Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 30 maart 2026
In deze brief informeer ik uw Kamer over uitstel van de beoogde inwerkingtreding van het keuzerecht bedrag ineens (Kamerstuk 36 154) naar 1 januari 2029.
Uitstel inwerkingtreding naar 1 januari 2029
Op 29 januari 2026 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer laten weten dat het niet langer haalbaar is om het keuzerecht bedrag ineens per 1 juli 2026 in werking te laten treden, en het aan een nieuw kabinet is om te besluiten over een nieuwe inwerkingtredingsdatum.1
De commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Eerste Kamer heeft in de vergadering van 10 februari besloten het wetsvoorstel pas plenair te behandelen wanneer het nieuwe kabinet duidelijkheid kan bieden over het moment van inwerkingtreding van de wet mede in relatie tot de transitie van het pensioenstelsel.
De regering heeft er oog voor dat de transitie veel tijd en capaciteit vergt van pensioenuitvoerders. Uit overleg met de Pensioenfederatie blijkt dat pensioenuitvoerders een voorkeur hebben voor een inwerkingtreding van het keuzerecht na de transitie. De huidige combinatie van beide trajecten ervaren zij als uitdagend. Gegeven het belang dat het Ministerie van SZW hecht aan de implementatie van de transitie als ook goede communicatie en keuzebegeleiding wil het ministerie niet voorbijgaan aan de signalen die vanuit uw Kamer en vanuit de sector zijn afgegeven.
De invoering van de Wet herziening bedrag ineens wordt uitgesteld van 1 juli 2026 naar 1 januari 2029. Dit leidt tot een budgettaire derving in 2026, 2027 en 2028. Dit is meegenomen in het lastenpad dat is vastgesteld in de Voorjaarsnota.2
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief