Gepubliceerd: 18 oktober 2021
Indiener(s): Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD)
Onderwerpen: gezin en kinderen sociale zekerheid
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35845-19.html
ID: 35845-19
Origineel: 35845-2

Nr. 19 NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 22 oktober 2021

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In het opschrift wordt na «2024» ingevoegd «of totdat de beoogde dekking is gerealiseerd».

B

In de beweegreden wordt na «2024» ingevoegd «of totdat de beoogde dekking is gerealiseerd».

C

Het in artikel I voorgestelde artikel 13a wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot het derde en vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

2. Het eerste lid vindt slechts toepassing voor zover daarmee wordt bewerkstelligd dat niet-indexering als bedoeld in het eerste lid zowel structureel per jaar vanaf 2025 ten minste € 130 miljoen als cumulatief ten minste € 400 miljoen over de periode 2022 tot en met 2025 oplevert. Indien beide in de vorige volzin genoemde bedragen nog niet behaald zijn en niet-indexering zou leiden tot overschrijding van beide bedragen, kan om die bedragen te behalen:

a. gedeeltelijke indexering van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde bedragen plaatsvinden;

b. het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde percentage met minder dan 0,1%-punt worden verlaagd.

2. Het derde lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt na «1 januari 2024» ingevoegd «of, in de in het tweede lid bedoelde situatie, de in dat lid bedoelde datum,».

b. In onderdeel a wordt «2022» vervangen door «een jaar en drie maanden voor die datum».

c. In onderdeel b wordt «2023» vervangen door «negen maanden voor die datum indien die wijziging op 1 januari plaatsvindt of over de maand oktober negen maanden voor die datum indien die wijziging op 1 juli plaatsvindt».

Toelichting

Met het voorstel van wet houdende het niet-indexeren van het basiskinderbijslagbedrag en het extra bedrag van de kinderbijslag in de Algemene Kinderbijslagwet over de jaren 2022, 2023 en deels over 2024 wordt beoogd dekking te bieden aan de noodzakelijke investeringen in het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank en het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen. De investeringen maken onderdeel uit van het totaalpakket waarin ook het betaald ouderschapsverlof is opgenomen.

Het basiskinderbijslagbedrag en het extra bedrag aan kinderbijslag voor alleenstaanden en alleenverdienende ouders met een thuiswonend zorgintensief kind worden tweemaal per jaar geïndexeerd met de consumentenprijsindex. Ten tijde van het opstellen van het wetsvoorstel waren de geraamde opbrengsten door de kinderbijslagbedragen niet te indexeren over de jaren 2022, 2023 en deels 2024 (0,1%-punt minder) in lijn met de benodigde investeringen. Omdat het de verwachting is dat de daadwerkelijke inflatie mogelijk hoger zal zijn dan ten tijde van het opstellen van het wetsvoorstel, is het de verwachting dat met het niet-indexeren over de genoemde jaren, door een stijgende consumentenprijsindex, mogelijk een hoger bedrag dan de benodigde dekking voor de uitvoeringsorganisaties wordt gerealiseerd.

Met dit voorstel wordt de indexering van de kinderbijslagbedragen over 2023 en 2024 afhankelijk gemaakt van de geraamde dekkingsopbrengsten (de gewenste opbrengsten voor het genoemde totaalpakket van zowel € 130 miljoen structureel vanaf 2025 als cumulatief € 400 miljoen over de toenmalige begrotingshorizon (2022–2025)) gebaseerd op de toename van de consumentenprijsindex op 1 januari of 1 juli van de jaren 2022 en 2023. Om te voorkomen dat niet-indexering leidt tot een te hoge opbrengst, voorziet dit voorstel in de mogelijkheid om in 2023 (gedeeltelijk) te indexeren en voor 2024 om het indexeringspercentage met minder dan 0,1%-punt te verlagen. Nadat de gewenste opbrengsten van € 130 miljoen structureel en € 400 miljoen cumulatief zijn gerealiseerd, worden de genoemde kinderbijslagbedragen met ingang van het eerste vaste moment (1 januari of 1 juli) geïndexeerd conform de wettelijke systematiek van de artikelen 13, tweede en derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet. Concreet betekent dit dat voor het basiskinderbijslagbedrag in oktober en april wordt bepaald wat de totale dekkingsopbrengsten zijn op dat moment en of, en in welke mate niet-indexering op respectievelijk 1 januari of 1 juli daaropvolgend aan de orde moet zijn teneinde de eerder aangegeven dekkingsopbrengsten te realiseren. Voor het extrabedrag aan kinderbijslag wordt in oktober bepaald of en in welke mate niet-indexering op 1 januari daaropvolgend aan de orde moet zijn.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.D. Wiersma