maatregelen voor het versterken van het ondernemingsklimaat. Het kabinet werkt door middel van deze agenda aan een sterk ondernemingsklimaat met o.a. stabiel (fiscaal) beleid, minimale regeldruk, een optimale overheidsdienstverlening die de behoefte van ondernemers centraal stelt, een goede toegang tot financiering en een arbeidsmarkt die voorziet in de behoefte aan groene en digitale banen. Zo heb ik bijvoorbeeld het borgstellingskrediet BMKB-Groen geïntroduceerd voor betere financieringsmogelijkheden voor het mkb en heb ik een regeldrukmonitor gepubliceerd. In januari 2024 zal ik uw Kamer een voortgangsrapportage over de Strategische agenda toesturen.

Onderdeel van de Strategische agenda is ook het voeren van de dialoog met het bedrijfsleven over de staat van het ondernemingsklimaat, verschillende dialoogsessies hebben reeds plaatsgevonden. Zo heb ik bijvoorbeeld op 2 oktober jl. nog samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking met mkb-ondernemers gesproken over o.a. regeldruk, netcongestie en (internationaal) ondernemen.

19

Hoeveel mkb-bedrijven kent Nederland?

Antwoord

Nederland kent volgens het CBS in het derde kwartaal van 2023 ruim 1.516.000 mkb-bedrijven die actief zijn in de business economy (internationaal geharmoniseerde afbakening).8 Onderstaande tabel toont de verdeling over verschillende grootteklassen. Niet alle bedrijven met één werkzame persoon zijn zzp’er, het kan ook gaan om bedrijven met een werknemer.

Grootteklasse

Aantal bedrijven (x 1.000)

1 werkzame persoon

1.205

2 t/m 9 werkzame personen

256

10 t/m 49 werkzame personen

45

50 t/m 249 werkzame personen

10

Totaal mkb (1–250 werkzame personen)

1.516

20

Hoeveel multinationals huisvest Nederland op dit moment? Wat is de toegevoegde waarde van deze multinationals aan onze economie? Hoe veel werkgelegenheid bieden multinationals in Nederland? Hoe veel banen hiervan zijn direct en hoe veel banen hiervan zijn indirect?

Antwoord

Het Nederlandse bedrijfsleven telde in 2021 ongeveer 25,1 duizend multinationals, waarvan 64 procent onder buitenlandse zeggenschap en 36 procent onder Nederlands bewind. Multinationals boden in totaal werk aan bijna 2,3 miljoen mensen in Nederland, goed voor 35 procent van de totale werkgelegenheid in het Nederlandse bedrijfsleven in 2021.9 In 2018 heeft het CBS uitgebreid gepubliceerd over de bijdrage van multinationals aan de Nederlandse economie.

Volgens dit onderzoek van het CBS uit 2018 genereerden multinationals 30 procent van de € 635 miljard aan toegevoegde waarde in 2016. Het grootste deel is toe te schrijven aan buitenlandse multinationals (€ 113 miljard; 18 procent) en een kleiner deel aan Nederlandse bedrijven (€ 78 miljard; 12 procent).10 De multinationals waren in 2016 daarnaast goed voor 41 procent van de totale Nederlandse uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling (€ 14,1 miljard), goed voor 70% van de private R&D-uitgaven in Nederland. Volgens hetzelfde onderzoek van het CBS was het directe belang van internationale bedrijven in de werkgelegenheid 1,5 miljoen voltijdsbanen in 2016. Deze multinationals waren in 2016 indirect te relateren aan 872.000 voltijdsbanen, deels ook bij het midden- en kleinbedrijf en zelfstandigen zonder personeel.11

Het belang van multinationals voor de Nederlandse economie is hiermee groot, onder andere op het gebied van de totale toegevoegde waarde en de werkgelegenheid. Ook dragen multinationals relatief veel bij aan technologische innovaties. Tenslotte zijn multinationals belangrijke toegangspoorten tot internationale markten en verbinden zij de binnenlandse waardeketen met de wereldwijde waardeketen. In een globaliserende en digitale wereld is Nederland, als handelsland bij uitstek, relatief afhankelijk van de internationale economie en multinationals voor haar welvaart.

21

Hoe beoordelen mkb-bedrijven op dit moment de overheidsdienstverlening? Kan u dit verbeteren?

Antwoord

Uit het onderzoek van Pieterson, Ltd. & Kantar (2022), in opdracht van ICTU, is gebleken dat de algehele tevredenheid van burgers en ondernemers over de overheidsdienstverlening in de afgelopen jaren is toegenomen. Over de kwaliteit is 72% tevreden en over hoe de organisatie is geholpen 74%. Deze cijfers zijn niet nader uitgesplitst naar burgers en ondernemers. In de overheidsdienstverlening hebben mkb-bedrijven behoefte aan begrijpelijke informatie, overzichtelijke processen, oplossingsgerichtheid, gebruiksvriendelijkheid, zekerheid en handelingsvrijheid.12 Het landschap van private en publieke dienstverlening is de afgelopen jaren sterk veranderd. Uit onderzoek van KplusV (2021), in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het Comité voor Ondernemerschap, blijkt dat veel ondernemers in staat zijn om de antwoorden op hun vragen uiteindelijk te vinden. Tegelijkertijd is het aanbod van informatie en advies versnipperd. Met name op het gebied van de transitiethema’s, zoals digitalisering en verduurzaming, is de beschikbare informatie niet altijd voor ondernemers goed vindbaar.13 Om deze reden is naar aanleiding van het onderzoek van KplusV en het advies van het Nederlands Comité voor Ondernemerschap begin 2023 door de Minister van Economische Zaken en Klimaat een Kwartiermaker aangesteld die werkt aan een Actieagenda mkb-dienstverlening. Bij de totstandkoming van de actieagenda is samengewerkt met de Kamer van Koophandel, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, regionale ontwikkelingsmaatschappijen, EZK, provincies, gemeenten en ondernemersorganisaties. De actieagenda wordt voor het eind van het jaar opgeleverd.

22

Hoe beoordelen mkb-bedrijven op dit moment de financieringsmogelijkheden? Hoe kan een financieringshub daarbij helpen?

Antwoord

Het financieringslandschap en gerelateerde dienstverlening is sterk veranderd. Waar de mkb’er traditioneel gezien aanklopte bij de (lokale) bank voor financiering en/of advies, is die daar niet altijd meer aan het goede adres en zijn er tal van non-bancaire financiers en dienstverleners bijgekomen. Dit maakt dat het voor, met name kleine, ondernemers meer tijd en inspanning kost om passende financiering te vinden.14

Uit de meest recente CBS-financieringsmonitor (2022) blijkt dat 79% van de ondernemers met een externe financieringsbehoefte is overgegaan tot oriëntatie op financieringsmogelijkheden, vergeleken met 85% vorig jaar. Daarnaast is een neerwaartse trend te zien in het aantal ondernemers dat vervolgens overgaat tot een aanvraag. In de vorige monitor ging 56% over tot een aanvraag, in 2018 was dat nog 66%. Tevens gaat het micro- en het kleinbedrijf minder vaak over tot een aanvraag dan het midden- en grootbedrijf. Redenen om niet verder te oriënteren of een aanvraag te doen zijn divers. Zo geeft 22% van de ondernemers aan niet te oriënteren op financieringsmogelijkheden omdat zij niet weten waar te moeten beginnen met zoeken.15

Iedere ondernemer moet snel en gemakkelijk overzicht hebben welke financieringsmogelijkheden er zijn, welke passend zijn en waar ze die kunnen verkrijgen. Dat is nu niet altijd het geval, zeker nu het financieringslandschap diverser is geworden. Ook ontbreekt het aan een centraal punt met een overzicht van betrouwbare en geaccrediteerde financiers en adviseurs. De financieringshub gaat hierin voorzien. Ondernemers en adviseurs van ondernemers vinden op de hub een overzicht van financiers, financieringsvormen en financieringsadviseurs.

De hub gaat meer dan overzicht bieden. Zo zal de hub actief doorverwijzen en begeleiden richting financieringsoplossingen. Hiervoor bestaan publieke voorzieningen zoals de KVK Financieringsdesk, de subsidie- en financieringswijzer van RVO en met publieke financiering gesteunde initiatieven die de ondernemer begeleiden (zoals Qredits en het Ondernemersklankbord). Ook zijn er private financieringsadviseurs die ondernemers helpen met hun financieringsbehoefte. De financieringshub zal slim gebruik maken van dit bestaande publiek/private ondersteuningsaanbod en de ondernemer hier via een matchingtool mee verbinden.

Ook wordt gesproken met relevante partijen uit het financieringslandschap voor gerichte doorverwijzing naar de hub. Op die manier wordt de hub centraal gepositioneerd, wat het bereik en het effect van de hub zal vergroten.

23

Wat is de voortgang van de door de Kamer verzochte inspanning om het brede startup en scale-up landschap bijeen te brengen zodat de verschillende spelers elkaar kunnen versterken?

Antwoord

In het Innovatiedebat d.d. 21 juni 2023 heb ik toegezegd om «in de aankomende Kamerbrief over de doelen van Techleap.nl andere spelers in het ecosysteem te betrekken.» Ik breng verschillende startup en scale-up ondersteuners bijeen om te verkennen welke taken van Techleap.nl na september 2026 een meer structurele plek kunnen krijgen bij één of meer publieke organisaties en welke taken privaat gefinancierd kunnen worden. Hierover ben ik in gesprek met publieke en private stakeholders, o.a. met Techleap.nl, Invest-NL, de regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Universiteiten van Nederland (UNL), de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) en de Dutch Startup Association (DSA). Hierin zal ook worden bekeken hoe de verschillende spelers elkaar kunnen versterken bij de ondersteuning van startups en scale-ups. Ik heb eerder toegezegd dat ik de Kamer hierover voor het eind van het jaar zal informeren.

24

Welk instrumentarium is denkbaar bij het beter richten op internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen? Kunnen mkb-bedrijven hier betere ondersteuning bij verwachten?

Antwoord

Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat werkt aan het toepassen van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) richtlijnen op het bedrijfsleveninstrumentarium, met een lopende pilot tot eind 2023 (Kamerstuk 26 485, nr. 371). Bedrijven worden via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) geïnformeerd, geadviseerd, beoordeeld en gemonitord met betrekking tot IMVO-risico's. Deze aanpak staat open voor het mkb en streeft naar een duurzamere zakelijke praktijk, rekening houdend met mens, milieu en natuur in internationale waardeketens.

De ervaringen uit de pilot zullen worden gebruikt als vanaf 2024 wordt gekeken naar hoe IMVO meer structureel zou kunnen worden ingebed in het instrumentarium, met bijzondere aandacht voor kosten en impact. Op deze manier wordt het EZK instrumentarium dus beter gericht op IMVO en worden MKB bedrijven via het huidige bedrijfsleveninstrumentarium gestimuleerd en geholpen om meer maatschappelijk verantwoord te ondernemen.

Als bedrijven daarnaast gebruik willen maken van het bedrijfsleveninstrumentarium van het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden bedrijven proportioneel getoetst aan de hand van een set van IMVO-criteria, gebaseerd op de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen over Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. Ook kunnen bedrijven, waaronder MKB, terecht bij RVO bij het IMVO-steunpunt met vragen over IMVO en gepaste zorgvuldigheid. De subsidieregeling sectorale samenwerking is bedoeld om bedrijven te ondersteunen om gezamenlijk invulling te geven aan gepaste zorgvuldigheid. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 28 februari 2023 (Kamerstuk 26 485, nr. 408) maakt de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de balans op om te beoordelen of deze regeling de juiste vorm heeft of dat een aangepaste vorm hiervoor in de plaats moet komen.

Naast het instrumentarium van EZK en BZ zullen bedrijven ook via de aanstaande Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) worden aangezet tot IMVO. Onderdeel van de discussies in de Europese trioloog die momenteel gaande is, is óf en wélke maatregelen getroffen moeten worden om MKB’ers te ondersteunen. Immers ook MKB’ers die niet direct onder de CSDDD zullen vallen, zullen via de ketens van de grotere bedrijven te maken krijgen met de EU IMVO-wet. Wat in de triloog hierover wordt besloten is nu dus nog niet te zeggen.

25

Kunt u aangeven welke inspanningen u voornemens ben te doen om de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's) nog sterker te positioneren? Met welk beoogd resultaat?

Antwoord

Sinds de positieve evaluatie van de ROM’s die ik in 2022 met uw Kamer heb gedeeld, heb ik aanvullend een aantal stappen ondernomen om de ROM’s nog sterker te positioneren. Zo heb ik een pilot ondersteund, waarin de gezamenlijke ROM’s hun inzet en ervaringen met bovenregionale programmatische samenwerking hebben verdiept aan de hand van een aantal inhoudelijke thema’s, zoals Smart Industry en Groene Chemie. Op basis van deze bevindingen ben ik voornemens om de ROM’s nog sterker te positioneren in de uitvoering van het EZK-beleid. In het verlengde hiervan en naar aanleiding van de motie Amhaouch c.s. (Kamerstuk 36 200 XIII, nr. 55) wordt er aan een landelijk meerjarenplan voor bovenregionale samenwerking van de ROM’s gewerkt. Ik streef ernaar dit meerjarenplan eind 2023 met uw Kamer te delen.

Daarnaast heb ik de ROM’s actief en vroegtijdig betrokken bij het proces om de nieuwe Kennis- en Innovatieagenda’s (KIA’s) in het kader van het Missiegedreven Innovatiebeleid vorm te geven, zeker met het oog op versterken van valorisatie en marktcreatie. Ook heb ik hun ontwikkelcapaciteit versterkt door de exploitatiesubsidie voor de ROM’s met € 1,2 miljoen te verhogen in 2022 en met bijna € 1,5 miljoen in 2023. Daarmee kunnen de ROM’s een bijdrage leveren aan onder andere het opwerken van groeifondsvoorstellen en het ondersteunen van innovatieve mkb-bedrijven bij hun internationaliseringsactiviteiten.

Door het sterker positioneren van de ROM’s kunnen zij een belangrijke rol vervullen als het aankomt op het missiegedreven innovatiebeleid, ecosysteemontwikkeling, de energietransitie, digitalisering, internationalisering en het benutten van innovaties. Hiermee versterken we (regionale) innovatie ecosystemen en kunnen de ROM’s de missies en de transities helpen versnellen. De stappen die ik onderneem om de ROM’s beter te positioneren voer ik uit in overleg met de regionale stakeholders, zoals provincies.

26

Kunt u aangeven op welke termijn resultaten worden verwacht van uw verzoek aan het investeringsfonds Invest-NL te verkennen of pensioenfondsen een rol kunnen spelen in de funding van durfkapitaalfondsen en wanneer deze worden gedeeld met de Kamer?

Antwoord

Invest-NL heeft een eerste verkenning afgerond en hierin de knelpunten in kaart gebracht waardoor pensioenfondsen terughoudend zijn om te investeren in durfkapitaalfondsen. De volgende stap is te kijken naar hoe het wél kan, door mogelijke oplossingsrichtingen in kaart te brengen in nauwe samenwerking met pensioenfondsen en de durfkapitaalsector, mede op basis van best practices in andere landen. Hierbij moet worden gezegd dat de uiteindelijke beslissing om durfkapitaalinvesteringen te intensiveren bij het pensioenfonds ligt. Naar verwachting kan ik in Q1 2024 een proces update geven en mogelijk meer zeggen over de bereidheid van pensioenfondsen om hier verdere stappen in te zetten.

27

Kunt u aangeven welke uitgaven worden gedaan, zijn gereserveerd of voorzien zijn qua bijdragen van Nederland aan de verschillende IPCEIS?

Antwoord

Nederland neemt deel aan de volgende IPCEI-projecten met de volgende bedragen. Er is € 218,5 miljoen voor Micro-elektronica 2 gereserveerd, dit bedrag wordt binnenkort toegekend. Er is voor € 66,5 miljoen voor Cloudinfrastructuur en diensten en € 41,8 miljoen voor Health wave 1 gereserveerd. Daarnaast is er € 35 miljoen voor Waterstof wave 1 toegekend en € 785 miljoen voor Waterstof wave 2 toegekend. Voor Waterstof wave 3 is € 600 miljoen gereserveerd en naar verwachting wordt bijna € 200 miljoen voor Waterstof wave 4 gereserveerd.

28

Wat gaat u doen om de beschikbaarstelling van de 3,5 GHz-band voor mobiele communicatie door consumenten en bedrijven definitief doorgang te laten vinden?

Antwoord

Alle stappen die nodig zijn om de beschikbaarstelling van de 3,5 GHz-band voor mobiele communicatie mogelijk te maken, worden gezet. Zo is op 23 februari 2023 het besluit tot wijziging van het Nationaal Frequentieplan (NFP) 2014 met betrekking tot de 3,5 GHz-band genomen waarin 300 MHz voor landelijke mobiele communicatie is bestemd en 2x50 MHz voor perceel-gebonden gebruik. Verder is dit voorjaar de ontwerpveilingregelgeving geconsulteerd en is onlangs de consultatie gestart van het NFP-wijzigingsbesluit waarin kort gezegd de bestemming voor vaste satellietverbindingen ten behoeve van de nood-, spoed en veiligheidscommunicatie (NSV-verkeer) in de 3,5 GHz-band wordt opgeheven. Voor de frequentieruimte die in de 3,5 GHz-band is bestemd voor perceel-gebonden gebruik kunnen vanaf 1 december 2023 vergunningen worden verleend. Ik heb echter niet in de hand dat belanghebbende partijen juridische procedures aanspannen tegen de besluiten die worden genomen. Er loopt nu een beroepsprocedure tegen het NFP-wijzigingsbesluit van 23 februari 2023. De procedure en de uitkomst ervan kunnen effect hebben op de planning van de veiling van de 3,5 GHz-band en daarmee op de ingebruikname van de gehele frequentieband.

29

Op welke wijze beoogd u deze maatschappelijke waarde van de overheidskoop te vergroten? Welke rol speelt strategisch aanbesteden hierbij? En heeft u, mede naar aanleiding van vragen vanuit de Kamer hierover, inmiddels al lessen getrokken uit hoe andere landen hun aanbestedingsbeleid strategisch inzetten om de eigen mkb en industrie te bevorderen en te versterken?

35

Welke kaders om aanbestedingen te gebruiken als strategisch beleidsinstrument om doelen als duurzaamheid en open strategische autonomie te bevorderen bedoelt? En is ook een doel het bevorderen van de nationale industrie en mkb om zo ons innovatieve verdienvermogen te versterken?

Antwoord vragen 29 en 35

Aanbesteden wordt steeds meer gebruikt als strategisch instrument om maatschappelijke doelstellingen op het gebied van klimaat, milieu en sociale voorwaarden te bereiken. Zo kan het bijdragen aan een circulaire economie en het kan ingezet worden voor economische stimulering en innovatie, of als instrument voor handelspolitiek.

Voor duurzaamheid gelden vanuit de huidige aanbestedingsregelgeving nog geen dwingende centrale verplichtingen voor het stellen van eisen over maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI). Maar vanuit Europa wordt hier wel stevig op ingezet. Zo bevatten nieuwe Europese richtlijnen en verordeningen concrete eisen die in aanbestedingen moeten worden opgenomen over specifieke technologieën, diensten of producten.16 Deze voorstellen zijn in verschillende stadia van onderhandeling en/of afronding.

Overheden stellen daarnaast hun eigen inkoopbeleid op, met eigen eisen ten aanzien van MVI. Om de maatschappelijke waarde van de overheidsinkoop te vergroten, committeert het Rijk zich met de Rijksinkoopstrategie Inkopen met impact aan concrete doelstellingen gerelateerd aan MVI en wordt het stellen van eisen ook op andere wijzen steeds meer gestimuleerd. Denk aan het Manifest Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (MVOI).

Om hierbij innovatie te bevorderen stuurt het kabinet op het aanjagen van innovatie bij aanbestedingen via o.a. het MVOI en Beter Aanbesteden. Daar hoort ook bij dat er minder gegund op laagste prijs. Uit openbare aanbestedingsdata blijkt al dat een grote meerderheid van aanbestedingen op basis van beste prijs-kwaliteitverhouding wordt gegund. Daarbij is het mogelijk om minder gewicht aan het criterium «prijs» toe te kennen en meer gewicht aan kwaliteitscriteria zoals duurzaamheid. Innovatie is daarnaast gebaat bij een goede dialoog tussen aanbestedende diensten en het bedrijfsleven, waardoor beide partijen samen tot het beste product of dienst kunnen komen. Steeds vaker zoeken aanbestedende diensten contact met de markt over wat de markt kan leveren, voordat een aanbesteding wordt gepubliceerd. Daardoor sluiten aanbestedingen beter aan bij de capaciteiten van de markt en wordt de toegankelijkheid van aanbestedingen voor het mkb vergroot.

Om onze industrie en mkb te beschermen tegen oneerlijke concurrentie uit derde landen zijn er twee belangrijke Europese wetsvoorstellen aangenomen. De Verordening Buitenlandse Subsidies (FSR) moet er o.a. bij aanbestedingen voor zorgen dat kan worden ingegrepen als er sprake is van overheidssteun vanuit derde landen aan ondernemingen, waarbij die ondernemingen de concurrentie op de interne markt verstoren. Daarnaast is het International Procurement Instrument (IPI) gericht op het creëren van wederkerigheid bij toegang tot markten voor aanbestedingen en geeft IPI de Europese Commissie de bevoegdheid om restricties op te leggen voor bedrijven uit derde landen op de Europese markt als er beperkingen worden ervaren in de toegang tot de markt in het betreffende land.

Tot slot ben ik in de Kamerbrief over Aanbesteden en derde landen17 ingegaan op de vraag of het mogelijk is om overheidsopdrachten alleen aan Europese en/of Nederlandse ondernemers te gunnen. Het aanbestedingsrecht verbiedt het bevoordelen van het nationale bedrijfsleven vanwege hun nationaliteit en vereist dat bedrijven uit alle EU-lidstaten op een gelijke en eerlijke wijze kunnen meedingen naar overheidsopdrachten. Dat is ook verstandig beleid. Juist een goed werkende interne markt met een competitief aanbestedingsproces draagt bij aan een sterke Nederlandse industrie, open strategische autonomie en stimuleert innovatie.

30

Hoeveel bedrijven hebben een Tegemoetkoming Vaste Lasten aangevraagd? Wat was het gemiddelde bedrag per toekenning?

Antwoord

Er zijn zeven aanvraagrondes geweest waarvoor bedrijven voor elke aanvraagronde apart een aanvraag konden indienen. In totaal zijn er voor alle aanvraagrondes 462.470 aanvragen voor Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL)-subsidie ingediend. Niet elk bedrijf heeft gebruik gemaakt van alle aanvraagrondes. RVO heeft ruim 420.000 TVL-subsidies toegekend. Het gemiddelde bedrag per toekenning is € 22.023.

31

Hoe komt het dat tot 2023 ondernemingen nauwelijks gebruik hebben gemaakt van het TOA-krediet? Hoe gaat u ervoor zorgen dat hier meer gebruik van gemaakt gaat worden?

Antwoord

Het TOA-krediet is bedoeld om te worden ingezet als saneringskrediet in het kader van een WHOA-procedure (Wet homologatie onderhands akkoord). Deze procedure biedt mogelijkheden om een faillissement te vermijden wanneer er onder de schuldeisers enig draagvlak is voor kwijtschelding van een deel van de schuld en voortzetting van de onderneming. Het beperkte aantal TOA-kredieten vloeit voort uit het beperkte aantal WHOA-procedures. De WHOA-procedure is arbeidsintensief en de kosten die ermee zijn gemoeid zijn daardoor zeker niet verwaarloosbaar. Dit maakt de procedure minder geschikt voor hele kleine ondernemingen, waardoor de doelgroep enigszins beperkt is. Ook is niet bij iedere WHOA-procedure een saneringskrediet nodig.

De aanjager schulden gaat in zijn rapport in op de TOA en adviseert om de regels voor het TOA-krediet te veranderen, zodanig dat uit dit krediet ook de onderzoekskosten in het kader van de WHOA gedekt mogen worden. Dit vergt een ingrijpende wijziging van de voorwaarden die tevens effect heeft op het risicoprofiel van de TOA-kredieten. De mogelijkheden en wenselijkheid hiervan worden nader verkend. In de kabinetsreactie op het advies van de aanjager schulden, die we voor het verkiezingsreces hopen te versturen, zal deze eventuele beleidswijziging voorbehouden blijven aan het nieuwe kabinet.

32

Hoeveel geld wordt de komende jaren vanuit de SDE-regelingen omgebogen, en waar wordt dit geld precies heen omgebogen?

Antwoord

Tijdens de voorjaarsbesluitvorming is incidenteel besloten om de meevaller in de SDE-middelen als gevolg van lager geraamde uitgaven in de jaren 2023–2025 in te zetten voor dekking van verschillende beleidsdoelen. Hiervoor is in totaal voor € 9 miljard aan SDE-middelen afgeboekt. Deze middelen zijn ingezet voor dekking van het energiepakket (€ 5 miljard), het aanvullend klimaatpakket waartoe het kabinet dit voorjaar besloot (€ 2,5 miljard) en overige maatregelen (€ 1,5 miljard) zoals de nadeelcompensatie productiebeperking kolencentrales en de € 0,5 miljard voor het versterken van de kapitaalpositie van Stedin om investeringen in de energietransitie te ondersteunen. Onderdeel van het aanvullend klimaatpakket is dat er € 2 miljard aan kasmiddelen is gereserveerd voor de ophoging van de SDE++-openstellingsrondes in 2024 en 2025.

33

Hoeveel bedrijven hebben een aanvraag voor de Tegemoetkoming Energiekosten energie-intensief midden- en kleinbedrijf (TEK) gedaan en hoeveel bedragen hebben een subsidie ontvangen? Wat was het gemiddelde bedrag dat bedrijven ontvangen hebben?

Antwoord

In totaal zijn tot op heden 10.806 aanvragen ingediend. Hiervan zijn er 5.426 verleend en 3.569 nog in behandeling. De rest is afgewezen of ingetrokken. Er is voor een totaalbedrag van krap € 70 miljoen aan voorschotten uitgekeerd. De gemiddelde maximale subsidie die de betreffende bedrijven kunnen ontvangen bedraagt ongeveer € 35.000 en het gemiddeld uitbetaalde voorschot is tot nu toe € 13.100. Het is belangrijk om aan te geven dat de definitieve subsidie wordt vastgesteld op basis van de energieprijzen in 2023 die pas bekend zijn tegen februari 2024.

34

Verwacht u dat de komende tijd meer kapitaalverstrekkingen voor regionale netbeheerders nodig zijn?

Antwoord

Op 28 november 2022 hebben de Minister van Financiën en ik u geïnformeerd over het afsprakenkader (Kamerstuk 32 813, nr. 1147) dat gebruikt wordt om een kapitaalverzoek te beoordelen. Als gevolg van het afsprakenkader heeft rating agency S&P de drie grote regionale netwerkbedrijven een betere beoordeling gegeven waardoor de kapitaalbehoefte met € 1,4 miljard is verminderd. Op 8 september 2023 hebben de Minister van Financiën en ik u geïnformeerd (Kamerstuk 28 165, nr. 410) dat het kabinet voor het eind van het jaar voor een bedrag van € 500 miljoen wil gaan participeren in netwerkbedrijf Stedin. Mede als gevolg hiervan verwacht ik op korte termijn geen aanvullende kapitaalbehoefte voor de regionale netwerkbedrijven op het gebied van gas en elektriciteit. Op de langere termijn verwacht ik wel een kapitaalbehoefte als gevolg van de blijvende investeringen in met name het elektriciteitsnet. Op dit moment is het de verwachting dat vanaf 2027 tot 2030 er een kapitaalbehoefte ontstaat (€ 0,5 miljard tot € 1,5 miljard) voor deze bedrijven. Deze kapitaalbehoefte komt voort uit hun wettelijk verplichte activiteiten en is afhankelijk van verschillende factoren (bijvoorbeeld inkoop van energie en vermogen) en kan daarom zowel in tijd als in omvang variëren. Afhankelijk van de rol die netwerkbedrijven kunnen gaan spelen in de warmtemarkt kan er eveneens een aanvullende kapitaalbehoefte ontstaan.

36

Kunt u toelichten hoeveel middelen voor 2024 beschikbaar zijn voor de Strategie Digitale Economie? Kunt u toelichten waar deze middelen precies terug te vinden zijn op de begroting van EZK (of elders)? In hoeverre zijn er meer of minder middelen beschikbaar gekomen voor de Strategie Digitale Economie in 2024 ten opzichte van 2023?

Antwoord

Aan de Strategie Digitale Economie zijn geen specifieke middelen gekoppeld. In de Strategie wordt het beleid voor de digitale economie beschreven en aan dit beleid zijn middelen en financiële instrumenten gekoppeld. Deze instrumenten staan onder beleidsartikel 1, 2 en 3 in de EZK-begroting. Hieronder worden de begrote middelen weergegeven, met als kanttekening dat de middelen zich niet lenen voor een optelsom en een relatieve vergelijking, omdat de financiële inzet geen structureel karakter kent of veelal pas achteraf vastgesteld of ingeschat kan worden. Ieder instrument dient derhalve separaat te worden beschouwd. In de voortgangsrapportage Strategie Digitale Economie die binnenkort aan de Kamer wordt gestuurd is een bijlage opgenomen waarin deze verschillende instrumenten en middelen voor de digitale economie uitgebreider worden beschreven.

De generieke innovatie instrumenten bestaan uit subsidies en fiscale maatregelen die door ondernemers kunnen worden gebruikt voor onderzoek en innovatie waar digitale technologie onderdeel van kan zijn. Gelet op de aard van deze instrumenten is het aandeel dat ten gunste komt aan de digitale economie veelal pas achteraf vast te stellen of in te schatten. In de tabel is – waar mogelijk – in de laatste kolom het aandeel voor 2022 ter indicatie weergegeven.

Generieke Innovatie Instrumenten

       

x EUR 1.000 | bedragen op basis van Rijksbegroting 2024

 

2023

2024

Begroting (bron)

Beleidsartikel 1

       

Digital Europe Programma (cofund budget)

Budget

5.799

9.900

Blz. 69

 

Aandeel DE1

100%

100%

 

Beleidsartikel 2

       

PPS-toeslag

Budget

220.308

200.686

Blz. 90

 

Aandeel DE

   

Niet mogelijk

Internationaal Innoveren

Budget

59.246

55.539

Blz. 90

 

Aandeel DE

Niet mogelijk

Eurostars

Budget

21.831

22.269

Blz. 89

 

Aandeel DE

Niet mogelijk

MIT-regeling

Budget

44.242

43.636

Blz. 89–90

 

Aandeel DE

   

Pas achteraf mogelijk. Was 10% voor 2022

Fiscale maatregel: WBSO

Budget

1.286.000

1.286.000

Blz. 59

 

Aandeel DE

   

Pas achteraf mogelijk. Was 15% voor 2022

Beleidsartikel 3

       

Innovatiekrediet

Budget

67.537

58.689

Blz. 112

 

Aandeel DE

   

Pas achteraf mogelijk. Was 12% voor 2022

X Noot
1

DE = Digitale Economie

De specifieke middelen zijn middelen die zijn gealloceerd en worden toegekend aan specifieke programma’s met als doel de digitale economie te stimuleren. Deze middelen worden op basis van het specifiek uit te voeren programma toegekend.

Specifieke Middelen

     

x EUR 1.000 | bedragen op basis van Rijksbegroting 2024

2023

2024

Begroting (bron)

Beleidsartikel 1

     

IPCEI Cloudinfrastructuur en services (CIS)

11.658

20.642

Blz. 89

Beleidsartikel 21

     

Smart Industry

450

450

Blz. 89

Digitale MKB-Werkplaatsen

1.497

795

Blz. 89

Mijn Digitale Zaak

1.000

Blz. 89

IPCEI Micro elektronica (ME2)

8.202

143.088

Blz. 89

X Noot
1

De middelen voor «Smart Industry», «Digitale MKB-Werkplaatsen» en «Mijn Digitale Zaak» zijn afkomstig uit het potje «Bevorderen ondernemerschap» dat terug te vinden is op beleidsartikel 2 in de Rijksbegroting 2024.

Hiernaast geeft het Nationaal Groeifonds (hierna: NGF) als specifiek geoormerkt investeringsfonds de grootste impuls aan de digitale economie via diverse (voorwaardelijk) gehonoreerde voorstellen in de drie rondes van financiering in de periode 2021–2023. Voorbeelden hiervan zijn AiNed investeringsprogramma in kunstmatige intelligentie en het Nationaal Onderwijslab uit de eerste ronde en het project future network services voor innovatie in 6G-technologie in de ronde van dit jaar. Voor de eerste en tweede tranche projecten vanuit het NGF is aan de hand van enkele criteria en een verdeelsleutel per toegekend project een inschatting gemaakt welk deel van de geïnvesteerde middelen betrekking hebben op digitalisering. Hieruit blijkt dat er in totaal € 1,4 miljard is geïnvesteerd in digitalisering, wat niet alleen een impuls is voor de digitale economie vanuit EZK, maar ook betrekking heeft op projecten geïnitieerd vanuit andere departementen. Dit bedrag is verdeeld over meerdere kasjaren, afhankelijk van de projectlooptijd, waardoor een indicatie voor 2023 en 2024 niet te geven is. Besteding van resterende NGF-middelen aan de digitale economie is afhankelijk van de toekomstige projectvoorstellen.

37

Kunt u toelichten of en zo ja, hoeveel (extra) middelen nodig zijn om risico’s van digitale strategische afhankelijkheidsrelaties te mitigeren? In hoeverre is in de begroting van 2024 hiermee al rekening gehouden?

Antwoord

Het kabinet werkt momenteel aan een agenda ter versterking van de digitale open strategische autonomie. Dit betreft een nadere invulling van de Kamerbrief Open Strategische Autonomie van november 2022, en sluit aan bij de Kamerbrief Kabinetsaanpak Strategische Afhankelijkheden van 12 mei jl. Het tegengaan van strategische afhankelijkheidsrelaties in het digitale domein maakt hier integraal onderdeel van uit. Ook investeren in kennis, capaciteit en internationale partnerschappen zijn van belang. Acties in deze agenda worden gefinancierd uit bestaande budgetten. Er zijn dan ook geen extra middelen voorzien voor 2024 om de risico’s van digitale strategische afhankelijkheden te verminderen.

38

Is in het vervolg Programma Beter Aanbesteden ook ruimte voor lessen die uit een internationale vergelijking te trekken zijn, zoals deze bijvoorbeeld aan u in juni is overhandigd in de analyse Maritieme aanbestedingen van de NMT? Kunt u aangeven welke lessen u trekt of gaat trekken op basis van deze analyse van het (nu)level playing field in Europa?

Antwoord

Het programma Beter Aanbesteden is een samenwerking tussen EZK, VNO-NCW/MKB-Nederland, VNG en PIANOo, het expertisecentrum aanbesteden. Het programma wordt in Europa gezien als een goed voorbeeld hoe de centrale overheid kan bijdragen aan een professionele aanbestedingspraktijk tussen (decentrale) overheden en ondernemers. Dat wordt bereikt door het verbeteren van de dialoog tussen markt en overheid, het vergroten van bewustzijn en kennis. De focus van Beter Aanbesteden ligt met name op de relatie tussen de gemeenten en lokale MKB’ers en heeft daarom geen internationaal component. Dat neemt niet weg dat lessen uit andere landen altijd bij het programma betrokken kunnen worden.

Op 7 juli heeft uw Kamer verzocht om een reactie op de analyse van maritieme aanbestedingen van de NMT.18 Daarnaast heeft uw Kamer in de afgelopen periode breed ondersteunde moties aangenomen, die oproepen tot een integraal beleid voor de maritieme maakindustrie (motie Graus c.s.)19 en tot versterking en bescherming van regionale scheepsbouwclusters (motie Van der Plas).20

De sectoragenda maritieme maakindustrie gaat onder meer in op de analyse van de NMT en stelt op basis van de geïdentificeerde knelpunten concrete oplossingen voor hoe er bij inkoop meer rekening kan worden gehouden met de strategische belangen van de maritieme maakindustrie. De sectoragenda wordt op 26 oktober 2023 gepresenteerd.

39

Hoe vordert u met het uitvoeren van de motie die u verzoekt voor de middellange termijn een interdepartementale budgettaire verkenning uit te voeren met als doel uitvoering te geven aan het NSO-advies om het ambitieniveau van 4,7% bnp-aandeel in optionele ESA-programma’s te bereiken en hier eventueel al in tussentijdse ESA-inschrijvingen de volgende stap voor te zetten? « (pagina 77)

Antwoord

In het vervolg op de gewijzigde motie Van Strien (Kamerstuk 24 446, nr. 81) en mijn brief met het verslag van de ESA Ministeriële Conferentie 2022 (Kamerstuk 24 446, nr 84) is in opdracht van mij een Regiecommissie onder het voorzitterschap van Maria van der Hoeven in het voorjaar van 2023 van start gegaan met het opstellen van een langetermijn-Ruimtevaartagenda. De werkzaamheden van deze Regiecommissie liggen op schema en de langetermijn-Ruimtevaartagenda zal naar verwachting eind 2023 gereed zijn.

40

Welk budget zal worden vrijgemaakt om de doelstellingen van de te publiceren Nationale technologiestrategie te bereiken? Kunt u aangeven welke rol spelen Europese gelden hierin spelen, zoals de IPCEIS of het European Tech Champions Initiative?

Antwoord

Voor de Nationale Technologiestrategie zijn vooralsnog geen additionele middelen gereserveerd. Mede vanwege de demissionaire status van dit kabinet, zal ik de strategie beleids- en instrumentneutraal aan uw Kamer aanbieden. Omdat de Nationale Technologiestrategie inzicht geeft in welke kansen er liggen om strategisch in te zetten op sleuteltechnologieën, moedig ik externe partijen wel aan kennis te nemen van deze strategie, en deze als richtinggevend kader in te zetten. De adviescommissie van het Nationaal Groeifonds kan bijvoorbeeld de Nationale Technologiestrategie gebruiken om mee te nemen in haar adviezen over nieuwe ronde NGF-voorstellen. IPCEIs betreffen geen Europees geld. Het zijn belangrijke projecten die van gemeenschappelijk Europees belang zijn. Landen leggen daarbij hun eigen geld in en het zijn complexe trajecten waarin vele lidstaten gezamenlijk projecten opzetten die gezamenlijk tot een integrale aanpak komen. De Nationale Technologiestrategie is een manier om vooraf na te denken over welke technologieën het belangrijkst zijn voor Nederland en om prioriteiten te stellen. De strategie heeft de potentie om gekoppeld te worden aan verschillende beleidsinstrumenten, maar dat is aan een nieuw kabinet.

41

Ten opzichte van wie of wat draagt de industrie bovengemiddeld veel bij aan innovatie, productiviteit en hoogwaardige banen, hoeveel meer, en om welke innovatie, productiviteit en banen gaat?

Antwoord

Innovatie: De industrie is goed voor 50% van de R&D uitgaven (2021) van bedrijven in Nederland. De overige R&D-uitgaven zijn dus over alle overige bedrijfstakken verdeeld.21 Productiviteit en banen: Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek laten zien dat de industrie een hogere arbeidsproductiviteit heeft dan andere sectoren, zoals de landbouw, gezondheidszorg en financiële dienstverlening.22 Bovendien is een groot deel van de productiviteitsgroei in de commerciële sector te danken aan de productiviteitsgroei in de industrie.23 Vergeleken met andere bedrijfstakken Nederland, zoals de landbouw en dienstensectoren leveren banen in de industrie een hogere toegevoegde waarde per arbeidsjaar.24 De industrie levert dus relatief veel waarde voor het aantal mensen wat er werkt.

42

Welke percentage van de eigen inkoop door bedrijven is inmiddels circulair?

Antwoord

Circulair inkopen gaat niet alleen over inkopen van gerecyclede materialen, maar ook over materialen die een lange levensduur hebben of makkelijk te repareren zijn. Er zijn geen openbare cijfers over de inkoop door bedrijven. Het aandeel van de circulaire economie van de totale economie bedraagt volgens de Nieuwe Economie Index van MVO Nederland 14,5% in 2023. De index is harder gestegen dan voorgaande jaren, want in 2021 en 2022 bedroeg de index 13,4% en in 2020 13,3%. Deze index neemt het volgende mee: de Circular Material Use Rate, het aandeel biogrondstoffen van het totale grondstoffengebruik, het aandeel van de circulaire economie in de termen van toegevoegde waarde en het aandeel van het totale materiaalverbruik dat uit afval of gerecyclede producten komt.

43

Hoe wordt de hoogte van de subsidies vanuit de maatwerkafspraken bepaald?

Antwoord

Wanneer er sprake is van een behoefte aan financiële ondersteuning in de maatwerkaanpak (wat geen gegeven is) wordt altijd eerst gekeken naar de mogelijkheden binnen het bestaande generieke instrumentarium, bijvoorbeeld de SDE++. Het subsidiebedrag wordt dan bepaald door de voorwaarden van de betreffende regeling. Indien er geen passende generieke regeling is voor het desbetreffende project, dan kan maatwerksubsidiëring en/of financiering worden overwogen. In alle gevallen geldt dat er bij de voorbereiding van de Joint Letter of Intent (JLoI) een business case wordt opgesteld. Deze business case wordt grondig geanalyseerd om de onderbouwing van een subsidievraag te doorgronden en te beoordelen welke instrumenten (generiek- of maatwerkfinanciering) eventueel in aanmerking komen. Hierbij wordt onder meer gekeken naar gehanteerde rentevoeten, grondstof en energieprijzen en de onrendabele top in een project of investering) Waar nodig worden ook technische en/of financiële due diligence-onderzoeken uitgevoerd. Ook de externe adviescommissie beoordeelt de doelmatigheid van een eventuele overheidssubsidie aan de projecten. Wanneer sprake is van een maatwerksubsidie zal deze, net als de generieke instrumenten, moeten voldoen aan de Europese staatssteunregels. Kortom: er vindt in alle gevallen een zeer zorgvuldig proces plaats om de hoogte van eventuele subsidiëring/financiering te bepalen.

44

Hoe is de wederkerigheid in de maatwerkafspraken precies geborgd?

Antwoord

Het uitgangspunt van de maatwerkaanpak is wederkerigheid: de overheid en het bedrijf staan naast elkaar. De maatwerkaanpak richt zich op het realiseren van additionele CO2-reductie. Als een bedrijf bereid is een extra inspanning te leveren om sneller meer te verduurzamen in het kader van de maatwerkaanpak om de Nederlandse klimaatdoelen te bereiken, en waar relevant, de leefomgeving te verbeteren, dan wil de overheid kijken of het ook wat extra’s kan doen om de betreffende verduurzamingsprojecten te faciliteren. Hierbij kan het gaat om verschillende vormen van ondersteuning: bevorderen van de tijdige beschikbaarheid van de energie-infrastructuur, bevorderen een voorspelbaar proces van vergunningverlening en op financieel vlak bijvoorbeeld een bijdrage leveren aan de onrendabele top in de business case. Deze afspraken van zowel het bedrijf als de overheid worden vastgelegd volgens een gefaseerd en transparant proces: van een EoP, naar een JLoI naar bindende maatwerkafspraken. In de bindende maatwerkafspraken wordt ook afspraken gemaakt over de borging van de beoogde extra CO2-reductie en over de monitoring van de uitvoering van de projecten en de resultaten. De bedrijven en de Staat zijn gehouden aan het nakomen van de gemaakte afspraken en kunnen elkaar daar zo nodig op aanspreken.

45

Welk percentage plastics die in Nederland worden geproduceerd is voor de export?

Antwoord

Naar schatting wordt netto ruim de helft van de in Nederland geproduceerde plastics geëxporteerd. Deze schatting is gebaseerd op cijfers uit de «National Onepager Netherlands 2020» van de branchevereniging Plastics Europe. Deze rapportage vermeldt over 2020 een nationale productie van polymeren (exclusief elastomeren, lijm- en hechtmiddelen en coatings) van 5,4 miljoen ton per jaar en een nationaal netto-verbruik in plastic toepassingen en producten van 2,4 miljoen ton per jaar. Het verschil van 3 miljoen ton kan als netto-export geïnterpreteerd worden.

46

Wat betekent de 11.940.000 euro voor «Urgenda maatregelen industrie»? Wat zijn dit voor maatregelen? Bij welke bedrijven?

Antwoord

Het kabinet heeft in april 2020 besloten over een pakket aan klimaatmaatregelen om uitvoering te geven aan het Urgendavonnis (Kamerstuk 32 813, nr. 496). Onderdeel van dit pakket was een maatwerksubsidie om een aantal specifieke bedrijven te ondersteunen die versneld CO2-reductie zouden kunnen realiseren maar die niet of niet goed vanuit bestaande subsidieregelingen ondersteund kunnen worden. Hiermee is bijvoorbeeld de CO2 afvanginstallatie van het bedrijf Twence ondersteund. 2024 is het laatste jaar waarin genoemde incidentele middelen beschikbaar zijn voor deze specifieke maatregelen, waaronder een laatste betaling aan Twence.

47

Op welke wijze bent u voornemens een goede campus- en ecosysteeminfrastructuur van het start-up beleid te ondersteunen? Heeft u inmiddels een reactie kunnen geven op de oproep van Netwerken Kennissteden Nederland (NKN) en hun Verbindingsagenda die u in juni in ontvangst heeft genomen met daarin de oproep oog te hebben voor het fysieke aspect van waar innovatie uiteindelijk moet landen?

Antwoord

In de brief «Startups en scale-ups als motor voor transities en groei» schets ik de wijze waarop ik invulling geef aan het start up beleid. De inzet van de gemeenten en andere betrokkenen van het Netwerk Kennissteden Nederland (NKN) op het versterken van hun onderzoeks- en innovatie ecosystemen sluit goed aan op deze aanpak. NKN roept in essentie op tot landelijke kennisdeling rond innovatie ecosystemen, investeringen in ontmoetingsplekken en business development capaciteit. Campussen zijn belangrijke zwaartepunten in onze onderzoeks- en innovatie ecosystemen waar veel innovatieve bedrijven die van onze instrumenten gebruik maken gevestigd zijn. Via het Nationaal Groeifonds vinden al diverse fysieke investeringen op campussen plaats zoals het House of Quantum in Delft. Daarnaast is het Groeifondsvoorstel Deltaplan Valorisatie in ontwikkeling. Dit voorstel heeft een reservering vanuit het Nationaal Groeifonds gekregen en richt zich op ondersteuning van kennisintensieve startups en spin-outs vanuit kennisinstellingen en de onderlinge kennisdeling hierover. Deze inzet past goed bij de oproep van NKN maar besluitvorming via de kaders van het Nationaal Groeifonds dient nog plaats te vinden. Er is regelmatig contact met vertegenwoordigers van NKN over hun oproep en relevante ontwikkelingen. Voordat ik een reactie op de oproep van NKN geef wacht ik een herzien valorisatievoorstel voor het Nationaal Groeifonds en besluitvorming binnen de Groeifondskaders af.

48

Kunt u motiveren waarom u ervoor kiest geen toelichting te geven bij een groot deel van de uitgaven in het kader van het bedrijvenbeleid (m.n. op artikel 2)? Kunt u deze alsnog geven? Wat is de achterliggende verklaring voor de daling van uitgaven aan RVO, TNO en KvK in het kader van het bedrijvenbeleid? Kunt u een update geven van het deel van de middelen op het Toekomstfonds op dit moment reeds juridisch verplicht is? Welke acties onderneemt u om te zorgen dat de middelen op het Toekomstfonds in 2024, alsmede mogelijk doorgeschoven middelen uit 2023, daadwerkelijk bij de beoogde doelgroepen terecht komt?

Antwoord

De belangrijkste mutaties zijn toegelicht. Voor wat betreft het toelichten van significante verschillen in de uitgaven, ontvangsten en verplichtingen worden de ondergrenzen gehanteerd zoals opgenomen in de Rijksbegrotingsvoorschriften van het Ministerie van Financiën. Op basis van de omvang van artikel 2 worden in elk geval mutaties boven de € 10 miljoen toegelicht. In sommige gevallen maken wij de inschatting dat er bovengemiddelde politieke interesse is voor posten onder deze grens en lichten wij deze ook verder toe.

De daling van de uitgaven aan RVO, TNO en KVK is te verklaren doordat de opdrachten aan RVO, TNO en KVK, en daarmee de middelen om deze uit te voeren, jaarlijks worden aangevuld, boven op de inmiddels toegekende middelen. Elk jaar wordt vanuit andere beleidsinstrumenten de opdracht aan RVO, TNO en KVK aangevuld met uitvoeringskosten, nieuwe opdrachten en/of ophogingen.

De instrumenten Deep Tech Fund, Dutch Future Fund, en Fonds Alternatieve Financiering zijn fondsen die volledig juridisch verplicht zijn aan Invest-NL, de financiering vindt plaats op basis van capital calls. Voor de risicokapitaal SEED-regeling, het Innovatiekrediet en de Vroege Fase regeling gaat de RVO juridische verplichtingen aan die over meerdere jaren uit gefinancierd worden. Het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds is bijna volledig juridisch verplicht, met uitzondering circa € 5 miljoen aan terugontvangsten vanuit enkele regelingen gericht op Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek en de middelen voor RegMed. Omtrent RegMed zijn echter wel samenwerkingsovereenkomsten getekend met het Ministerie van VWS en de Vlaamse overheid. Voor het bedrijvendeel is ongeveer € 150 miljoen niet juridisch verplicht voor 2024, dit betreft met name de nieuwe voorziening economische veiligheid, de SEED, en de Vroege Fase. Op dit moment is 62% van de middelen op het totale Toekomstfonds juridisch verplicht voor 2024. Voor zowel het bedrijvendeel als het onderzoeksdeel maak ik mij geen zorgen of de middelen bij de beoogde doelgroep terechtkomen. Het Toekomstfonds is gericht op de lange termijn waarbij nog niet bestede kasmiddelen (die vaak al juridisch verplicht zijn) over de jaargrenzen heen worden geschoven zodat de uitgaven in een later stadium (bijvoorbeeld via capital calls) alsnog worden uitgevoerd.

49

Nu de energiebesparingsplicht naar 7 jaar gaat, veranderen de voorwaarden voor de Versnelde klimaatinvesteringen industrie (VEKI) dan ook naar 7 jaar?

Antwoord

Ja, dit klopt. Vanaf de inwerkingtreding van de 7 jaar terugverdientijd die beoogd is in 2027, zullen nieuwe aanvragen voor subsidie waaronder voor de VEKI-regeling een langere terugverdientijd dan 7 jaar moeten hebben. Er is per 2025 € 150 miljoen gereserveerd om het bedrijfsleven te ondersteunen bij de aanscherping van de energiebesparingsplicht en voor verduurzaming van het mkb.

50

In welke post zit het budget voor het Nationaal Klimaat Platform? Hoeveel is daar de komende jaren voor begroot?

Antwoord

Het budget voor het Nationaal Klimaat Platform (NKP) werd geraamd op artikel 4 van de EZK-begroting, onderdeel «projecten Klimaat en Energieakkoord». Omdat het NKP onder het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving (OFL) valt, dat weer onder IenW valt, is het budget overgeheveld naar de IenW-begroting. Bij Voorjaarsnota 2023 werd daartoe € 2,4 miljoen per jaar overgeheveld naar IenW voor de periode 2023 t/m 2026 voor het NKP.

51

Hoeveel energiecoöperaties hebben subsidies ontvangen uit de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE) en hoeveel uit de subsidieregeling Stimulering Duurzame Energie (SDE)?

Antwoord

Subsidie wordt, zowel binnen de SCE als de SDE-regeling uitgekeerd tijdens de periode dat een installatie in gebruik is, in de vorm van een bedrag per geproduceerde kWh. Binnen de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking hebben, van het totaal aantal projecten in beheer, tot op heden 179 energiecoöperaties (eventueel meerdere) projecten gerealiseerd.

Voor de rondes tot en met 2022 van de Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) is niet separaat bijgehouden of subsidie is verleend aan een coöperatie of een ander type aanvrager. Ik kan daarom op dit moment niet het exacte aantal aangeven van energiecoöperaties die subsidie hebben ontvangen via de SDE-regelingen.

52

Welke beschikkingen zijn afgegeven voor CCS-projecten? Wat is de totale omvang hiervan?

Binnen de SDE++ is in de ronde van het jaar 2020 en 2022 in totaal een verplichtingenbudget van € 8.814 miljoen afgegeven in beschikkingen waarmee naar verwachting in totaal 5,2 megaton CO2 per jaar gereduceerd gaat worden. Hierover heb ik u eerder geïnformeerd via de Kamerbrieven over de betreffende SDE++-ronden (Kamerstukken 31 239, nr. 332 en 31 239, nr. 377). Uit de 2020-ronde is een totaal verplichtingenbudget van € 2.100 miljoen toebedeeld aan 6 CCS-projecten, waarmee 2,34 Megaton CO2 per jaar wordt gereduceerd. Uit de 2022-ronde is een totaal verplichtingenbudget van € 6.714 miljoen toebedeeld aan 8 CCS-projecten, waarmee 2,86 megaton CO2 per jaar wordt gereduceerd. Deze bedragen betreffen het verplichtingenbudget en staan niet gelijk aan de verwachte kasuitgaven. Het verplichtingenbudget vertegenwoordigt het maximale bedrag waarvoor subsidieaanvragen kunnen worden goedgekeurd, terwijl de kasuitgaven het verwachte bedrag aan uit te keren subsidie betreffen. Het verplichtingenbudget is altijd hoger dan de kasuitgaven.

Naast de afdekking van de onrendabele top van CCS-projecten via de SDE++, ondersteunt het kabinet de ontwikkeling van CO2-afvang en -opslag op verschillende manieren. Aan Energie Beheer Nederland (EBN) is voor de deelname van EBN in CCS ten behoeve van de tijdige realisatie van CCS een aantal subsidiebeschikkingen afgegeven. In 2021 heeft EBN een lening tegen marktconforme voorwaarden ontvangen van € 53,4 miljoen om de ontwikkeling en realisatie van Porthos te kunnen financieren. Deze lening wordt met rente terugbetaald. In 2023 zal aan EBN een marktconforme lening van € 32 miljoen worden verstrekt om deel te nemen aan de FEED-fase van de ontwikkeling van de opslaglocaties verbonden aan het Aramis-project. Ook hebben de drie initiatiefnemers van Porthos in 2023 een garantie vanuit EZK ontvangen, ter hoogte van € 175,6 miljoen. Hiervoor wordt een marktconforme premie van € 21,9 miljoen betaald. Met de positieve uitspraak van de Raad van State afgelopen augustus is deze garantie komen te vervallen. Voorts bevordert het kabinet onderzoek op nationaal en internationaal niveau en stelt hier budget voor beschikbaar.

53

Hoeveel budget gaat er naar ondersteunen inzet waterstof in raffinaderijen?

Antwoord

Het is niet op voorhand aan te geven welk deel van het gereserveerde overheidsbudget voor opschaling van elektrolysers uiteindelijk terecht zal komen bij de inzet van waterstof in raffinaderijen. Vanuit de IPCEI golf 2 is € 783,5 miljoen gereserveerd voor opschaling van elektrolysers. Een aantal deelnemende partijen aan deze golf 2 heeft aangegeven raffinaderijen als eerste afzetmarkt te zien. Vooralsnog is er één investeringsbeslissing genomen. Het Ministerie van EZK heeft daarnaast een nieuwe Subsidieregeling volledig hernieuwbare opwek waterstofproductie via elektrolyse (OWE) van € 250 miljoen geopend voor kleinschalige elektrolysers en zal begin 2024 een regeling met budget van € 1.000 miljoen publiceren. Ook de elektrolysers die mee zullen doen aan deze tenders kunnen (een deel van) hun afzet aan raffinaderijen verkopen. Hoeveel van de gesubsidieerde waterstof daadwerkelijk in raffinaderijen wordt ingezet zal afhangen van de vormgeving van de jaarverplichting voor brandstofleveranciers, waarmee raffinaderijen een deel van de kosten van hernieuwbare waterstof zouden kunnen dekken. Over deze vormgeving, waaronder de zogeheten raffinageroute, vindt nog afstemming plaats binnen het kabinet. U kunt hierover binnenkort meer informatie verwachten van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.

54

Wat is het gemiddelde energieverbruik en de gemiddelde energielasten van verschillende type bedrijven/organisaties, uitgesplitst in de prijs voor energie, energiebelasting, enzovoort (bijvoorbeeld voor een gemiddelde bakker, kantoorgebouw, chemiebedrijf, enzovoort)?

Antwoord

In onderstaande tabel wordt voor het jaar 2024 inzicht gegeven in de lasten voor verschillende typen bedrijven op basis van specifieke verbruikscijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Daarbij is uitgegaan van de belastingtarieven voor de energiebelasting zoals opgenomen in het Belastingplan 2024. Inzicht in de totale energierekening van deze specifieke bedrijven ontbreekt aangezien detailinformatie, zoals de geldende leveringstarieven, daarvoor niet bekend is.

Tabel Energiebelasting 2024 voor specifieke typen bedrijven, betreft het mediane gebruik, bedragen in euro
 

gemiddeld aardgasverbruik

in m3

gemiddeld elektriciteitsverbruik in kWh

EB op aardgas

EB op elektriciteit

Totaal EB 2024

Detailhandel non-food

2.384

12.749

1.390

838

2.228

Bakker

4.738

43.669

2.762

3.631

6.394

Verpleeg- of verzorgingstehuis

73.986

294.262

43.135

13.839

56.975

Ziekenhuis

163.570

679.218

95.365

29.026

124.390

Voortgezet (speciaal) onderwijs

43.007

178.725

25.074

9.281

34.355

Fitness

5.249

28.136

3.060

2.228

5.288

Glastuinbouw zonder wkk

194.800

265.200

18.010

12.693

30.703

Grootschalige logistiek met koeling

36.641

1.690.784

21.362

68.932

90.295

Overige landbouw

2.600

11.100

1.516

689

2.205

Zuivelindustrie

1.623.000

4.481.000

364.940

179.006

543.946

Papierindustrie

805.000

4.256.000

241.201

170.130

411.331

55

Wat zijn de 30 grootste gasverbruikers van Nederland?

Antwoord

De identiteit van de grootste 30 afnemers is bedrijfsvertrouwelijk. Wel kan ik aangeven dat het gaat om een samenstel van verschillende typen afnemers, waaronder bedrijven en industriële partijen die gas als grondstof of brandstof gebruiken, gasgestookte centrales (die voorzien in elektriciteit en warmte voor huishoudens) en gesloten distributiesystemen (private gasnetten), die het gas verder transporteren naar een groep verschillende soorten achterliggende afnemers.

56

Waarom loopt het bedrag Schadeafhandeling Mijnbouwschade Limburg langzaam op komende jaren? Kunt u beschrijven hoe deze middelen worden ingezet?

Antwoord

Het exacte aantal schadegevallen in Limburg is onbekend. In de afgelopen 5 jaar zijn er in Limburg circa 25 ernstige schadegevallen hersteld. Het oplopende bedrag is gebaseerd op de verwachting dat, vanwege toename van de bekendheid van de schaderegeling, het aantal schadeclaims zal oplopen, van 125 claims in 2024 tot 200 claims in 2025.

Op dit moment wordt er met de regio samengewerkt aan het opzetten van een regeling voor de afhandeling van de schadegevallen. De middelen worden ingezet voor het herstellen van de schade en het ondersteunen van bewoners door de Commissie Mijnbouwschade en het Limburgse instituut I3ML (Instituut Mens, Milieu en Mijnbouw Limburg, in oprichting).

57

Op welke berekening is het bedrag in 2024 en 2025 gebaseerd voor de post Schadeafhandeling Mijnbouwschade Limburg?

Antwoord

De kosten voor het schadeherstel en de schadeafhandeling in 2024 en 2025 zijn respectievelijk € 4,087 en € 5,212 miljoen per jaar. De bedragen zijn gebaseerd op het aantal verwachte schadeclaims per jaar (125 claims in 2024 en 200 claims in 2025). Het gemiddelde schadebedrag is geschat op 20.000 euro. Daarnaast bestaan de bedragen uit kosten voor de uitvoering van de schadeafhandeling. Hieronder vallen bijvoorbeeld de kosten die gepaard gaan met onderzoek op locatie, inhuur van deskundigen, kosten gerelateerd aan begeleiding van bewoners bij het indienen van schademeldingen en begeleiding bij herstel van schade. Op verzoek van de regio en conform de motie Mulder25 wordt voor de gemiddelde en de zwaardere schadegevallen in Limburg gewerkt met de zogenoemde aannemersvariant. De bewoners worden hierdoor maximaal ontzorgd.

58

Waarop zijn de gelijke bedragen in 2026 en 2027 gebaseerd voor de post Schadeafhandeling Mijnbouwschade Limburg?

Antwoord

Er wordt ingeschat dat met een schadeafhandeling van 200 gevallen per jaar t/m 2026 er voldoende budget is om de aanwezige schadeproblematiek aan te pakken. Vanaf 2027 is er structureel nog € 1 miljoen per jaar voor nieuwe schadegevallen.

59

Werkt men met omgekeerde bewijslast bij de toekenning van middelen uit de post Schadeafhandeling Mijnbouwschade Limburg?

Antwoord

Het kabinet werkt aan een regeling waarbij bewoners met schade als gevolg van steenkolenwinning bij het Ministerie van EZK een aanvraag kunnen indienen voor vergoeding. Zij kunnen zich voor het indienen van deze aanvraag laten ondersteunen door het Limburgse instituut I3ML (in oprichting). De staatsecretaris Mijnbouw vraagt advies van de onafhankelijke Commissie Mijnbouwschade (hierna: commissie) voor de beoordeling van de aanvraag. De commissie zal een specifiek Limburgs protocol hanteren dat rekening houdt met de specifieke kenmerken van de voormalige steenkoolwinning. Daarbij worden de burgers via I3ML en de commissie ontzorgd. Zo onderzoekt de commissie de oorzaak en omvang van de schade. Hierdoor hoeven bewoners niet zelf te bewijzen dat de schade aan hun woning het gevolg is van bodembeweging door mijnbouw. De commissie neemt daarmee de bewijslast van schademelders over. Indien er sprake is van schade, dan zal I3ML de burger ondersteunen bij de afhandeling daarvan.

De Commissie Mijnbouwschade past bij de schadeafhandeling geen wettelijk bewijsvermoeden toe. Het wettelijk bewijsvermoeden is ontworpen om toegepast te worden in een procedure bij de burgerlijk rechter. Het houdt kort gezegd in dat als de gedupeerde in die procedure aantoont dat zijn schade redelijkerwijs het gevolg zou kunnen zijn van mijnbouw, vermoed wordt dat dit de oorzaak van de schade is, tenzij de mijnbouwonderneming dit vermoeden weerlegt. Hiermee wordt afgeweken van een hoofdregel in het Nederlands burgerlijk recht dat «wie stelt, bewijst», zoals blijkt uit artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het systeem dat met de commissie is opgezet maakt het toepassen van een dergelijk beginsel overbodig omdat er, als gevolg van het overnemen van de bewijslast door de Commissie Mijnbouwschade, in het geheel geen bewijslast op de schademelder rust.

60

Waarom staat de SCE voor 2024 op 0 euro?

Antwoord

De SCE is een exploitatiesubsidie. Dit betekent dat subsidie wordt uitgekeerd tijdens de periode dat een installatie in gebruik is, in de vorm van een bedrag per geproduceerde kWh. De hoogte van de subsidie hangt af van de marktprijs en de werkelijke hoeveelheid opgewekte hernieuwbare energie. De SCE subsidieert de «onrendabele top», ofwel het verschil tussen de kostprijs (basisbedrag) en de gemiddelde marktvergoeding (correctiebedrag) voor de opgewekte energie. Het basisbedrag geldt vanaf het jaar van aanvraag voor de gehele subsidieperiode van 15 jaar. De correctiebedragen worden jaarlijks vastgesteld door het PBL. Wanneer het correctiebedrag hoger is dan de kostprijs, bestaat er geen onrendabele top en wordt er geen subsidie uitgekeerd. Door de hoge energieprijzen worden nu geen maandelijkse voorschotten uitbetaald. Naar verwachting is dit ook het geval in 2024.

De begroting EZK gaat uit van verwachte kasuitgaven. Dit is niet gelijk aan de hoogte van de verplichtingen, ofwel de hoogte van de SCE-openstellingsbudgetten. Daarom staan de verwachte kasuitgaven voor zowel 2023 als 2024 op 0. Dit betekent niet dat er volgend jaar geen nieuwe openstelling van de SCE kan plaatsvinden. Ik informeer uw Kamer over deze openstelling voor het einde van het jaar.

61

Waarom staat het ontwikkelfonds energiecoöperaties warmteprojecten in 2024 op 0 euro?

Antwoord

Om het Ontwikkelfonds energiecoöperaties uit te breiden voor warmtecoöperaties wordt gestart met een pilot om het fondsbeheer en de begeleidingsstructuur daarvoor goed in te regelen en ervaring mee op te doen. Zodoende kan de begeleiding worden versterkt, kunnen de ontwikkelkosten worden gereduceerd en kan de slagingskans van warmtecoöperaties worden vergroot. De verwachting is dat de subsidie voor deze pilot dit najaar nog wordt verstrekt, waarna de pilot begin 2024 van start kan gaan. De middelen voor de pilot zijn reeds toegekend en verwerkt in de suppletoire Prinsjesdagbegroting26 voor 2023. Daarom staat er op deze post € 0 in 2024.

62

Ten aanzien van de Subsidieregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS) de volgende vragen. Klopt het dat er voor 2024 en opvolgende jaren nog geen geld is vrijgemaakt om de SDS-regeling open te stellen voor nieuwe projecten? Wat is de stand van zaken van de evaluatie van de SDS-regeling en wanneer wordt deze opgeleverd? Op welke wijze wordt deze evaluatie uitgevoerd en hoe wordt de industrie daarbij betrokken? Bent u voornemens om te zorgen dat de evaluatie ruim op tijd is afgerond vóórdat de SDS-regeling is gesloten voor nieuwe aanvragen? Wanneer verwacht u een besluit te nemen over het (al dan niet structureel) continueren van de SDS-regeling?

Antwoord

De maritieme industrie is belangrijk voor Nederland. Deze sector speelt een essentiële rol in onze duurzaamheids- en energietransitie. In dit kader is de SDS een waardevol instrument omdat deze regeling scheepswerven aanmoedigt om innovatieve technieken te ontwikkelen voor duurzaamheidsvraagstukken zoals het beperken van de uitstoot van CO2 en andere emissies. In de Kamerbrief van 6 juli jl. (Kamerbrief 36 200 XIII, nr. 129) heb ik aangegeven dat ik complementair aan het huidige budget van € 2,3 miljoen extra middelen voor de SDS ter beschikking zou stellen. Vervolgens is er voor 2023 extra budget vrijgemaakt van € 0,7 miljoen.

De evaluatie van de SDS-regeling wordt uitgevoerd door een externe partij en bestaat uit een deskstudie op basis van kwalitatieve en kwantitatieve onderzoeksmethodes. De sector wordt nadrukkelijk betrokken bij de evaluatie. De sector maakt deel uit van de begeleidingscommissie van de evaluatie. Aanvankelijk zou de evaluatie intern uitgevoerd worden, maar er is besloten om deze extern uit te zetten, waardoor het langer duurt dan voorzien. Zodra de evaluatie is afgerond, kijk ik welke aanbevelingen ik kan overnemen om de regeling eventueel nog verder te verbeteren met het oog op de toekomst. Ik zal ten behoeve van de voorjaarsbesluitvorming bezien welke dekking ik hier tegenover beschikbaar kan stellen. De openstellingsperiode van de SDS-regeling van 2023 is reeds op 6 september gesloten. De voorstellen worden momenteel door de commissie beoordeeld.

63

En aanvullend, is er in de begroting 2024 al rekening gehouden met de implementatie van de sectoragenda voor de maritieme maakindustrie? Wat is de stand van zaken van de evaluatie van de SDS-regeling en wanneer wordt deze opgeleverd? Op welke wijze wordt deze evaluatie uitgevoerd en hoe wordt de industrie daarbij betrokken? Bent u voornemens om te zorgen dat de evaluatie ruim op tijd is afgerond vóórdat de SDS-regeling is gesloten voor nieuwe aanvragen? Wanneer verwacht u een besluit te nemen over het (al dan niet structureel) continueren van de SDS-regeling?

Antwoord

Eind oktober wordt de sectoragenda Maritieme Maakindustrie opgeleverd. Ik zie dat hier een belangrijke opgave ligt, en vind het belangrijk om hier ook financieel een rol in te kunnen spelen om zo innovatie en verduurzaming te stimuleren. Financiële consequenties hiervan worden in samenwerking met mijn collega’s van Defensie en I&W komend voorjaar bezien. Er zijn nog geen middelen gereserveerd voor openstelling van de SDS-regeling in 2024 voor nieuwe aanvragen. Zodra de evaluatie is afgerond, kijk ik welke aanbevelingen ik kan overnemen om de regeling eventueel nog verder te verbeteren met het oog op de toekomst. Ik zal ten behoeve van de voorjaarsbesluitvorming bezien welke dekking ik hier tegenover beschikbaar kan stellen. Zie verder het antwoord op vraag 62.

64

Welke resultaten verwacht u voor de uitrol van wind op zee voor 2024?

Antwoord

In 2024 hebben we de Routekaart Wind op Zee 2023 op tijd én binnen budget gerealiseerd, waarmee de doelstelling van 4,5 GW opgesteld vermogen voor windenergie op zee uit het Energieakkoord is behaald. Daarnaast vinden in 2024 de vergunningverleningsprocedures voor windenergiegebied IJmuiden Ver kavels Alpha en Beta (4 GW) plaats. Ik verwacht na de zomer van 2024 de resultaten bekend te kunnen maken. We ontvangen mogelijk opbrengsten uit het financieel bod dat windparkontwikkelaars kunnen doen bij de vergunningverleningsprocedures. Deze opbrengsten kan ik niet inschatten, omdat deze sterk afhangen van de business case van windparkontwikkelaars en de hoogte van hun investeringen in de kwalitatieve elementen van de vergunningverleningsprocedure, zoals ecologie en systeemintegratie. De vergunninghouders zijn in ieder geval verplicht om de voorbereidende kosten (voor de locatieonderzoeken en milieueffectenrapportages) die de rijksoverheid heeft gemaakt, terug te betalen. Dit gaat om een bedrag van ca. € 43,7 miljoen. Naast de vergunningverleningsprocedures voor IJmuiden Ver kavels Alpha en Beta, vinden in 2024 ook de voorbereidingen plaats voor de kavelbesluiten en de vergunningsverleningsprocedures voor IJmuiden Ver kavel Gamma en Nederwiek Kavel I.

65

Welke partijen hebben voordeel van het vullen van de gasopslag Bergermeer

Antwoord

Het is voor de gasleveringszekerheid van Nederland en de op het Nederlandse net aangesloten buurlanden belangrijk dat gasopslagen gevuld worden. In de visie gasopslag heeft het kabinet op een rij gezet welke verschillende functies gasopslagen hebben bij het voorzien in de gasleveringszekerheid (Kamerstuk 29 023, nr. 442). Alle gasverbruikers hebben belang bij gasleveringszekerheid.

Gasopslag Bergermeer is een seizoensopslag. Dit betekent dat er in de zomer gas wordt opgeslagen om te kunnen voorzien in een hogere gasvraag in de winter. Voor marktpartijen die gas in de berging opslaan (capaciteitshouders) is dit in normale omstandigheden (als de gasprijzen in de winter hoger zijn dan in de zomer) ook commercieel interessant. Daarnaast hebben de eigenaren en de beheerder van gasopslag Bergermeer voordeel bij het vullen van de gasopslag, aangezien de capaciteitshouders betalen voor het gebruik van de gasopslag.

66

Hoe hoog zal de beoogde heffing zijn? (Bergermeer)

Antwoord

Op dit moment wordt de beoogde heffing uitgewerkt. De hoogte van de heffing hangt af van de kosten die gemaakt worden om te zorgen dat de gasopslagen in Nederland zijn gevuld. Waarschijnlijk zal de beoogde heffing een mechanisme bevatten waarbij jaarlijks wordt vastgesteld wat de hoogte van de heffing wordt, gebaseerd op de kosten die zijn gemaakt. De hoogte van de heffing is nu dus nog niet vast te stellen. Tot nu toe zijn er nog geen kosten gemaakt met de vulmaatregelen die gedekt zouden moeten worden met de heffing.

67

Welke partij zal de baten ontvangen van deze heffing? Deelt de regio ook in de baten?

Antwoord

Uitgangspunt van de heffing is dat de kosten die met de door de overheid genomen vulmaatregelen gemoeid zijn (inclusief de eventuele kosten van de vulmaatregelen die dit vulseizoen zijn genomen), worden gedragen door de gebruikers (ofwel: de gebruiker betaalt). Dit betreft zowel gebruikers in Nederland als daarbuiten. Op die manier kan de rekening worden gelegd bij de gebruikers die profiteren van de vulling van de gasopslagen (leveringszekerheid), inclusief de gebruikers in het buitenland.

De heffing leidt dus niet tot extra baten voor de overheid die al dan niet met de regio gedeeld zouden kunnen worden.

68

Kunt u specificeren waar de middelen voor de post energiecoöperaties warmtefonds heen gaan? Waar is dit bedrag op gebaseerd?

Antwoord

De middelen voor de «Pilot Ontwikkelfonds voor warmtecoöperaties» worden middels een subsidiebeschikking overgedragen aan de fondsbeheerder, het Nationaal Groenfonds. Energie Samen treedt op als fondsmanager die de aanvragen inhoudelijk beoordeelt en de warmtecoöperaties die een lening ontvangen ondersteunt in de ontwikkelfase.

Het bedrag voor de pilot is gebaseerd op de analyses en het voorstel van Energie Samen, zoals dat is toegelicht in het rapport «Uitbreiding OEC met warmteprojecten», dat is meegestuurd met de Kamerbrief over de voortgang van het voorstel Wet collectieve warmte d.d. 6 juli 2023.27 Voor de projecten in de pilotfase verwacht Energie Samen dat de ontwikkelfase een lening vereist van € 1 miljoen per project. De pilot omvat 25 projecten, waarmee er € 25 miljoen aan fondsmiddelen nodig is. Het resterende bedrag dekt de operationele en inrichtingskosten om het fondsbeheer en de ondersteuningsstructuur te organiseren.

69

Kunt u een schatting geven van het aantal projecten dat steun krijgt via de post energiecoöperaties warmtefonds?

Antwoord

De pilot is erop gericht om 25 warmtecoöperaties van een lening en deskundige begeleiding te voorzien om hun ontwikkelfase te overbruggen (zie ook antwoord op vraag 68).

70

Waar is het bedrag voor Opwek Energie op Rijksvastgoed (OER) op gebaseerd? Waar gaan deze middelen naartoe?

Antwoord

Het programma Opwek Energie op Rijksvastgoed (OER) dient voor het voorbereiden van Rijksgronden, zoals snel- en spoorwegen en defensieterreinen, voor de opwek van hernieuwbare energie. Dit is vergelijkbaar met de aanpak voor windenergie op zee. Op termijn levert dit extra (grond)inkomsten op voor het Rijk. Hiermee levert het Rijk met eigen vastgoed een bijdrage aan de doelen van de Regionale Energiestrategieën (RES). Omdat hiermee wordt ingezet op meervoudig ruimtegebruik dienen locaties zorgvuldig te worden ingepast met de betrokken Rijksvastgoedhoudende organisaties en het lokaal bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning. De kosten zijn gebaseerd op de inzet van Rijkswaterstaat voor uitvoering van het programma OER t/m 2028, waarmee binnen vijf jaar 30 projecten voor ontwikkeling van duurzame energie op Rijksareaal in uitvoering worden gebracht. Dit kost € 74,6 miljoen. Het resterende budget wordt gebruikt voor het opzetten van soortgelijke programma’s bij ProRail en Defensie met de looptijd tot 2030. De eerste bevoorschotting zal in de loop van 2024 aan deze twee organisaties ter beschikking worden gesteld voor financiële dekking van lopende programma- en projectactiviteiten.

71

Staan er extra middelen voor de uitrol van zonnepanelen ter compensatie van de afbouw van de salderingsregeling, en welke zijn dat precies?

Antwoord

In het Meerjarenprogramma 2024 van het Klimaatfonds een reservering aangekondigd van € 100 miljoen voor het Meerjarenprogramma 2025 (waarvan € 50 miljoen van de BZK-begroting) voor een tijdelijke subsidie voor coöperaties en particuliere verhuurders in het gereguleerde segment indien de salderingsregeling wordt afgebouwd. Met de subsidie worden de netto investeringskosten voor zonnepanelen lager en kunnen verhuurders met een lagere vergoeding van de huurder toe. Daardoor wordt de instemming door huurders met investeringen in zonnepanelen gemakkelijker. Voorwaarde voor het toekennen van de gereserveerde middelen in het Meerjarenprogramma 2025 is dat de salderingsregeling wordt afgebouwd en dat de opgewekte stroom naar de huurder dient te gaan. De maatregel wordt momenteel verder uitgewerkt.

72

Hoeveel fte wordt op het ministerie ingezet voor energiebesparing? Hoeveel daarvan wordt ingezet voor energiebesparing van de industrie?

Antwoord

Bij de beleidsdirectie van kerndepartement van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat werken 9 fte specifiek aan energiebesparing. 1 fte daarvan werkt aan energiebesparing van de industrie. Naast deze 9 fte wordt een grotere capaciteit ingezet op het klimaat, energie en industriedossier, waaronder bijvoorbeeld voor de uitvoering klimaatmaatregelen en verduurzaming van de industrie. Bovendien hebben CO2-reducerende maatregelen doorgaans ook een energiebesparend effect.

73

Met welke partijen is nader overleg nodig om de uitvoerbaarheid van de kabinetsbeloften te kunnen borgen?

Antwoord

De aangekondigde maatregelen voor Groningen in de kabinetsreactie Nij Begun doen een groot beroep op de uitvoeringscapaciteit. Het kabinet voert daarom doorlopend overleg met alle uitvoeringspartijen (NCG, IMG, SNN en NPG), lokale overheden, maatschappelijke organisaties, het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) en relevante private partijen, met name waar het gaat om voldoende bouw- en installatiecapaciteit om de uitvoerbaarheid van de maatregelen te blijven borgen (Kamerstuk 35 561, nr. 17).

74

Welke maatregel zal volgens het IMG mogelijk een groter budgettair beslag opeisen?

Het betreft maatregel 3 uit de kabinetsreactie Nij Begun, waarbij schade wordt hersteld tot € 60.000 zonder causaliteitsonderzoek en maatregel 5 waarmee de vaste vergoeding voor de afhandeling van fysieke schade wordt verruimd. In de Kamerbrief van 6 oktober jl. over daadwerkelijk schadeherstel wordt de uitwerking van deze maatregelen verder toegelicht.

75

Hoe groot zal dit extra budgettair beslag zijn?

Antwoord

Zoals aangeven in de Kamerbrief van 6 oktober jl. over daadwerkelijk schadeherstel wordt op basis van een eerste inschatting verwacht dat de voorgestelde veranderingen in de werkwijze voor daadwerkelijk herstel en de verhoogde VES en AVV in de schadeafhandeling tot circa € 1,4 miljard extra uitgaven leidt ten opzichte van het status quo scenario.

76

Is er dekking voor het extra budgettair beslag?

Antwoord

Dit bedrag was nog geen onderdeel van de middelen die voor PEGA zijn gecalculeerd. De opwaartse bijstelling van de uitgaven wordt verwerkt in een nota van wijziging op de EZK-begroting die op zeer korte termijn naar de Kamer wordt gestuurd. De ontvangsten worden momenteel nog niet verwerkt. De bijstelling van de schaderaming, inclusief de ontvangsten, wordt betrokken bij de integrale uitgavenbesluitvorming bij Voorjaarsnota 2024.,

77

Wat is de oorzaak van het extra budgettair beslag?

Antwoord

Bij het verschijnen van Nij Begun moesten deze maatregel nog verder worden uitgewerkt, en er was derhalve geen raming van de kosten. De verwachting was dat er een besparing op de uitvoeringskosten zou zijn vanwege het vervallen van de causaliteitstoets en een toename van de uitgaven aan schade-uitkeringen. Hoewel de uitvoeringskosten in de nu uitgewerkte variant (incl verhoging van de VES) de komende jaren toenemen (vanwege toename in het aantal aanvragen), zullen deze op termijn naar verwachting dalen. Het IMG houdt daarnaast rekening met een sterkere stijging van de schade-uitkering omdat meer mensen gebruik zullen maken van daadwerkelijk herstel en een hoger gemiddeld schadebedrag wordt verwacht. onder meer omdat de vaste vergoeding wordt verhoogd van € 5.000 naar € 10.000.

78

Komt de uitvoering van de kabinetsbeloften in gevaar?

Antwoord

Nee.

79

Is het nog beschikbare bedrag van € 150 miljoen voldoende om tot 2028 dekking voor de waardevermeerderingsregeling te hebben?

Antwoord

Het kabinet heeft voorgesteld (Kamerstuk 33 529, nr. 1171) om de Waardevermeerderingsregeling tot 1 februari 2024 te verlengen en de regeling daarna af te laten lopen. Hiervoor is een aanvullend bedrag van € 41 miljoen gereserveerd. De dan nog resterende middelen (€ 104 miljoen) blijven beschikbaar voor Groningen. € 150 miljoen is niet voldoende om de regeling ongewijzigd te verlengen tot 2028. Naar verwachting kost het nog ca. € 1 miljard om uiteindelijk alle bewoners van het aardbevingsgebied die nog geen subsidie hebben ontvangen een aanvraag te laten indienen voor de huidige waardevermeerderingsregeling. Op verzoek van de Tweede Kamer is de voorhangprocedure van de verlenging van de Waardevermeerderingsregeling gestuit, uw Kamer is op 5 oktober jl. geïnformeerd (kenmerk 2023Z16800) hoe invulling is gegeven aan dit verzoek.

80

Van hoeveel schrijnende situaties is er sprake?

Antwoord

De Commissie Bijzonder Situaties heeft dit jaar (2023) 32 casussen in behandeling. Het Interventieteam Vastgelopen Situaties heeft dit jaar (2023) 25 casussen in behandeling.

81

Hoeveel gevallen van knelpunten zijn er bekend bij het IMG en de NCG?

Antwoord

De Commissie Bijzondere Situaties (CBS) heeft dit jaar (2023) 32 casussen in behandeling. Het Interventieteam Vastgelopen Situaties (IVS) heeft dit jaar (2023) 25 casussen in behandeling.

Ten algemene schat het IMG dat zo’n 10% van de maatwerkzaken aanvullende aandacht krijgt vanwege complexiteit. De aanpak hiervoor kan variëren van bijvoorbeeld een keukentafelgesprek, aanpak via CBS of IVS, of de noodzaak voor aanvullende ruimte ten opzichte van de huidige kaders.

Bij het IMG zijn 300 impactvolle dossiers in behandeling en bij dDe NCG zijn ditheeft 144 impactvolle dossiers in behandeling (peildatum juni 2023). Het streven is om met de knelpuntenregelingen van het IMG en de NCG zoveel mogelijk van deze zaken waar aanvullende ruimte nodig is op te kunnen lossen. Mocht dit niet lukken, dan worden deze zaken doorgeleid naar het IVS en incidenteel ook het CBS. Op het gebied van mkb, Agro en Mestkelders zijn er resp. 90, 85 en 70 dossiers complexe gevallen.

Mogelijk kunnen voor sommige van de hierboven genoemde dossiers taskforces soelaas bieden. Hierover wordt de Kamer voor het WGO Groningen van 16 oktober a.s. uitgebreider geïnformeerd.

Door de in de Kamerbrief van 6 oktober jl. aangekondigde versoepelingen in het schadeproces is de verwachting dat de voorraad van complexe gevallen en nieuwe gevallen zal teruglopen.

82

Is in de geschatte aardgasproductie rekening gehouden met het versnellingsplan voor aardgaswinning op de Noordzee?

Antwoord:

De geschatte aardgasproductie zoals opgenomen in de gasbatenraming is op basis van de aangeleverde prognose van EBN. Deze is voor de komende jaren tevens in lijn met de prognose van TNO op basis van het Basis scenario.28 Gegeven de onzekerheid die omgeven is bij de extra winning door het versnellingsplan, wordt dit niet meegenomen in deze gasbatenraming. Voor 2023 voorziet men een totale Nederlandse productie van 10,8 miljard m3, waarvan 9,3 miljard m3 uit de kleine velden (land en zee).

Zodra EBN voldoende signalen heeft dat de maatregelen zoals ingezet in het versnellingsplan ook resulteren in nieuwe investeringen in nieuwe projecten, zal dat ook worden bijgesteld in de prognoses zoals opgesteld in de gasbatenramingen.

Hier dient gerectificeerd te worden dat de geschatte binnenlandse productie zoals opgenomen in de EZK begroting (op pag. 172) per abuis enkel het aandeel van EBN van 40% betreft. De geschatte binnenlandse productie voor 2023 is dus niet de 4,3 miljard m3 zoals daar vermeld, maar 10,8 miljard m3 zoals opgenomen in de beantwoording van deze vraag. Hieronder vindt u een aangepaste tabel met de juiste geschatte productiegegevens. Het betrof een extra tabel ter voor informatief doeleinde. De correctie heeft daarom geen financiele gevolgen voor de begroting.

Aangepaste tabel 53 Aardgasproductie en gasprijs voor raming ontvangsten Mijnbouwwet en dividend EBN:
 

2023

2024

2025

2026

2027

2028

Geschatte productie (in mld Nm3)

10,8

10,5

11,0

10,8

9,5

8,5

Waarvan: Groningenveld

1,5

         

Waarvan: kleine velden

9,3

10,5

11,0

10,8

9,5

8,5

Geschatte gasprijs (in eurocent/m3)

39

50

44

35

29

29

83

Hoeveel fulltime equivalent (fte) wordt op het ministerie ingezet voor kernenergie?

Antwoord

Op dit moment is de bezetting van de programmadirectie Kernenergie 29,6 fte.

84

Welke kerncentrales wereldwijd hebben in de afgelopen 5 jaar te maken gehad met een kostenoverschrijding en het overschrijden van de tijdsplanning?

Antwoord

In de KPMG marktconsultatie (Kamerstuknummer 32 645, nr. 96, slide 62) wordt een overzicht gegeven van de gerealiseerde en lopende projecten nieuwbouw kernenergie. Daar is te zien dat de centrales in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) zonder kostenoverschrijding zijn gebouwd. Op basis van deze tabel is de gemiddelde procentuele kostenoverschrijding voor al deze projecten 32%. De gemiddelde periode van overschrijding is 4,4 jaar.

De belangrijkste redenen voor de kostenoverschrijdingen in de andere projecten zijn: onvolwassenheid van de ontwerpen, wijzigingen in regelgeving, een gebrek aan kennis en niet toereikende toeleveringsketens. Veel kennis en toeleveringsketens zijn verloren gegaan doordat er in Europa in een periode van bijna 20 jaar geen kerncentrales gebouwd waren.

Inmiddels zijn de gebruikte ontwerpen volwassen en worden kennis, expertise en toeleveringsketens weer opgebouwd in Europa. Voor vergunningen en projectmanagement kan daarnaast worden voortgebouwd op de eerdere trajecten, zoals de vergunningverlenging van PALLAS (de medische isotopen-reactor die recent een bouwvergunning heeft ontvangen van de ANVS.

Marktpartijen verwachten dat generatie III+ reactoren nu 20 tot 30% goedkoper kunnen zijn dan de eerste projecten van dit type reactoren die nu in aanbouw zijn of recent in gebruik zijn gekomen. Mede daarom richt dit kabinet zich daarom op de realisatie van de bewezen techniek van generatie III+ reactoren. De mate van benodigde aanpassing van het ontwerp is ook een belangrijke factor voor de uiteindelijke techniekkeuze.

85

Kunt u aangeven hoe uitvoering is gegeven aan de motie van het lid Paternotte c.s. over bij de oplossingen voor het energie-intensieve mkb ook kijken naar gerichte ondersteuning van scholen en culturele instellingen? Kunt u aangeven waar deze middelen precies terecht zijn gekomen?

Antwoord

De TEK was bedoeld voor energie-intensieve mkb-ers, niettemin konden ook scholen en/of culturele instellingen die voldeden aan de voorwaarden aanspraak maken op de TEK. Daarnaast heeft het kabinet vanwege de stijgende inflatie in 2022 bij Najaarsnota 2022 besloten om eenmalig vanaf 2023 een extra tranche prijsbijstelling uit te keren aan begrotingen van het Rijk en aan het Gemeente- en Provinciefonds. Gemeenten en provincies kunnen dit budget naar eigen inzicht inzetten, bijvoorbeeld om instellingen financieel te helpen als gevolg van de gestegen energiekosten.

Ook aan de OCW-begroting is in het voorjaar € 140 miljoen in 2023 oplopend tot € 175 miljoen structureel aan extra prijsbijstelling tranche 2022 toegevoegd om tegemoet te komen aan gestegen prijzen, als gevolg van (onder andere) stijgende energieprijzen, voor scholen en door de overheid bekostigde culturele instellingen. Deze prijsbijstelling is aanvullend op de reguliere loon- en prijsbijstelling toegevoegd.

86

Wat is de stand van zaken rondom de bij- en meestook van biomassa in kolencentrales? Hoeveel biomassa wordt er naar verwachting in 2023 nog bij- en meegestookt? Hoeveel subsidie gaat hierheen?

Antwoord

Elk jaar publiceert de CE Delft de «Jaarrapportage convenant duurzaamheid». Deze rapportage beschrijft de geleverde inspanningen en bereikte resultaten over het voorgaande jaar rond de inzet van biomassa, de naleving van de duurzaamheidseisen en de realisatie van het minimum groeipad en het ambitiepad. De data in deze rapportage worden aangeleverd door de energiebedrijven en Stichting Dutch Biomass Certification (DBC) en worden vanwege bedrijfsgevoeligheid van de informatie geaggregeerd weergegeven. De rapportage van 2023 wordt pas verwacht in mei 2024, waardoor het kabinet nu nog geen informatie kan verschaffen over de cijfers van 2023.

De rapportage van vorig jaar laat zien dat in 2022 in totaal 2.598.822 ton aan biomassa is ingezet voor bij- en meestook in kolencentrales in Nederland. Dit is een afname van 18% ten opzichte van 2021. De geleverde en gebruikte biomassa in 2022 voor bij- en meestook bestaat hoofdzakelijk (96,4%) uit houtpellets.

In 2022 was de uitgekeerde subsidie € 0,00. De hoeveelheid uitgekeerde subsidie is afhankelijk van de hoeveelheid bioenergie die geproduceerd wordt en de marktprijs voor die energie. Dat is pas na afloop van het jaar bekend. Door de hoge elektriciteitsprijzen is het daarbij ook mogelijk dat er geen subsidie voor bij- en meestook wordt verstrekt in 2023.

87

Wat is het verschil tussen bijstook van biomassa en meestook van biomassa?

Antwoord

Meestook is directe vervanging van kolen door biomassa die als vaste brandstof de ketel in gaat. Bijstook wil zeggen dat de biomassa eerst wordt vergast en dan als gas in de ketel wordt verstookt.

88

Hoe verhoudt de ambitie die uw ministerie heeft ten aanzien van de Topsectoren Life Sciences & Health, Chemie, zich tot de inzet van Nederland (VWS) op het EU Pharma package? Bent bekend met de zorgen vanuit de farmaceutische industrie (een vd grootster R&D investeerders in NL) dat de strategie die Nederland hierop volgt geen oog heeft voor het vestigingsklimaat? Is EZK betrokken bij de Nederlandse inzet?

Antwoord

Het kabinet is bekend met de zorgen die leven bij de innovatieve farmaceutische industrie. Op 26 mei jl. heeft het kabinet het Nederlandse standpunt met betrekking tot de voorstellen (BNC-fiche Herziening EU farmaceutische wetgeving – 36 365-2) aan de Kamer toegestuurd. EZK is, mede vanuit het missiegedreven innovatiebeleid en de Topsectoren Life Science and Health en Chemie, in nauw overleg met VWS betrokken bij de totstandkoming van de Nederlandse inzet. Belangrijk aandachtspunt voor het kabinet is toetsing van het wetsvoorstel aan de mate waarin het bijdraagt het concurrentie- en het innovatievermogen van de geneesmiddelenindustrie in de EU en behoud van een aantrekkelijk investeringsklimaat voor bedrijven. Dit is ook een belangrijk doel van het wetsvoorstel van de Europese Commissie. Nederland zal kritisch kijken naar de uitvoerbaarheid en voorspelbaarheid van de voorstellen en zich inzetten voor een wetgevend kader dat een positief effect heeft op de industrie om te investeren in onderzoek en ontwikkeling en daarmee op de beschikbaarheid van geneesmiddelen voor de patiënt.

89

Kunt u toelichten wat uw inzichtbehoefte is voor de verschillende in de SEA benoemde strategische thema’s? Kun u daarbij specifiek ingaan op «Goed werkende (digitale) economie en markten? In hoeverre acht u het mogelijk om op basis van de geprogrammeerde evaluaties te kunnen komen tot een integraal oordeel over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid op de verschillende strategische thema’s?

Antwoord:

In de uitwerking van de SEA (bijlage 6 van de EZK-begroting) is per beleidsthema opgenomen wat de stand van het huidige inzicht en de inzichtbehoefte is. Hierbij wordt voortgebouwd op voorgaande beleidsdoorlichtingen en voorgaande evaluaties om het inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid van de bijbehorende beleidsinstrumenten te vergroten. Per beleidsthema is de planning van evaluaties erop gericht om periodiek (eens in de vier tot zeven jaar) een integraal beeld te kunnen geven van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid.

In 2022 is de doorlichting van artikel 1 «Goed functionerende economie en markten» over de periode 2015 tot en met 2020 afgerond en met een kabinetsreactie aan uw Kamer aangeboden (Kamerstuk 30 991, nr. 37). Het beleid leek volgens het onderzoeksbureau in het algemeen doeltreffend en doelmatig en de instrumenten dragen bij aan het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en markten. Verder bleek het aantal onderliggende evaluaties beperkt en werd geadviseerd om het beleidsartikel in drie delen op te delen.

In de huidige begroting is de geadviseerde verdeling verwerkt en de planning van evaluaties beoogt een goede basis te vormen voor de toekomstige doorlichting van het beleidsthema «Goed werkende (digitale) economie en markten». Bij de vorige doorlichting kon het deel gericht op «digitale economie en markten» nog niet goed worden geëvalueerd omdat dit beleid nog behoorlijk nieuw en nog niet uitontwikkeld was. In de huidige SEA zijn nu ook evaluaties gepland die gericht zijn op dit beleid, zodat ik verwacht dat bij de volgende doorlichting ook hiervoor nader inzicht in doeltreffendheid en doelmatigheid wordt verkregen.

In de voortgangsrapportage van de strategie digitale economie, die binnenkort aan de Kamer wordt aangeboden, wordt in de bijlage een overzicht gepresenteerd van de uitgevoerde evaluaties en geplande evaluaties op het gebied van de digitale economie tot aan de beleidsdoorlichting in 2027.

90

Waarom zijn de via de Voorjaarsbesluitvorming Klimaat toegekende middelen voor kennisinfra kernenergie en de ontwikkeling van small modular reators (SMR) slechts gedeeltelijk terug te vinden in de voorliggende begroting?

91

Wat is nodig om ervoor te zorgen dat de resterende middelen van de via de Voorjaarsbesluitvorming Klimaat toegekende middelen voor kennisinfra kernenergie en ontwikkeling van SMR's daadwerkelijk gereserveerd en beschikbaar gesteld worden via de begroting van Economische Zaken en Klimaat?

Antwoord vragen 90 en 91

In tabel 135 op bladzijde 345 van de EZK-begroting 2024 zijn alleen de definitief toegekende middelen uit het Klimaatfonds voor kennisinfra kernenergie en de ontwikkeling van SMR’s weergegeven. Dit gaat om respectievelijk € 25,5 miljoen en € 3,1 miljoen. Dit zijn de middelen waar EZK op dit moment daadwerkelijk over kan beschikken. De resterende gereserveerde middelen (respectievelijk € 39,5 miljoen en € 61,9 miljoen) worden toegekend wanneer aan alle resterende, vanuit het Klimaatfonds gestelde voorwaarden is voldaan. De aanvraag hiervoor loopt mee in het Meerjarenprogramma Klimaatfonds 2025, waarover op zijn vroegst in het voorjaar van 2024 wordt besloten.

92

Waarom lopen de middelen voor nucleaire kennisinfra per 2025 af? Waarom is er niet gekozen voor een structurele financiering van kennisinfrastructuur?

Antwoord

In het Klimaatfonds is in totaal € 65 miljoen opgenomen voor de versterking van de nucleaire kennisbasis- en infrastructuur. Daarvan is € 25,5 miljoen reeds toegekend en gereserveerd voor het versterken van nucleair onderwijs en onderzoek over de komende jaren t/m 2030, waarvan specifiek € 11 miljoen voor 2024.

De middelen voor 2024 zijn hoog ten opzichte van de andere jaren, omdat hier ook de middelen (à € 5 miljoen) die voor 2023 beschikbaar waren naartoe zijn geschoven.

De benutting van het restant van de middelen (de € 39,5 miljoen) moet nog verdereuitgewerkt. Na vaststelling van de integrale programmering binnen het MMIP Kernenergie, naar verwachting aan het einde van dit jaar, kunnen de plannen met deze middelen uit het Klimaatfonds verder worden uitgewerkt en kan over de toekenning van deze middelen worden besloten bij voorjaarsbesluitvorming 2024. De reeks loopt met toevoeging van deze middelen niet meer af.

93

Waarop baseert u het begrote bedrag voor de ondersteuning van de ontwikkeling van SMR’s (Small Modular Reactors)? Waarom is niet gekozen voor structurele financiering?

94

Kunt u specificeren waar het geld heen gaat voor de ontwikkeling van SMR’s?

Antwoord op vragen 93 en 94

Het budget van € 65 miljoen (waarvan € 3,1 miljoen al is toegekend), is vastgesteld bij voorjaarsbesluitvorming 2023. De schattingen hiervoor zijn onder meer gebaseerd op het EU SMR pre-Partnership. Het budget is bedoeld om een eerste start te maken met de inventarisatie van de mogelijkheden en het daadwerkelijk ondersteunen van de ontwikkeling van SMRs in Nederland. De looptijd van het programma is voorzien tot 2030, passend bij de maximale looptijd die onder het Klimaatfonds mogelijk is.

In overeenstemming met de motie van de leden Erkens/Bontenbal (Kamerstuk 32 813, nr. 1255, 20 juni 2023) wordt op dit moment een gestructureerde SMR programma-aanpak uitgewerkt. Daarvoor worden dit najaar gesprekken gevoerd met verschillende stakeholders als provincies, onderzoeks- en kennisinstellingen en de maakindustrie. Ik ben voornemens uw Kamer voor het einde van het jaar te informeren over een gestructureerde SMR-programma-aanpak.

95

Worden de middelen voor de ontwikkeling van SMR’s ook ingezet voor de ontwikkeling van thoriumreactoren?

Antwoord

In overeenstemming met de motie van de leden Erkens/Bontenbal (Kamerstuk 32 813, nr. 1255, 20 juni 2023) wordt op dit moment een gestructureerde SMR programma-aanpak uitgewerkt. Daarvoor worden dit najaar gesprekken gevoerd met verschillende stakeholders zoals provincies, onderzoeks- en kennisinstellingen en de maakindustrie. Deze motie biedt mogelijk ook ruimte voor inzet rondom de ontwikkeling van thoriumreactoren, daar waar die inzet meerwaarde heeft voor de ontwikkeling van de brede nucleaire kennis- en waardeketen. Ik ben voornemens uw Kamer voor het einde van het jaar te informeren over een gestructureerde SMR-programma-aanpak.

96

Hoeveel elektrolysecapaciteit verwacht u met de toegekende 1 miljard euro voor elektrolyse te kunnen realiseren?

Antwoord

De middelen worden weggezet door middel van een tender. Daarmee is op voorhand niet goed aan te geven wat de uitkomsten zijn. Temeer omdat er nog weinig ervaring is opgedaan met dergelijke tenders voor opschaling elektrolyse capaciteit. Ik verwacht een capaciteit van 500 MW te realiseren op basis van de huidige verwachtingen voor de prijzen van elektriciteit, aardgas en CO2. Als deze prijzen ongunstig uitpakken kan de gerealiseerde capaciteit ook de helft lager worden. De uitkomsten van de openstelling van de OWE in 2023 zullen inzichten bieden die worden meegenomen in deze tender van € 1.000 miljoen.